Vrijwilligerswerk in s-hertogenbosch



Vergelijkbare documenten
Vrijwilligerswerk in s-hertogenbosch

Hoofdstuk 20. Vrijwilligerswerk

Hoofdstuk 22 Vrijwilligerswerk

Vrijwilligerswerk, mantelzorg en sociale contacten

Hoofdstuk 19. Vrijwilligerswerk

Vrijwilligerswerk. Gemeente Amersfoort Dorien de Bruijn, Ben van de Burgwal 14 juli 2014

Mantelzorg in s-hertogenbosch

3.5 Voorzieningen in de buurt

Sociale kracht in Houten Burgerpeiling 2014

Sportparticipatie Volwassenen

Vrijwilligerswerk in de gemeente Roosendaal

Grafiek 26.1a Het vóórkomen van verschillende vormen van discriminatie in Leiden volgens Leidenaren, in procenten 50% 18% 19% 17% 29%

Hoofdstuk 8. Vrijwilligerswerk

Stadsenquête Leiden 2010

Hoofdstuk 24 Financiële situatie

53% 47% 51% 54% 54% 53% 49% 0% 25% 50% 75% 100% zeer moeilijk moeilijk komt net rond gemakkelijk zeer gemakkelijk

Hoofdstuk 23 Discriminatie

Betrokkenheid van buurtbewoners. Uitgevoerd door Dimensus in opdracht van gemeenten Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest Vergelijking gemeenten 2015

Uit huis gaan van jongeren

22 CENTRUM VOOR JEUGD EN GEZIN EN JONGEREN OP GEZOND GEWICHT

Hoofdstuk 19. Vrijwilligerswerk (en mantelzorg)

LelyStadsGeluiden. De mening van de jongeren gepeild. School en werk 2007

Hoofdstuk 21 Mantelzorg

Weinig mensen sociaal aan de kant

Arbeidsdeelname van paren

Grafiek 23.1a Bezoek aan culturele voorstellingen en voorzieningen de afgelopen 12 maanden, % 26% 26% 26% 19% 17% 12% 10%

FACTSHEET CONTINU ONDERZOEK ROOKGEWOONTEN 2013

Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne. Onderzoek onder allochtone Nederlanders

Evaluatie hinder bij wegwerkzaamheden

Buurtprofiel: Nazareth hoofdstuk 5

Is jouw maand ook altijd iets te lang? Onderzoek Jongerenpanel Tilburg

Buurtprofiel: Limmel hoofdstuk 7

Kiezers en potentiële kiezers van 50PLUS

centrum voor onderzoek en statistiek

Hoofdstuk 17. Financiële dienstverlening

Hoofdstuk 11. Financiële dienstverlening

Grafiek 19.1 Percentage Leidenaren dat zich zorgen maakt over luchtkwaliteit, naar stadsdeel en leeftijdsgroep* 0% 25% 50% 75% 100%

Hoofdstuk 10. Financiële situatie

Elektronische dienstverlening

Tilburg en Kunst. Onderzoek Jongerenpanel Tilburg. Onderzoek uitgevoerd in opdracht van: Gemeente Tilburg. DIMENSUS beleidsonderzoek November 2013

Samenvatting 2-meting effectonderzoek integratiecampagne. Onderzoek onder autochtone Nederlanders

Samenvatting 3-meting effectonderzoek integratiecampagne. Onderzoek onder autochtone Nederlanders

Huiselijk Geweld in 's-hertogenbosch. Omvang, kenmerken en meldingen

Onderzoek. Kind en Opvoeding jaar

Ervaringen van vrijwilligers

Meeste werknemers tevreden met aantal werkuren

Sportparticipatie Kinderen en jongeren

Buurtprofiel: Pottenberg hoofdstuk 9

RAPPORTAGE RESULTATEN 0-METING 19 OKTOBER 17 NOVEMBER 2015

Tevredenheid over MEE. Brancherapport Een onderzoek in opdracht van MEE Nederland. Marieke Hollander Betty Noordhuizen BA3913

1 Opzet tabellenboek, onderzoeksopzet en respondentkenmerken

Klanttevredenheidsonderzoek Wmo 2008 Gemeente Nijkerk

Bestuurlijke toekomst gemeente Nuenen c.a.: de opvattingen van de inwoners

Mannen geven veel vaker leiding dan vrouwen

Buurtprofiel: Wyckerpoort hoofdstuk 10

Verhuisplannen en woonvoorkeuren

Hoofdstuk 10. Trendvragen financiële situatie Hoofdstuk 11. Financiële situatie

Straatintimidatie Amsterdam. Factsheet Onderzoek, Informatie en Statistiek

Wonen zonder partner. Arie de Graaf en Suzanne Loozen

Dordt sport! Inhoud 2014 DE BELANGRIJKSTE ONTWIKKELINGEN OP EEN RIJ. 1 Sporten

Rapport monitor Opvang asielzoekers. week 8 t/m 11. Onderzoek naar houding van Nederlanders t.a.v. de opvang van asielzoekers.

Waar staat je gemeente. Gemeente Enschede

Hoofdstuk 17. Financiële dienstverlening

ONDERZOEK GEMEENTEGIDS

Maatschappelijke waardering van Nederlandse Landbouw en Visserij

Stageplaza.nl. Nationaal Docentenonderzoek De Ruyterkade 106 II 1011 AB Amsterdam Tel : Fax : I :

FORMELE GESPREKKEN, REGELDRUK EN REGELRUIMTE. Analyse op basis van het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek mei 2016

Eenzaamheid en vrijwilligerswerk. Rapport. Eenzaamheid en vrijwilligerswerk

De mening van de inwoners gepeild. Leefbaarheid 2015

Buurtprofiel: Wittevrouwenveld hoofdstuk 3

Hoofdstuk 8. Openbare Bibliotheek

1 Inleiding: de metamorfose van de arbeidsmarkt

Vara - Kassa 3 Resultaten Aflevering 6 winkelpersoneel 1 12 juni 2007

Onderzoek en Statistiek Gemeente Lelystad Telefoon:

Hoofdstuk 13. Arbeidsmarkt

Buurtprofiel: Heugemerveld hoofdstuk 11

Minder instroom in, meer uitstroom uit arbeidsmarkt

Waardering van leefbaarheid en woonomgeving

Kinderen in Nederland - Bijlage B Respons, representativiteit en weging

Cliëntervaringsonderzoek Wmo gemeente Simpelveld

Werkloosheid Redenen om niet actief te

Gemiddeld gebruik van internet via verschillende media, in procenten (meer antwoorden mogelijk) 52% 37% 0% 20% 40% 60% 80% 100%

De mensen van de Vierdaagse. Hidde Bekhuis en Koen Breedveld

Gemeentelijke Dienstverlening. Omnibus 2009

Hoofdstuk 8. Financiële dienstverlening

Hoofdstuk 22. Openbare Bibliotheek

Aard en omvang van illegale kansspelen in Nederland Drs. G.H.J. Homburg en drs. E. Oranje Juli 2009

Uitgevoerd door Dimensus Huishoudelijke Hulp gemeente Oosterhout 2016

Inwonersenquête 2015

Participatie en gezondheid. Resultaten uit de Gezondheidsenquête 2016

Landelijke peiling Nijmegen Resultaten tussenmeting, begin juli 2005

Hoofdstuk 5 Openingstijden

Hoofdstuk 10 Parkeren

Buurtenquête hostel Leidsche Maan

Hoofdstuk 5. Trendvragen financiële situatie

Artikelen. Overwerken in Nederland. Ingrid Beckers en Clemens Siermann

Hoge werktevredenheid geen garantie voor doorwerken tot pensioen

Engelen. Wijk- en buurtmonitor 2016

Burgerpanel Gorinchem. 1 e peiling: Sociale monitor. Juli 2014

Hoofdstuk 24. Financiële dienstverlening

Transcriptie:

Vrijwilligerswerk in s-hertogenbosch Enquête over het vrijwilligerswerk in de gemeente s-hertogenbosch en de behoefte aan ondersteuning Onderzoek uitgevoerd in opdracht van: de gemeente s-hertogenbosch DIMENSUS beleidsonderzoek Juli 2010 Projectnummer 10 1

Inhoud Samenvatting 3 Inleiding 9 1 Wel of geen vrijwilliger 11 1.1 Aandeel vrijwilligers 11 1.2 Kenmerken van de vrijwilligers en niet-vrijwilligers 11 1.3 Redenen om vrijwilligerswerk te doen 15 1. Redenen om geen vrijwilligerswerk (meer) te doen 16 2 Het vrijwilligerswerk 19 2.1 De organisatie 19 2.2 De werkzaamheden 22 2.3 Tijdsinvestering 23 3 Behoefte aan ondersteuning 27 3.1 Problemen waar vrijwilligers tegenaan lopen 27 3.2 Behoefte aan ondersteuning 32 3.3 Oordeel over de ondersteuning 35 Vrijwilligerswerk in de toekomst 37.1 Bereidheid om meer vrijwilligerswerk te doen 37.2 Bereidheid om weer vrijwilligerswerk te doen 0.3 Bereidheid om vrijwilligerswerk te doen 2. Alle vrijwilligers op een rij. 5 Bijlagen I Responsoverzicht 7 II Vragenlijst 9 2

Samenvatting De gemeente s-hertogenbosch heeft evenals in 2008 een onderzoek laten uitvoeren naar het vrijwilligerswerk in de gemeente. Het onderzoek geeft zicht op het percentage vrijwilligers en potentiële vrijwilligers, op de werkzaamheden die worden verricht en de organisaties waarvoor men werkt als vrijwilliger, op de tijdsinzet, problemen waar men eventueel tegenaan loopt en de behoefte aan ondersteuning. Ook kunnen door een vergelijking met de resultaten uit 2008 mogelijke ontwikkelingen in de tijd worden waargenomen. Om de gegevens te verzamelen, is een telefonische enquête gehouden onder een willekeurige steekproef van inwoners van de gemeente s-hertogenbosch. In totaal zijn 1.005 enquêtes afgenomen. Het percentage vrijwilligers Van alle bewoners van s-hertogenbosch is een kwart (25%) momenteel actief als vrijwilliger. Een iets groter aandeel is nu niet als vrijwilliger actief maar heeft dit in het verleden wel gedaan (30%). Van de ondervraagde respondenten heeft % nog nooit vrijwilligerswerk gedaan. Deze verdeling wijkt vrijwel niet af van die uit 2008. Het percentage vrijwilligers is iets groter onder mannen (30%) dan onder vrouwen (23%). Ook zijn mensen tussen de 5 en 60 jaar iets meer dan gemiddeld actief als vrijwilliger (circa 30%). Verder zijn de verschillen naar huishoudenssamenstelling, etniciteit of het al dan niet hebben van een baan niet echt van invloed op de mate waarin mensen vrijwilligerswerk doen. Het opleidingsniveau speelt een grotere rol. Vooral respondenten met een lagere opleiding zijn minder vaak vrijwilliger (1%) dan respondenten met een hoog opleidingsniveau (32%). Het overall beeld is niet echt gewijzigd vergeleken met 2008. Op onderdelen is het patroon enigszins gewijzigd. Zo zijn de verschillen tussen verschillende groepen iets kleiner geworden dan in 2008. Motivatie De meeste vrijwilligers geven aan dat men vooral actief is als vrijwilliger omdat men het leuk vindt (79%) of omdat men op deze manier een bijdrage kan leveren aan de maatschappij (78%). Ook de sociale contacten (63%) spelen een belangrijke rol om dit te doen. Vergeleken met 2008 geven vrijwilligers nu vaker aan dat men zich actief hiervoor inzet omdat het werk anders blijft liggen of omdat men vaardigheiden kan trainen. Respondenten die geen vrijwilligerswerk (meer) doen geven als belangrijkste reden dat men geen tijd heeft (5%). Ook vindt een deel zich te oud hiervoor (30%) of vraagt het gezin teveel tijd om vrijwilligerswerk te doen (28%). Vergeleken met 2008 speelt tijdgebrek vanwege werk vaker een rol om geen vrijwilligerswerk te doen en de leeftijd of de fysieke situatie minder vaak. Respondenten brengen een groot aantal redenen naar voren om te stoppen met vrijwilligerswerk zoals de leeftijd, de gezins- of de persoonlijke situatie, het tijdsbeslag, de werkdruk, het krijgen van een betaalde baan, toe zijn aan iets anders, een verhuizing of het stoppen van het vrijwilligerswerk. Op hoofdlijnen wijken de redenen niet echt af van het onderzoek uit 2008. Alleen de leeftijd lijkt nu minder vaak een rol te spelen en de gezins- of persoonlijke situatie of het krijgen van een baan, het stoppen van het vrijwilligerswerk en/of het stellen van andere prioriteiten juist vaker. 3

Organisaties waar vrijwilligers werken Er wordt vrijwilligerswerk gedaan bij een groot aantal verschillende organisaties. Sport neemt de belangrijkste plaats in (19%), gevolgd door de gezondheidszorg (16%), de maatschappelijke dienstverlening (1%), verenigingen voor vrouwen, gehandicapten en allochtonen (13%), muziek, toneel en dergelijke (12%), kerkelijke en/of levensbeschouwelijke organisaties (11%) en school en de kinderopvang (10%). Vergeleken met 2008 nemen vooral verenigingen voor vrouwen, gehandicapten en allochtonen een belangrijkere plaats in (van 5% naar 13%). Ook bij organisaties die zich bezighouden met muziek, toneel en dergelijke zijn nu meer vrijwilligers actief (van 8% naar 12%). Kerkelijke of levensbeschouwelijke organisaties nemen juist een minder belangrijke plaats in. Mannen zijn vaker werkzaam bij organisaties voor muziek, toneel en dergelijke, vrouwen juist vaker op het gebied van de gezondheidszorg. In 2008 waren mannen vaker actief als vrijwilliger op sportgebied, nu zijn dit iets vaker vrouwen. Vrijwilligerswerk bij kerkelijke of levensbeschouwelijke organisaties wordt vaker door vrouwen gedaan. In de sportsector zijn vooral vrijwilligers van 30 tot 5 jaar actief. Dit geldt ook voor scholen en de kinderopvang. Kerkelijke of levensbeschouwelijke organisaties kennen meer 75-plussers als vrijwilliger. De meeste vrijwilligers (57%) zijn via via terecht gekomen bij de organisatie waar men werkzaam is. Ook het feit dat men zelf of een gezinslid lid is van de betreffende organisatie speelt vaker een rol (27%). Dit laatste speelt vaker bij sportorganisaties en bij scholen of de kinderopvang. Het via via netwerk speelt nu een grotere rol dan in 2008. Een directe eigen betrokkenheid bij de club of die van een familielid lid, is nu iets minder van belang dan in 2008. Wat doen vrijwilligers Ruim twee derde van de vrijwilligers is uitvoerend bezig, een derde heeft bestuurlijke of organisatorische taken en een kwart coördinerende of leidinggevende taken. Vrijwilligers zijn nu iets minder vaak uitvoerend bezig dan in 2008 (van 79% naar 69%) en vervullen vaker een coördinerende of leidinggevende rol (van 18% naar 2%). Mannen hebben net als in 2008 vaker een bestuurlijke of organisatorische rol (2%), vrouwen vaker een uitvoerende rol (76%). Ook mensen met een betaalde baan voeren als vrijwilliger vaker bestuurlijke of organisatorische (2%) of coördinerende / leidinggevende werkzaamheden (30%) uit. Tijdsbelasting Een kwart (27%) van de actieve vrijwilligers besteedt gemiddeld minder dan 2 uur per week aan vrijwilligerswerk, bij het merendeel gaat het om een tijdsbelasting van 2 tot 5 uur (0%). Bijna één op de vijf vrijwilligers is meer dan 10 uur per week kwijt aan vrijwilligerswerk (18%). Vrijwilligers met een betaalde baan besteden gemiddeld wat minder tijd aan vrijwilligerswerk. Aan uitvoerende taken wordt gemiddeld wat minder tijd per week besteed dan aan bestuurlijk / organisatorische en coördinerende / leidinggevende taken. Vrijwilligers die verbonden zijn aan de muziek of het toneel zijn hiermee vaak meer uren kwijt dan vrijwilligers die op sportgebied of op scholen of in de kinderopvang actief zijn. Periode dat men actief is als vrijwilliger De helft van de vrijwilligers is al meer dan 10 jaar actief. Hoe ouder vrijwilligers zijn, hoe langer men actief is als vrijwilliger. In de sportsector blijven vrijwilligers duidelijk langer

actief dan op scholen of in de kinderopvang. Ook vrijwilligers met bestuurlijke of organisatorische activiteiten zijn vaker langer hiermee bezig. Problemen waar men tegenaan loopt Circa één op de zes vrijwilligers loopt bij het uitvoeren van het vrijwilligerswerk nooit tegen problemen aan, 8% ondervindt wel hier en daar problemen. Hierin is niet echt iets gewijzigd vergeleken met 2008. Bij mensen die bestuurlijk / organisatorische en/of coördinerende / leidinggevende taken uitvoeren, ligt dit percentage wat hoger dan bij de mensen die uitvoerende of administratieve taken uitvoeren. Het belangrijkste probleem waar vrijwilligers tegenaan lopen is het tekort aan vrijwilligers (59%). Van de vrijwilligers vindt 38% dit een groot en 21% enigszins een probleem. Andere problemen die vaker worden genoemd, zijn het niet nakomen van afspraken (9% groot en 25% enigszins een probleem) en de tijdsinvestering (9% groot, 16% enigszins). In 2008 speelden dezelfde problemen de grootste rol. Naar sector waar men werkzaam is, varieert het beeld nogal. Naar type werkzaamheden valt op dat vooral vrijwilligers die uitvoerend bezig zijn, minder vaak problemen ervaren. Naast de voorgelegde problemen ervaart één op de tien vrijwilligers nog andere problemen. Hierbij wijzen vrijwilligers vooral op de moeite die het kost om nieuwe vrijwilligers te krijgen, vooral jongeren. Ondersteuning Net als twee jaar geleden geeft het merendeel van de vrijwilligers (93%) aan vanuit de organisatie waarvoor men werkt voldoende steun te krijgen bij het uitvoeren van het werk. De tevredenheid over de ondersteuning vertaalt zich ook in een ruime voldoende (7,6) als gemiddeld rapportcijfer hiervoor. Het oordeel hierover loopt nauwelijks uiteen naar type organisatie of aard van de werkzaamheden. De meeste actieve vrijwilligers hebben dan ook geen behoefte aan meer of andere ondersteuning (90%). Van de 10% die wel ondersteuning zou willen, denkt 7% vooral aan meer ondersteuning en 3% aan andere ondersteuning. Mannen (10%) hebben vaker behoefte aan meer ondersteuning dan vrouwen(%).vrijwilligers die uitvoerend bezig zijn, hebben hieraan minder vaak behoefte. Vergeleken met 2008 hebben vooral vrijwilligers die bestuurlijke of organisatorische werkzaamheden uitvoeren, vaker behoefte aan ondersteuning. De vorm waarin de ondersteuning zou moeten worden aangeboden is erg divers en allemaal maar één of enkele keren genoemd. Het gaat bijvoorbeeld om een klankbord, secretariële ondersteuning, begeleiding en/of coaching. Bereidheid tot meer vrijwilligerswerk Eén op de drie actieve vrijwilligers (33%) is bereid om meer vrijwilligerswerk te gaan uitvoeren in de nabije toekomst. Mensen die nu administratief werk doen, zijn hiertoe iets minder vaak bereid. De werkzaamheden die men wil gaan doen zijn vooral uitvoerend (75%) en betreffen minder vaak bestuurlijke of organisatorische taken (37%) of coördinerende / leidinggevende taken (26%). De werkzaamheden komen daarmee aardig overeen met de taken die men nu al doet. Als men denkt aan uitbreiding van het vrijwilligerswerk dan wil 59% daar maximaal 5 uur extra aan besteden. In 2008 wilden meer vrijwilligers hieraan maximaal 5 uur besteden (7%). 5

Bereidheid om weer vrijwilligerswerk op te pakken Van de vrijwilligers die actief zijn geweest maar het nu niet meer zijn, geeft circa de helft (53%) aan in de nabije toekomst weer vrijwilligerswerk te willen gaan doen. Dit komt overeen met 2008 toen 55% het vrijwilligerswerk weer wilde gaan oppakken. Respondenten die nu een betaalde baan hebben, deel uitmaken van een gezin met kinderen en vaker een hoger inkomens- of opleidingsniveau hebben, geven vaker aan weer vrijwilligerswerk te willen gaan doen. Het moment hangt veelal samen met het pensioen of de vut of als de kinderen allemaal naar school zijn. Men denkt daarbij vooral aan uitvoerende taken (73%) en minder aan bestuurlijke of organisatorische (35%) of aan coördinerende of leidinggevende (19%) taken. De meeste mensen denken tussen 2 en 6 uur tijd te gaan besteden aan vrijwilligerswerk (55%). Bereidheid om vrijwilligerswerk te gaan doen Van de respondenten die nooit vrijwilligerswerk hebben gedaan, geeft 0% aan dit wel te willen doen. Ook voor hen hangt dit vooral samen met pensioen (3%) of het uit huis gaan van kinderen (19%). De werkzaamheden wijken ook vrijwel niet af van de werkzaamheden van de actieve vrijwilligers. Qua tijdsinvestering denken ook zij veelal aan 2 tot 6 uur (53%). Conclusie Percentage actieve vrijwilligers, potentiële vrijwilligers en niet-vrijwilligers, in procenten (N is resp. 992 en 927) actieve vrijwilligers, willen uitbreiding actieve vrijwilligers, geen uitbreiding actief geweest, wil weer vrijwilligerswerk doen actief geweest, geen vrijwilligerswerk meer geen vrijwilliger, maar wil dit wel geen vrijwilliger en wil dit ook niet 8 9 17 18 16 1 1 13 20 25 2010 2008 geen vrijwilliger 6 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 Het onderzoek wijst uit dat ongeveer een kwart van de bevolking actief is als vrijwilliger. De kenmerken van de ondervraagde vrijwilligers wijken iets af van die bij de vorige meting. De verschillen met de vorige meting zijn voor een belangrijk deel hieraan toe te schrijven. Groot zijn de verschillen echter niet. Van de vrijwilligers is een derde bereid om meer vrijwilligerswerk te doen. Een kwart tot een derde is wel actief geweest als vrijwilliger (30%), maar is dat nu niet meer. De helft van hen (16%) is bereid onder bepaalde voorwaarden opnieuw vrijwilligerswerk op te pakken (potentiële vrijwilligers). Vier van de tien respondenten hebben nooit iets te maken gehad met vrijwilligerswerk. Van hen heeft 18% aangegeven dit wel te willen gaan doen. Dit betekent dat in totaal circa 60% van alle ondervraagde respondenten vrijwilligerswerk doet (26%) of wil gaan doen (37%). Hier kan nog circa 10% bijkomen van respondenten die hebben aangegeven onder bepaalde voorwaarden wel vrijwilligerswerk te gaan doen. 6

De randvoorwaarden hangen veelal samen met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of het uit huis gaan van kinderen. Vrijwilligerswerk is voor de bewoners van belang omdat men het leuk vindt om te doen maar ook omdat men op die manier een bijdrage kan leveren aan de maatschappij. Vrijwilligerswerk wordt op een groot aantal terreinen uitgevoerd zoals sport, cultuur, gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening. Ook voor de kerkelijke of andere levensbeschouwelijke organisaties en voor scholen / kinderopvang wordt in verhouding veel vrijwilligerswerk gedaan. Het gaat daarbij vooral om uitvoerende taken. De meeste vrijwilligers zetten hiervoor minder dan 10 uur per week in. Het belangrijkste probleem waar vrijwilligers tegenaan lopen is het tekort aan vrijwilligers. Ruim de helft van de vrijwilligers brengt dit aspect naar voren. Andere problemen die vaker naar voren komen, zijn het niet nakomen van afspraken en de te grote tijdbelasting. Overigens ervaart men de steun die men krijgt vanuit de organisatie waarvoor men werkt in het algemeen wel als voldoende. Veel behoefte aan extra of andere ondersteuning is er dan ook niet. De bereidheid om meer vrijwilligerswerk te gaan doen, het vrijwilligerswerk weer opnieuw op te pakken of hiermee te starten is relatief groot. Omdat velen dit koppelen aan de pensioengerechtigde leeftijd of het uit huis gaan van kinderen, kan de gemeente hier zelf niet echt sturend in optreden. Opvallend is wel dat de bereidheid van lager opgeleiden en lagere inkomensgroepen lager is dan gemiddeld. Mogelijk kunnen veel mensen in deze groep de weg naar het vrijwilligerswerk moeilijker vinden of is het lastiger om drempels weg te nemen om vrijwilligerswerk te gaan doen. Ook deze groep vormt echter een belangrijk potentieel aan vrijwilligers om het gesignaleerde tekort aan vrijwilligers te kunnen aanvullen. De resultaten van deze meting vertonen een grote gelijkenis met die van de vorige meting. Verschillen die er zijn, kunnen veelal worden teruggebracht tot kleine verschillen tussen de ondervraagde vrijwilligers van nu en die uit 2008. Zo is het aandeel mannen dat vrijwilligerswerk doet significant lager. 7

8

Inleiding In opdracht van de afdeling Welzijn van de gemeente s-hertogenbosch heeft DIMENSUS een onderzoek uitgevoerd naar vrijwilligerswerk in de gemeente. Dit onderzoek is eerder in mei 2008 gehouden. In mei 2010 heeft de herhaling plaatsgevonden. Doel van het onderzoek is te achterhalen welk aandeel van de (volwassen) bevolking vrijwilligerswerk doet, wat de belangrijkste redenen zijn om wel of geen vrijwilligerswerk te doen, tegen welke problemen vrijwilligers aanlopen en welke ondersteuning de gemeente hierbij mogelijk kan bieden. Om de gegevens voor het onderzoek te verkrijgen is een telefonische enquête gehouden onder een willekeurige selectie van de inwoners van de s-hertogenbosch. Er zijn in totaal 1.005 enquêtes afgenomen, een respons van 6%. Hiervan hebben er 263 (26%) aangegeven actief te zijn als vrijwilliger. Hierin is weinig veranderd sinds 2008, toen 27% van de respondenten aangaf vrijwilliger te zijn. Als criteria hiervoor gelden: het gaat niet om eenmalige activiteiten, het gaat om georganiseerd vrijwilligerswerk en het is niet betaald. Na de eerste selectievraag hebben de mensen die actief zijn als vrijwilliger een uitgebreidere enquête gekregen. In deze rapportage zijn de onderzoeksresultaten weergegeven. In het eerste hoofdstuk wordt een beeld geschetst van het aandeel vrijwilligers in s-hertogenbosch en de kenmerken van de vrijwilligers. De organisaties waarbij vrijwilligerswerk wordt gedaan, het type vrijwilligerswerk en de tijdsbesteding hieraan vormen het onderwerp van het tweede hoofdstuk. In hoofdstuk drie wordt aandacht geschonken aan de problemen waar vrijwilligers tegenaan lopen en de behoefte aan ondersteuning. In het vierde hoofdstuk wordt ingegaan op de bewoners die in de toekomst weer of meer vrijwilligerswerk zouden willen doen. Indien relevant wordt een onderscheid gemaakt naar geslacht, leeftijdsgroep, huishoudenstype, herkomst en opleidings- en inkomensniveau. Aangetekend moet daarbij worden dat het vooral bij jongeren (tot 30 jaar) gaat om kleine absolute aantallen. Ook wordt een vergelijking gemaakt met de vorige meting om te kijken of er bepaalde trends zijn waar te nemen. 9

10

1 Wel of geen vrijwilliger 1.1 Aandeel vrijwilligers Aandeel vrijwilligers, 2010 en 2008, in procenten (N is resp. 1005 en 927) actief als vrijwilliger 26 27 actief geweest 30 27 2010 2008 geen vrijwilliger 6 0 20 0 60 80 100 Voor het al dan niet verrichten van vrijwilligerswerk zijn de volgende drie criteria gehanteerd: het gaat niet om eenmalige activiteiten, het gaat om georganiseerd vrijwilligerswerk en het is niet betaald. Uitgaande van deze criteria kan worden vastgesteld dat circa een kwart van de inwoners van s-hertogenbosch als vrijwilliger actief is. Een iets groter aandeel (30%) is dit nu niet, maar is dit in het verleden wel geweest. Circa vier op de tien ondervraagde inwoners van Den Bosch (%) heeft nooit vrijwilligerswerk gedaan. Het aandeel bewoners dat vrijwilligerswerk doet, is niet veranderd vergeleken met 2008. 1.2 Kenmerken van vrijwilligers en niet-vrijwilligers Geslacht en leeftijd Actief als vrijwilliger, naar geslacht en leeftijdsgroep (N=1003) vrouwen (N=5) 23 31 6 mannen (N=59) 30 29 1 tot 30 jaar (N=17) 29 2 7 30- jaar (N=329) 22 30 8 5-59 jaar (N=28) 30 29 1 60-7 jaar (N=281) 30 26 75 plus (N=16) 17 39 0% 20% 0% 60% 80% 100% actief actief geweest niet actief 11

Actief als vrijwilliger, 2010 en 2008, naar geslacht (N is resp. 1003 en 927) actief: vrouwen actief: mannen 23 21 30 36 actief geweest: vrouwen actief geweest: mannen 23 31 30 29 2010 2008 0 20 0 60 80 100 Actief als vrijwilliger, 2010 en 2008, naar leeftijdsgroep (N is resp. 1003 en 927) actief: tot 30 jaar actief: 30- jaar actief: 5-59 jaar actief: 60-7 jaar actief: 75 plus 29 21 22 26 30 31 30 29 17 29 2010 2008 actief geweest: tot 30 jaar actief geweest: 30- jaar actief geweest: 5-59 jaar actief geweest: 60-7 jaar actief geweest: 75 plus 2 2 30 29 29 29 26 22 29 39 0 20 0 60 80 100 Mannen (30%) doen vaker vrijwilligerswerk dan vrouwen (23%). Naar leeftijd valt op dat 75-plussers minder vaak actief zijn als vrijwilliger. Ook onder 30 tot 5-jarigen is het aandeel vrijwilligers iets lager dan gemiddeld. Vergeleken met 2008 doen jongeren vaker vrijwilligerswerk en 75-plussers juist minder vaak. Het aandeel 75-plussers dat actief is geweest, is nu juist hoger dan in 2008. Opgemerkt moet hierbij worden dat het aantal ondervraagde jongeren tot 30 jaar relatief klein is. In 2008 gold dit ook voor het aantal ondervraagde 75- plussers. Mannen doen ook nu nog steeds vaker vrijwilligerswerk dan vrouwen, het verschil is echter kleiner dan in 2008. Het aandeel mannen dat in het verleden vrijwilligerswerk heeft gedaan, ligt bij deze meting iets hoger dan in 2008. Naar leeftijd en geslacht zijn de verschillen tussen de twee metingen echter niet significant. 12

Huishoudenstype en etniciteit Actief als vrijwilliger, naar huishoudenstype (N=996) alleenstaand (N=285) 2 28 8 samenw. zonder kinderen (N=361) 28 30 2 samenw. met kinderen (N=296) 27 30 3 eenoudergezin (N=29) 21 52 27 0% 20% 0% 60% 80% 100% actief actief geweest niet actief Naar huishoudenssamenstelling zijn de verschillen heel klein en niet significant. Vergeleken met de vorige meting is het aandeel alleenstaanden dat vrijwilligerswerk doet iets groter (19% in 2008) en het aandeel vrijwilligers dat deel uitmaakt van een gezin met kinderen, is juist iets lager (31% in 2008). De verschillen zijn echter niet significant. Actief als vrijwilliger, naar etniciteit (N=1002) autochtone Nederlanders (N=913) 27 30 3 allochtone Nederlanders (N=89) 22 28 9 0% 20% 0% 60% 80% 100% actief actief geweest niet actief Ook tussen allochtone en autochtone inwoners is het verschil naar de mate waarin men als vrijwilliger actief is (geweest), klein en niet significant. Het aandeel actieve vrijwilligers van allochtone afkomst ligt nu iets hoger dan in 2008 (van 18% naar 22%). Ook hierbij is echter geen sprake van significante verschillen. Betaalde baan Actief als vrijwilliger, naar wel of geen betaalde baan en aantal uren (N=1003/515) geen betaald werk (N=72) 27 31 2 betaald werk (N=531) 25 29 6 baan < 12 uur (N=21) 19 2 57 baan 12-32 uur (N=163) 30 26 baan >32 uur (N=331) 2 30 7 0% 20% 0% 60% 80% 100% actief actief geweest niet actief 13

Er is geen significant verschil in het percentage vrijwilligers onder de bewoners met en zonder betaalde baan. Ook naar het aantal uren dat mensen werken, verschilt het beeld vrijwel niet. Het beeld is niet significant veranderd vergeleken met 2008 wat betreft het aandeel vrijwilligers onder mensen met of zonder betaald werk. Naar aantal uren dat men werkt, is geen goede vergelijking met 2008 mogelijk omdat de vraagstelling is veranderd. Opleidings- en inkomensniveau Actief als vrijwilliger, naar opleidings- (N=909) en inkomensniveau (N=713) opleidingsniveau: laag (geen, basisond, LO) (N=19) 1 2 62 gemiddeld (MO, havo/vwo) (N=360) 26 29 5 hoog (HBO/WO) (N=19) 32 3 3 inkomensniveau: laag (< 2000) (N=333) 22 29 9 gemiddeld ( 2000-3500) (N=297) 30 33 37 hoog (> 3500) (N=208) 27 33 0 0% 20% 0% 60% 80% 100% actief actief geweest niet actief Naar opleidingsniveau zijn de verschillen groter. Vooral lager opgeleiden (1%) verrichten minder vaak vrijwilligerswerk dan hoger opgeleiden (32%). Ook onder huishoudens met een laag inkomen, is het aandeel dat aan vrijwilligerswerk doet minder groot (22%). Het aandeel mensen met een hoog inkomen dat nu vrijwilligerswerk doet, ligt duidelijk lager dan in 2008 toen bijna de helft van de respondenten (van 5% naar 27%) aangaf actief te zijn als vrijwilliger. Onder hoger opgeleiden ligt het aandeel vrijwilligers nu significant lager (van 0% naar 32%). 1

1.3 Redenen om vrijwilligerswerk te doen Redenen om vrijwilligerswerk te doen, in procenten van de respondenten die actief zijn als vrijwilliger (N=263) (meer antwoorden mogelijk) leuk, ontspanning bijdrage aan maatschappij 79 78 15 1 voor sociale contacten 63 16 werk blijft anders liggen 38 2 training vaardigheden opstap naar betaald werk 3 2 26 15 zeker enigszins 0 20 0 60 80 100 Er zijn duidelijk twee belangrijke redenen waarom mensen vrijwilligerswerk doen. Mensen vinden het leuk en/of leveren op die manier een bijdrage aan de maatschappij. Voor ruim drie kwart van de huidige vrijwilligers speelt dit zeker een rol, voor nog eens 1% tot 15% enigszins. Ook de sociale contacten zijn vaker een aanleiding om vrijwilligerswerk te doen. Zo geven twee van de drie vrijwilligers aan dat dit aspect zeker een rol speelt, naast 16% waarvoor dit enigszins speelt. Ruim een derde van de vrijwilligers doet het werk vooral omdat het anders blijft liggen, bij een kwart van de vrijwilligers speelt dit enigszins een rol. Daarnaast geeft één op de vier vrijwilligers aan dat het trainen van vaardigheden een belangrijke reden is om vrijwilligerswerk te doen, voor 15% speelt dit enigszins een rol. Een opstap naar betaald werk is voor vrijwel niemand een reden om vrijwilligerswerk te doen. Redenen om vrijwilligerswerk te doen, 2010 en 2008, in procenten van de respondenten die actief zijn als vrijwilliger (N is resp. 263 en 26) (meer antwoorden mogelijk) leuk, ontspanning* bijdrage aan maatschappij voor sociale contacten werk blijft anders liggen* training vaardigheden* opstap naar betaald werk 5 5 31 1 7 62 79 77 9 89 92 92 2010 2008 0 20 0 60 80 100 * significante verschillen Respondenten geven nu iets vaker aan dat men vrijwilligerswerk doet omdat men het leuk vindt dan in 2008. Ook de redenen dat het werk anders blijft liggen of dat men hierdoor vaardigheden traint, spelen nu vaker een rol. Deze verschillen zijn significant. 15

Twee belangrijkste redenen om vrijwilligerswerk te doen, 2010 en 2008, in procenten van de respondenten die actief zijn als vrijwilliger (N is resp. 263 en 26) bijdrage aan maatschappij* leuk, ontspanning voor sociale contacten werk blijft anders liggen training vaardigheden opstap naar betaald werk andere reden 1 1 5 1 13 11 3 31 52 52 61 69 2010 2008 0 20 0 60 80 100 Ook als wordt gevraagd naar de twee belangrijkste redenen om vrijwilligerswerk te doen, staan de bijdrage aan de maatschappij (61%) en de ontspanning (52%) bovenaan. Een derde vindt het opdoen van sociale contacten het belangrijkst (3%). Vrijwilligers geven nu significant minder vaak aan dat men dit doet om een bijdrage te leveren aan de maatschappij dan in 2008 (significant verschil). Het aantal vrijwilligers dat een andere reden noemt is nu veel groter. Een aantal vrijwilligers geeft aan iets terug te willen doen voor de club, mensen te willen helpen en bezig te zijn. Op hoofdlijnen is het beeld echter niet gewijzigd. 1. Redenen om geen vrijwilligerswerk (meer) te doen Redenen om geen vrijwilligerswerk te doen, in procenten van de respondenten die niet actief zijn als vrijwilliger (N=736) (meer antwoorden mogelijk) geen tijd ivm werk 5 8 te oud / fysiek niet in staat geen tijd ivm gezin 28 30 5 10 te zeer gebonden 15 1 geen tijd ivm hobby's 10 12 geen tijd ivm mantelzorg 9 6 geen contacten hiervoor 8 8 nooit bij stil gestaan past niet wordt niet betaald 7 5 5 8 zeker enigszins weet niet wat 3 6 te weinig waardering 2 5 0 20 0 60 16

De meest genoemde reden om geen vrijwilligerswerk (meer) te doen is gebrek aan tijd in verband met werk. Voor 5% van de mensen die geen vrijwilligerswerk doen, speelt dit zeker een rol, voor nog eens 8% enigszins. Daarnaast vindt een deel van de mensen zich te oud of is fysiek niet in staat voor vrijwilligerswerk (30% zeker, 5% enigszins). Ook tijdgebrek vanwege zorgen voor het gezin (28% zeker, 10% enigszins), hobby s (10% zeker, 12% enigszins) en/of mantelzorg (9% zeker, 6% enigszins) spelen een rol. Anderen voelen zich hierdoor juist te zeer gebonden (15% zeker, 1% enigszins), hebben hiervoor geen contacten (8% zeker, 8% enigszins) of hebben hierbij nooit stilgestaan (7% zeker, 8% enigszins). Te weinig waardering is vrijwel nooit een reden om geen vrijwilligerswerk te doen. Redenen die zeker of enigszins een rol spelen om geen vrijwilligerswerk te doen, 2010 en 2008, in procenten van de respondenten die niet actief zijn als vrijwilliger (N is respect. 677 en 736) geen tijd ivm werk* geen tijd ivm gezin te oud / fysiek niet in staat* te zeer gebonden geen tijd ivm hobby's geen contacten hiervoor geen tijd ivm mantelzorg nooit bij stil gestaan past niet weet niet wat wordt niet betaald te weinig waardering 22 20 16 1 15 15 15 15 10 8 9 9 8 8 7 7 29 27 39 38 3 35 6 53 2010 2008 0 20 0 60 80 100 * significante verschil Respondenten geven nu iets vaker aan geen tijd te hebben voor vrijwilligerswerk vanwege het werk dan in 2008 (van 39% naar 53%). Te oud of fysiek niet toe in staat speelt nu een minder grote rol (van 6% naar 35%). Beide aspecten wijken significant af van de resultaten van 2008. Wat de overige redenen betreft is het beeld echter niet veranderd. 17

Gestopt met vrijwilligerswerk Belangrijkste reden(en) om te stoppen met vrijwilligerswerk, in procenten van de respondenten die niet meer actief zijn als vrijwilliger, maar in het verleden wel vrijwilligerswerk hebben gedaan (N is resp. 303 en 252) leeftijd / gezondheid* gezins-/persoonlijke situatie* tijdsbeslag te groot werkdruk te hoog kreeg betaalde baan toe aan iets anders verhuizing vrijwilligerswerk hield op andere prioriteiten 5 1 1 12 12 10 11 7 8 9 8 8 20 19 29 sfeer in de organisatie pensioen / vut studie of opleiding onvoldoende begeleiding leeftijd respondent past niet in de organisatie 3 5 3 2 2 2 2 2010 2008 andere reden* 6 17 0 10 20 30 0 50 60 * significante verschillen Mensen zijn vooral gestopt met vrijwilligerswerk vanwege de leeftijd of de gezondheid of vanwege de gezins- of de persoonlijke situatie waardoor men andere keuzes heeft gemaakt. Daarnaast spelen nog andere redenen een rol zoals de tijdsbesteding die te groot is (1%), de werkdruk die als te hoog wordt ervaren (12%), het krijgen van een betaalde baan (11%), een verhuizing (8%) of het stoppen van het vrijwilligerswerk zelf (8%). Respondenten die ooit gestopt zijn, hebben nog een groot aantal verschillende redenen één of hooguit enkele keren naar voren gebracht zoals het gebrek aan waardering en een te grote gebondenheid. Op hoofdlijnen komen de redenen waarom vrijwilligers zijn gestopt met hun vrijwilligerswerk overeen met die uit 2008. Leeftijd en gezondheidsredenen zijn nu minder vaak naar voren gebracht, terwijl de gezins- en de persoonlijke situatie juist vaker naar voren zijn gebracht. Beide aspecten wijken significant af van de resultaten van 2008. Ook overige redenen zijn significant vaker genoemd in 2010. 18

2 Het vrijwilligerswerk 2.1 De organisatie Organisatie of sector waar men vrijwilligerswerk verricht, 2010 en 2008, in procenten van de vrijwilligers (N is resp. 265 en 252) sport gezondheidszorg maatschappelijke dienstverlening vereniging voor vrouwen, gehandicapten of allochtonen* 5 19 22 16 18 1 13 13.muziek, toneel e.d kerkelijk / levensbeschouwing 8 12 11 15 school, kinderopvang 10 9 belangenorganisatie / ideële doelen* 2 7 wijk- en buurtraad club en buurthuiswerk jeugd- en jongerenwerk.hobby / gezelligheidsver andere organisatie 5 3 5 3 3 3 2 6 6 2010 2008 0 10 20 30 0 50 60 * significante verschillen Vrijwilligers zijn actief bij organisaties op een groot aantal terreinen. De meeste vrijwilligers zijn actief in de sportsector (19%). Daarnaast gaat het vaker om de gezondheidszorg (16%), de maatschappelijke dienstverlening (1%), verenigingen voor vrouwen, gehandicapten, allochtonen en dergelijke (13%), muziek, toneel en dergelijke (12%), een kerkelijke of levensbeschouwelijke organisatie (11%) of de school of de kinderopvang (10%). Een deel van de vrijwilligers heeft nog een andere organisatie naar voren gebracht, voornamelijk in de natuur- en landschappelijke hoek. 19

Vergeleken met 2008 bevindt het werk van vrijwilligers zich iets minder vaak in de sport- en de gezondheidssector en iets vaker bij verenigingen voor vrouwen, gehandicapten, allochtonen en dergelijke (significant), bij belangenorganisaties en ideële doelen (significant) en op het gebied van muziek en toneel. Organisatie of sector waar men vrijwilligerswerk verricht, naar geslacht, in procenten van de vrijwilligers (N is 265) gezondheidszorg 13 20 kerkelijk / levensbeschouwing* maatschappelijke dienstverlening vereniging voor vrouwen, gehandicapten of allochtonen school, kinderopvang* 7 7 17 16 12 1 11 13 sport* 10 27.muziek, toneel e.d 9 15 belangenorganisatie / ideële doelen 6 9 jeugd- en jongerenwerk* 1 6 wijk- en buurtraad club en buurthuiswerk.hobby / gezelligheidsver 3 6 2 5 2 3 vrouwen mannen andere organisatie* 2 9 0 10 20 30 0 50 60 * significante verschillen Naar geslacht valt op dat mannen beduidend sterker vertegenwoordigd zijn in de sportsector en vrouwen juist meer in de gezondheidszorg, in kerkelijke of levensbeschouwelijke organisaties en op scholen of de kinderopvang. Daarnaast zijn mannen iets meer gericht op muziek en toneelwerk dan vrouwen. Ondanks de sterke gerichtheid van mannen op de sportsector, is deze toch gedaald vergeleken met 2008 (van 36% in 2008 naar 27% nu). Mannen hebben zich vergeleken met 2008 meer gericht op muziek, toneel en dergelijke (van 8% naar 15%). Bij vrouwen is het beeld meer constant vergeleken met 2008. De 20

gerichtheid op de gezondheidssector, het kerkelijke werk en de school en kinderopvang zijn alleen iets gedaald. De sportsector moet het vooral hebben van vrijwilligers van 30 tot 5 jaar (33%). Dit geldt ook voor de school en de kinderopvang (22%). Kerkelijke en levensbeschouwelijke organisaties zijn juist meer afhankelijk van 75-plussers (36%). Naar etniciteit verschilt het beeld nauwelijks (geen significante verschillen). Naar opleiding valt op dat hoger opgeleiden vaker als vrijwilliger actief zijn in de sportsector (25%) en dat lager opgeleiden vaker zijn gericht op hobby- en gezelligheidsverenigingen (10%) en verenigingen voor vrouwen, gehandicapten en allochtonen (28%). Wijze waarop men terecht is gekomen bij de organisatie Wijze waarop men terecht is gekomen bij de organisatie, waarin men vrijwilligerswerk verricht, 2010 en 2008* in procenten van de vrijwilligers (N is resp. 258 en 252) via via, eigen netwerk zelf/gezin lid van de organisatie via krant, omroep, internet e.d. via andere (vrijwilligers)organisaties via school via vrijwilligersorganisatie Galant via clubblad anders 6 3 5 1 1 1 1 1 1 3 13 27 3 2 57 2010 2008 * significante verschill en 0 20 0 60 80 100 In de meeste gevallen zijn de vrijwilligers via hun eigen netwerk (57%) terecht gekomen bij de organisatie waarvoor men vrijwilligerswerk doet. Bij een kwart van de vrijwilligers is het eigen lidmaatschap en/of dat van een gezinslid de aanleiding om vrijwilligerswerk bij die betreffende organisatie te gaan doen. Andere netwerken spelen duidelijk een minder grote rol, ook de organisaties die specifiek gericht zijn op vrijwilligerswerk als Galant. Het eigen netwerk is nu belangrijker dan in 2008. Het lidmaatschap van de organisatie of de krant of andere media inclusief internet spelen nu een iets minder belangrijke rol dan in 2008. De wijze waarop men aan vrijwilligerswerk is gekomen, wijkt significant af van 2008. 21

Wijze waarop vrijwilligers terecht zijn gekomen bij de organisatie naar sector waarin men vrijwilligerswerk verricht, in procenten van de vrijwilligers (N=258*) sport (N=50) 60 30 2 8 school, kinderopvang (N=26) 50 38 8 kerkelijk / levensbeschouwing (N=29) 21 58 7 1 muziek, toneel e.d. (N=31) 19 71 7 3 gezondheidszorg (N=2) 1 62 12 12 maatschappelijke dienstverlening (N=31) 13 68 3 16 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 * let op: kleine absolute aantallen zelf of gezinslid al lid via via / netwerk via media anders Vrijwilligers die bij een sportorganisatie actief zijn, zijn hier meer dan gemiddeld terecht gekomen doordat ze zelf of anderen uit het gezin lid zijn van de sportvereniging (60%). Ook bij vrijwilligerswerk op school of bij de kinderopvang speelt de directe persoonlijke betrokkenheid een grotere rol (50%). Bij de overige organisaties is dit veelal via via gelopen. Bij het vrijwilligerswerk in de gezondheidszorg hebben de krant of internet nog enigszins een rol gespeeld (12%). 2.2 De werkzaamheden Werkzaamheden die men verricht als vrijwilliger, 2010 en 2008, in procenten van de vrijwilligers (N is resp. 263 en 252) (meer antwoorden mogelijk) uitvoerend* bestuurlijk / organisatorisch coördinerend / leidinggevend* administratief 10 7 18 2 35 32 69 79 2010 2008 overig 6 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 * significante verschillen Twee derde van de vrijwilligers (69%) verricht vooral uitvoerende werkzaamheden voor de organisatie of vereniging. Een derde van alle vrijwilligers (35%) heeft een bestuurlijke of organisatorische rol en circa een kwart (2%) voert (ook) coördinerende of leidinggevende taken uit. 22

Vrijwilligers zijn nu minder vaak uitvoerend bezig dan in 2008 (van 79% naar 69%) en hebben vaker een coördinerende of leidinggevende taak (van 18% naar 2%). Bij beide aspecten gaat het om significante verschillen. Werkzaamheden die men verricht als vrijwilliger, naar geslacht, in procenten van de vrijwilligers (N=263) uitvoerend (N-181)* 63 76 bestuurlijk / organisatorisch (N=91) coördinerend / leidinggevend (N=6)* administratieve taken (N=25) 9 10 21 27 27 2 vrouwen mannen 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 * significante verschillen Mannen voeren meer dan gemiddeld bestuurlijke of organisatorische (2%) werkzaamheden uit. Ook coördinerende of leidinggevende taken liggen vaker bij mannen (27%) dan bij vrouwen (21%). Vrouwen voeren juist vaker uitvoerende werkzaamheden uit (76%, mannen 63%). Vrijwilligers met een betaalde baan, zijn vaker verantwoordelijk voor bestuurlijke of organisatorische (2%) en voor coördinerende of leidinggevende (30%) taken. Uitvoerende taken liggen juist iets minder vaak op hun bord (6%). Naar etniciteit en leeftijd verschillen de werkzaamheden vrijwel niet. Zowel mannen als vrouwen zijn nu minder vaak uitvoerend bezig en juist vaker coördinerend en leidinggevend dan in 2008. Vrijwilligers die bij een belangenvereniging of in de ideële sector of in de sportsector werken, hebben vaker dan gemiddeld coördinerende (63%) of leidinggevende (0%) taken. 2.3 Tijdsinvestering Tijdsbesteding per week Tijdsinvestering per week, door mensen met en zonder een betaalde baan, in procenten van de vrijwilligers (N=258) zonder een betaalde baan (N=125) 19 38 18 19 6 met een betaalde baan (N=133) 3 3 12 10 1 totaal 27 0 15 1 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 < 2uur 2-5 uur 6-10 uur 10-20 uur >20 uur 23

Tijdsinvestering per week, naar organisatie of sector waarin men vrijwilligerswerk verricht, in procenten van de vrijwilligers (N=258*) school, kinderopvang (N=25) 0 8 sport (N=50) 32 8 1 6 maatschapp. dienstv. (N=35) 31 23 17 23 6 kerkelijk / levensbeschouwing (N=30) 30 30 23 10 7 gezondheidszorg (N=1) 2 2 12 17 5 muziek, toneel e.d. (N=31) 7 35 29 26 3 * let op: kleine absolute aantallen 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 < 2uur 2-5 uur 6-10 uur 10-20 uur >20 uur Tijdsinvestering per week, naar aard van de werkzaamheden, in procenten van de vrijwilligers (N=258) uitvoerend (N=178) 29 2 12 1 3 administratief 28 36 16 16 coördinerend / leidinggevend (N=63) 26 33 19 16 6 bestuurlijk / organisatorisch (N=88) 12 3 15 22 8 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 < 2uur 2-5 uur 6-10 uur 10-20 uur >20 uur Een kwart van de vrijwilligers besteedt minder dan twee uur per week aan vrijwilligerswerk. Voor bijna één op de vijf vrijwilligers (18%) kost dit meer dan tien uur per week. Vrijwilligers die dit werk doen naast een betaalde baan, besteden gemiddeld minder tijd aan het vrijwilligerswerk (77% vijf uur of minder) dan mensen zonder een betaalde baan (57% vijf uur of minder). Naar leeftijd en geslacht zijn de verschillen klein. Naar type organisatie of werkzaamheden zijn de verschillen ook niet heel groot. Alleen vrijwilligers die actief zijn in de muziek of het toneel, besteden hieraan vaak meer uren aan dan een gemiddelde vrijwilliger (58% zes uur of meer en maar 7% minder dan twee uur). Vrijwilligers die op school of de kinderopvang of bij een sportorganisatie vrijwilligerswerk doen, zijn hier vaker minder tijd mee kwijt, respectievelijk 8% en 80% maximaal vijf uur per week. Vrijwilligers met bestuurlijke of organisatorische taken kost het vaker tien uur of meer per week (30%) en beduidend minder vaak minder dan twee uur (12%). Het aantal uren dat vrijwilligers actief zijn wijkt niet significant af van 2008. 2

Periode dat men vrijwilligerswerk doet Periode die men vrijwilligerswerk uitvoert, door mannen en vrouwen, in procenten van de vrijwilligers (N=252) tot 30 jaar (N=5) 0 0 20 30- jaar (N=6) 20 33 15 32 5-59 jaar (N=98) 12 18 20 50 60-7 jaar (N=85) 9 18 19 5 75 plus (N=28) 7 11 78 totaal 12 20 18 50 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 < 2 jaar 2-5 jaar 5-10 jaar > 10 jaar De helft van de vrijwilligers is al meer dan tien jaar actief als vrijwilliger. Nog eens bijna een vijfde (18%) werkt tussen vijf en tien jaar als vrijwilliger. Omgerekend naar alle respondenten betekent dit dat bijna één op de vijf bewoners (18%) meer dan vijf jaar actief is als vrijwilliger. Vergeleken met 2008 is het aantal jaren dat mensen actief zijn als vrijwilliger niet gewijzigd (verschil is niet significant). Het verschil tussen mannen en vrouwen is beperkt. Naar leeftijd valt op dat hoe ouder mensen zijn, hoe langer men actief is als vrijwilliger. Vooral 75-plussers zijn beduidend vaker meer dan tien jaar actief (78%). Ook naar organisatie zijn er enkele verschillen. Zo zijn vrijwilligers in de sportsector vaker langer dan tien jaar actief (60%) en zijn vrijwilligers op scholen of in de kinderopvang juist vaker nog geen twee jaar bezig als vrijwilliger (27%). Daarnaast blijkt dat vrijwilligers met bestuurlijke of organisatorische taken eveneens vaker tien jaar of langer deze werkzaamheden uitvoeren (65%). 25

26

3 Behoefte aan ondersteuning 3.1 Problemen waar vrijwilligers tegenaan lopen Mogelijke problemen van vrijwilligers, 2010 en 2008, in procenten van de vrijwilligers (N is resp. 263 en 26) geen problemen 16 18 2010 2008 een of meer problemen 82 8 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 Vrijwilligers hebben 11 aspecten voorgelegd gekregen met de vraag of zij bij één of meer aspecten problemen ervaren. Eén op de zes vrijwilligers ondervindt geen enkel probleem hierbij. Een groot deel van de vrijwilligers (8%) loopt wel tegen één of meer problemen aan. Het aandeel vrijwilligers dat problemen ervaart, is niet significant veranderd vergeleken met 2008. Percentage vrijwilligers met problemen, naar organisatie, 2010 en 2008, in procenten (N is resp. 263 en 252) ** sport (N=50) maatschapp. dienstv. (N=35) muziek, toneel e.d. (N=31) 68 91 87 91 87 90 gezondheidszorg (N=3) school, kinderopvang (N=26) 79 77 81 86 kerkelijk / levensbeschouwing (N=30) verenigingen voor ouderen, vrouwen, gehandicapten en allochtonen* (N=33) 80 8 79 2010 2008 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 * Het aantal respondenten was in 2008 minder dan 25 respondenten ** Het aantal respondenten naar sector voor 2010 is in de figuur weergegeven Net als in 2008 is het verschil naar type vrijwilliger klein. Zo ervaren zowel mannen als vrouwen en vrijwilligers in verschillende leeftijdsgroepen in ongeveer dezelfde 27

mate problemen. Ook het al dan niet hebben van werk, het opleidingsniveau en dergelijke zijn niet van invloed hierop. Ook naar sector zijn de verschillen erg klein. Het aandeel vrijwilligers dat problemen ervaart op één of meer terreinen loopt uiteen van 79% bij vrijwilligers bij verenigingen voor ouderen, vrouwen en allochtonen tot 91% bij vrijwilligers in de sportsector en de maatschappelijke dienstverlening. Vergeleken met 2008 zijn er geen significante verschillen naar sector voor wat betreft de mate waarin vrijwilligers problemen ervaren. Percentage vrijwilligers met problemen, naar aard van de werkzaamheden, in procenten (N=252) ** bestuurlijk / organisatorisch (N=91) coördinerend / leidinggevend (N=6) uitvoerend (N=181) administratieve taken* (N=25) 95 89 92 88 83 82 76 2010 2008 0 10 20 30 0 50 60 70 80 90 100 * Het aantal respondenten was in 2008 minder dan 25 respondenten ** Het aantal respondenten naar aard van de werkzaamheden voor 2010 is weergegeven in de figuur Naar type werkzaamheden zijn de verschillen groter. Zo ondervinden vrijwilligers die hoofdzakelijk administratieve (76%) of uitvoerende taken (83%) hebben, minder problemen dan vrijwilligers die een bestuurlijke of organisatorische (95%) of een leidinggevende of coördinerende (92%) rol hebben. De problemen van vrijwilligers bij bestuurlijke of organisatorische of coördinerende of leidinggevende taken zijn groter dan in 2008. Toen ondervonden zij ook al de meeste problemen. De verschillen zijn echter niet significant. 28

Aard van de problemen Problemen waar vrijwilligers tegenaan lopen, in procenten van de vrijwilligers in 2010 (N varieert van 191 tot 261) er zijn te weinig vrijwilligers (N=258) 38 21 afspraken niet nagekomen (N=256) 9 25 kost meer / teveel tijd (N=261) 9 16 mis goede begeleiding (N=256) 3 12 onvoldoende onkostenverg. (N=250) 6 8 mis waardering (N=262) te weinig faciliteiten (N=256) 10 10 groot probleem enigszins probleem mis opleidingsmogelijkheden (N=235) 2 6 problemen met verzekering (N=256) mis kinderopvang (N=191) problemen met uitkering (N=200) 2 3 1 1 0 10 20 30 0 50 60 70 80 Het belangrijkste probleem waar vrijwilligers tegenaan lopen, is het tekort aan vrijwilligers om het werk te kunnen doen. Ruim de helft van de vrijwilligers (59%) ervaart dit als een groot probleem (38%) of enigszins als een probleem (21%). Een derde (3%) van de vrijwilligers vindt het een probleem dat afspraken vaak niet worden nagekomen en een kwart (25%) dat er meer tijd in het vrijwilligerswerk gaat zitten dan men eigenlijk wil. Circa 15% heeft problemen met de kwaliteit van de begeleiding, de onkostenvergoeding, de waardering en/of de beschikbare faciliteiten. Problemen waar vrijwilligers tegenaan lopen, 2010 en 2008, in procenten van de vrijwilligers er zijn te weinig vrijwilligers 59 6 afspraken niet nagekomen kost meer / teveel tijd mis goede begeleiding onvoldoende onkostenverg. mis waardering te weinig faciliteiten mis opleidingsmogelijkheden problemen met verzekering mis kinderopvang problemen met uitkering 8 8 5 7 2 1 1 15 12 1 17 1 17 1 1 25 2 3 33 2010 2008 0 10 20 30 0 50 60 70 80 29

Op hoofdlijnen zijn de meningen van de vrijwilligers niet veranderd vergeleken met 2008. Het aandeel vrijwilligers dat van mening is dat er te weinig vrijwilligers zijn, is iets gedaald. Significant zijn de verschillen echter niet. De vijf belangrijkste problemen waar vrijwilligerswerk tegenaan lopen (groot probleem of enigszins een probleem), naar organisatie en aard van het werk, in procenten van de vrijwilligers die een antwoord hebben gegeven (N varieert van 191 tot 261) Organisatie te weinig vrijwilligers afspraken niet nagekomen geen goede onkostenvergoeding mis goede begeleiding gebrek aan waardering kost meer tijd dan gewenst Sport 68 6 15 20 10 20 maatsch. dienstv. 63 38 21 17 1 3 gezondheidszorg 7 2 12 17 17 32 kerkelijk / levensb. 6 10 0 7 23 7 cultureel (toneel e.d.) 63 7 13 23 23 29 school / kinderopvang 50 0 12 12 11 35 verenigingen voor ouderen, vrouwen, gehandicapten en 53 27 15 16 9 28 allochtonen Type werk bestuurlijk / org. 67 7 1 1 19 0 leidinggevend / coord. 62 7 13 21 19 3 Uitvoerend 57 31 16 1 12 20 Administratief 56 33 20 17 16 36 Gemiddeld 59 3 1 15 1 25 Bovengemiddelde score Benedengemiddelde score In sommige sectoren ervaren vrijwilligers meer problemen dan in andere. Vooral vrijwilligers bij kerkelijke of levensbeschouwelijke organisatie en/of bij verenigingen voor ouderen, vrouwen, gehandicapten of allochtonen ervaren minder vaak problemen. Ook de aard van de problemen die worden ervaren lopen uiteen. In de sportsector loopt men meer dan gemiddeld aan tegen een tekort aan vrijwilligers en het niet nakomen van afspraken. Vrijwilligers die werkzaam zijn in de maatschappelijke dienstverlening hebben vaker problemen met de onkostenvergoeding en de tijd die men kwijt is aan het werk. Dit laatste geldt ook voor de gezondheidssector. Daarnaast geven zij vaker aan dat het aantal vrijwilligers ook in de gezondheidssector vaak tekort schiet. Vrijwilligers die bij een kerkelijke of levensbeschouwelijke organisatie werkzaam zijn, ervaren over het algemeen minder problemen. Alleen een gebrek aan waardering komt meer dan gemiddeld voor. In de culturele sector speelt eveneens meer dan gemiddeld een gebrek aan waardering, naast het niet nakomen van afspraken en een gemis aan een goede begeleiding. Vrijwilligers die werkzaam zijn op scholen, lopen vaker aan tegen 30

afspraken die niet worden nagekomen en de tijdsinvestering die vaak groter is dan men wil. Naar type werkzaamheden valt op dat alleen vrijwilligers die uitvoerend bezig zijn, minder vaak problemen ervaren. Vrijwilligers die een bestuurlijke of organisatorische functie bekleden, hebben vaker problemen met het aantal vrijwilligers, het niet nakomen van afspraken en de tijdsinvestering die groter is dan men wil. Ook bij vrijwilligers die een leidinggevende of coördinerende functie hebben, spelen de tijdsinvestering en het niet nakomen van afspraken vaker een rol. Daarnaast mist men vaker een goede begeleiding. In de administratieve hoek lopen vrijwilligers vaker aan tegen een tekortschietende onkostenvergoeding en een te grote tijdsbelasting. Vergeleken met twee jaar geleden, hebben vooral kerkelijke en levensbeschouwelijke organisaties minder problemen wat betreft het aantal en de tijdsinvestering van vrijwilligers. Vrijwilligers bij de sportsector lijken nu iets minder problemen te hebben met het gebrek aan waardering, het tekort aan vrijwilligers en de tijdsinvestering. In de gezondheidssector hebben vrijwilligers nu minder problemen met de onkostenvergoeding, maar meer met het aantal vrijwilligers. In de culturele sector zijn de problemen van vrijwilligers veelal toegenomen. Dit betreft vooral het aantal vrijwilligers, maar ook het nakomen van afspraken en het gebrek aan waardering. Op scholen of bij de kinderopvang kampen vrijwilligers nu vaker met de tijd die men kwijt is met vrijwilligerswerk en het niet nakomen van afspraken. Andere problemen van vrijwilligers, in procenten (N=263) andere problemen 11% geen andere problemen 89% Naast de in de enquête naar voren gebrachte problemen, loopt circa één op de tien vrijwilligers nog aan tegen andere problemen. Hierbij is een groot aantal verschillende aspecten genoemd. Het probleem om nieuwe vrijwilligers te krijgen, is daarbij het meest naar voren gebracht, vooral het geringe animo onder jongeren. 31