Tekla Structures Basisbeginselen van Tekla Structures. maart Trimble Solutions Corporation
|
|
|
- Helena Lambrechts
- 8 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Tekla Structures 2017 Basisbeginselen van Tekla Structures maart Trimble Solutions Corporation
2 Inhoudsopgave 1 Tekla Structures starten Wat is een leeg project Uw Tekla Structures-installatie controleren of wijzigen D-modellen openen, maken en opslaan Een model openen Een nieuw model maken Een miniatuurafbeelding van een model maken Projecteigenschappen bewerken Modeltemplates maken Een nieuwe modeltemplate maken...20 Een bestaande modeltemplate wijzigen...21 Modeltemplates downloaden Modeltemplateopties Een model opslaan Het huidige model opslaan Een kopie met een andere naam of locatie opslaan...22 Een back-up opslaan Opslaan als een modeltemplate...24 Autosave-instellingen definiëren Vertrouwd raken met de gebruikersinterface Hoe commando's moeten worden gebruikt Het model zoomen en roteren...28 In- en uitzoomen...28 Het model roteren Het model verschuiven De commando's en dialoogvensters zoeken De algemene knoppen leren Het uiterlijk van het lint wijzigen Instructies krijgen Het lint minimaliseren De contextuele werkbalk gebruiken...35 Objecteigenschappen met de contextuele werkbalk wijzigen...35 Contextuele werkbalk weergeven of verbergen De positie van de contextuele werkbalk definiëren De contextuele werkbalk aan een plaats vastmaken...36 Contextuele werkbalk minimaliseren...36 Contextuele werkbalk aanpassen...37 Gebruikersprofielen voor contextuele werkbalken maken
3 Een back-up van contextuele werkbalken maken en deze delen Het zijvenster gebruiken De taal wijzigen Basisinstellingen in het menu Bestand Werkruimte instellen Eenheden en decimalen wijzigen Stramienen en stramienlijnen maken...48 Een stramien maken...50 Een stramien wijzigen Een stramien verwijderen...51 Een losse stramienlijn toevoegen Een stramienlijn tussen bestaande stramienlijnen toevoegen Een stramienlijn tussen twee punten toevoegen...52 Een losse stramienlijn wijzigen Eigenschappen van stramienlijnen wijzigen Een stramienlijn verplaatsen Een stramienlijn verlengen, inkorten of laten hellen Een stramienlijnlabel wijzigen...53 Uitrekken van stramienlijn uitschakelen Een losse stramienlijn verwijderen...54 Een stramienlijn met rechtstreekse wijziging verwijderen...54 Een stramienlijn verwijderen (alternatieve methode) Modelvensters maken Het kijkvlak verplaatsen Aanzichten maken Een basisvenster van het model maken...57 Een venster met twee punten maken...57 Een venster met drie punten maken Een venster van het werkvlak maken Stramienaanzichten maken Een venster op een onderdeelvlak maken...61 Een 3D-venster van een onderdeel maken...61 Maak standaard onderdeelvensters Een niet-vervormd onderdeelvenster maken...62 Een 3D-venster van een component maken...62 Maak standaard componentvensters...63 Een vlakvenster maken...63 Een vlakvenster langs een geselecteerde rand maken...64 Een venster openen Een venster opslaan Een venster wijzigen...67 Een venster verwijderen Schakelen tussen vensters Schakelen tussen geopende vensters Tussen 3D-venster en 2D-venster schakelen...69 Vensters bijwerken en vernieuwen Het werkgebied definiëren Werkgebied aan gehele model aanpassen...70 Het werkgebied aan geselecteerde onderdelen aanpassen Werkgebied aanwijzen met twee punten Het werkgebiedvak verbergen
4 4.5 Coördinatensysteem...71 Het werkvlakstramien weergeven of verbergen...73 Het werkvlak verschuiven...73 Werkvlak op een willekeurig bovenvlak instellen Werkvlak parallel aan xyz-vlak instellen Definieer werkvlak met één punt Definieer werkvlak met twee punten...74 Het werkvlak met drie punten instellen Het werkvlak parallel aan het kijkvlak instellen...75 Het standaardwerkvlak herstellen De kleurinstellingen wijzigen RGB-waarden voor kleuren zoeken...77 De achtergrondkleur wijzigen De kleur van afmetingen, onderdeellabels en stramienen wijzigen Objecten maken, wijzigen en verwijderen De grootte en de vorm van een object wijzigen Eigenschappen van een ander object kopiëren Dialoogvenstereigenschappen opslaan en laden Naar een punt of lijn snappen Naar een lijn snappen Snap naar verlengde lijnen Snappen naar orthogonale punten Relatief snappen naar eerder aan gewezen punten Een tijdelijk referentiepunt maken X-, Y- of Z-coördinaat vergrendelen Werkbalk voor snappen Snapzone Snapdiepte...98 Snapprioriteit Snappen in tekeningen Snapknoppen en symbolen Snappen naar een punt met exacte afstand of coördinaten Een afstand of coördinaten invoeren Opties voor coördinaten De snapmodus wijzigen Objecten uitlijnen met een snapstramien De huidige snapknop overschrijven Voorbeeld: Langs een lijn naar een snappunt volgen Snapinstellingen Objecten selecteren Losse objecten selecteren Meerdere objecten selecteren Alle objecten selecteren Handles selecteren
5 7.5 De selectie wijzigen Selectieknoppen Merken en betonelementen selecteren Geneste objecten selecteren Referentiemodellen, referentiemodelobjecten en merken selecteren. 116 Een heel referentiemodel selecteren Een referentiemodel selecteren Een referentiemodelmerk selecteren Als u geen objecten kunt selecteren Objecten kopiëren en verplaatsen Objecten kopiëren Kopiëren door twee punten aan te wijzen Rechtlijnig kopiëren Kopiëren door een afstand vanaf de oorsprong op te geven Kopiëren via drag and drop Objecten naar een ander object kopiëren Alle inhoud naar een ander object kopiëren Kopieer naar een ander vlak Kopiëren uit een ander model Objecten kopiëren met de Linear array tool De Linear array tool gebruiken De instellingen definiëren Objecten kopiëren met de Radial array tool De Radial array tool gebruiken De instellingen definiëren Objecten met de component Array van objecten (29) kopiëren Objecten verplaatsen Verplaatsen door twee punten aan te wijzen Rechtlijnig verplaatsen Verplaatsen door een afstand vanaf de oorsprong op te geven Verplaatsen via drag and drop Verplaats naar een ander vlak Objecten naar een ander object verplaatsen Objecten roteren Rond een lijn roteren Roteren rondom de z-as Tekeningobjecten roteren Objecten spiegelen Modelobjecten spiegelen Tekeningobjecten spiegelen Objecten filteren Bestaande filters gebruiken Een vensterfilter gebruiken Een selectiefilter gebruiken Nieuwe filters maken Een vensterfilter maken Een selectiefilter maken Een tekeningfilter maken
6 Een tekeningaanzichtfilter maken Een tekeningselectiefilter maken Filtertechnieken Objecteigenschappen bij het filteren Templateattributen bij het filteren Wildcards Voorbeelden van filters Onderdelen op basis van hun naam filteren Hoofdonderdelen filteren Bouten op basis van hun diameter filteren Onderdelen op basis van hun merktype filteren Submerken filteren Referentiemodelobjecten filteren Filteronderdelen binnen component Filters kopiëren en verwijderen Een filter naar een ander model kopiëren Een filter verwijderen Screenshots maken Een screenshot van een model maken Een screenshot van een tekening maken Een screenshot in een bitmapindeling opslaan Tekla Structures aanpassen Het lint aanpassen Een commandoknop toevoegen Een commandoknop verplaatsen De grootte van een commandoknop wijzigen Het uiterlijk van een commandoknop wijzigen Een door de gebruiker gedefinieerd commando maken Een aangepaste knop toevoegen en er een commando aan toewijzen Een scheidingsbalk toevoegen Tabbladen toevoegen, verbergen en bewerken Het lint opslaan De wijzigingen controleren Een back-up van het lint maken en dit herstellen Toetsenbordsneltoetsen aanpassen Nieuwe toetsenbordsneltoetsen definiëren Snelkoppelingen wissen en herstellen Toetsenbordsneltoetsen exporteren Toetsenbordsneltoetsen importeren Standaard toetsenbordsneltoetsen Algemene commando's Opties renderen Objecten selecteren Snappen Objecten kopiëren en verplaatsen
7 12.6 Het model weergeven Het model controleren Tekeningen Tips voor basistaken Rollover Highlight in- of uitschakelen Waarden uit het model selecteren Objectselectie onderbreken Selecteren bij rechtsklikken Efficiënt kopiëren en verplaatsen Een eigenschap in meerdere onderdelen tegelijk wijzigen Ontbrekende werkbalken terugzetten 'Deze melding niet meer tonen' weergeven of verbergen Vrijwaring
8 8
9 1 Tekla Structures starten Als u Tekla Structures start, wordt u gevraagd om uw Tekla Structuresinstallatie te kiezen. De installatie van bestaat uit een omgeving, rol en configuratie. Met omgeving worden instellingen en informatie bedoeld die specifiek zijn voor de regio. De omgeving definieert welke profielen, materiaalkwaliteiten, standaardwaarden, verbindingen, wizards, variabelen, lijsten en templates u ter beschikking hebt. Met rol wordt een gebruikersgroepprofiel bedoeld dat de beschikbaarheid van bestanden en instellingen in een omgeving beperkt. De gebruikersinterface is aan elke rol aangepast. De configuratie bestaat uit een set functies waarop de gebruiker op basis de licentieovereenkomst recht heeft. Elke configuratie is voor een specifieke gebruikersgroep bedoeld om bij de verschillende partijen in de bouwwereld te passen. 1. Start Tekla Structures door het in het menu Start van Windows te selecteren of door op het bureaubladpictogram te dubbelklikken. Tekla Structures starten 9
10 Het dialoogvenster Uw Tekla Structures-installatie kiezen verschijnt. 2. Selecteer een omgeving. Als u de gewenste omgeving niet in de lijst kunt vinden, raadpleegt uw Adding an environment to Tekla Structures. U kunt ook Leeg project (pagina 11) selecteren om een model te maken dat generieke inhoud zoals parametrische profielen bevat. 3. Selecteer een rol. De beschikbaarheid van rollen hangt af van uw omgeving, maar in meestal zijn de volgende rollen beschikbaar: All (een combinatie van alle rollen) Concrete Contractor Construction Management Engineer Precast Concrete Detailer Rebar Detailer Steel Detailer 4. Selecteer een configuratie. De configuratie die u gebruikt, bevat mogelijk niet alle functies die in de Tekla Structures-productgidsen worden beschreven. Raadpleeg voor meer Tekla Structures starten 10
11 informatie over de beschikbare functies in elke configuratie Tekla Structures configurations. 5. Klik op OK. De pagina Welkom verschijnt. 6. Selecteer wat u wilt doen: Op het tabblad Recent kunt u een recent gebruikt model openen. Op het tabblad Alle modellen kunt u een bestaand model openen (pagina 15). Op het tabblad Nieuw kunt u een nieuw model maken (pagina 16). Zie ook Uw Tekla Structures-installatie controleren of wijzigen (pagina 12) 1.1 Wat is een leeg project Een leeg project is een Tekla Structures-omgeving die alleen generieke inhoud zoals parametrische profielen en niet-gedefinieerde materialen bevat. Het kan worden gebruikt voor het verzamelen van het regio-, bedrijfs- of projectspecifieke instellingen, tools en gegevens. Het lege project is altijd in de Tekla Structures-installatie opgenomen. Tekla Structures starten 11 Wat is een leeg project
12 Inhoud downloaden en installeren U kunt Tekla Warehouse gebruiken om de inhoud voor het lege project te downloaden of te installeren. U kunt bijvoorbeeld profielen, materiaalkwaliteiten, bouten, wapening, componenten, applicaties en templates vanuit Tekla Warehouse voor alle omgevings- en fabrikantspecifieke verzamelingen downloaden en combinaties maken die aan uw wensen voldoen. U kunt zowel vóór als tijdens een project inhoud van Tekla Warehouse downloaden en installeren. Voordat u een project gaat starten, kunt u inhoud naar uw project- en bedrijfsmappen installeren. Tijdens een project kunt u inhoud naar de modelmap installeren. 1.2 Uw Tekla Structures-installatie controleren of wijzigen U kunt uw huidige Tekla Structures-installatie (omgeving, rol en configuratie) op elk gewenst moment controleren zonder dat u het model hoeft te sluiten. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen en blader omlaag naar het gebied Licentie. Tekla Structures starten 12 Uw Tekla Structures-installatie controleren of wijzigen
13 U huidige instellingen worden weergegeven. 2. Wijzig indien nodig de instellingen. Mogelijk moet u Tekla Structures na de wijzigingen opnieuw starten. Tekla Structures starten 13 Uw Tekla Structures-installatie controleren of wijzigen
14 2 3D-modellen openen, maken en opslaan Met Tekla Structures kunt u een levensecht 3D-model van elke structuur maken. Het model bevat alle informatie die nodig is om de structuur te fabriceren en te construeren: onderdeelgeometrie en maatlijnen, profielen, materiaal, verbindingstypen, enzovoort. Een model openen (pagina 15) Een nieuw model maken (pagina 16) Modeltemplates maken (pagina 20) Een model opslaan (pagina 22) Modeluitvoer Het 3D-model is ook de enige bron van informatie voor tekeningen en andere uitvoer zoals lijsten en NC-gegevensbestanden. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de informatie in tekeningen en lijsten altijd actueel is, omdat deze wordt aangepast aan wijzigingen in het model. Samenwerking U kunt de multi-user modus of Tekla Model Sharing gebruiken om binnen samen te werken. 3D-modellen openen, maken en opslaan 14 Uw Tekla Structures-installatie controleren of wijzigen
15 2.1 Een model openen U kunt één model tegelijkertijd geopend hebben. Als u een model opent en er al een open hebt, vraagt Tekla Structures u het eerste model op te slaan. 1. Klik in het menu Bestand op Openen. 2. Selecteer het model dat u wilt openen. Als u naar modellen in een andere map wilt zoeken, klikt u op Bladeren. Als u een onlangs gebruikte modelmap wilt openen, klikt u op de lijst Model vanuit map openen. Als u modellen op naam, datum of type wilt sorteren, klikt u op de kolomtitels. 3D-modellen openen, maken en opslaan 15 Een model openen
16 Als de modellen alfabetisch op hun naam zijn gesorteerd, kunt u met het toetsenbord een model selecteren. Als u bijvoorbeeld een N typt, selecteert Tekla Structures het eerste model dat met een N begint. 3. Klik op Openen. Als er geen vensters (pagina 55) in het model zichtbaar zijn, vraagt Tekla Structures u er een te selecteren. Zie ook Een nieuw model maken (pagina 16) Een miniatuurafbeelding van een model maken (pagina 17) 2.2 Een nieuw model maken Maak een apart model voor elk Tekla Structures-project. Elk model wordt in een eigen map onder de TeklaStructuresModels-map opgeslagen. 1. Klik in het menu Bestand op Nieuw. 2. Voer in het vak Naam een naam voor het nieuwe model in. Gebruik geen speciale tekens (/ \ ; : ). We raden u aan dat u op dit punt probeert een permanente naam te bepalen. De naam van het model kan achteraf worden gewijzigd, maar dat impliceert het wijzigen van meerdere bestandsnamen. 3. Definieer waar het model moet worden opgeslagen. Het model wordt standaard opgeslagen in de map TeklaStructuresModels die tijdens de installatie is gemaakt. U kunt de standaardmap wijzigen door op Bladeren te klikken. U kunt ook een onlangs gebruikte map in de lijst Opslaan in selecteren. 4. Als u een modeltemplate (pagina 20) wilt gebruiken, selecteert u er een. 5. Onder Type definieert u of Tekla Structures in de single-user of multi-user modus moet worden uitgevoerd. Single-user: het model wordt door één persoon tegelijk gebruikt. Multi-user: het model wordt op een server opgeslagen en kan door meerdere personen tegelijkertijd worden gebruikt. Voer de naam van de server in het vak Server in. 6. Klik op Maak. Tekla Structures maakt het model en opent het standaard modelvenster (pagina 66). De inhoud van het modelvenster kan op basis van de modeltemplate die u in stap 4 kiest verschillen. 3D-modellen openen, maken en opslaan 16 Een nieuw model maken
17 Zie ook Een miniatuurafbeelding van een model maken (pagina 17) Projecteigenschappen bewerken (pagina 18) 2.3 Een miniatuurafbeelding van een model maken U kunt een miniatuurafbeelding toevoegen om het eenvoudiger te maken uw project te herkennen, zelfs als u de exacte naam van het model niet meer weet. De miniatuurafbeelding wordt weergegeven als u door bestaande modellen bladert. 1. Klik op het tabblad Venster op Screenshot --> Projectminiatuur. 2. Selecteer een venster. Tekla Structures maakt de afbeelding en slaat deze in de modelmap met de naam thumbnail.png op. 3. Als u de miniatuur wilt controleren, gaat u naar het menu Bestand, klikt u op Openen en selecteert u het model waarvoor u de miniatuur maakte. De afbeelding wordt nu naast de modelnaam weergegeven. Bijvoorbeeld: 4. Als u over de miniatuurafbeelding niet tevreden bent, kunt u de stappen 1-2 zo vaak als nodig herhalen. U kunt bijvoorbeeld het model in- en uitzoomen (pagina 28) om aan te passen wat in de miniatuurafbeelding wordt weergegeven. Als u een nieuwe miniatuur maakt, overschrijft Tekla Structures de bestaande miniatuurafbeelding met nieuwe. 3D-modellen openen, maken en opslaan 17 Een miniatuurafbeelding van een model maken
18 TIP Daarnaast kunt u de afbeelding direct met de naam thumbnail.png aan de modelmap toevoegen als u een gebruikersafbeelding wilt gebruiken. Het voorkeursformaat van de afbeelding is 120 x 74 pixels. 2.4 Projecteigenschappen bewerken U hebt tijdens een project projectinformatie zoals het projectnummer en de naam veelvuldig nodig. Werk aan het begin van elk project de projecteigenschappen bij, zodat in lijsten en tekeningen automatisch de juiste gegevens worden weergegeven. Alle velden zijn optioneel. 1. Klik in het menu Bestand op Projecteigenschappen. 2. Klik op Bewerken. 3. Voer in het vak Beschrijving een beschrijving in waaraan u het model herkent wanneer u het een volgende keer moet openen. De beschrijving wordt weergegeven in het dialoogvenster Openen wanneer u een model opent. 4. Bewerk de andere projecteigenschappen. 5. Als u projectspecifieke gebruikersattributen wilt definiëren, klikt u op Gebruikersattributen. U kunt standaard het volgende definiëren: Commentaar project Gebruikersvelden Uitvoeringsklasse IFC-exportattributen Geo-coördinaten Statusattributen Fabriekslocatie Unitechnic De beschikbaarheid van gebruikersattributen is afhankelijk van uw omgeving (pagina 9). 6. Klik op Toepassen om uw wijzigingen op te slaan. De projecteigenschappen in tekeningen en lijsten zijn nu bijgewerkt. 7. Als u deze eigenschappen als de standaardeigenschappen voor dit project wilt opslaan, doet u het volgende: a. Ga naar Snel starten (pagina 30). b. Begin met invoeren van save defaults. 3D-modellen openen, maken en opslaan 18 Projecteigenschappen bewerken
19 c. Selecteer het commando Save defaults in de lijst. Raadpleeg voor meer informatie over het opslaan van standaardeigenschappen Standaardbestanden. Projectinformatie in templates en lijsten weergeven De velden in de onderstaande afbeelding verwijzen naar templateattributen die u kunt gebruiken bij het maken van uw eigen lijsten en templates. Als u projectinformatie wilt weergeven, voegt u de corresponderende templateattributen in de templates en lijsten toe. 1 NUMBER#2 2 NAME 3 BUILDER 4 OBJECT 5 ADDRESS 6 DESIGNER 7 DATE_START 8 DATE_END 9 INFO1, INFO2 3D-modellen openen, maken en opslaan 19 Projecteigenschappen bewerken
20 2.5 Modeltemplates maken Met modeltemplates kunt u een model met vooraf gedefinieerde bedrijfstemplates en -instellingen starten. Dit kan met name voor onderaannemers handig zijn. Alleen single-user modellen kunnen met modeltemplates worden gemaakt. Als u een multi-user model met een modeltemplate wilt maken, maakt u het model in single-user modus en schakelt u vervolgens naar de multi-user modus. Standaard wordt de map met de template van het model in uw omgevingsmap opgeslagen. Gebruik de variabele XS_MODEL_TEMPLATE_DIRECTORY om een andere locatie op te geven. Een nieuwe modeltemplate maken U kunt uw eigen modeltemplates maken en die voor het maken van nieuwe modellen gebruiken. U kunt selecteren welke databases, gebruikerscomponenten, modelsubmappen, tekeningtemplates en lijsttemplates van het model in de modeltemplate worden opgenomen. 1. Maak een nieuw model (pagina 16). Begin altijd met het maken van een nieuw leeg model. Dit komt doordat de oude modellen die in werkelijke projecten zijn gebruikt niet volledig kunnen worden opgeschoond. Ze kunnen een overvloed aan gegevens bevatten waardoor de grootte van het model toeneemt, zelfs als u alle objecten en tekeningen uit het model verwijdert. 2. Voeg de gewenste onderdeeleigenschappen, tekeningeigenschappen, profielen, materiaal, gebruikerscomponenten, geschetste profielen, enzovoort aan het model toe. U kunt bijvoorbeeld de benodigde attribuutbestanden vanuit een ander model kopiëren. 3. Klik in het menu Bestand op Opslaan --> Opslaan als modeltemplate. 4. Voer een naam voor de modeltemplate in. 5. Selecteer welke databases, tekeningtemplates, lijsttemplates en modelsubmappen in de modeltemplate moeten worden opgenomen. Raadpleeg voor meer informatie het gedeelte Modeltemplateopties op deze Help-pagina. U kunt alleen bestanden en mappen selecteren die in de modelmap beschikbaar zijn. De databases bevinden zich meestal in de map 3D-modellen openen, maken en opslaan 20 Modeltemplates maken
21 Omgeving en deze worden alleen in de modelmap opgenomen als ze zijn gewijzigd. 6. Schakel het selectievakje in om de doelmap te openen nadat de modeltemplate is gemaakt. 7. Klik op OK. U kunt nu de modeltemplate voor het maken van nieuwe modellen gebruiken. Een bestaande modeltemplate wijzigen Als u een bestaande template wilt wijzigen, slaat u het model als een nieuwe template op. U kunt de template ook wijzigen door nieuwe of bijgewerkte bestanden rechtstreeks naar de modeltemplatemap te kopiëren. 1. Maak een model met de bestaande modeltemplate. 2. Breng de benodigde wijzigingen aan. 3. Sla deze als een nieuwe modeltemplate op. Modeltemplates downloaden U kunt modeltemplates via Tekla Warehouse downloaden, delen en opslaan. Modeltemplateopties Gebruik het dialoogvenster Opslaan als modeltemplate om te definiëren welke bestanden en mappen in de modeltemplate worden opgenomen. Optie Profielen Materiaal Componenten en schetsen Attribuutdefinities Opgenomen bestanden en mappen profdb.bin profitab.inp matdb.bin ComponentCatalog.txt ComponentCatalogTreeView.txt Xslib.db1 thumbnail_bitmap.arc *.dat-bestanden CustomComponentDialogFiles-map Bevat alle attribuutdefinities van het huidige model. 3D-modellen openen, maken en opslaan 21 Modeltemplates maken
22 Optie Bouten en boutsamenstellingen Wapening Netten Opties Tekeningtemplates Lijsttemplates Bevat modelsubmappen screwdb.db assdb.db Opgenomen bestanden en mappen rebar_database.inp RebarShapeRules.xml rebardatabase_config.inp rebardatabase_schedule_config.inp mesh_database.inp Bevat alle opties van het huidige model. *.tpl-bestanden *.rpt-bestanden Geeft alle submappen weer die zich in de modelmap bevinden. De geselecteerde mappen worden in de modeltemplate opgenomen. De map attributes die onderdeel- en tekeningeigenschappen bevat, wordt standaard opgenomen. 2.6 Een model opslaan U moet uw model ook regelmatig opslaan om te voorkomen dat u werk verliest. In Tekla Structures wordt uw werk ook regelmatig automatisch opgeslagen. Het huidige model opslaan Als u de wijzigingen in het huidige modelbestand wilt opslaan, doet u het volgende: Klik in de linkerbovenhoek van het scherm op Opslaan. Klik in het menu Bestand op Opslaan --> Opslaan. Druk op Ctrl+S. Een kopie met een andere naam of locatie opslaan U kunt een kopie van het model maken met een andere naam of in een andere map. De originele versie van het model blijft intact. 3D-modellen openen, maken en opslaan 22 Een model opslaan
23 OPMERKING Wanneer u het model onder een andere naam opslaat, worden alle GUID's (Globale Unieke Identificaties) van het opgeslagen model gewijzigd en wijken ze af van die in het oorspronkelijke model. Dit betekent dat het opgeslagen model geen relatie met het oorspronkelijke model heeft en het opgeslagen model niet als back-up kan worden gebruikt. 1. Klik in het menu Bestand op Opslaan als --> Opslaan als. 2. Voer in het vak Modelnaam een nieuwe naam in. 3. Als u in een andere locatie wilt opslaan, klikt u op Bladeren en definieert u waar u het model wilt opslaan. 4. Klik op OK. Tekla Structures maakt een nieuw exemplaar met een andere naam. De originele versie van het model blijft intact. Een back-up opslaan U kunt een back-up van het model met dezelfde GUID s (Globale Unieke Identificaties) als het oorspronkelijke model maken. 1. Klik in het menu Bestand op Opslaan als --> Opslaan en back-up maken. Tekla Structures slaat een kopie van het model in de map.. \TeklaStructuresModels\backup\<model_name>\<datum-tijd> op. 2. Als u de back-up in plaats van het huidige model in gebruik wilt nemen, verschuift de back-up van de gekozen datum naar uw modelmap. U kunt alle inhoud van de huidige modelmap vervangen door de inhoud van de gekozen back-upmap of u kunt de naam van de back-upmap (<datum-tijd>) wijzigen om met het oorspronkelijke model overeen te komen. 3. Als u de locatie van de back-upmap wilt wijzigen, gebruikt u de variabele XS_MODEL_BACKUP_DIRECTORY. OPMERKING Als u schijfruimte wilt besparen, kunt u de map XS_MODEL_BACKUP_DIRECTORY comprimeren. 3D-modellen openen, maken en opslaan 23 Een model opslaan
24 Opslaan als een modeltemplate Zie Modeltemplates maken (pagina 20). Autosave-instellingen definiëren Gebruik Autosave om automatisch een back-up van uw werk te maken en op vastgestelde intervallen op te slaan. U kunt het Autosave-interval voor het model en de tekeningen afzonderlijk instellen. Autosave-bestanden hebben de extensie.db1_<user>. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Opties en ga naar de instellingen Algemeen. 2. Stel onder Automatisch opslaan het interval voor automatisch opslaan in. a. Definieer in het eerste vak hoe vaak Tekla Structures het model of de tekening moet opslaan. Dit getal vertegenwoordigt het aantal commando's dat u moet uitvoeren voordat Tekla Structures het model of de tekening opslaat. Als u bijvoorbeeld meerdere liggers maakt zonder daarbij het commando Maak ligger te onderbreken, telt dit slechts als één commando. b. Voer in het tweede vak het aantal tekeningen in waarna Tekla Structures uw werk automatisch opslaat. OPMERKING Als u de intervalwaarden op kleiner dan 2 instelt, wordt de Autosave uitgeschakeld. 3. Klik op OK. 4. Definieer waar de Autosave-bestanden moeten worden opgeslagen. Tekla Structures slaat de Autosave-bestanden standaard in de map.. \TeklaStructuresModels\autosave op. Als u de map wilt wijzigen, gebruikt u de variabele XS_AUTOSAVE_DIRECTORY. 5. Definieer of oude Autosave-bestanden moeten worden bewaard. Tekla Structures verwijdert standaard de Autosave-bestanden wanneer u een model sluit ter besparing van schijfruimte. Als u Autosave-bestanden wilt bewaren wanneer u Tekla Structures afsluit zonder het model op te slaan, gebruikt u de variabele XS_KEEP_AUTOSAVE_FILES_ON_EXIT_WHEN_NOT_SAVING. 3D-modellen openen, maken en opslaan 24 Een model opslaan
25 3 Vertrouwd raken met de gebruikersinterface Wanneer u een Tekla Structures-model opent, verschijnt er een nieuw venster. De gebruikersinterface ziet er standaard ongeveer als volgt uit: 1. Dit is uw Tekla Structures-model. Als u een volledig nieuw project start, ziet u op dit moment alleen het standaard modelvenster (pagina 55) en een leeg stramien (pagina 48). 2. Het groene kubussymbool vertegenwoordigt het globale coördinatensysteem (pagina 71) en ligt op de globale oorsprong (x=0, y=0, z=0). Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 25 Een model opslaan
26 3. Het vak rondom het stramien vertegenwoordigt het werkgebied. U kunt in een venster alleen de onderdelen zien die zich binnen dit gebied bevinden. Objecten die zich buiten het werkgebied bevinden, bestaan in het model maar zijn niet zichtbaar. U kunt het werkgebied verkleinen en uitbreiden (pagina 69) om aan uw behoefte te voldoen. U kunt ook het werkgebied verbergen (pagina 69). 4. Het coördinatensymbool met de drie assen x, y en z vertegenwoordigt het lokale coördinatensysteem (pagina 71). Het geeft ook de richting van het model aan. 5. Het menu Bestand is waar u uw modellen beheert. U kunt onder andere modellen opslaan (pagina 22), tekeningen afdrukken en modellen importeren en exporteren. 6. Het lint bevat alle commando's (pagina 26) en andere functies die u gaat gebruiken wanneer u uw model opbouwt. U kunt het lint naar behoefte aanpassen. 7. De werkbalk Snelle toegang bevat de knoppen Opslaan, Ongedaan maken en Opnieuw. 8. Als u het commando of dialoogvenster dat u zoekt niet kunt vinden, zoekt met Snel starten (pagina 30). 9. Gebruik het zijpaneel (pagina 39) aan de rechterzijde van het scherm om referentiemodellen en componenten toe te voegen of modelobjecteigenschappen weer te geven. 10. De selectieknoppen (pagina 111) bepalen welke objecten u kunt selecteren. 11. De snapknoppen (pagina 98) bepalen welke posities u kunt aanwijzen wanneer u objecten maakt. 12. Wanneer u objecten maakt (pagina 26), geeft de statusbalk (pagina 33) aan hoe u moet doorgaan en wanneer u punten moet aanwijzen. 3.1 Hoe commando's moeten worden gebruikt Leer de basismethode hoe u commando's uitvoert en beëindigt. Alle commando's in Tekla Structures werken op dezelfde manier. 1. Als u commando's zoekt, schuift u het lint met de muis naar rechts of links. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 26 Hoe commando's moeten worden gebruikt
27 Sommige commando's beschikken over meerdere opties. De opties zijn beschikbaar wanneer u op de naam van het commando klikt: 2. Als u niet zeker weet welk commando u voor uw huidige taak nodig hebt, houdt u de muisaanwijzer boven een commando. Er verschijnt een klein venster met de naam tooltip. Tooltips verstrekken u meer informatie over commando's en geven ook voorbeelden, aanwijzingen en tips. Bijvoorbeeld: Als een tooltip geopend is, kunt u voor meer hulp over het onderwerp op Ctrl+F1 drukken. TIP Als u de knopinfo in of uit wilt schakelen, klikt u op Bestand --> Instellingen --> Knoppen en selecteert of wist u het selectievakje Knopinfo. 3. Als u het benodigde commando vindt, klikt u eenmaal om het te gebruiken. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 27 Hoe commando's moeten worden gebruikt
28 Het commando wordt uitgevoerd totdat u het beëindigt of een ander commando gebruikt. OPMERKING Als u de objecteigenschappen wilt controleren of wijzigen voordat u het commando uitvoert, houdt u de Shift-toets ingedrukt wanneer u op het commando klikt. Hierdoor komt het eigenschappendialoogvenster te voorschijn. Als u de eigenschappen wijzigt, moet u niet vergeten om de wijzigingen op te slaan (pagina 31). 4. Als u een commando wilt beëindigen, klikt u met de rechtermuisknop en selecteert u Interrupt. U kunt ook op Esc drukken. 5. Als u het laatste commando opnieuw wilt activeren, drukt u op Enter. Zie ook Objecten maken, wijzigen en verwijderen (pagina 80) 3.2 Het model zoomen en roteren Met de commando's in het tabblad Venster kunt u zich op een bepaald gebied richten of uitzoomen voor meer overzicht. U kunt een muis, commando, sneltoets of een combinatie hiervan gebruiken. In- en uitzoomen U kunt een verscheidenheid aan tools gebruiken om in het model in en uit te zoomen. De positie van de muisaanwijzer bepaalt standaard het middelpunt voor het zoomen. Inzoomen Uitzoomen Taak Inzoomen op de geselecteerde objecten Zoomen met menucommando's Het middelpunt van het zoomen in het midden van het venster houden Actie Scroll naar voren met het muiswiel. Scroll naar achteren met het muiswiel. 1. Selecteer de objecten. 2. Klik op het tabblad Venster op Zoom --> Zoom selectie. Klik op het tabblad Venster op Zoom en selecteer een van de zoomcommando's. Klik in het menu Bestand op Instellingen en selecteer Naar centrum zoomen. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 28 Het model zoomen en roteren
29 Taak De zoomratio definiëren Actie Gebruik de volgende variabelen: XS_ZOOM_STEP_RATIO XS_ZOOM_STEP_RATIO_IN_MOUSEWHEEL_MODE XS_ZOOM_STEP_RATIO_IN_SCROLL_MODE Het model roteren U kunt de middelste of de linkermuisknop gebruiken om het model in een venster te roteren. Taak Roteren met de middelste muisknop Actie 1. Klik op het tabblad Venster op Navigeren --> Vensterpunt instellen. U kunt ook op V drukken. 2. Als u het vensterpunt wilt instellen, wijst u een positie in het venster aan. Het volgende symbool verschijnt in het model: Roteren met de linker muisknop 3. Houd de Ctrl-toets ingedrukt, klik met de middelste muisknop op het model en versleep deze. Tekla Structures roteert het model rond het aanzichtpunt dat u in stap 2 hebt gedefinieerd. 1. Klik op het tabblad Venster op Navigeren --> Roteren met muis. U kunt ook op Ctrl+R drukken. 2. Als u het vensterpunt wilt instellen, wijst u een positie in het venster aan. Het volgende symbool verschijnt in het model: 3. Klik met de linkermuisknop op het model en versleep deze. Tekla Structures roteert het model rond het aanzichtpunt dat u in stap 2 hebt gedefinieerd. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 29 Het model zoomen en roteren
30 Het model verschuiven U kunt de middelste of de linkermuisknop gebruiken om het model in een venster te verschuiven. Taak Het model verplaatsen met de middelste muisknop Het model verplaatsen met de linker muisknop Actie 1. Klik op het menu Bestand op Instellingen en controleer of het selectievakje Verschuiven met middelste muisknop is geselecteerd. 2. Houd de middelste muisknop ingedrukt en versleep het model. 1. Ga naar het tabblad Venster en klik op Navigeren --> Verschuiven om dynamisch verschuiven te activeren. U kunt ook op P drukken. De muisaanwijzer verandert in een hand: 2. Houd de linker muisknop ingedrukt en versleep het model. 3. Druk op Esc om te stoppen met verschuiven. 3.3 De commando's en dialoogvensters zoeken Gebruik het vak Snel starten in de rechterbovenhoek van het Tekla Structures-hoofdvenster om commando's, dialoogvensters en andere functies te zoeken. De sneltoets voor Snel starten is Ctrl+Q. 1. Voer in het vak Snel starten een zoekterm in. Voer bijvoorbeeld bout in als u boutcommando's zoekt. 2. Wacht tot een lijst met zoekresultaten verschijnt. Bijvoorbeeld: Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 30 De commando's en dialoogvensters zoeken
31 Tekla Structures markeert de commando's in het lint zodat u ze kunt vinden. Bijvoorbeeld: 3. Als u een commando wilt uitvoeren, klikt u erop in de zoekresultatenlijst. Of druk op Enter om direct het eerste commando in de lijst uit te voeren. TIP Als de lijst met zoekresultaten niet meer zichtbaar is, drukt u op Ctrl +Space om deze opnieuw te activeren. 3.4 De algemene knoppen leren De volgende tabel geeft enkele algemene knoppen weer die u in de meeste Tekla Structures-dialoogvensters kunt tegenkomen. Knop Beschrijving Hiermee worden de eigenschappen opgeslagen en het dialoogvenster gesloten. Tekla Structures gebruikt deze eigenschappen de volgende keer dat u een object van dit type maakt. Hiermee worden de eigenschappen opgeslagen zonder het dialoogvenster te sluiten. Tekla Structures gebruikt deze eigenschappen de volgende keer dat u een object van dit type maakt. Hiermee worden de geselecteerde objecten met de huidige eigenschappen van het dialoogvenster gewijzigd. Hiermee worden de eigenschappen van het geselecteerde object geladen. Als er meerdere objecten worden Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 31 De algemene knoppen leren
32 Knop Beschrijving geselecteerd, neemt Tekla Structures de eigenschappen in willekeurige volgorde van een van hen. Hiermee worden alle selectievakjes in het dialoogvenster inof uitgeschakeld. Hiermee wordt het dialoogvenster gesloten zonder de eigenschappen op te slaan of objecten te wijzigen. Hiermee worden de eigenschappen in het bestand in de lijst weergegeven. Hiermee worden alle eerder opgeslagen eigenschappen in het dialoogvenster geladen. Tekla Structures laadt tevens de eigenschappen van subdialoogvensters, zelfs als deze niet zijn geopend. Selecteer de naam van het eigenschappenbestand dat u wilt gebruiken. Raadpleeg voor meer informatie Dialoogvenstereigenschappen opslaan en laden (pagina 88). Hiermee worden de eigenschappen opgeslagen met de naam die in het vak is opgegeven. De knop Opslaan als werkt ook de lijst Laden bij. Dit is belangrijk als u bestanden handmatig toevoegt of verwijdert. Tekla Structures slaat de eigenschappenbestanden op in de modelmap, die ook de eigenschappen van subdialoogvensters bevat. Raadpleeg voor meer informatie Dialoogvenstereigenschappen opslaan en laden (pagina 88). 3.5 Het uiterlijk van het lint wijzigen U kunt de volgorde van linttabbladen wijzigen, kiezen hoe deze worden uitgelijnd en zelfs sommige onderdelen van het lint verbergen als u deze niet in uw huidige project nodig hebt. Als u bijvoorbeeld alleen stalen onderdelen modelleert, kunt u het tabblad Beton tijdelijk verbergen. 1. Als u de volgorde van tabbladen op het lint wilt wijzigen, versleept u de tabbladtitels. 2. Als u wilt instellen hoe de tabbladen worden uitgelijnd, klikt u met de rechtermuisknop op de bovenste balk van het lint, selecteert u Navigatiemodus en selecteert u vervolgens een van de opties. Zichtbaar scrollen: de lintbeweging is minimaal wanneer u tussen tabbladen schakelt Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 32 Het uiterlijk van het lint wijzigen
33 Naar links uitlijnen: de pictogrammen beginnen vanaf de linkerzijde van het lint Naar tabblad uitlijnen: de pictogrammen beginnen vanaf de linkerzijde van het huidige tabblad 3. U verbergt de tabbladen die u in uw huidige project niet nodig hebt als volgt: a. Laat de muisaanwijzer op een tabbladtitel rusten. Een kleine oogsymbool verschijnt naast de tabbladtitel: b. Klik op het oogsymbool. Het oogsymbool wijzigt en de tabbladtitel wordt grijs: Het tabblad Venster wordt nu verborgen in het lint. Als u het lint verschuift, verschijnen verborgen tabbladen als: c. Als u het verborgen tabblad weer wilt weergeven, klikt u opnieuw op het oogsymbool. 3.6 Instructies krijgen De statusbalk is het gebied dat zich aan de onderzijde van het Tekla Structureshoofdvenster bevindt. Volg de instructies in de statusbalk als u commando s gebruikt. Wanneer u een onderdeel maakt, geeft de statusbalk bijvoorbeeld aan u door hoe u moet doorgaan en wanneer u punten moet aanwijzen. 1. Instructies en foutberichten 2. De status van Smart Select (S), Inschakelen Drag and drop (D) en Orthogonaal (O) 3. Het niveau in merk- of componenthiërarchie (0 9) 4. De modus van de middelste muisknop (Verschuiven of Scrollen) 5. De huidige fase Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 33 Instructies krijgen
34 6. Het aantal geselecteerde objecten en handles Berichtgeschiedenis van de statusbalk Als u de berichtgeschiedenis van de statusbalk wilt weergeven, gaat u naar Snel starten typt u Meldingsscherm en selecteert u het commando Meldingsscherm in de lijst die verschijnt. Er verschijnt een meldingsscherm onderaan het venster van Tekla Structures. 3.7 Het lint minimaliseren U kunt het lint minimaliseren om ruimte op uw scherm te besparen. Wanneer het lint wordt geminimaliseerd, zijn de commandoknoppen verborgen maar de tabbladen zichtbaar. 1. Klik met de rechtermuisknop op de bovenste balk van het lint en selecteer Geminimaliseerd. Het lint wordt nu geminimaliseerd om ruimte op het scherm te besparen: 2. Als u toegang tot de commando's wilt wanneer het lint is geminimaliseerd, klikt u op een tabbladtitel. Het lint wordt zichtbaar zodat u een commando kunt selecteren. 3. Als u het lint wilt herstellen, klikt u met de rechtermuisknop op de bovenste balk van het lint en selecteert u vervolgens opnieuw Geminimaliseerd. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 34 Het lint minimaliseren
35 3.8 De contextuele werkbalk gebruiken Als u op een object in een model of tekening klikt, verschijnt er naast de muisaanwijzer een contextuele werkbalk. Gebruik de contextuele werkbalk om snel enkele basiseigenschappen van een object, venster, stramien enzovoort weer te geven en te wijzigen. Als meerdere objecten worden geselecteerd, geeft de contextuele werkbalk de tekst Varieert weer voor eigenschappen die verschillen. Objecteigenschappen met de contextuele werkbalk wijzigen De wijzigingen die u op de contextuele werkbalk aanbrengt, worden onmiddellijk op het model of de tekening toegepast. 1. Klik op een object in een model of tekening. Er verschijnt een contextuele werkbalk naast de muisaanwijzer. 2. Wijzig de objecteigenschappen op de contextuele werkbalk. De wijzigingen worden onmiddellijk toegepast. TIP Druk op de Tab-toets om tussen de eigenschappen en de commandoknoppen op de contextuele werkbalk te verplaatsen. Contextuele werkbalk weergeven of verbergen U kunt definiëren of de contextuele werkbalk in Tekla Structures zichtbaar is. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen. 2. Selecteer of wis onder Knoppen het selectievakje Contextuele werkbalk. De positie van de contextuele werkbalk definiëren U kunt de positie van de contextuele werkbalk ten opzichte van het referentiepunt van een object definiëren. 1. Selecteer een object. 2. Houd de Ctrl-toets ingedrukt en klik met de linkermuisknop op de contextuele werkbalk. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 35 De contextuele werkbalk gebruiken
36 Er verschijnt een streepjeslijn tussen de contextuele werkbalk en het object. 3. Sleep de contextuele werkbalk naar een nieuwe positie. U kunt bijvoorbeeld de contextuele werkbalk aan de linkerzijde van het geselecteerde object plaatsen. 4. Laat de linkermuisknop los. De contextuele werkbalk verschijnt nu op de positie die u definieerde, bijvoorbeeld aan de linkerzijde van een object dat u selecteert. De contextuele werkbalk aan een plaats vastmaken U kunt de contextuele werkbalk aan een specifieke locatie in het venster vastmaken, zodat de positie wordt vergrendeld. U kunt deze bijvoorbeeld in de linkerbovenhoek van het scherm laten verschijnen. Als de contextuele werkbalk is vergrendeld, is de positie ervan onafhankelijk van de locatie van het afzonderlijke onderdeel. 1. Verplaats de muisaanwijzer naar de grijze balk aan de linkerzijde van de contextuele werkbalk. De muisaanwijzer verandert in een kruis met vier pijlen. 2. Sleep de contextuele werkbalk naar een nieuwe locatie. 3. Klik op om de contextuele werkbalk aan de nieuwe locatie vast te maken. De vastmaakknop wijzigt wanneer de positie wordt vergrendeld. 4. Als u de positie wilt ontgrendelen, klikt u op. Contextuele werkbalk minimaliseren U kunt de contextuele werkbalk minimaliseren zodat deze minder ruimte op uw scherm inneemt. 1. Klik op de contextuele werkbalk op. De contextuele werkbalk heeft nu het symbool. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 36 De contextuele werkbalk gebruiken
37 2. Als u de contextuele werkbalk naar de oorspronkelijke grootte terug wilt brengen, klikt u nogmaals op de knop. Contextuele werkbalk aanpassen U kunt de contextuele werkbalk aanpassen door te selecteren welke werkbalkelementen zichtbaar moeten zijn. U kunt de breedte van de elementen ook aanpassen en pictogrammen en extra titels aan de elementen toevoegen. 1. Klik op de contextuele werkbalk op. 2. Door selectievakjes in en uit te schakelen, definieert u welke werkbalkelementen u wilt weergeven of verbergen. In de sectie Voorbeeld ziet u hoe de werkbalk eruit zal zien. Bijvoorbeeld: 3. U wijzigt de werkbalkelementen als volgt: a. Klik op het werkbalkelement. Als het element kan worden gewijzigd, verschijnt het volgende vak: b. Gebruik de schuif om de breedte van het werkbalkelement aan te passen. c. Als u een extra titel wilt toevoegen, klikt u op het tekstvak en voert u een titel in. d. Als u een pictogram wilt toevoegen, klikt u op en selecteert u een pictogram in de lijst. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 37 De contextuele werkbalk gebruiken
38 e. Als u het pictogram of de titel wilt verwijderen, klikt u op. 4. Als u macro's en gebruikersattributen wilt toevoegen: a. Selecteer de gewenste macro of het gebruikersattribuut in de lijst. b. Klik op Toevoegen. Tekla Structures voegt de macro of het gebruikersattribuut aan de lijst met werkbalkelementen en de afbeelding van het Voorbeeld toe. Bijvoorbeeld: c. Als u de macro of het gebruikersattribuut wilt verbergen, schakelt u het desbetreffende selectievakje uit zoals in stap 2 is beschreven. 5. Klik op OK om de wijzigingen op te slaan. Gebruikersprofielen voor contextuele werkbalken maken U kunt meerdere profielen voor contextuele werkbalken maken. Elk profiel bevat dezelfde contextuele werkbalken, maar met verschillende instellingen. 1. Klik op de contextuele werkbalk op. 2. Klik op Profielen instellen. 3. Selecteer Nieuw profiel in de lijst. 4. Voer een naam voor het profiel in. 5. Klik op Opslaan. 6. Pas de contextuele werkbalk aan. Verwijder bijvoorbeeld enkele elementen uit de contextuele werkbalk. 7. Klik op OK om de wijzigingen op te slaan. Het gebruikersprofiel is nu actief met de instellingen die u hebt gedefinieerd. 8. U schakelt als volgt naar een ander profiel: a. Klik op Profielen instellen. b. Selecteer een ander profiel in de lijst. c. Wijzig de instellingen. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 38 De contextuele werkbalk gebruiken
39 d. Klik op OK. Dit gebruikersprofiel is nu actief Een back-up van contextuele werkbalken maken en deze delen We raden u aan een back-up van uw aangepaste contextuele werkbalken te maken. U kunt het back-upbestand gebruiken om instellingen naar een andere computer te kopiëren of de aanpassingen met uw collega s te delen. 1. Sla de contextuele werkbalk onder een gebruikersprofiel op met een naam die u gemakkelijk kunt herkennen. Bijvoorbeeld MijnContextueleWerkbalk. 2. Ga naar de map..\users\<gebruiker>\appdata\local\trimble \TeklaStructures\<versie>\ContextualToolbar\Profiles. 3. Maak een kopie van uw aangepaste contextuele werkbalk en sla deze in de corresponderende map op een andere computer op. 4. U opent als volgt een aangepaste contextuele werkbalk op een andere computer: a. Klik op de contextuele werkbalk op. b. Klik op Profielen instellen. c. Selecteer het juiste profiel in de lijst. Bijvoorbeeld MijnContextueleWerkbalk als dat de naam is die u in stap 1 hebt gebruikt. d. Klik op OK. De aanpassingen zijn nu actief. OPMERKING Daarnaast kunt u de gehele map ContextualToolbar in de project- of bedrijfsmap van uw bedrijf plaatsen. 3.9 Het zijvenster gebruiken Gebruik het zijpaneel aan de rechterzijde van het scherm om referentiemodellen en componenten toe te voegen of modelobjecteigenschappen weer te geven. Wat wilt u doen De zijvensterinhoud weergeven Actie Klik op een zijvensterknop. Klik op om modelobjecteigenschappen weer te geven met Aangepaste aanvraag. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 39 Het zijvenster gebruiken
40 Wat wilt u doen Actie Klik op om modelobjecteigenschappen in het eigenschappenpaneel weer te geven. Klik op om de lijst Referentiemodellen weer te geven. Klik op om de database Applicaties en componenten weer te geven. Een zijvenster verplaatsen Klik op de handgreep naar een nieuwe locatie. en sleep het zijvenster Meerdere zijvensters tegelijkertijd openhouden 1. Klik met de rechtermuisknop op een zijvensterknop en selecteer Hieronder openen De grootte van een zijvenster aanpassen 2. Herhaal dit voor elke zijvensterknop. De zijvenster worden nu op elkaar gestapeld. 3. Als u de volgorde van zijvenster wilt wijzigen, versleept u ze. Klik en versleep de knop. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 40 Het zijvenster gebruiken
41 Wat wilt u doen Een zwevend zijvenster vastzetten Actie Klik met de rechtermuisknop op de zijvensterknop en selecteer Aan venster vastmaken Het zijvenster sluiten Klik op de knop. Of u kunt het zijvenster naar het vastzetgebied terugslepen, dat met een gele kleur is gemarkeerd De taal wijzigen U kunt de taal van de gebruikersinterface van Tekla Structures op elk moment wijzigen. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Wijzig taal. 2. Selecteer een taal in de lijst. U hebt de volgende opties. De drieletterige taalcodes die tussen haakjes zijn opgegeven, worden in sommige taalafhankelijke bestand- en mapnamen gebruikt. Chinees vereenvoudigd (chs) Chinees traditioneel (cht) Tsjechisch (csy) Nederlands (nld) Engels (enu) Frans (fra) Duits (deu) Hongaars (hun) Italiaans (ita) Japans (jpn) Koreaans (kor) Pools (plk) Portugees (ptg) Portugees Braziliaans (ptb) Russisch (rus) Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 41 De taal wijzigen
42 Spaans (esp) 3. Klik op OK. 4. Start Tekla Structures opnieuw op om de wijziging door te voeren Basisinstellingen in het menu Bestand Gebruik de opties in Bestand --> Instellingen --> Knoppen om bepaalde fundamentele modeleer- en tekeninginstellingen te bepalen. Smart Select Drag & Drop Optie Verschuiven met middelste muisknop Naar centrum zoomen Beschrijving Wijzig hoe slepen en neerzetten werkt voor objecthandles. Als de optie op aan staat, kunt u vanaf objecthandles verslepen zonder deze eerst te selecteren. Als de optie op uit staat, moet u de handles selecteren voordat u versleept. Schakel het commando voor slepen en neerzetten in of uit. Als de optie op aan staat, kunt u met behulp van slepen en neerzetten objecten kopiëren of verplaatsen (pagina 118). Als de optie op uit staat, kan slepen en neerzetten niet worden gebruikt. Wijzig de modus voor het verschuiven (pagina 28). Als de optie op aan staat, kunt u het model met de middelste muisknop verplaatsen. Als de optie op uit staat, kunt u het model met de linkermuisknop verplaatsen. Wijzig modus voor het zoomen (pagina 28). Als de optie op aan staat, wordt het middelpunt voor het zoomen in het Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 42 Basisinstellingen in het menu Bestand
43 Optie Beschrijving midden van het aanzicht gehouden, ongeacht de muisaanwijzerpositie. Als de optie op uit staat, bepaalt de muisaanwijzerpositie het middelpunt voor het zoomen. Basisvenster autorotatie Schakel de autorotatie van 3Daanzichten van onderdelen en componenten in of uit. Crossing-selectie Als de optie op aan staat, draait Tekla Structures het aanzicht eenmaal wanneer u een nieuw 3D-aanzicht van een onderdeel of component maakt. Als de optie op uit staat, roteert Tekla Structures het aanzicht niet. Wijzig hoe gebiedselectie werkt. Als de optie is ingeschakeld, worden alle objecten geselecteerd die ten minste gedeeltelijk in het rechthoekige gebied vallen, onafhankelijk van de sleeprichting. Als de optie op uit staat, beïnvloedt de sleeprichting de selectie van objecten. Rollover Highlight Schakel het markeren (pagina 204) van objecten in of uit. Met rechtermuisknop selecteren Als de optie op aan staat, markeert Tekla Structures selecteerbare objecten met geel wanneer u de muisaanwijzer erheen verplaatst. Als de optie op uit staat, worden de selecteerbare objecten niet gemarkeerd. Wijzig hoe objecten kunnen worden geselecteerd (pagina 206). Als de optie op aan staat, kunt u objecten ook met de rechtermuisknop selecteren. Het betreffende snelkoppelingsmenu wordt ook direct weergegeven. Als de optie op uit staat, kunt u objecten met de linkermuisknop selecteren. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 43 Basisinstellingen in het menu Bestand
44 Optie Middelpunt automatische rotatie Orthogonaal DirectX-rendering Contextuele werkbalk Grote pictogrammen Beschrijving Definieer hoe het aanzichtpunt (pagina 28) wordt ingesteld. Als de optie op aan staat, wijzigt het aanzichtpunt wanneer u met de middelste muisknop klikt. Als de optie op uit staat, blijft het aanzichtpunt in een ingestelde positie. Schakel orthogonaal snappen in of uit. Als de optie op aan staat, snapt Tekla Structures naar het dichtstbijzijnde orthogonale punt op het vlak (0, 45, 90, 135, 180 graden, enzovoort). De muisaanwijzer snapt automatisch naar posities op gelijke afstanden in de gegeven richting. Als de optie op uit staat, wordt orthogonaal snappen niet gebruikt. Schakel tussen OpenGL-rendering en DirectX-rendering. Als de optie op aan staat, wordt DirectX-rendering gebruikt. Als de optie op uit staat, wordt OpenGL-rendering gebruikt. Geef de contextuele werkbalk (pagina 35) weer of verberg deze. Als de optie op aan staat, verschijnt de contextuele werkbalk wanneer u objecten selecteert. Als de optie op uit staat, verschijnt de contextuele werkbalk niet. Wijzig de grootte van werkbalkpictogrammen op de werkbalken Snappen en Selecteren. Als de optie op aan staat, worden grote pictogrammen gebruikt. Als de optie op uit staat, worden kleine pictogrammen gebruikt. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 44 Basisinstellingen in het menu Bestand
45 Knopinfo Optie Beschrijving Geef de knopinfo (pagina 26) weer of verberg deze. Als de optie op aan staat, verschijnt er een klein venster met voorbeelden, hints en tips wanneer u de muisaanwijzer boven een commando houdt. Als de optie op uit staat, verschijnt er geen knopinfo. De volgende instellingen zijn alleen beschikbaar in tekeningen: Optie Lijnbreedten printer Ghost outline Associativiteitssymbool Beschrijving Geef op het scherm de lijnen in kleurentekeningen met een gedefinieerde dikte weer. Als de optie op aan staat, worden de lijnen in kleurentekeningen met een gedefinieerde dikte weergegeven. Als de optie op uit staat, worden de lijnen in kleurentekeningen met een standaard dikte weergegeven. Geef verborgen objecten in tekeningen als ghost outlines weer. In grijstinttekeningen en zwartwittekeningen worden verborgen objecten niet weergegeven, zelfs niet als Ghost outline is geselecteerd. Als de optie op aan staat, worden verborgen lijnen als ghost outlines weergegeven. Als de optie op uit staat, worden verborgen lijnen niet weergegeven. Geeft weer welke tekeningobjecten associatief zijn en automatisch worden bijgewerkt. Associativiteitssymbolen worden alleen weergegeven wanneer u een tekeningobject selecteert, bijvoorbeeld een maatlijn. Objecten die geen geldige associatie hebben, krijgen een ghost- Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 45 Basisinstellingen in het menu Bestand
46 Optie Beschrijving associativiteitssymbool en een vraagteken. Als de optie op aan staat, worden associativiteitssymbolen weergegeven. Als de optie op uit staat, worden associativiteitssymbolen niet weergegeven. Vertrouwd raken met de gebruikersinterface 46 Basisinstellingen in het menu Bestand
47 4 Werkruimte instellen Controleer voordat met modelleren begint of uw Tekla Structures-werkruimte correct is ingesteld. 1. Definieer de eenheden en decimalen die u gaat gebruiken (pagina 47). 2. Wijzig het stramien zodat deze aan uw wensen voldoet (pagina 48). Maak indien nodig een modulair stramien. 3. Maak enkele vensters (pagina 55) om het model vanuit verschillende hoeken te bekijken. 4. Pas de grootte van het werkgebied aan uw project aan (pagina 69). 5. Raak vertrouwd met het coördinatensysteem (pagina 71). Verplaats het werkvlak overeenkomstig (pagina 73) als u schuine structuren modelleert. 4.1 Eenheden en decimalen wijzigen U kunt definiëren welke eenheden en hoeveel decimalen Tekla Structures gebruikt. De instellingen zijn modelspecifiek. Deze instellingen hebben geen enkele invloed op tekeningen of lijsten of op de tools Informatie en Meten. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Opties en ga naar de instellingen Eenheden en decimalen. 2. Wijzig de eenheden en decimalen zodat deze aan uw wensen voldoen. Het nummer dat zich rechts van elke optie bevindt, geeft het aantal decimalen aan. Het aantal decimalen is van invloed op de invoer- en opslagnauwkeurigheid. Gebruik altijd voldoende decimalen. De instellingen op het tabblad Modelleren zijn van invloed op de gegevens die worden gebruikt als u modelleert, bijvoorbeeld kopiëren, verplaatsen, stramienen maken, punten maken, enzovoort. De instellingen op het tabblad Databases zijn van invloed op de gegevens die in de profielen- en materialendatabase zijn opgeslagen. Werkruimte instellen 47 Eenheden en decimalen wijzigen
48 De instellingen op het tabblad Berekeningsresultaten zijn van invloed op de uitvoergegevens. 3. Klik op OK om de wijzigingen op te slaan. 4.2 Stramienen en stramienlijnen maken Een stramien beschrijft een driedimensionaal geheel van horizontale en verticale vlakken. Het stramien wordt weergegeven in het kijkvlak met streeppuntlijnen. Gebruik stramienen als hulpmiddel bij het plaatsen van objecten in een model. U kunt stramienen en stramienlijnen magnetisch maken zodat de objecten op de stramienlijnen volgen wanneer u de stramienlijn verplaatst. Een stramien maken (pagina 49) Een stramien wijzigen (pagina 50) Een losse stramienlijn toevoegen (pagina 51) Stramienterminologie 1. De oorsprong van het stramien is het punt waar de nulpunten van de coördinaatassen elkaar snijden. 2. Stramienlijnverlengingen geven aan hoe ver de stramienlijnen doorlopen in elke richting. 3. Stramienlijnlabels zijn de namen van de stramienlijnen die worden getoond in de vensters. Werkruimte instellen 48 Stramienen en stramienlijnen maken
49 Modulair stramien U kunt meer dan één stramien in een model hebben. We raden u sterk aan een modulair stramien te maken, zodat u eenvoudig objecten in uw model kunt plaatsen. Bijvoorbeeld: Losse stramienlijnen U kunt losse stramienlijnen maken en deze aan een bestaand stramien koppelen. Losse stramienlijnen beschikken over handles. Als de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramienlijn is ingeschakeld en u een stramienlijn selecteert, worden de handles weergegeven in magenta. Als u de handles verplaatst om een schuin stramien te maken, kunt u dit alleen in het lokale XY-vlak (pagina 55) van het stramien doen. Werkruimte instellen 49 Stramienen en stramienlijnen maken
50 Een stramien maken Wanneer u een nieuw model maakt, maakt Tekla Structures automatisch een stramien en een venster op basis van de opgeslagen standaardeigenschappen. We laten u hier zien hoe u handmatig stramienen kunt maken. 1. Klik op het tabblad Bewerken op: 2. Wijs een punt aan om de oorsprong van het stramien aan te geven. De coördinaten van het aangewezen punt worden in het dialoogvenster Stramien getoond als X0, Y0 en Z0. Als u geen punt aanwijst, plaatst Tekla Structures de oorsprong volgens de bestaande waarden. 3. Voer de coördinaten (pagina 71) x en y in. U kunt de coördinaten apart definiëren of u kunt meerdere stramienlijnen met gelijke afstand definiëren. De volgende coördinaten maken beide drie stramienlijnen met een afstand van 4000: * Voer de z-coördinaten in. 5. Voer de stramienlabels in. 6. Wijzig indien nodig de andere stramienvenstereigenschappen. 7. Als u objecten wilt laten volgen als u de stramienlijnen verplaatst, schakelt u het selectievakje Magnetisch stramienvlak in. 8. Klik op Maak. OPMERKING Als u met zeer grote stramienen werkt, wordt Tekla Structures mogelijk trager als u de stramienlabels altijd zichtbaar houdt.als u de stramienlabels wilt verbergen wanneer u inzoomt, gebruikt u de variabele. Zie ook Een stramien wijzigen (pagina 50) De kleurinstellingen wijzigen (pagina 76) Een stramien wijzigen Dubbelklik op een bestaand stramien om deze te wijzigen. Werkruimte instellen 50 Stramienen en stramienlijnen maken
51 1. Zorg dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramien is ingeschakeld. 2. Dubbelklik op een stramienlijn. 3. Wijzig de stramieneigenschappen. 4. Als u extra stramienlijnen aan het stramien hebt gekoppeld en u deze wilt behouden, schakelt u de selectievakjes naast de vakken Coördinaat uit. Anders verwijdert Tekla Structures alle losse stramienlijnen (pagina 48) die aan het stramien zijn gekoppeld. 5. Klik op Wijzig om de wijzigingen op te slaan. Zie ook De kleurinstellingen wijzigen (pagina 76) Een losse stramienlijn wijzigen (pagina 52) Een stramien verwijderen Wanneer u een heel stramien verwijdert, moet u controleren of u geen andere objecten hebt geselecteerd. Anders verwijdert Tekla Structures alleen de objecten, niet het stramien. 1. Zorg dat alleen de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramien is ingeschakeld. 2. Selecteer het stramien. 3. Klik met de rechtermuisknop en selecteer Verwijderen in het contextmenu. 4. Bevestig dat u het stramien wilt verwijderen. Zie ook Een losse stramienlijn verwijderen (pagina 54) Een losse stramienlijn toevoegen U kunt nieuwe stramienlijnen toevoegen tussen bestaande stramienlijnen of tussen twee vrij gekozen punten die u in het model definieert. Een stramienlijn tussen bestaande stramienlijnen toevoegen U kunt nieuwe stramienlijnen tussen bestaande stramienlijnen toevoegen. Werkruimte instellen 51 Stramienen en stramienlijnen maken
52 1. Zorg ervoor dat de knop Rechtstreekse wijziging is ingeschakeld. 2. Zorg dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramien is ingeschakeld. 3. Selecteer een bestaand stramien waaraan u de stramienlijn wilt koppelen. 4. Klik op het symbool tussen twee bestaande stramienlijnen of klik buiten het stramien. Tekla Structures maakt de stramienlijn en kent er met behulp van de labels van de aangrenzende stramienlijnen een label aan toe. Zo krijgt een nieuwe stramienlijn tussen de stramienlijnen 1 en 2 het label 12*. Een stramienlijn tussen twee punten toevoegen U kunt nieuwe stramienlijnen tussen twee aangewezen punten toevoegen. 1. Klik op het tabblad Bewerken op Stramien en selecteer Toevoegen Stramienlijn. 2. Selecteer een bestaand stramien waaraan u de stramienlijn wilt koppelen. 3. Wijs het beginpunt van de stramienlijn aan. 4. Wijs het eindpunt van de stramienlijn aan. Een losse stramienlijn wijzigen U kunt losse stramienlijnen verplaatsen, verkleinen en laten hellen. U kunt ook stramienlijnlabels wijzigen. Eigenschappen van stramienlijnen wijzigen U kunt de eigenschappen van een losse stramienlijn bewerken. 1. Zorg dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramienlijn is ingeschakeld. 2. Dubbelklik op een stramienlijn. 3. Wijzig de stramienlijneigenschappen. 4. Klik op Wijzig om de wijzigingen op te slaan. Werkruimte instellen 52 Stramienen en stramienlijnen maken
53 Een stramienlijn verplaatsen Gebruik rechtstreekse wijziging om losse stramienlijnen te verplaatsen. 1. Zorg ervoor dat de knop Rechtstreekse wijziging is ingeschakeld. 2. Zorg dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramien is ingeschakeld. 3. Selecteer het stramien. 4. Selecteer de stramienlijn die u wilt verplaatsen. 5. Versleep de stramienlijn naar een nieuwe locatie. U kunt ook met het toetsenbord een numerieke locatie invoeren. Gebruik het numerieke toetsenblok om met het minteken (-) te beginnen. Als u een absolute coördinaat wilt invoeren, voert u eerst $ in en vervolgens de waarde. Druk op Enter om te bevestigen. Een stramienlijn verlengen, inkorten of laten hellen Gebruik rechtstreekse wijziging om losse stramienlijnen uit te rekken, te verkleinen of te laten hellen. 1. Zorg ervoor dat de knop Rechtstreekse wijziging is ingeschakeld. 2. Zorg dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramien is ingeschakeld. 3. Selecteer het stramien. 4. Selecteer de stramienlijn. 5. Versleep een handle van de stramienlijn naar een nieuwe locatie. Een stramienlijnlabel wijzigen Gebruik de contextuele werkbalk om het label van een losse stramienlijn te wijzigen. 1. Zorg ervoor dat de knop Rechtstreekse wijziging is ingeschakeld. 2. Zorg dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramienlijn is ingeschakeld. 3. Selecteer een stramienlijn. 4. Voer op de contextuele werkbalk een nieuw label in. Werkruimte instellen 53 Stramienen en stramienlijnen maken
54 Uitrekken van stramienlijn uitschakelen Als u de buitenste stramienlijnen met de lijnhandles verplaatst, verlengt of verkort Tekla Structures de loodrechte, kruisende stramienlijnen standaard dienovereenkomstig. U kunt dit tijdelijk uitschakelen. 1. Zorg ervoor dat de knop Rechtstreekse wijziging is ingeschakeld. 2. Zorg dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramien is ingeschakeld. 3. Selecteer de stramienlijn. 4. Klik op de contextuele werkbalk op de knop Uitrekken van stramienlijn uitschakelen. Een losse stramienlijn verwijderen U kunt stramienlijnen op twee verschillende manieren verwijderen. De eenvoudigste manier is door rechtstreekse wijziging te gebruiken. Een stramienlijn met rechtstreekse wijziging verwijderen Gebruik rechtstreekse wijziging om losse stramienlijnen snel te verwijderen. 1. Zorg ervoor dat de knop Rechtstreekse wijziging is ingeschakeld. 2. Selecteer de stramienlijn die u wilt verwijderen. 3. Druk op Delete. Een stramienlijn verwijderen (alternatieve methode) Dit is de alternatieve manier om losse stramienlijnen te verwijderen. 1. Zorg dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramienlijn is ingeschakeld. 2. Selecteer de stramienlijn die u wilt verwijderen. 3. Zorg ervoor dat u geen andere objecten hebt geselecteerd. Als u ook andere objecten heeft geselecteerd, verwijdert Tekla Structures alleen de objecten, niet de stramienlijn. 4. Klik met de rechtermuisknop en selecteer Verwijder in het contextmenu. Werkruimte instellen 54 Stramienen en stramienlijnen maken
55 5. Bevestig dat u de stramienlijn wilt verwijderen. 4.3 Modelvensters maken Een aanzicht is een weergave van een model vanuit een specifiek gezichtspunt. Elk aanzicht wordt in een eigen venster binnen Tekla Structures weergegeven. Het selecteren van een onderdeel in een venster markeert het onderdeel in alle geopende vensters. Aanzichten maken (pagina 56) Een venster openen (pagina 66) Schakelen tussen vensters (pagina 68) De kleurinstellingen wijzigen (pagina 76) Kijkvlak Elk aanzicht beschikt over een kijkvlak waarop de stramienen (pagina 48) zichtbaar zijn en punten als gele kruizen worden gerepresenteerd. Punten die zich buiten het kijkvlak bevinden, zijn rood. U kunt het kijkvlak verplaatsen (pagina 56) net als elk ander object. Basisvensters Basisvensters zijn vensters die parallel zijn aan de globale basisvlakken (xy, xz en zy). In basisvensters wordt het kijkvlak altijd gedefinieerd door twee assen en de assen verschijnen in de naam van het vlak. De derde as staat loodrecht op het kijkvlak. Deze wordt niet aangegeven in de naam van het vlak. In een basiskijkvlak wordt het model getoond vanuit de richting van de derde as. Wanneer u basisvensters maakt, moet u de afstand van het kijkvlak (de kijkvlakcoördinaat) vanaf de globale oorsprong in de richting van de derde as definiëren. Voorbeelden van basisvensters: Vlak 3D-venster Kijkvlak XY Werkruimte instellen 55 Modelvensters maken
56 Vlak 3D-venster Kijkvlak XZ ZY Overige vensters Voor andere venstertypen kunt u het kijkvlak en de coördinaten definiëren door punten aan te wijzen of u de punten zijn automatisch gedefinieerd, afhankelijk van de creatiemethode. Het kijkvlak verplaatsen U kunt het kijkvlak verplaatsen net als elk ander object. Wanneer u een kijkvlak verplaatst, gebruikt Tekla Structures alleen de vector die loodrecht op het kijkvlak staat. 1. Selecteer het venster. 2. Klik met de rechtermuisknop en selecteer Verplaatsen --> Rechtlijnig. 3. Selecteer het startpunt van de verplaatsingsvector of voer de coördinaten in. 4. Selecteer het eindpunt van de verplaatsingsvector of voer de coördinaten in. 5. Klik op Verplaats om het kijkvlak te verplaatsen. Werkruimte instellen 56 Modelvensters maken
57 Aanzichten maken U kunt aanzichten van onderdelen, componenten en het gehele model maken. Een basisvenster van het model maken U kunt een basisvenster langs twee coördinaatassen maken. Met dit venster kunt u het gehele model weergeven. 1. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> Basisvenster. 2. Selecteer een kijkvlak in de lijst Vlak. 3. Voer in het vak Coördinaten het vensterniveau in. Deze waarde definieert de afstand tot de globale oorsprong. 4. Klik op Maak. Een venster met twee punten maken U kunt als volgt een venster met twee aangewezen punten maken: de oorsprong en een punt in de horizontale richting. 1. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> Twee punten gebruiken. 2. Wijs een punt aan om de oorsprong van het kijkvlak aan te geven. 3. Wijs een tweede punt aan om de richting van de x-as van het venster aan te geven. De y-as staat loodrecht op het kijkvlak waarop u het eerste punt hebt aangewezen. Een venster met drie punten maken U kunt als volgt een venster met drie aangewezen punten maken: de oorsprong, een punt in de horizontale richting en een punt in de verticale richting. 1. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> Drie punten gebruiken. 2. Wijs een punt aan om de oorsprong van het kijkvlak aan te geven. 3. Wijs een tweede punt aan om de richting van de x-as van het venster aan te geven. 4. Wijs een derde punt aan om de richting van de y-as van het venster aan te geven. Werkruimte instellen 57 Modelvensters maken
58 Een venster van het werkvlak maken U kunt met de huidige eigenschappen een venster van het werkvlak maken. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> In werkvlak. Stramienaanzichten maken U kunt vensters maken langs de stramienlijnen die u selecteert. Maak voordat u begint een venster dat een stramien bevat en controleer de stramieneigenschappen. Als de stramieneigenschappen op een of andere manier onjuist zijn, kan Tekla Structures de vensters mogelijk op de verkeerde hoogte doorsnijden of er kan een onjuiste naam aan worden toegewezen. Als u de stramienlabels of de hoogte of de stramienen later wijzigt, worden de namen van de vensters niet automatisch gewijzigd. 1. Selecteer het stramien. 2. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> Langs stramienlijnen. 3. Wijzig indien nodig de stramienvenstereigenschappen. a. Selecteer in de lijst Aantal vensters welke vensters u wilt maken. b. Voer in het vak Vensternaam prefix een prefix in. c. Definieer in de lijst Venster eigenschappen welke venstereigenschappen (toegepast of opgeslagen) u wilt gebruiken. 4. Klik op Maak. Het dialoogvenster Vensters wordt geopend. 5. Klik op de pijlknoppen om vensters uit de lijst Niet zichtbare vensters naar de lijst Zichtbare vensters te verplaatsten. De vensters zijn niet zichtbaar totdat u ze naar de lijst Zichtbare vensters verplaatst. Voorbeeld In dit voorbeeld maken we verticale vensters van de stramienlijnen 1 7 op het volgende model: Werkruimte instellen 58 Modelvensters maken
59 In het dialoogvenster Aanmaak van aanzichten langs stramienlijnen selecteren we Alles voor het kijkvlak XZ en Geen voor de kijkvlakken XY en ZY. We gebruiken de standaardinstellingen voor de vensternaamprefix en de venstereigenschappen. Na het maken van de stramienvensters, verplaatsen we het venster dat Stramien 2 heet naar de lijst Zichtbare vensters: Werkruimte instellen 59 Modelvensters maken
60 Het stramienvenster wordt weergegeven als een 2D-venster in een nieuw venster: We kunnen het venster roteren om het in 3D te bekijken: Werkruimte instellen 60 Modelvensters maken
61 Een venster op een onderdeelvlak maken U kunt een venster op het voor-, boven-, achter- of ondervlak van een onderdeel maken. 1. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster en selecteer een van de volgende opties: Op voorvlak van het onderdeel Op bovenvlak van het onderdeel Op achtervlak van het onderdeel Op ondervlak van het onderdeel 2. Selecteer het onderdeel. Een 3D-venster van een onderdeel maken Als u een bepaald onderdeel duidelijk wilt zien, maakt u een 3D-venster van het onderdeel. Het onderdeel wordt in het midden van het venster geplaatst. 1. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> 3D-venster van onderdeel. Werkruimte instellen 61 Modelvensters maken
62 2. Selecteer het onderdeel. Tekla Structures maakt het venster. De y-as van het kijkvlak is de globale z- as van het model. De x-as is de projectie van de lokale x-as van het onderdeel op het globale xy-vlak. Maak standaard onderdeelvensters U kunt vier basisvensters van een onderdeel maken. voor-, boven-, eind- en perspectiefvenster. Tekla Structures maakt deze vensters allemaal in één keer met hetzelfde commando. Het perspectiefvenster is standaard een 3D-venster en de voor-, boven- en eindaanzichten zijn 2D-vensters. 1. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> Standaardvensters van onderdeel. 2. Selecteer het onderdeel. Tekla Structures maakt de vier standaardvensters allemaal in één keer. Een niet-vervormd onderdeelvenster maken U kunt een venster maken dat een vervormd onderdeel in een niet-vervormde vorm weergeeft. Dit werkt alleen voor liggers en kolommen. 1. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> Niet-vervormd venster van onderdeel. 2. Selecteer het onderdeel. Selecteer bijvoorbeeld een getordeerde ligger. Tekla Structures geeft de ligger in een apart venster in een niet-vervormde vorm weer. Een 3D-venster van een component maken Als u een bepaalde component duidelijk wilt zien, maakt u een 3D-venster van de component. De component wordt in het midden van het venster geplaatst. 1. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> 3D-venster van component. 2. Selecteer de component. Tekla Structures maakt het venster. De y-as van het kijkvlak is de globale z- as van het model. De x-as is de projectie van de lokale x-as van het eerste aansluitend onderdeel op het globale xy-vlak. De diepte van het werkgebied is 1 mm in alle richtingen. Werkruimte instellen 62 Modelvensters maken
63 Maak standaard componentvensters U kunt vier basisvensters van een component maken. voor-, boven-, eind- en perspectiefvenster. Tekla Structures maakt deze vensters allemaal in één keer met hetzelfde commando. Het perspectiefvenster is standaard een 3D-venster en de voor-, boven- en eindaanzichten zijn 2D-vensters. 1. Klik op het tabblad Venster op Nieuw venster --> Standaardvensters van component. 2. Selecteer de component. Tekla Structures maakt de vier standaardvensters allemaal in één keer. Een vlakvenster maken Met de macro CreateSurfaceView kunt u een automatisch uitgelijnd vlakvenster maken. Dit kan erg handig zijn bij het modelleren van boutgroepen, schotjes en uitsnijdingen in een complexe geometrie. 1. Klik in het zijvenster op de knop Applicaties en componenten om de database Applicaties en componenten te openen. 2. Klik op de pijl naast Applicaties om de lijst met applicaties te openen. 3. Dubbelklik op CreateSurfaceView om de macro te starten. 4. Selecteer het oppervlak van het onderdeel. Werkruimte instellen 63 Modelvensters maken
64 Tekla Structures maakt een nieuw tijdelijk venster en verplaatst het werkvlak meestal langs het langste rand van het onderdeelvlak. U kunt in het vlakvenster modelleren en uw gemodelleerde werk tegelijkertijd in uw oorspronkelijke 3D-venster zien. 5. Druk op Esc om de macro te stoppen. 6. U zet het werkvlak als volgt terug naar de oorsprong: a. Herhaal de stappen 1-2 om de lijst Applicaties te openen. b. Dubbelklik op de macro WorkPlaneGlobal. Een vlakvenster langs een geselecteerde rand maken Met de macro CreateSurfaceView_wEdge kunt u een vlakvenster maken en het werkvlak uitlijnen langs de rand die u selecteert. Dit kan erg handig zijn bij het modelleren van boutgroepen, schotjes en uitsnijdingen in een complexe geometrie. 1. Zorg ervoor dat de selectieknop (pagina 111) Naar geometrielijnen/-punten snappen is ingeschakeld. Hiermee kunt u een rand aanwijzen om de richting te definiëren. 2. Klik in het zijvenster op de knop Applicaties en componenten om de database Applicaties en componenten te openen. 3. Klik op de pijl naast Applicaties om de lijst met applicaties te openen. 4. Dubbelklik op CreateSurfaceView_wEdge om de macro te starten. 5. Selecteer het oppervlak van het onderdeel. Als u met de muisaanwijzer over de onderdeelranden beweegt, wordt er een geel pijlsymbool weergegeven om de mogelijke randen aan te geven waarmee u het venster kunt uitlijnen. De kop van de pijl staat voor de positieve richting van de x-as. Het venster wordt in deze richting geroteerd Werkruimte instellen 64 Modelvensters maken
65 om de platte horizontale rand van het venster te vormen. De oorsprong van het venster en het werkvlak bevinden zich aan het begin van de pijl. 6. Wijs de gewenste oppervlakte aan. Tekla Structures maakt een nieuw tijdelijk venster en de geselecteerde rand vormt de x-as van het venster. U kunt in het vlakvenster modelleren Werkruimte instellen 65 Modelvensters maken
66 en uw gemodelleerde werk tegelijkertijd in uw oorspronkelijke 3D-venster zien. 7. Druk op Esc om de macro te stoppen. 8. U zet het werkvlak als volgt terug naar de oorsprong: a. Herhaal de stappen 2-3 om de lijst Applicaties te openen. b. Dubbelklik op de macro WorkPlaneGlobal. Een venster openen U kunt tot negen vensters tegelijkertijd geopend hebben. Als u een venster niet kunt openen, controleert u hoeveel vensters u al geopend hebt. Mogelijk moet u eerst enkele hiervan sluiten. 1. Klik op het tabblad Venster op Toon alle vensters om het dialoogvenster Vensters te openen. Tekla Structures geeft alle onzichtbare benoemde vensters aan de linkerzijde en alle zichtbare vensters aan de rechterzijde weer. 2. Selecteer een venster in de lijst Niet zichtbare vensters en klik op de rechterpijl om het naar de lijst Zichtbare vensters te verplaatsen. U kunt ook op een venster dubbelklikken om het te openen. Controleer hoeveel vensters u al geopend hebt als het venster niet verschijnt. Werkruimte instellen 66 Modelvensters maken
67 3. U kunt meerdere vensters openen door met behulp van de Shift-toets en de Ctrl-toets meerdere vensters in de lijst te selecteren. Zie ook Een venster opslaan (pagina 67) Schakelen tussen vensters (pagina 68) Een venster opslaan Geef ieder venster een unieke naam als u later vensters opnieuw moet openen. Wanneer u het model afsluit, slaat Tekla Structures alleen de vensters op die u een naam hebt gegeven. Tijdelijke vensters verdwijnen als u ze sluit. Maak voordat u begint een of meer vensters (pagina 56) in het model. 1. Dubbelklik op het venster om het dialoogvenster Venster eigenschappen te openen. 2. Voer een unieke naam in het vak Naam in. Tijdelijke vensters hebben een standaardnaam tussen haakjes. Gebruik geen haakjes voor de naam van een venster omdat het venster dan niet wordt opgeslagen voor toekomstig gebruik. OPMERKING In de multi-user modus is het zeer belangrijk dat u vensters unieke namen geeft. Als gebruikers dezelfde naam voor verschillende vensters gebruiken, kunnen de vensterinstellingen van een gebruiker per ongeluk de instellingen van een andere gebruiker overschrijven. 3. Klik op Wijzig. Tekla Structures slaat automatisch alle vensters met een naam op wanneer u het model sluit. Een venster wijzigen U kunt een venster wijzigen door er eenvoudigweg op te dubbelklikken. 1. Dubbelklik op het venster om het dialoogvenster Venster eigenschappen te openen. 2. De venstereigenschappen wijzigen 3. Klik op Wijzig. Werkruimte instellen 67 Modelvensters maken
68 Zie ook Het kijkvlak verplaatsen (pagina 56) Een venster verwijderen U kunt benoemde vensters permanent verwijderen. 1. Klik op het tabblad Venster op Toon alle vensters om het dialoogvenster Vensters te openen. Tekla Structures geeft alle onzichtbare benoemde vensters (pagina 55) aan de linkerzijde en alle zichtbare vensters aan de rechterzijde weer. 2. Selecteer het venster dat u wilt verwijderen. 3. Klik op Verwijderen. Tekla Structures verwijdert het venster permanent. Als het venster tijdens de verwijdering zichtbaar was, blijft het zichtbaar totdat u het sluit. 4. Als u meerdere vensters wilt verwijderen, gebruikt u Shift of Ctrl wanneer u vensters in de lijst selecteert. Schakelen tussen vensters U kunt tijdens het modelleren eenvoudig tussen alle geopende vensters schakelen. U kunt ook tussen de 3D-modus en de 2D-modus schakelen, om het huidige venster vanuit verschillende perspectieven te onderzoeken. Schakelen tussen geopende vensters U kunt op de volgende manieren schakelen tussen geopende vensters: Gebruik de toetsenbordcombinatie Ctrl+Tab. Klik op Venster en selecteer een venster in de lijst. Klik met de rechtermuisknop op een venster en selecteer vervolgens Volgend venster in het contextmenu. De volgende geopende venster wordt actief. Werkruimte instellen 68 Modelvensters maken
69 Tussen 3D-venster en 2D-venster schakelen Gebruik het commando Naar 3D of vlak schakelen om het huidige venster vanuit verschillende perspectieven te bekijken. Klik op het tabblad Venster op Naar 3D of vlak schakelen. U kunt ook op Ctrl+P drukken. Vensters bijwerken en vernieuwen Gebruik de commando's Venster bijwerken en Regenereren om één enkel venster of alle vensters in één keer te vernieuwen. Bijwerken: Verwijdert tijdelijke afbeeldingen (zoals gemeten afstanden) maar genereert het venster niet opnieuw. Dat is sneller dan opnieuw tekenen. Regenereren: Tekent het venster volledig opnieuw en geeft alle voorheen verborgen objecten weer. U wilt Het huidige venster bijwerken Actie Klik met de rechtermuisknop op het venster en selecteer Venster bijwerken. Alle vensters bijwerken Klik op het tabblad Venster op Regenereer --> Tijdelijke afbeeldingen wissen. Het huidige venster opnieuw genereren Klik met de rechtermuisknop op het venster en selecteer Regenereer venster. Alle vensters opnieuw genereren Klik op het tabblad Venster op. Zie ook Schakelen tussen vensters (pagina 68) 4.4 Het werkgebied definiëren Tekla Structures geeft het werkgebied van een venster aan met groene stippellijnen. Objecten buiten het werkgebied zijn aanwezig, maar zijn niet zichtbaar. U kunt het werkgebied verkleinen en uitbreiden om aan bepaalde situaties te voldoen, bijvoorbeeld als u zich op een bepaald gebied van het model wilt concentreren. U kunt het werkgebiedvak tijdelijk verbergen. Werkruimte instellen 69 Het werkgebied definiëren
70 Werkgebied aan gehele model aanpassen U kunt de grootte van het werkgebied wijzigen als u alle modelobjecten in alle vensters of in alleen geselecteerde vensters wilt opnemen. 1. Klik op het tabblad Venster op Werkgebied en selecteer een van de volgende opties: Aan gehele model in alle vensters Past het werkgebied aan om alle modelobjecten in alle zichtbare vensters op te nemen. Aan gehele model in geselecteerde vensters Past het werkgebied aan om alle modelobjecten in de geselecteerde vensters op te nemen. Het werkgebied aan geselecteerde onderdelen aanpassen U kunt de grootte van het werkgebied wijzigen om alleen geselecteerde onderdelen in alle vensters of in alleen geselecteerde vensters op te nemen. 1. Selecteer de objecten die u wilt opnemen. 2. Klik op het tabblad Venster op Werkgebied en selecteer een van de volgende opties: Naar geselecteerde onderdelen in alle vensters Past het werkgebied aan om de geselecteerde modelobjecten in alle vensters op te nemen. Werkruimte instellen 70 Het werkgebied definiëren
71 Naar geselecteerde onderdelen in geselecteerde vensters Past het werkgebied aan om de geselecteerde modelobjecten in de geselecteerde op te nemen. Werkgebied aanwijzen met twee punten U kunt de grootte van het werkgebied wijzigen op basis van twee hoekpunten die u op het kijkvlak aanwijst. De diepte van het werkgebied is hetzelfde als de vensterdiepte. 1. Klik op het tabblad Venster op Werkgebied en selecteer Door twee punten. 2. Wijs het eerste punt aan. 3. Wijs het tweede punt aan. Het werkgebiedvak verbergen U kunt het werkgebiedvak in een venster tijdelijk verbergen. Dit is handig als u bijvoorbeeld schermafdrukken wilt maken voor presentaties. 1. Houd de Ctrl- en Shift-toetsen tegelijkertijd ingedrukt. 2. Klik op het tabblad Venster op Regenereer --> Regenereer alles. 3. Als u het vak weer zichtbaar wilt maken, klikt u nogmaals op Regenereer --> Regenereer alles. TIP Of gebruik hiervoor de variabele XS_HIDE_WORKAREA. 4.5 Coördinatensysteem Tekla Structures gebruikt twee coördinatensystemen: de algemene en het lokale coördinatensysteem. Het lokale coördinatensysteem staat ook bekend als werkvlak. Globaal coördinatensysteem Het groene kubussymbool vertegenwoordigt het globale coördinatensysteem en ligt op de globale oorsprong (x=0, y=0, z=0). Plaats het model niet ver vanaf de oorsprong. Als u modelobjecten ver van de oorsprong maakt, kan snappen Werkruimte instellen 71 Coördinatensysteem
72 naar punten (pagina 90) in de modelvensters onnauwkeurig worden. Hoe verder u van de oorsprong modelleert hoe minder nauwkeurig alle berekeningen worden. Lokaal coördinatensysteem (werkvlak) Het werkvlak vertegenwoordigt het lokale coördinatensysteem. Het werkvlak heeft zijn eigen stramien dat kan worden gebruikt om onderdelen te positioneren. De meeste commando's die afhankelijk zijn van het coördinatensysteem, gebruiken coördinaten van het werkvlak. Voor het maken van punten, positioneren van onderdelen en kopiëren maakt u bijvoorbeeld altijd gebruik van het coördinatensysteem van het werkvlak. Het coördinatensymbool dat zich in de rechterbenedenhoek van het modelvenster bevindt, volgt het werkvlak. Het werkvlak is modelspecifiek, dus is het in alle vensters hetzelfde. Het rode pijlsymbool van het werkvlak geeft het xy-vlak aan. De z-richting volgt de rechterhandregel. Zie ook Het werkvlakstramien weergeven of verbergen (pagina 73) Het werkvlak verschuiven (pagina 73) De kleurinstellingen wijzigen (pagina 76) Werkruimte instellen 72 Coördinatensysteem
73 Het werkvlakstramien weergeven of verbergen Het werkvlakstramien is standaard verborgen. Gebruik de opties op de werkbalk Snappen om het werkvlakstramien weer te geven of te verbergen. 1. Als u het stramien wilt weergeven, selecteert u Werkvlak in de tweede lijst. 2. Als u het stramien wilt verbergen, selecteert u Kijkvlak in dezelfde lijst. Zie ook Het werkvlak verschuiven (pagina 73) Het werkvlak verschuiven U kunt het werkvlak op elke willekeurige positie instellen door punten aan te wijzen of door een vlak te selecteren. Hierdoor is het eenvoudiger om onderdelen nauwkeurig te plaatsen als u schuine onderdelen modelleert. U kunt het werkvlak bijvoorbeeld naar de helling van het dak verschuiven om het modelleren van horizontale windverbanden en gordingen in een schuin dak eenvoudiger te maken. Werkvlak op een willekeurig bovenvlak instellen Gebruik het commando Werkvlaktool om het werkvlak op een onderdeelvlak in te stellen. 1. Klik op het tabblad Venster op Werkvlak --> Werkvlaktool. Werkruimte instellen 73 Coördinatensysteem
74 2. Wijs een punt aan. Werkvlak parallel aan xyz-vlak instellen U kunt het werkvlak parallel aan het xy-, xz- of zy-vlak instellen 1. Klik op het tabblad Venster op Werkvlak en selecteer Parallel aan XY(Z)- vlak. 2. Selecteer in de keuzelijst Vlak het vlak parallel aan het werkvlak. 3. Voer de dieptecoördinaat in. De dieptecoördinaat definieert de afstand van het werkvlak van de globale oorsprong langs een lijn die loodrecht op het vlak staat parallel aan de derde as. 4. Klik op Veranderen. Definieer werkvlak met één punt U kunt het werkvlak instellen met een aangewezen punt. Het werkvlak blijft parallel aan het huidige werkvlak, maar het wordt naar een nieuwe positie verplaatst. De x- en y-richtingen blijven ongewijzigd. 1. Klik op het tabblad Venster op Werkvlak en selecteer Door één punt. 2. Wijs de nieuwe positie van het werkvlak aan. Definieer werkvlak met twee punten U kunt het werkvlak instellen met twee aangewezen punten. Het eerste punt dat u aanwijst, is de oorsprong. De tweede definieert de x-richting van het werkvlak. De y-richting blijft hetzelfde als het vorige werkvlak. Werkruimte instellen 74 Coördinatensysteem
75 1. Klik op het tabblad Venster op Werkvlak en selecteer Door twee punten. 2. Wijs de oorsprong van het werkvlak aan. 3. Wijs een punt in het werkvlak aan, in de positieve x-richting. Het werkvlak met drie punten instellen U kunt het werkvlak instellen met drie aangewezen punten. Het eerste punt dat u aanwijst, is de oorsprong. Met het tweede punt wordt de x-richting gedefinieerd en met het derde punt wordt de y-richting van het werkvlak gedefinieerd. In Tekla Structures wordt de z-richting volgens de rechterhandregel bepaald. 1. Klik op het tabblad Venster op Werkvlak en selecteer Met 3 punten. 2. Wijs de oorsprong voor het werkvlak aan. 3. Wijs een punt voor de positieve x-richting aan. 4. Wijs een punt voor de positieve y-richting aan. Het werkvlak parallel aan het kijkvlak instellen U kunt het werkvlak zo instellen dat het gelijk is aan het kijkvlak van een geselecteerd venster. 1. Klik op het tabblad Venster op Werkvlak en selecteer Parallel aan Venster Vlak. 2. Selecteer het venster. Werkruimte instellen 75 Coördinatensysteem
76 Het standaardwerkvlak herstellen Vergeet het standaard werkvlak terug te zetten nadat u klaar bent met het modelleren van schuine structuren. 1. Klik op het tabblad View op Werkvlak --> Parallel aan XY(Z) -vlak. 2. Selecteer de lijst Vlak XY. 3. Voer in het vak Diepte coördinaat 0 in. 4. Klik op Veranderen. 4.6 De kleurinstellingen wijzigen U kunt definiëren welke kleur u voor maatlijnen, labels, achtergrond en stramienlijnen in het model wilt gebruiken. Als u bijvoorbeeld de achtergrondkleur op zwart instelt, moet u de andere kleuren mogelijk ook aanpassen om ervoor te zorgen dat de tekst en de maatlijnen zichtbaar zijn. Wijzig de kleurinstellingen in het dialoogvenster Geavanceerde opties met behulp van de RGB-waarden: <value for red> <value for green> <value for blue>. Scheid de waarden van elkaar met behulp van spaties. Definieer de waarden op een schaal van 0,0 tot 1,0. De RGB-code voor geel is bijvoorbeeld Werkruimte instellen 76 De kleurinstellingen wijzigen
77 RGB-waarden voor kleuren zoeken Gebruik de tool Tekla Structures Background Color Selector om een geschikte kleur voor de achtergrond, stramienen, onderdeellabels enzovoort te vinden. 1. Ga naar Tekla Warehouse. 2. Download en installeer de tool Background Color Selector. TIP Daarnaast kunt u de tool Color picker for Tekla Structures gebruiken, die beschikbaar is op Tekla User Assistance. Voorbeelden RGB-kleurencode Wit Rood Groen Blauw Geel Kleur De achtergrondkleur wijzigen Stel de achtergrondkleur in met een combinatie van vier verschillende variabelen. U kunt ook de kleur van elke hoek van de achtergrond afzonderlijk regelen. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Geavanceerde opties en ga naar de categorie Modelvenster. 2. Stel de achtergrondkleur met de volgende variabelen in: XS_BACKGROUND_COLOR1 XS_BACKGROUND_COLOR2 XS_BACKGROUND_COLOR3 XS_BACKGROUND_COLOR4 Voor een effen achtergrond stelt u dezelfde waarde voor alle vier de hoeken van de achtergrond in. Als u de standaard achtergrondkleur wilt gebruiken, laat u de vakken leeg. 3. Klik op OK om de wijzigingen op te slaan. 4. Sluit het model en open het opnieuw om de wijzigingen te zien. Werkruimte instellen 77 De kleurinstellingen wijzigen
78 Voorbeelden Hieronder ziet u enkele voorbeelden van mogelijke achtergrondkleuren die u kunt definiëren. De eerste RGB-waarde verwijst naar de variabele XS_BACKGROUND_COLOR1, de tweede waarde naar de variabele XS_BACKGROUND_COLOR2, enzovoort. RGB-waarden Resultaat De kleur van afmetingen, onderdeellabels en stramienen wijzigen U kunt definiëren welke kleur u voor maatlijnen, onderdeellabels en stramienlijnen in het model wilt gebruiken. Werkruimte instellen 78 De kleurinstellingen wijzigen
79 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Geavanceerde opties. 2. Zoek naar de kleurinstelling die u wilt wijzigen. Kleurinstelling Stramien Werkvlakstramien Maatlijnen Maatlijntekst Onderdeellabels Variabele XS_GRID_COLOR XS_GRID_COLOR_FOR_WORK_PLANE XS_VIEW_DIM_LINE_COLOR XS_VIEW_DIM_TEXT_COLOR XS_VIEW_PART_LABEL_COLOR TIP Als u snel alle aan kleuren gerelateerde variabelen wilt vinden, voert u kleur in het vak Zoeken in en drukt u op Enter. Zorg ervoor dat het selectievakje In alle categorieën is ingeschakeld. 3. Definieer de kleur met RGB-waarden. 4. Klik op OK om de wijzigingen op te slaan. U moet Tekla Structures mogelijk opnieuw starten. 5. Sluit het model en open het opnieuw om de wijzigingen te zien. Werkruimte instellen 79 De kleurinstellingen wijzigen
80 5 Objecten maken, wijzigen en verwijderen Er zijn verschillende manieren om objecten in Tekla Structures te maken, wijzigen en verwijderen. Hier beschrijven we de manier die voor een nieuwe gebruiker het handigst is. 1. Voer een commando uit dat een object maakt. Klik bijvoorbeeld op om een stalen ligger te maken. 2. Wijs punten aan (pagina 90) om het object in het model te plaatsen. Tekla Structures maakt het object met de huidige eigenschappen van het objecttype. 3. Volg de statusbalkberichten (pagina 33) om instructies te krijgen hoe u moet doorgaan. 4. Als u meer objecten met dezelfde eigenschappen wilt maken, wijst u meer punten aan. Het commando wordt uitgevoerd totdat u het commando beëindigt of een ander commando start. (pagina 26) 5. Dubbelklik op het object om dit te wijzigen. Het dialoogvenster met objecteigenschappen wordt geopend. 6. Wijzig indien gewenst de eigenschappen. 7. U kunt aangeven welke eigenschappen u wilt wijzigen door de selectievakjes in of uit te schakelen. Als u bijvoorbeeld alleen het materiaal van het object wilt wijzigen, selecteert u het selectievakje Materiaal en wist u alle andere. TIP Klik op om alle selectievakjes in of uit te schakelen. Objecten maken, wijzigen en verwijderen 80 De kleurinstellingen wijzigen
81 8. Klik op Wijzig. Tekla Structures wijzigt de eigenschappen waarvan u de selectievakjes in stap 7 hebt ingeschakeld. 9. Als u een object wilt verwijderen, selecteert u het en drukt u op Delete. Zie ook De contextuele werkbalk gebruiken (pagina 35) De grootte en de vorm van een object wijzigen (pagina 81) Dialoogvenstereigenschappen opslaan en laden (pagina 88) 5.1 De grootte en de vorm van een object wijzigen U kunt de grootte en de vorm van modelobjecten wijzigen en deze verplaatsen door handles voor rechtstreekse wijziging te gebruiken. Als u een object in een modelvenster selecteert, geeft Tekla Structures de handles en maatlijnen weer die specifiek voor dat modelobject zijn. Rechtstreekse wijziging kan met de volgende objecttypen worden gebruikt: Onderdelen Constructieobjecten Stramienen en stramienlijnen Trimlijnen Polygoonuitsnijdingen Wapening Richtlijnen en modificatoren van stavensets Stortnaden gebruikerscomponenten van het type Onderdeel Lasten 1. Zorg ervoor dat Rechtstreekse wijziging is ingeschakeld. Als u rechtstreekse wijziging wilt in- of uitschakelen, klikt u op drukt u op Ctrl+D. 2. Klik op het object om het te selecteren. of Objecten maken, wijzigen en verwijderen 81 De grootte en de vorm van een object wijzigen
82 In Tekla Structures worden de handles weergegeven waarmee u het object kunt wijzigen. Ook de betreffende afmetingen worden weergegeven als u de muisaanwijzer langzaam over de randen van het object beweegt. De maatlijnkleuren volgen de kleuren van de coördinaatassen van het werkvlak: rood in de X-richting, groen in de Y-richting en blauw in de Z- richting. Diagonale maatlijnen zijn magenta. 3. Versleep één van de handles om de vorm van het object te wijzigen. Hier volgen enkele voorbeelden van de handles voor rechtstreekse wijziging: Handle Omschrijving Referentiepunthandle Middelpunthandle Eindpunthandle (alleen voor wapeningsstaven) Objecten maken, wijzigen en verwijderen 82 De grootte en de vorm van een object wijzigen
83 Handle Omschrijving Vlakhandle Lijnhandle Ashandle (alleen voor gebruikerscomponenten van het type Onderdeel) Rotatiehandle (alleen voor gebruikerscomponenten van het type Onderdeel) TIP U kunt tijdens het verslepen van een handle de snapknoppen (pagina 98) gebruiken. Als u de snapknoppen tijdelijk wilt uitschakelen, houdt u de Shift-toets tijdens het verslepen van een handle ingedrukt. Objecten maken, wijzigen en verwijderen 83 De grootte en de vorm van een object wijzigen
84 4. Als u de totaalmaten van het object wilt wijzigen, verplaatst u de maatlijnpijlpunten. U kunt een pijlpunt naar een nieuwe locatie verslepen of u kunt een exacte afstand of coördinaten invoeren. a. Selecteer de pijlpunt van de maatlijn die u wilt verplaatsen. Bijvoorbeeld: Als u een maatlijn aan beide uiteinden wilt wijzigen, selecteert u beide pijlpunten. b. Voer de afstand of de coördinaten in. Wanneer u gaat invoeren, geeft Tekla Structures het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in weer. Klik op OK om de maatlijn te bevestigen. 5. Als u een nieuwe objecthoek wilt toevoegen, versleept u een middelpuntshandle. Bijvoorbeeld: 6. Als u meer wijzigingsopties wilt weergeven, selecteert u een handle. Objecten maken, wijzigen en verwijderen 84 De grootte en de vorm van een object wijzigen
85 Er verschijnt een contextuele werkbalk met meer opties. De beschikbaarheid van de opties is afhankelijk van het object en de handle dat/die u heeft geselecteerd. Klik op deze knop Om het volgende te doen Locatie Verplaats een handle naar een willekeurige locatie in de 3D-ruimte. Verplaats een handle alleen in het XY-vlak. Verplaats een handle alleen in de Z- richting. Verplaats een handle alleen in de parallelle richting. Verplaats een handle alleen in de loodrechte richting. Verplaats een handle alleen in het geselecteerde onderdeelvlak. Selecteer een vlak en versleep de handle naar een nieuwe locatie. Deze optie kan handig zijn als u bijvoorbeeld met Objecten maken, wijzigen en verwijderen 85 De grootte en de vorm van een object wijzigen
86 Klik op deze knop Om het volgende te doen een schuin dak werkt. Locatie Controleer de zichtbaarheid van de maatlijnen voor rechtstreekse wijziging. Klik op het oogsymbool om maatlijnen weer te geven of te verbergen. X-, Y- en Z- maatlijnen: Alle orthogonale maatlijnen in werkvlakrichtinge n X, Y en Z worden weergegeven. Totale maatlijnen: Alleen de totale lengte wordt weergegeven. Geef middelpunthandles weer of verberg deze. Voeg een nieuw punt aan het einde van een object toe. Alleen beschikbaar voor objecten die door meerdere punten lopen, zoals polyprofielen, wanden, betonstroken en Objecten maken, wijzigen en verwijderen 86 De grootte en de vorm van een object wijzigen
87 Klik op deze knop Om het volgende te doen modificatoren van stavensets. Locatie OPMERKING Enkele van deze opties bevinden zich in een uitbreidbaar gedeelte op de contextuele werkbalk. Klik op het kleine driehoekssymbool op de contextuele werkbalk om de opties weer te geven of te verbergen: 7. Als u een handle wilt verwijderen, selecteert u deze en drukt u op Verwijderen. Zie ook Een losse stramienlijn wijzigen (pagina 52) 5.2 Eigenschappen van een ander object kopiëren Gebruik het commando Eigenschappen kopiëren op de contextuele werkbalk om eigenschappen van een ander object te kopiëren. 1. Selecteer het object waar u eigenschappen van wilt kopiëren. Er verschijnt een contextuele werkbalk (pagina 35). 2. Klik op de contextuele werkbalk op Eigenschappen kopiëren. De muisaanwijzer verandert in een kwast: Objecten maken, wijzigen en verwijderen 87 Eigenschappen van een ander object kopiëren
88 3. Klik op het object waarheen u eigenschappen wilt kopiëren. Wanneer de eigenschappen zijn gekopieerd, wordt de aanwijzer weer normaal. 4. Als u eigenschappen naar meerdere objecten wilt kopiëren, dubbelklik op de knop Eigenschappen kopiëren. U kunt nu eigenschappen naar meerdere objecten kopiëren. De cursor blijft in de kwastmodus totdat u op Onderbreken drukt of een andere commando start. 5.3 Dialoogvenstereigenschappen opslaan en laden U kunt vooraf gedefinieerde sets met eigenschappen voor model- en tekeningobjecten opslaan en deze eigenschappen later laden wanneer u nieuwe objecten maakt. Tekla Structures slaat de eigenschappenbestanden in de modelmap op, inclusief de eigenschappen van subdialoogvensters. 1. Voer in het dialoogvenster de eigenschappen in die u wilt opslaan. 2. Voer in het vak naast de knop Opslaan als een naam voor de nieuwe set met eigenschappen in. Bijvoorbeeld MijnEigenschappen. 3. Klik op Opslaan als. De set met eigenschappen is nu toegevoegd aan de lijst met opgeslagen eigenschappen: 4. Als u een set met eigenschappen wilt laden, selecteert u de set in de lijst en klikt u vervolgens op Laad. 5. Als u wijzigingen in een bestaande set eigenschappen wilt aanbrengen: a. Laad de set met eigenschappen die u wilt wijzigen. b. Wijzig de eigenschappen. c. Klik op Opslaan. Tekla Structures slaat de wijzigingen op in het bestand dat in de lijst wordt weergegeven, waarbij de oude set eigenschappen wordt overschreven. Objecten maken, wijzigen en verwijderen 88 Dialoogvenstereigenschappen opslaan en laden
89 Zie ook De algemene knoppen leren (pagina 31) Objecten maken, wijzigen en verwijderen 89 Dialoogvenstereigenschappen opslaan en laden
90 6 Naar een punt of lijn snappen De meeste commando's vragen u punten aan te wijzen om objecten in het model of de tekening te plaatsen. Dit wordt snappen genoemd. Wanneer u een nieuw object maakt, geeft Tekla Structures snapsymbolen voor de beschikbare snappunten en een groene lijn tussen het geselecteerde snappunten en laatste aangewezen punt weer. Gebruik de snapknoppen om te bepalen naar welke posities u kunt snappen. Tekla Structures geeft snapmaatlijnen weer waarmee u objecten van een gewenste lengte kunt maken. Gebruik de variabele XS_DISPLAY_DIMENSIONS_WHEN_CREATING_OBJECTS om de snapmaatlijnen in- of uit te schakelen. 6.1 Naar een lijn snappen Gebruik de snapknop Snap naar lijn als u objecten wilt modelleren die u wilt uitlijnen aan een bestaand object of een stramienlijn. 1. Zorg dat de snapknop (pagina 98) Naar lijn snappen is ingeschakeld. 2. Voer een commando uit waarbij u twee of meer punten moet aanwijzen. Begin bijvoorbeeld met het maken van een ligger. Als u de muisaanwijzer over een dichtbijgelegen object beweegt, wijst Tekla Structures Naar een punt of lijn snappen 90 Naar een lijn snappen
91 automatisch beide uiteinden van de lijn aan. De gele pijl geeft de richting van de punten aan. 3. Als u de richting wilt wijzigen, beweegt u de muisaanwijzer dichter naar het tegenovergestelde einde van de lijn. 4. Klik met de linkermuisknop om de snappositie te bevestigen. Tekla Structures maakt het object. Bijvoorbeeld: 6.2 Snap naar verlengde lijnen U kunt snappen naar de lijnverlengingen van dichtbijgelegen objecten. Dit kan bijvoorbeeld handig zijn als u objecten ten opzichte van elkaar wilt uitlijnen. 1. Zorg ervoor dat juiste snapknoppen (pagina 98) zijn ingeschakeld: Schakel Snappen naar verlengingslijn in Schakel Snap snijpunt of Snap naar dichtstbijzijnde punten als u naar het snijpunt van een verlengingslijn en een stramienlijn snapt Schakel Naar eindpunten snappen uit als u in 3D werkt Naar een punt of lijn snappen 91 Snap naar verlengde lijnen
92 2. Voer een commando uit waarbij u punten moet aanwijzen. Ga bijvoorbeeld een plaat maken. 3. Beweeg de muisaanwijzer dichtbij object in de buurt om de lijnverlenging te zien. Als u een lijn hebt gevonden, kunt u de cursor verder weg verplaatsen terwijl u de snap behoudt. 4. Wijs de overige punten aan. Naar een punt of lijn snappen 92 Snap naar verlengde lijnen
93 Tekla Structures maakt het object: 6.3 Snappen naar orthogonale punten Gebruik de tool Orthogonaal om naar het dichtstbijzijnde orthogonale punt op het vlak (0, 45, 90, 135, 180 graden, enzovoort.) te snappen. De muisaanwijzer snapt automatisch naar posities op gelijke afstanden in de gegeven richting. Dit kan handig zijn als u bijvoorbeeld labels op een consistente wijze in exacte locaties in een tekening moet plaatsen. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen en schakel het selectievakje Orthogonaal in. Daarnaast kunt u op O drukken. 2. Voer een commando uit waarbij u punten moet aanwijzen. Naar een punt of lijn snappen 93 Snappen naar orthogonale punten
94 Begin bijvoorbeeld met het maken van een ligger. Tekla Structures geeft een hoeksymbool weer om de richting van het snappen aan te geven. De snapprecisie is afhankelijk van het zoomniveau. 3. Klik met de linkermuisknop om de snappositie te bevestigen. Tekla Structures maakt het object. Bijvoorbeeld: 6.4 Relatief snappen naar eerder aan gewezen punten Wanneer u objecten maakt die van u eisen dat u meer dan twee punten aanwijst, kunt u in orthogonale richtingen relatief ten opzichte van de twee eerder aangewezen punten snappen. Dit kan handig zijn als u bijvoorbeeld een rechthoekige plaat moet maken die zich wel op het kijkvlak maar niet op de x- en y-assen bevindt. 1. Voer een commando uit waarbij u meerdere punten moet aanwijzen. Ga bijvoorbeeld een polyprofiel of een rechthoekige plaat maken. 2. Wijs de eerste twee punten aan. Tekla Structures geeft de richting van het snappen met een hoeksymbool aan. 3. Verplaats de muisaanwijzer in het model om het hoeksymbool te zien. Naar een punt of lijn snappen 94 Relatief snappen naar eerder aan gewezen punten
95 Als het snappen orthogonaal op het werkvlak is, is de kleur van het hoeksymbool groen: Als het snappen orthogonaal op de vorige punten is, verandert de kleur van het hoeksymbool naar geel: 4. Wijs de overige punten aan. Tekla Structures maakt het object. Bijvoorbeeld: 6.5 Een tijdelijk referentiepunt maken U kunt een tijdelijk referentiepunt maken om als een lokale oorsprong te gebruiken bij het snappen in modellen en tekeningen. 1. Voer een commando uit waarbij u punten moet aanwijzen. Begin bijvoorbeeld met het maken van een ligger. Naar een punt of lijn snappen 95 Een tijdelijk referentiepunt maken
96 2. Wijs het startpunt aan. 3. Houd de Ctrl-toets ingedrukt en wijs een positie aan. Een groen kruis geeft aan dat deze positie nu een tijdelijk referentiepunt is. 4. Herhaal stap 3 om zoveel referentiepunten te maken als nodig zijn. 5. Laat de Ctrl-toets los en wijs het eindpunt aan. Tekla Structures maakt het object tussen het startpunt en het eindpunt. Bijvoorbeeld: Naar een punt of lijn snappen 96 X-, Y- of Z-coördinaat vergrendelen
97 6.6 X-, Y- of Z-coördinaat vergrendelen U kunt de x-, y- en z-coördinaat vastzetten op een lijn. Dit is handig als u een punt wilt aanwijzen en het benodigde punt niet op de lijn voorkomt. Als een coördinaat is vergrendeld, kunt u alleen naar punten in die richting snappen. 1. Voer een commando uit waarbij u punten moet aanwijzen. Begin bijvoorbeeld met het maken van een ligger. 2. U vergrendelt als volgt een coördinaat: Druk op X om de x-coördinaat te vergrendelen. Druk op Y om de y-coördinaat te vergrendelen. Druk op Z om de z-coördinaat te vergrendelen. U kunt nu alleen naar punten in de gekozen richting snappen. 3. Als u de coördinaat wilt ontgrendelen, drukt u nogmaals op dezelfde letter (X, Y of Z). 6.7 Werkbalk voor snappen Gebruik de werkbalk Snappen om snapknoppen in te schakelen en extra snapopties te openen. 1. Gebruik de snapknoppen om te bepalen welke posities u kunt aanwijzen wanneer u objecten plaatst. 2. Met de eerste lijst om de snapdiepte te definiëren. Raadpleeg voor meer informatie de afzonderlijke instructies verderop in deze pagina. 3. Gebruik de tweede lijst om tussen het venstervlak en het werkvlak (pagina 73) te schakelen. 4. Gebruik de derde lijst om het vlaktype in te stellen. Het vlaktype definieert welke vlakken u in het model kunt selecteren. De werkbalk Snappen bevindt zich standaard aan de onderzijde van het Tekla Structures-hoofdvenster. Als u de werkbalk niet kunt vinden, raadpleegt u Ontbrekende werkbalken terugzetten (pagina 207). Snapzone Elk object beschikt over een snapzone. Deze definieert hoe dichtbij u een positie moet aanwijzen. Wanneer u binnen het snapgebied van een object een Naar een punt of lijn snappen 97 Werkbalk voor snappen
98 aanwijst, wordt in Tekla Structures automatisch naar het dichtstbijzijnde aanwijsbare punt van dat object gesnapt. U kunt de snapzone instellen met behulp van de variabele XS_PIXEL_TOLERANCE. Snapdiepte De eerste lijst op de werkbalk Snappen definieert de diepte van elke positie die u kunt aanwijzen. U beschikt over de volgende opties: Vlak: U kunt naar posities op het kijkvlak (pagina 55) of op het werkvlak (pagina 71) snappen, afhankelijk van wat u in de tweede lijst in de werkbalk Snappen hebt geselecteerd. Auto: In vensters van het type Perspectief werkt deze optie op dezelfde wijze als de optie 3D. In vensters van het type Orthogonaal werkt dit als de optie Vlak. 3D: U kunt naar posities in de gehele 3D-ruimte snappen. Snapprioriteit Tekla Structures snapt automatisch naar het punt met de hoogste snapprioriteit, maar u kunt ook een ander punt kiezen. Snappen in tekeningen Zie Snapping in drawings. 6.8 Snapknoppen en symbolen Gebruik de snapknoppen om te bepalen welke posities u in het model of in de tekening kunt aanwijzen. Door snapknoppen te gebruiken kunt u objecten precies positioneren zonder de coördinaten te kennen. U kunt snapknoppen gebruiken wanneer Tekla Structures u vraagt om een punt aan te wijzen. Klik op de snapknoppen op de werkbalk Snappen om deze in of uit te schakelen. Als er meerdere punten beschikbaar zijn om naar te snappen, bladert u met de Tab-toets vooruit door de snappunten en met de toetscombinatie Shift+Tab terug. Klik met de linkermuisknop om het gewenste punt te selecteren. Hoofdsnapknoppen De twee hoofdsnapknoppen definiëren of u naar referentiepunten of andere punten op objecten kunt snappen, zoals bijvoorbeeld hoeken van onderdelen. Naar een punt of lijn snappen 98 Snapknoppen en symbolen
99 Deze knoppen hebben de hoogste snapprioriteit (pagina 97). Als deze beide knoppen zijn uitgeschakeld, kunt u niet snappen naar posities, ook niet als alle andere knoppen actief zijn. Knop Snapposities Beschrijving Symbool Referentielijnen en -punten U kunt naar referentiepunten van objecten snappen (punten die handles hebben). Groot Geometrielijnen en -punten U kunt naar elk punt van een object snappen. In tekeningen kunt u deze knop gebruiken om naar de overlap van snapshots te snappen. Klein Overige snapknoppen De tabel hieronder geeft de overige snapknoppen en hun symbolen in het model en de tekening weer. Zorg ervoor dat u tijdens het snappen niet te veel snapknoppen hebt ingeschakeld, omdat het makkelijk tot onnauwkeurigheden en fouten bij het snappen kan leiden. Wees vooral voorzichtig als u de snapknop gebruikt. Snap vrij Knop Snapposities Beschrijving Symbool Punten Eindpunten Centrum Hiermee snapt u naar punten en snijpunten van stramienlijnen. Hiermee snapt u naar eindpunten van lijnen, segmenten van polylijnen en bogen. Hiermee snapt u het hart van cirkels en bogen. Naar een punt of lijn snappen 99 Snapknoppen en symbolen
100 Knop Snapposities Beschrijving Symbool Middelpunten Snijpunten Loodrecht Lijnverlengingen Vrij punt Dichtstbijzijnde punt Lijnen Maatlijnen en labellijnen, tekeningopmaakitem s en tekeningkaders Hiermee snapt u naar middelpunten van lijnen, segmenten van polylijnen en bogen. Hiermee snapt u naar snijpunten van lijnen, segmenten van polylijnen, bogen en cirkels. Hiermee snapt u naar punten op objecten die een loodrechte lijn vormen ten opzichte van een ander object. Snapt naar lijnverlengingen van dichtbijgelegen objecten en naar referentie- en geometrielijnen van tekeningobjecten. Hiermee snapt u naar een willekeurige positie. Hiermee snapt u naar het dichtstbijzijnde punt van objecten, zoals een punt op de rand van een onderdeel of een lijn. Snapt naar stramienlijnen, referentielijnen en de randen van bestaande objecten. Hiermee snapt u naar aantekeninggeometrieën, tekeningopmaakitems en tekeningkaders. Alleen beschikbaar in tekeningen. Zie ook Snapinstellingen (pagina 106) De huidige snapknop overschrijven (pagina 103) Standaard toetsenbordsneltoetsen (pagina 198) 6.9 Snappen naar een punt met exacte afstand of coördinaten U kunt bij het snappen naar een positie exacte afstanden en coördinaten invoeren. Naar een punt of lijn snappen 100 Snappen naar een punt met exacte afstand of coördinaten
101 Een afstand of coördinaten invoeren Met het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in geeft u de afstand of de coördinaten op van een positie waar u naar wilt snappen. 1. Voer een commando uit waarbij u punten moet aanwijzen. Begin bijvoorbeeld met het maken van een ligger. 2. Voer een afstand of de coördinaten in via het toetsenbord. Voer bijvoorbeeld 1000 in als de afstand vanaf het laatste aangewezen punt. Wanneer u gaat invoeren, geeft Tekla Structures automatisch het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in weer. 3. Nadat u de afstand of de coördinaten hebt ingevoerd, drukt u op Enter om naar de positie te snappen. Opties voor coördinaten In de onderstaande tabel ziet u welke gegevenstypen u in het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in kunt invoeren. U kunt invoeren Eén coördinaat Twee coördinaten Drie coördinaten Cartesische coördinaten Polaire coördinaten Relatieve coördinaten Absolute coördinaten Beschrijving Een afstand in een aangegeven richting. Als u de laatste coördinaat (z) of hoek weglaat, wordt er in Tekla Structures vanuit gegaan dat de waarde 0 is. In tekeningen negeert Tekla Structures de derde coördinaat. De x-, y- en z-coördinaten van een positie, gescheiden door komma's. Bijvoorbeeld 100,-50,-200. Een afstand, een hoek op het xy-vlak en een hoek van het xy-vlak gescheiden door punthaken. Bijvoorbeeld 1000<90<45. De hoeken worden tegen de klok in groter. Deze coördinaten zijn relatief ten opzichte van de laatste positie die u heeft aangewezen. Deze coördinaten zijn gebaseerd op de oorsprong van het werkvlak. Bijvoorbeeld $0,0,1000 Naar een punt of lijn snappen 101 Snappen naar een punt met exacte afstand of coördinaten
102 U kunt invoeren Globale coördinaten Beschrijving De coördinaten zijn relatief ten opzichte van de globale oorsprong en de globale x- en y-richting. Bijvoorbeeld!6000,12000,0. Dit is bijvoorbeeld handig wanneer u het werkvlak tegen een onderdeelvlak plaatst en naar een positie wilt snappen die in het globale coördinatensysteem is gedefinieerd zonder het werkvlak naar globaal te wijzigen. De snapmodus wijzigen Tekla Structures heeft drie snapmodi: relatief, absoluut en globaal. Gebruik de variabele XS_KEYIN_DEFAULT_MODE om de standaardsnapmodus aan te geven. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Geavanceerde opties en ga naar de categorie Eigenschappen modelleren. 2. Stel de variabele XS_KEYIN_DEFAULT_MODE in op RELATIVE, ABSOLUTE of GLOBAL. Dit is nu de standaard snapmodus. 3. Klik op OK om de wijzigingen op te slaan. 4. Als u de standaard snapmodus tijdelijk wilt overschrijven, voert u bij het invoeren van een numerieke locatie vóór de coördinaten een speciaal teken in. De speciale tekens zijn voor relatieve coördinaten $ voor absolute coördinaten! voor globale coördinaten OPMERKING Als u het speciale teken voor één van de drie snapmodi wilt wijzigen, gebruikt u de variabelen XS_KEYIN_RELATIVE_PREFIX, XS_KEYIN_ABSOLUTE_PREFIX en XS_KEYIN_GLOBAL_PREFIX Objecten uitlijnen met een snapstramien Een snapstramien maakt het eenvoudiger om objecten in een model uit te lijnen omdat u daarmee alleen op ingestelde intervallen naar posities kunt Naar een punt of lijn snappen 102 Objecten uitlijnen met een snapstramien
103 snappen. Gebruik een snapstramien wanneer u met de snapknop vrij punten aanwijst. 1. Klik in Bestand op Instellingen --> Snapinstellingen. 2. Definieer de stramienafstanden in de vakken Tussenafstand. Als de afstand van de x-coördinaat bijvoorbeeld 500 is, kunt u met intervallen van 500 eenheden in de x-richting naar posities snappen. Snap 3. Definieer indien nodig offsets voor de oorsprong van het snapstramien in de vakken Oorsprong. 4. U activeert het snapstramien door het selectievakje Actief (indien de vrije snap aanstaat) in te schakelen. 5. Klik op OK. Wanneer u nu met de snapknop (pagina 98) Snap vrij punten aanwijst, kunt u alleen op ingestelde intervallen naar posities snappen. Het snapstramien zelf is onzichtbaar in het model. Zie ook Snapinstellingen (pagina 106) 6.11 De huidige snapknop overschrijven U kunt de huidige snapknopinstellingen tijdelijk overschrijven. 1. Voer een commando uit waarbij u wordt gevraagd een punt aan te wijzen. Begin bijvoorbeeld met het maken van een ligger. 2. Als u de huidige snapknoppen (pagina 98) wilt overschrijven, kunt het volgende doen: Klik met de rechtermuisknop om een lijst van snapopties te laten verschijnen en vervolgens een van de opties te selecteren. Ga naar Snel starten (pagina 30), typ snap tijdelijk en selecteer het commando Snap tijdelijk in de lijst die verschijnt. Er verschijnt een nieuwe werkbalk. Klik op een knop om de huidige snapknop te overschrijven. Naar een punt of lijn snappen 103 De huidige snapknop overschrijven
104 6.12 Voorbeeld: Langs een lijn naar een snappunt volgen Dit voorbeeld geeft weer hoe u een punt op een opgegeven afstand langs een lijn moet aanwijzen. We gebruiken het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in om de afstand vanaf het laatst aangewezen punt op te geven. 1. Maak twee liggers en plaats deze zoals hieronder wordt weergegeven: 2. Activeer het liggercommando om nog een ligger te maken. 3. Wijs het eerste punt aan. 4. Beweeg de muisaanwijzer over het middelpunt van de stramienlijn, zodat deze op het snappunt wordt vergrendeld, maar klik niet op de muisknop. 5. Voer 1000 in. Naar een punt of lijn snappen 104 Voorbeeld: Langs een lijn naar een snappunt volgen
105 Wanneer u gaat invoeren, geeft Tekla Structures het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in weer. 6. Klik op OK om de afstand te bevestigen. Tekla Structures maakt een ligger, die 1000 eenheden lang is en tussen de door u gedefinieerde punten is geplaatst: TIP U kunt ook: Buiten het snappunt volgen, bijvoorbeeld 4000 eenheden vanaf het eerste punt: Naar een punt of lijn snappen 105 Voorbeeld: Langs een lijn naar een snappunt volgen
106 Volg in tegenovergestelde richting door een negatieve waarde in te voeren, bijvoorbeeld -1000: Zie ook Snappen naar een punt met exacte afstand of coördinaten (pagina 100) 6.13 Snapinstellingen Gebruik het dialoogvenster Snapinstellingen model om de snapinstellingen in het model weer te geven en te wijzigen. Het dialoogvenster Snapinstellingen tekening heeft dezelfde opties voor tekeningen. Deze instellingen zijn gebruikerspecifiek. Symbool Optie Actief (indien de vrije snap aanstaat) Tussenafstand Beschrijving Geef snapsymbolen weer of verberg deze. Schakel het selectievakje in om de snapsymbolen weer te geven en schakel het selectievakje uit om ze te verbergen. Schakel het selectievakje in om het snapstramien (pagina 102) in te schakelen. Definieer de stramienafstanden voor de oorsprong van het snapstramien. Als de afstand van de x-coördinaat bijvoorbeeld 500 is, kunt u met intervallen van 500 eenheden in de x- richting naar posities snappen. Naar een punt of lijn snappen 106 Snapinstellingen
107 Optie Oorsprong Hoekinterval Aangepaste hoeken Beschrijving Definieer offsets voor de oorsprong van het snapstramien. Stel het hoekinterval voor de tool Orthogonaal in. Deze instelling wordt gebruikt wanneer u naar orthogonale punten (pagina 90) snapt. Als u het interval bijvoorbeeld op 10 instelt, snapt de tool Orthogonaal in het model of de tekening naar hoeken met intervallen van 10 graden. Definieer aangepaste hoeken voor de tool Orthogonaal. Deze instelling wordt gebruikt wanneer u naar orthogonale punten (pagina 90) snapt. Scheid de waarden met spaties. Als u bijvoorbeeld 12,5 60 invoert, snapt de tool Orthogonaal in het model of de tekening naar hoeken 12,5 en 60. Zie ook Objecten uitlijnen met een snapstramien (pagina 102) Naar een punt of lijn snappen 107 Snapinstellingen
108 7 Objecten selecteren U kunt losse selecties en gebiedselecties maken. Tekla Structures markeert de geselecteerde objecten. Het aantal geselecteerde objecten en handles wordt rechtsonder in de statusbalk weergegeven. Bijvoorbeeld: 7.1 Losse objecten selecteren 1. Zorg dat de juiste selectieknoppen (pagina 111) actief zijn. 2. Klik op een object om het te selecteren. Tekla Structures geeft afmetingen en maatlijnen voor het object weer. 3. Als u de maatlijnen wilt verbergen, gebruikt u de variabele XS_DISPLAY_DIMENSIONS_WHEN_SELECTING_OBJECTS. Objecten selecteren 108 Losse objecten selecteren
109 7.2 Meerdere objecten selecteren U kunt meerdere objecten selecteren met gebiedsselectie. De sleeprichting is standaard van invloed op de selectie van objecten. 1. Zorg dat de juiste selectieknoppen (pagina 111) actief zijn. 2. Als u alle objecten wilt selecteren die zich volledig binnen een rechthoekig gebied bevinden, houdt u de linkermuisknop ingedrukt en sleept u de muis van links naar rechts. 3. Als u alle objecten wilt selecteren minimaal gedeeltelijk binnen een rechthoekige gebied bevinden, houdt u de linkermuisknop ingedrukt en sleep u de muis van rechts naar links. 4. Als u wilt wijzigen hoe gebiedsselectie werkt, klikt u op Bestand --> Instellingen en schakelt u het selectievakje Crossing-selectie in of uit. De optie is standaard uitgeschakeld. Als de optie is uitgeschakeld, is de sleeprichting van invloed op de selectie van objecten. Als de optie is ingeschakeld, worden alle objecten geselecteerd die ten minste gedeeltelijk in het rechthoekige gebied vallen, onafhankelijk van de sleeprichting. 7.3 Alle objecten selecteren Als u alle objecten in een keer wilt selecteren, kunt het volgende doen: Objecten selecteren 109 Alle objecten selecteren
110 Klik op het lint op de pijl omlaag naast de knop en klik vervolgens op Selecteer alle objecten Druk op Ctrl+A. 7.4 Handles selecteren Soms moet u alleen de handles van een onderdeel selecteren, bijvoorbeeld wanneer u het onderdeel verplaatst. Voordat u start, moet u ervoor zorgen dat Crossing Selectie is uitgeschakeld. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen en zorg ervoor dat Crossing Selectie is uitgeschakeld. 2. Zorg dat de juiste selectieknoppen (pagina 111) actief zijn. 3. Houd de linkermuisknop ingedrukt en sleep de muis van links naar rechts om het gehele onderdeel op te nemen. Het onderdeel wordt geselecteerd: Objecten selecteren 110 Handles selecteren
111 4. Houd de Alt-toets ingedrukt en sleep de muis opnieuw van links naar rechts. Alleen de onderdeelhandles worden nu geselecteerd: 7.5 De selectie wijzigen U kunt objecten aan de huidige selectie toevoegen of objecten uit de selectie verwijderen. 1. Als u objecten aan de huidige selectie wilt toevoegen, houdt u de Shifttoets ingedrukt en selecteert u meer objecten. 2. Als u de selectie van een object wilt in- of uitschakelen, drukt u tijdens de selectie op de Ctrl-toets. Tekla Structures heft de selectie op van de objecten die geselecteerd waren en selecteert de objecten die eerder niet waren geselecteerd. 3. Als u de selectie van alle objecten en handles wilt uitschakelen, klikt u ergens anders op. Klik bijvoorbeeld op de lege achtergrond van het huidige venster. Objecten selecteren 111 De selectie wijzigen
112 7.6 Selectieknoppen De selectieknoppen zijn speciale knoppen waarmee u bepaalt welke objecten en objecttypen u kunt selecteren. Als u bijvoorbeeld het hele modelgebied selecteert, maar alleen de knop Onderdelen selecteren actief is, worden alleen de onderdelen geselecteerd. Klik op de selectieknoppen op de werkbalk Selectie om deze in of uit te schakelen. De werkbalk Selecteren bevindt zich standaard aan de onderzijde van het Tekla Structures-hoofdvenster. Als u de werkbalk niet kunt vinden, raadpleegt u Ontbrekende werkbalken terugzetten (pagina 207). Hoofdselectieknoppen De hoofdselectieknoppen bepalen of u componenten en merken kunt selecteren of objecten die daarin zijn opgenomen. Deze knoppen hebben de hoogste prioriteit. Knop Selecteerbare objecten Componenten Componentobjecten Merken en betonelementen Objecten in merken en betonelementen Beschrijving Wanneer u op een object van een component klikt, selecteert Tekla Structures het componentsymbool en lichten alle componentobjecten op (maar selecteert ze niet). U kunt objecten selecteren die automatisch door een component zijn gemaakt. Wanneer u op een object klikt van een merk, selecteert Tekla Structures het merk en lichten alle objecten van datzelfde merk op. U kunt losse objecten in merken en betonelementen selecteren. Andere selectieknoppen De onderstaande tabel geeft de overige selectieknoppen weer. Gebruik deze knoppen om te bepalen welke objecttypen u wilt selecteren. Knop Selecteerbare objecten Willekeurige objecten Componenten Beschrijving Hiermee worden alle opties ingeschakeld. U kunt alle objecttypen selecteren behalve die voor losse bouten. U kunt componentsymbolen selecteren. Objecten selecteren 112 Selectieknoppen
113 Knop Selecteerbare objecten Onderdelen Oppervlakten en oppervlakken Punten Constructielijnen en cirkels Referentiemodellen Stramienen Stramienlijnen Lassen Uitsnijdingen en toegevoegd materiaal Vensters Boutgroep Losse bouten Wapeningsstaven Stortnaden Vlakken Afstanden Taken Beschrijving U kunt onderdelen zoals kolommen, liggers of platen selecteren. U kunt oppervlakten en oppervlakken selecteren. U kunt punten selecteren. U kunt constructielijnen en cirkels selecteren. U kunt hele referentiemodellen selecteren. Deze selectieknop kan de snelheid van het zoomen en roteren in het model beïnvloeden. Raadpleeg voor meer informatie Tips voor grote modellen. U kunt hele stramienen selecteren door één lijn in het stramien te selecteren. U kunt losse stramienlijnen selecteren. U kunt lassen selecteren. U kunt uitsnijdingen van lijnen, onderdelen en polygonen selecteren, evenals fittingen en toegevoegd materiaal. U kunt modelvensters selecteren. U kunt hele boutgroepen selecteren door één bout in de groep te selecteren. U kunt losse bouten selecteren. U kunt wapeningsstaven en -staafgroepen selecteren. U kunt stortnaden selecteren. U kunt constructievlakken selecteren. U kunt afstanden selecteren. U kunt Taakmanager-taken selecteren. Objecten selecteren 113 Selectieknoppen
114 Rekenmodelknoppen De volgende knoppen kunnen worden gebruikt om objecten in een rekenmodel te selecteren: Knop Lasten Selecteerbare objecten Rekenonderdelen Knooppunten Beschrijving U kunt punt-, lijn-, oppervlakte, uniforme en temperatuurlasten selecteren. U kunt rekenonderdelen selecteren. U kunt rekenknooppunten selecteren. Buigstijve verbindingen U kunt buigstijve verbindingen selecteren. Selectieknoppen in tekeningen De volgende selectieknoppen zijn in tekeningen beschikbaar: Knop Selecteerbare objecten Willekeurige objecten Lijnen Tekst Labels Onderdelen Doorsnedesymbolen Lassen Vensters Maatlijnen Losse maatlijnen Beschrijving Hiermee worden alle opties ingeschakeld. U kunt alle objecttypen, losse maatlijnen van een maatlijnenset of losse stramienlijnen van een stramien selecteren. U kunt tekeningobjecten zoals lijnen, bogen, cirkels, rechthoeken, polylijnen, polygonen en wolken selecteren. U kunt een willekeurige tekst in tekeningen selecteren. U kunt alle soorten labels in tekeningen selecteren. U kunt onderdelen zoals kolommen, liggers en platen in tekeningen selecteren. U kunt doorsnedesymbolen in tekeningen selecteren. U kunt lassen in tekeningen selecteren. U kunt tekeningaanzichten selecteren. U kunt tekeningmaatlijnen selecteren. U kunt een hele groep maatlijnen selecteren door een maatlijn in de groep te selecteren. U kunt losse tekeningmaatlijnen selecteren. Objecten selecteren 114 Selectieknoppen
115 Knop Selecteerbare objecten Stramienen Beschrijving U kunt stramienen in tekeningen selecteren. Stramienlijnen Detaillabels U kunt losse stramienlijnen in tekeningen selecteren. U kunt detaillabels in tekeningen selecteren. Plug-ins U kunt gebruikersplug-ins in tekeningen selecteren. Zie ook Als u geen objecten kunt selecteren (pagina 117) 7.7 Merken en betonelementen selecteren Met de selectieknop Selecteer merk kunt u merken en betonelementen selecteren. 1. Zorg ervoor dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer merk is ingeschakeld. 2. Selecteer een onderdeel. Tekla Structures selecteert het hele betonelement of merk dat het geselecteerde onderdeel bevat. 7.8 Geneste objecten selecteren U kunt geneste merken en componenten selecteren. De actieve selectieknop definieert op welk niveau u begint en in welke richting u in de componentenof merkenhiërarchie beweegt. De statusbalk toont de stappen in de hiërarchie. 1. Zorg dat de juiste selectieknop (pagina 111) is ingeschakeld. : om met de merken op het hoogste niveau te beginnen, naar hun submerken te gaan en tot slot enkele onderdelen, bouten, enzovoort te selecteren. : om met losse objecten te beginnen en naar grotere en groter geneste merken te gaan Objecten selecteren 115 Merken en betonelementen selecteren
116 : om met de componenten op het hoogste niveau te beginnen, naar hun subcomponenten te gaan en tot slot enkele onderdelen, bouten, enzovoort te selecteren. : om met losse objecten te beginnen en naar grotere en groter geneste componenten te gaan 2. Houd de Shift-toets ingedrukt. 3. Scroll met het muiswiel. De oranje markering geeft aan welk merk of welke component u kunt selecteren. 7.9 Referentiemodellen, referentiemodelobjecten en merken selecteren U kunt hele referentiemodellen of losse objecten en merken selecteren die onderdeel van een referentiemodel zijn. Het gebruik van selectieknoppen verschilt per geval. Een heel referentiemodel selecteren 1. Activeer de selectieknop Referentiemodellen selecteren. Objecten selecteren 116 Referentiemodellen, referentiemodelobjecten en merken selecteren
117 2. Activeer de selectieknop Componenten selecteren. 3. Selecteer het referentiemodel. Een referentiemodel selecteren 1. Activeer de selectieknop Referentiemodellen selecteren. 2. Activeer de selectieknop Selecteer object. 3. Selecteer het gewenste object in het referentiemodel. Een referentiemodelmerk selecteren 1. Activeer de selectieknop Referentiemodellen selecteren. 2. Activeer de selectieknop Selecteer merk. 3. Selecteer het gewenste merk in het referentiemodel Als u geen objecten kunt selecteren Als u geen gewenste objecten in het model kunt selecteren, controleert u de selectieknoppen en de filterinstellingen. 1. Controleer of u alle benodigde selectieknoppen (pagina 111) hebt ingeschakeld. 2. Als u de objecten nog steeds niet kunt selecteren, controleert u de instellingen van het selectiefilter. U kunt een ander filter selecteren of het huidige filter wijzigen. Objecten selecteren 117 Als u geen objecten kunt selecteren
118 8 Objecten kopiëren en verplaatsen De basisfunctionaliteit voor het kopiëren en verplaatsen van objecten is hetzelfde in modellen en tekeningen. U kunt objecten rechtlijnig, geroteerd of gespiegeld kopiëren en verplaatsen. Objecten kopiëren (pagina 119) Objecten verplaatsen (pagina 132) Objecten roteren (pagina 137) Objecten spiegelen (pagina 141) Objecten dupliceren Twee objecten worden als duplicaten beschouwd als ze dezelfde grootte en oriëntatie hebben. Tekla Structures controleert op dubbele objecten wanneer u objecten kopieert en verplaatst of nieuwe onderdelen op dezelfde locatie als een bestaand onderdeel maakt. Als er duplicaten worden gevonden, kunt u kiezen of u deze wilt behouden of verwijderen. Gebruik de variabele om het maximumaantal objecten te definiëren dat als duplicaat tijdens het kopiëren of verplaatsen van objecten kan worden geteld. OPMERKING Tekla Structures controleert niet op duplicaten wanneer u objecten kopieert met behulp van een component, zoals Array van objecten (29). Merken en betonelementen Als u objecten vanuit een merk of betonelement kopieert of verplaatst, kopieert Tekla Structures indien mogelijk de merkstructuur. Submerken worden bijvoorbeeld als submerk gekopieerd als er een bovenliggend object wordt gevonden. Objecten kopiëren en verplaatsen 118 Als u geen objecten kunt selecteren
119 Wapening en oppervlakten Als u wapening of oppervlakten kopieert of verplaatst en u wilt dat deze worden aangepast aan het onderdeel waarnaar ze worden gekopieerd of verplaatst: moeten de wapeningshandle of de oppervlaktehandles zich in de hoeken van het onderdeel bevinden; moeten de onderdelen waartussen u kopieert of verplaatst, hetzelfde aantal hoeken in de doorsnede hebben; moeten cirkelvormige onderdelen dezelfde afmetingen in de doorsnede hebben. Tekeningobjecten U kunt objecten kopiëren en verplaatsen binnen verschillende tekening aanzichten die over verschillende schalen beschikken. 8.1 Objecten kopiëren U kunt objecten op een aantal verschillende manieren kopiëren. Wanneer u een object kopieert, kopieert Tekla Structures alle objecten die ermee zijn verbonden, inclusief de componenten. Kopiëren door twee punten aan te wijzen De basismanier om objecten in een model of tekening te kopiëren, is door de oorsprong en een of meer bestemmingspunten te definiëren. 1. Selecteer het object dat u wilt kopiëren. 2. Voer het commando Kopiëren uit. Klik in het model op het tabblad Bewerken op Kopieer. Klik in de tekening op het tabblad Tekening op Kopiëren --> Kopiëren. 3. Wijs het startpunt voor het kopiëren aan. Objecten kopiëren en verplaatsen 119 Objecten kopiëren
120 4. Wijs een of meer bestemmingen aan. De objecten worden onmiddellijk gekopieerd. Het commando Kopieer blijft actief. Objecten kopiëren en verplaatsen 120 Objecten kopiëren
121 5. Als u de nieuwste kopieerbewerking ongedaan wilt maken, klikt u op de knop Ongedaan maken in de linkerbovenhoek van het hoofdvenster van Tekla Structures. Het commando Kopieer blijft actief. 6. Als u het kopiëren wilt stoppen, drukt u op Esc. Rechtlijnig kopiëren U kunt in het model meerdere kopieën van een object in dezelfde lineaire richting maken. 1. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren. 2. Klik op het tabblad Bewerken op Kopieer --> Rechtlijnig. Het dialoogvenster Kopieer - rechtlijnig wordt geopend. 3. Wijs twee punten in het model aan of voer de coördinaten in de vakken dx, dy en dz in. U kunt ook een formule gebruiken om de verplaatsing in de x-, y- en z- richting te berekenen. Bijvoorbeeld: 4. Voer het aantal kopieën in. 5. Klik op Kopieer. 6. Als u het kopiëren wilt stoppen, drukt u op Esc. TIP Als het dialoogvenster geopend is maar het commando niet langer actief is, klikt u op de knop Wijs aan om het commando opnieuw te activeren. Kopiëren door een afstand vanaf de oorsprong op te geven U kunt objecten naar een nieuwe positie in het model of tekening kopiëren door een afstand vanaf de oorsprong op te geven. In het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in geeft u de afstand op. 1. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren. 2. Voer het commando Kopiëren uit. Klik in het model op het tabblad Bewerken op Kopieer. Objecten kopiëren en verplaatsen 121 Objecten kopiëren
122 Klik in de tekening op het tabblad Tekening op Kopiëren --> Kopiëren. 3. Wijs het startpunt voor het kopiëren aan. 4. Verplaats de cursor in de richting waarin u de objecten wilt kopiëren, maar wijs het punt niet aan. 5. Voer de afstand in. Wanneer u gaat invoeren, geeft Tekla Structures automatisch het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in weer. 6. Klik op OK. Kopiëren via drag and drop U kunt objecten kopiëren door Drag & Drop te gebruiken. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen en selecteer het selectievakje Drag & Drop om het commando te activeren. 2. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren. 3. Houd de Ctrl-toets ingedrukt en sleep de objecten naar een nieuwe locatie. Het punt vanwaar u gaat verslepen (midden, hoek of middelpunt) is van invloed op de uitlijning van het object in de nieuwe locatie. Objecten kopiëren en verplaatsen 122 Objecten kopiëren
123 Tekla Structures kopieert de objecten: OPMERKING Als u in een tekening stramienlabels wilt kopiëren, moet u eerst het stramienlabel selecteren en vervolgens ofwel de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramienlijn inschakelen of de handle van het stramienlabel selecteren. Objecten naar een ander object kopiëren U kunt in het model objecten van het ene object naar een ander vergelijkbaar objecten kopiëren. Dit is met name handig wanneer u bijvoorbeeld eerder gemodelleerde onderdelen detailleert. De objecten waartussen u kunt kopiëren, kunnen verschillende afmetingen, lengten en rotaties hebben. 1. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren. 2. Klik op het tabblad Bewerken op Kopiëren speciaal --> Naar een ander object. 3. Selecteer het object van waaruit u wilt kopiëren (bronobject). 4. Selecteer de objecten waarnaar u wilt kopiëren (doelobjecten). Alle inhoud naar een ander object kopiëren U kunt in het model objecten uit een merk of betonelement naar andere vergelijkbare merken of betonelementen kopiëren zonder elk te kopiëren object afzonderlijk te selecteren. Dit is bijvoorbeeld handig wanneer u een merk hebt gedetailleerd en alle details naar een ander vergelijkbaar merk wilt kopiëren. 1. Zorg ervoor dat de selectieknop (pagina 111) Selecteer merk is ingeschakeld. Objecten kopiëren en verplaatsen 123 Objecten kopiëren
124 2. Selecteer het merk of betonelement van waaruit u wilt kopiëren (bronobject). 3. Klik op het tabblad Bewerken op Kopieer --> Alle inhoud naar een ander object. 4. Selecteer de merken of betonelementen waar u naar wilt kopiëren (doelobjecten). Hierdoor kopieert Tekla Structures de volgende objecten: Aansluitende onderdelen Wapening, bouten en lassen Uitsnijdingen, fittingen en vellingkanten Submerken Componenten OPMERKING Tekla Structures kopieert geen stortnaden of aansluitende onderdelen die door een component zijn gemaakt die ook het hoofdonderdeel van het merk heeft gemaakt. Als enkele te kopiëren objecten al in het merk of betonelement bestaan, kan Tekla Structures dubbele objecten maken. Tekla Structures waarschuwt u voor dubbele aansluitende onderdelen, wapening en submerken, maar niet voor dubbele bouten, lassen, uitsnijdingen of componenten. Kopieer naar een ander vlak U kunt in het model objecten van het eerste vlak dat u opgeeft naar het tweede vlak (en het derde, enzovoort) dat u opgeeft kopiëren. De positie van de gekopieerde objecten ten opzichte van het tweede vlak (en het derde, enzovoort) blijft hetzelfde als de positie van de oorspronkelijke objecten ten opzichte van het eerste vlak. 1. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren. 2. Klik op het tabblad Bewerken op Kopieer --> Naar een ander vlak. 3. Wijs de oorsprong van het eerste vlak aan. 4. Wijs een punt op het eerste vlak in de positieve x-richting aan. 5. Wijs een punt op het eerste vlak in de positieve y-richting aan. 6. Herhaal stap 3-5 voor alle bestemmingsvlakken. Objecten kopiëren en verplaatsen 124 Objecten kopiëren
125 Kopiëren uit een ander model U kunt objecten uit een ander model kopiëren op basis van fasenummers. Tekla Structures kopieert alleen aansluitende onderdelen uit het model als deze deel uitmaken van dezelfde fase als het hoofdonderdeel. Dit geldt ook voor componentobjecten. 1. Klik op het menu Bewerken op Kopieer --> Uit een ander model. Het dialoogvenster Kopieer van bestaand model wordt geopend. 2. Selecteer in de lijst Modellen het model waaruit u wilt kopiëren. Dit is het bronmodel. Het doelmodel moet met dezelfde of een nieuwere versie van Tekla Structures zijn gemaakt als het bronmodel. U kunt niet van een nieuwere versie naar een oudere versie kopiëren. 3. Voer in het vak Fase nummer de nummers van de fasen in waaruit u objecten wilt kopiëren, gescheiden door spaties. Bijvoorbeeld Klik op Kopieer. 5. Sluit het dialoogvenster. Objecten kopiëren met de Linear array tool Gebruik de Linear array tool om selecteerde objecten rechtlijnig langs meerdere richtingen op gedefinieerde intervallen of afstanden te kopiëren. Tekla Structures controleert niet op duplicaten wanneer u objecten met deze methode kopieert. De Linear array tool gebruiken 1. Klik in het zijvenster op de knop Applicaties en componenten om de database Applicaties en componenten te openen. 2. Zoek naar de Linear array tool en dubbelklik vervolgens om deze te openen. 3. Selecteer de Kopieer methode. De opties zijn: Objecten kopiëren en verplaatsen 125 Objecten kopiëren
126 Geselecteerde objecten Dit is de standaard. Alleen de geselecteerde objecten worden gekopieerd. Alle gekoppelde objecten De geselecteerde objecten en alle hiermee gekoppelde objecten worden gekopieerd. Bijvoorbeeld uitsnijdingen en fittingen die op een onderdeel zijn toegepast. Uitgebreid Deze optie is vergelijkbaar met Alle gekoppelde objecten maar werkt beter met wijzigingen. Wanneer u bijvoorbeeld een trap met aan de treden gelaste handregels hebt en u de afstand tussen de treden wijzigt. 4. Selecteer Kopieer origineel. De opties zijn: Te kopiëren object Dit is de standaard. De kopieën zijn relatief ten opzichte van de invoerobjecten. Oorsprong De kopieën zijn relatief ten opzichte van het invoerpunt van de oorsprong. 5. Definieer de instellingen. 6. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren. 7. Klik op OK om het dialoogvenster te sluiten. 8. Klik met de middelste muisknop. 9. Wijs het nulpunt aan. 10. Wijs de asrichting X aan. 11. Wijs de asrichting Y aan. De geselecteerde objecten worden gekopieerd. Objecten kopiëren en verplaatsen 126 Objecten kopiëren
127 De instellingen definiëren 1 Offset langs de Y-as. De standaardwaarde is 0 mm. 2 Offset langs de Z-as. De standaardwaarde is 0 mm. 3 Aantal kopieën. De standaardwaarde is 0. 4 Afstand tussen de kopieën. De standaardwaarde is 0 mm. Gebruik het spatieteken om de waarden te scheiden. Voer voor elke afstand tussen de kopieën een waarde in. Deze optie is niet beschikbaar als u Gelijk als h.o.h.-methode selecteert. 5 Kopieerrichting. De opties zijn: Normaal (standaard) De waarde van de tussenafstanden worden berekend vanaf de oorsprong in positieve richting langs de as. Omgekeerd De waarde van de tussenafstanden worden berekend vanaf de oorsprong in negatieve richting langs de as. Gecentreerd De kopieën worden gecentreerd op de oorsprong. Spiegelen De waarde van de tussenafstanden worden berekend vanaf de oorsprong in positieve en negatieve richting. Gespiegeld kopiëren verdubbelt het aantal kopieën. Objecten kopiëren en verplaatsen 127 Objecten kopiëren
128 6 H.o.h.-methode. De opties zijn: Gelijk (standaard) Kopieën worden op gelijkmatig verdeeld op basis van de lengte van de X- of Y-as. Opgegeven Kopieën worden verdeeld volgens het aantal en de opgegeven waarde van de tussenafstanden. Objecten kopiëren met de Radial array tool Gebruik de Radial array tool om selecteerde objecten radiaal langs meerdere richtingen op gedefinieerde intervallen of afstanden te kopiëren. Tekla Structures controleert niet op duplicaten wanneer u objecten met deze methode kopieert. De Radial array tool gebruiken 1. Klik in het zijvenster op de knop Applicaties en componenten om de database Applicaties en componenten te openen. 2. Zoek naar de Radial array tool en dubbelklik vervolgens om deze te openen. 3. Selecteer de Kopieer methode. De opties zijn: Geselecteerde objecten Dit is de standaard. Alleen de geselecteerde objecten worden gekopieerd. Alle gekoppelde objecten De geselecteerde objecten en alle hiermee gekoppelde objecten worden gekopieerd. Bijvoorbeeld uitsnijdingen, lassen en bouten. Uitgebreid Deze optie is vergelijkbaar met Alle gekoppelde objecten maar werkt beter met wijzigingen. Wanneer u bijvoorbeeld een trap met aan de treden gelaste handregels hebt en u de afstand tussen de treden wijzigt. Objecten kopiëren en verplaatsen 128 Objecten kopiëren
129 4. Selecteer de optie Roteer kopieën. De standaard is Ja. 5. Definieer de rotatieas. De standaardinstelling is X. 6. Definieer de instellingen. 7. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren. 8. Klik op OK om het dialoogvenster te sluiten. 9. Klik met de middelste muisknop. 10. Wijs het nulpunt aan. 11. Wijs de asrichting X aan. 12. Wijs de asrichting Y aan. De geselecteerde objecten worden gekopieerd. De instellingen definiëren 1 Afstand tussen de kopieën. De standaardwaarde is 0. 2 Rotatie. De opties zijn: Hoek (standaard) De kopieën worden geroteerd op de hoek. Afstand De kopieën worden geroteerd op de afstand. Objecten kopiëren en verplaatsen 129 Objecten kopiëren
130 3 Aantal hoeken of afstanden. De standaardwaarde is 0. 4 Afstand tussen de kopieën. Gebruik het spatieteken om de waarden te scheiden. Voer voor elke afstand tussen de kopieën een waarde in. 5 Kopieerrichting. De opties zijn: Normaal (standaard) De waarde van de tussenafstanden worden berekend vanaf de oorsprong in positieve richting langs de as. Omgekeerd De waarde van de tussenafstanden worden berekend vanaf de oorsprong in negatieve richting langs de as. Gecentreerd De kopieën worden gecentreerd op de oorsprong. Spiegelen 6 Radiale afstand. De waarde van de tussenafstanden worden berekend vanaf de oorsprong in positieve en negatieve richting. Gespiegeld kopiëren verdubbelt het aantal kopieën. De radiale afstand moet equivalent zijn aan de afstand die u bij het toepassen van de component hebt aangewezen. Als de radiale afstand kleiner of groter is dan de aangewezen afstand, is de afstand tussen de gekopieerde objecten niet hetzelfde als die in het vak Afstand tussen de kopieën (4) is opgegeven. Tekla Structures berekent de rotatiehoek volgens de waarden in het dialoogvenster (afstand en radiale afstand) en de rotatiehoek overschrijft de afstand die in het dialoogvenster is gegeven. Objecten met de component Array van objecten (29) kopiëren Gebruik de component Array van objecten (29) om modelobjecten langs een lijn te kopiëren. Als u het oorspronkelijke object wijzigt, wijzigt Tekla Structures ook de gekopieerde objecten. 1. Klik in het zijvenster op de knop Applicaties en componenten om de database Applicaties en componenten te openen. 2. Zoek naar de component Array van objecten (29) en dubbelklik vervolgens om deze te openen. 3. Definieer de instellingen: Objecten kopiëren en verplaatsen 130 Objecten kopiëren
131 Aantal kopieën: Voer het aantal kopieën in dat u wilt maken. Tussenafstanden: Definieer de tussenafstanden van de objecten. Kopieer naar de andere kant: Selecteer Ja als u in de tegengesteld richting van de punten die u aanwijst wilt kopiëren. Startpunt voor het kopiëren: Kies het te kopiëren object of het eerste invoerpunt. Kopiëren op gelijke afstanden: Selecteer Ja als u de objecten op gelijke afstanden wilt maken. Speling wordt genegeerd. 4. Klik op OK om de instellingen op te slaan. 5. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren. 6. Klik met de middelste muisknop om het selecteren af te sluiten. 7. Wijs een punt aan om het startpunt van de lijn aan te geven waarlangs de gekopieerde objecten moeten worden gerangschikt. 8. Wijs een punt aan om het eindpunt van de lijn aan te geven. Voorbeelden Voorbeeld Beschrijving Een array van stalen objecten. Een array van betonnen objecten. Objecten kopiëren en verplaatsen 131 Objecten kopiëren
132 8.2 Objecten verplaatsen U kunt objecten op een aantal verschillende manieren verplaatsen, met name in modellen. Wanneer u een object verplaatst, kopieert Tekla Structures ook alle objecten die eraan zijn verbonden. Verplaatsen door twee punten aan te wijzen De basismanier om objecten in een model of tekening te verplaatsen, is door de oorsprong en een of meer bestemmingspunten te definiëren. 1. Selecteer het object dat u wilt verplaatsen. 2. Voer het commando Verplaatsen uit. Klik in het model op het tabblad Bewerken op Verplaats. Klik in de tekening op het tabblad Tekening op Verplaatsen --> Verplaatsen. 3. Wijs oorsprong voor verplaatsen aan. Objecten kopiëren en verplaatsen 132 Objecten verplaatsen
133 4. Wijs de bestemming aan. Het object wordt onmiddellijk verplaatst. Het commando Verplaats blijft niet actief. Rechtlijnig verplaatsen U kunt objecten rechtlijnig naar een nieuwe positie in het model verplaatsen. Objecten kopiëren en verplaatsen 133 Objecten verplaatsen
134 1. Selecteer de objecten die u wilt verplaatsen. 2. Klik op het tabblad Bewerken op Verplaatsen speciaal --> Rechtlijnig. Het dialoogvenster Verplaats - rechtlijnig wordt geopend. 3. Wijs twee punten in het model aan of voer de coördinaten in de vakken dx, dy en dz in. U kunt ook een formule gebruiken om de verplaatsing in de x-, y- en z- richting te berekenen. Bijvoorbeeld: 4. Klik op Verplaats. TIP Als het dialoogvenster geopend is, maar het commando niet meer actief is, klikt u op de knop Wijs aan om het commando opnieuw te activeren. Verplaatsen door een afstand vanaf de oorsprong op te geven U kunt objecten naar een nieuwe positie in het model of tekening verplaatsen door een afstand vanaf de oorsprong op te geven. In het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in geeft u de afstand op. 1. Selecteer de objecten die u wilt verplaatsen. 2. Voer het commando Verplaatsen uit. Klik in het model op het tabblad Bewerken op Verplaats. Klik in de tekening op het tabblad Tekening op Verplaatsen --> Verplaatsen. 3. Wijs oorsprong voor verplaatsen aan. 4. Verplaats de cursor in de richting waarin u de objecten wilt verplaatsen, maar wijs het punt niet aan. 5. Voer de afstand in. Wanneer u gaat invoeren, geeft Tekla Structures automatisch het dialoogvenster Voer een numerieke locatie in weer. 6. Klik op OK. Objecten kopiëren en verplaatsen 134 Objecten verplaatsen
135 Verplaatsen via drag and drop U kunt objecten verplaatsen door ze naar een nieuwe locatie te slepen. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen en selecteer het selectievakje Drag & Drop om het commando te activeren. 2. Selecteer de objecten die u wilt verplaatsen. 3. Sleep de objecten naar een nieuwe locatie. Het punt vanwaar u gaat verslepen (midden, hoek of middelpunt) is van invloed op de uitlijning van het object in de nieuwe locatie. De objecten worden onmiddellijk verplaatst. Objecten kopiëren en verplaatsen 135 Objecten verplaatsen
136 4. U verplaatst een eindpunt als volgt door te verslepen: a. Selecteer de handle. b. Houd de linkermuisknop ingedrukt en sleep de handle naar een nieuwe locatie. Het eindpunt wordt overeenkomstig verplaatst: OPMERKING Voor sommige objecten moet u mogelijk Smart Select inschakelen om handles te verslepen zonder deze eerst te selecteren. Als u dit wilt inschakelen, klikt u op Bestand --> Instellingen en schakelt u het selectievakje Smart Select in. OPMERKING Als u stramienlabels in een tekening wilt verplaatsen, moet u eerst het stramienlabel selecteren en vervolgens of de selectieknop (pagina 111) Selecteer stramienlijn inschakelen of de handle van het stramienlabel selecteren. Verplaats naar een ander vlak In een model kunt u objecten van het eerste vlak dat u opgeeft, verplaatsen naar een ander vlak, dat u opgeeft door drie punten aan te wijzen. De verplaatste objecten komen op dezelfde positie op het tweede vlak als de oorspronkelijke objecten op het eerste vlak. 1. Selecteer de objecten die u wilt verplaatsen. Objecten kopiëren en verplaatsen 136 Objecten verplaatsen
137 2. Klik op het tabblad Bewerken op Verplaats --> Naar een ander vlak. 3. Wijs de oorsprong van het eerste vlak aan. 4. Wijs een punt op het eerste vlak in de positieve x-richting aan. 5. Wijs een punt op het eerste vlak in de positieve y-richting aan. 6. Herhaal stap 3-5 voor het bestemmingsvlak. Objecten naar een ander object verplaatsen In een model kunt u objecten van een object naar andere, vergelijkbare objecten verplaatsen. Dit is met name handig wanneer u bijvoorbeeld eerder gemodelleerde onderdelen detailleert. De objecten waartussen u kunt verplaatsen, kunnen verschillende afmetingen, lengten en rotaties hebben. 1. Selecteer de objecten die u wilt verplaatsen. 2. Klik op het tabblad Bewerken op Verplaatsen speciaal --> Naar een ander object. 3. Selecteer het object van waaruit u wilt verplaatsen (bronobject). 4. Selecteer de objecten waarnaar u wilt verplaatsen (doelobjecten). 8.3 Objecten roteren U kunt een object in een model kopiëren of verplaatsen door het rondom een lijn die u kiest te roteren. In een tekening kunt u een object kopiëren of verplaatsen door het rondom een bepaalde lijn in het werkvlak te roteren. OPMERKING Een positieve rotatie vindt plaats volgens de rechterhandregel (met de klok mee, gezien vanuit het beginpunt van de rotatieas). Rond een lijn roteren Gebruik de optie Lijn in het dialoogvenster Roteer wanneer u objecten wilt kopiëren en roteren of rondom een bepaalde lijn in het model wilt verplaatsen en roteren. 1. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren of verplaatsen. 2. Activeer het roteercommando. Objecten kopiëren en verplaatsen 137 Objecten roteren
138 Als u wilt kopiëren en roteren, gaat u naar het tabblad Bewerken en klikt u op Kopieer --> Roteer. Het dialoogvenster Kopieer - roteer wordt geopend. Als u wilt verplaatsen en roteren, gaat u naar het tabblad Bewerken en klikt u op Verplaats --> Roteer. Het dialoogvenster Verplaats - Roteer wordt geopend. 3. Selecteer lijn in de lijst Rondom. 4. Wijs het startpunt van de rotatieas aan of voer de coördinaten in. 5. Wijs het eindpunt van de rotatieas aan of voer de coördinaten in. 6. Als u kopieert, voert u het aantal kopieën in. 7. Voer indien nodig de waarde dz in. Dit is het verschil in positie tussen het oorspronkelijke en gekopieerde object in de z-richting. 8. Voer de rotatiehoek in. 9. Klik op Kopieer of Verplaats. De objecten worden overeenkomstig geroteerd. Voorbeeld In dit voorbeeld wordt een instortvoorziening gekopieerd en geroteerd rondom een constructielijn die zich op de volgende coördinaten bevindt. Als resultaat volgen de gekopieerde instortvoorzieningen de curve van de betonwand. Objecten kopiëren en verplaatsen 138 Objecten roteren
139 Roteren rondom de z-as Gebruik de optie Z in het dialoogvenster Roteer wanneer u objecten wilt kopiëren en roteren of rondom de Z-as in het model wilt verplaatsen en roteren. 1. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren of verplaatsen. Bijvoorbeeld: 2. Activeer het roteercommando. Objecten kopiëren en verplaatsen 139 Objecten roteren
140 Als u wilt kopiëren en roteren, gaat u naar het tabblad Bewerken en klikt u op Kopieer --> Roteer. Het dialoogvenster Kopieer - roteer wordt geopend. Als u wilt verplaatsen en roteren, gaat u naar het tabblad Bewerken en klikt u op Verplaats --> Roteer. Het dialoogvenster Verplaats - Roteer wordt geopend. 3. Selecteer Z in de lijst Rondom. 4. Wijs een punt aan om de rotatieas te definiëren of de coördinaten ervan in te voeren. In het onderstaande voorbeeld geeft het rode kruis het aangewezen punt aan. 5. Als u kopieert, voert u het aantal kopieën in. 6. Voer indien nodig de waarde dz in. Dit is het verschil in positie tussen het oorspronkelijke en gekopieerde object in de z-richting. 7. Voer de rotatiehoek in. Bijvoorbeeld: 8. Klik op Kopieer of Verplaats. Objecten kopiëren en verplaatsen 140 Objecten roteren
141 De objecten worden overeenkomstig geroteerd. Tekeningobjecten roteren Gebruik deze optie als u tekeningobjecten op het werkvlak wilt roteren. 1. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren of verplaatsen. 2. Activeer het roteercommando. Als u wilt kopiëren en roteren, gaat u naar het tabblad Tekeningen en klikt u op Kopieer --> Roteer. Het dialoogvenster Kopieer - roteer wordt geopend. Als u wilt verplaatsen en roteren, gaat u naar het tabblad Tekeningen en klikt u op Verplaats --> Roteer. Het dialoogvenster Verplaats - Roteer wordt geopend. 3. Wijs een punt aan of voer de coördinaten ervan in. 4. Als u kopieert, voert u het aantal kopieën in. 5. Voer de rotatiehoek in. 6. Klik op Kopieer of Verplaats. 8.4 Objecten spiegelen Wanneer u objecten kopieert of verplaatst, kunt u deze spiegelen via een vlak dat loodrecht op het werkvlak staat en door een lijn loopt die u opgeeft. Tekla Structures kan geen gespiegelde kopieën van componenteigenschappen maken. Het commando Kopieer > Spiegel spiegelt objecten niet volledig als Objecten kopiëren en verplaatsen 141 Objecten spiegelen
142 deze bijvoorbeeld componenten met asymmetrisch geplaatste onderdelen bevatten. Modelobjecten spiegelen Gebruik deze methode om te kopiëren en spiegelen of objecten in een model te verplaatsen en te spiegelen. 1. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren of verplaatsen. 2. Activeer het spiegelcommando. Als u wilt kopiëren en spiegelen, gaat u naar het tabblad Bewerken en klikt u op Kopieer --> Spiegel. Het dialoogvenster Kopieer - Spiegel wordt geopend. Als u wilt verplaatsen en spiegelen, gaat u naar het tabblad Bewerken en klikt u op Verplaats --> Spiegel. Het dialoogvenster Verplaats - Spiegel wordt geopend. 3. Wijs het startpunt van het spiegelend vlak aan of voer de coördinaten ervan in. 4. Wijs het eindpunt van het spiegelend vlak aan of voer de coördinaten ervan in. 5. Voer de hoek in. 6. Klik op Kopieer of Verplaats. Tekeningobjecten spiegelen Gebruik deze methode om te kopiëren en spiegelen of objecten in een tekening te verplaatsen en te spiegelen. 1. Selecteer de objecten die u wilt kopiëren of verplaatsen. 2. Activeer het spiegelcommando. Als u wilt kopiëren en spiegelen, gaat u naar het tabblad Bewerken en klikt u op Kopieer --> Spiegel. Het dialoogvenster Kopieer - Spiegel wordt geopend. Als u wilt verplaatsen en spiegelen, gaat u naar het tabblad Bewerken en klikt u op Verplaats --> Spiegel. Het dialoogvenster Verplaats - Spiegel wordt geopend. Objecten kopiëren en verplaatsen 142 Objecten spiegelen
143 3. Wijs het startpunt van het spiegelend vlak aan of voer de coördinaten ervan in. 4. Wijs het eindpunt van het spiegelend vlak aan of voer de coördinaten ervan in. 5. Voer de hoek in. 6. Klik op Kopieer of Verplaats. Objecten kopiëren en verplaatsen 143 Objecten spiegelen
144 9 Objecten filteren Gebruik filters om te beperken wat er kan worden geselecteerd of wat er in een venster zichtbaar is. U kunt uw eigen filters maken of u kunt de standaardfilters gebruiken die in Tekla Structures beschikbaar zijn. Hier volgen enkele voorbeelden waarvoor de filters kunnen worden gebruikt: Om een groot aantal objecten te selecteren Gebruik selectiefilters wanneer u een bepaalde objecteigenschap moet wijzigen die voor veel objecten algemeen is. De rest van de objecten worden niet beïnvloed, zelfs niet als u deze in de selectie probeert op te nemen. Om het model te controleren Gebruik vensterfilters om ervoor te zorgen dat liggers liggers worden genoemd, kolommen kolommen worden genoemd, enzovoort. U kunt meerdere groepen objecten één voor één markeren om te controleren of alle vereiste objecten in een bepaalde groep zijn opgenomen. Om objecten te verbergen Gebruik vensterfilters om de kolommen in een venster tijdelijk te verbergen zodat het eenvoudiger is om bijvoorbeeld alle liggers te selecteren. Om objecten te zoeken U kunt een selectiefilter maken om alle locaties te vinden waar zich bijvoorbeeld wapeningsstaven van ½ in het model bevinden. Nadat het filter is ingeschakeld, kunt u een gebiedsselectie maken die het hele model bevat. Alle opgegeven wapeningsstaven worden geselecteerd, maar de andere objecten worden niet beïnvloed. Zie ook Bestaande filters gebruiken (pagina 145) Nieuwe filters maken (pagina 147) Filtertechnieken (pagina 151) Objecten filteren 144 Objecten spiegelen
145 Voorbeelden van filters (pagina 172) 9.1 Bestaande filters gebruiken Controleer voordat u nieuwe aangepaste filters maakt de bestaande vensteren selectiefilters die in Tekla Structures beschikbaar zijn. Een vensterfilter gebruiken Gebruik filters om te definiëren welke objecten in een modelvenster worden weergegeven. 1. Dubbelklik op het venster om het dialoogvenster Venster eigenschappen te openen. 2. Selecteer een filter in de lijst Zichtbare objectgroep. Selecteer bijvoorbeeld gordingen. 3. Klik op Wijzigen. Nu zijn alleen de door het filter gedefinieerde objecten zichtbaar. Bijvoorbeeld de gordingen. 4. Als u het gebruik van het filter wilt stoppen, doet u het volgende: Objecten filteren 145 Bestaande filters gebruiken
146 a. Dubbelklik op het venster om het dialoogvenster Venstereigenschappen te openen. b. Selecteer in de lijst Zichtbare objectgroep het filter standaard. c. Klik op Wijzigen. Alle objecten zijn weer zichtbaar. OPMERKING Als u niet alle gewenste objecten kunt zien, zijn ook het werkgebied, de vensterdiepte, de vensterinstellingen en de instellingen voor de objectweergave van invloed op de zichtbaarheid van objecten. Een selectiefilter gebruiken Gebruik selectiefilters om te definiëren welke objecten in het model kunnen worden geselecteerd. Een object moet in het model zichtbaar zijn om geselecteerd te kunnen worden. 1. Selecteer op de werkbalk Selecteren een filter in de lijst. De lijst bevindt zich standaard aan de onderzijde van het Tekla Structureshoofdvenster. Selecteer bijvoorbeeld het filter Naam - Fundering. 2. Selecteer de gewenste objecten in het model. U kunt meerdere objecten of zelfs het hele model in één keer selecteren. Nu het filter is ingeschakeld, worden alleen de objecten geselecteerd die Objecten filteren 146 Bestaande filters gebruiken
147 door het filter zijn gedefinieerd. Als het filter Naam - Fundering bijvoorbeeld is ingeschakeld, zijn alleen funderingen te selecteren en blijft de rest van de objecten intact. 3. Als u niet alle objecten kunt selecteren die door het selectiefilter worden gedefinieerd, controleert u uw filterinstellingen en zorgt u ervoor dat u alle benodigde selectieknoppen (pagina 111) hebt ingeschakeld. 4. Als u het gebruik van het filter wilt stoppen, gaat u naar de werkbalk Selecteren en selecteert u het filter standaard. Alle objecten zijn opnieuw selecteerbaar. 9.2 Nieuwe filters maken U kunt aangepaste filters maken om te definiëren welke objecten in het model en de tekeningen zichtbaar en selecteerbaar zijn. Voeg nieuwe filtervoorwaarden toe, één op elke rij, om te definiëren welke objecten moeten worden opgenomen of worden uitgesloten. Een vensterfilter maken U kunt uw eigen aangepaste filters maken om te definiëren welke objecten in een model zichtbaar zijn. 1. Dubbelklik op het venster om het dialoogvenster Venster eigenschappen te openen. 2. Klik op Objectgroep. Het dialoogvenster Objectgroep - toon filter wordt geopend en geeft het momenteel ingeschakelde filter weer. Objecten filteren 147 Nieuwe filters maken
148 3. Klik op Nieuw filter om een compleet nieuw filter te maken. 4. Klik op Regel toevoegen om een nieuwe filtervoorwaarde toe te voegen. 5. Selecteer in de lijst Categorie een objectcategorie. U beschikt over de volgende opties: Onderdeel Component Bout Las Wapeningsstaaf Oppervlak Merk Last Template Referentiemerk Referentieobject Hiërarchische locatiestructuur Taak Object 6. Selecteer in de lijst Eigenschap een geschikte objecteigenschap (pagina 155). De opties variëren afhankelijk van de objectcategorie die u in stap 5 hebt gekozen. 7. Selecteer in de lijst Voorwaarde een geschikte voorwaarde (pagina 151). 8. Voer in de lijst Waarde een waarde in. Klik daarnaast om de huidige waarde van een bestaand object te gebruiken op Selecteer van model en selecteer het gewenste object in het model. Voor datumwaarden is ook de optie Selecteer datum beschikbaar. Filterwaarden kunnen hele tekenreeksen zijn, zoals de profielnaam UC310*97. U kunt ook niet-volledige tekenreeksen samen met jokertekens (pagina 171) gebruiken. De waarde UC* komt bijvoorbeeld Objecten filteren 148 Nieuwe filters maken
149 overeen met alle onderdelen waarvan de profielnaam met de tekens UC* begint. Lege waarden worden afgestemd op lege objecteigenschappen. Als u meerdere waarden gebruikt, moet u de reeksen van elkaar scheiden met spaties (bijvoorbeeld 12 5). Als een waarde uit meerdere tekenreeksen bestaat, zet u de hele waarde tussen aanhalingstekens (bijvoorbeeld "aangepast paneel") of gebruik een vraagteken (bijvoorbeeld aangepast?paneel) om de spatie te vervangen. 9. Herhaal de stappen 4 8 om zoveel filtervoorwaarden te maken als nodig is. U kunt verschillende filtervoorwaarden tegelijkertijd toepassen. 10. Gebruik de opties en beugels (pagina 151) En/Of om te definiëren hoe de filtervoorwaarden samenwerken. 11. Schakel de selectievakjes naast alle filtervoorwaarden in die u wilt inschakelen. Als het selectievakje is ingeschakeld, wordt de filtervoorwaarde ingeschakeld en actief. Bijvoorbeeld: Elke nieuwe voorwaarde is standaard uitgeschakeld. 12. Definieer het filtertype. a. Klik op om meer instellingen weer te geven. b. Schakel de selectievakjes in of uit om te definiëren waar het filter wordt gebruikt. Hetzelfde filter kan bijvoorbeeld als een vensterfilter en als een selectiefilter worden gebruikt. 13. Voer een unieke naam in het vak naast de knop Opslaan als in. OPMERKING Filters zijn hoofdlettergevoelig. Gebruik geen spaties in filternamen. We raden u aan dat u _ (onderstrepingstekens) in uw naamgevingsconventie gebruikt. Als u het filter boven in de lijst direct na het standaardfilter wilt laten verschijnen, moet u hoofdletters in de filternaam gebruiken. 14. Klik op Opslaan als om het filter op te slaan. Objecten filteren 149 Nieuwe filters maken
150 15. Als u het filter op het huidige venster wilt toepassen, klikt u op Wijzigen. Een selectiefilter maken U kunt uw eigen aangepaste filters maken om objecten in een model te kunnen selecteren. 1. Klik op de werkbalk Selectie op om het dialoogvenster Object groep - selectiefilter te openen. 2. Volg de bovenstaande instructies over hoe u een vensterfilter maakt. Dezelfde instructies zijn van toepassing op selectiefilters. Een tekeningfilter maken Voor overzichttekeningen kunt u tekeningfilters maken die de gehele tekening beïnvloeden, niet alleen een bepaald aanzicht. Tekeningfilters selecteren objecten in de gehele tekening. U kunt tekeningfilters gebruiken in combinatie met opgeslagen bestanden met objecteigenschappen als u objectniveau-instellingen maakt of toepast op de hele tekening. U kunt bijvoorbeeld een filter maken waarmee u alle liggers selecteert, vervolgens een bestand met objecteigenschappen opslaan waarin wordt gedefinieerd dat de kleur van het onderdeel blauw is en ten slotte een bestand met objectniveau-instellingen toepassen waardoor alle liggers in de tekening blauw worden. 1. Klik op het tabblad Tekening op Eigenschappen --> Tekening. 2. Klik op Filter. 3. Volg de bovenstaande instructies over hoe u een vensterfilter maakt. Dezelfde instructies zijn van toepassing op tekeningfilters. 4. Als u gereed bent, klikt u op Annuleren om het dialoogvenster met filtereigenschappen te sluiten. Een tekeningaanzichtfilter maken U kunt uw eigen aangepaste aanzichtfilters maken waarmee u een bepaalde groep aanzichtobjecten in een tekeningaanzicht kunt selecteren. U kunt tekeningaanzichtfilters gebruiken voor het wijzigen van het uiterlijk van een bepaalde objectgroep of voor het selecteren van welke objecten in een tekeningaanzicht worden verborgen. U kunt tekeningaanzichtfilters ook in combinatie met opgeslagen bestanden met objecteigenschappen gebruiken als u objectniveau-instellingen voor het Objecten filteren 150 Nieuwe filters maken
151 geselecteerde aanzicht maakt of toepast. U kunt bijvoorbeeld een aanzichtfilter maken waarmee u alle kolommen in een aanzicht selecteert, vervolgens een bestand met objecteigenschappen opslaan waarin wordt gedefinieerd dat de kleur van het onderdeel rood is en ten slotte een bestand met objectniveau-instellingen toepassen waardoor alle kolommen in het geselecteerde aanzicht rood worden. 1. Open een tekening. 2. Dubbelklik op het aanzichtkader. 3. Klik op Filter. 4. Volg de bovenstaande instructies over hoe u een vensterfilter maakt. Dezelfde instructies zijn van toepassing op tekeningaanzichtfilters. 5. Als u gereed bent, klikt u op Annuleren om het dialoogvenster met filtereigenschappen te sluiten. Een tekeningselectiefilter maken U kunt uw eigen aangepaste filters maken om objecten in een tekening te kunnen selecteren. U kunt filters in tekeningen gebruiken als u bepaalde onderdelen van tekeningen of tekeningaanzichten wilt verbergen of de onderdeelkleur of weergave voor bepaalde onderdelen wilt wijzigen. Ook als u enkele verschillend uitziende onderdeellabels voor verschillende typen onderdelen hebt, kunt u de specifieke onderdelen met een selectiefilter selecteren en vervolgens alleen onderdeellabels voor die onderdelen wijzigen. 1. Klik in een geopende tekening op de werkbalk Selecteren op (Ctrl+G). Het dialoogvenster Selectiefilter wordt geopend. 2. Volg de bovenstaande instructies over hoe u een vensterfilter maakt. Dezelfde instructies zijn van toepassing op tekeningselectiefilters. 3. Klik op Toepassen of OK om de onderdelen volgens het filter te selecteren. 9.3 Filtertechnieken Door voorwaarden, haakjes en de opties En/Of te gebruiken, kunt u filters maken die zo complex zijn als nodig is. Voorwaarden Met voorwaarden kunt u definiëren hoe de filtercriteria op elkaar betrekking hebben. Als u filters maakt, definieert u altijd wat in het model of de tekening moet worden weergegeven (of selecteerbaar moet zijn). Als u daarom Objecten filteren 151 Filtertechnieken
152 'Componentnaam bevat geen knoopplaat' invoert, geeft u Tekla Structures aan om alle componenten weer te geven waarvan de naam het woord 'knoopplaat' niet bevat. Tekla Structures verbergt dan alle componenten die het woord 'knoopplaat' in hun naam hebben. Voorwaarde Gelijk aan Niet gelijk aan Begint met Begint niet met Eindigt met Eindigt niet met Bevat Beschrijving Gebruik deze voorwaarde wanneer de filterwaarde exact overeen moet komen. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelnaam is gelijk aan LIGGER'. Filtert objecten uit die de door u ingevoerde waarde bevatten. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelprofiel is niet gelijk aan BL200*20' betekent dat Tekla Structures de objecten verbergt (of niet selecteert) waarvan het profiel BL200*20 is. De rest van de objecten wordt weergegeven (of geselecteerd). Zoekt alle objecten die met de door u ingevoerde waarde beginnen. Bijvoorbeeld: 'Componentnaam begint met gording'. Filtert objecten uit die met de door u ingevoerde waarde beginnen. Bijvoorbeeld: 'Componentnaam begint niet met afschuif' betekent dat Tekla Structures de objecten verbergt (of niet selecteert) waarvan de naam met het woord 'afschuif' begint. De rest van de objecten wordt weergegeven (of geselecteerd). Zoekt alle objecten die eindigen met de door u ingevoerde waarde. Bijvoorbeeld: 'Componentnaam eindigt met plaat'. Filtert objecten uit die met de door u ingevoerde waarde eindigen. Bijvoorbeeld: 'Componentnaam eindigt niet met hoek' betekent dat Tekla Structures de objecten verbergt (of niet selecteert) waarvan de naam met het woord 'hoek' eindigt. De rest van de objecten wordt weergegeven of geselecteerd. Zoekt alle objecten die de door u ingevoerde waarde bevatten. Objecten filteren 152 Filtertechnieken
153 Voorwaarde Bevat niet Groter dan Groter dan of gelijk Kleiner dan Kleiner of gelijk Later dan Beschrijving Bijvoorbeeld: 'Componentnaam bevat plaat' vindt voetplaat en eenvoudige schuifplaat. Filtert objecten uit die de door u ingevoerde waarde bevatten. Bijvoorbeeld: 'Componentnaam bevat knoopplaat' betekent dat Tekla Structures de objecten verbergt (of niet selecteert) waarvan de naam het woord 'knoopplaat' bevat. De rest van de objecten wordt weergegeven of geselecteerd. Zoekt alle objecten die de door u ingevoerde waarde overschrijdt. Bijvoorbeeld: 'Templateattribuut LENGTH is groter dan 5000'. Deze eigenschap kan alleen worden gebruikt met numerieke gegevens zoals het startnummer, de klasse, de fase of de LENGTH van het onderdeel. Zoekt alle objecten die met de door u ingevoerde waarde overeenkomen of deze overschrijden. Deze eigenschap kan alleen worden gebruikt met numerieke gegevens zoals het startnummer, de klasse, de fase of de LENGTH van het onderdeel. Zoekt alle objecten die kleiner zijn dan de waarde die u invoert. Deze eigenschap kan alleen worden gebruikt met numerieke gegevens zoals het startnummer, de klasse, de fase of de LENGTH van het onderdeel. Zoekt alle objecten die overeenkomen met of kleiner zijn dan de waarde die u invoert. Deze eigenschap kan alleen worden gebruikt met numerieke gegevens zoals het startnummer, de klasse, de fase of de LENGTH van het onderdeel. Alleen beschikbaar voor datums. De datum moet later zijn dan die u hebt gedefinieerd. Bijvoorbeeld: 'De datum Objecten filteren 153 Filtertechnieken
154 Voorwaarde Later dan of gelijk aan Vroeger dan Vroeger dan of gelijk aan Beschrijving van goedkeuring van het object is later dan 10/4/2017'. Alleen beschikbaar voor datums. De datum moet later zijn dan of gelijk zijn aan die u hebt gedefinieerd. Alleen beschikbaar voor datums. De datum moet eerder zijn dan die u hebt gedefinieerd. Bijvoorbeeld: 'De datum van goedkeuring van het object is eerder dan 18/2/2017'. Alleen beschikbaar voor datums. De datum moet eerder zijn dan of gelijk zijn aan die u hebt gedefinieerd. En/Of-opties Gebruik de opties En/Of wanneer u filtervoorwaarden maakt die uit meerdere regels bestaan. En Of leeg (= En) Optie Beschrijving Wordt gebruikt om objecten te zoeken die met beide waarden overeenkomen. Als u filterregels maakt tussen objecten waarvan de instellingen voor Categorie verschillend zijn, gebruikt u indien mogelijk de optie En om potentiële problemen met complexere regels te voorkomen. Wordt gebruikt om objecten te zoeken die met één van de waarden overeenkomen. Leeg heeft dezelfde betekenis als En. Haakjes U kunt enkelvoudige, dubbele en drievoudige haakjes gebruiken om complexere filtervoorwaarden te maken. Voorbeeld 1. Gebruik de indeling 'A en (B of C)' om objecten te zoeken die met de eerste filtervoorwaarde en één van beide van de laatste twee voorwaarden overeenkomen. Objecten filteren 154 Filtertechnieken
155 Voorbeeld 2. Gebruik de indeling '(A en B) of C' om objecten te zoeken die met beide eerste twee voorwaarden of de derde overeenkomen. 9.4 Objecteigenschappen bij het filteren U kunt uit een grote verscheidenheid aan objecteigenschappen selecteren wanneer u nieuwe filters maakt. In de onderstaande tabellen worden de eigenschappen weergegeven volgens hun objectcategorie. Daarnaast bevatten bijna alle categorieën gebruikersattributen en templateattributen die ook bij het filteren kunnen worden gebruikt. Categorie: Onderdeel Gebruik de categorie Onderdeel om onderdelen op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Naam Profiel Materiaal Afwerking Eigenschap Beschrijving Hiermee filtert u objecten op basis van hun naam. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelnaam is gelijk aan SLAB'. Hiermee filtert u objecten op basis van hun profiel. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelprofiel is niet gelijk aan L20*2'. Hiermee filtert u objecten op basis van hun materiaalkwaliteit. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelmateriaal is gelijk aan C25/30'. Hiermee filtert u objecten op basis van hoe het oppervlak van het onderdeel is behandeld. Bijvoorbeeld: Objecten filteren 155 Objecteigenschappen bij het filteren
156 Eigenschap Prefix Startnummer Nummeringreeks Positienummer Klasse Fase Vracht Hoofdonderdeel Beschrijving 'Onderdeelafwerking is gelijk aan "BW - Brandwerende afwerking"'. Hiermee filtert u objecten op basis van hun nummeringsprefix. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelprefix is gelijk aan P'. Hiermee filtert u objecten op basis van hun startnummer. Bijvoorbeeld: 'Startnummer onderdeel is groter dan 100'. Hiermee filtert u objecten op basis van hun nummeringreeksgegevens. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelnummering is gelijk aan TP/1'. Het scheidingsteken voor het positienummer kan een punt (.), komma (,), slash (/) of afbreekstreepje (-) zijn, afhankelijk van wat u in Bestand --> Instellingen --> Opties -- > Nummering hebt gedefinieerd. Hiermee filtert u objecten op basis van hun positienummer. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelpositienummer is niet gelijk aan P/5'. Het scheidingsteken voor het positienummer kan een punt (.), komma (,), slash (/) of afbreekstreepje (-) zijn, afhankelijk van wat u in Bestand --> Instellingen --> Opties -- > Nummering hebt gedefinieerd. Hiermee filtert u objecten op basis van hun klassenummer. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelklasse is gelijk aan 210'. Hiermee filtert u objecten op basis van hun fasenummer. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelfase is gelijk aan 1 2'. Hiermee filtert u objecten op basis van hun vrachtnummer. Bijvoorbeeld: 'Onderdeelvracht is groter dan 1'. Hiermee filtert u objecten op basis van of ze of hoofd- of aansluitende onderdelen in een merk of betonelement zijn. 1 = het Objecten filteren 156 Objecteigenschappen bij het filteren
157 Eigenschap Beschrijving hoofdonderdeel, 0 = aansluitend onderdeel. Bijvoorbeeld: 'Hoofdonderdeel van het onderdeel is gelijk aan 1'. Categorie: Component Gebruik de categorie Component om componenten op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Eigenschap Naam Verbindingscode Volgnummer Fase Is conceptueel Beschrijving Hiermee filtert u componenten op basis van hun naam. Bijvoorbeeld: 'Componentnaam is gelijk aan "eenvoudige schuifplaat"'. Hiermee filtert u componenten op basis van verbindingscode, wat een tekenreeks of een nummer kan zijn. Bijvoorbeeld: 'Componentverbinding is gelijk aan 200_2'. Hiermee filtert u componenten op basis van hun uniek volgnummer. Bijvoorbeeld: 'Componentvolgnummer is kleiner dan 150'. Hiermee filtert u componenten op basis van hun fasenummer. Bijvoorbeeld: 'Componentfase is gelijk aan 2'. Hiermee filtert u componenten op basis van hun type. Componenten kunnen gedetailleerd of conceptueel zijn. Ja = conceptueel, Nee = gedetailleerd. Bijvoorbeeld: 'Component is conceptueel is gelijk aan Ja'. Categorie: Bout Gebruik de categorie Bout om bouten op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Diameter Eigenschap Beschrijving Hiermee filtert u bouten op basis van hun diameter. (Bijvoorbeeld: 'Boutdiameter is kleiner dan 20.00'. Objecten filteren 157 Objecteigenschappen bij het filteren
158 Eigenschap Standaard Montage/werkplaats Fase Lengte Beschrijving Hiermee filtert u bouten op basis van hun boutsamenstellingennorm/- kwaliteit. Bijvoorbeeld: 'Boutnorm is gelijk aan 7990'. Hiermee filtert u bouten op basis van hun merktype. Montage = 0, Werkplaats = 1. Bijvoorbeeld: 'Boutmontage/werkplaats is gelijk aan 1'. Hiermee filtert u bouten op basis van hun fasenummer. Bijvoorbeeld: 'Boutfase is gelijk aan 3 4'. Hiermee filtert u bouten op basis van hun lengte. Bijvoorbeeld: 'Boutlengte is groter dan 50.00'. Categorie: Las Gebruik de eigenschap Las om lassen op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Eigenschap Grootte boven lijn Grootte onder lijn Referentietekst Fase Type boven lijn Type onder lijn Lengte boven lijn Lengte onder lijn Laszijde Positienummer Beschrijving Hiermee filtert u lassen op basis van hun grootte. Bijvoorbeeld: 'Lasgrootte boven lijn is gelijk aan 5.00'. Hiermee filtert u lassen op basis van hun referentietekst die een door de gebruiker definieerbare waarde in het dialoogvenster Laseigenschappen is. Bijvoorbeeld: 'Lasreferentietekst bevat 12345'. Hiermee filtert u lassen op basis van hun fasenummer. Bijvoorbeeld: 'Lasfase is gelijk aan 3'. Hiermee filtert u lassen op basis van hun lastype. Selecteer het type in de lijst Waarde. Hiermee filtert u lassen op basis van hun lengtewaarde. Bijvoorbeeld: 'Laslengte is groter dan 0.00'. Hiermee filtert u lassen op basis van waar ze moeten worden gemaakt. De opties zijn Montage en Werkplaats. Hiermee filtert u lassen op basis van hun unieke positienummer. Objecten filteren 158 Objecteigenschappen bij het filteren
159 Eigenschap Hoek boven de lijn Hoek onder de lijn Contour boven de lijn Contour onder de lijn Effectieve keelhoogte boven de lijn Effectieve keelhoogte onder de lijn Afwerking boven de lijn Afwerking onder de lijn Oplopend aantal boven de lijn Oplopend aantal onder de lijn Ononderbroken type Steek boven de lijn Steek onder de lijn Dikte van de vooropening boven de lijn Dikte van de vooropening onder de lijn Lasopening boven de lijn Lasopening onder de lijn Prefix voor de grootte boven de lijn Prefix voor de grootte onder de lijn Beschrijving Bijvoorbeeld: 'Laspositienummer is groter dan 100'. Hiermee filtert u lassen op basis van de hoek van de lasvoorbewerking, afschuiningen of groeven. Bijvoorbeeld: 'Lashoek onder de lijn die groter is dan 0.000'. Hiermee filtert u lassen op basis van hun contour van het vultype. De opties zijn Geen, Voegen, Convex en Concaaf. Bijvoorbeeld: 'Lascontour boven de lijn is niet gelijk aan Geen'. Hiermee filtert u lassen op basis van hun lasgrootte die bij de berekening van de lassterkte wordt gebruikt. Bijvoorbeeld: 'Effectieve keelhoogte van de las boven de lijn is gelijk aan 0.500'. Hiermee filtert u lassen op basis van hoe ze zijn behandeld. De opties zijn Geen, Slijping, Machine, Chip, Afgewerkte las en Vloeiende overgang. Hiermee filtert u lassen op basis van hun aantal verhogingen. Bijvoorbeeld: 'Aantal lasverhogingen boven lijn is groter dan 0'. Hiermee filtert u lassen op basis van hun vorm. De opties zijn Doorlopend, Ononderbroken en Zigzaggend ononderbroken. Hiermee filtert u lassen op basis van hun afstand van de lasverhogingen. Hiermee filtert u lassen op basis van hun dikte van de vooropening. Met andere woorden: de hoogte van het smalste onderdeel in de lasopening. Hiermee filtert u lassen op basis van de ruimte tussen de gelaste onderdelen. Hiermee filtert u lassen op basis van hun prefix voor de lasgrootte. Bijvoorbeeld: 'Prefix voor de Objecten filteren 159 Objecteigenschappen bij het filteren
160 Eigenschap Door de gebruiker gedefinieerde doorsnede Classificatie van de elektrode Sterkte van de elektrode Procestype NDT-inspectie Is rondom de las Beschrijving lasgrootte boven de lijn is gelijk aan a'. De standaard ISO 2553-prefixen zijn a (Nominale keelhoogte), s (Nominale keelhoogte inclusief inbranding) en z (Beenlengte). Hiermee filtert u lassen op basis van of ze door de gebruiker gedefinieerde doorsneden bevatten. De opties zijn Ja en Nee. Hiermee filtert u lassen op basis van hun classificatie van de laselektrode. De opties zijn (leeg), 35, 52, 50, E60XX, E70XX, E80XX en E90XX. Hiermee filtert u lassen op basis van hun elektrodensterkte. Bijvoorbeeld: 'Sterkte van de laselektrode is groter dan 0.000'. Hiermee filtert u lassen op basis van hun lasprocestype. De opties zijn SMAW, SAW, GMAW, FCAW, ESW en EGW. Hiermee filtert u lassen op basis van hun niet-destructief testen en inspectieniveau. De opties zijn A, B, C, D en E. Hiermee filtert u lassen op basis van of slechts één rand of de hele omtrek van een vlak is gelast. Rand = Nee, Rondom = Ja. Categorie: Wapeningsstaaf Gebruik de categorie Wapeningsstaaf om wapeningsstaven op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Naam Klasse Eigenschap Beschrijving Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun naam. Bijvoorbeeld: 'Wapeningsstaafnaam is gelijk aan BEUGEL'. Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun klassenummer. Bijvoorbeeld: 'Wapeningsstaafklasse is gelijk aan 3'. Objecten filteren 160 Objecteigenschappen bij het filteren
161 Eigenschap Grootte Diameter Lengte Materiaal Prefix Startnummer Nummeringreeks Positienummer Fase Beschrijving Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun grootte. De grootteeigenschap is afhankelijk van de omgeving en kan letters en speciale tekens bevatten. In de omgeving US imperial bijvoorbeeld: 'Wapeningsstaafgrootte is gelijk aan #18'. Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun diameter. De diameter is de nominale diameter van de staaf, niet de werkelijke. Bijvoorbeeld: 'Wapeningsstaafdiameter is kleiner dan 12'. Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun totale lengte. Bijvoorbeeld: 'Wapeningsstaaflengte is groter dan '. Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun materiaalkwaliteit. Bijvoorbeeld: 'Wapeningsstaafmateriaal is niet gelijk aan Niet gedefinieerd'. Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun nummeringsprefix. Bijvoorbeeld: 'Wapeningsstaafprefix is gelijk aan R'. Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun startnummer. Bijvoorbeeld: 'Startnummer wapeningsstaaf is groter dan 1'. Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun nummeringreeksgegevens. Bijvoorbeeld: 'Nummeringreeks wapeningsstaaf is gelijk aan R/1'. Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun positienummer. Bijvoorbeeld: 'Positienummer wapeningsstaaf is gelijk aan R/3'. Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun fasenummer. Bijvoorbeeld: 'Wapeningsstaaffase is gelijk aan 2'. Objecten filteren 161 Objecteigenschappen bij het filteren
162 Vorm Eigenschap Beschrijving Hiermee filtert u wapeningsstaven op basis van hun buigvormen. Bijvoorbeeld: 'Wapeningsstaafvorm is niet gelijk aan 2_1'. Categorie: Oppervlak Gebruik de categorie Oppervlak om oppervlakken op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Naam Type Klasse Fase Eigenschap Beschrijving Hiermee filtert u oppervlakken op basis van hun naam. Bijvoorbeeld: 'Oppervlaknaam is gelijk aan OPPERVLAK'. Hiermee filtert u oppervlakken op basis van hun type. De opties zijn Bekisting en Afwerking beton. Hiermee filtert u oppervlakken op basis van hun klassenummer. Bijvoorbeeld: 'Oppervlakklasse is gelijk aan 13'. Hiermee filtert u oppervlakken op basis van hun fasenummer. Bijvoorbeeld: 'Oppervlakfase is gelijk aan 3 4'. Categorie: Merk Gebruik de categorie Merk om merken en betonelementen op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Naam Id-nummer Eigenschap Beschrijving Hiermee filtert u merken en betonelementen op basis van hun naam. Bijvoorbeeld: 'Merknaam bevat geen DAKLIGGER'. Hiermee filtert u merken en betonelementen op basis van hun idnummer. Bijvoorbeeld: 'Id-nummer merk is groter dan 25000'. Gebruik deze eigenschap alleen in tijdelijke filters, omdat het id-nummer kan wijzigen wanneer u het model opnieuw opent. Gebruik de in de categorie Object beschikbare GUID- Objecten filteren 162 Objecteigenschappen bij het filteren
163 Eigenschap Prefix Startnummer Positienummer Fase Merkniveau Merktype Merkserie Beschrijving eigenschap voor permanentere filters. Hiermee filtert u merken en betonelementen op basis van hun nummeringsprefix. Bijvoorbeeld: 'Merkprefix is gelijk aan A'. Hiermee filtert u merken en betonelementen op basis van hun startnummer. Bijvoorbeeld: 'Startnummer merk is groter dan 1'. Hiermee filtert u merken en betonelementen op basis van hun positienummer. Bijvoorbeeld: 'Positienummer merk is gelijk aan A/ 13'. Hiermee filtert u merken en betonelementen op basis van hun fasenummer. Bijvoorbeeld: 'Merkfase is niet gelijk aan 1'. Hiermee filtert u merken en betonelementen op basis van hun positie in de merkhiërarchie. Hoe groter de waarde, hoe lager de positie in de merkhiërarchie. 0 is het hoogste niveau en 1 is het eerste submerkniveau. Als u bijvoorbeeld wilt controleren of het model submerken bevat, gebruikt u de filtervoorwaarde 'Merkniveau is groter dan of gelijk aan 1'. Hiermee filtert u merken en betonelementen op basis van hun type. 0 = prefab 1 = insitu 2 = staal 3 = hout 6 = diversen Hiermee filtert u merken en betonelementen op basis van hun nummeringreeksgegevens. Objecten filteren 163 Objecteigenschappen bij het filteren
164 Eigenschap Beschrijving Bijvoorbeeld: 'Merkserie is gelijk aan C/1'. Categorie: Last Gebruik de categorie Last om lasten op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Lastengroep Lastentype Eigenschap Beschrijving Hiermee filtert u lasten op basis van de lastengroep waartoe ze behoren. Bijvoorbeeld: 'Lastengroep is niet gelijk aan DefaultGroep'. Hiermee filtert u lasten op basis van hun type. De opties zijn lijn, punt, gebied, uniform en temperatuur. Windlasten worden bij het filteren als oppervlaklasten beschouwd. Gebruik de selectieknoppen Fase Componenten selecteren en Objecten als componenten selecteren om windlasten te selecteren. Hiermee filtert u lasten op basis van hun fasenummer. Bijvoorbeeld: 'Lastenfase is niet gelijk aan 1'. Categorie: Template Gebruik de categorie Template om onderdelen en andere objecten te filteren door templateattributen te gebruiken. Met deze categorie kunt u de naam van elk templateattribuut of gebruikersattribuut rechtstreeks in het vak Eigenschap invoeren, zelfs als deze niet in de lijst staat. Gebruik de prefix ASSEMBLY. of CAST_UNIT. vóór de eigenschapsnaam om toegang tot attributen op merkniveau te krijgen en de prefix USERDEFINED. voor toegang tot gebruikersattributen. Als u bijvoorbeeld toegang tot het gebruikersattribuut op betonelementniveau User field 1 wilt, voert u CAST_UNIT.USERDEFINED.USER_FIELD_1 in het vak Eigenschap in. Objecten filteren 164 Objecteigenschappen bij het filteren
165 Categorie: Referentiemerk Gebruik de categorie Referentiemerk om referentiemodelmerken op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Eigenschap Id-nummer Fase Vracht Beschrijving Informatietekst Vergrendeld Logische naam Beschrijving Hiermee filtert u referentiemodelmerken op basis van hun id-nummers. Bijvoorbeeld: 'Idnummer referentiemerk is groter dan 55'. Gebruik deze eigenschap alleen in tijdelijke filters, omdat het id-nummer kan wijzigen wanneer u het model opnieuw opent. Gebruik de in de categorie Object beschikbare GUIDeigenschap voor permanentere filters. Hiermee filtert u referentiemodelmerken op basis van hun fasenummers. Bijvoorbeeld: 'Fase referentiemerk is gelijk aan 2'. Hiermee filtert u referentiemodelmerken op basis van hun vrachtnummers. Bijvoorbeeld: 'Vracht referentiemerk is groter dan 1'. Hiermee filtert u referentiemodelmerken op basis van hun beschrijving die een door de gebruiker definieerbare waarde in het referentiemodel is. Bijvoorbeeld: 'Referentiemerkbeschrijving bevat "architect model"'. Hiermee filtert u referentiemodelmerken op basis van hun informatietekst die een door de gebruiker definieerbare waarde in het dialoogvenster Referentieobject is. Bijvoorbeeld: 'Informatietekst van het referentiemerk bevat gereviseerd'. Hiermee filtert u referentiemodelmerken op basis van of ze wel of niet vergrendeld zijn. 0 = Nee, 1 = Ja, 2 = Organisatie. Hiermee filtert u referentiemodelmerken op basis van Objecten filteren 165 Objecteigenschappen bij het filteren
166 Eigenschap Beschrijving hun logische naam die een door de gebruiker definieerbare waarde in het dialoogvenster Referentieobject is. Bijvoorbeeld: 'Logische naam van het referentiemerk is gelijk aan "MEP verwarming systeem"" Categorie: Referentieobject Gebruik de categorie Referentieobject om referentiemodelobjecten op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Eigenschap Id-nummer Fase Vracht Beschrijving Informatietekst Beschrijving Hiermee filtert u referentiemodelobjecten op basis van hun id-nummers. Bijvoorbeeld: 'Idnummer referentieobject is groter dan 12'. Gebruik deze eigenschap alleen in tijdelijke filters, omdat het id-nummer kan wijzigen wanneer u het model opnieuw opent. Gebruik de in de categorie Object beschikbare GUIDeigenschap voor permanentere filters. Hiermee filtert u referentiemodelobjecten op basis van hun fasenummers. Bijvoorbeeld: 'Referentieobjectfase is niet gelijk aan 1'. Hiermee filtert u referentiemodelobjecten op basis van hun vrachtnummers. Bijvoorbeeld: 'Referentieobjectvracht is gelijk aan 1'. Hiermee filtert u referentiemodelobjecten op basis van hun beschrijving die een door de gebruiker definieerbare waarde in het dialoogvenster Referentieobject is. Bijvoorbeeld: 'Referentieobjectbeschrijving bevat "architect model"'. Hiermee filtert u referentiemodelobjecten op basis van hun informatietekst die een door de gebruiker definieerbare waarde in het Objecten filteren 166 Objecteigenschappen bij het filteren
167 Vergrendeld Logische naam Eigenschap Beschrijving dialoogvenster Referentieobject is. Bijvoorbeeld: 'Informatietekst van het referentieobject bevat gereviseerd'. Hiermee filtert u referentiemodelobjecten op basis van of ze wel of niet vergrendeld zijn. 0 = Nee, 1 = Ja, 2 = Organisatie. Hiermee filtert u referentiemodelobjecten op basis van hun logische naam die een door de gebruiker definieerbare waarde in het dialoogvenster Referentieobject is. Bijvoorbeeld: 'Logische naam van het referentieobject bevat "derde verdieping"'. TIP U kunt objectattributen van referentiemodellen filteren met de categorie Template en de prefix EXTERNAL. in het vak Eigenschap. Bijvoorbeeld: 'Referentieobject EXTERNAL.Material is gelijk aan A572'. Categorie: Hiërarchische locatiestructuur Gebruik de categorie Hiërarchische locatiestructuren om objecten te filteren op basis van hun locatiecategorieën die in de Organisator kunnen worden gedefinieerd. Montage Gebouw Doorsnede Verdieping Eigenschap Beschrijving Hiermee filtert u objecten op basis van tot welke montagecategorie ze behoren. Bijvoorbeeld: 'Hiërarchische locatiestructuur montage is gelijk aan "Montage 2"'. Hiermee filtert u objecten op basis van tot welke gebouwcategorie ze behoren. Bijvoorbeeld: 'Hiërarchische locatiestructuur gebouw is gelijk aan "Gebouw A"'. Hiermee filtert u objecten op basis van tot welke doorsnedecategorie ze behoren. Bijvoorbeeld: 'Hiërarchische locatiestructuur doorsnede is gelijk aan Verloop'. Hiermee filtert u objecten op basis van op welke verdieping ze zich bevinden. Bijvoorbeeld: Objecten filteren 167 Objecteigenschappen bij het filteren
168 Eigenschap Beschrijving 'Hiërarchische locatiestructuur verdieping is gelijk aan "Verdieping 4"'. Categorie: Taak Gebruik de categorie Taak om geplande taken op basis van hun algemene eigenschappen te filteren. Eigenschap Naam Geplande startdatum Geplande einddatum Werkelijke startdatum Werkelijke einddatum Volledigheid Kritiek Lokaal Aannemer Beschrijving Hiermee filtert u geplande taken op basis van hun naam. Bijvoorbeeld: 'Taaknaam bevat vloeren'. Hiermee filtert u geplande taken op basis van hun geplande startdatum. Bijvoorbeeld: 'Geplande startdatum van de taak is eerder dan Revisiedatum'. Hiermee filtert u geplande taken op basis van hun geplande startdatum. Bijvoorbeeld: 'Geplande einddatum van de taak is later dan of gelijk aan 13/10/2017'. Hiermee filtert u geplande taken op basis van hun werkelijke startdatum. Hiermee filtert u geplande taken op basis van hun werkelijke einddatum. Hiermee filtert u geplande taken op basis van hun volledigheid. De waarde is een percentage. Bijvoorbeeld: 'Volledigheid taak is 75'. Hiermee filtert u geplande taken op basis van hoe kritiek zijn. Een taak kan alleen kritiek zijn als deze vanuit externe software is geïmporteerd. 1 = Kritiek, 0 = Niet kritiek. Deze eigenschap is niet zichtbaar in de Taakmanager. Hiermee filtert u geplande taken op basis van of ze in de Taakmanager zijn gemaakt of uit externe software zijn geïmporteerd. 1 = Gemaakt in de Taakmanager, 0 = Geïmporteerd. Hiermee filtert u geplande taken op basis van de aannemer. Bijvoorbeeld: Objecten filteren 168 Objecteigenschappen bij het filteren
169 Scenario Taaktype Eigenschap Beschrijving 'Taakaannemer is gelijk aan "Aannemer A"'. Hiermee filtert u geplande taken op basis van het scenario waartoe ze behoren. Bijvoorbeeld: 'Taakscenario is gelijk aan "Scenario 1"'. Hiermee filtert u geplande taken op basis van hun type. Bijvoorbeeld: 'Taaktype is gelijk niet aan "A - Vloerbetegeling"'. Categorie: Object Gebruik de categorie Object om objecten op basis van hun eigenschappen op objectniveau te filteren. Guid Fase Id-nummer Objecttype Eigenschap Beschrijving Hiermee filtert u objecten op basis van hun GUID (Globale Unieke Identificatie). Bijvoorbeeld: 'Object- GUID begint met ID7554C9EB-C8B4'. Hiermee filtert u objecten op basis van hun fasenummer. Bijvoorbeeld: 'Objectfase is niet gelijk aan 3'. Hiermee filtert u objecten op basis van hun identificatienummer. Bijvoorbeeld: 'Id-nummer van object is gelijk aan '. Gebruik deze eigenschap alleen in tijdelijke filters, omdat het id-nummer kan wijzigen wanneer u het model opnieuw opent. Gebruik de GUIDeigenschap voor permanentere filters. Hiermee filtert u objecten op basis van hun type. Selecteer een objecttype in de lijst Waarde of gebruik de optie Selecteer van model. We raden u aan in elk filter dat u maakt één filtervoorwaarde voor de eigenschap Objecttype op te nemen. Het filterresultaat wordt anders als u het objecttype weglaat. Objecten filteren 169 Objecteigenschappen bij het filteren
170 Is component Eigenschap Beschrijving De volgende objecttypen kunnen in de lijst worden geselecteerd: Merk Boutgroep Verbinding Onderdeel Stortnaad Stortobject Referentieobject Wapeningsstaaf Oppervlak Oppervlakte Las De volgende objecttypen worden alleen als numerieke waarden weergegeven: 1 = punt 9 = fitting 11 = polygoonsnede 12 = trimlijn 24 = constructielijn 30 = constructievlak 38 = toegevoegd materiaal 42 = constructiecirkel 48 = referentiemodel 70 = vellingkant 76 = rekenonderdeel Hiermee filtert u objecten op basis van of ze wel of niet componenten zijn. De opties zijn Ja en Nee. Bijvoorbeeld: 'Object is component is gelijk aan Ja'. Objecten filteren 170 Templateattributen bij het filteren
171 9.5 Templateattributen bij het filteren Gebruik de volgende eenheden voor het filteren van templateattributen, zelfs als u in de omgeving US imperial werkt: mm voor lengte mm2 voor gebied kg voor gewicht graden voor hoek TIP Als u wilt controleren welke eenheid Tekla Structures voor een bepaalde templateattribuut gebruikt, gebruikt u de optie Selecteer van model in de lijst Waarde in het filterdialoogvenster. Zie ook Nieuwe filters maken (pagina 147) 9.6 Wildcards Een jokerteken is een symbool dat een of meer tekens staat. U kunt jokertekens gebruiken om tekenreeksen bijvoorbeeld bij het filteren in te korten. Wildcard Beschrijving Voorbeeld * (sterretje) Komt overeen met elk willekeurig aantal tekens HE* staat voor alle onderdelen met een profielnaam die begint met de letters HE. U kunt dit symbool ook gebruiken aan het begin van een woord: *BRAC*.? (vraagteken) Eén teken HE?400 komt overeen met onderdelen met profielnamen zoals HEA400, HEB400 en HEC400. [ ] (vierkante haakjes) Eén van de tekens tussen de vierkante haakjes L[78]X4X1/2 komt overeen met onderdelen met de profielnamen L7X4X1/2 en L8X4X1/2. OPMERKING De tekens * en? kunnen in Tekla Structures ook in objectnamen worden gebruikt. Als de objectnaam waarop u wilt filteren * of? bevat, moet u deze tekens tussen vierkante haakjes zetten. Als u bijvoorbeeld het profiel P100*10 zoekt, voert u P100[*]10 in het filterveld in. Zie ook Objecten filteren (pagina 144) Objecten filteren 171 Wildcards
172 9.7 Voorbeelden van filters Hier volgen enkele voorbeelden van filters die u kunt maken. U kunt dezelfde filtertechnieken gebruiken voor aanzicht-, selectie- en tekeningfilters. Onderdelen op basis van hun naam filteren Maak een filter dat alleen onderdelen met een bepaalde naam weergeeft. 1. Maak een nieuw aanzichtfilter. (pagina 147) 2. Klik drie keer op Regel toevoegen om drie filtervoorwaarden toe te voegen. 3. In de eerste filtervoorwaarde definieert u dat het objecttype een onderdeel moet zijn: a. Selecteer in de lijst Categorie de optie Object. b. In de lijst Eigenschap selecteert u Object type. c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. In de lijst Waarde selecteert u Onderdeel. e. In de lijst En/Of selecteert u En. 4. In de tweede en derde filtervoorwaarde definieert u dat de onderdeelnaam LIGGER of KOLOM moet zijn: a. Selecteer Onderdeel in de lijst Categorie. b. Selecteer Naam in de lijst Eigenschap. c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. Voer in het vak Waarde de onderdeelnamen LIGGER en KOLOM in. e. In de lijst En/Of selecteert u Of. 5. Neem de tweede en derde filtervoorwaarde tussen haakjes op. Het filter zoekt nu naar onderdelen die de naam LIGGER of KOLOM hebben. 6. Voer een unieke naam in het vak naast de knop Opslaan als in. 7. Klik op Opslaan als. Objecten filteren 172 Voorbeelden van filters
173 Hoofdonderdelen filteren Maak een filter dat alleen de hoofdonderdelen selecteert. 1. Maak een nieuw selectiefilter. (pagina 147) 2. Klik tweemaal op Regel toevoegen om twee filterregels toe te voegen. 3. In de eerste filtervoorwaarde definieert u dat het objecttype een onderdeel moet zijn: a. Selecteer in de lijst Categorie de optie Object. b. In de lijst Eigenschap selecteert u Object type. c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. In de lijst Waarde selecteert u Onderdeel. e. In de lijst En/Of selecteert u En. 4. In de tweede filtervoorwaarde definieert dat u alleen hoofdonderdelen wilt opnemen: a. Selecteer Onderdeel in de lijst Categorie. b. In de lijst Eigenschap selecteert u Hoofdonderdeel. c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. In het vak Waarde voert u 1 in. In dit verband betekent 1 de hoofdonderdelen en 0 de aansluitende onderdelen. 5. Voer een unieke naam in het vak naast de knop Opslaan als in. 6. Klik op Opslaan als. Bouten op basis van hun diameter filteren Maak een filter dat alleen bouten van bepaalde diameters weergeeft. 1. Maak een nieuw aanzichtfilter. (pagina 147) 2. Klik tweemaal op Regel toevoegen om twee filterregels toe te voegen. 3. In de eerste filtervoorwaarde definieert u dat het objecttype een bout moet zijn: a. Selecteer in de lijst Categorie de optie Object. b. In de lijst Eigenschap selecteert u Object type. Objecten filteren 173 Voorbeelden van filters
174 c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. In de lijst Waarde selecteert u Boutgroep. e. In de lijst En/Of selecteert u En. 4. In de tweede filtervoorwaarde definieert u dat de boutdiameter 12,00 of 16,00 moet zijn: a. Selecteer Bout in de lijst Categorie. b. Selecteer Diameter in de lijst Eigenschap. c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. Voer in het vak Waarde de boutdiameters 12,00 en 16,00 in. Gebruik een spatie om de tekenreeksen te scheiden. 5. Voer een unieke naam in het vak naast de knop Opslaan als in. 6. Klik op Opslaan als. Onderdelen op basis van hun merktype filteren Maak een filter op basis van merktypen. U kunt bijvoorbeeld een filter maken dat alleen insitu- en prefab-kolommen weergeeft. Stalen kolommen en andere kolommen of onderdelen zijn verborgen. Dezelfde filtertechniek kan voor staal, beton, hout en andere onderdelen worden gebruikt. 1. Maak een nieuw filter. (pagina 147) 2. Klik vier keer op Regel toevoegen om vier filtervoorwaarden toe te voegen. 3. In de eerste filtervoorwaarde definieert u dat het objecttype een onderdeel moet zijn: a. Selecteer in de lijst Categorie de optie Object. b. In de lijst Eigenschap selecteert u Object type. c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. In de lijst Waarde selecteert u Onderdeel. e. In de lijst En/Of selecteert u En. 4. Definieer in de tweede filtervoorwaarde dat de onderdeelnaam KOLOM moet zijn: a. Selecteer Onderdeel in de lijst Categorie. Objecten filteren 174 Voorbeelden van filters
175 b. Selecteer Naam in de lijst Eigenschap. c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. Voer in het vak Waarde de onderdeelnaam KOLOM in. e. In de lijst En/Of selecteert u En. 5. Neem de eerste en tweede filtervoorwaarde tussen haakjes op. 6. Definieer in de derde en vierde filtervoorwaarde dat het merktype prefab of insitu moet zijn: a. Selecteer Merk in de keuzelijst Categorie. b. Selecteer Merk type in de keuzelijst Eigenschap. c. Voer in het vak Waarde de merktypen 0 en 1 in. Waard e 0 prefab 1 insitu 2 staal 3 hout 6 diversen Type merk d. In de lijst En/Of selecteert u Of. 7. Neem de derde en vierde filtervoorwaarde tussen haakjes op. Het filter zoekt nu naar betonnen onderdelen die de naam KOLOM hebben. 8. Voer een unieke naam in het vak naast de knop Opslaan als in. 9. Klik op Opslaan als. Submerken filteren Maak een filter dat alleen onderdelen selecteert die tot een submerk behoren. 1. Maak een selectiefilter. (pagina 147) 2. Klik op Regel toevoegen om een nieuwe filtervoorwaarde toe te voegen. 3. Selecteer in de lijst Categorie de optie Template. Objecten filteren 175 Voorbeelden van filters
176 4. Selecteer in de lijst Eigenschappen de optie ASSEMBLY.HIERARCHY_LEVEL. 5. Selecteer in de lijst Voorwaarde de optie Niet gelijk aan. 6. In het vak Waarde voert u 0 in. In dit verband betekent 0 dat het onderdeel niet tot een submerk behoort en 1 betekent dat het onderdeel dat wel doet. Het filter geeft alleen onderdelen weer waarvan de waarde niet 0 is. 7. Voer een unieke naam in het vak naast de knop Opslaan als in. 8. Klik op Opslaan als. Referentiemodelobjecten filteren Maak een filter op basis van objecteneigenschappen van referentiemodellen. 1. Maak een leeg venster- of selectiefilter. (pagina 147) 2. Klik op Regel toevoegen om een nieuwe filtervoorwaarde toe te voegen. 3. Selecteer in de lijst Categorie de optie Template. 4. Selecteer in de lijst Eigenschap het gewenste templateattribuut of voer er een van uzelf in (pagina 155). TIP Als u de door het referentiemodel gebruikte attribuutnaam wilt vinden, selecteert u een referentiemodelobject, klikt u met de rechtermuisknop en selecteert u een van de commando's Informatie. Zoek de eigenschapsnaam in het dialoogvenster Informatie object en kopieer deze. 5. Voeg de prefix EXTERNAL. vóór de templateattribuutnaam toe. 6. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. 7. Voer in het vak Waarde de gewenste waarde in of klik op Selecteer van model om het object in het model te selecteren. 8. Voer een unieke naam in het vak naast de knop Opslaan als in. 9. Klik op Opslaan als. Objecten filteren 176 Voorbeelden van filters
177 Filteronderdelen binnen component Maak een filter dat alle onderdelen binnen een component selecteert. 1. Maak een leeg selectiefilter. (pagina 147) 2. Klik tweemaal op Regel toevoegen om twee filterregels toe te voegen. 3. In de eerste filtervoorwaarde definieert u dat het object een component moet zijn: a. Selecteer in de lijst Categorie de optie Object. b. In de lijst Eigenschap selecteert u Is component. c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. In de lijst Waarde selecteert u Ja. 4. In de lijst En/Of selecteert u En. 5. In de tweede filtervoorwaarde definieert u dat het objecttype een onderdeel moet zijn: a. Selecteer in de lijst Categorie de optie Object. b. In de lijst Eigenschap selecteert u Object type. c. Selecteer Gelijk aan in de lijst Voorwaarde. d. In de lijst Waarde selecteert u Onderdeel. 6. Voer een unieke naam in het vak naast de knop Opslaan als in. 7. Klik op Opslaan als. 9.8 Filters kopiëren en verwijderen U kunt aangepaste filters naar een ander model kopiëren door handmatig filterbestanden naar de map attributes onder de gewenste modelmap te kopiëren. U kunt overbodige filters ook handmatig uit dezelfde map verwijderen. Als u een filter in alle modellen beschikbaar wilt maken, kopieert u het bestand naar de project- of bedrijfsmap van uw bedrijf. Een filter naar een ander model kopiëren 1. Selecteer het filter dat u wilt kopiëren. Objecten filteren 177 Filters kopiëren en verwijderen
178 De filters die u hebt gemaakt, bevinden zich in de map attributes onder de huidige modelmap. U kunt verschillende filtertypen herkennen op basis van hun bestandsextensie: Bestandsextensie.VObjGrp.SObjGrp.PObjGrp.vf.vnf.wdf.wdnf.adf.adnf.cuf.cunf.gdf.gdnf.dsf Modelvensterfilter Modelselectiefilter Objectgroepfilter Filtertype Tekeningaanzichtfilters Filter van aansluitende onderdeel op tekeningaanzichtniveau Onderdeeltekeningfilter Filter van aansluitende onderdeel op onderdeeltekening Merktekeningfilter Filter van aansluitende onderdeel op merktekening Betontekeningfilter Filter van aansluitende onderdeel op betontekening Overzichttekeningfilter Filter van aansluitende onderdeel op overzichttekening Tekeningselectiefilter 2. Als u het filter in een ander model beschikbaar wilt maken, kopieert u het bestand naar de map attributes van de doelmodelmap. 3. Als u het filter in alle modellen beschikbaar wilt maken, kopieert u het bestand naar de project- of bedrijfsmap van uw bedrijf. 4. Start Tekla Structures opnieuw op. Een filter verwijderen 1. Verwijder het filterbestand uit de map attributes van het model. 2. Start Tekla Structures opnieuw op. Objecten filteren 178 Filters kopiëren en verwijderen
179 10 Screenshots maken Een screenshot is een afbeelding van een model of tekening. U kunt screenshots gebruiken in posters, brochures of ander materiaal om projecten weer te geven die zijn uitgevoerd met behulp van Tekla Structures. De screenshots worden standaard opgeslagen met de naam snap_xx.png in de map \screenshots onder de huidige modelmap Een screenshot van een model maken U kunt screenshots van modelvensters maken. 1. Open een model en pas het modelvenster volgens uw wensen aan. Verberg het vak van het werkgebied (pagina 69) bijvoorbeeld als u dit niet wilt weergeven. 2. Klik op het tabblad Aanzicht op Screenshot --> Screenshot. 3. Als u meerdere aanzichten van het model hebt, klikt u op Selecteer aanzicht en selecteert u het aanzicht om het screenshot van te maken. 4. Als u de instellingen wilt wijzigen, klikt u op Opties. a. Definieer de breedte, hoogte en DPI van het screenshot. b. Klik op OK om de wijzigingen op te slaan. 5. Definieer een naam en locatie voor het screenshot. a. Selecteer Print naar bestand en voer een beschrijvende naam voor het screenshot in het vak Bestandsnaam in. U kunt ook het hele pad wijzigen. Als u dit niet wilt, kunt u de standaardwaarden voor het pad en de bestandsnaam behouden. 6. Klik op Openen in gelinkt programma om het screenshot in een applicatie weer te geven die standaard aan dit bestandstype is gekoppeld. 7. Klik op Capture. Screenshots maken 179 Een screenshot van een model maken
180 10.2 Een screenshot van een tekening maken Een tekeningscreenshot is een afbeelding van een geopende tekening met of zonder randen. 1. Open een tekening en pas het tekeningaanzicht volgens uw wensen aan. Verwijder bijvoorbeeld overbodige labels of maatlijnen en verberg overbodige onderdelen. 2. Klik op het tabblad Venster op Screenshot --> Screenshot. 3. U doet dat als volgt: Selecteer Venster om een screenshot van de geopende tekening met vensterranden te maken. Selecteer Venster zonder grenzen om een screenshot van de geopende tekening zonder vensterranden te maken. 4. Voer onder de voorgeselecteerde optie Print naar bestand een beschrijvende naam voor het screenshot in het vak Bestandsnaam in. U kunt ook het hele pad wijzigen. Als u dit niet wilt, kunt u de standaardwaarden voor het pad en de bestandsnaam behouden. 5. Klik op Openen in gelinkt programma om het screenshot in een applicatie weer te geven die standaard aan dit bestandstype is gekoppeld. 6. Klik op Capture Een screenshot in een bitmapindeling opslaan Screenshots worden standaard als.png-bestand opgeslagen (Portable Network Graphics). U kunt een screenshot ook als bitmapindeling (.bmp) opslaan als u dit bijvoorbeeld als miniatuur voor een gebruikerscomponent wilt gebruiken. 1. Klik op het tabblad Venster op Screenshot --> Screenshot. 2. Selecteer Op klembord plaatsen. 3. Klik op Capture. 4. Plak het screenshot in uw grafische editor en sla het in.bmp-indeling op. OPMERKING Het is mogelijk dat de software waarmee u het screenshot opent een limiet voor het aantal pixels heeft. Screenshots maken 180 Een screenshot van een tekening maken
181 11 Tekla Structures aanpassen Gebruik aanpassingen om Tekla Structures te personaliseren. U kunt bijvoorbeeld definiëren welke commando's in het lint beschikbaar zijn. U kunt ook uw eigen toetsenbordsneltoetsen voor commando's definiëren. Het lint aanpassen (pagina 181) Toetsenbordsneltoetsen aanpassen (pagina 194) 11.1 Het lint aanpassen U kunt het lint naar behoefte aanpassen. U kunt bijvoorbeeld de grootte en de vorm van een willekeurige commandoknop wijzigen. U kunt aangepaste knoppen toevoegen en er commando's aan toewijzen. U kunt voor een eenvoudige toegang ook uw favoriete componenten en extensies naar het lint brengen. Als u de aanpassingstool wilt openen, klikt u op Bestand --> Instellingen --> Aanpassen --> Lint. De tool bevat twee bewerkingsmodi: Eenvoudige modus: voor het toevoegen, verplaatsen en het wijzigen van de grootte van commandoknoppen; voor het toevoegen, verbergen en bewerken van tabbladen; voor het verwijderen van commandoknoppen en tabbladen uit het lint. Ontwerpmodus: voor het kiezen welke naam en welk pictogram voor elke commandoknop wordt gebruikt; voor het toevoegen van nieuwe knoppen en het eraan toewijzen van commando's; voor het toevoegen van verticale en horizontale scheidingsbalken. Tekla Structures aanpassen 181 Het lint aanpassen
182 Een commandoknop toevoegen U kunt commandoknoppen toevoegen door eenvoudigweg commando's naar het lint of naar de Werkbalk Snelle toegang te slepen. 1. Zorg ervoor dat Eenvoudige modus is ingeschakeld. 2. Selecteer in de lijst Lint selecteren welk lint u wilt aanpassen. Bijvoorbeeld: U kunt alleen het lint aanpassen dat in uw configuratie beschikbaar is. 3. Zoek het commando dat u wilt toevoegen. U kunt ook componenten, macro's en extensies toevoegen. Blader door de lijsten of gebruik het vak Zoeken om inhoud te filteren. Voer bijvoorbeeld net in om het commando Wapeningsnet maken en andere aan een net gerelateerde componenten te zoeken: Tekla Structures aanpassen 182 Het lint aanpassen
183 Door gebruiker gedefinieerd: commando's die u op het tabblad Door gebruiker gedefinieerde commando's hebt gemaakt Tekla Structures: alle Tekla Structures-commando's die in deze configuratie beschikbaar zijn Applicaties en componenten: componenten, macro's, plugins en extensies 4. Versleep het commando naar het lint. De blauwe kleur geeft de plaats aan waar de commandoknop wordt ingevoegd. Bijvoorbeeld: OPMERKING Als u de muisaanwijzer over een pijl omlaag beweegt, wordt er een lijst geopend en kunt u commando's naar de lijst slepen. De lijst blijft open totdat u opnieuw op de pijl omlaag klikt. U kunt ook commando's naar de Werkbalk Snelle toegang slepen die zich boven het lint bevindt of naar de vaste container aan de linkerzijde van het lint: 5. Als u een commandoknop wilt verwijderen, selecteert u deze en drukt u op Verwijderen. Een commandoknop verplaatsen U kunt commandoknoppen op het lint opnieuw rangschikken. U kunt geen vervolgkeuzelijstknoppen onder elkaar verplaatsen. 1. Selecteer de commandoknop die u wilt verplaatsen. Tekla Structures aanpassen 183 Het lint aanpassen
184 De commandoknop wordt gemarkeerd: 2. Versleep de commandoknop naar een nieuwe locatie. De blauwe kleur geeft de plaats aan waar de commandoknop wordt ingevoegd. Bijvoorbeeld: De grootte van een commandoknop wijzigen U kunt de grootte van bestaande commandoknoppen wijzigen. 1. Selecteer de commandoknop waarvan u de grootte wilt wijzigen. 2. Beweeg de muisaanwijzer over een zijde of hoek van de commandoknop om een wit pijlsymbool weer te geven: 3. Sleep met de pijl om een nieuwe grootte te definiëren: Tekla Structures aanpassen 184 Het lint aanpassen
185 De grootte van de commandoknop verandert overeenkomstig. De andere commandoknoppen worden indien nodig automatisch op het lint naar voren verplaatst. 4. Dubbelklik op de commandoknop om deze te verlengen. De commandoknop bezet de lege ruimte eromheen nu volledig: Het uiterlijk van een commandoknop wijzigen U kunt het uiterlijk van een commandoknop in de Ontwerpmodus wijzigen. 1. Zorg ervoor dat Ontwerpmodus is ingeschakeld. 2. Selecteer de commandoknop die u wilt wijzigen. De huidige eigenschappen van de commandoknop worden weergegeven. 3. Als u de naam wilt wijzigen, selecteert u een van de opties: Geen: er wordt geen naam voor de commandoknop gebruikt Korte naam: de standaard korte versie van de naam wordt gebruikt Volledige naam: de standaard volledige versie van de naam wordt gebruikt Aangepast: voer een aangepaste naam voor de commandoknop in Tekla Structures aanpassen 185 Het lint aanpassen
186 4. Als u het pictogram wilt wijzigen, selecteert u een van de opties: a. Geen: er wordt geen pictogram voor de commandoknop gebruikt b. Grote pictogrammen: het standaard grote pictogram (32x32) wordt gebruikt c. Klein pictogram: het standaard kleine pictogram (16x16) wordt gebruikt d. Galerie: selecteer een pictogram uit de Tekla Structures pictogramgalerie e. Aangepast: definieer een aangepast pictogram door een geschikt afbeeldingsbestand te selecteren. De aanbevolen grootte is 32x32 pixels voor grote knoppen en 16x16 pixels voor kleine knoppen. Als u problemen met uw aangepaste afbeelding zodat deze niet de juiste grootte verschijnt, controleert u de DPI-instelling van het afbeeldingsbestand. Een DPI van 96 wordt aanbevolen. TIP Wanneer u een commandoknop wijzigt die op een vervolgkeuzelijst staat, kunnen de opties achter de vervolgkeuzelijst verborgen raken. Schuif het lint naar rechts of links om de opties zichtbaar te maken. Een door de gebruiker gedefinieerd commando maken U kunt door de gebruiker gedefinieerde commando's maken en deze aan een bestand of URL koppelen. 1. Ga naar het tabblad Door gebruiker gedefinieerde commando's. 2. Klik op Toevoegen. 3. Voer een unieke id voor het commando in en klik vervolgens op Maken. Laten we er bijvoorbeeld van uitgaan dat u een koppeling naar het Tekla Discussion Forum maakt. Voer OpenTeklaDiscussionForum als de id van het commando in. Er verschijnt een nieuwe pagina met meer eigenschappen. Tekla Structures aanpassen 186 Het lint aanpassen
187 4. Klik op Actie en definieer een bestand of een URL. Voer bijvoorbeeld in. 5. Klik op Naam en voer een naam voor het commando in. Deze naam is zichtbaar in de gebruikersinterface van Tekla Structures. U kunt twee alternatieve namen definiëren: een volledige naam en een korte versie. Voer bijvoorbeeld Tekla Discussion Forum als volledige naam van het commando en Forum als korte versie in. 6. Klik op Pictogram en selecteer een geschikt pictogram uit de pictogramgalerie van Tekla Structures. U kunt twee alternatieve pictogrammen definiëren: een grote en een kleine. 7. Klik op Knopinfo en voer een knopinfo voor het commando in. Voer bijvoorbeeld Naar het Tekla Discussion Forum gaan in. 8. Klik op Toepassen om het nieuwe commando op te slaan. 9. Ga naar het tabblad Linten bewerken. Het commando dat u hebt gemaakt, is beschikbaar in de lijst Door gebruiker gedefinieerd links in het dialoogvenster. 10. Versleep het commando naar het lint. Tekla Structures aanpassen 187 Het lint aanpassen
188 11. Als u een door de gebruiker gedefinieerd commando wilt wijzigen, schakelt u naar de Ontwerpmodus en wijzigt u de commandoeigenschappen net als voor een andere commando. Een aangepaste knop toevoegen en er een commando aan toewijzen U kunt nieuwe knoppen, splitsknoppen, in-/uitschakelknoppen en vervolgkeuzelijstknoppen aan het lint toevoegen. Dit zijn allemaal lege tijdelijke aanduidingen voor commando's. Na het maken van een nieuwe knop, kunt u er een commando aan toewijzen. 1. Zorg ervoor dat Ontwerpmodus is ingeschakeld. 2. Klik op het tabblad Linten bewerken op het gewenste knoptype om het te selecteren: Basis: voeg een knop voor één enkel commando toe. In-/uitschakelen: voeg een in-/uitschakelknop toe die een bepaald commando in- of uitschakelt. Hiermee kunt u bijvoorbeeld een knop van het menu Bestand --> Instellingen --> Knoppen aan het lint toevoegen. Vervolgkeuze: voeg een vervolgkeuzeknop toe met een groep commando's eronder. U kunt een naam en een aangepaste knopinfo voor de knop definiëren. Splitsen: voeg een knop voor één enkel commando en een vervolgkeuzeknop toe met een groep commando's eronder. 3. Teken met de muis een rechthoekig gebied voor de nieuwe knop. Tekla Structures aanpassen 188 Het lint aanpassen
189 4. U wijst als volgt een commando aan de knop toe: a. Zorg ervoor dat de nieuwe knop geselecteerd is. b. Zoek op het tabblad Commando naar het commando dat u wilt toevoegen. Blader door de lijsten of gebruik het vak Zoeken om inhoud te filteren. Bijvoorbeeld: c. Klik op Dit commando toewijzen. Het commando is nu aan de knop toegewezen. d. Wijzig indien nodig op het tabblad Uiterlijk de naam en het pictogram van het commando. 5. U voegt als volgt commando's aan een vervolgkeuzeknop toe: a. Ga terug naar de Eenvoudige modus. b. Zoeken naar commando's. c. Versleep commando's naar de vervolgkeuzeknop. Tekla Structures aanpassen 189 Het lint aanpassen
190 Als u de muisaanwijzer over een pijl omlaag beweegt, wordt er een lijst geopend en kunt u commando's naar de lijst slepen. De lijst blijft open totdat u opnieuw op de pijl omlaag klikt. Een scheidingsbalk toevoegen U kunt verticale en horizontale scheidingsbalken toevoegen om commandoknoppen in kleinere groepen op het lint te verdelen. 1. Zorg ervoor dat Ontwerpmodus is ingeschakeld. 2. Klik op Scheidingsteken om het te selecteren. 3. Teken met de muis een rechthoekig gebied in de verticale richting. Een verticale balk verschijnt in de locatie die u hebt gedefinieerd. 4. Zorg ervoor dat de balk wordt geselecteerd. 5. Wijzig indien nodig de richting en lijndikte van de balk. Tabbladen toevoegen, verbergen en bewerken U kunt linttabbladen toevoegen, verplaatsen en de naam ervan wijzigen, kiezen hoe ze worden uitgelijnd en enkele tabbladen verbergen als u deze niet in uw huidige project nodig hebt. Als u bijvoorbeeld alleen stalen onderdelen modelleert, kunt u het tabblad Beton tijdelijk verbergen. Tekla Structures aanpassen 190 Het lint aanpassen
191 1. Zorg ervoor dat Eenvoudige modus is ingeschakeld. 2. Als u een nieuw tabblad wilt toevoegen, klikt u op het plusteken aan het einde van de tabbladrij. 3. U wijzigt als volgt de naam van een tabblad: a. Klik met de rechtermuisknop op een tabbladtitel en selecteer Naam wijzigen. b. Voer een nieuwe naam in. c. Druk op Enter om de nieuwe naam op te slaan. 4. Als u de volgorde van tabbladen op het lint wilt wijzigen, versleept u de tabbladtitels. 5. Als u wilt wijzigen hoe de tabbladen worden uitgelijnd, klikt u op en selecteert u vervolgens een van de opties: Zichtbaar scrollen: de lintbeweging is minimaal wanneer u tussen tabbladen schakelt Naar links uitlijnen: de pictogrammen beginnen vanaf de linkerzijde van het lint Naar tabblad uitlijnen: de pictogrammen beginnen vanaf de linkerzijde van het huidige tabblad 6. U verbergt de tabbladen die u in uw huidige project niet nodig hebt als volgt: a. Laat de muisaanwijzer op een tabbladtitel rusten. Een kleine oogsymbool verschijnt naast de tabbladtitel: b. Klik op het oogsymbool. Het oogsymbool wijzigt en de tabbladtitel wordt grijs: Het tabblad Venster wordt nu verborgen in het lint. Als u het lint verschuift, verschijnen verborgen tabbladen als: c. Als u het verborgen tabblad weer wilt weergeven, klikt u opnieuw op het oogsymbool. Tekla Structures aanpassen 191 Het lint aanpassen
192 7. Als u een tabblad wilt verwijderen, selecteert u deze en drukt u op Delete. Het lint opslaan Wanneer u tevreden bent over de wijzigingen, slaat u het aangepaste lint op. 1. Klik op het tabblad Linten bewerken op de knop Opslaan. 2. Wanneer u naar Tekla Structures teruggaat en het programma u vraagt of u het nieuwe lint wilt laden, klikt u op Ja. Het lint wordt bijgewerkt met de wijzigingen die u hebt aangebracht. De wijzigingen controleren U kunt het oorspronkelijke lint vergelijken met de wijzigingen die u hebt gemaakt. U kunt controleren wat er is toegevoegd en verwijderd, en wat er naar andere tabbladen is verplaatst. 1. Sla het aangepaste lint op als u dat al niet hebt gedaan. 2. Klik op Vergelijken. 3. Controleer in het dialoogvenster Linten vergelijken de wijzigingen die u hebt aangebracht. Bijvoorbeeld: Eerste lijst: deze commando's zijn verwijderd Tweede lijst: deze commando's zijn verplaatst naar een nieuwe plaats Derde lijst: deze commando's zijn toegevoegd Tekla Structures aanpassen 192 Het lint aanpassen
193 OPMERKING Oorspronkelijke lint verwijst naar het lintbestand dat bij de installatie van Tekla Structures voor uw huidige configuratie is geleverd. 4. Als u een commando hebt verwijderd dat u terug wilt hebben, sleept u het vanuit het dialoogvenster Linten vergelijken naar het lint. 5. Wanneer u klaar bent, klikt u op Sluiten. Een back-up van het lint maken en dit herstellen U kunt het standaardlint van Tekla Structures op elk moment herstellen. Voordat u de standaardinstellingen gaat herstellen, moet u ervoor zorgen dat u een back-up van uw aangepaste lint hebt opgeslagen, omdat de aanpassingen permanent worden verwijderd. U kunt het back-upbestand gebruiken om uw aangepaste lint weer in gebruik te nemen, de lintinstellingen naar een andere computer te kopiëren of het aangepaste lint met uw collega s te delen. 1. U maakt als volgt een back-up van het aangepaste lint: a. Klik op het tabblad Lint bewerken op de knop Opslaan. b. Ga naar de map..\users\<gebruiker>\appdata\local \Trimble\TeklaStructures\<versie>\UI\Ribbons. c. Maak een kopie van het gewenste lintbestand en sla dit in een andere map op. De linten krijgen een naam volgens de Tekla Structures-configuraties. In de configuratie Volledig is de naam van het lintbestand Modelleren bijvoorbeeld albl_up_full--main_menu.xml 2. U herstelt de standaard linten van Tekla Structures als volgt: a. Selecteer in de lijst Lint selecteren welk lint u wilt herstellen. Bijvoorbeeld: b. Klik op Opnieuw ingesteld naar standaard. Het standaardlint van Tekla Structures is nu in gebruik. 3. U neemt als volgt het aangepaste lint weer in gebruik: Tekla Structures aanpassen 193 Het lint aanpassen
194 a. Kopieer het back-upbestand naar de map..\users\<gebruiker> \AppData\Local\Trimble\TeklaStructures\<versie>\UI \Ribbons. b. Wanneer u naar Tekla Structures teruggaat en het programma u vraagt of u het nieuwe lint wilt laden, klikt u op Ja. Het lint wordt bijgewerkt met de wijzigingen die u hebt aangebracht Toetsenbordsneltoetsen aanpassen In het dialoogvenster Sneltoetsen toetsenbord kunt u een lijst bekijken met alle snelkoppelingen die in Tekla Structures beschikbaar zijn. U kunt nieuwe toetsenbordsneltoetsen definiëren en bestaande verwijderen. Na aanpassing kunt u de toetsenbordsneltoetsen exporteren en deze delen met uw collega s delen. Nieuwe toetsenbordsneltoetsen definiëren U kunt toetsenbordsneltoetsen aan elk commando, elke macro of component toewijzen. U kunt zelfs indien nodig de standaard toetsenbordsneltoetsen wijzigen. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Sneltoetsen toetsenbord. Tekla Structures aanpassen 194 Toetsenbordsneltoetsen aanpassen
195 Het dialoogvenster Sneltoetsen toetsenbord wordt geopend. 2. Selecteer in de lijst Groep de sneltoetsgroep die u wilt wijzigen. Er verschijnt een lijst met commando's en snelkoppelingen. 3. Als u naar een bepaald commando of een toetsenbordsneltoets wilt zoeken, voert u een tekst in het vak Filter in. Bijvoorbeeld: Voer stramien in om alleen de commando's te zien waarvan de naam het woord 'stramien' bevat. Voer '+' in om een lijst met snelkoppelingen te krijgen die uit twee onderdelen bestaat (zoals Ctrl+S). Tekla Structures aanpassen 195 Toetsenbordsneltoetsen aanpassen
196 Voer "," in om een lijst met snelkoppelingen te krijgen die uit twee opeenvolgende toetsen bestaat (zoals M, N). 4. Selecteer een commando in de lijst. 5. Klik op Bewerken sneltoets. 6. Voer op het toetsenbord de combinatie van toetsen in die u als snelkoppeling wilt gebruiken. 7. Controleer het vak Conflicten om te zien of de toetsenbordsneltoets al aan een ander commando is toegewezen. Als de sneltoets al in gebruik is, voert u een andere toetsencombinatie in. OPMERKING Als u een toetsenbordsneltoets die al wordt gebruikt opnieuw toewijst, is deze niet meer gekoppeld aan het commando waaraan het oorspronkelijk is toegewezen. 8. Klik op Toewijzen om de toetsenbordsneltoets op te slaan. Snelkoppelingen wissen en herstellen U kunt een bestaande snelkoppeling verwijderen. U kunt ook alle snelkoppelingen naar de standaard resetten. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Sneltoetsen toetsenbord. 2. Als u een toetsenbordsneltoets wilt verwijderen, selecteert u het commando in de lijst en klikt u op Wissen. 3. Als u alle toetsenbordsneltoetsen naar de standaard wilt resetten, klikt u op de knop Herstellen. Toetsenbordsneltoetsen exporteren U kunt uw aangepaste toetsenbordsneltoetsen exporteren en deze met uw collega s delen. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Sneltoetsen toetsenbord. 2. Klik op Exporteren. 3. Voer een bestandsnaam en locatie in. 4. Klik op Opslaan om de toetsenbordsneltoetsen te exporteren. 5. Als u uw toetsenbordsneltoetsen met andere gebruikers wilt delen, stuurt u hen het geëxporteerde bestand. Tekla Structures aanpassen 196 Toetsenbordsneltoetsen aanpassen
197 Toetsenbordsneltoetsen importeren U kunt toetsenbordsneltoetsen uit een bestand importeren. Gebruik deze methode om toetsenbordsneltoetsen uit Tekla Structures 2016 of nieuwer te importeren. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Sneltoetsen toetsenbord. 2. Klik op Importeer. 3. Blader naar het sneltoetsenbestand dat u wilt importeren. Bijvoorbeeld:..\Users\<user>\AppData\Local\Trimble \TeklaStructures\2016\Settings\KeyboardShortcuts_4.xml. 4. Klik op Openen om de toetsenbordsneltoetsen te importeren. Tekla Structures aanpassen 197 Toetsenbordsneltoetsen aanpassen
198 12 Standaard toetsenbordsneltoetsen Tekla Structures bevat een groot aantal toetsenbordsneltoetsen waarmee u uw werk kunt versnellen. Als u de standaard snelkoppelingen wilt wijzigen, raadpleegt u Toetsenbordsneltoetsen aanpassen (pagina 194) Algemene commando's Help Commando Help: wanneer de knopinfo geopend is Model openen Nieuw model maken Model opslaan Verwijderen Eigenschappen Undo Redo Interrupt Herhaal laatste commando Contextuele werkbalk weergeven/verbergen Knop rechtstreekse wijziging in-/uitschakelen Snel starten F1 Ctrl + F1 Ctrl+O Ctrl+N Ctrl+S Del Alt+Enter Ctrl+Z Ctrl+Y Esc Enter Ctrl + K Ctrl + D Ctrl + Q Sneltoets Standaard toetsenbordsneltoetsen 198 Algemene commando's
199 Variabelen Commando De database Applicaties en componenten Ctrl + E Ctrl + F Sneltoets 12.2 Opties renderen Commando Onderdelen draadvenster Onderdelen draadvenster met schaduw Onderdelen verborgen lijnen Onderdelen gerenderd Alleen geselecteerde onderdeel weergeven Componenten draadvenster Componenten draadvenster met schaduw Componenten verborgen lijnen Componenten gerenderd Alleen geselecteerde componenten weergeven Ctrl+1 Ctrl+2 Ctrl+3 Ctrl+4 Ctrl+5 Shift+1 Shift+2 Shift+3 Shift+4 Shift+5 Sneltoets 12.3 Objecten selecteren Commando Rollover Highlight aan/uit Selectieknop Alles selecteren Selectieknop Onderdelen selecteren Alles selecteren Merk selecteren Aan selectie toevoegen Selectie in-/uitschakelen Selectiefilters Object verbergen Sneltoets H F2 F3 Ctrl+A Alt+object Shift Ctrl Ctrl+G Shift+H Standaard toetsenbordsneltoetsen 199 Opties renderen
200 12.4 Snappen Commando Naar referentielijnen/-punten snappen Naar geometrielijnen/-punten snappen Naar dichtstbijzijnde punt snappen Naar een willekeurige positie snappen Orthogonaal Invoer relatieve coördinaten Invoer absolute coördinaten Invoer globale coördinaten Naar volgende positie snappen Naar vorige positie snappen X-, Y- of Z-coördinaten vergrendelen F4 F5 F6 F7 O R A G Tabblad Shift+Tab X, Y of Z Sneltoets 12.5 Objecten kopiëren en verplaatsen Commando Kopiëren Verplaatsen Drag and drop Smart Select Ctrl+C Ctrl+M D S Sneltoets 12.6 Het model weergeven Commando De vensterlijst openen 3D-/2D-venster Schakelen tussen vensters Bijgewerkt venster Zoom origineel Ctrl+I Ctrl+P Ctrl+Tab Ctrl + U Home Sneltoets Standaard toetsenbordsneltoetsen 200 Snappen
201 Zoom vorige Inzoomen Uitzoomen Commando Roteren met muis Roteren met toetsenbord Het vensterrotatiepunt instellen V Automatische rotatie Verschuiven Verschuiven met middelste muisknop Naar rechts verplaatsen Naar links verplaatsen Omlaag verplaatsen Omhoog verplaatsen Vliegen Kijkvlak maken Einde Page Up Page Down Ctrl+R Sneltoets Ctrl+pijltoetsen Shift+pijltoetsen Shift+R Shift+T P Shift+M pijltoetsen Shift+F Shift+X 12.7 Het model controleren Commando Informatie object Afstand meten Lijst maken Shift+I F Ctrl+B Sneltoets 12.8 Tekeningen Commando De Tekeningenlijst in een model openen De Tekeningenlijst in de Tekening Editor openen Tekeningen afdrukken Ctrl+L Ctrl+O Shift+P Sneltoets Standaard toetsenbordsneltoetsen 201 Het model controleren
202 Commando Volgende tekening openen Vorige tekening openen Associativiteitssymbool Stel Kleurinstelling voor volgende tekening in Ghost outline Orthogonale maatvoering maken Vrije maatlijn toevoegen Een tekening openen nadat deze werd gemaakt In de Tekeningenlijst: Gebruikersattributen openen In de Tekeningenlijst: Aan de Tekeningendatabase toevoegen In de Tekeningenlijst: Revisiebewerking In de Tekeningendatabase: Alles selecteren In de Tekeningendatabase: Tekeningen voor alle onderdelen maken In de Tekeningendatabase: Tekeningen maken UCS-oorsprong instellen UCS met 2 punten instellen Oriëntatie in-/uitschakelen Huidige resetten Alles resetten Sneltoets Ctrl+Page Down Ctrl+Page Up Shift+A B Shift+G G F Ctrl+Shift Alt+U Ctrl+M Ctrl+R Ctrl+A Alt+A Alt+C U Shift+U Ctrl+T Ctrl+1 Ctrl+0 Standaard toetsenbordsneltoetsen 202 Tekeningen
203 13 Tips voor basistaken We voorzien u hier van enkele handige aanwijzingen en tips waarmee u de Tekla Structures-gebruikersinterface en -basisfuncties efficiënter kunt gebruiken. Rollover Highlight in- of uitschakelen (pagina 204) Tekla Structures markeert de objecten standaard geel, zodat u gemakkelijk kunt zien welke objecten u kunt selecteren. U kunt de markering in- of uitschakelen. Waarden uit het model selecteren (pagina 204) U kunt objecteigenschappen en datums rechtstreeks in het model selecteren. Dit kan handig zijn bij het maken van vensterfilters, selectiefilters en objectgroepen. Objectselectie onderbreken (pagina 205) U kunt Tekla Structures de selectie van objecten laten onderbreken als de selectie langer duurt dan een gedefinieerde tijd. Als u bijvoorbeeld aan een groot model werkt en dit per ongeluk gedeeltelijk of volledig selecteert, kunt u het selecteren onderbreken als dit langer duurt dan 5000 milliseconden (5 seconden). Selecteren bij rechtsklikken (pagina 206) U kunt de instellingen wijzigen zodat u objecten ook met de rechtermuisknop kunt selecteren. Efficiënt kopiëren en verplaatsen (pagina 206) U kunt de dialoogvensters Verplaats en Kopieer geopend laten als u deze vaak nodig heeft, bijvoorbeeld voor het maken van stramienen en niveaus in een nieuw model. Een eigenschap in meerdere onderdelen tegelijk wijzigen (pagina 207) U kunt snel een eigenschap in meerdere onderdelen tegelijkertijd wijzigen. 'Deze melding niet meer tonen' weergeven of verbergen (pagina 207) Soms wanneer Tekla Structures waarschuwingsberichten weergeeft, hebt u de mogelijkheid om toekomstige waarschuwingen van hetzelfde type te Tips voor basistaken 203 Tekeningen
204 verbergen. U kunt Tekla Structures deze waarschuwingen opnieuw laten weergeven. Wildcards (pagina 171) Een jokerteken is een symbool dat een of meer tekens staat. U kunt jokertekens gebruiken om tekenreeksen bijvoorbeeld bij het filteren in te korten Rollover Highlight in- of uitschakelen Tekla Structures markeert de objecten standaard geel, zodat u gemakkelijk kunt zien welke objecten u kunt selecteren. U kunt de markering in- of uitschakelen. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen en selecteer of wis het selectievakje Rollover Highlight. Of u kunt op H drukken. Zie ook Objecten selecteren (pagina 108) Tips voor basistaken 204 Rollover Highlight in- of uitschakelen
205 13.2 Waarden uit het model selecteren U kunt objecteigenschappen en datums rechtstreeks in het model selecteren. Dit kan handig zijn bij het maken van vensterfilters, selectiefilters en objectgroepen. Voordat u begint, kunt u een leeg venster- of selectiefilter of een objectgroep maken. 1. Maak een leeg venster- of selectiefilter (pagina 147) of een objectgroep. 2. Klik op Regel toevoegen. 3. Selecteer opties in de lijsten Categorie en Eigenschappen. 4. Selecteer in de lijst Waarde één van de volgende opties. De beschikbaarheid van opties is afhankelijk van uw selectie in de lijst Eigenschappen. U kunt alleen datums selecteren uit het model als de eigenschap een datum is. a. Als u een objecteigenschap wilt selecteren, klikt u op Selecteer van model en kiest u een object. b. Als u een datum wilt selecteren, klikt u op Selecteer datum om het dialoogvenster Selecteer datum te openen en vervolgens een van de opties te selecteren. U kunt of een datum van de kalender selecteren, de revisiedatum selecteren of het aantal dagen voor of na de revisiedatum definiëren. De revisiedatum is hetzelfde als Revisie datum in het dialoogvenster Objectselectie onderbreken U kunt Tekla Structures de selectie van objecten laten onderbreken als de selectie langer duurt dan een gedefinieerde tijd. Als u bijvoorbeeld aan een groot model werkt en dit per ongeluk gedeeltelijk of volledig selecteert, kunt u het selecteren onderbreken als dit langer duurt dan 5000 milliseconden (5 seconden). 1. Definieer de tijd waarna Tekla Structures u vraagt of u de selectie van objecten wilt onderbreken. a. Klik in het menu Bestand op Instellingen --> Geavanceerde opties en ga naar de categorie Eigenschappen modelleren. b. Pas de variabele XS_OBJECT_SELECTION_CONFIRMATION aan. XS_OBJECT_SELECTION_CONFIRMATION De standaardwaarde is 1000 milliseconden. c. Klik op OK. Tips voor basistaken 205 Objectselectie onderbreken
206 2. Selecteer (pagina 108) het hele model of een gedeelte van het model. 3. Wanneer Tekla Structures u vraagt of u de selectie van objecten wilt onderbreken, klikt u op Annuleer Selecteren bij rechtsklikken U kunt de instellingen wijzigen zodat u objecten ook met de rechtermuisknop kunt selecteren. 1. Klik in het menu Bestand op Instellingen en schakel de volgende selectievakjes in: Selecteren Rechtermuisknop Rollover Highlight 2. Klik met de rechtermuisknop op een object om het te selecteren. Tekla Structures markeert het object en geeft het betreffende snelkoppelingsmenu weer. Zie ook Objecten selecteren (pagina 108) 13.5 Efficiënt kopiëren en verplaatsen U kunt de dialoogvensters Verplaats en Kopieer geopend laten als u deze vaak nodig heeft, bijvoorbeeld voor het maken van stramienen en niveaus in een nieuw model. 1. Voer het commando Kopieer of Verplaats uit. 2. Klik met de rechtermuisknop en selecteer Interrupt in het contextmenu om te stoppen met kopiëren of verplaatsen. Het dialoogvenster blijft geopend. 3. Doorgaan met kopiëren of verplaatsen van objecten: Zie ook a. Klik op het dialoogvenster om het te activeren. b. Selecteer een object. c. Voer de gewenste waarden in en klik vervolgens op de knop Verplaats of Kopieer in het dialoogvenster. Objecten kopiëren (pagina 119) Objecten verplaatsen (pagina 132) Tips voor basistaken 206 Selecteren bij rechtsklikken
207 13.6 Een eigenschap in meerdere onderdelen tegelijk wijzigen U kunt snel een eigenschap in meerdere onderdelen tegelijkertijd wijzigen. 1. Dubbelklik op een onderdeel om het dialoogvenster met eigenschappen te openen. 2. Klik op om alle selecties uit de selectievakjes naast de eigenschappen te wissen. 3. Schakel het selectievakje in naast de eigenschap die u wilt wijzigen, bijvoorbeeld Klasse. 4. Wijzig de waarde. Laat het dialoogvenster open. 5. Selecteer alle onderdelen waarvan u de waarde wilt wijzigen. 6. Klik op Wijzig in het dialoogvenster met de onderdeeleigenschappen. 7. Klik op Annuleren om het dialoogvenster te sluiten. Zie ook Objecten maken, wijzigen en verwijderen (pagina 80) 13.7 Ontbrekende werkbalken terugzetten U kunt de werkbalken Selectie en Snappen terughalen als u deze per ongeluk hebt verwijderd. 1. Ga naar (pagina 30). 2. Voer een trefwoord in: Voer selectie in als u de werkbalk Selectie zoekt. Voer snappen in als u de werkbalk Snappen zoekt. 3. Selecteer de werkbalk in lijst die verschijnt. De werkbalk wordt zichtbaar 'Deze melding niet meer tonen' weergeven of verbergen Soms wanneer Tekla Structures waarschuwingsberichten weergeeft, hebt u de mogelijkheid om toekomstige waarschuwingen van hetzelfde type te verbergen. U kunt Tekla Structures deze waarschuwingen opnieuw laten weergeven. Tips voor basistaken 207 Een eigenschap in meerdere onderdelen tegelijk wijzigen
208 1. Als u waarschuwingen van hetzelfde type in de toekomst wilt verbergen, schakelt u het selectievakje Deze melding niet meer tonen in. 2. Als u de waarschuwingen weer wilt weergeven, houdt u de Shift-toets ingedrukt tijdens het uitvoeren van een commando dat normaliter een waarschuwing zou veroorzaken. Kopieer of verplaats bijvoorbeeld objecten buiten het werkgebied. Tekla Structures geeft het daaraan gekoppelde waarschuwingsbericht weer. Tips voor basistaken 208 'Deze melding niet meer tonen' weergeven of verbergen
209 14 Vrijwaring 2017 Trimble Solutions Corporation en haar licentieverstrekkers. Alle rechten voorbehouden. Dit Handboek is opgesteld voor gebruik met de bijbehorende Software. Gebruik van de Software en gebruik van dit Handboek zijn onderworpen aan een Gebruiksrechtovereenkomst. In de Gebruiksrechtovereenkomst zijn onder andere bepaalde garanties voor de Software en dit Handboek, uitsluiting van andere garanties, beperkingen van verhaalsmogelijkheden voor schade en toegestane toepassingen van de Software vastgelegd. Tevens wordt hierin gedefinieerd of u een bevoegde gebruiker van de Software bent. Alle informatie in dit Handboek wordt verstrekt met de garantie die in de Gebruiksrechtovereenkomst is bepaald. Zie de Gebruiksovereenkomst voor belangrijke verplichtingen en toepasselijke beperkingen en restricties van uw rechten. Trimble biedt geen garantie dat de tekst geen technische onnauwkeurigheid of typefouten bevat. Trimble behoudt zich het recht voor om dit handboek te wijzigen of aan te vullen als gevolg van wijzigingen in de software of andersoortige wijzigingen. Bovendien wordt het Handboek bij de Software beschermd door wetten en internationale verdragen betreffende auteursrecht. Onbevoegde reproductie, weergave, modificatie of distributie van dit Handboek of enig deel hiervan kan ernstige civielrechtelijke en strafrechtelijke straffen tot gevolg hebben en zal worden vervolgd met alle middelen die de wet toestaat. Tekla, Tekla Structures, Tekla BIMsight, BIMsight, Tekla Civil, Tedds, Solve, Fastrak en Orion zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Trimble Solutions Corporation in de Europese Unie, de Verenigde Staten en/of andere landen. Meer over Trimble Solutions-handelsmerken: Trimble is een gedeponeerd handelsmerk of handelsmerk van Trimble Inc. in de Europese Unie, in de Verenigde Staten en/of andere landen. Meer over Trimble-handelsmerken: Namen van andere producten en bedrijven kunnen handelsmerken van de respectievelijke eigenaren zijn. Door een product of merk van derden te noemen, wil Trimble geen partnerschap met of goedkeuring van deze derden suggereren. Tekla wijst elke partnerschap of goedkeuring af, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld. Delen van deze software: Vrijwaring 209 'Deze melding niet meer tonen' weergeven of verbergen
210 D-Cubed 2D DCM 2010 Siemens Industry Software Limited. Alle rechten voorbehouden. EPM toolkit Jotne EPM Technology a.s., Oslo, Noorwegen. Alle rechten voorbehouden. Open Cascade Express Mesh 2015 OPEN CASCADE S.A.S. Alle rechten voorbehouden. PolyBoolean C++ Library Complex A5 Co. Ltd. Alle rechten voorbehouden. FLY SDK - CAD SDK 2012 VisualIntegrity. Alle rechten voorbehouden. Teigha Open Design Alliance. Alle rechten voorbehouden. CADhatch.com Alle rechten voorbehouden. FlexNet Publisher 2014 Flexera Software LLC. Alle rechten voorbehouden. Dit product bevat vertrouwelijke technologie, informatie en creatieve producten die eigendom zijn van en beschikbaar worden gesteld door Flexera Software LLC en hun eventuele licentieverstrekkers. Het is ten strengste verboden dergelijke technologie, geheel of gedeeltelijk, op enige wijze te gebruiken, kopiëren, publiceren, verspreiden, vertonen, wijzigen of over te dragen zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van Flexera Software LLC. Het bezit van deze technologie behelst geen enkele verlening van licentie of rechten op grond van de rechten op intellectueel eigendom van Flexera LLC zij het door uitsluiting, implicatie of een andere reden, tenzij uitdrukkelijk schriftelijk verleend door Flexera Software LLC. Als u de openbronsoftwarelicenties van derden wilt zien, gaat u naar Tekla Structures, klikt u op Bestand --> Help --> Info Tekla Structures en klikt u vervolgens op de optie Licenties van derden. De in dit handboek beschreven elementen van de software, worden beschermd door meerdere patenten en mogelijke in afwachting van lopende patentaanvragen in de Verenigde Staten en/of andere landen. Ga voor meer informatie naar pagina Vrijwaring 210 'Deze melding niet meer tonen' weergeven of verbergen
211 Trefwoordenregister knoppen Knoppen menu Bestand modeltemplates opties opstarten Tekla Structures... 9 * * teken D-vensters D-modellen D aanzichten...68 bij het snappen...97?? teken A aan de slag...25 aanpassen commando s lint toetsenbordsneltoetsen aanzichten maken schakelen tussen vensters aanzichtfilters achtergrondkleur voorbeelden...76 wijzigen...76 afbeeldingen miniatuurafbeelding van model...17 als u geen objecten kunt selecteren Array van objecten (29) associativiteitssymbool automatisch opslaan Automatisch bij het snappen...97 B back-up maken lint modellen basisbeginselen van Tekla Structures tips basisprincipes...25 basisvenster autorotatie belasting opgeslagen eigenschappen berichtgeschiedenis...33 betonelementen selecteren C categorieën bij het filteren commando's beëindigen gebruiken opnieuw activeren...26 zoeken commando s aanpassen door gebruiker gedefinieerd toekennen componenten 211
212 selecteren configuraties...9,12 contextuele werkbalk coördinaten coördinatensysteem crossing-selectie...42 D Deze melding niet meer weergeven dialoogvensters algemene knoppen eigenschappen laden...88 opslaan van eigenschappen zoeken DirectX-rendering...42 door gebruiker gedefinieerd commando s drag & drop...42 E eenheden en decimalen...47 eigenschappen kopiëren projecteigenschappen exporteren toetsenbordsneltoetsen F filteren aanzichtfilters selectiefilters categorieën En/Of filters kopiëren filters verwijderen gebruiken voor Haakjes objecteigenschappen objecten templateattributen ,170 voorwaarden wildcards filters selectie voorbeelden G gebruikersinterface...25 talen ghost outline...42 globaal coördinatensysteem globale oorsprong...71 grootte wijzigen commandoknoppen grote pictogrammen...42 H haakjes hergenereren van vensters...69 het lint minimaliseren... 32,34 I importeren toetsenbordsneltoetsen instellen aanzichten...47 stramien werkgebied werkruimte...47 werkvlak instellingen eenheden en decimalen...47 modeltemplates snappen inzoomen of uitzoomen...28 K kijkvlak...73 kleur lettertype wijzigen...76 kleuren de achtergrondkleur wijzigen kleurinstellingen wijzigen...76 RGB-waarden zoeken knoppen 212
213 algemene knoppen kopiëren aanwijzingen en tips eigenschappen filters met de component Array van objecten (29) modellen objecten ,119 Radial array tool kwastpictogram...87 L leeg project lijnbreedten printer linear array tool lint aanpassen back-up maken het uiterlijk wijzigen minimaliseren...32,34 terugzetten verbergen lokaal coördinatensysteem...71 M maken 3D-modellen aanzichten...56 aanzichtfilters selectiefilters modellen modeltemplates objecten...80 screenshots stramienen...49 markeren objecten meldingen Menu Bestand knoppen merken selecteren supermerken middelpunt automatische rotatie miniatuurafbeelding modellen back-up maken maken miniatuurafbeelding opslaan over 3D-modellen...14 roteren...28 verplaatsen zoomen...28 modeltemplates maken wijzigen...20 modelvensters...55 multi-user versus single-user N naar centrum zoomen...42 naar links uitlijnen...32 naar tabblad uitlijnen navigatiemodus...32 O objecteigenschappen bij het filteren objecten filteren kopiëren...118,119 maken roteren selecteren verplaatsen ,119,132 verwijderen wijzigen...80 omgevingen... 9,12 onderbreken objectselectie onderdelen tips wijzigen, eigenschappen wijzigen, onderdeelvorm...81 ontbrekende werkbalken oorsprong openen modellen
214 opslaan dialoogvenster, eigenschappen modellen vensters orthogonaal P profielen profielnamen project opzetten projecteigenschappen bewerken...18 R radial array tool rechtsklikken selecteren rechtstreekse wijziging wijzigen...81 RGB-waarden...76 rollen...9,12 rollover highlight...42,204 roteren objecten tekeningobjecten S schakelen tussen aanzichten...68 screenshots maken selecteren bij rechtsklikken...42 selecteren betonelementen bij rechtsklikken datums uit het model geen objecten kunnen selecteren merken objecten ,111,117,204 objecten in componenten onderbreken van objectselectie supermerken waarden uit het model selectiefilters ,147 selectieknoppen single-user versus multi-user Smart Select...42 snapinstellingen snapknoppen...98 vervangen snapknoppen vervangen snappen coördinaten gebruiken voorbeeld snappen instellingen prioriteit...97 snap tijdelijk snapdiepte snapzone snapshots, zie screenshots snapstramien Snel starten...30 sneltoetsen, zie toetsenbordsneltoetsen ,198 speciale tekens statusbalk...33 sterretje stramienen coördinaten...49 labels... 48,49 lijnverlengingen maken oorsprong...48 verwijderen wijzigen...50 stramienkleur stramienlijnen toevoegen verwijderen wijzigen...52 stramien werkvlak stramien...73 supermerken T tabbladen...32,181 talen De taal wijzigen...41 tekeningobjecten roteren
215 verplaatsen Tekla Structures instellen...9,12 leeg project Tekla Structures gebruikersinterface...25 templateattributen bij het filteren templates modeltemplates terugzetten werkbalken tips efficiënt kopiëren en verplaatsen RGB-waarden voor kleuren zoeken selecteren van waarden uit het model toekennen commando s toetsenbord, sneltoetsen toetsenbordsneltoetsen toevoegen commandoknoppen stramienlijnen...51 tooltips U uitlijnen objecten V vensters...55 naamgeving...67 openen opslaan verversen...69 verwijderen wijzigen...67 vensters bijwerken...69 venstervlakken verplaatsen verbergen lint linttabbladen...32 maatlijnen werkgebied vergelijken lint vernieuwen van vensters verplaatsen aanwijzingen en tips commandoknoppen modellen in een venster...28 objecten...81,118,119,132 tekeningobjecten verschuiven...28 verschuiven met middelste muisknop verschuiven van het werkvlak verwijderen aanzichten...68 filters objecten...80 Vlak bij het snappen...97 volgen langs lijn voorbeelden achtergrondkleuren snappen in model tekeningfilters venster- en selectiefilters vorm wijzigen, onderdeelvorm...81 vorm wijzigen objecten...81 vraagteken W waarden selecteren uit het model waarschuwingsberichten weergeven maatlijnen vensters werkbalken werkgebied werkbalk snappen...97 werkbalken contextuele werkbalk...35 hoe te herstellen selectieknoppen werkbalk snappen...97 werkgebied
216 verbergen werkvlak verschuiving weergeven of verbergen wijzigen eigenschappen in meerdere onderdelen tegelijkertijd modeltemplates objecten... 80,81 wildcards Z zijvensters zoeken voor commando's en dialoogvensters
Tekla Structures Basisbeginselen van Tekla Structures. Productversie 21.0 maart 2015. 2015 Tekla Corporation
Tekla Structures Basisbeginselen van Tekla Structures Productversie 21.0 maart 2015 2015 Tekla Corporation Inhoudsopgave 1 Info Tekla Structures...7 1.1 Belangrijkste functies...7 1.2 Configuraties...8
Tekla Structures Basisbeginselen van Tekla Structures. Productversie 21.1 augustus Tekla Corporation
Tekla Structures Basisbeginselen van Tekla Structures Productversie 21.1 augustus 2015 2015 Tekla Corporation Inhoudsopgave 1 Info Tekla Structures...7 1.1 Belangrijkste functies...7 1.2 Configuraties...8
Bestanden ordenen in Windows 10
Bestanden ordenen in Windows 10 Waar heb ik dat bestand ook al weer opgeslagen? Vraagt je jezelf dat ook regelmatig af, dan is het tijd om je bestanden te ordenen. Sla bestanden op in een map met een logische
Migreren naar Access 2010
In deze handleiding Het uiterlijk van Microsoft Access 2010 verschilt aanzienlijk van Access 2003. Daarom hebben we deze handleiding gemaakt, zodat u niet te veel tijd hoeft te besteden aan het leren werken
Inleiding. - Teksten aanpassen - Afbeeldingen toevoegen en verwijderen - Pagina s toevoegen en verwijderen - Pagina s publiceren
Inleiding Voor u ziet u de handleiding van TYPO3 van Wijngaarden AutomatiseringsGroep. De handleiding geeft u antwoord geeft op de meest voorkomende vragen. U krijgt inzicht in het toevoegen van pagina
PAGINATITEL SNELTOETSEN
PAGINATITEL SNELTOETSEN STANDAARD SNELTOETSEN MARKERING Lijn L Ctrl + Alt + B Vergrendelen Ctrl + Shift + L Midden uitlijnen Ctrl + Alt + E Opmerking N Links uitlijnen Ctrl + Alt + L Pen O Horizontaal
Google Drive: uw bestanden openen en ordenen
Google Drive: uw bestanden openen en ordenen Gebruik Google Drive om vanaf elke gewenste locatie uw bestanden, mappen, Google-documenten, Google-spreadsheets en Google-presentaties op te slaan en te openen.
INHOUDSOPGAVE. Inhoudsopgave
INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave Microsoft Word 7 Werken met het lint 7 Documenten maken en bewerken 8 In verschillende weergaven werken 11 Tekens en alinea s opmaken 13 Tekst en afbeeldingen bewerken en verplaatsen
Op het bureaublad staan pictogrammen. Via de pictogrammen kunnen programma s worden gestart en mappen en bestanden worden geopend.
SAMENVATTING HOOFDSTUK 1 Aanmelden Als je de computer aanzet, wordt Windows opgestart. Windows is een besturingssysteem. Tijdens het opstarten kun je zien met welke versie van Windows 7 je werkt. Voordat
Tekla Structures Handleiding Detailleren. Productversie 21.0 maart 2015. 2015 Tekla Corporation
Tekla Structures Handleiding Detailleren Productversie 21.0 maart 2015 2015 Tekla Corporation Inhoudsopgave 1 Componenten... 5 1.1 Componentconcepten...6 1.2 Componentendatabase... 8 1.3 Componenteigenschappen...9
INSTRUCT Samenvatting Basis Word 2010, H1 SAMENVATTING HOOFDSTUK 1
SAMENVATTING HOOFDSTUK 1 Word opstarten en afsluiten WORD kan opgestart worden via de startknop en de snelkoppeling in de lijst die boven de startknop staat: WORD kan ook worden opgestart via menu Start,
Opstarten Word 2013 bij Windows 7 Opstarten Word 2016 bij Windows 10
SAMENVATTING HOOFDSTUK 1 Word opstarten, verkennen en afsluiten WORD kan opgestart worden via de startknop en de snelkoppeling in de lijst die boven de startknop staat: Opstarten Word 2013 bij Windows
Head Pilot v Gebruikershandleiding
Head Pilot v1.1.3 Gebruikershandleiding Inhoud 1 Installatie... 4 2 Head Pilot Gebruiken... 7 2.2 Werkbalk presentatie... 7 2.3 Profielen beheren... 13 2.3.1 Maak een profiel... 13 2.3.2 Verwijder een
1. Kennismaken met Impress
1. Kennismaken met Impress In deze module leert u: 1 Wat Impress is; 2 Impress starten; 3 Een nieuwe presentatie maken; 4 Instellingen van Impress wijzigen; 5 Opslaan en openen. 1 Wat is Impress? OpenOffice.org
Basisopleiding Tekla Structures Project Viewer Modelleren
Basisopleiding Tekla Structures Project Viewer Modelleren WWW.CONSTRUSOFT.COM Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend. Aan de weergave van de afbeeldingen kunnen geen conclusies
Werkbalk Snelle toegang Titelbalk. Tabbladen
SAMENVATTING HOOFDSTUK 1 PowerPoint verkennen POWERPOINT kan worden opgestart via. Als POWERPOINT al vaker is gestart kun je direct op Microsoft PowerPoint 2010 in het menu Start klikken. Typ anders in
Relaties tussen twee tabellen definiëren
Relaties tussen twee tabellen definiëren De verschillende soorten relaties tussen tabellen Door het aanbrengen van een relatie tussen tabellen van een database kan informatie bij elkaar worden gebracht
Basisopleiding Tekla Structures Staal Engineering Modelleren
Basisopleiding Tekla Structures Staal Engineering Modelleren WWW.CONSTRUSOFT.COM Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend. Aan de weergave van de afbeeldingen kunnen geen conclusies
Microsoft WordPad Sinaleri Opleiding
Werken met WordPad WordPad is een zeer simpele tekstverwerker voor het schrijven en bewerken van tekstdocumenten. Het maakt standaard onderdeel uit van het Windows besturingssysteem van Microsoft. Voorwoord
INSTRUCT Samenvatting Basis Word 2007, H1 SAMENVATTING HOOFDSTUK 1
SAMENVATTING HOOFDSTUK 1 Word opstarten WORD kan worden opgestart via menu Start, Alle Programma s, Microsoft Office, Microsoft Office WORD 2007. Soms staat er op het bureaublad een snelkoppeling naar
Opleiding: Webmail outlook 2007
Opleiding: Webmail outlook 2007 1. Inloggen Via de website: 1. http://webmail.hostedexchange.be of via 2. http://www.mpcterbank.be/personeel e-mailadres = [email protected] wachtwoord:
Inhoudsopgave. Orbak Automatisering B.V. pagina: 1
Inhoudsopgave...2 Werken met vensters...2 Handmatig aanpassen van de venstergrootte...2 Vergroten / verkleinen van vensters...2 Werken met meerdere vensters tegelijk...3 Werken met balken...3 Sneltoetsen...4
Internet Explorer 7 (IE7)
Internet Explorer 7 (IE7) 1. HET VENSTER Het venster van Internet Explorer 7 ziet er als volgt uit: Het venster bestaat uit volgende onderdelen: De knoppen Volgende en Vorige. Adresbalk hierin vullen we
Een nieuwe presentatie maak je met de sneltoets <Ctrl+N> of via het tabblad,. Vervolgens kies je Lege presentatie en klik je op de knop Maken.
SAMENVATTING HOOFDSTUK 1 PowerPoint opstarten en afsluiten POWERPOINT kan worden opgestart via. Als POWERPOINT al vaker is gestart kun je direct op Microsoft PowerPoint 2010 klikken. Typ anders in het
Fiery Command WorkStation 5.8 met Fiery Extended Applications 4.4
Fiery Command WorkStation 5.8 met Fiery Extended Applications 4.4 Fiery Extended Applications (FEA) v4.4 bevat Fiery software voor het uitvoeren van taken met een Fiery Server. In dit document wordt beschreven
Elementen bewerken. Rev 00
Rev 00 I N H O U D S O P G A V E 1 INLEIDING... 1 2 ELEMENTEN SELECTEREN... 1 2.1 Meerdere individuele elementen selecteren... 1 2.2 Een bereik van elementen selecteren... 1 2.3 Een bereik via het toetsenbord
Ook op internet wordt gebruik gemaakt van databases, zoals bij Marktplaats en Hyves.
SAMENVATTING HOOFDSTUK 1 Databases Databases worden veel gebruikt. Er worden miljoenen gegevens in opgeslagen, bijvoorbeeld door de overheid, banken, verzekeringsmaatschappijen, boekingssystemen van vliegtuigmaatschappijen,
00_PhotoshopCC-CiaB-boek.indb 18
Tijdens het werken met Adobe Photoshop ontdekt u dat er vaak meerdere manieren zijn om een taak uit te voeren. Om optimaal gebruik te kunnen maken van de uitgebreide bewerkingsmogelijkheden van Photoshop
Basiskennis van PowerPoint
Basiskennis van PowerPoint Pow erpoint is een krachtige toepassing voor presentaties. Om Pow erpoint echter zo doeltreffend mogelijk te kunnen gebruiken, hebt u eerst enige basiskennis nodig. In deze zelfstudie
Inhoud. Handleiding Dododent. Beste tandarts of praktijkmanager,
Handleiding Dododent Beste tandarts of praktijkmanager, Hartelijk dank voor de aanschaf van een website bij Dodoworks. Hieronder volgt een uitgebreide handleiding van het Dododent systeem waarmee de website
Kennismaking. Versies. Text. Graph: Word Logo voorbeelden verschillende versies. Werkomgeving
Kennismaking Word is een tekstverwerkingsprogramma. U kunt er teksten mee maken, zoals brieven, artikelen en verslagen. U kunt ook grafieken, lijsten en afbeeldingen toevoegen en tabellen maken. Zodra
Microsoft Word 365. Weergave AAN DE SLAG MET DIGITALE VAARDIGHEDEN TRAINING: MICROSOFT WORD 365
Microsoft Word 365 Weergave Inhoudsopgave 2. Weergave 2.1 Document openen en de cursor verplaatsen 2.2 Scrollbalk, weergaveknoppen en mini-werkbalk 2.3 Verborgen opmaakmarkeringen 2.4 Speciale lettertekens
Basisopleiding Tekla Structures Steel Detailing Modelleren
Basisopleiding Tekla Structures Steel Detailing Modelleren WWW.CONSTRUSOFT.COM Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend. Aan de weergave van de afbeeldingen kunnen geen conclusies
De tekstverwerker. Afb. 1 de tekstverwerker
De tekstverwerker De tekstverwerker is een module die u bij het vullen van uw website veel zult gebruiken. Naast de module tekst maken onder andere de modules Aankondigingen en Events ook gebruik van de
PDF XCHANGE EDITOR Waarom PDF XHCANGE Editor?
PDF XCHANGE EDITOR PDF XHCANGE editor is een programma om PDF bestanden te lezen en te bewerken. Deze handleiding is geschreven voor versie 5.5 van PDF XCHANGE editor. Als je een andere versie gebruikt
De 20 handigste tips en trucs voor Windows 10
De 20 handigste tips en trucs voor Windows 10 www.personalcomputercare.nl Menig computergebruiker werkt al jaren met Windows en gebruikt de pc misschien iedere dag wel even. Maar zelfs dat is veelal niet
Microsoft Word Kennismaken
Microsoft Word 2013 Kennismaken Inleiding Microsoft Word is het meest gebruikte tekstverwerkingsprogramma ter wereld. De mogelijkheden die Word biedt zijn talrijk, maar als je nog nooit met Word gewerkt
PowerPoint Basis. PowerPoint openen. 1. Klik op Starten 2. Klik op Alle programma s 3. Klik op de map Microsoft Office
PowerPoint Basis PowerPoint openen 1. Klik op Starten 2. Klik op Alle programma s 3. Klik op de map Microsoft Office Klik op Microsoft PowerPoint 2010 Wacht nu tot het programma volledig is opgestart.
Symbol for Windows BlissEditor
Handicom Symbol for Windows BlissEditor ( Versie 4 ) Handicom, 2006, Nederland Inhoud 1. Inleiding... 2 2. Schermopbouw van de Bliss Editor...3 2.1 Werkbalk... 3 2.2 Matrix... 4 2.3 Palet met basisvormen,
De Verkenner heeft bij de meeste mensen een vast plekje op de Taakbalk, rechts van de
De Verkenner (Windows 10) Via de Verkenner zoekt en opent u de bestanden op de computer. Weet hoe het programma werkt en u houdt gemakkelijk orde in uw bestanden. De Verkenner In de Windows Verkenner ziet
Handleiding XML Leesprogramma versie 2.1, juli 2006
Handleiding XML Leesprogramma versie 2.1, juli 2006 Een uitgave van Dedicon Postbus 24 5360 AA GRAVE Tel.: (0486) 486 486 Fax: (0486) 476 535 E-mail: [email protected] 1 Inhoudsopgave 1.1 De-installatie...
Tekla Structures Gebruikerscomponenten. maart Trimble Solutions Corporation
Tekla Structures 2017 Gebruikerscomponenten maart 2017 2017 Trimble Solutions Corporation Inhoudsopgave 1 Wat zijn gebruikerscomponenten?...5 1.1 Gebruikerscomponenten van het type Onderdeel... 7 1.2 Gebruikerscomponenten
Microsoft Word Selecteren
Microsoft Word 2013 Selecteren Inhoudsopgave 3. Selecteren 3.1 Tekst selecteren 3.2 Tekst verwijderen 3.3 Kopiëren, knippen, plakken en ongedaan maken 3.4 Werken met twee documenten 3.1 Tekst selecteren
WHITEPAPER DRAG & DROP NAAR DECOS JOIN
WHITEPAPER DRAG & DROP NAAR DECOS JOIN februari, 2015 Versie 1 INHOUDSOPGAVE Versiebeheer... 2 Introductie... 3 Instructie... 3 Gedrag... 3 Vragen... 4 Voor gebruikers... 5 Introductie... 5 Instructie...
Basisopleiding Tekla Structures Timber Detailing Modelleren
Basisopleiding Tekla Structures Timber Detailing Modelleren WWW.CONSTRUSOFT.COM Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend. Aan de weergave van de afbeeldingen kunnen geen conclusies
Inhoudsopgave Voorwoord 7 Nieuwsbrief 7 Introductie Visual Steps 8 Wat heeft u nodig 8 Hoe werkt u met dit boek? 10 De website bij het boek
Inhoudsopgave Voorwoord... 7 Nieuwsbrief... 7 Introductie Visual Steps... 8 Wat heeft u nodig... 8 Hoe werkt u met dit boek?... 10 De website bij het boek... 11 De schermafbeeldingen... 11 1. Starten met
Basisopleiding Tekla Structures Steel Detailing Geavanceerde functies
Basisopleiding Tekla Structures Steel Detailing Geavanceerde functies WWW.CONSTRUSOFT.COM Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend. Aan de weergave van de afbeeldingen kunnen
Handleiding FlatFix Fusion Calculator (BETA 1.3.1)
1. Inleiding 1.1 Inloggen 1.2 Toolbar 1.3 Resultaten 1.4 Functie toetsen Inhoudsopgave: 2. Dak 2.1 Dak tekenen 2.2 Dakmaten aanpassen 2.3 Dakvlakken samenvoegen 2.4 Dak verplaatsen 2.5 Dak roteren 2.6
Microsoft Word Weergave
Microsoft Word 2013 Weergave Inhoudsopgave 2. Weergave 2.1 Document openen en de cursor verplaatsen 2.2 Scrollbalk, weergaveknoppen en mini-werkbalk 2.3 Verborgen opmaakmarkeringen 2.4 Opslaan onder een
Bijlage bij Getting Started Guide International English Edition
Bijlage bij Getting Started Guide International English Edition Chapter 3: Aan de slag met Inspiration, een beginnersles Deze beginnersles is een goed startpunt voor het leren gebruiken van Inspiration.
Aan de slag met Windows 10
Aan de slag met Windows 10 Titel Aan de slag met Windows 10 Eerste druk December 2017 De module Aan de slag met Windows 10 is een onderdeel van de WERK-portal.nl. De WERK-portal.nl is een product van SBCM
7 stramienen. maken en gebruiken. Stramienen maken. Wat ken je na dit hoofdstuk? Tips en richtlijnen voor werken met stramienen
7 stramienen maken en gebruiken Een stramien is te vergelijken met een achtergrond die je snel op een reeks pagina s kunt toepassen. Objecten in een stramien staan op alle pagina s Wat ken je na dit hoofdstuk?
Afbeeldingen Module 11
11. Afbeeldingen Er zijn veel manieren waarop u een afbeelding in kunt voegen in een tekst. U kunt bijvoorbeeld plaatjes die met een ander programma zijn gemaakt in uw documenten opnemen. Zo kunt u met
Inhoudsopgave. Mail 36 Agenda 38 Rekenmachine 39 Gamebalk 42 Groove 42 Kaarten 43 Films en tv 45 Paint 45 Foto s 47 WordPad 49
INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave Inleiding 9 Het toetsenbord van je pc 9 Groot en klein 9 Snel programma s oproepen met een toetscombinatie 11 Windows 10 13 Algemeen 14 Combinaties met de Windows-toets 17 Opdrachtprompt
Tekla Structures 2016i. Gebruikerscomponenten. oktober Trimble Solutions Corporation
Tekla Structures 2016i Gebruikerscomponenten oktober 2016 2016 Trimble Solutions Corporation Inhoudsopgave 1 Wat zijn gebruikerscomponenten?...5 1.1 gebruikerscomponenten van het type Onderdeel...7 1.2
Korte handleiding Windows 8.1
Korte handleiding Windows 8.1 Inhoud Voordat u een upgrade uitvoert naar Windows 8.1... 3 Online handleiding... 3 Windows 8.1 opstarten... 3 Windows 8.1 vergrendelingsscherm... 3 Windows-UI... 4 Startscherm...
2.6 Weergave bureaubladpictogrammen instellen
33 2.6 Weergave pictogrammen instellen De weergave van de pictogrammen is standaard ingesteld op normaal. U kunt de weergave als volgt vergroten: De pictogrammen zijn vergroot. 2.7 Bureaubladpictogrammen
Met de intuïtieve interface van InDesign CC kunt u op eenvoudige wijze uitdagende lay-outs maken zoals u hier ziet. Het is belangrijk dat u het
Met de intuïtieve interface van InDesign CC kunt u op eenvoudige wijze uitdagende lay-outs maken zoals u hier ziet. Het is belangrijk dat u het werkgebied van InDesign kent zodat u de krachtige mogelijkheden
13. Symbool-, Lijnstijlbibliotheek (Resource Editor)... 1
13. Symbool-, Lijnstijlbibliotheek 13. Symbool-, Lijnstijlbibliotheek (Resource Editor)... 1 13.1. Inleiding...1 13.2. Icoonomschrijving...2 13.3. Menu Bestand...3 13.3.1. Nieuwe Bibliotheek maken... 3
Google Drive: uw bestanden openen en organiseren
Google Drive: uw bestanden openen en organiseren Met Google Drive kunt u bestanden, mappen en Google documenten opslaan en openen, waar u ook bent. Wanneer u een bestand op internet, uw computer of een
INSTRUCT Samenvatting Basis PowerPoint 2013/2016, H1 SAMENVATTING HOOFDSTUK 1. PowerPoint opstarten, verkennen en afsluiten
SAMENVATTING HOOFDSTUK 1 PowerPoint opstarten, verkennen en afsluiten PowerPoint opstarten POWERPOINT kan bijvoorbeeld worden opgestart via een snelkoppeling op het bureaublad. Presentaties openen en het
Handicom. Symbol for Windows. Image Manager. (Versie 4) Handicom, 2011, Nederland
Handicom Symbol for Windows Image Manager (Versie 4) Handicom, 2011, Nederland Inhoud Inleiding... 2 1. Image Manager hoofdscherm...3 1.1 Onderdelen van het venster...3 1.2 Het scherm veranderen...3 1.2.1
Algemene basis instructies
Inhoud: Algemene basis instructies... 2 Pictogrammen en knoppen... 2 Overzicht... 3 Navigeren (bladeren)... 3 Gegevens filteren... 4 Getoonde gegevens... 5 Archief... 5 Album... 5 Tabbladen en velden...
Taken automatiseren met Visual Basicmacro's
Taken automatiseren met Visual Basicmacro's Als u niet bekend bent met macro's, moet u zich niet hierdoor laten afschrikken. Een macro is een opgenomen set toetsaanslagen en instructies waarmee u een taak
Via de het tabblad Bestand kun je bijvoorbeeld een nieuwe werkmap maken, werkmappen openen, opslaan en afdrukken.
SAMENVATTING HOOFDSTUK 1 Excel opstarten, verkennen en afsluiten EXCEL kan bijvoorbeeld worden opgestart via de snelkoppeling naar EXCEL op het bureaublad, als deze er is, of via of. Als EXCEL al vaker
Met Office 2013 vertrouwd raken
Met Office 2013 vertrouwd raken 1 In dit hoofdstuk leer je hoe je DDe Office-omgeving verkent DDMet Office-bestanden werkt DDNiet-opgeslagen bestanden en versies herstelt DDe gebruikersinterface aanpast
Afdrukken in Calc Module 7
7. Afdrukken in Calc In deze module leert u een aantal opties die u kunt toepassen bij het afdrukken van Calc-bestanden. Achtereenvolgens worden behandeld: Afdrukken van werkbladen Marges Gedeeltelijk
Microsoft Word 365. Kennismaken AAN DE SLAG MET DIGITALE VAARDIGHEDEN TRAINING: MICROSOFT WORD 365
Microsoft Word 365 Kennismaken Inleiding Microsoft Word is het meest gebruikte tekstverwerkingsprogramma ter wereld. De mogelijkheden die Word biedt zijn talrijk, maar als je nog nooit met Word gewerkt
Basisopleiding Tekla Structures Beton Engineering Modelleren
Basisopleiding Tekla Structures Beton Engineering Modelleren WWW.CONSTRUSOFT.COM Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend. Aan de weergave van de afbeeldingen kunnen geen conclusies
ACDSee 9 leerprogramma s > Foto s downloaden met Foto s Ophalen Wizard
Dit leerprogramma leidt u door het proces van foto s downloaden van uw camera met gebruik van ACDSee s Foto s Ophalen Wizard. Foto s ophalen is een stuk makkelijker gemaakt door de Apparaat Detector, welke
Handleiding Picasa. Inleiding Verwijderen, verplaatsen en hernoemen Opzoeken Importeren Selecties maken Opslaan...
Handleiding Picasa Inleiding... 2 Verwijderen, verplaatsen en hernoemen... 2 Opzoeken... 2 Importeren... 3 Selecties maken... 3 Opslaan... 3 Markeren... 3 Bewerken... 3 Diavoorstelling... 4 Collage...
Je kunt de breedte van een kolom veranderen door de kolomrand te verslepen. Je kunt ook dubbelklikken op een kolomrand.
SAMENVATTING HOOFDSTUK 2 Navigeren door records Je kunt bladeren door de velden en records van een tabel: Knop Omschrijving Naar volgend record Naar vorig record Naar laatste record Naar eerste record
Welkom bij de Picture Package Producer 2. Picture Package Producer 2 starten en afsluiten. Stap 1: Beelden selecteren
Welkom bij de Picture Package Producer 2 Picture Package Producer 2 starten en afsluiten Stap 1: Beelden selecteren Stap 2: Geselecteerde beelden controleren Stap 3: Voorbereidingen treffen om een korte
Les 2 De basis (deel 1)
Les 2 De basis (deel 1) 2.1 Eigenschappen Beeldscherm In Windows XP is het makkelijk de eigenschappen van het beeldscherm te wijzigen. Om dit te doen rechtsklikken we op een lege plaats in het bureaublad,
Installatiegids Command WorkStation 5.6 met Fiery Extended Applications 4.2
Installatiegids Command WorkStation 5.6 met Fiery Extended Applications 4.2 Fiery Extended Applications Package (FEA) v4.2 bevat Fiery-toepassingen voor het uitvoeren van taken die zijn toegewezen aan
Tekla Structures Naar deze versie bijwerken. april Trimble Solutions Corporation
Tekla Structures 2018 Naar deze versie bijwerken april 2018 2018 Trimble Solutions Corporation Inhoudsopgave 1 Release Notes Tekla Structures 2018... 7 1.1 Nieuwe Support tool...9 1.2 Nieuwe manier om
HTA Software - Klachten Registratie Manager Gebruikershandleiding
HTA Software - Klachten Registratie Manager Gebruikershandleiding Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Opstarten en inloggen, overzicht startscherm, uitleg symbolen Hoofdstuk 2: aanmaken relaties Hoofdstuk 1: Opstarten
www.seniorencomputerlessen.nl 198 Fotogoed
www.seniorencomputerlessen.nl 198 Fotogoed Laatst gewijzigd 22 september 2012 Uw keuze voor het maken van een fotoboek is Fotogoed. Deze cursus bestaat uit 5 delen. Deel 1 Fotogoed Designer downloaden
Bosstraat 50 bus 3 3560 Lummen Tel.: 011 76 66 62 Fax 011 76 16 12 [email protected] www.bestburo.be 1 van 42
Inhoud 1 Outlook: Aan de slag met Outlook... 3 1.1 Voor u begint... 3 1.1.1 Het Postvak IN... 3 1.1.2 De keyboard shortcuts... 3 2 Mappen... 4 2.1 Mappenstructuur... 4 2.1.1 Map Voltooid... 4 2.1.2 Snelle
Aan de slag met AdminView
Aan de slag met AdminView uitgebreide handleiding S for Software B.V. Gildeweg 6 3771 NB Barneveld tel 0342 820 996 fax 0342 820 997 e-mail [email protected] web www.sforsoftware.nl Inhoudsopgave 1.
PICASA PICASA. FOTOBEWERKING Een handleiding. 2013 Computertraining voor 50-plussers
PICASA FOTOBEWERKING Een handleiding 2013 Computertraining voor 50-plussers PC50plus computertrainingen Eikbosserweg 52 1214AK Hilversum tel: 035 6213701 [email protected] www.pc50plus.nl PICASA C O M P
INSTRUCT Samenvatting Praktijk Access 2010, H2 SAMENVATTING HOOFDSTUK 2
SAMENVATTING HOOFDSTUK 2 Sorteren en filteren in een tabel Sorteren kun je met de knoppen (Oplopend) en (Aflopend). Hiermee zet je records in alfabetische of numerieke volgorde. Er wordt gesorteerd op
Excel 2010, H1 HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 1 Excel opstarten en afsluiten EXCEL kan worden opgestart via. Als EXCEL al vaker is gestart kun je direct op Microsoft Office EXCEL 2010 klikken. Typ anders in het zoekvak de eerste letters
Sn el aan d e s l ag. Stap een: Uw foto's openen in Corel AfterShot Pro. Door uw foto's navigeren
Snel aan de slag In deze sectie maakt u kennis met een aantal basistaken die u in Corel AfterShot Pro kunt uitvoeren. Neem een aantal minuten de tijd om de onderstaande stappen door te nemen als u op zoek
Deel 1: PowerPoint Basis
Deel 1: PowerPoint Basis De mogelijkheden van PowerPoint als ondersteunend middel voor een gedifferentieerde begeleiding van leerlingen met beperkingen. CNO Universiteit Antwerpen 1 Deel 1 PowerPoint Basis
Windows 8, Windows 8.1, deel II
Windows 8, Windows 8.1, deel II Opstarten op bureaublad Daar we toch de gewoonte hebben om via het bureaublad te werken, is het misschien handig om de PC te laten opstarten op het bureaublad in plaats
Lijnen/randen en passe-partouts maken met Photoshop.
Lijnen/randen en passe-partouts maken met Photoshop. Les 1: Witte rand om de foto m.b.v. canvasgrootte. 1. Open de foto in Photoshop. 2. Klik in menu AFBEELDING op CANVASGROOTTE 3. Zorg dat in het vakje
Tips en Tricks basis. Microsoft CRM Revisie: versie 1.0
Tips en Tricks basis Microsoft CRM 2016 Revisie: versie 1.0 Datum: 23/03/2016 Inhoud 1. Basisinstellingen... 3 1.1 INSTELLEN STARTPAGINA... 3 1.2 INSTELLEN AANTAL REGELS PER PAGINA... 3 2. Algemene bediening...
Google products. Het gebruik van Picasa 2 is gratis. Het programma is in veel verschillende talen verkrijgbaar, waaronder Nederlands.
1 Picasa 2 Picasa 2 is een foto-organizer van zoekmachinefabrikant Google. Het gratis programma bevat handige functies om uw foto's te beheren, te bewerken en te delen. Het gebruik van Picasa 2 is gratis.
INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1: Kennismaken met Word 2010 Hoofdstuk 2: Vensters en knoppen Hoofdstuk 3: Dialoogvensters en rechtermuisknop
INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1: Kennismaken met Word 2010 2 Word activeren 3 Beginscherm en het lint 4 Meer elementen van het programmavenster 5 Een programma sluiten 6 Hoofdstuk 2: Vensters en knoppen 8 Het
Extra informatie Picasa
Extra informatie Picasa Stel de weergave in op: boomstructuur: We zien nu dezelfde structuur als in de map Mijn Afbeeldingen. De hoofdmappen staan er. Zijn er geen submappen, dan wordt de inhoud weergegeven.
25 Excel tips. 25 Handige Excel tips die tijd besparen en fouten voorkomen. Ir. Fred Hirdes. Excel-leren.nl.
[Geef tekst op] 25 Excel tips 25 Handige Excel tips die tijd besparen en fouten voorkomen Ir. Fred Hirdes Excel-leren.nl [email protected] Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 1 Inleiding... 2 Tip 1 tm
Inloggen. In samenwerking met Stijn Berben.
Inloggen Ga naar www.hetjongleren.eu. Heb je al een gebruikersnaam en wachtwoord, log dan in op deze pagina (klik op deze link ): Vul hier je gebruikersnaam en wachtwoord in en klik op Inloggen. Bij succesvolle
Novell Vibe-invoegtoepassing
Novell Vibe-invoegtoepassing 5 juni 2012 Novell Snel aan de slag Met behulp van de Novell Vibe-invoegtoepassing voor Microsoft Office kunt u werken met documenten op de Vibe-site zonder dat u Microsoft
Welkom bij de Picture Package Producer 2
Handleiding voor Picture Package Producer2 Welkom bij de Picture Package Producer 2 Welkom bij de Picture Package Producer 2 Picture Package Producer 2 starten en afsluiten Stap 1: Beelden selecteren Stap
