Elementaire Deeltjes Fysica

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Elementaire Deeltjes Fysica"

Transcriptie

1 Elementaire Deeltjes Fysica M. de Roo Instituut voor Theoretische Natuurkunde Rijksuniversiteit Groningen Nijenborgh 4, 9747 AG Groningen Reprinted November 004

2 Inhoudsopgave 1. Inleiding 1. Symmetrie 6.1. N reële scalaire velden 6.. Locale symmetrie in QED Yang-Mills theorie 1.4. Locale ijkinvariantie en de stroom Zwakke interacties Het zwakke verval van het muon en het V A model De zwakke interacties en pariteit Het gedrag van het Fermi model bij hoge energie Het massieve vectorveld 1 4. Het GSW-model: zwakke interacties van leptonen De symmetrie van de zwakke interacties Zwakke interacties en locale symmetrie 6 5. Het GSW-model: de massa van ijkvelden en fermionen De stelling van Goldstone Het Higgs-mechanisme Massa in het GSW-model Het GSW-model: quarks en de zwakke interacties De eerste generatie Meer dan een generatie quarks en leptonen 4 7. Quantisatie van Yang-Mills theorie IJkbrekende termen in de padintegraal De Faddeev-Popov ghost velden Feynman regels voor Yang-Mills velden De vacuumpolarisatie van het Yang-Mills veld Het GSW-model: experimentele consequenties De W- en Z-bosonen Het Higgs-deeltje De top-quark 63

3 9. Sterke interacties en quarks Nucleonen en pionen: isospin Vreemdheid, SU(3) en quarks Experimentele aanwijzingen voor quarks: ep-verstrooiing Experimentele aanwijzingen voor kleur Quantum Chromo Dynamica Sterke interacties als ijktheorie Renormalisatie en countertermen: een voorbeeld Green functies en asymptotische vrijheid De β-functie voor φ 4 theorie De β-functie in Yang-Mills theorie Unificatie Motivatie De SU(5)-structuur De ijkvelden en de koppelingsconstante Het protonverval De effectieve koppelingsconstanten 105 A. Appendix: Groepentheorie 110 A.1. Lie-groepen en Lie-algebras 110 A.. Representaties 11 B. Appendix: Het complete GSW-model 116 Referenties 119 3

4 1 Inleiding In dit college zullen we een aantal aspecten van elementaire deeltjes en hun interacties behandelen. In het curriculum zijn ook andere colleges over dit onderwerp opgenomen. Elementaire Deeltjes Fysica onderscheidt zich van die andere colleges doordat gebruik gemaakt wordt van de quantumveldentheorie. Deze theorie vormt de basis van ons begrip van de interacties tussen elementaire deeltjes, zowel in het geval van de electromagnetische interacties als in dat van de sterke en zwakke wisselwerkingen. Bij het college Quantumveldentheorie [1] ligt de nadruk op de quantum electrodynamica (QED), de theorie die de electromagnetische wisselwerking tussen geladen spin-1/ deeltjes beschrijft. De nadruk bij dit college zal liggen op de zwakke interactie, verantwoordelijk voor β-verval van kernen (en vele andere processen), en de sterke interacties, die de deeltjes in de kern (het proton en neutron) bij elkaar houden. Een vierde interactie is de zwaartekracht, deze zal in dit college slechts terloops aan de orde komen. De quantumveldentheorie gaat ervan uit dat de elementaire deeltjes puntdeeltjes zijn, dat wil zeggen, geen voor ons waarneembare structuur hebben. Elementair is daarom een tijdafhankelijk begrip de elementaire deeltjes van 0 jaar geleden zijn, voor een deel, niet elementair gebleken. Zo blijken de vele sterk wisselwerkende deeltjes te zijn opgebouwd uit quarks, die we nu (nog) elementair noemen. Welke zijn dan, volgens onze huidige inzichten, de elementaire deeltjes? We maken een onderverdeling in materiedeeltjes, en in ijkdeeltjes. De ijkdeeltjes zijn verantwoordelijk zijn voor de krachten tussen de materiedeeltjes, waaruit letterlijk de materie is opgebouwd. Eigenschappen van de bekende ijkdeeltjes zijn gegeven in Tabel 1.1. deeltje interactie massa (GeV/c ) lading foton (γ) electromagnetisch 0 0 W ± zwak 80. ± 0.6 ±1 Z 0 zwak ± gluonen (A a µ, a = 1,...8) sterk 0 0 graviton zwaartekracht 0 0 Tabel 1.1 IJkdeeltjes en hun eigenschappen. Het foton, de W ± en Z 0 bosonen, en de gluonen worden in de quantumveldentheorie beschreven door vectorvelden. De dynamica van het vrije foton wordt gegeven 4

5 door de Maxwell vergelijkingen, en de koppeling van de fotonen aan geladen deeltjes wordt bepaald door locale ijkinvariantie. De Lagrangedichtheid van QED is invariant onder de volgende transformaties van het fotonveld A µ (het ijkveld van de locale symmetrie) en het fermionveld ψ: A µ A µ + µ θ(x), ψ e ieθ(x) ψ(x), (1.1) waarbij dus de parameter van de transformatie, θ, afhangt van het punt x in de ruimtetijd. Soortgelijke locale ijktransformaties bepalen ook de structuur van de sterke en zwakke wisselwerkingen. De extra complicatie is, dat dan de symmetrietransformaties door meer dan één parameter worden bepaald. Een van de hoofddoelen van dit college is de bij dergelijke transformaties behorende Yang-Mills theorie te introduceren, en toe te passen op de sterke en zwakke wisselwerkingen. Het graviton wordt beschreven door een tensorveld, g µν (de metrische tensor). De klassieke theorie van het zwaartekrachtsveld, de algemene relativiteitstheorie, kan ook worden opgevat als een ijktheorie, maar voor de constructie van de bijbehorende quantumtheorie moeten nog vele problemen worden overwonnen. Er zijn twee soorten materie-deeltjes. Dit zijn de leptonen, die alleen electromagnetische en zwakke wisselwerkingen hebben, en de quarks, die daarnaast ook sterk wisselwerken. In Tabel 1. geven we een overzicht van de eigenschappen van de nu bekende leptonen. deeltje naam levensduur massa (MeV/c ) lading (e) e electron > jaar µ muon sec τ tau sec ν e electron-neutrino stabiel? < ν µ muon-neutrino stabiel? < ν τ tau-neutrino stabiel? < 35 0 Tabel 1. Leptonen en hun eigenschappen. De onzekerheid over de stabiliteit van de neutrinos hangt samen met de onzekerheid in de massa van de neutrinos. In de tabel zijn experimenteel vaststaande eigenschappen genoemd. Voor de levensduur van het electron is daarom een ondergrens gegeven. We gaan er echter van uit dat het electron en de neutrinos stabiel zijn, en de neutrinos massaloos. Al deze deeltjes heben spin-1/, de neutrinos zijn electrisch neutraal. 5

6 Bij alle interacties is er sprake van behoud van leptongetal. Er zijn drie leptongetallen, L e, L µ en L τ. L e is gelijk aan één voor e en ν e, en gelijk aan nul voor de andere leptonen. Op soortgelijke wijze zijn L µ en L τ gedefinieerd. Bij elk van de leptonen behoort een anti-deeltje, waarvan lading en leptongetal het tegengestelde teken hebben. Het onderscheid tussen deeltje en anti-deeltje zullen we aangeven door middel van de lading (e en e + ) of ook door een bar (ν e en ν e ). Het muon en het tau-deeltje zijn instabiel. Het muon vervalt meestal als µ e + ν e + ν µ, τ heeft een groot aantal verschillende vervalswijzen, bijvoorbeeld τ µ + ν µ + ν τ. De electrozwakke eigenschappen van de geladen leptonen zijn gelijk, alleen door hun verschil in massa zijn verschillende vervalswijzen mogelijk. Electriciteit was al bij de oude Grieken bekend, maar het was J.J. Thomson die rond de eeuwwisseling het electron ontdekte. Het muon werd in 1937 in kosmische straling ontdekt [], terwijl het τ-deeltje in 1975 werd gevonden [3]. Het behoud van het leptongetal speelt een rol in het feit dat het vervalsproces µ eγ (een mogelijk electromagnetisch verval) niet optreedt. Beschouw QED met alle geladen leptonen. Behoud van de afzonderlijke leptongetallen is gegarandeerd in de volgende Lagrangedichtheid: L = i=e,µ,τ ψ i (i( / + iea/) m i )ψ i 1 4 F µνf µν, waarbij ψ i Dirac-spinoren zijn voor de verschillende leptonvelden. Duidelijk is dat interactie vertices tussen leptonen en foton geen overgangen van het ene lepton naar het andere bewerkstelligen. In de theorie van de zwakke interacties werkt een soortgelijk mechanisme. In Tabel 1.3 geven we een lijst van de zes quarks. De ontdekking van de topquark vond plaats in 1994: overigens lagen alle eigenschappen van dit deeltje (behalve de massa) al geheel vast door de structuur van de theorie van de zwakke wisselwerkingen. Merk op dat zowel de leptonen als de quarks een duidelijke generatie-structuur hebben: zo vormen (e, ν e ), (u, d) de eerste generatie, etc. Voor de structuur van de stabiele materie waar we in het dagelijks leven mee te maken hebben speelt aleen de eerste generatie een rol. Quarks zijn de bouwstenen van de hadronen, de deeltjes met sterke wisselwerking die we in het laboratorium waarnemen. Het baryongetal van de quarks geeft een onderscheid tussen twee soorten hadronen: de baryonen, opgebouwd uit drie quarks, met baryongetal één, en de mesonen, bestaand uit een quark en een anti-quark, met baryongetal nul. De quarks zelf komen niet als vrije deeltjes voor. 6

7 Deze, en andere eigenschappen van quarks worden beschreven door de theorie van de sterke interacties tussen quarks, door middel van uitwisseling van gluonen: de quantumchromodynamica (QCD). Belangrijk is dat de sterke interacties het soort quark (de flavour) behouden, net als de electromagnetische interacties het soort lepton behouden. deeltje naam massa (MeV/c ) lading (e) u up 350 /3 d down 350 1/3 c charm 1500 /3 s strange 500 1/3 t top /3 b bottom /3 Tabel 1.3 Quarks en hun eigenschappen. Alle quarks hebben spin 1/ en baryongetal 1/3. Anti-quarks hebben tegengestelde lading en baryongetal. De standaard -deeltjes (p, n, pionen,...) bestaan uit u- end d-quarks: p = (uud), n = (udd), π + = (u d), π = (ūd), π 0 = (ūu), ( dd). In de jaren vijftig werden vreemde deeltjes ontdekt, zoals het Λ-baryon en het K- meson. De Λ- en K-deeltjes bevatten een nieuw type quark, de s-quark. Aangezien de sterke interacties het type quark behouden, kunnen de Λ- en K-deeltjes alleen via zwakke interacties vervallen in lichtere deeltjes: K ± µν, π ± π 0,...; Λ 0 pπ, nπ 0,..., waarbij dan vreemdheid niet behouden is. Later (1974) [4, 5] is nog een nieuw type quark ontdekt (charm), en kort daarna (1977) de b-quark [6]. In 1994 is de al lang voorspelde top-quark (waarschijnlijk) ontdekt [46]. De wereld van de elementaire deeltjes is dus betrekkelijk overzichtelijk. Er zijn een klein aantal elementaire deeltjes (ijkdeeltjes, leptonen en quarks) waarvan de dynamica wordt beschreven door het standaard model (Glashow, Salam, Weinberg (GSW) model). Een belangrijk gedeelte van dit college zal dan ook besteed worden aan de structuur en de eigenschappen van dit model. We zullen dan ontdekken dat er toch nog veel vrije parameters zijn in het GSW-model, en een aantal onzekere punten. We zullen daarom aan het eind van dit college ook uitbreidingen van het GSW-model, zoals Grand Unified Theories, bespreken. 7

8 In dit college volgen we in grote lijnen de aanpak van het boek van Cheng en Li [7]. Daarnaast verwijzen we regelmatig naar andere literatuur, zoals originele artikelen, overzichtsartikelen en boeken. Een aantal van de belangrijkste artikelen op dit gebied zijn verzameld in [8, 9]. Het boek van Cheng en Li [7] bevat tevens een uitgebreide bibliografie. Het is van belang om bij dit college enig idee te hebben van de fenomenologische aspecten van de elementaire deeltjes. Dat begint noodzakelijkerwijze met een blik in een tabel waarin massas, levensduren, vervalswijzen en quantumgetallen zijn opgenomen. Een dergelijke tabel wordt jaarlijks uitgebracht [10]. Het is zeer nuttig om deze tabel te leren gebruiken. De belangrijkste artikelen over de experimentele elementaire deeltjes fysica zijn herdrukt in [11]. Daarin zijn de originele publicaties over de ontdekking van de belangrijkste elementaire deeltjes te vinden, met deskundig commentaar. In dit collegedictaat kiezen we onze eenheden steeds zo, dat h = c = 1. 8

9 Symmetrie De symmetrie-eigenschappen van veldentheoretische modellen spelen in de elementaire deeltjesfysica een belangrijke rol. In de quantumveldentheorie zijn we al een aantal fundamentele symmetrieën tegengekomen, zoals de ruimtetijd-symmetrieën (translaties en Lorentz-transformaties) en de ijktransformaties in QED. De eerste twee zijn voorbeelden van coördinaattransformaties: x µ x µ + a µ (translaties), x µ Λ µ ν xν met Λ µ ν Λρ σ g µρ = g νσ (Lorentz). (.1) De aanwezigheid van deze symmetrieën vertelt ons dat we geen onderscheid kunnen maken tussen experimenten die alleen verschillen door een verschuiving in de ruimtetijd en/of door een Lorentz-transformatie. In de theorie bereiken we dit door ervoor te zorgen dat de bewegingsvergelijkingen van de theorie covariant zijn onder deze transformaties, d.w.z. dezelfde vorm aannemen in getransformeerde coördinatenstelsels. In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de zogenaamde interne symmetrieën, d.w.z. symmetrieën die de coördinaten van de ruimtetijd punten ongemoeid laten. We onderscheiden dan globale symmetrieën, waarbij de parameters van de transformatie constant in ruimte en tijd zijn, en locale symmetrieën, waarbij de parameters van het ruimtetijd punt mogen afhangen. Om een aantal begrippen (nogmaals) te introduceren beginnen we met een voorbeeld van globale symmetrie, daarna bekijken we locale symmetrie in de quantumelectrodynamica. Tenslotte introduceren we locale symmetrie geassocieerd met een niet-abelse groep, de zogenaamde Yang-Mills symmetrie. De hier behandelde symmetrie-transformaties vormen een groep. De groepentheorie speelt dan ook een belangrijke rol in dit deel van elementaire deeltjes fysica. Een aantal aspecten van de groepentheorie wordt behandeld in Appendix A. Voor een uitgebreider overzicht zie bijvoorbeeld [7], hoofdstuk 4. Referenties naar boeken over groepentheorie in de elementaire deeltjes fysica zijn te vinden in [7], Bibliography..1 N reële scalaire velden Voor het reële scalaire veld is de Lagrangedichtheid L = 1 ( µφ)( µ φ) 1 m φ, (.) waaruit als bewegingsvergelijking de Klein-Gordon vergelijking volgt: L φ L µ ( µ φ) ( + m )φ = 0, ( = µ µ ). (.3) 9

10 Het veld φ is een scalair veld, hetgeen een bepaald transformatie gedrag impliceert onder ruimtetijd-transformaties. In een ander coördinatenstelsel zal gelden: ( + m )φ (x ) = 0. (.4) Aangezien =, zowel onder translaties als Lorentztransformaties, is deze vergelijking alleen covariant als geldt: of ook wel, voor infinitesimale transformaties: x = x + δx φ (x ) = φ(x), (.5) φ (x) = φ(x) δx µ µ φ δφ(x) = δx µ µ φ. (.6) Dit is (per definitie) het transformatie-karakter van een scalair veld. Gecompliceerdere veldvergelijkingen (Dirac, Maxwell voor spin-1/, spin-1 velden) vereisen een ander transformatiekarakter: dat van een spinor-veld resp. vectorveld. Interne symmetrieën spelen in het geval van één scalair veld geen rol. We breiden de discussie daarom uit tot het geval van N reële scalaire velden. De Lagrangedichtheid is dan: L = 1 µφ i µ φ i 1 m φ i φ i, (.7) waarbij gesommeerd wordt over de index i (i = 1,...,N). De actie is invariant onder: φ i = O ij φ j, (.8) als de reële matrix O voldoet aan O 1 = O T. Dergelijke matrices noemen we orthogonaal. Voor matrices O die maar infinitesimaal van de eenheidsmatrix verschillen kunnen we schrijven: O = I iɛ a T a, (.9) waarbij ɛ a reële infinitesimale parameters zijn, en T a N N matrices. Vanwege O 1 = O T geldt: I + iɛ a T a = I iɛ a (T a ) T, (.10) dus T a moet imaginair (φ i en ɛ a zijn reëel!) en anti-symmetrisch zijn. Er zijn 1 N(N 1) onafhankelijke anti-symmetrische matrices, en dus 1 N(N 1) onafhankelijke parameters ɛ a : a = 1,..., 1 N(N 1). Deze transformaties vormen een groep, de rotatiegroep in N dimensies: O(N). De anti-symmetrische matrices T a noemen we de generatoren van O(N), deze matrices vormen een lineaire ruimte, die we de Lie-algebra van de groep noemen. Voor details zie Appendix A. 10

11 Bij elke continue symmetrie van de actie hoort een stroom en een behouden lading. Wat is de stroom in dit geval? Beschouw infinitesimale transformaties, Dan geldt: 0 = δs = = δφ i φ i (x) φ i(x) = iɛ a (T a ) ij φ j. (.11) [ L d 4 x δφ i + L ] φ i ( µ φ i ) δ µφ i [ ( )] L d 4 L L x δφ i µ φ i ( µ φ i ) δφ i + µ ( µ φ i ) δφ i. (.1) Als de velden voldoen aan de bewegingsvergelijkingen volgt hieruit: [ ] [ ] L µ ( µ φ i ) δφ L i = 0 µ ( µ φ i ) ( iɛa (T a ) ij φ j ) = 0, (.13) met andere woorden (ɛ a willekeurig): [ ] L µ ( µ φ i ) ( i(t a) ij φ j ) = µ j a µ = 0. (.14) We zien dat voor iedere onafhankelijke parameter (elke generator T) er een een behouden grootheid is. Met het model (.7) model corresponderen dus 1 N(N 1) behouden grootheden: Q a d 3 xja 0 = i d 3 x = i L ( 0 φ i ) (T a) ij φ j d 3 xπ i (T a ) ij φ j, (.15) waarbij π i de kanonieke impuls is behorend bij de coördinaat φ. De T a voldoen aan commutatie-relaties die de groepsstructuur weerspiegelen (zie Appendix A): [T a, T b ] = if ab c T c, (.16) waarbij f ab c de structuurconstanten van de groep genoemd worden. Tot nog toe hebben we eigenlijk alleen naar de klassieke veldentheorie gekeken. We beschouwen nu op de gebruikelijke manier de velden φ i als operatoren, die met de kanonieke impulsen π i voldoen aan de gebruikelijke gelijketijds commutatierelaties: [φ i (t, x), π j (t, y)] = iδ ij δ( x y), [φ i (t, x), φ j (t, y)] = [π i (t, x), π j (t, y)] = 0. (.17) 11

12 De commutatie-relaties tussen de T a impliceren nu commutatie-relaties tussen de behouden ladingen: [Q a, Q b ] = = d 3 x d 3 x d 3 y [π i (x)(t a ) ij φ j (x), π k (y)(t b ) kl φ l (y)] d 3 y [π i (x)(t a ) ij [φ j (x), π k (y)](t b ) kl φ l (y) +π k (y)(t b ) kl [π i (x), φ l (y)](t a ) ij φ j (x)] = i d 3 x [π i (x)(t a T b ) il φ l (x) π k (x)(t b T a ) kj φ j (x)] = d 3 xπ(x)f c ab T c φ(x) = if ab c Q c. (.18) We zien dat de behouden ladingen de structuur van de groep van orthogonale matrices respecteren. Ze voldoen aan dezelfde commutatie-relaties als de generatoren T a, en genereren dus een representatie van de groep. De Q a zijn operatoren die werken op de Fock-ruimte, de ruimte opgespannen door de toestanden met n deeltjes met gegeven impulsen, de bijbehorende representatie van de groep wordt ook wel de Fock-ruimte representatie genoemd. Op de velden werken de Q a als: iɛ a [Q a, φ i (x)] = iɛ a (T a ) ij φ j (x) = δφ i. (.19) Deze transformatie van de veldoperatoren is de infinitesimale versie van φ i = Uφ iu 1 met U = exp(iɛ a Q a ). (.0) De unitaire operatoren U zijn elementen van de Fock-ruimte representatie van de groep. We hebben gevonden dat uit een continue symmetrie een stroom, een behouden lading, en dus een unitaire representatie van de groep op de Fock-ruimte volgt. We kunnen nu aantonen dat, als de grondtoestand 0 invariant is onder de symmetrie transformaties, de overgangswaarschijnlijkheden ook invariant zijn. We zien dan immers: 0 φ i 1 (x 1 )...φ i n (x n ) 0 = < 0 Uφ i1 (x 1 )U 1...Uφ in (x n )U 1 0 = 0 φ i1 (x 1 )...φ in (x n ) 0. (.1) De continue symmetrie van de actie heeft dus directe consequenties voor de overgangswaarschijnlijkheden. 1

13 . Locale symmetrie in QED Quantumelectrodynamica is gebaseerd op de Dirac-theorie voor spin-1/ velden, en op de Maxwell theorie voor het electromagnetisch veld. De Lagrangedichtheid voor het vrije Dirac veld en voor het vrije electromagnetische veld luiden: L Dirac = ψ(iγ µ µ m)ψ, (.) L Maxwell = 1 4 F µνf µν, (.3) met F µν = µ A ν µ A ν. (.4) De bewegingsvergelijkingen die uit (.,.3) volgen zijn (i / m)ψ = 0, (.5) µ F µν = 0. (.6) De bijbehorende acties zijn invariant onder de volgende transformaties (naast de gebruikelijke translaties en Lorentz-transformaties): ψ(x) ψ (x) = exp(iθ)ψ(x), ψ(x) ψ (x) = exp( iθ) ψ(x), (.7) A µ (x) A µ(x) = A µ (x) + µ Λ(x). (.8) De transformatie van ψ is een globale transformatie. Net als in de vorige sectie kunnen we een stroom en een behouden lading vinden: j µ = ψγ µ ψ, Q = d 3 xj 0 (x). (.9) Als ψ voldoet aan de Dirac vergelijking geldt µ j µ = 0, en is de lading Q onafhankelijk van de tijd. Q is zo gekozen dat een één-deeltjes toestand als eigenwaarde van Q 1 heeft (de lading van het electron in eenheden e). Dit implicert tevens dat [Q, ψ] = ψ. De ijkinvariantie van (.3) is een gevolg van het feit dat we de klassieke fysische variabelen, het electrisch en magnetisch veld, hebben uitgedrukt in A µ. Dit lost één van de Maxwell vergelijkingen op, namelijk µ F νρ + ν F ρµ + ρ F µν = 0, (.30) maar het feit dat de oplossing niet uniek is geeft dan aanleiding tot de invariantie onder de ijktransformatie (.8). Als we interacties willen introduceren verandert de situatie. De ijkinvariantie van het electromagnetisch veld moeten we handhaven. Deze speelt een belangrijke 13

14 rol bij de quantisatie van A µ, en zonder ijkinvariantie zouden niet slechts de twee gebruikelijke transversale vrijheidsgraden van het Maxwell veld vinden. De volgende procedure leidt tot een theorie met locale ijkinvariantie waarin het Dirac veld wisselwerkt met een vectorveld, dat we vervolgens kunnen identificeren met het Maxwell veld. In de eerste plaats maken we de transformaties van het veld ψ locaal, dus: ψ = exp(iθ(x))ψ. (.31) We willen nu dat (.) invariant wordt onder (.31). Dit kunnen we bewerkstelligen door een zogenaamde covariante afgeleide in te voeren, D µ, die de eigenschap heeft dat D µ ψ op dezelfde wijze transformeert als ψ: (D µ ψ) = exp(iθ(x))d µ ψ. (.3) In dat geval is L = ψ(iγ µ D µ m)ψ triviaal invariant onder de locale transformaties (.31). De eigenschap (.3) vereist het invoeren van een veld in D µ dat transformeert met een term µ θ(x). We nemen: en bepalen de transformatieregel van A µ. Dus: D µ ψ ( µ + iea µ )ψ, (.33) ( µ + iea µ ) exp(iθ(x))ψ = exp(iθ(x))( µ + i( µ θ) + iea µ )ψ waaraan we voldoen door te kiezen = exp(iθ(x))( µ + iea µ )ψ, A µ = A µ 1 e µθ(x). (.34) De gevonden transformatie van het veld A µ is dus precies die van het ijkveld van de Maxwell vergelijkingen. Daarmee hebben we een ijkinvariante interactie gevonden tussen het Dirac-veld en een vectorveld. Voor het vectorveld kunnen we nu als kinetische term (.3) toevoegen. Dat levert L = ψ(iγ µ ( µ + iea µ ) m)ψ 1 4 F µνf µν, (.35) de Lagrangedichtheid van de quantumelectrodynamica. De constante e hebben we nu iets anders ingevoerd dan bij het college Quantumveldentheorie, dit kunnen we gemakkelijk herstellen door de parameter θ te herschalen. Merk op dat de interactieterm van de vorm ej µ A µ is. Op dit punt komen we in sectie (.4) terug. De bewegingsvergelijking van ψ levert de Dirac-vergelijking met een covariante afgeleide: (iγ µ ( µ + iea µ ) m)ψ = 0, (.36) 14

15 terwijl de bewegingsvergelijking van ψ de volgende vergelijking geeft: 0 = ψ( ea/ m) i( µ ψ)γ µ = i( µ iea µ ) ψγ µ m ψ = (id µ ψγ µ + m ψ). (.37) Deze bewegingsvergelijkingen zijn natuurlijk invariant onder ijktransformaties. Merk op dat de covariante afgeleide op ψ een andere vorm heeft dan die op ψ. Dit is een gevolg van het feit dat ψ en ψ verschillend transformeren onder ijktransformaties (zie (.7)). De covariante afgeleide is gedefinieerd als afgeleide die, werkend op een veld met een zeker transformatiekarakter, op dezelfde wijze transformeert als dat veld. De hier gebruikte methode om een ijkinvariante actie af te leiden zullen we in de volgende sectie generaliseren naar een niet-abelse transformatiegroep..3 Yang-Mills theorie We zullen Yang-Mills theorie invoeren aan de hand van een voorbeeld. We beginnen met de Lagrangedichtheid voor N fermionvelden: L = ψ i (iγ µ µ m)ψ i. (.38) Deze Lagrangedichtheid is invariant onder de volgende globale symmetrie: ψ i ψ i = U ijψ j (.39) met UU = U U = I. De matrices U vormen de groep U(N) van N N unitaire matrices. Voor infinitesimale transformaties geldt nu U = I iɛ a (T a ) ij δψ i = iɛ a (T a ) ij ψ j, (.40) waarbij de matrices T a hermitisch moeten zijn. Er zijn in dit geval N parameters ɛ a. De bijbehorende stromen zijn: j µ a = ψ i γ µ (T a ) ij ψ j. (.41) Dit is dus geheel analoog aan wat we in sectie (.1) besproken hebben, met het verschil dat we nu met N complexe velden te maken hebben. We willen nu, net als in het geval van QED de symmetrie uitbreiden tot een locale symmetrie 1. In QED hebben we dit gedaan door de globale symmetrie van 1 Het voorbeeld dat Yang en Mills [1] in gedachten hadden was isospin symmetrie. Dit is een symmetrie van de sterke interacties in de atoomkern. Deze interacties tussen protonen en 15

16 (.) uit te breiden tot een locale symmetrie. We gaan nu op dezelfde wijze te werk. We zoeken dus een covariante afgeleide, van de vorm die, werkend op ψ, net zo transformeert als ψ zelf: D µ = µ iga a µt a, (.4) (D µ ψ) = U(D µ ψ). (.43) We gaan er hierbij al van uit dat nu meer dan één ijkveld nodig zal zijn. De transformatiegroep heeft nu immers N parameters, en de afleiding bij QED suggereert dat voor elke parameter, of elke generator van de groep, een ijkveld nodig is. Hoe moet A µ nu transformeren? We eisen dat (D µ ψ) = µ (Uψ) iga µ TUψ = ( µ U)ψ + U µ ψ iga µ TUψ waarbij we de notatie A µ T = A a µ T a gebruiken. Dus: = U( µ ψ iga µ Tψ), (.44) 0 = ( µ U)ψ iga µ TUψ + igua µ Tψ = ( iga µ T + igua µ TU 1 + ( µ U)U 1 )Uψ, (.45) zodat voor de getransformeerde ijkvelden moet gelden: A µ T = UA µ TU 1 i g ( µu)u 1. (.46) Als N = 1 krijgen we met T = I en g = e hetzelfde resultaat als bij QED. Voor infinitesimale transformaties U = I iɛ a T a geldt δa µ T = iɛ a [T a, A µ T] 1 g ( µɛ a )T a zodat = ɛ a A b µ f ab c T c 1 g ( µɛ c )T c, (.47) δa c µ = ɛ a A b µf ab c 1 g µɛ c. (.48) neutronen zijn (vrijwel) ladingsonafhankelijk, zodat er een symmetrie optreedt waardoor proton en neutron in elkaar worden overgevoerd. Deze SU() symmetrie is globaal, als in één punt in de ruimtetijd wordt vastgelegd welk kerndeeltje een proton is, dan is er geen vrijheid om in andere ruimtetijd punten een andere keuze te maken. Yang en Mills wilden, naar analogie van QED, nagaan of er ook zoiets als locale isospin symmetrie gedefinieerd kon worden. Achteraf blijkt er in de natuur geen locale isospin symmetrie te zijn, maar het formalisme kon onveranderd worden overgenomen voor andere situaties. 16

17 Het is nuttig hier nu onderscheid te maken tussen de groepen U(N) en SU(N). Het verschil is een fase-transformatie, ofwel een U(1)-groep. Voor deze ondergroep van U(N) is de structuurconstante gelijk aan nul, en treedt alleen de tweede term in (.46) en (.48) op. De structuurconstanten zijn de matrix-elementen van de geadjungeerde representatie (A.13) (t a ) cb = if abc. (.49) De matrices t a voldoen aan de commutatierelaties van SU(N). Vergelijking (.48) is nu te schrijven als: δa c µ = iɛ a (t a ) c ba b µ 1 g µɛ c. (.50) We concluderen dat onder globale transformaties de ijkvelden transformeren volgens de geadjungeerde representatie. Het aantal ijkvelden is gelijk aan de dimensie van de groep. De generalisatie van de U(1) symmetrie in QED naar U(N) symmetrie geeft dus voor het fermiongedeelte van de Lagrangedichtheid: L = ψ i iγ µ ( µ δ ij iga a µ (T a) ij )ψ j m ψ i ψ i. (.51) We hebben nu nog geen kinetische term voor de ijkvelden gevonden. In QED is deze term 1 4 F µνf µν met F µν als in (.4 De generalisatie naar niet-abelse symmetriegroepen gaat als volgt. We beginnen met (.43), de definiërende eigenschap van de covariante afgeleide. Dan geldt ook: Laten we nu kijken naar: (D µ (D ν ψ)) = UD µ (D ν ψ). (.5) D µ (D ν ψ) D ν (D µ ψ) = ( µ iga µ T)( ν iga ν T)ψ (µ ν) = µ ν ψ ig µ A ν Tψ iga ν T µ ψ iga µ T ν ψ g A µ TA ν T (µ ν) = ig( µ A ν ν A µ ) T g [A µ T, A ν T]ψ igf µν Tψ (.53) met: F µν T = ( µ A ν ν A µ ) T ig[a µ T, A ν T]. (.54) Verder geldt vanwege (.5): (D µ (D ν ψ) D ν (D µ ψ)) = U(D µ (D ν ψ) D ν (D µ ψ)) = U( igf µν T ψ) = igf µν T ψ. (.55) 17

18 Dit geeft: F µν T = UF µν T U 1. (.56) De gevonden generalisatie van de electromagnetische veldsterktetensor transformeert dus volgens de geadjungeerde representatie van de groep SU(N), en is invariant onder de groep U(1). We zien nu dat: tr F µν TF µν T = tr UF µν TF µν TU 1 = tr F µν TF µν T. (.57) Dus trf µν F µν is invariant onder locale ijktransformaties, en is geschikt als kinetische term voor de Yang-Mills ijkvelden. We kunnen het spoor nog herschrijven door in te voeren: F µν T = F a µν T a = ( µ A a ν νa a µ + gf bc a A b µ Ac ν )T a. (.58) Kiezen we de basis van de generatoren nu zo, dat tr[t a T b ] δ ab, dan geldt: trf µν TF µν T = trf a µν F µνb T a T b F a µν F µνa. (.59) Dit geeft ons de totale Lagrangedichtheid: L = i ψ i γ µ ( µ δ ij iga a µ (T a) ij )ψ j m ψ i ψ i 1 4 F a µν F µνa. (.60) Dit is het prototype van een niet-abelse ijktheorie, ook wel Yang-Mills theorie genoemd. Ook van het eerder behandelde model van scalaire velden met O(N) invariantie kan een Yang-Mills theorie gemaakt worden. In dat geval krijgen we: L = 1 4 F a µνf µνa + 1 (D µφ) i (D µ φ) i 1 m φ i φ i, (.61) waarbij nu F a µν de structuurconstanten van O(N) bevat en D µ φ gegeven wordt door: D µ φ i = [ µ δ ij iga a µ (T a) ij ]φ j, (.6) met T a de generatoren van O(N). Het aantal ijkvelden is weer gelijk aan de dimensie van de groep..4 Locale ijkinvariantie en de stroom Laten we even teruggaan naar de sectie (.) over QED. We hebben daar gevonden dat de interactieterm tussen fermionen en fotonen gelijk is aan ea µ j µ. Kunnen we meer in het algemeen begrijpen dat een dergelijke bijdrage in de interactieterm moet voorkomen? 18

19 Beschouw daartoe het model van sectie (.1). De actie (.7) is invariant onder de globale transformaties (.11). Als we nu een transformatie (.11) in (.7) uitvoeren met een x-afhankelijke parameter ɛ a, wat gebeurt dan? We vinden: δl = L δφ i + L φ i ( µ φ i ) δ µφ i = iɛ a L (T a ) ij φ j iɛ a L φ i ( µ φ i ) (T a) ij µ φ j +( µ ɛ a L ) ( µ φ i ) ( i(t a) ij φ j ). (.63) De eerste twee termen zijn samen gelijk aan nul omdat de Lagrangedichtheid invariant is onder globale transformaties. Ze hangen niet van µ ɛ a af. De laatste term blijft over, en kan geschreven worden als: δl = ( µ ɛ a )j µ a. (.64) Willen we nu, uitgaande van (.7), een actie construeren die invariant is onder locale transformaties, dan moeten we de resterende bijdrage laten wegvallen tegen de variatie van een nieuwe term in de actie. We schrijven: De variatie van L is nu gelijk aan We kiezen δa a µ = 1 g µɛ a, zodat overblijft: L = (.7) + ga a µ jµ a. (.65) δl = ( µ ɛ a )j µ a + g(δaa µ )jµ a + gaa µ δjµ a. (.66) δl = ga a µδj µ a. (.67) In het geval dat de stroom zelf invariant is onder locale ijktransformaties, is nu dus al δl gelijk aan nul, en is de constructie klaar. In het geval dat j a µ niet invariant is, zijn we nog niet klaar, en moeten nog termen aan de actie en/of aan de transformatie van A a µ worden toegevoegd. Merk op dat de resterende variatie van L evenredig met g is. De procedure is systematisch in de zin dat er een ontwikkeling in g van de actie en van de transformaties ontstaat. In het geval van QED is de stroom invariant, hetgeen verklaart waarom de volledige interactieterm daar gegeven wordt door ea µ j µ. In het geval van het voorbeeld van sectie (.1), en ook in dat van sectie (.3), is de stroom niet invariant, en moeten we de procedure voortzetten. Dit leidt dan tot de resultaten die in sectie (.3) worden gegeven. 19

20 3 Zwakke interacties Voordat we nu onze kennis van Yang-Mills theorie gaan gebruiken voor de constructie van een ijktheorie voor de zwakke interacties, zullen we eerst in dit hoofdstuk wat algemene opmerkingen over de zwakke interacties maken. 3.1 Het zwakke verval het muon en het V-A model Zwakke interacties zijn ontdekt bij vervalsprocessen. In eerste instantie betrof dat vervalsprocessen in de kern waarvoor vaak het zwakke verval van het neutron verantwoordelijk is: n p + e + ν e. (3.1) Neutron en proton zijn opgebouwd uit quarks, en om de complicaties ten gevolge van samengestelde deeltjes te vermijden is het verstandig de zwakke interacties te introduceren aan de hand van processen met alleen leptonen. Een geschikt proces is het verval van het muon: µ e + ν e + ν µ. (3.) Beschouw eerst de kinematica van dit proces. betekent voor een muon in rust: Behoud van impuls en energie m µ = E e + E ν + E ν 0 = p e + p ν + p ν (3.3) We verwaarlozen nu de electronmassa ten opzichte van de muonmassa. Dan geldt: E e = ( p e ) = ( p ν + p ν ) = E ν + E ν + E νe ν cosα, (3.4) waarbij α de hoek tussen de neutrino-impulsen is. De energie van het electron is maximaal als α = 0. Deze is dan gelijk aan: (E e ) max = E ν + E ν = 1 m µ, (3.5) zodat het electron hoogstens een energie gelijk aan de halve muon-massa kan meenemen. Zwakke interacties werden voor het eerst in een veldentheoretisch model beschreven door Fermi. Hij veronderstelde dat de interactie tussen de leptonen een interactie tussen twee stromen was, van de vorm: L F = G F j µ j µ. (3.6) 0

21 De vorm van de stroom j µ is in de loop der jaren aangepast aan veranderende inzichten. De definitieve versie is gelijk aan [15]: j λ = ψ e γ λ (1 γ 5 )ψ νe + ψ µ γ λ (1 γ 5 )ψ νµ. (3.7) Hier is γ 5 = iγ 0 γ 1 γ γ 3. In (3.6) is G F een constante met dimensie massa. G F is ongeveer gelijk aan 10 5 /(m p ) GeV, als m p de massa van het proton in GeV is. De voor het muonverval relevante bijdrage aan (3.6) is dan: L G F [ ψ e γ λ (1 γ 5 )ψ νe ψνµ γ λ (1 γ 5 )ψ µ ] + h.c. (3.8) 3. De zwakke interacties en pariteit Waarom de keuze (3.7) voor de zwakke stroom? Het Fermi model, in de vorm (3.8), is een fenomenologisch model, gebaseerd op overeenkomst met het experiment. A priori is de meest algemene vier-fermion interactie voor het muonverval, die invariant is onder beperkte Lorentz transformaties, van de vorm: L I ψ e O I (a + bγ 5 )ψ νe ψνµ O I ψ µ + h.c. (3.9) met I = S, V, T, A, P en O I : O S = I scalair, O V = γ λ vector, O T = [γ λ, γ ρ ] tensor, O A = γ λ γ 5 axiale vector, O P = γ 5 pseudoscalair. De keuze (3.8) wordt daarom het V-A model genoemd. Zoals gezegd is (3.8) invariant onder beperkte Lorentz transformaties. Dit zijn de Lorentz transformaties die continu met de eenheid zijn verbonden. Daarnaast zijn er de pariteitstransformatie, die de ruimtelijke coördinaten x i van teken verandert, en de tijdomkeertransformatie, die x 0 van teken verandert. De interactie Lagrangedichtheid (3.8) is niet invariant onder pariteitstransformaties, en de door dit model beschreven zwakke interacties behouden dus pariteit niet. Dit is in overeenstemming met de in 1956 ontdekte breking van pariteit [16, 17]. Wat breking van pariteit betekent laten we aan de hand van een voorbeeld zien. Onder een pariteitstransformatie gaat x 0 x 0, x x. Ook de richting van de impuls verandert, maar die van het impulsmoment (spin) niet. Beschouw nu het verval van een gepolariseerd muon voor (A) en na (B) een pariteitstransformatie (zie fig. 3.1). 1

22 Als pariteit behouden is, dan moet de eindtoestand van het pariteitsgetransformeerde proces (B) met dezelfde waarschijnlijkheid voorkomen als de eindtoestand bij (A). Dus als Γ(θ) de waarschijnlijkheid (ook wel vervalsbreedte genoemd) is voor het uitzenden van een electron onder een hoek θ, dan zou moeten gelden Γ(θ) = Γ(θ π). Uit experimenten is gebleken dat dit niet het geval is, pariteit is dus gebroken. Het V-A model van Feynman en Gell-Mann blijkt het verval van het muon correct te beschrijven. Figuur 3.1 Verval van een gepolariseerd muon in rust voor (A) en na (B) een pariteitstransformatie. Onder de pariteitstransformatie verandert de richting van de electronimpuls, maar de richting van de spin van het muon blijft hetzelfde. Een berekening van dit vervalsproces in het vier-fermi model levert de levensduur τ µ van het muon in rust (met m e = 0): (τ µ ) 1 = G F m5 µ 19π. (3.10) Op dimensionele gronden hadden we al kunnen bepalen dat het resultaat evenredig moet zijn met G F m5 µ. In onze eenheden heeft een levensduur dimensie massa 1. De amplitude voor het proces is evenredig met G F, de waarschijnlijkheid voor het proces dus met G F. Dan moet een factor (m µ) 5 voor de juiste dimensie zorgen. In hoofdstuk 1 hebben we al opgemerkt dat de verschillende generaties leptonen en quarks zich op dezelfde wijze gedragen, en een soort replica van elkaar zijn. Daarom verwachten we voor de vervalsbreedte van het τ-deeltje naar leptonen dat ( ) 5 Γ(τ e mτ + ν e + ν τ ) = Γ(µ e + ν e + ν µ ), m µ Γ(τ e + ν e + ν τ ) = Γ(τ µ + ν µ + ν τ ). De veronderstelling hierbij is dat G F de sterkte van alle zwakke processen bepaalt. Dit noemen we wel de universaliteit van de zwakke interacties. Dit is in goede overeenstemming met de experimentele gegevens. We verwaarlozen in de tweede van bovenstaande relaties de massa van het muon ten opzichte van die van τ-deeltje.

23 3.3 Het gedrag van het Fermi model bij hoge energie Toch is het V-A model voor de zwakke stroom (3.7) (waaraan we nog een term met τ en ν τ kunnen toevoegen) met de vier-fermion interactie (3.8) geen bevredigende theorie voor de zwakke interacties. Dat zien we bijvoorbeeld door te kijken naar het proces ν µ e ν µ e. (3.11) We kijken naar de werkzame doorsnede van dit proces. Deze heeft de dimensie van een oppervlakte. De amplitude voor dit proces is evenredig met G F, dus σ is evenredig met G F. Verder bekijken we dit proces bij hoge energie, zodat we de massa van het electron ten opzichte van de neutrinoimpuls kunnen verwaarlozen. De enige dimensievolle grootheid die overblijft is dan de neutrinoimpuls. Dus moeten gelden: σ G F k. (3.1) Dus σ neemt toe met k. Dit is in strijd met het behoud van waarschijnlijkheid. We weten dat de differentiële werkzame doorsnede geschreven kan worden als: met de verstrooiingsamplitude dσ dω = 1 k F(k, cosθ), (3.13) F(k, cosθ) = l (l + 1)f l (k)p l (cosθ). (3.14) Verder moet worden voldaan aan de unitariteitsrelatie (behoud van waarschijnlijkheid) Imf l f l (3.15) (zie [18], blz. 384). Maar uit (3.1) blijkt dat f l (k) evenredig is met k. Bij hoge impulsen wordt dus niet meer aan (3.15) voldaan. Dit gebeurt in de beurt van k 1/G F = 10 5 m p. Dus bij een energieën in de buurt van 300 GeV voldoet het Fermi model niet meer. Een alternatief is om de zwakke interacties te beschrijven met behulp van de uitwisseling van vector deeltjes, net zoals het electromagnetisme. Dat betekent dat we in de berekening van bijvoorbeeld het muonverval het Feynman diagram van de vier-fermion interactie vervangen door een diagram met uitwisseling van een geladen vectordeeltje, waarbij de interactiesterkte evenredig is met een dimensieloze koppelingsconstante g. We zien dat de factor G F bij de berekening van het diagram in feite wordt vervangen door de constante g vermenigvuldigd met de propagator van dat veld: G F g k M + iɛ, (3.16) 3

24 waarbij M de massa van het vectorveld is. Voor de vervalsbreedte betekent dat G F ( g k M ). (3.17) Figuur 3. Diagrammen voor µ-verval in de vier-fermion theorie van Fermi, en in een theorie met uitwisseling van een vector deeltje. Bij lage energie kunnen we de impuls verwaarlozen ten opzichte van M, en zien we dat ( ) g G F. (3.18) M Dit geeft voor het muon verval, waarbij de impulsen inderdaad klein zijn, hetzelfde resultaat geeft als de vier-fermion theorie. In een verstrooiingsproces bij energieën die veel groter zijn dan M moeten we echter de vervanging ( ) g G F (3.19) maken. Dat betekent dan dat (3.1) zich gedraagt als 1/k. De problemen die bij het Fermi model voor hoge energie ontstaan zijn daarmee opgelost. We kunnen natuurlijk voor allerlei processen tussen leptonen kijken naar het hoge-energie gedrag van de werkzame doorsnede. Als we eisen dat de werkzame doorsnede niet te snel groeit, kunnen we successievelijk alle ingrediënten van het GSW model achterhalen. Een dergelijke analyse is gedaan in [19, 0]. 3.4 Het massieve vectorveld Bij de beschrijving van de zwakke interacties door middel van uitwisseling van massieve vectorvelden hebben we natuurlijk de propagator van dergelijk velden nodig. k 4

25 De theorie van massieve vectorvelden staat bijvoorbeeld beschreven in [1]. Voor een massief vectorveld V µ gaan we uit van de Lagrangedichtheid: met: L = 1 4 F µνf µν + 1 m V µ V µ, (3.0) F µν = µ V ν ν V µ. (3.1) De massaterm in L is hier zo gekozen dat de ruimtelijke componenten positief bijdragen aan de Hamiltondichtheid. De bewegingsvergelijking is: Contractie met ν geeft: ν ( µ V µ ) µ µ V ν m V ν = 0. (3.) zodat de bewegingsvergelijking vereenvoudigd tot: ν V ν = 0, (3.3) V µ + m V µ = 0. (3.4) Dus elk van de componenten van het vectorveld voldoet aan de Klein-Gordon vergelijking. Merk op dat de Lorentz conditie (3.3) hier een onderdeel van de bewegingsvergelijking is (als m 0!) en niet een ijkconditie. Quantisatie, en de bepaling van de twee-puntsfunctie (propagator) verloopt het eenvoudigst in analogie met de Maxwell-theorie. Voeg een term λ( µ V µ ) toe aan de actie, bepaal de propagator en neem vervolgens de limiet λ 0. Dit geeft voor de twee-puntsfunctie: i [ g ρσ k m + iɛ k ρk σ m 1 k m + iɛ ]. (3.5) De laatste term in (3.5) is evenredig met de impulsen van de propagator. In het geval dat het massieve vectorveld alleen interacties heeft van de vorm L int V µ j µ met µ j µ = 0, (3.6) zal deze laatste term niet bijdragen bij de berekening van diagrammen. Dan blijft effectief dus alleen de eerste term in (3.5) over. Dit is wat we gekregen zouden hebben in de limiet λ 1. 5

26 4 Het GSW-model: zwakke interacties van leptonen In de vorige sectie hebben we duidelijk gemaakt dat het invoeren van massieve vectorvelden in de theorie van de zwakke interacties onvermijdelijk is, als we zwakke processen ook bij hoge energieën goed willen beschrijven. Bij het invoeren van vectorvelden zullen we uitgaan van locale ijkinvariantie. Een Yang-Mills theorie voor de zwakke interacties is in de jaren zestig geconstrueerd door Glashow, Salam en Weinberg [, 3, 4, 5]. In dit hoofdstuk zullen we het lepton gedeelte van dit model construeren. 4.1 De symmetrie van de zwakke interacties We zullen ons beperken tot leptonen van de eerste generatie, dat wil zeggen, het electron en het electronneutrino. De zwakke stroom is dan (3.7) j µ = ψ ν γ µ (1 γ 5 )ψ e. (4.1) Laten we eerst de rol van de matrix γ 5 duidelijker maken. Omdat (γ 5 ) = 1, kunnen we met γ 5 twee projectieoperatoren maken: Deze projectieoperatoren voldoen aan P ± = 1 (1 ± γ5 ). (4.) P + P = 0, P ± = P ±, P + + P = I. (4.3) De spinoren P ± ψ zijn eigenspinoren van γ 5 met eigenwaarde ±1. De gebruikelijke nomenclatuur is ψ L = P ψ, ψ R = P + ψ, (4.4) waarbij de labels L(R) voor links(rechts)-handig staan. Deze naamgeving is geinspireerd op het feit dat de richting van spin en impuls van ψ L(R) volgens een linksdraaiende (rechtsdraaiende) schroefbeweging met elkaar samenhangen. Merk op dat in de zwakke stroom alleen het linkshandig deel van het electron en het neutrino voorkomt. Voor het electron speelt het rechtshandig deel wel een rol in de electromagnetische stroom, zodat voor het electron essentieel beide handigheden voorkomen. Het neutrino heeft echter alleen zwakke interacties, en dat De handigheid van een fermion wordt ook wel chiraliteit genoemd. Als een fermion een specifieke chiraliteit heeft, spreken we van een chiraal fermion. 6

27 betekent dat het rechtshandig deel zich op geen enkele manier manifesteert 3. We zullen dan ook veronderstellen, dat het rechtshandig neutrino niet bestaat. Deze veronderstelling over het neutrino moet dan wel in overeenstemming zijn met Lorentz invariantie, met andere woorden, een spinor moet zijn handigheid behouden onder een Lorentz transformatie. Het is gemakkelijk in te zien dat de projectie-operatoren commuteren met infinitesimale Lorentz transformaties, die op fermionen de vorm S = I iɛµν [γ µ, γ ν ] hebben. De eigenwaarde van γ 5 is dus invariant onder beperkte (met de eenheid verbonden) Lorentz-transformaties. Is de handigheid van een spinor ook invariant onder de dynamica van de Diracvergelijking? Dan moet gelden We vinden dat (i m)γ 5 ψ = 0 als (i m)ψ = 0. (4.5) (i m)γ 5 ψ = γ 5 (i + m)ψ, (4.6) zodat alleen voor m = 0 een spinor zijn handigheid behoudt. Dit betekent dat alleen massaloze spinoren een vaste handigheid kunnen hebben. Het neutrino is inderdaad massaloos, en we kunnen dus veilig stellen dat het rechtshandig deel van het neutrino niet bestaat. Na deze lange discussie over de handigheid van fermionen kunnen we nu de ladingen behorend bij de zwakke stroom analyseren. De ladingen behorend bij (4.1) zijn: T + = 1 d 3 xj 0 = d 3 xψ ν,l ψ e,l, (4.7) T = T + = d 3 xψ e,lψ ν,l. (4.8) Zoals we in sectie (1.1) gezien voldoen de ladingen aan dezelfde commutatierelaties als de generatoren van de symmetriegroep. We berekenen dus: [T +, T ] = T 3, (4.9) met: T 3 = 1 d 3 x (ψ ν,lψ ν,l ψ e,lψ e,l ). (4.10) De stromen die horen bij T ± noemen we de geladen zwakke stromen 4 en de stroom bij T 3 de neutrale zwakke stroom. Verder is er voor de leptonen natuurlijk ook nog 3 Behalve eventueel door de zwaartekracht. Ook massaloze deeltjes hebben energie en impuls, en in de algemene relativiteitstheorie manifesteren energie- en impuls-dichtheden zich door een bijdrage aan de zwaartekracht. 4 Geladen omdat [Q, T ± ] 0. Deze ladingen en stromen transformeren dus onder de transformaties van het electromagnetisme, en hebben dan ook een electrische lading. 7

28 een behouden electrische lading: Q = d 3 xψ eψ e = d 3 x (ψ e,lψ e,l + ψ e,rψ e,r ), (4.11) en een behouden lading die hoort bij het leptongetal L e : Q L = d 3 x (ψ ν,lψ ν,l + ψ e,lψ e,l + ψ e,rψ e,r ). (4.1) De ladingen T ±, T 3 en Q vormen een gesloten algebra met: [T ±, T 3 ] = T ±, [T ±, Q] = T ±, [T 3, Q] = 0, (4.13) terwijl alle ladingen commuteren met Q L. We voeren nu in: Deze ladingen voldoen aan: Q 1 = 1 (T + + T ), Q = 1 i (T + T ), Q 3 = T 3, Y = (Q T 3 ). (4.14) [Q a, Q b ] = iɛ abc Q c, [Y, Q a ] = 0, (4.15) terwijl Q L natuurlijk met Q a, Y commuteert. We zien dat de onderliggende structuur SU() U(1) U(1) is, met Q a de generatoren van SU(), Y en Q L die van de twee U(1) groepen. Zijn de ladingen wel behouden? Oftewel, geldt µ j µ = 0 voor de bijbehorende stromen? Bij het bewijs van ladingsbehoud hebben we de Dirac vergelijking voor de fermion velden nodig, en op grond van onze discussie over chiraliteit en de Dirac vergelijking is het duidelijk dat de ladingen alleen voor m e = 0 behouden zijn. We stellen daarom in eerste instantie de massa van het electron gelijk aan nul, we zullen in het volgende hoofdstuk zien hoe we op een ijkinvariante manier een electronmassa kunnen introduceren. We kunnen het kinetisch deel van de actie nu schrijven als: L = ψ e,l i ψ e,l + ψ e,r i ψ e,r + ψ ν,l i ψ ν,l. (4.16) We voeren nu in het doublet: ψ L = ( ψν ψ e ) L, (4.17) 8

29 zodat (4.16) wordt: L = ψ L i ψ L + ψ e,r i ψ e,r. (4.18) Deze notatie maakt ook de SU() U(1) structuur duidelijk: in het doublet ψ L werkt SU() en de U(1) factor Y, in het singlet (van SU()) ψ e,r alleen Y. De eigenwaarden zijn van Y = (Q T 3 ) (de zwakke hyperlading) voor de verschillende deeltjes zijn: Y (e L ) = Y (ν L ) = 1 ; Y (e R ) =. (4.19) Alle deeltjes hebben als eigenwaarde van Q L +1, alle anti-deeltjes Zwakke interacties en locale symmetrie De actie (4.18) is invariant is onder SU() U(1) U(1) transformaties. Van een deel van deze symmetrieën willen we locale symmetrieën maken. Bij de locale symmetriegroep moet in elk geval de symmetrie gegenereerd door Q zijn, en, gezien onze ervaringen in sectie (3.3), ook de symmetrie gegenereerd door de ladingen die bij de zwakke stroom horen. Q L commuteert met al deze ladingen, en kan dus afzonderlijk behandeld worden. We zullen ervoor kiezen, de SU() U(1) symmetrie gegenereerd door Q a en Y locaal te maken, en het leptongetal als globale symmetrie te handhaven. De reden voor deze laatste beslissing is, dat er geen enkele aanwijzing is voor een extra kracht die werkt tussen deeltjes met hetzelfde type leptongetal. We zullen dus van SU() U(1) een locale symmetrie maken door ijkvelden in te voeren. Dit gaat op de standaard manier. Voor SU() voeren we drie ijkvelden A a µ in en voor U(1) één ijkveld B µ. De leptonvelden transformeren als volgt onder infinitesimale transformaties We voeren nu covariante afgeleiden in: δψ L = i τ ɛ ψ L + 1 iα ψ L, δψ e,r = 0 +iα ψ e,r. (4.0) D µ ψ L = ( µ ig τ A µ + 1 ig B µ )ψ L, D µ ψ e,r = ( µ + ig B µ )ψ e,r. (4.1) Hier zijn g en g onafhankelijke dimensieloze koppelingsconstanten. Het transformatiekarakter van de ijkvelden is dan af te lezen uit de resultaten in sectie (.3). De actie met locale ijkinvariante wordt nu: L = ψ L iγ µ D µ ψ L + ψ e,r iγ µ D µ ψ e,r. (4.) Naast de kinetische termen hebben we dus interactietermen tussen de leptonen en de ijkvelden: ga a µ ψ L γ µ τ a ψ L 1 g B µ ψl γ µ ψ L g B µ ψe,r γ µ ψ e,r. (4.3) 9

30 Als we dit uitschrijven dan zien we dat A 1 µ ± ia µ koppelen aan de geladen zwakke stromen, en A 3 µ en B µ aan neutrale stromen. We voeren nu in de velden A µ (het foton) en Z µ (het zwakke neutrale vectorboson), die een combinatie van A 3 µ en B µ moeten zijn. Daartoe gaan we uit van de neutrale bijdragen aan (4.3): ( 1 ga3 µ 1 g B µ ) ψ ν,l γ µ ψ ν,l ( 1 ga3 µ + 1 g B µ ) ψ e,l γ µ ψ e,l g B µ ψe,r γ µ ψ e,r. (4.4) We weten dat het neutrino niet aan het foton koppelt, zodat moet gelden: 1 ga3 µ 1 g B µ = c 1 Z µ, 1 ga3 µ 1 g B µ = c Z µ ea µ, g B µ = c 3 Z µ ea µ, (4.5) waarbij c 1, c en c 3 te bepalen constanten zijn. Kijk tevens naar de kinetische termen: 1 4 F µν(a) a F µν (A) a 1 4 F µν(b)f µν (B). (4.6) We willen dat de normering van het foton zo is dat we 1 4 F µνf µν krijgen, en verder willen we geen koppeling ( µ A ν )( µ Z ν ), want het foton koppelt niet aan neutrale deeltjes. Dan moeten de paren (A 3 µ, B µ ) en (Z µ, A µ ) door middel van een rotatie samenhangen: A 3 µ = cosθz µ + sin θa µ, B µ = sin θz µ + cosθa µ. (4.7) De hoek θ heet de Weinberghoek. Vergelijking (4.5) en (4.7) geven nu: c 1 = g = e sin θ ; c = e cot θ ; c 3 = e tanθ ; e sin θ ; g = e cosθ. (4.8) De interactietermen (4.4), uitgewerkt in termen van A µ en Z µ, worden dan ea µ ψe γ µ ψ e e + 4 sinθ cosθ Z µ( ψ ν γ µ (1 γ 5 )ψ ν + ψ e γ µ ((4 sin θ 1) + γ 5 )ψ e ), (4.9) waarbij we alles weer in de oorspronkelijke spinoren ψ ν en ψ e geschreven hebben. Voor de geladen stromen hebben we de interactie: 1 g [ [ ] 0 A 1 ψν ψe L γµ µ ] [ ] ia µ ψν A 1 µ +. (4.30) ia µ 0 ψ e 30

31 We definiëren nu: W ± µ = 1 (A 1 µ A µ) (4.31) zodat (4.30) wordt in termen van W ± µ : = 1 e sin θ (W µ + ψ ν,l γ µ ψ e,l + Wµ ψ e,l γ µ ψ ν,l ) 1 e sin θ (W µ + ψ ν γ µ (1 γ 5 )ψ e + Wµ ψ e γ µ (1 γ 5 )ψ ν ). (4.3) Met (4.9) en (4.3) hebben we alle interacties tussen leptonen en ijkvelden bepaald. De bijbehorende kinetische termen voor de leptonen zijn tenslotte met: ψ e i ψ e + 1 ψ ν i (1 γ 5 )ψ ν. (4.33) We bekijken nu de bijdragen die alleen van de ijkvelden afhangen: 1 4 F µν(a) a F µν (A) a 1 4 F µν(b)f µν (B) (4.34) F µν (A) a = µ A a ν νa a µ + gɛabc A b µ Ac ν, F µν (B) = µ B ν ν B µ. (4.35) Ook dit willen we schrijven in termen van W ±, Z µ en A µ. We herschrijven eerst: met: F µν (A) 1 F µν (A) 1 + F µν (A) F µν (A) = (F µν (A) 1 + if µν (A) )(F µν (A) 1 if µν (A) ) (4.36) F µν (A) 1 + if µν (A) = µ (A 1 ν + ia ν ) ν(a 1 µ + ia µ ) +g (A µa 3 ν A 3 µa ν) + ig(a 3 µa 1 ν A 1 µa 3 ν) = ( µ W ν νw µ ) + (iga 3 µ W ν iga3 ν W µ ) = [ µ W ν ν W µ + ie sin θ (cosθz µ + sin θa µ )W ν ie sin θ (cosθz ν + sin θa ν )W µ ] = [( µ + iea µ )W ν ( ν + iea ν )W µ +ie cot θ(z µ W ν Z ν W µ )]. (4.37) 31

32 Merk op dat we keurig de covariante afgeleide voor een geladen deeltje met de lading van het electron terugvinden: daarom ook de notatie W µ ±. Verder geldt: en: F µν (A) 3 = cosθ( µ Z ν ν Z µ ) + sin θ( µ A µ ν A µ ) ie sin θ (W + µ W ν W µ W + ν ), (4.38) F µν (B) = sin θ( µ Z ν ν Z µ ) + cosθ( µ A ν ν A µ ). (4.39) Met behulp van bovenstaande relaties schrijven we nu (4.34) uit. Het resultaat is: 1 4 F µν(a)f µν (A) 1 4 ( µz ν ν Z µ ) 1 (D µw ν D νw µ )(Dµ W ν+ D ν W µ+ ) + 1 ie cot θ ((D µw ν D νw µ )(Zµ W ν+ Z ν W µ+ ) h.c.) 1 e cot θ (Z µ W ν Z νw µ )(Zµ W ν+ Z ν W µ+ ) + 1 ie cot θ ( µz ν ν Z µ )(W µ+ W ν W µ W ν+ ) + 1 ie ( µa ν ν A µ )(W µ+ W ν W µ W ν+ ) + e 4 sin θ (W + µ W ν W µ W + ν )(W µ+ W ν W µ W ν+ ). (4.40) Hiermee hebben we nu een model dat, behalve de zwakke interacties tussen leptonen, een hele verzameling nauwkeurig voorgeschreven interacties tussen de W- en Z-bosonen en het foton beschrijft. Bovenstaande interacties kunnen triviaal worden uitgebreid tot de andere generaties leptonen. Figuur 4.1 Feynman diagram voor het verstrooiingsproces ν µ e ν µ e. Dit experiment kan gedaan worden met aan een atoom gebonden electronen. Kenmerk voor de neutrale stroom is dat in de eindtoestand geen muon voorkomt. Dit model voor de zwakke interacties van leptonen beschrijft natuurlijk in de eerste plaats de gebruikelijke zwakke interacties door de geladen stroom, zoals het muonverval (zie fig. 3., het vectordeeltje is het W boson). Voor de ontdekking van het GSW-model waren alleen de geladen zwakke interacties bekend. Via de commutatierelaties tussen de ladingen van de geladen stroom hebben we gezien dat 3

33 het bestaan van een neutrale zwakke stroom, en het bijbehorend ijkveld, onvermijdelijk is. Er zijn ook processen waarbij alléén de neutrale stroom voorkomt, zoals ν µ e ν µ e, een proces dat we al kort in sectie (3.3) tegenkwamen (zie fig. 4.1). Neutrale stromen werden voor het eerst ontdekt [6] in 1973, in het proces ν µ N ν µ N, waarbij N voor een nucleon staat. Dit vormde een belangrijke steun in de rug van het GSW-model. Het is op grond van deze experimentele bevestiging dat aan Glashow, Salam en Weinberg in 1979 de Nobelprijs werd toegekend. In (4.40) zien we een grote verzameling drie- en vier-punts interacties tussen W en Z bosonen onderling, en met het foton. Merk nog op, dat er een interactie tussen fotonen en W-bosonen is, die niet de vorm van een gewone covariante afgeleide heeft. Dit is de term waarin F µν (A) wisselwerkt met het W-boson. Koppelingen van F µν (A) aan fermionen zijn niet mogelijk zonder dat een nieuwe, dimensievolle koppelingsconstante wordt ingevoerd, met geladen vectorvelden kunnen dergelijke koppelingen echter wel bestaan. 33

34 5 Het GSW-model: de massa van ijkvelden en fermionen In het vorige hoofdstuk besproken model werken we met massaloze vectorvelden en massaloze leptonen. Dit was nodig om een ijkinvariant model met de bekende zwakke interacties te construeren. Massa-termen in de actie breken immers ijkinvariantie, de theorie van een massief vectorveld, L = 1 4 F µν(v )F µν (V ) + 1 m V µ V µ (5.1) is niet ijkinvariant. We moeten dus op een ijkinvariante manier massa s invoeren. Een methode om dat te realiseren werd in de jaren zestig ontwikkeld. Vooral de namen van Goldstone [7] en Higgs [8, 9] zijn daaraan gekoppeld, alhoewel in dezelfde periode dit mechanisme onafhankelijk ook door anderen werd ontdekt [30, 31, 3]. 5.1 De stelling van Goldstone Er zijn tenminste twee manieren om de symmetrie van een model te breken. De eerste, vanzelfsprekende, is door het toevoegen van een niet-invariante term aan de actie. Dit wordt expliciete symmetriebreking genoemd. De tweede manier doet zich voor als de actie weliswaar invariant is, maar de grondtoestand niet. We hebben tot nu toe nog steeds verondersteld, dat de grondtoestand geannihileerd wordt door de generatoren (ladingen) van de symmetriegroep: Q a 0 = 0, (5.) en daarop de consequenties van de symmetrie voor Green functies gebaseerd. Is aan (5.) niet voldaan voor alle ladingen Q a, dan spreken we van spontane symmetriebreking. Een consequentie van spontane symmetriebreking ligt in de stelling van Goldstone: voor elke generator Q a die het vacuum niet annihileert, is er een massaloze toestand (een Goldstone boson) in het model aanwezig. We geven een schets van het bewijs (zie [7, 30], en ook [7], sectie (5.3)). We gaan uit van een stroom j µ die voldoet aan µ j µ = 0; Q = d 3 xj 0 is de bijbehorende lading. Een veld φ transformeert onder infinitesimale transformaties gegenereerd door Q als: Verder weten we: φ(x) φ (x) = e iɛq φ(x)e iɛq = φ(x) + iɛ[q, φ(x)] +... (5.3) 0 = d 3 x [ µ j µ (x, t), φ(0)] = 0 d 3 x [j 0 (x, t), φ(0)] + randtermen = d [Q, φ(0)] = 0, (5.4) dt 34

35 waarbij we veronderstellen dat de randtermen nul zijn. Veronderstel nu dat Q 0 0, zodat: 0 [Q, φ(0)] 0 η 0. (5.5) Hieruit kunnen we het volgende afleiden: η = n = n = n = n = n 0 Q n n φ(0) 0... d 3 x 0 j 0 (x, t) n n φ(0) 0... d 3 x 0 e ip x j 0 (0)e ip x n n φ(0) 0... d 3 x e +i P n x 0 j 0 (0) n n φ(0) 0 e ient... δ 3 ( p n )(π) 3 { 0 j 0 (0) n n φ(0) 0 e ient 0 φ(0) n n j 0 0 e +ient }. (5.6) Het linkerlid is onafhankelijk van t en ongelijk aan nul. Dit kan alleen als er een intermediaire toestand n is met E n = 0 voor p n = 0, dus een massaloze toestand. Een klassiek voorbeeld van spontane symmetriebreking doet zich voor in het volgende veldentheoretisch model: met: L = 1 ( λσ) + 1 ( λπ) V (σ + π ), (5.7) V (x) = 1 µ x λx. (5.8) Merk op dat, in tegenstelling tot wat we gewend zijn, het teken van de massaterm in de Lagrangedichtheid positief is. Wel is de potentiaal, voor λ > 0, van onder begrensd. Dit model heet een σ-model en is bekend als een fenomenologisch model voor de beschrijving van π-mesonen [33]. Het model is invariant onder O() rotaties van [ σ π ] : [ σ π ] [ σ De potentiaal V (x) heeft een extremum voor: π ] = [ cosθ sin θ sin θ cosθ 1 µ + 1 µ λx x = λ = v ] [ σ π ]. (5.9) σ + π = µ λ. (5.10) 35

36 De minima corresponderen met punten op een cirkel met straal (µ /λ) 1/, die aan elkaar gerelateerd zijn door O() rotaties. Als we een keuze maken voor één van deze punten, breken we daarmee de symmetrie. Dit is het verschijnsel dat bekend staat onder de naam spontane symmetriebreking. We kiezen: 0 σ 0 = v; 0 π 0 = 0. (5.11) Vervolgens voeren we een herdefinitie van de velden in: en berekenen opnieuw de lagrangedichtheid 5 : σ = σ v; π = π, (5.1) L = 1 ( λσ ) + 1 ( λπ ) λv σ λvσ (σ + π ) 1 4 λ(σ + π ). (5.13) We zien dat het veld σ massa λv = µ heeft, nu met het gebruikelijke teken. Het veld π is massaloos, het is het Goldstone boson van het σ-model. Merk op dat de Lagrangedichtheid (5.13) nog steeds invariant is onder de transformaties (5.9), mits we deze uitdrukken in de nieuwe velden σ en π. Spontane symmetriebreking behoudt de symmetrie van de actie! In termen van σ en π geven infinitesimale transformaties (5.9): δσ = θπ, δπ = θσ θv, (5.14) zodat het Goldstone boson verschoven wordt met een constante θv. De waarde van π in de grondtoestand wordt door de transformaties inderdaad niet behouden. 5. Het Higgs-mechanisme In veldentheoretische modellen met locale symmetrie en spontane symmetriebreking kan zich een ander verschijnsel voordoen: het Higgs-mechanisme. We zullen dit toelichten aan de hand van het volgende voorbeeld: L = (D µ φ) D µ φ + µ φ φ λ(φ φ) 1 4 F µνf µν, (5.15) 5 Voor de berekening van de potentiaal in de nieuwe variabelen is het handig als volgt te werk te gaan: V (x) = V (x 0 ) + (x x 0 )V (x 0 ) + 1 (x x 0) V (x 0 ) = const (x v ) λ = const λ(σ + π v ) = const. + λ 4 (σ + π + vσ ). 36

37 met: Dit model heeft locale ijkinvariantie: D µ φ = ( µ iga µ )φ, F µν = µ A ν ν A µ. φ φ = e iα(x) φ, A µ A µ = A µ 1 g µα(x). (5.16) De grondtoestand wordt bepaald door het minimum van de potentiaal. Dit ligt bij (x = φ φ): x 0 = 1 µ /λ = 1 v met v = µ /λ. (5.17) Ook in dit model is dus sprake van spontane symmetriebreking. In termen van reële velden φ 1 en φ (φ = (φ 1 + iφ )/ ) kiezen we voor de grondtoestand Opnieuw herdefiniëren we de velden: 0 φ 1 0 = v, 0 φ 0 = 0. (5.18) φ 1 = φ 1 v, φ = φ. (5.19) De potentiaal ontwikkelen we net als in het vorige voorbeeld, en het lijkt er dan weer op dat φ een massaloos Goldstone boson wordt. De ontwikkeling van de kinetische term levert nu echter een verrassing: D µ φ = 1 (( µφ 1 + ga µ φ ) + ( µ φ ga µ φ 1 ) ) = 1 (( µφ 1 + ga µφ ) + ( µ φ ga µφ 1 ) gva µ ( µ φ ga µ φ 1) + g v A µ A µ ). (5.0) De laatste term is een massaterm voor het ijkveld A µ! De actie bevat echter ook een term gva µ µ φ, die een interpretatie van de velden φ en A µ belemmert. Daarom is het handiger de herdefinitie op een andere manier uit te voeren. In plaats van met φ 1 en φ kunnen we φ ook als volgt parametriseren met η en ξ: φ = 1 (v + η(x)) exp ( ) iξ(x) v = 1 (v + η + iξ +...). (5.1) 37

38 Alleen voor kleine η en ξ komen de twee parametrisaties overeen. We herdefiniëren de velden opnieuw: φ ( = exp iξ(x) ) φ = 1 (v + η(x)), v B µ = A µ 1 gv µξ(x). (5.) Dit heeft de vorm van een ijktransformatie, dus vinden we: ( D µ φ = exp +i ξ(x) ) D µ (B)φ v ( oftewel: = exp +i ξ v ) 1 ( µη igb µ (η + v)), (5.3) D µ φ = 1 µη igb µ (v + η). (5.4) De Lagrangedichtheid (5.15) wordt dan in termen van de nieuwe velden: L = 1 ( µη)( µ η) µ η 1 4 F µν(b)f µν (B) + 1 g v B µ B µ + 1 g B µ B µ η(v + η) λvη λη4. (5.5) De Lagrangedichtheid (5.5) heeft de volgende opmerkelijke eigenschappen: 1. Het veld ξ is verdwenen.. η is een massief scalair veld met massa µ. 3. B µ is een massief vectorveld met massa gv. Zo te zien is er geen Goldstone boson meer. Het veld A µ had twee vrijheidsgraden (polarisatierichtingen), en de velden φ 1 en φ elk één, in totaal waren er dus vier vrijheidsgraden. Nu hebben we een veld η en een massief vector B. Het massieve vectorveld heeft het Goldstone boson geabsorbeerd heeft en er een longitudinale polarisatierichting bij gekregen. Dit mechanisme staat bekend als het Higgs-mechanisme, en we zullen het gebruiken om massa s in te voeren in het GSW-model. De laatste vraag is natuurlijk, wat er nu gedaan is om de stelling van Goldstone te omzeilen. In aanwezigheid van locale symmetrie en ijkvelden moeten we subtieler werken met de eigenschappen van fysische toestanden dan we in sectie (5.1) gedaan hebben. In het bijzonder moeten we het Gupta-Bleuler mechanisme toepassen, en daarmee toestanden van negatieve norm verwijderen. Toestanden met norm nul kunnen dan nog overblijven, maar dragen niet bij aan de verwachtingswaarde van observabelen. Bij het bewijs van de stelling van Goldstone is impliciet uitgegaan van de afwezigheid van toestanden met norm nul. 38

39 5.3 Massa in het GSW-model We gaan nu het Higgs-mechanisme toepassen in ons model voor de zwakke en electromagnetische interacties van leptonen. Daarbij moeten we voorzichtig te werk gaan, omdat één van de vier ijkvelden, het foton, massaloos moet blijven. Dit betekent dat de symmetrie behorend bij één van de symmetriegeneratoren, Q, niet gebroken mag worden. Dus we moeten SU() U(1) breken tot U(1), waarbij de ongebroken symmetrie gegenereerd wordt door Q = 1 Y + T 3. Om te beginnen moeten we het GSW-model aanvullen met scalaire velden. We kiezen een doublet van complexe scalaire velden: φ = ( φ + φ 0 ), Y (φ) = 1. (5.6) De namen van de twee componenten hangt natuurlijk samen met hun electrische lading. Als Lagrangedichtheid kiezen we waarbij: L φ = (D µ φ) D µ φ V (φ), (5.7) D µ φ = ( µ ig τ A µ 1 ig B µ )φ (5.8) V (φ) = µ φ φ + λ(φ φ). (5.9) Bovendien voeren we een ijkinvariante koppeling tussen de leptonen en φ in: L Y = f e ψl φ ψ R,e + h.c.. (5.30) Een dergelijke koppeling wordt wel een Yukawa-koppeling genoemd. Deze interactieterm is invariant onder SU()- en Y -transformaties. Vanwege de vorm van (5.9) treedt ook hier spontane symmetriebreking op. We kunnen voor de grondtoestand kiezen: 0 φ 0 = ( 0 1 v ). (5.31) We zien dat door deze keuze de symmetrie gegenereerd door Q niet gebroken wordt. We voeren de herdefinitie weer uit zoals in het vorige voorbeeld: ( ) φ(x) = U 1 0 (ξ) 1, (5.3) (v + η) met: U(ξ) = exp ( i ξ τ/v ). (5.33) 39

40 We parametriseren φ + en φ 0 (samen vier reële velden) dus als ξ i (i = 1,...,3) en η. De vacuumverwachtingswaarde van ξ i en η is nul. We nemen nu: ( ) φ 0 = U(ξ)φ = 1, (5.34) (v + η) en herdefiniëren de ijkvelden met dezelfde transformatie. Voor de covariante afgeleide van φ geeft dit: ( ) (D µ φ) = ( µ ig τ A µ ig B µ ) 0, (5.35) 1 (v + η) waarbij: A µ τ = U(ξ) A µ τ U 1 (ξ) i g ( µu(ξ))u 1 (ξ), B µ = B µ, ψ L = U(ξ)ψ L, ψ e,r = ψ e,r. (5.36) We werken nu het effect van deze transformatie verder uit. Om te beginnen kijken we naar de Yukawa-interactie tussen φ en de leptonen. In termen van de geherdefiniëerde velden wordt dit: L Y = f e ψ L φ ψ e,r = 1 f e ψ e,l ψ e,r η + 1 vf e ψ e,l ψ e,r + h.c. = 1 f e ψ e ψ e η + 1 vf e ψ e ψ e. (5.37) We zien dat er een massaterm voor het electron ontstaat, en een interactie tussen de electronen en η. De potentiaal V (φ ) kan worden uitgeschreven als: V (φ ) = µ η + λvη λη4. (5.38) We zien dat er een massaterm voor het veld η optreedt. Tenslotte de termen met de covariante afgeleide (D µ φ). Van de covariante afgeleide blijft het volgende over: (D µ φ) = 1 [ 1 ig(a1 µ ia µ µ η + 1 iga3 µ (v + η) 1 ig B µ en in de kinetische term voor de scalaire velden levert dat: ] )(v + η), (5.39) (v + η) (D µ φ ) D µ φ = 1 ( µη) + e 4 sin θ W µ + W µ (v + η) + 8 sin θ cos θ (Z µ ) (v + η). (5.40) We geven een overzicht van het resultaat: e 40

41 1. De velden ξ i zijn verdwenen.. η is een reëel scalair veld met massa µ. Het veld η noemen we het Higgs boson. 3. De termen kwadratisch in het electronveld zijn nu: dus er is een electronmassa met ψ e i ψ e + 1 vf e ψe ψ e, (5.41) m e = 1 vf e. (5.4) Het neutrino is massaloos. Er is ook een interactieterm tussen η en ψ e, met koppeling: 1 f e = m e v. (5.43) De interactiesterkte is evenredig met de electronmassa. 4. De massa van de vectorbosonen kunnen we aflezen uit (5.40). De vorm van de massatermen is M WW + µ W µ + 1 M ZZ µ Z µ, (5.44) zodat we concluderen dat M W = 1 4 g v = 1 4 v e 1 sin θ, (5.45) M Z = 1 4 v e 1 cos θ sin θ. (5.46) Daarmee is het gelukt zowel fermionen als ijkbosonen een massa te geven. Merk op dat onze discussie van het Higss-mechanisme en het genereren van de massa-termen zich op klassiek niveau afspeelt. Belangrijk is bijvoorbeeld of de quantumtheorie van het model dat we hier besproken hebben renormaliseerbaar is, zodat we in de storingstheorie eindige resultaten voor Green functies kunnen afleiden. Daarbij dient te worden opgemerkt, dat de veldentheorie van een massief vectorveld, met ad hoc interactietermen met andere velden, in het algemeen niet renormaliseerbaar is. Lange tijd was dit dan ook een groot bezwaar tegen het GSW model, en tevens de reden dat de artikelen van GSW in eerste instantie weinig aandacht trokken. De eerste belangrijke stap op weg naar de aanvaarding van het GSW model was het bewijs dat Yang-Mills theorie zelf, met massaloze ijkvelden, renormaliseerbaar is [34]. Vervolgens kan men concluderen, dat in het geval van spontane symmetriebreking de resulterende actie nog steeds ijkinvariant is, zodat 41

42 de Ward identiteiten die op grond van ijkinvariantie kunnen worden afgeleid in Yang-Mills theorie nog steeds gelden. Dit bleek voldoende om vervolgens ook de renormaliseerbaarheid van het GSW-model aan te tonen [35]. Na het bewijs van t Hooft werd het GSW-model in korte tijd algemeen aanvaard. Naast de theoretische discussie die we in dit hoofdstuk hebben gegeven is het natuurlijk belangrijk in te gaan op de experimentele consequenties van het GSW-model. Dat zullen we doen nadat we in het volgende hoofdstuk het model hebben uitgebreid tot de quarks. 4

43 6 Het GSW-model: quarks en de zwakke interacties Naast de leptonen hebben we als elementaire deeltjes de quarks. Alle baryonen en mesonen, de sterk wisselwerkende deeltjes, zijn uit quarks opgebouwd. Daarnaast hebben deze baryonen en mesonen ook zwakke interacties, die in het GSW-model terug te voeren zijn tot de zwakke interacties van de quarks. Ter voltooiing van de structuur van het GSW-model zullen we nu eerst de zwakke interacties van quarks bespreken, en pas in een later stadium ingaan op de manier waarop de sterke interacties tot stand komen. In dit hoofdstuk zullen we de fermionen aangeven met de naam van het deeltje, dus we gebruiken u L in plaats van ψ L,u, etc. 6.1 De eerste generatie Het doel van dit hoofdstuk is het invoeren van de quarks in het GSW-model. Er zijn drie generaties quarks, te weten (u, d), (c, s) en (t, b). We zullen ons eerst tot de eerste generatie beperken. We gaan op dezelfde wijze te werk als met de leptonen, dus we veronderstellen eerst dat de quarks massaloze deeltjes zijn. We splitsen de quarkvelden weer op in een links- en rechtshandig deel. Het is een experimenteel gegeven dat in de geladen stromen alleen linkshandige componenten voorkomen. Dit betekent dat alleen het linkshandig deel van de quarkvelden onder SU() hoeft te transformeren. We hebben dus: [ ] u q L, u d R, d R, (6.1) L waarbij u R en d R singlets onder SU() zijn. Aangezien uiteindelijk beide quarks massief zijn, moeten we vanaf het begin beide rechtshandige componenten meenemen. Dit is het voornaamste verschil tussen de lepton- en de quark-sector van het GSW-model. De eigenwaarden van de zwakke hyperlading Y = (Q T 3 ) zijn: Y (u L ) = Y (d L ) = 1 3, Y (u R) = 4 3, Y (d R) = 3, (6.) zodat voldaan is aan Q(u) =, Q(d) = 3 1. Deze ladingen volgen uit de quarkstructuur van de hadronen, we zullen hierop nog terugkomen als we de sterke interacties 3 behandelen. We beginnen met een actie voor massaloze deeltjes: L = q L i q L + ū R i u R + d R i d R. (6.3) Dit is invariant onder globale SU() U(1) transformaties. De overgang naar locale symmetrie vereist weer het invoeren van een covariante afgeleide: D µ q L = ( µ ig τ A µ 1 6 ig B µ )q L, 43

44 D µ u R = ( µ 3 ig B µ )u R, D µ d R = ( µ ig B µ )d R. (6.4) Hiermee liggen de interacties tussen ijkvelden en quarks vast. In hoofdstuk 3 hebben we g, g, Aµ en B µ al uitgedrukt in e, θ, W ± µ, Z µ en A µ, dus voor de quarks hoeven we alleen nog maar het één en ander verder uit te werken. Na enig rekenwerk zien we dat de interactietermen van de volgende vorm zijn: + e 3 ūγµ ua µ 1e dγ µ da 3 µ e + 4 sin θ cos θ Z µ(ūγ µ (1 8 3 sin θ γ 5 )u + dγ µ ( sin θ + γ 5 )d) e + sin θ (ūγµ (1 γ 5 )d W µ + + dγ µ (1 γ 5 )u Wµ ). (6.5) Dit geeft de gebruikelijke interacties met het foton, een neutrale stroom, en de verwachte koppeling van het W-boson aan de geladen stroom. Het verval van het neutron kunnen we nu beschrijven met het diagram in fig Hier gaat één van de d-quarks in het neutron over in een u-quark, onder uitzending van een W -boson. Figuur 6.1 Feynman diagram voor het verval van het neutron. Om massa s voor de quarks te genereren zullen we weer de fermionen aan scalaire velden koppelen in de vorm van een Yukawa koppeling. De Y -eigenwaarde van het Higgs doublet is Y = +1, zodat de volgende SU() U(1) invariante koppeling gemaakt kan worden: f d q L φ d R, (6.6) waarmee na spontane symmetriebreking het d-quark een massa krijgt. Nu moet het u-quark nog een massa krijgen. Daartoe beschouwen we het doublet φ = iσ φ. (6.7) Vanwege de conjungatie heeft dit Y = 1. Verder is het inderdaad een doublet onder SU() als φ een doublet is: φ = iσ (φ ) = iσ U φ = iuσ φ 44

45 = U φ, (6.8) omdat σ U σ = U. Hier maken we dus gebruik van het feit dat voor SU() de representaties U en U equivalent zijn (zie Appendix A). We kunnen dus twee Yukawa termen construeren: f d q L φ d R + f u q L φur. (6.9) Als we nu voor φ φ = ( 0 1 (η + v) ) (6.10) nemen vinden we de volgende massa- en interactietermen voor de quarks: η (f d dd + fu ūu) + 1 v (f d dd + fu ūu), (6.11) op dezelfde wijze als bij de leptonen. Voor de massa s van de quarks vinden we dus m q = vf q, (6.1) zodat de interactiesterkte tussen het Higgs-boson en de quarks gelijk is aan en dus het sterkst voor de zwaardere quarks. 6. Meer dan één generatie quarks en leptonen m q v, (6.13) Er is meer dan alleen de eerste generatie. Er zijn tenminste drie generaties deeltjes, met linkshandige doubletten van de vorm: l A,L = q A,L = [ ν A e A [ u A d A ] L ] L, ν = (ν e, ν µ, ν τ ), e = (e, µ, τ ),, u = (u, c, t ), d = (d, s, b ), (6.14) waarbij het label A = 1,, 3 de generatie aangeeft. Ook zijn er natuurlijk de bijbehorende rechtercomponenten. We geven hier alle velden een accent. De reden is dat we nu onderscheid moeten gaan maken tussen de zogenaamde ijk-eigentoestanden, dat wil zeggen de velden zoals we die tot nu toe gebruikt hebben, met gegeven quantumgetallen onder ijktransformaties, en massa-eigentoestanden, dus velden die op de gebruikelijke kwadratische manier met massa-termen in de Lagrangedichtheid 45

46 voorkomen. De ijk-eigentoestanden geven we een accent. Zij koppelen op de bekende manier aan de ijkvelden, en in termen van deze velden kunnen we dus de Yukawa termen toevoegen. Dit doen we nu op de meest algemene manier: f (e) AB l AL φ e BR + f (u) AB q AL φu BR + f (d) AB q AL φ d BR + h.c. (6.15) Dit geeft als massa- en interactietermen: η (f (e) AB ē ALe BR + f (u) AB ū ALu BR + f (d) d AB ALd BR) + v (f (e) AB ē ALe BR + f (u) AB ū ALu BR + f (d) AB d ALd BR) + h.c. (6.16) De massatermen zijn nu niet noodzakelijkerwijze diagonaal. De massa-matrix is: M (i) AB = v f (i) AB, i = e, u, d. (6.17) We veronderstellen dat de massa-matrix M niet-singulier is. Verder heeft M geen bijzondere eigenschappen. We zullen nu bewijzen dat M gediagonaliseerd kan worden door: S MT = M d, (6.18) waarbij S en T unitaire matrices zijn. Het bewijs gaat als volgt: MM is hermitisch, positief, en kan dus gediagonaliseerd worden met een unitaire matrix S: S (MM )S = M d = waarbij S uniek bepaald is op een matrix F van de vorm F = e iφ 1 e iφ m 1 e iφ 3 na. Er geldt immers ook (SF) (MM )(SF) = Md. Definieer nu: H = SM d S, V = H 1 M. Dan is H hermitisch en V unitair. Dit laatste zien we als volgt: V V = H 1 MM H 1 = H 1 SM d S H 1 m m 3 = H 1 SM d S SM d S H 1 = H 1 HHH 1 = I., (6.19) (6.0) 46

47 en dus: S MT = M d, (6.1) met T = V S (ook unitair!). Immers, S HS = S MV 1 S = S MV S = M d. Door op deze wijze de matrices met Yukawa koppelingen te diagonaliseren kunnen we de massa-eigentoestanden vinden. In een voorbeeld ziet dat er als volgt uit: met: ψ LM ψ R = ( ψ LS)(S MT)(T ψ R) = ψ L M d ψ R, (6.) ψ L = Sψ L, ψ R = Tψ R. (6.3) Hierbij bevatten ψ L en ψ R dus de fermionen van drie generaties, en zijn M en M d 3 3-matrices. Laten we dit nu toepassen op de quarks en leptonen. We diagonaliseren alle massa-matrices met matrices S en T, zodat we matrices S (e), S (u), S (d) en T (e), T (u), T (d) hebben. De massa-eigentoestanden zijn de deeltjes die we in de natuur waarnemen, dus moeten we nu de interactietermen in het GSW-model uitdrukken in de massa-eigentoestanden. Dit speelt alleen een rol voor de interacties tussen de fermionen en de ijkvelden, dus de termen die de zwakke stromen bepalen. De interacties tussen het Higgs-deeltje en de fermionen hebben dezelfde vorm als de massa-termen, en worden, uitgedrukt in massa-eigentoestanden, ook meteen diagonaal. Laten we beginnen met de zwakke stromen voor de quarks. Aangezien in de zwakke stromen alleen de linkshandige componenten van de velden voorkomen, zien we daar alleen de matrices S. De geladen stroom ziet er als volgt uit: j µ = ū AL γµ d AL = ū AL γ µ (S (u) S (d)) AB d BL = ū AL γ µ (U) AB d BL, (6.4) vanwege de herdefinities De matrix u L = S (u) u L, d L = S (d) d L. (6.5) U = S (u) S (d) (6.6) die we in (6.4) geïntroduceerd hebben is unitair. Deze matrix heet voor drie generaties de Kobayashi-Maskawa matrix [36], voor twee generaties de Cabbibo-matrix 47

48 [37]. U bepaalt de overgangen die mogelijk zijn tussen verschillende generaties. In het geval dat U diagonaal zou zijn, zijn dergelijke overgangen niet mogelijk. De vorm van U is echter iets dat door het experiment bepaald moet worden. Merk op dat de neutrale zwakke stroom diagonaal is in de velden u A en d A, zodat door de unitariteit van de matrices S daar geen matrix zoals U optreedt. In de lepton-sector is er een soortgelijke matrix V, en ziet de geladen stroom er na de herdefinitie dus uit als: j µ e = ν ALγ µ (V ) AB e BL. (6.7) De matrix V kunnen we echter verwijderen door een herdefinitie, met V 1, van de neutrino-velden, die immers massa nul hebben en dus niet gevoelig zijn voor een dergelijke herdefinitie. In de lepton-sector treedt de bovenstaande koppeling tussen generaties dus niet op. Het aantal parameters in de 3 3 unitaire matrix U is a priori 9, maar dit kunnen we door herdefinities terugbrengen tot een kleiner aantal. Merk op dat we U kunnen vereenvoudigen door elk van de quarkvelden (6 stuks) met een fasefactor te herdefinieren. Nu is U invariant als we alle quarks met dezelfde fase veranderen, dus 5 parameters kunnen uit U verwijderd worden (zie [7], sectie (1.)). Er blijven dus 4 parameters over. Meer in het algemeen, voor n generaties, is U een matrix met n parameters. Daarvan kunnen we er n 1 verwijderen door herdefinities van quarkvelden, we houden dus over n n + 1. Voor n = is dit 1, in dat geval kunnen we U als volgt parametriseren: ( ) cosθc sin θ U C = c. (6.8) sin θ c cosθ c De hoek θ c heet de Cabbibo-hoek [37]. Experimenteel geldt dat θ c ongeveer gelijk is aan 15, zodat we zien dat onze exercitie met menging van quark-flavours niet overbodig is. De implicatie van θ c voor het experiment is, dat de quarks uit de tweede generatie (c, s), kunnen vervallen naar quarks uit de eerste generatie. Voor drie generaties hebben we dus 4 parameters, en staat U bekend als de Kobayashi-Maskawa [36] matrix, meestal geparametriseerd als: U KM = c 1 s 1 c 3 s 1 s 3 s 1 c c 1 c c 3 s s 3 e iδ c 1 c s 3 + s c 3 e iδ s 1 s c 1 s c 3 + c s 3 e iδ c 1 s s 3 c c 3 e iδ. (6.9) Alleen voor δ = 0 is dit een reële, orthogonale matrix. De fase δ in de Kobayashi-Maskawa matrix is om de volgende reden speciaal. We hebben al opgemerkt in hoofdstuk 3 dat de zwakke interacties de pariteit symmetrie breken. Een symmetrie als pariteit wordt een discrete symmetrie genoemd, omdat er geen continue parameters mee geassocieerd zijn. Naast pariteit zijn er nog 48

49 twee discrete symmetrieën in de elementaire deeltjes fysica: de ladingsconjugatie C, die ruwweg alle deeltjes door anti-deeltjes vervangt, en T, die de tijd omkeert. Alle bekende veldentheorieën zijn invariant onder het product CP T. Aangezien de zwakke interacties P breken, breken ze dus ook het product van C en T. De complexe fase δ zorgt ervoor dat de actie niet meer invariant is onder CP transformaties, en dus ook niet meer onder T. Processen die CP en dus T breken komen voor bij het verval van de neutrale K-mesonen. We zullen dit onderwerp uit de deeltjesfysica in dit college niet verder behandelen. Sectie (1.) van [7] geeft een overzicht hierover. De menging van de verschillende generaties quarks leidt dus tot de zogenaamde flavour-changing charged current processen. Deze zijn bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het verval van K-mesonen, en andere vreemde deeltjes. Neem bijvorbeeld K ±. K ± bestaat uit s en u quarks: K + = (u s), K = (ūs). Het meest voorkomende verval van deze deeltjes is naar µ ± ν (met natuurlijk een muonneutrino). Het bijbehorende proces is: Figuur 6.1 Feynman diagram voor het verval van het K ± -meson. Voor het K 0 en K 0 deeltje, opgebouwd uit ( ds) en (d s) is er geen verval naar bijvoorbeeld µ + µ (in laagste orde). De reden is dat de neutrale stroom, dus de koppeling aan Z 0, wél flavour behoudt. K 0 vervalt daarom voornamelijk naar pionen via andere processen. 49

50 7 Quantisatie van Yang-Mills theorie In dit hoofdstuk bespreken we de quantisatie van Yang-Mills ijkvelden in het padintegraal formalisme. Hierbij treden in eerste instantie dezelfde problemen op als bij de quantisatie van het electromagnetisch veld. De oplossing die daar werd gevonden, de quantisatiemethode van Gupta en Bleuler, blijkt nu niet te werken. We volgen voor Yang-Mills velden de Faddeev-Popov [13] methode. Deze wordt in veel boeken over quantumveldentheorie besproken, ook in [7], hoofdstuk 9. Een heldere beschrijving van de Faddeev-Popov methode is te vinden in het boek van Pokorski [14]. 7.1 IJkbrekende termen in de padintegraal Het Maxwell veld wordt beschreven door de Lagrangedichtheid L = 1 4 F µνf µν = 1 Aν ( A ν ν µ A µ ) + totale afgeleide. (7.1) Bij de quantisatie van het Maxwell veld treedt een probleem op. Dit kunnen we op twee manieren constateren: in het kanoniek formalisme, waarbij de velden operatoren zijn, en dan voldoen aan commutatierelaties bij gelijke tijd, en in het padintegraal formalisme. In het kanoniek formalisme is de kanonieke impuls behorend bij de coördinaat A 0 gegeven door π 0 L A = 0. (7.) 0 Hierdoor kan π 0 niet als operator met de gebruikelijke commutatierelaties opgevat worden. In de padintegraal hebben we in de Lagrangedichtheid (7.1) het probleem dat de differentiaaloperator g µν µ ν (7.3) geen inverse heeft. Immers, ν Λ is voor elke Λ eigenvector bij eigenwaarde nul. Dit betekent dat de twee-puntsfunctie voor het vrije veld niet gedefinieerd kan worden. De oplossing die in [1] wordt besproken is de Gupta-Bleuler methode. In het padintegraal formalisme voegen we een ijkbrekende term 1 a ( µa µ ) (7.4) aan de Lagrangedichtheid toe, en definiëren vervolgens op de gebruikelijke manier de n-puntsfuncties. In [1] hebben we deze methode verdedigd door te verwijzen naar het kanoniek formalisme. 50

51 Hetzelfde probleem treedt ook op bij Yang-Mills theorie. We hebben nu en de kinetische term in F a µν = µ A a ν ν A a µ + gf bc a A b µa c ν, (7.5) L = 1 4 F a µν F µν a (7.6) is van dezelfde vorm als in de Maxwell theorie. De andere termen geven drie- en vierpunts-interacties voor de ijkvelden. Voor elke A a µ hebben we hetzelfde probleem als in de Maxwell-theorie. Het invoeren van een ijkbrekende term alleen is voor Yang-Mills theorie niet voldoende. Een manier om dat te ontdekken is het berekenen van de Yang-Mills Feynman regels met alleen de ijkbrekende term 1 a ( µa aµ ). (7.7) De resulterende propagator voor het vrije veld is dan voor elke a van dezelfde vorm als die van het Maxwell veld. Yang-Mills theorie is echter geen theorie van vrije velden zoals het electromagnetisme. De interactietermen in (7.6) veroorzaken correcties op de twee-puntsfunctie, en met deze keuze van de Feynman regels is de één-lus bijdrage aan de vacuumpolarisatie niet transversaal. Deze transversaliteit volgt uit de Ward identiteit voor de twee-puntsfunctie, die we op soortgelijke wijze als voor het electromagnetisme kunnen afleiden. De storingstheorie, gebaseerd op de bovenstaande naïve keuze van de Feynman regels, is dus niet in overeenstemming met de symmetrieën van Yang-Mills theorie. Wat gaat er fout? Om daar achter te komen moeten we het invoeren van ijkbrekende termen precieser analyseren. Het probleem van quantisatie in ijktheorieën is eigenlijk het volgende: als we in de padintegraal integreren over alle A µ in DA µ, dan doen we eigenlijk teveel. Immers, bij het uitrekenen van een ijkinvariante grootheid zullen elke A µ en A µ, waarbij A µ aan A µ gerelateerd is door een ijktransformatie, dezelfde bijdrage geven. De integraal over alle A µ zou dus te herschrijven moeten zijn in de vorm Dg Dµ, (7.8) waarbij Dg, voor elke x, een integraal over de groep is (het volume van de groep). Ā µ is dan de representant van de verzameling van ijkvelden die door middel van ijktransformaties verbonden zijn met µ. We kunnen dit schematisch weergeven zoals in fig De lijntjes in fig. 7.1 stellen de orbits van A µ onder ijktransformaties voor. We willen nu een sectie maken door de orbits die elke orbit maar één keer doorsnijdt. Dit doen we door een functionaal F[A µ ] te kiezen, zodanig dat de vergelijking F[A g µ] = 0 (7.9) 51

52 voor elke beginwaarde van A µ maar één oplossing voor g heeft 6. De functionaal F definiëert dus de ijking. Figuur 7.1 Orbits van A µ onder ijktransformaties. Bovendien moeten we een invariante integratiemaat voor de ijkgroep G definiëren, dat wil zeggen een integratiemaat die voldoet aan Dg = D(g g) ; (7.10) waarbij Dg = dg(x). (7.11) x Voor elke x afzonderlijk bestaat zo n maat, de zogenaamde Hurwitzmaat. De algemene vorm zullen we niet nodig hebben. We definiëren nu een functionaal [A µ ] door: 1 = [A µ ] Dg δ ( F[A g µ ]). (7.1) De δ-functie is hierin een product van δ-functies voor elke x. De functionaal is ijkinvariant: [A µ ] = [A g µ ]. (7.13) Dit volgt uit: 1 [A g µ] = = Dg δ ( ) F[A gg µ = Dg δ ( F[A g µ ]) = 1 [A µ ]. D(gg ) δ ( F[A gg µ ] ) Daarom hangt [A µ ] alleen van de orbit af. We voeren de decompositie van 1, gegeven door (7.1), in de padintegraal in: Z = DA µ exp(is[a µ ]) = Dg DA µ [A µ ] δ(f[a g µ ]) exp(is[a µ]). (7.14) 6 In het geval van Yang-Mills theorie verwachten we dat er evenveel condities als ijkvelden zullen moeten zijn. We kunnen de condities dus een label a, waarbij a = 1,...,dim G, geven. Tevens moet er voor elke x een conditie zijn. We moeten dus eigenlijk schrijven F a ([A g µ ], x) = 0. We zullen voorlopig deze extra labels niet expliciet aangeven. 5

53 De integratievolgorde hebben we verwisseld. De integrand van Dg is nu onafhankelijk van g. Immers, DA µ = DA g µ omdat we integreren over alle A µ, en [A µ ] en S[A µ ] zijn ijkinvariant. Daarom geldt: DA µ [A µ ] δ(f[a g µ ]) exp(is[a µ]) = DA g µ [Ag µ ] δ(f[ag µ ]) exp(is[ag µ ]) = DA µ [A µ ] δ(f[a µ ]) exp(is[a µ ]). De integraal Dg geeft dus een normalisatiefactor die verder niet relevant is. In de resterende integraal DA µ levert door de δ-functie van iedere orbit slechts één representant een bijdrage. Nu moeten we nog [A µ ] uitrekenen. Daartoe gaan we terug naar de definitie (7.1) en werken de δ-functie uit. Deze levert alleen bijdragen voor de nulpunten van F. We kunnen nu overgaan op F als variabele, hetgeen geeft 7 DF ( det δf[ag µ] δg ) 1 δ(f) = ( det δf[ag µ] δg ) 1, (7.15) F=0 zodat we vinden [A µ ] = det δf[ag µ ] δg. (7.16) F[A g µ ]=0 Omdat ijkinvariant is, kunnen we bepalen voor een geschikt gekozen A µ. We kiezen A µ zó, dat al geldt F[A µ ] = 0. Dan immers is g = I in (7.16): [A µ ] = det δf[ag µ ] δg ; F[A µ ] = 0. (7.17) g=1 Om de afgeleide bij g = 1 te bepalen kijken we naar de infinitesimale transformatie: De integratiemaat over de groep is dan: g(ɛ) = I iɛ a (x)t a. (7.18) Dɛ = dɛ a (x). (7.19) a,x Invariantie van deze maat voor willekeurige vaste g(θ) volgt doordat g(θ ) = g(θ)g(ɛ) = g(θ + ɛ), zodat dθ = dɛ voor infinitesimale ɛ. Met deze parametrisatie van g wordt (7.17): [A µ ] = det M a b(x, y) ; M a b(x, y) = δf a ([Aµ g(ɛ) ], x) δɛ b ; F a ([A µ ], x) = 0. (y) ɛ=0 (7.0) 7 Denk aan de volgende analoge berekening voor gewone integralen en functies: dxδ(f(x)) = df δ(f)/f (x) = 1/f (x) x0 waarbij x 0 bepaald wordt door f(x 0 ) = 0. 53

54 De indices van F, en de resulterende structuur van M, hebben we nu expliciet gemaakt. De matrix M heeft twee soorten indices, ten eerste de indices a en b (a, b = 1,...,dim G ) en ten tweede de continue labels x en y. Voor beide moet de determinant berekend worden. De matrix M kunnen we gemakkelijk verder uitwerken: M a b(x, y) = = dz δf a ([A µ ], x) δa c λ (z) dz δf a ([A µ ], x) δa c λ (z) δa c λ (z) δɛ b (y) ( ɛ=0 f bd c A d λ (z) 1 g δc b λ,z ) δ(z y), (7.1) waarbij we gebruik gemaakt hebben van de wijze waarop A µ onder ijktransformaties transformeert (zie (.48)). De padintegraal (7.14) is dus: Z = DA µ det M δ(f[a µ ]) exp(is[a µ ]), (7.) met M gegeven in (7.1). We kunnen dit iets generaliseren, door niet F = 0, maar bijvoorbeeld F[A, x] B(x) = 0 te nemen waarbij B een willekeurige ijkinvariante functie van x is. Omdat B ijkinvariant is blijft det M onveranderd. In de F B = 0 ijking zouden we dus gevonden hebben: Z = DA µ det M δ(f[a µ ] B) exp(is[a µ ]), (7.3) hetgeen, omdat Z ijkinvariant is, onafhankelijk is van B. Dan kunnen we integreren over B met een willekeurige B-afhankelijke gewichtsfactor: Z = = DA µ det M exp(is[a µ ]) DB δ(f[a µ ] B)G[B] DA µ det M exp(is[a µ ]) G[F[A µ ]]. (7.4) Dit verandert alleen de normalisatie van Z. Neem bijvoorbeeld: G[B] = exp [ i a dxb(x) ], (7.5) met a een reële constante. We zien dat we dan de oorspronkelijke Lagrangedichtheid effectief vervangen door L L 1 a F([A µ], x). (7.6) Hiermee hebben we nu de ijkbrekende term in de Lagrangedichtheid gekregen. Bovenstaande analyse verduidelijkt de oorsprong van de ijkbrekende term. Met 54

55 een ijkbrekende term is de Lagrangedichtheid niet langer ijkinvariant. De padintegraal (7.4) natuurlijk wel. Deze is bovendien gelijk aan de oorspronkelijke (7.14), op normeringsconstanten na. Daarbij is dan echter wel de bijdrage van de determinant van M essentieel. In het geval van het electromagnetisme kunnen we voor de functionaal F kiezen: F([A µ ], x) = µ A µ (x). (7.7) Dan is de matrix M: M(x, y) = 1 e dz ( µ,x g µλ δ(x z)) λ z δ(z y) = 1 e xδ(x y), hetgeen onafhankelijk is van het ijkveld A µ. Dan is M dus een normalisatiefactor in de padintegraal en speelt geen rol. We krijgen dus de gebruikelijke padintegraal voor het Maxwell veld terug. Het verschil tussen het Maxwell en het Yang-Mills veld in de padintegraal zal zijn dat voor het Yang-Mills veld M wel een niet-triviale rol speelt. 7. De Faddeev-Popov ghost velden Voor het algemene geval moeten we nog altijd de determinant van de matrix M (7.1) uitrekenen. Bij het invoeren van de padintegraal in [1] hebben we al eens een determinant gevonden (zie [1], sectie (.6)) in de berekening van de padintegraal van het vrije, niet-relativistische deeltje. We berekenden daar de integraal: dx 1... dx n exp( n i,j=1 x i A ij x j ) = in π n/ det A. (7.8) De berekening van deze integraal gaat als volgt. Zonder verlies van algemeenheid kan de matrix A symmetrisch worden gekozen. We diagonaliseren dan de symmetrische matrix A met een orthogonale transformatie: A = O T DO, en gaan dan over op nieuwe integratievariabelen y i = O ij x j. De Jacobiaan van deze transformatie van integratievariabelen is gelijk aan één, en in de y-variabelen kan de integraal dan gemakkelijk worden berekend. Een soortgelijke integraal is 8 : dz 1 dz 1...dz ndz n exp( n i,j=1 z i A ijz j ) 1 det A. (7.9) We kunnen immers A nu hermitisch kiezen, en diagonaliseren met een unitaire transformatie. De berekening van de integraal verloopt dan net als bij (7.8). 8 In de integratiemaat geldt dz i dz i = dx idy i, waarbij x i en y i het reële en imaginaire deel van z i zijn. 55

56 Grassmann variabelen zijn geïntroduceerd in [1], sectie (5.). Als we in plaats van over commuterende variabelen z integreren over elementen van een Grassman algebra in integralen als (7.8, 7.9) vinden we een ander resultaat. Voor basiselementen C i van een Grassman algebra geldt: dc i C j = δ ij. (7.30) Voor een n-dimensionele Grassman algebra vinden we dc 1 dc n C 1 C n = 1. (7.31) We voeren nu onafhankelijke Grassman variabelen C i, C i in, en vinden dan de volgende integraal: dc 1 dc 1 dc n dc n exp( n i,j=1 C i A ij C j ) det A, (7.3) Deze berekening kan gedaan worden door de exponent te ontwikkelen. Dan leveren alleen die termen een bijdrage aan de integraal, waarin alle C i, C i precies één keer voorkomen. De coefficiënten van deze termen geven, vanwege het anti-commuterend karakter van de Grassman variabelen, de determinant van A, op een numerieke factor na die door de ontwikkeling van de exponent ontstaat. Faddeev en Popov [13] hebben anti-commuterende velden c a (x) en c a(x) ingevoerd om op dezelfde wijze de determinant uit sectie (7.1) te herschrijven: det M a b(x, y) = Dc Dc exp(i dxdy c a(x)m a b(x, y)c b (y)). (7.33) a,b Bedenk steeds dat, ondanks de wellicht wat verwarrende notatie, c en c onafhankelijke velden zijn. Gebruik makend van de resultaten van sectie (7.1) kunnen we nu de volledige actie voor Yang-Mills theorie, met ijkbrekende term, opschrijven: S = + d 4 x ( 1 4 F a µνf µνa 1 a F a ([A µ ], x) d 4 y c a (x)ma b(x, y)c b (y) ), (7.34) waarbij M wordt gegeven door (7.1). Als voorbeeld werken we het geval uit dat F a ([A µ ], x) = µ A µa (x). Deze ijkkeuze staat bekend als de covariante ijking, vanwege de Lorentz invariante vorm. Dan is δf a ([A µ ], x) δa c λ (z) = µx {g µλ δ(x z)δ a c }, (7.35) 56

57 en M a b(x, y) = µ,x g µλ δ a c dz δ(x z) ( f bd a A d λ (z) 1 g δc b λ,z) δ(z y) = 1 g xδ(x y)δ a b + µ,x(f bd a A µd (x)δ(x y)). Dus kan de laaste term in (7.34) geschreven worden als: dxdy c a (x)ma b(x, y) c b (y) = = dxdy c a ( (x) 1 ) g xδ(x y)δb a + µ,x(f a bd A µd (x)δ(x y)) c b (y) = 1 dxc g a c a dx ( µ c a(x))f a bc A µc (x)c b (x). We kunnen nu een factor 1/g in het veld c absorberen. Dan is het resultaat: S = d 4 x [ 1F a 4 µν F µνa 1 a ( µa µa ) + c a (x) ca (x) +g( µ c a (x) f bc a A µc (x) c b (x). (7.36) In de padintegraal wordt geïntegreerd over DA µ Dc Dc. De extra ingevoerde velden c a en c a (met a = 1,...,dim G ) zijn de zogenaamde Faddeev-Popov ghosts: de spookdeeltjes van Faddeev en Popov. Het zijn elementen van een Grassman algebra en anti-commuteren dus. Het zijn echter geen fermionen, zoals het electronveld in QED, maar scalaire velden. De bewegingsvergelijking van c a is c a = 0 (als g = 0), hetgeen alleen Lorentz invariant is als c a een scalair veld is. De ghost velden voldoen dus niet aan de gebruikelijke relatie tussen spin en statistiek. Omdat we dit verband als ervaringsfeit wel zullen aannemen, zullen we nooit diagrammen hoeven uit te rekenen met ghosts als uitwendige lijnen. Merk op dat de ghost termen in (7.36) invariant zijn onder de globale symmetrie transformaties c a (c a) = exp( iθ)c a, c a (c a ) = exp(iθ)c a. (7.37) We kunnen dus aan de ghosts een lading toekennen, die behouden is bij de interacties met het Yang-Mills veld. Daarom kunnen ghost lijnen in een Feynman diagram niet zomaar ergens eindigen, de ghosts kunnen alleen voorkomen in gesloten lussen. Als we te maken hebben met een abelse groep (zodat f ab c = 0) zijn de ghosts vrije deeltjes en kunnen we meteen de padintegraal over c en c uitvoeren. Dit levert weer een constante, die verder geen rol speelt; alleen voor niet-abelse groepen hebben we de ghosts nodig. We zullen meestal in de covariante ijking werken. 57

58 7.3 Feynman regels voor Yang-Mills velden Nu we de actie voor Yang-Mills theorie hebben, kunnen we de Feynman regels bepalen. We hebben de volgende kinetische term: S f = d 4 x ( 1 Aµ a( g µν a 1 ) a µ ν )A νa + c a(x) c a (x), (7.38) en de volgende interactietermen: S i = d 4 x ( g( µ A a ν )Aµb A νc f a bc 1 4 g f a bc f dea A b µ Ac ν Aµd A νe + + g ( µ c a ) f bc a A µc c b). (7.39) We voegen de gebruikelijke brontermen toe: S b = d 4 x (J a µ A a µ + c aη a + η ac a ). (7.40) We kunnen nu op de standaard manier de Feynman regels afleiden. De genererende functionaal is: Z[J a µ, η a, η a ] = DA µ DcDc exp(i(s f + S i + S b )). (7.41) De propagatoren voor de Yang-Mills en ghost velden volgen uit (7.38). We geven alleen de resultaten in de impulsruimte: A a µ propagator : ( iδ ab k + iɛ g µν (1 a) k µk ν k ) (7.4) ghost propagator : iδb a k + iɛ (7.43) Merk op dat de ghost propagator een ander teken heeft dan de propagator van een gewoon scalair veld. Dit komt door onze keuze van het teken van de kinetische term voor de ghost velden. Vanwege de behouden ghost lading hebben de ghost lijnen een orientatie. Verder zijn er drie soorten interactievertices. Net als bij QED kunnen we de bijbehorende Feynman regels bepalen door eerst de bijbehorende n-puntsfuncties te berekenen. Het resultaat is: 58

59 ( A)AA vertex : gf abc ((k 1 k ) λ g µν + (k k 3 ) µ g νλ + (7.44) +(k 3 k 1 ) ν g λµ ) AAAA vertex : ig (f eab f ecd (g µλ g νρ g µρ g νλ ) + f eac f edb (g µρ g λν g µν g λρ ) + (7.45) +f ead f ebc (g µν g ρλ g µλ g ρν )) c ca vertex : g f bc a p µ (7.46) Bij de vertices zijn de alle impulsen ingaand, de som van de impulsen is steeds gelijk aan nul. 7.4 De vacuumpolarisatie van het Yang-Mills veld De volledige twee-puntsfunctie voor het Yang-Mills veld, D ab µν, wordt gegeven door de volgende relatie: (Dµν ab ) 1 (k) = (D(0) ab µν ) 1 (k) + iπ ab µν (k). (7.47) Hierin is D 0 de kale propagator, en Π de vacuumpolarisatietensor, die gegeven wordt door de som van de één-deeltjes irreducibele diagrammen in de twee-puntsfunctie (zie [1]) (vermenigvuldigd met een factor i). Gebruik makend van de invariantie onder ijktransformaties, kunnen we bewijzen dat de vacuumpolarisatie transversaal moet zijn: k µ Π ab µν(k) = 0. (7.48) Het bewijs verloopt op dezelfde wijze als voor QED. Dit bewijs is onafhankelijk van storingstheorie. Natuurlijk moet wel (7.48) voor elke orde in de storingsreeks 59

60 kloppen, met andere woorden, de storingstheorie moet de symmetrie van de theorie, waaruit (7.48) is afgeleid, respecteren. Het is de moeite waard dit te verifiëren met de nu gevonden Feynman regels. Er dragen drie diagrammen aan de berekening van de vacuumpolarisatie bij in orde g. Deze zijn getekend in fig. 7.. Bij de berekening maken we gebruik van dimensionele regularisatie. Er zijn dan bijdragen die zich gedragen als 1/ɛ, waarbij ɛ = 4 d, d de dimensie waarin we het diagram uitrekenen 9. Deze parametriseren het divergente deel van de diagrammen, en verdwijnen in de renormalisatieprocedure. De eindige bijdragen zijn in de limiet ɛ 0 onafhankelijk van ɛ. Zowel het divergente deel als het eindig deel van de vacuumpolarisatie moeten transversaal zijn. De drie diagrammen die in orde g bijdragen aan de vacuumpolar- Figuur 7. isatie. De bijdrage van het eerste diagram is: (1) ab Π 1 µν (p) = 1 ig µ ɛ f a cd f cdb dα ( g µν ((d 1)J 1 (a ) p (5 4α(1 α))j (a )) + + p µ p ν (d 6 (4d 6)α(1 α))j (a ) ), (7.49) waarbij a = p α(1 α). De parameter µ, met de dimensie van een massa, is ingevoerd om ervoor te zorgen dat g dimensieloos is. De integralen J A (a ), gedefinieerd door J A (a d d k 1 ) = (π) d (k a ), (7.50) A zijn berekend in [1]. Gebruik makend van de daar gegeven eigenschappen van 9 Denk eraan dat deze ɛ niets te maken heeft met de ɛ in de Feynman regels voor de propagatoren. 60

61 J A (a ) en van de Γ-functies, vinden we na ontwikkeling van het resultaat in 1/ɛ: (1) ab Π µν (p) = 1 ig µ ɛ f a cd f cdb i [ ( 19 (4π) d/ 6 p g µν 11p 3 µp ν )/ɛ + + +( γ)p g µν + ( + 11γ)p 3 3 µp ν dα ln a ((11α(1 α) 5)p g µν + + (10α(1 α) + )p µ p ν ) ]. (7.51) De bijdrage van het tweede diagram is gelijk aan nul, als dimensionele regularisatie wordt gebruikt. De reden is dat het resultaat evenredig is met de integraal d d k 1 k J 1(0) = 0. (7.5) Daarmee hebben we een opmerking uit sectie (7.1) geverifieerd. Immers, deze eerste twee diagrammen geven de totale vacuumpolarisatie als we alleen de bijdragen van het Yang-Mills veld meenemen. Dit is het resultaat als we doen alsof quantisatie van het Yang-Mills veld net zo gaat als bij het electromagnetisme, en dat volstaan kan worden met het toevoegen van een ijkbrekende term. We zien dat de eerste twee diagrammen inderdaad geen transversale vacuumpolarisatie geven, en dus zijn deze naïve Feynman regels in strijd met de Ward identiteit. Nu voegen we het derde diagram toe. Dit geeft: (3) ab Π µν (p) = ig µ ɛ f cd a f cdb 1 0 dα ( 1 g µνj 1 (a ) α(1 α)p µ p ν J (a ) ) = 1 ig µ ɛ f cd a f cdb i (4π) d/ [ ( 1 6 p g µν p µp ν )/ɛ (1 γ)p g µν 1 3 γp µp ν dα ln a ( α(1 α)p g µν α(1 α)p µ p ν ) ]. (7.53) In dit stadium van de berekening constateren we dat de bijdragen evenredig met 1/ɛ inderdaad transversaal zijn. De bijdrage van het eindig deel vereist nog het berekenen van twee integralen. Deze zijn: dα ln( p α(1 α)) = + ln( p ), (7.54) dα α(1 α) ln( p α(1 α)) = ln( p ). (7.55) Dit leidt dan tot het volgende resultaat voor de volledige vacuumpolarisatie: Π ab µν (p) = 1 ig µ ɛ f cd a f cdb i (4π) d/ [ (p g µν p µ p ν )( 0 3ɛ γ 10 3 ln( p ) ].(7.56) 61

62 We concluderen, dat deze inderdaad transversaal is. Dit wekt vertrouwen in de quantisatiemethode die we in deze sectie hebben ingevoerd. We zien dat Π alleen afhangt van de keuze van de groep door de factor f cd a f cdb. Deze is evenredig met δ ab (zie (A.3), net als de kale propagator (7.4). 6

63 8 Het GSW-model: experimentele consequenties In dit hoofdstuk zullen we een aantal consequenties van het GSW-model voor de zwakke en electromagnetische interacties (het standaard model) bespreken. Vanzelfsprekend zullen we verre van volledig zijn. In de vorige hoofdstukken hebben we de Lagrangedichtheid voor het het GSWmodel in stukjes en beetjes bij elkaar verzameld. Het is daarom handig ergens een complete versie van dit model op te schrijven. We vinden deze in Appendix B. 8.1 De W- en Z-bosonen Het standaard model voor de zwakke en electromagnetische interacties voorspelt het bestaan van massieve intermediaire ijkdeeltjes, namelijk de geladen W ± -bosonen en het neutrale Z-boson. Het standaard model doet bovendien een voorspelling voor de verhouding van de massa van deze deeltjes. De W- [38, 39] en Z-bosonen [40, 41] zijn in 1983 ontdekt bij CERN in Genève, het Europese centrum voor experimentele elementaire deeltjesfysica. Deze ontdekkingen werden gedaan met een versneller waarbij protonen en anti-protonen op elkaar botsen. Deze deeltjes worden in de versneller opgeslagen en in tegengestelde richting versneld. Op deze wijze kon men een totale zwaartepuntsenergie van 540 GeV bereiken. Bij dit proces botsen de quarks en anti-quarks uit proton en anti-proton op elkaar, waarbij onder andere W- en Z-bosonen kunnen ontstaan. Typische processen die kunnen optreden zijn bijvoorbeeld ū + d W e + ν e, ū + u Z 0 e + + e. Bij een versneller met botsende bundels is het in het algemeen heel moeilijk deeltjes te detecteren die in de richting van de bundels worden geproduceerd. Kenmerkend voor de processen met W- en Z-bosonen is, dat deze gevormd worden met weinig kinetische energie. Dat betekent dat hun vervalsproducten in alle richtingen kunnen vertrekken, en daarbij springen dan natuurlijk de richtingen loodrecht op de bundels in het oog. In het geval van het W-deeltje kijkt men naar processen met één electron dat loodrecht op de bundel vertrekt, en waarbij dan verder geen productie van hadronen optreedt. De impuls van het electron wordt dan niet in de tegengestelde richting gecompenseerd. Deze missing transverse momentum wordt door het niet gedetecteerde neutrino meegenomen. Aangezien het een twee-deeltjes verval betreft kan dan de massa van het W-boson worden berekend. Voor het Z-boson kijkt men naar soortgelijke processen waarbij een electron en een positron met tegengestelde impulsen loodrecht op de bundels worden waargenomen. 63

64 Deze experimenten werden gedaan door twee groepen, die bekend staan onder de namen UA 1 en UA, waarbij UA een afkoritng is van Underground Area. Beide groepen vonden dezelfde resultaten. Inmiddels is er veel meer bekend over de eigenschappen van deze ijkbosonen dan in In het bijzonder is dat het geval voor het Z-boson. Bij CERN heeft men nu een versneller in gebruik waarbij hoog-energetische electronen en positronen op elkaar botsen (LEP, Large Electron Positron collider). Met de totale zwaartepunts energie gelijk aan de massa van het Z-boson worden vele Z-bosonen geproduceerd. Men kan dan zorgvuldig de verschillende vervalswijzen van de Z-bosonen bekijken en op deze wijze een deel van het GSW-model toetsen. Om met LEP ook W- bosonen waar te nemen is meer energie nodig. Men hoopt over enige tijd met voldoende energie te kunnen werken om het proces e + + e Z 0 W + + W (8.1) waar te nemen. Daarbij speelt dus een vertex tussen ijkbosonen, die specifiek is voor een niet-abelse ijkgroep, een rol, en wordt dus een heel ander gedeelte van het GSW-model gecontroleerd. Alle experimenten van de laatste jaren geven een perfecte overeenstemming met het standaard model. De onduidelijke kanten van het GSW-model hebben te maken met het Higgs-deeltje, dat nog niet is waargenomen. 8. Het Higgs-deeltje Het Higgs-boson speelt een wat merkwaardige rol in het standaard model. Het Higgs-doublet wordt ingezet om te zorgen dat de W- en Z-bosonen via spontane symmetriebreking massa krijgen. Dit is een methode om massieve vectordeeltjes te introduceren zonder de renormaliseerbaarheid van massaloze Yang-Mills theorie te verstoren. Het is duidelijk dat elk ander mechanisme waarmee hetzelfde doel bereikt wordt even acceptabel is als het Higgs-mechanisme. Een even betrouwbaar mechanisme als dat van Higgs is door de theoretici evenwel nog altijd niet gevonden. Daarom gaat het zoeken naar het Higgs-deeltje voort, en een eventuele ontdekking van dit deeltje is dan ook voor ons begrip van de fysica van elementaire deeltjes van groot belang. Laten we nagaan op welke wijze het Higgs-boson interactie heeft met de andere deeltjes in het standaard model (zie Appendix B). De volgende interactietermen met het scalaire veld η treden op: L (3) int L (4) η = v (ē A M (e) AB e B + ū A M (u) AB u B + d A M (d) AB d B ), (8.) int = e (vη + η 1 )( 4 sin θ W µ + W µ sin θ cos θ (Z µ) ), (8.3) 64

65 L (5) int = λv η λ η4. (8.4) In de eerste plaats merken we op dat de massa van het Higgs-deeltje, µ, in het GSW-model een vrije parameter is. De enig meetbare parameter die de Higgs sector betreft is de combinatie v = µ /λ. L (3) is de interactie van η met de fermionen. We zien dat de sterkte van de interactie wordt gegeven door m f /v, waarbij m f de massa van het betrokken fermion is, en v de parameter uit de Higgs potentiaal. Zoals we in hoofdstuk 6 gezien hebben zijn de massas van de W- en Z-bosonen afhankelijk van de parameters ev en sin θ. Een eenvoudig rekensommetje leert dat 1 ev = M W MZ MW, (8.5) M Z waarmee we met de experimentele waarden van M W en M Z komen tot de ruwe schatting v = 50 GeV. De koppeling van het Higgs deeltje aan de fermionen wordt dus fors onderdrukt door de factor 1/v, en het is duidelijk dat de top-quark, die heel zwaar is, de beste kans op het produceren van een Higgs deeltje geeft. Bij de LEP versneller geeft de koppeling tussen de Z-bosonen en het Higgs deeltje in principe een mogelijkheid. Merk op dat deze koppeling, in L (4), evenredig is met v! We kunnen ons dus het proces e + + e Z η + Z (8.6) voorstellen. Als s de energie in het zwaartepuntsysteem van het electron-positron paar is, dan kan op deze wijze een Higgs deeltje met een massa to s M Z in principe ontdekt worden. Als de verbeterde LEP versneller, die W + W -paren kan produceren, in gebruik wordt genomen, geeft dit proces in principe een mogelijkheid het Higgs deeltje te produceren. In de toekomst zal bij de Large Hadron Collider (LHC) bij CERN in Genève in pp-botsingen een energie van 14 TeV bereikt kunnen worden. Dit geeft weer nieuwe mogelijkheden voor de ontdekkking van het Higgs deeltje. Bij deze versnellers zijn er twee favoriete processen: de zogenaamde gluon fusie 10, en de WW fusie (zie fig. 8.1). Bij het gluon fusie proces zal de zwaarste quark, dus de top-quark, de belangrijkste bijdrage leveren. Bij WW fusie wordt weer gebruik gemaakt van de vertex tussen η en de ijkbosonen, die evenredig is met v. Bij beide processen moet men zich natuurlijk afvragen hoe het Higgs-deeltje uiteindelijk wordt waargenomen. Het Higgs-deeltje is niet stabiel, en kan vervallen naar q q-paren, of ook naar ZZ- of 10 We bespreken gluonen, de ijkdeeltjes van het model voor de sterke interacties tussen quarks, in hoofdstuk

66 WW-paren, als de massa van η voldoende groot is. Bij pp botsingen is de detectie van q q-paren, waarbij de bij voorkeur zware quarks natuurlijk ook weer vervallen, vrijwel uitgesloten. De beste kans op ontdekking doet zich dan ook voor bij zware Higgs-deeltjes, die vervallen in ZZ. De geproduceerde Z-bosonen vervallen in bijvoorbeeld geladen lepton paren, die gemakkelijk te detecteren zijn. Voor meer informatie over het Higgs deeltje verwijs ik naar [4, 43]. Mogelijke processen met Higgs-deeltjes bij hoog-energetische pp- Figuur 8.1 versnellers. 8.3 De top-quark De top-quark is in 1994 ontdekt bij experimenten in Fermilab. Ondanks het feit dat het zoeken naar de top-quark heel lang geduurd heeft, is er nooit veel twijfel over het bestaan van de top-quark geweest. Het is interessant na te gaan, waar deze zekerheid over het bestaan van dit deeltje op berust. Het moge duidelijk zijn dat het beeld van drie gelijke generaties een mooi beeld oplevert, maar dat alleen mag niet voldoende zijn. Een serieuze reden om een top quark te wensen heeft te maken met het verschijnsel anomalie. De analyse van het standaard model is volledig gebaseerd op de symmetrieën van het model. Het is essentieel, dat alle Green functies ook inderdaad voldoen aan de Ward identiteiten die volgen uit de invariantie van de actie. In principe moeten we voor die Green functies ook in hogere orden in de storingsreeks nagaan, of nog wel aan de Ward identiteiten voldaan is. Dit lijkt gegarandeerd, omdat de Ward identiteiten immers op een heel algemene manier zijn afgeleid, maar er zit hier toch een addertje onder het gras. Bij het afleiden van de Ward identiteiten wordt verondersteld dat de integratiemaat in de padintegraal invariant is onder de uitgevoerde transformaties. Aangezien we nooit erg precies geweest zijn in de definitie van deze integratiemaat, is deze aanname moeilijk te verifiëren. Dit probleem van de integratiemaat [44] blijkt zich te manifesteren in een aantal specifieke Feynman diagrammen, die een violatie van de Ward identiteit, de anomalie, kunnen veroorzaken. Deze diagrammen zijn de zogenaamde driehoeks diagrammen met chirale fermionen (zie fig. 8.). Voor de details van de berekening van degelijke 66

67 diagrammen verwijs ik naar het boek van Ryder [45]. Dergelijke diagrammen treden in het GSW model zeker op. Er is echter de mogelijkheid, dat de bijdragen van de links- en rechtshandige chirale fermionen precies tegen elkaar wegvallen. Het blijkt nu, dat de quantumgetallen in het standaard model precies zo zijn gekozen, dat deze anomalie cancellatie ook inderdaad optreedt. Dit geldt voor elke generatie afzonderlijk, en dus ook voor de derde generatie, mits daarin de top-quark aanwezig is. Figuur 8. Driehoeks diagrammen die kunnen bijdragen aan een anomalie. Laten we dit nagaan. In de twee diagrammen van fig. 8. treedt op een factor tr (T a T b T c + T b T a T c ), waarbij de T a de generatoren zijn van de representatie van de ijkgroep waaronder de fermionen transformeren. Zowel alle links-, als alle rechtshandige fermionen komen in de fermionlus voor. De bijdrage aan het diagram die de matrix γ 5 bevat (het is juist deze bijdrage die de anomalie oplevert) is dan evenredig met het verschil van de bijdragen van de linkshandige en de rechtshandige fermionen: tr (T a T b T c + T b T a T c ) L tr (T a T b T c + T b T a T c ) R. (8.7) We hebben nu verschillende mogelijkheden. De indices a, b, c kunnen slaan op SU() of U(1). Als tenminste één van de indices bij SU() hoort, is de rechter bijdrage aan (8.7) gelijk aan nul, omdat er geen rechtshandige doubletten zijn. Als één of drie 11 van de indices bij SU() horen, dan is het resterende spoor gelijk aan nul, omdat dan tr T a = 0. Als er twee SU() indices zijn, blijft als conditie voor de anomalie cancellatie over: tr Y L = 0. (8.8) Als geen van de indices bij SU() hoort, moet gelden tr (Y L ) 3 tr (Y R ) 3 = 0. (8.9) Als we (8.8) en (8.9) gaan verifiëren 1 met eigenwaarden van Y uit de eerste generatie, zien we dat alleen dan aan deze conditie voldaan is als elke quark drie maal 11 In het geval van drie SU() indices maken we gebruik van de eigenschap T a T b + T b T a δ ab, die specifiek voor SU() geldt, maar niet algemeen voor SU(N) groepen. 1 Een handige manier om deze condities te verifiëren is om gebruik te maken van Y = (Q T 3 ). 67

68 geteld wordt. In het volgende hoofdstuk zullen we zien dat quarks inderdaad een extra vrijheidsgraad hebben, kleur, die drie waarden kan aannemen. Dankzij deze kleureigenschap van quarks is elke generatie dus vrij van anomalieën, mits natuurlijk de top-quark bestaat. Het bestaan van de top-quark is dus belangrijk voor de interne consistentie van het standaard model. Zonder top-quark heeft het model een anomalie, die het bewijs van de renormaliseerbaarheid van de theorie ongeldig maakt. Met andere woorden: de top-quark moet bestaan. Andere quarks zijn als gebonden toestand ontdekt in e + e q q processen. In principe is dit proces ook mogelijk voor de top-quark, maar de energie van de LEP versneller is daartoe onvoldoende. Uiteindelijk is de top-quark dan ook ontdekt bij hoog-energetische p p botsingen. Bij dit proces wordt een t t-paar geproduceerd. De t ( t) vervalt naar een b ( b) quark, onder emmissie van een W + (W ) deeltje. Gemeten worden de geladen leptonen die uit het verval van W ± ontstaan, alsmede de hadron jets ten gevolge van de bottom quarks. De conclusie van een moeilijke analyse is dat de massa van de top-quark ongeveer 174 GeV is [46]. Uit (8.8) volgt dan de conditie tr Q L = 0, aangezien het spoor van T 3 gelijk is aan nul. Nu is natuurlijk Q L = Q R, zodat moet gelden tr Q = 0. Als we op dezelfde wijze (8.9) uitwerken blijft over tr (Q 3 L + 3 Q L Q 3 R ) = 0, hetgeen na gebruikmaking van Q L = Q R dezelfde conditie als (8.8) oplevert: tr Q = 0. 68

69 9 Sterke interacties en quarks 9.1 Nucleonen en pionen: isospin Deeltjes met sterke wisselwerking zijn te onderscheiden in baryonen ( zware deeltjes ) en mesonen. Dit onderscheid wordt expliciet gemaakt door de deeltjes een quantumgetal toe te kennen, het baryongetal B, dat gelijk is aan één voor alle baryonen, en aan nul voor de mesonen. Baryongetal is bij alle interacties behouden. Het behoud van baryongetal verklaart een aantal eigenschappen van sterk wisselwerkende deeltjes. Zo moet bijvoorbeeld het lichtste baryon stabiel zijn. Dat is het proton, dat net iets lichter is dan het neutron (zie Tabel 9.1 voor een overzicht van de stabiele baryonen en mesonen van de eerste generatie). Het neutron kan wel vervallen, maar alleen via de zwakke interacties. In de sterke interacties alleen kunnen we geen onderscheid maken tussen proton p en neutron n: de sterke interacties zijn ladingsonafhankelijk. In een theorie van de sterke interacties kunnen we dan de velden corresponderend met p en n als een doublet schrijven, ( ) p N =. (9.1) n waarbij de bijbehorende sterke wisselwerkingen invariant moeten zijn onder SU()- transformaties die p en n in elkaar overvoeren. Deze SU() groep noemt men de (sterke) isospin. De SU() groep van de zwakke interacties wordt ook wel zwakke isospin genoemd. Uiteindelijk blijken de twee SU() groepen echter een heel andere rol te spelen. De zwakke isospin hebben we verheven tot een locale symmetrie, met de sterke isospin correspondeert géén kracht, en het zal dan ook een globale symmetrie blijven. Bovendien is de sterke isospin slechts bij benadering een symmetrie, denk bijvoorbeeld aan het massaverschil tussen p en n. Bovendien zijn p en n geen puntdeeltjes, en moeten we dus oppassen met veldentheoretische modellen die rechtstreeks in termen van p- en n-velden geschreven worden. Het (p, n)-doublet heeft B = 1, en I = 1, waarbij we met het isospin quantumgetal I bedoelen dat de eigenwaarde van de operator (I 1 ) + (I ) + (I 3 ) gelijk is aan I(I +1) (vergelijk het impulsmoment L in de quantum mechanica). We zien dat voor de ladingen geldt: Q = I 3 + 1B (9.) tenminste, zolang we geen andere quantumgetallen beschouwen. B speelt dus dezelfde rol als Y in de zwakke interacties, maar ook met B correspondeert alleen een globale symmetrie. Een doublet (p, n) heeft een SU() invariante wisselwerking met een triplet π a van scalaire deeltjes: als ψ N het veld van het nucleon doublet is, kunnen we schrijven: ψ N,i γ 5 (τ a ) ij ψ N,j π a. (9.3) 69

70 Hier zijn de τ a (a = 1,..., 3) weer de generatoren van SU() in de fundamentele representatie, en nemen de indices i de waarden 1 en aan. De scalaire deeltjes π zijn de π-mesonen, met spin 0. Er moeten er dus drie zijn: π 0, π +, π, die tesamen een triplet (met B = 0) vormen onder isospin. Vanwege de isospin symmetrie moet de massa van de π-mesonen gelijk zijn. Hieraan is niet geheel voldaan, het is duidelijk dat de electromagnetische interactie de isospin symmetrie van de sterke interacties breekt. deeltje quarks verval massa spin Q S B I I p uud stabiel n udd peν π ± u d, ūd µ ± ν µ ± ±1 π 0 ūu, dd γγ η 0 ūu, dd γγ Tabel 9.1 Eigenschappen van nucleonen, π-mesonen en η. De massa van de deeltjes is gegeven in MeV. We vermelden alleen de meest voorkomende vervalswijze. De interactieterm (9.3) was lang het model voor de sterke wisselwerking tussen p en n (het pion-uitwisselingsmodel). De interactieterm wordt een Yukawa-term genoemd naar Yukawa, die een dergelijke interactie postuleerde en de eigenschappen van de sterke interacties in de kern gebruikte om een schatting te maken voor de massa van het pion. Merk op dat er een γ 5 in de koppeling staat: de combinatie ψγ 5 ψ is een pseudoscalar, en verandert van teken onder een pariteitstransformatie. Dit moet ook, want het pion is een deeltje met intrinsieke pariteit 1. Omdat de sterke interacties pariteit behouden, moet het pionveld zelf onder een pariteitstransformatie ook van teken veranderen. Dit is in overeenstemming met experimentele gegevens. In Tabel 9.1 geven we alleen stabiele deeltjes aan. Dat zijn de deeltjes die niet vervallen via de sterke wisselwerkingen, maar uitsluitend via de zwakke en/of electromagnetische wisselwerkingen. Naast deze stabiele deeltjes zijn er nog vele andere deeltjes die dezelfde quantumgetallen hebben als de deeltjes in de tabel, behalve massa en spin: ze zijn in het algemeen zwaarder en hebben hogere spin. Deze deeltjes worden resonanties genoemd, vanwege het feit dat ze sterk vervallen is hun levensduur zeer kort. 70

71 9. Vreemdheid, SU(3) en quarks Het proton is bekend vanaf het moment dat de structuur van het waterstofatoom werd gevonden door Rutherford en Bohr. Het neutron werd in 193 ontdekt door Chadwick [47]. Het pion werd ontdekt in kosmische straling in 1947 [48]. Het systematisch onderzoek van elementaire deeltjes kon eigenlijk pas in het begin van de jaren vijftig van start gaan met de bouw van de eerste grote versnellers. Dat leverde al spoedig een grote hoeveelheid nieuwe mesonen en baryonen op [11]. deeltje quarks verval massa spin Q S B I I 3 K + su µ + ν µ K 0 sd π s K 0 ds π s K ūs µ ν µ Λ 0 uds pπ Σ + uus pπ Σ 0 uds Λγ Σ dds nπ Ξ 0 uss Λπ Ξ dss Λπ Ω sss ΛK Tabel 9. Eigenschappen van vreemde mesonen en baryonen. De massa van de deeltjes is gegeven in MeV. We vermelden alleen de meest voorkomende vervalswijze. K + en K zijn, evenals K 0 en K 0, elkaars anti-deeltje. Sommige van deze nieuwe baryonen en mesonen zijn weer stabiel, in de zin dat ze alleen zwak en/of electromagnetisch kunnen vervallen, en niet via de sterke interacties. Dit suggereert de introductie van een nieuw quantumgetal, dat behouden is bij de sterke interacties, maar niet bij de zwakke en electromagnetische wisselwerkingen. Dit naar analogie van isospin. Het nieuwe quantumgetal werd vreemdheid (strangeness) genoemd. In Tabel 9. geven we de eigenschappen van een aantal vreemde mesonen en baryonen. Deze blijken ook weer in isospin multipletten onder te brengen te zijn. De relatie (9.) geldt nu niet meer. De eerste stap naar een klassificatie van de vreemde deeltjes werd gegeven door Gell-Mann en Nishijima [49, 50], die de correcte 1 71

72 generalisatie van (9.) vonden: Q = I 3 + Y/, met Y = B + S, (9.4) waarbij Y de sterke hyperlading werd genoemd 13. De ontdekking van vreemdheid leidde tot een klassifikatie met de groep SU(3), een uitbreiding van de isospin-groep. Men kan als eerste benadering veronderstellen dat de sterke interacties invariant zijn niet alleen in de twee-dimensionale ruimte van twee isospin componenten die p en n in elkaar overvoeren, maar ook in een drie-dimensionale ruimte waarin ook vreemdheid een rol speelt. De vraag is op welke deeltjes de fundamentele representatie werkt, met andere woorden, wat is de generalisatie van het isospin doublet van proton en neutron? Na een lange periode van speurwerk ontdekte Gell-Mann [51] dat de hele puzzle van stabiele deeltjes en resonanties kon worden opgelost door te veronderstellen dat de fundamentele representatie van SU(3) werkte op een drietal hypothetische deeltjes u, d, s, door hem quarks genoemd, waarvan we de quantumgetallen in Tabel 9.3 geven 14. deeltje Q S B I I 3 1 u d s Tabel 9.3 De quantumgetallen van de u, d en s quarks. De waargenomen mesonen en baryonen moeten dan uit quarks worden opgebouwd. We verkrijgen alle mogelijke deeltjes, met het bijbehorend transformatiekarakter onder SU(3), door op de wijze aangegeven in Appendix A productrepresentaties te vormen. Het fundamentele triplet van quarks wordt aangegeven met 3, de bijbehorende anti-quarks met 3. De representatie 3 transformeert onder de geconjugeerde representatie, die voor SU(3) niet equivalent is aan de fundamentele representatie. Een product dat we kunnen vormen is bijvoorbeeld 3 3. Dit spant een 9-dimensionale ruimte op, waarvan één element invariant is onder SU(3). De 13 Tabel 9. is in zoverre verwarrend dat daarin informatie is weergegeven die in verschillende periodes werd ontdekt. De Gell-Mann-Nishijima relatie was gebaseerd op gegevens over Q, B, S en I 3, waarbij we ons moeten realiseren dat op dat moment niet alle deeltjes uit de tabel bekend waren. De quark inhoud van de deeltjes was natuurlijk onbekend, en vormde een latere verklaring van de Gell-Mann-Nishijima relatie 14 Het artikel [51] is één van de meest invloedrijke artikelen uit de historie van de deeltjesfysica, maar werd desalniettemin nooit in een tijdschrift gepubliceerd. Het heeft een aantal jaren als preprint gecirculeerd, en is vervolgens herdrukt in [5]. 7

73 andere 8 elementen transformeren onder de geadjungeerde representatie. Het blijkt nu dat alle mesonen onder te brengen zijn in dergelijke oktet-representaties. Mesonen zijn dus opgebouwd uit één quark en één anti-quark. De baryonen worden gevormd uit de product representatie Dit splitst op in representaties van dimensie 10, 8, 8 en 1. De baryonen blijken onder de tiendimensionale representatie van SU(3) te transformeren, en zijn dus opgebouwd uit drie quarks. Het quark-model bleek een doorslaggevend succes, vooral omdat het Ω -deeltje, dat op grond van het quark-model door Gell-Mann voorspeld was, inderdaad werd gevonden [53]. Lange tijd werden quarks slechts als mathematische hulpmiddelen bij de klassifikatie van deeltjes beschouwd. Het feit dat quarks niet werden waargenomen speelde daarbij vanzelfsprekend een grote rol. Na een aantal jaren kwamen er aanwijzingen voor het bestaan van verborgen bouwstenen. 9.3 Experimentele aanwijzingen voor quarks: ep-verstrooiing Na het werk van Gell-Mann is er natuurlijk uitgebreid gezocht naar quarks. Dit werk, dat uit ging van de mogelijkheid dat quarks als vrije deeltjes voorkomen, is zonder resultaat gebleven. Toch zijn er in een aantal experimenten overtuigende bewijzen gevonden voor het feit dat baryonen en mesonen daadwerkelijk zijn opgebouwd uit de quarks van Gell-Mann. We zullen in dit hoofdstuk twee experimenten behandelen. Dat is in de eerste plaats diep-inelastische verstrooiing van electronen aan protonen, en ten tweede de productie van hadronen bij electron-positron annihilatie. Dit laatste experiment geeft tevens een aanwijzing voor de zogenaamde kleur-eigenschap van quarks. Bij diep-inelastische verstrooiing worden hoog-energetische electronen verstrooid aan protonen (zie fig. 9.1). De verstrooiing vindt plaats door uitwisseling van een foton. We kijken dus als het ware met het uitgewisselde foton in het proton, en om zo klein mogelijke structuren te kunnen waarnemen, moeten we dus zoveel mogelijk energei in het foton steken. Bij dit proces valt in het algemeen het proton uiteen in hadronen, vandaar de naam diep-inelastische verstrooiing. We vergelijken diep-inelastische verstrooiing met het proces eµ eµ. De uitwisseling van één foton is ook in dit proces dominant, en kan geheel met QED berekend worden. De kinematica in het laboratoriumsysteem is wordt beschreven met de volgende variabelen (zie fig. 9.): p = (M, 0) k = (E, k) k = (E, k ) (muon-impuls) (electron-impuls, in) (electron-impuls, uit) 73

74 De vier-impuls van het foton, q = k k, voldoet aan q = (k k ) = kk = EE + k k = EE + k k cosθ = EE (1 cosθ) = 4EE sin θ/, (9.5) waarbij we m e, de massa van het electron, verwaarloosd hebben. q is de impulsoverdracht van het electron naar het muon. Een andere nuttige variabele is: ν p q M = 1 M (E E ) M = E E, (9.6) het energieverlies van het electron. M is hier de massa van het stilstaande target. Figuur 9.1 Feynman diagram voor diep-inelastische verstrooiing van electronen aan protonen (a), en het Feynman diagram voor verstrooiing van een electron aan een muon (b). Beide processen worden gedomineerd door één-foton uitwisseling. Figuur 9. Kinematica van ep ex en eµ eµ in het laboratorium systeem. Nu zijn voor het elastisch proces eµ eµ q en ν niet onafhankelijk. We vinden met (9.5) en (9.6): q = (p p ) = M M(E + M E ) = Mν. (9.7) In termen van deze variabelen kunnen we de werkzame doorsnede dσ/dω voor het 74

75 proces eµ eµ uitrekenen. We vinden 15 d σ de dω = α E q 4 E l µν(e)l µν (µ)δ(ν + q M ) (9.8) [ ] = 4α q 4 (E ) cos ( θ ) q M sin ( θ ) δ(ν + q M ), (9.9) met α = e /4π. Hierbij hebben we gebruik gemaakt van het feit dat uit (9.5, 9.7) volgt dat: E e = 1 + E M sin ( θ ). (9.10) Integreren we nu nog over E dan vinden we: dσ dω = α cos ( θ) [ 4E sin 4 ( θ) 1 + E M sin ( θ) 1 q M tan ( θ ] ). (9.11) De eerste term is de gebruikelijke doorsnede voor Rutherford verstrooiing van een geladen (scalair) deeltje aan een Coulomb potentiaal. De tweede factor is een correctie die de spin van de deeltjes en de eindige massa van het target, en dus de terugstoot-energie, in rekening brengt. Het product van de eerste twee bijdragen staat bekend als Mott-verstrooiing. De laatste term is een gevolg van het feit dat spin-1/ deeltjes een magnetisch moment hebben. In het eµ-proces worden beide vertices gegeven door QED. Het proton is echter geen puntdeeltje, maar heeft een ladingsverdeling, zodat we voor het proton een ander resultaat krijgen. De werkzame doorsnede is nu van de vorm: d σ de dω = α q 4 E E M, met M = l µν (e)w µν (p). (9.1) Hier is l µν (e), het effect ten gevolge van de eeγ-koppeling, bekend. Er geldt q µ l µν (e) = 0, vanwege stroombehoud. De vraag rest nu wat W µν is. We schrijven alle mogelijke termen op, en aangezien W µν van p en q af kan hangen vinden we: W µν = g µν W 1 + p µp ν M W + q µq ν M W 4 + p µq ν + p ν q µ W M 5. (9.13) met vier willekeurige functies W 1, W, W 4, W 5, die van ν en q kunnen afhangen In dit college zullen we de berekening van werkzame doorsneden en vervalstijden niet behandelen. In de standaardwerken over quantumveldentheorie, zoals [1] wordt in detail beschreven hoe dergelijke berekeningen gedaan worden. 16 De naamgeving suggereert het bestaan van een vijfde functie, W 3. Er is inderdaad nog een vijfde mogelijkheid, namelijk ɛ µνλρ p λ q ρ W 3. De tensor ɛ µνλρ is is echter niet invariant onder pariteitstransformaties. Aangezien de zwakke interactie bij dit proces geen rol speelt, kunnen we W 3 meteen weglaten. 75

76 Alleen de eerste twee termen doen mee vanwege stroombehoud. Het resultaat is: d σ de dω = 4α q 4 (E ) [W (ν, q ) cos ( θ ) + W 1(ν, q ) sin ( θ ] ) (9.14) W 1 en W kunnen dan gemeten worden voor verschillende waarden van ν en q (waarbij altijd geldt dat q + Mν 0). Figuur 9.3 Plot van q en ν. Lijnen onder een hoek van 45 corresponderen met exclusieve processen. Merk op dat bij dit inelastisch proces q en ν onafhankelijke kinetische variabelen zijn. Nog steeds geldt (9.5), maar van (9.6) geldt nu alleen de definitie van ν. In fig. 9.3 geven we een beeld van het kinematisch bereik van de variabelen q en ν. De lijn q = Mν komt overeen met p X = M, elastische verstrooiing. Andere lijnen onder 45 hebben vaste p X, dus corresponderen b.v. met p X = M, de massa van een resonantie. Dit zijn exclusieve processen, waarbij naar een specifieke eindtoestand gekeken wordt (bijvoorbeeld ep e ). In inclusieve processen wordt niet naar een specifieke eindtoestand gekeken. We definiëren dan: x = q (9.15) Mν met 0 x 1, en kijken bij vaste x. Het blijkt nu dat bij vaste x en grote q (diepinelastisch) W 1 en νw alleen onafhankelijk zijn van q (dit heet Bjorken-scaling). Dan hebben we dus: MW 1 (ν, q ) F 1 (x), νw (ν, q ) F (x). (9.16) We vergelijken dit met het eµ eµ resultaat, waarbij we het resultaat (9.9) omschrijven naar de parameter x. Met δ(ν + q ) = δ(1 M x )/ν geldt: d [ σ de dω = 4α 1 q 4 (E ) ν cos ( θ ) + x M sin ( θ ] ) δ(1 x ). (9.17) We zien dat het resultaat voor W i, dat wil zeggen de afhankelijkheid van x alleen, overeenkomt met het resultaat voor verstrooiing aan puntdeeltjes. Het experimentele resultaat voor de diep-inelastische ep verstrooiing geeft daarom een belangrijke aanwijzing voor het feit dat het proton bestaat uit puntdeeltjes, die door het 76

77 foton met grote q worden waargenomen. Het uiteindelijk resultaat, dat we hier niet in detail zullen bespreken, is dat diep-inelastische ep verstrooiing overeenkomt met de verstrooiing aan geladen, vrije, puntvormige bestanddelen. Deze kunnen we identificeren met de quarks. Dat de quarks zich in het gegeven kinematische gebied als vrije deeltjes gedragen zullen we in hoofdstuk 10 nog bespreken. Deze experimenten [54, 55] hebben in 1990 de Nobelprijs voor de natuurkunde opgeleverd voor Friedman, Kendall en Taylor. De experimenten werden eind jaren zestig gedaan met de lineaire electron versneller (SLAC) van Stanford in de U.S.A., met electron energieën van 7 to 17 GeV. Met de versneller HERA in Hamburg, waarbij voor zowel de electronen als de protonen opslagringen gebruikt worden, worden 30 Gev electronen en 800 GeV protonen gebruikt. De energie is dus vele malen groter dan bij SLAC, zodat wellicht zelfs een eventuele structuur van quarks bekeken kan worden. 9.4 Experimentele aanwijzingen voor kleur Het tweede experiment dat het bestaan van quarks aannemelijk maakt is de e + e - annihilatie met hadronen in de eindtoestand: e + e hadronen. We zullen dit weer vergelijken met een proces dat we met QED goed kunnen beschrijven (zie fig. 9.4): e + e µ + µ. (9.18) Figuur 9.4 QED Feynman diagram voor het proces e + e µ + µ (a). In de tweede figuur (b) geven we de kinematica van dit proces in het zwaartepuntsysteem. De werkzame doorsnede voor dit proces, gemiddeld over spins van de begintoestand en gesommeerd over de spins van de eindtoestand is: dσ dω e4 E (1 + cos θ); σ tot e4 E, (9.19) met E de energie van het electron in het zwaartepuntssysteem, en θ de hoek tussen het muon en het electron. De factor 1 + cos θ is typisch voor spin- 1 deeltjes. Vanzelfsprekend is (9.19) alleen geldig als de totale energie kleiner is dan de massa 77

78 van het Z-boson. Anders treedt een tweede diagram op waarin het foton vervangen is door het Z-boson. De factor e 4 is ontstaat door het product qe q µ, waarbij q de lading van het deeltje is. We veronderstellen dat het proces e + e hadronen verloopt als aangegeven in fig Het foton geeft een quark-anti-quark paar, dat daarna door de sterke wisselwerking overgaat in hadronen. De precieze vorm van deze hadronisatie is voor ons niet van belang. De essentiële koppeling is dus weer die van een foton aan geladen puntdeeltjes, de quarks. We vinden dus (9.19) σ tot q e E quarks q quarks, (9.0) waarbij de som genomen wordt over alle quark-anti-quark paren die bij energie E gemaakt kunnen worden. Figuur 9.5 Het proces e + e hadronen. We veronderstellen dat alle hadronen ontstaan vanuit een quark-anti-quark paar. De functie: R = σ tot(hadronen) σ tot (µ + µ ) = quarks q quarks e (9.1) is dus een stapfunctie van de energie. Steeds als de energie weer een drempel voor productie van de volgende quark passeert, wordt R groter. Beschouw de waarde van R voor E > 10GeV. We vinden dan experimenteel dat R = 11/3. De som van q voor de verschillende quarks bij deze energie is echter: 4 9 = = 11 9 (u, d, s, c, b), een factor drie te klein. Overigens is het stapgedrag van R goed te zien bij 3 GeV, de energie van het c c-paar. De vorm van R als functie van de energie is wel goed, maar R is drie maal groter dan op grond van de ladingen alleen verwacht. Dit is in dit experiment te verklaren door te veronderstellen dat het aantal quarks drie maal zo groot is als we tot nog toe dachten [56, 57]. Dat er een extra vrijheidsgraad met drie toestanden moet zijn, wordt ook vereist door het quarkmodel. Het deeltje ++ (13), een -resonantie met spin 3/ en 78

79 lading, is volgens het quarkmodel opgebouwd uit drie up-quarks: ++ = (uuu). Als we ervan uitgaan dat de quarks geen onderling baan-impulsmoment hebben, dan moeten noodzakelijkerwijze twee van de quarks in dezelfde toestand zijn, en is de golffunctie symmetrisch onder verwisseling van die twee quarks. Dit is in strijd met het Pauli-principe voor spin-1/ deeltjes. De ++ moet dus anti-symmetrisch zijn onder verwisseling van de quarks. Een oplossing van al deze problemen is het invoeren van het quantumgetal kleur. De u-quarks komen in drie soorten voor: u r, u g, u b waarbij de indices staan voor rood, groen en blauw. De quarkgolffunctie voor ++ zal dan zijn: u r 1u g u b 3 + u b 1u r u g 3 + u g 1u b 1u r 3 u g 1u r u b 3 u b 1u g u r 3 u r 1u b u g 3, (9.) en dit is volledig anti-symmetrisch onder verwisseling van de drie quarks. We kunnen ook een kleurindex k met k = 1,, 3 gebruiken. We kunnen (9.) dan schrijven als: ɛ ijk u i u j u k. (9.3) Als we met de kleurvrijheidsgraad een SU(3)-groep associëren, dus als we de kleuren in elkaar over laten vloeien onder de transformatie: dan is (9.3) invariant onder SU(3). Immers: u i U ij u j, U SU(3), (9.4) ɛ ijk U il U jm U kn = ɛ lmn det U = ɛ lmn. (9.5) Aangezien we het kleur-quantumgetal niet in de gebonden toestanden toestanden terugvinden, moeten alle hadronen invariant (singlets) zijn onder SU(3). De enige mogelijkheden zijn dan ɛ ijk q i q j q k, (9.6) waarbij q, q en q verschillende quark-flavours kunnen zijn. Dit zijn deeltjes met half-tallige spin, de baryonen. Daarnaast kunnen we de invariant q i q i (9.7) construeren, de quark-anti-quark toestanden. Deze hebben heel-tallige spin, en komen met de mesonen overeen. Het volledige spectrum van de hadronen kan met dit quarkmodel gereconstrueerd worden. Het idee is nu dat sterke interacties ontstaan door wisselwerkingen tussen de gekleurde quarks, waarbij deze interacties weer bepaald worden door het principe van de locale ijkinvariantie. De hieruit voortvloeiende theorie zullen we in het volgende hoofdstuk behandelen. 79

80 10 Quantum Chromo Dynamica De theorie voor de sterke interacties is gebaseerd op de wisselwerking tussen gekleurde quarks ψ i, i = 1,, 3 (drie kleuren), en op het gebruik van het principe van ijkinvariantie. We zullen in dit hoofdstuk deze theorie (QCD) formuleren en analyseren. Een belangrijk begrip dat een grote rol speelt in QCD is asymptotische vrijheid [58, 59]. Dit kunnen we echter pas bespreken na een vrij uitgebreide discussie over renormalisatie in quantumveldentheorie. Daarbij zullen we weer gebruik maken van φ 4 -theorie als voorbeeld Sterke interacties als ijktheorie We nemen voorlopig aan dat er één soort (flavour) quark is, en drie kleuren. Dan is L = ψ i (i m)ψ i (10.1) invariant onder SU(3)-transformaties: ψ i ψ i = U ij ψ j, U SU(3). (10.) We maken deze SU(3)-symmetrie tot een locale symmetrie door een covariante afgeleide in te voeren, tevens voegen we een kinetische term voor de ijkvelden toe: Hierin is dus: L = ψ i (i D m) ij ψ j 1 4 F a µνf µνa. (10.3) (D µ ψ) i = ( µ δ ij igλ a ij Aa µ )ψ j, (10.4) waarbij de matrices λ a een basis vormen voor de Lie-algebra van SU(3), en dus 3 3 hermitische, spoorloze, matrices zijn. Ze voldoen aan: [λ a, λ b ] = if abc λ c, (10.5) tr λ a λ b = 1 δab. (10.6) De dimensie van de groep SU(3) is acht, zodat we in (10.4) acht ijkvelden A µ hebben toegevoegd. Dit zijn de gluonen. De veldsterktetensor Fµν a is als voorheen gegeven door: Fµν a = µa a ν νa a µ + gf abca b µ Ac ν. (10.7) Een geschikte basis voor de λ a werd al gegeven door Gell-Mann: λ 1 = ; λ = 1 0 i 0 i ; λ 3 = ; 80

81 λ 4 = 1 λ 7 = i 0 i 0 ; λ 5 = 1 ; λ 8 = i i ; λ 6 = ; (10.8) Voor meer dan één quark-flavour nemen we eenvoudig de som over de flavours, aangegeven door f, zodat (10.3) wordt: L = f ψ f,i (i D m f ) ij ψ f,j 1 4 F a µν F µνa. (10.9) Deze theorie heet QCD: de dynamica van de kleurinteractie, ofwel quantum chromo dynamica. De interactie tussen quark en gluonen is voor elk soort quark hetzelfde. De massa s m f kunnen we bijvoorbeeld gelijk nemen aan de massa s die we in het standaard-model met het Higgs-mechanisme genereerden. Verder moeten we natuurlijk denken aan de vereiste toevoeging van Faddeev-Popov ghost velden voor de quantisatie van (10.9): L GF = 1 a ( µa µa ) + c a ca + g( µ c a )f bc a A µc c b, (10.10) voor covariante ijking. Vergelijkingen (10.9) en (10.10) samen leiden dan tot Feynman regels voor QCD. Voor ijkvelden en ghosts zijn deze al in sectie (3.3) gegeven. Daar moeten we nu aan toevoegen een Feynman regel voor de interactie tussen quarks en gluonen. Deze is van de vorm: A a µ ψψvertex : igγ µ (λ a ) ij (10.11) Een aantal dingen willen we berekenen uit (10.9) en (10.10). Om te beginnen moet, zoals we in diep-inelastische ep-verstrooiing gezien hebben, een proton zich bij grote q gedragen als een verzameling vrij puntdeeltjes, dat wil zeggen dat de quarks zich als vrije puntdeeltjes gedragen bij hoge q, en dus bij kleine afstanden. Anderzijds mogen quarks niet als vrije deeltjes voorkomen: de theorie moet voorspellen dat de quarks door wisselwerking onderling en met gluonen bij elkaar blijven. Het eerste aspect is goed begrepen, voor het tweede is de verklaring uit QCD meer schetsmatig. Beide aspecten hebben te maken met het gedrag van Green functies als functie van de impulsen van de uitwendige lijnen. Het blijkt dat we 81

82 uit de renormalisatieprocedure informatie over de impulsafhankelijkheid kunnen afleiden. Voordat we dat in QCD zullen doen, is het wellicht goed deze procedure voor de wat eenvoudiger φ 4 -theorie te herhalen. 10. Renormalisatie en countertermen: een voorbeeld De actie die φ 4 theorie definiëert is: S = d 4 x [ 1 µφ µ φ 1 m φ g 4! φ4]. (10.1) Bij het college Quantumveldentheorie [1] hebben we reeds de renormalisatie procedure geïntroduceerd. Als we de tweepuntsfunctie voor φ berekenen dan vinden we in laagste orde: D () i (p) = p m. (10.13) De inverse propagator Γ is dan: Γ () (p) = i(p m ). (10.14) Dit verandert als we quantumcorrecties uit lusdiagrammen toevoegen. Dan krijgen we Γ () (p) = i(p m Σ(p)), (10.15) waarbij ( iσ(p)) de som is van alle 1PI diagrammen (zie fig. 10.1). Figuur 10.1 φ in φ 4 -theorie. Bijdragen tot orde g aan de zelfenergie van het reële scalaire veld Tot orde g is de bijdrage aan Σ onafhankelijk is van de impulsen: Σ(p) = 1 igµɛ F (0), (10.16) Hierin is µ een parameter met de dimensie van een massa, die we invoeren om de koppelingconstante g bij dimensionele regularisatie dimensieloos te houden. ɛ = 4 d, waarbij d het aantal dimensies is. Σ veroorzaakt dus een verschuiving van de 8

83 pool van de twee-puntsfunctie. De pool moet liggen bij de (eindige) fysische massa, ofwel: lim p m F Γ () (p ) = 0. (10.17) Dit betekent met de correctie (10.16): m F = m + 1 igµɛ F (0) = m gm + eindige termen. (10.18) 16π ɛ Gegeven m F is dit een definitie van de (oneindige) parameter m. Figuur 10. Bijdragen tot orde g aan de 1PI vier-puntsfunctie Γ (4) in φ 4 -theorie. Een soortgelijke procedure is nodig voor de vierpuntsfunctie. We vinden als correcties op Γ (4) de bijdragen in fig Deze zijn berekend in [1], met als resultaat: Γ (4) (p 1,..., p 4 ) = igµ ɛ[ 1 3g + eindige constante termen 16π ɛ +C(p 1, p, p 3, p 4 ) ], (10.19) waarbij de functie C naar nul gaat als de impulsen naar nul gaan. C en de niet expliciet gegeven constante termen zijn vanzelfsprekend van orde g. We kunnen de divergentie 1/ɛ opnemen in een gerenormaliseerde koppeling g F met g F = gµ ɛ g µ ɛ 3π [ 6 ɛ + eindige termen]. (10.0) Deze definitie komt overeen met een relatie tussen g F en de eindige, meetbare, werkzame doorsnede voor elastische φφ-verstrooiing in de limiet van kleine impuls: dσ lim Γ (4) g dω p 0 p 0 F. (10.1) We hebben vanzelfsprekend de vrijheid om meer of minder constante eindige bijdragen in de renormalisatie op (10.0) op te nemen. Ook een andere definitie van g F, bijvoorbeeld bij een andere waarde van de impulsen in (10.1), is mogelijk. 83

84 Naast bovenstaande divergenties treedt nog een onafhankelijke divergentie op in de twee-lus diagrammen voor Σ. We kunnen een eindige, gerenormaliseerde Γ () r definiëren door lim Γ () i p m r = 1. (10.) p m F F Dit kan worden bereikt door aan Γ () een multiplicatieve renormalisatieconstante toe te voegen: Γ () r = Z φ (g, m 1, µ)γ () (p, m 1, µ), (10.3) waarbij Z φ en Γ () in het rechterlid divergent zijn, maar Γ () r eindig. Z φ heet de golffunctie renormalisatie constante. Zoals we al besproken hebben, zit er in deze procedure een zekere willekeur. We hebben de vrijheid om de renormalisatiecondities, (10.17, 10.1, 10.) anders te kiezen. Bovendien zijn we natuurlijk vrij in de keuze van de parameter µ. Dit zal in het algemeen andere Green functies opleveren, maar uiteindelijk leiden tot dezelfde fysische grootheden als werkzame doorsneden en vervalstijden. Om de afhankelijkheid van de Green functies van het renormalisatieschema te onderzoeken is het handig de renormalisatie uit te voeren met behulp van countertermen. Deze formulering is volledig equivalent aan wat we eerder in deze sectie besproken hebben. We beginnen ook hier met (10.1), maar beschouwen m en g nu als fysische waarden van massa en koppelingsconstante. We berekenen vervolgens de Green functie Γ () en Γ (4). In laagste orde voldoen deze dan aan (10.17, 10.1, 10.). De correcties van orde g en hoger zorgen echter dat aan deze condities niet meer voldaan is. We lossen dit probleem op door aan de actie extra termen, countertermen, toe te voegen die de fout herstellen 17. We beginnen opnieuw met de twee-puntsfunctie en de fysische massa. De orde g correctie op de twee-puntsfunctie zal de positie van de pool van de propagator veranderen. Om dit te voorkomen voeren we een extra term, een counterterm, toe aan de Lagrangedichtheid. Deze is van de vorm: L 1 = 1 δm φ. (10.4) Dit levert een nieuwe Feynman regel, want we vatten deze term op als een extra interactie. De nieuwe regel is: φ counterterm vertex : 1 iδm (10.5) 17 Deze methode om te renormaliseren wordt in de meeste boeken over quantumveldentheorie besproken. Veel auteurs vallen bij de behandeling van dit onderwerp (en vele andere onderwerpen) terug op de colleges die S. Coleman gegeven heeft voor de zomerschool in Erice. Deze zijn gebundeld in [60]. 84

85 Met deze nieuwe regel berekenen we nogmaals Γ () tot orde g. Het resultaat is nu: Γ () = i ( p m 1 igµɛ F (0) + δm ), zodat we zien dat de pool van de propagator bij de fysische massa blijft als we kiezen δm = 1 igµɛ F (0) = gm + eindige termen. (10.6) 16π ɛ Op soortgelijke wijze kunnen we de één-lus bijdrage aan de vier-puntsfunctie behandelen. We voegen daar aan L toe: L = gµ ɛ Bφ 4 /4!, (10.7) waarbij dan de constante B zodanig bepaald wordt dat ook na de één-lus correcties aan de renormalisatieconditie (10.1) voldaan is. We vinden een nieuwe Feynman regel: φ 4 counterterm vertex : igµ ɛ B/4! (10.8) Deze regel gebruiken we nu in de berekening van de vier-puntsfunctie. We vinden vanzelfsprekend: Γ (4) (p 1,...,p 4 ) = igµ ɛ[ 1 + B 3g + eindige constante termen 16π ɛ +C(p 1, p, p 3, p 4 ) ]. (10.9) Als we nu opnieuw aan (10.1) willen voldoen dan moeten we dus kiezen: B = 3g eindige constante termen (10.30) 16π ɛ Figuur 10.3 Twee extra bijdragen aan de twee-puntsfunctie tot orde g ten gevolge van de countertermen (10.4) en (10.7). 85

86 Voor de golffunctie renormalisatie kijken we nu opniew naar de diagrammen van orde g in de twee-puntsfunctie. We hebben nu twee nieuwe vertices van orde g, zodat er twee extra bijdragen zijn. Deze zijn gegeven in fig Toch is het totale resultaat nog divergent, en dwingt ons tot het invoeren van de golffunctie renormalisatie constante. Wanneer we countertermen gebruiken, komt dit erop neer dat we een counterterm van de vorm: L 3 = 1 A( µφ) (10.31) moeten toevoegen. Het is duidelijk dat deze correctie de propagator beïnvloedt, en dat we door deze constante geschikt te kiezen ervoor kunnen zorgen dat aan (10.) voldaan is. De totale actie is, na het toevoegen van de drie countertermen: L ren = L + L CT = 1 (1 + A)( µφ) 1 (m + δm )φ (1 + B) gµɛ 4! φ4 = 1 ( µφ) Z φ 1 m Bφ Z φ 1 4! g Bφ 4 Z φ (10.3) = 1 ( µφ B ) 1 m Bφ B 1 4! g Bφ 4 B (10.33) met: φ B = (Z φ ) 1/ φ ; Z φ = 1 + A m B = Z m ; Z m = (m + δm )(Z φ ) 1 (10.34) g B = µ ɛ Z g g ; Z g = (1 + B)(Z φ ) Het subscript B staat voor bare : de kale parameters zijn oneindig in dit model en worden via renormalisatieconstantes Z uitgedrukt in de fysische, eindige parameters. De Lagrangedichtheid (10.33) heeft precies dezelfde vorm als de oorspronkelijke Lagrangedichtheid in (10.1), maar met andere waarden van de parameters. Het resultaat (10.33) wordt ook wel de gerenormaliseerde Lagrangedichtheid genoemd Green functies en asymptotische vrijheid We willen nu met de Lagrangedichtheid (10.3) een Green functie D (n) berekenen. Vanwege D (n) < φ(x 1 ) φ(x n ) > zal gelden D (n) (p 1,...,p n, m B, g B, ɛ) = Z n/ φ D (n) B (p 1,...,p n, m B, g B, ɛ), (10.35) waarbij D B dezelfde Green functie is uitgerekend met (10.33). Voor de 1PI Green functie geldt dan: Γ (n) (p, m B, g B, ɛ) = Z n/ φ Γ(n) B (p, m B, g B, ɛ). (10.36) 86

87 We zullen de afhankelijkheid van de n impulsen p i samenvatten in de impuls p. De extra factoren Z φ ontstaan omdat de 1PI Green functies geamputeerd zijn, en dus geen uitwendige propagatoren meer bevatten. Het linkerlid van (10.36) is eindig als ɛ 0. Het is immers de Green functie uitgerekend met de Lagrangedichtheid mét de countertermen. We kunnen natuurlijk Γ (n) uitdrukken in m, g en µ door gebruik te maken van (10.34). Dit levert het volgende resultaat op: Γ (n) B (p, m B, g B, ɛ) = Z n/ φ Γ (n) (p, m, g, µ, ɛ). (10.37) In deze vergelijking vatten we nu m en g op als functies van m B, g B en µ. Dan is het linkerlid van (10.37) onafhankelijk van µ, en geldt: Definieer nu: µ µ Γ(n) B [ = 0 µ µ + µ g µ g + µ m µ m µn ] ln Z φ Γ (n) = 0. (10.38) µ β(g, m µ, ɛ) γ d (g, m µ, ɛ) γ m (g, m µ, ɛ) µ g µ, (10.39) 1 µ ln Z φ µ, (10.40) 1 ln m µ µ = µ m m µ. (10.41) De functies β, γ d, γ m zijn dimensieloos en moeten dus geschreven kunnen worden in termen van dimensieloze grootheden. Daarom hangen ze alleen van m/µ af en niet van m of µ apart. Ze staan bekend onder de naam renormalisatiegroep functies. We kunnen ook op geheel andere wijze informatie krijgen over µ µ Γ. Veronderstel dat we in Γ (n) (p, m, g, µ, ɛ) een verandering van energieschaal uitvoeren: p tp, m tm, µ tµ. Alle grootheden met de dimensie van een massa worden dus met t vermenigvuldigd. De dimensie van Γ(n) is dim Γ (n) = n ɛ (n ), (10.4) waarbij ɛ = 4 d. Dat kunnen we als volgt nagaan. De dimensie van een scalair veld in d dimensies is (d )/. Een Green functie wordt gegeven door D (n) (x 1,...,x n ) < φ(x 1 ) φ(x n ) >, zodat dim D (n) gelijk aan n(d )/. Dus is de dimensie van D (n) (p) gelijk aan n (d )+d(1 n), omdat de Green functie in de impulsruimte wordt gekregen door integratie over de d ruimtelijke coördinaten, waarbij dan nog een δ-functie δ(p p n ) in de d-dimensionale impulsruimte 87

88 wordt verwijderd. Verder worden nog de uitwendige propagatoren geamputeerd om uiteindelijk Γ (n) te krijgen. We zien dus: D dim Γ (n) = n (d ) + d(1 n) + n = 4 n + 1 ɛ (n ). (10.43) Als we nu de impulsen herschalen in Γ (n) dan vinden we: Γ (n) (tp, tm, g, tµ, ɛ) = t D Γ (n) (p, m, g, µ, ɛ), (10.44) ofwel: zodat: Γ (n) (tp, m, g, µ, ɛ) = t D Γ (n) (p, t 1 m, g, t 1 µ, ɛ), (10.45) De herschaling geeft dus: t t Γ(n) (tp 1,...,tp n, m, g, µ, ɛ) = [ D m m µ ] t D Γ (n) (p, t 1 m, g, t 1 µ, ɛ). (10.46) µ [ µ µ + m m + t ] t D Γ (n) (tp, m, g, µ, ɛ) = 0, (10.47) waarbij we weer gebruik hebben gemaakt van (10.45). We kunnen nu µ µ Γ(n) oplossen uit (10.38) en (10.47). Het resulaat is: [ t t m(γ m 1) m β ] g + nγ d D Γ (n) (tp, m, g, µ, ɛ) = 0. (10.48) Dit is een belangrijke vergelijking, de zogenaamde renormalisatiegroep 18 vergelijking. Als we (10.48) kunnen oplossen, dan kennen we het gedrag van Γ (n) onder een herschaling van de impulsen. De onbekenden zijn γ m 1, β en γ d. Deze moeten we uit de storingsreeks bepalen. Merk op dat als γ m 1 = β = γ d = 0, de t- afhankelijkheid geheel bepaald wordt door D, de dimensie van Γ (n). Dus geven β, γ m 1 en γ d de afwijking aan van het normale schalingsgedrag van Γ (n). Hoe kunnen we echter (10.48) op lossen? Het probleem is dat γ m, γ d en β zowel van g als van m/µ kunnen afhangen. We zullen straks zien dat er een renormalisatievoorschrift is, zodanig dat er in de renormalisatiegroep functies geen afhankelijkheid van m/µ is. Dan is het eenvoudig een oplossing van (10.48) te vinden. 18 Dit is een onderwerp dat inmiddels ook in de leerboeken is opgenomen. Zie bijvoorbeeld [61]. 88

89 Hiervoor voeren we in ḡ(t) en m(t) met: Dan is t dḡ(t) dt t d m(t) dt = β (ḡ(t)), ḡ(t = 1) = g, (10.49) = m(t) (γ m (ḡ(t)) 1), m(t = 1) = m. (10.50) t Γ (n) (tp, m, g, µ) = t D Γ (n) dt (p, m(t), ḡ(t), µ) exp ( n γ 1 t d (ḡ(t ))) (10.51) een oplossing van (10.48). Dit kunnen we gemakkelijk expliciet verifiëren. In feite is (10.51) het belangrijkste resultaat van dit hoofdstuk. Het vertelt ons dat het gedrag van Green functies bij herschaalde impulsen bepaald wordt door effectieve, schaal afhankelijke koppelingen en massa s ḡ(t) en m(t). Deze worden de running koppelingsconstanten en massa s genoemd. We moeten wel ḡ(t) en m(t) op kunnen lossen uit (10.49, 10.50). Dat kan door rechtstreekse berekening van β, γ m en γ d uit storingstheorie. Duidelijk is dat β(0) = 0 als er geen interacties zijn. Interessant is nu de vraag of β(g) nog andere nulpunten heeft. In fig. 10.4a geven we een mogelijk gedrag van β als functie van g aan. De nulpunten van β noemen we fixed points, fixpunten. Als β > 0 dan is g (t) > 0 en g neemt dus toe bij toenemende t, en gaat naar g 0. Voor β < 0 (g > g 0 ) geldt juist dat bij toenemende t g afneemt naar g 0. Dus een nulpunt met dβ/dg < 0 is een ultraviolet fixpunt, g zal naar de waarde in het fixpunt naderen voor toenemende t. Omgekeerd is een nulpunt met dβ/dg > 0 een infrarood fixpunt. Figuur 10.4 Twee manieren waarop de β-functie zich kan gedragen als functie van g. In geval (a) is g = 0 een infrarood fixpunt, en g = g 0 een ultraviolet fixpunt. In geval (b) is g = 0 een ultraviolet fixpunt, en is er asymptotische vrijheid. Een andere mogelijkheid is aangegeven in fig. 10.4b. Nu is g = 0 een ultraviolet fixpunt: voor grote impulsen nadert g(t) naar nul en gedragen de deeltjes zich effectief vrij. Deze eigenschap heet asymptotische vrijheid. Anderszijds is nu g 0 infrarood fixpunt. 89

90 We zien dus dat het gedrag van β voor kleine g, dat we betrouwbaar kunnen uitrekenen in storingstheorie, essentieel is voor het optreden van asymptotische vrijheid. Op grond van de al eerder besproken fysica van QED en QCD zouden we hopen en verwachten dat in QED β(e) > 0 voor kleine e, en in QCD β(g) < 0 voor kleine g De β-functie voor φ 4 theorie Voordat we daadwerkelijk een berekening kunnen uitvoeren, moeten we eerst laten zien dat er inderdaad geen m/µ-afhankelijkheid is in de functies β, γ m en γ d, voor een geschikt gekozen renormalisatie procedure. Deze procedure is heel eenvoudig: we kiezen de renormalisatieconstantes zo, dat ze geen eindige delen bevatten. Meer precies is het voorschrift als volgt: we kunnen g B, m B en Z φ ontwikkelen in een Laurentreeks in 1/ɛ (zie [61]): g B m B Z φ = µ ɛ[ a 0 (g, m µ, ɛ) + k=1 = m[ b 0 (g, m µ, ɛ) + = c 0 (g, m µ, ɛ) + k=1 k=1 a k (g, m µ ) ɛ k ], b k (g, m ) µ ], (10.5) ɛ k c k (g, m µ ) ɛ k, waarin de coëfficiënten a i, b i, c i dimensieloos zijn. Zo vonden we: Γ (4) = igµ ɛ (1 3g + eindige termen), (10.53) 16π ɛ hetgeen leidde tot: B = 3g + eindige termen. (10.54) 16π ɛ Welke eindige stukken aan de renormalisatieconstanten worden toegevoegd hangt af van het renormalisatievoorschrift, en we besluiten nu geen eindige stukken toe te voegen. Dat betekent in ons voorschrift dat a 0 = g, a 1 = 3g /16π en, in een 1-lus benadering, a k = 0 voor k >. Deze termen zijn massa-onafhankelijk. De reden is, dat we met deze procedure alleen naar de echte ultraviolet divergenties kijken; elke pool in ɛ correspondeert met het extreme ultraviolet gedrag van een impulsintegraal. We verwachten dat dit gedrag onafhankelijk is van de massa s in het model. Met deze procedure geldt: g B = µ ɛ[ g + k=1 a k (g)]. (10.55) ɛ k 90

91 Beschouw nu weer g B als onafhankelijk, en dus g afhankelijk van g B en µ. Dan: 0 = µ [ µ ɛ (g + µ 0 = ɛ (g + k=1 Hiermee kunnen we nu β ontwikkelen: β(g) = ɛ(g + k=1 a k (g)] ɛ k a k ɛ k ) + µ g µ (1 + k=1 k=1 a k ɛ k )(1 + k=1 a k ɛ k ). (10.56) a k ɛ k ) 1 = ɛg a 1 + ga 1, (10.57) want vanwege het feit dat β(g) eindig is kunnen geen termen in 1/ɛ voorkomen. We vinden dus voor φ 4 theorie dat β(g) = + 3g 16π (10.58) als één-lus resultaat. We zien dat β(g) > 0, zodat φ 4 theorie niet asymptotisch vrij is. Merk op dat de eindigheid van β in (10.57) voor ɛ 0 relaties tussen a k+1 en a k vereist: a k+1 ga k+1 + a k ( a 1 + ga 1 ) = 0. (10.59) Dit kan voor φ 4 -theorie vanzelfsprekend expliciet geverifieerd worden voor de lage orden in de storingsreeks (en voor kleine k). We zien dat voor φ 4 -theorie g = 0 geen ultraviolet fixpunt is. Vergelijking (10.49) wordt nu voor het één-lus resultaat: met als oplossing: t dḡ dt = 3ḡ 16π, (10.60) ḡ(t) = ḡ(1)/( πḡ(1) ln t) = g/(1 16πg ln t). (10.61) We zien dat ḡ(t) een pool heeft, de zogenaamde Landau-pool. Dit lijkt een catastrofe voor φ 4 -theorie, want de Green functies zouden dan een singulariteit bevatten voor voldoende grote impulsen. We moeten ons echter realiseren dat als ḡ(t) groot wordt de één-lus storingsrekening niet meer betrouwbaar is. Algemeen zij opgemerkt dat de renormalisatiegroep functies β, γ m en γ d afhangen van de manier waarop we de eindige gedeelten bij de renormalisatie behandelen. Er kan bewezen worden dat de plaats van de fixpunten van β(g), alsmede het teken van de eerste afgeleide, onafhankelijk zijn van het gekozen voorschrift. 91

92 10.5 De β-functie in Yang-Mills theorie In deze sectie willen we de β-functie voor Yang-Mills theorie gekoppeld aan fermionen berekenen. Zoals we in de vorige sectie gezien hebben, doen we er dan verstandig aan bij de renormalisatie alleen de divergente bijdragen aan de n-puntsfuncties in de countertermen op te nemen. Dat blijkt bovendien de berekeningen aanzienlijk te vereenvoudigen. Laten we eerst kijken naar de divergentiegraad van Feynman diagrammen in Yang-Mills theorie, Dit geeft ons een idee van de divergente diagrammen die we mogen verwachten. Daarbij zij opgemerkt, dat de divergentiegraad groter kan zijn dan de werkelijke divergentie van een diagram, net zoals dat bij QED het geval is. In een typisch diagram in Yang-Mills theorie hebben we n 3 n 4 n f n g E v E f I v I f I g vertices met drie gluonen vertices met vier gluonen vertices met een gluon en twee fermionen vertices met een gluon en twee ghosts externe gluon lijnen externe fermion lijnen interne gluon-lijnen interne fermion lijnen interne ghost lijnen. De divergentiegraad in d dimensies is dan: D = dl I v I f I g + n 3 + n g. (10.6) De vertex met drie gluonen en de ghost-ghost-gluon vertex zijn impuls afhankelijk, en treden hier dus ook op. L is het aantal lussen, dat gelijk is aan het aantal onafhankelijke impulsen waarover geïntegreerd wordt. Er geldt: L = I v + I f + I g (n 3 + n 4 + +n f + n g ) + 1. (10.63) De aantallen interne lijnen zijn weer uit te drukken in de aantallen externe lijnen en het aantal vertices. De relaties zijn: Dit geeft dan: 4n 4 + 3n 3 + n f + n g = I v + E v, n f = I f + E f, n g = I g. (10.64) D = 1 (d )E v 1 (d 1)E f + (d 4)(n n n f + 1 n g) + d, (10.65) 9

93 zodat we voor d = 4 vinden: D = 4 E v 3 E f. (10.66) Dit is hetzelfde resultaat als voor QED. Er is dus weer een eindig aantal primitieve divergenties, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde is voor renormaliseerbaarheid. Dat de theorie inderdaad renormaliseerbaar is werd bewezen in [34, 35]. De renormaliseerbaarheid van de theorie garandeert dat de countertermen die bij de renormalisatie optreden dezelfde vorm hebben als de oorspronkelijke termen in de actie. Met deze kennis is het mogelijk de β-functie voor QCD te onderzoeken. We zullen dus nagaan wat het gedrag is van: De koppelingconstante g is de coefficiënt van de vertex β(g) µ g µ. (10.67) g ψ f,i γ µ (λ a ) ij ψ f,i A a µ, (10.68) waarbij gesommeerd wordt over f, de verschillende soorten fermionen. In de actie waaraan de countertermen zijn toegevoegd zal de vorm van deze interactie zijn: g B ψb f,i γ µ (λ a ) ij ψ B f,j A B a µ = = g B Z (Z 3 ) 1/ ψf,i γ µ (λ a ) ij ψ f,j A a µ = = gµ ɛ/ Z 1 ψf,i γ µ (λ a ) ij ψ f,j A a µ, (10.69) naar analogie met (10.3, 10.33). De kale koppelingsconstante is dus De renormalisatie constanten zijn: g B = gµ ɛ/ Z 1 Z 1 Z 1/ 3. (10.70) Z 1 : Z : Z 3 : voor de quark-quark-gluon vertex voor de fermion velden voor de gluon velden. We zullen deze renormalisatieconstantes nu berekenen tot orde g. De te berekenen diagrammen zijn getekend in fig Een deel ervan, de diagrammen (a1-a3) hebben we reeds uitgerekend in sectie (3.4). Daarnaast is er nog één bijdrage aan de vacuumpolarisatie, namelijk het diagram (a4) met de fermionlus. Op een groepsfactor na levert dit dezelfde bijdrage als in QED. De totale divergente bijdrage aan 93

94 de vacuumpolarisatie is dan: ab (p) = 10 3 ig f a cd f cdb i 16π ɛ (gµν p p µ p ν ) 8 3 ig tr λ a λ b i 16π ɛ (gµν p p µ p ν )N f Π µν waarbij N f het aantal soorten fermionen is. = g δ ab 16π ɛ (gµν p p µ p ν ) ( 10 3 T A T FN f ), (10.71) Figuur 10.5 De één-lus diagrammen die in Yang-Mills theorie met fermionen die moeten worden berekend voor de bepaling van de β-functie. Merk op dat de bijdrage van het fermion op zichzelf transversaal is. Dat is natuurlijk vanzelfsprekend, want in het geval van QED is dat ook de enige bijdrage. Verder hebben we groepsfactoren geïntroduceerd: δ ab T A = f cd a f cdb, δ ab T F = tr λ a λ b, δ ij C F = a (λ a λ a ) ij, (10.7) die we ook al in Appendix A hebben besproken. Voor de geadjungeerde representatie maken we geen onderscheid tussen C A en T A. We kunnen zonder extra werk de berekening van de β-functie voor een willekeurige SU(N)-groep doen. De berekening van de vacuumpolarisatie levert ons de golffunctie renormalisatie constante Z 3 : Z 3 = 1 + g 16π ɛ (10 3 T A 8 3 T FN f ). (10.73) 94

95 De berekening van de zelfenergie van het fermion zal ons Z opleveren. Opnieuw is dit diagram (b1) op een groepsfactor na gelijk aan het resultaat dat voor QED gevonden wordt. De berekening van het divergente deel van dit diagram levert: Σ ij (p) = = g 16π ɛ ( p/ + 4m) (λa λ a ) ij g 16π ɛ ( p/ + 4m) δ ijc F. (10.74) We vinden nu: Z = 1 g 16π ɛ C F. (10.75) Tenslotte zijn er nog de twee diagrammen die een vertex correctie geven, (c1) en (c). Voor deze diagrammen vinden we de volgende divergente bijdragen: (c 1 ) = ig3 8π ɛ γµ (λ b λ a λ b ) ij = ig3 16π ɛ γµ (λ a ) ij (C F T A ), (c ) = ig3 16π ɛ γµ (λ a ) ij (3T A ). (10.76) De vertex correcties zijn over het algemeen het moeilijkst, in dit geval vallen de technische problemen mee ondat we ons beperken tot het divergente deel van het diagram. Het resultaat voor de bijbehorende renormalisatieconstante is: Z 1 = 1 We kunnen nu alle gegevens combineren en g B bepalen: g B = gµ ɛ/( 1 + g 16π ɛ (C F + T A ). (10.77) g 16π ɛ ( 11 3 T A + 3 N f) ). (10.78) We hebben hierbij T F = 1 gekozen, onze gebruikelijke normering voor de fundamentele representatie. Merk op dat de twee factoren C F, die voorkomen in de diagrammen (b1) en (c1), tegen elkaar wegvallen. Dit kunnen we als volgt begrijpen. In QED zijn dit de enige bijdragen aan Z 1 en Z (T A = 0 voor QED). De Ward-identiteit voor de drie-puntsfunctie in QED relateert een contractie van Γ (3) aan de fermion propagator. Aan deze identiteit is in QED alleen voldaan als Z 1 = Z. Dit vinden we dan ook inderdaad. In Yang-Mills theorie zijn er ook andere bijdragen aan deze Ward-identiteit, en hoeven dus Z 1 en Z niet aan elkaar gelijk te zijn. 95

96 Met T A = N vinden we nu de β-functie voor SU(N)-Yang-Mills theorie: β(g) = g3 16π ( 11 3 N + 3 N f). (10.79) Het gedrag van de β-functie wordt nu bepaald door het aantal quark-flavours, en β wordt positief als: 11 3 N + 3 N f > 0 N f > 11 N, terwijl β juist negatief wordt voor: N f < 11 N. (10.80) We concluderen dat QCD, met N = 3 en 6 soorten quarks, asymptotisch vrij is [58, 59] 19. Voor QED vinden we het volgende. Zoals eerder besproken geldt daar Z 1 = Z, en dus komt alleen Z 3 in g B voor. In Z 3 doet alleen de term evenredig met N f mee, nu met als interpretatie dat in principe alle geladen fermionen daar mogen voorkomen. De factor met het negatieve teken in (10.79) is afwezig, en QED is dus niet asymptotisch vrij. In de één-lus berekening voor QCD vonden we β(g) = g3 16π (11 3 N f) bg 3. (10.81) Dit betekent dat de koppelingsconstante ḡ(g, t) voldoet aan de vergelijking: ofwel: ḡ (t) = t dḡ dt = bḡ3, (10.8) g 1 + bg ln t. (10.83) Voor grote t, dus voor grote impulsen, vinden we dat ḡ(t) 0 en dus asymptotische vrijheid. De afname met t is logaritmisch en daardoor langzaam. In termen van de sterke interactie fijnstructuur-constante α s ḡ /4π geeft dit: We kunnen invoeren α s (t) = α s (1) 1 + 8πbα s (1) lnt. (10.84) t = q µ, (10.85) 19 Het negatieve teken van de β-functie in Yang-Mills theorie was al eerder bekend bij t Hooft (Triangle Conference, Marseille 197), maar door hem niet gepubliceerd. 96

97 zodat (10.84) geschreven kan worden als: α s (q ) = α s (µ ) 1 + 4πbα s (µ ) ln(q /µ ). (10.86) Hiermee hebben we een parameter α s (µ ) g /4π geintroduceerd. Vergelijking (10.86) geeft de impulsafhankelijkheid van de effectieve sterke koppelingsparameter aan. In de literatuur wordt ook wel de parameter Λ gebruikt, gedefinieerd door: hetgeen oplevert: ln Λ = ln µ α s (q ) = 1 α s (µ )4πb, 4π (11 3 N f) ln(q /Λ ). (10.87) De parameter Λ moet dan door metingen van α s bij verschillende energieën bepaald worden. Als q klein wordt in (10.87), wordt α s groter. We moeten er dan aan denken dat de storingtheorie dan eigenlijk niet meer opgaat. Hierdoor is het infrarood gedrag van QCD een verschijnsel dat niet goed met storingstheorie onderzocht kan worden. Experimenteel worden vrije quarks of gluonen niet waargenomen, hetgeen er op wijst dat de krachten tussen de deeltjes toenemen als de afstanden groter worden. Het gedrag van α s is daarmee in overeenstemming, maar kan natuurlijk niet als bewijs worden opgevat. De opsluiting of confinement van quarks is een probleem dat met heel andere technieken, zoals computersimulatie van de dynamica van QCD, onderzocht wordt. 97

98 11 Unificatie In de vorige hoofdstukken hebben we het standaard model voor de electromagnetische, zwakke en sterke wisselwerkingen gepresenteerd. Laten we voorop stellen dat dit model werkt: het is volledig in overeenstemming met alle experimentele gegevens. Toch kunnen we ons, als theoretici, een aantal verbeteringen van het model voorstellen. In de eerste plaats zouden we graag gravitatie erin opnemen. Dat is nog altijd een onopgelost probleem, dat we echter in het kader van dit college niet verder zullen bespreken. Daarnaast zouden we graag een aantal parameters in het model willen verklaren, zoals de waarden van de drie koppelingsconstanten, en de fermion massa s. In dit hoofdstuk zullen we een Grand Unification model bespreken dat aan een aantal van deze wensen voldoet. Het specifieke model dat we zullen behandelen is inmiddels in strijd met een aantal experimentele resultaten, en dus niet meer acceptabel. Maar we zullen het opvatten als een prototype van een grote klasse van dergelijke modellen, waarvan één misschien wel aan alle eisen voldoet Motivatie Het standaard-model voor de sterke en electrozwakke wisselwerkingen is gebaseerd op de symmetriegroep SU(3) SU() U(1). (11.1) Hierin is SU(3) de ijkgroep behorend bij de sterke interacties, en SU() U(1) de ijkgroep van de zwakke en electromagnetische wisselwerkingen. Het model heeft de volgende parameters: koppelingsconstanten : α S, e, sin θ massa s : 6 voor de leptonen 6 voor de quarks menghoeken : 4 voor 3 generaties Higgs potentiaal : λ, µ Verder zijn er nog een aantal aspecten die door het model weliswaar beschreven worden, maar niet uit één of ander achterliggend principe verklaard worden. Hierbij denken we bijvoorbeeld aan de quantumgetallen van de fermionen in SU() U(1). Het is daarom een aantrekkelijke gedachte de drie interacties onder te brengen in één model, met één groep en één koppelingsconstante. Er zijn veel modellen van dit type geïntroduceerd, die een aantal eigenschappen én problemen gemeen hebben. Theoretisch gezien zijn ze echter aantrekkelijk en het is niet uitgesloten dat een variant van een dergelijk model met de werkelijkheid overeenkomt. Wij zullen één van deze modellen, het eenvoudigste, in dit hoofdstuk bespreken. 98

99 Wat we zoeken is een Lie-groep G, die de groep SU(3) SU() U(1) bevat. We willen maar één onafhankelijke koppelingsconstante hebben, dus moet G een simpele groep zijn, d.w.z. G mag niet uiteenvallen in een product van factoren, zoals (11.1). De rang van een groep is de dimensie van de grootste abelse ondergroep, oftewel het maximale aantal onderling commuterende generatoren. Voor (11.1) is dat 4 (in het algemeen: N 1 voor SU(N)). Voor de (11.1) kunnen we als unificatie groep dus G = SU(5) kiezen. Het idee bij een unificatie is, dat de G -symmetrie via het Higgs-mechanisme breekt tot SU(3) SU() U(1). SU(3) SU() U(1) heeft 1 generatoren en SU(5) heeft er 4, dus moeten er 1 generatoren breken. De massa van de bij de gebroken ijksymmetrie horende velden moet groot zijn (omdat we de bij deze velden horende krachten (nog) niet kennen). Een tweede Higgs-mechanisme moet dan voor de massa van de W- en Z-bosonen zorgen. Dergelijke modellen heten GUT s (Grand Unified Theories). Het prototype van de GUT werd geïntroduceerd in [6], de SU(5) theorie is in detail uitgewerkt in [63]. 11. De SU(5) structuur Om te beginnen moeten we besluiten hoe we de materiedeeltjes, leptonen en quarks, zullen indelen in SU(5)-representaties. Er zijn per generatie 3 quarks en 3 leptonen in totaal dus 15 linkshandige fermionen (we tellen links- en rechtshandig afzonderlijk). De dimensie van een aantal bekende representaties van SU(N) is voor N = 5 gelijk aan: 5 : fundamentele representatie, 10 : anti symmetrische representatie, 15 : symmetrische representatie, 4 : geadjungeerde representatie. (11.) Het lijkt aantrekkelijk de vijftien fermionen van elke generatie onder te brengen in de symmetrische representatie. Dit blijkt echter niet te werken. Om in te zien waarom dit niet werkt moeten we beginnen de quantumgetallen van de fermionen voor SU(3) SU() U(1) verzamelen. Deze zijn gegeven in Tabel Gebruik makend van de notatie (dim SU(3)-repr., dim SU()-repr.) vinden we dus: (3, ) + (3, 1) + (1, ) + (1, 1). (11.3) Hoe splitsen de representaties van SU(5) op? We nemen de standaard inbedding van SU(3) SU() U(1) in SU(5): de fundamentele representatie van SU(5) transformeert dan onder SU(5) matrices U (5 5), waarin de ondergroepen als volgt terug te vinden zijn: 99

100 deeltje SU(3) SU() U(1) (u 1 d 1 ) L, (u d ) L, (u 3 d 3 ) L triplet doublet 1 3 u 1,R, u,r, u 3,R triplet singlet d 1,R, d,r, d 3,R triplet singlet 3 (ν, e) L singlet doublet 1 e R singlet singlet Tabel 11.1 Representaties van de vijftien fermionen van de eerste generatie voor de symmetriegroep SU(3) SU() U(1). U = [ SU(3) 0 0 SU() ] 4 3, (11.4) terwijl de generator van U(1) gegeven wordt door (niet genormeerd): 1 1 Y 5 = 1, (11.5) waarbij Y 5 spoorloos en hermitisch is, en commuteert met alle matrices van de vorm (11.4). Voor een fermion multiplet dat transformeert via de fundamentele representatie van SU(5) hebben we dus: 3 3 ψ i ψ i = U ijψ j. (11.6) Als we de SU(5) matrix beperken tot (11.4) zien we dat de 5-dimensionale representatie opsplitst in: 5 (3, 1) + (1, ). (11.7) We bekijken ook de anti-symmetrische en de symmetrische representatie. Deze splitsen op als: 10 (3, ) + ( 3, 1) + (1, 1) (11.8) 15 (6, 1) + (3, ) + (1, 3) (11.9) Dit kunnen we nagaan voor bijvoorbeeld de 10-dimensionele representatie. Fermionen die transformeren in de anti-symmetrische representatie kunnen we onderbrengen in een anti-symmetrische matrix ψ ij = ψ ji. Er geldt: ψ ij ψ ij = U ik U jl ψ kl, (11.10) 100

101 hetgeen voor infinitesimale transformaties impliceert: δψ ij = iɛ a T a ik ψ kj + iɛ a T a jk ψ ik. (11.11) Als we nu de generatoren T a van SU(5) achtereenvolgens beperken tot SU(3) en SU() zoals in (11.4) kunnen we zien hoe de representatie opsplitst. Zo transformeert ψ ij met i 3, j >3 onder SU(3) (T a ij = 0 voor i, j > 3) als volgt: en onder SU() als: δψ ij = iɛ a T a ik ψ kj met k 3, (11.1) δψ ij = iɛ a T a jk ψ ik met k > 3. (11.13) Voor i 3 en j > 3 (of andersom natuurlijk) transformeren de velden ψ ij onder SU(3) dus als een triplet en onder SU() als een doublet. Dit deel van de anti-symmetrische representatie gaat dus over in de representatie (3, ) van SU(3) SU(). De andere onderdelen van de opsplitsing (11.8) en (11.9) worden op soortgelijke wijze gevonden. Uit (11.9) blijkt dat de 15-dimensionele representatie niet voldoet. Immers, er is geen kleur-representatie van dimensie zes aanwezig in het standaard model. Daarentegen voldoen de 5- en 10-dimensionele representaties samen wel. Daar zullen we dus de fermionen in onder moeten brengen. Beschouw nu (11.7). Daarin moeten we, als we vergelijken met de Tabel 11.1, het doublet (ν, e) en een triplet van quarks onderbrengen. In (11.5) zien we dat de verhouding van de Y -quantumgetallen voor deze quarks en leptonen /3 moet zijn. Daaruit blijkt dat we moeten kiezen voor de rechtshandige d-quarks. Dat leidt echter tot een schijnbaar conflict, aangezien het electrondoublet linkshandig is, en we natuurlijk geen fermionen met verschillende handigheid onder willen brengen in één SU(5)-representatie. De oplossing voor dit dilemma is om naast de rechtshandige d-quarks het ladings-geconjugeerde neutrino-electron doublet te nemen. Dit heeft Y = +1, hetgeen in overeenstemming is met (11.5), en is rechtshandig. Ladingsconjugatie hebben we nog niet eerder geïntroduceerd. De ladingsgeconjugeerde spinor van ψ is gedefinieerd als ψ c C 1 ( ψ) T, (11.14) waarbij C de ladingsconjugatiematrix is, gedefinieerd door: Cγ µ C 1 = γ µt. (11.15) De reden voor deze definitie is dat nu de spinor ψ c weer voldoet aan de Diracvergelijking als dat voor ψ het geval is. Uit (11.15) volgt: Cγ 5 C 1 = i(γ 3 γ γ 1 γ 0 ) T = i(γ 0 γ 1 γ γ 3 ) T = (γ 5 ) T. (11.16) 101

102 Hiermee kunnen we afleiden dat wanneer ψ linkshandig is, dat dan ψ c rechtshandig zal zijn. Dit gaan we als volgt na: voor een linkshandige spinor geldt γ 5 ψ = ψ, dus: ψ c = C 1 (ψ γ 5 γ 0 ) T = C 1 γ 0T γ 5T ψ T = C 1 γ 0T γ 5T γ 0T ψt = C 1 (Cγ 0 C 1 )(Cγ 5 C 1 )(Cγ 0 C 1 ) ψ T = γ 5 C 1 ψt = γ 5 ψ c. (11.17) Door de conjugatie is het Y -quantumgetal van ψ c natuurlijk tegengesteld aan dat van ψ. We kunnen nu in de 5-dimensionele representatie de volgende fermionen plaatsen: d 1 d ψ R = d 3. (11.18) e c ν c Quarks en leptonen komen dus in één multiplet van SU(5) terecht. Dat heeft meteen consequenties. De generator (11.5) moet, op een multiplicatieve constante na, gelijk zijn aan de generator van de zwakke hyperlading. Dus geldt dat Y dr = 3 Y e c. Deze verhouding is een gevolg van het feit dat Y 5 een generator van SU(5) is, en dus spoorloos. We zien dat de SU(5)-indeling relaties geeft tussen de quantumgetallen van de leptonen en de quarks. Dat geldt ook voor de electrische ladingen. De ladingsoperator Q is gelijk aan Q = R 1 0, (11.19) Ook Q is nu een generator (of een lineaire combinatie van generatoren) van SU(5), en moet dus spoorloos zijn. Dit betekent dat (3 lading d-quark) + (lading e c ) gelijk moet zijn aan nul. Hier staat 3 voor het aantal kleuren, de unificatie legt dus een verband tussen het aantal kleuren en de lading van quarks en leptonen! Met de resterende quarks en leptonen vullen we nu een anti-symmetrische ma- 10

103 trix. Deze wordt: ψ ij, L = 0 u c 3 u c u 1 d 1 u c 3 0 u c 1 u d u c u c 1 0 u 3 d 3 u 1 u u 3 0 e + d 1 d d 3 e + 0 L. (11.0) Laten we verifieren dat (11.19) de goede ladingen geeft. Een transformatie gegenereerd door Q geeft: δψ i = iɛ Q ij ψ j = iɛ q i ψ i, δψ ij = iɛ Q ik ψ kj + iɛ Q jk ψ ik = iɛ (q i ψ ij + q j ψ ij ), (11.1) (geen sommatie over i en j), waarbij q i de diagonaalelementen van Q zijn. We vinden dan bijvoorbeeld: δψ 1 = iɛ (q 1 ψ 1 + q ψ 1 ) = iɛ ( 3 )ψ 1, δψ 34 = iɛ (q 3 ψ 34 + q 4 ψ 34 ) = iɛ (+ 3 )ψ 34. (11.) We vinden dus inderdaad de juiste ladingen behorend bij u c (- 3 ) en u (+ 3 ) De ijkvelden en de koppelingsconstante Nu de fermionen zijn ingedeeld in SU(5) representaties, kunnen we gaan kijken naar de structuur van de interacties tussen fermionen en ijkvelden. De infinitesimale transformaties van de 5- en 10-dimensionele representaties zijn: δψ R,i = iɛ a T a ij ψ R,j, δψ L,ij = iɛ a T a ik ψ L,kj + iɛ a T a jk ψ L,ik, waarin T a de generatoren van SU(5) zijn. We gaan nu in de actie over op covariante afgeleiden: L = i ψ R,i γ µ ( µ δ ij ig 5 A a µ T a ij)ψ R,j +i ψ L,ij γ µ ( µ δ ik δ jl ig 5 A a µ T a ikδ jl ig 5 A a µ T a jlδ ik )ψ L,kl 1 4 F a µν F µνa. (11.3) We kiezen een specifieke vorm voor de matrices T a. In overeenstemming met (11.4) kiezen we: [ ] λa 0 T a = a = 1,...,8, 0 0 [ ] 0 0 T a+0 = a = 1,, 3, (11.4) 0 τ a 103

104 met λ a en τ a de generatoren van SU(3) en SU(). Verder kiezen we: T 4 = De normering is hier zo gekozen dat: De resterende matrices zijn: T 9 = 1 a= A a µt a = (11.5) tr (T a T b ) = 1 δab. (11.6), T 10 = 1 0 i i etc. De veel voorkomende combinatie A a µ T a is dan van de vorm: X 8b=1 4 A b µλ b A 4 µ 1 Y 1 µ µ Xµ Yµ Xµ 3 Yµ 3 met: Xµ 1 Xµ Xµ 3 Yµ 1 Yµ Yµ 3 Wµ c τ c 3 15 A4 µ A a µ ; a = 1,..., 8 : de 8 gluonen van SU(3), Wµ a ; a = 1,..., 3 : W µ ±, en een combinatie van Z en γ, A 4 µ : een combinatie van Z en γ. 0, (11.7), (11.8) Verder hebben we dan nog de nieuwe ijkvelden X 1,,3 µ en Y 1,,3 µ. We weten hoe de ijkvelden onder SU(5) transformeren: A µ T = UA µ TU 1 i g 5 ( µ U)U 1, (11.9) met U SU(5). Laten we nu nagaan wat de transformaties van de ijkvelden in (11.8) onder SU(3) SU() U(1) zijn. We moeten dan (11.9) beperken tot de symmetriegroep van het standaardmodel. We vinden dan: 4 = (1, 1) + (1, 3) + (3, ) + ( 3, ) + (8, 1) A 4 µ Wµ 1,,3 X, Y (X, Y ) A 1,...,8 µ (11.30) 104

105 We vinden dus de bekende representaties voor de gluonen en de electrozwakke ijkvelden. Verder zien we dat de velden Xµ i en Y µ i onder SU(3) transformeren als een triplet, en de combinaties (Xµ, i Yµ) i onder SU() als een doublet. De lading van de X en Y velden kan nu ook bepaald worden. Hiervoor gebruiken we: zodat: δa µ T = iɛ [Q, A µ T], (11.31) δx i µ = iɛ ( 4 3 )Xi µ, δy i µ = iɛ ( 1 3 )Y i µ. (11.3) De lading van de X-bosonen is dus 4 en die van de Y -bosonen 3 1. In dit model 3 hebben dus niet alleen de quarks, maar ook sommige ijkvelden een fractionele lading. De covariante afgeleiden kunnen we nu eenvoudig uitwerken. Laten we dat in wat meer detail doen voor de eerste term in (11.3), de 5-dimensionele representatie: D µ ψ R = 8 3 ( µ ig 5 A a µ T a ig 5 Wµ a T a+0 a=1 a=1 ) ig 5 A 4 µ T 4 ig 5 (bijdrage X, Y -bosonen) ψ R. (11.33) We kunnen nu een preciezere identificatie met de velden van het standaard model maken. De groep SU(5) bevat de ondergroep SU(3) SU() U(1), waarbij we de koppelingsconstanten van de SU(3), SU() en U(1) zullen aangeven met g 3, g en g 1, waarbij dan dus geldt g 1 = g = g 3 = g 5. Gezien de normering van T a, a = 1,...,8 en T a+0, a = 1,...,3, is duidelijk dat g 3 de koppelingsconstante van SU(3) is zoals we die in hoofdstuk 10 hebben ingevoerd, en g de koppelingsconstante g van SU() in het GSW-model. Bij de constante g 1 moeten we iets voorzichtiger zijn. De normering van de kinetische termen is zodanig dat we moeten kiezen voor A 4 µ = B µ, waarbij B µ het ijkveld van U(1) uit hoofdstuk 4 is. De koppeling van B µ aan een veld ψ met zwakke hyperlading Y was van de vorm 1 ig B µ Y ψ, zodat geldt: 1 ig Y = ig 1 T 4. (11.34) Dit vergelijken we nu met de vorm voor T 4, en de werkelijke waarden van Y voor bijvoorbeeld de 5-dimensionele representatie. Dat geeft dan: g = 3 5 g 1. (11.35) 105

106 Aangezien g /g = tan θ (zie hoofdstuk 4) vinden we: tan θ = sin θ = 3 8 3, 5 = (11.36) In het SU(5)-model (en in elke andere GUT) wordt dus een voorspelling van sin θ gedaan. Deze voorspelling is niet in overeenstemming met de werkelijke waarde (0.3), maar we moeten niet vergeten dat (11.36) is afgeleid in de veronderstelling dat SU(5) een exacte symmetrie is. In hoofdstuk 10 hebben we gezien dat de effectieve koppelingsconstante samenhangt met de energieschaal. We weten dat de koppelingsconstanten g 1 (U(1)), g (SU()) en g 3 (SU(3)) bij de energieën die met de huidige versnellers bereikt worden verschillende waarden hebben. De SU(5) theorie kan pas een rol gaan spelen bij die energieën waarvoor de interacties, behorend bij U(1), SU() en SU(3) van vergelijkbare sterkte zijn. We zullen zien dat dit bij zeer hoge energieën inderdaad het geval is. In dit verband moeten we (11.36) zien als een hoge-energie voorspelling voor een verhouding tussen effectieve koppelingsconstanten, die bij lage energieën een andere numerieke waarde kan hebben. We zullen hier later op terugkomen Het protonverval Bij welke energie moeten we de SU(5) symmetrie serieus nemen? Deze energie zal van dezelfde orde van grootte zijn als de massa de X- en Y -bosonen, zoals in het standaardmodel de massa van de W- en Z-bosonen de energieschaal van de zwakke interacties aangeeft. In het standaardmodel schatten we de massa van het W-boson als volgt. Het W-deeltje speelt een rol in het muon-verval. De levensduur van het muon is dan: τ µ 1 MW 4. (11.37) g 4 m 5 µ Met de aanname dat g van de orde e is, en de ontbrekende constante van de orde één, kunnen we dan M W schatten. In het SU(5) model hebben we onder andere interacties van de vorm: hetgeen aanleiding geeft tot de termen: oftewel: i ψ R, i γ µ ( iga a µt a ij ) ψ R, j + h.c. (11.38) g [ ψ 1 ψ ψ3 ] γ µ 1(1 + γ 5) 3 1 g i=1 Xµ 1 Yµ 1 Xµ Yµ Xµ 3 Yµ 3 [ ] ψ4 + h.c. (11.39) ψ 5 [ d i γ µ (1 + γ 5 ) X i µe c + d i γ µ (1 + γ 5 ) Y i µ ν c ] + h.c.. (11.40) 106

107 We zien dus dat het X-boson overgangen bewerkstelligt tussen d-quarks en positronen, en het Y -boson tussen d-quarks en neutrino s. We hebben maar één generatie bekeken, dus vinden we geen menging. De bijbehorende Feynman regels zijn: X de vertex : 1 igγ µ(1 + γ 5 )δ ij Y dν vertex : 1 igγ µ(1 + γ 5 )δ ij Op dezelfde manier kunnen we uit de bijdrage van de 10-dimensionale representatie de vertices tussen X- en Y -bosonen en u-quarks en leptonen bepalen. In het bijzonder zijn er vertices met een Y -boson, een u-quark en een positron, en vertices met een X-boson, een d-quark en een positron. Dit zijn de vertices die behoud van lepton-getal en baryon-getal breken. Gegeven dat deze unificatie theorie baryon- en/of leptongetal breekt, is een proces als het verval van het proton mogelijk. Een aantal mogelijke vervalswijzen voor het proton zijn in fig getekend. Figuur 11.1 Voorbeelden van processen die protonverval veroorzaken. Evenals bij het µ-verval zouden we een schatting willen maken van de massa van 107

108 het X- en Y -deeltje door te kijken naar het protonverval. Het protonverval is echter nog nooit waargenomen. In ieder geval geldt: τ p > jaar (11.41) voor de levensduur van het proton. De schatting van de massa het X- en Y -boson gaat op dezelfde manier als bij het muon-verval: τ p c 1 g 4 (M X,Y ) 4 m 5 p. (11.4) Met de veronderstelling dat g e en c 1 vinden we dan (M p /M µ = 938/105 = 9): zodat ( MX,Y M W ) 4 > ( mp m µ ) 5 M X,Y M W > 10 1, (11.43) M X,Y > GeV. (11.44) De X- en Y -deeltjes moeten dus zeker een zeer grote massa hebben; hun effect in het energiegebied van de W- en Z-bosonen is daarom te verwaarlozen De effectieve koppelingsconstanten Een andere manier om een waarde voor de karakteristieke energieschaal van de GUT-effecten te verkrijgen is door te kijken naar de effectieve koppelingsconstanten. We hebben al bepaald voor QCD: α 3 (q ) = α 3 (µ ), (11.45) 1 + 4πb 3 α 3 (µ ) ln q µ waaruit volgt 1 α 3 (q ) = 1 α 3 (µ ) + 4πb 3 ln q µ. (11.46) De factor b 3 wordt bepaald door de één-lus bijdragen aan de vacuumpolarisatie. Voor willekeurige niet-abelse ijkgroep G, en een koppeling van de ijkvelden aan N f Dirac fermionen in de fundamentele representatie van G, geldt b = 1 48π (11T A 4N f T F ). (11.47) Als we overgaan naar SU(3), met de gebruikelijke normering van de generatoren, vinden we dus b 3 = 1 48π (33 N 3). (11.48) 108

109 N 3 is het aantal soorten fermionen dat koppelt aan de gluonen. Voor SU() vinden we dan b = 1 48π ( N ), (11.49) waarbij N het aantal fermionen is dat aan de SU()-ijkvelden koppelt. Een U(1)- groep geeft alleen de bijdrage evenredig met het aantal fermion flavours: b 1 = 1 48π 4N 1, (11.50) aangezien nu de factor T F niet in rekening gebracht hoeft te worden. Figuur 11. Typisch vacumpolarisatie diagram dat bijdraagt aan het gedrag van de effectieve koppelingsconstantes. Om voor ons voorbeeld van unificatie in SU(5) te bepalen wat de getallen N 3, N 1 en N zijn, moeten we even terug naar de oorsprong van deze termen. Ze ontstaan doordat in de vacuumpolarisatie van een ijkveld een fermionlus optreedt (zie fig. 11.). Elk Dirac fermion draagt dan gelijkelijk bij, als de koppeling aan het ijkveld althans gelijk is. Voor SU(3) en SU() is dit laatste inderdaad het geval. Voor SU(3) vinden we dan dat N 3 gelijk is aan het aantal kleur-triplets, hetgeen gelijk is aan N f, het aantal quark flavours. We vinden dus dat N 3 = 6. Voor N moeten we het aantal doubletten van SU() tellen. Er zijn vier linkshandige doubletten per generatie, namelijk drie voor de quarks, die immers drie kleuren hebben, en één voor de leptonen. Totaal tellen we dus twaalf linkshandige doubletten. Een linkshandig fermion is echter geen Dirac fermion, omdat het rechtshandig deel ontbreekt, en draagt daarom met een factor 1/ bij in de berekening van de vaccuumpolarisatie, vergeleken bij een Dirac spinor 0. Daarom is ook N = 6. Kijken we tenslotte naar de U(1)-groep. De koppeling aan het ijkveld A 4 µ gaat met een sterkte die evenredig is met de eigenwaarde van T 4, en in het diagram van fig. 11. vinden we dus het kwadraat van deze eigenwaarde. We vinden daarom voor U(1): b 1 = 1 (40 48π N G) 0 De reden voor de factor 1/ is dat er in de vertices nu factoren 1 (1 ± γ5 ) staan. Na het uitwerken van de γ-matrices blijft één factor 1 (1 ± γ5 ) over. Bij het nemen van het spoor over de γ-matrices verdwijnt dan de bijdrage evenredig met γ 5, en blijft alleen de factor 1/ over. 109

110 = 1 48π N f. (11.51) Hierin is de factor 40/3 de som van de kwadraten van alle Y -eigenwaarden van de deeltjes in één generatie, 15/100 de normering van T 4, 1/ de correctie omdat elk van de fermionen links- dan wel rechts-handig is, en N G het aantal generaties. De afhankelijkheid van N f is dus voor de verschillende b i hetzelfde. Voor α 1 en α (α i = gi /4π) hebben we een soortgelijke vergelijking als (11.46), maar dan met b 1 resp. b. Dus geldt 1 α i (q ) 1 α i (M ) = 4πb i ln q M (i = 1,, 3). (11.5) Veronderstel nu dat de sterkte van de verschillende interacties bij een zekere waarde M aan elkaar gelijk worden: α i (M ) = α(m ). Dan geldt dus: 1 α 1 (q ) 1 α (q ) hetgeen onafhankelijk is van N f. Nu geldt: = 4π(b 1 b ) ln q M = q ln 1π M, (11.53) α 1 (q ) = 5 α(q ) 3 cos θ(q ), (11.54) α (q ) = met α(q ) = e (q )/4π. Dus vinden we: α(q ) sin θ(q ), (11.55) 1 α 1 (q ) 1 α (q ) = 11 q ln 6π M = 3 cos θ 5 α sin θ α (11.56) zodat we de volgende uitdrukking voor sin θ krijgen: sin θ(q ) = π α(q ) ln q M. (11.57) We krijgen sin θ(m ) = 3 : dit is de waarde van de Weinberg-hoek bij de unificatiemassa. Nemen we nu q = MW, dan vinden we 8 daarentegen: oftewel: sin θ(m W) = π α(m W) ln M W M, (11.58) [ ] M 4π = exp M W 55α(MW) (3 8 sin θ(mw)). (11.59) 110

111 Om M te berekenen moeten we dus sin θ(mw ) en α(m W ) kennen. Met de schattingen sin θ(mw ) = 0.3 en α 1 19 (niet 137, want dat is bij nog lagere energie!) vinden we: M = 10 1 M = GeV (11.60) M W De energie waarbij de koppelingsconstanten bij elkaar komen is dus niet ver verwijderd van de energie die we eerder vonden uit de limiet van het protonverval: we zien dat metingen voor het protonverval een wezenlijke restrictie voor M kunnen opleveren Conclusies Om te zien of een SU(5) unificatietheorie levensvatbaar is, is het dus belangrijk de running koppelingsconstanten, alsmede de levensduur van het proton nauwkeurig te bepalen. Figuur 11.3 Gedrag van de koppelingsconstanten als functie van q. Het beeld voor de koppelingsconstanten is weergegeven in fig De energieschaal wordt verdeeld in 4 gebieden: voor q > M is er een exacte SU(5) symmetrie en zijn alle ijkbosonen relatief licht. Een Higgs-mechanisme breekt SU(5), bij q = M, tot SU(3) SU() U(1). Voor q < M blijven de W- en Z-bosonen vrijwel massaloos, tot we bij q MW komen, waar SU() U(1) breekt tot de U(1) symmetrie van de Maxwell theorie. Voor deze unificatie is het natuurlijk belangrijk dat de derde koppelingsconstante, α 3, door het snijpunt gaat bij q = M. Met een redelijke schatting van α 3 (MW ) is dit inderdaad het geval! Een ander belangrijk punt is dat dit beeld een groot energiegebied openlaat tussen MW en M, waarin 111

112 niets gebeurt! Aangezien we de schaling van α i berekenen met de nu bekende deeltjes, veronderstellen we impliciet dat er geen nieuw niveau van elementaire deeltjes is tussen M W en M. Dit lege gebied wordt ook wel de woestijn genoemd. Zoals al opgemerkt, het SU(5) model is bedoeld als een typisch voorbeeld van een dergelijk GUT-model. Experimenteel is inmiddels de grens voor protonverval boven de jaar gekomen. (Het protonverval wordt onderzocht in grote, ondergrondse bassins, gevuld met water. Daarin zou een verval p e + π 0 waargenomen kunnen worden.) Hiermee is de experimentele ondergrens voor de unificatiemassa boven het snijpunt van de koppelingsconstanten komen te liggen. Daarmee is de basis van het SU(5) model wel heel wankel geworden. Echter, andere GUT s gebaseerd op andere groepen hebben dit probleem niet. De grafiek eindigt bij M Pl, de Planck-massa. Dit is de energiewaarde waarbij de structuur van de ruimte-tijd, en dus ook de quantumgravitatie, een rol begint te spelen. Als je algemene relativiteitstheorie gevolgd hebt, dan weet je dat een lichaam met massa m een Schwarzschildstraal r s = mg/c heeft. Als een lichaam geheel binnen zijn eigen Schwarzschildstraal zit, is het een zwart gat. In strikte zin zou dit dus zeker gelden voor elementaire puntdeeltjes! Een deeltje met impuls p heeft een Comptongolflengte λ = h p, (11.61) ook wel een maat voor de onzekerheid in de plaatscoördinaat voor een deeltje met impuls p. Als nu λ r s dan is het duidelijk dat de structuur van de ruimte-tijd en de elementaire deeltjes fysica elkaar ontmoeten. De bijbehorende impuls is mc voor een ultra relativistisch deeltje. Dus λ = r s betekent: h mc = mg m = hc c G M Pl (11.6) Dit correspondeert met M Pl = gram = GeV, dus enkele ordes van grootte boven de unificatiemassa. Elementaire deeltjes fysica bij de Planck massa vereist een quantumtheorie voor de gravitatie. Dit is nog altijd een onopgelost probleem, ondanks vele pogingen om tot een oplossing te komen. String theorie [64] zou een serieuze mogelijkheid zijn, maar heeft als nadeel dat het moeilijk is rechtstreeks contact te maken met de fysica van de elementaire deeltjes zelf. Ongetwijfeld zullen de ontwikkelingen in dit gebied in hoog tempo doorgaan. 11

113 A Appendix: Groepentheorie Bij de beschrijving van ijktheorieën van elementaire deeltjes is groepentheorie een handig instrument. Daarom volgt hier een samenvatting van de voor ons belangrijke definities en eigenschappen. A.1 Lie-groepen en Lie-algebras Een groep G is een verzameling waarop een product is gedefinieerd met de volgende eigenschappen: 1. (Geslotenheid) als g 1 en g elementen zijn van G, dan is ook g 3 = g 1 g element van G.. (Associativiteit) als g 1, g en g 3 elementen zijn van G, dan geldt (g 1 g ) g 3 = g 1 (g g 3 ). 3. (Eenheidselement) er is een element e van G met de eigenschap dat e g = g e = g voor elk element g van G. Hiervoor gebruiken we ook de symbolen g 0 of I. 4. (Inverse) als g element is van G dan is er een element g 1 van G met de eigenschap dat g 1 g = g g 1 = e. Is het product bovendien commutatief, dat wil zeggen g 1 g = g g 3 als g 1 en g elementen zijn van G, dan heet G abels. Is dit niet het geval dan heet G niet-abels. De door ons gebruikte groepen hebben een continue structuur; de elementen g kunnen gelabeld worden met continu variërende parameters α. We schrijven dan g = g(α 1,...,α n ). Dan geldt g(α 1,...,α n )g(β 1,...,β n ) = g(γ 1,...,γ n ) vanwege groepseigenschap (1). Zijn nu γ 1,...,γ n niet-singuliere analytische functies van α en β dan heet G een Lie-groep met n parameters. De volgende verzamelingen zijn voorbeelden van Lie-groepen. De N N unitaire matrices met matrixproduct. Deze groep heet U(N) en heeft N parameters. Unitariteit houdt in dat U U = UU = I. Dus is U de inverse van U en unitair, aan (4) is voldaan. Bovendien is U 3 = U 1 U unitair als U 1 en U dat zijn, de eenheidsmatrix is unitair, en omdat het product een matrixproduct is, is ook aan associativiteit voldaan. Deze verzameling voldoet dus aan de groepseigenschappen. In het bijzonder is U(1) een Liegroep, welke we kunnen representeren met U = e iα. Deze groep is bovendien abels. We zijn deze groep al tegengekomen bij de behandeling van QED. De N N unitaire matrices met matrixproduct en determinant 1. Deze groep heet SU(N) (special unitary group) en heeft vanwege de eis det U = 1 één 113

114 parameter minder dan U(N). Met behulp van det(ab) = det(a) det(b) is eenvoudig aan te tonen dat aan alle groepseisen is voldaan. De N N reële matrices O met matrixproduct, en de voorwaarde O T O = I. Dit zijn de orthogonale matrices, de groep heet O(N). Er zijn 1 N(N 1) parameters omdat O ki O kj = δ ij symmetrisch is in i en j en er dientengevolge N(N + 1) condities zijn. De extra eis det O = 1 geeft de groep SO(N). 1 We zullen nu de groep SU() wat meer in detail bekijken. Een element U is te schrijven als [ ] a b U =, (A.1) c d met a, b, c en d complex. Er geldt det U = ad bc = 1, en [ a U c = ] [ ] d b = U 1 =. (A.) c a b d Met a = a 0 + ia 3 en b = a + ia 1, a i reëel, volgt nu uit (A.) dat U te schrijven is als: [ ] a0 + ia U = 3 a + ia 1, (A.3) a + ia 1 a 0 ia 3 met a 0 + a 1 + a + a 3 = 1. We bekijken nu elementen van G in de omgeving van de eenheid (g 0 ). Zij g zo n element, dan schrijven we: n n g = exp(i ɛ a T a ) = g 0 + i ɛ a T a +..., a=1 a=1 (A.4) waarbij ɛ a infinitesimale parameters zijn en T a de generatoren van de groep. Sommatie over gelijkgenoemde indices zullen we nu verder impliciet veronderstellen. Deze generatoren zijn lineair onafhankelijk en spannen een vectorruimte op, de zogenaamde Lie-algebra van G. Ze worden gedefiniëerd door: T a = i α a g(α 1,...,α n ) g=g0. (A.5) Een eerste belangrijke eigenschap van de generatoren is dat de commutator van twee generatoren weer als een lineaire combinatie van generatoren te schrijven is. Er geldt [T a, T b ] = if ab c T c, (A.6) waarin f ab c constanten zijn, de zogenaamde structuurconstanten van G. Duidelijk is dat de structuurconstanten voldoen aan f ab c = f ba c. (A.7) 114

115 We kunnen (A.6) als volgt bewijzen. Neem twee groepselementen, g 1 en g in de buurt van de eenheid: g 1 = exp(iɛ a T a ) = g 0 + iɛ a T a + 1 (iɛa T a ), g = exp(iδ a T a ) = g 0 + iδ a T a + 1 (iδa T a ). Omdat G een groep is, is ook g 3 = g 1 g g 1 1 g 1 een element van G. We werken dit product uit tot termen kwadratisch in de generatoren: g 3 = g 1 g g1 1 g 1 = (g 0 + iɛ a T a + 1 (iɛa T a ) )(g 0 + iδ b T b + 1 (iδb T b ) ) (g 0 iɛ c T c + 1 (iɛc T c ) )(g 0 iδ d T d + 1 (iδd T d ) ) = g 0 ɛ a δ b T a T b + ɛ a δ d T a T d + δ b ɛ c T b T c ɛ c δ d T c T d = g 0 ɛ a δ b (T a T b T b T a ) = g 0 + i(iɛ a δ b [T a, T b ]) = g 0 + iη a T a. De laatste regel geldt omdat g 3 een groepselement is. Uit de laatste en voorlaatste regels volgt nu (A.6). Een tweede eigenschap is de Jacobi-identiteit, die volgt uit de associativiteit van de groep: [[T a, T b ], T c ] + [[T c, T a ], T b ] + [[T b, T c ], T a ] = 0. (A.8) Dit kan op soortgelijke wijze worden bewezen als (A.6). A. Representaties Een representatie van een groep G is een afbeelding van de groep naar een verzameling lineaire transformaties D(g), die werken op een vectorruimte (ook wel representatieruimte genoemd). Dus elk element g van G wordt gekoppeld aan een transformatie D(g). Deze transformaties voldoen ook weer aan de groepsstructuur, dus D(g 1 )D(g ) = D(g 1 g ). In feite zijn we zulke representaties al tegengekomen in de vorm van de definities van U(N), SU(N), etc. als matrixgroepen. De matrices werken, in het geval van (S)U(N) als lineaire transformaties in een complexe N- dimensionale ruimte. Deze representatie wordt wel de fundamentele representatie genoemd. De groepen waar wij in dit collegedictaat zullen tegenkomen, zoals SU(N), hebben oneindig veel representaties. We kunnen deze representaties onderscheiden in reducibele en irreducibele representaties. Zij V de representatieruimte behorend bij de representatie D. Als V geen invariante deelruimtes V heeft (deelruimtes die onder alle transformaties D(g) in zichzelf worden afgebeeld), behalve natuurlijk de triviale 0 en V zelf, dan heet de representatie D irreducibel, anders reducibel. 115

116 Als voorbeeld van een representatie beschouwen we de fundamentele representatie van SU(N). De bijbehorende representatieruimte wordt gevormd door complexe vectoren v van dimensie N. Beschouw een tweede ruimte met N-dimensionale complexe vectoren w. Dan geldt v i v i = U ijv j, w i w i = U ijw j. (A.9) We kunnen dan de N dimensionele complexe ruimte, die uit paren (v, w) bestaat, vormen. Een element kan dan geschreven worden als γ ij = v i w j, waarbij v i en w j componenten zijn van v en w. Omdat ze transformeren als in (A.9) kunnen we voor de transformatie van γ schrijven γ ij = v i w j = U iku jl v k w l = V ij,kl γ kl, (A.10) met V ij,kl = U ik U jl (A.11) Deze productrepresentatie is reducibel, want zowel het symmetrisch als het antisymmetrisch deel van de ruimte gevormd door (v, w) vormen invariante deelruimtes. Voor SU(N) blijken deze symmetrische en anti-symmetrische deelruimtes ireducibel te zijn. We geven nu een lijst van representaties van SU(N) die we in dit college zullen tegenkomen. fundamentele representatie (N-dimensionale representatieruimte) symmetrische representatie ( 1 N(N + 1)-dimensionaal) antisymmetrische representatie ( 1 N(N 1)-dimensinaal) geconjungeerde representatie (N-dimensionaal) Ga uit van de fundamentele representatie. Zij U hiervan een element, dan vormt de verzameling bestaande uit de elementen U ook een representatie. geadjungeerde representatie (N 1)-dimensionaal) Begin met de bij de fundamentele representatie behorende generatoren T a. Vanwege de commutatierelatie en de Jacobi-identiteit (A.8) en (A.7) vinden we: 0 = [T a [T b, T c ]] + [T c, [T a, T b ]] + [T b, [T c, T a ]] = f bc d [T b, T d ] + f ab d [T c, T d ] + f ca d [T b, T d ] = (f bc d f ad e + f ab d f cd e + f ca d f bd e )T e, zodat vanwege de lineaire onafhankelijkheid van de generatoren geldt: f bc d f ad e + f ab d f cd e + f ca d f bd e = 0. (A.1) 116

117 Definieer nu Dan kunnen we (A.1) herschrijven als (t a ) cb = if ab c. (A.13) [t a, t b ] = if ab c t c. (A.14) Dit is een representatie van de Lie-algebra en genereert een representatie van de groep. De indices nemen N 1 waarden aan voor SU(N). Het moge duidelijk zijn dat de geadjungeerde representatie voor elke niet-abelse Liegroep gedefinieerd kan worden. triviale representatie Elk element van de groep wordt afgebeeld op de eenheidstransformatie. Als voorbeeld van het bovenstaande beschouwen we de groep SU(). We kiezen als generatoren de matrices: τ i 1σ i, (A.15) waarbij de σ i de Pauli-matrices zijn: [ ] 0 1 σ 1 =, σ 1 0 = De structuurconstanten zijn dus [ 0 i i 0 ], σ 3 = [ ]. (A.16) [τ a, τ b ] = iɛ abc τ c. (A.17) Hierbij is ɛ abc de volledig anti-symmetrische tensor in drie indices, met ɛ 13 = 1. Elementen van de fundamentele representatie zijn dus U = exp(iɛ a τ a ). (A.18) Twee representaties D 1 (U) en D (U) heten equivalent als er een W, onafhankelijk van het groepselement U, is, zodanig dat D 1 (U) = WD (U)W 1. Vanwege σ a = I en σ σ aσ = σ a geldt σ U σ = U. (A.19) Dit is gemakkelijk na te gaan door U te ontwikkelen naar de matrices τ a, zoals in (A.3). De geconjungeerde en fundamentele representatie blijken dus voor SU() equivalent te zijn. Voor SU(N), N, is dit niet het geval. De geadjungeerde representatie wordt gegenereerd door de matrices (t a ) cb = iɛ abc. Deze matrices zijn anti-symmetrisch en zuiver imaginair, en genereren dus de groep SO(3) (zie de discussie in sectie (.1)). De expliciete uitdrukkingen zijn: t 1 = i , t = i , t 3 = i (A.0) 117

118 De fundamentele representatie van SO(3) wordt dus gegenereerd door dezelfde matrices als de geadjungeerde representatie van SU(). We concluderen dat de twee groepen isomorf zijn. Afsluitend nog enige opmerkingen. Veelal bekijken we representaties van de groep die volgen uit een representatie van de Lie-algebra. Dan krijgen we alleen dat deel van de groep dat continu verbonden is met de eenheid. De groep O(N) bestaat uit twee componenten, één met determinant 1, de ander met determinant 1. De eenheid zit in eerste component, die we SO(N) noemen. Dit is het gedeelte dat voor N = 3 isomorf is met SU(). De structuurconstanten van G hangen af van de basiskeuze die gemaakt wordt voor de generatoren. Voor de interne symmetriegroepen die we bij dit college tegenkomen kunnen we de basis zo kiezen dat deze bestaat uit hermitische matrices die voldoen aan tr(t a T b ) = T R δ ab (A.1) waar T R een constante is. Uit de hermiticiteit van de T a volgt dat f ab c reëel is: [T a, T b ] = T b T a T at b = [T a, T b ] = if ab c T c = if ab c T c = if ab c T c. Een gevolg van (A.1) is dat f abc volledig antisymmetrisch is. Dat kunnen we bewijzen door f abc te schrijven als: f abc = i tr([t a, T b ] T c ), (A.) en door gebruik te maken van de cyclische eigenschap van het spoor van een product van matrices. De constante T R in (A.1) hangt af van de representatie (dat is dan ook de betekenis van het label R). In het geval van SU(N) zullen we de fundamentele representatie steeds zo normaliseren dat T F = 1. De (t a) bc van de geadjungeerde representatie geven dan T A = N. Voor SU() is dit gemakkelijk te controleren. Met de generatoren van de Lie-algebra kunnen we ook de grootheid a T a T a (de kwadratische Casimir operator). Deze matrix is diagonaal: T a T a = C R I. a In het geval van SU(N) geldt C F = (N 1)/(N), C A = N. (A.3) 118

119 B Appendix : Het complete GSW-model De velden in het standaard model hebben specifieke eigenwaarden voor de operatoren Q, Y, T 3, B en Q L die in de tekst geïntroduceerd zijn. We verzamelen hier deze eigenwaarden in een tabel (zie Tabel B.1). deeltje Q Y T 3 B Q L ν e,l, ν µ,l, ν τ,l e L, µ L, τ L e R, µ R, τ R u L, c L, t L 3 u R, c R, t R 3 d L, s L, b L d R, s R, b R φ φ Tabel B.1 De deeltjes van het standaard model en hun quantumgetallen. We vermelden achtereenvolgens de electrische lading (in eenheden e), de zwakke hyperlading, de derde component van de zwakke isospin, het baryongetal, en het leptongetal. We merken op dat elke generatie leptonen een eigen, onafhankelijk, leptongetal heeft. We schrijven de Lagrangedichtheid van het standaardmodel in de volgende vorm: L GSW = L kin, fermion + L kin, ijk + L kin, Higgs +L (1) int + L () int + L (3) int + L (4) int + L (5) int +L QCD. (B.1) De onderdelen bevatten de volgende informatie: L kin, fermion L kin, ijk L kin, Higgs kinetische en massatermen voor de leptonen en quarks kinetische en massatermen voor de ijkvelden kinetische en massatermen voor het Higgsveld 119

120 L (1) int L () int L (3) int L () int L (5) int interacties tussen fermionen en ijkvelden interacties tussen ijkvelden onderling interacties tussen fermionen en Higgsveld interacties tussen ijkvelden en Higgsveld zelfinteracties Higgsveld L QCD alle bijdragen van gluonen We geven de fermion-velden aan met de naam van het betreffende deeltje van de eerste generatie, en een label A = 1,, 3 geeft dan de generatie aan. De massamatrices M AB voor de fermionen zijn diagonaal. De relatie tussen v, µ en λ is v = µ λ. We geven deze bijdragen nu zonder verder commentaar: (B.) L kin, fermion = 1 ν A(i δ AB )(1 γ 5 ) ν B + ē A (i δ AB M (e) AB) e B + ū A (i δ AB M (u) AB) u B + d A (i δ AB M (d) AB) d B, (B.3) L kin, ijk = 1 4 F µν(a)f µν (A) 1 4 ( µz ν ν Z µ ) 1(D µwν D νwµ )(Dµ W ν+ D ν W µ+ ), +e v ( 1 4 sin θ W µ + W µ sin θ cos θ (Z µ) ), (B.4) L kin, Higgs = 1 ( µη) µ η, (B.5) L (1) int = ea µ ( ē A γ µ e A + 3ūAγ µ u A 1 3 d A γ µ n A ) ez µ/(sin θ cosθ) ( ν A γ µ (1 γ 5 )ν A + ē A γ µ (4 sin θ 1 + γ 5 )e A + ūγ µ (1 8 3 sin θ γ 5 )u + dγ µ ( sin θ + γ 5 )d ) + + e sin θ ( ν Aγ µ (1 γ 5 )δ AB e B + ū A γ µ (1 γ 5 )U AB d B )W µ + e sin θ (ē Aγ µ (1 γ 5 )δ AB ν B + d A γ µ (1 γ 5 )U ABu B )Wµ (B.6), 10

121 L () int = 1ie cotθ ((D µwν D νwµ )(Zµ W ν+ Z ν W µ+ ) h.c.) 1 e cot θ (Z µ Wν Z νwµ )(Zµ W ν+ Z ν W µ+ ) + 1ie cot θ ( µz ν ν Z µ )(W µ+ W ν W µ W ν+ ) + 1ie ( µa ν ν A µ )(W µ+ W ν W µ W ν+ ) L (3) int L (4) + e 4 sin θ (W µ + W ν W µ W ν + )(W µ+ W ν W µ W ν+ ), (B.7) η = (ē A M (e) AB v e B + ū A M (u) AB u B + d A M (d) AB d B), (B.8) int = e (vη + η 1 )( 4 sin θ W µ + W µ sin θ cos θ (Z µ) ), (B.9) L (5) int = λv η λ η4, (B.10) L QCD = 1 4 F a µνf µνa + ga a µ(ūi A γ µ ( 1 λ) ij u j A + d i A γµ ( 1 λ) ij d j A ) (B.11) De massas van de W- en Z-bosonen zijn: M W = ev sin θ, M Z = ev sin θ cosθ (B.1) In L QCD geeft de index i de kleur van de quarks aan, i = 1,, 3, en zijn de λ i de standaard Gell-Mann matrices. De index a wordt gesommeerd van a = 1,

122 References [1] M. de Roo, Quantumveldentheorie, Collegedictaat Groningen [] S.H. Neddermeyer and C.D. Anderson, Note on the nature of cosmic-ray particles, Phys. Rev. 51 (1937) 884. [3] M. Perl et al., Evidence for anomalous lepton production in e + e annihilation, Phys. Rev. Lett. 35 (1975) [4] J.J. Aubert et al., Experimental evidence of a heavy particle J, Phys. Rev. Lett. 33 (1974) [5] J.-E. Augustin et al., Discovery of a narrow resonance in e + e annihilation, Phys. Rev. Lett. 33 (1974) [6] S.W. Herb et al., Observation of a dimuon resonance at 9.5 GeV in 400-GeV proton-nucleus collisions, Phys. Rev. Lett. 39 (1977) 5. [7] T.-P. Cheng en L.-F. Li, Gauge theory of elementary particle physics, Clarendon Press, Oxford [8] C.H. Lai, Gauge theory of weak and electromagnetic interactions, World Scientific, Singapore [9] R.N. Mohapatra en C.H. Lai, Gauge theories of fundamental interactions, World Scientific, Singapore [10] Review of Particle Properties, Phys Rev. D45 (199) S1. [11] R.N. Cahn en G. Goldhaber, The experimental foundations of particle physics, Cambridge University Press, Cambridge [1] C.N. Yang en R.L. Mills, Conservation of isotopic spin and isotopic gauge invariance, Phys. Rev. 96 (1954) 191. [13] L.D. Faddeev en V.N. Popov, Feynman diagrams for the Yang-Mills field, Phys. Lett. B5 (1967) 9. [14] S. Pokorski, Gauge field theories, Cambridge University Press, Cambridge [15] R.P. Feynman en M. Gell-Mann, Theory of the Fermi interaction, Phys. Rev. 109 (1958) 193. [16] T.D. Lee en C.N. Yang, Question of parity conservation in weak interactions, Phys. Rev. 104 (1956) 54. 1

123 [17] C.S. Wu et al., Experimental test of parity conservation in beta decay, Phys. Rev. 105 (1957) [18] S. Gasiorowicz, Quantum Physics, John Wiley, New York [19] C.H. Llewellyn Smith, High energy behaviour and gauge symmetry, Phys. Lett. B46 (1973) 33. [0] J.S. Bell, High-energy behavior of tree diagrams in gauge-theories, Nucl. Phys. B60 (1973) 47. [1] C. Itzykson en J.-B. Zuber, Quantum field theory, McGraw-Hill, New York [] S.L. Glashow, Partial-symmetries of weak interactions, Nucl. Phys. (1961) 579. [3] A. Salam en J.C. Ward, Electromagnetic and weak interactions, Phys. Lett. 13 (1964) 168. [4] S. Weinberg, A model of leptons, Phys. Rev. Lett. 19 (1967) 164. [5] A. Salam, Weak and electromagnetic interactions, in Elementary particle theory, ed. N. Svartholm, Almqvist and Wiksell, Stockholm [6] F. Hasert et al., Observation of neutrino-like interactions without muon or electron in the Gargamelle neutrino experiment, Phys. Lett. B46 (1973) 138. [7] J. Goldstone, Field theories with superconductor solutions, Nuovo Cimento 19 (1961) 154. [8] P.W. Higgs, Broken symmetry, massless particles and gauge fields, Phys. Lett. 1 (1964) 13. [9] P.W. Higgs, Spontaneous symmetry breakdown without massless bosons, Phys. Rev. 145 (1966) [30] Y. Nambu en G. Jona-Lasinio, Dynamical model of elementary particles based on an analogy with superconductuvity, Phys. Rev. 1 (1961) 345. [31] F. Englert en R. Brout, Broken symmetry and the mass of gauge vector bosons, Phys. Rev. Lett. 13 (1964) 31. [3] G.S. Guralnik, C.R. Hagen en T.W.B. Kibble, Global conservation laws and massless particles, Phys. Rev. Lett. 13 (1964)

124 [33] M. Gell-Mann en M. Lévy, An axial vector current in beta decay, Il Nuovo Cimento, 16 (1960) 705. [34] G. t Hooft, Renormalization of massless Yang-Mills fields, Nucl. Phys. B33 (1971) 173. [35] G. t Hooft, Renormalizable Lagrangians for massive Yang-Mills fields, Nucl. Phys. B35 (1971) 167. [36] M. Kobayashi en M. Maskawa, CP-violation in the renormalizable theory of weak interactions Prog. Theor. Phys. 49 (1973) 65. [37] N. Cabbibo, Unitary symmetry and leptonic decays, Phys. Rev. Lett. 10 (1963) 531. [38] UA 1 Collaboration, Experimental observation of isolated large transverse energy electrons with associated missing energy at s = 540 GeV, Phys. Lett. 1B (1983) 103. [39] UA Collaboration, Observation of single isolated electrons of high transverse momentum in events with missing transverse energy at the CERN p p-collider, Phys. Lett. 1B (1983) 476. [40] UA 1 Collaboration, Experimental observation of lepton pairs of invariant mass around 95 GeV/c at the CERN SPS collider Phys. Lett. 16B (1983) 398. [41] UA Collaboration, Evidence for Z 0 e + e at the CERN pp collider Phys. Lett. 19B (1983) 130. [4] J.F. Gunion, H.E. Haber, G.L. Kane en S. Dawson, The Higgs hunter s guide, Addison-Wesley [43] G.L. Kane, editor, Perspectives on Higgs physics, World Scientific, Singapore [44] K. Fujikawa, Path-integral measure for gauge-invariant fermion theories Phys. Rev. Lett. 4 (1979) [45] L.H. Ryder, Quantum Field Theory, Cambridge University Press, [46] CDF Collaboration, F. Abe et al., Evidence for top quark production in pp collisions at s = 1.8 TeV Phys. Rev. D50 (1994) 966. [47] J. Chadwick, Possible existence of a neutron, Nature 19 (193)

125 [48] C.M.G. Lattes, G.P.S.Occhialini en C.F. Powell, Observations on the track of slow meson in photographic emulsions, Nature 159 (1947) 694. [49] M. Gell-Mann, Isotopic spin and new unstable particles, Phys. Rev. 9 (1953) 833. [50] K. Nishjima en T. Nakano, Charge independence for V -particles, Prog. Theor. Phys. 10 (1953) 581. [51] M. Gell-Mann, The eight-fold way: a theory of strong interaction symmetry, CalTech Report CTSL-0, [5] M. Gell-Mann en Y. Ne eman, The eightfold way, Benjamin, New York [53] V. E. Barnes, Observation of a hyperon with strangeness minus three, Phys. Rev. Lett. 1 (1964) 04. [54] E.D. Bloom et al., High-energy inelastic ep scattering at 6 and 10, Phys. Rev. Lett. 3 (1969) 930. [55] M. Breidenbach et al., Observed behavior of highly inelastic electron-proton scattering, Phys. Rev. Lett. 3 (1969) 935. [56] O.W. Greenberg, Spin and unitary-spin independence in a paraquark model of baryons and mesons, Phys. Rev. Lett. 13 (1964) 598. [57] M.Y. Han en Y. Nambu, Three-triplet model with double SU(3) symmetry, Phys. Rev. 139 (1965) B1006. [58] H.D. Politzer, Reliable perturbative results for stong interactions?, Phys. Rev. Lett. 30 (1973) [59] D.J. Gross en F. Wilczek, Asymptotically free gauge theories I, Phys. Rev. D8 (1973) [60] S. Coleman, Aspects of symmetry; Selected Erice lectures, Cambridge University Press, Cambridge [61] P. Ramond, Field theory; a modern primer, Benjamin/Cummings, Reading, Mass [6] H. Georgi en S. Glashow, Unity of all elementary-particle forces, Phys. Rev. Lett. 3 (1974) 438. [63] A.J. Buras, J. Ellis, M.K. Gaillard en D.V. Nanopoulos, Aspects of the grand unification of strong, weak and electromagnetic interactions, Nucl. Phys. B135 (1978)

126 [64] M.B. Green, J.H. Schwarz en E. Witten, Superstring theory; Volumes I and II, Cambridge University Press, Cambridge

H2: Het standaardmodel

H2: Het standaardmodel H2: Het standaardmodel 2.1 12 Fundamentele materiedeeltjes De elementaire deeltjes worden in 2 groepen opgedeeld volgens spin (aantal keer dat een deeltje rond zijn eigen as draait), de fermionen zijn

Nadere informatie

Vorig college: Geladen leptonen: e, μ, τ Neutrino s Pionen, vreemde deeltjes Hadronen: mesonen en baryonen Quarks: u, d, s Zware quarks: c, b, t

Vorig college: Geladen leptonen: e, μ, τ Neutrino s Pionen, vreemde deeltjes Hadronen: mesonen en baryonen Quarks: u, d, s Zware quarks: c, b, t Vorig college: Geladen leptonen: e, μ, τ Neutrino s Pionen, vreemde deeltjes Hadronen: mesonen en baryonen Quarks: u, d, s Zware quarks: c, b, t Vragen? Inleiding elementaire deeltjes fysica College

Nadere informatie

De Dirac vergelijking

De Dirac vergelijking De Dirac vergelijking Alexander Sevrin 1 Inleiding Deze nota s geven een korte inleiding tot de Dirac vergelijking en haar eigenschappen. Kennis van de Dirac vergelijking is onontbeerlijk bij de studie

Nadere informatie

Elementaire Deeltjesfysica

Elementaire Deeltjesfysica Elementaire Deeltjesfysica FEW Cursus Jo van den Brand 10 November, 2009 Structuur der Materie Inhoud Inleiding Deeltjes Interacties Relativistische kinematica Lorentz transformaties Viervectoren Energie

Nadere informatie

Symmetie en Symmetrie. in het Standaard Model

Symmetie en Symmetrie. in het Standaard Model Symmetie en Symmetrie in het Standaard Model Eric Laenen Utrecht Het Higgs deeltje Wat weet U wellicht al? - Higgs deeltje is klein (en duur) - media noemen het te vaak God-deeltje? - wordt gezocht onder

Nadere informatie

Het Standaardmodel. HOVO college Teylers 20 maart 2012 K.J.F.Gaemers

Het Standaardmodel. HOVO college Teylers 20 maart 2012 K.J.F.Gaemers Het Standaardmodel HOVO college Teylers 20 maart 2012 K.J.F.Gaemers 20 maart 2012 HOVO 2012 I 2 20 maart 2012 HOVO 2012 I 3 C12 atoom 6 elektronen 6 protonen 6 neutronen 20 maart 2012 HOVO 2012 I 4 20

Nadere informatie

Elementaire Deeltjesfysica

Elementaire Deeltjesfysica Elementaire Deeltjesfysica FEW Cursus Jo van den Brand 24 November, 2008 Structuur der Materie Inhoud Inleiding Deeltjes Interacties Relativistische kinematica Lorentz transformaties Viervectoren Energie

Nadere informatie

Higgs-mechanisme: het bestaan van W- en Z-bosonen

Higgs-mechanisme: het bestaan van W- en Z-bosonen Chapter Higgs-mechanisme: het bestaan van W- en Z-bosonen. De Higgs-Lagrangiaan Beschouwd wordt de volgende Lagrangiaan L : L = 2 µφ µ φ + 2 µφ 2 µ φ 2 + 2 µ2 φ 2 + 2 µ2 φ 2 4 λ φ 2 + φ 2 2 2.. Deze Lagrangiaan

Nadere informatie

Elementaire Deeltjesfysica

Elementaire Deeltjesfysica Elementaire Deeltjesfysica FEW Cursus Jo van den Brand & Tjonnie Li 1 December, 2009 Structuur der Materie Inhoud Inleiding Deeltjes Interacties Relativistische kinematica Lorentz transformaties Viervectoren

Nadere informatie

Majorana Neutrino s en Donkere Materie

Majorana Neutrino s en Donkere Materie ? = Majorana Neutrino s en Donkere Materie Patrick Decowski [email protected] Majorana mini-symposium bij de KNAW op 31 mei 2012 Elementaire Deeltjes Elementaire deeltjes en geen quasi-deeltjes! ;-) Waarom

Nadere informatie

Elementaire Deeltjesfysica

Elementaire Deeltjesfysica Elementaire Deeltjesfysica FEW Cursus Jo van den Brand 3 November, 2009 Structuur der Materie Inhoud Inleiding Deeltjes Interacties Relativistische kinematica Lorentz transformaties Viervectoren Energie

Nadere informatie

Symmetrie en behoudswetten spelen een belangrijke rol in de beschrijving en het begrip van interacties tussen elementaire deeltjes.

Symmetrie en behoudswetten spelen een belangrijke rol in de beschrijving en het begrip van interacties tussen elementaire deeltjes. Symmetrie en behoudswetten spelen een belangrijke rol in de beschrijving en het begrip van interacties tussen elementaire deeltjes. Interacties zullen plaats grijpen voor zover ze kinematisch toegelaten

Nadere informatie

Yang-Mills theorie: het bestaan van gluonen

Yang-Mills theorie: het bestaan van gluonen Chapter 9 Yang-Mills theorie: het bestaan van gluonen In het vorige Hoofdstuk hebben we gezien dat de eis van lokale ijkinvariantie direct leidt tot het bestaan van het Maxwell veld, en daarmee de electromagnetische

Nadere informatie

Quantummechanica en Relativiteitsleer bij kosmische straling

Quantummechanica en Relativiteitsleer bij kosmische straling Quantummechanica en sleer bij kosmische straling Niek Schultheiss 1/19 Krachten en krachtdragers Op kerndeeltjes werkt de zwaartekracht. Op kerndeeltjes werkt de elektromagnetische kracht. Kernen kunnen

Nadere informatie

Symmetrie en behoudswetten spelen een belangrijke rol in de beschrijving en het begrip van

Symmetrie en behoudswetten spelen een belangrijke rol in de beschrijving en het begrip van Symmetrie en behoudswetten spelen een belangrijke rol in de beschrijving en het begrip van interacties ti tussen elementaire deeltjes. Interacties ti zullen plaats grijpen voor zover ze kinematisch toegelaten

Nadere informatie

Elementaire Deeltjesfysica

Elementaire Deeltjesfysica Elementaire Deeltjesfysica FEW Cursus Jo van den Brand 17 November, 2008 Structuur der Materie Inhoud Inleiding Deeltjes Interacties Relativistische kinematica Lorentz transformaties Viervectoren Energie

Nadere informatie

De wisselwerkingen tussen elementaire deeltjes worden experimenteel bestudeerd aan de hand van botsingen tussen deeltjes of het verval van deeltjes.

De wisselwerkingen tussen elementaire deeltjes worden experimenteel bestudeerd aan de hand van botsingen tussen deeltjes of het verval van deeltjes. De wisselwerkingen tussen elementaire deeltjes worden experimenteel bestudeerd aan de hand van botsingen tussen deeltjes of het verval van deeltjes. Deze wisselwerkingen geschieden via de kortstondige

Nadere informatie

Deel 1: in het Standaard Model bestaan er 3 generaties (flavours) neutrino s. dit werd met grote precisie bevestigd door de metingen bij de LEP

Deel 1: in het Standaard Model bestaan er 3 generaties (flavours) neutrino s. dit werd met grote precisie bevestigd door de metingen bij de LEP In dit hoofdstuk worden eerst de ontdekkingen van de neutrale en geladen leptonen besproken. Vervolgens wordt de ontdekking van het pion besproken, nauw verbonden met de ontdekking van het muon. Ten slotte

Nadere informatie

VERENIGDE DEELTJESINTERACTIES

VERENIGDE DEELTJESINTERACTIES VERENIGDE DEELTJESINTERACTIES Alle verschijnselen om ons heen en in het heelal kunnen uitgelegd worden met vier basiskrachten: gravitatie, elektromagnetisme, sterke en zwakke wisselwerking. Op het eerste

Nadere informatie

Relativistische quantummechanica

Relativistische quantummechanica Chapter 6 Relativistische quantummechanica 6. De Klein-Gordon vergelijking 6.. Afleiding van de Klein-Gordon vergelijking In het voorgaande hebben we gezien dat we een klassieke bewegingsvergelijking kunnen

Nadere informatie

IJkinvariantie: het bestaan van fotonen

IJkinvariantie: het bestaan van fotonen Chapter 8 IJkinvariantie: het bestaan van fotonen 8.1 Globale ijkinvariantie van het Klein-Gordon veld Het complexe Klein-Gordon veld φ is een complexe functie: het kan, zoals elke complexe functie, worden

Nadere informatie

Prof.dr. A. Achterberg, IMAPP

Prof.dr. A. Achterberg, IMAPP Prof.dr. A. Achterberg, IMAPP www.astro.ru.nl/~achterb/ Populaire ideeën: - Scalair quantumveld met de juiste eigenschappen; (zoiets als Higgs Veld) - Willekeurig scalair quantum veld direct na de Oerknal

Nadere informatie

In de hoge-energiefysica werken we met deeltjes die hoge snelheden bezitten, soms zeer dicht bij de

In de hoge-energiefysica werken we met deeltjes die hoge snelheden bezitten, soms zeer dicht bij de In de hoge-energiefysica werken we met deeltjes die hoge snelheden bezitten, soms zeer dicht bij de lichtsnelheid c (in vacuüm). De fysische wetten die de interacties tussen deze deeltjes beschrijven mogen

Nadere informatie

Gravitatie en kosmologie

Gravitatie en kosmologie Gravitatie en kosmologie FEW Cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Speciale relativiteitstheorie: 7 oktober 2013 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica Galileo, Newton Lagrange formalisme

Nadere informatie

2 Samenvatting symmetrie en symmetriebreking. Symmetrieën zijn nauw verbonden met behoudswetten. Zo impliceert translatiesymmetrie het behoud van impu

2 Samenvatting symmetrie en symmetriebreking. Symmetrieën zijn nauw verbonden met behoudswetten. Zo impliceert translatiesymmetrie het behoud van impu Samenvatting Verschijnselen in de natuur te begrijpen door de samenstellende delen ervan te bestuderen is een belangrijk wetenschappelijk paradigma. In feite ligt hieraan dus de idee ten grondslag dat

Nadere informatie

Deeltjes en velden. HOVO Cursus. Jo van den Brand 26 september

Deeltjes en velden. HOVO Cursus. Jo van den Brand 26 september Deeltjes en velden HOVO Cursus Jo van den Brand 26 september 2013 [email protected] Docent informatie Overzicht Jo van den Brand & Gideon Koekoek Email: [email protected] en [email protected] 0620 539 484 / 020

Nadere informatie

Wetenschappelijke Nascholing Deel 1: Van de alchemisten tot het Higgs-deeltje

Wetenschappelijke Nascholing Deel 1: Van de alchemisten tot het Higgs-deeltje Wetenschappelijke Nascholing Deel 1: Van de alchemisten tot het Higgs-deeltje Dirk Ryckbosch Fysica en Sterrenkunde 9 oktober 2017 Dirk Ryckbosch (Fysica en Sterrenkunde) Elementaire Deeltjes 9 oktober

Nadere informatie

2.1 Elementaire deeltjes

2.1 Elementaire deeltjes HiSPARC High-School Project on Astrophysics Research with Cosmics Interactie van kosmische straling en aardatmosfeer 2.1 Elementaire deeltjes Bij de botsing van een primair kosmisch deeltje met een zuurstof-

Nadere informatie

Kromming van ruimtetijd vereist een verdubbeling van het aantal vrijheidsgraden.

Kromming van ruimtetijd vereist een verdubbeling van het aantal vrijheidsgraden. 3/13/2008 1:31:25 Kromming van ruimtetijd vereist een verdubbeling van het aantal vrijheidsgraden. Hieronder zal hier op worden ingegaan, waarbij gebruik gemaakt wordt van [1]. Het gravitatieveld, veroorzaakt

Nadere informatie

Elementaire Deeltjesfysica

Elementaire Deeltjesfysica Elementaire Deeltjesfysica FEW Cursus 27 Oktober, 2009 Structuur der Materie Docent informatie Email: [email protected] Overzicht 0620 539 484 / 020 598 7900 Kamer: T2.69 Rooster informatie Dinsdag 13:30 15:15,

Nadere informatie

Deeltjesfysica in vogelvlucht. Frank Filthaut Radboud Universiteit Nijmegen / Nikhef

Deeltjesfysica in vogelvlucht. Frank Filthaut Radboud Universiteit Nijmegen / Nikhef Deeltjesfysica in vogelvlucht Frank Filthaut Radboud Universiteit Nijmegen / Nikhef Inhoud: Op zoek naar het kleinste Deeltjes en interacties: het Standaardmodel De Large Hadron Collider Deel 1: Op zoek

Nadere informatie

Schoolexamen Moderne Natuurkunde

Schoolexamen Moderne Natuurkunde Schoolexamen Moderne Natuurkunde herkansing Natuurkunde 1,2 VWO 6 18 april 2005 Tijdsduur: 90 minuten Deze toets bestaat uit twee delen (I en II). In deel I wordt basiskennis getoetst via meerkeuzevragen

Nadere informatie

Het berekenbare Heelal

Het berekenbare Heelal Het berekenbare Heelal 1 BETELGEUSE EN HET DOPPLEREFFECT HET IS MAAR HOE JE HET BEKIJKT NAAR EEN GRENS VAN HET HEELAL DE STRINGTHEORIE HET EERSTE BEREKENDE WERELDBEELD DE EERSTE SECONDE GUT, TOE, ANTROPISCH

Nadere informatie

Schoolexamen Moderne Natuurkunde

Schoolexamen Moderne Natuurkunde Schoolexamen Moderne Natuurkunde Natuurkunde 1,2 VWO 6 4 april 2005 Tijdsduur: 90 minuten Deze toets bestaat uit twee delen (I en II). In deel I wordt basiskennis getoetst via meerkeuzevragen. Deel II

Nadere informatie

vorige First Encounter

vorige First Encounter First Encounter Hét Standaard Model...van de deeltjesfysica : Willem Haverkort #Woorden: Geschatte leestijd: Moeilijkheidsgraad: Voorkennis: Bijpassend drankadvies: 4571 lang vorige First Encounter morfine

Nadere informatie

Gravitatie en kosmologie

Gravitatie en kosmologie Gravitatie en kosmologie FEW Cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Speciale relativiteitstheorie: 29 September 2015 Copyright (C) Vrije Universiteit 2009 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica

Nadere informatie

(a) Noem twee eigenschappen die quarks en leptonen met elkaar gemeen hebben.

(a) Noem twee eigenschappen die quarks en leptonen met elkaar gemeen hebben. Uitwerkingen HiSPARC Elementaire deeltjes C.G.N. van Veen 1 Hadronen Opdracht 1: Elementaire deeltjes worden onderverdeeld in quarks en leptonen. (a) Noem twee eigenschappen die quarks en leptonen met

Nadere informatie

Quantum theorie voor Wiskundigen. Velden en Wegen in de Wiskunde

Quantum theorie voor Wiskundigen. Velden en Wegen in de Wiskunde Quantum theorie voor Wiskundigen door Peter Bongaarts (Rotterdam) bij het afscheidssymposium Velden en Wegen in de Wiskunde voor Henk Pijls Korteweg-de Vries Instituut voor Wiskunde Universiteit van Amsterdam,

Nadere informatie

Zoektocht naar de elementaire bouwstenen van de natuur

Zoektocht naar de elementaire bouwstenen van de natuur Zoektocht naar de elementaire bouwstenen van de natuur Het atoom: hoe beter men keek hoe kleiner het leek Ivo van Vulpen CERN Mijn oude huis Anti-materie ATLAS detector Gebouw-40 globe 21 cctober, 2006

Nadere informatie

nieuw deeltje deeltje 1 deeltje 2 deeltje 2 tijd

nieuw deeltje deeltje 1 deeltje 2 deeltje 2 tijd Samenvatting Inleiding De kern Een atoom bestaat uit een kern en aan de kern gebonden elektronen, die om de kern cirkelen. Dat de elektronen aan de kern gebonden zijn, komt doordat er een kracht werkt

Nadere informatie

LIE-GROEPEN IN DE FYSICA. Instituut voor Theoretische Fysica Universiteit Utrecht Faculteit Natuur- en Sterrenkunde

LIE-GROEPEN IN DE FYSICA. Instituut voor Theoretische Fysica Universiteit Utrecht Faculteit Natuur- en Sterrenkunde LIE-GROEPEN IN DE FYSICA Instituut voor Theoretische Fysica Universiteit Utrecht Faculteit Natuur- en Sterrenkunde 2006 M.J.G. Veltman B.Q.P.J. de Wit G. t Hooft INHOUD 1 1. Inleiding 1 2. Quantummechanica

Nadere informatie

Chapter 7. Het formalisme van Lagrange. 7.1 Het Principe van Extreme Actie

Chapter 7. Het formalisme van Lagrange. 7.1 Het Principe van Extreme Actie Chapter 7 Het formalisme van Lagrange 7.1 Het Principe van Extreme Actie De bewegingswetten van Newton zijn algemeen bekend. De bekendste is waarschijnlijk dat deeltjes zich in een rechte lijn en met constante

Nadere informatie

Schoolexamen Moderne Natuurkunde

Schoolexamen Moderne Natuurkunde Schoolexamen Moderne Natuurkunde Natuurkunde 1,2 VWO 6 31 maart 2008 Tijdsduur: 90 minuten Deze toets bestaat uit twee delen (I en II). Deel I bestaat uit meerkeuzevragen, deel II uit open vragen. De meerkeuzevragen

Nadere informatie

Samenvatting. Deeltjesfysica en het Standaard Model

Samenvatting. Deeltjesfysica en het Standaard Model Samenvatting Deeltjesfysica en het Standaard Model In de loop van de geschiedenis zijn wetenschappers bezig geweest met het maken van classificaties van de natuur. De moderne beschrijving van atomen kwam

Nadere informatie

Chapter 10. Quantumveldentheorie

Chapter 10. Quantumveldentheorie Chapter 10 Quantumveldentheorie In het voorgaande hebben we de relativistische quantummechanica in groot detail bestudeerd. We hebben gezien hoe we de speciale relativiteitstheorie kunnen inbouwen in de

Nadere informatie

FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE Afdeling Kwantitatieve Economie

FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE Afdeling Kwantitatieve Economie FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE Afdeling Kwantitatieve Economie Lineaire Algebra, tentamen Uitwerkingen vrijdag 4 januari 0, 9 uur Gebruik van een formuleblad of rekenmachine is niet toegestaan. De

Nadere informatie

Het mysterie van massa massa, ruimte en tijd

Het mysterie van massa massa, ruimte en tijd Het mysterie van massa massa, ruimte en tijd http://www.nat.vu.nl/~mulders P.J. Mulders home Massa: zwaartekracht zware massa Mm G 2 R zwaartekracht = trage massa 2 v = m R versnelling a c bij cirkelbeweging

Nadere informatie

1 De Hamilton vergelijkingen

1 De Hamilton vergelijkingen 1 De Hamilton vergelijkingen Gegeven een systeem met m vrijheidsgraden, geparametriseerd door m veralgemeende coördinaten q i, i {1,, m}, met lagrangiaan L(q, q, t). Nemen we de totale differentiaal van

Nadere informatie

Schoolexamen Moderne Natuurkunde

Schoolexamen Moderne Natuurkunde Schoolexamen Moderne Natuurkunde Natuurkunde 1,2 VWO 6 16 april 2007 Tijdsduur: 90 minuten eze toets bestaat uit twee delen (I en II). In deel I wordt basiskennis getoetst via meerkeuzevragen. eel II bestaat

Nadere informatie

Higgs en de Kosmos Niels Tuning (Nikhef) 31 oktober 2013

Higgs en de Kosmos Niels Tuning (Nikhef) 31 oktober 2013 Higgs en de Kosmos Niels Tuning (Nikhef) 31 oktober 2013 De Higgs Waar gaat het over? Woensdag 4 juli 2012 Waarom is dit belangrijk? De Higgs Waar gaat het over? Dinsdag 8 oktober 2013 for the theoretical

Nadere informatie

Higgs-deeltje. Peter Renaud Heideheeren. Inhoud

Higgs-deeltje. Peter Renaud Heideheeren. Inhoud Higgs-deeltje Peter Renaud Heideheeren Inhoud 1. Onze fysische werkelijkheid 2. Newton Einstein - Bohr 3. Kwantumveldentheorie 4. Higgs-deeltjes en Higgs-veld 3 oktober 2012 Heideheeren 2 1 Plato De dingen

Nadere informatie

De bouwstenen van het heelal Aart Heijboer

De bouwstenen van het heelal Aart Heijboer De bouwstenen van het heelal Aart Heijboer 13 Jan 2011, Andijk slides bekijken: www.nikhef.nl/~t61/outreach.shtml verdere vragen: [email protected] Het grootste foto toestel ter wereld Magneten

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting Titel vertaling: Strategieën voor de Jacht op Nieuwe Fysica met Strange Beauty Mesonen Deeltjesfysica De wetten van de natuur onderbouwen, althans in principe, alle observaties

Nadere informatie

In hoofdstuk V werden de verschillende soorten interacties besproken die relevant zijn voor

In hoofdstuk V werden de verschillende soorten interacties besproken die relevant zijn voor In hoofdstuk V werden de verschillende soorten interacties besproken die relevant zijn voor elementaire deeltjes. Wij hebben gezien dat de dynamica van de interactie ti beschreven wordt bij middel van

Nadere informatie

Elementaire deeltjes 2 College 8 Maandag 23 maart 2009

Elementaire deeltjes 2 College 8 Maandag 23 maart 2009 Elementaire deeltjes 2 College 8 Maandag 23 maart 2009 Stan Bentvelsen Nikhef Kruislaan 409-1098 SJ Amsterdam Kamer H250 tel 020 592 5140 [email protected] Materiaal Lezen van hoofdstuk 6! Niet 6.7 en

Nadere informatie

De ontdekking van het Higgs boson. Ivo van Vulpen

De ontdekking van het Higgs boson. Ivo van Vulpen De ontdekking van het Higgs boson Ivo van Vulpen CERN in Genève, Zwitserland Mijn oude huis ATLAS experiment vergaderen hotel kantine directeur theoreten Deeltjesfysica 10-15 m atoom kern Wat zijn de bouwstenen

Nadere informatie

versie 21 februari 2013 Quantumtheorie J.W. van Holten NIKHEF Amsterdam LION Universiteit Leiden

versie 21 februari 2013 Quantumtheorie J.W. van Holten NIKHEF Amsterdam LION Universiteit Leiden versie 21 februari 2013 Quantumtheorie J.W. van Holten NIKHEF Amsterdam en LION Universiteit Leiden c 1 Deeltje-golf dualisme Een vlakke golf wordt gekenmerkt door een golflengte λ en een periode T, of

Nadere informatie

Aanvullingen bij Hoofdstuk 8

Aanvullingen bij Hoofdstuk 8 Aanvullingen bij Hoofdstuk 8 8.5 Definities voor matrices De begrippen eigenwaarde eigenvector eigenruimte karakteristieke veelterm en diagonaliseerbaar worden ook gebruikt voor vierkante matrices los

Nadere informatie

3.2 Vectoren and matrices

3.2 Vectoren and matrices we c = 6 c 2 = 62966 c 3 = 32447966 c 4 = 72966 c 5 = 2632833 c 6 = 4947966 Sectie 32 VECTOREN AND MATRICES Maar het is a priori helemaal niet zeker dat het stelsel vergelijkingen dat opgelost moet worden,

Nadere informatie

Schoolexamen Moderne Natuurkunde

Schoolexamen Moderne Natuurkunde Schoolexamen Moderne Natuurkunde Natuurkunde 1,2 VWO 6 6 april 2009 Tijdsduur: 90 minuten eze toets bestaat uit twee delen (I en II). eel I bestaat uit meerkeuzevragen, deel II uit open vragen. e meerkeuzevragen

Nadere informatie

1 Uitgewerkte opgaven: relativistische kinematica

1 Uitgewerkte opgaven: relativistische kinematica 1 Uitgewerkte opgaven: relativistische kinematica 1. Impuls van een π + meson Opgave: Een π + heeft een kinetische energie van 200 MeV. Bereken de impuls in MeV/c. Antwoord: Een π + meson heeft een massa

Nadere informatie

(a) Noem twee eigenschappen die quarks en leptonen met elkaar gemeen hebben.

(a) Noem twee eigenschappen die quarks en leptonen met elkaar gemeen hebben. Werkbladen HiSPARC Elementaire deeltjes C.G.N. van Veen 1 Hadronen Opdracht 1: Elementaire deeltjes worden onderverdeeld in quarks en leptonen. (a) Noem twee eigenschappen die quarks en leptonen met elkaar

Nadere informatie

Alfastraling bestaat uit positieve heliumkernen (2 protonen en 2 neutronen) met veel energie. Wordt gestopt door een blad papier.

Alfastraling bestaat uit positieve heliumkernen (2 protonen en 2 neutronen) met veel energie. Wordt gestopt door een blad papier. Alfa -, bèta - en gammastraling Al in 1899 onderscheidde Ernest Rutherford bij de uraniumstraling "minstens twee" soorten: één die makkelijk wordt geabsorbeerd, voor het gemak de 'alfastraling' genoemd,

Nadere informatie

De zoektocht naar het Higgs boson. Ivo van Vulpen

De zoektocht naar het Higgs boson. Ivo van Vulpen De zoektocht naar het Higgs boson Ivo van Vulpen Als de Higgs ontdekt wordt gaat het de geschiedenisboeken in Als de Higgs niet ontdekt wordt gaat het ook de geschiedenisboeken in Real Madrid - Barcelona

Nadere informatie

Bekijk nog een keer het stelsel van twee vergelijkingen met twee onbekenden x en y: { De tweede vergelijking van de eerste aftrekken geeft:

Bekijk nog een keer het stelsel van twee vergelijkingen met twee onbekenden x en y: { De tweede vergelijking van de eerste aftrekken geeft: Determinanten Invoeren van het begrip determinant Bekijk nog een keer het stelsel van twee vergelijkingen met twee onbekenden x en y: { a x + b y = c a 2 a 2 x + b 2 y = c 2 a Dit levert op: { a a 2 x

Nadere informatie

Het ongrijpbare Higgs-deeltje gegrepen

Het ongrijpbare Higgs-deeltje gegrepen Het Standaardmodel Het ongrijpbare Higgs-deeltje gegrepen Lezing 13 februari 2015 - Koksijde Christian Rulmonde Er zijn 18 elementaire deeltjes waaruit de materie is opgebouwd. Ook de deeltjes die de natuurkrachten

Nadere informatie

Deeltjes en velden. symmetrieën in de deeltjesfysica. door. Prof.dr Johannes F.J. van den Brand

Deeltjes en velden. symmetrieën in de deeltjesfysica. door. Prof.dr Johannes F.J. van den Brand Deeltjes en velden symmetrieën in de deeltjesfysica door Prof.dr Johannes F.J. van den Brand Afdeling Natuurkunde en Sterrenkunde Faculteit der Exacte Wetenschappen Vrije Universiteit, Amsterdam en Nationaal

Nadere informatie

Deeltjes en velden. HOVO Cursus. Jo van den Brand 31 oktober

Deeltjes en velden. HOVO Cursus. Jo van den Brand 31 oktober Deeltjes en velden HOVO Cursus Jo van den Brand 31 oktober 2013 [email protected] Docent informatie Overzicht Jo van den Brand & Gideon Koekoek Email: [email protected] en [email protected] 0620 539 484 / 020 592

Nadere informatie

Tentamen Quantum Mechanica 2

Tentamen Quantum Mechanica 2 Tentamen Quantum Mechanica 9 juni 5 Het tentamen bestaat uit 4 opgaven, waarmee in totaal 9 punten zijn te verdienen. Schrijf op elk vel dat je inlevert je naam, voorletters en studentnummer.. (a) (5 punten)

Nadere informatie

Studie van het geladen Brout-Englert-Higgs boson aan de nieuwe LHC versneller

Studie van het geladen Brout-Englert-Higgs boson aan de nieuwe LHC versneller Vrije Universiteit Brussel Faculteit Wetenschappen Studie van het geladen Brout-Englert-Higgs boson aan de nieuwe LHC versneller Jan HEYNINCK Promotor: Prof. S. Tavernier Begeleider: S. Lowette Academiejaar:

Nadere informatie

EEN ONTDEKKINGSREIS NAAR HET ALLERKLEINSTE EN ALLERGROOTSTE

EEN ONTDEKKINGSREIS NAAR HET ALLERKLEINSTE EN ALLERGROOTSTE 10 maart 2014 EEN ONTDEKKINGSREIS NAAR HET ALLERKLEINSTE EN ALLERGROOTSTE PUBLIC SCIENCE MET PIET MULDERS, JAN VAN DEN BERG EN SABRINA COTOGNO Inhoud Proloog De atomaire wereld De subatomaire wereld. De

Nadere informatie

Higgs en de Kosmos Niels Tuning (Nikhef) Hoorn, 15 april 2014

Higgs en de Kosmos Niels Tuning (Nikhef) Hoorn, 15 april 2014 Higgs en de Kosmos Niels Tuning (Nikhef) Hoorn, 15 april 2014 De Higgs Waar gaat het over? Woensdag 4 juli 2012 Waarom is dit belangrijk? De Higgs Waar gaat het over? Dinsdag 8 oktober 2013 for the theoretical

Nadere informatie

IN AFWACHTING VAN HET ZESDE QUARK 1. door. Pierre van Baal, Instituut-Lorentz, Universiteit Leiden

IN AFWACHTING VAN HET ZESDE QUARK 1. door. Pierre van Baal, Instituut-Lorentz, Universiteit Leiden IN AFWACHTING VAN HET ZESDE QUARK 1 door Pierre van Baal, Instituut-Lorentz, Universiteit Leiden Samenvatting In deze voordracht zal de huidige stand van de natuurkunde der elementaire deeltjes worden

Nadere informatie

Lineaire Algebra voor ST

Lineaire Algebra voor ST Lineaire Algebra voor ST docent: Judith Keijsper TUE, HG 9.31 email: [email protected] studiewijzer: http://www.win.tue.nl/wsk/onderwijs/2ds06 Technische Universiteit Eindhoven college 4 J.Keijsper

Nadere informatie

Samenvatting PMN. Golf en deeltje.

Samenvatting PMN. Golf en deeltje. Samenvatting PMN Golf en deeltje. Het foto-elektrisch effect: Licht als energiepakketjes (deeltjes) Foton (ã) impuls: en energie Deeltje (m) impuls en energie en golflengte Zowel materie als golven (fotonen)

Nadere informatie

Gravitatie en kosmologie

Gravitatie en kosmologie Gravitatie en kosmologie FEW cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Sferische oplossingen: 10 November 2015 Copyright (C) Vrije Universiteit 2009 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica

Nadere informatie

Geadjungeerde en normaliteit

Geadjungeerde en normaliteit Hoofdstuk 12 Geadjungeerde en normaliteit In het vorige hoofdstuk werd bewezen dat het voor het bestaan van een orthonormale basis bestaande uit eigenvectoren voldoende is dat T Hermites is (11.17) of

Nadere informatie

Glueballs in kwantumchromodynamica

Glueballs in kwantumchromodynamica Faculteit Wetenschappen Vakgroep Fysica & Sterrenkunde Glueballs in kwantumchromodynamica Barbara Keppens Promotor: Dr. David Dudal Co-promotor: Dr. Nele Vandersickel Masterproef ingediend tot het behalen

Nadere informatie

Gravitatie en kosmologie

Gravitatie en kosmologie Gravitatie en kosmologie FEW Cursus Jo van den Brand & Jeroen Meidam Speciale relativiteitstheorie: 1 en 8 oktober 2012 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica Galileo, Newton Lagrange formalisme

Nadere informatie

Deeltjes en velden. HOVO Cursus. Jo van den Brand 3 oktober

Deeltjes en velden. HOVO Cursus. Jo van den Brand 3 oktober Deeltjes en velden HOVO Cursus Jo van den Brand 3 oktober 013 [email protected] Docent informatie Overzicht Jo van den Brand & Gideon Koekoek Email: [email protected] en [email protected] 060 539 484 / 00 59 000

Nadere informatie

Bachelorproject: Onderscheiden van signaal en achtergrond in de CMS-detector van LHC te CERN. Promotor: Jorgen D'Hondt. Academiejaar 2006-2007

Bachelorproject: Onderscheiden van signaal en achtergrond in de CMS-detector van LHC te CERN. Promotor: Jorgen D'Hondt. Academiejaar 2006-2007 Academiejaar 2006-2007 Faculteit Wetenschappen Departement Natuurkunde Michael Maes Bachelorproject: Onderscheiden van signaal en achtergrond in de CMS-detector van LHC te CERN. Promotor: Jorgen D'Hondt

Nadere informatie

Unitaire en Hermitese transformaties

Unitaire en Hermitese transformaties Hoofdstuk 11 Unitaire en Hermitese transformaties We beschouwen vervolgens lineaire transformaties van reële en complexe inproductruimten die aan extra eigenschappen voldoen die betrekking hebben op het

Nadere informatie