Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators



Vergelijkbare documenten
Supplement bij de Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators

Bradycardiepulsgenerators Help-handleiding

Helphandleiding. Bewakingsapparaten. Bij de volgende apparaten: SJM Confirm implanteerbare hartmonitor Confirm Rx Injecteerbare hartmonitor

Handleiding Icespy MR software

Elbo Technology BV Versie 1.1 Juni Gebruikershandleiding PassanSoft

OVERZICHT APPARAAT. Knop Type patiënt. Pacemaker. Sync. Knop Rapporten Knop Afdrukken. Navigatieknoppen. Therapiepoort. ECG-poort.

Basisinstructies WinMens

Sharpdesk Mobile V1.1 Gebruikershandleiding

Opstartscherm. Merlin Patient Care System. Helphandleiding

Download Location: Dit is de lokatie waar de PDF bestanden tijdelijk geplaatst zullen worden. Dit is een plaats op uw eigen harde schijf.

samaritan PAD en PDU Gebruikershandleiding voor Saver EVO

Sharpdesk Mobile V1.1 Gebruikershandleiding

samaritan PAD, AED en PDU Gebruikershandleiding voor Saver EVO

Hanwell temperatuur / vocht logger handleiding

InteGra Gebruikershandleiding 1

samaritan PAD en PDU Gebruikershandleiding voor Saver EVO

VERKORTE HANDLEIDING CUSTOM COMMAND

Zorgmail handleiding. Inhoud

Handleiding Pétanque Competitie Beheer. (versie 1.1) April 2014

Aan de slag met AdminView

Opstartscherm. Merlin Patient Care System. Helphandleiding

HTA Software - Klachten Registratie Manager Gebruikershandleiding

Priva Blue ID Network scanner / Syslog Tool

EDUscope Dossier Werken met Journalen

S4 Monitor Gebruiksinstructies

Start de applicatie op om naar het inlogscherm te gaan. Onthoudt mijn gegevens

Shell Card Online e-invoicing Service Gebruikershandleiding. Versie 2.8

SportCTM 2.0 Sporter

3. Werken met mappen en bestanden in Finder

SNEL AAN DE SLAG MET TecLocal

Uitleg gebruik Cortina Diagnostic Software. Ecomo 36V

Welkom bij BOEKLEZER

Innovative Growing Solutions. Datalogger DL-1. software-versie: 1.xx. Uitgifte datum: HANDLEIDING

Handleiding. Qu-Agenda. Versie V8.1. Quantaris B.V.

Computer Instructies voor de SM-5062

Gebruikershandleiding

ICY Control Center Facility Management

Handleiding LCC Benchmarking Tool

Beknopte handleiding SQ Vieuw software

G. Schottert Handleiding Freekie 1. Nederlandse handleiding. Freekie DMX ADRES INSTELLINGEN 1

Handleiding 103: Collecte Database (CDB) voor Wijkhoofden

Bedieningspaneel. Drukknoppen en Ds

Versie 1.0. Gebruikshandleiding. van de Stereo Controle (art. L4561N) TiStereoControl. Software voor de configuratie 06/08-01 PC

SportCTM 2.0 Startscherm trainer

Deutsche Bank Global Transaction Banking. Internet Bankieren. Betalingen en incasso s invoeren.

Deutsche Bank Global Transaction Banking. Internet Bankieren. Rapporten.

Handleiding Sonus Communicator voor Rion NL-22 - NL-32

AutoRAE 2-systeem Snelstart

TA72 Configuration Manager

Welkom bij payleven. Bovenop Magneetstriplezer. Voorkant. Bluetooth-symbool. Batterij indicator. USBpoort. Aan/uit

1. Introductie tot SPSS

Summa Cutter Tools. 1 Cutter tools. Met dit programma kunnen twee dingen geïnstalleerd worden:

WERKINGSINSTRUCTIES VOOR DE ST-950 TRAININGSCOMPUTER

Sioges Rapporten [1] Pag Kasopmaak 1.1 Het uitvoeren van kasopmaak Pag Rapporten 2.1 Programmering Lijst Slepen & sorteren

Quick reference Smartflow App

Mapsource. handleiding Mapsource vs

MR-TEMPERATUURLOGGER HANDLEIDING VERSIE

Handleiding Notion Lite Software

Uitleg externe tijdelijke pacemaker

Bedieningen Dutch - 1

I. Specificaties. II Toetsen en bediening

MyNice Welcome MyNice Welcome app to control your home

iphone app - Roll Call

Op basis van klanten-,product-,barcodegegevens wordt automatisch een barcode document aangemaakt

Samsung SHR-serie digitale CCTV recorders. Handleiding voor de gebruiker

Een register is een verzameling reglementeringen die hetzelfde doel hebben, nl. veiligheid

Menu. Open een document. Zoomen. Het Claro Boeklezer's menubalk bevat een aantal nuttige functies.

VERKORTE GEBRUIKSAANWIJZING TMC 212. Toro Modulaire Controller REGENAUTOMAAT

AFO 142 Titel Aanwinsten Geschiedenis

ROMEDIC B.V. human systems. PikoNet Handleiding

Digitale dossiers. Inhoudsopgave:

1 van :43

Programmeerhandleiding Nelson Turf EZ Pro Jr. voor de types 8304, 8306, 8309, 8312, 8374, 8376, 8379, 8382

Gebruikers handleiding. Mercurius. P2000 alarmontvanger

Gebruikershandleiding FSW-terminal server

Setupprogramma. Gebruikershandleiding

SenseAir psense-ii: Gebruikshandleiding

STAGESCAPE M20d ADVANCED GUIDE. Firmware Version 1.20 Addendum. Rev D Line 6, Inc.

APT-200. Tweeweg handzender. Firmware versie 1.00 apt-200_nl 03/19

1 Instellingen voor Clieop-bestanden

Tips en Tricks basis. Microsoft CRM Revisie: versie 1.0

3. Werken met mappen en bestanden in Finder

Handleiding Sportlink Club

Stap 0: Voorbereiding

Bestanden ordenen in Windows 10

Gebruikershandleiding ITMA Portaal. Helpdesk ITMA

HANDLEIDING VIEW DESKTOP. Handleiding VIEW Desktop. P. de Gooijer. Datum: Versie: 1.3

Point2Share handleiding eindgebruikers Window 8

R-99 COMPUTER INSTRUCTIONS

We geven hier weer waar u wat vindt op de CD, voor het gebruik thuis.

H A N D L E I D I N G E L V 1 5

DVR0404 / DVR0804 handleiding Web interface v1.1

Van Dale Elektronisch groot woordenboek versie 4.5 activeren en licenties beheren

Handleiding. Vanaf BFC Software Versie: MTD Hardware Versie: 5.2 Document Versie: van 16 Handleiding BFC Versie:

Handleiding NarrowCasting

Gebruikershandleiding MFP kleur systemen. Aanteken vel. infotec kenniscentrum. Infotec gebruikershandleiding

Transcriptie:

Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators VOOR DE VOLGENDE PULS- GENERATORS: Current Current RF Promote Promote RF

2008 St. Jude Medical Cardiac Rhythm Management Division. All Rights Reserved. Tenzij anders vermeld, geeft aan dat de naam een handelsmerk is, of onder licentie is, van St. Jude Medical Inc. of een van haar dochterondernemingen.

INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1. Menu Tools................................................ 1-1?-toets............................................................................ 1-1 Tools.............................................................................. 1-1 Sessiegegevens..................................................................... 1-2 Instructies voor het opzoeken van een sessierecord...................................... 1-2 Instructies voor het exporteren van een sessierecord..................................... 1-2 Instructies voor het bekijken van een sessierecord.......................................1-3 PDF s............................................................................. 1-3 Voorkeuren......................................................................... 1-4 Audiovoorkeuren.................................................................. 1-4 Printervoorkeuren................................................................. 1-5 Scherm printen...................................................................... 1-5 Scherm exporteren................................................................... 1-5 Hoofdstuk 2. Hartritmeweergave.......................................... 2-1 Hartritmeweergave................................................................... 2-1 ECG.............................................................................. 2-2 Markers........................................................................... 2-2 Bradycardie basisgebeurtenismarkers................................................. 2-3 Tachycardie basisgebeurtenismarkers................................................. 2-4 Markers voor interval en refractaire periode (volledige markers)............................. 2-4 Markers voor speciale bradycardiegebeurtenissen........................................ 2-5 Markers episode-gebeurtenistrigger................................................... 2-6 Markers voor tachycardiedetectie, -diagnose en -behandeling............................... 2-6 Markers afgifte tachycardielading..................................................... 2-7 Morfologiemarkers................................................................ 2-8 Door gebruiker geïnitieerde en Testmarkers............................................. 2-8 Markers voor golfvormkanalen...................................................... 2-10 EGM............................................................................. 2-10 Waveform Control (Golfvormregeling)................................................... 2-10 Instructies voor het instellen van de hartritmeweergave.....................................2-11 Adjust Display (Weergave aanpassen).................................................. 2-11 ECG-configuratie................................................................. 2-12 EGM-configuratie................................................................ 2-12 Freeze Capture (Capture bevriezen).................................................... 2-13 Hoofdstuk 3. Scherm FastPath Summary................................. 3-1 FastPath Summary................................................................. 3-1 Waarschuwingen.................................................................... 3-1 Patiëntgegevens..................................................................... 3-2 Patiëntgegevens: Elektrode-informatie................................................... 3-2 Trends wissen...................................................................... 3-3 Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators i

Indicaties voor implantatie.............................................................3-3 Opmerking.........................................................................3-3 Toetsenbord op het scherm............................................................3-3 Hoofdstuk 4. Episodes.................................................. 4-1 VT/VF Episodes en Andere Episodes.....................................................4-1 Episodegegevens....................................................................4-2 Gegevens ATP-behandeling............................................................4-3 Gegevens diagnose..................................................................4-3 Statistische gegevens SVT-criteria.......................................................4-3 Episode-boomdiagram................................................................4-3 Logs & samenvattingen...............................................................4-4 Gegevens SVT-diagnosesamenvatting...................................................4-4 HV-lading en Gegevens morfologie-template...............................................4-5 Gegevens behandelingssamenvatting....................................................4-5 Hoofdstuk 5. Diagnostische gegevens.................................... 5-1 Frequenties.........................................................................5-1 Histogram atriale hartfrequentie......................................................5-1 Gebeurtenissen...................................................................5-2 Geleiding...........................................................................5-3 Histogram ventriculaire hartfrequentie..................................................5-3 AV-intervallen.....................................................................5-3 Mode-switch en AT/AF................................................................5-3 Mode-overschakeling.................................................................5-3 AT/AF-belasting...................................................................5-4 AMS-samenvatting................................................................5-4 V-frequenties tijdens AMS...........................................................5-4 AMS Log en AT/AF Log...............................................................5-4 AMS-log...........................................................................5-5 AT/AF.............................................................................5-5 AT/AF-belasting...................................................................5-5 AT/AF-samenvatting...............................................................5-6 AT/AF-log..........................................................................5-6 AT/AF-definitie....................................................................5-7 Lichaamsbeweging & activiteit..........................................................5-7 Dagelijke lichaamsbeweging training...................................................5-7 Totale dagelijkse activiteit...........................................................5-7 Diagnosemiddelen voor lichaamsbeweging & activiteit.......................................5-8 Doelwit-hartfrequentie..............................................................5-8 Herkalibratie activiteit...............................................................5-8 Hoofdstuk 6. Tests..................................................... 6-1 Real-time metingen verwerven..........................................................6-1 Capture & waarneming................................................................6-1 Capture-test........................................................................6-2 Perform Test.....................................................................6-2 Instructies voor een capture-test......................................................6-2 ii Inhoudsopgave

This Session (Deze sessie)............................................................ 6-3 Last Session (Laatste sessie).......................................................... 6-3 Options (opties)..................................................................... 6-3 Additional Parameters (Aanvullende parameters)........................................... 6-4 Waarnemingstests................................................................... 6-4 Perform Test (Test uitvoeren)........................................................ 6-4 Sense Test (Instructies voor waarnemingstest)..........................................6-4 Deze sessie........................................................................ 6-5 Laatste sessie...................................................................... 6-6 Opties............................................................................. 6-6 Aanvullende parameters.............................................................. 6-6 AV Delays.......................................................................... 6-7 Batterij en elektroden................................................................. 6-7 Gegevens over batterij................................................................ 6-7 Lead Impedance..................................................................... 6-8 Ventricular HV Lead Impedance......................................................... 6-8 Capacitor.......................................................................... 6-9 Gegevens over condensatoronderhoud................................................ 6-9 Sensor........................................................................... 6-10 Automatische drempel resetten..................................................... 6-10 QuickOpt timingcyclus-optimalisering.................................................. 6-10 QuickOpt -optimalisering: handmatige test uitvoeren...................................... 6-11 QuickOpt -optimalisering: Handmatige test.............................................. 6-11 Instructies voor de handmatige QuickOpt -optimaliseringsmeting.......................... 6-12 QuickOpt -optimalisering capture bevriezen............................................. 6-12 Fibber & NIPS..................................................................... 6-12 Fibber-test........................................................................ 6-13 Instructies voor een Fibber-test...................................................... 6-15 Fibber-testparameters............................................................. 6-16 Testen met behulp van de pulsgenerator.............................................. 6-17 NIPS-test......................................................................... 6-18 NIPS-testinstructies............................................................... 6-19 NIPS-parameters................................................................. 6-20 NIPS-testparameters................................................................ 6-20 Pulsamplitude................................................................... 6-21 Pulsbreedte..................................................................... 6-21 V. ondersteuningsfrequentie........................................................ 6-21 Tijdelijke stimulatie (Temporary Pacing).................................................. 6-21 Hoofdstuk 7. Bradycardieparameters...................................... 7-1 Bradycardieparameters............................................................... 7-1 Basiswerking....................................................................... 7-1 Mode........................................................................... 7-1 Ventrikelstimulatie................................................................. 7-2 Interventricular Delay.............................................................. 7-2 Magneetrespons.................................................................. 7-2 Mode Ventriculaire ruisreversie....................................................... 7-2 Mode Episodische stimulatie......................................................... 7-3 Sensor.......................................................................... 7-3 Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators iii

Drempel.........................................................................7-3 Helling..........................................................................7-3 Max. sensorfrequentie..............................................................7-4 Reactietijd.......................................................................7-4 Hersteltijd........................................................................7-5 Laatste instellingen herstellen........................................................7-5 Rates.............................................................................7-5 Base Rate.......................................................................7-5 Rustfrequentie....................................................................7-6 Max Track Rate...................................................................7-6 Hysteresisfrequentie...............................................................7-7 Zoekinterval......................................................................7-8 Cyclustelling......................................................................7-8 2:1 Block-frequentie................................................................7-8 Delays.............................................................................7-8 Paced AV Delay...................................................................7-9 Sensed AV Delay..................................................................7-9 Rate Responsive AV Delay..........................................................7-9 Shortest AV Delay................................................................7-10 Parameter Ventriculaire intrinsieke voorkeur (Ventricular Intrinsic Preference Parameter, VIP )...7-10 Negative AV Hysteresis/Search...................................................... 7-11 VIP -parameterinstellingen........................................................7-12 VIP -verlenging.................................................................7-12 Zoekinterval.....................................................................7-12 Zoekcycli.......................................................................7-12 Capture & waarneming...............................................................7-12 Pulsamplitude...................................................................7-13 Pulsbreedte.....................................................................7-13 De parameter AutoSense..........................................................7-13 Gevoeligheid....................................................................7-13 Instellingen van het SenseAbility waarnemingsalgoritme...................................7-13 Max Sensitivity...................................................................7-14 Decay Delay....................................................................7-14 Drempelstart....................................................................7-15 Nominale waarden selecteren.......................................................7-15 AutoSense-functie................................................................7-16 Elektroden.........................................................................7-16 Elektrodetype....................................................................7-16 Pulse Configuration...............................................................7-17 Sense Configuration..............................................................7-17 Parameters Elektrodebewaking........................................................7-17 Elektrodebewaking...............................................................7-17 Ondergrens.....................................................................7-17 Bovengrens.....................................................................7-17 HVLI Monitoring Lower Limit........................................................7-18 HVLI Monitoring Upper Limit........................................................7-18 Refractaire waarden & Blanking........................................................7-18 PVARP.........................................................................7-18 iv Inhoudsopgave

Post-Ventricular Atrial Blanking...................................................... 7-18 Frequentiegevoelige PVARP/V Ref................................................... 7-19 Kortste PVARP/V Ref............................................................. 7-20 Refractaire periode atriale stimulatie.................................................. 7-20 Refractaire periode atriale waarneming............................................... 7-20 Refractaire periode ventriculaire stimulatie............................................. 7-21 Refractaire periode ventriculaire waarneming...........................................7-21 Extra instellingen, PVC & PMT......................................................... 7-21 Ventriculaire blanking............................................................. 7-21 Ventriculaire veiligheids-standby..................................................... 7-22 Aan het licht brengen van aritmie.................................................... 7-22 PVC Response.................................................................. 7-23 PMT Response.................................................................. 7-24 PMT-detectiefrequentie............................................................ 7-24 AT/AF Detection & Response.......................................................... 7-25 Auto Mode Switch................................................................ 7-25 Atriale tachycardiedetectiefrequentie................................................. 7-25 Basisfrequentie automatische mode-omschakeling...................................... 7-26 AF Suppression -algoritme........................................................ 7-26 Overdrive-stimulatiecycli........................................................... 7-27 Maximum AF Suppression Rate...................................................7-27 Frequenties & refractaire waarden...................................................... 7-27 Hoofdstuk 8. Tachycardieparameters...................................... 8-1 Tachycardieparameters............................................................... 8-1 Venster Zone Configuration............................................................ 8-1 Zone Configuration................................................................ 8-1 Detectiecriteria...................................................................... 8-2 Detectie-interval/frequentie.......................................................... 8-2 Aantal intervallen.................................................................. 8-2 SVT-discriminatie.................................................................... 8-3 Gegevens SVT-discriminatie........................................................... 8-3 SVT-discriminatiemode............................................................. 8-4 SVT-discriminatie-time-out.......................................................... 8-4 Behandeling na time-out............................................................ 8-5 SVT-bovengrens.................................................................. 8-5 SVT-discriminators................................................................... 8-5 Frequentiebranch................................................................. 8-6 Diagnose........................................................................ 8-7 Besturing van de Sinus Tach-frequentiebranch............................................. 8-7 SVT-discriminatie in Sinus Tach...................................................... 8-7 AV-intervaldelta................................................................... 8-7 Venster Morphology.................................................................. 8-8 Morfologie....................................................................... 8-8 Morfologie in AF/A Flutter........................................................... 8-8 Morfologie in Sinus Tach............................................................ 8-9 % overeenkomst (% Match)......................................................... 8-9 Template-match-criterium........................................................... 8-9 Morfologie aantal matches.......................................................... 8-9 Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators v

Morfologievenstergrootte...........................................................8-10 Automatisch bijwerken van een template..............................................8-10 Venster Intervalstabiliteit.............................................................. 8-11 Intervalstabiliteit.................................................................. 8-11 Stabiliteitsdelta...................................................................8-12 AV-associatiedelta................................................................8-12 SIH-telling (SIH Count)............................................................8-13 Venstergrootte intervalstabiliteit......................................................8-13 Venster Plotselinge start..............................................................8-13 Plotselinge start..................................................................8-13 Startdelta.......................................................................8-14 Morfologie-template.................................................................8-14 Instructies voor het verwerven van een morfologie-template...............................8-15 Morfologiescores.................................................................8-16 Venster morfologiescoring............................................................8-16 Morfologiescoring................................................................8-16 Zonebehandeling...................................................................8-17 VT-behandelings-time-out..........................................................8-17 Timeout-trigger..................................................................8-17 Behandelingen.....................................................................8-18 ATP-gegevens.....................................................................8-19 ATP-pulsamplitude................................................................8-19 ATP-pulsbreedte.................................................................8-19 ATP Parameters....................................................................8-19 Aantal bursts....................................................................8-20 Aantal stimuli....................................................................8-20 Stimuli per burst toevoegen.........................................................8-20 Burst-cycluslengte................................................................8-21 Minimale cycluslengte van een burst..................................................8-21 Opnieuw aanpasbaar..............................................................8-21 Scanning.......................................................................8-22 Scanstap.......................................................................8-22 Max. stap.......................................................................8-22 Versnelling......................................................................8-23 Versnellingsstap..................................................................8-23 ATP-behandelingsconfiguraties........................................................8-23 ATP-behandeling Detail A..........................................................8-24 ATP-behandeling Detail B..........................................................8-24 ATP-behandeling Detail C..........................................................8-24 ATP-behandeling Detail D..........................................................8-24 ATP-behandeling Detail E..........................................................8-25 ATP-behandeling Detail F..........................................................8-25 ATP-behandeling Detail G..........................................................8-25 ATP-behandeling Detail H..........................................................8-25 DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm)..................................8-26 Golfvorm.......................................................................8-26 Golfvorm-mode..................................................................8-26 vi Inhoudsopgave

Schokconfiguratie................................................................ 8-27 RV-polariteit.................................................................... 8-27 Golfvorminstellingen................................................................. 8-27 VF Shocks (Defib)................................................................ 8-28 VT Shocks (CVRT)............................................................... 8-28 Tuned Waveform Help............................................................... 8-29 Instructies voor Tuned Waveform Help................................................ 8-29 Herdetectie- & post-detectiecriteria..................................................... 8-32 VT-herdetectie................................................................... 8-32 Sinusritme...................................................................... 8-33 Post-detectie-interval/frequentie..................................................... 8-33 Beschrijving van post-detectie......................................................... 8-34 Configuratie 1 Zone............................................................... 8-34 Configuratie 2 Zones.............................................................. 8-34 Configuratie 3 Zones.............................................................. 8-35 Post-schok-stimulatie................................................................ 8-35 Post-schok-mode................................................................ 8-35 Post-schok-basisfrequentie......................................................... 8-36 Post-schok-pauze................................................................ 8-36 Post-schok-duur................................................................. 8-36 Pulsamplitude................................................................... 8-36 Pulsbreedte..................................................................... 8-37 Condensatoronderhoud.............................................................. 8-37 Charge Interval.................................................................. 8-37 Gedetailleerde beschrijvingen tachycardiebehandeling...................................... 8-37 Zonebeschrijvingen................................................................. 8-37 Off............................................................................ 8-38 1 Zone......................................................................... 8-38 2 Zones........................................................................ 8-38 3 Zones........................................................................ 8-38 Legenda frequentiezones............................................................. 8-38 Beschrijving van tachyaritmiedetectie................................................... 8-39 Beschrijving van SVT-discriminatie..................................................... 8-39 Gedetailleerde beschrijving van frequentiebranch....................................... 8-40 Gedetailleerde beschrijving van morfologie............................................ 8-40 Gedetailleerde beschrijving van intervalstabiliteit........................................ 8-41 Gedetailleerde beschrijving van plotselinge start........................................8-41 Richtlijnen voor het programmeren van SVT-discriminatiecriteria.............................. 8-41 Alleen-ventriculaire SVT-discriminatie................................................ 8-42 Tweekamer SVT-discriminatie...................................................... 8-43 Beschrijving van SVT-discriminatie-time-out.............................................. 8-44 SVT-discriminatie-time-out in een Monitor Only-zone..................................... 8-44 Beschrijving van tachyaritmiebehandeling................................................ 8-44 Beschrijving van VT-behandelings-time-out............................................... 8-45 VT-behandelings-time-out in een Monitor Only-zone..................................... 8-45 Hoofdstuk 9. Parameters voor patiëntmelding.............................. 9-1 Patiëntmeldingen.................................................................... 9-1 Triggers voor patiëntmelding........................................................... 9-1 Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators vii

Afgifte van patiëntmelding..............................................................9-2 Vibratieduur......................................................................9-2 Aantal meldingen..................................................................9-2 Tijd tussen meldingen..............................................................9-2 Beschrijving van patiëntmelding.........................................................9-3 Patiëntmeldingssequentie...........................................................9-3 Dagelijkse metingen van patiëntmeldingen..............................................9-3 Hoofdstuk 10. Episode-instellingen...................................... 10-1 Episode-instellingen.................................................................10-1 Opgeslagen EGM-configuratie.........................................................10-1 Max. tijdsduur VT/VF EGM.........................................................10-1 Max. tijdsduur VT/VF pre-trigger.....................................................10-2 Kanalen........................................................................10-2 Configuratie.....................................................................10-2 Aangepast......................................................................10-3 Episode Triggers....................................................................10-4 Hoofdstuk 11. Aangepaste sets......................................... 11-1 Aangepaste sets.................................................................... 11-1 Instructies om een Custom Set aan te maken en op te slaan............................... 11-1 Instructies voor het laden van een aangepaste set....................................... 11-1 Instructies om een aangepaste set te wissen...........................................11-2 Instructies om een aangepaste set te hernoemen........................................11-2 Hoofdstuk 12. Wrap-up overzicht...................................... 12-1 Wrap-up overzicht.................................................................12-1 Gegevens exporteren................................................................12-1 Trends wissen......................................................................12-2 Diagnostische gegevens wissen........................................................12-2 Beginwaarden herstellen.............................................................12-2 Hoofdstuk 13. Mode-beschrijvingen...................................... 13-1 DDD...........................................................................13-1 DDI............................................................................13-2 DOO...........................................................................13-3 VVI............................................................................13-4 VOO...........................................................................13-4 AAI............................................................................13-5 AAT...........................................................................13-5 AOO...........................................................................13-6 Pacing Off......................................................................13-6 Frequentiegevoelige modes........................................................13-7 Hoofdstuk 14. Aanvullende programmeringsinformatie..................... 14-1 Technische ondersteuning............................................................14-1 Ondersteunde tachycardiepulsgenerators................................................14-1 Hoofdprogrammeringsvenster.........................................................14-2 RF-telemetriecommunicatie...........................................................14-2 Tachycardie-behandeling inschakelen/uitschakelen.........................................14-4 viii Inhoudsopgave

Selectie van pulsgenerator parameters en instellingen......................................14-5 Aanduidingen voor automatische programmering....................................... 14-5 Vooruitblik op veranderingen.......................................................... 14-5 Starten tijdelijk..................................................................... 14-6 Printmenu......................................................................... 14-6 Reports........................................................................... 14-6 Instellingen FastPath -samenvatting................................................... 14-7 Testresultaatinstellingen.............................................................. 14-7 Wrap-up -rapportinstellingen......................................................... 14-8 Instellingen........................................................................ 14-8 Bediening in noodgevallen............................................................ 14-8 Schok in noodgevallen............................................................... 14-8 Instructies voor geven van een Schok in noodgevallen................................... 14-9 Emergency VVI-instellingen.......................................................... 14-10 Reset-functie..................................................................... 14-10 Appendix A. Technische gegevens Current en Current RF pulsgenerators... A-1 Fysieke specificaties.................................................................a-1 Current pulsgenerators...........................................................a-1 Current RF pulsgenerators........................................................a-2 Configuraties pulsgenerator............................................................a-3 Batterijspanning.....................................................................A-3 Tolerantiewaarden werkingsparameters...................................................a-4 Röntgen-identificatie..................................................................A-5 Onderdelen en accessoires............................................................a-5 Appendix B. Technische gegevens Promote en Promote RF pulsgenerators. B-1 Fysieke specificaties.................................................................b-1 Promote pulsgenerators..........................................................b-1 Promote RF pulsgenerators.......................................................b-2 Configuraties pulsgenerator............................................................b-3 Batterijspanning.....................................................................B-3 Tolerantiewaarden werkingsparameters...................................................b-4 Röntgen-identificatie..................................................................B-5 Onderdelen en accessoires............................................................b-5 Appendix C. Gebruiksinformatie voor de arts............................... C-1 Patiëntselectie......................................................................C-1 Testen bij implantatie.................................................................c-1 Op pulsgenerator gebaseerde tests uitvoeren..............................................c-2 Testen voor ontslag uit het ziekenhuis.................................................c-4 Factoren die de levensduur van de pulsgenerator beïnvloeden................................c-4 Index............................................................. Index-1 Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators ix

x Inhoudsopgave

1. MENU TOOLS Inhoud:?-toets (Help) Tools Sessiegegevens. Opent de vensters Session Records en PDFs. Voorkeuren Customer Support (Klantondersteuning). Geeft contactinformatie voor Technische ondersteuningsvertegenwoordigers. Zie tevens Technische ondersteuning. Scherm printen Scherm exporteren?-toets De?-toets opent een venster met contextgevoelige hulp. U kunt de Helpfunctie tevens activeren door Tools > Educational Materials > Help te selecteren. Toegang vanaf: Help -toets TOOLS Het menu Tools geeft toegang tot een aantal tools van de programmer, waaronder: PSA. Opent de PSA-toepassing. Zie de Referentiehandleiding bij de Merlin PCS PSA. (U moet de Current of Promote pulsgeneratorsessie beëindigen voordat u de PSA-toepassing start.) Session Records (Sessiegegevens): - Sessiegegevens. Opent gearchiveerde gegevens. - PDF s. Opent het venster PDFs om rapporten die als PDF s op de harde schijf van de programmer zijn opgeslagen te beheren. Educational Materials: - Help. Opent koppelingen naar de online Help voor alle ondersteunde pulsgenerators. - Demos. Opent pulsgeneratordemonstraties. Maintenance (Onderhoud). Opent hulpprogramma s voor het onderhoud van de programmer (alleen voor gebruik door St. Jude Medical-personeel). Clinical Studies. Opent informatie over studies (alleen voor gebruik door St. Jude Medical-personeel). Voorkeuren. Opent de instellingen van het Merlin PCS. Customer Support (Klantondersteuning). Zie Technische ondersteuning. Scherm printen Scherm exporteren. Exporteert een beeld naar een USB-stick of diskettestation. Toegang vanaf: menu Tools Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 1-1

SESSIEGEGEVENS Zie Instructies voor het opzoeken van een sessierecord, Instructies voor het exporteren van een sessierecord en Instructies voor het bekijken van een sessierecord. Met het venster Session Records (Sessiegegevens) kunt u gegevens van programmeersessies die opgeslagen zijn op de harde schijf van de programmer zoeken, bekijken en exporteren. Elk sessierecord bevat één of meer snapshots van de sessies die zijn vastgelegd tijdens het programmeren, meten en testen. Elk snapshot is een representatie van het programmerscherm, uitgevoerd toen de handeling plaatsvond. De gegevens kunnen geëxporteerd worden naar een extern apparaat of een pc, in een opmaak voor een externe pc-database of voor Merlin.net. Om specifieke sessiegegevens op te halen kunt u de zoekfunctie gebruiken, die de gegevens sorteert op patiëntnaam, patiëntnummer en serienummer van de pulsgenerator (vanuit de Patiëntgegevens-informatie) en het pulsgeneratormodel en de sessiedatum. Aan het begin van elke programmeersessie wordt een nieuw sessierecord gecreëerd. U kunt alle bewerkingen die uitgevoerd zijn tijdens de sessie bekijken tot aan het moment dat de knop Session Records is geselecteerd. U kunt de Session Records-functie openen vanuit het opstartscherm of tijdens een programmeersessie. U kunt een sessierecord ook exporteren zonder het te openen, of een Session Records-sessie starten vanuit het menu Tools. Om dit te doen selecteert u de knop Gegevens exporteren vanuit het Wrap-up overzicht tijdens de programmeersessie. Toegang vanaf: menu Tools > Session Records toets Instructies voor het opzoeken van een sessierecord Een record opzoeken vanuit het venster Sessions Record gaat als volgt: 1. Selecteer Tools > Session Records. 2. Selecteer het pulsgeneratormodel waartoe u toegang wilt. Het venster Session Records wordt geopend. U kunt zoeken op type pulsgeneratormodel, patiëntnaam, patiëntnummer, datumbereik en serienummer van de pulsgenerator. 3. Selecteer een zoekveld en voer de gegevens in. Wanneer u het type pulsgeneratormodel en datumbereik selecteert, verschijnt er een uitrolmenu. Wanneer u een ander veld selecteert, verschijnt er een toetsenbord op het scherm om de gegevens in te voeren. Als een gegevensveld leeg gelaten wordt, controleert de zoekfunctie alle ingevoerde gegevens. De zoektekst let niet op hoofd- of kleine letters. 4. Selecteer de Search-toets. De Session Records die overeenkomen met de Search-criteria verschijnen in de tabel eronder. U kunt de gegevens sorteren door een kolomtitel te selecteren. Instructies voor het exporteren van een sessierecord 1. Na het verkrijgen van een record selecteert u de Export-toets aan de linkerkant van het venster. 2. Selecteer een bestand om te exporteren. 3. Sluit een USB-stick, USB-floppy of een pc die aangesloten is via een 9-pins seriële-naar-usb-kabel aan op een van de USB-poorten op het Merlin PCS. 4. Selecteer de toets Export Selected. 5. Selecteer het type gegevens dat u op wilt slaan. Het bestand dat compatibel is met pc-gegevens is kleiner en bevat alleen gegevens voor pc-databaseprogramma s. Het bestand dat compatibel is met Merlin.net is groter en bevat gedetailleerdere informatie. De programmer herkent aangesloten opslagmedia en vraagt u waarheen u het bestand wilt exporteren. 6. Selecteer de gewenste optie voor het medium en vervolgens de Export-toets. 1-2 Menu Tools

Merlin.net-compatibele records worden opgeslagen in een map met de naam Unity. Deze bevat een gecomprimeerd bestand met het modelnummer en serienummer van de pulsgenerator en de sessiedatum. Pc-database-compatibele records worden opgeslagen in een bestand met de naam XXXXXX.log, waarbij XXXXXX het serienummer van de pulsgenerator is. Instructies voor het bekijken van een sessierecord 1. Na het verkrijgen van een record selecteert u de Review-toets aan de linkerkant van het venster. 2. Selecteer het bestand dat u wilt bekijken. Het venster Session Files geeft het pulsgeneratormodel, het serienummer en de datum en tijd van de sessie weer. Het venster geeft tevens alle handelingen weer die zijn uitgevoerd tijdens de sessie, en het tijdstip waarop ze zijn uitgevoerd. Elke handeling is een momentopname van alle programmerschermen op dat moment. Selecteer de toets View Most Recent om de laatst uitgevoerde handeling te zien. 3. Selecteer de handeling die u wilt zien, of de toets Most Recent. Het venster Session File wordt geopend, waarin een momentopname van het programmerscherm wordt weergegeven, met de informatie over de pulsgenerator en de sessie in het venster Rhythm Data. U kunt de toetsen aan de rechterkant selecteren om andere schermen te bekijken die zijn vastgelegd tijdens de handeling. U kunt echter geen functies uitvoeren waarvoor communicatie met de pulsgenerator vereist is. Dit zijn onder andere de mogelijkheid om parameterinstellingen te veranderen, tests uit te voeren, diagnostische gegevens bij te werken of te wissen, gegevens van de batterij en de elektrode te lezen, een morfologietemplate te verwerven enz. U kunt de volgende handelingen uitvoeren vanaf het venster Session File: - Alarmen bekijken vanaf het FastPath Summary-venster - Gegevens exporteren vanaf het Wrap-up-venster - Rapporten afdrukken vanaf elk venster - Een sessie beëindigen vanaf een willekeurig venster waarop deze wordt weergegeven - Het sessiebestand afsluiten en een ander sessierecord bekijken. 4. Door het sessiebestand navigeren. Wanneer u klaar bent, selecteert u de toets Select New File (Nieuw bestand selecteren) om verder te gaan met het bekijken van andere sessierecords of de toets End Session om terug te keren naar het venster Session Records. PDF S Telkens wanneer u een Print-toets selecteert om een rapport te creëren, slaat de Merlin PCS-programmer het rapport op als PDF (portable document file) 1. Dit bestand kan worden geëxporteerd naar een flash-station dat aangesloten is op één van de USB-poorten van de programmer. U moet Adobe Acrobat Reader of Adobe Reader op uw pc installeren om de PDF te kunnen bekijken 2. Vanuit het venster PDFs kunt u het volgende doen: Het aantal PDF s op de harde schijf van de programmer controleren dat niet geëxporteerd is. Alle opgeslagen PDF s exporteren. De meest recente PDF s exporteren (die in de laatste actuele sessie of demosessie zijn gecreëerd, inclusief uw huidige sessie). Alle PDF s wissen. Wanneer u één van de Export-toetsen selecteert, verschijnt het scherm Export Data. De bestandsnaamgeving en opslag van de PDF s is als volgt: 1. De programmer creëert geen PDF voor schermbevriezingen die geprint worden vanaf het opstartscherm, de Scherm printen-functie, real-time printen of de Helpfunctie op het scherm. 2. Adobe, Acrobat en Adobe Reader zijn handelsmerken van Adobe Systems Incorporated. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 1-3

Alle PDF s worden opgeslagen in een map met de naam PDFs. Naam van de submap: Date of PDF creation Naam van de sub-submap: Patient Name_Model Number_Device Serial Number (gelezen vanuit de patiëntgegevens) Bestandsnaam: Device name_device Model Number_Device Serial Number_Reportname.pdf" Voorbeeld: in de map PDFs bevindt zich een submap met de naam 2008-03-22. In deze submap bevindt zich een sub-submap met de naam John Smith_PromoteRF_3207-36_201399. In deze sub-submap zit de PDF met de naam: PromoteRF_3207-36_201399_TestResults.pdf met de testresultaten voor John Smith op 22/03/2008. Het Merlin PCS kan maximaal 30 submappen Date of PDF creation met PDF s opslaan. Als er 30 submappen zijn opgeslagen op de programmer, dan wordt de oudste submap gewist wanneer er een nieuwere submap wordt gecreëerd. Toegang vanaf: menu Tools > Session Records > PDFs VOORKEUREN In het venster Preferences (Voorkeuren) kunt u het volgende voor de programmer instellen: Datum Tijd De taal op het scherm en voor de Helpfunctie Notatie voor datum, tijd en getallen De frequentie van het ECG Notch Filter. De ECG Notch Filter-frequentie reduceert ECG-interferentie die afkomstig is uit de wisselstroomfrequentie van de programmer. Neem contact op met uw plaatselijke instantie voor de frequentie van uw plaatselijke stroomvoorziening. Audiovoorkeuren Printervoorkeuren Toegang vanaf: menu Tools > toets Preferences NB Het is belangrijk om de juiste datum en tijd in te stellen, omdat de diagnostische gegevens, tests en andere functies van de pulsgenerator de datum en tijd van de programmer gebruiken. Audiovoorkeuren Het scherm Audio Preferences (Audiovoorkeuren) twee panelen: General Audio (Algemene audio). Selecteer de On-toets om audio-cues voor programmeractiviteit toe te staan. U kunt ook een volumeniveau selecteren. De Off-toets schakelt alle geluiden uit (behalve Charging Audio). Charging Audio (Audio tijdens opladen). Selecteer de On-toets voor een audio-cue wanneer de condensatoren zich opladen tijdens een programmeersessie. Er is altijd een audio-cue te horen tijdens opladen voor een Schok in noodgevallen, ongeacht de instelling van Charging Audio. Toegang vanaf: menu Tools > toets Preferences > tab Audio 1-4 Menu Tools

Printervoorkeuren Telkens wanneer u een Print-toets selecteert om een rapport te creëren, slaat de Merlin PCS-programmer het rapport op als PDF (portable document file) 3. Dit bestand kan worden geëxporteerd naar een flash-station dat aangesloten is op één van de USB-poorten van de programmer. U moet Adobe Acrobat Reader of Adobe Reader op uw pc installeren om de PDF te kunnen bekijken. Selecteer Tools > Session Records > PDF s om het aantal opgeslagen PDF s te bekijken en om PDF s te exporteren of te wissen. Het venster Audio Preferences (Audiovoorkeuren) bestaat uit twee panelen: Selected Printer (Geselecteerde printer). U heeft drie keuzes: - PDF Only (zonder papier). Verzendt rapporten als een PDF (papierloos printen) naar de harde schijf van de programmer zonder papieren documenten. - Internal & PDF. Verzendt het rapport naar de interne printer van de programmer en creëert tegelijkertijd een PDF op de harde schijf. - External & PDF. Verzendt het rapport naar een externe USB-printer en creëert tegelijkertijd een PDF op de harde schijf. Voordat rapporten naar een externe printer kunnen worden verzonden, moet u de externe printer eerst aansluiten op één van de USB-poorten op de programmer. Zie de Merlin PCS Gebruikershandleiding voor meer informatie over het aansluiten van een externe printer. Number of Paper Copies (Aantal papieren exemplaren). Hiermee selecteert u hoeveel rapporten er worden geprint door de interne of externe printer wanneer u op een Print-toets drukt. NB Ondersteunde printers. Het Merlin PCS kan via verschillende laserjetprinters afdrukken. Neem contact op met uw St. Jude Medical-vertegenwoordiger of met de Technische ondersteuning voor een lijst met compatibele printers. Toegang vanaf: menu Tools > Preferences > tab Printer SCHERM PRINTEN De toets Print Screen drukt af wat zichtbaar is op het huidige scherm. Om het beeld naar een externe printer te verzenden gaat u naar het manu Tools > Preferences > tab Printer en selecteert u de toets External. Deze functie creëert geen PDF. Zie voor meer informatie over afdrukken Printmenu. Toegang vanaf: menu Tools > Print Screen toets SCHERM EXPORTEREN Via de toets Export Screen wordt het venster Gegevens exporteren geopend, waarmee u het huidige scherm kunt opslaan als een elektronisch bestand (.png) en kunt verzenden naar een opslagmedium (pc, diskettestation of flash-drive) dat is aangesloten op een van de USB-poorten van de programmer. Het Merlin PCS detecteert alle aangesloten apparaten en vraagt u om een apparaat te selecteren voor ontvangst van de gegevens. Toegang vanaf: menu Tools > Export Screen toets 3. De programmer creëert geen PDF bij real-time printen of wanneer er Session Record-snapshots worden geprint. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 1-5

1-6 Menu Tools

2. HARTRITMEWEERGAVE Inhoud: Hartritmeweergave ECG Markers EGM Waveform Control (Golfvormregeling) Instructies voor het instellen van de hartritmeweergave Adjust Display (Weergave aanpassen) ECG-configuratie EGM-configuratie Freeze Capture (Capture bevriezen) HARTRITMEWEERGAVE In de Rhythm Display (Hartritmeweergave) in het Hoofdprogrammeringsvenster worden maximaal vijf golfvormen (of kanalen) gelijktijdig weergegeven die apart geconfigureerd en aangepast kunnen worden. Door de kanaalregelingstoetsen aan de linkerkant van een golfvorm te selecteren, kunt u de golfvorm verslepen en op een andere plaats neerzetten. U kunt de weergave ook bevriezen of afdrukken in real-time. In het Rhythm Display kunnen drie types golfvormen worden getoond: ECG (elektrocardiogram) Markers EGM (intracardiaal elektrogram) De bedieningen voor het Rhythm Display zijn o.a.: toetsen Channel Control, die de huidige golfvorm aangeven voor elk van de vijf kanalen. Selecteer deze toets om de toetsen voor golfvormregeling te openen. toetsen Waveform Control (Golfvormregeling), die geopend worden vanuit de toetsen Channel Control aan de linkerkant van de weergave. De eerste toets opent het venster ECG of EGM. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 2-1

toets Adjust Display (Weergave aanpassen) toets Freeze Capture (Capture bevriezen) Zie Instructies voor het instellen van de hartritmeweergave. ECG Het Rhythm Display kan maximaal vijf ECG-golfvormen tegelijk weergeven vanuit zeven mogelijke ECG-vectoren. Er zijn twee manieren om het ECG-display te veranderen: toets Adjust Display (Weergave aanpassen), waarmee u de golfvormbron en -configuratie en het ECG-filter selecteert toetsen Waveform Control (Golfvormregeling), waarmee u de versterking en de golfvormbron in kunt stellen Een gebruikelijke ECG-setup ziet u hieronder in Figuur 2-1. Zie ECG-configuratie. 1. R (Rood) 2. L (Geel) 3. N (Zwart) 4. F (Groen) 5. C (Wit) Figuur 2-1. Kleurcoderingen en de positie van ECG-kabelaansluitingen MARKERS Markers zijn symbolen waarmee behandelingen, gestimuleerde en waargenomen gebeurtenissen, intervallen, refractaire periodes en algoritmeactiviteit worden aangegeven. 2-2 Hartritmeweergave

U kunt markers kiezen als één van de vijf kanalen. Markers kunnen worden geconfigureerd als: Basic (Basis). Bradycardie basisgebeurtenismarkers en Tachycardie basisgebeurtenismarkers verschijnen langs een tijdlijn. Full (Volledig). Naast de basisgebeurtenismarkers verschijnen de Markers voor interval en refractaire periode (volledige markers) en de Morfologiemarkers. Er zijn twee manieren om de marker-configuratie te veranderen: Selecteer de toets Adjust Display (Weergave aanpassen) en selecteer de gewenste configuratie. Selecteer de toets Waveform Control (Golfvormregeling) aan de linkerkant van het Rhythm Display en selecteer de gewenste configuratie. De volgende markers verschijnen altijd bij zowel de configuratie Basic als Full: Markers voor speciale bradycardiegebeurtenissen Markers episode-gebeurtenistrigger Markers voor tachycardiedetectie, -diagnose en -behandeling Markers afgifte tachycardielading Morfologiemarkers Door gebruiker geïnitieerde en Testmarkers Markers voor golfvormkanalen Bradycardie basisgebeurtenismarkers Marker Beschrijving Voorbeeld AS AP VS VP Atriale waargenomen gebeurtenis Atriale gestimuleerde gebeurtenis Ventriculaire waargenomen gebeurtenis Ventriculaire gestimuleerde gebeurtenis Als de parameter Ventrikelstimulatie ingesteld is op: RV Only. De VP marker heeft een naar rechts wijzend streepje. LV Only De VP marker heeft een naar links wijzend streepje. Biventricular. De marker is BP. Zie hieronder. BP Biventriculaire gestimuleerde gebeurtenis Als de parameter Ventrikelstimulatie is ingesteld op Biventricular en de parameter Interventricular Delay is ingesteld op: RV First. De BP marker wijst naar rechts. LV First. De BP marker wijst naar links. Simultaneous. Het BP-streepje wijst naar beneden. Tabel 2-1. Bradycardie basisgebeurtenismarkers Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 2-3

Marker Beschrijving Voorbeeld VSP Ventriculaire veiligheids-standby ASt Atriaal getriggerde gebeurtenis Tabel 2-1. Bradycardie basisgebeurtenismarkers (vervolg) Tachycardie basisgebeurtenismarkers Marker Beschrijving Voorbeeld T T1 T2 F X Geregistreerd interval: VT-zone Geregistreerd interval: VT-1 zone Geregistreerd interval: VT-2 zone Geregistreerd interval: VF zone Geregistreerd interval herbevestigd (onderstreept) - Niet-geregistreerd interval (streepje) Return to Sinus Terugkeer naar sinusritme na tachycardiebehandeling Tabel 2-2. Tachycardie basisgebeurtenismarkers Markers voor interval en refractaire periode (volledige markers) De markers voor intervallen en refractaire perioden worden weergegeven in het volgende diagram. Bij Promote pulsgenerators wordt alleen de eerste ventriculaire stimulatiepuls geïdentificeerd door een marker. De locatie van de tweede ventriculaire stimulatiepuls moet berekend worden op basis van de instelling voor Interventricular Delay. 2-4 Hartritmeweergave

Refractaire periode (lijn) 914 A-A-interval A-V-interval 1 6 4 907 V-V-interval Absolute refractaire periode (dikkere lijn) Figuur 2-2. Markers voor interval en refractaire periode (volledige markers) Markers voor speciale bradycardiegebeurtenissen Marker Beschrijving Voorbeeld AMS AFx SIR HYS VIP Neg-HYS --> A-Noise of --> V-Noise A-Noise of V-Noise <-- A-Noise of <-- V-Noise AMS is bezig (verschijnt bij iedere ventriculaire gebeurtenis) Werking van AF Suppression algoritme Activiteit van sensor-geïndiceerde frequentie Frequentiehysterese gestart door zoek-timer of waargenomen gebeurtenis VIP -zoekfunctie gestart Negatieve AV-hysterese zoekfunctie gestart Start van de ruisreversiemode Continueren van de ruisreversiemode Verlaten van de ruisreversiemode Tabel 2-3. Markers voor speciale bradycardiegebeurtenissen Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 2-5

Markers episode-gebeurtenistrigger Marker Beschrijving Voorbeeld ->AMS AMS-inschakeling Als een gebeurtenis EGM-opslag triggert, verschijnt er een verticale balk met een AT/AF AT/AF-detectie Trigger -vlag op het triggerpunt. PMT VT/VF PMT-detectie VT/VF-detectie of diagnose Magnet Magneetreversie is bezig Tabel 2-4. Markers episode-gebeurtenistrigger Markers voor tachycardiedetectie, -diagnose en -behandeling Marker Beschrijving Voorbeeld VT VF SVT (Monitor) VT, VT-1, of VT-2 diagnose VF diagnose SVT diagnose VT of VT-1 diagnose in een monitor-only frequentiezone De weergaveformule voor markers voor tachycardiedetectie, -diagnose en -afgifte van behandeling is [Diagnose] [Discriminator] ([Behandeling]). Als de diagnose VF is of als SVT-discriminatie is uitgeschakeld, dan is de weergaveformule voor de markers [Diagnose] ([Behandeling]). < AF/AFL-frequentiezoneclassificatie toegevoegd aan de diagnose = Sinus Tach-frequentiezoneclassificatie toegevoegd aan de diagnose > VT/VF-frequentiezoneclassificatie toegevoegd aan de diagnose Er verschijnen streepjes (---) voor de tijdsduur dat ATP-behandeling bezig is. Er verschijnen sterretjes (***) voor de tijd die de condensatoren nodig hebben om de geprogrammeerde energie/spanning te laden. (ATP---) ATP-behandeling Tabel 2-5. Markers voor tachycardiedetectie, -diagnose en -behandeling 2-6 Hartritmeweergave

Marker Beschrijving Voorbeeld (No More Therapies) Verder geen behandelingen beschikbaar VT Timeout VT-behandelings-time-out afgelopen SVT Timeout SVT-discriminatie-time-out afgelopen Bigeminy SVT-diagnose als gevolg van bigeminaal ritme SVT Timeout- Bigeminy SVT-discriminatie-time-out afgelopen maar behandeling wordt onderdrukt als gevolg van bigeminaal ritme Tabel 2-5. Markers voor tachycardiedetectie, -diagnose en -behandeling (vervolg) Markers afgifte tachycardielading Marker Beschrijving Voorbeeld * Bezig met opladen voor afgifte van een schok (HV) Hoogspanningsbehandeling Er verschijnen sterretjes (***) voor de tijd die de condensatoren nodig hebben om de geprogrammeerde energie/spanning te laden. Fibber: DC DC Fibber-inductie Fibber: Shock-T DBT Manual Shock-on-T afgegeven Testen met behulp van de pulsgenerator Schok in noodgevallen afgegeven Tabel 2-6. Markers afgifte tachycardielading Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 2-7

Marker Beschrijving Voorbeeld Schokpictogram (nn) J (nn) V Schok afgegeven Geprogrammeerde energie (in Joules) Geprogrammeerde spanning (in Volts) Tabel 2-6. Markers afgifte tachycardielading (vervolg) Morfologiemarkers Marker Beschrijving Voorbeeld X nn Template niet bijpassend Template-match Morfologiescore De markers voor morfologiescore, template-match en template non-match worden alleen weergegeven bij volledige markers, of als het venster Morphology Template geopend is. Deze markers worden niet weergegeven na een VF-diagnose totdat terugkeer naar sinus is bevestigd. De markers zijn groen als er een potentieel template gescoord is. Tabel 2-7. Morfologiemarkers Door gebruiker geïnitieerde en Testmarkers Marker Beschrijving Voorbeeld Programmed Interrogating Template Programmering van de pulsgenerator Ondervraging van de pulsgenerator Er is een template verworven De marker is een verticale balk met een vlag. Tabel 2-8. Door gebruiker geïnitieerde en Testmarkers 2-8 Hartritmeweergave

Marker Beschrijving Voorbeeld Temporary Tijdelijke programmering [Testwaarde] [Testtype] Test gestart [Testtype] Test Ended Test geannuleerd Capture Lost/ Sensing Lost NIPS: Extrasti- muli--- Instelling testparameter Het type test is gestart Het type test is geëindigd Test geannuleerd Capture/waarneming verloren tijdens de test NIPS extrastimuli afgegeven Testwaardemarkers verschijnen telkens wanneer een testparameterinstelling veranderd wordt tijdens een test. NIPS: Burst--- NIPS S1 Burst-stimulatie Er verschijnen streepjes (---) voor de tijdsduur dat de stimulatie bezig is. Fibber: Burst--- Fibber: DC Fibber: Shock-T STIM Fibber Burst-stimulatie DC Fibber-inductie Shock-on-T afgegeven NIPS-, Shock-on-T- of ATP-behandelingsstimulatie Tabel 2-8. Door gebruiker geïnitieerde en Testmarkers (vervolg) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 2-9

Markers voor golfvormkanalen Marker Beschrijving Voorbeeld [New Configuration] De ECG- of EGM-kanaalconfiguratie is veranderd + Gain Een verhoging van de versterkingsinstelling Gain Een verlaging van de versterkingsinstelling Tabel 2-9. Markers voor golfvormkanalen EGM EGM s (intracardiale elektrogrammen) tonen de elektrische activiteit van het hart zoals die wordt waargenomen door de pulsgenerator. De vorm en afmeting van de golfvorm is afhankelijk van de beschikbare EGM-configuratie en de instelling van Gain (Versterking). Het aantal en type van de configuraties is afhankelijk van het type pulsgenerator en de geïmplanteerde elektroden. Het Rhythm Display kan maximaal drie EGM-golfvormen tegelijk weergeven in verschillende configuraties. Selecteer de toets Adjust Display (Weergave aanpassen) om de golfvormbron, configuratie en versterking evenals het ECG-filter te selecteren. WAVEFORM CONTROL (GOLFVORMREGELING) De toetsen Waveform Control aan de linkerkant van het Rhythm Display besturen hoe de golfvorm eruitziet. Om de regelingen te openen, selecteert u één van de toetsen. Een toets toegewezen aan Markers opent drie toetsen. Toetsen toegewezen aan de EGM of ECG openen nog vier toetsen: Figuur 2-3. Toetsen Waveform Control 1 De toets Configuration opent de ECG-configuratie, het venster EGM-configuratie of de selectietoetsen Markers (Basic of Full). 2 Met de toets AutoGain kan de programmer de versterking automatisch instellen. 3 Met de Plus (+)- en Minus (-)-toetsen kunt u de versterking handmatig instellen. Toegang vanaf: Rhythm Display > toets Waveform Control 2-10 Hartritmeweergave

INSTRUCTIES VOOR HET INSTELLEN VAN DE HARTRITMEWEERGAVE 1. Selecteer de knop Adjust Display aan de rechterkant van het Rhythm Display. Het venster Adjust Display (Weergave aanpassen) verschijnt. 2. Ga naar positie 1. 3. Selecteer de bron (Source) die u wilt zien in positie 1 (ECG, EGM, Markers of Off). De programmer selecteert een standaardconfiguratie voor de bron. 4. Selecteer de Configuratie-toets. Als u ECG of EGM heeft geselecteerd voor Source, wordt het venster ECG-configuratie of EGM-configuratie geopend. Wanneer u Markers heeft gekozen, selecteert u de toets Basic of Full. 5. Kies de configuratie. 6. Herhaal deze stappen voor de resterende golfvormen. 7. Om de standaard doorloopsnelheid te veranderen, selecteert u de toets Sweep Speed en kiest u een snelheid. 8. Om het ECG-filter in te stellen (om elektromagnetische storing te verminderen) selecteert u de toets ECG Filter. 9. Om de instellingen voor Auto Gain (Automatische versterking) te vernieuwen, selecteert u de toets Update Auto Gains. NB Instellingen van de hartritmeweergave. De instellingen voor Rhythm Display voor elk type pulsgenerator (Promote en Current tweekamer- en eenkamer-pulsgenerators) zijn opgeslagen in de programmer. Wanneer u bijvoorbeeld Rhythm Display-instellingen selecteert bij een Promote pulsgeneratorsessie, dan worden dezelfde Rhythm Display-instellingen gebruikt bij de volgende Promote pulsgeneratorsessie, totdat u de Rhythm Display-instellingen aanpast. ADJUST DISPLAY (WEERGAVE AANPASSEN) In het venster Adjust Display (Weergave aanpassen) kunt u het volgende veranderen: Bron voor iedere golfvorm in het venster Rhythm Display (ECG, Markers of EGM) Configuratie van de golfvorm Doorloopsnelheid ECG-filter om elektromagnetische storing te verminderen Tevens zijn de volgende toetsen beschikbaar: Update AutoGains. Herberekent de versterking van de golfvormen die momenteel worden weergegeven in het Rhythm Display en die zijn ingesteld op Auto. Zie ook: ECG-configuratie EGM-configuratie Instructies voor het instellen van de hartritmeweergave Toegang vanaf: Rhythm Display > toets Adjust Display Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 2-11

ECG-configuratie In het venster ECG Configuration wordt de ECG-vector voor het Hartritmeweergave gewijzigd. Zie ECG voor een gebruikelijke ECG-setup. Om de ECG/vectoren te gebruiken selecteert u de volgende elektrodes: I. L(+) - R(-) II. F(+) - L(-) III. F(+) - R(-) avr. R(+) - L(-) + F(-) avl. L(+) - R(-) + F(-) avf. F(+) - R(-) + L(-) Borst. C Toegang vanaf: Adjust Display > toets Configuration EGM-configuratie CRT pulsgenerators In het venster EGM Configuration wordt de EGM-bron op het Hartritmeweergave gewijzigd. Welke instellingen beschikbaar zijn hangt af van het type pulsgenerator en de instelling voor Lead Type. Bij CRT en DR pulsgenerators is de instelling Leadless ECG gelijk aan de Atip naar RV coil-configuratie. Bij VR pulsgenerators is de instelling Leadless ECG gelijk aan de SVC naar Can-configuratie. Naast atriale en ventriculaire EGM-bronnen kunt u ook een aangepaste EGM-configuratie aanmaken. In de kolom Custom selecteert u de toets om een venster te openen om de kathode en anode voor de configuratie te kiezen. De tabel hieronder (Tabel 2-10) toont alle mogelijk aangepaste configuraties voor alle pulsgeneratormodellen. Zie ook: Opgeslagen EGM-configuratie. Tweekamerpulsgenerators Eenkamerpulsgenerators A-tip A-tip V-tip A-ring A-ring V-ring RV-tip V-tip RV-coil RV-ring V-ring Can LV-tip RV-coil SVC LV-ring 1 RV-coil Can SVC Leadless ECG Can SVC Leadless ECG Leadless ECG Tabel 2-10. Aangepaste EGM-kathode- en anode-instellingen 1. Beschikbaar wanneer de parameter LV Lead Type ingesteld is op bipolair. Toegang vanaf: Adjust Display > toets Configuration 2-12 Hartritmeweergave

FREEZE CAPTURE (CAPTURE BEVRIEZEN) De toets Freeze (Bevriezen) registreert de meest recente 30 sec. van de golfvorm en toont de gegevens in het venster Freeze Captures. Er worden maximaal zes Freeze Captures opgeslagen in het geheugen van de programmer. U kunt een golfvorm verslepen en neerzetten op een andere positie. De regelingen in het venster Freeze Capture zijn onder andere: de toetsen Waveform Control (Golfvormregeling), waaronder de toets Hide (Verbergen), waarmee de geselecteerde golfvorm verborgen wordt de toets Restore Channels (Kanalen herstellen), waarmee de verborgen golfvormen hersteld worden de toets Sweep Speed de toets Show Calipers (Schuifmaat tonen), waarmee een schuifmaat getoond wordt die bewogen kan worden met toetsregelingen om tijdmetingen weer te geven voor een gedeelte van de freeze de toets Hide Calipers (Schuifmaat verbergen), die om en om verandert in de toets Show Calipers Scroll-toetsen U kunt de bevroren golfvorm ook onmiddellijk afdrukken (selecteer de toets Print) of aan het einde van de sessie (selecteer de toets Print with Wrap-up). Toegang vanaf: Freeze-toets Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 2-13

2-14 Hartritmeweergave

3. SCHERM FASTPATH SUMMARY Inhoud: FastPath Summary Waarschuwingen Patiëntgegevens Opmerking FASTPATH SUMMARY Selecteer een willekeurige toets in het venster FastPath Summary voor meer informatie. De toets Waarschuwingen. Opent een lijst met toestanden die moeten worden gecontroleerd. Battery-knop. Toont de laatst gemeten batterijspanning, een levensduurmeter die de tijd die over is tot ERI weergeeft (op basis van de huidige gebruiksfrequentie en andere gegevens), en de datum en duur van de laatste maximale lading Selecteer deze toets om het venster Gegevens over batterij te openen 1. De toets Brady Parameters. Opent het venster Bradycardieparameters. De toets Tachy Zone. Opent het venster Tachycardieparameters. De toets Episodes. Opent de directory VT/VF Episodes. De toets Diagnostics. Toont het percentage van gestimuleerde gebeurtenissen en het percentage van de tijd waarin de pulsgenerator op ofwel Mode-overschakeling of AT/AF stond. Selecteer deze toets om het venster Frequenties te openen. De toetsen Test Results. Tonen de status van de huidige test of meting en de eerdere resultaten voor elke beschikbare test of meting (inclusief die buiten het ziekenhuis hebben plaatsgevonden) Elke toets opent de laatste resultaten van een test of impedantiemeting (zie het venster Capture & waarneming test en het venster Batterij en elektroden). De toets End Session. De toets Print. Print het FastPath samenvattingsrapport, dat de volgende gegevens bevat: - Alle informatie op het scherm Summary - De aanvankelijke parameterinstellingen - Diagnostische gegevens Om het FastPath Summary-rapport te configureren selecteert u de Print-toets, selecteert u de tab Reports en vervolgens de Instellingen FastPath -samenvatting. Toegang vanaf: De toets FastPath Summary WAARSCHUWINGEN Het venster Alerts (Waarschuwingen) geeft een lijst met toestanden of patiëntmeldingen die gedetecteerd zijn sinds de meest recente follow-up. De lijst bevat toetsen die gerelateerde vensters openen. Waarschuwingen die nog niet zijn bekeken zijn vet gedrukt. Toegang vanaf: toets FastPath Summary > toets Alerts 1. Wanneer ERI is opgenomen in het waardenbereik van de schatting van de levensduur, dan wordt de meter in het rood weergegeven en verschijnt het bericht ERI in <3 mos. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 3-1

PATIËNTGEGEVENS Het venster Patient Data (Patiëntgegevens) geeft informatie over de patiënt, elektroden en pulsgenerator weer en stelt u in staat deze gegevens op te slaan in het geheugen van de pulsgenerator. Als u de Elektrode-implantatiegegevens verandert vanuit het venster Patiëntgegevens: Elektrode-informatie, kunt u ook de trends van waarneming, hoogspannings- en laagspanningselektrode-impedantie wissen. Bij gegevensvelden waarvoor een toetsenbord op het scherm nodig is, kunt u alternatief een USB-toetsenbord gebruiken dat gekoppeld is aan een van de USB-poorten. Wanneer u klaar bent met het invoeren van gegevens, selecteert u de toets Program om de gegevens permanent op te slaan. De gegevensvelden zijn o.a.: Patient Name and ID (Patiëntnaam en -ID). Opent een toetsenbord op het scherm voor het invoeren van gegevens. De toetsen Birth Date (Geboortedatum). Deze instelling bepaalt de instelling van Patient s Age (Leeftijd van de patiënt) in de berekening van de Doelwit-hartfrequentie voor de diagnostische gegevens m.b.t. Lichaamsbeweging & activiteit. De toets EF. Hier wordt de Ejection Fraction (Ejectie-fractie) van de patiënt ingevuld. De toets Lead Information (Informatie over elektroden). Opent het venster Patiëntgegevens: Elektrode-informatie, waarop u de fabrikant, het model, de lengte, het serienummer en de implantatiedatum van de elektrode kunt invoeren. Als u de implantatiedatum van de elektrode verandert, geeft de programmer het venster Trends wissen weer. De toets Device Implant Date (Implantatiedatum pulsgenerator). U kunt automatisch Select Today s Date gebruiken (de dag van vandaag selecteren) of apart de maand, de dag en het jaar invoeren. De toets Indications for Implant (Indicaties voor implantatie). Opent het venster Indications for Implant. De toets Implant Notes (Opmerkingen bij de implantatie). Opent een veld voor het invoeren van opmerkingen bij de implantatie. Physicians (Artsen). Opent toetsenborden op het scherm voor het invoeren van gegevens. Toegang vanaf: Hoofdprogrammeringsvenster PATIËNTGEGEVENS: ELEKTRODE-INFORMATIE Met het venster Patient Data: Lead Information kunt u de volgende kenmerken instellen voor alle geïmplanteerde elektroden: Manufacturer (Fabrikant) Lead Model (Elektrodemodel) Lead Serial Number (Elektrodeserienummer) Lead Implant Date (Elektrode-implantatiedatum) Als u de elektrode-implantatiedatum verandert, geeft de programmer het venster Trends wissen weer om de trends van Sense en Lead Impedance te wissen. Door het elektrodemodel bij bepaalde SJM-elektroden in te stellen, wordt de parameter Elektrodetype automatisch op de juiste instelling geprogrammeerd. Als u bijvoorbeeld een unipolair elektrodemodel selecteert in dit venster, dan wordt de parameter Lead Type gereset van Bipolar naar Unipolar. Toegang vanaf: Hoofdprogrammeringsvenster > toets Patient Data > toets Lead Information 3-2 Scherm FastPath Summary

TRENDS WISSEN Met het venster Clear Trends (Trends wissen) kunt u de volgende trends wissen: Lead Impedance (Elektrode-impedantie) voor alle elektroden (zie Lead Impedance) HV Lead Impedance (Hoogspanningselektrode-impedantie) voor de RV-elektrode (zie Ventricular HV Lead Impedance) Sense (Waarneming) (amplitude-trend) voor elektroden (zie Waarnemingstests). Toegang vanaf: Hoofdprogrammeringsvenster > toets Patient Data > toets Lead Information > toets Implant Date INDICATIES VOOR IMPLANTATIE Met het venster Indications for Implant (Indicaties voor implantatie) kunt u een of meer standaardindicaties selecteren of een aangepaste indicatie invoeren. Toegang vanaf: Hoofdprogrammeringsvenster > toets Patient Data > toets Indications for Implant OPMERKING In het venster Note (Opmerking) kan extra informatie over de patiënt worden ingevoerd. Wanneer u het vakje Highlight At Every Follow-up (Markeren bij elke follow-up) selecteert, wordt het potloodpictogram op het hoofdprogrammeringsvenster gemarkeerd en de informatie verschijnt als een Waarschuwing bij de volgende programmeersessie. Toegang vanaf: Hoofdprogrammeringsvenster > toets Note TOETSENBORD OP HET SCHERM Gebruik het toetsenbord op het scherm voor het invoeren van gegevens. De toets Special Char. Selecteer de toets Special Char (Speciale tekens) en selecteer vervolgens een andere toets om het speciale teken weer te geven (in groen gelabeld op de toets). Inactieve toetsen. Inactieve toetsen betekenen dat de pulsgenerator het teken niet ondersteunt. Herhalingstoetsen. Wanneer u de meeste toetsen ingedrukt houdt op het toetsenbord op het scherm, worden ze niet herhaaldelijk ingetypt. Uitzonderingen hierop vormen de pijltoetsen, de spatietoets, de Enter-toets en de Backspace-toets. Extern toetsenbord. U kunt een extern toetsenbord gebruiken dat via een van de USB-poorten aangesloten is op de programmer. Beide toetsenborden kunnen tegelijkertijd worden gebruikt. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 3-3

3-4 Scherm FastPath Summary

4. EPISODES De toets Episodes opent een venster met de: VT/VF Episodes en Andere Episodes Episodegegevens Episode-boomdiagram Logs & samenvattingen Toegang vanaf: toets Episodes VT/VF EPISODES EN ANDERE EPISODES De vensters VT/VF Episodes en Other Episodes (Andere Episodes) geven een lijst van alle episodes die opgeslagen zijn door de pulsgenerator. Het venster Other Episodes geeft een lijst van episodes die niet geteld worden als VT of VF. Deze zijn o.a.: AT/AF-detectie AMS Noise Reversion PMT Termination Magnet Response Emergency Shock Morphology Template Update. Wanneer u de tab VT/VF Episodes or Other Episodes selecteert, laat het venster alleen nieuwe episodes zien, d.w.z. de episodes die vastgelegd zijn nadat de diagnostische gegevens voor het laatst gewist zijn of nadat de toets Update Episodes geselecteerd was. Alle opgeslagen EGM s die niet gewist zijn uit de pulsgenerator bij een vorige follow-up zijn oude episodes. Selecteer de toets Include Old Episodes (Oude episodes opnemen) om alle episodes te bekijken. Vanuit de vensters VT/VF Episodes en Other Episodes kunt u: Een episode bekijken. Selecteer een episode uit de lijst. Elke episode in de lijst is een toets waarmee u het venster Episodegegevens kunt openen. De directory sorteren. Selecteer een kolomtitel EGM s ophalen uit de pulsgenerator. Selecteer de toets Update Episodes (Episodes bijwerken) om handmatig opgeslagen EGM s op te halen. Eén Episode afdrukken. Selecteer de toets Print Selected (Druk geselecteerde af) om een gedetailleerd rapport af te drukken voor een episode die geselecteerd is voor afdrukken. Alle episodes printen. Selecteer de toets Select All for Printing (Selecteer alles voor afdrukken), en selecteer vervolgens de toets Print Selected. De kolom Status geeft de status van opgeslagen EGM s die bij die episode horen. De Statuspictogrammen geven de volgende statussen aan: - Blauwe ronddraaiende pijl. De episodedetails worden opgehaald. - Nieuw EGM. De episodedetails zijn opgehaald en zijn klaar om bekeken te worden. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 4-1

- Gewist. De episode is uit de pulsgenerator gewist. - Oud EGM. De episode is bekeken in een eerdere sessie. - Geen EGM. De episode is beschadigd of is gewist voordat deze gelezen is. Zie ook: Episode-instellingen Diagnostische gegevens wissen Toegang vanaf: toets Episodes > tab VT/VF Episodes of tab Other Episodes EPISODEGEGEVENS Het venster Episode Detail (Episodegegevens) toont de gegevens over EGM en Markers die voor en na een vastgelegde trigger-gebeurtenis komen, met informatie over datum, tijd, trigger-type en waarschuwingsstatus. U kunt het uiterlijk van de golfvorm net zo veranderen als een bevroren golfvorm (zie Freeze Capture (Capture bevriezen)). Het venster Episode Details bevat ook de: toets Select for Printing, waarmee u de episode in het Episode Report (Episoderapport) zet (zie Printmenu). Toetsen Arrow (Pijl), waarmee u naar de vorige of volgende episode scrollt. Toets Restore Channels (Kanalen herstellen), waarmee u verborgen golfvormen laat zien. Datum, tijd en type van de episode. Tijdsduur van de episode (alleen bij VT/VF Episodes). Toets Diagnosis (Diagnose) (alleen bij VT/VF Episodes). Er verschijnt een grote toets Diagnosis als een SVT-diagnose gevolgd wordt door een VT-diagnose tijdens de episode. Er verschijnt een kleine toets Diagnosis als de diagnose onveranderd gebleven is tijdens de episode. Deze bevat informatie over de diagnose, de CL (cycluslengte) en de Time to Diagnosis (Tijd tot diagnose). Als de diagnose VF is, dan is de toets alleen ter informatie. Voor andere diagnoses selecteert u deze toets om het venster Gegevens diagnose te openen. Toets Therapy and Results (Behandeling en resultaten) (alleen bij VT/VF Episodes). Geeft een lijst met alle behandelingen (ATP, VF, etc.) die afgegeven zijn tijdens een episode, samen met de resultaten ervan. Afgebroken behandelingen en eventuele speciale gebeurtenissen zoals pulsgeneratorreversies of in gang zijnde oplading worden ook weergegeven. Toets ATP Therapy Details (Gegevens ATP-behandeling) (alleen bij VT/VF Episodes). Deze toets verschijnt als er een ATP-behandeling afgegeven is. Selecteer deze toets om het venster Gegevens ATP-behandeling te openen. Alerts (Waarschuwingen) (alleen bij VT/VF Episodes). Geeft een lijst met alle waarschuwingscondities die bij een episode horen. Zie Waarschuwingen. HV Therapy (HV-behandeling) (alleen bij VT/VF Episodes). Als er tijdens de episode een hoogspanningsschok afgegeven is, geeft deze toets gedetailleerde informatie over de laadtijden van de condensatoren, de laatste elektrode-impedantiemeting en de schok-golfvorminstellingen voor die episode. AMS- of AT/AF-logs (alleen bij Andere Episodes). Geeft de samengevatte diagnose-informatie voor ofwel AMS- of AT/AF-episodes. Selecteer deze toets om het venster Mode-overschakeling of AT/AF te openen. Toets Print. Print de episode-informatie en het opgeslagen EGM. Toegang vanaf: toets Episodes > tab VT/VF Episodes of tab Other Episodes > toets Specific Episode Detail 4-2 Episodes

GEGEVENS ATP-BEHANDELING Het venster ATP Therapy Details (Gegevens ATP-behandeling) geeft de burst cycle lengte (BCL) van de eerste en laatste ATP-burst die afgegeven is en de geslaagde BCL voor alle ATP-behandelingen. Toegang vanaf: toets Episodes > tab VT/VF Episodes of tab Other Episodes > toets Specific Episode Detail > toets ATP Therapy Details GEGEVENS DIAGNOSE Het venster Diagnosis Details (Gegevens diagnose) geeft de SVT-diagnosegegevens weer voor de huidige episode ten tijde van de aanvankelijke diagnose. De gegevens zijn o.a. de aanvankelijk gediagnosticeerde conditie, CL (cycluslengte), Tijd tot Diagnose, en Zone. Als de uiteindelijke diagnose van de pulsgenerator verschilde van de aanvankelijke diagnose, toont een tweede paneel de conditie en andere gegevens van de uiteindelijke diagnose. Selecteer de toets Statistische gegevens SVT-criteria voor informatie over alle gedetecteerde SVT s tijdens de gehele episode. NB Aantal SVT-diagnoses. Dit is het aantal episodes in de huidige directory waarvan bepaald is dat zij de hele episode lang SVT waren. No. of SVT Diagnoses (Aant. SVT-diagnoses) verschilt van SVT Diagnoses in Episodes vermeld in het venster Gegevens SVT-diagnosesamenvatting; dat is het aantal malen dat SVT gediagnosticeerd is door de pulsgenerator, ook al was de uiteindelijke diagnose van de episode VT/VF. Toegang vanaf: toets Episodes > tab VT/VF Episodes of tab Other Episodes > toets Specific Episode Detail > toets Diagnosis Details STATISTISCHE GEGEVENS SVT-CRITERIA Het venster SVT Criteria Statistics (Statistische gegevens SVT-criteria) toont het aantal SVT-diagnoses en de gemeten waarden van de SVT-discriminator voor de geselecteerde episode. Toegang vanaf: toets Episodes > tab VT/VF Episodes of tab Other Episodes > toets Specific Episode Detail > toets Diagnosis Details > toets SVT Criteria Statistics EPISODE-BOOMDIAGRAM Het venster Episode Tree (Episode-boomdiagram) is een samenvatting van tachy-episodes die gedetecteerd zijn vanaf het tijdstip waarop de diagnostische gegevens het laatst werden gewist, tot de laatste ondervraging. Het venster presenteert een grafische verdeling van alle VT/VF episodes, ingedeeld in de verschillende geprogrammeerde behandelingszones. Bovenaan elke zone vindt u een toets Episode die laat zien hoeveel episodes er in die zone vastgelegd zijn en of er een bijbehorend opgeslagen EGM is. Onder elke Episode-toets staan Diagnosis-toetsen die de diagnose van elke episode laten zien (bijvoorbeeld SVT, non-sustained VT [Kortdurende VT], enz.). Als er behandeling afgegeven is voor VT of VF, dan staan de resultaten van de behandeling eronder. Selecteer een willekeurige toets in het venster om het Episodegegevens te zien van alle episodes in die categorie. Selecteer de toetsen Previous/Next in het detailvenster om elke episode in die categorie te zien. Toegang vanaf: toets Episodes > tab Episode Tree Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 4-3

LOGS & SAMENVATTINGEN Het venster Logs & Summaries (Logs & samenvattingen) is een compilatie van alle vastgelegde tachy-episodes gedetecteerd vanaf het tijdstip waarop de diagnostische gegevens het laatst werden gewist, tot de laatste ondervraging. Het venster bevat de: toets Triggers List, die alle Episode-instellingen laat zien die ingeschakeld werden op het laatste tijdstip waarop de episodes ingelezen werden en hoe vaak elke episode optrad. Selecteer deze toets om het venster Episode Triggers te openen voor programmeren. Toets SVT Diagnosis Summary, die alle SVT-episodes geeft, ingedeeld op grond van de parameters Frequentiebranch en Zone Configuration. Als de parameter Zone Configuration geprogrammeerd is op de instelling 2 Zones of 3 Zones, selecteert u dit venster om het venster Gegevens SVT-diagnosesamenvatting te openen. De frequentiebranches (Rate Branches) zijn o.a.: - AF/AFL (V<A) (Atriale fibrillatie/atriale flutter). Het aantal VT-1/VT-2 episodes in de V<A frequentiebranche. - Sinus (V=A). Het aantal VT-1/VT-2 episodes in the V=A frequentiebranche. - VT (V>A). Het aantal VT-1/VT-2 episodes in de V>A frequentiebranche. - SVT Episodes. Het aantal VT-1/VT-2 Episodes waarbij alle VT/VF diagnoses belemmerd zijn. Toets HV Charging/Morphology template (HV-laden/Morfologie-template), waarin het aantal HV-ladingen wordt gegeven, het aantal pogingen tot automatisch bijwerken van het Morfologie-template en het aantal actieve templates dat bewaard is. Selecteer dit venster om het venster HV-lading en Gegevens morfologie-template te openen. Toets Therapy Summary (Samenvatting behandelingen), die een lijst toont van het aantal ATP s en schokken die afgegeven zijn voor elke Zone-configuratie, de laatste HV-elektrode-impedantiemeting en het aantal afgebroken schokken. Als de parameter Zone Configuration niet ingesteld is op Off, selecteert u dit venster om het venster Gegevens behandelingssamenvatting te openen. Toets Device Reversions (Reversies pulsgenerator), waardoor het type en aantal reversies wordt gegeven en de datum en tijd van de meest recente reversies. Ook resets worden hier vermeld. Toegang vanaf: toets Episodes > tab Logs & Summaries GEGEVENS SVT-DIAGNOSESAMENVATTING Het venster SVT Diagnosis Summary Details (Gegevens SVT-diagnosesamenvatting) geeft een samenvatting van de SVT-diagnoses en de discriminatiecriteria voor iedere Zone-configuratie. Selecteer de toets See SVT Discrimination parameters (Zie SVT-discriminatieparameters) om het venster Gegevens SVT-discriminatie te openen. NB Diagnoses in Episodes. Dit is het aantal keren dat SVT gediagnosticeerd is door de pulsgenerator, ook al was de uiteindelijke diagnose van de episode VT/VF. Diagnoses in Episodes verschilt van het No. of SVT Episodes dat vermeld wordt in het venster Gegevens diagnose; dat is het aantal episodes in de huidige directory waarvan is bepaald dat zij SVT waren, de gehele episode lang. Toegang vanaf: toets Episodes > tab Logs & Summaries > toets SVT Diagnosis Summary 4-4 Episodes

HV-LADING EN GEGEVENS MORFOLOGIE-TEMPLATE Het venster HV Charging and Morphology Template Details (HV-lading en Gegevens morfologie-template) geeft de: Totale HV-ladingen Spanningsbereik van alle ladingen die vastgelegd zijn in de periode die als monster genomen is en de levensduurperiode Morfologie-template update-informatie Elk opgeslagen EGM van een morfologie-update De laatste door programmer opgestarte template-activering toets die linkt naar de parameters voor Condensatoronderhoud toets die linkt naar de parameters voor Morfologie-template Toegang vanaf: toets Episodes > tab Logs & Summaries > toets HV Charging GEGEVENS BEHANDELINGSSAMENVATTING Het venster Therapy Summary (Gegevens behandelingssamenvatting) geeft: Het aantal ATP-behandelingen en schokken afgegeven in elke Zone Configuration De laatste gemeten HV-elektrode-impedantie Informatie over afgebroken schokken Het ATP-behandelingsresultaat voor elke Zone Configuration De grafieken die laten zien hoeveel ATP-bursts er zijn afgegeven voor elke geslaagde behandeling voor Therapy 1 en Therapy 2. Toegang vanaf: toets Episodes > tab Logs & Summaries > toets Therapy Summary Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 4-5

4-6 Episodes

5. DIAGNOSTISCHE GEGEVENS Inhoud: Frequenties Geleiding Mode-overschakeling AT/AF Lichaamsbeweging & activiteit Zie ook: Diagnostische gegevens wissen Toegang vanaf: toets Diagnostics (Diagnostische gegevens) FREQUENTIES De tab Rates in het venster Diagnostics bevat vier panelen: Histogram atriale hartfrequentie Gebeurtenissen diagnostics Totale gesampelde tijd en totale tijd in AMS of AT/AF Last read data Toegang vanaf: toets Diagnostics > tab Rates Histogram atriale hartfrequentie Het scherm Atrial Heart Rate Histogram (Histogram atriale hartfrequentie) toont de verdeling van alle atriale gestimuleerde en waargenomen gebeurtenissen per frequentie (min ) die vastgelegd zijn nadat de diagnostische gegevens voor het laatst gewist waren 1. Elke histogramstaaf geeft het percentage van de tijd weer waarin de intrinsieke of gestimuleerde frequentie van de patiënt binnen een specifiek frequentiebereik viel. Elke staaf is verdeeld in gekleurde segmenten, waarmee het deel wordt aangeven dat werd gestimuleerd of waargenomen. Het scherm Histogram bevat ook de instellingen van bepaalde frequentieparameters, een histogramlegenda, het percentage van de totale tijd dat als monster genomen is bij Max Track Rate en het percentage van totale atriale gestimuleerde gebeurtenissen (die AF Suppression -algoritme-gestimuleerde AP-overdrivegebeurtenissen zijn, als de parameter AF-Suppression op On staat.) Als de parameter Sensor is geprogrammeerd op On of Passive, verschijnt er een gele stip in elk frequentiebereik. De positie van de stip op de staafgrafiek vertegenwoordigt het percentage van de gestimuleerde gebeurtenissen die zouden optreden indien de frequentie uitsluitend werd bepaald door respons op de activiteitssensor. 1. Als de pulsgenerator een mode-switch heeft uitgevoerd, dan legt het hartfrequentiehistogram geen gebeurtenissen vast Gebeurtenissen tijdens een PVC Response werken het atriale hartfrequentiehistogram niet bij. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 5-1

Gebeurtenissen Het scherm Events (Gebeurtenissen) bevat: Een samenvatting van het percentage van de tijd waarin alle gebeurtenissen gestimuleerd waren, zowel voor het huidige tijdmonster als voor de hele levensduur van de pulsgenerator 2, en Een staafgrafiek die het percentage van de totale tijd toont die als monster genomen is voor elk gebeurtenistype. Dus betekent een scherm Events met een AS-VS gebeurtenistype van 94% dat tijdens de laatste bemonsterde periode (gedefinieerd onder de grafiek), 94% van alle gebeurtenissen van het AS-VS type was. De percentageberekening is gebaseerd op de tijd die als monster genomen is van de gebeurtenissen gedeeld door het totale aantal gebeurtenissen van het histogram. Een samenvatting van alle gestimuleerde gebeurtenissen, die beschreven worden in de tabel hieronder (Tabel 5-1) staat boven de grafiek Events. Gebeurtenis-samenvattings symbool Tweekamer-modes Eenkamer-modes AP AP-VP + AP-VS AP VP AS-VP + AP-VP VP BP AS-BP + AP-BP n.v.t. AV-geleiding AP-VS + AS-VS n.v.t. Tabel 5-1. Verklaring van gebeurtenis-samenvattingsgegevens Het gebeurtenissenhistogram bevat niet de tijd in AMS. Types gebeurtenissen van tweekamer-pulsgenerators zijn: AS-VP. Atriaal waargenomen, ventriculair gestimuleerd AS-VS. Atriaal waargenomen, ventriculair waargenomen AP-VP. Atriaal gestimuleerd, ventriculair gestimuleerd AP-VS. Atriaal gestimuleerd, ventriculair waargenomen PVC. Premature ventriculaire contractie (een ventriculaire waargenomen gebeurtenis na een VS- of VP-gebeurtenis die niet voorafgegaan werd door een waargenomen atriale gebeurtenis) Types gebeurtenissen van eenkamer-pulsgenerators zijn: VS. Ventriculair waargenomen VP. Ventriculair gestimuleerd NB Afronding. De waarden >0 maar <1 worden aangeduid als <1. Getallen van 1 t/m 10 worden afgerond tot het dichtstbijzijnde decimale getal met één cijfer achter de komma. De getallen van 10 t/m 99 worden afgerond tot op het dichtstbijzijnde hele getal. Getallen groter dan 99 en kleiner dan 100 worden getoond als >99. Rapporten. In het Extended Diagnostics Report (Uitgebreid rapport diagnostische gegevens, zie Instellingen FastPath -samenvatting) ziet u de totale gebeurtenissen die geteld zijn tijdens de periode die als monster genomen is, evenals meer gedetailleerde percentages voor elke gebeurtenissentelling in elk frequentiebereik. 2. Inclusief gebeurtenissen tijdens een Auto Mode Switch. 5-2 Diagnostische gegevens

GELEIDING De tab Conduction (Geleiding) in het venster Diagnostics bevat vier panelen: Histogram ventriculaire hartfrequentie AV-intervallen diagnostics Totale gesampelde tijd en totale tijd in AMS of AT/AF Last read data Toegang vanaf: toets Diagnostics > tab Conduction Histogram ventriculaire hartfrequentie Het Ventricular Heart Rate Histogram (Histogram ventriculaire hartfrequentie) toont de verdeling van alle ventriculaire gestimuleerde en waargenomen gebeurtenissen per frequentie (min ) vastgelegd nadat de diagnostische gegevens voor het laatst gewist zijn 3. Elke histogramstaaf geeft het percentage van de tijd weer waarin de intrinsieke of gestimuleerde frequentie van de patiënt binnen een specifiek frequentiebereik viel. Elke staaf is verdeeld in gekleurde segmenten, waarmee het deel wordt aangeven dat werd gestimuleerd of waargenomen of dat een PVC was. Het scherm Histogram bevat ook de instellingen van bepaalde frequentieparameters, een histogramlegenda, het percentage van de totale tijd dat als monster genomen is bij Max Track Rate en het aantal PMT-detecties (als de parameter PMT Response ingeschakeld is). Als de parameter Sensor is geprogrammeerd op On of Passive, verschijnt er een gele stip in elk frequentiebereik. De positie van de stip op de staafgrafiek vertegenwoordigt het percentage van de gestimuleerde gebeurtenissen die zouden optreden indien de frequentie uitsluitend werd bepaald door respons op de activiteitssensor. AV-intervallen Het scherm AV Intervals (AV-intervallen) is beschikbaar in tweekamer-modes en bevat: Het percentage van alle AV-intervallen die gestimuleerd werden en het aantal VS-AS-intervallen die minder dan 80 ms waren Een staafgrafiek die de verdeling van alle vastgelegde AV-intervallen laat zien per tijdsduur van het interval. Elke histogramstaaf geeft het percentage van de tijd weer waarin het AV-interval van de patiënt binnen een specifiek bereik van intervalduur viel. Elke staaf is verdeeld in gekleurde segmenten, waarmee het gedeelte wordt aangeven dat werd gestimuleerd of waargenomen. MODE-SWITCH EN AT/AF Dit venster geeft het venster Mode Switch weer als de parameter Auto Mode Switch is ingeschakeld, of het venster AT/AF als de parameter Auto Mode Switch op Off is ingesteld. Mode-overschakeling AT/AF MODE-OVERSCHAKELING De tab Mode Switch (Mode-overschakeling) in het venster Diagnostics is beschikbaar wanneer de parameter Auto Mode Switch ingeschakeld is. Het venster bevat de: AT/AF-belasting AMS-samenvatting 3. Het histogram bevat geen gebeurtenissen die zijn opgetreden tijdens Auto Mode Switch. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 5-3

V-frequenties tijdens AMS toets AMS-log, waarmee het venster AMS Log geopend wordt Totale gesampelde tijd en totale tijd in AMS Last read data Toegang vanaf: toets Diagnostics > tab Mode Switch AT/AF-belasting Het scherm AT/AF Burden (AT/TF-belasting) toont het percentage van de totale tijd waarin AT/AF (atriale tachycardie/atriale fibrillatie) gedetecteerd is en een grafiek van percentage AT/AF Burden over een periode van 52 weken. Elk gegevenspunt op de grafiek is gelijk aan het percentage van de tijd waarin de patiënt in AT/AF was gedurende een periode van zeven dagen. AMS-samenvatting De AMS-samenvatting bevat informatie over mode-switch-activiteit, inclusief twee histogrammen: Piek A-frequentie. Iedere staaf vertegenwoordigt het aantal mode-switch-episodes dat is opgetreden bij een gefilterde atriale frequentie binnen het frequentiebereik. Tijdsduur. Elke staaf geeft het aantal episodes weer die optraden binnen één tijdsduurbereik. Percentage mode switch is de tijd waarin de pulsgenerator in mode switch was, gedeeld door de totale tijd die als monster genomen is. Het histogram geeft een lopende AMS-episode niet weer 4. V-frequenties tijdens AMS Het panel V Rates During AMS (V-frequenties tijdens AMS) bevat een histogram dat ventriculaire activiteit laat zien tijdens mode switches. U kunt dit histogram gebruiken om te bepalen of het mode-switch-algoritme hoge ventriculaire stimulatie succesvol onderdrukt heeft. Elke histogramstaaf geeft het percentage van de totale tijd weer waarin ventriculaire gebeurtenissen binnen een specifiek frequentiebereik vielen. Elke staaf is verdeeld in gestimuleerde (VP) en waargenomen (VS) gebeurtenissen. NB Afronding. De waarden >0 maar <1 worden aangeduid als <1. Getallen van 1 t/m 10 worden afgerond tot het dichtstbijzijnde decimale getal met één cijfer achter de komma. De getallen van 10 t/m 99 worden afgerond tot op het dichtstbijzijnde hele getal. Getallen groter dan 99 en kleiner dan 100 worden getoond als >99. Rapporten. In het Extended Diagnostics Report (Uitgebreid rapport diagnostische gegevens, zie Instellingen FastPath -samenvatting) ziet u de totale gebeurtenissen die geteld zijn tijdens de periode die als monster genomen is, evenals meer gedetailleerde percentages voor elke gebeurtenissentelling in elk frequentiebereik. AMS LOG EN AT/AF LOG Dit venster geeft het venster AMS Log weer als de parameter Auto Mode Switch is ingeschakeld, of het venster AT/AF Log als de parameter Auto Mode Switch Parameter op Off is ingesteld. AMS-log AT/AF-log 4. De duur van een lopende episode wordt verwerkt in Percentage Mode Switched en Number of AMS Episodes. 5-4 Diagnostische gegevens

AMS-LOG Het AMS Log geeft een lijst van alle mode-switch gebeurtenissen opgeslagen in het geheugen van de pulsgenerator. Het Log bevat vijf kolommen. Om de sorteervolgorde te veranderen, selecteert u de toets bovenaan de gewenste kolom. EGM. Een EGM-pictogram geeft aan dat er een episode is opgeslagen met de log-invoer. Selecteer de toets met het pictogram om het Episodegegevens te bekijken. Date Time Peak Atrial Rate Duration Capaciteit. Het AMS-log kan maximaal 32 gebeurtenissen bewaren. De eerste 16 gebeurtenissen van de episode worden vastgelegd in het geheugen van de pulsgenerator (maar kunnen worden gewist). De resterende gebeurtenissen worden voortdurend vastgelegd. Dat wil zeggen, wanneer het geheugen vol is, worden gebeurtenissen nog steeds vastgelegd en worden oudere gebeurtenissen overschreven door nieuwere gebeurtenissen. NB Afronding. De waarden >0 maar <1 worden aangeduid als <1. Getallen van 1 t/m 10 worden afgerond tot het dichtstbijzijnde decimale getal met één cijfer achter de komma. De getallen van 10 t/m 99 worden afgerond tot op het dichtstbijzijnde hele getal. Getallen groter dan 99 en kleiner dan 100 worden getoond als >99. Rapporten. In het Extended Diagnostics Report (Uitgebreid rapport diagnostische gegevens, zie Instellingen FastPath -samenvatting) ziet u de totale gebeurtenissen die geteld zijn tijdens de periode die als monster genomen is, evenals meer gedetailleerde percentages voor elke gebeurtenissentelling in elk frequentiebereik. AT/AF De tab AT/AF (atriale tachycardie/atriale fibrillatie) in het venster Diagnostics is beschikbaar wanneer de parameter Auto Mode Switch op Off staat. Het venster bevat: AT/AF-belasting AT/AF-samenvatting Toets AT/AF-log, waarmee het venster AT/AF Log geopend wordt Totale gesampelde tijd en totale tijd in AT/AF Last read data Zie AT/AF-definitie. Toegang vanaf: toets Diagnostics > tab Mode Switch AT/AF-belasting Het scherm AT/AF Burden (AT/AF-belasting) toont het percentage van de totale tijd waarin AT/AF gedetecteerd is en een grafiek van het percentage AT/AF Burden over een periode van 52 weken. Elk gege- Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 5-5

venspunt op de grafiek is gelijk aan het percentage van de tijd waarin de patiënt in AT/AF was gedurende een periode van zeven dagen. NB De AT/AF Burden Trend wordt niet gewist als u de toets Diagnostische gegevens wissen selecteert in het Wrap-up overzicht. AT/AF-samenvatting Het scherm AT/AF Summary (AT/AF-samenvatting) toont het totale aantal AT/AF-episodes die als monster genomen zijn en twee histogrammen: Peak A Rate (Piek A-frequentie). Elke staaf geeft het aantal AT/TF-gebeurtenissen weer die optraden bij een atriale frequentie binnen het frequentiebereik. Tijdsduur. Elke staaf geeft het aantal AT/AF gebeurtenissen weer die optraden binnen één tijdsduurbereik. NB Afronding. De waarden >0 maar <1 worden aangeduid als <1. Getallen van 1 t/m 10 worden afgerond tot het dichtstbijzijnde decimale getal met één cijfer achter de komma. De getallen van 10 t/m 99 worden afgerond tot op het dichtstbijzijnde hele getal. Getallen groter dan 99 en kleiner dan 100 worden getoond als >99. Rapporten. In het Extended Diagnostics Report (Uitgebreid rapport diagnostische gegevens, zie Instellingen FastPath -samenvatting) ziet u de totale gebeurtenissen die geteld zijn tijdens de periode die als monster genomen is, evenals meer gedetailleerde percentages voor elke gebeurtenissentelling in elk frequentiebereik. AT/AF-LOG Het AT/AF-log geeft een lijst weer van alle AT/AF-gebeurtenissen opgeslagen in het geheugen van de pulsgenerator. Het log bevat vijf kolommen. Om de sorteervolgorde van het log te veranderen, selecteert u de toets bovenaan de gewenste kolom. EGM. Een EGM-pictogram geeft aan dat er een episode is opgeslagen met de log-invoer. Selecteer de toets met het pictogram om het Episodegegevens te bekijken. Date Time Peak Atrial Rate Duration Capaciteit. Het AT/AF-log kan maximaal 32 gebeurtenissen bewaren. De eerste 14 gebeurtenissen worden bevroren in het geheugen van de pulsgenerator (maar kunnen gewist worden). De volgende 16 gebeurtenissen worden voortdurend vastgelegd. Dat wil zeggen, wanneer het geheugen vol is, worden gebeurtenissen nog steeds vastgelegd en recentere gebeurtenissen overschrijven oudere gebeurtenissen. 5-6 Diagnostische gegevens

AT/AF-definitie AT/AF (atriale tachycardie/atriale fibrillatie) wordt gedefinieerd als een gemiddelde atriale frequentie die hoger is dan de instelling voor Atriale tachycardiedetectiefrequentie (ATDR). Om te bepalen of AT/AF is opgetreden, berekent de pulsgenerator een gemiddelde atriale frequentie. Als dat gemiddelde en de huidige frequentie hoger zijn dan de instelling van de parameter ATDR, legt de pulsgenerator één AT/AF-episode vast. De berekening maakt geen onderscheid tussen tachycardie en fibrillatie. LICHAAMSBEWEGING & ACTIVITEIT De tab Exercise & Activity (Lichaamsbeweging & activiteit) in het venster Diagnostics bevat: Dagelijke lichaamsbeweging training Totale dagelijkse activiteit Toets Diagnostic Tools, die de Target Heart Rate (Doelwit-harfrequentie) toont en het venster Diagnosemiddelen voor lichaamsbeweging & activiteit opent Totale tijd die als monster genomen is Laatste gelezen gegevens Dagelijke lichaamsbeweging training De Daily Exercise Training-trend (Dagelijkse lichaamsbeweging training) is een staafgrafiek die aangeeft hoeveel lichaamsbeweging een patiënt elke dag had gedurende de afgelopen 30 dagen. Inspanning is activiteit die langer dan één minuut duurt, en stopt nadat de activiteit twee minuten is gestopt. De trend geeft de hoeveelheid tijd weer dat de patiënt elke dag zijn of haar maximale hartfrequentie benaderde bij inspanning. Het algoritme dat de hartfrequentie berekent vermijdt het tellen van hoge hartfrequenties of hoge sensorwaarden van activiteit die niet samenhangen met lichaamsbeweging. De eerste 48 uur na de implantatie worden gebruikt om een basislijn vast te stellen, en er zijn geen trendgegevens beschikbaar tot na die tijd. Elke histogramstaaf is verdeeld in tijdsduren met lichte, matige en energieke activiteit. De toewijzing aan elke onderverdeling is gebaseerd op de Doelwit-hartfrequentie van de patiënt, die is ingesteld in het venster Diagnosemiddelen voor lichaamsbeweging & activiteit. Als de toestand van de patiënt verandert, dient u de Doelwit-hartfrequentie aan te passen in het venster Diagnosemiddelen voor lichaamsbeweging & activiteit. Totale dagelijkse activiteit De trend Total Daily Activity (Totale dagelijkse activiteit) is een staafgrafiek die aangeeft hoeveel uur de patiënt gedurende de afgelopen 30 dagen actief is geweest. In deze trend wordt Activiteit gedefinieerd als input naar de sensor die hoger is dan de hartfrequentie in rust. Die drempelfrequentie wordt vastgesteld d.m.v. de Herkalibratie activiteit-procedure (uitgevoerd vanuit het venster Diagnosemiddelen voor lichaamsbeweging & activiteit). De trend Total Daily Activity bevat zowel activiteit (sensor-input boven een bepaalde drempel) als lichaamsbeweging, (waarbij de maximale hartfrequentie de Doelwit-harfrequentie van de patiënt benadert, zoals gedefinieerd in de Dagelijke lichaamsbeweging training-trend). Als de toestand van de patiënt verandert, dient u de activiteitsdrempel opnieuw te kalibreren vanuit het venster Diagnosemiddelen voor lichaamsbeweging & activiteit. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 5-7

DIAGNOSEMIDDELEN VOOR LICHAAMSBEWEGING & ACTIVITEIT Het venster Exercise & Activity Diagnostic Tools (Diagnosemiddelen voor lichaamsbeweging & activiteit) bevat twee functies: Doelwit-hartfrequentie De instelling Target Heart Rate (Doelwit-hartfrequentie) bepaalt welke hartfrequenties beschouwd worden als lichaamsbeweging in de Dagelijke lichaamsbeweging training-trend (van licht tot energiek ). De Doelwit-hartfrequentie is een percentage van de maximale hartfrequentie van de patiënt (220 min min de leeftijd van de patiënt, zoals bepaald door de instelling Birth Date (Geboortedatum) van de patiënt die geselecteerd is in het venster Patiëntgegevens). De programmer selecteert een nominaal percentage van de maximale hartfrequentie, maar u kunt deze instelling veranderen. Om de nominale Doelwit-hartfrequentie van de programmer te gebruiken, selecteert u de toets Select Nominal Target Rate (Selecteer nominale doelwit-frequentie). Als de leeftijd van de patiënt niet beschikbaar is, selecteer dan de toets See Patient Data parameters..., waarmee u het venster Patiëntgegevens opent en de geboortedatum van de patiënt kunt invoeren. Herkalibratie activiteit Selecteer de toets Activity Recalibration (Herkalibratie activiteit) om de rustfrequentie van de patiënt te herkalibreren. Deze berekening wordt gebruikt om te bepalen welke hoeveelheid activiteit beschouwd kan worden als rust of activiteit, zoals dat uitgezet wordt in de trend Totale dagelijkse activiteit. 5-8 Diagnostische gegevens

6. TESTS Het venster Tests bevat de volgende tabs: Capture & waarneming Batterij en elektroden. Metingen van de batterijspanning, signaalamplitude en stimulatie-elektrode-impedantie Capacitor. Condensatoronderhoud (Capacitor Maintenance) Sensor Optimalisering van timing. test QuickOpt timingcyclus-optimalisering Fibber & NIPS Tijdelijke stimulatie (Temporary Pacing) Het paneel Real Time Measurements opent het venster Real-time metingen verwerven, waarmee u de hartsignaalamplitude, de elektrode-impedantie en de hoogspanningselektrode-impedantie in één handeling kunt meten. Toegang vanaf: toets Tests REAL-TIME METINGEN VERWERVEN Het testvenster Acquire Real-Time Measurements biedt een manier om veelgebruikte metingen in één handeling uit te voeren, zonder elke meting apart te hoeven uitvoeren. Het venster geeft de laatst gemeten gegevens boven elk selectievakje voor elke kamer en voor de waarnemings-, elektrode-impedantie- en hoogspanningselektrode-impedantiemetingen weer. Real-time metingen verwerven: 1. Selecteer het paneel Real Time Measurements vanuit het venster Capture & waarneming of Batterij en elektroden. 2. Als u alleen geselecteerde metingen wilt verwerven, selecteer dan de selectievakjes voor de gewenste metingen. 3. Stel de testparameters voor de metingen in (Mode, Base Rate, Paced AV Delay en Sensed AV Delay). 4. Selecteer de toets Start Temporary om de testinstellingen te implementeren. 5. Selecteer de toets Update All of Update Selected. 6. Het venster werkt de metingen boven elke geselecteerde toets bij. U kunt de resultaten printen in het Wrap-Up-rapport. CAPTURE & WAARNEMING Het venster Capture & Sense Test (Capture- en waarnemingstest) toont recente testresultaten voor capture en waarneming. Om een test te starten selecteert u een willekeurige toets. Een groene toets geeft aan dat de test niet uitgevoerd is in de huidige sessie. Een blauwe toets geeft aan dat er een test uitgevoerd is. Een rode toets geeft aan dat de veiligheidsmarge voor Pulse Amplitude of Sensitivity kleiner is dan 2:1 of de veiligheidsmarge voor Pulse Width is kleiner dan 3:1. De knop Update Sense voert automatisch de beschikbare atriale en ventriculaire waarnemingstests uit. Dit venster bevat tevens een toets voor Real-time metingen verwerven. Capture-test Waarnemingstests Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-1

Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense CAPTURE-TEST Zie Instructies voor een capture-test. De capture-test meet de atriale of ventriculaire capture-drempel om een geschikte instelling voor Pulse Amplitude of Pulse Width te helpen vaststellen. Testmethode Decrement (Afname), verlaagt de Sensitivity handmatig tijdens de test, rapporteert de resultaten, en rapporteert de huidige Sensitivity-instelling Het venster Capture Test bevat de volgende tabs: Perform Test, gebruikt om de test op te zetten en in werking te stellen This Session (Deze sessie), rapporteert de resultaten uit de huidige sessie Last Session (Laatste sessie), rapporteert de resultaten uit de vorige sessie Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Capture Perform Test Het venster Perform Test bevat een testtoets en de: huidige permanente instellingen voor de parameters Mode, Base Rate, Paced/Sensed AV Delay (tweekamer-modes) en Starting Pulse Width of Pulse Amplitude. Selecteer de toets voor meer instellingen. De toets Options (opties). Hiermee kiest u de instellingen voor Decrement Test Method, Pulse Amplitude of Pulse Width Decrement Mode en Cycles Per Step. Toets Additional Parameters (Aanvullende parameters). Opent een venster om tijdelijk andere testparameters in te stellen. Toets Start Temporary (Start tijdelijk). Instructies voor een capture-test Testmethode Decrement (Afname) 1. Selecteer de toets Tests. 2. Selecteer de betreffende Capture-toets (Atrium, Ventricle, R. Ventricle, L. Ventricle). 3. Selecteer de toets Options. Ga anders meteen verder naar Stap 7. 4. Selecteer een instelling voor de parameter Decrement Mode. Deze mode bepaalt welke parameter verlaagd wordt tijdens de test. 5. Selecteer een instelling voor de parameter Number of Cycles/Step (Aantal cycli per stap). Deze parameter bepaalt hoeveel gestimuleerde cycli de programmer telt voordat deze de instelling voor Pulse Amplitude of Pulse Width verlaagt naar de volgende stap. 6. Sluit het venster Test Options. Het venster Perform Test verschijnt. 7. Bekijk de tijdelijke instellingen voor de test. Selecteer de toets Additional Parameters (Aanvullende parameters) om te bepalen of er aanvullende parameters gereset moeten worden. Zo nodig selecteert u de toets Waveform Control op het Rhythm Display om de golfvorm te resetten. Om de pulsgenerator te programmeren op de tijdelijke instellingen voordat de test begint, selecteert u de toets Start Temporary. 8. Om de test te laten beginnen, selecteert u de toets Hold to Test (Vasthouden om te testen) en houdt deze ingedrukt. 6-2 Tests

De pulsgenerator geeft de eerste puls af voor het geprogrammeerde Number of Cycles/Step. Nadat de cycli verstreken zijn wordt de instelling voor Pulse Amplitude of Pulse Width van de pulsgenerator verlaagd naar de volgende instelling, totdat u de test beëindigt of de pulsgenerator 0,25 V of 0,1 ms bereikt. 9. Controleer het EGM op capture-verlies. Wanneer dit gebeurt, laat u de testtoets los. Het venster This Session (Deze sessie) verschijnt met de testresultaten en een toets om de instelling voor Pulse Amplitude of Pulse Width te programmeren. NB U kunt de test elk moment stoppen door de toets Hold to Test los te laten. THIS SESSION (DEZE SESSIE) Dit venster bevat de golfvorm van de Capture Test die vastgelegd is tijdens de meest recente programmeersessie. U kunt de golfvorm bekijken, veranderen of afdrukken zoals een willekeurige Freeze Capture. Het venster toont: Bij de Decrement-test een Capture Lost (Capture verloren)-vlag op de golfvorm bij de programmeringsstap (verticale lijn) naast het punt waarop de test werd beëindigd. Als deze vlag niet juist geplaatst is, raakt u de strook aan waar de capture verloren gegaan is om de vlag te resetten. Bij de Decrement-test een toets die de huidige instelling van de getest parameter weergeeft (Pulse Amplitude of Pulse Width). Selecteer de toets om de instelling te veranderen. Een lijst met andere testparameters. Een Print-toets om de resultaten af te drukken. De Safety Margin (Veiligheidsmarge) is oranje gemarkeerd als de verhouding minder is dan 2:1 of blauw gemarkeerd als die groter is dan 2:1 voor Pulse Amplitude of 3:1 voor Pulse Width. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Capture > tab This Session LAST SESSION (LAATSTE SESSIE) Het venster Last Session (Laatste sessie) bevat de resultaten van de laatste Capture-test die vastgelegd is voor de huidige programmeersessie. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Capture > tab Last Session OPTIONS (OPTIES) Vanuit het venster Capture Test: Options selecteert u een instelling voor de volgende parameters: Test Method. Decrement. Decrement Mode. Deze mode bepaalt welke parameter verlaagd wordt tijdens de test. Number Cycles/Step. Deze parameter bepaalt hoeveel gestimuleerde cycli de programmer telt voordat deze de instelling voor Pulse Amplitude of Pulse Width verlaagt naar de volgende stap. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Capture > tab Test Settings > toets Options Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-3

ADDITIONAL PARAMETERS (AANVULLENDE PARAMETERS) Het venster Additional Parameters stelt tijdelijk andere testparameters in. Tijdelijk geprogrammeerde parameterinstellingen worden hersteld wanneer de test eindigt of geannuleerd wordt. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Capture > tab Test instellingen> toets Additional Parameters WAARNEMINGSTESTS Zie Sense Test (Instructies voor waarnemingstest). Sense Threshold-tests meten de atriale of ventriculaire signaalamplitude en helpen de juiste Sensitivity-instelling te bepalen. Er zijn twee testmethoden beschikbaar: Automatic (Automatisch), meet de signaalamplitude automatisch en rapporteert de resultaten Increment (Stap), verlaagt de Sensitivity handmatig tijdens de test, rapporteert de resultaten, en rapporteert de huidige Sensitivity-instelling. NB De V. Gevoeligheid-instelling wordt automatisch aangepast en kan niet handmatig ingesteld worden. De A. Sensitivity-instelling kan aangepast worden wanneer De parameter AutoSense op Off staat. Zie Opties. Het venster Sense Test bevat de volgende tabs: Perform Test (Test uitvoeren), gebruikt om de test op te zetten Deze sessie, rapporteert de resultaten uit de huidige sessie Laatste sessie, rapporteert de resultaten uit de laatste sessie. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Sense/Ventricle of Sense/Atrium Perform Test (Test uitvoeren) Het venster Perform Test (Test uitvoeren) bevat de test-toets en de: Huidige permanente instellingen voor de parameters Starting Sensitivity (Increment only), Mode, Base Rate en Paced/Sensed AV Delay (tweekamer-modes). Selecteer de toets voor meer instellingen. Toets Opties. Hiermee kiest u de waarnemingstestmethode (alleen bij atriale waarnemingstests). Toets Aanvullende parameters. Opent een venster om tijdelijk andere testparameters in te stellen. Toets Start Temporary (Start tijdelijk). Sense Test (Instructies voor waarnemingstest) Automatic (Automatisch) De automatische methode bepaalt de signaalamplitude automatisch. 1. Selecteer de toets Tests. 2. Selecteer de gewenste Sense-toets (Atrium, Ventricle). 3. Als de Options-toets Increment als de testmethode aangeeft (alleen bij atriale waarnemingstest) of als u de instelling voor de parameter Number of Measurements wilt veranderen, selecteer dan de toets Opties. Ga anders door naar stap Stap 7. 6-4 Tests

4. Als testmethode selecteert u Automatic. 5. Selecteer een instelling voor de parameter Number of Measurements (Aantal metingen). Deze parameter bepaalt hoeveel malen het systeem de signaalamplitude meet voordat de test gestopt wordt. De instelling Monitor laat de test 255 cycli lang uitvoeren. 6. Sluit het venster Options. Het venster Perform Test verschijnt. 7. Bekijk de tijdelijke instellingen voor de test en reset parameters waarbij dat eventueel nodig is. Bekijk de toets Aanvullende parameters om te bepalen of deze gereset moeten worden. Zo nodig selecteert u de toets Waveform Control op het Rhythm Display om de golfvorm te resetten. Om de pulsgenerator te programmeren op de tijdelijke instellingen voordat de test begint, selecteert u de toets Start Temporary. 8. Om de test te laten beginnen, selecteert u de toets Start Test. Het systeem meet de signaalamplitude (weergegeven in het Rhythm Display) en de test wordt automatisch uitgevoerd. Het venster Deze sessie verschijnt met de testresultaten. Increment (Stap) De methode Increment, die alleen beschikbaar is bij de atriale waarnemingstest, bepaalt de atriale signaalamplitude handmatig. 1. Selecteer de toets Tests. 2. Selecteer de toets Sense/Atrium. 3. Als Automatic Test Method aangegeven wordt op de toets Opties of als u de instelling voor de parameter Number of Cycles/Step wilt veranderen, selecteert u de toets Options. Ga anders meteen verder naar Stap 7. 4. Als Testmethode selecteert u Increment. 5. Selecteer de instelling voor de parameter Number of Cycles/Step. Deze parameter bepaalt hoeveel waargenomen cycli de programmer telt voordat deze de Sensitivity-instelling verhoogt naar de volgende stap 1. 6. Sluit het venster Options. Het venster Perform Test verschijnt. 7. Bekijk de tijdelijke instellingen voor de testparameters en reset parameters waarbij dat eventueel nodig is. Bekijk de toets voor Aanvullende parameters om te bepalen of deze gereset moeten worden. Zo nodig selecteert u de toets Waveform Control op het Rhythm Display om de golfvorm te resetten. Om de pulsgenerator te programmeren op de tijdelijke instellingen voordat de test begint, selecteert u de toets Start Temporary. 8. Om de test te laten beginnen selecteert u de toets Hold to Test. De pulsgenerator neemt waar op de aanvankelijke Sensitivity-instelling voor de geprogrammeerde parameter Number of Cycles/Step. Nadat de cycli verstreken zijn wordt de instelling voor Sensitivity value verhoogd (mv-waarde) naar de volgende instelling, totdat u uw vinger van de toets Hold to Test verwijdert of totdat de pulsgenerator de minimale waargenomen activiteit bereikt (maximale Sensitivity-instelling of 3 mv) en de test automatisch eindigt. 9. Controleer het EGM op verlies van waarneming. Wanneer dit gebeurt, laat u de toets Hold to Test los. Het venster Deze sessie verschijnt met de testresultaten. DEZE SESSIE Het venster This Session (Deze sessie) bevat de resultaten van de waarnemingstest vastgelegd tijdens deze programmeersessie. U kunt de golfvorm bekijken, veranderen of afdrukken zoals een willekeurige Freeze Capture. 1. Wanneer de Sensitivity-instelling (mv) verhoogd wordt, neemt de feitelijke gevoeligheid van de pulsgenerator af. Dus wordt naarmate de test verdergaat, het vermogen van de pulsgenerator om intrinsieke activiteit waar te nemen, minder. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-5

Als de patiënt onvoldoende ritme had om de test uit te voeren, dan worden de resultaten weergegeven als None. Het venster bevat ook: Een toets voor het programmeren van de parameter A. Gevoeligheid (alleen bij A. waarnemingstest met stappen). De Veiligheidsmarge (verhouding van de gemeten signaalamplitude t.o.v. de Sensitivity-instelling). De instelling Sense Configuration (Waarnemingsconfiguratie). Een vlag Sensing Lost (Waarneming verloren) (alleen bij A. waarnemingstest met stappen) op de golfvorm bij de programmeerstap (verticale lijn) naast waar de test geëindigd is. Als deze vlag niet juist is ingesteld, raakt u de strook aan waar de waarneming verloren gegaan is om de vlag te resetten. De Amplitude Trend, een lijngrafiek van metingen van middelste waarnemingsdrempel per week in de loop der tijd. De Trend geeft de instelling Sense Configuration die geprogrammeerd was op het moment waarop het wekelijkse monster genomen is. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Sense/Ventricle of Sense/Atrium > tab This Session LAATSTE SESSIE Het venster Last Session bevat: De resultaten van de laatste vastgelegde waarnemingstests. De Amplitude Trend, een lijngrafiek van metingen van middelste waarnemingsdrempel per week in de loop der tijd. De Trend geeft de instelling Sense Configuration weer die geprogrammeerd was op het moment waarop het wekelijkse monster genomen is. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Sense/Ventricle or Sense/Atrium> tab Last Session OPTIES Vanuit het venster Options selecteert u een methode om de waarnemingsdrempel te bepalen. De opties zijn: Automatic (Automatisch), meet de signaalamplitude automatisch en rapporteert de resultaten Increment (Stap), verlaagt de A. Sensitivity-instelling handmatig tijdens de test, rapporteert de resultaten, en beveelt een A. Sensitivity-instelling aan. Number of Cycles/Step. Als de methode met stappen (Increment Method) geselecteerd is, bepaalt deze parameter hoeveel waargenomen cycli de programmer telt voordat deze de Sensitivity-instelling verhoogt naar de volgende stap 2. Number of Measurements. Als de methode Automatic geselecteerd is, bepaalt deze parameter hoeveel malen het systeem de signaalamplitude meet voordat het de test stopt. De instelling Monitor laat de test 255 cycli lang uitvoeren. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Sense/Ventricle of Sense/Atrium > tab Perform Test > toets Options AANVULLENDE PARAMETERS Het venster Additional Parameters stelt tijdelijk andere testparameters in. Permanent geprogrammeerde parameterinstellingen worden hersteld wanneer de test eindigt of geannuleerd wordt. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Sense/Ventricle of Sense/Atrium > tab Perform Test > toets Additional Parameters 2. Wanneer de Sensitivity-instelling (mv) verhoogd wordt, neemt de feitelijke gevoeligheid van de pulsgenerator af. Dus wordt de pulsgenerator naarmate de test verdergaat, minder goed in staat om intrinsieke activiteit waar te nemen. 6-6 Tests

AV DELAYS Met het venster AV Delays kunt u de volgende parameters tijdens een test programmeren: Paced AV Delay Sensed AV Delay. Toegang vanaf: Tests > tab Capture & Sense > toets Sense/Ventricle of Sense/Atrium tabperform > Test toets > Paced/Sensed AV Delay BATTERIJ EN ELEKTRODEN Het venster Battery & Leads (Batterij en elektroden) bevat: De toets Battery. Toont de laatst gemeten batterijspanning, een levensduurmeter die de tijd die over is tot ERI weergeeft (op basis van de huidige gebruiksfrequentie en andere gegevens), en de datum en duur van de laatste maximale lading. Selecteer deze toets om het venster Gegevens over batterij te openen 3. De toetsen Lead Impedance, waarop miniatuurafbeeldingen te zien zijn van de elektrode-impedantietrends voor alle elektroden en de elektrode-impedantiemetingen van vandaag. Een rode rand om de toets geeft een waarschuwing aan, als bijvoorbeeld de elektrode-impedantiemetingen voorbij de geprogrammeerde limieten liggen. Een groene rand om de toets geeft aan dat er geen recente metingen zijn van de laatste 30 dagen. Een blauwe toets geeft recente resultaten aan. Selecteer een van deze toetsen om het elektrode-impedantievenster te openen voor details over de elektrode-impedantie. De toets Ventricular HV Lead Impedance, waarop een miniatuurafbeelding te zien is van de HV elektrode-impedantietrend en de elektrode-impedantiemetingen van vandaag. Een rode rand om de toets geeft aan dat de metingen niet bijgewerkt zijn. Een groene rand om de toets geeft aan dat er geen recente metingen zijn van de laatste 30 dagen. Selecteer deze toets om het venster Ventricular HV Lead Impedance te openen. De toets Update Leads. Selecteer deze toets om elektrode-impedantie te meten. De toets Include HV check (Hoogspanningscontrole toevoegen). Selecteer of deselecteer deze toets om de meting van de hoogspannings-elektrode-impedantie al dan niet mee te nemen 4. Toegang vanaf: Tests > tab Battery & Leads GEGEVENS OVER BATTERIJ Het venster Battery Details bevat: De levensduurmeter, die de tijd die over is tot ERI weergeeft. De levensduur is gebaseerd op berekeningen waarin de volgende gegevens zijn verwerkt: - de hoeveelheid tijd die nodig is om de resterende batterijcapaciteit te verbruiken - de huidige batterijverbruiksfrequentie - verwachte of geplande condensatoropladingen - de werkingscyclus van de pulsgenerator. De berekening wordt aan het begin van elke sessie uitgevoerd, en telkens wanneer een verandering van de programmering de schatting beïnvloedt. Battery Information, waaronder de tijd en datum van de Last Max Charge (Laatste max. lading), de laatste ongeladen batterijspanningsmeting, de batterijstroom en de geschatte levensduur als de pulsgenerator 100% van de tijd stimuleert 3. Wanneer ERI is opgenomen in het waardenbereik van de schatting van de levensduur, dan wordt de meter in het rood weergegeven en verschijnt het bericht ERI in <3 mos. 4. De meting van hoogspannings-elektrode-impedantie wordt door de patiënt niet waargenomen als een afgegeven behandeling. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-7

De Voltage Trend (Spanningstrend), die maandelijkse monsters laat zien van automatische batterijspanningsmetingen vanuit de kliniek, maximaal vijf jaar aan gegevens De miniatuurafbeelding van de Ideale batterijspanningstrend. Deze toont een benadering van de spanningstrend van de batterij gedurende de hele levensduur, ter vergelijking. De toetsen Update Values (Bijwerkingswaarden) en Print (Afdrukken) De Clear ERI-toets die verschijnt wanneer het apparaat in ERI is. Als u deze toets selecteert, schakelt de programmer de ERI-toestand uit, waardoor u de ERI patiëntmeldingstrigger kunt resetten (zie Triggers voor patiëntmelding). Toegang vanaf: Tests > tab Battery & Leads > toets Battery LEAD IMPEDANCE Voor elke geïmplanteerde elektrode laat het venster Lead Impedance het volgende zien: Impedantietrend over één jaar genomen Impedantietrend van de laatste zeven dagen van elektrodemetingen Huidige pulsconfiguratie Datum en resultaten van de eerste elektrode-impedantiemeting voor elke geprogrammeerde pulsconfiguratie Bereik gedurende levenstijd van elektrode-impedantiemetingen voor elke geprogrammeerde pulsconfiguratie De toets Lead Impedance Monitoring, waarmee u een lijst met de huidige instelling voor Lead Monitoring en de instellingen voor Upper en Lower Limit kunt oproepen. Selecteer deze toets om het venster Parameters Elektrodebewaking te openen De toets Update Values en Printtoetsen Toegang vanaf: Tests > tab Battery & Leads > toets Lead Impedance VENTRICULAR HV LEAD IMPEDANCE Het venster Ventricular HV Lead Impedance (Impedantie Ventriculaire HV-elektrode) toont het volgende: Impedantietrend over één jaar genomen en legenda testconfiguratie Impedantietrend van de laatste zeven dagen van elektrodemetingen Huidige configuratie Datum en resultaten van de eerste elektrode-impedantiemeting voor elke testconfiguratie Bereik gedurende levenstijd van elektrode-impedantiemetingen voor elke testconfiguratie De toets HV Lead Impedance Monitoring, waarmee u een lijst van de huidige instellingen voor Upper en Lower Limit weer laat geven. Selecteer deze toets om het venster Parameters Elektrodebewaking te openen Toetsen om de parameter Test Configuration in te stellen De toets Update Values en Printtoetsen NB De melding No Measurement in de gegevens van First Measurement en Lifetime Range geeft aan dat er geen meting is gedaan of dat de meting boven de 200 was. 6-8 Tests

LET OP Defibrillatie-elektrode-impedantie. Implanteer de pulsgenerator niet als de acute hoog-spanningselektrode-impedantie minder dan 20 bedraagt of als de elektrode-impedantie van een chronische elektrode minder dan 15 bedraagt. De pulsgenerator kan beschadigd raken als de hoogspanningsbehandeling wordt afgegeven in een impedantie van minder dan 15. Er verschijnt een waarschuwing nadat het apparaat een schok heeft afgegeven, als de gemeten impedantie minder dan 15 bedraagt. Toegang vanaf: Tests > tab Battery & Leads > toets Lead Impedance CAPACITOR Het venster Capacitor bevat de: Toets Initiate Maintenance (Onderhoud laten beginnen). Selecteer deze toets om alle overgebleven spanning te dumpen en de condensators op te laden tot maximale spanning. Dit wordt gevolgd door een fase van oplaadtijdoptimalisering die ongeveer 10 seconden duurt. Een lijst met Voltage (maximale spanning van behandeling) en Charge Time (tijd die benodigd was voor het meest recente condensatoronderhoud). Deze lijsten zijn leeg als de toets Initiate Maintenance niet geselecteerd is tijdens de sessie. Het venster laat een --- zien als er een aritmie of een laadtijd-timeout is opgetreden tijdens het condensatoronderhoud. Datum, tijdsduur en reden voor de Last Max Charge (Laatste max. oplading). De toets Charging Parameters, waarmee u het venster Condensatoronderhoud-parameters opent. Wanneer de onbelaste batterijspanning een specifieke waarde bereikt, verandert de instelling voor Charge Interval (Laadinterval) om de prestatie van de batterij te optimaliseren. Zie Gegevens over condensatoronderhoud. Toegang vanaf: Toets Tests > tab Capacitor NB Als het interval tussen onderhoudsladingen van de condensator korter wordt, wordt de timer niet gereset tot na het volgende condensatoronderhoud. Voer handmatig condensatoronderhoud uit, om het laadinterval te resetten. Gegevens over condensatoronderhoud Als er lange tijd verstrijkt tussen hoog-spanningsopladingen, kan het diëlektrische materiaal in de hoogspanningscondensatoren vervormd raken. Dit kan de duur van de eerste oplading na een periode waarin de condensator niet gebruikt is, verlengen. De pulsgenerator laadt de hoogspanningscondensators op tot hun maximale spanning als de instelling Charge Interval verstreken is zonder dat er geladen is voor behandeling met maximale spanning. Als er een aritmie wordt gedetecteerd terwijl er een onderhoudslading bezig is of net voltooid is, zal het voltage van de afgegeven behandeling ofwel het geprogrammeerde voltage zijn, of de resterende spanning op de condensator (de hoogste waarde is van toepassing). Als er al spanning op de condensatoren aanwezig is, is er minder tijd nodig om het behandelingsvoltage te bereiken. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-9

SENSOR Het venster Sensor bevat de toets Automatische drempel resetten: Dit is een door de programmer geleide procedure om de gegevens over Measured Average Sensor (Gemeten gemiddelde sensorwaarde), die gebruikt worden om automatisch Threshold (Drempel)-instellingen in te stellen. Measured Average Sensor-gegevens worden afgeleid uit hoe actief de patiënt is geweest in de loop van de voorafgaande periode van 18 uur. Toegang vanaf: Tests > tab Sensor Automatische drempel resetten 1. Selecteer de toets Tests. 2. Selecteer de tab Sensor. 3. Selecteer de toets Reset Auto Threshold (Automatische drempel resetten). 4. Laat de patiënt rustig liggen tijdens de duur van de procedure (ongeveer 30 stimulatiecycli). De procedure kan meer dan een minuut vertraagd worden na condensatoronderhoud of afgifte van behandeling. 5. Selecteer de toets Start Procedure. Terwijl de programmer de activiteitsgegevens uit de pulsgenerator wist, laat het scherm ongeveer 30 sec. lang een aftelprocedure zien. De toets Done verschijnt wanneer de procedure voltooid is. 6. Selecteer de toets Done (Klaar). NB Er kan een vertraging van ongeveer 60 seconden optreden bij het verzamelen van sensorgegevens als de condensators vlak voor de Reset Auto Threshold-procedure opnieuw opgeladen waren. Deze vertraging wordt niet gebruikt in de aftelprocedure op het scherm. QUICKOPT TIMINGCYCLUS-OPTIMALISERING Met het venster QuickOpt Timing Cycle Optimization (QuickOpt timingcyclus-optimalisering) kunt u de instellingen voor de parameters Paced AV Delay, Sensed AV Delay en Interventricular Delay optimaliseren (alleen Promote pulsgenerators). De procedure meet de breedte van de stimulatie- en waarnemingssignalen waarbij tijdelijke parameterinstellingen gebruikt worden en berekent optimale instellingen. De optimaliseringprocedure is alleen beschikbaar in de modes DDD, DDI en VVI. Het venster QuickOpt Timing Cycle Optimization bevat twee toetsen: Perform Test (Test uitvoeren). Dit opent de QuickOpt Optimization Wizard die automatisch de breedte van de stimulatie- en waarnemingssignalen meet met tevoren ingestelde testparameters en optimale instellingen berekent. Manual Testing & Results (Handmatige tests en resultaten). Deze toets opent het venster QuickOpt -optimalisering: Handmatige test waarmee u elk gedeelte van de berekening van delay-optimalisering handmatig uit kunt voeren, met de mogelijkheid om de tevoren ingestelde testparameters aan te passen. Toegang vanaf: Toets Tests > tab Timing Optimization 6-10 Tests

WAARSCHUWING Tijdens de QuickOpt timing-optimaliseringstest worden tachycardie- en fibrillatiedetectie opgeschort en wordt er geen aritmiebehandeling gegeven. NB Beschikbaarheid van parameters. Tijdens tijdelijke stimulatie worden de Rate Responsive AV Delay, Hysteresisfrequentie, Parameter Ventriculaire intrinsieke voorkeur (Ventricular Intrinsic Preference Parameter, VIP ), Negative AV Hysteresis/Search, Auto Mode Switch, PVC Response, PMT Response, AF Suppression -algoritme-stimulatie, Rustfrequentie, Frequentiegevoelige PVARP/V Ref en frequentiegevoelige stimulatie (Sensor) opgeschort. Testresultaten. De resultaten van de QuickOpt timingcyclus-optimaliseringstest worden alleen voor de duur van de sessie op de pulsgenerator opgeslagen. De resultaten worden gewist op het eind van de sessie. A-waarnemingsconfiguratie. Tijdens de procedure wordt de A-waarnemingsconfiguratie (A Sense Configuration) geherprogrammeerd op Unipolar. QUICKOPT -OPTIMALISERING: HANDMATIGE TEST UITVOEREN Het venster QuickOpt Timing Cycle Optimization bevat regelingen om de breedte van de atriale waarnemingssignalen te meten en de instellingen van de pulsgenerator voor Paced AV Delay, Sensed AV Delay en Interventricular Delay te optimaliseren. Het venster bevat de volgende toetsen en aankruisvakjes: Perform Test (Test uitvoeren). Selecteer één van deze toetsen om de regelingen voor handmatig meten te openen (QuickOpt -optimalisering: Handmatige test). De toets laat ook eventuele eerdere QuickOpt-metingen zien. EGM. Nadat het signaal gemeten is, selecteert u deze toets om de QuickOpt -optimalisering capture bevriezen van de meting te openen. Aankruisvakjes: Selecteer een van deze vakjes en kruis de voorgestelde instelling aan (opslaan voor programmeren) of kruis deze niet aan (de parameter onveranderd laten). Om de instelling permanent te programmeren selecteert u de onderstaande toets Program Optimal Values (Optimale waarden programmeren). Program Optimal Values. Na een succesvolle meting selecteert u deze toets om de aanbevolen instellingen permanent te programmeren. Print Report. Na een succesvolle meting selecteert u deze toets om de resultaten af te drukken. Toegang vanaf: Tests > tab Timing Optimization > toets Manual Testing & Results QUICKOPT -OPTIMALISERING: HANDMATIGE TEST Het venster QuickOpt Timing Cycle Optimization toont: De toets Start Test om de breedte van het stimulatie- of waarnemingssignaal te gaan meten. Deze schakelt heen en weer naar de toets Stop Test die verschijnt nadat er negen gebeurtenissen gemeten zijn. Aanvullende toetsen om relevante parameters te veranderen tijdens de test. De toets Cancel Temporary (Annuleren tijdelijk) om de meting te annuleren. Zie Instructies voor de handmatige QuickOpt -optimaliseringsmeting. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-11

Toegang vanaf: Tests > tab Timing Optimization > toets Manual Testing & Results > toetsen Perform Test Instructies voor de handmatige QuickOpt -optimaliseringsmeting 1. Vanuit het venster Tests selecteert u de tab Timing Optimization. 2. Selecteer de toets Manual Testing & Results. Het venster QuickOpt Timing Cycle Optimization wordt geopend. 3. Selecteer een van de Perform Test-toetsen. Het venster QuickOpt Timing Cycle Optimization wordt geopend voor die meting. Groene toetsen laten tijdelijk geprogrammeerde instellingen zien. 4. Selecteer een van de beschikbare parametertoetsen om de instelling tijdelijk te veranderen tijdens de test. Om het onderliggende ritme bloot te leggen, stelt u lage instellingen voor Base Rate en lange instellingen voor Paced/Sensed AV Delay in. 5. Selecteer de toets Start Test. De programmer neemt de tijdelijke instellingen in gebruik en begint stimulatie- of waarnemingssignalen te meten. De procedure heeft ten minste negen gebeurtenissen nodig om de optimale instelling te berekenen. Het aantal gemeten cycli verschijnt in het venster. Nadat er negen gebeurtenissen succesvol gemeten zijn, is de toets Stop Test beschikbaar. De metingen gaan door totdat u de toets Stop Test selecteert. 6. Na negen gebeurtenissen selecteert u de toets Stop Test. Het venster QuickOpt Timing Cycle Optimization verschijnt. U kunt de voorgestelde instellingen ofwel verwerpen (Stap 7) of accepteren (Stap 8). 7. Om de voorgestelde instelling te verwerpen, verwijdert u het vinkje uit het vakje naast de parameter en selecteert u de X in de rechter bovenhoek van het scherm om het scherm te sluiten en terug te keren naar het venster QuickOpt timingcyclus-optimalisering. 8. Om een van de voorgestelde instellingen te accepteren selecteert u het aankruisvakje. Vervolgens selecteert u de toets Program Optimal Values. Als andere parameters beïnvloed worden door deze verandering, verschijnt het venster Preview Changes met alle voorgestelde veranderingen. 9. Selecteer de toets Program om de nieuwe instellingen te programmeren of de toets Discard Changes (Veranderingen verwerpen) om de voorgestelde veranderingen te verwerpen. QUICKOPT -OPTIMALISERING CAPTURE BEVRIEZEN Het venster QuickOpt Freeze Optimization Capture (QuickOpt -optimalisering capture bevriezen) bevat maximaal de meest recente 30 sec. van de EGM, markersgegevens en oppervlakte-ecg van de QuickOpt Optimization-meting. Het venster is geformatteerd zoals een willekeurige Freeze Capture (Capture bevriezen), waarin u diverse aspecten van de schermweergave kunt veranderen en de resultaten kunt afdrukken. Het venster bevat tevens de gemiddelde meting, de negen gebruikte metingen en de optimale waarden voor alle Delay-parameters. Toegang vanaf: Tests > tab Timing Optimization > toets Manual Testing & Results > toets EGM FIBBER & NIPS Met het venster Fibber & NIPS kunt u de fibrillatie-inductie (Fibber)-test en de niet-invasieve geprogrammeerde stimulatie (NIPS)-test uitvoeren. Deze tests maken gebruik van het circuit van de pulsgenerator om 6-12 Tests

asynchrone elektrische pulsen af te geven aan het myocardium volgens nauwkeurige intervallen en een vooraf bepaald patroon. De programmer schakelt aritmiedetectie en -diagnose uit tijdens de test. Fibber-test. Deze test maakt gebruik van snellere bursts van stimuli, schokken die gesynchroniseerd zijn met T-golven of onafgebroken gelijkstroom (DC) om fibrillatie op te wekken. U kunt aritmieën die opgewekt zijn met de V. Fibber Test beëindigen met de functie Testen met behulp van de pulsgenerator (device-based testing). NIPS-test. Deze test wordt gebruikt om een aritmie op te wekken en/of te beëindigen. Er zijn twee methoden: de Burst Test, waarbij u handmatig een stimulatie-burst kunt toepassen op een kamer om een aritmie op te wekken; of de Extrastimuli Test, waarbij u de lengte van de aanvankelijke stimulatie-burst kunt programmeren gevolgd door getimede aanvullende stimuli om een aritmie op te wekken. Toegang vanaf: toets Tests > tab Fibber & NIPS LET OP RF-communicatie. Bij het uitvoeren van de Fibber- en NIPS-tests dient u ervoor te zorgen dat er ten minste vier LED s te zien zijn als indicatie van de telemetriesterkte, op de programmer en de Merlin Antenne. Als er minder LED s branden, zal de pulsgenerator mogelijk de communicatieverbinding verbreken wanneer deze oplaadt of de condensatoren dumpt. Als dit gebeurt, eindigt de test en de pulsgenerator keert terug naar de permanent geprogrammeerde parameters. NB Telemetriecommunicatie. Tijdens Fibber- en NIPS-tests moet telemetriecommunicatie met de pulsgenerator behouden blijven. Als de telemetrieverbinding verbroken wordt tijdens de test, keert de pulsgenerator terug naar de permanent geprogrammeerde parameters. ERI (Indicator voor electieve vervanging). Fibber- en NIPS-tests zijn niet beschikbaar wanneer de pulsgenerator ERI bereikt. De test stoppen. Wanneer u met de pulsgenerator communiceert via de inductieve telemetriekop, kunt u de test stoppen door de telemetriekop te verwijderen. Indien u echter RF-communicatie gebruikt, moet u de toets Cancel Test selecteren om de test te stoppen. FIBBER-TEST Vanuit het venster Fibber Test kunt u: Het type Fibber-test kiezen om uit te voeren (Fibber Mode). - Burst. Geeft bursts van stimuli af met korte cycluslengten zonder extra stimuli. - DC. Geeft een enkele directe stroompuls af door de hoogspanningselektroden (alleen V. Fibber Test). - Shock-on-T. Geeft overdrive-stimulatie af gevolgd door een goed getimede hoogspanningsschok (alleen V. Fibber Test). De Fibber-testparameters instellen. De Testen met behulp van de pulsgenerator-parameters voor het/de ventrikel(s) instellen. Hiermee kunt u de eerste poging van de pulsgenerator om de patiënt te defibrilleren nadat er een aritmie opgewekt is, programmeren. Controleer en pas de instellingen van de parameter DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm) aan. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-13

De Time Since Last Induction (Tijd sinds de laatste inductie) bekijken. De tijd die verstreken is sinds het eind van de laatste aritmie-inductie. Deze timer wordt gereset telkens wanneer een aritmie-inductie wordt gestart. De test laten uitvoeren (selecteer de toets Enable Fibber (Fibber inschakelen)). De testresultaten bekijken wanneer u de toets Display New Episodes selecteert. Hierdoor worden de details van de fibbertest-episode geopend. Zie ook: Instructies voor een Fibber-test Testen met behulp van de pulsgenerator Toegang vanaf: toets Tests > tab Fibber & NIPS > toets Atrial or Ventricular Fibber WAARSCHUWING Zorg ervoor dat er altijd een aparte stand-by externe defibrillator onmiddellijk beschikbaar is. WAARSCHUWING Tachycardie-behandeling inschakelen/uitschakelen. Ventriculaire aritmie-inductie is niet beschikbaar als Tachy Therapy uitgeschakeld is. LET OP RF-communicatie. Bij het uitvoeren van de Fibber- en NIPS-tests dient u ervoor te zorgen dat er ten minste vier LED s te zien zijn als indicatie van de telemetriesterkte, op de programmer en de Merlin Antenne. Als er minder LED s branden, zal de pulsgenerator mogelijk de communicatieverbinding verbreken wanneer deze oplaadt of de condensatoren dumpt. Als dit gebeurt, eindigt de test en de pulsgenerator keert terug naar de permanent geprogrammeerde parameters. NB Telemetriecommunicatie. Tijdens Fibber-test moet telemetriecommunicatie met de pulsgenerator behouden blijven. Als de telemetrieverbinding verbroken wordt tijdens de test, keert de pulsgenerator terug naar de permanent geprogrammeerde parameters. Behandeling. Alle anti-tachyaritmiebehandelingen worden gegeven in het rechter ventrikel. Atriale Burst Fibber-mode. Er is back-up ventriculaire stimulatie beschikbaar wanneer burst-stimuli afgegeven worden aan het atrium (zie V. ondersteuningsfrequentie). Zoneconfiguratie. Wanneer de Zone Configuration instelling Off is, is ventriculaire Fibber niet beschikbaar. 6-14 Tests

Instructies voor een Fibber-test Burst 1. Zorg dat er telemetrie is tussen de pulsgenerator en de programmer. 2. Selecteer de toets Tests. 3. Selecteer de tab Fibber & NIPS. 4. Selecteer de toets Atrial or Ventricular Fibber. 5. Stel de Fibber Mode in op Burst 6. Stel de parameters Pulsamplitude, Pulsbreedte, S1S1-interval en V. ondersteuningsfrequentie in (alleen A. Fibber). 7. Voor V. Fibber stelt u de parameters Testen met behulp van de pulsgenerator en DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm) in en u navigeert terug naar het Fibber-venster. 8. Selecteer de toets Enable Fib. (Fibber inschakelen). 9. Houd de toets Hold to Apply Burst ingedrukt voor de gewenste tijdsduur. De aritmie-inductie eindigt als de telemetrieverbinding wordt verbroken. 10. Laat de toets Hold to Apply Burst los om de test te beëindigen. De pulsgenerator geeft behandeling af na de aritmie-inductie. Zie Testen met behulp van de pulsgenerator. 11. Herhaal dit vanaf stap 6, indien gewenst. DC 1. Zorg dat er telemetrie is tussen de pulsgenerator en de programmer. 2. Selecteer de toets Tests. 3. Selecteer de tab Fibber & NIPS. 4. Selecteer de toets Ventricular Fibber. 5. Stel de Fibber Mode in op DC. 6. Stel de instelling Pulsduur in. 7. Stel de parameters Testen met behulp van de pulsgenerator en DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm) in en navigeer terug naar het Fibber-venster. 8. Selecteer de toets Enable Fib. (Fibber inschakelen). 9. Selecteer de toets Induce Fib. De aritmie-inductie eindigt als de telemetrieverbinding wordt verbroken. 10. Herhaal dit vanaf stap 6, indien gewenst. De pulsgenerator geeft behandeling af na de aritmie-inductie. Zie Testen met behulp van de pulsgenerator. Shock-on-T 1. Zorg dat er telemetrie is tussen de pulsgenerator en de programmer. 2. Selecteer de toets Tests. 3. Selecteer de tab Fibber & NIPS. 4. Selecteer de toets Ventricular Fibber. 5. Stel de Fibber Mode in op Shock-on-T. 6. Stel de parameters Pulsamplitude, S2 Shock Energy, S1-telling, S1S1-interval en S1S2-interval in. 7. Stel de parameters Testen met behulp van de pulsgenerator en DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm) in en navigeer terug naar het Fibber-venster. 8. Selecteer de toets Enable Fib. (Fibber inschakelen). 9. Selecteer de toets Induce Fib. De aritmie-inductie eindigt als de telemetrieverbinding wordt verbroken. 10. Herhaal dit vanaf stap 6, indien gewenst. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-15

De pulsgenerator geeft behandeling af na de aritmie-inductie. Zie Testen met behulp van de pulsgenerator. Fibber-testparameters Zie Instructies voor een Fibber-test. Pulsamplitude. Deze parameter is beschikbaar voor de tests A. Fibber Burst, V. Fibber Burst en V. Fibber Shock-on-T. Pulsbreedte. Deze parameter is beschikbaar voor de tests A. Fibber Burst en V. Fibber Burst. Pulsduur. Deze parameter is beschikbaar voor de test V. Fibber DC. S2 Shock Energy. Deze parameter is beschikbaar voor de test V. Fibber Shock-on-T. S1-telling. Deze parameter is beschikbaar voor de test V. Fibber Shock-on-T. S1S1-interval. Deze parameter is beschikbaar voor de tests A. Fibber Burst en V. Fibber Burst en Shock-on-T. S1S2-interval. Deze parameter is beschikbaar voor de test V. Fibber Shock-on-T. V. ondersteuningsfrequentie. Deze parameter is beschikbaar voor de test A. Fibber Burst. Toegang vanaf: toets Tests > tab Fibber & NIPS > toets Atrial or Ventricular Fibber Pulsamplitude De parameter Pulse Amplitude bepaalt het voltage van de afgegeven stimuli. Instellingen: (V) 5,0; 7,5 (Nominaal: 7,5) Pulsbreedte De parameter Pulse Width bepaalt de duur van de fibber-stimuli. Instellingen: (ms) 1,0; 1,5 (Nominaal: 1,5) Pulsduur De parameter Pulse Duration bepaalt de tijdslengte gedurende welke de gelijkstroom (DC)-puls wordt afgegeven via de hoogspanningselektrodes. Instellingen: (s) 0,5; 1,0; 5,0 (Nominaal: 2,0) S2 Shock Energy De parameter S2 Shock Energy bepaalt hoeveel energie er wordt afgegeven tijdens de S2 Shock. Deze wordt afgegeven wanneer een T-wave gedetecteerd wordt voor de V. Fibber Shock-on-T-test. Wanneer de parameter Golfvorm-mode ingesteld is op Tilt, zijn de instellingen Joules; wanneer de parameter Waveform Mode ingesteld is op Pulse Width, zijn de instellingen in Volts. Instellingen: (J) 0,1; 0,2; 1,0; 2,0; 10,0; 12,5; 15,0; 27,5; 30,0; 32,0; 36,0 (Nominaal: 2,0) Instellingen: (V) 50; 100; 800; 830 (Nominaal: 200) S1-telling De parameter S1 Count (S1-telling) bepaalt het aantal stimuli dat afgegeven wordt in de S1-aandrijfcyclus voorafgaand aan een Shock-on-T. De eerste stimulus wordt gelijktijdig afgegeven met een waargenomen of gestimuleerde gebeurtenis. Instellingen: (stimuli) 2; 3; 25 (Nominaal: 8) S1S1-interval Deze parameter bepaalt hoeveel tijd er ligt tussen alle S1-stimuli in de modes Burst Fibber of Shock-on-T Fibber. 6-16 Tests

Instellingen: (Shock-on-T) (ms) 100; 110; 800 (Nominaal: 600) Instellingen: (Burst) (ms) 20; 30; 100 (Nominaal: 30) S1S2-interval De parameter S1S2 bepaalt hoe lang de pulsgenerator wacht na de laatste S1-stimulus voordat de S2-hoogspanningsschok afgegeven wordt. Instellingen: (ms) 20; 30; 600 (Nominaal: 300) V. ondersteuningsfrequentie De parameter V. Support Rate (V. ondersteuningsfrequentie) is de stimulatiefrequentie van de stimulus afgegeven aan het ventrikel tijdens A. Fibber (VOO stimulatie). LET OP Ventriculaire ondersteuningsstimulatie wordt afgegeven in de VOO-mode. Voor meer informatie, zie VOO-mode-informatie. Instellingen: (min ) Off; 30; 35 95 (Nominaal: Off) Testen met behulp van de pulsgenerator Met de parameters voor Device-Based Testing (Testen met behulp van de pulsgenerator) kunt u selecteren hoe u eventuele aritmieën wilt beëindigen die opgewekt zijn door de ventriculaire fibber-tests. Eerst selecteert u de parameter 1e behandelingsmethode om te bepalen hoe u de aritmie wilt beëindigen, vervolgens stelt u de beschikbare parameters in. Voor meer informatie, zie: 1e behandelingsmethode 1st Therapy Tijd tot behandeling Toegang vanaf: toets Tests > tab Fibber & NIPS > toets Ventricular Fibber WAARSCHUWING Tachycardie-behandeling inschakelen/uitschakelen. Ventriculaire aritmie-inductie is niet beschikbaar als Tachy Therapy uitgeschakeld is. NB Als de condensators niet opgeladen zijn tot het gewenste voltage tegen de tijd waarop de behandeling gepland is of die geselecteerd is voor afgifte, wordt de behandeling uitgesteld totdat de gewenste voltage bereikt is. Als het langer dan 32 seconden duurt voordat de condensatoren de gewenste spanning bereiken, geeft de pulsgenerator de op dat moment aanwezige spanning op de condensatoren af. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-17

1e behandelingsmethode De parameter 1st Therapy Method (1e behandelingsmethode) bepaalt hoe de eerste behandeling afgegeven wordt nadat de ventriculaire Fibber-test een aritmie opwekt. De instellingen zijn: Automatic. De pulsgenerator detecteert, stelt een diagnose voor, en behandelt automatisch een door de test opgewekte aritmie. De methode gebruikt de huidige geprogrammeerde detectie- en behandelingsparameters. U kunt deze instellingen veranderen als u de toets Defib Therapy selecteert, die het Venster Zone Configuration opent. Deze instelling is niet beschikbaar wanneer de parameter Zone Configuration op Off staat. Timed. De programmer geeft de behandeling (ingesteld door de parameter 1st Therapy) automatisch af nadat een timer de tijd heeft afgeteld die ingesteld is door de parameter Tijd tot behandeling. Bij de Burst-test start de timer wanneer u de toets Hold to Apply Burst loslaat. Bij de DC- en Shock-on-T-test start de timer nadat de programmer de aritmie-opwekkende schok afgeeft. Manual. In de methode Manual kunt u, na de opwekking van aritmie, handmatig de behandeling starten wanneer u de toets Deliver Therapy (Behandeling afgeven) selecteert. De energie of voltage van de behandeling wordt bepaald door de parameter 1st Therapy. Instellingen: Automatic; Timed; Manual (Nominaal: Automatic) 1st Therapy De parameter 1st Therapy bepaalt hoeveel energie of voltage afgegeven wordt tijdens de behandelingsmethoden Timed of Manual. Daaropvolgende behandelingen worden afgegeven volgens de geprogrammeerde Detection Criteria. Deze parameter is alleen beschikbaar wanneer de parameter 1e behandelingsmethode is ingesteld op Timed of Manual. Instellingen: Tilt (J): 0,1; 0,2; 1,0; 2,0; 10,0; 12,5; 30,0; 32,0; 34,0; 36,0 (Nominaal: 15) Pulse Width (V): 50; 100; 800; 830 (Nominaal: 600) Tijd tot behandeling De parameter Time to Therapy (Tijd tot behandeling) bepaalt de vertraging tussen het einde van de aritmie-inductie en de afgifte van hoog-spanningsbehandeling. Deze parameter is alleen beschikbaar wanneer de parameter 1e behandelingsmethode is ingesteld op Timed. Instellingen: (s) 3; 4; 20 (Nominaal: 10) NIPS-TEST Met de NIPS (Non-Invasive Programmed Stimulation)-test kunt u een aritmie opwekken of beëindigen door reeksen stimulatie-bursts af te geven aan het atrium of ventrikel. Vanuit het NIPS-venster kunt u: Het type NIPS-test kiezen om uit te voeren (of ExtrastimuliBurst). - Met de Burst Test kunt u handmatig een burst van laagspanningspulsen op een kamer toepassen - Met de Extrastimuli Test kunt u een burst van laagspanningspulsen toepassen op een kamer en de lengte van de aanvankelijke stimulatie-burst gevolgd door getimede aanvullende stimuli programmeren. De NIPS-parameters instellen. De NIPS-testparameters instellen. De huidige NIPS Testparameters afdrukken met de toets Print Settings. De tests in werking stellen. De testresultaten bekijken wanneer u de toets Episode Directory selecteert. Deze opent de vensters VT/VF Episodes en Andere Episodes, waar u de details van alle NIPS-tests kunt bekijken. Zie NIPS-testinstructies. Toegang vanaf: toets Tests > tab Fibber & NIPS > toets Atrial or Ventricular NIPS 6-18 Tests

WAARSCHUWING Tachycardie-behandeling inschakelen/uitschakelen. Ventriculaire aritmie-inductie is niet beschikbaar als Tachy Therapy uitgeschakeld is. LET OP RF-communicatie. Bij het uitvoeren van de Fibber- en NIPS-tests dient u ervoor te zorgen dat er ten minste vier LED s te zien zijn als indicatie van de telemetriesterkte, op de programmer en de Merlin Antenne. Als er minder LED s branden, zal de pulsgenerator mogelijk de communicatieverbinding verbreken wanneer deze oplaadt of de condensatoren dumpt. Als dit gebeurt, eindigt de test en de pulsgenerator keert terug naar de permanent geprogrammeerde parameters. NB Telemetriecommunicatie. Tijdens NIPS-tests moet telemetriecommunicatie met de pulsgenerator behouden blijven. Als de telemetrieverbinding verbroken wordt tijdens de test, keert de pulsgenerator terug naar de permanent geprogrammeerde parameters. Behandeling. Alle anti-tachyaritmiebehandelingen worden gegeven in het rechter ventrikel. NIPS-testinstructies Extrastimuli 1. Zorg dat er telemetrie is tussen de pulsgenerator en de programmer. 2. Selecteer de toets Tests. 3. Selecteer de tab Fibber & NIPS. 4. Selecteer de toets Atrial or Ventricular NIPS. 5. Selecteer de radiotoets Extrastimuli. 6. Stel de NIPS-parameters en de aanvullende NIPS-testparameters in. 7. Selecteer de toets Start NIPS. De pulsreeks voor de geprogrammeerde S1 Count begint. De pulsreeks wordt beëindigd als de telemetrieverbinding verbroken wordt of als u de toets Cancel Test (Test annuleren) selecteert. Burst 1. Zorg dat er telemetrie is tussen de pulsgenerator en de programmer. 2. Selecteer de toets Tests. 3. Selecteer de tab Fibber & NIPS. 4. Selecteer de toets Atrial or Ventricular NIPS. 5. Selecteer de radiotoets Burst. 6. Stel de parameter S1S1 in en stel aanvullende NIPS-testparameters in. 7. Houd de toets Hold to Apply Burst ingedrukt voor de gewenste tijdsduur. 8. Laat de toets Hold to Apply Burst los om de test te beëindigen. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-19

NIPS-parameters De beschikbaarheid van NIPS-parameters hangt af van welke methode van NIPS u kiest: Extrastimuli of Burst. Toegang vanaf: toets Tests > tab Fibber & NIPS > toets Atrial or Ventricular NIPS S1-telling De parameter S1 Count (S1-telling) bepaalt het aantal S1-stimuli dat de pulsgenerator afgeeft tijdens de NIPS-test. Dit is alleen beschikbaar bij de Extrastimuli-methode. Instellingen: 2; 3; 25 (Nominaal: 8) S1S1 Deze parameter bepaalt hoe lang de pulsgenerator wacht na de laatste gestimuleerde/waargenomen gebeurtenis voordat de eerste S1-stimulus wordt afgegeven en de hoeveelheid tijd tussen alle daaropvolgende S1-stimuli. Als u de Fixed Mode (Vaste mode) selecteert, blijft de parameter S1S1 op een vaste instelling in ms. Als u de Adaptive Mode (Aanpasbare mode) selecteert, wordt de S1S1-parameter berekend als een percentage van het laatste gemeten interval. Instellingen: Fixed: (ms) 100; 110; 800 (Nominaal: 600) Adaptive: (%) 50; 51; 100 (Nominaal: 8) (Nominaal: 50) S1S2 De parameter S1S2 bepaalt hoe lang de pulsgenerator wacht na de laatste S1-stimulus voordat de S2-NIPS-stimulus afgegeven wordt. Dit is alleen beschikbaar bij de Extrastimuli-methode. Instellingen: (ms) Off; 100; 110; 800 (Nominaal: Off) S2S3 De parameter S2S3 bepaalt hoe lang de pulsgenerator wacht na de S2-stimulus voordat de S3-NIPS-stimulus afgegeven wordt. Dit is alleen beschikbaar bij de Extrastimuli-methode. Instellingen: (ms) Off; 100; 110; 800 (Nominaal: Off) S3S4 De parameter S3S4 bepaalt hoe lang de pulsgenerator wacht na de S3-stimulus voordat de S4-NIPS-stimulus afgegeven wordt. Dit is alleen beschikbaar bij de Extrastimuli-methode. Instellingen: (ms) Off; 100; 110; 800 (Nominaal: Off) NIPS-TESTPARAMETERS Zie NIPS- en S1-burst-testinstructies. De NIPS-testparameters zijn o.a. de volgende: Pulsamplitude Pulsbreedte V. ondersteuningsfrequentie Toegang vanaf: toets Tests > tab Fibber & NIPS > toets Atrial or Ventricular NIPS 6-20 Tests

Pulsamplitude De NIPS Pulse Amplitude is de hoeveelheid spanning die afgegeven wordt aan het myocardium tijdens de NIPS-test. Deze is onafhankelijk van de huidige geprogrammeerde instelling voor de parameter Pulsamplitude. Instellingen: (V) 0,25; 0,50; 7,5 (Nominaal: 7,5) Pulsbreedte De parameter NIPS Pulse Width (NIPS pulsbreedte) is de duur van de puls gedurende NIPS-testen. Deze is onafhankelijk van de huidige geprogrammeerde instelling voor de parameter Pulsbreedte. Instellingen: (ms) 0,05; 0,1; 0,2; 1,5 (Nominaal: 1,0) V. ondersteuningsfrequentie De parameter V. Support Rate is de stimulatiefrequentie van de stimulus afgegeven aan ventrikel tijdens A. NIPS (VOO stimulatie). Tijdens de afgifte van atriale NIPS worden de parameters V. Pulse Amplitude en V. Pulse Width van de backup-stimulatie ingesteld op de huidige geprogrammeerde instellingen. Instellingen: (min ) Off; 30; 35 95 (Nominaal: Off) TIJDELIJKE STIMULATIE (TEMPORARY PACING) Vanuit het venster Temporary Pacing kunt u tijdelijke stimulatie starten. Tijdelijke stimulatie is ook beschikbaar via het venster Vooruitblik op veranderingen. Het venster bevat tevens de volgende toetsen waarmee u instellingen kunt selecteren voor gebruik tijdens tijdelijke stimulatie. Deze parameters kunnen worden aangepast tijdens tijdelijke stimulatie. De nieuwe waarden worden onmiddellijk van kracht. Mode Base Rate Ventrikelstimulatie LV Pulse Configuration Paced AV Delay Sensed AV Delay Refractaire periode ventriculaire stimulatie PVARP Post-Ventricular Atrial Blanking Pulsamplitude Pulsbreedte De volgende parameters kunnen niet worden geselecteerd tijdens tijdelijke stimulatie en blijven zoals geselecteerd: Atriale en ventriculaire Gevoeligheid Max Track Rate Ventriculaire veiligheids-standby WAARSCHUWING Tijdens tijdelijke stimulatie wordt tachycardie- en fibrillatiedetectie onderbroken en wordt er geen aritmiebehandeling gegeven. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 6-21

NB Beschikbaarheid van parameters. Tijdens tijdelijke stimulatie worden de Rate Responsive AV Delay, Hysteresisfrequentie, Parameter Ventriculaire intrinsieke voorkeur (Ventricular Intrinsic Preference Parameter, VIP ), Negative AV Hysteresis/Search, Auto Mode Switch, PVC Response, PMT Response, AF Suppression -algoritme-stimulatie en frequentiegevoelige stimulatie (Sensor) opgeschort. Telemetriecommunicatie. Tijdens tijdelijke stimulatie moet telemetriecommunicatie met de pulsgenerator behouden blijven. De tijdelijke stimulatie-instellingen zijn alleen van kracht als het venster Temporary Pacing wordt weergegeven en alleen tijdens telemetriecommunicatie met de pulsgenerator. Als de telemetriecommunicatie tussen de pulsgenerator en de programmer onderbroken wordt, eindigt de tijdelijke stimulatie en worden de permanent geprogrammeerde parameters binnen twee seconden hersteld. 6-22 Tests

7. BRADYCARDIEPARAMETERS BRADYCARDIEPARAMETERS Het venster Brady Parameters (Bradycardieparameters) geeft de meeste programmeerbare bradycardieparameters weer, onderverdeeld in groepen. Kies de gewenste toets om parameterinstellingen te wijzigen. De toetsen zijn: Basiswerking Rates Delays Capture & waarneming Elektroden Refractaire waarden & Blanking AT/AF Detection & Response Frequenties & refractaire waarden (alleen bij eenkamer-pulsgenerators) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady BASISWERKING Vanuit het venster Basic Operation kunt u de instellingen veranderen voor de volgende parameters: Mode Ventrikelstimulatie Interventricular Delay Mode Ventriculaire ruisreversie Mode Episodische stimulatie Sensor Drempel Helling Max. sensorfrequentie Reactietijd Hersteltijd Laatste instellingen herstellen Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Basic Operation Mode De parameter Mode bepaalt de basisstimulatie-werking van de pulsgenerator. Voor timing-diagrammen en mode-beschrijvingen, zie Mode-beschrijvingen. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-1

Ventrikelstimulatie De parameter Ventricular Pacing (Ventrikelstimulatie) bepaalt welke ventrikels gestimuleerd worden en de volgorde waarin zij gestimuleerd worden. Wanneer u de instellingen LV->RV of RV->LV kiest, kunt u ook de parameter Interventricular Delay instellen. Beschikbaar in: Promote pulsgenerators Instellingen: LV+RV (Simultaneous); LV -> RV; RV -> LV; RV Only; LV Only (Nominaal: LV+RV (Simultaneous)) Interventricular Delay De parameter Interventricular Delay (Wachttijd tussen ventrikels) bepaalt het interval tussen de aan de ventrikels afgegeven pulsen wanneer de parameter Ventrikelstimulatie ingesteld is op ofwel LV->RV of RV->LV. De instelling Interventricular Delay kan geëvalueerd worden met de test QuickOpt timingcyclus-optimalisering. Beschikbaar in: Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) 10 1 ; 15; 80 Toegang vanaf: toetsparameters tab > Brady toets >Basic Operation > toets parameter Ventricular Pacing Magneetrespons De parameter Magnet Response (Magneetrespons) bepaalt of de pulsgenerator een magneet herkent wanneer die boven de pulsgenerator geplaatst wordt. Wanneer de Magnet Response op Normal staat, onderbreekt een sterk magnetisch veld tachycardiedetectie en verhindert het de afgifte van tachyaritmiebehandeling. Wanneer de Magnet Response op Ignore (Negeren) staat, negeert de pulsgenerator de aanwezigheid van een magneet en wordt behandeling afgegeven zoals gewoonlijk. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: Normaal; Ignore (Nominaal: Normal) NB Stimulatie. Bradycardiestimulatie wordt niet beïnvloed door een magneet boven de pulsgenerator. Detectie en behandeling. Het plaatsen van een magneet boven de pulsgenerator kan nuttig zijn om te voorkomen dat tachyaritmiedetectie optreedt en behandeling wordt afgegeven, als er geen programmer beschikbaar is om het apparaat op Off te zetten. Zie de gebruikershandleiding voor meer informatie over het gebruik van magneten. Mode Ventriculaire ruisreversie Het algoritme Ventricular Noise Reversion (Ventriculaire ruisreversie) Mode voorkomt dat de pulsgenerator hoogfrequente ruis in het ventriculaire kanaal waarneemt als tachyaritmieën. Wanneer het algoritme Ventricular Noise Reversion Mode is ingeschakeld, stelt de pulsgenerator de stimulatiefrequentie in op 50 min. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: VVI(R)-mode - Pacing Off; VOO (Nominaal: Off); DDI(R)- of DDD(R)-mode - Pacing Off; VOO; DOO (Nominaal: Off) 1. 10 ms is niet beschikbaar wanneer de Ventricular Pacing Chamber is ingesteld op LV ->- RV. 7-2 Bradycardieparameters

NB Mode. De parameter Ventricular Noise Reversion Mode is alleen beschikbaar in de modes DDD(R), DDI(R) en VVI(R). Mode Episodische stimulatie De parameter Episodal Pacing (Episodische stimulatie) Mode bepaalt welke stimulatiemode er gebruikt wordt tijdens een episode. De pulsgenerator schakelt over naar de instelling Episodal Pacing Mode na het derde sinusloze interval en houdt op wanneer de pulsgenerator weer sinus waarneemt. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: DDI; VVI; AAI (Nominaal: DR Modes: DDI; Eenkamer-modes: VVI) Sensor De parameter Sensor schakelt frequentiegevoelige stimulatie in, waardoor de pulsgenerator de frequentie kan verhogen of verlagen op basis van activiteitssensorgegevens. Wanneer Passive (Passief) wordt geselecteerd, activeert de pulsgenerator frequentiegevoelige stimulatie niet, maar registreert deze diagnostische gegevens die kunnen worden ingelezen in de diagnostische gegevens voor Frequenties. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: On; Passive; Off (Nominaal: Passive) Drempel De parameter Threshold (Drempel) bepaalt het trigger-punt waarop een bepaalde hoeveelheid activiteit invloed heeft op de Sensor-geïndiceerde frequentie. Een lagere Threshold-instelling laat de sensor reageren op lagere hoeveelheden activiteit, terwijl een hogere instelling de sensor alleen laat reageren op hogere hoeveelheden activiteit. Met de Auto -instellingen kan de pulsgenerator automatisch de parameter Threshold afstellen boven of onder de Measured Average Sensor (MAS)-waarde, een berekening van de activiteit van de patiënt over de afgelopen 18 uur. De instelling Auto (+1,0) stelt de parameter Threshold dus automatisch in op 3,0 wanneer de MAS-waarde 2,0 is. De MAS-waarde wordt continu bijgewerkt met nieuwe sensorgegevens. De MAS-waarde verschijnt onder de toets Threshold. Om de MAS-waarde te wissen en opnieuw te berekenen, selecteert u de toets Automatische drempel resetten. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: 1,0; 1,5; 7,0; Auto (-0,5); Auto (+0,0); Auto (+0,5); Auto (+1,0); Auto (+1,5); Auto (+2,0) (Nominaal: Auto (+0,0)) Helling De parameter Slope (Helling) wijst een vlakkere helling (lage instelling) of steilere helling (hoge instelling) toe aan de sensorfrequentie-respons. Een lagere instelling, of een vlakkere respons, beperkt de reactie op activiteit tot een kleine toename in de stimulatiefrequentie. Een hogere instelling, of een steilere respons, laat de frequentie toenemen tot een hogere stimulatiefrequentie. De figuur hieronder (Figuur 7-1) illustreert de verschillende instellingen voor de parameter Slope. Met de Auto -instellingen kan de pulsgenerator automatisch de parameter Slope afstellen boven of onder de Measured Auto Slope, hetgeen een berekening is van de activiteit van de patiënt gedurende de voorgaande zeven dagen. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-3

Toename van de frequentie (min -1 ) 140 120 Slope 16 100 80 60 40 20 0 Lage activiteit Figuur 7-1. Helling (Slope) Sensorniveau Slope 1 Hoge activiteit Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: 1; 2; 16; Auto (-1); Auto (+0); Auto (+1); Auto (+2); Auto (+3) (Nominaal: 8) Max. sensorfrequentie De parameter Max Sensor Rate (Max. sensorfrequentie) is de snelste stimulatiefrequentie die toegestaan is door de frequentiegevoelige stimulatie. Het is ook de snelste Sensor-geïndiceerde frequentie die geregistreerd kan worden wanneer de parameter Sensor is ingesteld op Passive. De instelling voor Max Sensor Rate moet tenminste 30 ms langer zijn dan de langste geprogrammeerde cycluslengte voor tachycardiedetectie om aritmiedetectie te voorkomen bij de Maximum Sensor Rate-instelling. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: (min ) 80; 85; 150 (Nominaal: 110) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Basic Operation (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) NB Detectie-interval/frequentie. De instelling voor Max Sensor Rate moet tenminste 30 ms langer zijn dan het langste geprogrammeerde tachycardiedetectie-interval om aritmiedetectie te voorkomen bij de Maximum Sensor Rate-instelling. Reactietijd De parameter Reaction Time (Reactietijd) regelt hoe snel verhogingen in de Sensor-geïndiceerde frequentie voorkomen. De instelling Very Fast maakt snelle frequentieverhogingen mogelijk, terwijl de instelling Slow de frequentie alleen langzaam laat verhogen. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: Very Fast; Fast; Medium; Slow (Nominaal: Snel) NB Helling. Verlengingen van de reactietijd worden beperkt door de Slope-instelling. 7-4 Bradycardieparameters

Hersteltijd De parameter Recovery Time (Hersteltijd) regelt hoe snel verlagingen in de Sensor-geïndiceerde frequentie voorkomen. De instelling Fast maakt snelle frequentieverlagingen mogelijk, terwijl de instelling Very Slow de frequentie alleen langzaam laat verlagen. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: Fast; Medium; Slow; Very Slow (Nominaal: Medium) NB Helling. Verhogingen van de Recovery time worden beperkt door de Slope-instelling. Laatste instellingen herstellen Met de toets Restore Last Settings (Laatste instellingen herstellen) worden alle eerdere instellingen van bradycardie- en tachycardie-instellingen automatisch hersteld als de parameter Mode is ingesteld op Pacing Off en/of de Zone Configuration is ingesteld op Off. RATES Vanuit het venster Rates kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Base Rate Rustfrequentie Max. sensorfrequentie Max Track Rate Hysteresisfrequentie Zoekinterval Cyclustelling PMT-detectiefrequentie 2:1 Block-frequentie U kunt ook toegang krijgen tot het volgende: AT/AF Settings. Kies de toets AT/AF Settings om de instellingen te veranderen van de parameters voor AT/AF Detection & Response. Voor eenkamer-pulsgenerators, zie Frequenties & refractaire waarden. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Rates Base Rate De parameter Base Rate (Basisfrequentie) stelt de minimale stimulatiefrequentie van de patiënt in. Gewoonlijk kunnen frequenties alleen beneden de basisfrequentie dalen wanneer Hysteresisfrequentie, Rustfrequentie, of Post-schok-basisfrequentie ingeschakeld is. In atriale modes wordt het Base Rate-interval gemeten van een atriale stimulus tot de volgende atriale stimulus zonder dat er daartussen een atriale gebeurtenis wordt waargenomen. In ventriculaire modes (evenals in de DDI-mode) wordt het interval gemeten van een ventriculaire stimulus tot de volgende stimulus zonder dat er daartussen een ventriculaire gebeurtenis is waargenomen. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: (min ) 30; 35; 100 (Nominaal: 60) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-5

Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Rates (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) Rustfrequentie Met de parameter Rest Rate (Rustfrequentie) kan de pulsgenerator de stimulatiefrequentie verlagen tot een frequentie onder de Base Rate-instelling terwijl de patiënt slaapt of lange tijd rust. Wanneer de parameter Rest Rate ingeschakeld is, analyseert de pulsgenerator activiteitsgegevens over een periode van zeven dagen. Wanneer de pulsgenerator waarneemt dat de patiënt meer dan 15 tot 20 minuten niet actief is geweest, schakelt deze de stimulatiefrequentie van de instelling Base Rate over naar de instelling Rest Rate. Wanneer het apparaat activiteit waarneemt, wordt stimulatie weer hervat op de Base Rate-instelling of op de Sensor-geïndiceerde frequentie. NB Testen. De parameter Rest Rate wordt uitgeschakeld tijdens een Capture & waarneming en NIPS-test. Hysteresisfrequentie en Zoekinterval. De parameters Hysteresis Rate en Rate Hysteresis Search worden uitgeschakeld wanneer de parameter Rest Rate ingeschakeld wordt. Mode Switch. Terwijl de pulsgenerator werkt op de instelling Basisfrequentie automatische mode-omschakeling en de parameter Rest Rate is ingeschakeld, wordt de Base Rate-instelling gebruikt als de Rest Rate-instelling. Base Rate. De beschikbare instellingen voor Rest Rate worden beperkt door de Base Rate-instelling. Instellingen: (min ) Off; 30; 35; 95 (Nominaal: Off) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Rates (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) Max Track Rate De parameter Max Track Rate (MTR) is de maximale door de pulsgenerator toegestane ventriculaire stimulatiefrequentie. Wanneer het apparaat in de DDD(R)-mode een atriaal ritme waarneemt dat sneller is dan de MTR-instelling, wordt het Sensed AV Delay-interval verlengd om ervoor te zorgen dat de ventriculaire stimulatiefrequentie de MTR-instelling niet overschrijdt. Pauzes die af en toe plaatsvinden (Wenckebach-gedrag) kunnen optreden in overeenstemming met normaal hoge-frequentiegedrag. Als hulp bij het programmeren geeft de programmer, indien de parameter Max Track Rate is geprogrammeerd, de intrinsieke atriale frequentie weer waarbij 2:1 AV-block plaatsvindt. Om aritmiedetectie die het gevolg is van stimulatie bij de MTR-instelling te voorkomen, moet de MTR-cycluslengte tenminste 30 ms langer zijn dan de langste geprogrammeerde cycluslengte voor tachycardie en wordt deze begrensd door de geprogrammeerde instellingen voor Paced AV Delay, Sensed AV Delay en PVARP. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (min ) 90; 95; 130; 140; 150 (Nominaal: 110) 7-6 Bradycardieparameters

NB Max. sensorfrequentie. De instelling voor Max Track Rate kan overschreden worden als de instelling voor Max Sensor Rate hoger wordt geprogrammeerd dan de instelling voor Max Track Rate. Detectie-interval/frequentie. De instelling voor Max Track Rate moet tenminste 30 ms langer zijn dan de langste instelling voor Detection Interval/Rate. Paced AV Delay, Sensed AV Delay en PVARP. De Max Track Rate-instelling wordt beperkt door de geprogrammeerde instellingen voor Paced AV Delay, Sensed AV Delay, en PVARP. Interacties met algoritmes. De interactie van een aantal algoritmes kan de pulsgenerator toestaan de instellingen voor Max Track Rate en Max Sensor Rate te negeren. Hiertoe behoren alle ventriculaire- algoritmes en de algoritmes AF Suppression -algoritme, Parameter Ventriculaire intrinsieke voorkeur (Ventricular Intrinsic Preference Parameter, VIP ), Negative AV Hysteresis/Search en Ventriculaire veiligheids-standby. Er is een grotere kans dat deze interactie optreedt in gevallen waarin de werkzame Paced AV Delay-instelling significant verschilt van de geleidingstijd van de patiënt. Neem voor meer informatie over maximumfrequentiegedrag contact op met de Technische ondersteuning. Hysteresisfrequentie De parameter Hysteresis Rate (Hysteresisfrequentie) is een frequentie onder de instelling voor Base Rate, die gebruikt wordt wanneer de voorkeur wordt gegeven aan het intrinsieke ritme van de patiënt in plaats van stimulatie. Wanneer de parameter Hysteresis Rate ingeschakeld is, verlaagt de pulsgenerator de stimulatiefrequentie van de Base Rate-instelling naar de instelling Hysteresis Rate wanneer intrinsieke activiteit waargenomen wordt. Wanneer de pulsgenerator geen intrinsieke activiteit waar kan nemen, schakelt het apparaat terug naar de Base Rate-instelling. Werking in de Hysteresis Rate-instelling wordt getriggerd door een P-golf in de atriale modes [DDD(R), VDD(R), AAI(R), AAT(R)] en een R-golf in de ventriculaire modes [DDI(R) en VVI(R)]. NB Frequentiegevoelige modes. De parameter Hysteresis Rate wordt uitgeschakeld als de parameter Sensor op On is ingesteld en de pulsgenerator sensoractiviteit detecteert. AF Suppression -algoritme Stimulatie. De parameter Hysteresis Rate is automatisch geprogrammeerd op Off wanneer de parameter AF Suppression ingeschakeld is. Rustfrequentie. De parameter Rest Rate heeft voorrang boven de parameter Hysteresis Rate. Post-schok-basisfrequentie. De parameter Post Shock Base Rate (Basisfrequentie na schok) heeft voorrang boven de parameter Hysteresis Rate. Ventrikelstimulatie. Hysteresis Rate is niet beschikbaar als de parameter Ventrikelstimulatie is ingesteld op de instelling Simultaneous (RV + LV) en de parameter Mode is ingesteld op de VVI-instelling. Instellingen: (min ) Off; 30; 35; 95 (Nominaal: Off) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Rates (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-7

Zoekinterval De parameter Search Interval (Zoekinterval) zorgt ervoor dat de pulsgenerator af en toe het frequentie-interval met het geprogrammeerde aantal minuten verlengt om te zoeken naar intrinsieke activiteit. Wanneer u dus 5 kiest, verlaagt de pulsgenerator eens in de vijf minuten de stimulatiefrequentie naar de Hysteresisfrequentie-instelling om te zoeken naar intrinsieke activiteit. Indien de pulsgenerator een intrinsieke slag waarneemt tijdens het zoeken, verlaagt deze de frequentie naar de geprogrammeerde Hysteresis Rate-instelling. Indien er geen intrinsieke slag wordt waargenomen tijdens het Hysteresis Rate-interval, geeft de pulsgenerator een puls af aan het einde van het interval en begint deze met stimuleren op de Base Rate-instelling. Indien er een eigen slag optreedt tussen zoekperioden, werkt de pulsgenerator op de Hysteresis Rate-instelling. Instellingen: (min) Off; 1; 5; 10; 15; 30 (Nominaal: Off) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Rates (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) NB Hysteresisfrequentie. De parameter Search Interval is beschikbaar wanneer de parameter Hysteresis Rate ingeschakeld is. Cyclustelling De parameter Cycle Count (Cyclustelling) bepaalt hoe lang (hoeveel cycli) de pulsgenerator zoekt naar intrinsieke activiteit wanneer Hysteresis Rate ingeschakeld is. Instellingen: (cycles) 1; 2; 16 (Nominaal: 1) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Rates (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) NB Hysteresisfrequentie. De parameter Cycle Count is alleen beschikbaar wanneer de parameter Hysteresis Rate ingeschakeld is. 2:1 Block-frequentie De programmer geeft de intrinsieke atriale frequentie weer waarop een 2:1 AV-block zal optreden in de DDD(R) mode. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators DELAYS Vanuit het venster Delays kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Paced AV Delay Sensed AV Delay Rate Responsive AV Delay Shortest AV Delay Parameter Ventriculaire intrinsieke voorkeur (Ventricular Intrinsic Preference Parameter, VIP ) Negative AV Hysteresis/Search 2:1 Block-frequentie 7-8 Bradycardieparameters

U kunt ook toegang krijgen tot het volgende: VIP -parameterinstellingen. Kies de toets VIP Settings om de parameters VIP -verlenging, Zoekinterval en Zoekcycli te veranderen. Toegang vanaf: toets parameters > tab Brady > toets Delays Paced AV Delay De parameter Paced AV Delay is het interval tussen een gestimuleerde atriale gebeurtenis en een ventriculaire gebeurtenis. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) 25; 30; 40; 200; 225; 300; 350 (Nominaal: 200) NB Base Rate. Het langste programmeerbare Paced AV Delay-interval wordt bepaald door de Base Rate-instelling. De maximale instellingen voor Paced AV Delay voor alle geprogrammeerde Base Rate-instellingen worden weergegeven in de hieronder tabel (Tabel 7-1). Base Rate (min ) Maximum Paced AV Delay (ms) 45-85 350 90 300 95 275 100 250 Tabel 7-1. Maximale instellingen voor Paced AV Delay Sensed AV Delay De parameter Sensed AV Delay is het interval tussen een waargenomen atriale gebeurtenis en een gestimuleerde ventriculaire gebeurtenis. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) 25; 30; 40; 200; 225; 325 (Nominaal: 150) NB Paced AV Delay. De langste programmeerbare instelling voor Sensed AV Delay wordt bepaald door de instelling voor Paced AV Delay. De Sensed AV Delay-instelling moet korter zijn dan of gelijk zijn aan de instelling voor Paced AV Delay. Rate Responsive AV Delay De parameter Rate Responsive AV Delay (Frequentiegevoelig AV-delay) verhoogt of verlaagt de Paced AV Delay- of Sensed AV Delay-instelling in verband met veranderingen in de Sensor-geïndiceerde frequentie, AF Suppression -algoritme-stimulatiefrequentie of waargenomen intrinsieke atriale frequentie. Een instelling op Low verandert de instelling voor Paced/Sensed AV Delay met één ms bij elke verandering van één min in de sensorgeïndiceerde frequentie, door AF Suppression-stimulatie gestuurde frequentie of de waargenomen intrinsieke atriale frequentie. Een instelling op High verandert de instelling voor Paced/Sensed AV Delay met drie ms bij elke verandering van één min in de sensorgeïndiceerde frequentie, door Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-9

AF Suppression-stimulatie gestuurde frequentie of waargenomen intrinsieke atriale frequentie. Naarmate dus de stimulatiefrequentie omhoog gaat, verkort de pulsgenerator de instelling zowel voor Paced als voor Sensed AV Delay totdat de instelling voor Max. sensorfrequentie, Max Track Rate of Shortest AV Delay is bereikt. Het algoritme begint te werken wanneer de frequentie ofwel boven de 90 min of een Base Rate ingesteld boven 90 min uitkomt. Wanneer de sensorgeïndiceerde frequentie of waargenomen intrinsieke atriale frequentie tot onder de 90 min valt, eindigt het algoritme. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: Off; Low; Medium; High (Nominaal: Medium) NB Post-schok-duur. De parameter Rate Responsive AV Delay wordt uitgeschakeld tijdens de Post-Shock Duration (Duur na schok). Ventricular Noise Reversion. De parameter Rate Responsive AV Delay wordt uitgeschakeld tijdens ventriculaire ruisreversie. Zie Mode Ventriculaire ruisreversie. Ventriculaire episode. De instelling voor Rate Responsive AV Delay wordt uitgeschakeld tijdens een ventriculaire episode. Shortest AV Delay De parameter Shortest AV Delay is het minimale AV-delay voor de instellingen Rate Responsive AV Delay en Negative AV Hysteresis/Search. Het Shortest AV Delay moet korter zijn dan de programmeerde instelling voor Paced AV Delay. Het kan echter langer zijn dan de geprogrammeerde instelling voor Sensed AV Delay. In dat geval vindt er geen verkorting van het waargenomen AV-delay-interval plaats. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) 25; 30; 50; 60; 120 (Nominaal: 100) NB Rate Responsive AV Delay en Mode. De parameter Shortest AV Delay is alleen beschikbaar wanneer de parameter Rate Responsive AV Delay is ingeschakeld en de Mode-instelling DDD(R) of DDIR is. Rate Responsive AV Delay en Negative AV Hysteresis/Search. Bij Promote pulsgenerators is de parameter Shortest AV Delay beschikbaar wanneer de parameter Rate Responsive AV Delay is uitgeschakeld, maar de parameter Negative AV Hysteresis/Search is ingeschakeld. Dit definieert de ondergrens van delay-verkorting door de parameter Negative AV Hysteresis/Search. Parameter Ventriculaire intrinsieke voorkeur (Ventricular Intrinsic Preference Parameter, VIP ) De parameter Ventricular Intrinsic Preference (VIP - Ventriculaire intrinsieke voorkeur) maakt een algoritme mogelijk waarmee de pulsgenerator kan zoeken naar intrinsieke geleiding die langzamer is dan de geprogrammeerde Sensed AV Delay-instelling. Indien intrinsieke geleiding waargenomen wordt, worden de instellingen voor Sensed AV Delay en Paced AV Delay verlengd zodat de intrinsieke geleiding kan blijven bestaan. Zie ook VIP -verlenging, Zoekinterval en Zoekcycli. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) Off; On (Nominaal: Off) 7-10 Bradycardieparameters

NB Frequentie-mode. Het algoritme VIP is alleen beschikbaar wanneer de Mode DDD(R) is. Zie Mode-beschrijvingen. Werkingscondities. Het algoritme VIP is niet beschikbaar: Wanneer de Base Rate-instelling 90 min is en de parameter Rate Responsive AV Delay ingeschakeld is Wanneer de Ventrikelstimulatie-mode niet RV Only is Wanneer de parameter Negative AV Hysteresis/Search ingeschakeld is Wanneer de intrinsieke atriale frequentie of de Sensor-geïndiceerde frequentie 90 min is Tijdens een Capture & waarneming-test Na de afgifte van een hoog-spanningsschok tijdens het Post-schok-duur-interval als de parameter Post-schok-mode ingeschakeld is Wanneer mode-switching optreedt. Zie Auto Mode Switch. PVC s hebben geen invloed op deze functie. Negative AV Hysteresis/Search De parameter Negative AV Hysteresis/Search (Negatieve AV-hysteresis/zoekfunctie) stelt de pulsgenerator in staat om de instelling voor Paced AV Delay en Sensed AV Delay te verkorten telkens wanneer een R-golf wordt gedetecteerd, om intrinsieke geleiding te ontmoedigen en ventriculaire stimulatie aan te moedigen. De instelling bepaalt hoeveel het Paced/Sensed AV Delay wordt verkort na detectie van een R-golf. Wanneer de parameter Negative AV Hysteresis/Search is ingeschakeld, verkort een gedetecteerde R-golf de instelling voor Paced/Sensed AV Delay. Dit blijft 31 cycli na detectie van de R-golf van kracht. Wanneer er binnen deze tijd geen andere R-golf wordt gedetecteerd, dan wordt het permanent geprogrammeerde Paced/Sensed AV Delay hersteld. Als er een andere R-golf wordt gedetecteerd tijdens de periode van 31 cycli, blijft de verkorte instelling voor Paced/Sensed AV Delay gedurende 255 cycli van kracht. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) Off; -10; -20; -120 (Nominaal: Off) NB Mode. De parameter Negative AV Hysteresis/Search is alleen beschikbaar wanneer de parameter Mode is ingesteld op DDD(R). Sensor. Sensorgestuurde verhogingen van de stimulatiefrequentie of de instelling voor Rate Responsive AV Delay kunnen het Paced/Sensed AV Delay-interval negeren of verder verkorten tot voorbij de instelling voor de parameter Negative AV Hysteresis/Search. Shortest AV Delay. De parameter Negative AV Hysteresis/Search kan de instelling voor de Paced/Sensed AV Delay niet verlagen tot onder de instelling voor Shortest AV Delay. Parameter Ventriculaire intrinsieke voorkeur (Ventricular Intrinsic Preference Parameter, VIP ). De parameter Negative AV Hysteresis/Search kan niet ingeschakeld worden als het algoritme VIP is ingeschakeld. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-11

VIP -parameterinstellingen Vanuit het venster VIP Settings kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Parameter Ventriculaire intrinsieke voorkeur (Ventricular Intrinsic Preference Parameter, VIP ) VIP -verlenging Zoekinterval Zoekcycli Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Delays > toets VIP Settings VIP -verlenging De parameter VIP Extension (VIP -verlenging) bepaalt hoe lang de pulsgenerator het Sensed AV Delay-interval verlengt om te zoeken naar intrinsieke geleiding. Als er tijdens de verlenging een R-golf wordt waargenomen, wordt de ventriculaire puls onderdrukt en blijft de Sensed AV Delay-verlenging gehandhaafd totdat het Zoekinterval verstreken is. Als er tijdens een verlenging geen R-golf wordt waargenomen, wordt de geprogrammeerde instelling voor Sensed AV Delay hersteld totdat het zoekinterval verstreken is. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) 50; 75; 150; 160; 200 (Nominaal: 100) Zoekinterval De parameter Search Interval (Zoekinterval) bepaalt hoe vaak de pulsgenerator het Sensed AV Delay-interval verlengt om te zoeken naar intrinsieke geleiding. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: 30 s; 1; 3; 5; 10; 30 min (Nominaal: 1 min) Zoekcycli De parameter Search Cycles (Zoekcycli) bepaalt hoeveel cycli de pulsgenerator het Sensed AV Delay-interval verlengt om te zoeken naar intrinsieke geleiding. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (cycli) 1; 2; 3 (Nominaal: 1) CAPTURE & WAARNEMING Vanuit het venster Capture & Sense (Capture & waarneming) kunt u de volgende instellingen veranderen die gebruikt worden voor stimulatie en waarneming: Pulsamplitude Pulsbreedte De parameter AutoSense Gevoeligheid Instellingen van het SenseAbility waarnemingsalgoritme Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Capture & Sense 7-12 Bradycardieparameters

Pulsamplitude De parameter Pulse Amplitude (Pulsamplitude) bepaalt hoeveel elektrisch potentiaal er tijdens de stimulus op het myocardium wordt toegepast. De instelling voor Pulse Amplitude kan geëvalueerd worden met de Capture & waarneming-test. Instellingen: (V) 0,25; 0,50; 4,0; 4,5 7,5 (A en RV Nominaal: 2,5; LV Nominaal: 3,5) Pulsbreedte De parameter Pulse Width (Pulsbreedte) bepaalt hoe lang de Pulsamplitude wordt toegepast op het myocardium. De instelling voor Pulse Width kan geëvalueerd worden met de Capture & waarneming-test. Instellingen: (ms) 0,05; 0,1; 0,2; 1,5 (Nominaal: 0,5) De parameter AutoSense De parameter AutoSense schakelt een algoritme in dat de atriale gevoeligheid afstelt voor optimale gevoeligheid. Zie voor een volledige uitleg AutoSense-functie. Wanneer de parameter AutoSense ingesteld is op On, wordt de atriale gevoeligheid automatisch aangepast zodra de amplitude van het atriale complex verandert. Wanneer de atriale parameter AutoSense ingesteld is op Off, blijft de atriale gevoeligheid staan op de geprogrammeerde atriale Gevoeligheid-instelling. Instellingen: (Atrial) Off; On (Nominaal: On) Instellingen: (Ventricular) On (Niet-programmeerbaar) NB AutoSense. De ventriculaire parameter AutoSense is niet programmeerbaar en is ingesteld op On. Sensing. Ventriculaire waarneming vindt alleen plaats in het rechterventrikel. Gevoeligheid De parameter Sensitivity (Gevoeligheid) bepaalt de drempel waarboven de pulsgenerator reageert op waargenomen gebeurtenissen. De instelling Auto schakelt automatische waarneming in of uit (zie AutoSense-functie). Hoewel de instelling voor V. Sensitivity altijd ingesteld is op Auto, kunt u waarneming voor de RV-kamer afstellen door de parameters in het venster Instellingen van het SenseAbility waarnemingsalgoritme aan te passen. De pulsgenerator neemt geen LV-gebeurtenissen waar, behalve tijdens het testen. Instellingen: (Atrial) (mv) Auto 2 ; 0,2; 0,3; 1,0 (Nominaal: 0,2) Instellingen: (Ventricular) Auto (Niet-programmeerbaar) INSTELLINGEN VAN HET SENSEABILITY WAARNEMINGSALGORITME Vanuit het venster SenseAbility Sensing Algorithm Settings kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Max Sensitivity Decay Delay 2. Auto is geen instelling die u kunt kiezen, maar wordt weergegeven in de Sensitivity-toets wanneer de parameter AutoSense ingesteld is op On. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-13

Drempelstart Nominale waarden selecteren Zie ook: AutoSense-functie Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Capture & Sense > toets SenseAbility Settings NB Signalen met lage amplitude. Het wijzigen van een van deze parameters kan het vermogen om signalen met een lage amplitude waar te nemen beïnvloeden. Nominale instellingen. Deze parameters voor waarneming staan nominaal ingesteld op de meest gevoelige waarden. Verander ze alleen als daar een specifieke reden voor bestaat. Max Sensitivity De parameter Max Sensitivity (Max. gevoeligheid) is de hoogste gevoeligheid die de pulsgenerator kan bereiken. U kunt de parameter Max Sensitivity onafhankelijk instellen voor: Atrial Max Sensitivity is de maximale atriale gevoeligheid tot welke de atriale drempel af kan nemen. Ventricular Pacemaker Max Sensitivity is de maximale gevoeligheid tot welke de ventriculaire pacemakerdrempel af kan nemen. Ventricular Defibrillator Max Sensitivity is de maximale gevoeligheid tot welke de ventriculaire defibrillatordrempel af kan nemen. Instellingen: (Atrial) (mv) 0,2; 0,3; 1,0 (Nominaal: 0,2) Instellingen: (Ventricular Pacemaker) (mv) Zelfde als Defib; 0,2; 0,3; 1,0 (Nominaal: Zelfde als Defib) Instellingen: (Ventricular Defibrillator) (mv) 0,2; 0,3; 1,0 (Nominaal: 0,3) NB Oversensing. De instelling voor Ventricular Pacemaker Max Sensitivity mag alleen veranderd worden in een andere dan de nominale instelling als overmatige waarneming van zwakke signalen niet geëlimineerd kan worden door de parameters Decay Delay, Drempelstart en Refractaire periode atriale stimulatie aan te passen. Decay Delay De parameter Decay Delay (Vertraging van de afname) bepaalt hoe lang na de waargenomen of gestimuleerde refractaire periode de drempel op de geprogrammeerde instelling blijft, voordat deze begint af te nemen Drempelstart (Figuur 7-2). Het verlengen van Decay Delay kan mogelijk ongewenste waarneming van P-golven en T-golven voorkomen. Threshold Start Vertraging van de afname met 60 ms Vertraging van de afname met 0 ms Figuur 7-2. Een voorbeeld van Decay Delay 7-14 Bradycardieparameters

Als de ventriculaire Post-Paced Decay Delay ingesteld is op Auto, past de pulsgenerator automatisch de vertraging van de afname aan die gebruikt wordt na een ventriculair gestimuleerde puls om te compenseren voor de verkorting van het QT-interval die samenhangt met hoge stimulatiefrequenties. Instellingen: (Atrial Post-Sensed en Post-Paced) (ms) 0; 30; 60; 95; 125; 160; 190; 220 (Nominaal: 0) Instellingen: (Ventricular Post-Sensed) (ms) 0; 30; 60; 95; 125; 160; 190; 220 (Nominaal: 60) Instellingen: (Ventricular Post-Paced) (ms) Auto; 0; 30; 60; 95; 125; 160; 190; 220 (Nominaal: Auto) NB Signalen met lage amplitude. Het wijzigen van de instelling voor Decay Delay kan het vermogen om signalen met een lage amplitude waar te nemen beïnvloeden. De parameter AutoSense. De atriale parameter AutoSense moet ingeschakeld zijn om de parameter Decay Delay te kunnen programmeren in het atrium. Drempelstart De parameter Threshold Start (Drempelstart) bepaalt de maximale piekamplitude die waargenomen wordt tijdens de refractaire periode voor een waargenomen gebeurtenis. Drempelstart kan worden gebruikt om ongewenste waarneming van P-golven en T-golven te voorkomen. Post-Sensed Threshold Start. Na een waargenomen gebeurtenis bepaalt de pulsgenerator het maximale amplitudesignaal dat gedetecteerd is tijdens de Refractaire periode atriale waarneming en Refractaire periode ventriculaire waarneming periodes. Na het verstrijken van de waargenomen refractaire periode wordt de waarnemingsdrempel automatisch afgesteld op ofwel de drempelstart of een percentage van die maximale amplitude (de hoogste waarde is van toepassing), met een absolute maximumwaarde van 6 mv in het ventrikel of 3 mv in het atrium. Dit percentage wordt de post-waargenomen drempelstart genoemd. Post-Paced Threshold Start. Na een gestimuleerde gebeurtenis, wanneer de Refractaire periode atriale stimulatie of Refractaire periode ventriculaire stimulatie periode verstreken is, wordt de waarnemingsdrempel automatisch aangepast aan de geprogrammeerde waarde van de drempelstart na stimulatie. Als de Ventricular Post-Paced Threshold Start (Ventriculaire post-gestimuleerde drempelstart) ingesteld is op Auto, past de pulsgenerator de drempelstart die gebruikt wordt voor een ventriculaire gestimuleerde puls automatisch aan om verhoogde gevoeligheid te bieden bij hoge stimulatiefrequenties. Instellingen: (Atrial Post-Sensed) (%) 50; 62,5; 75; 100 (Nominaal: 50) Instellingen: (Atrial Post-Paced) (mv) 0,2; 0,3; 3,0 (Nominaal: 0,8) Instellingen: (Ventricular Post-Sensed) (%) 50; 62,5; 75; 100 (Nominaal: 62,5) Instellingen: (Ventricular Post-Paced) (mv) Auto; 0,2; 0,3; 3,0 (Nominaal: Auto) NB Signalen met lage amplitude. Het veranderen van de instelling voor Threshold Start kan het vermogen om signalen met een lage amplitude waar te nemen beïnvloeden. De parameter AutoSense. De parameter A. AutoSense moet ingeschakeld zijn om de parameter A. Threshold Start te kunnen programmeren. Nominale waarden selecteren De toetsen Select A. Nominals en Select V. Nominals zetten de atriale en ventriculaire parameters Max Sensitivity, Decay Delay en Drempelstart terug op hun nominale waarden. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-15

AutoSense-functie De AutoSense-functie past de gevoeligheid van de pulsgenerator voor het hartsignaal automatisch aan zodat deze zowel in het atrium als in het rechterventrikel nauwkeuriger waarneemt, bij sterk uiteenlopende signaalsterktes. Wanneer de waarneming beheerst wordt door een aantal parameters die met elkaar samenwerken: Max Sensitivity, Decay Delay (Post-Paced en Post-Sensed), Drempelstart (Post-Paced en Post-Sensed), en Paced en Sensed Refractory Period (Post-Paced en Post-Sensed). In het voorbeeld in de figuur hieronder (Figuur 7-3) neemt de pulsgenerator het maximale signaal waar vanuit een R-golf bij 6 mv. Het waarnemingskanaal begint R-golven te meten op de instelling voor Post-Sensed Decay Delay (in dit voorbeeld: 50% van maximaal gemeten signaal of ongeveer 3 mv). Deze mate van versterking wordt behouden zolang de Decay Delay-instelling duurt (in dit voorbeeld: 0 ms) en daarna neemt de versterking lineair toe (de mv-instelling wordt verlaagd) tot de volgende waargenomen slag of totdat de Max Sensitivity-instelling (1 mv in dit voorbeeld) bereikt wordt. Wanneer een R-golf waargenomen wordt, begint de refractaire periode daarvan en de cyclus wordt opnieuw gestart wanneer de refractaire periode eindigt. De AutoSense-functie werkt op een vergelijkbare manier bij atriale post-waargenomen en post-gestimuleerde signalen en bij ventriculaire post-gestimuleerde signalen. De functie past automatisch diverse parameterinstellingen aan in de aanwezigheid van bijzonder sterke of zwakke signalen, zodat alle signaalsterkten afdoende gedetecteerd en geclassificeerd kunnen worden. R-golf wordt waargenomen Max. R-golfamplitude gemeten bij 6 mv Threshold Start ingesteld op 3 mv R-golf wordt waargenomen 3mV Max. R-golfamplitude gemeten bij 4 mv Threshold Start ingesteld op 50% van gemeten R-golf Max. Sensitivity Threshold 2mV Refractaire periode waarneming Refractaire periode waarneming Figuur 7-3. Automatische gevoeligheidscontrole in het rechterventrikel ELEKTRODEN Vanuit het venster Leads (Elektroden) kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Elektrodetype Pulse Configuration Sense Configuration Lead Monitoring. Kies de toets Lead Monitoring om de instellingen te veranderen van de Parameters Elektrodebewaking Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Leads Elektrodetype De parameter Lead Type (Elektrodetype) bepaalt het type elektrode dat geïmplanteerd wordt. Instellingen: (Atrial; RV; Ventricular) Bipolar (Niet programmeerbaar) Instellingen: (LV) Unipolar; Bipolar 7-16 Bradycardieparameters

Pulse Configuration De parameter Pulse Configuration (Pulsconfiguratie) bepaalt de polariteit van de stimulatiepuls. Instellingen: (Atrial; Ventricular; RV) Bipolar (Niet programmeerbaar) Instellingen: (LV) Bipolar; LV tip tot RV coil; LV ring tot RV coil Sense Configuration De parameter Sense Configuration (Waarnemingsconfiguratie) bepaalt hoe waarneming plaatsvindt. Instellingen: (Atrial) (Current DR en Promote pulsgenerators) Bipolar (Niet programmeerbaar) Instellingen: (Ventricular) (Current DR pulsgenerators; Current VR pulsgenerators) Bipolar (Niet programmeerbaar) Instellingen: (Ventricular) (Promote pulsgenerators) RV Bipolar (Niet programmeerbaar) PARAMETERS ELEKTRODEBEWAKING Vanuit het venster Lead Monitoring (Elektrodebewaking) kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Elektrodebewaking Ondergrens Bovengrens HVLI Monitoring Lower Limit HVLI Monitoring Upper Limit Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Leads > toets Lead Monitoring Elektrodebewaking De parameter Lead Monitoring maakt automatisch bewaken van elektrode-impedantiewaarden mogelijk en automatisch overschakelen van de instellingen voor Pulse Configuration en Sense Configuration indien een elektrodemeting hoger is dan het bereik dat is begrensd door de parameters Ondergrens en Bovengrens. De programmer geeft een alarm weer indien de parameter Lead Monitoring automatisch de elektrodeconfiguratie veranderd heeft en één van de Triggers voor patiëntmelding van de elektrode-impedantie afgeleverd is. Instellingen: Monitor (Niet programmeerbaar) Ondergrens De parameter Lower Limit (Ondergrens) bepaalt de ondergrens van het bereik van acceptabele metingen voor stimulatie-elektrode-impedantie. Instellingen: ( ) 100; 150; 500 (Nominaal: 200) Bovengrens De parameter Upper Limit (Bovengrens) bepaalt de bovengrens van het bereik van acceptabele metingen voor stimulatie-elektrode-impedantie. Instellingen: ( ) 750; 1000; 2500; 3000 (Nominaal: 2000) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-17

HVLI Monitoring Lower Limit De parameter HVLI Monitoring Lower Limit (Ondergrens van HVLI-bewaking) bepaalt de ondergrens van het bereik van acceptabele metingen voor de impedantie van de hoogspanningselektrode. Instellingen: ( ) 20; 25; 80 (Nominaal: 20) HVLI Monitoring Upper Limit De parameter HVLI Monitoring Upper Limit (Bovengrens van HVLI-bewaking) bepaalt de bovengrens van het bereik van acceptabele metingen voor de impedantie van de hoogspanningselektrode. Instellingen: ( ) 40; 50; 200 (Nominaal: 200) REFRACTAIRE WAARDEN & BLANKING Vanuit het venster Refractories & Blanking (Refractaire waarden & Blanking) kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: PVARP Post-Ventricular Atrial Blanking Frequentiegevoelige PVARP/V Ref Kortste PVARP/V Ref Refractaire periode atriale stimulatie Refractaire periode atriale waarneming Refractaire periode ventriculaire stimulatie Refractaire periode ventriculaire waarneming Instellingen van het SenseAbility waarnemingsalgoritme Extra instellingen, PVC & PMT Voor eenkamer-pulsgenerators, zie Frequenties & refractaire waarden. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Refractories & Blanking PVARP De parameter Post Ventricular Atrial Refractory Period (PVARP) stelt de hoeveelheid tijd in gedurende welke de pulsgenerator niet gevoelig is voor signalen uit het atriale waarnemingscircuit om onjuiste responsen op stimuli te vermijden. De parameter PVARP is bedoeld om te voorkomen dat niet-fysiologische of retrograde P-golven de atriale stimulus onderdrukken. De PVARP-periode begint na een intrinsieke R-golf, PVC of een ventriculaire stimulatiepuls in de DDI(R)- of DDD(R)-mode. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) 125; 150; 500 (Nominaal: 275 ms) Post-Ventricular Atrial Blanking De parameter Post-Ventricular Atrial Blanking (Post-ventriculaire atriale blanking) zorgt voor een atriale refractaire periode na ventriculaire gestimuleerde en waargenomen gebeurtenissen om te voorkomen dat het atriale kanaal R-golven vanuit een ver veld detecteert. Door atriale gebeurtenissen die binnen de periode van Post-Ventricular Atrial Blanking vallen, wordt het gefilterde atriale frequentie-interval niet bijgewerkt en zij worden ook niet gebruikt door het Frequentiebranch-algoritme voor tweekamer-svt-discriminatiemode (zie SVT-discriminatie in Sinus Tach). Gebeurtenissen die in deze periode vallen, worden niet meegeteld in de diagnostische gegevens voor AT/AF. 7-18 Bradycardieparameters

Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (Current DR pulsgenerators) (ms) 60; 70; 250 (Nominaal: 60) Instellingen: (Promote pulsgenerators) (ms) 60; 70; 250 (Nominaal: 70 NB SVT-discriminators en Auto Mode Switch. Wees voorzichtig met het gebruik van de parameter Post-Ventricular Atrial Blanking, want die kan negatieve effecten hebben op atriale waarneming, en indirect op SVT-discriminatie en overschakeling naar de automatische mode. SVT-discriminatiemode, Mode, Post-schok-mode. De parameter Post-Ventricular Atrial Blanking is alleen beschikbaar wanneer de SVT Discrimination mode ingesteld is op Dual Chamber of wanneer de parameter Mode of Post-Shock Mode ingesteld is op DDIR, DDD(R), of AAI(R). Frequentiegevoelige PVARP/V Ref De parameter Rate Response PVARP/V Ref (Frequentiegevoelige PVARP/VREF) verandert automatisch de instellingen voor Refractaire periode ventriculaire stimulatie en PVARP als reactie op toenamen of afnamen in de frequentie van de AF Suppression -algoritme-frequentie, de Sensor-geïndiceerde frequentie of de gefilterde atriale frequentie in de DDD(R)-mode. De instelling Low wijzigt de instellingen voor ventriculaire Post-Paced Refractory Period en PVARP met één ms voor elke wijziging van één min in de stimulatiefrequentie. De instelling High wijzigt de instellingen voor ventriculaire Post-Paced Refractory Period en PVARP met drie ms voor elke wijziging van één min in de stimulatiefrequentie. Naarmate dus de stimulatiefrequentie omhoog gaat, verkort de pulsgenerator de instellingen voor zowel ventriculaire Post-Paced Refractory Period als PVARP totdat de instelling Max. sensorfrequentie, Max Track Rate of Kortste PVARP/V Ref bereikt is. Het algoritme begint te werken wanneer de intrinsieke frequentie of stimulatiefrequentie hoger is dan 90 min. Wanneer de frequentie onder de 90 min daalt, wordt het algoritme opgeschort. De stimulatiefrequentie wordt bepaald door de hoogste van de volgende frequenties: Base Rate, Sensor-geïndiceerde frequentie, Basisfrequentie automatische mode-omschakeling of AF Suppression -algoritme-gestuurde frequentie. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: Off; Low; Medium; High (Nominaal: Low) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Refractories & Blanking (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) NB Rate Responsive Atrial Refractory Period en Mode. Wanneer de Mode-parameter ingesteld is op AAI(R) of AAT(R) wordt de parameter Rate Responsive PVARP/V Ref hernoemd tot Rate Responsive Atrial Refractory Period. Rate Responsive Ventricular Refractory Period en Mode. Wanneer de Mode-parameter ingesteld is op VVI(R), wordt de parameter Rate Responsive PVARP/V Ref hernoemd tot Rate Responsive Ventricular Refractory Period. Ventricular Noise Reversion. De parameter Rate Responsive PVARP/V Ref wordt uitgeschakeld tijdens ventriculaire ruisreversie. Zie Mode Ventriculaire ruisreversie. Ventriculaire episode. De parameter Rate Responsive PVARP/V Ref wordt uitgeschakeld tijdens een ventriculaire episode. Mode. De parameter Rate Responsive PVARP/V Ref is beschikbaar in de modes DDD(R), VDD(R), DDI(R), DVI(R), VVI(R) en AAI(R). Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-19

Kortste PVARP/V Ref De parameter Shortest PVARP/V Ref stelt het kortst toegestane interval voor de parameter Frequentiegevoelige PVARP/V Ref in. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: (ms) 125; 150; 475 (Nominaal: 225 ms) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Refractories & Blanking (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) NB Shortest Atrial Refractory Period en Mode. Wanneer de parameter Mode ingesteld is op AAI(R) of AAT(R), wordt de parameter Shortest PVARP/V Ref hernoemd tot Shortest Atrial Refractory Period. Shortest Ventricular Refractory Period en Mode. Wanneer de Mode-parameter ingesteld is op VVI(R), wordt de parameter Shortest PVARP/V Ref hernoemd tot Shortest Ventricular Refractory Period. Refractaire periode ventriculaire stimulatie. De instelling voor Shortest PVARP/V Ref moet korter zijn dan of gelijk zijn aan de instelling voor Ventricular Pace Refractory. Refractaire periode atriale stimulatie De parameter Atrial Pace Refractory (refractaire periode atriale stimulatie) is de hoeveelheid tijd gedurende welke de pulsgenerator niet gevoelig is voor signalen uit de waarnemingscircuits na een atriaal gestimuleerde gebeurtenis, om onjuiste responsen op stimuli te vermijden. Gebeurtenissen die optreden in de Atrial Pace Refractory-periode worden niet meegeteld in de Filtered Atrial Rate (FARI) of in het Rate Branch-gemiddelde. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: (ms) 190; 220; 470 (Nominaal: 190 ms) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Refractories & Blanking (Current DR en Promote pulsgenerators) NB Onregelmatigheden in de waarneming. Het verhogen van de Atrial of Ventricular Pace Refractory-periode vermindert de beschikbare waarnemingstijd tussen gestimuleerde gebeurtenissen. Refractaire periode atriale waarneming De parameter Atrial Sense Refractory (refractaire periode atriale waarneming) is de hoeveelheid tijd gedurende welke de pulsgenerator niet gevoelig is voor signalen uit de waarnemingscircuits na een atriaal waargenomen gebeurtenis, om onjuiste responsen op stimuli te vermijden. Gebeurtenissen die optreden in de Atrial Sense Refractory-periode worden niet meegeteld in de Filtered Atrial Rate (FARI) of in het Rate Branch-gemiddelde. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: (Tweekamermodes) (ms) 93; 125; 157 (Nominaal: 93) Instellingen: (AAI-mode) (ms) 93; 125; 157; 190;... 400; 440; 470 ms (Nominaal: 93) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Refractories & Blanking (Current DR en Promote pulsgenerators) 7-20 Bradycardieparameters

Refractaire periode ventriculaire stimulatie De parameter Ventricular Pace Refractory (Refractaire periode ventriculaire stimulatie) is een refractaire periode die optreedt na een gestimuleerde gebeurtenis. De refractaire periode ventriculaire stimulatie wordt in gang gezet door een ventriculair gestimuleerde gebeurtenis en eindigt wanneer de periode verstreken is of wordt gereset wanneer er een andere ventriculair gestimuleerde gebeurtenis optreedt. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: (ms) 125; 160; 190; 400; 440; 470 (Nominaal: 250) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Refractories & Blanking (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) NB Onregelmatigheden in de waarneming. Het verhogen van de Atrial of Ventricular Pace Refractory-periode vermindert de beschikbare waarnemingstijd tussen gestimuleerde gebeurtenissen. Refractaire periode ventriculaire waarneming De parameter Ventricular Pace Refractory (Refractaire periode ventriculaire waarneming) is een refractaire periode die optreedt na een waargenomen gebeurtenis. De refractaire periode ventriculaire stimulatie wordt in gang gezet door een ventriculair waargenomen gebeurtenis en eindigt wanneer de periode verstreken is of wordt gereset wanneer er een andere ventriculair waargenomen gebeurtenis optreedt Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: (ms) 125; 157 (Nominaal: 125) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Refractories & Blanking (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) EXTRA INSTELLINGEN, PVC & PMT Vanuit het venster Additional Settings, PVC & PMT kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Ventriculaire blanking Ventriculaire veiligheids-standby Aan het licht brengen van aritmie PVC Response PMT Response PMT-detectiefrequentie Voor eenkamer-pulsgenerators, zie Frequenties & refractaire waarden. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Refractories & Blanking > toets Additional Settings Ventriculaire blanking De parameter Ventricular Blanking (Ventriculaire blanking) bepaalt een absolute refractaire periode in het ventriculaire kanaal direct na een atriale outputpuls in tweekamer-modes. Deze absolute refractaire periode minimaliseert de kans dat het ventriculaire kanaal de atriale output waarneemt en vervolgens ten onrechte de ventriculaire output onderdrukt. Bij DDD(R)- en DDI(R)-stimulatie zet een atriale outputpuls ventriculaire blanking in werking, maar een P-golf die de atriale puls onderdrukt, doet dat niet. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-21

Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) 44; 52 (Niet-programmeerbaar) 3 Ventriculaire veiligheids-standby Het algoritme Ventricular Safety Standby (Ventriculaire veiligheids-standby) voorkomt dat de pulsgenerator ongewenst crosstalk waarneemt die de ventriculaire puls-output zou onderdrukken. Als er crosstalk wordt waargenomen, wordt er 120 ms na de atriale puls een ventriculaire puls afgegeven. Signalen die buiten het detectievenster worden waargenomen, onderdrukken de ventriculaire puls. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: On; Off (Nominaal: On) NB Interacties. Als de parameter Sensed AV Delay of de parameter Rate Responsive AV Delay is op korter dan 120 ms is geprogrammeerd, wordt de ventriculaire puls afgegeven met dat interval. Crosstalk treedt op als er atriale output-signalen worden waargenomen door het ventriculaire kanaal en leidt tot de onderdrukking van de ventriculaire puls. Crosstalk kan gewoonlijk klinisch worden geïdentificeerd door atriale stimulatie zonder output uit het ventriculaire kanaal. Crosstalk treedt doorgaans op bij: hoge instellingen voor atriale pulsamplitude of pulsbreedte lage instellingen voor ventriculaire gevoeligheid (grotere gevoeligheid) snelle stimulatiefrequentie Om crosstalk te minimaliseren verlaagt u de atriale Pulsamplitude- of Pulsbreedte-instelling en/of verlaagt u de instelling voor Ventricular Pacemaker Max Sensitivity (dat wil zeggen, verlaagt u de gevoeligheid van de pulsgenerator). Zelfs als er geen crosstalk wordt waargenomen, kan de parameter Ventricular Safety Standby de ongewenste onderdrukking van ventriculaire output voorkomen. Aan het licht brengen van aritmie De parameter Arrhythmia Unhiding (Aan het licht brengen van aritmie) maakt een aanpassende relatieve refractaire periode mogelijk om te zoeken naar aritmieën die aan het oog onttrokken worden door stimulatie. Dit kan gebeuren wanneer snelle atriale frequenties getrackt worden of wanneer sensorgestuurde stimulatiefrequenties waarschuwingsperiodes verkorten. Zoals te zien is in de figuur hieronder (Figuur 7-4), verlengt Arrhythmia Unhiding de waarschuwingsperiode (door middel van een aanpassende relatieve refractaire periode of ARRP) om aritmieën die verborgen worden door stimulatie aan het licht te brengen. Een ARRP wordt ingeschakeld als de ventriculaire stimulatiecycluslengte korter is dan twee keer het langste tachycardie Detectie-interval/frequentie of twee keer de Refractaire periode atriale stimulatie, welke van de twee de kortste is. 3. Wanneer de instellingen voor pulsamplitude en pulsbreedte of resultaten van Capture-test hoog zijn, kiest de pulsgenerator automatisch de langere instelling voor V. Blanking. 7-22 Bradycardieparameters

stimulatie-interval/2-30ms defib-gevoeligheid ARRP stimulatiepuls refractaire periode stimulatie huidig stimulatie-interval Figuur 7-4. Aan het licht brengen van aritmie (Arrhythmia Unhiding) Als er een waargenomen gebeurtenis plaatsvindt tijdens de ARRP en de volgende gebeurtenis wordt gestimuleerd, dan wordt de ARRP opnieuw ingeschakeld. Als er geen waargenomen gebeurtenis plaatsvindt tijdens de ARRP of de volgende gebeurtenis is niet gestimuleerd, dan keert de refractaire periode van de stimulatie terug naar normaal. Als het aantal intervallen dat gespecificeerd is door Arrhythmia Unhiding eenmaal achter elkaar heeft plaatsgevonden met een waargenomen gebeurtenis tijdens de ARRP, dan wordt de cycluslengte van de stimulatie verlengd met zes cycli, in een poging de aritmie aan het licht te brengen. Als er geen aritmie aan het licht wordt gebracht tijdens het verlengde stimulatie-interval, wordt de ARRP niet nogmaals ingeschakeld gedurende 10 cycli, om onnodige verlenging van het stimulatie-interval te voorkomen. Instellingen: (intervals) Off; 2; 3; 15 (Nominaal: 3) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Refractories & Blanking (Current DR en Promote pulsgenerators) of toets Rates & Refractories (Current VR pulsgenerators) NB Zone Configuration en Mode. Arrhythmia Unhiding is alleen beschikbaar als Zone Configuration niet op Off is ingesteld en de Mode VVIR, DDIR of DDD(R) is. PVC Response De parameter PVC Response detecteert en reageert op premature ventriculaire contracties (PVC s) wanneer de pulsgenerator in de DDD(R)-mode is. Het PVC Response-algoritme detecteert een PVC wanneer: (1) een R-golf niet voorafgegaan wordt door een atriale gebeurtenis; of (2) een P-golf wordt gedetecteerd in het relatieve refractaire gedeelte van de PVARP-periode maar niet wordt gevolgd door een R-golf binnen 280 ms na de atriale gebeurtenis. De instelling Atrial Pace is een respons op een PVC-bevestiging. De respons bestaat uit een constante verlenging van de PVARP-instelling tot 475 ms, gevolgd door een atriale waarschuwingsperiode van 330 ms tot er een P-golf wordt gevolgd buiten de verlengde PVARP-periode. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: Off; Atrial Pace (Nominaal: Off) NB Diagnostische gegevens. Het venster Frequenties vermeldt het totale aantal PVC s dat gedetecteerd is door de pulsgenerator. Atriale diagnostische gegevens. Een Atrial Pace-respons kan leiden tot het verschijnen van snelle atriale frequenties in atriale diagnostische gegevens zoals het Histogram atriale hartfrequentie. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-23

PMT Response De parameter PMT Response heeft drie instellingen: Off. Er zijn geen PMT s gedetecteerd. Passive. PMT s zijn gedetecteerd zoals hieronder beschreven en zij zijn geteld in de diagnostische gegevens, maar de pulsgenerator reageert niet om de PMT te stoppen. Atrial Pace. PMT s zijn gedetecteerd zoals hieronder beschreven en de Atrial Pace respons wordt gestart om de PMT te beëindigen. Wanneer u de parameter PMT Response instelt op Passive of Atrial Pace, kunt u de toets PMT Response in het venster Refractaire waarden & Blanking kiezen om het PMT-venster te openen om de parameter PMT-detectiefrequentie in te stellen. Detectie. Als de pulsgenerator acht opeenvolgende VP-AS (ventriculair gestimuleerde - atriaal waargenomen) intervallen boven de PMT-detectiefrequentie-instelling detecteert die ongeveer gelijk zijn in tijdsduur (met andere woorden een snelle en stabiele stimulatiefrequentie), dan doet het apparaat het volgende: Het verkort het Sensed AV Delay-interval met 31 ms (als het AS-VP interval 100 ms is) Het verlengt het waargenomen AV-delay-interval met 31 ms (als het AS-VP interval <100 ms is) Als het volgende VP-AS interval binnen 16 ms na de voorgaande acht intervallen valt, concludeert het apparaat dat PMT aanwezig is en het begint de respons. Als het interval niet stabiel is, wordt het detectie-algoritme herhaald na 256 cycli. Respons. Het apparaat onderdrukt de ventriculaire output en levert een atriale puls 330 ms nadat er een retrograde P-golf is gedetecteerd, gevolgd door normale werking 4. NB Auto Mode Switch. Het PMT-algoritme wordt opgeschort tijdens een Auto Mode Switch. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: Off; Passive; Atrial Pace (Nominaal: Passive) PMT-detectiefrequentie De parameter PMT Detection Rate (PMT-detectiefrequentie) bepaalt op welke frequentie de pulsgenerator alert wordt op de aanwezigheid van pacemakergeïnduceerde tachycardie (PMT) wanneer de parameter PMT Response is ingeschakeld. De instellingen beginnen op 90 min (of hoger als de parameter Base Rate is geprogrammeerd boven de 90 min ) en zij overschrijden de parameter Max Track Rate niet. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (min ) 90; 95; 180 (Nominaal: 90) NB Basisfrequentie. De PMT Detection Rate-instelling kan niet langzamer zijn dan de Base Rate-instelling, en wordt automatisch geselecteerd op een instelling van 10 min sneller dan de Base Rate-instelling als u probeert om de parameter Base Rate op een gelijke of langzamere waarde te programmeren dan de PMT Detection Rate-instelling. Max Track Rate (MTR). De PMT Detection Rate-instelling kan niet langzamer zijn dan de MTR-parameter, en wordt automatisch geselecteerd op gelijk aan de MTR-instelling als u probeert om de MTR-instelling sneller in te stellen dan de PMT Detection Rate-instelling. 4. De atriale puls wordt mogelijk onderdrukt als er een P-golf wordt gedetecteerd tijdens een waarschuwingsperiode. 7-24 Bradycardieparameters

AT/AF DETECTION & RESPONSE Vanuit het venster AT/AF Detection & Response kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Auto Mode Switch Atriale tachycardiedetectiefrequentie Basisfrequentie automatische mode-omschakeling AF Suppression -algoritme Stimulatie Overdrive-stimulatiecycli Maximum AF Suppression Rate Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets AT/AF Detection & Response NB Mode. De toets AT/AF Detection & Response is niet beschikbaar wanneer de frequentie-mode ingesteld is op AAI(R), AOO(R), VOO(R) of DOO(R). Auto Mode Switch De parameter Auto Mode Switch (Automatische mode-omschakeling, AMS) voorkomt dat timing-modes op atriale basis atriale tachycardieën volgen en pacemaker-geïnduceerde tachycardie (PMT) veroorzaken. Het Auto Mode Switch-algoritme schakelt de mode van DDD(R) naar een ventriculaire-timing mode (DDI, DDIR, VVI of VVIR) wanneer de atriale frequentie de Atriale tachycardiedetectiefrequentie (ATDR)-instelling overschrijdt. Bij mode-omschakeling stimuleert de pulsgenerator in het ventrikel op de Basisfrequentie automatische mode-omschakeling-instelling. In plaats van de feitelijke atriale frequentie te gebruiken, die niet altijd onderscheid kan maken tussen aanhoudende tachycardie en intermitterende snelle cycli, gebruikt AMS het Filtered Atrial Rate Interval (Gefilterd atriaal frequentie-interval, FARI), dat gebaseerd is op een vergelijking van de huidige atriale frequentie met een constant bijgewerkte gemiddelde frequentie. Wanneer de tachyaritmie afneemt en het FARI daalt tot onder de instelling voor de AF Suppression -algoritme stimulatiegestuurde frequentie, de instelling voor Max Track Rate of de Sensor-geïndiceerde frequentie (de snelste waarde is van toepassing), schakelt de pulsgenerator terug naar de DDD(R)- of VDD(R)-mode. Diagnostische gegevens over mode-omschakeling kunt u vinden in de diagnostische gegevens over Mode-overschakeling. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: Off; DDI; DDIR; VVI; VVIR 5 (Nominaal: DDIR) NB Rustfrequentie. Terwijl de pulsgenerator werkt op de instelling AMS Base Rate en de parameter Rest Rate is ingeschakeld, dan wordt de Base Rate-instelling gebruikt als de Rest Rate-instelling. Atriale tachycardiedetectiefrequentie De parameter Atrial Tachycardia Detection Rate (Atriale tachycardiedetectiefrequentie, ATDR) stelt de atriale frequentie in waarop de pulsgenerator een mode-omschakeling uitvoert wanneer de parameter Auto Mode Switch is ingeschakeld. Een mode-omschakeling komt voor wanneer het gefilterde atriale frequentie-interval 5. VVIR is alleen beschikbaar als de parameter Mode is ingesteld op DDD(R). Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-25

(FARI) de geprogrammeerde ATDR-instelling overschrijdt. De pulsgenerator schakelt terug naar DDD(R)-stimulatie wanneer het FARI daalt tot onder de AF Suppression -algoritmestimulatie-gestuurde frequentie, de instelling voor Max Track Rate of de Sensor-geïndiceerde frequentie. De parameter ATDR is altijd beschikbaar, omdat deze tevens wordt gebruikt om gebeurtenissen in atriale tachycardie te classificeren en EGM-opslag te triggeren. Atriale gebeurtenissen met frequenties groter dan de ATDR-instelling worden geregistreerd in de diagnostische gegevens van AT/AF en Frequenties. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (min ) 110; 120; 200; 225; 300 (Nominaal: 180) NB PVARP. Tijdens een mode-omschakeling wordt de parameter PVARP ingesteld op 82 ms. Wanneer de atriale frequentie daalt tot onder de AF Suppressionstimulatiegestuurde frequentie, de Max Track Rate-instelling of de Sensor-geïndiceerde frequentie, keert de pulsgenerator terug naar de geprogrammeerde PVARP-instelling. Basisfrequentie automatische mode-omschakeling De parameter AMS Base Rate (Basisfrequentie automatische mode-omschakeling) stelt de ventriculaire stimulatiefrequentie in wanneer de pulsgenerator is overgeschakeld van de DDD(R)-mode naar de geprogrammeerde Auto Mode Switch-stimulatiemode. Wanneer de pulsgenerator terugkeert naar DDD(R)-mode, hervat deze stimulatie op de geprogrammeerde Base Rate-instelling. De parameter AMS Base Rate is alleen beschikbaar wanneer de parameter Auto Mode Switch is ingeschakeld. Tenzij de parameter Mode Switch Base Rate ingesteld is op een specifieke instelling, wordt deze automatisch geselecteerd op gelijk aan de permanent geprogrammeerde Base Rate-instelling. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (min ) 40; 45; 135 (Nominaal: 80) AF Suppression -algoritme Met het AF Suppression -algoritme kan de pulsgenerator het atrium stimuleren met frequenties die sneller zijn dan de intrinsieke atriale frequentie teneinde paroxysmale of aanhoudende atriale fibrillatie (AF) te overstimuleren en onderdrukken. Het AF Suppression-algoritme is beschikbaar in AAI(R)- en DDD(R)-modes. Wanneer het algoritme twee P-golven detecteert binnen een venster van 16 cycli, verhoogt de pulsgenerator de stimulatiefrequentie om de intrinsieke geleiding te overstimuleren. Na stimulatie op de AF Suppression -algoritme-stimulatiegestuurde frequentie gedurende het aantal cycli dat is ingesteld door de parameter Overdrive-stimulatiecycli verlaagt de pulsgenerator de frequentie tot deze nog twee P-golven waarneemt. Als er twee P-golven worden waargenomen, hervat de pulsgenerator overdrive-stimulatie. Als er niet twee P-golven worden waargenomen, wordt de werking hervat op de Base Rate-instelling, de Rustfrequentie-instelling of de Sensor-geïndiceerde frequentie. Diagnostische gegevens over het AF Suppression-algoritme kunt u vinden in de diagnostische gegevens over Frequenties. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: On; Off (Nominaal: Off) 7-26 Bradycardieparameters

NB Auto Mode Switch. Als er een mode-omschakeling plaatsvindt, wordt het AF Suppression-algoritme uitgeschakeld en wordt de frequentie ingesteld op de Base Rate, Basisfrequentie automatische mode-omschakeling of de sensorgeïndiceerde frequentie. Hysteresisfrequentie. Wanneer het algoritme AF Suppression ingeschakeld is, wordt de parameter Hysteresis Rate automatisch geselecteerd op Off en de stimulatiefrequentie neemt ogenblikkelijk toe tot de Sensor-geïndiceerde frequentie wanneer de Sensor-geïndiceerde frequentie groter is dan de huidige AF Suppression stimulatiegestuurde frequentie. Maximum AF Suppression Rate. De maximale AF Suppression stimulatiegestuurde frequentie kan niet hoger worden dan de instelling voor Max AF Suppression Rate. Frequentiegevoelige stimulatie. De gestimuleerde frequentie neemt toe tot de sensor-geïndiceerde frequentie wanneer deze groter is dan de huidige AF Suppression stimulatiegestuurde frequentie. Rate Responsive AV Delay en Frequentiegevoelige PVARP/V Ref. Wanneer het AF Suppression-algoritme ingeschakeld is, worden de parameters Rate Responsive AV Delay en Rate Responsive PVARP/V Ref automatisch geselecteerd op Medium. Ventriculaire episode. Het AF Suppression-algoritme wordt uitgeschakeld tijdens een ventriculaire episode. Overdrive-stimulatiecycli De parameter Overdrive Pacing Cycles (Overdrive-stimulatiecycli) is het aantal cycli dat de parameter de stimulatiefrequentie overstimuleert voordat het AF Suppression -algoritme de frequentie begint te verlagen tot de Base Rate-instelling, de Rustfrequentie-instelling of de Sensor-geïndiceerde frequentie. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (cycles) 15; 20; 40 (Nominaal: 15) Maximum AF Suppression Rate De parameter Maximum AF Suppression Rate bepaalt de hoogste frequentie waarop de pulsgenerator het atrium kan stimuleren in respons op het AF Suppression-algoritme. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (min ) 80; 85; 150 (Nominaal: 110) NB Base Rate. De Base Rate-instelling kan niet hoger zijn dan de Maximum AF Suppression Rate-instelling. FREQUENTIES & REFRACTAIRE WAARDEN Vanuit het venster Rates & Refractories (Frequenties & refractaire waarden) kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Base Rate Rustfrequentie Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 7-27

Max. sensorfrequentie Aan het licht brengen van aritmie Refractaire periode ventriculaire stimulatie Refractaire periode ventriculaire waarneming Frequentiegevoelige PVARP/V Ref Kortste PVARP/V Ref Instellingen van het SenseAbility waarnemingsalgoritme Hysteresisfrequentie Zoekinterval Cyclustelling Toegang vanaf: toets Parameters > tab Brady > toets Rates & Refractories 7-28 Bradycardieparameters

8. TACHYCARDIEPARAMETERS Inhoud: Venster Zone Configuration DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm) Herdetectie- & post-detectiecriteria Post-schok-stimulatie Condensatoronderhoud TACHYCARDIEPARAMETERS Het venster Tachy Parameters bevat een samenvatting van informatie over de huidige instellingen voor aritmiedetectie van de pulsgenerator. Selecteer een van deze toetsen om vensters te openen om deze instellingen te veranderen: Venster Zone Configuration DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm) Herdetectie- & post-detectiecriteria Post-schok-stimulatie Condensatoronderhoud Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy VENSTER ZONE CONFIGURATION Het venster Zone Configuration (Zoneconfiguratie) toont huidige tachyaritmiebehandelingsinstellingen van de pulsgenerator voor het aantal tachycardiezones geselecteerd voor behandeling, de tachycardiedetectiecriteria, de SVT-discriminatie-optie en details en de behandeling die afgegeven dient te worden aan elke zone. Selecteer de parametertoetsen om de instellingen te veranderen. Voor verdere informatie selecteert u een van de volgende links: Zone Configuration Detectiecriteria SVT-discriminatie Gegevens SVT-discriminatie Zonebehandeling Zie ook: Zonebeschrijvingen Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration Zone Configuration De parameter Zone Configuration bepaalt het aantal frequentiezones dat de pulsgenerator herkent voor detectie, diagnose en afgifte van behandeling. Zie Tachycardie-behandeling inschakelen/uitschakelen. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-1

Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: Off; 1 Zone; 2 Zones; 3 Zones DETECTIECRITERIA U kunt de volgende parameters voor Detection Criteria (Detectiecriteria) apart programmeren voor elke frequentiezone: Detectie-interval/frequentie Aantal intervallen Zie ook: Beschrijving van tachyaritmiedetectie Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration Detectie-interval/frequentie De parameter Detection Interval/Rate (Detectie-interval/frequentie) is het interval/de frequentie die overschreden moeten worden binnen iedere frequentiezone om als detectie van een tachyaritmie geteld te worden. Detection Interval/frequentie is onafhankelijk programmeerbaar in elke frequentiezone. Zie Beschrijving van tachyaritmiedetectie. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: (ms) (VT; VT-1) 300; 305; 310; 590 1 (Nominaal: 430) Instellingen: (ms) (VT-2) 280; 285; 550 1 (Nominaal: 375) Instellingen: (ms) (VF in 1 Zone Zone Configuration) 200; 210; 430 (Nominaal: 360) Instellingen: (ms) (VF in 2 Zones of 3 Zones Zone Configuration) 200; 210; 430 (Nominaal: 330) NB Zone Configuration. De instelling van Detection Interval/Rate in elke frequentiezone keert terug naar de nominale instelling wanneer de instelling voor Zone Configuration verandert. Detectie-interval. Elk detectie-interval moet ten minste 30 ms langer zijn dan het volgende snelste detectie-interval. Aantal intervallen De parameter No. Intervals (Aantal intervallen) stelt het aantal geregistreerde intervallen binnen iedere frequentiezone in dat korter moet zijn dan de Detectie-interval/frequentie voor detectie van een tachyaritmie. Het aantal geregistreerde intervallen dat nodig is voor detectie wordt apart geprogrammeerd in elke frequentiezone. Zie Beschrijving van tachyaritmiedetectie. Instellingen: 8; 9; 25; 30; 100 (Nominaal: 12) 1. Dit detectie-interval moet tenminste 30 ms langer zijn dan het volgende snelste detectie-interval. 8-2 Tachycardieparameters

NB Tijd voor detectie. Door een lagere instelling voor No. Intervals te programmeren kan de tijd voor detectie van een tachyaritmie verkort worden. Door een hogere instelling voor No. Intervals te programmeren kan de tijd voor detectie van een tachyaritmie verlengd worden. Zie Beschrijving van tachyaritmiedetectie. SVT-DISCRIMINATIE De parameters voor SVT Discrimination bepalen de bovengrens waarop de pulsgenerator een tachyaritmie niet classificeert of geen behandeling afgeeft, tenzij de SVT-discriminators het ritme als VT classificeren volgens de Diagnose. De instelling voor SVT Discrimination is een frequentie-overlappingszone die de VT- (of VT-1)-zone omspant of zowel de VT-1- als de VT-2-zone. Om de VT-, VT-1- of VT-2-SVT-discriminatie in of uit te schakelen, selecteert u de On/Off-toets voor SVT-discriminatie in het Venster Zone Configuration. In de configuratie 3 Zones geldt dat wanneer SVT-discriminatie wordt uitgeschakeld in de VT-1-zone, deze ook wordt uitgeschakeld in de VT-2-zone. U kunt ook een specifieke frequentielimiet voor de SVT-discriminatiezone programmeren met de parameter SVT-bovengrens. Wanneer de parameter SVT Upper Limit (SVT-bovengrens) wordt gebruikt om de SVT-discriminatiezone te definiëren, wordt de geprogrammeerde instelling weergegeven in de toets SVT Discrimination Zone in de bijbehorende frequentiezone. Zie Gegevens SVT-discriminatie en Instellingen: On; Off (VT, VT-1 Nominaal: On; VT-2 Nominaal: Off) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration NB Diagnose. De SVT-discriminators hebben alleen betrekking op de aanvankelijke diagnose van een episode. Zij hebben geen invloed op herdetectie na een mislukte eerste behandeling. Rate Crossover (Frequentiekruising) is een toestand waarin de maximale frequentie van een supraventriculair ritme de langzaamste detectiefrequentie voor ventriculaire tachyaritmie kan overschrijden. Bij patiënten bij wie geen frequentiekruising wordt verwacht, moeten de SVT-discriminators uitgeschakeld worden zodat ze de diagnose en afgifte van behandeling niet beïnvloeden. GEGEVENS SVT-DISCRIMINATIE Het venster SVT Discrimination Details is beschikbaar wanneer de parameter Zone Configuration ingesteld is op 2 Zone of 3 Zone. (Wanneer de parameter Zone Configuration ingesteld is op Off of 1 Zone, dan is de parameter Morfologiescoring beschikbaar als middel om SVT te helpen diagnosticeren). Vanuit dit venster kunt u het volgende programmeren: SVT-discriminatiemode SVT-discriminatie-time-out Behandeling na time-out SVT-bovengrens SVT-discriminators, die o.a. zijn: Frequentiebranch Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-3

Aanvullende discriminators: - Morfologie - Intervalstabiliteit - Plotselinge start Diagnose Zie ook: Legenda frequentiezones Beschrijving van SVT-discriminatie-time-out Beschrijving van SVT-discriminatie Richtlijnen voor het programmeren van SVT-discriminatiecriteria Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets SVT Discrimination Details SVT-discriminatiemode De SVT-discriminatiemode bepaalt de waarnemingsmethode die gebruikt wordt om onderscheid te maken tussen ventriculaire tachycardieën (VT) en supraventriculaire tachycardieën (SVT) binnen de SVT-discriminatie. Alleen ritmes met lopende intervalgemiddelden die binnen de SVT-discriminatiezone vallen worden geëvalueerd door de SVT-discriminators. Gebruik de instelling Ventricular Only wanneer er geen atriale elektrode aanwezig is of wanneer atriale waarneming niet beschikbaar is. Instellingen: (Current DR pulsgenerators; Promote pulsgenerators) Dual Chamber; Ventricular Only (Nominaal: Dual Chamber) Instellingen: (Current VR pulsgenerators) Ventricular Only (Nominaal: Niet-programmeerbaar) NB Diagnose. De tweekamer SVT-discriminatiemode gebruikt zowel atriale als rechts-ventriculaire informatie van de SVT-discriminators bij het stellen van een diagnose, terwijl de alleen-ventriculaire SVT-discriminatiemode daarentegen alleen rechts-ventriculaire informatie gebruikt. Ritmeclassificatie. Wanneer de mode SVT Discrimination ingesteld is op Dual Chamber en SVT discriminators ingeschakeld zijn, is het waarschijnlijker dat de pulsgenerator een ritme als VT classificeert. Wanneer de SVT-discriminatiemode is ingesteld op Ventricular Only en SVT-discriminators ingeschakeld zijn, is het minder waarschijnlijk dat de pulsgenerator een ritme classificeert als VT. Frequentiebranch. Wanneer de SVT-discriminatiemode is ingesteld op Ventricular Only, is de frequentiebranch- (Rate Branch)-discriminator uitgeschakeld. De diagnostische gegevens worden wel gerapporteerd en zijn toegankelijk via verschillende diagnostische schermen. Zie Diagnostische gegevens. SVT-discriminatie-time-out De parameter SVT Discrimination Timeout is de hoeveelheid tijd om een ritme als SVT te diagnosticeren voordat behandeling afgegeven wordt. SVT Discrimination Timeout is alleen beschikbaar als ten minste één van de SVT-discriminators ingeschakeld is of de SVT-discriminatiemode ingesteld is op Dual Chamber. Als bescherming tegen afgifte van door SVT Discrimination Timeout-gestuurde behandeling in een bigeminaal ritme moet de pulsgenerator meer tachyaritmie-intervallen dan sinusintervallen detecteren voordat behandeling wordt gegeven. Zie Behandeling na time-out en Beschrijving van SVT-discriminatie-time-out. 8-4 Tachycardieparameters

Instellingen: Off; 20; 30; 40; 50 sec.; 1; 2; 10; 15; 60 min (Nominaal: 30 s) Behandeling na time-out De parameter Therapy After Timeout (Behandeling na time-out) bepaalt de eerste behandeling die wordt afgegeven nadat de SVT-discriminatie-time-out-timer is afgelopen. De parameter Therapy After Timeout is alleen beschikbaar als de parameter SVT Discrimination Timeout beschikbaar en ingeschakeld is. Zie Beschrijving van SVT-discriminatie-time-out. Instellingen: VT Therapy; VF Therapy (Nominaal: VT Therapy) SVT-bovengrens De parameter SVT Upper Limit (SVT-bovengrens) bepaalt het specifieke detectie-interval/frequentie tot welke de SVT-discriminatie loopt. De SVT-discriminatiezone loopt van de VT- of VT-1-detectiefrequentie tot (maar niet tot en met) de SVT-bovengrens. Als de SVT-discriminators op On geprogrammeerd zijn, zal de pulsgenerator niet aangeven dat een ritme VT, VT-1 of VT-2 is en de pulsgenerator zal ook geen behandeling afgeven voor een ritme dat in deze SVT-discriminatiezone valt, tenzij die discriminators aangeven dat het ritme VT is volgens de geprogrammeerde Diagnose. Als de SVT Upper Limit geprogrammeerd is op Off, wordt een aritmiediagnose niet beïnvloed door de SVT-discriminators. U kunt de VT-, VT-1- of VT-2-SVT-discriminatiezone ook in- of uitschakelen met de toetsen On/Off voor SVT-discriminatie op het Venster Zone Configuration. Instellingen: (ms) Off; 250; 255; 585; Zelfde als VT-2; Zelfde als VF (Nominaal: 2 Zones: VF-detectie-interval/frequentie; 3 Zones: VT-2-detectie-interval/frequentie) NB Zone Configuration. De SVT-bovengrens is alleen beschikbaar in de configuraties 2 Zones en 3 Zones. Frequentiekruising is een conditie waarbij de maximale frequentie van een supraventriculair ritme de langzaamste ventriculaire aritmie kan overschrijden. Bij patiënten waarbij geen frequentiekruising wordt verwacht, moeten de SVT-discriminators uitgeschakeld worden zodat ze de diagnose en afgifte van behandeling niet beïnvloeden. SVT-DISCRIMINATORS De SVT Discriminators zijn een serie programmeerbare hulpmiddelen die het huidige ritme kunnen analyseren om VT/VF te onderscheiden van sinus- of atriale tachycardieën. Om deze hulpmiddelen te gebruiken, moet de parameter Zone Configuration ingesteld zijn op 2 Zone of 3 Zone. Ritmes die onderworpen worden aan analyse worden aanvankelijk geclassificeerd door de parameter Frequentiebranch, die het ritme naar een van drie verschillende branches stuurt voor verdere analyse, waarbij een uiteindelijke diagnose gemaakt wordt volgens de criteria van de parameter Diagnose 2. Wanneer de parameter SVT-discriminatiemode ingesteld is op Ventricular Only en de parameter Zone Configuration ingesteld is op 2 Zone of 3 Zone, is de Rate Branch discriminator niet beschikbaar, en de discriminatie begint wanneer een ritme geanalyseerd wordt door de Aanvullende discriminators. U kunt een discriminator ook uitschakelen om een analyse over te slaan. Wanneer de parameter Zone Configuration ingesteld is op Off of 1 Zone, dan zijn SVT-discriminators niet beschikbaar, maar de parameter Morfologiescoring kan gebruikt worden om SVT met terugwerkende kracht te diagnosticeren. 2. Als de Rate Branch-analyse vaststelt dat het ritme VT of VF is, wordt geen aanvullende analyse gemaakt; de pulsgenerator begint onmiddellijk met behandelen. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-5

Selecteer een willekeurige toets om de parameterinstelling te kiezen of om een venster te openen om aanvullende discriminatie-instellingen te programmeren. De SVT-discriminators zijn o.a.: Frequentiebranch (alleen tweekamer-svt-discriminatie) Diagnose Aanvullende discriminators - Morfologie - Intervalstabiliteit - Plotselinge start Zie ook: Beschrijving van SVT-discriminatie SVT-discriminatie Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets SVT Discrimination Details NB Ritmeclassificatie. Wanneer de parameter SVT-discriminatiemode ingesteld is op Dual Chamber en SVT discriminators zijn ingeschakeld, is het waarschijnlijker dat de pulsgenerator een ritme als VT classificeert. Wanneer de parameter SVT Discrimination Mode ingesteld is op Ventricular Only en SVT discriminators zijn ingeschakeld, is het minder waarschijnlijk dat de pulsgenerator een ritme classificeert als VT. SVT Discriminators. Ten minste één van de SVT-discriminators moet in elke frequentiebranch op On zijn geprogrammeerd. SVT Discriminators die ingesteld zijn op Passive hebben geen invloed op tachycardiediagnosecriteria. Frequentiebranch De discriminator Rate Branch SVT (Frequentiebranch SVT) vergelijkt het huidige ventriculaire ritme met de atriale frequentie. Deze parameter is alleen beschikbaar wanneer de parameter SVT-discriminatiemode ingesteld is op Dual Chamber. Deze discriminator classificeert het ritme dan in een van drie branches, met gebruikmaking van eventuele discriminators die op On of Passive staan: V<A -> Atriale fibrillatie of Atriale flutter ((AF/AFL). Het EGM-complex van het ritme kan vervolgens gecontroleerd worden tegen het huidige morfologietemplate (Morfologie-template) en de Intervalstabiliteit-criteria en gediagnosticeerd worden volgens de criteria ingesteld door de parameter Diagnose. V=A -> Sinustachycardie (Sinus Tach). Selecteer deze toets om het venster Besturing van de Sinus Tach-frequentiebranch te openen. Als de parameter SVT-discriminatie in Sinus Tach op On staat, wordt de stabiliteit van het ritme geanalyseerd door het op één na langste AV-interval te vergelijken met het op één na kortste (zie de parameter AV-intervaldelta). Het complex kan met het template vergeleken worden op overeenkomsten in morfologie. Vervolgens kan het getest worden om te bepalen of het begin (de onset) plotseling was (sudden) of geleidelijk (zie Plotselinge start). Tenslotte wordt het ritme gediagnosticeerd volgens de criteria ingesteld door de parameter Diagnose. V>A -> V Tach of V Fib (VT/VF). Als de ventriculaire frequentie groter is dan de atriale frequentie, is er verder geen discriminatie nodig en begint de pulsgenerator behandeling af te geven. De AF/AFL en VT/VF frequentiebranches staan altijd op On. De Sinus Tach- frequentiebranch wordt ingeschakeld door de parameter SVT-discriminatie in Sinus Tach. Zie Gedetailleerde beschrijving van frequentiebranch. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators 8-6 Tachycardieparameters

Diagnose De parameter Diagnose bepaalt het aantal SVT-discriminators die een ritme als VT moeten classificeren voordat de pulsgenerator VT diagnosticeert. De instellingen zijn o.a.: If Any (Indien één). Slechts één discriminator hoeft het ritme als VT te classificeren voordat VT gediagnosticeerd wordt. If All (Indien alle). Alle discriminators moeten het ritme als VT classificeren voordat VT gediagnosticeerd wordt. If 2 of 3 (Indien 2 van de 3). Deze instelling is beschikbaar wanneer de parameter SVT-discriminatiemode ingesteld is op Ventricular Only en drie van de SVT-discriminators ingesteld zijn op On of Passive. Instellingen: If Any; If All; If 2 of 3 (Nominaal: If Any) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets SVT Discrimination Details BESTURING VAN DE SINUS TACH-FREQUENTIEBRANCH U kunt de volgende parameters programmeren vanuit het venster Sinus Tach Rate Branch Control (Besturing van de Sinus Tach-frequentiebranch): SVT-discriminatie in Sinus Tach AV-intervaldelta Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets SVT Discrimination Details > toets Sinus Tach SVT-discriminatie in Sinus Tach De parameter SVT Discrimination in Sinus Tach schakelt de V=A -> Sinus Tach Frequentiebranch in. Als deze parameter op Off staat en het ventriculaire ritme is gelijk aan het atriale ritme (V=A), wordt de gebeurtenis geclassificeerd als VT/VF en de pulsgenerator begint met de behandeling. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: On; Off (Nominaal: On) AV-intervaldelta De parameter AV Interval Delta stelt het maximale verschil in tussen het op één na langste en het op één na kortste AV-interval in de complexen die gevonden zijn tijdens detectie. Als het ritme V=A is, maar het verschil tussen de AV-intervallen is groter dan de instelling voor de parameter AV Interval Delta, dan wordt het ritme onmiddellijk gediagnosticeerd als ventriculaire tachycardie en worden morfologie en Sudden Onset niet geëvalueerd. Als het verschil kleiner is dan de instelling van AV Interval Delta, kan het ritme verder geanalyseerd worden voor diagnose van SVT. Hoe groter het verschil tussen het lange en het korte AV-interval, des te waarschijnlijker is het dat het ritme gedissocieerd is, dat wil zeggen, niet geassocieerd met een stabiel AV-interval, een kenmerk van VT of VF. Als de AV-intervallen slechts weinig van elkaar verschillen, is het waarschijnlijker dat het ritme een stabiele AV-associatie heeft, vaak kenmerkend voor Sinus Tach of SVT. Zie Gedetailleerde beschrijving van frequentiebranch. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) Off; 30; 40; 150 (Nominaal: Off) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-7

NB SVT-discriminatiemode. De parameter AV Interval Delta is alleen beschikbaar wanneer de parameter SVT Discrimination Mode ingesteld is op Dual Chamber. Gelijktijdige VT s en SVT s. De parameter AV Interval Delta kan nuttig zijn voor patiënten bij wie VT s samenvallen met SVT s, en bij wie behandeling foutief wordt onderdrukt door de Frequentiebranch-discriminator. Ritmeclassificatie. Wanneer de parameter AV Interval Delta wordt ingesteld op een korter interval, is het waarschijnlijker dat een ritme wordt geclassificeerd als VT. VENSTER MORPHOLOGY Vanuit het venster Morphology kunt u een nieuw morfologietemplate verwerven, het bestaande template evalueren of een van de volgende parameters van de Morphology-discriminator programmeren: Morfologie Morfologie in AF/A Flutter Morfologie in Sinus Tach % overeenkomst (% Match) Template-match-criterium Morfologie aantal matches Morfologievenstergrootte Automatisch bijwerken van een template Morfologie-template Zie ook: Gedetailleerde beschrijving van morfologie Gegevens over de Template Auto Update Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets SVT Discrimination Details > toets Morphology Morfologie Met de parameter Morphology (beschikbaar wanneer de SVT-discriminatiemode ingesteld is op Ventricular Only) kan de pulsgenerator de vorm van een karakteristiek sinusritmecomplex (morfologietemplate) vergelijken met de complexen van een aritmie. Met de instelling Passive kan de pulsgenerator diagnostische informatie opslaan, maar dit heeft geen invloed op de diagnose van VT. Zie Gedetailleerde beschrijving van morfologie en Morfologie-template. Instellingen: On; Passive; Off (Nominaal: On) Morfologie in AF/A Flutter Met de parameter Morphology in AF/A Flutter (V<A Rate Branch: Morphology) kan de pulsgenerator de vorm van een karakteristiek sinusritmecomplex (morfologietemplate) vergelijken met de complexen van een aritmie in de V<A Rate Branch wanneer de parameter SVT-discriminatiemode ingesteld is op Dual Chamber. Met de instelling Passive kan de pulsgenerator diagnostische informatie opslaan, maar dit heeft geen invloed op de diagnose van VT. Zie Gedetailleerde beschrijving van morfologie en Morfologie-template. Instellingen: On; Passive; Off (Nominaal: On) 8-8 Tachycardieparameters

Morfologie in Sinus Tach Met de parameter Morphology in AF/A Flutter (V=A Rate Branch: Morphology) kan de pulsgenerator de vorm van een karakteristiek sinusritmecomplex (morfologietemplate) vergelijken met de complexen van een aritmie in de V=A Rate Branch wanneer de parameter SVT-discriminatiemode ingesteld is op Dual Chamber. Met de instelling Passive kan de pulsgenerator diagnostische informatie opslaan, maar dit heeft geen invloed op de diagnose van VT. Zie Gedetailleerde beschrijving van morfologie en Morfologie-template. Instellingen: On; Passive; Off (Nominaal: On) % overeenkomst (% Match) De parameter % Match is de mate van overeenkomst die aanwezig moet zijn tussen een complex en het template om beschouwd te kunnen worden als een match. Complexen met scores die gelijk zijn aan of groter zijn dan het percentage match worden geclassificeerd als overeenkomend met de template. Als de parameter Morfologie is geprogrammeerd op On of Passive, verschijnt er een vinkje op real-time EGMs onder elk complex dat overeenkomt met het template. Een X markeert complexen die niet overeenkomen met het template. Zie Gedetailleerde beschrijving van morfologie en Morfologie-template. Instellingen: (%) 30; 35; 95 (Nominaal: 60) NB Ritmeclassificatie. Wanneer de parameter % Match wordt ingesteld op een hogere instelling, is het waarschijnlijker dat een ritme wordt geclassificeerd als VT. Frequentiebranch. Bij Current -tweekamer en Promote pulsgenerators is de parameter % Match niet onafhankelijk programmeerbaar in de frequentiebranches AF/AFL en Sinus Tach. Template-match-criterium Het Template Match Criteria (Template-match-criterium) bestaat uit twee parameters: het Morfologie aantal matches en de Morfologievenstergrootte. Samen bepalen deze parameters het aantal template-matches binnen een gespecificeerde limiet van EGM-complexen (Morphology Window Size (Morfologievenstergrootte)) dat overeen moet komen met het morfologietemplate met een score groter dan of gelijk aan de instelling % overeenkomst (% Match) voordat er een diagnose van VT gemaakt wordt. Met de parameter Morphology No. of Matches (Morfologie aantal matches) kunt u dus het aantal complexen instellen die vallen binnen een bepaald percentage van een match met de vastgestelde morfologie (template) van een sinuscomplex. Met de parameter Morphology Window Size kunt u het aantal complexen instellen dat u wilt laten vergelijken met het template. Zie Gedetailleerde beschrijving van morfologie en Morfologie-template. Morfologie aantal matches De parameter Morphology No. of Matches is het aantal EGM-complexen binnen een limiet van EGM-complexen (de parameter Morfologievenstergrootte) dat overeen moet komen met het template voor de discriminator Morfologie om het ritme te classificeren als SVT. Als het geobserveerde aantal matches minder is dan het geprogrammeerde aantal matches, classificeert de morfologiediscriminator het ritme als VT. Als het aantal geobserveerde matches gelijk is aan of groter is dan het geprogrammeerde aantal, classificeert de discriminator het ritme als SVT. Zie Gedetailleerde beschrijving van morfologie en Morfologie-template. Instellingen: 3; 4; 20 (Nominaal: 5) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-9

NB Frequentiebranch. Bij Current -tweekamer en Promote pulsgenerators is de parameter Morphology No. Matches niet onafhankelijk programmeerbaar in de frequentiebranches AF/AFL en Sinus Tach. Instellingen. Het beschikbare bereik van instellingen is beperkt tot de helft van de instelling voor Morfologie Venstergrootte intervalstabiliteit tot aan de instelling Window Size (Venstergrootte). Morfologievenstergrootte De parameter Morphology Window Size is het aantal complexen voorafgaand aan detectie dat gebruikt wordt om de oorspong van een ritme (SVT of VT) te bepalen gebaseerd op de morfologie van dat ritme. De venstergrootte moet minder zijn dan het geprogrammeerde aantal intervallen voor een willekeurige tachycardiedetectie (VT, VT-1 of VT-2) binnen de SVT-discriminatie. Zie Gedetailleerde beschrijving van morfologie en Morfologie-template. Instellingen: 6; 8; 20 (Nominaal: 8) Automatisch bijwerken van een template De parameter Template Auto Update is de hoeveelheid tijd tussen automatische evaluaties van het actieve morfologietemplate. De pulsgenerator controleert periodiek of het actieve morfologietemplate nog steeds voldoende overeenkomt met het complex van de basislijn. Als het template te veel afwijkt, probeert de pulsgenerator dit bij te werken. Wanneer de Template Auto Update-timer afloopt, bepaalt de pulsgenerator of het basislijnritme geschikt is voor sampling. Omstandigheden die het ritme uitsluiten voor gebruik zijn o.a.: het gemiddelde interval is minder dan 500 ms of de huidige instelling voor VT/VT-1 detectiecycluslengte er is ruisreversie bezig NIPS of Fibber test is in werking er is een potentiële VT/VF-episode bezig. Als een van deze omstandigheden gedetecteerd wordt, stelt de pulsgenerator de update nog eens met 8 uur uit. Als de omstandigheden echter niet aanwezig zijn, werkt de pulsgenerator het template bij. Zie Gedetailleerde beschrijving van morfologie en Morfologie-template. Instellingen: Off; 8 uur; 1; 3; 7; 14; 30 dagen (Nominaal: 1 dag) NB Negative AV Hysteresis/Search en Ventrikelstimulatie. Bij Promote pulsgenerators is de parameter Template Auto Update alleen beschikbaar wanneer de parameter Negative AV Hysteresis/Search op Off staat en de parameter Ventrikelstimulatie ingesteld is op RV Only. Gegevens over de Template Auto Update Hieronder staat een figuur (Figuur 8-1) waarin aangegeven wordt hoe Template Auto Update de huidige actieve template evalueert. 8-10 Tachycardieparameters

Huidige actieve template Actieve template vergelijken met huidige complex Match Huidige actieve template blijft de actieve template Geen match Potentiële template verwerven Potentiële template vergelijken met huidige complex Match Nieuwe actieve template Geen match Bestaande actieve template Resetten van Template Auto Update-timer Figuur 8-1. Automatisch bijwerken van een template (Template Auto Update) Zie Morfologie-template. VENSTER INTERVALSTABILITEIT Vanuit het venster Interval Stability kunt u de parameters van de Interval Stability-discriminator programmeren: Intervalstabiliteit Stabiliteitsdelta AV-associatiedelta SIH-telling (SIH Count) Venstergrootte intervalstabiliteit Zie ook: Gedetailleerde beschrijving van intervalstabiliteit Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets SVT Discrimination Details > toets Interval Stability Intervalstabiliteit De parameter Interval Stability schakelt een discriminator in die onderscheid maakt tussen atriale fibrillatie (AF) (meer frequentievariabiliteit) en VT (minder frequentievariabiliteit). Wanneer de parameter Interval Stability Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-11

wordt ingeschakeld, worden de parameters Stabiliteitsdelta, AV-associatiedelta of SIH-telling (SIH Count) en Venstergrootte intervalstabiliteit ingeschakeld. Wanneer de parameter SVT-discriminatiemode ingesteld is op Dual Chamber en de parameter Intervalstabiliteit ingesteld is op On w/ava (AV-associatie), is de parameter AV-associatiedelta beschikbaar. Wanneer de parameter SVT Discrimination Mode ingesteld is op Ventricular Only en de parameter Interval Stability ingesteld is op On w/sih (sinus interval history), is de parameter SIH-telling (SIH Count) beschikbaar. Zie Gedetailleerde beschrijving van intervalstabiliteit. Instellingen: (Dual Chamber SVT Discrimination) Off; Passive; On; On w/ava (Nominaal: On) Instellingen: (Ventricular Only SVT Discrimination) Off; Passive; On; On w/sih (Nominaal: Passive) Stabiliteitsdelta De parameter Stability Delta (Stabiliteitsdelta) definieert het acceptabele verschil tussen het op één na langste en het op één na kortste ventriculaire interval in een recente groep intervallen die gedefinieerd is door de Venstergrootte intervalstabiliteit. Als het gemeten Stability Delta-interval gelijk is aan of langer is dan de geprogrammeerde instelling voor Stability Delta, classificeert de Intervalstabiliteit-discriminator het ritme als SVT. Als het gemeten Stability Delta-interval korter is dan de geprogrammeerde instelling voor Stability Delta, classificeert de Interval Stability-discriminator het ritme als VT. Zie Gedetailleerde beschrijving van intervalstabiliteit. Instellingen: (ms) 30; 35; 500 (Nominaal: 80) NB Ritmeclassificatie. Wanneer de parameter Stability Delta wordt ingesteld op een langer interval, is het waarschijnlijker dat een ritme wordt geclassificeerd als VT. AV-associatiedelta De parameter AV Association Delta (AVA Delta, AV-associatiedelta) definieert het acceptabele verschil tussen het op één na langste en het op één na kortste AV-interval in een recente groep intervallen die gedefinieerd is door de Venstergrootte intervalstabiliteit. Als het gemeten AVA Delta-interval korter is dan de geprogrammeerde instelling voor AVA Delta, classificeert de Intervalstabiliteit-discriminator het ritme als SVT. Als de parameter Interval Stability wordt ingesteld op On w/ava en de Interval Stability-discriminator het ritme als SVT classificeert, wordt het gemeten AV Association Delta-interval niet gecontroleerd. Als het gemeten AVA Delta-interval gelijk is aan of langer is dan de geprogrammeerde instelling voor AVA Delta, classificeert de Intervalstabiliteit-discriminator het ritme als VT. Zie Gedetailleerde beschrijving van intervalstabiliteit. Beschikbaar in: Current DR en Promote pulsgenerators Instellingen: (ms) 30; 40; 150 (Nominaal: 60) NB Ritmeclassificatie. Wanneer de parameter AV Association Delta wordt ingesteld op een korter interval, is het waarschijnlijker dat een ritme wordt geclassificeerd als VT. SVT-discriminatiemode. De parameter AV Association Delta is beschikbaar wanneer de SVT-discriminatiemode is ingesteld op Dual Chamber. 8-12 Tachycardieparameters

SIH-telling (SIH Count) De parameter SIH (Sinus Interval History) Count (Telling van sinusintervalgeschiedenis) definieert het aantal sinusintervallen of gemiddelde intervallen van een ritme dat kan optreden tijdens detectie van een als VT geclassificeerd ritme. Wanneer het aantal sinusintervallen of gemiddelde intervallen van een ritme groter is dan of gelijk aan de SIH Count, classificeert de discriminator Intervalstabiliteit het ritme als SVT. Het ritme is mogelijk geregulariseerde AF. Als het aantal sinusintervallen of gemiddelde intervallen van een ritme lager is dan de SIH Count, dan classificeert de Interval Stability-discriminator het ritme als VT. De parameter SIH Count is beschikbaar wanneer de SVT-discriminatiemode is ingesteld op Ventricular Only. Zie Gedetailleerde beschrijving van intervalstabiliteit. Instellingen: 1; 2; 8 (Nominaal: 2) NB Ritmeclassificatie. Als de parameter SIH Count wordt ingesteld op een groter aantal intervallen, is het waarschijnlijker dat een ritme geclassificeerd wordt als VT. Venstergrootte intervalstabiliteit De parameter Interval Stability Window Size (Venstergrootte intervalstabiliteit) bepaalt het aantal intervallen voorafgaand aan de detectie van een aritmie dat gebruikt wordt om de stabiliteit van een aritmie te evalueren. De instelling voor Interval Stability Window Size moet lager zijn dan of gelijk zijn aan het geselecteerde Aantal intervallen voor tachycardiedetectie-frequentiezones (VT, VT-1 of VT-2) binnen de SVT-discriminatie. Zie Gedetailleerde beschrijving van intervalstabiliteit. Instellingen: 8; 9; 20 (Nominaal: 12) VENSTER PLOTSELINGE START Vanuit het venster Sudden Onset (Plotselinge start) kunt u de volgende parameters van de Sudden Onset-discriminator programmeren: Plotselinge start Startdelta Zie ook: Gedetailleerde beschrijving van plotselinge start Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets SVT Discrimination Details > toets Sudden Onset Plotselinge start De parameter Sudden Onset schakelt een discriminator in die onderscheid maakt tussen VT (abrupte start) en sinustachycardie (geleidelijke start) bij patiënten wier maximale sinusfrequenties de frequenties van hun langzaamste ventriculaire tachyaritmieën kunnen overschrijden ( frequentieoverlapping ). Zie Gedetailleerde beschrijving van plotselinge start. Instellingen: Off; Passive; On (Nominaal: Dual Chamber SVT Discrimination, On; Ventricular Only SVT Discrimination, Passive) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-13

Startdelta De parameter Onset Delta (Startdelta) bepaalt de abruptheid van de start van een tachycardie. Als het gemeten Onset Delta-interval gelijk is aan of groter is dan de geprogrammeerde Onset Delta-instelling, classificeert de discriminator het ritme als VT. Als het gemeten verschil kleiner is dan de delta, classificeert de discriminator het ritme als SVT. De parameter Onset Delta kan geprogrammeerd worden als een specifieke verandering in het interval (Fixed, vast) of als een percentage verandering in het interval (Adaptive, aanpassend). Zie Gedetailleerde beschrijving van plotselinge start. Instellingen: (Adaptive) (%) 4; 6; 86 (Nominaal: 18) Instellingen: (Fixed) (ms) 30; 35; 500 (Nominaal: Fixed: 100) NB Ritmeclassificatie. Wanneer de parameter Onset Delta wordt ingesteld op een korter interval of een kleiner percentage, is het waarschijnlijker dat een ritme geclassificeerd wordt als VT. Plotselinge start. De Sudden Onset-discriminator gebruikt de abruptheid van de start om onderscheid te maken tussen sinusritmes en ventriculaire tachycardieën. De resultaten van een inspanningstest kunnen helpen bij het selecteren van een juiste instelling voor Onset Delta. Detectie-interval/frequentie. De instelling van Onset Delta kan niet lager zijn dan het verschil tussen het VT/VT-1 detectie-interval en het snelste stimulatie-interval. MORFOLOGIE-TEMPLATE In het venster Morphology Template zijn de volgende toetsen beschikbaar: De toets Automatic. Selecteer deze toets om automatisch een actief morfologietemplate te verwerven. De toets Manual (Handmatig). Selecteer deze toets om handmatig een potentieel morfologie template te verwerven. De toets Acquire (Verwerven). Start het morfologietemplate-onderhoudsalgoritme. Template window(s) (Template-venster(s)). Dit venster toont een momentopname van het Actieve Template (momenteel in gebruik) en de datum en tijd waarop dit verworven is. Wanneer u de template-verwervingsmethode Manual selecteert, toont het venster ook de momentopnamen van zowel het Actieve als het Potentiële Template, de datum en tijd waarop deze verworven zijn, toetsen om het template te selecteren dat gescoord moet worden, en een toets om het Potentiële Template te activeren. Onderaan het venster geeft de tekst scoring... aan dat de pulsgenerator bezig is het actieve template te vergelijken met de momenteel gemeten complexen. U kunt de volgende parameters ook tijdelijk programmeren vanuit het venster Morphology Template om ervoor te zorgen dat het intrinsieke ritme verschijnt: Mode Base Rate Paced AV Delay Sensed AV Delay Zie, MorfologiescoresAutomatisch bijwerken van een templateinstructies voor het verwerven van een morfologie-template. 8-14 Tachycardieparameters

NB Morfologie-scoring uitschakelen (Disabling Morphology Scoring). Wanneer u de parameter Morfologiescoring of de parameter Morfologie uitschakelt, wordt het actieve template behouden in de pulsgenerator. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Acquire/Evaluate Template Instructies voor het verwerven van een morfologie-template Automatisch 1. Vanuit het venster Zone Configuration selecteert u de toets SVT Details of de toets Morphology Scoring. 2. Vanuit het venster SVT Details of het venster Morphology Scoring selecteert u de toets Acquire/Evaluate Template. De tekst op de toets geeft de huidige status van het template weer (Active Template Present (Actief template aanwezig) of No Active Template (Geen actief template)). 3. Op de pagina voor Morphology Template selecteert u de toets Automatic. 4. Stel een van de stimuleringsparameters zo in dat waarneming van sinusritme optimaal is. Selecteer de toets Start Temporary wanneer dit voltooid is. 5. Selecteer de toets Acquire. Als de pulsgenerator succesvol intrinsiek ritme waarneemt en er is een bruikbaar actief template beschikbaar, dan vraagt de programmer of u het huidige actieve template wilt bewaren of wissen en het template bijwerken. Als u de toets Keep Template (Template bewaren) selecteert, toont de programmer de momentopname van het complex in het venster Active Template en gebruikt de programmer dat complex als vergelijking met nieuwe complexen. Als u de toets Clear en Update Template selecteert, start de pulsgenerator zijn waarnemingsroutine opnieuw, en wanneer die voltooid is, toont de programmer de momentopname van het complex in het venster Active Template en gebruikt de programmer dat complex als vergelijking met nieuwe complexen. 6. Als de golfvorm niet representatief lijkt, herhaalt u de procedure of u gebruikt de handmatige verwervingsmethode. Handmatig 1. Vanuit het venster Zone Configuration selecteert u de toets SVT Details of de toets Morphology Scoring. 2. Vanuit het venster SVT Details of het venster Morphology Scoring selecteert u de toets Acquire/Evaluate Template. De tekst op de toets geeft de huidige status van het template weer (Active Template Present (Actief template aanwezig) of No Active Template (Geen actief template). 3. Op de pagina voor Morphology Template selecteert u de toets Manual. Als er een actief template beschikbaar is, verschijnen er vensters voor zowel het Potentiële als het Actieve template. 4. Stel een van de stimuleringsparameters zo in dat waarneming van sinusritme optimaal is. Selecteer de toets Start Temporary wanneer dit voltooid is. 5. Selecteer de toets Acquire. Als de pulsgenerator niet in staat is om intrinsiek ritme waar te nemen, vraagt de programmer u de stimulatieparameters aan te passen en het opnieuw te proberen. Als de pulsgenerator succesvol intrinsiek ritme waarneemt en er is een bruikbaar actief template beschikbaar, dan toont de programmer momentopnamen van de complexen in de vensters Potetial en Active Template. U heeft drie opties: - Om het actieve template te blijven gebruiken voor scoring (dat wil zeggen, om het actieve template te vergelijken met het momenteel waargenomen complex), selecteert u de toets Active. - Om de toets Potential voor scoring te gebruiken selecteert u de toet Potentials. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-15

- Om het actieve template te vervangen door het potentiële template selecteert u de toets Activate Potential. 6. Als de golfvorm niet representatief lijkt, herhaalt u de procedure. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Acquire/Evaluate Template Morfologiescores Morfologiescores geven het percentage overeenkomst van het huidige ritme met de template aan. Morfologiemarkers verschijnen op het markerkanaal op de Hartritmeweergave wanneer: Er een actief template bestaat en dit gebruikt wordt voor scoring. Er een potentieel template bestaat en dit gebruikt wordt voor scoring. Deze scores worden alleen gegenereerd en verschijnen alleen in het Rhythm Display wanneer het venster Morphology Template wordt weergegeven. Er alleen een potentieel template bestaat. Deze scores worden alleen gegenereerd en verschijnen in het Rhythm Display zolang er geen actief template bestaat. Hoge scores (>90%) geven aan dat de template een goede match is met het ritme van de basislijn. Scores lopen van 0 tot 100% in stappen van 1%. Wanneer de Morfologie-discriminator wordt ingesteld op On of Passive, verschijnt er een vinkje in het Rhythm Display onder elk complex dat overeenkomt met het actieve template en wordt er een X geplaatst onder elk complex dat niet overeenkomt met het actieve template. VENSTER MORFOLOGIESCORING Vanuit het venster Morfologie Scoring kunt u de volgende parameters inschakelen: Morfologiescoring Automatisch bijwerken van een template Zie ook: Morfologie-template Morfologiescores Morfologiescoring De parameter Morphology Scoring schakelt scoring van het ritme van de basislijn tegen het actieve template in. Er moet een actief template bestaan om Morphology Scoring te kunnen inschakelen. Actieve en potentiële templates worden niet gewist wanneer Morphology Scoring uitgeschakeld wordt. Zie Morfologie-template. Instellingen: On; Off (Nominaal: Off) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Morphology NB Zone Configuration. Morphology Scoring is alleen beschikbaar wanneer de zoneconfiguratie is ingesteld op Off of 1 Zone. 8-16 Tachycardieparameters

ZONEBEHANDELING Met het venster Zone Therapy kunt u behandelingen voor iedere actieve frequentiezone programmeren. Een tabel rechtsboven geeft aan welke frequentiezones geprogrammeerd zijn, en hun huidige grenzen. De toetsen in het venster zijn: De toets Active/Monitor. Deze toets, die beschikbaar is bij VT-1 Therapy (3 Zones) of VT Therapy (2 Zones), wisselt tussen twee instellingen: - Active. Geeft de geprogrammeerde behandeling af op de huidige instellingen. - Monitor. Laat behandeling in de VT-1- of VT-frequentiezone achterwege, maar legt alle activiteit vast in de diagnostische gegevens. VT-behandelings-time-out Timeout-trigger Therapy-toetsen. Zie Behandelingen. ATP-gegevens Zie ook: Legenda frequentiezones Beschrijving van VT-behandelings-time-out Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration VT-behandelings-time-out De parameter VT Therapy Timeout bepaalt hoe lang de pulsgenerator tachycardiebehandeling af kan geven. Wanneer de VT Therapy Timeout-instelling afloopt, stopt de pulsgenerator met tachycardiebehandelingen en geeft het apparaat VF-behandeling af. De parameter VT Therapy Timeout is alleen beschikbaar in de configuratie 2 Zones of 3 Zones. Als bescherming tegen de afgifte van door VT Therapy Timeout gestuurde behandeling in een bigeminaal ritme, moet de pulsgenerator meer tachyaritmie-intervallen dan sinusintervallen detecteren voordat behandeling wordt gegeven. Zie Beschrijving van VT-behandelings-time-out. Instellingen: Off; 10 sec.; 20 sec.; 120 sec.; 2,5 min.; 3,0 min.; 5,0 min. (Nominaal: 30 sec.) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Zone Therapy Timeout-trigger De parameter Timeout Trigger bepaalt de behandeling die afgegeven moet worden om de VT-behandelings-time-out-timer in gang te zetten. De parameter Timeout Trigger is alleen beschikbaar in de configuratie 2 Zones of 3 Zones. De beschikbare instellingen hangen af van de geprogrammeerde Zone Configuration-instellingen. Zie Beschrijving van VT-behandelings-time-out. Instellingen: (2 Zones) VT Therapy (Nominaal: Niet-programmeerbaar) Instellingen: (3 Zones) VT-2 Therapy; VT-1 & VT-2 Therapy (Nominaal: VT-1 & VT-2 Therapy) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Zone Therapy Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-17

BEHANDELINGEN Vanuit het venster Zone Therapy kunt u opeenvolgende behandelingen voor elke beschikbare frequentiezone programmeren. In elke frequentiezone wordt Therapy 1 afgegeven voor Therapy 2, en zo verder, totdat de pulsgenerator Therapy 4 bereikt. U kunt maximaal vier behandelingen in de VT-zones en drie behandelingen in de VF-zone programmeren. De instellingen voor Therapy worden hieronder gegeven. Zie de tabellen hieronder voor de beschikbaarheid van de behandelingsinstellingen binnen frequentiezones (Tabel 8-1) en de energie/spanningsinstellingen beschikbaar voor CVRT en Defib-behandelingen (Tabellen 8-1 en 8-2). Off ATP CVRT Defib Zie ATP Parameters en Beschrijving van tachyaritmiebehandeling. Behandelingsnummer Frequentiezone VT/VT-1 VT-2 VF Therapy 1 Off 1 ; ATP; CVRT ATP; CVRT Defib Therapy 2 Off 1 ; ATP; CVRT Off 1 ; ATP; CVRT Defib Therapy 3 Off 1 ; CVRT Off 1 ; CVRT Defib x 4 Therapy 4 Off; CVRT; CVRT x 2 Off; CVRT; CVRT x 2 n.v.t. Tabel 8-1. Beschikbare behandelingen 2 1. Schakelt tevens verdere behandelingen binnen de frequentiezone uit. 2. Zodra een CVRT- of Defib-instelling geselecteerd is in een zone, moeten daaropvolgende behandelingen groter dan of gelijk aan de instelling voor de vorige behandeling zijn. Detectiezone Pulsgenerator Current (XXXX-36); Promote (XXXX-36) Current (XXXX-30); Promote (XXXX-30) VT (Therapy 1, 2, 3, 4); VT-1 (Therapy 1, 2, 3, 4); VT-2 (Therapy 1, 2, 3, 4); VF (Therapy 1, 2) Tilt 1 (op 65% bifasisch) (J) 0,1; 0,2; 1,0; 2,0; 10,0; 12,5; 30,0; 32,0; 34,0; 36,0 0,1; 0,2; 1,0; 2,0; 10,0; 12,5; 30,0 Pulsbreedte (V) VF (Therapy 3) 17,5; 20,0; 36,0 17,5; 20,0; 30,0 Current; Promote 50; 100; 800; 830 700; 750; 800; 830 Tabel 8-2. Instellingen van CVRT- en Defib-behandeling 1. Beschikbare energie-instellingen hangen af van de configuratie van de DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm). Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Zone Therapy 8-18 Tachycardieparameters

NB Omzetting van energie naar spanning (voltage). Wanneer de Golfvorm-mode ingesteld is op Tilt, hangt de omzetting van energie naar spanning af van de huidige instellingen van de Golfvorm-parameter en de parameters voor 1st Phase Tilt (Eerste fase Tilt). Bij sommige tilt-instellingen kunnen hoge energiewaarden worden omgezet naar voltageniveaus die niet bereikt kunnen worden. Als dit gebeurt, selecteert de programmer de hoogst bereikbare energiewaarde. ATP-GEGEVENS Het venster ATP Details (ATP-gegevens) toont een samenvatting van de antitachycardiestimulatie (ATP)-instellingen voor elke frequentiezone en behandeling. Selecteer een samenvattingstoets om de ATP Parameters voor die frequentiezone en behandeling te programmeren. U kunt verschillende ATP-therapieën voor elke Zone programmeren. Voor verdere informatie selecteert u een van de volgende links: ATP-pulsamplitude ATP-pulsbreedte Een tabel rechtsboven geeft aan welke frequentiezones geprogrammeerd zijn, en hun huidige grenzen. Zie Legenda frequentiezones. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Zone Therapy > toets ATP Details ATP-pulsamplitude De parameter ATP Pulse Amplitude bepaalt hoeveel elektrisch potentiaal er tijdens de stimulus op het myocardium wordt toegepast tijdens de ATP stimulatiepuls. Instellingen: (V) 7,5 (Niet-programmeerbaar) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Zone Therapy > toets ATP Details ATP-pulsbreedte De parameter ATP Pulse Width (ATP pulsbreedte) bepaalt hoe lang de ATP-pulsamplitude wordt toegepast op het myocardium. Instellingen: (ms) 1,0; 1,5 (Nominaal: 1,0) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Zone Therapy > toets ATP Details ATP PARAMETERS In het venster ATP Details kunt u parameters programmeren die de timing en de afgifte van antitachycardie-stimulatie (ATP) regelen. Zie voor informatie over het instellen van deze parameters en hun interacties ATP-behandelingsconfiguraties. Deze parameters zijn o.a.: Aantal bursts Aantal stimuli Stimuli per burst toevoegen Burst-cycluslengte Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-19

Minimale cycluslengte van een burst Opnieuw aanpasbaar Scanning Scanstap Max. stap Versnelling Versnellingsstap Zie ook: Legenda frequentiezones Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary Aantal bursts De parameter Number of Bursts (Aantal bursts) bepaalt het maximale aantal stimulatie-bursts dat wordt afgegeven tijdens ATP. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: 1; 2; 15 (Nominaal: 3) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary Aantal stimuli De parameter Number of Stimuli (Aantal stimuli) bepaalt het aantal stimuli (pulsen) afgegeven in elke burst. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: 2; 3; 20 (Nominaal: 8) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary NB Oppervlakte-ECG. De eerste stimulus wordt gelijktijdig afgegeven met een waargenomen gebeurtenis. Aangezien de stimulus wordt gesynchroniseerd met de downslope van het bipolaire EGM, toont het oppervlakte-ecg doorgaans dat de stimulus 40 tot 80 ms na de start van het QRS-complex is. De resterende stimuli in de burst worden afgegeven als VOO-stimulatie op het geprogrammeerde Burst-cycluslengte-interval, ongeacht het intrinsieke ritme. Stimuli per burst toevoegen De parameter Add Stimuli Per Burst (Stimuli per burst toevoegen) voegt één extra stimulus per burst toe na de eerste burst. Het totale aantal stimuli per burst is beperkt tot 20 stimuli. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: On; Off (Nominaal: Off) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary 8-20 Tachycardieparameters

Burst-cycluslengte De parameter Burst Cycle Length (Burst-cycluslengte) bepaalt hoe lang elke stimulatiepuls in een burst afgegeven wordt. Opnieuw aanpasbaar, Scanning en Versnelling kunnen deze parameter ook beïnvloeden. Programmeer de parameter Burst Cycle Length op een van de volgende configuraties: Adaptive. De aanvankelijke burst-cycluslengte is een percentage van het gemiddelde tachycardie-interval. Fixed. De pulsgenerator gebruikt de geprogrammeerde Burst Cycle Length-instelling, ongeacht de cycluslengte van de tachycardie. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: (Adaptive) (%) 50; 51; 100 (Nominaal: Adaptive: 85) Instellingen: (Fixed) (ms) 200; 205; 550 Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary NB Minimale cycluslengte van een burst. Wanneer de parameter Burst Cycle Length is ingesteld op Adaptive en het Minimum Burst Cycle Length-interval bereikt wordt tijdens een burst, geeft de pulsgenerator de resterende stimuli af op het geprogrammeerde Minimum Burst Cycle Length-interval. Minimale cycluslengte van een burst De parameter Minimum Burst Cycle Length (Minimale cycluslengte van een burst) bepaalt de korste cycluslengte die afgegeven wordt binnen een burst. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: (ms) 150; 155; 400 (Nominaal: 200) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary NB Opnieuw aanpasbaar, Scanning, Versnelling of Burst-cycluslengte. Wanneer het Minimum Burst Cycle Length-interval bereikt wordt tijdens een burst, geeft de pulsgenerator de resterende stimuli af op het Minimum Burst Cycle Length-interval wanneer de parameters Readaptive, Scanning of Ramp zijn ingeschakeld, of wanneer de parameter Burst Cycle Length is ingesteld op Adaptive. Opnieuw aanpasbaar De parameter Readaptive (Opnieuw aanpasbaar) schakelt de herberekening van de initiële burst-cycluslengte in op basis van het tachycardie-intervalgemiddelde dat gemeten is bij iedere volgende diagnose. De burst-cycluslengte wordt alleen opnieuw berekend wanneer er meer dan één burst wordt afgegeven in een episode. De parameter Readaptive kan nuttig zijn bij patiënten met meer dan één VT die binnen een enkele tachycardiezone valt. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: On; Off (Nominaal: Off) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-21

NB Minimale cycluslengte van een burst. Wanneer de parameter Readaptive ingeschakeld is en het Minimum Burst Cycle Length-interval bereikt wordt tijdens een burst, geeft de pulsgenerator de resterende stimuli af op het geprogrammeerde Minimum Burst Cycle Length-interval. Scanning De parameter Scanning bepaalt de aanvankelijke cycluslengte tussen bursts. Wanneer de parameter Scanning is ingeschakeld, wordt de initiële burst-cycluslengte van elke burst verkort door de geprogrammeerde Scanstap van de ene burst tot de volgende. Wanneer Scanning is uitgeschakeld, is de initiële burst-cycluslengte van elke burst hetzelfde. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: On (Dec); Off (Nominaal: On (Dec)) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary NB Minimale cycluslengte van een burst. Wanneer de parameter Scanning is ingeschakeld en het Minimum Burst Cycle Length-interval bereikt wordt tijdens een burst, geeft de pulsgenerator de resterende stimuli af op het geprogrammeerde Minimum Burst Cycle Length-interval. Scanstap De parameter Scan Step (Scanstap) bepaalt de mate waarin de cycluslengte afneemt van de ene burst tot de volgende als de parameter Scanning is ingeschakeld. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: (ms) 5; 10; 30 (Nominaal: 10) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary Max. stap De parameter Max Step (Max. stap) bepaalt het maximale verschil tussen de eerste cycluslengte van de huidige burst en de eerste cycluslengte van de vorige burst. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: (ms) 10; 15; 100 (Nominaal: 50) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary NB Opnieuw aanpasbaar en Scanning. De parameter Max Step is alleen beschikbaar als de parameters Readaptive en Scanning beide zijn ingeschakeld. 8-22 Tachycardieparameters

Versnelling De parameter Ramp (Versnelling) schakelt de achtereenvolgende verkorting in van de intervallen tussen stimuli binnen een burst. Wanneer de parameter Ramp is ingeschakeld, neemt ieder interval na het eerste in een burst af met het geprogrammeerde Versnellingsstap-interval. Wanneer de parameter Ramp is uitgeschakeld, worden alle stimuli in een burst met hetzelfde interval afgegeven. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: On; Off (Nominaal: Off) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary NB Minimale cycluslengte van een burst. Wanneer de parameter Ramp ingeschakeld is en het Minimum Burst Cycle Length-interval bereikt wordt tijdens een burst, geeft de pulsgenerator de resterende stimuli af met het geprogrammeerde Minimum Burst Cycle Length-interval. Versnellingsstap De parameter Ramp Step (Versnellingsstap) bepaalt met hoeveel elk interval tussen stimuli binnen een burst afneemt wanneer de parameter Versnelling is ingeschakeld. Zie ATP-behandelingsconfiguraties. Instellingen: (ms) 5; 10; 30 (Nominaal: 10) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Zone Configuration > toets Therapy > toets ATP Details > toets ATP Details summary ATP-BEHANDELINGSCONFIGURATIES Er zijn acht ATP-behandelingsconfiguraties beschikbaar, afhankelijk van de instellingen voor de parameters Opnieuw aanpasbaar, Scanning en Versnelling. Helling (Ramp) Opnieuw aanpasbaar Scanning Gedetailleerde beschrijving Off Off Off ATP-behandeling Detail A On Off Off ATP-behandeling Detail B Off Off On ATP-behandeling Detail C On Off On ATP-behandeling Detail D Off On Off ATP-behandeling Detail E On On Off ATP-behandeling Detail F Off On On ATP-behandeling Detail G On On On ATP-behandeling Detail H Tabel 8-3. ATP Burst-configuraties en detailleerde beschrijving Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-23

NB Minimale cycluslengte van een burst. Ongeacht de geprogrammeerde burst-configuratie geeft de pulsgenerator nooit anti-tachycardiestimulatie met een interval dat korter is dan het geprogrammeerde Minimum Burst Cycle Length-interval. ATP-behandeling Detail A Versnelling Off, Opnieuw aanpasbaar Off, Scanning Off. Het Burst-cycluslengte-interval tussen stimuli binnen alle bursts is constant. De parameter Burst Cycle Length is geprogrammeerd als ofwel een vast interval (in milliseconden) of een aanpasbaar interval (een percentage van de gemiddelde tachycardiefrequentie). In het onderstaande diagram ziet u ATP met een vast Burst Cycle Length-interval van 300 ms. Pulsduur Cycluslengte van de burst msec 300 300 300 300 300 300 300 300 300 300 300 300 ATP-behandeling Detail B Versnelling On, Opnieuw aanpasbaar Off, Scanning Off. Het Burst-cycluslengte-interval tussen stimuli binnen iedere burst neemt geleidelijk af. Het Versnellingsstap-interval bepaalt met hoeveel elk interval binnen een burst afneemt. In het onderstaande diagram ziet u ATP met een vast Burst Cycle Length-interval van 250 ms en een Ramp Step-interval van 20 ms. Pulsduur Cycluslengte van de burst msec 250 230 210 250 230 210 250 230 210 250 230 210 ATP-behandeling Detail C Versnelling Off, Opnieuw aanpasbaar Off, Scanning On. Het Burst-cycluslengte-interval tussen stimuli binnen iedere burst is constant. De burst-cycluslengte van de ene burst tot de volgende neemt af met het Scanstap-interval. In het onderstaande diagram ziet u ATP met een vast Burst Cycle Length-interval van 380 ms en een Scan Step-interval van 10 ms. Pulsduur Cycluslengte van de burst msec 380 380 380 370 370 370 360 360 360 ATP-behandeling Detail D Versnelling On, Opnieuw aanpasbaar Off, Scanning On. Het Burst-cycluslengte-interval tussen stimuli binnen iedere burst neemt achtereenvolgens af met het Versnellingsstap-interval. Het initiële Burst Cycle Length-interval voor elke volgende burst neemt af met het Scanstap-interval. In het onderstaande diagram ziet u ATP met een vast Burst Cycle Length-interval van 350 ms, een Ramp Step-interval van 20 ms en een Scan Step-interval van 10 ms. 8-24 Tachycardieparameters

Pulsduur Cycluslengte van de burst msec 350 330 310 340 320 300 330 310 290 ATP-behandeling Detail E Versnelling Off, Opnieuw aanpasbaar On, Scanning Off. Het Burst-cycluslengte-interval tussen stimuli binnen alle bursts is constant. De initiële burst wordt afgegeven op het geprogrammeerde Burst Cycle Length-interval. Het Burst Cycle Length-interval voor elke volgende burst wordt opnieuw berekend op basis van de meest recente tachycardiefrequentie. In het onderstaande diagram ziet u ATP met aan aanpasbare burst-cycluslengte van 80%. Pulsduur Cycluslengte van de burst msec 320 320 320 280 280 280 240 240 240 200 200 200 Cycluslengte 400 ms 350 ms 300 ms 250 ms van de VT ATP-behandeling Detail F Versnelling On, Opnieuw aanpasbaar On, Scanning Off. Het Burst-cycluslengte-interval tussen stimuli binnen iedere burst neemt achtereenvolgens af met het Versnellingsstap-interval. De initiële burst wordt afgegeven op het geprogrammeerde Burst Cycle Length-interval. Het Burst Cycle Length-interval voor elke volgende burst wordt opnieuw berekend op basis van de meest recente tachycardiefrequentie. In het onderstaande diagram ziet u ATP met een aanpasbare burst-cycluslengte van 80% en een Ramp Step-interval van 15 ms. Pulsduur Cycluslengte van de burst msec 320 305 290 280 265 250 240 225 210 200 185 170 Cycluslengte 400 ms 350 ms 300 ms 250 ms van de VT ATP-behandeling Detail G Versnelling Off, Opnieuw aanpasbaar On, Scanning On. Het Burst-cycluslengte-interval tussen stimuli binnen iedere burst is constant. De initiële burst wordt afgegeven op het geprogrammeerde Burst Cycle Length-interval. Het Burst Cycle Length-interval voor elke volgende burst wordt opnieuw berekend op basis van de meest recente tachycardiefrequentie. Het Burst Cycle Length-interval neemt ook af met het Scanstap-interval. Het maximale verschil tussen de eerste cycluslengte van de huidige burst en de eerste cycluslengte van de vorige burst wordt beperkt door het Max. stap-interval. In het onderstaande diagram ziet u ATP met een aanpasbare burst-cycluslengte van 80%, een Scan Step-interval van 20 ms en een Max Step-interval van 80 ms. De minimale Burst Cycle Length is 150 ms. Pulsduur Cycluslengte van de burst msec 320 320 320 260 260 260 200 200 200 150 150 150 Cycluslengte 400 ms 350 ms 300 ms 250 ms van de VT ATP-behandeling Detail H Versnelling On, Opnieuw aanpasbaar On, Scanning On. Het Burst-cycluslengte-interval tussen stimuli binnen iedere burst neemt achtereenvolgens af met het Versnellingsstap-interval. De initiële burst wordt afgegeven op het geprogrammeerde Burst Cycle Length-interval. Het aanvankelijke Burst Cycle Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-25

Length-interval voor elke volgende burst wordt ook opnieuw berekend op basis van de meest recente tachycardiefrequentie. Het Burst Cycle Length-interval neemt ook af met het Scanstap-interval. Het maximale verschil tussen de eerste cycluslengte van de huidige burst en de eerste cycluslengte van de vorige burst wordt beperkt door het Max. stap-interval. In het onderstaande diagram ziet u ATP met een aanpasbare burst-cycluslengte van 80%, een Scan Step-interval van 20 ms, een Ramp Step-interval van 15 ms en een Max Step-interval van 80 ms. De minimale Burst Cycle Length is 150 ms. Pulsduur Cycluslengte van de burst msec 320 305 290 260 245 230 200 185 170 150 150 150 Cycluslengte 400 ms 350 ms 300 ms 250 ms van de VT DEFT RESPONSE TECHNOLOGY-INSTELLINGEN (SCHOKGOLFVORM) Met het venster DeFT Response Settings (DeFT Response -instellingen) kunt u de parameters voor hoog-spanningsschok-golfvormen programmeren. Het middelste paneel in het venster geeft de Golfvorminstellingen weer, waaronder de Pulse Width- of Tilt-instellingen voor elke geprogrammeerde fase en behandeling. De beschikbaarheid van parameters en gegevens in het paneel Waveform Settings is afhankelijk van de instelling van de Zone Configuration, Golfvorm-mode en Golfvorm. Golfvorm Golfvorm-mode Schokconfiguratie. De richting die de hoog-spanningsstroom opgaat op basis van de instellingen voor SVC Electrode en RV Polarity. RV-polariteit. De toetsen VF Shocks (Defib) en VT Shocks (CVRT). Zie Golfvorminstellingen. Tuned Waveform Help. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets DeFT Response Settings (Shock Waveform) Golfvorm De parameter Waveform bepaalt of een bifasische of een monofasische golfvorm afgegeven wordt tijdens hoog-spanningsbehandeling. De Waveform-instelling wordt gebruikt bij alle hoogspanningsbehandelingen. Een bifasische golfvorm wordt gegenereerd door de aaneenschakeling van een positieve afgekapte exponentiële golfvorm en een negatieve afgekapte exponentiële golfvorm. De voorflankspanning van de tweede fase van de golfvorm is 100% van de restspanning van de eerste fase van de golfvorm. Een monofasische golfvorm is alleen de eerste helft van een bifasische golfvorm. Instellingen: Biphasic; Monophasic (Nominaal: Biphasic) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets DeFT Response Settings Golfvorm-mode De parameter Waveform Mode (Golfvorm-mode) bepaalt of de golfvorm van de afgegeven hoog-spanningsbehandeling gebaseerd is op tilt of op pulsbreedte. Deze parameter bepaalt de instellingen voor de parameters VF Shocks (Defib) en VT Shocks (CVRT). Tilt. Het percentage van de afgegeven energie in een monofasische golfvorm of in de eerste fase van een bifasische golfvorm. Pulsbreedte. De hoeveelheid tijd die het kost totdat 65% van het aanvankelijk afgegeven voltage verdwijnt in ofwel een monofasische golfvorm of in de eerste fase van een bifasische golfvorm. 8-26 Tachycardieparameters

Instellingen: Tilt; Pulse Width (Nominaal: Tilt) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets DeFT Response Settings (Shock Waveform) Schokconfiguratie De parameter Shock Configuration (Schokconfiguratie) bepaalt hoe de hoog-spanningsstroom zich beweegt tussen de SVC elektrode, de can en de RV-elektrode. Instellingen: RV to SVC & can; RV to Can (Nominaal: RV to SVC & Can) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets DeFT Response Settings (Shock Waveform) RV-polariteit De parameter RV Polarity (RV-polariteit) bepaalt de polariteit van de RV-elektrode en de richting van de stroom bij de schokgolfvorm. Wanneer de Golfvorm-parameter ingesteld is op Biphasic bepaalt de instelling voor de parameter RV Polarity de richting van de stroom over de Schokconfiguratie-instelling. Als de parameter Golfvorm is ingesteld op Biphasic, bepaalt de instelling voor de parameter RV Polarity de richting van de stroom door de Schokconfiguratie-instelling. Als de parameter is ingesteld op Anode(+), loopt de stroom van de RV-elektrode naar de bestemming van de Shock Configuration-parameter. De instelling Cathode(-) keert deze stroom om. De tweede fase van de bifasische hoog-spanningsgolfvorm is omgekeerd. Als de parameter Waveform is ingesteld op Monophasic, is de RV-elektrodepolariteit hetzelfde als de eerste fase van een bifasische golfvorm. Instellingen: Anode (+); Cathode (-) (Nominaal: Anode (+)) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets DeFT Response Settings (Shock Waveform) GOLFVORMINSTELLINGEN Het paneel Waveform Settings in het midden van het venster DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm) geeft het volgende weer: Toetsen voor het programmeren van de VF Shocks (Defib) en VT Shocks (CVRT) (afhankelijk van de instelling van de parameter Golfvorm-mode) voor één of twee golfvormfases (afhankelijk van de instelling van de Golfvorm-parameter). De Estimated Defib en CVRT Tilt zijn gebaseerd op een berekening met behulp van de laatste gemeten schokimpedantie. Dit is beschikbaar als de parameter Golfvorm-mode is ingesteld op Pulse Width. De Estimated Defib en CVRT Pulse Width zijn gebaseerd op een berekening van de condensatorsterkte en de laatste HV elektrode-impedantiemeting. Dit is beschikbaar als de parameter Golfvorm-mode is ingesteld op Pulse Width. De laatst gemeten schokimpedantiewaarde Als de parameter Golfvorm-mode is ingesteld op Pulse Width, geeft het paneel een tabel weer met Tuned Waveform-waarden om u te helpen bij het kiezen van een geschikte Pulse Width-instelling voor VF Shocks en VT Shocks. Om alle mogelijke waarden in de tabel te zien selecteert u de toets Tuned Waveform Help. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets DeFT Response Settings (Shock Waveform) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-27

VF Shocks (Defib) De parameter VF Shocks (Defib) bepaalt de lengte van de schokgolfvorm van de defibrillatiebehandeling (Defib). Gebruik deze parameter om de Tilt of Pulse Width van de parameter in te stellen, afhankelijk van het type schok dat ingesteld is door de parameter Golfvorm-mode. Als Waveform is ingesteld op Biphasic, kunt u beide fases instellen. Als de parameter Waveform is ingesteld op Biphasic en de parameter Waveform Mode is ingesteld op Pulse Width, kunt u beide fasen handmatig programmeren. Om u te helpen bij het instellen van deze parameter geeft het paneel Waveform Settings schattingen van de Pulse Width of Tilt van de schokgolfvorm weer (afhankelijk van de instelling van de parameter Golfvorm-mode) op basis van de instellingen en metingen van de pulsgenerator. Zie voor een lijst van beschikbare instellingen de tabel hieronder (Tabel 8-4). Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets DeFT Response Settings (Shock Waveform) VT Shocks (CVRT) De parameter VT Shocks (CVRT) bepaalt de lengte van de schokgolfvorm van de cardioversiebehandeling (CVRT). Gebruik deze parameter om de Tilt of Pulse Width van de parameter in te stellen, afhankelijk van het type schok dat ingesteld is door de parameter Golfvorm-mode. Als Waveform is ingesteld op Biphasic, kunt u beide fases instellen. Als de parameter Waveform is ingesteld op Biphasic en de parameter Waveform Mode is ingesteld op Pulse Width, kunt u beide fasen handmatig programmeren. Om u te helpen bij het instellen van deze parameter geeft het paneel Waveform Settings schattingen van de Pulse Width of Tilt van de schokgolfvorm weer (afhankelijk van de instelling van de parameter Golfvorm-mode) op basis van de instellingen en metingen van de pulsgenerator. Zie voor een lijst van beschikbare instellingen de tabel hieronder (Tabel 8-4). toets Parameters > tab Tachy > toets DeFT Response Settings (Shock Waveform) Golfvorm (Waveform) Behandeling Tilt HV-outputmode Pulsbreedte (Pulse Width) Monophasic VF Shocks 42; 50; 60; 65% (Nominaal: 65%) VT Shocks Zelfde als Defib; 42; 50; 60; 65% (Nominaal: 65%) 3,0; 3,5; 12,0 ms (Nominaal: 5,5 ms) Zelfde als Defib; 3,0; 3,5; 12,0 ms (Nominaal: Zelfde als Defib) Biphasic - 1st Phase VF Shocks 42; 50; 60; 65% (Nominaal: 65%) VT Shocks Zelfde als Defib; 42; 50; 60; 65% (Nominaal: 65%) 3,0; 3,5; 12,0 ms (Nominaal: 5,5 ms) Zelfde als Defib; 3,0; 3,5; 12,0 ms (Nominaal: Zelfde als Defib) Biphasic - 2nd Phase 1 VF Shocks Gelijk aan de eerste fase 1,2; 1,5; 2,0; 12,0 ms (Nominaal: 5,5 ms) VT Shocks Gelijk aan de eerste fase Zelfde als Defib; 1,2; 1,5; 2,0; 12 ms (Nominaal: Zelfde als Defib) Tabel 8-4. Instellingen voor de hoog-spanningsoutput tilt en pulsbreedte 1. De tweede fase moet minder zijn dan of gelijk zijn aan de eerste fase. 8-28 Tachycardieparameters

TUNED WAVEFORM HELP NB Om een veiligheidsmarge van 10 J te garanderen, dient u te controleren of de maximale afgegeven energie bij de nieuwe Pulse Width-instelling minimaal 10 J groter is dan de defibrillatiedrempel (DFT). De waarden in deze tabellen zijn gebaseerd op een theorie van bifasische defibrillatiegolfvormen ( Burping Theory ) 1. De waarden mogen alleen als aanvullen op de waarden in de paragraaf over Golfvorminstellingen worden gebruikt. 1. Kroll MW. A minimal model of the single capacitor biphasic defibrillation waveform. PACE 1994; 17:1782-1792. U kunt de tabellen hieronder en de volgende instructies gebruiken als hulp bij het kiezen van een geschikte Pulse Width-instelling voor de parameters VF Shocks (Defib) en VT Shocks (CVRT). Gebruik deze tabel (Tabel 8-5) voor pulsgenerators met een capaciteit van 30 J en deze tabel (Tabel 8-6) voor pulsgenerators met een capaciteit van 36 J. Instructies voor Tuned Waveform Help 1. Zoek de schokimpedantiemeting op het paneel Golfvorminstellingen op. 2. Kijk in de eerste kolom in de betreffende tabel (30 J of 36 J) voor de overeenkomstige schokimpedantiewaarde (R-waarde, in ). 3. Loop door de rij naar de eerste twee kolommen. De waarden in groen voor P1 (fase 1 van de bifasische schok) en P2 (fase 2) tonen een gebruikelijke respons. U kunt deze instellingen programmeren voor de parameters VF Shocks (Defib) en/of VT Shocks (CVRT) en proberen om de patiënt nogmaals te defibrilleren. 4. Als de schok die afgegeven werd in stap 3. niet effectief was, probeer dan eerst om nogmaals te defibrilleren met de Pulse Width-instellingen in de kolom Sneller (de blauwe waarden). Als die niet aanvaardbaar zijn, probeer dan de instellingen in de kolom Langzamer (de oranje waarden). NB Tips voor het gebruik van deze tabellen: Zorg er bij het verwijderen van de SVC-spoel voor dat u de schokimpedantie extra controleert, omdat er waarschijnlijk een verandering is in de gemeten impedantie. Als P1 of P2 niet meer dan een halve milliseconde zijn veranderd, is er weinig veranderd. Optimalisatie helpt mogelijk niet bij een zwakke vector. Gezond verstand gaat vóór de tabellen. Block #1 Block #2 Block #3 R ( ) Gebruikelijk Sneller Langzamer P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) 30 3,0 3,0 N/A N/A 3,5 3,5 32 3,0 3,0 3,0 2,5 3,5 3,5 34 3,5 3,5 3,0 2,5 N/A N/A Tabel 8-5. Aanbevelingen voor Pulse Width-instellingen voor ICD alternatieve defibrillatie bifasische golfvormen (30J pulsgenerators) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-29

Block #1 Block #2 Block #3 R ( ) Gebruikelijk Sneller Langzamer P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) 36 3,5 3,5 3,0 2,5 4,0 4,0 38 3,5 3,5 3,0 2,5 4,0 4,0 40 3,5 3,5 3,0 2,0 4,0 4,0 42 3,5 3,5 3,0 2,0 4,0 4,0 44 3,5 3,0 3,0 2,0 4,0 4,0 46 4,0 3,5 3,0 2,0 4,5 4,5 48 4,0 3,5 3,0 2,0 4,5 4,5 50 4,0 3,0 3,5 2,0 4,5 4,5 52 4,0 3,0 3,5 2,0 4,5 4,5 54 4,0 3,0 3,5 2,0 4,5 4,0 56 4,0 3,0 3,5 2,0 5,0 4,5 58 4,0 3,0 3,5 2,0 5,0 4,5 60 4,0 3,0 3,5 2,0 5,0 4,0 62 4,0 3,0 3,5 2,0 5,0 4,0 64 4,0 3,0 3,5 2,0 5,0 4,0 66 4,0 3,0 3,5 2,0 5,0 4,0 68 4,0 3,0 4,0 2,0 5,0 4,0 70 4,0 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 72 4,0 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 74 4,0 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 76 5,0 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 78 5,0 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 80 5,0 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 82 5,0 3,0 4,0 2,0 5,5 3,5 84 5,0 3,0 4,0 2,0 6,0 4,0 86 5,0 3,0 4,0 2,0 6,0 4,0 88 5,0 2,5 4,0 2,0 6,0 4,0 90 5,0 2,5 4,5 2,0 6,0 3,5 92 5,0 2,5 4,5 2,0 6,0 3,5 94 5,5 3,0 4,5 2,0 6,0 3,5 96 5,5 3,0 4,5 2,0 6,0 3,5 98 5,5 3,0 4,5 2,0 6,0 3,5 100 5,5 3,0 4,5 2,0 6,0 3,5 102 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 Tabel 8-5. Aanbevelingen voor Pulse Width-instellingen voor ICD alternatieve defibrillatie bifasische golfvormen (30J pulsgenerators) (vervolg) 8-30 Tachycardieparameters

Block #1 Block #2 Block #3 R ( ) Gebruikelijk Sneller Langzamer P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) 104 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 106 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 108 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 Tabel 8-5. Aanbevelingen voor Pulse Width-instellingen voor ICD alternatieve defibrillatie bifasische golfvormen (30J pulsgenerators) (vervolg) Block #1 Block #2 Block #3 R ( ) Gebruikelijk Sneller Langzamer P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) 30 3,5 3,5 3,0 2,5 N/A N/A 32 3,5 3,5 3,0 2,5 4,0 4,0 34 3,5 3,5 3,0 2,0 4,0 4,0 36 3,5 3,5 3,0 2,0 4,0 4,0 38 3,5 3,0 3,0 2,0 4,0 4,0 40 4,0 3,5 3,0 2,0 4,5 4,5 42 4,0 3,5 3,0 2,0 4,5 4,5 44 4,0 3,0 3,5 2,0 4,5 4,5 46 4,0 3,0 3,5 2,0 4,5 4,5 48 4,0 3,0 3,5 2,0 4,5 4,0 50 4,0 3,0 3,5 2,0 5,0 4,5 52 4,5 3,0 3,5 2,0 5,0 4,0 54 4,5 3,0 3,5 2,0 5,0 4,0 56 4,5 3,0 3,5 2,0 5,0 4,0 58 4,5 3,0 3,5 2,0 5,0 4,0 60 4,5 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 62 4,5 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 64 4,5 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 66 5,0 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 68 5,0 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 70 5,0 3,0 4,0 2,0 5,5 4,0 72 5,0 3,0 4,0 2,0 5,5 3,5 74 5,0 3,0 4,0 2,0 6,0 4,0 76 5,0 3,0 4,0 2,0 6,0 4,0 78 5,0 2,5 4,0 2,0 6,0 4,0 Tabel 8-6. Aanbevelingen voor Pulse Width-instellingen voor ICD alternatieve defibrillatie bifasische golfvormen (36J pulsgenerators) Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-31

Block #1 Block #2 Block #3 R ( ) Gebruikelijk Sneller Langzamer P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) P1 (ms) P2 (ms) 80 5,0 2,5 4,5 2,0 6,0 3,5 82 5,5 3,0 4,5 2,0 6,0 3,5 84 5,5 3,0 4,5 2,0 6,0 3,5 86 5,5 3,0 4,5 2,0 6,0 3,5 88 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 90 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 92 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 94 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 96 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 98 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 100 5,5 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 102 6,0 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 104 6,0 2,5 4,5 2,0 6,5 3,5 106 6,0 2,5 5,0 2,0 7,0 3,5 108 6,0 2,5 5,0 2,0 7,0 3,5 Tabel 8-6. Aanbevelingen voor Pulse Width-instellingen voor ICD alternatieve defibrillatie bifasische golfvormen (36J pulsgenerators) (vervolg) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets DeFT Response Settings HERDETECTIE- & POST-DETECTIECRITERIA Met de programmer kunt u andere detectiecriteria wijzigen die niet gebruikt worden voor routinematige programmering, maar die nodig kunnen zijn om een pulsgenerator bij bepaalde patiënten specifieker te kunnen afstellen. Deze criteria omvatten: VT-herdetectie Sinusritme Post-detectie-interval/frequentie Zie ook: Legenda frequentiezones Beschrijving van post-detectie Toegang vanaf: toets Parameters > toets-redetectie & Post Detectie VT-herdetectie De parameter VT Redetectie (VT-herdetectie) bepaalt hoeveel geregistreerde tachycardie-intervallen er nodig zijn voor de herdetectie van tachycardie na behandeling voor VT, VT-1 of VT-2. Instellingen: (intervals) 6; 7; 20 (Nominaal: 6) Toegang vanaf: toets Parameters > toets-redetection & Post Detection 8-32 Tachycardieparameters

NB Aantal intervallen. Het aantal VT-herdetectie-intervallen moet kleiner zijn dan of gelijk zijn aan het aantal detectie-intervallen voor VT, VT-1, of VT-2. Zone Configuration. In de configuratie 3 Zones bepaalt VT-herdetectie het aantal geregistreerde intervallen dat vereist is voor tachycardie-herdetectie in de zones voor VT-1 en VT-2. SVT-discriminators. Als er een tachycardie gedetecteerd wordt maar de diagnose wordt onderdrukt als gevolg van de SVT-discriminators, dan heeft de pulsgenerator zes intervallen nodig om de tachycardie opnieuw te detecteren, ongeacht de geprogrammeerde instelling van de VT-herdetectie. Sinusritme De parameter Sinus Redetection (Herdetectie van sinus) bepaalt hoeveel geregistreerde sinusintervallen er nodig zijn na de detectie van tachycardie om de aritmie als beëindigd te beschouwen. De instelling Fast (3 intervallen) verlaagt het aantal intervallen dat nodig is voor de herdetectie van een sinusritme. De instelling Slow (7 intervallen) verhoogt het aantal intervallen voor de herdetectie van het sinusritme. Het veranderen van de Zone Configuration zet deze parameter niet terug op de nominale waarde. Instellingen: Fast (3 intervallen); Nominaal (5 intervallen); Slow (7 intervallen) (Nominaal: Nominaal (5 intervallen)) Toegang vanaf: toets Parameters > toets-redetection & Post Detection Post-detectie-interval/frequentie De parameter Post Detection Interval/Rate (Post-detectie-interval/frequentie) bepaalt welk interval/frequentie gebruikt wordt voor de herdetectie van een aritmie die vertraagd is door behandeling van de pulsgenerator. Als er een behandeling is afgegeven en de cycluslengte van de aritmie blijft korter dan het post-detectie-interval/frequentie voor het geprogrammeerde aantal VT-herdetectie-intervallen, dan geeft de pulsgenerator de volgende behandeling af. De namen en het aantal van de toetsen voor Post Detection Interval/Rate die beschikbaar zijn variëren naargelang de Zone Configuration. De parameterinstellingen voor elke Post Detection Interval/Rate staan vermeld in de tabel hieronder (Tabel 8-7). Post-detectie Interval/frequentie Zoneconfiguratie (Zone Configuration) 1 Zone 2 Zones 3 Zones Post VT of Post VT-1 n.v.t. Zelfde als VT tot VT +30 ms in stappen van 5 ms (Nominaal: Zelfde als VT) Absoluut bereik: 300, 310, 590 ms Zelfde als VT-1 tot VT-1 +30 ms in stappen van 5 ms (Nominaal: Zelfde als VT-1) Absoluut bereik: 300, 305, 590 ms Post VF of Post VF/VT-2 Zelfde als VF of VF +50 ms in stappen van 10 ms (Nominaal: Zelfde als VF) Absoluut bereik: 200, 210, 590 ms Zelfde als VT tot Zelfde als VF in stappen van 10 ms (Nominaal: Zelfde als VT) Absoluut bereik: 200, 210, 590 ms Zelfde als VT-1 tot Zelfde als VT-2 in stappen van 10 ms (Nominaal: Zelfde als VT-1) Absoluut bereik: 200, 210, 590 ms Tabel 8-7. Instellingen voor post-detectie-interval/frequentie Toegang vanaf: toets Parameters > toets-redetection & Post Detection Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-33

BESCHRIJVING VAN POST-DETECTIE Configuratie 1 Zone Configuratie 2 Zones Configuratie 3 Zones Configuratie 1 Zone Het veranderen van de instelling voor Post VF kan nuttig zijn bij een Detectie-interval/frequentie1 Zone-configuratie voor een patiënt wiens aanvangstachyaritmie routinematig is vertraagd door behandeling, maar die hemodynamisch gezien nog gevaarlijk is. In dit geval kan de parameter Post VF Detection Interval/Rate Interval opnieuw geprogrammeerd worden om detectie van dit langzamere ritme mogelijk te maken. Als u de parameter Post VF Detection Interval/Rate op de nominale instelling laat staan, worden intervallen van 0 tot 50 ms langer dan de parameter voor VF Detection Interval/Rate niet meegeteld voor herdetectie van sinus noch voor herdetectie van fibrillatie. De juiste instelling van de parameter Post VF Detection Interval/Rate garandeert dat de volgende VF-behandeling wordt afgegeven als de cycluslengte van de aritmie tijdelijk is verlengd door behandeling. Dit voorkomt dat de pulsgenerator een nieuwe episode identificeert en dezelfde, eerder ineffectieve behandeling afgeeft. Als de parameter Post VF Detection Interval/Rate wordt veranderd in een andere dan de nominale instelling, moet voor herdetectie van sinus het gemiddelde interval langer zijn dan de geprogrammeerde instelling voor Post VF Detection Interval/Rate. Zie Venster Zone Configuration, DetectiecriteriaHerdetectie- & post-detectiecriteria. Configuratie 2 Zones Het veranderen van de parameter Post VF Detection Interval/Rate-interval kan nuttig zijn bij een 2 Zones-configuratie voor een patiënt wiens aritmie routinematig door VF-behandeling is omgezet in een snelle sinustachycardie binnen het VT-detectie-interval/bereik. Poging tot behandeling van dat ritme is mogelijk niet gewenst. De instelling voor Post VF Detection Interval/Rate zou daarom korter gemaakt kunnen worden dan het interval van de sinustachycardie. Intervallen langer dan de instelling voor Tach Detection Interval/Rate worden meegeteld voor sinusherdetectie. Nadat VT-behandeling is afgegeven, bepaalt de instelling Post VT Detection Interval/Rate de criteria voor herdetectie van tachycardie. Als VT-behandeling de aritmie vertraagt, maar het interval nog steeds kort genoeg is om te voldoen aan de criteria van het Post VT Detection Interval/Rate, geeft de pulsgenerator aanvullende VT-behandeling af. Intervallen die langer zijn dan de instelling voor Post VT Detection Interval/Rate worden meegeteld bij herdetectie van sinus. Nadat er VF-behandeling is afgegeven, wordt de instelling voor Post VF Detection Interval/Rate gebruikt als het criterium voor herdetectie van VF. Als VF behandeling afgegeven werd als resultaat van het verstrijken van de VT-behandelings-time-outperiode, dan treedt herdetectie op als de cycluslengte van de aritmie minimaal zes intervallen lang voldoet aan de criteria voor ofwel VT Therapy Timeout (Verstrijken van VT-behandelingsperiode) of Post VF Detection Interval/Rate. De geprogrammeerde VT Therapy Timeout-detectietijd hoeft niet opnieuw te verstrijken voordat de volgende behandeling afgegeven wordt. Zie Venster Zone Configuration, Detectiecriteria, Herdetectie- & post-detectiecriteria. 8-34 Tachycardieparameters

Configuratie 3 Zones Nadat VT-1-behandeling is afgegeven in de configuratie 3 Zones, bepaalt de instelling Post VT-1 Detection Interval/Rate de criteria voor herdetectie van VT-1. Als VT-1-behandeling de aritmie vertraagt, maar het interval nog steeds kort genoeg is om te voldoen aan de criteria voor Post VT-1 Detection Interval/Rate, geeft de pulsgenerator aanvullende VT-1-behandeling af. Intervallen langer dan de instelling voor Post VT-1 Detection Interval/Rate worden geteld bij herdetectie van sinus. Na afgifte van de VT-1-behandeling in de configuratie 3 Zones moet het gemiddelde van de intrinsieke intervallen langer zijn dan de geprogrammeerde instelling voor Post VT-1 Detection Interval/Rate voordat de pulsgenerator het sinusritme kan herdetecteren. Na afgifte van de VT-2 of VF-behandeling moet het gemiddelde van de intrinsieke intervallen langer zijn dan de geprogrammeerde instelling voor Post VT-1 Detection Interval/Rate voordat de pulsgenerator het sinusritme kan herdetecteren. Nadat er VF-behandeling is afgegeven, wordt de instelling voor Post VF/VT-2 Detection Interval/Rate gebruikt als het criterium voor herdetectie van VF. Als de VF-behandeling de aritmie dus vertraagt maar het interval nog steeds kort genoeg is om te voldoen aan de criteria voor Post VF/VT-2 Detection Interval/Rate, geeft de pulsgenerator aanvullende VF-behandeling af. Als de instelling voor Post VF/VT-2 Detection Interval/Rate wordt veranderd in een andere instelling dan de nominale, als een VF-behandeling de frequentie vertraagt tot lager dan het Post VF/VT-2 Interval/Rate maar sneller dan VT-1, dan bewaakt de pulsgenerator de aritmie maar geeft deze geen aanvullende behandeling af totdat het ritme versnelt of de VT-behandelings-time-out-periode verstrijkt. Zie Venster Zone Configuration, Detectiecriteria, Herdetectie- & post-detectiecriteria. POST-SCHOK-STIMULATIE Vanuit het venster Post-Shock Pacing (Post-schok-stimulatie) kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Post-schok-mode Post-schok-basisfrequentie Post-schok-pauze Post-schok-duur Pulsamplitude Pulsbreedte Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Post-Shock Pacing Post-schok-mode De parameter Post-Shock Mode bepaalt welke stimulatiemode gebruikt wordt nadat er een hoog-spanningsschok is afgegeven. De Post-Shock Mode begint wanneer sinusritme opnieuw gedetecteerd is. De beschikbare instellingen hangen af van de geprogrammeerde stimulatie-mode-instelling zoals getoond in de tabel hieronder (Tabel 8-8). Zie Herdetectie- & post-detectiecriteria. Pacing Mode Beschikbare Post-Shock Mode voor Current tweekamer- en Promote pulsgenerators Beschikbare Post-Shock Mode voor Current eenkamer-pulsgenerators AAI(R) Off, AAI, VVI, DDI n.v.t. VVI(R) Off, VVI, DDI Off, VVI Tabel 8-8. Instellingen van de Post-schok-mode Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-35

Pacing Mode Beschikbare Post-Shock Mode voor Current tweekamer- en Promote pulsgenerators Beschikbare Post-Shock Mode voor Current eenkamer-pulsgenerators DDI(R) Off, AAI, VVI, DDI n.v.t. DDD(R) Off, AAI, VVI, DDI, DDD n.v.t. Pacer Off, AOO(R), VOO(R) of DOO(R) n.v.t. n.v.t. Tabel 8-8. Instellingen van de Post-schok-mode (vervolg) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Post-Shock Pacing Post-schok-basisfrequentie De parameter Post-Shock Base Rate stelt de minimale stimulatiefrequentie in nadat er een hoog-spanningsschok is afgegeven. De Post-Shock Base Rate wordt onmiddellijk na het Post-schok-pauze-interval van kracht. Instellingen: (min ) 30; 35; 100 (Nominaal: 60) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Post-Shock Pacing Post-schok-pauze De parameter Post-Shock Pause is de tijd die moet verstrijken nadat er een hoog-spanningsschok is afgegeven en post-schok-stimulatie kan beginnen. Bij sommige patiënten kan onmiddellijke stimulatie na een hoog-spanningsschok een aritmie veroorzaken. Instellingen: (s) 1; 2; 7 (Nominaal: 2) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Post-Shock Pacing Post-schok-duur De parameter Post-Shock Duration (Post-schok-duur) is de tijdsperiode gedurende welke stimulatie, met behulp van de post-schok-stimulatieparameters, doorgaat nadat er een hoog-spanningsschok is afgegeven. Het Post-Shock Duration-interval begint onmiddellijk nadat de hoog-spanningsschok is afgegeven. Instellingen: (min) 0,5; 1; 2,5; 5; 7,5; 10 (Nominaal: 0,5) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Post-Shock Pacing NB Interacties. Tijdens het Post-Shock Duration-interval worden de parameters Sensor (frequentiegevoelige stimulatie) en Rate Responsive AV Delay uitgeschakeld. Pulsamplitude De parameter Post-Shock Pulse Amplitude bepaalt hoeveel elektrisch potentiaal er wordt toegepast op het myocardium tijdens de stimulatie die volgt op de afgifte van een hoog-spanningsschok. De instelling van post-shock Pulse Amplitude moet gelijk zijn aan of groter zijn dan de permanente stimulatie-instelling van de Pulsamplitude. De post-shock Pulse Amplitude-instelling wordt onmiddellijk na het Post-schok-pauze-interval van kracht. Instellingen: (V) 0,25; 0,50; 7,5 (Nominaal: 7,5) 8-36 Tachycardieparameters

Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Post-Shock Pacing Pulsbreedte De parameter post-shock Pulse Width bepaalt hoelang de pulsamplitude wordt toegepast op het myocardium tijdens de stimulatie die volgt op de afgifte van een hoog-spanningsschok. De instelling van post-shock Pulse Width moet gelijk zijn aan of groter zijn dan de permanente Pulsbreedte-instelling van de stimulatie. De post-shock Pulse Width-instelling wordt onmiddellijk na het Post-schok-pauze-interval van kracht. Instellingen: (ms) 0,5; 1,0; 1,1; 1,2; 1,5 (Nominaal: 1,5) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Post-Shock Pacing CONDENSATORONDERHOUD Het venster Capacitor Maintenance (Condensatoronderhoud) toont tot welk voltage de hoog-spanningscondensatoren opladen bij opladingen voor condensatoronderhoud. U kunt de instelling van het Charge Interval veranderen. Zie ook Capacitor-test. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Capacitor Maintenance Charge Interval De parameter Charge Interval (Laadinterval) bepaalt de tijd tussen automatische opladingen voor condensatoronderhoud. NB Wanneer de batterijspanning daalt tot tussen 2,56 en 2,86 V, staat de parameter Charge Interval (Ladingsinterval) alleen de instelling 1 month (1 maand) toe. Instellingen: (maanden) 1; 2; 6 (Nominaal: 3) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Tachy > toets Capacitor Maintenance GEDETAILLEERDE BESCHRIJVINGEN TACHYCARDIEBEHANDELING Zonebeschrijvingen Legenda frequentiezones Beschrijving van tachyaritmiedetectie Beschrijving van SVT-discriminatie Beschrijving van tachyaritmiebehandeling ZONEBESCHRIJVINGEN De volgende zoneconfiguraties voor tachyaritmiebehandeling zijn beschikbaar: Off 1Zone Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-37

Off 2 Zones 3 Zones Bij de configuratie Off wordt geen diagnose of behandeling van tachyaritmie toegestaan. De pulsgenerator slaat geen diagnostische informatie of episodes op die samenhangen met ventriculaire tachyaritmieën. Episodes die opgewekt zijn door een test met de pulsgenerator worden wel opgeslagen. Venster morfologiescoring is beschikbaar. Deze configuratie is nuttig in de volgende situaties: Onmiddellijk na operatie, wanneer er een toename van supraventriculaire aritmieën kan optreden Wanneer de patiënt voortdurend bewaakt wordt in het ziekenhuis Tijdens chirurgie met behulp van elektrochirurgische apparatuur, die hoogspanningsoutputs vanuit de pulsgenerator kan opwekken Implantatie of explantatie van de pulsgenerator Gebruik de toets Tachycardie-behandeling inschakelen/uitschakelen om tachycardiebehandelingen tijdelijk uit te schakelen. Wanneer u een pulsgeneratorconfiguratie tijdelijk programmeert op Off, worden de eerdere instellingen niet bewaard in het geheugen. 1Zone De configuratie 1 Zone maakt detectie mogelijk van een enkelvoudige tachyaritmiefrequentie (dit wordt fibrillatie genoemd). SVT-discriminators zijn niet beschikbaar bij deze configuratie. 2Zones De configuratie 2 Zones herkent twee detectiefrequenties voor tachyaritmie: Tachycardie (VT), de langzamere frequentie Fibrillatie (VF), de snellere frequentie SVT-discriminators zijn beschikbaar in de VT-frequentiezone. Zie Gegevens SVT-discriminatie. 3Zones Bij de configuratie 3 Zones worden drie detectiefrequenties voor tachyaritmie herkend: Tachycardie (VT-1), de langzaamste frequentie Tachycardie (VT-2), een snellere frequentie Fibrillatie (VF), de snelste frequentie SVT-discriminators zijn beschikbaar in de frequentiezones VT-1 en VT-2. Zie Gegevens SVT-discriminatie. LEGENDA FREQUENTIEZONES De Rate Zone Legend (Legenda frequentiezones) is een grafische weergave van de Detectie-interval/frequentie-instellingen voor elke frequentiezone, en de grens van de SVT-discriminatie. Het 8-38 Tachycardieparameters

SVT-bovengrens-interval/frequentie wordt weergegeven als er een specifiek interval is geselecteerd voor de grens van de SVT-discriminatiezone. BESCHRIJVING VAN TACHYARITMIEDETECTIE Detectie van een tachyaritmie is gebaseerd op twee criteria: (1) het Detectie-interval/frequentie; en (2) het Aantal intervallen. De pulsgenerator classificeert gedetecteerde gebeurtenissen op basis van het huidige interval en een lopend intervalgemiddelde (een gemiddelde van het huidige interval en de vorige drie intervallen). Om te voldoen aan de detectiecriteria en om te worden gebruikt voor detectie, moeten zowel het huidige interval als het lopende intervalgemiddelde korter zijn dan of gelijk zijn aan het langste interval/frequentie voor tachyaritmiedetectie. Het interval wordt geclassificeerd als het kortste van (1) het interval of (2) het intervalgemiddelde. Detectie vindt plaats wanneer een detectiezone het vereiste aantal intervallen classificeert. Nadat er behandeling is afgegeven of een ritme geclassificeerd is als SVT, moet de pulsgenerator een minimaal aantal intervallen classificeren voordat deze opnieuw een tachyaritmie detecteert of het ritme als SVT classificeert. Zie Gegevens SVT-discriminatie, VT-herdetectie, Post-detectie-interval/frequentie en Beschrijving van tachyaritmiebehandeling. Nadat er verschillende intervallen tijdens een episode zijn geclassificeerd, zorgt de pulsgenerator voor een mode switch naar een non-tracking stimulatiemode en wordt frequentiegevoelige stimulatie (Sensor) uitgeschakeld om te voorkomen dat stimulatie op hoge frequentie tijdens een episode mogelijk een aritmie maskeert. Een bigeminaal ritme kan intervallen en lopende intervalgemiddelden hebben die sneller zijn dan het geprogrammeerde detectie-interval/frequentie. Om bescherming te bieden tegen het afgeven van behandeling in een bigeminaal ritme, moet de pulsgenerator meer tachyaritmie-intervallen dan sinus-intervallen detecteren voordat deze een behandeling afgeeft. Als er discriminators ingeschakeld zijn, moeten deze een ritme als VT classificeren voordat de pulsgenerator tachycardiebehandeling afgeeft. Zie Gegevens SVT-discriminatie. BESCHRIJVING VAN SVT-DISCRIMINATIE Gedetailleerde beschrijving van frequentiebranch Gedetailleerde beschrijving van morfologie Gedetailleerde beschrijving van intervalstabiliteit Gedetailleerde beschrijving van plotselinge start Richtlijnen voor het programmeren van SVT-discriminatiecriteria Beschrijving van SVT-discriminatie-time-out Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-39

Gedetailleerde beschrijving van frequentiebranch De figuur hieronder (Figuur 8-2) laat in diagramvorm zien hoe de Rate Branch discriminator samenwerkt met de andere SVT-discriminators om een ritme als VT of SVT te classificeren. Mediane atriale en ventriculaire frequenties Frequentiebranch VT/VF (V > A) Sinus Tach (V = A) AF/AFlutter (V < A) Aanvullende discriminatoren Morfologie en/of plotselinge start Morfologie en/of intervalstabiliteit Diagnose (waarschijnlijk ritme) VT VT SVT (1:1 V-A) VT SVT (AF of Multiblock) Behandeling afgeven Behandeling afgeven Behandeling onderdrukken Behandeling afgeven Behandeling onderdrukken Figuur 8-2. Stroomdiagram Frequentiebranch AF/AFL-frequentiebranch. Als de ventriculaire frequentie lager is dan de atriale frequentie (V<A) zijn Morfologie en Intervalstabiliteit beschikbaar om het ritme verder te kwalificeren. Deze discriminators kunnen helpen om VT te onderscheiden van atriale fibrillatie of atriale flutter. Frequentiebranch. Als de rechts-ventriculaire frequentie in feite hetzelfde is als de atriale frequentie (V=A) zijn Morfologie en Plotselinge start beschikbaar om het ritme verder te kwalificeren. Deze discriminators kunnen helpen om 1:1 retrograde VT te onderscheiden van sinustachycardie. In de Sinus Tach-frequentiebranch kan de AV-intervaldelta gebruikt worden als pre-kwalificerend element. Als de AV Interval Delta bepaalt dat er verschil is tussen het atriale en ventriculaire ritme, dan worden Morfologie en Sudden Onset niet geëvalueerd en vindt de diagnose onmiddellijk plaats. VT/VF-frequentiebranch. Als de ventriculaire frequentie groter is dan de atriale frequentie (V>A), worden er geen discriminatiecriteria gebruikt om de diagnose te stellen. Diagnose vindt plaats en het apparaat begint met de behandeling. Gedetailleerde beschrijving van morfologie De discriminator Morphology vergelijkt de vorm (morfologie) van sinuscomplexen met de complexen van een aritmie om SVT te helpen onderscheiden van VT. De discriminator Morphology vergelijkt ieder complex in een groep recente complexen (Morfologievenstergrootte) met een opgeslagen template-complex. Er wordt een morfologiescore toegekend, die aangeeft welk percentage van het complex gelijk is aan de opgeslagen template. Zie Morfologie-template. Wanneer Morfologie ingesteld is op On, begint scoring wanneer het eerste aritmie-interval van een episode wordt gedetecteerd of wanneer om scoring wordt verzocht door de programmer (bijvoorbeeld tijdens real-time EGM-weergave). Tijdens een episode stopt de score zodra de aanvankelijke diagnose in die episode gesteld is. Er verschijnen daarom geen scores op het EGM nadat het opladen is begonnen of tijdens herdetectie. De score begint opnieuw voor een aantal complexen na herdetectie van sinusritme. Zie Beschrijving van tachyaritmiedetectie. Wanneer Morphology ingesteld is op Passive, slaat de pulsgenerator diagnostische informatie op, maar de discriminator Morphology beïnvloedt de diagnose niet. Bij Current twee-kamer en Promote pulsgenerators wordt Morfologie onafhankelijk geprogrammeerd voor de frequentiebranches AF/AFL en Sinus Tach. 8-40 Tachycardieparameters

Gedetailleerde beschrijving van intervalstabiliteit De discriminator Interval Stability (Intervalstabiliteit) kan helpen atriale fibrillatie (AF) te onderscheiden van VT. Intervalstabiliteit kan worden ingesteld op Off en op de volgende instellingen: On. Wanneer de discriminator Interval Stability ingesteld is op On, slaat de pulsgenerator diagnostische informatie over AV-associatie (AVA) of sinusintervalgeschiedenis (SIH) op, evenals de stabiliteit van de aritmie; alleen de discriminator Interval Stability beïnvloedt echter de diagnose van een ritme. Passive. Wanneer de discriminator Interval Stability ingesteld is op Passive, slaat de pulsgenerator diagnostische informatie over AVA of SIH op, evenals de stabiliteit van de aritmie, maar de discriminator Interval Stability beïnvloedt de diagnose niet. On w/ava. Wanneer de discriminator Interval Stability ingesteld is op On w/ava en het ritme geclassificeerd is als VT, wordt de gemeten AV-associatiedelta (het verschil tussen het op één na langste en het op één na kortste AV-interval in een recente groep intervallen die gedefinieerd wordt door de Venstergrootte intervalstabiliteit) onderzocht. Als de gemeten AV-associatiedelta stabiele AV-intervallen laat zien, wordt het ritme geclassificeerd als SVT. Als de AV-intervallen niet stabiel zijn, wordt het ritme geclassificeerd als VT. Deze instelling kan nuttig zijn voor het herkennen van atriale flutter. Zie Venstergrootte intervalstabiliteit. On w/sih. Wanneer de discriminator Interval Stability ingesteld is op On w/sih (Sinus Interval History) en het ritme geclassificeerd wordt als VT, wordt het aantal sinusintervallen of gemiddelde intervallen tijdens detectie van de aritmie (de gemeten SIH-telling) onderzocht. Als de gemeten SIH-telling lager is dan de geprogrammeerde SIH-telling (SIH Count), wordt het ritme geclassificeerd als VT. Als de gemeten SIH-telling gelijk is aan of groter is dan de geprogrammeerde Interval Stability: SIH Count, wordt het ritme geclassificeerd als SVT. Wanneer Interval Stability op On w/sih staat en het ritme geclassificeerd wordt als SVT, dan wordt de SIH-telling niet gecontroleerd. Deze instelling kan nuttig zijn bij het herkennen van AF die geregulariseerd is. Gedetailleerde beschrijving van plotselinge start De discriminator Sudden Onset (Plotselinge start) vergelijkt het gemiddelde interval met vorige intervalgemiddelden om vast te stellen of het verschil (absolute of percentuele verandering) groot genoeg is om te voldoen aan het criterium voor Sudden Onset. Omdat er gemiddelde intervallen worden gebruikt voor de vergelijking, kan een enkel lang interval tijdens een geleidelijke verhoging van frequentie (correct) tot gevolg hebben dat er niet voldaan wordt aan het Sudden Onset-criterium. In het andere geval zal een enkel lang interval te midden van verschillende korte intervallen na een abrupte verandering van cycluslengte die groter is dan de geselecteerde Startdelta, het waarschijnlijk mogelijk maken dat er nog steeds voldaan wordt aan het Sudden Onset-criterium. Wanneer Plotselinge start geprogrammeerd is op Passive, slaat de pulsgenerator diagnostische informatie op over de start van een aritmie, maar beïnvloedt de discriminator Sudden Onset de diagnose niet. Als Sudden Onset geprogrammeerd is op On, slaat de pulsgenerator diagnostische informatie op en houdt deze rekening met de Onset-delta voordat VT als diagnose wordt gesteld. RICHTLIJNEN VOOR HET PROGRAMMEREN VAN SVT-DISCRIMINATIECRITERIA Alleen-ventriculaire SVT-discriminatie Tweekamer SVT-discriminatie Het nut van de SVT-discriminators wordt samengevat in de tabel hieronder (Tabel 8-9). Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-41

SVT Discriminator Frequentiebranch Morfologie Plotselinge start Intervalstabiliteit Intervalstabiliteit met SIH Intervalstabiliteit met AVA Mogelijke toepassing SVT met snelle atriale frequenties onderscheiden van VT Normaal geleide ritmes zoals sinustachycardie of atriale fibrillatie onderscheiden van VT Sinustachycardie onderscheiden van VT Atriale fibrillatie onderscheiden van VT Atriale fibrillatie met frequentieregulering onderscheiden van VT Atriale flutter onderscheiden van VT Overwegingen bij de selectie Alleen gebruiken als de atriale elektrode op zijn plaats zit en als er betrouwbare atriale waarneming aanwezig is Alleen gebruiken als de scores van % Match op het basislijn-ritme groter zijn dan 80% Mogelijk ongeschikt voor patiënten met frequentie-gerelateerde bundle-branch blocks of voor patiënten met VT-morfologie die gelijk is aan die van het basislijn-ritme Mogelijk ongeschikt voor patiënten met door inspanning geïnduceerde VT of zeer langzame VT Met voorzichtigheid gebruiken als de VT van de patiënt frequentievariabiliteit heeft vertoond Met voorzichtigheid gebruiken als de VT van de patiënt frequentievariabiliteit heeft vertoond Met voorzichtigheid gebruiken als de VT van de patiënt frequentievariabiliteit heeft vertoond Tabel 8-9. Samenvatting van de SVT-discriminatiecriteria en het gebruik ervan Alleen-ventriculaire SVT-discriminatie Voordat u een van de SVT-discriminators op On programmeert, dient u de mode Passive te gebruiken om de prestatie van de discriminator bij geïnduceerde of spontane gebeurtenissen te evalueren. Totdat naar aanleiding van de patiëntgeschiedenis of de diagnostische gegevens geschiktere instellingen voor een bepaalde patiënt vastgesteld zijn, worden de instellingen in de tabel hieronder (Tabel 8-10) aanbevolen. Wanneer de SVT-discriminators op On of Passive geprogrammeerd zijn, slaat de pulsgenerator diagnostische informatie op voor gebeurtenissen die binnen de SVT-discriminatie vallen, inclusief de gemeten delta s voor de parameters Sudden Onset en Interval Stability, informatie over de prestatie van het morfologietemplate en de classificatie van het ritme door elke discriminator. Raadpleeg deze gegevens bij het kiezen van de juiste discriminators en instellingen voor gebruik in de toekomst. 8-42 Tachycardieparameters

Aritmie van de patiënt Parameter VT en atriale fibrillatie VT en atriale flutter VT en sinus tachycardie Sudden Onset/ Onset Delta Off of Passive/ 100 ms Off of Passive/ 100 ms Passive of On/ 100 ms Interval Stability/ Stability Delta On/80 ms Off of Passive/ 80 ms Off of Passive/ 80 ms Morphology/ %Match/ No. Matches On/60%/5 van 8 On/60%/ 5van8 On/60%/5 van 8 Tachycardia Diagnosis Criteria 1 Diagnose If Any classificeren als VT 2 n.v.t. Diagnose If Any classificeren als VT 2 Tabel 8-10. Aanbevolen aanvangsinstellingen van de SVT-discriminators bij de alleen-ventriculaire SVT-discriminatiemode 1. Met ten minste twee discriminators op On is de aanbevolen instelling voor de diagnosecriteria voor tachycardie If Any, de meest conservatieve toepassing. Selecteer de instellingen If 2 of 3 of If All voor een agressievere aanpak om te vermijden dat behandeling wordt gegeven bij niet-ventriculaire ritmes. 2. Als meer dan één discriminator op On staat. Tweekamer SVT-discriminatie Bij de tweekamer-svt-discriminatiemode moeten de discriminators geprogrammeerd worden op On, indien van toepassing, om VT-diagnose mogelijk te maken nadat er al een frequentiebranch-classificatie is gemaakt. Discriminators zijn de enige manier waarop afgifte van behandeling kan worden ingeschakeld als er een AF/AFL of een Sinus Tach-frequentiebranch-classificatie is gemaakt voor een detectie. Totdat naar aanleiding van de patiëntgeschiedenis of de diagnostische gegevens geschiktere instellingen voor een bepaalde patiënt vastgesteld zijn, worden de instellingen in de tabel hieronder (Tabel 8-11) aanbevolen. Wanneer de discriminators op On of Passive geprogrammeerd zijn, slaat de pulsgenerator diagnostische informatie op voor gebeurtenissen die binnen de SVT-discriminatie vallen, inclusief de gemeten delta voor de parameters Sudden Onset en Interval Stability, informatie over de prestatie van het morfologietemplate en de classificatie van het ritme door iedere SVT-discriminator. Raadpleeg deze gegevens bij het kiezen van de juiste discriminators en instellingen voor gebruik in de toekomst. Aritmie van de patiënt Parameter VT en atriale fibrillatie VT en atriale flutter VT en sinus tachycardie Sudden Onset/ Onset Delta n.v.t. n.v.t. Passive of On/ 100 ms Interval Stability/ Stability Delta On/80 ms Off of Passive/ 80 ms n.v.t. Morphology/ %Match/ No. Matches On/60%/5 van 8 On/60%/ 5van8 On/60%/5 van 8 Tachycardia Diagnosis Criteria 1 Diagnose If Any classificeren als VT 2 n.v.t. Diagnose If Any classificeren als VT 2 Tabel 8-11. Aanbevolen aanvankelijke SVT-discriminatorinstellingen voor de Dual Chamber SVT Discrimination mode 1. De voorgestelde instelling is Als Any, de meest conservatieve toepassing als meer dan één van de beschikbare discriminators is geprogrammeerd op On in iedere branch. 2. Als meer dan één discriminator op On staat. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-43

BESCHRIJVING VAN SVT-DISCRIMINATIE-TIME-OUT Zie ook: SVT-discriminatie-time-out in een Monitor Only-zone De flexibiliteit in de programmering van de pulsgenerator maakt het mogelijk behandeling te onderdrukken als er supraventriculaire tachycardieën (SVT) worden gedetecteerd. Om mogelijke onjuiste onderdrukking van behandeling gedurende een lange tijdsperiode te voorkomen, beschikt de pulsgenerator echter over de functie SVT-discriminatie-time-out Deze functie is een timer waarmee de pulsgenerator behandeling voor SVT s kan onderdrukken gedurende de geprogrammeerde tijdsduur. Als een aritmie die voldoet aan het langzaamste tachyaritmie-detectie-interval/frequentie langer bestaat dan de geprogrammeerde duur (SVT-discriminatie-time-out), laat de pulsgenerator het gebruik van de SVT-discriminators (inclusief Frequentiebranch) achterwege en start deze de geprogrammeerde Behandeling na time-out. Als er geen SVT-discriminators op On zijn geprogrammeerd en de SVT-discriminatiemode Ventricular Only is, dan is de SVT Discrimination Timeout-timer niet beschikbaar. Als er SVT-discriminators zijn geprogrammeerd op On of de SVT-discriminatiemode is ingesteld op Dual Chamber, dan start de SVT Discrimination Timeout-timer wanneer de pulsgenerator een intervalgemiddelde detecteert dat gelijk is aan of korter is dan het VT-detectie-interval (2 Zones) of het VT-1 detectie-interval (3 Zones). Zie ook SVT-discriminatie-time-out in een Monitor Only-zone. De SVT Discrimination Timeout-timer stopt en wordt gereset als deze afloopt en de behandeling start, als een tachyaritmiediagnose optreedt of als sinusritme wordt gedetecteerd. SVT-discriminatie-time-out in een Monitor Only-zone De SVT-discriminatie-time-out-timer is niet beschikbaar in de configuratie 2 Zones wanneer VT-behandelingen zijn uitgeschakeld om een Monitor Only-zone te creëren. In dit geval worden alle VT-behandelingen uitgeschakeld en werken de SVT-discriminators niet in het enige gebied waarin behandeling is ingeschakeld (fibrillatie). De SVT Discrimination Timeout-timer is beschikbaar in de configuratie 3 Zones wanneer VT-1-behandelingen uitgeschakeld zijn om een Monitor Only Zone te creëren en de SVT-discriminators van toepassing zijn op ritmes binnen de VT-2-frequentiezone. In dat geval start de SVT Discrimination Timeout-timer wanneer het apparaat een gemiddeld interval detecteert dat korter is dan of gelijk is aan het VT-2-detectie-interval. Behandeling na time-out kan geprogrammeerd worden op VF Therapy of VT Therapy. Als de SVT-discriminators niet van toepassing zijn op ritmes binnen de VT-2 frequentiezone, dan is de SVT Discrimination Timeout-timer niet beschikbaar en wordt behandeling afgegeven zoals geprogrammeerd. BESCHRIJVING VAN TACHYARITMIEBEHANDELING De pulsgenerator controleert tijdens het laden van de condensatoren voor een hoog-spanningsschok voortdurend op de aanwezigheid van tachyaritmie en bevestigt dat de tachyaritmie nog steeds aanwezig is, voordat er behandeling wordt afgegeven. Behandeling wordt ook afgegeven als de aritmiefrequentie vertraagt, maar nog steeds binnen het geprogrammeerde frequentiebereik is voor detectie van tachyaritmie (of sneller dan het herdetectie-interval van sinus). Dit is het proces van herbevestiging. Als het apparaat sinusritme detecteert voordat de behandeling wordt afgegeven, wordt het laden beëindigd en de schok afgebroken. De spanning op de condensatoren wordt niet gedumpt wanneer het laden is beëindigd, maar neemt geleidelijk af. Binnen 1 uur is er nog maar zeer weinig spanning over op de condensatoren. De resterende spanning op de hoogspanningscondensatoren kan gemeten worden met behulp van de Capacitor-test. Als de eerste tachycardiebehandeling ATP (ATP Parameters) is, wordt ATP afgegeven, gevolgd door maximaal vier cardioversieschokken in een enkele episode. Als er voldaan is aan de Diagnose en de eerste behandeling geprogrammeerd is op ATP, geeft de pulsgenerator ATP synchroon af met de waargenomen gebeurtenis die de diagnose veroorzaakte. 8-44 Tachycardieparameters

Als de eerste tachycardiebehandeling cardioversie is, kunnen er maximaal vijf cardioversieschokken gegeven worden voor dat ritme in een enkele episode. Als de configuratie 3 Zones wordt geselecteerd, zijn er vijf behandelingen beschikbaar in elk van de VT-1- en VT-2-behandelingszones. Er kunnen maximaal 6 defibrillatieschokken afgegeven worden in een enkele episode. De eerste en tweede schok worden ieder eenmaal afgegeven; de derde fibrillatiebehandeling bestaat zonodig uit maximaal 4 schokken. Alle hoogspanningsschokken worden gesynchroniseerd op waargenomen gebeurtenissen. Wanneer de Golfvorm-mode op Tilt geconfigureerd is, worden behandelingen geprogrammeerd in energie en weergegeven met het bijbehorende aanvankelijke voltage. Wanneer de HV Output Mode is geconfigureerd op Pulse Width, worden behandelingen geprogrammeerd in voltage en weergegeven met de bijbehorende geschatte afgegeven energie. BESCHRIJVING VAN VT-BEHANDELINGS-TIME-OUT Zie ook: VT-behandelings-time-out in een Monitor Only-zone De functie VT-behandelings-time-out is een timer waarmee de pulsgenerator gedurende een programmeerbare tijdsduur kan proberen tachycardiebehandeling te geven zodra de eerste tachycardiebehandeling afgegeven wordt. De parameter Timeout-trigger bepaalt welke behandeling de timer triggert. Wanneer de VT Therapy Timeout-timer afgelopen is, houdt de pulsgenerator op met tachycardiebehandelingen en geeft deze fibrillatiebehandelingen af. Als de tachycardie versnelt naar fibrillatie, geeft de pulsgenerator fibrillatiebehandeling op de normale manier, zonder dat de VT Therapy Timeout-timer hoeft af te lopen. Als alle tachycardiebehandelingen zijn gegeven en de aritmie nog steeds aanwezig is zonder te zijn versneld, dan wordt er geen verdere behandeling gegeven totdat de VT Therapy Timeout-timer afloopt. De VT Therapy Timeout-timer wordt ook beëindigd wanneer sinusritme gedetecteerd is. Als de VT Therapy Timeout-timer eenmaal getriggerd is, afloopt, of beëindigt, kan deze niet opnieuw starten binnen die episode. VT-behandelings-time-out in een Monitor Only-zone De VT-behandelings-time-out-timer is niet beschikbaar in de configuratie 2 Zones wanneer VT-behandelingen zijn uitgeschakeld om een Monitor Only-zone te creëren. De VT Therapy Timeout-imer is beschikbaar in de configuratie 3 Zones wanneer VT-1-behandelingen uitgeschakeld zijn om een Monitor Only-zone te creëren. De VT Therapy Timeout-timer start nadat VT-2-behandeling is afgegeven. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 8-45

8-46 Tachycardieparameters

9. PARAMETERS VOOR PATIËNTMELDING Bevat: Patiëntmeldingen Triggers voor patiëntmelding Afgifte van patiëntmelding Vibratieduur Aantal meldingen Tijd tussen meldingen Beschrijving van patiëntmelding PATIËNTMELDINGEN Het venster Patient Notifiers (Patiëntmeldingen) bevat twee toetsen die u kunt gebruiken om de Patient Notifier te programmeren en de toets Test Notifier (Testmelding) van waaruit u een test in gang kunt zetten van de stimulatie die ervaren wordt tijdens een Patiëntmelding. Triggers voor patiëntmelding Afgifte van patiëntmelding Zie ook: Beschrijving van patiëntmelding Patiëntmeldingssequentie Dagelijkse metingen van patiëntmeldingen Toegang vanaf: toets Parameters > tab Patient Notifiers TRIGGERS VOOR PATIËNTMELDING Er bestaan verschillende omstandigheden waarbij berichtgeving aan de patiënt nuttig kan zijn. De pulsgenerator kan zo geprogrammeerd worden dat deze de patiënt een melding geeft als de volgende omstandigheden optreden: Pulsgenerator op ERI. De onbelaste batterijspanning heeft de indicator voor electieve vervanging (ERI)-spanning bereikt (zie Factoren die de levensduur van de pulsgenerator beïnvloeden). Laadtijdlimiet bereikt. De hoogspanningscondensatoren hebben de geprogrammeerde spanning niet binnen 32 s bereikt. Mogelijke beschadiging van het hoogspanningscircuit. De bedrading van de pulsgenerator is mogelijk beschadigd. Device Parameter Reset. Er is een reset opgetreden waardoor sommige of alle geprogrammeerde parameters gewijzigd zijn. Elektrode-impedantie buiten bereik. De impedantie van de atriale en/of ventriculaire elektrode is buiten bereik. Merk op dat de elektrode-impedantie bij Promote pulsgenerators voor de rechter- en linker-ventriculaire elektrode apart geprogrammeerd en bewaakt wordt. HVLI buiten bereik. De hoogspanningselektrode-impedantie is buiten bereik. Backup VVI. In het apparaat is een hardware-reset opgetreden. Voor parameterinstellingen tijdens een hardware-reset, zie Reset-functie. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 9-1

Selecteer de toets Upper Limit/Lower Limit (Bovengrens/Ondergrens) of de toets HVLA Monitoring Upper Limit/Lower Limit (Bovengrens/Ondergrens HVLA-bewaking) om het venster Parameters Elektrodebewaking te openen van waaruit u de onder- en bovengrens van het impedantiebereik af kunt stellen. Er wordt een melding afgegeven voor een elektrode-impedantiemeting buiten dit bereik. U kunt voor elke elektrode afzonderlijk een impedantiebereik programmeren. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Patient Notifiers > toets Patient Notifier Triggers NB Programmeerbaarheid. De triggers voor patiëntmelding zijn onafhankelijk te programmeren op On of Off. Alle triggers hebben als standaardinstelling On, met uitzondering van de Backup VVI- en de Device Parameter Reset-triggers, die niet-programmeerbaar zijn en altijd op On staan. Batterijspanning beneden ERI. De patiëntmeldingen werken mogelijk niet als de batterijspanning onder ERI daalt. AFGIFTE VAN PATIËNTMELDING Vanuit het venster Patient Notifier Delivery (Afgifte van patiëntmelding) kunt u de instellingen voor de volgende parameters veranderen: Vibratieduur Aantal meldingen Tijd tussen meldingen Zie ook: Beschrijving van patiëntmelding Patiëntmeldingssequentie Dagelijkse metingen van patiëntmeldingen Toegang vanaf: toets Parameters > tab Patient Notifiers > toets Patient Notifier Delivery Vibratieduur De parameter Vibration Duration (Vibratieduur) bepaalt hoe lang een vibratiestimulus duurt. Instellingen: (s) 2; 4; 16 (Nominaal: 6) Aantal meldingen De parameter Number of Notifications (Aantal meldingen) bepaalt hoe vaak een melding (2 vibraties, 16 seconden na elkaar) wordt afgegeven. Instellingen: 1; 2; 16 (Nominaal: 4) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Patient Notifiers > toets Patient Notifier Delivery Tijd tussen meldingen De parameter Time Between Notifications (Tijd tussen meldingen) is hoeveel tijd er verstrijkt tussen twee meldingen. Instellingen: (uren) 10; 22 (Nominaal: 10) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Patient Notifiers > toets Patient Notifier Delivery 9-2 Parameters voor patiëntmelding

BESCHRIJVING VAN PATIËNTMELDING Patiëntmeldingssequentie Dagelijkse metingen van patiëntmeldingen De patiëntmelding is een trillende stimulus die vanuit een kleine motor binnen de pulsgenerator komt. De pulsgenerator kan geprogrammeerd worden om te gaan trillen wanneer specifieke triggers optreden. Aangezien de pulsgenerator de trilling als fysieke activiteit van de patiënt kan identificeren, wordt frequentiegevoelige stimulatie (Sensor) uitgeschakeld tijdens de afgifte van een patiëntmelding en gedurende 10 seconden daarna. Er vindt slechts één Patiëntmeldingssequentie tegelijk plaats. Als er zich een tweede patiëntmeldingstrigger voordoet tijdens een patiëntmeldingssequentie, gaat de huidige meldingssequentie door en komt er geen tweede sequentie. Alle patiëntmeldingstriggers die zich voorgedaan hebben, worden echter wel genoteerd in het gedeelte Alerts van het Scherm FastPath Summary. Zodra er een patiëntmelding is afgegeven, wordt die specifieke patiëntmeldingstrigger automatisch geprogrammeerd op Off totdat u 1) de trigger opnieuw inschakelt door het Alert voor die patiëntmeldingsconditie te selecteren in het venster FastPath Summary en vervolgens op de toets Re-enable Notifier (Melding opnieuw inschakelen) te drukken, of 2) de trigger instelt op On vanuit het venstertriggers voor patiëntmelding. Er verschijnt een klokje als pictogram naast een patiëntmeldingstrigger op het scherm Patient Notifier Triggers (Patiëntmeldingstriggers) wanneer de patiëntmeldingsconditie is opgetreden en alle meldingen afgegeven zijn. Patiëntmeldingssequentie De Patient Notifier Sequence (Patiëntmeldingssequentie) is een programmeerbaar Aantal meldingen, die van elkaar gescheiden zijn door een programmeerbare Tijd tussen meldingen. Iedere melding bevat 2 vibratiestimuli met een programmeerbare (Vibratieduur) die met een tussenpoos van 16 seconden worden afgegeven. Vibratie On Vibratie Off 16 sec Vibratieduur (Vibration Duration) Tijd tussen meldingen (Time Between Notifications) Melding Afzonderlijke vibratiestimulus Figuur 9-1. De patiëntmeldingssequentie De patiëntmeldingssequentie voor de volgende triggers is niet programmeerbaar: De Device Reset-sequentie is 2 vibraties, 6 seconden lang, met tussenpozen van 16 seconden elke 10 uur, in totaal 4 sequenties. De Back Up VVI-sequentie is 2 vibraties, 6 seconden lang, met tussenpozen van 16 seconden elke 10 uur totdat de telemetrieverbinding met de programmer hersteld is. Dagelijkse metingen van patiëntmeldingen De metingen van de onbelaste batterijspanning en de stimulatie-elektrode-impedantie worden iedere 23 uur uitgevoerd om te ervoor te zorgen dat de metingen op verschillende tijdstippen door de dag heen uitgevoerd worden. Deze metingen worden vastgelegd in de Lead Impedance-trends en Batterijspanning-trend (zie Gegevens over batterij). Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 9-3

9-4 Parameters voor patiëntmelding

10. EPISODE-INSTELLINGEN Bevat: Opgeslagen EGM-configuratie Episode Triggers EPISODE-INSTELLINGEN Het venster Episode Settings (Episode-instellingen) bevat twee toetsen waarmee u het volgende kunt programmeren: Opgeslagen EGM-configuratie. Deze toets laat de huidige instellingen voor de opgeslagen parameters voor EGM-configuratie zien. Episode Triggers. Deze toets laat de soorten episodes die EGM-opslag triggeren zien, en de prioriteit daarvan. Zie ook: Episodes NB Om ervoor te zorgen dat alle belangrijke episodes verzameld worden, wordt u geadviseerd om de episodes op het eind van iedere sessie uit het geheugen van de pulsgenerator te wissen. Zie Diagnostische gegevens wissen. OPGESLAGEN EGM-CONFIGURATIE Vanuit het venster EGM Configuration (EGM-configuratie) kunt u de instellingen veranderen voor de volgende parameters: Max. tijdsduur VT/VF EGM Max. tijdsduur VT/VF pre-trigger Kanalen. De totale hoeveelheid EGM-opslag tijd wordt getoond onder het aantal kanalen geselecteerd voor opslag. Configuratie Max. tijdsduur VT/VF EGM De parameter VT/VF EGM Max Duration (Max. tijdsduur VT/VF EGM) bepaalt de maximale lengte van een VT/VF-opgeslagen EGM. De parameter VT/VF EGM Max Duration wordt getimed vanaf het begin van de pre-trigger en stopt ofwel vier seconden na de herdetectie van sinusritme of wanneer de instelling voor VT/VF EGM Max Duration is bereikt; wat het eerste optreedt is van toepassing. Bij een langere duur van opgeslagen EGM s kunnen er minder episodes opgeslagen worden. Voor informatie over het aantal EGM s dat opgeslagen kan worden in de pulsgenerator, zie Prioriteit in Episode Triggers. Instellingen: 30 s; 1; 2; 3; 4; 5 min (Nominaal: 1 min.) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Episode Settings > toets Stored EGM Configuration Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 10-1

Max. tijdsduur VT/VF pre-trigger De parameter VT/VF Pre-Trigger Max Duration (Max. tijdsduur VT/VF pre-trigger) bepaalt hoelang er vastgelegd wordt vóór de EGM-opslag-trigger. De instelling voor VT/VF Pre-Trigger Max Duration dient gebaseerd te zijn op de geprogrammeerde Event Trigger (Gebeurtenistrigger) en het soort informatie dat u op wilt slaan. Om bijvoorbeeld gebeurtenissen op te slaan die tot detectie leiden, programmeert u de Event Trigger op VT/VF met een relatief lange pre-trigger-duur. De beschikbare instellingen voor de VT/VF Pre-Trigger Max Duration hangen af van het aantal opgeslagen EGM-kanalen. Instellingen: (s) 2; 10; 14; 20; 30; 40; 50; 60 (Nominaal: 14) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Episode Settings > toets Stored EGM Configuration Kanalen De parameter Channels (Kanalen) bepaalt hoeveel EGM-kanalen er opgeslagen worden bij elke opgeslagen EGM. Als er meer kanalen opgeslagen worden, kunnen er minder episodes opgeslagen worden. NB Opgeslagen EGM-capaciteit. De pulsgenerator kan ongeveer 45 minuten EGM-registraties opslaan bij de instelling 1 Channel. Bij de instelling 2 Channels kan het apparaat ongeveer 22 minuten opslaan. Instellingen: (Current DR pulsgenerators; Promote pulsgenerators) 1; 2; 3 (Nominaal: 2) Instellingen: (Current VR pulsgenerators) 1; 2; 3 (Nominaal: 1) Toegang vanaf: toets Parameters > tab Episode Settings > toets Stored EGM Configuration Configuratie De parameters voor Configuration (Configuratie) bepalen de elektrodebron voor elk EGM-kanaal. De instelling Leadless ECG is een voorstelling van wat een oppervlakte-ecg geregistreerd kan hebben tijdens de episode. Bij CRT en DR pulsgenerators is de instelling Leadless ECG gelijk aan de Atip naar RV coil-configuratie. Bij VR pulsgenerators is de instelling Leadless ECG gelijk aan de SVC naar Can-configuratie. Wanneer Aangepast geselecteerd is als configuratie, kunt u de anode- en kathodebron voor de opgeslagen EGM s selecteren. Configuratie A Bipolar RV Bipolar LV Bipolar Leadless ECG A Unipolar Tip RV Unipolar Tip LV Unipolar Tip A tip-rv tip A Unipolar Ring RV Unipolar Ring LV Unipolar Ring Aangepast A Sense Amp V Sense Amp Tabel 10-1. Instellingen voor opgeslagen EGM-configuratie bij CRT pulsgenerators 10-2 Episode-instellingen

Configuratie A Bipolar V Bipolar Leadless ECG A Unipolar Tip V Unipolar Tip Atip-Vtip A Unipolar Ring V Unipolar Ring Aangepast A Sense Amp V Sense Amp Tabel 10-2. Instellingen voor opgeslagen EGM-configuratie bij DR pulsgenerators Configuratie V Bipolar V Unipolar Tip V Unipolar Ring V Sense Amp Leadless ECG Aangepast Tabel 10-3. Instellingen voor opgeslagen EGM-configuratie bij VR pulsgenerators Toegang vanaf: toets Parameters > tab Episode Settings > toets Stored EGM Configuration NB EGM-opslag. Als er een episode die elektrogramopslag triggert, optreedt terwijl de programmer informatie uitwisselt met de pulsgenerator, wordt de configuratie voor real-time ECG/EGM gebruikt om het EGM op te slaan, in plaats van de instellingen voor de EGM source Configuration (Configuratie voor EGM-bron). Aangepast Opgeslagen EGM s kunnen vastgelegd worden m.b.v. aangepaste instellingen voor anode en kathode Configuration. Aangepaste instellingen maken het opslaan van far-field EGM s mogelijk. Instellingen: (Promote pulsgenerators) A tip; A ring; RV tip; RV ring 1 ; LV tip; LV ring 2 ; RV-coil; Can; SVC Instellingen: (Current DR pulsgenerators) A tip; A ring; V tip; V ring 3 ; RV-coil; Can; SVC Instellingen: (Current VR pulsgenerators) V tip; V ring 3 ; RV-coil; Can; SVC Toegang vanaf: toets Parameters > tab Episode Settings > toets Stored EGM Configuration > toets Configuration 1. RV-ring is alleen beschikbaar als het RV-elektrodetype Bipolar is. 2. LV-ring is alleen beschikbaar als het LV-elektrodetype Bipolar is. 3. V-ring is alleen beschikbaar als het ventriculaire elektrodetype bipolair is. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 10-3

EPISODE TRIGGERS Vanuit het venster Episode Triggers kunt u prioriteit toekennen aan episode-triggers voor EGM-opslag. Triggers. De pulsgenerator slaat EGM s op voor verschillende soorten episodes. - Atriale episode. Er wordt een EGM opgeslagen als de Atriale tachycardiedetectiefrequentie overschreden wordt (instelling voor AT/AF Detection) of als er een mode-switch-gebeurtenis optreedt (instelling voor AMS). De pulsgenerator slaat de eerste, laatste en snelste frequentie-episodes op. - VF. Er wordt een EGM opgeslagen als er een VF-episode gedetecteerd wordt (Detection-instelling) of als er een diagnose wordt gesteld (Diagnosis-instelling). De VF Trigger kan alleen worden ingesteld op High Priority. - VT. Er wordt een EGM opgeslagen als er een VT-episode gedetecteerd wordt (Detection-instelling) of als er een diagnose wordt gesteld (Diagnosis-instelling). De VT Trigger kan worden ingesteld op Low of High Priority. - PMT. Er wordt een EGM opgeslagen als er een door pacemaker veroorzaakte tachycardie (PMT) gedetecteerd wordt nadat de diagnostische gegevens voor het laatst gewist zijn. - Ruisreversie. Er wordt een EGM opgeslagen wanneer atriale en/of ventriculaire ruisreversie afgesloten wordt. - Magneetrespons. Er wordt een EGM opgeslagen wanneer de magneet wordt toegepast. - Bijwerking van morfologie-template. Er wordt een EGM opgeslagen wanneer het morfologie-template automatisch bijgewerkt wordt. Zie Automatisch bijwerken van een template. Prioriteit. De Prioriteit bepaalt het aantal EGM s dat opgeslagen wordt voor elke episode-trigger. - Uit. Er worden geen EGM s opgeslagen per episode-trigger. - Low. Er wordt ten minste één EGM opgeslagen en beveiligd in het geheugen. Daaropvolgende triggers van hetzelfde type worden opgeslagen op basis van het principe first-in, first-out. Wanneer het geheugen vol is, overschrijven de episodes met een hoge prioriteit de onbeveiligde episodes met een lage of hoge prioriteit. - High. Er wordt ten minste één EGM opgeslagen en beveiligd in het geheugen. Daaropvolgende triggers van hetzelfde type worden opgeslagen op basis van het principe first-in, first-out. Wanneer het geheugen vol is, overschrijven de episodes met een hoge prioriteit de onbeveiligde episodes met een lage of hoge prioriteit. Toegang vanaf: toets Parameters > tab Episode Settings > toets Episode EGMs NB Auto Mode Switch en Mode. De instelling Atrial Episode van AMS is alleen beschikbaar als de parameter Auto Mode Switch ingeschakeld is en de parameter Mode ingesteld is op DDD(R). PMT Termination is alleen beschikbaar als PMT Response ingeschakeld is. 10-4 Episode-instellingen

11. AANGEPASTE SETS AANGEPASTE SETS Custom Sets (Aangepaste sets) zijn vooraf gedefinieerde momentopnamen van parameterinstellingen voor Brady, Tachy en Episode Settings die opgeslagen kunnen worden in het geheugen van de programmer en naar de pulsgenerator geladen kunnen worden vanuit het venster Custom Sets. Vanuit dit venster kunt u ook alle opgeslagen aangepaste sets bekijken, een set hernoemen en een set wissen. Voor ieder model pulsgenerator kunnen maximaal 20 aangepaste parametersets opgeslagen worden. U kunt op ieder moment in een programmeersessie aangepaste parameters laden. Instructies om een Custom Set aan te maken en op te slaan Instructies voor het laden van een aangepaste set Instructies om een aangepaste set te wissen Instructies om een aangepaste set te hernoemen Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Toegang vanaf: toets Parameters > tab Custom Sets Instructies om een Custom Set aan te maken en op te slaan Om de huidige geprogrammeerde instellingen op te slaan als een aangepaste set: 1. Selecteer de tab Custom Sets. 2. Selecteer de toets Save Parameter Set (Parameterset opslaan). Indien de geselecteerde instelling voor een parameter verschilt van de geprogrammeerde instelling (bijvoorbeeld een tijdelijk geprogrammeerde instelling), wordt de geselecteerde instelling opgeslagen. Het toetsenbord op het scherm verschijnt. 3. Typ een naam in voor de aangepaste instellingen en selecteer de toets Done (Klaar). Het venster Custom Sets verschijnt met de zojuist opgeslagen aangepaste set aangeduid met zijn naam en de elektrodetype-instellingen. NB U kunt instellingen van een opgeslagen aangepaste set niet veranderen. Als u een parameter in een opgeslagen aangepaste set wilt veranderen, moet u de aangepaste set die u wilt veranderen laden, de toets Rename Set (Set hernoemen) selecteren en de eerdere aangepaste set een nieuwe naam geven of die wissen, en vervolgens de veranderde set opslaan met de gewenste naam. Instructies voor het laden van een aangepaste set Om een opgeslagen aangepaste set te laden: 1. Selecteer de toets Parameters. 2. Selecteer de tab Custom Sets. 3. Selecteer een van de bestaande parametersets uit de lijst in het venster Custom Sets. 4. Selecteer de toets Load Set (Set laden). 5. Om de zojuist geladen parameterinstellingen te bekijken, selecteert u de toets Preview. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 11-1

6. Om de instellingen te programmeren selecteert u de toets Program (Programmeren). 7. Om terug te gaan naar de voorheen geprogrammeerde parameters selecteert u de toets Undo (Ongedaan maken). NB Bekijk de parameterinstellingen nadat u een aangepaste parameterset hebt geladen, om ervoor te zorgen dat de geladen aangepaste parameterset geschikt is voor de patiënt. U kunt een set niet laden als de huidige Lead Type-parameter is ingesteld op Unipolar en de aangepaste set is ingesteld op Bipolar. Instructies om een aangepaste set te wissen Om een opgeslagen aangepaste set te wissen: 1. Selecteer de toets Parameters. 2. Selecteer de tab Custom Sets. 3. Selecteer een van de bestaande parametersets uit de lijst in het venster Custom Sets. 4. Selecteer de toets Delete Set (Set wissen). Instructies om een aangepaste set te hernoemen Om een opgeslagen aangepaste set te laden: 1. Selecteer de toets Parameters. 2. Selecteer de tab Custom Sets. 3. Selecteer een van de bestaande parametersets uit de lijst in het venster Custom Sets. 4. Selecteer de toets Rename Set. 5. Typ de nieuwe naam voor de aangepaste set in en selecteer de toets Done (Klaar). 6. Om de zojuist geladen parameterinstellingen te bekijken, selecteert u de toets Preview. 7. Om de instellingen te programmeren selecteert u de toets Program (Programmeren). 8. Om terug te gaan naar de voorheen geprogrammeerde parameters selecteert u de toets Undo (Ongedaan maken). 11-2 Aangepaste sets

12. WRAP-UP OVERZICHT Inhoud: Wrap-up overzicht Gegevens exporteren Trends wissen Diagnostische gegevens wissen Beginwaarden herstellen WRAP-UP OVERZICHT Het venster Wrap-up Overview (Wrap-up overzicht) biedt ruimte om de sessie-activiteiten nog eenmaal te bekijken en bevat het volgende: Battery Information. Toont de laatst gemeten batterijspanning, een meter die de tijd die over is tot ERI weergeeft (op basis van de batterijspanning), en de datum en duur van de laatste maximale lading. De tekst wordt weergegeven in het rood (waarschuwingsstatus) als het apparaat op ERI is. Paneel Test Status. Geeft gegevens over voltooide en onvoltooide tests. Paneel Session Notes. Hier wordt de status van routine follow-up taken gemeld. Programming Changes. Hier worden alle veranderingen in de geprogrammeerde parameterinstellingen weergegeven. Toets Selected Reports. Geeft een lijst van de rapporten die geselecteerd zijn voor afdrukken en opent het venster Printmenu waar u rapporten (Reports) kunt toevoegen aan of wissen uit de afdruklijst. De toets Beginwaarden herstellen. Programmeert de pulsgenerator op alle geldige instellingen die ingelezen zijn aan het begin van de sessie. De toets Trends wissen. Opent het venster Clear Trends zodat u de Trend AT/AF-belasting en de Trends Lichaamsbeweging & activiteit kunt wissen. De knop Gegevens exporteren. Deze opent een venster om Sessiegegevens-gegevens te exporteren naar een USB-apparaat of pc. De toets Diagnostische gegevens wissen. Deze opent een venster van waaruit u selectief de Diagnostische gegevens (behalve de gegevens over AT/AF Burden Trend en Lichaamsbeweging & activiteit Trend), Episodes en opgeslagen EGM s kunt wissen uit het geheugen van de pulsgenerator. De toets Clear after Printing (Wissen na afdrukken). Selecteer dit vakje om diagnostische gegevens automatisch uit het geheugen van de pulsgenerator te wissen nadat u rapporten heeft geprint vanuit het Wrap-Up-venster. De toets Print Reports. Hiermee worden alle rapporten die vermeld zijn onder de knop Selected Report afgedrukt. Toegang vanaf: toets Wrap-up Overview GEGEVENS EXPORTEREN In het venster Export Data (Gegevens exporteren) worden de gegevens-formats weergegeven die beschikbaar zijn voor het exporteren van Sessiegegevens naar een USB-apparaat of een pc. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 12-1

Om gegevens te exporteren: 1. Steek de USB-connector van een opslagmedium in een van de drie USB-poorten op de programmer. Het opslagmedium kan een USB-diskettestation zijn, een USB-flashdrive of een pc die d.m.v. een 9-pins serial-to-usb-kabel aangesloten is op het Merlin PCS. Het diskettestation moet van energie voorzien worden via het USB-station, niet door een externe voedingsbron. 2. Selecteer het format voor de geëxporteerde gegevens. Het bestand dat compatibel is met pc-gegevens is kleiner en bevat alleen gegevens voor pc-databaseprogramma s. Het bestand dat compatibel is met Merlin.net is groter en bevat gedetailleerdere informatie. Selecteer de knop Export Data. De programmer geeft een lijst met alle aangesloten opslagmedia. 3. Selecteer het gewenste opslagmedium. Als er geen opslagmedium wordt gedetecteerd, selecteer dan de toets Redetect Media. 4. Selecteer de toets Export. Toegang vanaf: toets Wrap-up Overview button > toets Export Data TRENDS WISSEN Het venster Clear Trends (Trends wissen) wist AT/AF-belasting- en Lichaamsbeweging & activiteit-gegevens uit het geheugen van de pulsgenerator. Gegevens uit de pulsgenerator, die verzameld zijn door de programmer tijdens de sessie, blijven beschikbaar totdat u de toets End Session selecteert. Toegang vanaf: toets Wrap-Up Overview > toets Clear Trends DIAGNOSTISCHE GEGEVENS WISSEN Vanuit het venster Clear Diagnostics (Diagnostische gegevens wissen) kunt u de Diagnostische gegevens (behalve de gegevens over AT/AF Burden Trend en Lichaamsbeweging & activiteit-trend), Episodes en opgeslagen EGM s wissen uit het geheugen van de pulsgenerator. Gegevens uit de pulsgenerator die verzameld zijn door de programmer tijdens de sessie, blijven beschikbaar totdat u de toets End Session selecteert. Toegang vanaf: toets Wrap-Up Overview > toets Clear Diagnostics BEGINWAARDEN HERSTELLEN De toets Restore Initial Values (Beginwaarden herstellen) herprogrammeert de instellingen die gelezen werden tijdens de eerste ondervraging. Wanneer u op de toets Program drukt, gaan alle wijzigingen die uitgevoerd zijn tijdens de sessie verloren. Toegang vanaf: toets Wrap-up Overview button > toets Restore Initial Values 12-2 Wrap-up overzicht

13. MODE-BESCHRIJVINGEN St. Jude Medical pulsgenerators kunnen geprogrammeerd worden op de volgende behandelingsmodes. Alle permanente stimulatiemodes kunnen tevens worden geprogrammeerd om te werken met frequentiemodulatie (R). Zie Frequentiegevoelige modes. Tweekamer Atriaal Ventriculair Off-modes DDD AAI VVI Pacing Off DDI AAT 1 VOO 2 DOO 2 AOO 2 Tabel 13-1. Beschikbare modes 1. Deze mode is alleen beschikbaar voor tijdelijke stimulatie. 2. Deze mode is alleen beschikbaar als permanente stimulatiemode wanneer de Zone Configuration op Off is ingesteld. In andere gevallen is deze mode is alleen beschikbaar voor tijdelijke stimulatie. DDD (Tweekamer-stimulatie, -waarneming en -onderdrukking; atriale tracking) Zie Timing-diagram DDD-mode. De DDD-mode is een tweekamer-, atriale timing-mode waarin toe- of afnamen in de waargenomen atriale frequentie worden herhaald door overeenkomstige veranderingen in de ventriculaire frequentie. Waargenomen P-golven of R-golven onderdrukken outputpulsen, terwijl er geen intrinsieke activiteit gedurende de alertperiode is die resulteert in afgegeven pulsen. Er zijn vier stimulatietoestanden: 1. AS. Een waargenomen atriale gebeurtenis (AS) onderdrukt een A.puls en begint het Sensed AV Delay, en reset de timing van het apparaat. Het A.waargenomen kanaal wordt refractair tot het einde van de PVARP terwijl het V. kanaal alert wordt op R-golven. 2. AP. Gedurende de atriale alertperiode wordt er geen atriale waargenomen gebeurtenis gedetecteerd, en de pulsgenerator geeft een atriale puls (AP) af aan het einde van de alertperiode. Hierdoor wordt het Paced AV Delay gestart, waarbij het A. kanaal refractair is op atriale waargenomen gebeurtenissen, terwijl het V. kanaal alert wordt op R-golven. 3. VS. Gedurende het Paced/Sensed AV Delay neemt het V. kanaal een ventriculaire waargenomen gebeurtenis (VS) waar en onderdrukt het de puls, maar reset de timing niet. De Refractaire periode ventriculaire waarneming-periode en PVARP beginnen en blijven van kracht tot de periode afloopt. Vervolgens worden beide kanalen alert op waargenomen gebeurtenissen. 4. VP. Het V. kanaal neemt geen signalen waar gedurende het Paced/Sensed AV Delay en geeft een ventriculaire puls (VP) af aan het einde van het delay. De Refractaire periode ventriculaire stimulatie-periode en PVARP beginnen en blijven van kracht tot de periode afloopt. Vervolgens worden beide kanalen alert op waargenomen gebeurtenissen. Indicaties. Gebruik van DDD is geïndiceerd in de aanwezigheid van AV-geleidingsafwijkingen met normale of abnormale sinusknoopfunctie en als de patiënt baat zou kunnen hebben van een hoge mate van ventriculaire stimulatie. Contra-indicaties. Gebruik van DDD met Auto Mode Switch ingesteld op Off is contra-geïndiceerd wanneer er sprake is van chronische atriale tachyaritmieën of stille atria. De Auto Mode Switch-functie van het apparaat kan de pulsgenerator echter automatisch doen overschakelen op DDI-stimulatie bij atriale tachyaritmieën. Retrograde geleiding is weliswaar geen contra-indicatie, maar het is daarbij wel noodzakelijk om de parameter PVARP zorgvuldig in te stellen. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 13-1

AP AS AS AP geprogrammeerde frequentie A V VS VS VP VP Blanking-periode refractaire periode alertperiode PVARP outputpuls AV/PV-delay Waargenomen gebeurtenis Figuur 13-1. Timing-diagram DDD-mode DDI (Tweekamer-stimulatie, -waarneming en -onderdrukking; geen atriale tracking) Zie Timing-diagram DDI-mode. De DDI mode is een non-tracking tweekamer-mode waarin waargenomen atriale activiteit geen verandering in timing veroorzaakt. Atriale tachycardieën resulteren niet in verhoogde stimulatiefrequenties. Er zijn vier stimulatietoestanden: 1. AS. Een waargenomen atriale gebeurtenis (AS) onderdrukt de A. puls en begint een atriale refractaire periode die eindigt bij de V. puls. Het V. kanaal blijft alert op R-golven behalve gedurende de Refractaire periode ventriculaire waarneming-periode en na een A. puls. 2. AP. Gedurende de atriale alertperiode wordt er geen atriale waargenomen gebeurtenis gedetecteerd, en geeft de pulsgenerator een atriale puls (AP) af aan het einde van de alertperiode. Hierdoor wordt het Paced AV Delay gestart, waarbij het A. kanaal refractair is op atriale waargenomen gebeurtenissen. Het V. kanaal blijft alert op R-golven behalve gedurende de Refractaire periode ventriculaire stimulatie-periode en na een A. puls. 3. VS. Gedurende de V. alertperiode van het Paced AV Delay detecteert het kanaal een ventriculaire waargenomen gebeurtenis (VS), het onderdrukt de puls en reset de timing. De V. Sense Refractory en PVARP beginnen en blijven van kracht totdat de perioden verstreken zijn. Vervolgens worden beide kanalen alert op waargenomen gebeurtenissen. 4. VP. Het V. kanaal neemt geen waargenomen gebeurtenis waar gedurende de alertperiode van het Paced AV Delay en geeft een puls (VP) af aan het einde van het delay. De Ventricular Pace Refractory en PVARP beginnen en blijven van kracht totdat de perioden verstreken zijn. Vervolgens worden beide kanalen alert op waargenomen gebeurtenissen. Indicaties. Gebruik van DDI is geïndiceerd in gevallen waarin tweekamer-stimulatie noodzakelijk is en waarin er een specifieke reden bestaat waarom atriale tracking niet gewenst is. Contra-indicaties. Gebruik van DDI is contra-geïndiceerd bij AV-block met een normale sinusknoopfunctie en stille atria of chronische atriale fibrillatie of flutter. 13-2 Mode-beschrijvingen

AP PVC AP AS A V VS VS VP VP Blanking-periode refractaire periode alertperiode PVARP geprogrammeerde frequentie outputpuls AV-delay Waargenomen gebeurtenis Figuur 13-2. Timing-diagram DDI-mode DOO (Asynchrone tweekamer-stimulatie) Zie DOO Mode-timingdiagram. In DOO-mode zorgt de pulsgenerator voor stimulatie in atrium en ventrikel(s) 1 met de geprogrammeerde Base Rate en Paced AV Delay onafhankelijk van intrinsieke activiteit. LET OP De DOO(R)-mode is in eerste instantie bedoeld voor tijdelijk gebruik. Langdurig gebruik kan leiden tot competitieve stimulatie, wat mogelijk gevaarlijke tachyaritmieën tot gevolg kan hebben. Indicaties. De DOO-mode is geïndiceerd wanneer stimulatie in atrium en ventrikel noodzakelijk is en wanneer er daarbij sprake is van significante elektromagnetische of elektromyogene ruis waardoor de pulsgenerator onjuist kan worden onderdrukt of getriggerd. Contra-indicaties. Gebruik van DOO is contra-geïndiceerd in de aanwezigheid van competitief intrinsiek hartritme. AP AP AP A V geprogrammeerde geprogrammeerde VP frequentie VP frequentie VP refractaire periode AV-delay outputpuls Figuur 13-3. DOO Mode-timingdiagram 1. Alle Promote en Promote RF pulsgenerators bieden de mogelijkheid van biventriculaire en alleen-rv-stimulatie. De Promote pulsgenerator model 3109-36/30 en Promote RF pulsgenerator model 3213-36/30 bieden ook alleen-lv-stimulatie. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 13-3

VVI (Ventriculaire stimulatie, waarneming en onderdrukking) Zie Timing-diagram VVI-mode. In VVI mode stimuleert de pulsgenerator de ventrikel(s) 2 op de geprogrammeerde frequentie wanneer er geen waargenomen gebeurtenis wordt gedetecteerd. Als de pulsgenerator een waargenomen gebeurtenis detecteert tijdens de alertperiode, wordt er geen puls gegeven en wordt de timingperiode teruggezet naar het begin van de Refractaire periode ventriculaire waarneming periode. Indicaties. Het gebruik van VVI is geïndiceerd voor symptomatische bradycardie van iedere mogelijke etiologie. Dit kan onder andere zijn: AV-block of sinusknoopdisfunctie en de verschillende uitingen van sinusknoopdisfunctie, zoals sinusknooparrest, sinusbradycardie en brady-tachycardiesyndroom. Contra-indicaties. Het gebruik van VVI is contra-geïndiceerd indien er sprake is van pacemakersyndroom. geprogrammeerde frequentie VP VP VS refractaire periode alertperiode outputpuls Waargenomen gebeurtenis Figuur 13-4. Timing-diagram VVI-mode VOO (Ventriculaire asynchrone stimulatie) Zie Timing-diagram VOO-mode. In VOO-mode stimuleert het apparaat het/de ventrikel(s) 2 met de geprogrammeerde frequentie, onafhankelijk van het intrinsieke hartritme. LET OP De VOO(R)-mode is bedoeld voor tijdelijk gebruik. Langdurig gebruik kan leiden tot competitieve stimulatie, wat mogelijk gevaarlijke ventriculaire tachyaritmieën tot gevolg kan hebben. Indicaties. Het gebruik van VOO kan geïndiceerd zijn voor patiënten bij wie sprake is van elektromagnetische interferentie of elektromyogene ruis en die voortdurend ventriculaire stimulatie nodig hebben. Contra-indicaties. Het gebruik van VOO is contra-geïndiceerd bij patiënten bij wie sprake is van een competitief intrinsiek hartritme en bij wie zich naar verwachting pacemakersyndroom zal voordoen tijdens ventriculaire eenkamer-stimulatie. 2. Alle Promote en Promote RF pulsgenerators bieden de mogelijkheid van biventriculaire en alleen-rv-stimulatie. De Promote pulsgenerator model 3109-36/30 en Promote RF pulsgenerator model 3213-36/30 bieden ook alleen-lv-stimulatie. 13-4 Mode-beschrijvingen

VP geprogrammeerde frequentie refractaire periode geprogrammeerde frequentie VP outputpuls VP Figuur 13-5. Timing-diagram VOO-mode AAI (Atriale stimulatie, waarneming en onderdrukking) Zie Timing-diagram AAI-mode. In de AAI-mode stimuleert de pulsgenerator het atrium met de geprogrammeerde frequentie als er geen atriale gebeurtenissen worden waargenomen. Als het apparaat een waargenomen gebeurtenis detecteert tijdens de alertperiode, wordt er geen puls gegeven en wordt de timing teruggezet naar het begin van de Refractaire periode atriale waarneming periode. Indicaties. Het gebruik van AAI is geïndiceerd bij symptomatische bradycardie die veroorzaakt wordt door sinusknoopdisfunctie. Contra-indicaties. Het gebruik van AAI is contra-geïndiceerd wanneer er sprake is van AV-geleidingsafwijkingen, chronische atriale fibrillatie of atriale flutter. AP AP AS geprogrammeerde frequentie refractaire periode alertperiode outputpuls Waargenomen gebeurtenis Figuur 13-6. Timing-diagram AAI-mode AAT (Atriale stimulatie, waarneming en triggering) Zie Timing-diagram AAT-mode. In de AAT mode (alleen beschikbaar voor Temporary Pacing) stimuleert de pulsgenerator het atrium met de geprogrammeerde frequentie wanneer er geen sprake is van atriale waargenomen gebeurtenissen. Wanneer het apparaat gedurende de alertperiode een waargenomen gebeurtenis detecteert, geeft het een puls af synchroon met de waargenomen gebeurtenis. Indicaties. De AAT-mode kan nuttig zijn om ongewenste blokkering van de puls als gevolg van elektromagnetische of elektromyogene interferentie te voorkomen. AAT kan eveneens worden gebruikt om de plaats van waarneming te identificeren in een complex en voor de evaluatie en het beheer van aritmieën die opgewekt worden door stimulatie van de borstwand. Contra-indicaties. Het gebruik van AAT is contra-geïndiceerd in gevallen waarin er sprake is van AV-geleidingsafwijkingen, atriale fibrillatie of atriale flutter. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 13-5

AP AP ASt Programmed Rate Refractory Period Output Pulse Alert Period Sensed Event Figuur 13-7. Timing-diagram AAT-mode AOO (Atriale asynchrone stimulatie) Zie Timing-diagram AOO-mode. In de AOO-mode zorgt de pulsgenerator voor stimulatie in het atrium met de geprogrammeerde frequentie ongeacht het intrinsieke ritme. LET OP De AOO(R)-mode is in eerste instantie bedoeld voor tijdelijk gebruik. Langdurig gebruik kan leiden tot competitieve stimulatie, wat mogelijk gevaarlijke atriale tachyaritmieën tot gevolg kan hebben. Indicaties. Het gebruik van AOO kan geïndiceerd zijn voor patiënten bij wie sprake is van elektromagnetische interferentie of elektromyogene ruis en die voortdurend atriale stimulatie nodig hebben. Contra-indicaties. Het gebruik van AOO is contra-geïndiceerd wanneer er sprake is van competitief intrinsiek hartritme of AV-geleidingsafwijkingen. AP AP AP geprogrammeerde frequentie geprogrammeerde frequentie refractaire periode outputpuls Figuur 13-8. Timing-diagram AOO-mode Pacing Off LET OP De mode Pacing Off (Stimulatie uit) wordt niet aanbevolen voor patiënten die afhankelijk zijn van hun pacemaker, of die mogelijk zelfs een korte onderbreking van de pacemakerfunctie niet kunnen verdragen. In de mode Pacing Off zijn atriale en ventriculaire stimulatie uitgeschakeld. Deze mode is vooral handig voor tijdelijke diagnostische evaluatie en vastleggen van intrinsieke activiteit. Wanneer deze mode geprogrammeerd is, toont de programmer de gemeten frequentie niet. Wanneer de mode ingesteld is op Pacing Off, is de toets Restore Parameters beschikbaar. Aangezien de eerder geprogrammeerde parameters opgeslagen zijn in de pulsgenerator, is het niet nodig om dezelfde programmer te gebruiken om de pulsgenerator uit te schakelen en de parameters te herstellen. 13-6 Mode-beschrijvingen

Frequentiegevoelige modes De functie Rate-Responsive Modes (Frequentiegevoelige modes) (Sensor On) dient om de stimulatiefrequentie te veranderen zodat die past bij veranderingen in de activiteit, in overeenstemming met geprogrammeerde parameters. Frequentiegevoeligheid kan bij elke permanente stimulatiemode worden ingeschakeld. Indicaties. Indicaties voor frequentiegemoduleerde modes zijn hetzelfde als voor niet-frequentiegemoduleerde modes, behalve dat frequentiegemoduleerde modes ook geïndiceerd zijn wanneer een verhoging van de stimulatiefrequentie gewenst is tijdens activiteit. Contra-indicaties. Contra-indicaties voor frequentiegemoduleerde modes zijn hetzelfde als voor niet-frequentie-gemoduleerde modes, behalve dat frequentie-gemoduleerde modes ook contra-geïndiceerd zijn als stimulatiefrequenties boven de geprogrammeerde Base Rate niet goed zouden worden verdragen. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 13-7

13-8 Mode-beschrijvingen

14. AANVULLENDE PROGRAMMERINGSINFORMATIE Inhoud: Technische ondersteuning Ondersteunde tachycardiepulsgenerators Hoofdprogrammeringsvenster RF-telemetriecommunicatie Tachycardie-behandeling inschakelen/uitschakelen Selectie van pulsgenerator parameters en instellingen Vooruitblik op veranderingen Starten tijdelijk Printmenu Bediening in noodgevallen Reset-functie TECHNISCHE ONDERSTEUNING De St. Jude Medical Cardiac Rhythm Management Division beschikt over een telefoondienst die 24 uur per dag bereikbaar is voor vragen van technische aard en voor productondersteuning: +1 818 362 6822 +1 800 722 3774 (gratis in Noord-Amerika) +46 8 474 4147 (Zweden). Neem voor verdere hulp contact op met uw plaatselijke St. Jude Medical-vertegenwoordiger. ONDERSTEUNDE TACHYCARDIEPULSGENERATORS Raadpleeg de Start-Helphandleiding van het Merlin PCS voor een lijst met alle bradycardie- en tachycardiepulsgenerators die ondervraagd kunnen worden door het Merlin PCS met de software Model 3330. De pulsgenerators vermeld in de tabel hieronder (Tabel 14-1) worden besproken in dit help-systeem. Naam Modelnummer Current DR 2107-36, 2107-30 Current DR RF 2207-36, 2207-30 Current VR 1107-36, 1107-30 Current VR RF 1207-36, 1207-30 Promote 3107-36, 3107-30, 3109-36, 3109-30 Promote RF 3207-36, 3207-30, 3213-36, 3213-30 Tabel 14-1. Ondersteunde tachycardiepulsgenerators Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 14-1

HOOFDPROGRAMMERINGSVENSTER Het hoofdprogrammeringsvenster is het bovenste deel van het scherm met de volgende toetsen:?-toets. Opent het context-gevoelige help-menu op het scherm. Tools-menu. Opent een menu voor de PSA-toepassing, voorkeuren en andere functies. RF-telemetriecommunicatie-pictogrammen. Laat de huidige toestand van de RF-telemetrie-verbinding zien. Tachycardie-behandeling inschakelen/uitschakelen. Opent een venster om tachyaritmie-behandeling tijdelijk uit te schakelen. Patiëntgegevens. Opent een venster om informatie over de patiënt naar het geheugen te schrijven en te bewerken. Opmerking. Opent een venster voor aanvullende patiëntgegevens. Gemeten hartfrequentie. Hartritmeweergave. Toont de real-time golfvormen. Adjust Display (Weergave aanpassen)-toets. Opent een venster om de Rhythm Display aan te passen. Freeze Capture (Capture bevriezen)-toets. Bevriest de Rhythm Display en opent een venster om de bevroren golfvorm aan te passen en af te drukken. De toets Print Instellingen. Opent het venster Print Settings. Een pictogram zonder kabel geeft aan dat de programmer gebruikmaakt van de interne printer. Een pictogram met een kabel geeft aan dat de programmer is aangesloten op een externe printer (zie Figuur 14-1 hieronder). Het PDF -pictogram geeft aan dat er een PDF-rapport beschikbaar is om te exporteren. Zie PDF s. Om van printer te veranderen selecteert u Tools > Preferences > Printer (Printervoorkeuren). Figuur 14-1. Printerpictogrammen: 1. (links) interne printer in gebruik; 2. (midden) externe printer aangesloten; 3. (rechts) PDF-printen zonder papier geselecteerd RF-TELEMETRIECOMMUNICATIE Pulsgenerators die voorzien zijn van RF-communicatie worden op dezelfde manier geprogrammeerd en gebruikt als pulsgenerators met inductieve telemetrie. Om RF-communicatie op te zetten tussen de pulsgenerator en de programmer en om communicatieproblemen op te lossen moet u eerst de RF-antenne aan de programmer bevestigen. Raadpleeg a.u.b. de Merlin Patient Care System User s Manual die bij de programmer en de Merlin-antenne hoort. Gebruik de indicatie van telemetriesterkte om te zien hoe goed de communicatie is. Als de pulsgenerator RF-compatibel is, geeft een pictogram linksboven op het scherm tijdens de programmeersessie de status van de RF-communicatieverbinding aan. Als er geen RF-pictogram op het scherm verschijnt tijdens de sessie, dan is de pulsgenerator niet RF-compatibel. Zie de tabel hieronder. 14-2 Aanvullende programmeringsinformatie

LET OP Fibber & NIPS Tests. Bij het uitvoeren van de Fibber- en NIPS-tests dient u ervoor te zorgen dat er ten minste vier LED s te zien zijn als indicatie van de telemetriesterkte, op de programmer en de Merlin Antenne. Als er minder LED s branden, zal de pulsgenerator mogelijk de communicatieverbinding verbreken wanneer deze oplaadt of de condensatoren dumpt. Als dit gebeurt, eindigt de test en de pulsgenerator keert terug naar de permanent geprogrammeerde parameters. Verlies van RF-communicatie. Als de RF-communicatie verloren gaat, knippert er één LED op de antenne en de programmer terwijl het systeem het telemetriecontact probeert te herstellen. Het systeem zoekt 60 seconden lang naar de pulsgenerator en geeft dan de aanwijzing Continue Session (Sessie voortzetten - proberen de RF-communicatie opnieuw tot stand te brengen) of Continue with Wand Only (Verdergaan met alleen de telemetriekop - proberen inductieve telemetrie-communicatie op te zetten). NB Laat de telemetriekop voor inductieve telemetrie verbonden blijven met de programmer tijdens een RF-communicatiesessie voor het geval de RF-communicatie verloren gaat. Als u een voor RF ingerichte pulsgenerator ondervraagt, gebruikt de programmer RF-communicatie als primaire telemetriemethode. Als het systeem er niet in slaagt om RF-communicatie tot stand te brengen, gebruikt de programmer inductieve telemetrie. Om RF-communicatie te beëindigen, selecteert u de toets End Session (Sessie beëindigen) om de pulsgeneratorsessie af te sluiten. Als u de toets End Session niet gebruikt en de pulsgenerator alleen verwijdert uit het RF-communicatiebereik, blijft het systeem drie uur lang proberen de RF-communicatie te herstellen, gemeten vanaf het begin van de sessie. Het gebruik van de toets End Session zorgt ervoor dat de batterij niet leegloopt en verbetert de levensduur daarvan. Net als bij inductieve telemetrie wordt tijdens klinisch testen de test beëindigd als RF-communicatie verloren gaat en worden permanent geprogrammeerde parameters hersteld. Zorg ervoor dat er goede RF-communicatie aanwezig is voordat met testen begonnen wordt. RF-communicatie wordt onderbroken wanneer u de PSA-toepassing start tijdens een programmeersessie en wordt hersteld wanneer u de PSA-toepassing afsluit. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 14-3

Plaats van pictogram Pictogrammen Startup-scherm RF-telemetriestatus RF-basisstation niet verbonden/werkt niet Pictogram Klaar voor verbinding met pulsgenerator Toepassingpictogrammen Actieve RF-telemetrieverbinding Inactieve RF-telemetrieverbinding Tabel 14-2. RF-telemetrie-pictogrammen TACHYCARDIE-BEHANDELING INSCHAKELEN/UITSCHAKELEN De toets Tachy Therapy Enable/Disable (Tachycardie-behandeling inschakelen/uitschakelen) op het Hoofdprogrammeringsvenster is beschikbaar wanneer een van de tachyaritmiebehandelingen geprogrammeerd is. Selecteer deze toets om VT/VF-detectie en afgifte van behandeling uit te schakelen, zonder dat u andere geprogrammeerde parameters beïnvloedt 1. Dit is nuttig voor medische ingrepen die ruis veroorzaken, zoals electrocauterisatie, waarbij het mogelijk is dat de pulsgenerator ruis van de apparatuur detecteert, die interpreteert als een aritmie-episode, en behandeling afgeeft. Wanneer behandeling uitgeschakeld is, worden diagnostische gegevens niet bijgewerkt of gewist. NB Wanneer tachy-behandeling uitgeschakeld is via deze toets, slaat de pulsgenerator alle eerdere tachy-parameterinstellingen op en herstelt ze wanneer de behandeling ingeschakeld wordt. Wanneer u de instelling Off Zone Configuration gebruikt, worden de tachy-parameters niet opgeslagen in de pulsgenerator en kunnen zij niet automatisch hersteld worden wanneer de Zone Configuration-instelling veranderd wordt. De toets laat twee statussen zien: Tachycardiebehandeling is uitgeschakeld (Tachy Therapy is Disabled). De geprogrammeerde parameters worden opgeslagen in de pulsgenerator. Er kunnen veranderingen in de pulsgeneratorparameters (inclusief tachycardieparameters) geprogrammeerd worden. Tachycardiebehandeling is ingeschakeld (Tachy Therapy is Enabled). Alle eerder geprogrammeerde parameters worden hersteld, inclusief parameters die geprogrammeerd zijn terwijl behandelingen uitgeschakeld zijn. 1. Wanneer tachy-behandeling uitgeschakeld is, is AT/AF-detectie ook uitgeschakeld. 14-4 Aanvullende programmeringsinformatie

Aangezien de eerder geprogrammeerde parameters opgeslagen zijn in de pulsgenerator, is het niet nodig om dezelfde programmer te gebruiken om behandeling uit of in te schakelen. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Toegang vanaf: Hoofdprogrammeringsvenster SELECTIE VAN PULSGENERATOR PARAMETERS EN INSTELLINGEN Om de instelling voor een parameter te wijzigen selecteert u de gewenste parametertoets. Er verschijnt een selectievenster voor instellingen. Gewoonlijk worden de te kiezen instellingen bovenaan en onderaan de schuifbalk aangegeven. De huidige permanent geprogrammeerde instelling wordt gemarkeerd met een klein pulsgenerator-pictogram. De nominale waarde voor de instelling wordt aangegeven door een N rechts van de instelling. Selecteer de gewenste instelling. Nadat een instelling geselecteerd is, verschijnt het venster Vooruitblik op veranderingen. Aanduidingen voor automatische programmering Wanneer u een nieuwe instelling selecteert, kan dat leiden tot een automatische herprogrammering van gerelateerde parameters. Instellingen die leiden tot automatische programmering van andere parameters worden in het instellingenvenster gemarkeerd met een pijltje naar rechts. Het instellingenvenster geeft ook een toelichtende opmerking om de relatie tussen de instelling en andere parameters te verduidelijken. Om de gehele serie lopende veranderingen in de programmering te bekijken voordat u nieuwe instellingen programmeert, selecteert u de Preview-toets (Vooruitblik op veranderingen). VOORUITBLIK OP VERANDERINGEN Het venster Preview Changes (Vooruitblik op veranderingen) geeft alle parameters en instellingen die geselecteerd zijn voor programmeren. Het venster bevat tevens: toets Discard Changes (Veranderingen negeren) om alle voorgestelde parameterveranderingen te verwerpen toets Undo (Ongedaan maken) om de laatste parameter die u veranderd heeft, terug te laten keren naar de eerdere instelling (plus eventuele samenhangende automatisch geselecteerde veranderingen). Hierdoor worden instellingen die gemaakt zijn voor de laatste parameterverandering niet beïnvloed. toets Program (Programmeren) om de vermelde parameters permanent te programmeren toets Starten tijdelijk om de vermelde parameters tijdelijk te programmeren NB De pijl omlaag naast de geprogrameerde parameter geeft een automatische verandering in de programmering aan. Het driehoekje geeft aan dat de parameter actief geselecteerd is door de gebruiker om te worden veranderd. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 14-5

STARTEN TIJDELIJK Wanneer de toets Start Temporary (Starten tijdelijk) geselecteerd wordt vanuit het venster Preview Changes, verschijnt de toets Discard Changes, de groene highlights worden oranje, en de pulsgenerator werkt terwijl die instellingen van kracht zijn totdat: de toets Cancel Temporary (Annuleren tijdelijk) geselecteerd wordt, waardoor alle permanent geprogrammeerde instellingen hersteld worden of de toets Program geselecteerd wordt, waarmee de instellingen permanent geprogrammeerd worden. Als telemetrie verloren gaat terwijl tijdelijke instellingen geprogrammeerd zijn, keert de pulsgenerator terug naar de permanent geprogrammeerde instellingen. De programmer vraagt of u de sessie wilt voortzetten of beëindigen. Selecteer de toets Continue om de communicatie tussen de pulsgenerator en de programmer te proberen te herstellen. PRINTMENU Het venster Print Menu bevat twee tabs: Reports Instellingen Om het beeld naar een externe printer te verzenden gaat u naar het Tools Menu > Preferences > tab Printer en selecteert u de knop External. REPORTS Via het venster Reports kunt u een rapport in de afdrukrij selecteren of de selectie opheffen, u kunt het rapport configureren en alle geselecteerde rapporten afdrukken. Om de gegevens afgedrukt in de rapporten Summary, Test, of Wrap-up (Samenvatting, Test of Wrap-up) te veranderen of om de episodes of bevroren ritme-displays te bekijken, selecteert u de blauwe toets aan de rechterkant. Om een rapport te selecteren om het af te drukken, selecteert u het keuzevakje aan de linkerkant. Om uw opgeslagen PDF s te exporteren selecteert u de toets PDF s. De PDF s-toets geeft het aantal lopende bestanden weer. Maximaal vijf rapporttypes zijn beschikbaar: FastPath samenvattingsrapport. Selecteer de toets FastPath Summary om het venster Instellingen FastPath -samenvatting te openen om de afdrukopties te veranderen. Een volledig Samenvattingsrapport kan alle FastPath Summary informatie bevatten, alle beginparameterinstellingen, alle diagnostische gegevens, alle episode-instellingen, een vermelding van elke episode en een Rhythm Display Freeze Capture genomen ten tijde van de ondervraging. Episodes. Selecteer een van de Episodetoetsen om de vensters VT/VF Episodes en Andere Episodes te openen. U kunt alle episodes of geselecteerde episodes afdrukken. Testresultaten (Test Results). Selecteer de toets Test Results (Testresultaten) om het venster Testresultaatinstellingen te openen om de afdrukopties te veranderen. Het rapport bevat Freeze Capture (Capture bevriezen) van uitgevoerde tests, Batterij en elektroden-gegevens, trendgegevens en gegevens van alle uitgevoerde Tests. Bevriezen (Freeze). Selecteer de toets Freeze (Bevriezen) om het venster Freeze Capture (Capture bevriezen) te openen. Het rapport drukt alle Freeze Captures af die geselecteerd zijn voor afdrukken. Wrap-up Overview. Selecteer de toets Wrap-up Overview (Overzicht Wrap-up) om het venster Wrap-up -rapportinstellingen te openen om de afdrukopties te veranderen. Afhankelijk van de instellingen kan het Wrap-up-rapport het venster Wrap-up overzicht bevatten en alle huidige parameterinstellingen. 14-6 Aanvullende programmeringsinformatie

Referral Reports (Heart In Focus ). Selecteer de knop Referral Reports (Verwijzingsrapporten) om een korte samenvatting van één pagina uit te printen met de geselecteerde diagnostische gegevens en episodes. Deze kan informatie bevatten over de arts, de patiënt en de pulsgenerator, VT/VF-episodes, Dagelijke lichaamsbeweging training- en Totale dagelijkse activiteit-trends, AT/AF-belasting-trend, belangrijke episodes uit het AMS-log of AT/AF-log, Histogram ventriculaire hartfrequentie, V-frequenties tijdens AMS-histogram en gemeten gebeurtenistijd sinds de laatste wissing. Toegang vanaf: toets Print > tab Reports INSTELLINGEN FASTPATH -SAMENVATTING Met het venster FastPath Summary Settings (Instellingen FastPath -samenvatting) kunt u de inhoud van de informatie in het samenvattingsrapport veranderen. Er zijn drie aankruisvakjes: Include Extended Diagnostics (Uitgebreide diagnostische gegevens opnemen). Selecteer dit aankruisvakje om de volgende gegevens aan het Samenvattingsrapport toe te voegen: - Frequenties. Een tabel die het percentage laat zien van de totale tijdsduur voor elke gebeurtenis per verschillende frequentiebereik-bins voor de samenvattingen van Histogram atriale hartfrequentie, Histogram ventriculaire hartfrequentie, AV-intervallen en AT/AF-belasting. - AMS-samenvatting. Het totale aantal AMS-episodes in elk frequentiebereik 2. - AMS-log. Alle Log-invoeren (alleen voornaamste AMS-log-episodes worden opgenomen als het vakje niet aangekruist is). - AT/AF-samenvatting. Het totale aantal AT/AF-episodes in elk frequentiebereik 3. - AT/AF-log. Alle Log-invoeren (alleen voornaamste AT/AF-log-episodes worden opgenomen als het vakje niet aangekruist is). - AT/AF-belasting. Het feitelijke aantal en de tijdsduur van AT/AF-episodes voor elke week. - Gegevens SVT-diagnosesamenvatting. Aanvullende diagnostische details. - Gegevens behandelingssamenvatting. Aanvullende behandelingsdetails. - HV-lading en Gegevens morfologie-template. Een tabel van ladingen per spanningsbereik die als monster genomen zijn en die levensduur beïnvloeden. Include Presenting Rhythm Freeze (Presenteren ritme bevriezen opnemen). Selecteer dit aankruisvakje om een afdruk toe te voegen van de Freeze Capture-gegevens die genomen zijn bij de aanvankelijke ondervraging. Save These Settings (Deze instellingen opslaan). Slaat uw voorkeuren op voor toekomstige programmeersessies. Toegang vanaf: toets Print > tab rapporten > toets Summary Report TESTRESULTAATINSTELLINGEN Het venster Test Result Settings (Testresultaatinstellingen) stelt de omvang in van de testresultaten-afdruk en hiermee kunt u informatie over Batterij en elektroden al dan niet laten opnemen. Er zijn twee radiotoetsen: met radiotoets Small Freezes (Kleine bevriezingen) kunt u maximaal vier testresultaten op een pagina plaatsen. met radiotoets Large Freezes (Grote bevriezingen) kunt u maximaal twee testresultaten op een pagina plaatsen. Met Include Battery & Leads (Batterij & elektroden opnemen) drukt u gegevens af vanuit het venster Batterij en elektroden en het venster Lead Impedance. Met het aankruisvakje Save These Settings (Deze instellingen opslaan) legt u uw voorkeuren vast voor toekomstige programmeersessies. 2. Om de diagnostische gegevens van AMS te printen moet de parameter Auto Mode Switch ingeschakeld zijn. 3. Om het venster AT/AF Histograms af te drukken moet de parameter Auto Mode Switch worden ingesteld op Off. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 14-7

Toegang vanaf: toets Print > tab rapporten > toets Test Results WRAP-UP -RAPPORTINSTELLINGEN Met het venster Wrap-up Report Settings (Wrap-up -rapportinstellingen) kunt u de hoeveelheid informatie in het Wrap-up-rapport veranderen. Er zijn drie aankruisvakjes: Include Full Parameters Report (Volledig parameterrapport opnemen). Selecteer dit aankruisvakje om de aanvankelijke en huidige instellingen voor alle geprogrammeerde parameters af te drukken. Als dit vakje niet aangekruist is, worden alleen de gegevens op het scherm Wrap-up overzicht afgedrukt. Print Second Copy for Patient (Tweede exemplaar voor patiënt afdrukken). Selecteer dit aankruisvakje om een extra exemplaar van het Wrap-up rapport af te drukken. Save These Settings (Deze instellingen opslaan). Slaat uw voorkeuren op voor toekomstige programmeersessies. Toegang vanaf: toets Print > tab rapporten > toets Wrap-up Report INSTELLINGEN Met het venster Print Settings (Afdrukinstellingen) kunt u afdrukvoorkeuren instellen voor: Start of Session Preferences (Voorkeuren voor begin van sessie) - Rapporten geselecteerd voor afdrukken. Kruis deze toets aan om rapporten vooraf te selecteren voor afdrukken, zodat u het instellen van de parameters in het venster Reports over kunt slaan. - Druk het FastPath Summary automatisch af bij ondervraging. Page Headers (Paginakoppen). Open deze toets om informatie in te voeren die in de paginatitels van de rapporten verschijnt. Printer Preferences. Opent het venster Printervoorkeuren, waarmee u: - het aantal exemplaren dat wordt afgedrukt van elk rapport kunt selecteren - kiezen of u rapporten wilt printen met printen zonder papier (naar PDF) of de rapporten op papier wilt afdrukken via de interne printer of een externe printer. PDFs. Opent het venster PDF s waarin u PDF s kunt exporteren of wissen. Toegang vanaf: toets Print > tab Settings BEDIENING IN NOODGEVALLEN De programmer heeft op het bedieningspaneel twee toetsen voor noodsituaties: Schok in noodgevallen. Opent het venster Emergency Shock (Schok in noodgevallen) VVI. Reset de pulsgenerator automatisch op vooraf gedefinieerde Emergency VVI-instellingen met hoge output. Alle diagnostische gegevens worden gewist uit de pulsgenerator. Eventueel geselecteerde, maar nog niet geprogrammeerde waarden gaan verloren. De Emergency VVI-instellingen staan in de tabel hieronder (Tabel 14-3). Een andere werking voor noodgevallen die ingebouwd is in de pulsgenerator, is Reset-functie. SCHOK IN NOODGEVALLEN Zie Instructies voor geven van een Schok in noodgevallen. De programmer kan gebruikt worden om handmatig een schok af te geven gesynchroniseerd met de R-golf. 14-8 Aanvullende programmeringsinformatie

De programmer zendt de opdracht Emergency Shock over naar de pulsgenerator via het huidige telemetriekanaal van de huidige pulsgeneratorsessie. Dus als de sessie RF-communicatie gebruikt, zendt de programmer de opdracht Emergency Shock over via het RF-communicatiekanaal. Als de sessie inductieve telemetrie gebruikt, zendt de programmer de opdracht Emergency Shock over via het inductieve telemetriekanaal. Alle Schokken in noodgevallen die afgegeven worden buiten de huidige sessie gebruiken het inductieve telemetriekanaal. LET OP RF-communicatie. Terwijl u een Schok in noodgevallen uitvoert, dient u ervoor te zorgen dat er ten minste vier LED s te zien zijn als indicatie van de telemetriesterkte, op de programmer en de Merlin Antenne. Als er minder LED s branden, zal de pulsgenerator mogelijk de communicatieverbinding verbreken wanneer deze oplaadt of de condensatoren dumpt. Als dat gebeurt, eindigt de poging om een schok af te geven en keert de pulsgenerator terug naar de permanent geprogrammeerde instellingen. WAARSCHUWING Een synchrone hoogspanningsschok die wordt afgegeven bij een sinusritme kan atriale of ventriculaire tachyaritmieën opwekken. Beschikbaar in: Alle pulsgenerators Instellingen: (XXXX-36 pulsgenerators) Vaste pulsbreedte: (V) 50; 100; 800; 830 (XXXX-30 pulsgenerators) Vaste pulsbreedte: (V) 50; 100; 750 (XXXX-36 pulsgenerators) Vaste Tilt (J): 0,1; 0,2; 1,0; 2,0, 10,0; 12,5; 30,0; 32,0; 34,0; 36,0 (XXXX-30 pulsgenerators) Vaste Tilt (J): 0,1; 0,2; 1,0; 2,0; 10,0; 12,5; 30,0 Toegang vanaf: toets Shock console (Schok bedieningspaneel) Instructies voor geven van een Schok in noodgevallen Om een schok af te geven in noodgevallen: 1. Selecteer de toets Shock op het bedieningspaneel. 2. Selecteer de instelling Emergency Shock Energy/Voltage (Energie/spanning voor schok in noodgevallen). 3. Selecteer de toets Deliver Shock (Schok afgeven). De huidige geprogrammeerde DeFT Response Technology-instellingen (Schokgolfvorm) worden gebruikt voor de schok. Als de instelling Zone Configuration op Off staat, worden de instellingen voor DeFT Response (DeFT-reactie) ingesteld op een bifasische golfvorm met een vaste tilt van 65%. De schok wordt gelijktijdig afgegeven met de volgende waargenomen gebeurtenis. Als er geen waargenomen gebeurtenis optreedt, wordt de schok afgegeven na de volgende keer dat de bradycardiestimulatie verstreken is. Als bradycardiestimulatie uitgeschakeld is, wordt de schok afgegeven alsof het apparaat stimuleerde met 30 min. De afgifte van een schok in noodgevallen triggert het opslaan van een EGM. Als de condensatoren zijn begonnen met opladen en de telemetrieverbinding gaat verloren, dan gaan de condensatoren door met laden en wordt de schok in noodgevallen afgegeven. Nadat de schok afgegeven is, worden de detectietellers opnieuw gestart en is de pulsgenerator gereed om een nieuwe tachyaritmie-episode te detecteren. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 14-9

EMERGENCY VVI-INSTELLINGEN Parameter Stimulatie-mode Pulsamplitude (Pulse Amplitude) Pulse Width Waarnemingsconfiguratie Pulsconfiguratie Ventriculaire stimulatiekamer 1 Ventriculaire stimulatiefrequentie Ventriculaire post-gestimuleerde refractaire periode Ventriculaire gevoeligheid Frequentiehysterese Sensor Instelling VVI 7,5 (V) 0,6 (ms) Bipolar Bipolar RV-only 70 min 310 (ms) Niet beïnvloed Off Off Tabel 14-3. Emergency VVI instellingen 1. Alleen Promote pulsgenerators. RESET-FUNCTIE Als de pulsgenerator voorbijgaande fouten tegenkomt in de software of hardware, voert deze een reset -routine uit in een poging de fout te verhelpen en de normale werking te herstellen. Elke keer dat de reset-functie aangesproken wordt, laat de programmer een reset-functiewaarschuwing zien bij de volgende ondervraging en meldt dat u contact op dient te nemen met uw St. Jude Medical vertegenwoordiger of Technische ondersteuning. In dit geval downloadt de gebruiker doorgaans de geschiedenis van de pulsgenerator vanuit het venster Sessiegegevens. In de meeste gevallen lukt het de reset-functie om een fout te herstellen. In sommige gevallen gaan de opgeslagen EGM s verloren, zelfs wanneer de reset geslaagd is. Als de reset-functie niet slaagt, herstelt de pulsgenerator zo veel mogelijk permanent geprogrammeerde instellingen, maar het apparaat gaat er wellicht toe over sommige of alle niet-programmeerbare reset-instellingen te programmeren die vermeld worden in de tabel hieronder (Tabel 14-4). Fibrillatiedetectie en defibrillatie zijn beschikbaar wanneer de pulsgenerator in reset-status is. In deze mode wordt fibrillatie gediagnosticeerd na 12 fibrillatie-intervaldetecties, als er geen eerdere backup-defibrillatie is opgetreden. Als de pulsgenerator een eerdere backup-defibrillatiebehandeling geteld heeft, wordt fibrillatie gediagnosticeerd na 6 detecties. Het systeem herbevestigt de diagnose wanneer het nog 6 fibrillatie-intervallen boekt. Omdat de pulsgenerator permanent geprogrammeerde parameters zowel in RAM als in ROM opslaat, is de kans groot dat volledig herstel van permanente instellingen en programmeerbaarheid bereikt wordt na een foutconditie. 14-10 Aanvullende programmeringsinformatie

Parameter Reset-instelling Backup stimulatie Mode Pulse Amplitude Pulse Width Sensitivity RV Pulse Configuration LV Pulse Configuration VVI 5,0 V 0,6 ms 2,0 mv (vast) Tip to Ring LV Tip to RV Ring V. Sense Configuration RV-Tip to RV-Ring Noise Refractory Extension Refractory Period Base Rate 125 ms 305,5 ms (46,5 ms absolute; 259 ms relative) 67,5 min V. Pacing LV->RV Interventricular Pace Delay 16 ms Backup Defibrillatie Sensitivity range Sensitivity Post Pace Refractory Post Paced Sensitivity Post Sensed Decay Delay Post Paced Decay Delay HV Refractory Period Post Sense Refractory Number of Tachy Therapy Levels Shock waveform Maximum Shocks per Episode Shock Configuration 6,3 mv AutoSense-mode 425 ms 25% van volledige schaal 0 ms 0 ms 1 s 125 ms 1 (VF) Biphasic, 65% tilt, maximum energy 6 RV to SVC & Can Tabel 14-4. Reset-instellingen van pulsgenerator Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators 14-11

14-12 Aanvullende programmeringsinformatie

A. TECHNISCHE GEGEVENS CURRENT EN CURRENT RF PULSGENERATORS De onderstaande tabellen 1 gelden voor de volgende Current pulsgeneratormodellen: Current DR RF 2207-36 Current DR RF 2207-30 Current DR 2107-36 Current DR 2107-30 Current VR RF 1207-36 Current VR RF 1207-30 Current VR 1107-36 Current VR 1107-30 De onderstaande technische gegevens omvatten: Fysieke specificaties Configuraties pulsgenerator Batterijspanning Tolerantiewaarden werkingsparameters Röntgen-identificatie Onderdelen en accessoires FYSIEKE SPECIFICATIES Current pulsgenerators Specificatie 2107-36 2107-30 1107-36 1107-30 Afmetingen 1 (cm) (h x l x d) 2 7,1 x 5,0 x 1,4 7,0 x 5,0 x 1,3 7,0 x 5,0 x 1,4 6,9 x 5,0 x 1,3 Gewicht 1 (g) 78 72 76 71 Verplaatsingsvolume 1 (cm³) 39 35 38 34 Materiaal behuizing Materiaal header Materiaal septum Titaan Epoxyhars Silicone Opgeslagen energie (J) 42 34 42 34 Tabel A-1. Fysieke specificaties voor Current pulsgenerators 1. Voetnoten worden onder iedere tabel weergegeven. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators A-1

Specificatie 2107-36 2107-30 1107-36 1107-30 Ruisdetectiefrequentie 100 of meer waargenomen gebeurtenissen per seconde Elektrodecompatibiliteit Hoogspanning: één of twee DF-1 elektrodeconnectoren van 3,2 mm Laagspanning: één of twee bipolaire IS-1 elektroden van 3,2 mm Hoogspanning: één of twee DF-1 elektrodeconnectoren van 3,2 mm Laagspanning: één bipolaire IS-1 elektrode van 3,2 mm Batterij Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2555 One cell Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2356 One cell Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2555 One cell Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2356 One cell Tabel A-1. Fysieke specificaties voor Current pulsgenerators (vervolg) 1. Nominale waarden gebaseerd op metingen van engineering-model. 2. (h x l x d) = hoogte bij lengte bij dikte. Current RF pulsgenerators Specificatie 2207-36 2207-30 1207-36 1207-30 Afmetingen 1 (cm) (h x l x d) 2 7,7 x 5,0 x 1,4 7,6 x 5,0 x 1,3 7,6 x 5,0 x 1,4 7,5 x 5,0 x 1,3 Gewicht 1 (g) 80 74 79 73 Verplaatsingsvolume 1 (cm³) 42 38 41 37 Materiaal behuizing Materiaal RF-antenne Materiaal header Materiaal septum Titaan Titaan Epoxyhars Silicone Opgeslagen energie (J) 42 34 42 34 Ruisdetectiefrequentie 100 of meer waargenomen gebeurtenissen per seconde Elektrodecompatibiliteit Hoogspanning: één of twee DF-1 elektrodeconnectoren van 3,2 mm Laagspanning: één of twee bipolaire IS-1 elektroden van 3,2 mm Hoogspanning: één of twee DF-1 elektrodeconnectoren van 3,2 mm Laagspanning: één bipolaire IS-1 elektrode van 3,2 mm Batterij Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2555 One cell Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2356 One cell Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2555 One cell Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2356 One cell Tabel A-2. Fysieke specificaties voor Current RF pulsgenerators 1. Nominale waarden gebaseerd op metingen van engineering-model. 2. (h x l x d) = hoogte bij lengte bij dikte. A-2 Technische gegevens Current en Current RF pulsgenerators

CONFIGURATIES PULSGENERATOR Configuratie tachyaritmie Defibrillator zonder tachycardierespons (1 Zone: VF); Defibrillator met tachycardirespons - Enkelvoudige tachycardiediscriminatie (2 Zones: VT, VF); Defibrillator met tachycardierespons - Twee tachycardiefrequentie discriminatie (3 Zones: VT-1, VT-2, VF); Off Bradyaritmie mode Current DR Current DR RF Current VR Current VR RF AAI(R), VVI(R), DDI(R), DDD(R), stimulator Off; Meer modes beschikbaar in de configuratie Tachyaritmiebehandelingen Off: AOO, VOO, DOO; Meer modes beschikbaar als tijdelijke modes: AOO, VOO, DOO, AAT VVI(R), stimulator Off; Meer modes beschikbaar in de configuratie Tachyaritmiebehandelingen Off: VOO; Meer modes beschikbaar als tijdelijke modes: VOO SVT-discriminatiemode 1 Current DR Current DR RF Current VR Current VR RF Alleen ventriculair, tweekamer Alleen ventriculair Configuratie A stimulatie en waarneming Current DR Current DR RF Bipolair (A-tip tot A-ring) Configuratie V stimulatie en waarneming Alle modellen Bipolair (V-tip tot V-ring) Tabel A-3. Configuraties pulsgenerator 1. Waarneming alleen in het rechteratrium en rechterventrikel. BATTERIJSPANNING Parameter Batterijspanning Spanning (voltage) voor electieve vervanging (onbelast) Spanning bij einde levensduur (onbelast) Gegevens (Data) 3,20 V (begin van levensduur) 2,45 V 2,35 V Tabel A-4. Batterijspanning voor Current en Current RF pulsgenerators Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators A-3

TOLERANTIEWAARDEN WERKINGSPARAMETERS Parameter/meting Tolerantiewaarde Stimulatieparameters Gestimuleerd AV Delay 1 Refractaire periode stimulatie Stimulatie-interval ± 10 ms ± 10 ms ± 15 ms Pulsbreedte stimulatie ± 40 µs Pulsamplitude stimulatie 2 ± 25% (BOL tot ERI) ± 30% (ERI tot EOL) Waarnemingsparameters Waarneming refractaire perioden ± 5 ms Cardioversie-/defibrillatieparameters Post-schok refractaire periode ± 50 ms Pulsbreedte schok ± 40 µs Output-impedantie < 3 Impedantie HV-elektrode ± 15% bij 50 Oplaadtijd cap ± 0,15 s Opgeslagen spanning ± 5% Afgegeven energie: bij max. energie ± 10% 20 J < tot < max. energie ± 15% 5 J < tot < 20 J ± 20% 1 J < tot < 5 J ± 30% Parameters voor aritmiedetectie Detectie-intervallen MTD/MTF timers Interval stabiliteitsdelta AV-delta Sudden onset delta ± 10 ms ± 3 s ± 10 ms ± 10 ms ± 10 ms Parameters aritmie-inductie Post-behandeling stimulatiepauze Burst Fibber-interval Shock-on-T NIPS-interval ATP-stimulatie-interval ± 0,25 s ± 15 ms ± 5 ms ± 15 ms ± 5 ms (vast) ± 3% (aanpassend) Burst Fibber-pulsamplitude ± 15% Tabel A-5. Tolerantiewaarden werkingsparameters/metingen voor Current en Current RF pulsgenerators A-4 Technische gegevens Current en Current RF pulsgenerators

Parameter/meting Tolerantiewaarde Diagnostische en real-time statusgegevens Waargenomen interval Minimale/Maximale cycluslengte Impedantie stimulatie-elektrode (2 & 4 V) Meting stimulatiespanning 3 ± 10 ms ± 10 ms ± 15% (200 tot <=1000 ) ± 20% (1000 <=2000 ) ± 15% of ± 100 mv (hoogste waarde is van toepassing) Tabel A-5. Tolerantiewaarden werkingsparameters/metingen voor Current en Current RF pulsgenerators (vervolg) 1. Alleen Current DR en Current DR RF pulsgenerators. 2. Pulsbreedte van 0,5 ms in 500 bij 37 C met telemetrie inactief. 3. Lading > 200. RÖNTGEN-IDENTIFICATIE Iedere pulsgenerator is voorzien van een markering die röntgenstraling absorbeert om zo niet-invasieve identificatie mogelijk te maken. De markering bestaat uit het St. Jude Medical-logo (SJM) en een modelcode van twee letters. (Zie Tabel A-6.) Pulsgeneratormodel Röntgenidentificatiemodelcode 1107-36/30, 2107-36/30 KA 1207-36/30, 2207-36/30 KC Tabel A-6. Röntgen-identificatiecodes voor Current en Current RF pulsgenerators ONDERDELEN EN ACCESSOIRES Alleen de hier vermelde accessoires zijn goedgekeurd om gebruikt te worden met het Current en Current RF implanteerbare defibrillatorsysteem. Modelnummer Naam/omschrijving 442-2 Momentsleutel AC-0130 AC-0140 AC-0160 AC-DP-3 AC-IP-2 Siliconenolie Medische kleefpasta Magneet DF-1 aansluitplug IS-1 aansluitplug Tabel A-7. Onderdelen en accessoires voor Current en Current RF pulsgenerators Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators A-5

A-6 Technische gegevens Current en Current RF pulsgenerators

B. TECHNISCHE GEGEVENS PROMOTE EN PROMOTE RF PULSGENERATORS De onderstaande tabellen 1 gelden voor de volgende Promote pulsgenerator-modellen: Promote RF 3213-36 Promote RF 3213-30 Promote RF 3207-36 Promote RF 3207-30 Promote 3109-36 Promote 3109-30 Promote 3107-36 Promote 3107-30 De onderstaande technische gegevens omvatten: Fysieke specificaties Configuraties pulsgenerator Batterijspanning Tolerantiewaarden werkingsparameters Röntgen-identificatie Onderdelen en accessoires FYSIEKE SPECIFICATIES Promote pulsgenerators Specificatie 3107-36 3109-36 3107-30 3109-30 Afmetingen 1 (h x l x d) (cm) 2 7,5 x 5,0 x 1,4 7,4 x 5,0 x 1,3 Gewicht 1 (g) 80 74 Verplaatsingsvolume 1 (cm³) 41 37 Materiaal behuizing Materiaal header Materiaal septum Titaan Epoxyhars Silicone Opgeslagen energie (J) 42 34 Tabel B-1. Fysieke specificaties voor Promote pulsgenerators 1. Voetnoten worden onder iedere tabel weergegeven. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators B-1

Specificatie 3107-36 3109-36 3107-30 3109-30 Ruisdetectiefrequentie Elektrodecompatibiliteit 100 of meer waargenomen gebeurtenissen per seconde Hoogspanning: één of twee DF-1 elektrodeconnectoren van 3,2 mm Laagspanning: één, twee of drie IS-1 bipolaire (RA, RV en LV) elektroden van 3,2 mm OF één of twee IS-1 bipolaire (RA en RV) elektroden van 3,2 mm en één IS-1 unipolaire (LV) elektrode van 3,2 mm Batterij Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2555 One cell Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2356 One cell Tabel B-1. Fysieke specificaties voor Promote pulsgenerators (vervolg) 1. Nominale waarden gebaseerd op metingen van engineeringmodel. 2. (h x l x d) = hoogte bij lengte bij dikte. Promote RF pulsgenerators Specificatie 3207-36 3213-36 3207-30 3213-30 Afmetingen 1 (h x l x d) (cm) 2 8,1 x 5,0 x 1,4 8,0 x 5,0 x 1,3 Gewicht 1 (g) 82 76 Verplaatsingsvolume 1 (cm³) 43 39 Materiaal behuizing Materiaal RF-antenne Materiaal header Materiaal septum Titaan Titaan Epoxyhars Silicone Opgeslagen energie (J) 42 34 Ruisdetectiefrequentie Elektrodecompatibiliteit 100 of meer waargenomen gebeurtenissen per seconde Hoogspanning: één of twee DF-1 elektrodeconnectoren van 3,2 mm Laagspanning: één, twee of drie IS-1 bipolaire (RA, RV en LV) elektroden van 3,2 mm OF één of twee IS-1 bipolaire (RA en RV) elektroden van 3,2 mm en één IS-1 unipolaire (LV) elektrode van 3,2 mm Batterij Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2555 One cell Lithium/zilvervanadiumoxide; Wilson Greatbatch Limited, Model 2356 One cell Tabel B-2. Fysieke specificaties voor Promote RF pulsgenerators 1. Nominale waarden gebaseerd op metingen van engineeringmodel. 2. (h x l x d) = hoogte bij lengte bij dikte. B-2 Technische gegevens Promote en Promote RF pulsgenerators

CONFIGURATIES PULSGENERATOR Configuratie tachyaritmie Defibrillator zonder tachycardierespons (1 Zone: VF); Defibrillator met tachycardierespons - Enkelvoudige tachycardiediscriminatie (2 Zones: VT, VF); Defibrillator met tachycardierespons - Twee tachycardiefrequentie discriminatie (3 Zones: VT-1, VT-2, VF); Off Bradyaritmie mode AAI(R), VVI(R), DDI(R), DDD(R), stimulator Off; Meer modes beschikbaar in de configuratie Tachyarrhythmia therapies Off: AOO, VOO, DOO; Meer modes beschikbaar als tijdelijke modes: AOO, VOO, DOO, AAT SVT-discriminatiemode 1 Alleen ventriculair, tweekamer Configuratie A stimulatie en waarneming Bipolair (A-tip tot A-ring) Configuratie RV stimulatie en waarneming Bipolair (RV-tip tot RV-ring) Configuratie LV stimulatie Bipolair (LV-tip tot LV-ring), LV-tip tot RV-coil, LV-ring tot RV-coil Tabel B-3. Configuraties pulsgenerator 1. Waarneming alleen in het rechteratrium en rechterventrikel. BATTERIJSPANNING Parameter Batterijspanning Voltage voor electieve vervanging (onbelast) Voltage bij einde levensduur (onbelast) Gegevens (Data) 3,20 V (begin van levensduur) 2,45 V 2,35 V Tabel B-4. Batterijspanning voor Promote en Promote RF pulsgenerators Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators B-3

TOLERANTIEWAARDEN WERKINGSPARAMETERS Parameter/Meting Tolerantiewaarde Stimulatieparameters Gestimuleerd AV-delay (Paced AV Delay) Refractaire periode stimulatie Stimulatie-interval ± 10 ms ± 10 ms ± 15 ms Pulsbreedte stimulatie ± 40 µs Pulsamplitude stimulatie 1 ± 25% (BOL tot ERI) ± 30% (ERI tot EOL) Waarnemingsparameters Waarneming refractaire perioden ± 5 ms Cardioversie-/defibrillatieparameters Post-schok refractaire periode ± 50 ms Pulsbreedte schok ± 40 µs Output-impedantie < 3 Impedantie HV-elektrode ± 15% bij 50 Oplaadtijd cap ± 0,15 s Opgeslagen spanning ± 5% Afgegeven energie: bij max. energie ± 10% 20 J < tot < max. energie ± 15% 5 J < tot < 20 J ± 20% 1 J < tot < 5 J ± 30% Parameters voor aritmiedetectie Detectie-intervallen MTD/MTF timers Interval stabiliteitsdelta AV-delta Sudden onset delta ± 10 ms ± 3 s ± 10 ms ± 10 ms ± 10 ms Parameters aritmie-inductie Post-behandeling stimulatiepauze Burst Fibber-interval Shock-on-T NIPS-interval ATP-stimulatie-interval ± 0,25 s ± 15 ms ± 5 ms ± 15 ms ± 5 ms (vast) ± 3% (aanpassend) Burst Fibber-pulsamplitude ± 15% Tabel B-5. Tolerantiewaarden werkingsparameters/metingen voor Promote en Promote RF pulsgenerators B-4 Technische gegevens Promote en Promote RF pulsgenerators

Parameter/Meting Tolerantiewaarde Diagnostische en real-time statusgegevens Waargenomen interval Minimale/Maximale cycluslengte Impedantie stimulatie-elektrode (2 & 4 V) Meting stimulatiespanning 2 ± 10 ms ± 10 ms ± 15% (200 tot <=1000 ) ± 20% (1000 <=2000 ) ± 15% of ± 100 mv (hoogste waarde is van toepassing) Tabel B-5. Tolerantiewaarden werkingsparameters/metingen voor Promote en Promote RF pulsgenerators (vervolg) 1. Pulsbreedte van 0,5 ms in 500 bij 37 C met telemetrie inactief. 2. Lading > 200. RÖNTGEN-IDENTIFICATIE Iedere pulsgenerator is voorzien van een markering die röntgenstraling absorbeert om zo niet-invasieve identificatie mogelijk te maken. De markering bestaat uit het St. Jude Medical-logo (SJM) en een modelcode van twee letters. (Zie Tabel B-6.) Pulsgeneratormodel Röntgenidentificatiemodelcode 3107-36/30, 3109-36/30 KA 3207-36/30, 3213-36/30 KC Tabel B-6. Röntgenidentificatiecodes voor Promote-pulsgenerators ONDERDELEN EN ACCESSOIRES Alleen de hier vermelde accessoires zijn goedgekeurd om gebruikt te worden met het Promote en Promote RF implanteerbare defibrillatorsysteem. Modelnummer Naam/omschrijving 442-2 Momentsleutel AC-0130 AC-0140 AC-0160 AC-DP-3 AC-IP-2 Siliconenolie Medische kleefpasta Magnet DF-1 aansluitplug IS-1 aansluitplug Tabel B-7. Onderdelen en accessoires voor Promote en Promote RF pulsgenerators Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators B-5

B-6 Technische gegevens Promote en Promote RF pulsgenerators

C. GEBRUIKSINFORMATIE VOOR DE ARTS Inhoud: Patiëntselectie Testen bij implantatie Op pulsgenerator gebaseerde tests uitvoeren Factoren die de levensduur van de pulsgenerator beïnvloeden PATIËNTSELECTIE Evalueer de huidige en te verwachten klinische behoeften van de patiënt en selecteer een pulsgenerator die aan die behoeften tegemoetkomt. Voorafgaand aan de implantatie: Evalueer en classificeer de ventriculaire tachyaritmieën van de patiënt om te bepalen of de patiënt een geschikte kandidaat is voor de pulsgenerator Evalueer de functionele status van de patiënt om de aanwezigheid van hartfalen te bevestigen (alleen Promote pulsgenerators) Bepaal de frequenties van induceerbare en spontane ventriculaire aritmieën, evenals de maximale sinusfrequentie van de patiënt en de frequenties van eventuele supraventriculaire tachyaritmieën; deze helpen bij het programmeren van de frequentiedetectie- en discriminatieparameters Indien de medicatie van de patiënt verandert, evalueer dan de aritmieën en sinusritmefrequenties van de patiënt opnieuw, voor zover nodig, en herprogrammeer de parameters voor frequentiedetectie en morfologie-scoring dienovereenkomstig. Als de aandoening van de patiënt door de tijd verslechtert of verandert, evalueer de aritmieën van de patiënt dan opnieuw en herprogrammeer de parameters voor detectie, SVT/VT discriminatie en behandeling van de pulsgenerator dienovereenkomstig. Bij patiënten met frequente kortdurende episodes dient u de parameters voor aritmiedetectie en SVT-discriminatie zorgvuldig te programmeren en behandeling met geneesmiddelen te overwegen ter voorkoming van overmatig stroomverbruik uit de batterij ten gevolge van frequente schokken. Extreem frequente ventriculaire of supraventriculaire tachyaritmieën kunnen contraïndicaties zijn als het niet mogelijk is via zorgvuldige programmering van de pulsgenerator een acceptabele levensduur van de batterij te realiseren. TESTEN BIJ IMPLANTATIE Gezien de aard van de implantatieprocedure dienen de arts en het ondersteunend personeel bekend te zijn met alle componenten van het systeem en de inhoud van deze handleiding, voordat aan de procedure begonnen wordt. Na het implanteren van de elektroden dient u de elektrodesystemen te testen. In verband met het verschil in capaciteit tussen de pulsgenerator en een extern stimulatie-apparaat bevelen wij sterk aan dat getest wordt op basis van de pulsgenerator. U kunt desgewenst echter een eenmalige begintest uitvoeren met een extern stimulatieapparaat om te controleren of de patiënt een hoge defibrillatiedrempel heeft, voordat u het pulsgeneratorpakket openmaakt. Zie voor informatie over op pulsgenerator-gebaseerd testen Op pulsgenerator gebaseerde tests uitvoeren op pag. C-2. Indien een implantatie-ondersteunend apparaat gebruikt wordt, bevelen wij sterk aan dat aanvullende tests uitgevoerd worden met de pulsgenerator. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators C-1

WAARSCHUWING Gezien de aard van de procedure dient er altijd een aparte externe defibrillator standby en onmiddellijk beschikbaar te zijn. OP PULSGENERATOR GEBASEERDE TESTS UITVOEREN 1. Implanteer de elektroden en pulsgenerator. 2. Gebruik de programmer om de pulsgenerator te ondervragen. 3. Meet stimulatie-drempels, elektrode-impedanties en de amplitudes van R-golven en P-golven en sla de gegevens op voor trendanalyse. Parameter Acuut Chronisch LV pacing capture threshold < 3 V < 5 V RV pacing capture threshold < 2 V < 5 V Atrial pacing capture threshold < 2 V < 5 V R-wave amplitude 5 mv of hoger 2 mv of hoger P-wave amplitude 2 mv of hoger 1 mv of hoger Tabel C-1. Aanbevolen drempels en amplitudes NB Signalen met zeer lage amplitude tijdens tachycardie of fibrillatie kunnen leiden tot langere aritmie-detectietijden of onvermogen om een aritmie te detecteren. 4. Controleer het real-time EGM van de waarnemingselektrode(n) op discontinuïteit of op artefacten die zouden kunnen wijzen op beschadiging aan elektroden. Merk op dat met een instrument of vinger op de header van de pulsgenerator kloppen artefacten te zien kan geven op het real-time EGM. 5. Stel de tilt of pulsbreedte van de defibrillatie-golfvorm in op de gewenste waarde Indien de golfvorm Fixed PW is, dient u een schok voor noodgevallen te geven van ten minste 200 V om de elektrode-impedantie te evalueren voordat u de pulsbreedte programmeert. Indien de golfvorm Fixed Tilt is, is er geen impedantieberekening vereist. LET OP Implanteer de pulsgenerator niet indien de elektrode-impedantie van de acute defibrillatie-elektrode minder is dan 20 of de elektrode-impedantie van chronische elektroden minder is dan 15. De pulsgenerator kan beschadigd raken als de hoogspanningsbehandeling wordt afgegeven in een impedantie van minder dan 15. 6. Stel de configuratieparameters van de pulsgenerator naar wens in en programmeer de pulsgenerator op On. 7. Wek ventriculaire fibrillatie op en bekijk de detectie en afgifte van behandeling. Stel het voltage bij en herhaal dit totdat de defibrillatiedrempel bepaald is. C-2 Gebruiksinformatie voor de arts

WAARSCHUWING Voor effectieve defibrillatie dient u de pulsgenerator in de pocket te plaatsen voordat aritmie opgewekt wordt of de defibrillatie getest wordt. Indien u de op de pulsgenerator gebaseerde testfunctie van de programmer gebruikt, merk dan op dat indien het gewenste behandelingsvoltage niet bereikt is voordat het tijdsuitstel verstreken is (in de mode Timed) of behandeling is gevraagd (in de mode Manual), de afgifte van behandeling uitgesteld wordt totdat het voltage voor behandeling bereikt is. Indien er teveel energie vereist is, moeten de defibrillatie-elektroden mogelijk verplaatst worden, of de pulsgenerator moet opnieuw geprogrammeerd worden op een andere golfvorm, tilt, pulsbreedte of polariteit, of er moet een ander elektrodesysteem gekozen worden. Indien er een SVC-elektrode geïmplanteerd is, kan deze ook opnieuw geprogrammeerd worden op Off of On. Voor een betrouwbare beëindiging van de aritmie dient de minimale energie voor defibrillatie minstens 10 J minder te zijn dan de maximale uitvoer van de pulsgenerator. Dit komt overeen met een vereist voltage voor beëindiging van niet meer dan ongeveer 640 tot 685 V, afhankelijk van de geprogrammeerde golfvorm, pulsbreedte en defibrillatie-elektrode-impedantie. Het defibrillatie-elektrodesysteem moet gekozen worden op basis van klinische factoren en energievereisten. Als niet aan de energievereisten voldaan kan worden met een gegeven elektrodesysteem, of als de acute defibrillatie-elektrode-impedantie laag is, kan een ander elektrodesysteem het probleem mogelijk verminderen. Indien de conditie van de patiënt dit toestaat, wordt aanbevolen herdetectie te evalueren na een mislukte schok bij testen tijdens implantatie of voor ontslag. Als de R-golf-amplitude zeer klein is, kunnen detectietijden langer zijn of is de pulsgenerator mogelijk niet in staat een aritmie te detecteren. Indien een aritmie opgewekt wordt maar het real-time EGM geeft niet aan dat tachyaritmie-intervallen geteld worden, is de R-golf-amplitude mogelijk te laag of is de geprogrammeerde tachyaritmie-detectiefrequentie mogelijk hoger dan de opgewekte frequentie. 8. Wanneer het testen voltooid is, dient u naar het scherm Capture Testing te gaan om de stimulatie-drempels te evalueren. De drempeltrends worden automatisch bijgewerkt. De trends van onbelaste batterijspanning, signaalamplitude en elektrode-impedantie worden eens per maand automatisch bijgewerkt door de pulsgenerator. 9. Stel de configuratie van de pulsgenerator en de parameters in zoals beschreven in de betreffende referentiehandleiding. Raadpleeg het elektrofysiologisch (EP) onderzoek van de patiënt en gedocumenteerde spontane aritmie-episodes voor het programmeren van detectiecriteria. 10. Bevestig bradycardiewaarneming en stimulatie zoals beschreven in de volgende paragraaf. Het bevestigen van bradycardiewaarneming en -stimulatie St. Jude Medical adviseert dat bij het testen in de operatiekamer tevens de bradycardiewaarneming en -stimulatie met de geprogrammeerde parameters worden gecontroleerd. 1. Programmeer tachyaritmiebehandelingen op Off en bevestig juiste waarneming tijdens intrinsieke geleiding. 2. Programmeer de pulsgenerator op DDD- of VVI-stimulatie en stel de stimulatiefrequentie en (in DDD-mode) AV Delay zodanig in dat de pulsgenerator 100% van de tijd stimuleert. 3. Als het real-time EGM T-golven laat zien die meer dan de halve grootte van het QRS-complex lijken te hebben, en als de pulsgenerator niet op de geprogrammeerde frequentie stimuleert (wat wijst op T-golfwaarneming), verhoog de Decay Delay of de Threshold Start dan. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators C-3

Bevestigen van parameterinstellingen Aan het eind van de programmeersessie dient u de pulsgenerator te ondervragen en te bevestigen dat de uiteindelijke parameterinstellingen correct zijn. Testen voor ontslag uit het ziekenhuis Gebruik eventueel niet-invasieve stimulatie om de klinische aritmieën op te wekken en bevestig de geschiktheid van de geprogrammeerde instellingen van de pulsgenerator. Bekijk de prestatie van het morfologietemplate, indien dat van toepassing is. Test de patiëntmelding. Hierdoor went de patiënt aan de trilling die hij/zij zal voelen wanneer er een patiëntmelding wordt afgegeven. Maak een röntgen-foto van de borst als basis voor vergelijking voor het geval dat latere veranderingen in de doeltreffendheid van schokken of elektrode-impedantie doen vermoeden dat er iets aan het elektrodesysteem mankeert. Klinisch onderzoek en proefdieronderzoek heeft aangetoond dat de impedantie van de defibrillatie-elektrode aanzienlijk daalt in de eerste zeven dagen na implantatie. In de volgende paar weken keert deze geleidelijk terug naar een waarde die tijdens implantatie gemeten werd. Gezien het herstel van de elektrode-impedantiewaarde wordt niet aanbevolen om de defibrillatie-pulsbreedte aan te passen gedurende deze periode. FACTOREN DIE DE LEVENSDUUR VAN DE PULSGENERATOR BEÏNVLOEDEN De levensduur van de pulsgenerator hangt sterk af van hoe vaak er schok plaatsvindt. Een verhoging van stimulatie-outputparameters of een verlaging van elektrode-impedantie verkort de levensduur van de batterij ook. In sommige gevallen kan dit de periode van ERI (Elective Replacement Indicator) tot EOL korter maken dan drie maanden. De berekening van levensduur in de navolgende tabel vertegenwoordigt een pulsgenerator waarin de patiëntmelding op nominale instellingen geprogrammeerd is en één meldingsreeks gegeven wordt bij ERI. Wanneer patiëntmelding in een pulsgenerator is geprogrammeerd op nominale instellingen, verbruikt elke patiëntmeldingsreeks die afgegeven wordt 0,1% van de batterijspanning. Als de patiëntmelding bijvoorbeeld op nominale instellingen staat, is het effect op de levensduur van de pulsgenerator voor elke afgegeven meldingsreeks 4 dagen bij geen stimulatie, 3 dagen bij 100% stimulatie in VVI-stimulatie-mode, 2 dagen met 100% stimulatie in DDD-stimulatie-mode en <1 dag bij 100% stimulatie in DDD-stimulatie-mode met biventriculaire stimulatie en geen atriale stimulatie. Wanneer de patiëntmelding in een pulsgenerator is geprogrammeerd op de maximale instellingen, verbruikt elke patiëntmeldingsreeks die afgegeven wordt 1% van de batterij. Als de patiëntmelding bijvoorbeeld op maximale instellingen staat, is het effect op de levensduur van de pulsgenerator voor elke afgegeven meldingsreeks 1,2 maanden bij geen stimulatie, 1,0 maand bij 100% stimulatie in VVI-stimulatie-mode, 0,8 maanden met 100% stimulatie in DDD-stimulatie-mode en 0,5 maanden bij 100% stimulatie in DDD-stimulatie-mode met biventriculaire stimulatie en geen atriale stimulatie. Voor informatie over het programmeren van de parameters voor patiëntmelding, zie Patiëntmeldingen. Informatie over de levensduur van 36 J pulsgenerators vindt u in de tabellen C-2 tot en met C-4, en informatie over 30 J pulsgenerators in de tabellen C-5 tot en met C-7. C-4 Gebruiksinformatie voor de arts

Batterijspannings bereik Toestand batterij Geen stimulatie Duur bij benadering 1, 2 25% stimulatie 50% stimulatie 100% stimulatie Aanbevolen actie Stimulatieparameters: DDD; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 8,2 jr 7,5 jr 7,0 jr 6,1 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 10,2 mnd 9,3 mnd 8,6 mnd 7,4 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD-BiV; RV 2,5 V; LV 2,5 V; A 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 8,2 jr 7,2 jr 6,5 jr 5,4 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 10,2 mnd 8,9 mnd 8,0 mnd 6,5 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD-BiV (geen atriale stimulatie); RV 2,5 V; LV 5,0 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 8,2 jr 6,7 jr 5,7 jr 4,4 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 10,2 mnd 8,3 mnd 7,0 mnd 5,3 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 8,2 jr 7,7 jr 7,3 jr 6,6 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 10,2 mnd 9,6 mnd 9,0 mnd 8,1 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD-BiV; RV 2,5 V; LV 2,5 V; A 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 8,2 jr 7,5 jr 7,0 jr 6,1 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 10,2 mnd 9,3 mnd 8,6 mnd 7,4 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD-BiV (geen atriale stimulatie); RV 2,5 V; LV 5,0 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 8,2 jr 7,2 jr 6,4 jr 5,3 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 10,2 mnd 8,9 mnd 7,9 mnd 6,4 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V Tabel C-2. Levensduur van de batterij bij Promote en Promote RF 36 J pulsgenerators 1. De houdbaarheidsperiode is 12 maanden. 2. Vier maximale ladingen per jaar evenals maandelijks laden tijdens het spanningsbereik van de batterij halverwege de levensduur. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators C-5

Batterijspannings bereik Toestand batterij Geen stimulatie Duur bij benadering 1, 2 25% stimulatie 50% stimulatie 100% stimulatie Aanbevolen actie Stimulatieparameters: DDD; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 8,2 jr 7,5 jr 7,0 jr 6,1 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 10,2 mnd 9,3 mnd 8,6 mnd 7,4 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 8,2 jr 7,7 jr 7,3 jr 6,6 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 10,2 mnd 9,6 mnd 9,0 mnd 8,1 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Tabel C-3. Levensduur van de batterij bij Current DR en Current DR RF 36 J pulsgenerators 1. De houdbaarheidsperiode is 12 maanden. 2. Vier maximale ladingen per jaar evenals maandelijks laden tijdens het spanningsbereik van de batterij halverwege de levensduur. Batterijspannings bereik Toestand batterij Geen stimulatie Duur bij benadering 1, 2 25% stimulatie 50% stimulatie 100% stimulatie Aanbevolen actie Stimulatieparameters: VVI; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 8,4 jr 8,0 jr 7,6 jr 7,0 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 11,1 mnd 10,5 mnd 10,0 mnd 9,1 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: VVI; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 8,4 jr 8,1 jr 7,8 jr 7,4 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 11,1 mnd 10,7 mnd 10,3 mnd 9,7 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Tabel C-4. Levensduur van de batterij bij Current VR en Current VR RF 36 J pulsgenerators 1. De houdbaarheidsperiode is 12 maanden. 2. Vier maximale ladingen per jaar evenals maandelijks laden tijdens het spanningsbereik van de batterij halverwege de levensduur. C-6 Gebruiksinformatie voor de arts

Batterijspannings bereik Toestand batterij Geen stimulatie Duur bij benadering 1, 2 25% stimulatie 50% stimulatie 100% stimulatie Aanbevolen actie Stimulatieparameters: DDD; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 6,5 jr 5,9 jr 5,4 jr 4,6 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 8,2 mnd 7,3 mnd 6,6 mnd 5,6 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD-BiV; RV 2,5 V; LV 2,5 V; A 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 6,5 jr 5,7 jr 5,1 jr 4,2 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 8,2 mnd 7,1 mnd 6,3 mnd 5,1 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD-BiV (geen atriale stimulatie); RV 2,5 V; LV 5,0 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 6,5 jr 5,4 jr 4,6 jr 3,5 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 8,2 mnd 6,6 mnd 5,5 mnd 4,2 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 6,5 jr 6,1 jr 5,7 jr 5,0 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 8,2 mnd 7,5 mnd 7,0 mnd 6,1 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD-BiV; RV 2,5 V; LV 2,5 V; A 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 6,5 jr 6,0 jr 5,5 jr 4,7 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 8,2 mnd 7,4 mnd 6,7 mnd 5,8 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD-BiV (geen atriale stimulatie); RV 2,5 V; LV 5,0 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 6,5 jr 5,7 jr 5,1 jr 4,2 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 8,2 mnd 7,1 mnd 6,2 mnd 5,0 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V Tabel C-5. Levensduur van de batterij bij Promote en Promote RF 30 J pulsgenerators 1. De houdbaarheidsperiode is 12 maanden. 2. Vier maximale ladingen per jaar evenals maandelijks laden tijdens het spanningsbereik van de batterij halverwege de levensduur. Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators C-7

Batterijspannings bereik Toestand batterij Geen stimulatie Duur bij benadering 1, 2 25% stimulatie 50% stimulatie 100% stimulatie Aanbevolen actie Stimulatieparameters: DDD; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 6,5 jr 5,9 jr 5,4 jr 4,6 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 8,2 mnd 7,3 mnd 6,6 mnd 5,6 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: DDD; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 6,5 jr 6,1 jr 5,7 jr 5,0 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 8,2 mnd 7,5 mnd 7,0 mnd 6,1 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5 V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Tabel C-6. Levensduur van de batterij bij Current DR en Current DR RF 30 J pulsgenerators 1. De houdbaarheidsperiode is 12 maanden. 2. Vier maximale ladingen per jaar evenals maandelijks laden tijdens het spanningsbereik van de batterij halverwege de levensduur. Batterijspannings bereik Toestand batterij Geen stimulatie Duur bij benadering 1, 2 25% stimulatie 50% stimulatie 100% stimulatie Aanbevolen actie Stimulatieparameters: VVI; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 500 3,20-2,45 Normaal 6,7 jr 6,4 jr 6,1 jr 5,6 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 9,0 mnd 8,5 mnd 8,1 mnd 7,3 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Stimulatieparameters: VVI; 2,5 V; 0,5 ms; 60 min ; 900 3,20-2,45 Normaal 6,7 jr 6,5 jr 6,3 jr 5,9 jr Geen 2,45-2,35 ERI tot EOL 9,0 mnd 8,6 mnd 8,4 mnd 7,8 mnd Vervangen binnen 3 maanden, of onmiddellijk bij frequent laden of stimulatieamplitude(s) > 2,5V 2,35-2,25 voorbij EOL n.v.t n.v.t n.v.t n.v.t Onmiddellijk vervangen Tabel C-7. Levensduur van de batterij bij Current VR en Current VR RF 30 J pulsgenerators 1. De houdbaarheidsperiode is 12 maanden. 2. Vier maximale ladingen per jaar evenals maandelijks laden tijdens het spanningsbereik van de batterij halverwege de levensduur. C-8 Gebruiksinformatie voor de arts

INDEX A AAI-mode (AAI Mode) 13-5 Aan het licht brengen van aritmie (Arrhythmia Unhiding) 7-22 Aangepast EGM (Custom EGM) Bron (Source) 10-3 Configuratie 2-12 Aanpasbare burst-cycluslengte 8-21 Aantal Bursts, ATP-behandeling 8-20 Aantal cycli per stap (Number of Cycles/Step) Capture-test 6-3 Waarnemingstests (Sense Tests) 6-6 Aantal intervallen, Detectiecriteria (No. Intervals, Detection Criteria) 8-2 Aantal meldingen (Number of Notifications) 9-2 Aantal Stimuli, ATP-behandeling 8-20 Aanvullende parameters (Additional Parameters) Capture-test 6-4 Waarnemingstests (Sense Tests) 6-6 AAT-mode (AAT Mode) 13-5 AF Suppression -algoritme 7-26 Afgedwongen schok, zie Schok in noodgevallen Algemene audio (General Audio) 1-4 Amplitude Trend 6-6 AMS Log 5-4, 5-5 Samenvatting 5-4 AMS, zie Auto Mode Switch Andere Episodes 4-1 AOO-mode (AOO Mode) 13-6 AT/AF Definitie 5-7 Log 5-6 Samenvatting 5-6 ATP Gegevens ATP-behandeling van Episodes (ATP Therapy Details Episodes) 4-3 Parameters 8-19 Pulsamplitude (Pulse Amplitude) 8-19 Pulsbreedte (Pulse Width) 8-19 Therapy Configurations 8-23 Venster ATP Details 8-19 Atriale episode, EGM-opslag 10-4 Atriale tachicardiedetectiefrequentie (Atrial Tachycardia Detection Rate) 7-25 Audio tijdens opladen (Charging Audio) 1-4 Audiovoorkeuren (Audio Preferences) 1-4 Auto Mode Switch 7-25 Automatisch bijwerken van een template (Template Auto Update) 8-10 Automatische drempel resetten 6-10 Automatische testoptie, Waarnemingstests 6-4 AutoSense Function (AutoSense-functie) 7-16 AutoSense-parameter 7-13 AV-associatiedelta (AV Association Delta) 8-12 AV-intervaldelta (AV Interval Delta) 8-7 B Backup Defibrillatie, Reset-instellingen 14-11 Base Rate 7-5 Basic Operation Parameters 7-1 Basisfrequentie automatische mode-omschakeling (AMS Base Rate) 7-26 Batterij en elektroden, Tests (Battery & Leads, Tests) 6-7 Bediening in noodgevallen (Emergency Operation) 14-8 Beginwaarden, herstellen (Initial Values, Restore) 12-2 Behandeling na time-out (Therapy After Timeout) 8-5 Behandelingen, Tachycardie (Therapies, Tachy) 8-18 Behandelingszone (Therapy Zone) 1 Zone 8-38 2 Zones 8-38 3 Zones 8-38 Off 8-38 Besturing van de Sinus Tach-frequentiebranch 8-7 Bigeminaal ritme SVT-discriminatie-time-out en 8-4 Tachycardiedetectie en 8-39 VT-behandelings-time-out en 8-17 Bijwerking van morfologie-template, EGM-opslag 10-4 Block-frequentie (Block Rate) 7-8 Bovengrens (Upper Limit) HLVI Monitoring 7-18 Impedance Monitoring 7-17 Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators Index-1

Bradycardieparameters 7-1 AT/AF Detection & Response 7-25 Basic Operation 7-1 Capture & waarneming (Capture & Sense) 7-12 Delays 7-8 Elektroden (Leads) 7-16 Frequenties & refractaire waarden (Rates & Refractories) 7-27 Rates 7-5 Refractaire waarden & Blanking (Refractories & Blanking) 7-18 Bradycardiestimulatie, Testen bij implantatie C-3 Bradycardie-stimulatie, VVI in noodgevallen (Brady Pacing, Emergency VVI) 14-8 Burst Test Fibber 6-13 Instructies (Fibber) 6-15 Instructies (NIPS) 6-19 NIPS 6-18 Burst-cycluslengte Aanpasbaar 8-21 ATP-behandeling 8-21 Vast: 8-21 C Capaciteit, opgeslagen EGM 10-2 Capture & Sense Parameters 7-12 Capture-test 6-1 Aanvullende parameters (Additional Parameters) 6-4 Deze sessie 6-3 Instructies 6-2 Laatste sessie 6-3 Opties 6-3 Charge Interval (Laadinterval) 8-37 Condensatoronderhoud (Capacitor Maintenance) Detectie van aritmie tijdens 6-9 Gegevens over 6-9 Condensatortest 6-9 Configuratie EGM-bron, Episode-instellingen (EGM Source Configuration, Episode Settings) 10-2 Configuraties, pulsgenerator A-3, B-3 Crosstalk 7-22 Cycle Count, Hysteresis Rate 7-8 D Dagelijke lichaamsbeweging training (Daily Exercise Training) 5-7 Datum Instelling 1-4 Notatie 1-4 Index-2 DC Fibber Test 6-13 Instructies 6-15 DDD-mode 13-1 DDI-mode (DDI Mode) 13-2 de toets Hide 2-13 de toets Hide Calipers 2-13 de toets Restore Channels 2-13 Decay Delay 7-14 Defibrillatietesten C-2 DeFT Response Tecthnology-instellingen 8-26 Delays Parameters 7-8 Detectie-interval/frequentie (Detection Interval/Rate) 8-2 Deze sessie Capture-test 6-3 Deze sessie (This Session) Waarnemingstests (Sense Tests) 6-5 Diagnose, SVT-discriminatie 8-7 Diagnosemiddelen voor lichaamsbeweging & activiteit (Exercise & Activity Diagnostic Tools) 5-8 Diagnostische gegevens (Diagnostics) 5-1 Mode-switch Diagnostische gegevens Auto Mode Switch, zie Diagnostische gegevens van mode-switches Diagnostische gegevens lichaamsbeweging & activiteit 5-7 Diagnostische gegevens mode-switch 5-3 Doelwit-hartfrequentie 5-8 DOO-mode (DOO Mode) 13-3 Door programmer afgedwongen schok, zie Schok in noodgevallen Drempel (Threshold) 7-3 3 Zones 8-38 E ECG 2-2 Kleurcodering 2-2 ECG Notch Filter 1-4 ECG-configuratie (ECG Configuration) 2-12 Educatieve materialen (Educational Materials) 1-1 EGM-configuratie (EGM Configuration) 2-12 EGM-opslag Configuratie 10-1 Tijd 10-1 Elektrodecompatibiliteit A-2, B-2 Elektrode-impedantie (Lead Impedance) 6-8 Veranderingen in de loop der tijd C-4 Elektrodetype (Lead Type) 7-16 Episode Triggers 10-4 Episode-boomdiagram (Episode Tree) 4-3 Index

Episode-instellingen (Episode Settings) 10-1 Episodes 4-1 Andere 4-1 Behandelingssamenvatting (Therapy Summary) 4-5 Details 4-2 Gegevens ATP-behandeling (ATP Therapy Details) 4-3 Gegevens diagnose (Diagnosis Details) 4-3 Gegevens SVT-diagnosesamenvatting (SVT Diagnosis Summary) 4-4 HV-lading en Gegevens morfologie-template (HV Charging and Morphology Template) 4-5 Logs & samenvattingen (Logs & Summaries) 4-4 Statistische gegevens SVT-criteria (SVT Criteria Statistics) 4-3 toets Update Episodes 4-1 VT/VF episodes 4-1 ERI wissen (Clear ERI) 6-8 ERI, wissen, toets 6-8 Exporteren Gegevens (Data) 12-1 Scherm 1-5 Externe printer 1-5 Extrastimuli-test, NIPS 6-18 Instructies 6-19 1 Zone 8-38 F FARI 7-25 Fibber-mode 6-13 Fibber-test Instructies 6-15 Pulsduur (Pulse Duration) 6-16 S1-telling 6-16 S2 Shock Energy 6-16 Tijd sinds de laatste inductie (Time Since Last Induction) 6-14 Fibber-testen met behulp van de pulsgenerator 6-17 1e behandelingsmethode 6-18 Parameters 6-17 Tijd tot behandeling 6-18 Fibrillatie-inductie (Fibrillation Induction) 6-13 Filtered Atrial Rate Interval 7-25 Freeze-toets 2-13 Frequentiebranch (Rate Branch) 8-6 Beschrijving 8-40 Frequentiegevoelige modes (Rate-Responsive Modes) 13-7 Frequentiegevoelige PVARP/V Ref (Rate Responsive PVARP/V Ref) 7-19 Frequentieoverlapping (Rate Overlap) 8-13 Frequenties & refractaire waarden (Rates & Refractories) 7-27 G Gebeurtenissen, Diagnostische gegevens frequenties 5-2 Gegevens behandelingssamenvatting (Therapy Summary Details) 4-5 Gegevens diagnose (Diagnosis Details), Episodes 4-3 Gegevens over batterij, Tests (Battery Details, Tests) 6-7 Gegevens SVT-diagnosesamenvatting (SVT Diagnosis Summary Details) 4-4 Gemeten auto-slope (Measured Auto Slope) 7-3 Gemeten gemiddelde sensorwaarde (Measured Average Sensor) 6-10, 7-3 Getalnotatie 1-4 Golfvorm-mode (Waveform Mode) 8-26 H Hardware-reset, zie Reset-functie Hartritmeweergave (Rhythm Display) 2-1 Instructies voor instellen 2-11 Toets Update Auto Gains (Automatische versterkingen bijwerken) 2-11 Heart In Focus -rapport 14-7 Helling (Slope) 7-3 Help (?)-toets 1-1 Herbevestiging 8-44 Herkalibratie activiteit (Activity Recalibration) 5-8 Hersteltijd (Recovery Time) 7-5 Het venster Zone Therapy (Zonebehandeling) 8-17 Hoofdprogrammeringsvenster 14-2 HV-lading en Gegevens morfologie-template (HV Charging and Morphology Template Details), Episodes 4-5 HVLI Monitoring Bovengrens (Upper Limit) 7-18 Ondergrens (Lower Limit) 7-18 Hysteresisfrequentie (Hysteresis Rate) 7-7 I Impedantie HV-elektrode 6-8 Impedantie Ventriculaire HV-elektrode (Ventricular HV Lead Impedance) 6-8 Impedantie, Elektrode (Impedance, Lead) 6-8 Impedantiebereik 9-2 Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators Index-3

Implantatietesten C-1 Bradycardiestimulatie C-3 Bradycardiewaarneming C-3 Stimulatiedrempels C-2 Informatie over de patiënt (Patient Information) 3-3 Instelling Off, Zone Configuratie 8-38 Instellingen van het SenseAbility waarnemingsalgoritme 7-13 Instellingen, Print Menu 14-8 Instructies Aangepaste sets (Custom Sets) 11-1 Capture-test 6-2 Een morfologie-template verwerven 8-15 Fibber-test 6-15 NIPS Test 6-19 QuickOpt-optimalisering 6-12 Rhythm Display-setup 2-11 Schok in noodgevallen (Emergency Shock) 14-9 Sessiegegevens (Session Records) 1-2 Waarnemingstests (Sense Tests) 6-4 Intervalstabiliteit (Interval Stability) Beschrijving 8-41 Parameter 8-11 Venster 8-11 Venstergrootte (Window Size) 8-13 Interventricular Delay (Wachttijd tussen ventrikels) 7-2 K Kortste PVAP/V Ref (Shortest PVARP/V Ref) 7-20 L Laatste sessie Capture-test 6-3 Waarnemingstests (Sense Tests) 6-6 Large Freezes (Grote bevriezingen), Test Result Settings (Testresultaatinstellingen) 14-7 Lead Monitoring 7-17 Leadless ECG 2-12, 10-2 Legenda frequentiezones (Rate Zone Legend) 8-38 Legenda, frequentiezone 8-38 Levensduur C-4 Logs AMS 5-4, 5-5 AT/AF 5-6 Logs & samenvattingen (Logs & Summaries), Episodes 4-4 M Magneetrespons Episode Triggers 10-4 Magneetrespons (Magnet Response) 7-2 Maintenance-knop, menu Tools 1-1 Markers 2-2 Bradycardie basisgebeurtenismarkers 2-3 Door gebruiker geïnitieerde en Testmarkers 2-8 Markers afgifte tachycardielading 2-7 Markers episode-gebeurtenistrigger 2-6 Markers voor golfvormkanalen 2-10 Markers voor interval en refractaire periode (Volledige Markers) 2-4 Markers voor speciale bradycardiegebeurtenissen 2-5 Markers voor tachycardiedetectie, -diagnose en -behandeling 2-6 Morfologiemarkers 2-8 Tachycardie basisgebeurtenismarkers 2-4 Match, zie % Match Max Sensitivity 7-14 Max Step, ATP Therapy 8-22 Max Track Rate 7-6 Max. atriale gevoeligheid (Atrial Max Sensitivity) 7-13 Max. gevoeligheid ventriculaire pacemaker (Ventricular Pacemaker Max Sensitivity) 7-13 Max. sensorfrequentie (Max Sensor Rate) 7-4 Max. tijdsduur VT/VF EGM (VT/VF EGM Max Duration) 10-1 Max. tijdsduur VT/VF pre-trigger (Max Duration VT/VF Pre-Trigger) 10-2 Maximum AF Suppression Rate 7-27 Minimale cycluslengte van een burst (Minimum Burst Cycle Length) 8-21 Mode 7-1 Beschrijvingen 13-1 Mode Episodische stimulatie (Episodal Pacing Mode) 7-3 Mode Ventriculaire ruisreversie (Ventricular Noise Reversion Mode) 7-2 Morfologie Beschrijving 8-40 Parameter 8-8 Scores 8-16 Venstergrootte (Window Size) 8-10 Morfologie aantal matches (Morphology No. of Matches) 8-9 Morfologie in AF/A Flutter 8-8 Morfologie in Sinus Tach 8-9 Index-4 Index

Morfologie-template 8-14 Instructies 8-15 Morphology Scoring Parameter 8-16 N Negative AV Hysteresis/Search 7-11 Niet-invasieve geprogrammeerde stimulatie, zie NIPS NIPS Instructies 6-19 Parameters 6-20 Test 6-18 Testparameters 6-20 O Ondergrens (Lower Limit) HVLI Monitoring 7-18 Impedance Monitoring 7-17 Ondersteunde pulsgenerators 14-1 Ongedaan maken 14-5 Opgeslagen EGM-capaciteit 10-2 Oplossen van problemen Lage acute elektrode-impedantie C-3 Langere aritmiedetectietijden C-2 Opmerking 3-3 Opmerkingen bij de implantatie (Implant Notes) 3-2 Opnieuw aanpasbaar, ATP-behandeling (Readaptive, ATP Therapy) 8-21 Opties Capture-test 6-3 Overdrive-stimulatiecycli (Overdrive Pacing Cycles) 7-27 P Paced AV Delay 7-9 Parameter RV Polarity, instellingen voor DeFT Response 8-27 Parameter Sudden Onset 8-13 Parameter Waveform (Golfvorm) 8-26 Parameters Aangepaste sets (Custom Sets) 11-1 ATP 8-19 Besturing van de Sinus Tach-frequentiebranch 8-7 Bradycardie 7-1 DeFT Response Technology 8-26 Episode Triggers 10-4 Herdetectie- & post-detectiecriteria 8-32 Instellingen van het SenseAbility waarnemingsalgoritme 7-13 Intervalstabiliteit (Interval Stability) 8-11 Modes 13-1 Opgeslagen EGM-configuratie 10-1 Patiëntmelding (Patient Notifier) 9-1 Plotselinge start (Sudden Onset) 8-13 Selectie 14-5 Zonebehandeling (Zone Therapy) 8-17 Parameters AT/AF Detection & Response 7-25 Parameters Detection Criteria (Detectiecriteria) 8-2 Parameters Leads 7-16 Parameters opgeslagen EGM-configuratie 10-1 Parameters Rates 7-5 Parameters Refractories & Blanking 7-18 Patiënt EP-testen voor ontslag C-4 Selectie C-1 Patiëntgegevens (Patient Data) 3-2 Elektrode-informatie 3-2 Patiëntmelding (Patient Notifier) Beschrijving 9-3 Configuratie 9-2 Dagelijkse metingen 9-3 Parameters 9-1 Sequentie 9-3 toets Test Notifier 9-1 Triggers 9-1 Patiënt-tracking-software 1-2 PC-schok, zie Schok in noodgevallen % Match 8-9 SVT-discriminatie % Match 8-9 Pictogram Nominale waarde 14-5 Piek A-frequentie AT/AF-samenvatting 5-6 Diagnostische gegevens mode-switch 5-4 Plotselinge start (Sudden Onset) Beschrijving 8-41 Frequentieoverlapping (Rate Overlap) 8-13 PMT Response 7-24 PMT, Episode Triggers 10-4 PMT-detectiefrequentie (PMT Detection Rate) 7-24 PMT-instellingen 7-21 Post-detectie (Post Detection) Beschrijving 8-34 Interval/frequentie (Interval/Rate) 8-33 Post-schok (Post-Shock) Basisfrequentie (Base Rate) 8-36 Duur (Duration) 8-36 Mode 8-35 Pauze 8-36 Pulsamplitude (Pulse Amplitude) 8-36 Pulsbreedte (Pulse Width) 8-37 Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators Index-5

Post-Ventricular Atrial Blanking (PVAB) 7-18 Printerpictogram 14-2 Printervoorkeuren (Printer Preferences) 1-5 Prioriteit, Episode Triggers 10-4 PSA-telemetriekoptoepassing 1-1 Pulsamplitude 7-13 Pulsamplitude (Pulse Amplitude) Post-schok (Post-Shock) 8-36 Pulsbreedte (Pulse Width) 7-13 Post-schok (Post-Shock) 8-37 Pulsbreedte, ATP 8-19 Pulse Amplitude, ATP 8-19 Pulse Configuration 7-17 Pulsgenerator Configuraties A-3, B-3 Levensduur C-4 Pulsgenerators ondersteund door Merlin 14-1 PVAB, zie Post-Ventricular Atrial Blanking PVARP 7-18 PVC & PMT-instellingen 7-21 PVC Response 7-23 Q QuickOpt-optimalisering 6-10 Capture bevriezen (Freeze Capture) 6-12 Handmatige test 6-11 Instructies 6-12 R Ramp Step, ATP Therapy 8-23 Ramp, ATP Therapy 8-23 Rapporten afdrukken (Print Reports) 14-6 Rapporten, Afdrukken (Reports, Print) 14-6 Rate Responsive Atrial Refractory Period, zie Rate Responsive PVARP/V Ref Rate Responsive AV Delay 7-9 Rate Responsive Ventricular Refractory Period, zie Rate Responsive PVARP/V Ref Reactietijd (Reaction Time) 7-4 Real-time metingen 6-1 Real-time metingen verwerven 6-1 Referral Reports (Heart In Focus) 14-7 Reset-functie 14-10 Ruisreversie, EGM-opslag 10-4 Rustfrequentie (RestRate) 7-6 S Samenvattingsrapport (Summary Report) Instellingen 14-6 Samenvattingsrapport, FastPath Summary (Summary Report, FastPath Summary) 3-1 Samenvattingsscherm 3-1 Scanning, ATP Therapy 8-22 Scanstap, ATP-behandeling 8-22 Scherm FastPath Summary 3-1 Scherm printen (Print Screen) 1-5 Schok in noodgevallen 14-8 Schokconfiguratie 8-26, 8-27 Schokgolfvorm-parameters zie DeFT Response Technology-instellingen Schokimpedantie (Shock Impedance) 8-27 Schuifmaat 2-13 Search Interval, Hysteresis Rate 7-8 Sense Configuration 7-17 Sensed AV Delay 7-9 Sensitivity 7-13 AutoSense Function (AutoSense-functie) 7-16 Sensor 7-3 Tests 6-10 Sensordrempel, zie Drempel (Threshold) Sessiegegevens (Session Records) 1-2, 1-3 Shock-on-T Fibber 6-13 Instructies 6-15 Shortest Atrial Refractory Period, zie Shortest PVARP/V Ref Shortest AV Delay 7-10 Shortest Ventricular Refractory Period, zie Shortest PVARP/V Ref SIH-telling (SIH Count) 8-13 Sinus Interval History, zie SIH Count Sinusritme (Sinus Redetection) 8-33 Small Freezes (Kleine bevriezingen), Test Result Settings (Testresultaatinstellingen) 14-7 Software-reset, zie Reset-functie Stabiliteitsdelta (Stability Delta) 8-12 Startdelta (Onset Delta) 8-14 Statistische gegevens SVT-criteria (SVT Criteria Statistics) 4-3 Stat-schok, zie Schok in noodgevallen Stimuli per burst toevoegen, ATP-behandeling 8-20 SVT-bovengrens (SVT Upper Limit) 8-5 SVT-discriminatie 8-3 Automatisch bijwerken van een template (Template Auto Update) 8-10 AV-associatiedelta (AV Association Delta) 8-12 AV-intervaldelta (AV Interval Delta) 8-7 Index-6 Index

Behandeling na time-out (Therapy After Timeout) 8-5 Beschrijving 8-39 Diagnose 8-7 Intervalstabiliteit (Interval Stability) 8-11 Morfologie 8-8 Morfologie aantal matches (Morphology No. of Matches) 8-9 Morfologiescoring (Morphology Scoring) 8-16 Morfologie-template 8-14 Morfologievenstergrootte (Morphology Window Size) 8-10 Plotselinge start (Sudden Onset) 8-13 Richtlijnen voor de programmering 8-41 SIH-telling (SIH Count) 8-13 Stabiliteitsdelta (Stability Delta) 8-12 Startdelta (Onset Delta) 8-14 SVT-bovengrens (SVT Upper Limit) 8-5 Template-match-criterium (Template Match Criteria) 8-9 Venstergrootte intervalstabiliteit (Interval Stability Window Size) 8-13 SVT-discriminatie in Sinus Tach 8-7 SVT-discriminatiemode 8-4 SVT-discriminatie-time-out (SVT Discrimination Timeout) 8-4 Beschrijving 8-44 SVT-discriminators 8-5 Frequentiebranch (Rate Branch) 8-6 Intervalstabiliteit (Interval Stability) 8-11 Venster Morphology (Morfologie) 8-8 Venster Plotselinge start (Sudden Onset) 8-13 T Taalinstelling 1-4 Tachyaritmiebehandeling Beschrijving 8-44 Tachyaritmiedetectie Beschrijving 8-39 Voorwaarden voor afgifte van behandeling 8-39 Tachycardie Behandelingen 8-18 Parameters 8-1 Technische gegevens Current A-1 Technische ondersteuning 14-1 Template, zie Morfologie-template Template-match-criterium (Template Match Criteria) 8-9 Test uitvoeren (Perform Test) Capture-test 6-2 Waarnemingstests (Sense Tests) 6-4 Testen bij implantatie C-1 Apparatuur 6-14 Bradycardiestimulatie C-3 Bradycardiewaarneming C-3 Defibrillatie C-2 Stimulatiedrempels C-2 Testen met behulp van de pulsgenerator 6-17 Testoptie met stappen, Waarnemingstests (Increment Test Option, Sense Tests) 6-5 Testopties Waarnemingstests (Sense Tests) 6-6 Testresultaatinstellingen (Test Result Settings) 14-7 Testresultaten, Printmenu 14-6 Tests Batterij en elektroden 6-7 Capacitor 6-9 Capture 6-1 Fibber 6-13 NIPS 6-18 QuickOpt-optimalisering 6-10 Sensor 6-10 Waarneming (Sense) 6-4 Threshold Start 7-15 Tijd Instelling 1-4 Notatie 1-4 Tijd sinds de laatste inductie, Fibber 6-14 Tijd tussen meldingen (Time Between Notifications) 9-2 Tijdelijk programma 14-6 Tijdsduur, Diagnostische gegevens AT/AF-samenvatting 5-6 Tijdsduur, Diagnostische gegevens mode-switch 5-4 Timeout-trigger 8-17 toets Active, Zone Therapy 8-17 toets Clear Diagnostics 12-2 toets Defib Therapy (Defibrillatie-behandeling) 6-18 toets Deliver Therapy 6-18 toets Include Battery & Leads (Batterij & elektroden opnemen), Test Results Settings (Testresultaatinstellingen) 14-7 Toets Include Old Episodes (Oude episodes opnemen) 4-1 toets Monitor, Zone Therapy 8-17 toets Restore Initial Values 12-2 Toets Select New File 1-3 toets Select Nominals (Nominale waarden selecteren) 7-15 toets Start Temporary 6-2, 6-4, 14-6 Toets Update Auto Gains (Automatische versterkingen bijwerken) 2-11 toets Update Episodes 4-1 Help-handleiding Tachycardiepulsgenerators Index-7

toetsen Channel Control 2-1 toetsen Waveform Control (Golfvormregeling) 2-10 Toetsenbord op het scherm 3-3 Tools-toets 1-1 Totale dagelijkse activiteit (Total Daily Activity) 5-7 Trend Amplitude 6-6 Elektrode-impedantie (Lead Impedance) 6-8 Gegevens wissen 3-3 Ideale batterijspanningstrend (Ideal Battery Voltage) 6-8 Impedantie HV-elektrode 6-8 Voltage 6-8 Trends wissen Wrap-up overzicht (Wrap-up Overview) 12-2 Trends wissen (Clear Trends) Patiëntgegevens (Patient Data) 3-3 Tuned Waveform Help 8-29 2 Zones 8-38 U Update Sense 6-1 V V.ondersteuningsfrequentie (V. Support Rate) 6-17, 6-21 V<A Rate Branch: Morfologie, zie Morphology in AF/A Flutter V=A Rate Branch: Morphology, zie Morphology in Sinus Tach Vaste burst-cycluslengte 8-21 Venster AV Delays 6-7 Venster Capacitor Maintenance (Condensatoronderhoud) 8-37 Venster Fibber & NIPS 6-12 venster Freeze Capture 2-13 Venster morfologiescoring 8-16 Venster Morphology (Morfologie) 8-8 Venster Plotselinge start (Sudden Onset) 8-13 Venster Post-Shock Pacing (Post-schok-stimulatie) 8-35 Venster Redetection & Post-Detection Criteria 8-32 Venster SVT Discrimination Details (Gegevens SVT-discriminatie) 8-3 Venstergrootte (Window Size) Intervalstabiliteit (Interval Stability) 8-13 Morfologie 8-10 Ventriculaire blanking (Ventricular Blanking) 7-21 Ventriculaire veiligheids-standby (Ventricular Safety Standby) 7-22 Ventricular Defibrillator Max Sensitivity (Max. gevoeligheid ventriculaire defibrillator) 7-13 Ventricular Intrinsic Preference 7-10 Ventrikelstimulatie 7-2 VF Episode Trigger 10-4 VF Shocks (Defib) 8-28 V-frequenties tijdens AMS 5-4 Vibratieduur (Vibration Duration) 9-2 VIP zie Ventricular Intrinsic Preference Voltage Trend 6-8 VOO-mode (VOO Mode) 13-4 Voorkeuren (Preferences) 1-4 Geluid 1-4 Vooruitblik op veranderingen (Preview Changes) 14-5 VT Episode Trigger 10-4 VT/VF Episodes 4-1 VT-behandelings-time-out (VT Therapy Timeout) 8-17 Beschrijving 8-45 VT-herdetectie (VT Redetection) 8-32 VVI-mode 13-4 VVI-noodstimulatie 14-8 W Waarnemingsparameters, zie Instellingen van het SenseAbility waarnemingsalgoritme Waarnemingstests (Sense Tests) 6-4 (Optie met stappen) Increment Option 6-5 Aanvullende parameters (Additional Parameters) 6-6 Automatische optie 6-4 Deze sessie (This Session) 6-5 Instructies 6-4 Laatste sessie 6-6 Waarschuwingen (Alerts) 3-1 Waveform Help 8-29 Weergave aanpassen (Adjust Display) 2-11 Wrap-up overzicht (Wrap-up Overview) 12-1 Rapport 14-6 Wrap-up-rapport Instellingen 14-8 Z Zone Alleen bewaking (Monitor Only Zone) 8-17 SVT-discriminatie-time-out en 8-44 VT-behandelings-time-out en 8-45 Zoneconfiguratie (Zone Configuration) Parameter 8-1 Venster 8-1 Index-8 Index

Fabrikant: St. Jude Medical Cardiac Rhythm Management Division 15900 Valley View Court Sylmar, CA 91342 USA +1 818 362 6822 Erkende Europese vertegenwoordiger en Productie: St. Jude Medical AB Veddestavägen 19 SE-175 84 Järfälla Zweden +46 8 474 4000 Tachycardie Ontwikkeling: 701 E. Evelyn Avenue Sunnyvale, CA 94086 USA +1 408 738 4883 St. Jude Medical Europe, Inc. The Corporate Village Avenue Da Vinci laan, 11, Box F-1 B-1935 Zaventem België +32 2 774 68 11 0123 2008 NL March 2008 Art 50025090/A