Circus les 1 Doelen: - De speler kan meerdere keren de bal stuiten, waarbij niet te hard op de bal geslagen wordt - De speler kan onderhands en bovenhands een bal geplaatst gooien met een aangepaste bewegingsuitslag - De speler kan een voorzichtige forehand zwaai laten zien - De speler went zich aan van de tegenstander af te spelen/gooien/rollen (open ruimte opzoeken) 1
Oefening 1 Bewegingsvaardigheden Leeuwentikkertje Doel: De speler heeft snelle voeten. Materialen: per kind 1 stukje tenniskids-lint van ongeveer 30cm. Uitleg: Alle leeuwen lopen los binnen de circusring. Set & Let proberen de leeuwen bij hun staart te grijpen. Alle spelers, op 1 iemand na, krijgen een stuk tennislint en stoppen dit een klein stukje in de achterkant van hun broek zodat ze een staart krijgen De speler zonder staart probeert om zo snel mogelijk alle staarten te pakken De trainer klokt 1 minuut en telt hoeveel staarten de speler heeft weten te pakken Na 1 minuut krijgt iedereen zijn staart weer terug en mag iemand anders het proberen Aanwijzing: kijk naar de tikker en probeer hem niet de kont toe te keren want dan kan hij je staart makkelijk pakken Te makkelijk: de leeuwen mogen alleen maar huppelen of zijwaarts bewegen, de speler die probeert de staarten te pakken mag wel gewoon rennen. Of iedereen mag elkaars staart pakken. Als je eentje hebt gepakt, doe je die bij jezelf erbij. Te moeilijk: doe deze oefening 1 op 1 in een klein gebied 2
Oefening 2 Balvaardigheden Fopbal met clownsneuzen Doel: De speler kan een aankomende bal in stilstand vangen met 2 handen na 1 of meerdere stuiten Materialen: markeertekens, 1 bal Uitleg: De clown deelt clownsneuzen uit aan het publiek. Hij gooit ze vanuit de circusring zo de tribune in dus het publiek moet de rode neuzen vangen. Soms doet hij alsof hij de rode neus gooit, maar dan fopt hij het publiek en gooit hij deze niet. De spelers (het publiek) staan in een halve cirkel om de trainer (de clown) heen achter een markeerteken op 3m afstand. Elke speler heeft twee handen op zijn rug, deze mag de trainer niet zien. De trainer gooit 1 van de spelers een bal (rode neus) aan en de speler probeert deze te vangen na 1 of meerdere stuiten. De trainer doet soms ook alsof hij de rode neus gooit maar maakt een schijnbeweging (fopbal). Als dat gebeurt moet de speler er niet in trappen en zijn handen op de rug houden. De speler gooit de bal terug naar de trainer en rent daarna zo snel mogelijk een rondje om de baan (zowel bij niet als wel gevangen) Aanwijzing: probeer bij het vangen je handen al voor je te hebben en als een kommetje te houden, breed staan Te makkelijk: minder stuiten, kleinere/hardere bal Te moeilijk: meer stuiten, grotere/zachtere bal 3
Oefening 3 Racketvaardigheden De trage olifant en de snelle leeuw Doel: De speler kan een voorzichtige forehand zwaai laten zien Materialen: 1 foambal, 1 pionnen, 2 markeertekens per speler Uitleg: in het circus zijn veel dieren te zien. Zoals de olifant, die is heel langzaam. Ook is er een leeuw te zien, deze is heel snel. Set & Let spelen de bal zachtjes en dichtbij naar de langzame olifant of hard en ver naar de snelle leeuw Spelers staan naast een pion met daarop een bal. Het eerste markeerteken (de olifant) ligt om 3m afstand van de pion, het tweede markeerteken op 6m afstand (de leeuw). De trainer roept olifant of leeuw. Als olifant wordt geroepen, slaat de speler zijn bal met een forehand zachtjes van de pion af richting het eerste markeerteken (de olifant). Als leeuw wordt geroepen, slaat de speler zijn bal met een forehand harder van de pion af richting het tweede markeerteken (leeuw) Komt de bal in de buurt van het juiste markeerteken? Aanwijzing: zwaai rustig van achter naar voren voor de olifant, bij de leeuw begint je racket verder naar achter en mag je harder slaan Te makkelijk: voeg nog een markeerteken toe of laat ze ook door twee pionnen heen slaan om de richting ook juist te houden Te moeilijk: begin met 1 markeerteken en laat de pion weg en sleep de bal vanaf de grond mee 4
Oefening 4 Spelvaardigheden De trucjes van de acrobaten Doel: De speler zoekt het midden op van het veld om het goed te kunnen verdedigen Materialen: 2 markeertekens en 1 foambal of rode bal per tweetal Uitleg: Wow, deze acrobaten zijn echt goed! Ze gooien pionnen, ballen, hoepels en nog veel meer naar elkaar toe. En het mooiste is, ze kunnen alles wat ze naar elkaar gooien weer vangen. De spelers staan in een blauw veld. 1 speler met en 1 speler zonder racket. De spelers staan in het midden van hun eigen speelhelft bij een markeerteken. Eerst slaat speler A de bal in de hoek. Speler B probeert deze te vangen, de bal mag meerdere keren stuiteren. Als bal gevangen is heeft de vanger een punt gewonnen, lukt het niet heeft degene die slaat een punt gewonnen. De spelers gaan weer op hun positie staan en doen dit nog een keer. Als een speler drie punten heeft wisselen de tweetallen van functie. Aanwijzing: probeer zo snel mogelijk naar de bal te bewegen en beweeg iedere keer weer terug naar het midden Te makkelijk: de bal mag maar 1x stuiteren. Te moeilijk: de speler gooit de bal in plaats van slaan. 5