Leerlijn Communicatie



Vergelijkbare documenten
Leerlijn Sociaal-emotionele ontwikkeling

Ontwikkelingslijnen 0-4 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam kind. Taal Beginnende geletterdheid. Beginnende geletterdheid-fase 5

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Leerlijn Spelontwikkeling. Leerlijnen voor leerlingen met een IQ tot 35

VSO Leerlijn Mondelinge taal

MONDELINGE TAAL. Leerlijn Mondeling taal Pedologisch Instituut, CED-Groep

Curriculum Leerroute 4 en 5

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Leerlijnen peuters en jonge kind (MET extra doelen) versie juli Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Leer- en ontwikkelingslijnen 2-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

ZML SO Leerlijn Sociale en emotionele ontwikkeling: zelfbeeld en sociaal gedrag

ZML SO Leerlijn Mondelinge taal

maakt (kirrende) geluidjes of brabbelt (tegen personen en speelgoed) begint steeds meer woorden te herhalen en (na) te zeggen

Leerlijn Zelfredzaamheid

ZML SO Leerlijn Mondelinge taal

De taalontwikkeling van het jonge kind. De taalontwikkeling van het jonge kind

Hoe en waarom kinderen communiceren

Arrangementen dagbesteding VSO Oriëntatiefase Verdiepingsfase Integratiefase Leerjaar 1 (de

ZML SO Leerlijn Sociale en emotionele ontwikkeling: zelfbeeld en sociaal gedrag

toont enthousiasme (lacht, kirt, trappelt met de beentjes)

Ontwikkelingslijnen 0-4 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam kind. Sociaal-emotionele ontwikkeling Betrokkenheid

Help, mijn papa en mama gaan scheiden!

Curriculum Leerroute 4 en 5 Sociale en emotionele ontwikkeling

TAAL IS LEUK. Adviezen om de taalontwikkeling te stimuleren

SOCIALE EN EMOTIONELE ONTWIKKELING: ZELFBEELD EN SOCIAAL GEDRAG

Ontwikkelingslijnen 0-4 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam kind. Sociaal-emotionele ontwikkeling Betrokkenheid

Les 17 Zo zeg je dat (niet)

Mozarthof school voor ZML Leerlijn Sociale competentie dd /11

ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND. Leeftijd 0 tot 4 jaar

AMIGA4LIFE. Hooggevoelig, wat is dat? T VLAARDINGEN

Abrona Communicatieplan

Leerjaar 4, 8 jaar. Leerjaar 5, 9 Jaar

Schoolstandaard van de Waterlelie

Taalontwikkeling: vloeiend en verstaanbaar vertellen en gesprekjes voeren

Tussendoelen sociaal - emotionele ontwikkeling: Omgaan met zichzelf

Hoe gaat het in groep 1/2 b

Doelen ESDM Louis-Henri Periode: februari 2015 mei 2015

Tuin van Heden.nu 1 Mag ik zijn wie ik ben? Van In 5

Taalontwikkeling bij baby s, peuters en kleuters

Verbindingsactietraining

VSO Leerlijn Sociale competentie

Leerlijn Spel en beweging

Doelenkaart SO. Domein Sociale en emotionele ontwikkeling: zelfbeeld en sociaal gedrag. Schoolstandaard van de Waterlelie

zelfstandig naamwoord

STEENSOEP OMA VERTELT EEN VERHAAL

instapkaarten taal verkennen

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Sociaal-emotionele ontwikkeling Betrokkenheid

De Puk-poster. Goed voorbeeldgedrag. Een baby ontwikkelt zich razendsnel. Vaak lijkt. dit vanzelf te gaan. Toch is het belangrijk om ook

Inhoud. Een nacht 7. Voetstappen 27. Strijder in de schaduw 51

16. Luister naar wat ik vertel

LES 2 THEMA S UIT DE FILM GODS LAM EN PANTOMIME

Aanvulling Woordenschat NT2

De leessleutel Begrijpend luisteren-lezen thema 1 verhaal 1 groep 3. Thema 1 Verhaal 1 bladzijde 2 t/m 5 van het leesboek

Omgaan met zichzelf, 2-4;6 jaar

Praten leer je niet vanzelf

Oriëntatiefase Verdiepingsfase Integratiefase. Leerjaar 3, 15 Jaar. Leerjaar 4, 16 jaar

S.M.O.G. ALGEMENE INFORMATIE over SMOG bij jonge kinderen SMOG:

Prent 1 : Klaslokaal. De kinderen zingen rond de kerstboom.

Terwijl uw kind niet kijkt, pakt u één van deze dingen op en maakt u er geluid mee. Uw kind zegt wat het hoort.

Ontdek de stem van het kind

Dingetjes I. Kleuter-kabouters

Papa en mama hebben ruzie. Ton en Toya vinden dat niet leuk. Papa wil graag dat Ton en Toya bij hem op bezoek komen, maar van mama mag dat niet.

2 Ik en autisme VOORBEELDPAGINA S

VSO Leerlijn Mondelinge en schriftelijke taal (versie augustus taal 2018)

Van Nul tot Taal. Doelgericht stimuleren van taal en communicatie

ER KOMT EEN VRIENDJE BIJ AAPJE PIPPO

LEESTIP. Speel- & Leerbrief MEI Marja Baeten. Pedagogisch kader kindercentra 0-4 jaar ZE KOMEN VOOR DE VRIENDJES! MEI 2015.

Het verkoop-adviesgesprek. Waar gaat deze kaart over? Wat wordt er van je verwacht? Verkopen

LEREN LEREN: WERKHOUDING EN AANPAK GEDRAG

Soms is er thuis ruzie Dan is mama boos en roept soms omdat ik mijn speelgoed niet opruim Maar ik heb daar helemaal niet mee gespeeld Dat was Bram,

ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND

Tijdens de video- hometraining worden verschillende begrippen gebruikt. In de bijlage geven we een korte omschrijving van deze begrippen.

basisoefeningen workshops Alphons Laudyschool, fase 1

Wat is een normale ontwikkeling?

van delen tot het geheel. Hij kan bijvoorbeeld zijn kleding binnenstebuiten aantrekken, of zijn kopje naast de tafel zetten.

Ondersteuningsplan JW voor Jan Test. Voorbeeld

Vragenlijst voor ouders / verzorgers

Naam: Locatie: Groep: Groeibericht

Basiswerkboek Gebaren 0-3 jaar, aanvulling

Wat is PDD-nos? VOORBEELDPAGINA S. Wat heb je dan? PDD-nos is net als Tourette een neurologische stoornis. Een stoornis in je hersenen.

Leerlijnen jonge kind (MET extra doelen) - versie juli Naam leerling. Sociaal-emotionele ontwikkeling Betrokkenheid

Acties / Werkwoorden

Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Begrijpend luisteren

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam leerling. Sociaal-emotionele ontwikkeling Betrokkenheid

Hoe verloopt taalontwikkeling?

Leerjaar 4, 16 jaar. Leerjaar 5, 17 jaar

Sociale/pedagogische vragenlijst

Leerlijnenpakket CED Cluster 3 - Plancius - IQ t/m 35

december 2014 vanaf 4 jaar tekst: Marian van Gog muziek: Ton Kerkhof Lekker en gezond

Weekprogramma: 1 jaar Zichzelf in de spiegel bekijken en gezichtsuitdrukkingen nadoen

Appeltje en Eitje Een postpakket uit Spanje

De sociaal emotionele ontwikkeling van het jonge kind

Communicatie op de werkvloer

Micha kijkt Ruben aan. Hij trekt een gek gezicht. Micha houdt niet van puzzelen, want de puzzels die oma maakt, zijn altijd heel erg moeilijk.

COCP COCP. Workshop. Doel COCP-programma. Wat is daarvoor nodig? Methodische kern COCP. Inhoudelijke kern. Margriet Heim

Fruit eten: Appel, kiwi en banaan Fruit, dat moet je eten. Brood eten:

Handleiding basiswoordenschat.

Transcriptie:

Leerlijn Communicatie Leerlijnen voor leerlingen met een IQ tot 35 1.1. Communicatieve voorwaarden 1.2. Voorwaarden voor de spraakontwikkeling 2.1. Inhoud: Passief 2.2. Inhoud: Actief 3.1. Gebruik 4.1. Vorm

Stamlijn Communicatie Leerlijnen voor leerlingen met een IQ tot 35 Niveau A Merkt zintuiglijke stimulatie op (aanraking, vibratie, smaken, muziek, licht) Uit lust- en onlustgevoelens Kijkt gericht enkele seconden naar een voorwerp of een gezicht in het midden van zijn blikveld Kijkt gericht enkele seconden naar een voorwerp of gezicht aan de rand van zijn blikveld Volgt bewegingen die direct in het gezichtsveld komen Volgt bewegingen tot de middellijn Volgt een horizontale beweging (van voorwerp of persoon) vanuit het midden van het blikveld Geeft een glimlach als een vertrouwd gezicht in het blikveld verschijnt Reageert op nauw contact met een bekende volwassene Laat zich kalmeren door een vertrouwde stem (gedrag verandert in reactie op een stem) Reageert als een persoon tegen hem/haar praat Lacht als een ander tegen hem/haar praat Vocaliseert klinkergeluiden (ooh, aaah) Niveau B Reageert op verschillende prikkels (geluiden) door het hoofd (of de ogen) te draaien Draait hoofd/ogen richting een geluid dat vlakbij wordt gemaakt Volgt een verticale beweging (van voorwerp of persoon) vanuit het midden van het blikveld Volgt een bewegend voorwerp met de ogen van links naar rechts en kijkt het voorwerp na in de richting waarin het verdwijnt Reageert met geluiden, mimiek en/ of glimlach op gezichtsuitdrukkingen van volwassenen Kijkt verbaasd of boos als de volwassene ineens een andere gezichtsuitdrukking heeft Reageert anders op een bekend persoon dan een onbekend persoon Laat zich kalmeren door een stem van een willekeurig persoon (gedrag verandert in reactie op een stem) Reageert met een glimlach op een lachend gezicht Herhaalt geluiden die hij zelf maakt Vocaliseert om beurten met een volwassene Vocaliseert gevarieerde geluiden: klinkers, medeklinkers en niet-nederlandse klanken (bijvoorbeeld de lippen laten trillen) Speelt met verschillende toonhoogtes en geluidssterktes

1.1. Communicatieve voorwaarden 1 2 3 Richt kort zijn aandacht op de persoon die tegen hem praat in een prikkelarme omgeving Richt kort zijn aandacht op de persoon die tegen hem praat in een prikkelrijke omgeving Behoudt oogcontact als de ander spreekt Maakt een keuze tussen twee voorwerpen/ afbeeldingen Houdt de aandacht gericht op een voorwerp/ plaatje dat een ander laat zien 4 5 6 Maakt een keuze tussen drie of meer voorwerpen/ afbeeldingen Kijkt samen met een persoon naar de omgeving door ernaar te wijzen, het te benoemen Kijkt in de richting waar een ander heen wijst Blijft op zijn stoel zitten bij het luisteren naar een kort verhaaltje Luistert aandachtig naar een kort verhaaltje met plaatjes Verplaatst zijn aandacht naar degene die praat (in de kring)

1.1. Communicatieve voorwaarden Aansluitende doelen ZML-leerlijnen Leerlijnen voor leerlingen met een IQ tot 35 1.1. Communicatieve voorwaarden Loopt niet weg als er tegen hem gesproken wordt Maakt geluiden of gebaren met een communicatieve intentie (om bijv. iets voor elkaar te krijgen) Zit vijf minuten stil op een stoel bij een één-op-één gesprek Gebruikt woorden met communicatieve intentie (om bijv. iets voor elkaar te krijgen: die, eten)

1.2. Voorwaarden voor spraakontwikkeling Doelen om te behandelen tijdens logopedie 1 2 3 Slikt vloeistoffen en dun gepureerd voedsel Blaast ongericht door de mond Slikt dikker gepureerd voedsel (zonder stukjes) Kan lippen ronden (bijv. voor oo oe of uu ) Voor kinderen met sondevoeding: Kauwt op tube, kauwborsteltje o.i.d. als dit tussen de kiezen wordt aangeboden Eet fijn geprakt voedsel (slikken) Drinkt slokjes aangeboden met een gewone beker (dik- of dunvloeibaar) Blaast naar een watje dat voor de mond wordt gehouden 4 5 6 Eet gepureerd voedsel met stukjes erin (slikken) Eet grof geprakt voedsel en stukjes vlees (slikken) Heeft speekselcontrole rechtop zittend in rust Drinkt door een rietje Kauwt alle soorten voedsel Blaast op een fluitje Heeft speekselcontrole zittend / staand tijdens inspanning

2.1. Inhoud: Passief 1 2 3 Reageert op de eigen naam als een vertrouwd persoon hem roept/aanspreekt Vindt (pakt, kijkt naar, wijst) een voor hem bekend voorwerp als dit genoemd wordt Vindt (gaat naar, kijkt naar, wijst) een bekende persoon in de ruimte als de leerkracht de naam noemt/ het gebaar maakt Reageert op de eigen naam Begrijpt het begrip nee (gebaar, woord, intonatie, correctie): bij duidelijk nee stopt hij even met waar hij mee bezig is Reageert adequaat op een dagelijks terugkerende opdracht in één- of tweewoordszinnen aangevuld met ondersteunende communicatie in een vertrouwde omgeving Reageert op een bevestiging/beloning (doorgaan als het mag, blij zijn) Herkent waar een concrete verwijzer/afbeelding naar verwijst binnen de context Herkent bij welke activiteit een vast voorwerp / afbeelding hoort binnen de context 4 5 6 Reageert adequaat op een dagelijks terugkerende opdracht in één- of tweewoordszinnen in een vertrouwde omgeving Vindt (gaat naar, kijkt naar, wijst) een minder bekende persoon (therapeut) in de ruimte als de leerkracht de naam noemt/ het gebaar maakt Wijst een benoemd voorwerp aan bij twee keuzemogelijkheden Wijst één benoemd lichaamsdeel aan Voert eenvoudige opdrachten uit die niet dagelijks voorkomen aangevuld met ondersteunende communicatie (bijvoorbeeld beer op de stoel, pop op tafel ) Herkent waar een concrete verwijzer/afbeelding naar verwijst buiten de context Haalt op verzoek een bekend voorwerp uit een andere bekende ruimte Wijst een benoemd voorwerp aan bij drie keuzemogelijkheden Wijst vier benoemde lichaamsdelen aan Reageert adequaat op verschillende één of tweewoordszinnen Begrijpt een basiswoordenschat van ongeveer 75 woorden/gebaren Wijst een benoemd voorwerp/afbeelding aan bij vier keuzemogelijkheden

2.1. Inhoud: Passief Aansluitende doelen ZML-leerlijnen Leerlijnen voor leerlingen met een IQ tot 35 1.4. Voorzetsels en locatie aanduiden Begrijpt in en uit Begrijpt op en af Begrijpt voor en achter Begrijpt naast, onder, naar, hier 2.2. Denkrelaties Wijst twee identieke voorwerpen aan als er vier voorwerpen liggen Herkent de kleuren rood, geel, blauw, groen Wijst aan of een voorwerp groot of klein is 6.1. Passieve woordenschat Zoekt met de leerkracht naar verstopte concrete voorwerpen en geeft uiting aan verrassing Wijst de juiste persoon aan als een bepaalde naam wordt genoemd (mamma, pappa) Wijst bij het benoemen van 20 verschillende woorden het juiste voorwerp aan Begrijpt woorden, symbolen of gebaren voor goed en fout, ja en nee 1.6. Non-verbale communicatie Reageert op gezichtsuitdrukkingen en lichaamshoudingen die gevoelens uitdrukken (boosheid, verdriet en blijheid) Begrijpt minstens 10 ondersteunende of natuurlijke gebaren Begrijpt 2 ondersteunende of natuurlijke gebaren in combinatie met elkaar om te communiceren (iemand aanwijzen en eetgebaar maken -> kom je eten?) 3.3. Een gesprek voeren met een ander Reageert op communicatie van de leerkracht Schriftelijke taal 1.2. Begrijpend luisteren Voert activiteit van dagritmeschema uit die de leerkracht mondeling en met picto aanbiedt (in 1 op 1 situatie) Voert activiteit van dagritmeschema uit die de leerkracht in volle zin aanbiedt in 1 op 1 situatie (max. 5/6 woorden) 2.1. Zinsbegrip Begrijpt losse woorden (heet, drinken, schoenen, zitten) Begrijpt driewoordzinnen Begrijpt vijfwoordzinnen Begrijpt logische opdrachten (gekoppeld aan de huidige, actuele situatie) 3.4. Sociale routines Kent de functie van zwaaien bij komen en weggaan

2.2. Inhoud: Actief 2 3 Maakt een herkenbaar geluid of gebaar als een bekende persoon in zijn blikveld verschijnt Gebruikt een vaste uiting om een bepaald voorwerp aan te duiden (oot = brood, zelfbedacht gebaar) 4 5 6 Gebruikt een woordenschat van drie of meer woorden/gebaren/afbeeldingen (namen/ zelfstandige naamwoorden, ontkenningen, weigeringen, kenmerken, plaatsaanduidingen, herhalingswoorden, actiewoorden) Gebruikt woorden die een gevraagde handeling beschrijven Gebruikt het woord NEE wanneer een voorwerp of activiteit aangeboden wordt Gebruikt het woord JA wanneer een voorwerp of activiteit aangeboden wordt Gebruikt 2-woorduitingen / gebaren om aan te geven dat iets er is of juist niet (juf daar, sap op) Gebruikt 2-woorduitingen / gebaren om aan te geven dat hij iets nog een keer wil of dat iets opnieuw gebeurt / te zien is (nog koek, juf weer) Gebruikt 2-woorduitingen / gebaren om bezit aan te geven (boek mij, auto papa) Gebruikt 2-woorduitingen / gebaren om actie aan te geven (juf lezen, koekje eten) Gebruikt een basiswoordenschat van ongeveer 50 woorden/ gebaren/afbeeldingen Gebruikt 2-woorduitingen / gebaren om richting aan te geven (in doos, lopen buiten) Gebruikt tweewoordzinnen/gebaren om aan te geven waar iets is of waar iets is gebeurd (mama thuis, doos op tafel) Gebruikt 2-woorduitingen / gebaren om eigenschappen aan te geven (mooie auto, grote bal)

2.2. Inhoud: Actief Aansluitende doelen ZML-leerlijnen 1.2. Zinsbouw Gebruikt ja en nee Gebruikt losse woorden (mamma, pop, bah) Gebruikt tweewoordzinnen (Tom drinken, Sanne spelen) Maakt driewoordzinnen in tegenwoordige tijd met onderwerp en werkwoord (hoeft nog niet altijd correct) (Erik spelen niet) Gebruikt de ontkenning niet 1.6. Non-verbale communicatie Knikt als hij ja bedoelt en schudt met zijn hoofd als hij nee bedoelt Gebruikt gebaren die bij een bepaalde uitdrukking horen (joepie!, het is zó groot) 1.3. Woordvorming Past op bekende woorden de regelmatige meervoudsregel toe met en (kip, kippen) Past op bekende woorden de regelmatige meervoudsregel toe met s (varken-varkens) 3.2. Iets zeggen tegen iemand Maakt met een enkel woord duidelijk wat hij wil zeggen (plassen) Zegt nee als hij iets niet wil Noemt een naam om duidelijk te maken dat hij iets tegen diegene wil zeggen (Tim, kijk!) 1.4. Voorzetsels en locatie aanduiden Benoemt in en uit Benoemt op en af Benoemt voor en achter Benoemt op en onder 6.2. Actieve woordenschat Imiteert klanken en woorden Kijkt naar een voorwerp als een ander het woord die zegt en naar het voorwerp wijst Benoemt 10 woorden met ondersteuning van concreet materiaal (picto s, foto s) Benoemt zijn eigen naam. Benoemt de namen van enkele klasgenoten Benoemt en wijst mamma, pappa, broer en zus, opa en oma aan op een afbeelding Gebruikt zelfstandige naamwoorden en werkwoorden Gebruikt die en dat om het aanwijzen van een voorwerp te ondersteunen

3.1. Gebruik 1 2 3 Reikt/kijkt/gaat naar naar een voorwerp om aan te duiden dat hij het wil hebben (bijvoorbeeld een beker om drinken te krijgen) Behoudt contact als een ander spreekt Wijst naar een voorwerp om aan te duiden dat hij het wil hebben (bijvoorbeeld een beker om drinken te krijgen) Reageert adequaat op de introductie en afsluiting van een bekende activiteit Reageert op de onderbreking van een bekende activiteit Trekt de aandacht van een bekende volwassene met roepgeluiden of gebaren Reageert op duidelijke intonatie toonhoogtes, zoals vragend, streng, rustig Neemt een ander mee naar een voorwerp/plaats om een wens duidelijk te maken Gebruikt een concrete verwijzer om een wens duidelijk te maken Vraagt zonder woorden waar iets is (zoekende / vragende mimiek) Zwaait bij begroeting en afscheid Wijst een voorwerp of dienst af door een bepaald geluid of gebaar Vraagt om een herhaling van een handeling (kijkt verwachtingsvol) 4 5 6 Deelt informatie met de leerkracht Geeft aan waar hij naar toe wil binnen de ruimte Reageert op een verandering van gevoelsuiting van een persoon (verdrietig naar blij) Roept iemand door de naam te noemen, een gebaar te maken, een communicatieknop of belletje in te drukken of met een spraakcomputer Gebruikt een uitroep om verbazing uit te drukken (oh, oeps, oei) eventueel via een spraakcomputer Gebruikt een niet-specifiek woord, gebaar of symbool om de aandacht op iets te vestigen (die, daar, kijk, hoor) Gebruikt specifieke gebaren (drinken, jas aantrekken) om een voorwerp of dienst te verkrijgen Vestigt de aandacht van een ander op iets in de omgeving Maakt duidelijk dat hij hulp nodig heeft Gebruikt een niet-specifiek woord, gebaar of symbool om een wens uit te drukken (die, zo, nog) Weigert iets met woorden, gebaren of symbolen Vraagt om een activiteit met een woord, gebaar, symbool, spraakcomputer Geeft aan waar hij naar toe wil buiten de ruimte Kan groeten en afscheid nemen met een woord of spraakcomputer Begeleidt handelingen met routinewoorden (oeps, boem, huppekee) Zegt in 1-op-1 contact wat hij waarneemt of doet Geeft met woord, gebaar, symbool of spraakcomputer antwoord op een vraag naar wie, wat of waar

1.3. Gebruik Aansluitende doelen ZML-leerlijnen 1.6. Non-verbale communicatie Reageert op gezichtsuitdrukkingen en lichaamshoudingen die gevoelens uitdrukken (boosheid, verdriet en blijheid) Gebruikt gebaren en gezichts-uitdrukkingen om gevoelens kenbaar te maken (verdriet, boosheid en blijheid) Trekt de schouders op en gebruikt een vraagmimiek als hij het niet begrijpt 3.3. Een gesprek voeren met een ander Reageert op communicatie van de leerkracht Neemt initiatief in de communicatie met anderen Geeft antwoord op een vraag als die direct aan hem gesteld wordt Vertelt iets in de kring als hij daartoe wordt uitgenodigd 3.1. Iemand iets vragen Trekt met geluiden, gebaren of mimiek actief aandacht als hij iets wil vragen Vraagt een bekende met losse woorden gericht om een voorwerp of actie (bal? drinken?) Gebruikt vragende intonatie in een vragende eenwoordzin (hap?) Stelt een bekende een korte vraag (Sanne spelen? Appel eten?) 3.4. Sociale routines Kent de functie van zwaaien bij komen en weggaan Reageert met zwaaien, vrolijk gedrag, dag bij komen en gaan Begroet op verschillende manieren (hoi, zwaaien,naar iemand toe komen) Neemt op verschillende manieren afscheid (dag, doei, zwaaien) Feliciteert een ander Bedankt een ander op verschillende manieren 3.2. Iets zeggen tegen iemand Trekt met geluid, gebaar of mimiek actief aandacht als hij iets wil zeggen Maakt met een enkel woord duidelijk wat hij wil zeggen (plassen) Maakt in een gesprek wensen of gevoelens kenbaar, n.a.v. vragen van een volwassene (limonade juf) Noemt een naam om duidelijk te maken dat hij iets tegen diegene wil zeggen (Tim, kijk!)

1.4. Vorm 1 2 3 Herhaalt de geluiden die hij zelf maakt Maakt brabbelgeluiden (dada) Herkent wanneer een ander zijn klank imiteert Imiteert lettergrepen of geluiden uit de omgeving Doet eenvoudige veel voorkomende gebaren na (handen klappen) Imiteert woorden van bekende volwassenen in de omgeving 4 5 6 Gebruikt één-woorduitingen Gebruikt 2-woorduitingen Combineert 2-woorduitingen om meer informatie te geven