RAPPORT ONDERZOEK NALEVING WNT bij stichting Primair Onderwijs Deurne Asten Someren (PRODAS) te Asten Plaats: Utrecht Bestuursnummer: 41223 Onderzoeksnummer: 288822 Onderzoeksperiode: Najaar 2016 Datum vaststelling: 16 januari 2018
Inhoud Voorwoord 4 1 Opdracht en werkwijze 5 2 Bevindingen 6 3 Conclusies 10 Pagina 3 van 10
Voorwoord De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) heeft in het najaar van 2016 en voorjaar 2017 onderzoek verricht naar de naleving van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector en de daarop berustende bepalingen (hierna: WNT) in 2014 in verband met de bezoldiging van de heer H.M. Tromp, de voormalige voorzitter van Raad van Bestuur (hierna: voormalige bestuurder) van stichting PRODAS (hierna: de stichting). Dit rapport bevat de resultaten van het onderzoek. De inspectie heeft het conceptrapport op 5 december 2017 verzonden naar de voormalige bestuurder en de stichting voor hoor en wederhoor. Op 7 december 2017 en 16 januari 2018 hebben respectievelijk de voormalige bestuurder en de stichting gereageerd. Deze reactie is, voor zover nodig, verwerkt in het definitieve rapport. Het definitieve rapport met nummer 288822 is vastgesteld door dr. Marc Spierings, afdelingshoofd PO/VO directie Rekenschap en Juridische Zaken, te Utrecht op 16 januari 2018. ONDERZOEK NALEVING WNT Op grond van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren is de inspectie belast met het toezicht op de naleving van de WNT op het terrein van het onderwijs. Voor een onderzoek naleving WNT worden steeds een of meer onderzoeksvragen geformuleerd afhankelijk van de aard en onderwerp van het onderzoek. Ook de onderzoeksopzet en uitvoering zijn maatwerk. Pagina 4 van 10
1 Opdracht en werkwijze De inspectie heeft in het najaar van 2016 en voorjaar 2017 onderzoek verricht naar de naleving van de WNT in het jaar 2014 naar aanleiding van de melding van de accountant aan de minister inzake een overschrijding en overtreding van de WNT. 1.1 Onderzoeksaanpak Het onderzoek bestond uit een analyse van relevante gegevens zoals facturen en overeenkomsten. 1.2 Onderzoeksvragen en toetsingskader De onderzoeksvraag voor dit onderzoek was: "Voldoen de betalingen van de stichting Prodas aan de voormalige bestuurder in 2014 aan de vereisten van de WNT?" Om bovenstaande onderzoeksvraag te beantwoorden is deze nader gespecificeerd in de volgende deelvragen: Onderzoeksvraag 1: Valt de Stichting Prodas (hierna: de stichting) onder de werking van de WNT? Onderzoeksvraag 2: Kan de voormalige bestuurder worden aangemerkt als topfunctionaris zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel b van de WNT? Onderzoeksvraag 3: Zijn de betalingen door de stichting aan de voormalige bestuurder te beschouwen als ongeoorloofde doorbetaling tijdens non-activiteit als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de WNT (2014) 1? Zo ja: a) Is het overgangsrecht in het kader van de WNT van toepassing? b) Zijn deze betalingen onverschuldigd? Onderzoeksvraag 4: Zijn de betalingen door de stichting aan de voormalige bestuurder te beschouwen als uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel i, van de WNT? Onderzoeksvraag 5: Voor zover onderzoeksvraag 4 bevestigend moet worden beantwoord: was er sprake van een overschrijding van de maximale ontslagvergoeding ad 75.000 zoals is geregeld in artikel 2.10, eerste lid, van de WNT? Zo ja: a) Vloeien de betalingen voort uit een rechterlijke uitspraak (artikel 1.6, tweede lid, van WNT)? b) Is het overgangsrecht in het kader van de WNT van toepassing? 1 De WNT zoals deze gold van 1 januari 2014 t/m 28 november 2014. Pagina 5 van 10
1.3 Opbouw rapport In hoofdstuk 2 staan de bevindingen uit het onderzoek. Hoofdstuk 3 bevat de conclusies. 2 Bevindingen De voormalige bestuurder is per 1 september 2001 in dienst getreden bij de stichting. Bij brief van 22 januari 2014 is de voormalige bestuurder eenzijdig door de stichting op non-actief gesteld. Op 27 januari 2014 heeft de voormalige bestuurder bezwaar gemaakt tegen de op non-actief stelling en zich uitdrukkelijk beschikbaar voor werk gehouden. Daarna zijn de stichting en de voormalige bestuurder in overleg getreden teneinde te onderzoeken of het ontstane geschil in der minne zou kunnen worden geschikt. Dat overleg heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst die door de stichting op 14 februari 2014 en door de voormalige bestuurder op 17 februari 2014 is ondertekend. In de aan de inspectie overlegde vaststellingsovereenkomst zijn afspraken gemaakt tussen de stichting en de voormalige bestuurder om de voormalige bestuurder met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden per 1 juni 2014 uit dienst te laten treden. Samengevat zijn partijen met die vaststellingsovereenkomst, ter finale kwijting over en weer, het volgende overeengekomen: o De kantonrechter zal gevraagd worden om het contract met de voormalige bestuurder per 1 juni 2014 te ontbinden onder toekenning van een vergoeding van 74.600. o De voormalige bestuurder wordt vrijgesteld van werkzaamheden van 1 februari tot aan einde datum dienstverband (1 juni 2014). o De voormalige bestuurder wordt geacht in deze periode het volledige tegoed aan niet genoten vakantiedagen op te nemen. o De voormalige bestuurder behoudt aanspraak op salaris, vakantietoeslag alsmede overige emolumenten waarop de voormalige bestuurder uit hoofde van de aanstelling aanspraak heeft tot einde dienstverband, zijnde 1 juni 2014. Vanaf 1 februari 2014 worden geen reiskosten meer uitbetaald. o De voormalige bestuurder krijgt een outplacementvergoeding van 10.000 inclusief BTW. o De stichting vergoedt juridische bijstand en proceskosten van de voormalige bestuurder van ten hoogste 4.235 ( 3.500 exclusief BTW). Op 27 februari 2014 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met de voormalige bestuurder per 1 juni 2014 ontbonden onder toekenning van de ontslagvergoeding van 74.600 en de outplacementvergoeding ter hoogte van 10.000. De voormalig bestuurder is per 1 juni 2014 uit dienst getreden en heeft tot Pagina 6 van 10
die datum geen werkzaamheden meer verricht. De voormalig bestuurder had nog recht op 170,3 in 2014 opgebouwde vakantie-uren die hij niet had genoten. De werkgever was verplicht tot het in acht nemen van een opzegtermijn van 3 maanden. Onderzoeksvraag 1: Valt de stichting onder de werking van de WNT? Stichting is een rechtspersoon die scholen in stand houdt zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs. Door opname van bedoelde rechtspersonen in bijlage 1 bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, van de WNT (onder het kopje Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ) is die wet van toepassing op deze instellingen. De stichting valt daarmee onder de werking van de WNT. Onderzoeksvraag 2: Kan de voormalige bestuurder worden aangemerkt als topfunctionaris zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel b, van de WNT? De stichting hanteert het Governance-model met een Raad van Toezicht (RvT) en Raad van Bestuur (RvB). De leden van de RvB behoren tot het hoogste uitvoerende orgaan van de stichting. De voormalige bestuurder valt derhalve onder de definitie van topfunctionaris, opgenomen in artikel 1.1, onderdeel b, onder 5, van de WNT. Onderzoeksvraag 3: Zijn de betalingen door de stichting aan de voormalige bestuurder te beschouwen als ongeoorloofde doorbetaling tijdens nonactiviteit als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de WNT (2014) 1? Zo ja: a) Is het overgangsrecht in het kader van de WNT van toepassing? b) Zijn deze betalingen onverschuldigd? Artikel 2.10, derde lid, van de WNT, zoals dat vóór de inwerkingtreding van de Reparatiewet WNT luidde, verbiedt partijen overeen te komen om het dienstverband op een later tijdstip te beëindigen dan het tijdstip waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt. Een zodanige overeenkomst vóór 28 november 2014 is op grond van artikel 1.6, derde lid, van de WNT nietig. Uit het hierboven genoemde bepaling blijkt dat partijen niet overeen mogen komen het dienstverband op een later tijdstip te beëindigen dan het tijdstip waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt. De inspectie is echter van oordeel dat het op non-actief plaatsen in het onderhavige geval niet moet worden gezien als een dergelijke overeenkomst omdat deze op non actiefstelling een eenzijdige maatregel betreft en niet een overeenkomst tussen partijen. Hiertoe overweegt de inspectie het volgende: Loondoorbetaling tijdens schorsing Bij brief van 22 januari 2014 is de voormalige bestuurder eenzijdig door de stichting op non-actief gesteld. Daartegen heeft de topfunctionaris bezwaar 1 De WNT zoals deze gold van 1 januari 2014 t/m 28 november 2014. Pagina 7 van 10
gemaakt en zich uitdrukkelijk beschikbaar voor werk gehouden. De inspectie is van oordeel dat van de situatie als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de WNT (2014) in het onderhavige geval geen sprake is geweest. De inspectie stelt derhalve vast dat de loonbetaling aan de voormalige directeur tijdens de non-actiefstelling in ieder geval in de periode tussen 22 januari 2014 en 17 februari 2014 moet worden aangemerkt als bezoldiging in de zin van de WNT die buiten de werkingssfeer van artikel 2.10, derde lid, van de WNT (2014) valt. Er is voor wat betreft die periode derhalve geen sprake van onverschuldigde betalingen in de zin van artikel 1.6, derde lid, van de WNT. Loondoorbetaling tijdens opzegtermijn Ingevolge 21, component 26, van de Beleidsregels toepassing WNT, zoals die vóór de inwerkingtreding van de Reparatiewet WNT luidde, valt doorbetaling van loon bij non-actiefstelling tijdens in acht te nemen opzegtermijn onder bezoldiging. Op 17 februari 2014 hebben de partijen de vaststellingsovereenkomst ondertekend waarin is overeengekomen om de kantonrechter te verzoeken om het contract met de voormalige bestuurder met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden per 1 juni 2014 te laten ontbinden. De inspectie stelt vast dat de opzegtermijn die de stichting in het onderhavige geval in acht diende te nemen drie maanden bedroeg (zie artikel 7:672, tweede lid, aanhef en onder c, van het BW). Aangezien opzegging ingevolge artikel 7:672, eerste lid, van het BW tegen het einde van de maand diende te geschieden, begon deze opzegtermijn op 1 maart 2014 te lopen en eindigde aldus op 1 juni 2014. De inspectie is dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van het doorbetalen van bezoldiging gedurende de door het bestuur in acht te nemen opzegtermijn. De inspectie is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van ongeoorloofde doorbetaling tijdens non-activiteit als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de WNT. Loondoorbetaling tijdens vakantie Wellicht ten overvloede merkt de inspectie hierbij het volgende op. Ingevolge 14, component 12, van de Beleidsregels toepassing WNT, zoals die vóór de inwerkingtreding van de Reparatiewet WNT luidde, valt doorbetaling van loon tijdens vakantie onder bezoldiging. Het is ook mogelijk het dienstverband te laten beëindigen nadat alle vakantiedagen zijn verbruikt. De inspectie stelt vast dat de voormalige bestuurder aan het einde van zijn dienstverband per 1 juni 2014 nog recht had op 170,3 in 2014 opgebouwde vakantie-uren die hij niet had genoten. Dat staat gelijk aan ruim 21 dagen. Deze zijn opgenomen gedurende de opzegtermijn. De inspectie is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van ongeoorloofde doorbetaling tijdens non-activiteit als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de WNT. Concluderend stelt de inspectie vast dat de topfunctionaris in de periode van 22 januari 2014 tot 1 juni 2014 geen werkzaamheden heeft verricht terwijl hij voor deze periode wel bezoldiging heeft ontvangen. Gelet op bovenstaande overwegingen en omstandigheden is er naar het oordeel van de inspectie geen sprake is van ongeoorloofde doorbetaling tijdens nonactiviteit als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de WNT. Er is derhalve voor wat betreft deze periode geen sprake van onverschuldigde betalingen in de zin van artikel 1.6, derde lid, van de WNT. Pagina 8 van 10
Onderzoeksvraag 4: Is er sprake van betalingen door de stichting aan de voormalige bestuurder die als uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband zijn te beschouwen, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel i, van de WNT? De voormalige bestuurder heeft bij uitdiensttreding de volgende bedragen ontvangen: - een eenmalige uitkering ter hoogte van 74.600,- bruto; - een vergoeding voor een outplacementtraject van 10.000 inclusief BTW; Daarnaast zijn door de stichting juridische kosten omtrent de uitdiensttreding van de voormalige bestuurder, ter hoogte van 4.235 inclusief BTW, vergoed. De eerstgenoemde twee bedragen ( 74.600 en 10.000) hebben betrekking op de beëindiging van het dienstverband en zijn derhalve te beschouwen als uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel i, van de WNT. Wat de juridische kosten betreft, is de inspectie van oordeel dat de stichting aannemelijk heeft kunnen maken dat de vergoeding van deze kosten ter hoogte van 4.235 plaats heeft gevonden met de toepassing van de Werkkostenregeling (hierna: de WKR). Derhalve valt deze vergoeding niet onder de definitie van de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband, maar dient als loonbestanddeel te worden aangemerkt dat buiten de normering van de WNT valt. De inspectie is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot het oordeel zouden leiden dat de WKR in casu op een onbedoelde wijze zou zijn toegepast. De inspectie is derhalve van oordeel dat dit bedrag niet onverschuldigd is betaald ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de WNT. Onderzoeksvraag 5: Voor zover onderzoeksvraag 4 bevestigend moet worden beantwoord: is er sprake van een overschrijding van de maximale ontslagvergoeding ad 75.000 zoals is geregeld in artikel 2.10, eerste lid, van de WNT? Zo ja: a) Vloeien de betalingen voort uit een rechterlijke uitspraak (artikel 1.6, tweede lid, van WNT)? b) Is het overgangsrecht in het kader van de WNT van toepassing? De bij onderzoeksvraag 4 genoemde bedragen samen overschrijden de maximale grens van een uitkering wegens beëindiging van een dienstverband van 75.000 zoals is opgenomen in artikel 2.10, eerste lid, van de WNT met een bedrag van 9.600. Dit bedrag is niet onverschuldigd betaald, omdat de betaling van het bedrag voortvloeit uit een rechterlijke uitspraak. Zoals hierboven is weergegeven, heeft de kantonrechter namelijk de arbeidsovereenkomst van de voormalige bestuurder ontbonden onder toekenning van de vorenbedoelde ontslag- en outplacementvergoeding van respectievelijk 74.600 en 10.000. Pagina 9 van 10
3 Conclusies Concluderend stelt de inspectie vast dat, hoewel de voormalige bestuurder tijdens de bij onderzoeksvraag 3 genoemde periode geen werkzaamheden heeft verricht, terwijl hij de bezoldiging heeft ontvangen, er naar het oordeel van de inspectie geen strijd is ontstaan met artikel 2.10, derde lid, de WNT (2014). Er is derhalve voor wat betreft deze periode geen sprake van onverschuldigde betalingen in de zin van artikel 1.6, derde lid, van de WNT. Daarnaast stelt de inspectie vast dat het totaal aan de voormalige bestuurder uitbetaalde uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband ad 74.600 en de outplacementvergoeding van 10.000 inclusief BTW het maximaal op grond van de WNT maximaal toelaatbare bedrag van 75.000 overschrijdt met 9.600. Dit bedrag is echter niet onverschuldigd betaald, nu de betaling voortvloeit uit een rechterlijke uitspraak. Pagina 10 van 10