AUTEUR: FONS ALKEMADE PETER COX

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "AUTEUR: FONS ALKEMADE PETER COX"

Transcriptie

1 DOCENTENHANDLEIDING DOCENTENHANDLEIDING SENSOR NATUUR-, SCHEIKUNDE EN TECHNIEK VOOR DE ONDERBOUW TOETSEN HAVO-VWO LEERJAAR 1 AUTEUR: FONS ALKEMADE MET MEDEWERKING VAN: PETER COX WIM VAN DEN MUNCKHOF TWEEDE DRUK MALMBERG 'S-HERTOGENBOSCH

2 Inhoudsopgave 1 Lesgeven in nask/techniek met Sensor De methode in hoofdlijnen Onderdelen De leerstof De contexten Opdrachtenboek: werkstukken, proeven en theorievragen Additioneel lesmateriaal: extra stof, plusopdrachten, computerlessen en herhaalopdrachten Toetsen: adviestoetsen en eindtoetsen Deel 1 in schema Practicum Doelen Organisatie Instructies en vragen Verslagen maken Open onderzoek De digitale onderdelen van Sensor De methodesite Leerlingenmateriaal in het epack Docentenmateriaal in het epack Planning Sensor hoofdstuk voor hoofdstuk Hoofdstuk 1 Kennismaken met techniek en natuurwetenschappen Uitgangspunten en schema Leerdoelen Per paragraaf Antwoorden bij werkstukken en proeven Hoofdstuk 4 De fietsverlichting Uitgangspunten en schema Leerdoelen Per paragraaf Antwoorden bij werkstukken en proeven Hoofdstuk 5 De verwarming Uitgangspunten en schema Leerdoelen Per paragraaf Antwoorden bij werkstukken en proeven Hoofdstuk 6 De koelkast Uitgangspunten en schema Leerdoelen Per paragraaf Antwoorden bij werkstukken en proeven Hoofdstuk 7 De geluidsinstallatie Uitgangspunten en schema Leerdoelen Per paragraaf Antwoorden bij werkstukken en proeven Materiaallijsten voor werkstukken en proeven Materialen voor de proeven (Eurofysica) Materialen voor de werkstukken (Opitec) Hoofdstuk 2 De fiets Uitgangspunten en schema Leerdoelen Per paragraaf Antwoorden bij werkstukken en proeven Hoofdstuk 3 De kermis Uitgangspunten en schema Leerdoelen Per paragraaf Antwoorden bij werkstukken en proeven

3 1 Lesgeven in nask/ techniek met Sensor Sensor is een methode voor nask en techniek in klas 1 en 2. De tweede druk is op een flink aantal punten aangepast ten opzichte van de eerste druk. De basis van Sensor is echter dezelfde gebleven: leerlingen laten kennismaken met natuurkunde, scheikunde en techniek op een aansprekende manier, met een behoorlijk aantal praktische opdrachten en met voldoende mogelijkheid tot differentiatie. In het eerste deel van deze docentenhandleiding krijgt u inzicht in alle onderdelen, de opbouw en de doelstellingen van Sensor en over enkele meer algemene zaken die betrekking hebben op het lesgeven in nask/techniek. In het tweede deel krijgt u informatie en tips per hoofdstuk voor de delen 1A en 1B. In het derde deel vindt u de materialen die nodig zijn voor de werkstukken en proeven. 1.1 De methode in hoofdlijnen Wie voor het eerst met Sensor werkt zal wellicht een leidraad nodig hebben om te weten welke onderdelen de methode kent en hoe die het beste ingezet kunnen worden. Behalve het handboek en het opdrachtenboek ('werkboek') is er nog veel meer. Door deze handleiding krijgt u inzicht in de onderdelen, zowel in de boeken als de ICT, en in het grotere verband waarin zij staan Onderdelen De methode Sensor kent vier delen: deel 1A en 1B voor klas 1 en deel 2A en 2B voor klas 2. Elk deel A bestaat uit drie en elk deel B uit vier hoofdstukken. Alle hoofdstukken worden afgesloten met een samenvatting. Voor alle vier de delen is er een handboek en een opdrachtenboek. Als u de epack (de website) gebruikt, hebt u de beschikking over digitaal les- en toetsmateriaal voor leerlingen en docenten (zie ook par. 1.3). Per leerjaar is er een docentenhandleiding en een uitwerkingenboek. In het handboek staat alle theorie. In het opdrachtenboek staan werkstukken, proeven (zie ook par. 1.2), theorievragen en soms open onderzoeksopdrachten (zie ook par ). De theorievragen kunnen nagekeken worden met het uitwerkingenboek. In de docentenhandleiding staan antwoorden bij de vragen die bij de werkstukken en proeven zijn opgenomen. De docent heeft met het epack bij elk hoofdstuk de beschikking over oa. een eindtoets en het Digiboek. De leerlingen vinden in het epack oa. computerlessen, herhaalopdrachten en plusopdrachten. Zij kunnen daar ook instructies vinden over belangrijke (basis)vaardigheden zoals een verslag schrijven en grafieken maken (zie par ). Met het leerlingmanagementsysteem van het epack kunt u volgen welke ICT-onderdelen uw leerlingen gedaan hebben en hoe zij hebben gescoord De leerstof In de vier delen van Sensor wordt natuurkunde, scheikunde en techniek geïntegreerd aangeboden. In ieder hoofdstuk is in ieder geval aandacht voor techniek en natuurkunde. Daar waar dat van toepassing is, besteedt de methode ook aandacht aan scheikunde. Vrijwel elk hoofdstuk gaat uit van een concreet apparaat, een concrete installatie of een bekend fenomeen. Concreet en bekend hebben hier betrekking op de leefwereld van de leerling. Aangezien techniek over het algemeen geen vervolg kent in klas 3 en hoger, is ernaar gestreefd alle kerndoelen van techniek aan de orde te laten komen. Omdat techniek en natuur- en scheikunde onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, is het soms onvermijdelijk en misschien wel juist de meerwaarde van een combimethode dat er wat dieper wordt ingegaan op bepaalde aspecten van natuurkunde en scheikunde dan gebruikelijk is in klas 1 en 2. Deze meerwaarde wordt bewust gezocht, zonder in al te abstracte natuurkundige en scheikundige formuleringen te vervallen. De nask-stof van Sensor komt vrijwel geheel overeen met de stof van deel 1-2 van de methode Nova. Sensor sluit dan ook goed aan bij Nova voor klas 3. In het epack zijn voor sommige onderdelen van de stof alternatieve lessen/lesvormen opgenomen (zie par ). Een docent kan naar aanleiding van de suggesties die hierin zijn opgenomen besluiten een nieuw onderwerp op een andere manier bij de leerlingen te introduceren dan het handboek dit doet. Bovendien bevat deze handleiding enkele alternatieve lessen. Deze lessen vervangen deels de stof van een paragraaf van een hoofdstuk. Per leerjaar zijn er vier alternatieve lessen ontwikkeld: twee voor het A-deel en twee voor het B-deel De contexten Zoals gezegd wordt in Sensor de leerstof zo veel mogelijk gekoppeld aan een concreet apparaat, een concrete installatie of een bekend fenomeen. Hierdoor wordt bereikt dat de leerling de opgedane kennis altijd weet te koppelen aan een situatie uit het dagelijks leven. De gekozen context geldt voor het gehele hoofdstuk. Concreet betekent het dat de leerling te maken krijgt met dertien contexten (hoofdstuk 1 van deel 1A is een 3

4 meer algemeen hoofdstuk). De context wordt geïntroduceerd op de titelpagina van ieder hoofdstuk via een inleidende tekst en een sprekende foto. Foto en tekst zijn een goede aanleiding om bij die context stil te staan en relevante voorkennis te activeren. Elk hoofdstuk begint met een startopdracht. Deze zijn zonder veel hulpmiddelen en binnen een redelijke tijd in de klas uit te voeren en bieden een goede inleiding in een van de onderwerpen in het hoofdstuk. Ook naar aanleiding van de startopdrachten kunt u de context inleiden en voorkennis activeren. In de vier paragrafen van elk hoofdstuk wordt de context niet tot in alle details behandeld. De leerlingen moeten leren zelf verbanden te leggen tussen de leerstof en de wereld om hen heen. De tekst van de paragrafen zet de leerling daarom wel op het goede spoor, maar kauwt niet alles voor. Door de opgaven, de werkstukken en de proeven leren de leerlingen zelf verbanden te leggen. De extra stof (aan het einde van iedere paragraaf) geeft vaak informatie die net iets uitstijgt boven de context en gaat over een onderwerp dat logisch verband houdt met het onderwerp van de paragraaf. Deze stukjes Extra zijn met name bedoeld voor de snellere leerling (zie ook par ) Opdrachtenboek: werkstukken, proeven en theorievragen In het handboek vindt u aan het einde van elke paragraaf en van elke Extra verwijzingen naar de bijbehorende werkstukken, proeven en theorievragen. Deze staan allemaal in het opdrachtenboek. Belangrijk om te weten is dat er in het opdrachtenboek niet geschreven dient te worden; het is immers geen werkboek. Maak dit ook duidelijk aan uw leerlingen. Afhankelijk van het aantal uren dat op uw school voor het combivak op het rooster wordt gezet, zult u alle opdrachten uit het opdrachtenboek of slechts een selectie daaruit kunnen laten uitvoeren. De consequentie van een niet overal gelijk aantal uren is dat voor een goed begrip van de leerstof uit het handboek, het uitvoeren van alle opdrachten uit het opdrachtenboek niet noodzakelijk mag zijn. Ook is het voor het met goed begrip kunnen uitvoeren van proeven niet noodzakelijk dat eerdere proeven gedaan zijn. In de epack vindt u namelijk een aantal (basis)vaardigheden uitgewerkt waarnaar u een leerling altijd kunt verwijzen als zo n vaardigheid bij een bepaalde proef nodig is. De uitleg staat op zogenaamde vaardigheidskaarten. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan het maken van diagrammen, het aflezen van meters maar ook techniekvaardigheden als solderen. Een overzicht vindt u in paragraaf Bij sommige werkstukken, proeven en theorievragen zijn zogenaamde knipbladen nodig. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een tekening van een stoel waarin leerlingen de aanwezige krachten met een kleurtje moeten aangeven. Deze knipbladen zijn te vinden in het epack, vanwaar u ze kunt printen en kopiëren. Werkstukken Bij elk hoofdstuk zijn twee werkstukken opgenomen. Zij nemen over het algemeen meerdere lesuren in beslag. Er is gestreefd naar twee verschillende soorten werkstukken: één werkstuk waarbij (vrijwel) alle handelingen zijn voorgeschreven en het eindproduct vastligt en één werkstuk waarbij de leerling zijn eigen creativiteit kan inbrengen. De kosten die de werkstukken met zich meebrengen zijn, voor zover mogelijk, aangegeven in hoofdstuk 3 van deze docentenhandleiding. In hoofdstuk 2 vindt u ook antwoorden op de vragen die soms in het opdrachtenboek aan de leerlingen gesteld worden als zij hun werkstuk voltooid hebben. Op de vaardigheidskaarten (zie par ) worden vele vaardigheden uitgelegd die nodig zijn bij het maken van werkstukken. Proeven Per hoofdstuk zijn ongeveer tien proeven (practica) opgenomen. Niet elke paragraaf heeft proeven. De proeven zijn over het algemeen 'kookboekpractica' en de leerlingen kunnen er in principe zelfstandig doorheen gaan. Een deel van de proeven zal niet gemakkelijk door de leerlingen zelf uitgevoerd kunnen worden en deze worden aangeduid als demonstratieproeven. Demonstratieproeven zijn proeven die de docent uitvoert, terwijl de klas toekijkt. Tijdens demonstratieproeven moet de leerling de waarnemingen zelf noteren en een aantal vragen beantwoorden over de proef. Hiermee wordt passief kijken tegengegaan. Er is alleen voor dit soort proeven gekozen als het echt niet mogelijk is om de proef door de leerling zelf te laten doen (te gevaarlijk, te kwetsbare apparatuur, slechts één opstelling aanwezig enzovoort). Sommige proeven zijn meer open en worden dan ook aangeduid met 'open onderzoek'. De leerlingen worden hier, zeker in klas 1, nog wel een flink eind op gang geholpen maar zij moeten veel meer zelf nadenken over het onderzoek dan bij de proeven. Meer over het practicum en over open onderzoek vindt u in paragraaf 1.2. In hoofdstuk 2 van deze docentenhandleiding vindt u per hoofdstuk antwoorden op de vragen die in de proeven aan de leerlingen worden gesteld. Het gebruik van diverse meetinstrumenten wordt uitgelegd op vaardigheidskaarten (zie par ). In de eerste druk werd nog her en der een proef opgenomen waarin gebruik kon worden gemaakt van Coach, maar voor klas 1 leek ons het gebruik van computermetingen nog niet nodig. 4

5 Theorievragen De opgaven zijn leerstofvragen of toepassingsvragen. Er is geen onderscheid gemaakt tussen deze twee soorten vragen omdat vrij vaak het onderdeel a van een vraag nog leerstof is en onderdeel c van diezelfde vraag een toepassing betreft. Het aantal theorievragen bij de paragrafen varieert van 5 tot 15 en bij de Extra's ligt het altijd rond de 3. Het aantal theorievragen, dat wordt aangegeven in het schema van elk hoofdstuk in deel 2 van deze docentenhandleiding, zegt zeker niet altijd iets over de zwaarte van de paragraaf. Soms zijn er bijvoorbeeld relatief weinig vragen, maar bestaan ze wel allemaal uit vrij veel onderdelen of moet de leerling vrij uitgebreid tekenen of rekenen. De antwoorden bij de theorievragen staan in het uitwerkingenboek. Locaties Het spreekt voor zich dat de werkstukken het beste in het technieklokaal gemaakt kunnen worden en dat de proeven het beste in het natuurkundelokaal kunnen worden gedaan (af en toe kan het scheikundelokaal een handige plek zijn, bijvoorbeeld als er met de brander wordt gewerkt). Het spreekt voor zich dat dit vooral belangrijk is in verband met de veiligheid (zie hieronder). Bij de planning zult u met uw collega s om de tafel moeten gaan zitten om de op uw school aanwezige lokalen zo effectief mogelijk te benutten. Ook is het zinvol om te bekijken of in bijvoorbeeld een klassieke natuurkunde/scheikunde-vleugel een kleine werkplaats ingericht kan worden, waardoor veel van de werkstukken toch in die vleugel gemaakt kunnen worden. Mocht op uw school een discussie lopen over het inrichten van een bèta-vleugel, streef dan naar een multifunctionele ruimte voor het combinatievak natuurkunde, scheikunde en techniek. Veiligheid Bij het werken aan werkstukken in het technieklokaal en het doen van proeven in het natuurkunde- of scheikundelokaal moeten de leerlingen, en natuurlijk ook de docent, voldoende op de hoogte zijn van regels rond veilig werken. Nuttige regels over veiligheid zijn te vinden op bijv. en digischool.kennisnet.nl /community_tk/arbo-veiligheid/veiligheid Additioneel lesmateriaal: extra stof, plusopdrachten, computerlessen en herhaalopdrachten doen (extra stof en plusopdrachten) ofwel om ze extra te laten oefenen met reeds behandelde stof (herhaalopdrachten). Bij twee paragrafen van elk hoofdstuk zijn computerlessen beschikbaar die bedoeld zijn voor alle leerlingen. Aan het einde van iedere paragraaf staat in het handboek een stukje extra stof. In deze stof staat informatie die net iets uitstijgt boven de context. De extra stof is met name bedoeld voor de snelle leerling. In het opdrachtenboek staat altijd een aantal theorievragen over de extra stof en soms ook een of meer proeven die ermee verband houden. Of u deze stof opgeeft als leerstof voor een proefwerk, is aan u. Omdat met name de extra stof direct gekoppeld is aan de context, is dat voor de leerling geen aparte leerstof. Hij zal het vaak als logisch ervaren dat hij dat stukje erbij moet leren. De plusopdrachten zijn te vinden in het epack (zie par ). Plusopdrachten zijn bedoeld voor de betere leerling. Het niveau hiervan is hoger dan dat van de basisstof en extra stof. De plusopdrachten gaan over onderwerpen die niet of slechts zijdelings in de basisstof zijn behandeld en ze vragen iets meer inzet van de leerling. Gemiddeld zitten er twee plusopdrachten in een hoofdstuk, behorend bij één of twee paragrafen. De leerlingen die na het doorwerken van de basisstof nog extra oefening nodig hebben, kunnen de herhaalopdrachten doen. Gemiddeld zitten er twee herhaalopdrachten in een hoofdstuk, behorend bij één of twee paragrafen. Met name bij de rekenonderdelen zijn herhaalopdrachten ontwikkeld. Eventueel kunnen ook de computerlessen hiervoor worden ingezet. Deze bieden (een gedeelte van) de stof op een andere manier aan. De computerlessen, de plusopdrachten en de herhaalopdrachten zijn voor leerlingen en docenten te vinden in het epack: zie par Toetsen: adviestoetsen en eindtoetsen Op het leerlingendeel van het epack is een adviestoets te vinden waarmee leerlingen zelf hun kennis van de stof van een hoofdstuk kunnen testen, zie par Op het docentendeel van het epack staan per hoofdstuk twee eindtoetsen die de docent kan gebruiken om de leerlingen te toetsen, zie par Alle leerlingen zullen in elk geval per hoofdstuk de vier paragrafen en een deel van de bijbehorende opdrachten (werkstukken, proeven, theorievragen) doorwerken. Maar tijdens of na afloop hiervan bestaat de mogelijkheid om de leerlingen ofwel iets extra's te laten 5

6 1.1.7 Deel 1 in schema deel 1A hoofdstuk 1 Kennismaken met techniek en natuurwetenschappen hoofdstuk 2 De fiets hoofdstuk 3 De kermis paragraaf 1 Het ontstaan van producten Verschillende fietsen Constructies paragraaf 1 Extra Natuurwetenschappen Supersnelle fietsen Slimme constructies paragraaf 2 Een idee uitwerken Kracht en beweging overbrengen Veiligheid en stabiliteit paragraaf 2 Extra Tekenen met de computer Versnellingen Het zwaartepunt paragraaf 3 Materiaal kiezen Materialen van de fiets Verbindingen paragraaf 3 Extra Nieuwe materialen Rubber Lassen paragraaf 4 Veiligheid Materialen beschermen Krachten paragraaf 4 Extra Het vervoer van gevaarlijke stoffen Gritstralen Gewicht en g-krachten deel 1B hoofdstuk 4 De fietsverlichting hoofdstuk 5 De verwarming paragraaf 1 Elektriciteit op je fiets De verwarmingsinstallatie hoofdstuk 6 De koelkast Temperatuur hoofdstuk 7 De geluidsinstallatie Wat is geluid? paragraaf 1 Extra Zuinige lampen Stadsverwarming Fahrenheit en Kelvin De akoestische gitaar paragraaf 2 Spanning Warmte maken en gebruiken Fasen De luidspreker paragraaf 2 Extra De zonnecel Restwarmte Vriesdrogen De elektrische gitaar paragraaf 3 Schakelingen Warmtetransport Koeling Hoge en lage geluiden paragraaf 3 Extra De wisselschakeling Je lichaam en warmte De ijsblokjesmaker paragraaf 4 Veiligheid Isolatie Invloed van temperatuur op materialen paragraaf 4 Extra De aardlekschakelaar Isolatiewaarde Water: een uitzondering Ultrasoon en infrasoon geluid Harde en zachte geluiden Geluidshinder van het verkeer 6

7 1.2 Practicum Bij elk hoofdstuk van Sensor hoort een aantal leerlingproeven. Die zijn steeds geplaatst onder Proeven in het opdrachtenboek, na de werkstukken. Aan het einde van elke paragraaf in het handboek wordt steeds aangegeven welke proeven bij die paragraaf horen Doelen De proeven in Sensor hebben drie functies: a de leerlingen leren werken met instrumenten en apparatuur; b de leerlingen ondersteunen bij de begripsontwikkeling; c de leerlingen laten kennismaken met het doen van (wetenschappelijk) onderzoek. In hoofdstuk 2 van deze handleiding (Hoofdstuk voor hoofdstuk) vindt u een overzicht van alle proeven, met daarbij tips voor de docent en antwoorden van de vragen die de leerlingen moeten beantwoorden naar aanleiding van de proeven (en van sommige werkstukken). Elke proef is als volgt opgebouwd: Inleiding: een korte introductie op het onderwerp van de proef Onderzoeksvraag Een of meer concrete onderzoeksvragen Wat heb je nodig? Een lijst met benodigde materialen, gereedschappen, meetinstrumenten etc. Wat moet je doen? Een stapsgewijze instructie voor het uitvoeren van de proef en het noteren van waarnemingen Wat neem je waar? Vragen en invultabellen die te maken hebben met de waarnemingen tijdens de proef en met de verwerking van de metingen Meestal een vraag naar het antwoord op de onderzoeksvraag of -vragen, soms aangevuld met extra vragen. We hebben geprobeerd om elke proef te richten op één concrete, duidelijk omschreven doelstelling. Bij elke proef wordt die doelstelling expliciet verwoord via de onderzoeksvraag of -vragen. Dat maakt het gemakkelijker om de koppeling met de leerstof te maken. We adviseren om elke proef zorgvuldig in te leiden en na te bespreken. Dat voorkomt dat proeven los komen te staan van het lesgebeuren en een te laag leerrendement hebben. De tijd die voor het uitvoeren van een proef nodig is, varieert van proef tot proef. Voor de meeste proeven in deel 1 is 15 à 30 minuten voldoende. Bij elke proef is een tijdsindicatie gegeven in het opdrachtenboek Organisatie Voor het slagen van een proef is een goede organisatie een eerste vereiste. Het handboek van Sensor is opgezet volgens de volgende volgorde: theorie werkstuk en proeven theorievragen U kunt er natuurlijk voor kiezen om eerst aan de hand van een of meer proeven de theorie in te leiden en uit te leggen. Bij het doen van proeven stellen wij de volgende stappen voor: 1 Inleiding De docent vertelt kort: a Wat het doel is van de proef en welke relatie er met de leerstof bestaat. b Eventueel: hoe de leerlingen bepaalde belangrijke handelingen moeten uitvoeren (bijvoorbeeld hoe ze een maatcilinder moeten aflezen). c Waar de leerlingen het practicummateriaal kunnen vinden en waar ze dat materiaal na afloop weer moeten opbergen. d Waar en hoe ze hun metingen en antwoorden moeten noteren (niet in het opdrachtenboek zelf!). 2 Proeven uitvoeren Iedere proef start met een onderzoeksvraag en wordt afgesloten met een conclusie, zodat het de leerling steeds duidelijk is waarom hij de proef uitvoert en wat hij er uiteindelijk van geleerd heeft. De leerlingen voeren (bij voorkeur in groepen van twee) de proeven uit en beantwoorden de bijbehorende vragen. Ze doen dat als regel zelfstandig, met weinig of geen begeleiding. Na afloop van de proef bergen ze het practicummateriaal weer op. Al klinkt het misschien wat betuttelend: elke proef sluit af met de zin 'Ruim alles weer netjes op!'. 3 Afsluiting De docent bespreekt met de leerlingen wat de resultaten zijn (voor zover ze die al uitgewerkt hebben) en controleert of ze de juiste conclusie hebben getrokken. Daarna beginnen de leerlingen met de theorievragen. Wat ze niet af krijgen, is huiswerk voor de volgende les. Deze wijze van werken maakt het mogelijk om tempoverschillen tussen de leerlingen zonder veel problemen op te vangen. 7

8 1.2.3 Instructies en vragen De tekst van de proeven bestaat uit instructies (Wat moet je doen?) en vragen. De instructies geven aan welke handelingen de leerlingen tijdens de proef moeten uitvoeren. De instructies zijn zo duidelijk geformuleerd dat de meeste leerlingen geen hulp nodig hebben. Het is niet nodig de leerlingen voortdurend te assisteren. Bij veel proeven zult u dus min of meer de handen vrij hebben. Er is daardoor tijd om met de leerlingen in gesprek te gaan, en ze aan het denken (reflecteren) te zetten. We adviseren om de leerlingen regelmatig te vragen waar het nu eigenlijk om gaat. U zou daarvoor enkele gerichte vragen achter de hand kunnen houden. Dat voorkomt dat de leerlingen braaf doen wat er staat, zonder er veel van op te steken. De (genummerde) vragen onder Wat neem je waar? geven aan, waar de leerlingen tijdens de proef op moeten letten. Zo veel mogelijk wordt leerlingen gevraagd hun metingen in een tabel te noteren. Deze tabel moeten ze over het algemeen eerst zelf overnemen in hun schrift. Daardoor leren ze data overzichtelijk weer te geven. Soms moeten ze berekeningen uitvoeren met hun meetwaarden of een grafiek tekenen. Het is niet per se nodig om in de nabespreking alle antwoorden na te lopen. Vaak is het voldoende dat u samen met de klas nagaat of het doel van de proef is bereikt en of iedereen de juiste conclusies heeft getrokken Verslagen maken Een verslag maken van de proeven wordt alleen gevraagd bij de open onderzoeken. Daar is het maken van een goed verslag essentieel. De voorwaarden waaraan zo n verslag moet voldoen staat beschreven op een van de vaardighedskaarten. Het is natuurlijk ook mogelijk dat u de leerlingen van een door u bepaalde, of door hen zelf te kiezen, proef een uitgebreid verslag laat maken zodat zij hiermee ervaring opdoen. Sommige docenten laten hun leerlingen een apart schrift gebruiken voor practica. Dit schrift kan eventueel meerdere jaren lang gebruikt worden Open onderzoek Veel proeven in Sensor schrijven precies voor wat de leerlingen moeten doen; het zijn echte kookboekpractica. De methode biedt echter ook de mogelijkheid, in hoofdstuk 1, om de leerlingen zelf een onderzoek te laten doen. U kunt uiteraard ook zelf onderwerpen voor open onderzoek inbrengen. Zo n open onderzoek is veel minder voorgestructureerd dan de gewone proeven in het opdrachtenboek. Het gaat er bij een open onderzoek niet om de leerlingen bepaalde vakkennis bij te brengen; daarvoor zijn andere manieren van lesgeven meer geschikt. Open onderzoek richt zich vooral op algemene vaardigheidsdoelen zoals het leren van onderzoeksvaardigheden, zelfstandig leren werken en leren samenwerken. Bij de beoordeling van open onderzoek kunt u kijken naar de inhoud van het onderzoek (het product) en de manier waarop het onderzoek is verlopen (het proces). Bij de beoordeling van het product zijn validiteit en betrouwbaarheid belangrijke criteria. Een onderzoek is valide (geldig) als er ook echt een antwoord is gegeven op de onderzoeksvraag. Een onderzoek is betrouwbaar als de metingen herhaalbaar zijn. In open onderzoek komen leerlingen met eigen begrippen en eigen methoden. De validiteit en betrouwbaarheid daarvan staan niet bij voorbaat vast. De vraag is gerechtvaardigd of de leerlingen wel echt te weten zijn gekomen wat ze wilden weten. Een van de doelen van open onderzoek is de leerlingen te leren om over die vraag na te denken. Bij validiteit en betrouwbaarheid gaat het om vragen als: Is de onderzoeksvraag duidelijk? Zijn alle te meten grootheden gedefinieerd? Zijn de juiste instrumenten gekozen? Is de juiste opstelling gebruikt? Is er een eerlijk onderzoek gedaan (werden relevante variabelen onder controle gehouden)? Zijn de metingen herhaalbaar? Zijn de meetresultaten nauwkeurig genoeg? Is de grafiek correct getekend? Is er inderdaad een conclusie (soms wordt een waarneming als conclusie gezien)? Volgt de conclusie inderdaad uit de waarnemingen? Past de conclusie bij de onderzoeksvraag? Bij de beoordeling van het proces gaat het om heel andere vragen: Is er goed samengewerkt? Hoe verliep de organisatie? Hoe verliep de communicatie? Hoe zelfstandig is er gewerkt? Zoals u ziet, moeten er nogal wat vragen beantwoord worden. Het is verstandig er goed over na te denken hoe u de beoordeling wilt aanpakken. Een paar tips: 1 Bepaal van tevoren waarop u wilt letten bij de beoordeling en hoe zwaar de verschillende onderdelen meewegen. Deel dit van tevoren mee aan de leerlingen. 2 Bepaal een cijfer dat te verdedigen is, zonder te pretenderen 100% objectief te zijn. Geef halve of hele punten, nooit tienden van punten. Dat is nooit te verdedigen en roept alleen maar vragen op. 8

9 Validiteit en betrouwbaarheid kunnen beoordeeld worden aan de hand van het verslag. Voor een oordeel over het proces zult u zich een beeld moeten vormen van de manier waarop elke groep heeft gewerkt. De les(sen) waarin de experimenten wordt uitgevoerd, bieden daarvoor de beste gelegenheid. Het is vaak handig na afloop van de les enkele aantekeningen over elk groepje te maken. 1.3 De digitale onderdelen van Sensor Als uw school naast de handboeken en opdrachtenboeken gekozen heeft voor het aanschaffen van het epack van Sensor, dan neemt het aantal mogelijkheden voor oefening en toetsing flink toe De methodesite Op het openbare deel van de methodesite vindt u onder andere informatie over de methode Sensor en kunt u zich aanmelden voor de nieuwsbrief. Interessant is ook de demo van het epack waarmee u snel een goede indruk krijgt van alle mogelijkheden. Malmberg biedt ook trainingen aan waarmee u snel en vaardig met het epack kunt leren omgaan. Het beveiligde deel van de site is alleen bedoeld voor gebruikers van de methode. Op deze wijze kunnen wij waardevolle content op de afgesloten delen plaatsen en zijn auteursrechten goed beschermd. Het epack bevat verder een leerlingendeel en een docentendeel. Uiteraard kunnen leerlingen niet in het docentendeel komen; docenten kunnen wel in het leerlingendeel komen. Het epack-leerlingendeel wordt aangeboden per niveau, voor leerjaar 1 en 2 samen. Het epackdocentendeel geeft toegang tot beide leerjaren op alle niveaus. De inlogprocedure en informatie over de geldigheidsduur van de licenties is te vinden in de instructie bij uw licentie. U hebt na het inloggen toegang tot alle materialen op de methodesite. Uitgebreide informatie over de mogelijkheden die de methodesite biedt en bijbehorende werkinstructies vindt u in de docentenhandleiding voor de e- methodes die u als apart document kunt downloaden. Deze handleiding is beschikbaar op het docentenepack Leerlingenmateriaal in het epack In het epack vindt de leerling aanvullend en ondersteunend leermateriaal. Het epack helpt de leerlingen zo om de leerstof zelfstandig door te werken, op school of thuis. De basis voor het epack is de leerroute waarin de leerlingen worden gestuurd om de stof in de juiste volgorde door te werken. Leerlingen krijgen ook additionele leermaterialen aangeboden die aansluiten bij de mate waarin zij de stof beheersen. Voor meer informatie over de leerroutes kunt u de eerder genoemde docentenhandleiding voor de e- methodes raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van het leermateriaal dat te vinden is op het leerlingen-epack. Computerlessen Een deel van de leerdoelen in de Sensor-boeken wordt digitaal aangeboden in de vorm van computerlessen. De computerlessen bestaan uit presentaties en interactieve oefenstof. De leerlingen bekijken videoopnames en animaties en maken daar opdrachten over. Zo kunnen ze grote delen van de leerstof zelfstandig doorwerken, op school of thuis. De computerlessen kunnen als extra ondersteuning ook helpen bij het begrijpen van de stof. Als er een computerles aanwezig is bij de stof van een paragraaf, dan staat dat in het handboek aangegeven met een icoontje in de vorm van een desktopcomputer. Bij elk hoofdstuk zitten twee computerlessen. Adviestoetsen Dit zijn diagnostische toetsen waarmee leerlingen, en hun docenten, kunnen onderzoeken hoe goed ze de stof van een hoofdstuk beheersen. Per paragraaf zijn circa vijf vragen opgenomen, die allemaal digitaal op de site gemaakt worden. Er is naar gestreefd variatie aan te brengen in de vorm van de vragen: meerkeuzevragen, waar-onwaar-vragen, termen met elkaar verbinden, etc. Na het maken van de adviestoets krijgt de leerling een vervolgroute aangeboden. Op basis van de behaalde score krijgt de leerling additioneel leermateriaal per paragraaf aangeboden, dat aansluit op de mate waarin hij of zij de stof van die paragraaf beheerst. Herhaalopdrachten Per hoofdstuk zijn (in principe) twee herhaalopdrachten opgenomen waarmee lastige onderdelen nog eens geoefend kunnen worden. Vaak hebben deze opdrachten betrekking op rekenwerk, al dan niet in combinatie met het gebruiken van formules. De leerlingen leren soms op een andere manier opgaven aan te pakken. Zo zullen sommigen baat hebben bij het ge- 9

10 bruik van een 'formule-driehoek' of een verhoudingstabel als ze met formules aan de slag moeten. Plusopdrachten Per hoofdstuk zijn twee plusopdrachten opgenomen die een uitdaging kunnen zijn voor de betere en snellere leerling. Deze opdrachten kunnen zeer divers zijn: proeven die niet zo makkelijk klassikaal uitgevoerd kunnen worden, werken met formules die eigenlijk pas na klas 2 gebruikt worden, een poster maken, enzovoort. Het zijn overigens zeker geen opdrachten die even tussendoor gedaan kunnen worden. Vaardigheden In de loop van de jaren moet een leerling zich een aantal vaardigheden eigen maken. Denk hierbij aan het schrijven van een verslag van een proef maar ook het aflezen van een spanningsmeter. Alle relevante vaardigheden voor klas 1 en 2 zijn weergegeven op vaardigheidskaarten die in het epack digitaal beschikbaar zijn. Uiteraard kunt u ze ook uitprinten en in de klas leggen. De volgende vaardigheidskaarten zijn aanwezig: NASK-vaardigheden: Werken met een brander Werken met de spanningsmeter Werken met de stroommeter Werken met de multimeter Werken met de oscilloscoop Meetinstrumenten aflezen Een grafiek tekenen Onderzoek doen Werken met formules Een verslag schrijven Een verslag uitwerken TECHNIEK-vaardigheden: Een werktekening maken Het ontwerpproces Boren De blindklinktang Draad knippen en buigen Draad strippen Lijmen Perspex buigen Plaat buigen Plaat knippen Schuren en polijsten Solderen Vijlen Zagen met de hand Zagen met de machine Knipbladen Voor een aantal opdrachten uit het opdrachten boek zijn knipbladen nodig. Deze vindt u in het epack Docentenmateriaal in het epack De epack-licentie geeft u toegang tot eindtoetsen bij de methode, de Digiboeken, alternatieven lessen en de materiaallijsten. Ook hebt u uiteraard toegang tot al het digitale leerlingenmateriaal. Maar u kunt nog verder gaan: u kunt ICT-lessen arrangeren en de resultaten van uw leerlingen nauwgezet volgen via het leerlingmanagementsysteem. U kunt dan precies bijhouden welke onderdelen uw leerlingen hebben afgerond. Daarnaast hebt u de mogelijkheid om eigen lesmateriaal toe te voegen. Raadpleeg voor deze mogelijkheden de Docentenhandleiding voor de e-methodes. Hieronder vind u een overzicht van het leermateriaal dat te vinden is op het docenten-epack. Eindtoetsen Malmberg levert u kant-en-klare eindtoetsen bij elk hoofdstuk, in twee versies: toets A en toets B. Deze toetsen zijn beschikbaar als pdf-bestand en als Wordbestand om als print in de klas te gebruiken. U kunt de toetsen in Word zelf eenvoudig aanpassen. Daarnaast zijn de digitale toetsen beschikbaar in het epack. Leerlingen maken deze toetsen digitaal. Vervolgens worden de toetsen automatisch nagekeken en van een score voorzien. Digiboeken Met het Digiboek kunt u op een eenvoudige wijze de hand-, opdrachten- en uitwerkingenboeken op een digitaal schoolbord, of via een beamer, presenteren. In het Digiboek van de handboeken vindt u ook het verrijkte Digiboek: in deze lessen staat een aantal didactische animaties. Hiermee kunt u eenvoudig lastige begrippen verduidelijken aan uw leerlingen en blijft de organisatie van uw les gewaarborgd. Ook kunt u een groot aantal beelden uitvergroten om klassikaal te bekijken. Alternatieve lessen De auteurs van Sensor hebben voor een aantal hoofdstukken suggesties bedacht voor alternatieve manieren om onderwerpen uit de stof in de klas te introduceren. U kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan het in de klas halen van muziekinstrumenten om het hoofdstuk over geluid luister bij te zetten, of aan het in de klas halen van een fiets om het onderdeel over verzet en versnelling beter te kunnen uitleggen. Per jaardeel worden er minimaal twee alternatieve lessen aangeboden, dus minimaal vier per leerjaar. Materiaallijsten Voor de proeven en werkstukken hebt u verschillende materialen en gereedschappen nodig. Twee aanbieders van materialen en gereedschappen hebben per hoofdstuk een lijst gemaakt van alle benodigdheden. 10

11 De lijst van Eurofysica bevat voornamelijk materialen voor de proeven; de lijst van Opitec is meer gericht op de werkstukken. Deze lijsten vindt u terug op het docentendeel van het epack, maar ook achterin deze handleiding. 1.4 Planning We kunnen hier niet exact aangeven, hoeveel tijd u voor de behandeling van elk hoofdstuk en elke paragraaf moet uittrekken. U kunt meer of minder aan practicum doen, alle opgaven laten maken of een selectie daaruit, wel of niet aan open onderzoek doen, één of twee werkstukken laten maken enzovoorts. Ook zult u met de ene klas sneller kunnen werken dan met de andere. Om al deze redenen vindt u hieronder niet meer dan een globale tijdsplanning. hoofdstuk benodigde volledige uren (60 min) aantal lessen bij lessen van 50 min Opgegeven is het aantal lessen dat nodig is voor het behandelen van de leerstof, voor het laten maken van alle werkstukken en het laten uitvoeren van alle proeven. In de gegeven aantallen lesuren is niet opgenomen de tijd die nodig is voor het afnemen van toetsen en voor het werken met additioneel lesmateriaal. 11

12 2 Sensor hoofdstuk voor hoofdstuk In dit tweede deel van de docentenhandleiding worden alle zeven hoofdstukken van deel 1A en 1B samen in detail besproken. Als u met een nieuw hoofdstuk begint, is het natuurlijk verstandig als u vooraf in het handboek op de openingspagina van het hoofdstuk kijkt naar de onderwerpen van de paragrafen, de onderwerpen van de extra stof, de werkstukken en de proeven. De startopdracht vindt u beschreven op de pagina na de grote openingsfoto. Deze opdracht zal over het algemeen niet meer dan 15 minuten in beslag hoeven te nemen. Als u vervolgens door het hele hoofdstuk heen bladert, zult u een indruk krijgen van de hoeveelheid tekst die de leerlingen moeten verwerken en van bijv. de hoeveelheid rekenonderdelen in het hoofdstuk. Van elk hoofdstuk zijn hieronder opgenomen: de algemene uitgangspunten en de globale inhoud een schema met daarin alle paragrafen, Extra's, werkstukken, proeven en open onderzoeken de leerdoelen uitleg en tips bij de vier paragrafen afzonderlijk antwoorden bij de werkstukken en proeven (voor zover antwoorden mogelijk zijn) De materialen die nodig zijn voor de werkstukken en proeven vindt u opgesomd in hoofdstuk 3. In vrijwel elk hoofdstuk zou u af en toe een 'concept cartoon' kunnen gebruiken. Deze cartoons zijn ontworpen om leerlingen over natuurwetenschappelijke begrippen aan het denken en praten te krijgen. Zie bijv. het boek van Stuart Naylor en Brenda Keogh: Concept Cartoons in Science Education (Millgate House Publishers; ISBN ). U kunt ook internet raadplegen: kijk bijvoorbeeld op of zoek op concept cartoons met Google. 2.1 Hoofdstuk 1 Kennismaken met techniek en natuurwetenschappen Uitgangspunten en schema In hoofdstuk 1 wordt een aantal fundamenten gelegd voor de gehele methode. De nadruk ligt op kennismaken met onder andere de belangrijkste materialen uit de techniek (paragraaf 1 en 3), technisch tekenen en tekeningen lezen (paragraaf 2) en het aanpakken van ontwerpproblemen. Voor dat laatste wordt het stappenmodel voor het ontwerpproces geïntroduceerd (paragraaf 1; in de eerste druk van Sensor werd het min of meer vergelijkbare Kompa$-model gebruikt)). Dat model zal verder in de methode regelmatig genoemd en gebruikt worden, maar biedt ook goede mogelijkheden om de open onderzoeken en andere open opdrachten aan te pakken. In de werkstukken is bewust een tekenopdracht opgenomen waarbij de leerlingen met isometrisch papier moeten werken. Hoofdstuk 1 in schema paragraaf 1 Het ontstaan van producten Extra 1 Natuurwetenschappen paragraaf 2 Een idee uitwerken Extra 2 Tekenen met de computer paragraaf 3 Materiaal kiezen werkstukken proeven aantal theorievragen 1 Een kandelaar van messing en hout 1 De invloed van hoge temperatuur op water 2 Hoe sterk is een verbinding van klittenband 2 Een woonwijk tekenen 3 Het volume van voorwerpen bepalen 4 Welke stoffen geleiden geen elektriciteit? 5 De buigbaarheid van hout ja computerles 12

13 werkstukken proeven aantal theorievragen computerles Extra 3 Nieuwe materialen paragraaf 4 Veiligheid 7 De brandbaarheid van een aantal vloeistoffen 2 4 ja Extra 4 Het vervoer van gevaarlijke stoffen 2 Open onderzoeken: paragraaf 3: proef 6 Klittenband paragraaf 4: proef 8 Veiligheidsmaatregelen alternatieve les: paragraaf 4: Veiligheidswijzer herhaalopdrachten: paragraaf 2: Oppervlakte en volume berekenen paragraaf 2: Lengtematen omrekenen plusopdrachten: paragraaf 3: Massa en gewicht paragraaf 3: Een dichtheidstabel maken Leerdoelen Paragraaf 1 01 Weten wat gereedschappen zijn. 02 Weten wat het verschil is tussen technische en natuurlijke producten. 03 Weten wanneer nieuwe producten ontstaan. 04 Weten wat ontwerpen is. 05 Weten volgens welke vijf stappen ontwerpen gebeurt. 06 Weten wat grondstoffen zijn. 07 Weten wat kunststoffen zijn. 08 Weten wat natuurwetenschappers doen. Extra 1 09 Weten wat men in de natuurkunde bestudeert. 10 Weten wat men in de scheikunde bestudeert. 11 Weten wat men in de biologie bestudeert. Paragraaf 2 12 Weten welke zaken er in een bouwpakket zitten. 13 Weten wat een schets is. 14 Weten wat een plattegrond en een tekening op schaal is. 15 Weten wat een grootheid en een eenheid is. 16 Weten wat een SI-eenheid is. 17 Van grootheid afstand weten wat het symbool is en wat de eenheden en hun symbolen zijn. 18 Weten hoe je zo kort mogelijk zinnen zoals de afstand is vijf en twintig meter noteert. 19 Enkele meetinstrumenten voor afstand kunnen opnoemen en weten hoe je er mee werkt. 20 Eenheden van afstand in elkaar kunnen omrekenen. 21 Weten wat er met schaal 1:4 bedoeld wordt en hiermee kunnen rekenen. 22 Van de grootheid oppervlakte weten wat het symbool is en wat de eenheden en hun symbolen zijn. 23 Weten hoe je zo kort mogelijk zinnen zoals de oppervlakte is vijf en dertig vierkante meter noteert. 24 Weten hoe je de oppervlakte berekent. 25 Van de grootheid volume weten wat het symbool is en wat de eenheden en hun symbolen zijn. 26 Weten hoe je zo kort mogelijk zinnen zoals het volume is vijf en dertig vierkante meter noteert. 27 Weten hoe je het volume berekent. 28 Weten wat een ruimtelijke tekening is. 29 Weten wat het voordeel is van een ruimtelijke tekening. 30 Weten wat een isometrische projectie is en aan welke voorwaarden die moet voldoen. 31 Een eenvoudige technische tekening kunnen lezen. 32 Weten wat maatlijnen en grenslijnen zijn. 33 Weten hoe je maten en maat- en grenslijnen in een werktekening zet. 34 Weten hoe je de werkelijke maten uit een werktekening haalt. 35 Weten wat met de aanzichten van een voorwerp wordt bedoeld. 36 Weten hoeveel aanzichten er van een voorwerp gemaakt kunnen worden. 37 Weten hoeveel aanzichten nodig zijn om een voorwerp te kunnen maken. Extra 2 38 Weten wat een tweedimensionaal en driedimensionaal beteken als het om tekeningen gaat. 39 Weten op welke drie manieren je op de computer kunt tekenen. 40 Kort kunnen aangeven wat Google SketchUp en CAD-CAM zijn. Paragraaf 3 41 Weten wat materialen zijn. 42 Enkele stofeigenschappen kunnen noemen. 13

14 43 Enkele kenmerken en toepassingen van metalen kunnen noemen. 44 Enkele voorbeelden van de metalen kunnen noemen. 45 Weten wat een legering is en waarom deze gebruikt worden. 46 Enkele kenmerken van glas kunnen noemen. 47 Weten wat glasvezels zijn en waarvoor ze gebruikt worden. 48 Weten wat glaswol is en waarvoor het gebruikt wordt. 49 Weten wat glasmatten zijn en waarvoor ze gebruikt worden. 50 Weten waar naaldhout en loofhout vandaan komen. 51 Enkele kenmerken en toepassingen van hout kunnen noemen. 52 Enkele kenmerken en toepassingen van keramiek kunnen noemen. 53 Enkele kenmerken en toepassingen van kunststoffen kunnen noemen. 54 Enkele voorbeelden van kunststoffen kunnen noemen. 55 Weten wat een composietmateriaal is. 56 Enkele toepassingen van composietmateriaal kunnen noemen. 57 Weten dat gereedschappen speciaal voor materialen worden ontworpen en daar een voorbeeld van kunnen geven. Extra 3 58 Enkele eigenschappen en toepassingen van Gore-Tex kunnen noemen. 59 Enkele eigenschappen en toepassingen van siliconen kunnen noemen. Paragraaf 4 60 Weten dat menselijk gedrag de belangrijkste factor is bij veiligheid. 61 Weten door welke twee acties je ongelukken kunt voorkomen. 62 Vijf manieren kennen waarop stoffen gevaarlijk kunnen zijn. 63 Drie voorbeelden kunnen noemen van de manier waarop verpakkingen van gevaarlijke stoffen kunnen beschermen tegen gevaar. 64 Weten wat veiligheidsvoorschriften zijn en wat de Arbowet daarmee te maken heeft. 65 Zes veiligheidsregels voor lokalen in scholen kunnen noemen. 66 Vier veiligheidsvoorzieningen in lokalen kunnen noemen. 67 Enkele belangrijke gevarensymbolen kennen. Extra 4 68 Weten wat je moet doen als een sirene afgaat bij ernstige gevaren. 69 Weten wat het VN-nummer en het GEVInummer aangeven bij transport van gevaarlijke stoffen Per paragraaf Paragraaf 1 De leerling maakt kennis met een stukje historie rond techniek en de natuurwetenschappen. U kunt uiteraard ook andere uitvindingen in de klas bespreken (maar begin niet direct over bijvoorbeeld de auto). Werkstuk 1, de kandelaar, is voor veel leerlingen waarschijnlijk het allereerste werkstuk dat ze maken. Veel gereedschappen zullen voor hen nieuw zijn en u zult dus de tijd moeten nemen om het een en ander uit te leggen. Uiteraard legt u ook alle regels uit die gelden in het technieklokaal (u kunt daarbij alvast verwijzen naar paragraaf 4 over veiligheid). Ook proeven zullen veel leerlingen nog weinig of niet gedaan hebben (alhoewel de situatie op de basisscholen iets aan het verbeteren is). De allereerste proef is al direct met een brander en dit is dé gelegenheid om de werking en bediening ervan te behandelen. U geeft uiteraard de regels voor veilig werken (zie ook paragraaf 4) en kunt de leerlingen verwijzen naar de vaardigheidskaart over werken met een brander. Paragraaf 2 Via bouwpakketten en schetsen worden drie natuurkundige grootheden geïntroduceerd: afstand, oppervlakte en volume. Het onderwerp 'op schaal' zullen leerlingen wellicht kennen van het lezen van landkaarten. Leerlingen die moeite hebben met het rekenwerk (dat ze in principe hebben geleerd op de basisschool), kunt u een herhalingsopdracht laten doen. Er wordt dieper ingegaan op technisch tekenen, zonder te streven naar een volledige kennis over de technische tekening en alles wat daarbij hoort. Het maken van werkstuk 2, het tekenen van een woonwijk, zal voor vrijwel alle leerlingen de eerste keer zijn dat ze op isometrisch papier werken. Het is belangrijk dat ze nauwkeurig werken en steeds goed nadenken voordat ze beginnen te tekenen. U zou met de leerlingen na afloop kunnen evalueren wat er wel en niet zo goed ging en waaraan dat lag. Paragraaf 3 Er komen veel materialen aan bod en het is aardig als u van zo veel mogelijk materialen voorbeelden laat zien, al dan niet via een filmpje. Kort komt het onderwerp gereedschappen aan bod. U kunt nog eens extra verwijzen naar het gereedschappenoverzicht achterin het boek maar ongetwijfeld hangt er in uw lokaal ook een dergelijk overzicht. Bij deze paragraaf hoort het eerste open onderzoek (er is er nog één in deel 1A, ook in hoofdstuk 1). Omdat leerlingen nog weinig tot geen onderzoeks- 14

15 ervaring hebben, zult u ze bij deze proef meer dan gewoonlijk moeten begeleiden. Paragraaf 4 De behandeling van deze paragraaf is natuurlijk dé gelegenheid om de veiligheidsregels in uw lokaal (en dat van anderen) te noemen en uit te leggen. Het open onderzoek bij deze paragraaf is niet echt een proef maar een soort inventarisatie van veiligheidsmaatregelen op school. U kunt bijv. leerlingen die hun werk af hebben met deze opdracht op pad sturen. 15

16 2.1.4 Antwoorden bij werkstukken en proeven ANTWOORDEN PROEF 1 Wat heb je zien gebeuren tijdens het aan de kook brengen van het water? Je kunt kronkelingen in het water zien verschijnen, daarna komen er kleine gasbelletjes van de bodem los. Die gasbelletjes worden steeds groter. Aan het eind van de proef zijn het grote dampbellen geworden en komt er damp van het water af. Wat heb je gehoord tijdens het aan de kook brengen van het water? Als het water ongeveer 80 C is, begint het te zingen. Hoe heet kon je het water maken? 100 C (misschien gaf jouw thermometer iets hoger of iets lager aan. Het is dan geen nauwkeurige thermometer) Waarom wordt het water niet heter, terwijl de brander toch aan is? Het water kookt en verandert in damp. ANTWOORDEN PROEF 2 Is er een verband tussen lengte van de verbinding en hoeveel je er aan kunt hangen? Ja, hoe langer de verbinding, des te meer kun je er aan hangen. ANTWOORDEN PROEF 3 De gemeten afmetingen en de berekende volumes zullen afhangen van de voorwerpen die u de leerlingen hebt gegeven. Vergelijk de volumes uit tabel 3 met de volumes uit tabel 4. Wat valt je op? Je kunt zien dat het volume van de voorwerpen A en B in beide tabellen hetzelfde is. Hoe kun je het volume van voorwerpen bepalen? 1 Door lengte, breedte en hoogte met elkaar te vermenigvuldigen. 2 Door het voorwerp onder te dompelen in een maatcilinder met water. Het volume = eindstand beginstand. Kun je van alle voorwerpen op die twee manieren het volume bepalen? Nee dat kan niet. Alleen van bijv. rechthoekige en vierkante voorwerpen kun je twee manieren het volume bepalen. 16

17 ANTWOORDEN PROEF 4 Welke stoffen laten elektriciteit niet door? Plastic, hout, papier en glas. Welke stoffen geven elektriciteit goed door? Koper, ijzer, lood en houtskool. Algemeen: alle metalen en koolstof geven elektriciteit door. Welke stoffen zijn niet geschikt voor de buitenkant van een elektrisch apparaat? IJzer, koper, lood en houtskool. ANTWOORDEN PROEF 5 Wat valt je op als je kolom 4 en kolom 6 met elkaar vergelijkt. De lat buigt veel meer door als hij op de brede kant ligt. Leg uit wat de beste stand is om een draagbalk voor een dak te monteren. Op de smalle kant. Balken buigen veel minder door als ze op de smalle kant liggen, dan als ze op de brede kant liggen. Ze kunnen op de smalle kant veel meer dragen dan op de brede kant. ANTWOORDEN PROEF 7 Welke van de vloeistoffen ontbrandt het makkelijkst? Benzine Welke van de vloeistoffen ontbrandt het minst makkelijk? Slaolie 17

18 2.2 Hoofdstuk 2 De fiets Uitgangspunten en schema In hoofdstuk 2 wordt binnen de context van fietsen onder andere ingegaan op materialen en hun eigenschappen. Het beschermen van metalen tegen roesten wordt behandeld. Vanuit de vraag: Hoe kom je op je fiets zo snel vooruit komen krachten, de versnelling, lagers enz. aan de orde. Voor de activiteiten is in dit hoofdstuk een goede sortering Lego (of vergelijkbaar materiaal) noodzakelijk. Als werkstuk maakt de leerling een strandzeiler of een zelf ontworpen kaarthouder. Hoofdstuk 2 in schema paragraaf 1 Verschillende fietsen Extra 1 Supersnelle fietsen paragraaf 2 Kracht en beweging overbrengen Extra 2 Versnellingen paragraaf 3 Materialen van de fiets Extra 3 Rubber paragraaf 4 Materialen beschermen 1 De strandzeiler 1 De fietskeuring 2 Weerstand 2 Een kaarthouder ontwerpen 3 Frontaal oppervlak 5 4 De tandwielen op je fiets 5 Het verzet 6 Lagers 13 7 Materiaal kiezen 15 8 Roesten: Wat zijn de oorzaken? 9 Roesten: Hoe kun je het voorkomen? 10 Verzinken 15 ja ja werkstukken proeven aantal theorievragen computerles Extra 4 Gritstralen 4 Alternatieve les: paragraaf 3: Fiets in de klas Herhaalopdrachten: paragraaf 2: De versnelling paragraaf 2: Het verzet Plusopdrachten: paragraaf 2: Rechtstreekse overbrenging paragraaf 2: De versnellingsbak van een auto Leerdoelen Paragraaf 1 01 Weten wat weerstand is m.b.t. de fiets, en oorzaken en gevolgen daarvan kunnen noemen. 02 (herhaling) Weten volgens welke vijf stappen ontwerpen gebeurt. 03 Weten wat een programma van eisen is en bij welke stap dit hoort. 04 Een voorbeeld kunnen noemen van een wettelijke eis voor de fiets. 05 Enkele functies van fietsen kunnen noemen. Extra 1 06 Weten wat luchtweerstand is. 07 Weten van welke twee factoren de grootte van de luchtweerstand afhangt. Paragraaf 2 08 Weten op welke twee manieren je spierkracht overbrengt op een fiets. 09 Weten waaruit de aandrijving van een fiets bestaat en wat zijn functie is. 18

19 10 Weten hoe je de beweging van een fiets kunt versnellen of vertragen met voor- en achterblad. 11 Weten wat we onder versnelling verstaan bij een fiets. 12 Weten wat we onder het verzet verstaan en hoe je deze berekent. 13 Weten wat de kenmerken zijn van een zwaar en licht verzet. 14 Weten wat de functie en de belangrijkste onderdelen zijn van kogellagers. 15 De eigenschappen van metalen en keramische lagers kennen. Extra 2 16 Kunnen uitleggen hoe een derailleurversnelling werkt en wat zijn kenmerken zijn. 17 Kunnen uitleggen hoe een naafversnelling globaal werkt en wat zijn kenmerken zijn. Paragraaf 3 18 Weten wat een doelgroep is en hoe deze een product 'bepaalt'. 19 Weten wat delfstoffen zijn en enige voorbeelden kunnen noemen met de bijbehorende grondstoffen. 20 Weten waarom soms metaal en soms kunststof wordt gebruikt voor een fiets. 21 De drie groepen kunststoffen kunnen noemen (thermoplasten, thermoharders, elastomeren) en de eigenschappen daarvan kunnen noemen. 22 Weten wat samengestelde materialen zijn en een voordeel daarvan kunnen noemen. 23 Weten wat een composiet is en daarvan vier voorbeelden kunnen noemen. Extra 3 24 Vier eigenschappen van rubber kunnen noemen. 25 De verschillen tussen natuurlijk en synthetisch rubber kunnen noemen. Paragraaf 4 26 Weten wat oxideren is. 27 Weten wat een oxidelaag is. 28 Weten wat roest met oxideren te maken heeft en een kenmerk van roest kunnen noemen. 29 Weten wat de oxidelaag bij metalen als koper en aluminium doet. 30 Weten wat edelmetalen zijn en voorbeelden daarvan kunnen noemen. 31 Weten wat verduurzamen van materialen is en twee voorbeelden daarvan kunnen geven. 32 Weten voor welke materialen verven geschikt is. 33 Weten wat een primer, een grondverf en een lakverf is. 34 Weten wat poedercoaten is. 35 Weten wat galvaniseren is en wat de twee manieren van aanbrengen inhouden (elektrisch en thermisch). 36 Weten dat kunststoffen dof en bros kunnen worden en hoe dit voorkomen kan worden. Extra 4 37 Weten wat gritstralen is en waarvoor je het toepast Per paragraaf Paragraaf 1 Het ontwerpproces in vijf stappen dat al in hoofdstuk 1 was geïntroduceerd, keert hier terug en wordt uitgelegd aan de hand van een concreet voorbeeld. Daarbij komt het lastige onderscheid tussen 'probleem' en 'behoefte' aan de orde. Deze twee zijn niet altijd zo makkelijk te onderscheiden. In de werkplaats maakt de leerling de strandzeiler. In dit werkstuk zitten allerlei materialen verwerkt van textiel tot metaal en van kunststof tot hout. Na dit werkstuk kan de leerling met de meeste materialen omgaan. Het werkstuk vergt meerdere lesuren. Afhankelijk van de situatie op uw school kunt u de leerling hier ook aan laten werken in zelfstudie-uren of thuis. De fietskeuring van proef 1 zou u ook zelf met een fiets van een leerling klassikaal kunnen uitvoeren. Paragraaf 2 Via de handrem en de ketting wordt helder gemaakt hoe je spierkracht overbrengt op de fiets. Dat dat ook slim kan, wordt uitgelegd met behulp van de versnelling. Verder worden tandwielen en lagers behandeld. U kunt ervoor kiezen de stof van deze paragraaf helemaal aan de hand van een echte fiets (en enige losse onderdelen) te behandelen (zoals beschreven is in de alternatieve les). Als los onderdeel kunt u bijv. een voorvork met wiel nemen (nodig voor proef 6) waarvan de lagers versleten of verwijderd zijn. Bij vrijwel iedere fietsenmaker zullen de benodigde spullen wel gratis of voor weinig te krijgen zijn. Als alternatief voor fietswielen kan ook een opstelling gebruikt worden waarin skatewieltjes gebruikt worden. Lager zijn vrij eenvoudig uit fietswielen of skatewieltjes te verwijderen. Oude of versleten lagers zijn ook wel te vinden of zelf te maken door uit de lagers het vet te verwijderen en er wat vuil (zand) in te stoppen en wellicht 1 of 2 kogeltjes te verwijderen. Als u kiest voor de alternatieve les dan komen de proeven 4, 5 en 6 te vervallen. Bij de behandeling van de extra stof zou u nog de versnellingsbak van de auto erbij kunnen betrekken. In proef 4 wordt met Lego (of vergelijkbaar materiaal) gewerkt. Als u veel van dit soort Lego op school hebt, dan kunt de leerlingen nog meer onderzoek laten doen (voorbeelden hiervan staan in de tweede plusopdracht en in de alternatieve les). 19

20 Paragraaf 3 In hoofdstuk 1 zijn ook al een aantal materialen behandeld. Net als daar kunt u er ook hier voor kiezen zo veel mogelijk materialen aan de hand van concrete voorbeelden te behandelen. Bij de uitleg over thermoplasten zou u een plastic bekertje of yoghurtbeker kunnen verhitten. Een filmpje daarvan tonen kan natuurlijk ook. Bij werkstuk 2 leert de leerling werken volgens het vijfstappenplan van het ontwerpproces. Deze opdracht zal veel tijd kosten en wellicht kunt u leerlingen er buiten de les aan laten werken.. Paragraaf 4 De leerling maakt kennis met roesten en hoe je materiaal daartegen kunt beschermen met behulp van verf, verzinken en verchromen. Bij de behandeling van de extra stof zou u in kunnen gaan op de vraag waarom gritstralen met echt zand (het zandstralen) tegenwoordig verboden is en op de vraag of de overheid zich daar wel mee moet bemoeien (en waarom het vroeger niet verboden was) 20

21 2.2.4 Antwoorden bij werkstukken en proeven ANTWOORDEN PROEF 2 1 Welk voorwerp valt het snelste op de grond? De prop papier. 2 Wat ondervindt de meeste weerstand van de lucht? Het stuk karton. 3 Leg uit welk effect weerstand heeft op de valtijd van een vallend voorwerp. Hoe groter de weerstand, hoe langer de valtijd. ANTWOORDEN PROEF 3 1 Welk object valt het snelst op de grond; het niet gevouwen stuk karton, het één keer dubbelgevouwen stuk karton of twee keer dubbelgevouwen stuk karton? Het twee keer dubbelgevouwen stuk karton. 2 Welk object valt het langzaamst op de grond; het niet gevouwen stuk karton, het één keer dubbelgevouwen stuk karton of twee keer dubbelgevouwen stuk karton? Het niet gevouwen stuk karton. 3 Leg uit wat de relatie is tussen het frontaal oppervlak van een object en de tijd die het voorwerp nodig heeft om de grond te bereiken. Hoe groter het frontaal oppervlak, hoe langer het duurt voor een voorwerp een bepaalde afstand is gevallen. ANTWOORDEN PROEF 4 Wat neem je waar? 4 Welk probleem ontstaat als je het kleine tandwiel door een groter tandwiel vervangt? De ketting past niet meer over beide tandwielen, de ketting is nu te kort. 5 Welk probleem ontstaat als je het grote tandwiel door een kleiner tandwiel vervangt? De ketting hangt nu slap, de ketting is nu te lang. 1 Wat is de functie van de ketting op je fiets? De ketting brengt de beweging van de trappers over op het tandwiel bij het achterwiel. Hierdoor draait het achterwiel. 21

22 2 Waarvoor zorgt het verschil in grootte van het voor- en achtertandwiel? Dat als het grote tandwiel één keer ronddraait het kleine tandwiel vaker ronddraait. 3 Vergelijk de antwoorden van vraag 1 en 3 bij de meetresultaten. Wat valt je op? Nee, ze zijn vrijwel hetzelfde. 4 Wat is de betekenis van de verhouding tussen het aantal tanden van het grote en het kleine tandwiel? De verhouding tussen het aantal tanden geeft aan hoeveel keer het kleine tandwiel ronddraait als het grote tandwiel 1 keer ronddraait. ANTWOORDEN PROEF 5 3 Wat is het verband tussen de versnelling waarin je fiets staat en het verzet van je fiets? Hoe hoger de versnelling des te groter is het verzet. ANTWOORDEN PROEF 6 1 Welk wiel draait het kortste rond? Het wiel zonder lagers. 2 Welk wiel draait het langste rond? Het wiel met lagers. 3 Wat is het effect van lagers op het ronddraaien van een fietswiel? Dat ze soepeler ronddraaien, zodat jij minder zwaar hoeft te trappen. ANTWOORDEN PROEF 7 1 Op welk materiaal stuitert het pingpongballetje het minst hoog? Rubber. 2 Op welk materiaal stuitert het pingpongballetje het meest terug? Triplex en/of hout. 3 Van welke materiaal zou jij een pingpongtafel maken? Leg je antwoord uit. Triplex en/of hout omdat de pingpongbal daarop het beste stuitert. 22

23 ANTWOORDEN PROEF 8 Wat neem je waar? 1 Kijk heel goed hoe de staalwol in elk jampotje er nu uitziet. Nummer in je schrift van 1 tot 7. Schrijf achter ieder nummer wat er met de staalwol is gebeurd. Potje 1: niets. Potje 2: er zit roest op de staalwol. Je ziet vooral veel roest op de plek waar het staalwol net onder en vlak boven het water zit. Potje 3: er zit roest op de staalwol. Je ziet roest het deel van de staalwol dat in het water zit. Potje 4: er zit roest op de staalwol. Je ziet op het deel van de staalwol in het water minder roest dan in hetzelfde deel in jampotje 2. Potje 5: er zit een klein beetje roest op de staalwol. Je ziet een klein beetje roest op het deel van de staalwol dat in water zit. Potje 6: niets. Potje 7: niets. 1 In staalwol zit ijzer. Onder welke omstandigheden roest ijzer zeker? Als er water of vocht is. 2 Gekookt water bevat minder zuurstof dan kraanwater. Leg aan de hand van je resultaten uit hoe zuurstof van invloed is op roesten? In gekookt water roest het ijzer minder. Dat zal te maken hebben met het feit dat er minder zuurstof in het water zit. 3 Waarom roest de staalwol in slaolie niet? Omdat in slaolie geen water en zuurstof zit. 4 Waarom roest de staalwol in jampot 3 minder hard dan in jampot 2? Omdat slaolie op het water voor zorgt dat er geen zuurstof vanuit de lucht bij de staalwol komt. 5 Wat is er nodig om ijzer (metalen) te laten roesten (oxideren)? Vocht (water) en zuurstof(lucht). ANTWOORDEN PROEF 9 Wat neem je waar? Kijk heel goed hoe de spijkers er nu uit zien. 1: Niets te zien. 2: Er zit roest op het deel van de spijker waar geen vaseline zit.de meeste roest zit op het deel dat boven het water zat. 3: Niets te zien. 23

24 1 Op welke spijker(s) zit geen roest? Leg uit waarom er op die spijker(s) geen roest voorkomt. In buis 1 zit geen vocht en er is naast zuurstof ook vocht nodig om ijzer te laten roesten. De spijker in buis 3 was ingesmeerd met vaseline en daardoor kon er geen vocht en zuurstof bij de spijker komen. Zodat die niet kon roesten. 2 Op welke spijker(s) zit wel roest? Leg uit waarom er op die spijker(s) wel roest voorkomt. Buis 2. Omdat dat bij dat deel van de spijker zuurstof en vocht kon komen. 3 Hoe kun je metalen (ijzer) tegen oxideren (roesten) beschermen? Door ervoor te zorgen dat er geen water en zuurstof bij het metaal kan komen. 4 Je zou dit proefje kunnen herhalen. In de plaats van vaseline zou je verf kunnen gebruiken. Krijg je dan dezelfde resultaten? Leg je antwoord uit. Ja, want de verf zorgt er ook voor dat er geen water en zuurstof bij spijker de kan komen. ANTWOORDEN PROEF 10 Wat neem je waar? Beschrijf wat er in de proef is gebeurd. Op één van de koperen plaatjes is een grijze aanslag ontstaan. En in de vloeistof zag je belletjes opstijgen. 1 Welke stof is op het koper neergeslagen? Leg je antwoord uit. Zink, want die stof was in het water opgelost. 2 Wat heb je nodig voor verzinken? Voor verzinken is elektriciteit nodig. 3 Kun je met behulp van elektriciteit metalen verzinken? Ja. 24

25 2.3 Hoofdstuk 3 De kermis Uitgangspunten en schema In hoofdstuk 3 wordt binnen de context de kermis' (en dan met name de achtbaan en het reuzenrad) ingegaan op vier belangrijke vragen rond constructies: waaruit bestaan constructies? (materialen, profielen) hoe maak je een constructie stevig, sterk, stabiel en veilig? (stevig door vorm, sterk door materialen, stabiel door groot grondvlak, veilig door Sensoren) welke soorten verbindingen zijn er? (indeling in categorieën) welke soorten krachten zijn er? (trek en druk, grootheid en eenheid) Daarmee geeft dit hoofdstuk, net als hoofdstuk 1 en 2, een behoorlijke hoeveelheid basiskennis die van toepassing is op veel technische producten, van colablikje tot wolkenkrabber. In het opdrachtenboek worden allerlei principes van constructies getest en gebouwd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van constructiemateriaal (Mecano of vergelijkbaar materiaal). In de startopdracht en in werkstuk 1 maken de leerlingen een brug. Ze maken kennis met een aantal verbindingen in werkstuk 2 (waarvan u een aantal verbindingen ook kunt weglaten). Hoofdstuk 3 in schema paragraaf 1 Constructies Extra 1 Slimme constructies paragraaf 2 Veiligheid en stabiliteit Extra 2 Het zwaartepunt paragraaf 3 Verbindingen Extra 3 Lassen paragraaf 4 Krachten 1 Een stevige brug 1 Constructies: een trede 2 Constructies: een hekje 3 Een boogbrug 4 Stevig papier 2 Een bakje vol verbindingen 5 Stabieler maken Sterkte van verbindingen 10 ja 7 Op een wc-rolletje staan 8 Stevig door vorm 9 Buigbaarheid onderzoeken 10 Kracht meten ja werkstukken proeven aantal theorievragen computerles Extra 4 Gewichten en g-krachten 3 Alternatieve les: N.v.t. Herhaalopdrachten: paragraaf 3: Welke verbinding is dit? paragraaf 4: Trekkrachten en drukkrachten in constructies Plusopdrachten: paragraaf 1: wapening paragraaf 4: Massa, zwaartekracht en gewicht 25

26 2.3.2 Leerdoelen Paragraaf 1 01 Weten wat onder een constructie wordt verstaan. 02 Weten wat onder stevigheid van constructies wordt verstaan. 03 Weten wat de eigenschappen van driehoekconstructies zijn. 04 Weten wat de eigenschappen van boogconstructies zijn. 05 Weten wat profielbalken zijn en enige voorbeelden kunnen noemen. 06 Weten hoe je materiaal kunt besparen in een constructie. 07 Weten wat onder plaatmateriaal wordt verstaan. 08 Weten hoe je plaatmateriaal steviger kunt maken. Extra 1 09 Wat onder slimme constructies wordt verstaan. 10 Een voorbeeld kunnen noemen van een slimme constructie. Paragraaf 2 11 Kunnen uitleggen hoe een achtbaan op twee manieren met sensoren veiliger wordt gemaakt (beugels, remzones). 12 Weten wat sensoren doen. 13 Weten wat onder stabiliteit van constructies wordt verstaan. 14 Weten hoe je een constructie stabieler kunt maken. 15 Weten welke afwegingen er spelen bij het veiliger maken van constructies. Extra 2 16 Weten wat onder het zwaartepunt wordt verstaan. 17 Het zwaartepunt van enige 'mooie' voorwerpen kunnen aanwijzen. 18 Kunnen uitleggen wat het zwaartepunt met de stabiliteit van een constructie heeft te maken. Paragraaf 3 19 Weten wat onder starre, demontabele en losvaste verbindingen wordt verstaan en van elk twee voorbeelden kunnen noemen. 20 De volgende verbindingen kunnen beschrijven: spijkers, schroeven, bouten en moeren, naaien, lijmen, solderen, klinken. felsen. 21 Van de genoemde verbindingen voor- en nadelen kunnen noemen. 22 In grote lijnen weten welke soorten verbindingen voor welke materialen geschikt zijn. 23 Weten wat de spoed is van een bout. 24 Weten wat met een 'bout M4' wordt bedoeld. Extra 3 25 Kunnen omschrijven wat lassen is en hoe dit wordt uitgevoerd. 26 Voor- en nadelen van lasverbindingen kunnen noemen. 27 Weten dat er verschillende varianten van lassen zijn en het kenmerk van elektrische lassen kunnen noemen. Paragraaf 4 28 Kunnen aangeven waardoor krachten in een constructie ontstaan. 29 Kunnen aangeven wanneer drukkrachten en wanneer trekkrachten ontstaan. 30 Kunnen aangeven wat spankrachten zijn. 31 Kunnen aangeven wat het gevolg van buiging is. 32 Kunnen uitleggen wat het voordeel is van een boogconstructie wat betreft krachten. 33 Kunnen uitleggen wat de sterkte van een materiaal is. 34 Kunnen uitleggen wat de 'wisselwerking tussen materiaal en constructie' betekent. 35 Weten dat kracht een grootheid is en wat het symbool ervoor is. 36 Weten wat de eenheid van kracht is en wat het symbool daarvoor is. 37 Weten hoe je kracht kunt meten. 38 De zwaartekracht op een voorwerp kunnen uitrekenen als de massa gegeven is. 39 Kunnen uitleggen wat de volgende krachten zijn en wanneer ze optreden: veerkracht, spierkracht, wrijvingskracht en windkracht. Extra 4 40 Kunnen uitleggen waardoor g-krachten ontstaan. 41 Situaties kunnen noemen waarin de g-kracht 0 g, 1 g of groter dan 1 g is. 42 De gevolgen van grote g-krachten kunnen noemen. 43 Kunnen uitleggen wat gewichtloosheid inhoudt Per paragraaf Paragraaf 1 Het begrip constructie wordt gedefinieerd vanuit de achtbaan op de kermis. De verbindingen die bij een constructie worden gebruikt, worden benoemd. De vorm en de stevigheid van een constructie worden door twee hoofdzaken bepaald: de keuze van het constructiemateriaal en de kennis over hoe je een constructie moet opbouwen. Het eerste onderwerp komt vooral in paragraaf 3 aan bod, het tweede onderwerp zit in paragraaf 1 en 2. Centraal in de paragraaf 1 staat stevigheid (bijv. door de driehoeksconstructie en de boogconstructie). Dat dik en zwaar niet altijd stevig betekent, wordt via de profielbalk duidelijk gemaakt. Ook wordt uitgelegd dat je door vormgeving slappe materialen verassend stevig kunt maken. Bij werkstuk 1, een brug, krijgt de leerling opnieuw te maken met een programma van eisen en moet hij samen met andere leerlingen, aan de hand van het ontwerpproces met de vijf stappen het probleem van het bruggen bouwen oplossen. Voor deze proef 26

27 is zeker meer dan een lesuur nodig (opdracht 5 t/m 8 kunnen eventueel vervallen). Afhankelijk van de situatie op uw school kunt u de leerling hier ook aan laten werken in zelfstudie-uren of thuis. Vanwege de complexheid van een achtbaan is hier gekozen voor een brug in plaats van een achtbaan. De constructieprincipes bij de brug gelden ook voor de achtbaan. Bij de proeven 1 en 2 kunt u misschien vooraf nog enige uitleg geven over het verschil tussen schetsen en tekenen (zie de laatste vraag bij beide proeven). Paragraaf 2 Na het onderwerp stevigheid in paragraaf 1, komt hier stabiliteit aan de orde. In deze paragraaf komt de leerling voor het eerst Sensoren tegen. Ze zitten bijv. in de beugels waarmee inzittenden van een achtbaan op hun plaats worden gehouden. De leerling wordt doordrongen van het feit dat er in een achtbaan veel aandacht moet zijn voor veiligheid. Hiervoor moet je achtbanen verdelen in zones en moet je van alles meten en regelen. Paragraaf 3 Het is aan te raden om van alle in deze paragraaf genoemde verbindingen een concreet voorbeeld te laten zien. Ook in het lokaal en elders in de school komen ongetwijfeld diverse verbindingen voor, dus wellicht kunt u die met de leerlingen langslopen. Bij werkstuk 2 kunnen de leerlingen oefenen met solderen; hier is een vaardigheidskaart van. In de Extra komt lassen aan bod. Omdat echt lassen in de klas of de werkplaats te gevaarlijk is met zoveel leerlingen, is hier geen proef mee mogelijk. Als u zelf goed kunt lassen, kunt u dat eventueel demonstreren. Paragraaf 4 De grootheid kracht (F) wordt geïntroduceerd en het kan geen kwaad om het verschil tussen grootheden en eenheden nog eens goed te benadrukken. Allerlei krachten worden benoemd. De druk- en trekkrachten in constructies worden uitgewerkt. De sterkte van constructies door hun vorm (driehoek of boog) wordt uitgelegd. Leerlingen die het lastig vinden om te bepalen of er nu een druk- of een trekkracht in bijv. een onderdeel van een driehoek optreedt, kunt u laten oefenen met een herhaalopdracht. Proef 9 lijkt op proef 5 van hoofdstuk 1 maar de onderzoeksvraag is nu anders. In de eerste druk was het onderwerp wapening (in beton) opgenomen. Dit onderwerp zit nu in een plusopdracht. 27

28 2.3.4 Antwoorden bij werkstukken en proeven ANTWOORDEN PROEF 1 Wat neem je waar? 1 Is de trede stevig? Eigen antwoord. 2 Is de trede nu stevig? Eigen antwoord. 3 Is de trede van figuur 11 steviger dan die van figuur 10? Ja. 1 Met welke vorm kun je een trede stevig maken? Een trede wordt steviger als je er een driehoekconstructie van maakt. 2 Hoe zou je met extra verbindingsstrips de trede nog steviger kunnen maken? Je zou nog meer driehoeken in de constructie kunnen aanbrengen. 3 Maak een schets van je ontwerp. Eigen antwoord. ANTWOORDEN PROEF 2 Wat neem je waar? 1 Kun je de constructie vervormen? Ja. 2 Kun je de constructie vervormen? Ja. 3 Kun je de constructie vervormen? Nauwelijks. 4 Welke van de drie constructies was het stevigst? De derde constructie. 28

29 1 Met welke bekende constructie kun je een hek stevig maken? Een hek wordt steviger als je er een driehoekconstructie van maakt. 2 Hoe zou je met extra verbindingsstrips het hek nog steviger kunnen maken? Je kunt extra driehoeken in de constructie aanbrengen. 3 Maak een schets van je ontwerp. ANTWOORDEN PROEF 3 Wat neem je waar? 1 Zakt de brug in elkaar? Nee. 1 Kan een boogbrug die is opgebouwd uit losse blokken stevig zijn? Ja. ANTWOORDEN PROEF 4 Wat neem je waar? 1 Kan het papier het lege flesje dragen? Ja. 2 Kan het papier het flesje dragen? Ja. 3 Kan het papier het flesje dragen? Vermoedelijk lukt dit ook nog wel. 4 Tot welk flesje kon het papier de fles dragen? Vermoedelijk geen enkel. 1 Kun je papier steviger maken door het op een speciale manier te vouwen? Ja, vouwen kan de stevigheid van papier vergroten. 2 Maakt het voor de stevigheid uit hoe je het papier vouwt? Ja, alleen met de groeven in de lengterichting wordt de stevigheid groter. 29

30 ANTWOORDEN PROEF 5 Wat neem je waar? 1 Welke koker viel het makkelijkst om? Koker 4. 2 Welke koker viel het makkelijkst om? Koker 1. 3 Welke koker viel het makkelijkst om? Koker 4. 1 Op welke twee manieren kun je een staande constructie stabieler maken? Je kunt het grondvlak vergroten; Je kunt onderaan extra gewicht aanbrengen. 2 Heeft de grootte van het grondvlak van de constructie invloed op de stabiliteit? Leg uit waarom wel of niet. Ja: hoe groter het grondvlak, hoe stabieler. ANTWOORDEN PROEF 6 1 Welke verbinding is het sterkst voor het verbinden van twee stukken karton? Eigen antwoord. 2 Welke verbinding is het zwakst voor het verbinden van twee stukken karton? Eigen antwoord. 3 Maakt het voor de sterkte van de verbinding uit welke lijm je gebruikt? Vermoedelijk wel want de lijmkracht verschilt van lijm tot lijm. 4 Maakt het voor de sterkte van de verbinding uit hoe je de nietjes vastmaakt? Als de nietjes in de richting van de trekkracht staan, zal de verbinding vermoedelijk eerder kapot gaan. 30

31 ANTWOORDEN PROEF 7 Wat neem je waar? 1 Kan het rolletje jouw volle gewicht dragen? Vermoedelijk niet. 2 Kan het rolletje jouw volle gewicht dragen? Vermoedelijk wel. 1 Is een gevulde koker sterker dan een lege koker? Ja. 2 Kun je bij deze proef een conclusie trekken over de treksterkte of over de druksterkte van kokers of over beide? Alleen over de druksterkte, want je hebt niet aan de rolletjes getrokken. ANTWOORDEN PROEF 8 1 Is er verschil in sterkte tussen een rond en een vierkant profiel? Vermoedelijk wel. 2 Welk profiel is het sterkst? Vermoedelijk het ronde profiel. ANTWOORDEN PROEF 9 1 Welk materiaal buigt het meest door? Eigen antwoord. 2 Welk materiaal buigt het minst door? Eigen antwoord. 3 Waarom is het belangrijk dat alle drie de 'latjes' ongeveer dezelfde afmetingen hebben? Anders kun je ze niet eerlijk vergelijken op buigbaarheid. 4 Blijkt uit jouw metingen dat het volgende klopt: Als je vier gewichtjes aan een latje hangt in plaats van twee, dan is de doorbuiging twee keer zo groot. Eigen antwoord. Het antwoord kan per materiaal verschillen. 31

32 ANTWOORDEN PROEF 10 Wat neem je waar? 1 Vergelijk de kracht op blokje 1 en 2 samen met de krachten op blokje 1 en 2 apart. Wat valt je op? De kracht op blokje 1 en 2 samen is gelijk aan de som van de kracht op blokje 1 en de kracht op blokje 2. 2 Bekijk de veer in de twee unsters goed. Wat voor verschil zie je? De veer in de unster van 1 N heeft meer 'windingen' en is van dunnere draad. 3 Als je aan een unster van 1 N trekt met een kracht van 2 N, dan kan de unster kapot gaan. Bekijk de veerunster van 1 N: hoe heeft de ontwerper ervoor gezorgd dat dit in de praktijk niet gebeurt? Er zit een blokkering ingebouwd waardoor de veer niet te ver kan worden uitgerekt. Wat zijn je conclusies? 1 Waarom kun je met een veerunster van 1 N de zwaartekracht op sommige blokjes niet meten? Als je een unster hebt die kan meten tot 1 N, dan kun je daarmee alleen de zwaartekracht meten op lichte blokjes (blokjes waaraan de aarde trekt met maximaal 1 N). 2 Waarom is het beter hele lichte blokjes niet met de veerunster van 3 N maar met de veerunster van 1 N te meten? Met de veerunster van 3 N kun je minder nauwkeurig meten want op de unster van 1 N staan meer streepjes in het gebied van 0 tot 1 N. 3 Mag je de zwaartekrachten op twee losse blokjes bij elkaar optellen? Ja. 4 Welk blokje is het blokje van 100 g? Controleer je antwoord eventueel door een weegschaal te gebruiken. Het blokje waarbij de veerunster 1 N aangaf. 32

33 2.4 Hoofdstuk 4 De fietsverlichting Uitgangspunten en schema In hoofdstuk 7 komt de elementaire elektriciteitsleer aan de orde, deels binnen de context fietsverlichting. De grootheden stroomsterkte en spanning komen aan de orde; weerstand komt nog slechts zijdelings in beeld. De serie- en parallelschakeling wordt behandeld. Er is uitgebreid aandacht voor de veligheid bij het aanleggen en werken met elektriciteit. Hoofdstuk 4 in schema paragraaf 1 Elektriciteit op je fiets Extra 1 Zuinige lampen paragraaf 2 Spanning Extra 2 De zonnecel paragraaf 3 Schakelingen 1 Het elektrospel 1 Geleiders en isolatoren 2 De werking van een gloeidraad onderzoeken 3 Een led laten branden 3 4 De spanning in verschillende batterijen controleren 5 Zelf een spanningsbron maken 6 Het magnetisch veld 7 De werking van een dynamo 8 De spanning meten die een fietsdynamo levert 9 De plaatsing van een zonnepaneel 2 De autoverlichting 10 Serieschakelingen en parallelschakelingen 7 5 ja 3 6 werkstukken proeven aantal theorievragen computerles Extra 3 De wisselschakeling paragraaf 4 Veiligheid 11 Een wisselschakeling maken 12 Kortsluiting en een smeltveiligheid (demonstratieproef) 3 6 ja Extra 4 De aardlekschakelaar 2 Alternatieve les: N.v.t. Herhaalopdrachten: paragraaf 1: Stroomkring en spanning paragraaf 3: Schakelingen Plusopdrachten: paragraaf 2: De elektromotor paragraaf 2: Spanning, stroomsterkte en vermogen 33

34 2.4.2 Leerdoelen Paragraaf 1 01 Weten wat een stroomkring is en aan welke voorwaarden hij moet voldoen. 02 Weten wat onder een spanningsbron wordt verstaan en enige voorbeeld hiervan kunnen noemen. 03 De functie van een dynamo kunnen beschrijven. 04 Kunnen uitleggen waarom er twee stroomdraden in het snoer van elektrische apparaten zitten. 05 Weten wat goede geleiders zijn en er minstens drie kunnen noemen. 06 Weten wat isolatoren zijn en er minstens drie kunnen noemen. 07 Weten hoe de stroomkring voor de koplamp van een fiets met dynamo in elkaar zit. 08 Weten wat de functie van een schakelaar is. 09 Weten wat een gloeidraad is en hoe deze in lampen wordt toegepast. 10 Kunnen uitleggen waarom gloeilampen verboden worden en welke lampen in de toekomst gebruikt zullen worden en waarom. Extra 1 11 Twee voordelen van tl-lampen kunnen noemen. 12 Kunnen beschrijven hoe een tl-lamp licht geeft (uv-straling). 13 De relatie tussen spaarlampen en tl-lampen kunnen beschrijven. 14 Weten wat een diode doet met stroom. 15 De relatie tussen led en diode kunnen beschrijven. 16 De voor- en nadelen van led-lampen kunnen beschrijven. Paragraaf 2 17 Weten dat een spanningsbron als een batterij twee polen heeft. 18 Weten dat er tussen de polen van een spanningsbron spanning aanwezig is en kunnen uitleggen wat daarmee bedoeld wordt. 19 Spanning en stroom kunnen uitleggen aan de hand van de analogie met een hooggelegen en een laaggelegen vijver waartussen een waterval aanwezig is. 20 Weten wat een accu is. 21 Weten wat een dynamo is en kunnen beschrijven hoe er elektriciteit wordt opgewekt in een dynamo. 22 Weten waar de spanning die een dynamo levert, van afhangt. 23 Kunnen uitleggen waarom batterijen chemisch afval zijn. 24 Kunnen uitleggen waarom oplaadbare batterijen beter zijn voor het milieu. 25 De grootheid spanning in de elektriciteit kennen met zijn symbool, eenheid en meetinstrument. 26 Weten wat wordt verstaan onder elektrische energie. 27 Weten wat een generator is en waarvoor hij dient. 28 Weten hoe de elektriciteit van de centrale naar de huizen wordt getransporteerd. 29 Weten waarom een stopcontact gevaarlijk kan zijn en een batterij niet. Extra 2 30 Weten wat een zonnecel doet. 31 Weten wat fossiele brandstoffen zijn. 32 Weten wat onder duurzame spanningsbronnen wordt verstaan en kunnen uitleggen waarom een zonnecel zo'n spanningsbron is. 33 Weten wat zonnepanelen zijn en voorbeelden kunnen noemen van toegepassingen. Paragraaf 3 34 Weten wat een schakelschema is. 35 De basisafspraken voor het tekenen van een schakelschema kennen. 36 De symbolen voor enige componenten kennen en kunnen tekenen. 37 Weten wat een parallelschakeling is en een voorbeeldschakeling kunnen tekenen. 38 Twee voordelen van een paralleschakeling kunnen noemen. 39 Weten hoe de stroom door een parallelschakeling loopt. 40 Weten hoe thuis de verschillende apparaten zijn geschakeld. 41 Weten wat een serieschakeling is en een voorbeeldschakeling kunnen tekenen. 42 Weten waarom thuis de apparaten niet in serie zijn geschakeld. 43 Weten wat stroomsterkte is, wat het symbool hiervoor is en wat de eenheid met symbool is. 44 Weten hoe een stroommeter geschakeld moet worden er de stroomsterkte door een component te kunnen meten. Extra 3 45 Weten wat het doel van een wisselschakeling is en hoe je hem moet bouwen. 46 Een toepassing van de wisselschakeling kunnen noemen. Paragraaf 4 47 Weten waarom een spanning van 230 V vele malen gevaarlijker is dan een spanning van 6 V. 48 Weten wat onder netspanning wordt verstaan en hoe hoog deze is in Nederland. 49 Weten wat onder hoogspanning wordt verstaan en een toepassing van hoogspanning kunnen noemen. 50 Weten wat de functie van een transformator is. 51 Weten wat onder overbelasting wordt verstaanm, wanneer dit optreedt en wat de gevolgen kunnen zijn. 52 Twee manieren kunnen noemen waarop in huis wordt ingegrepen als overbelasting optreedt. 53 Kunnen uitleggen hoe een smeltveiligheid (zekering) voor veiligheid in huis zorgt. 34

35 54 Kunnen uitleggen hoe een installatieautomaat voor veiligheid in huis zorgt. 55 Weten wat kortsluiting is en wanneer het optreedt. 56 Weten wat het gevaar is van kortsluiting in huis. Extra 4 57 Weten wat een aardlekschakelaar doet en waarom hij in huis gebruikt wordt. 58 Weten wat onder lekstroom wordt verstaan en waarom lekstroom gevaarlijk is Per paragraaf Paragraaf 1 Bij de startopdracht hebben de leerlingen kunnen ontdekken dat er een gesloten stroomkring moet zijn wil een lampje branden. Vanuit dit besef wordt voortgebouwd: er is een spanningsbron nodig, er zijn geleidende draden nodig, je kunt een schakelaar inbouwen. Ook wordt ingegeaan op de vraag waarom een gloeilamp eigenlijk licht geeft als er stroom doorheen gaat. Via de gloeilamp (die leerlingen over enige jaren wellicht niet meer zullen kennen) komen we uit op de lampen van vandaag: spaarlampen en led-lampen en de Extra gaat hier ook over. Voorbeelden van led-lampen laten zien verlevendigt uw uitleg. Denk bijv. aan een opwindzaklamp met led-lampje. Bij proef 1 gaan de leerlingen vermoedelijk voor het eerst met een voeding werken. Het is verstandig daar eerst klassikaal iets over te vertellen. Proef 2 kunt u vanwege de veiligheid (hete draad) ook als demonstratieproef doen. Als u een (digitale) energieverbruiksmeter hebt, kunt u het verbruik van een gloeilamp en een spaarlamp of ledlamp met elkaar vergelijken. Bij werkstuk 1 kan in plaats van een batterijhouder ook een platte batterij van 4,5 V gebruikt worden. In dat geval is het mogelijk om paperclips als bevestigingsclips aan de stroomdraden te solderen. Paragraaf 2 De leerling maakt kennis met de grootheid spanning en dat is voor veel leerlingen soms nog heel lang een lastig begrip. Daarom is de analogie met het twee vijvers erbij gehaald. Een andere geschikte analogie is die van de skilift die skiërs vanuit het dal naar de top van een berg brengt. Het hoogteverschil is in beide analogieën een maat voor de spanning en het debiet van de waterval c.q. het aantal skiërs dat per minuut naar beneden komt is een maat voor de stroomsterkte. Bij een parallelschakeling kan het water/kunnen de skiërs op meerdere manieren naar beneden. Bij een serieschakeling zijn er meerdere watervallen/afdalingen achter elkaar. Het kan helpen om erop te wijzen dat het bij alle in het hoofdstuk genoemde toepassingen van elektriciteit om het verplaatsen van energie draait. Die energie moet eerst in de batterij/accu/dynamo gestopt worden en komt er dan in een andere vorm weer uit. Ter illustratie kunt u in de les opengewerkte dynamo's en batterijen gebruiken. Vertel leerlingen er wel bij dat ze nooit zelf batterijen moeten openbreken! In de proeven gaan de leerlingen werken met spanningsmeters of multimeters. Uitleg vooraf kan daarbij natuurlijk nooit kwaad. Er zijn vaardigheidskaarten voor het werken met beide meters en voor de stroommeter. Bij proef 4 is het voor een mooi onderzoeksresultaat wenselijk om verschillende batterijen te onderzoeken: nieuwe, reeds gebruikte en lege. Bij proef 5 wordt, zonder dat de leerlingen dat hoeven te weten, demiwater gebruikt. Bij proef 6 zijn Insteekmappen waar men de magneet in schuift heel handig omdat men dan het ijzer makkelijk van het plastic kunt laten glijden en zo voorkomt dat het aan de magneet blijft zitten. Bij proef 7 is het aan te bevelen om de opstelling klaar te hebben staan en de leerlingen bij toerbeurt naar de opstelling te laten gaan. Bij proef 9 moet het weerstandje 20 ohm zijn voor het beste resultaat. Paragraaf 3 De leerling leert hoe je een schakeling in symbolen moet tekenen. De fietsverlichting duikt weer op bij het onderwerp parallelschakeling maar vermoedelijk hebben weinig leerlingen meer een voor- en achterlicht die beide op de dynamo zijn aangesloten. Bij de bespreking van stroomsterkte kunt u de analogie met de twee vijvers er weer bijhalen (of de skilift). Bij de proeven kunt u de leerlingen aanleren om de schakeling overzichtelijk te houden, bijv. door op de kleur van de gebruikte draden te letten. Paragraaf 4 Deze paragraaf gaat uitgebreid in op de gevaren van elektriciteit en hoe je die kunt beperken. Er wordt uitgelegd hoe je de huisinstallatie kunt beveiligen tegen brandgevaar en wat kortsluiting is. Wellicht kunt u met de klas de 'meterkast' van de school bezoeken. Proef 12 is een demonstratieproef. Kortsluiting laten zien zonder iets kapot te maken, maar wel met een rookwolkje, kan de simulaties van bijv. Yenka Electronics (Crocodile Physics, Crocodile Clips) gebruiken. Als extra demoproeven bij proef 12 kunt u de volgende drie doen. Bij deze proef is het de bedoeling dat de leerlingen ontdekken dat een stroomdraad heet kan worden als de stroom groter wordt. 35

36 Benodigdheden: een traploos regelbare voeding een (liefst grote demonstratie)stroommeter een smeltdraad (eventueel verschillende materialen en diktes om te kijken welk materiaal en dikte gewenst zijn) Uitvoering: 1 e demoproef Voer de spanning op de smeltdraad stapsgewijs langzaam op. Vraag de leerlingen na iedere verhoging van de spanning de stroomsterkte af te lezen en te noteren in tabel 15a. Laat een leerling voelen of de draad warm wordt (of maak gebruik van een temperatuursensor, waarbij op een monitor de temperatuur van de draad getoond wordt). Voer de spanning zover op dat de smeltdraad zichtbaar begint te gloeien, maar laat hem nog niet doorbranden. Voer de spanning langzaam verder op en wijs de leerlingen op de kleurverandering van de gloeiende draad. Voer de spanning zover op dat de draad doorbrandt. Vraag nadrukkelijk aandacht voor de stroomsterkte na het doorbranden. 2 e demoproef Stap 1:Maak een opstelling met een lampje en een stroommeter. Laat het lampje zo fel mogelijk branden, zonder het kapot te laten gaan. Laat de leerlingen stap 1 in tabel 15b invullen. Stap 2: Maak met een stroomdraad kortsluiting over het lampje. Laat de leerlingen stap 2 in tabel 15b invullen. Stap 3: Hef de kortsluiting op. Laat de leerlingen stap 3 in tabel 15b invullen. 3 e demoproef Voeg aan de opstelling van de 2 e demoproef een smeltdraad toe. Laat het lampje zo fel mogelijk branden; de smeltdraad mag (net) niet gloeien. Wijs de leerlingen er op dat u kortsluiting gaat maken. Maak kortsluiting. Laat de leerlingen in hun schrift schrijven wat ze hebben waargenomen. Bespreek hun waarnemingen klassikaal. 36

37 2.4.4 Antwoorden bij werkstukken en proeven ANTWOORDEN PROEF 1 1 Welke van de door jou onderzochte stoffen geleiden elektrische stroom niet? Eigen antwoorden leerlingen 2 Welke van de door jou onderzochte stoffen geleiden elektrische stroom wel? Eigen antwoorden leerlingen 3 Tot welke groep stoffen horen bijna alle geleiders? De metalen. 4 Beantwoord nu de onderzoeksvragen. De stoffen die elektriciteit geleiden zijn op één na allemaal metalen. ANTWOORDEN PROEF 2 1 Welke invloed heeft de spanning op de temperatuur van de gloeidraad? Hoe hoger de spanning des te warmer wordt de draad. 2 Welke invloed heeft de spanning op de kleur van de gloeidraad? Hoe hoger de spanning des te meer licht geeft de gloeidraad. Eerst rood, dan geel later wit. 3 Wat gebeurt er als de spanning te hoog wordt? Dan brandt de gloeidraad door en is de stroomkring verbroken. ANTWOORDEN PROEF 3 Wat neem je waar? Lange pin verbonden met Geeft de led licht? + Ja Nee 1 Op hoeveel manieren kun je een led aansluiten zodat hij licht geeft? Op één manier. 2 Beantwoord nu de onderzoeksvraag. Als je een led in een stroomkring opneemt moet de lange pin met de + pool van de spanningsbron verbonden worden, anders brandt de led niet. 37

38 ANTWOORDEN PROEF 4 1 Bij welke batterijen klopt de opgegeven spanning met de gemeten spanning? Eigen meetresultaten van de leerlingen. 2 Bij welke batterijen klopt de opgegeven spanning niet met de gemeten spanning? Eigen meetresultaten van de leerlingen. 3 Beantwoord nu de onderzoeksvraag. Eigen antwoorden leerlingen. Waarschijnlijk zul je hebben ontdekt dat de spanning vaak lager is dan er op de batterij staat aangegeven. ANTWOORDEN PROEF 6 1 Wat gebeurt met ijzerdeeltjes in het magnetische veld? De ijzerdeeltjes worden zo door de magneet aangetrokken dat ze lijnen vormen. 2 Hebben magneten invloed op de het magnetische veld van elkaar. Zo ja hoe zie je dat? Ja magneten beïnvloeden elkaars magnetische veld want de ijzerdeeltjes worden anders verdeeld over de ruimte om de magneten. ANTWOORDEN PROEF 7 Wat neem je waar? Wat heb je gedaan? Magneet in de spoel gebracht en stil gehouden? Magneet uit de spoel gehaald. Magneet met de rode kant naar beneden door de spoel gehaald. Magneet met de witte kant naar beneden door de spoel gehaald. Wat nam je waar? De wijzer slaat uit naar één kant en keert terug naar de 0-stand als de magneet stil wordt gehouden. De wijzer slaat nu uit naar de andere kant en keert terug naar de 0-stand als de magneet uit de spoel is. De wijzer slaat bij het inbrengen naar de ene kant van de schaalverdeling uit, en bij het uithalen aan de onderkant slaat de wijzer uit naar de andere kant. De wijzer slaat bij het inbrengen naar de andere kant uit als toen eerst het rode deel van de magneet in de spoel ging. Bij het uithalen aan de onderkant slaat de wijzer naar de andere kant van het nulpunt uit. 38

39 1 Wekt een magneet die in een spoel stil hangt een elektrische stroom op? Nee. 2 Wat moet met een magneet gebeuren om elektrische stroom in een spoel op te wekken? De magneet moet in de spoel bewegen. 3 Beantwoord nu de onderzoeksvraag. Een dynamo wekt elektriciteit op door een magneet in een spoel te laten bewegen. ANTWOORDEN PROEF 8 1 Is er verschil in je metingen bij de verschillende snelheden? Ja als het goed is wel. 2 Beantwoord nu de onderzoeksvraag. Hoe sneller je fietst hoe meer spanning een dynamo levert. ANTWOORDEN PROEF 9 1 Bij welke hoek t.o.v de zon is de spanning het hoogst? Als het goed is bij 0O. 2 Bij welke hoek t.o.v. de zon is de spanning het laagst? Als het goed is bij 180O. 3 Beantwoord nu de onderzoeksvraag. De beste stand voor een zonnecel is zo dat de zonnestralen er loodrecht op vallen. ANTWOORDEN PROEF 10 1 Kunnen in een serieschakeling lampjes branden, terwijl andere lampjes in dezelfde schakeling uit zijn? Nee, alle lampjes zijn tegelijk aan of uit. 39

40 2 Kunnen in een parallelschakeling lampjes branden, terwijl andere lampjes in dezelfde schakeling uit zijn? Ja, in een parallelschakeling kunnen lampjes aan zijn en andere lampjes uit. 3 Beantwoord nu de onderzoeksvraag 1. In een serieschakeling zijn alle lampjes aan of uit. In een parallelschakeling kunnen lampjes apart aan en uit gezet worden. Beantwoord de onderzoeksvraag. De stroomsterkte is in een serieschakeling overal even groot. In een parallelschakeling niet. ANTWOORDEN PROEF 12 1 Wat gebeurt er met de stroomdraden als er een grote stroom door loopt? Hoe groter de stroom door de stroomdraad, hoe warmer de draad wordt. De draad kan zelfs doorbranden. 2 Wat gebeurt er met de stroomsterkte bij kortsluiting? Dan gaat er een grote stroom lopen. 3 Wat is de functie van de smeltveiligheid bij kortsluiting? Doordat de smeltveiligheid doorbrandt wordt de stroomkring verbroken. Het brandgevaar is dan voorbij. 40

41 2.5 Hoofdstuk 5 De verwarming Uitgangspunten en schema In hoofdstuk 5 wordt binnen de context de verwarming aandacht besteed aan de verwarmingsinstallatie (de techniek-component van dit hoofdstuk), aan warmtebronnen en aan de productie van warmte. Het begrip energie wordt geïntroduceerd (alhoewel in hoofdstuk 4 al elektrische energie aan de orde kwam) en nadrukkelijk gekoppeld aan warmte. Vanuit de verwarmingsinstallatie worden de drie vormen van warmtetransport aan de orde gesteld. Ook het verbrandingsproces komt aan de orde. Hoofdstuk 5 in schema paragraaf 1 De verwarmingsinstallatie Extra 1 Stadsverwarming paragraaf 2 Warmte maken en gebruiken Extra 2 Restwarmte paragraaf 3 Warmtetransport Extra 3 Je lichaam en warmte paragraaf 4 Isolatie Extra 4 Isolatiewaarde werkstukken proeven aantal theorievragen 1 Een warmtewip 1 Verbranden: lucht 2 Verbranden: een verbrandingsgas aantonen (1) 3 Indicator gebruiken (demonstratieproef) 4 Verbranden: een verbrandingsgas aantonen (2) 5 Volledige en onvolledige verbranding 6 Stroming (demonstratieproef) 7 Stroming in water 8 Stroming in lucht 9 Geleiding (demonstratieproef) 10 Warmtetransport in water 11 Warmtegeleiding in verschillende materialen 2 Een kookdoos 12 Isolatie ja ja 5 5 computerles Alternatieve les: Lekker warm (paragraaf 3) Herhaalopdrachten: Computerlessen bij hoofdstuk 5 (geen pdf s) Plusopdrachten: paragraaf 1: Verwarming door de zon paragraaf 2: De eenheid van energie 41

42 2.5.2 Leerdoelen Paragraaf 1 01 Weten wat warmtebronnen zijn en voorbeelden ervan kunnen noemen. 02 Weten hoe de cv-installatie in huis is opgebouwd. 03 Weten wat er in een cv-ketel gebeurt en de belangrijkste onderdelen en hun functie kunnen benoemen (o.a. van de warmtewisselaar). 04 Kunnen uitleggen hoe de warmte die in een cvketel wordt geproduceerd, verspreid wordt over de ruimten in het huis (pomp, leidingen). 05 De werking van een radiator kunnen uitleggen. 06 De functie van de thermostaat en thermostaatkraan kunnen uitleggen. 07 Voorbeelden kunnen geven van apparaten in huis die warm water kunnen maken (combiketel, geiser. zonneboiler). Extra 1 08 Weten wat onder stadsverwarming verstaan wordt. 09 Enige voor- en nadelen van stadsverwarming kunnen noemen. 10 Weten wat het verschil is tussen stadsverwarming ne blokverwarming. Paragraaf 2 11 Weten wat energiebronnen zijn en voorbeelden ervan kunnen noemen. 12 Weten wat onder een brandstof wordt verstaan. 13 Voorbeelden van brandstoffen kunnen noemen. 14 Weten wat er nodig is voor een goede verbranding van brandstoffen (brandstof, zuurstof, ontbrandingstemperatuur). 15 Weten wat er vrij komt bij het verbranden van een brandstof (welke verbrandingsgassen). 16 Het reactieschema van een volledige en onvolledige verbranding kunnen opschrijven. 17 De schadelijke effecten van onvolledige verbranding kunnen uitleggen. 18 Kunnen uitleggen hoe je aan een vlam kunt zien of een verbranding volledig. 19 Kunnen uitleggen hoe uiteindelijk de zon al onze energie levert. 20 Kunnen uitleggen hoe bij een verbranding de ene vorm van energie wordt omgezet in andere vormen van energie. 21 Weten wat onder chemische energie wordt verstaan. 22 Weten wat onder rendement wordt verstaan en de formule daarvoor kunnen opschrijven. Extra 2 23 Weten wat onder restwarmte wordt verstaan en wat je ermee kunt doen. 24 Weten wat een HR-e ketel is en kan. Paragraaf 3 25 De drie manieren van warmtetransport kunnen noemen. 26 Weten hoe warmtetransport via stroming werkt. 27 Weten waar in een verwarmingsinstallatie warmtetransport via stroming optreedt. 28 Kunnen uitleggen hoe het warmtetransport in een kamer in zijn werk gaat. 29 Weten hoe warmtetransport via geleiding werkt. 30 Weten waar in een verwarmingsinstallatie warmtetransport via geleiding optreedt. 31 Kunnen aangeven wat het belangrijkste verschil is tussen warmtetransport via geleiding en stroming. 32 Weten wat goede en wat slechte warmtegeleiders zijn. 33 Weten hoe warmtetransport via straling werkt. 34 Weten waar in een verwarmingsinstallatie warmtetransport via straling optreedt. 35 Kunnen aangeven wat het belangrijkste verschil is tussen warmtetransport via geleiding en stroming enerzijds en via straling anderzijds. 36 Weten hoe je warmteverliezen via straling kunt beperken. 37 Weten waarom stilstaande lucht in isolatiematerialen zit. Extra 3 38 Weten waardoor warmte ontstaat in het lichaam. 39 Weten hoe een teveel aan warmte kan worden afgevoerd door het lichaam. 40 Weten wat het lichaam doet om minder warmte af te staan als het koud is. Paragraaf 4 41 Weten wat verstaan wordt onder warmtelekken. 42 Weten wat onder isoleren van een huis wordt verstaan en kunnen uitleggen waarom dit belangrijk is. 43 Voorbeelden van isolatiematerialen in huis kunnen noemen. 44 Weten wat isolatieglas is. 45 Weten wat het energielabel is. 46 Weten hoe in een thermosfles het warmteverlies via stroming wordt tegengegaan. 47 Weten hoe in een thermosfles het warmteverlies via geleiding wordt tegengegaan. 48 Weten hoe in een thermosfles het warmteverlies via straling wordt tegengegaan. 49 Een thermosfles en een koelbox met elkaar kunnen vergelijken. Extra 4 50 Weten wat onder de k-waarde wordt verstaan. 51 Weten wat onder de R-waarde wordt verstaan Per paragraaf Paragraaf 1 De noodzaak van warmtebronnen (de zon) voor leven op aarde wordt duidelijk gemaakt. De warmtebron in huis, de verwarmingsinstallatie, wordt gebruikt om het proces van verwarmen te concreti- 42

43 seren. De eerste stap in dit proces, de productie, wordt uitgewerkt aan de hand van de ketel en de distributie van de gemaakte warmte door het huis wordt uiteengezet. Er zijn geen proeven bij deze paragraaf maar u kunt bijv. met de klas een bezoekje brengen aan de cvketel van de school en de verwarming van het lokaal bespreken. Als er boilers, geisers of combiketels op school zijn kunt u die natuurlijk ook nog gaan bekijken. Wellicht is er een leerling in uw klas die thuis een zonnecollector heeft. Paragraaf 2 In deze paragraaf een eerste kennismaking voor de leerling met reacties en wel die voor verbranding. Daarnaast een ander belangrijk thema, uit de natuurkunde: de omzetting van de ene vorm van energie in de andere. Als u werkstuk 1, de warmtewip, laat maken dan is het misschien aardig om de leerlingen iets meer over het bimetaal en zijn toepassingen te vertellen (zie ook paragraaf 4 van hoofdstuk 6). Paragraaf 3 In deze paragraaf worden de drie processen van warmtetransport behandeld. De context is steeds de verwarmingsinstallatie thuis. In paragraaf 4 komen de drie vormen van warmtetransport weer terug bij de behandeling van de thermosfles. Proef 7 kunt u eventueel achterwege laten als u proef 6, een demonstratieproef, in elk geval doet. Paragraaf 4 Een deel van deze paragraaf gaat over de isolatie van huizen maar uw school is ongetwijfeld ook op allerlei manieren geïsoleerd. Met uw leerlingen kunt u wellicht een aantal voorbeelden in het lokaal of elders in de school ontdekken. In de Extra worden twee waardes behandeld die met isolatie te maken hebben. Zoals u al uit afbeelding 39 kunt afleiden, wordt ook wel eens anders letters gebruikt om de k- en R-waarde aan te duiden. Bij werkstuk 2, de kookdoos, wordt weer geoefend met ontwerpen en het toepassen van het ontwerp proces in vijf stappen. Ook het technisch tekenen komt hier weer aan de orde. 43

44 2.5.4 Antwoorden bij werkstukken en proeven ANTWOORDEN PROEF 1 Wat neem je waar? 1 Wat gebeurt er met de kaars? De kaars gaat uit. 2 Wat gebeurt er met het water in de cilinder? Het water in de maatcilinder stijgt net voordat en nadat de kaars uitgaat. 1 Verdwijnt er lucht uit de maatcilinder tijdens het branden van de kaars? Leg je antwoord uit Ja, want het water in de maatcilinder stijgt als de kaars brandt en als die uitgaat. Er is dus ruimte voor meer water in de maatcilinder. Dat kan alleen als er lucht verdwenen is. 2 Hoeveel procent van de aanwezige lucht is verdwenen? Eigen antwoord. De verwachting is een getal tussen de 15 en 20 %. 3 In de inleiding van deze proef staat wat de samenstelling van lucht is. Welke stof denk je dat uit de lucht verdwenen is? Leg je antwoord uit. Zuurstof, want het percentage van de verdwenen lucht ligt het dichtste bij het percentage zuurstof in de lucht. Er is dus bijna geen zuurstof meer en daarom gaat de kaars uit. 4 Welke stof uit de lucht is nodig voor verbranding? Zuurstof. ANTWOORDEN PROEF 2 Wat neem je waar? 1 Wat gebeurt er met de binnenkant van het bekerglas? Die beslaat een klein beetje, en de condens verdwijnt daarna weer. 2 Wat gebeurt er met het brandend waxinelichtje? Het brandende waxinelichtje gaat uit. 3 Wat gebeurt er met custard als er water bij komt? Het verandert van kleur, het wordt dan geel. 4 Wat gebeurt er met custard als er water bij komt? Eigen antwoord. De verwachting is dat een deel van de custard van kleur verandert en geel wordt. 44

45 1 Welke stof kun je met custard aantonen? Water, want als water bij custard komt wordt het geel. 2 Welke stof ontstaat er als een waxinelichtje brandt? Er ontstaat dan water in de vorm van waterdamp ANTWOORDEN PROEF 3 Wat neem je waar? 2 Welk gas zorgt ervoor dat er iets veranderde aan helder kalkwater als het er mee in contat komt? Koolstofdioxide. 3 Wat gebeurt er dan met het heldere kalkwater? Het wordt troebel en wit. 1 Met welke indicator kun je koolstofdioxide aantonen? Met helder kalkwater. 2 Hoe werkt het aantonen van koolstofdioxide met die indicator? Je leidt de koolstofdioxide door het heldere kalkwater. Het kalkwater wordt dan troebel en wit. ANTWOORDEN PROEF 4 Wat neem je waar? 1 Wat ontstaat er aan de binnenkant van de erlenmeyer? Water in de vorm van condens. 2 Wat voel je aan de buitenkant van de erlenmeyer? Dat die warm is geworden. 3 Hoe ziet het kalkwater eruit na het schudden? Het kalkwater is troebel en wit geworden. 1 Welke verbrandingsgas ontstaat er bij de verbranding van aardgas? Het verbrandingsgas koolstofdioxide. 2 Hoe kun je aantonen dat dit verbrandingsgas ontstaat? Leg je antwoord uit. Door het verbrandingsgas op te vangen en er dan wat helder kalkwater bij te doen. Dan schud je het kalkwater, het wordt dan troebel en wit. Dat is het bewijs dat het om koolstofdioxide gaat. Want helder kalkwater is een indicator voor koolstofdioxide. 45

46 ANTWOORDEN PROEF 5 Wat neem je waar? gastoevoer open, luchtregelring dicht gastoevoer open, luchtregelring heel klein beetje open gastoevoer open, luchtregelring ver open Is er een vlam? ja ja ja nee Kleur van de vlam geel geel blauw Geluid van de vlam geen geen hard ruisen Volledige verbranding? nee nee ja gastoevoer dicht, luchtregelring ver open 2 Hoe lang duurt het voordat het water kookt? Eigen antwoord. 3 Wat zit er op de buitenkant van de reageerbuis? Een zwarte aanslag (roet). 4 Hoe lang duurt het voordat het water kookt? Eigen antwoord. 5 Wat zit er op de buitenkant van de reageerbuis? Niets. 1 Welke invloed heeft de hoeveelheid lucht (zuurstof) op de verbranding? Als er weinig lucht is krijg je een gele vlam en ontstaat er roet (zwarte aanslag op glas). Bij veel lucht krijg je een blauwe (ruisende) vlam en ontstaat er geen roet. 2 Bij welke verbranding is de vlam het warmste, bij een onvolledige of een volledige verbranding? Leg je antwoord uit. Bij een volledige verbranding, want het duurt dan minder lang om het water te laten koken. Dat kan alleen als de vlam warmer is. 3 Hoe kun je een onvolledige verbranding herkennen? Aan een gele vlam en dat er roet bij vrijkomt. 46

47 ANTWOORDEN PROEF 6 Wat neem je waar? 1 Geef in de tekening in je schrift met pijlen aan hoe het water in de circulatiebuis stroomt. Er moet duidelijk te zien dat er vanaf de korrels een kleurstof omhoog gaat, en dan naar rechts de buis in en dan weer naar beneden in de rechter buis. Ook met pijlen aangeven dat de vloeistof in de linker buis naar boven gaat, in de horizontale buis boven naar rechts gaat, in de rechter verticale buis naar beneden gaat en in de onderste horizontale buis naar links stroomt. 2 Wat gebeurt er met het water op de plek waar het verwarmd wordt? Het gaat omhoog oftewel stijgt op. 3 Wat gebeurt er met het water in de buis? Het gaat (rond)stromen in de buis. 1 Wat doet water als het wordt verwarmd? Het stijgt op (gaat omhoog). 2 Wat doet water in een circulatiebuis als het wordt verwarmd? Het gaat stromen door de buis. 3 Is de zolder een logische plek voor de cv-ketel? Leg je antwoord uit. Nee, want als je water in de cv-ketel op zolder verwarmt wil het omhoog. Het moet echter omlaag, naar de kamers waar de radiatoren staan. Er is dan een pomp nodig het water naar beneden te pompen. ANTWOORDEN PROEF 7 1 Hoe gaat water stromen als je het verwarmt? Het water dat je verwarmt gaat omhoog, er komt dan nieuw koud water op de plek waar je het water verwarmt. Dat stijgt ook weer op als je het verwarmt. Enzovoort. ANTWOORDEN PROEF 8 Wat neem je waar? 1 Wat voel je als je je hand op 30 cm (bij kaars op 15 cm) naast de vlam houdt? Je voelt de warmte van de vlam. 47

48 2 Wat voel je als je je hand op 30 cm (bij kaars op 15 cm) boven de vlam houdt? Je voelt warmte en dat er warme lucht langs stroomt. 3 Wat gebeurt er als je de spiraal boven de vlam houdt? De spiraal gaat draaien. 1 Hoe stroomt lucht als je het verwarmt? Leg je antwoord uit. Lucht gaat omhoog als je het verwarmt. ANTWOORDEN PROEF 9 Wat neem je waar? 2 Bij welk metaal ontbrandde de lucifer als eerste? Eigen antwoord. De verwachting is de (rood)koperen staaf als een standaard Hopkins-toestel gebruikt wordt. 2 Bij welk metaal ontbrandde de lucifer als laatste? Eigen antwoord. De verwachting is de ijzeren staaf als een standaard Hopkins-toestel gebruikt wordt. 1 Geleiden alle metalen warmte even goed? Leg je antwoord uit. Nee, want de lucifers in de verschillende metalen staafje ontbranden op verschillende tijdstippen. Dat kan alleen als de metalen de warmte niet even goed geleiden. 2 Welk van de drie metalen in deze proef geleidt het beste? Eigen antwoord. De verwachting is de (rood)koperen staaf als een standaard Hopkins-toestel gebruikt wordt. ANTWOORDEN PROEF 10 Wat neem je waar? 3 In welke opstelling smelt het ijs het eerste, in A of in B? In opstelling B. 4 In welke opstelling gaat het water in de buis stromen? In opstelling B. 5 En welke kant stroomt het water op? Het water stroom naar boven, dat is naar de oppervlakte van het water in de buis. 48

49 1 Op welke manier wordt warmte het beste in water verplaatst, via stroming of via geleiding? Leg je antwoord uit. Via stroming, want in de opstelling waarin het water gaat stromen (opstelling A) smelt het ijs het eerste. Dat komt omdat er door het stromen van het water, warm water bij het ijs komt. 2 Is water een goede warmte-geleider? Nee. ANTWOORDEN PROEF 11 Wat neem je waar? Het staafje is warm bij vingers na... seconden Staafje warm bij stoppen van meting (ja/nee)? metaal eigen resultaat ja plastic eigen resultaat eigen resultaat 1 Welke materialen zijn het geschiktst theelepels van te maken? Leg je antwoord uit. Plastic, want dat wordt niet of niet snel warm als je er een hete drank mee roert. Zodat je je vingers er niet aan brandt. 2 Wat geleidt beter: metaal of plastic? Leg je antwoord uit. Metaal, want het wordt snel warm als het in kokend heet water staat. ANTWOORDEN PROEF 12 Wat neem je waar? 2 Kijk naar je grafiek. Welk jampotje koelt het snelste af? Jampotje 1. 1 Wat is het effect van isolatie op het afkoelen van water? Isolatie zorgt ervoor dat het minder snel afkoelt. 49

50 2.6 Hoofdstuk 6 De koelkast Uitgangspunten en schema In hoofdstuk 6 wordt binnen de context De koelkast ingegaan op koelen en de erbij horende faseovergangen. Via de thermometer komen de temperatuurschalen aan de orde. In de laatste paragraaf wordt het deeltjesmodel geïntroduceerd. De techniekcomponent zit in de besproken koelingsmachines (koelkast, vriezer, airco, ijsbaan). Hoofdstuk 6 in schema paragraaf 1 Temperatuur Extra 1 Fahrenheit en kelvin paragraaf 2 Fasen Extra 2 Vriesdrogen paragraaf 3 Koeling Extra 3 De ijsblokjesmaker paragraaf 4 De invloed van temperatuur op materialen Extra 4 Water: een uitzondering werkstukken proeven aantal theorie vragen 1 Temperatuur voelen 2 Een schaalverdeling op een thermometer aanbrengen 1 Een koelbox 3 Temperatuurverloop bij smeltend ijs 4 Het vriespunt verlagen 5 Een onderkoelde vloeistof 6 Het kookpunt van een zoutoplossing 7 Afkoelen door verdamping 2 Een thermoventilator 8 Metaal verwarmen en afkoelen (1) (demonstratieproef) 9 Metaal verwarmen en afkoelen (2) (demonstratieproef) 10 De invloed van temperatuur op metalen 11 Een bimetaal onderzoeken ja ja 4 computerles Alternatieve les: N.v.t. Herhaalopdrachten: Computerlessen bij hoofdstuk 6 (geen pdf s) Plusopdrachten: paragraaf 2: Wolken paragraaf 2: Het peltier-element 50

51 2.6.2 Leerdoelen Paragraaf 1 01 Weten wat onder gevoelstemperatuur verstaan wordt. 02 De grootheid temperatuur met zijn symbool, gebruikelijke eenheid (graad Celsius) en meetinstrument kennen. 03 Weten wat onder het meetbereik van meetinstrumenten verstaan wordt en kunnen uitleggen hoe het meetbereik samenhangt met de nauwkeurigheid van de meting. 04 Weten hoe een vloeistofthermometer in elkaar zit en kunnen verklaren hoe hij werkt. 05 Weten waarom soms de ene vloeistof en soms een andere beter geschikt is in een vloeistofthermometer. 06 Weten wat de Celsiusschaal is en het symbool voor de bijbehorende eenheid kennen. 07 In vier stappen kunnen beschrijven hoe je een Celsius-schaalverdeling op een thermometer aanbrengt (ijken). 08 Kunnen aangeven waar een oorthermometer op reageert. 09 Het onderdeel dat op de temperatuurverandering in een oorthermometer reageert kunnen noemen. Extra 1 10 Weten wat met het absolute nulpunt bedoeld wordt en hoeveel graden Celsius dat is. 11 Weten waarop de Kelvinschaal is gebaseerd en kunnen aangeven hoeveel kelvin 0 en 100 graden Celsius zijn. 12 Vanuit tabellen de temperatuur in graden Celsius kunnen omrekenen in kelvin en graden Fahrenheit en omgekeerd. Paragraaf 2 13 Weten welke drie fasen er zijn. 14 Van water weten hoe de stof in elk van de drie fasen heet. 15 Van meerdere stoffen kunnen aangeven in welke fase ze bij kamertemperatuur zijn. 16 Weten wat onder stoom wordt verstaan. 17 Weten welke zes fase-overgangen er zijn en weten bij welke fasen ze horen. 18 De bekendste twee fase-overgangen voor water kunnen benoemen in twee richtingen. 19 Bij elke fase-overgang een voorbeeld kunnen noemen. 20 Weten wat droogijs is. 21 Weten hoe in een koelbox producten gekoeld worden en welke fase-overgang daar achter zit. 22 Weten wat er bij het kookpunt gebeurt. 23 Weten wat er bij het stolpunt/vriespunt gebeurt. 24 Weten wat onder het smeltpunt wordt verstaan en wat de relatie daarvan is met het stolpunt. 25 Weten wat er met de temperatuur gebeurt tijdens het koken van water. 26 Weten wat de overeenkomst is tussen stollen en bevriezen. Extra 2 27 Weten wat vriesdrogen is. 28 Weten hoe je poederkoffie maakt en wat rijpen hiermee te maken heeft. Paragraaf 3 29 De drie belangrijkste deelsystemen van een koelkast kunnen benoemen (condensor, verdamper, compressor) en hun locatie weten. 30 De werking van een koelkast kunnen beschrijven op basis van fase-overgangen en de drie deelsystemen. 31 Weten waarom een verdampende vloeistof voor afkoeling zorgt. 32 Een overeenkomst en verschil kunnen noemen tussen een koelkast en een vriezer en de oorzaak van het verschil kunnen noemen. 33 Een parallel kunnen trekken tussen een koelkast en een airco. 34 De functie van de ventilatoren en de ontvochtiger in een airco kunnen beschrijven. 35 Kunnen beschrijven hoe een ijsbaan koeltechnisch in elkaar zit. Extra 3 36 Aan de hand van een tekening de werking van een ijsblokjesmachine kunnen beschrijven. Paragraaf 4 37 Weten wat onder moleculen en atomen wordt verstaan. 38 Kunnen aangeven wat een deeltjesmodel is en waarom je in sommige gevallen gebruikmaakt van zo'n model. 39 De vier eigenschappen van deeltjes in het gasmodel kunnen noemen en hiermee het gedrag van een gas kunnen verklaren. 40 De vier eigenschappen van deeltjes in het vloeistofmodel kunnen noemen en hiermee het gedrag van een vloeistof kunnen verklaren. 41 Kunnen aangeven waaruit je kunt concluderen dat de deeltjes elkaar aantrekken in de vloeistoffase. 42 De vijf eigenschappen van deeltjes in het vaste-stofmodel kunnen noemen en hiermee het gedrag van een vaste stof kunnen verklaren. 43 Het krimpen en uitzetten van stoffen kunnen verklaren aan de hand van het deeltjesmodel van die stoffen. 44 De werking van het bimetaal kunnen verklaren. 45 De fase-overgangen smelten, verdampen, condenseren en stollen kunnen verklaren met de deeltjesmodellen. Extra 4 46 Kunnen uitleggen wat de unieke eigenschap is van water bij afkoeling. 47 Kunnen verklaren waarom ijs drijft op water. 51

52 2.6.3 Per paragraaf Paragraaf 1 Via de klassieke vloeistofthermometer wordt de grootheid temperatuur (T) met de eenheid graad Celsius geïntroduceerd. In de Extra komen de graad Fahrenheit en de kelvin aan bod. Er wordt uitgelegd hoe je een Celsius-schaalverdeling moet maken (de term ijken wordt niet genoemd maar kunt u natuurlijk hier introduceren) en in proef 2 kunnen de leerlingen dat zelf doen. Er wordt wel ingegaan op het meetbereik van thermometers maar de gevoeligheid wordt alleen terloops genoemd. Er wordt wel ingegaan op de verschillende keuzes van thermometervloeistof en elektronische thermometers worden behandeld. In de klas kunt u wellicht een aantal verschillende thermometers tonen. Bij de oventhermometer kunt u dan al vooruit wijzen naar het bimetaal in paragraaf 4. In de proeven van dit hoofdstuk wordt weer regelmatig gewerkt met de brander. Daar is een vaardigheidskaart voor beschikbaar. Paragraaf 2 De drie fasen en de erbij horende overgangen komen aan de orde. Er is aandacht voor het kookpunt en het vriespunt. Er wordt niet gekeken naar een smeltkromme en dergelijke maar in proef 3 wordt wel zo'n kromme gemeten. Het stukje over de koelbox is al een inleiding op het onderwerp van paragraaf 3, koeling. U kunt hier (of in paragraaf 3) overigens ook teruggrijpen op de startopdracht. Als industriële toepassing wordt in de Extra het vriesdrogen behandeld. Bij werkstuk 1, waarin leerlingen hun eigen koelbox ontwerpen en bouwen, komt het ontwerpproces in vijf stappen weer tevoorschijn. Bij diverse proeven kunnen de leerlingen oefenen met het tekenen van grafieken; hiervan bestaat een vaardigheidskaart. In de eerste druk werd ook Peltier-element behandeld, als koelelement van draagbare koelsystemen. Dat is nu opgenomen in een plusopdracht. Het werkstuk De thermoventilator is hier geplaatst omdat het een systeem is dat bijvoorbeeld ook in koeltassen wordt gebruikt. Het bimetaal dat hiervoor gebruikt werd kwam ook al voor in werkstuk 1, de warmtewip, van hoofdstuk 5. Aan de hand van de thermoventilator kunt u een eerste inleiding geven in de regeltechniek. Paragraaf 4 Er wordt achtereenvolgens een model van een gas, van een vloeistof en van een vaste stof beschreven. Hierbij wordt zoveel mogelijk geprobeerd te laten zien wat er gebeurt met de deeltjes als een stof van fase verandert. De deeltjes worden benoemd en er wordt aangegeven wat het verschil is tussen atomen en moleculen. Er is voor gekozen om hier nog niet ver op in te gaan; ook de scheikundige symbolen worden nog niet geïntroduceerd. Proef 8 en 9 zijn demonstratieproeven maar proef 10 is dat eigenlijk ook. Paragraaf 3 Als inleiding op het onderwerp koeling kunt u teruggrijpen op de startopdracht of op alledaagse verschijnselen waarbij duidelijk afkoeling optreedt: het spuiten van deodorant of na het zwemmen in zee nat over het strand lopen. De koelkast als apparaat teruggebracht tot zijn drie belangrijkste deelsystemen. De link tussen airco en ijsbanen en de koelkast wordt gelegd. 52

53 2.6.4 Antwoorden bij werkstukken en proeven ANTWOORDEN WERKSTUK 2 Wat neem je waar? a b Beschrijf wat je ziet gebeuren. Het groene lampje brand. Zet je het waxinelichtje onder het bimetaal, dan gaat het groene lampje even later uit. Het rode lampje brandt dan en de ventilator draait. Leg de werking van de thermoventilator uit. Het bimetaal sluit de stroomkring van het groene lampje als het nog niet zo warm is. Het bimetaal wordt warm en trekt krom. De stroomkring van het groene lampje wordt onderbroken en die van het rode lampje wordt gesloten. ANTWOORDEN PROEF 1 Wat neem je waar? Hoe voelt het ijswater aan met je rechterhand? Eigen antwoord, de verwachting is koud. Hoe voelt het warme water aan met je linkerhand? Eigen antwoord, de verwachting is warm. Hoe voelt het water op kamertemperatuur aan met je rechterhand, en hoe met je linkerhand? Met de rechterhand voelt het water warm aan en met de linkerhand koud. Voel je met je vingers altijd hetzelfde als de temperatuur gelijk blijft? Leg je antwoord uit. Nee, de 'temperatuur' die jij voelt hangt af van of vingers koud of warm zijn. Als ze warm zijn voelt minder warm water (lucht) koud aan en als ze koud zijn voelt kouder water (lucht) warm aan en warme dingen zelfs als heet. Je voelt vooral het verschil in warmte (temperatuur) met je vingers. ANTWOORDEN PROEF 2 1 Hoe breng je een schaalverdeling aan op een thermometer? Pak een bekerglas met ij erin. Zet de een stijgbuis op een strip. Wacht tot de vloeistof in de stijgbuis niet meer stijgt. Zet op dat punt een streepje. Laat het ijs smelten en breng het water aan de kook. Wacht tot de vloeistof in de stijgbuis niet meer stijgt. Zet op dat punt een streepje. Schrijf bij beide streepjes van de temperatuur die hoort bij respectievelijk smeltend ijs en kokend water. Verdeel de ruimte tussen de twee strepen eerst in 10 delen en daarna elk deel weer in 5 delen. Schrijf bij de streepjes de juiste temperatuur. 53

54 2 Kun je met de zelf geijkte thermometer de temperatuur even nauwkeurig meten als met een school thermometer? Eigen antwoord leerlingen. Algemeen geldt: Hoe nauwkeuriger je de thermometer hebt geijkt en de schaalverdeling hebt gemaakt, hoe beter je de temperatuur er mee kunt meten. ANTWOORDEN PROEF 3 Wat neem je waar? 2 Wat gebeurt er met de temperatuur als er nog veel ijs in het bekerglas zit? Die blijft hetzelfde (constant). 3 Wat gebeurt er met de temperatuur als al het ijs is gesmolten? Die stijgt langzaam. Kijk goed naar je waarnemingen. 1 Hoe verandert de temperatuur van ijs als je het smelt door het te verwarmen? De temperatuur blijft constant op 0 C, zolang er nog redelijk wat ijs aanwezig is. Als al het ijs gesmolten is, loopt de temperatuur van het water op. ANTWOORDEN PROEF 4 Wat neem je waar? 2 Verandert de temperatuur van het ijswater na het toevoegen van zout? Ja. 1 Wat gebeurt er met de temperatuur van het ijsgruis na het toevoegen van het zout? De temperatuur gaat omlaag. 2 Wat gebeurt er met de temperatuur als al het ijs is gesmolten? De temperatuur neemt dan weer toe. 3 Wat gebeurt er met het smelpunt van ijs(water) als je er zout aan toevoegt? Het smeltpunt van water wordt lager als je er zout aan toevoegt. 54

55 ANTWOORDEN PROEF 5 Wat neem je waar? 2 Wat gebeurt er in de reageerbuis? Het natriumthiosulfaat stolt. 3 Wat valt je op als je aan de reageerbuis voelt? De reageerbuis wordt warmer. 1 Is het smeltpunt van vast natriumthiosulfaat gelijk aan het stolpunt vloeibaar natriumthiosulfaat? Nee. 2 Komt er warmte vrij als een stof stolt, of is er warmte voor nodig? Als een stof stolt, komt er warmte vrij. ANTWOORDEN PROEF 6 1 Bij welke temperatuur kookt een zoutoplossing? Een temperatuur die hoger is dan die van zuiver water. 2 Wat is het verband tussen het percentage van een zoutoplossing en het kookpunt? Hoe hoger het percentage, dus meer zout erin zit des te hoger is het kookpunt. ANTWOORDEN PROEF 7 1 Wat gebeurt er met de temperatuur van de watten als vloeistoffen eruit verdampen? De temperatuur daalt. 2 Gebeurde dit bij alle vloeistoffen? Eigen antwoord leerlingen, maar waarschijnlijk wel. 3 Bij welke vloeistof is de temperatuur het meeste gedaald? Eigen antwoord leerlingen, maar waarschijnlijk is dat de temperatuur bij de prop met aceton het meest is gedaald. 55

56 ANTWOORDEN PROEF 8 1 Wat gebeurt er met metaal als warm wordt? Het zet uit en wordt daardoor langer. 2 Wat gebeurt er met metaal als het na verwarmen afkoelt? Het krimpt en wordt daardoor korter. ANTWOORDEN PROEF 9 Wat neem je waar? 1 Wat gebeurt er met het gietijzeren staafje? Niets. 2 Kan de docent de vleugelmoer nog strakker vastdraaien? Ja. 3 Wat gebeurt er met het gietijzeren staafje bij afkoelen van de staaf? Het staafje gaat kapot, het breekt. 1 Wat gebeurt er met metaal als het warm wordt? Het zet uit en wordt daardoor langer. 2 Wat gebeurt er met verwarmd metaal als het afkoelt? Het krimpt en wordt daardoor korter. 3 Ontstaan er bij het verwarmen en afkoelen metalen grote krachten? Leg je antwoord uit. Ja, want als het verwarmde metaal afkoelt breekt het gietijzeren staafje. En daarvoor is veel kracht nodig. 56

57 ANTWOORDEN PROEF 10 Wat neem je waar? Verwarmd onderdeel niets bol ring bol en ring Past de bol door de ring? ja nee nee ja Wat gebeurt er als je een metaal verwarmt? Leg je antwoord uit. Metalen voorwerpen zetten uit als je verwarmt. Als je alleen de bol verwarmt past die niet meer door de ring. Dat kan alleen als de bol door het verwarmen groter (uitgezet is) geworden is. ANTWOORDEN PROEF 11 Wat neem je waar? 1 Wat gebeurt er met het bimetaal? Het bimetaal trekt krom en buigt naar boven of beneden, afhankelijk van hoe het in het statief bevestigd is. 2 Wat gebeurt er met het bimetaal als je het hebt omgedraaid? Het trekt weer krom, maar buigt nu de andere kant op. 1 Wat gebeurt er met een bimetaal als je het verwarmt? Het trekt krom en buigt dan een bepaalde kant op. 2 Maakt het voor wat er gebeurt uit welke kant van het bimetaal je verwarmt? Ja, de kant waarheen het buigt hangt af van de zijde van het bimetaal die je verwarmt. 3 Zetten de metalen van de twee verschillende laagjes van het bimetaal evenveel uit bij verwarming? Nee, een van de metalen zet meer uit dan het andere metaal. 57

58 2.7 Hoofdstuk 7 De geluidsinstallatie Uitgangspunten en schema In hoofdstuk 7 wordt binnen de context De geluidsinstallatie ingegaan op wat geluid is, hoe je het zichtbaar kunt maken en hoe je eraan kunt rekenen. De techniekcomponent van dit hoofdstuk zit vooral in de uitleg van de luidspreker. Dit hoofdstuk kan ook goed aangegrepen worden om leerlingen te wijzen op de gevaren van geluid. Hoofdstuk 7 in schema paragraaf 1 Wat is geluid? Extra 1 De akoestische gitaar paragraaf 2 De luidspreker Extra 2 De elektrische gitaar paragraaf 3 Hoge en lage geluiden Extra 3 Ultrasoon en infrasoon geluid paragraaf 4 Harde en zachte geluiden 1 Een snaarinstrument 1 De trillende liniaal 2 De stem als geluidsbron 3 Geluid heeft een medium nodig (demonstratieproef) 4 Tonen van snaren 3 2 Een microfoon 5 De luidspreker 6 De elektromagneet 7 Massa en frequentie 8 De watertrombone 9 Het frequentiebereik (demonstratieproef) 10 Een luidspreker bij verschillende tonen 11 De gehoordrempel 13 ja ja 4 8 werkstukken proeven aantal theorievragen computerles Extra 4 Geluidshinder van verkeer 12 Geluidshinder verminderen 7 Alternatieve les: Geluid in beeld (paragraaf 3) Herhaalopdrachten: paragraaf 1: Rekenen met geluidssnelheid paragraaf 3: Rekenen met frequentie en trillingstijd Plusopdrachten: paragraaf 1: Meet zelf de geluidssnelheid paragraaf 1: Resonantie paragraaf 3: Het dopplereffect 58

59 2.7.2 Leerdoelen Paragraaf 1 01 Weten wat een geluidsbron is. 02 Weten waardoor geluid ontstaat. 03 Weten wat het verband is tussen trillingen en geluid. 04 Weten wat er met luchtdeeltjes gebeurt als daar geluidsgolven doorheen gaan. 05 Weten wat een conus is en wat de rol daarvan is bij de geluidsproductie door een luidspreker. 06 Weten waarom jij geluid kunt horen. 07 De belangrijkste onderdelen van het oor kennen en de werking van het oor kunnen beschrijven. 08 Weten wat bedoeld wordt met medium (tussenstof) en twee voorbeelden daarvan kunnen geven. 09 Weten wat de geluidssnelheid is en waar deze door bepaald wordt (medium, temperatuur). 10 De formule, de eenheid, het symbool voor de grootheid snelheid kennen. 11 Weten hoe je met de formule van snelheid moet werken. Extra 1 12 Weten wat bedoeld wordt met akoestisch bij een akoestische gitaar. 13 De globale bouw van een akoestische gitaar kunnen beschrijven. 14 Weten wat de functie is van een klankkast en hoe deze werkt. 15 Weten hoe een gitarist uit één snaar meerdere tonen kan halen. 16 Weten hoe een akoestische gitaar gestemd wordt. Paragraaf 2 17 Weten wat de eigenschappen van een magneet zijn (polen). 18 De regels van afstoting en aantrekking tussen de polen van magneten kennen. 19 Weten wat een permante magneet en wat een elektromagneet is. 20 Weten wat je van een elektromagneet kunt regelen en hoe je dat moet regelen. 21 Weten uit welke onderdelen een luidspreker met spoel en magneet bestaat. 22 Weten hoe in een luidspreker geluidsgolven worden omgezet in een elektrisch signaal. 23 Kunnen uitleggen dat een mircofoon het omgekeerde doet als een luidspreker. Extra 2 24 Weten wat het verschil is tussen een elektrische en een akoestische gitaar. 25 Weten wat een versterker is. 26 Weten wat met het magnetisch veld van een magneet wordt bedoeld. 27 Weten wat het verschijnsel inductie inhoudt. 28 Weten hoe op een elektrische gitaar elektrische signalen worden geproduceerd. Paragraaf 3 29 Weten wat een stemvork is en wat zijn kenmerk is. 30 Weten wat het houten kastje onder een stemvork doet. 31 Weten hoe je de toon van een stemvork op een oscilloscoop zichtbaar kan maken. 32 Weten hoe een volledige trilling, bijv. van de poot van een stemvork, gedefinieerd is. 33 Weten wat de evenwichtsstand is bij een trilling. 34 Weten wat een zuivere toon is en hoe je die herkent op een oscilloscoop. 35 Uit het signaal op de oscilloscoop kunnen afleiden of een geluid relatief hoog of laag is. 36 Weten wat met frequentie en met de trillingstijd bedoeld wordt. 37 Het symbool en de eenheid plus symbool voor de grootheid frequentie en trillingstijd kennen. 38 Weten hoe je met de formule f = 1/T moet werken. 39 Weten wat het verband is tussen de toonhoogte en de frequentie. Extra 3 40 Weten wat ultrasoon en infrasoon geluid is. 41 Enkele voorbeelden van ultrasoon en infrasoon geluid kunnen noemen. 42 Weten wat onder frequentiebereik van een dier wordt verstaan. 43 Een voorbeeld van het gebruik van ultrasoon geluid kunnen noemen. Paragraaf 4 44 Weten wat onder amplitude wordt verstaan. 45 Weten wat met geluidssterkte wordt bedoeld en wat de relatie daarvan is met amplitude. 46 Uit het signaal op de oscilloscoop kunnen afleiden of een geluid relatief hard of zacht is. 47 Weten wat de eenheid van geluidssterkte is en wat het symbool daarvan is. 48 Weten waarmee je geluidssterkte meet en waarom de afstand tot de geluidsbron bij het meten belangrijk is. 49 Weten wat er met de gehoordrempel wordt bedoeld en hoe die afhangt van je leeftijd. 50 Globaal weten hoeveel decibel bij welke situatie hoort en bij welke waarde geluid echt hard wordt. 51 Weten wat met de pijngrens wordt bedoeld en hoe hoog die is. 52 Het verschil kunnen uitleggen tussen directe en indirecte gehoorbeschadiging. 53 Weten waar je op moet letten bij werken in een omgeving waarin veel geluid wordt geproduceerd. 54 Weten wat de risico s van te hard geluid zijn. Extra 4 55 Weten op welke manieren auto's geluid produceren in het verkeer. 56 Weten op welke manieren je de bron kunt aanpakken bij geluidshinder door het verkeer. 59

60 57 Weten hoe je de geluidsoverlast kunt weghouden bij de ontvangers van de overlast. 58 De functie en werking van geluidsschermen kunnen beschrijven Per paragraaf Paragraaf 1 De leerling maakt kennis met geluid. Hij leert hoe iets of iemand geluid produceert (daarover gaat ook de startopdracht) en hoe dat geluid zich verplaatst. De grootheid snelheid wordt hier behandeld. Leerlingen die moeite blijken te hebben met het rekenen met de formule v = s/t kunt u een herhalingsopdracht laten doen. Om de leerlingen gevoel te geven voor een snelheid van bijv. 330 m/s, kunt u voorrekenen hoe lang een auto met die snelheid erover doet om bijv. naar een stad in de buurt of naar Parijs te rijden. Bij de sectie biologie kunt u wellicht een model van het oor lenen. Wijst u de leerlingen dan alvast op de trilhaartjes. In paragraaf 4 wordt duidelijk gemaakt dat vooral de schade aan deze haartjes ernstig is. Bij de Extra over de akoestische gitaar hoort een proef met snaren. Het zou mooi zijn als de leerlingen eerst deze proef doen (als u voor de Extra kiest, uiteraard) en dan het snaarinstrument van werkstuk 1 maken. De leerling heeft dan al kennis over snaren en kan beter begrijpen waarom de drie snaren van het werkstukken gekozen zijn zoals ze gekozen zijn. Paragraaf 2 De eigenschappen van permanente magneten worden behandeld (u kunt eventueel de relevante stof uit hoofdstuk 4 nog even ophalen met de leerlingen). De elektromagneet wordt geïntroduceerd en de werking daarvan uitgelegd. De werking van de luidspreker met een permanente magneet, een elektromagneet en de conus wordt uitgelegd. Wellicht hebt u een opengewerkte luidspreker om te demonstreren. In werkstuk 2 wordt een microfoon gemaakt. Het is zaak dat u vooraf zelf ervaring opdoet met dit werkstuk omdat de afstelling ervan nogal kritisch zal zijn. U weet dan voor welke problemen de leerlingen zouden kunnen komen te staan. Als u de Extra over de elektrische gitaar behandelt, dan kunt u met een magneet en een spoel het opwekken van inductiestroom demonstreren (overigens is dat onderwerp ook al in hoofdstuk 4 aan de orde geweest). Een akoestische en een elektrische gitaar naast elkaar in de klas laten zien, zal veel leerlingen kunnen boeien. Paragraaf 3 Bij de behandeling van het onderwerp frequentie (en geluidsterkte) is een demonstratie met stemvork, toongenerator, microfoon en oscilloscoop uiteraard zeer gewenst. Hebt u twee identieke stemvorken op een klankkastje dan kunt u het onderwerp resonantie ook even meenemen (zie ook de plusopdracht over resonantie). Leerlingen die moeite hebben met het rekenen aan frequenties en trillingstijden kunt u de bijbehorende herhalingsopdracht laten doen. Proef 7 gaat over het verband tussen de massa aan een trillende staafje en zijn frequentie en zal voor veel leerlingen een van de eerste keren zijn dat ze expliciet een verband onderzoeken. Laat de leerlingen eerst even oefenen met het tellen van het aantal trillingen. Bespreek met ze de vraag waarom het beter is om de tijd van tien trillingen achter elkaar te meten in plaats van tien keer de tijd van één trilling. Paragraaf 4 Deze paragraaf is een goede aanleiding om met uw leerlingen te praten over gehoorschade en om ze bewust te maken van de gevaren van het luisteren naar bijv. een mp3-speler. Een demonstratie met een decibelmeter is hier natuurlijk heel leerzaam; zo krijgen de leerlingen gevoel voor het aantal decibel dat bij diverse situaties hoort. Als uw school bij een drukke weg staat, is het interessant om eens te onderzoeken hoe groot het verschil is in geluidssterkte tussen een plek vlak naast de weg en een plek in het lokaal. 60

61 2.7.4 Antwoorden bij werkstukken en proeven ANTWOORDEN WERKSTUK 1 Opdracht 4 het snaarinstrument testen Breng de dunne korte snaar in trilling en daarna de dikkere korte snaar. Luister naar het verschil in de tonen die ze geven. De dikkere snaar zal lager klinken. Breng de dunne korte snaar in trilling en daarna de dunne lange snaar. Luister weer naar het verschil. De lange zal lager klinken. Breng de middelste snaar in trilling en luister goed naar de toon. Draai daarna met een kruiskopschroevendraaier een klein beetje aan het boutje waaraan de snaar vastzit zodat er meer spanning op de snaar komt te staan. Houd de schroevendraaier vast zodat het boutje niet terug kan draaien. Breng opnieuw de snaar in trilling en luister naar de toon. De snaar zal hoger klinken. Draai de snaar nog iets strakker aan en luister weer naar de toon. De snaar zal nog hoger klinken. ANTWOORDEN PROEF 1 Wat neem je waar? 1 Hoor je verschil tussen de geluiden als het uitstekende deel van de liniaal verandert? Zo ja, waarin verschillen ze? De geluiden verschillen in de hoogte van het geluid. 2 Wanneer is het geluid het hoogst, als de liniaal 10 cm of 20 cm uitsteekt? Als de liniaal 10 cm uitsteekt. Beantwoord de onderzoeksvraag. Als de lengte van het trillende stuk van de liniaal kleiner wordt, dan wordt de toon hoger. Als het trillende stuk groter wordt, wordt de toon lager. 61

62 ANTWOORDEN PROEF 2 Wat neem je waar? Wat moet je doen? Je voelt aan je hals als je praat. Je praat met het spiegeltje voor je mond. Je praat met je hand voor je mond. Je zegt "aaaaaaaaaaaaa". Wat voel of zie je? Waar je strot zit, zul je trillingen voelen. Aan de rest van je hals voel je waarschijnlijk niets. Het spiegeltje beslaat. Je voelt de lucht met een soort pufjes even tegen je hand aankomen. Je mond staat wijd open en je kunt diep naar binnen kijken. Je zegt "ooooooooooooo". Je lippen maken een soort O. Je zegt "iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii". Je zegt "rrrrrrrrrrrrrrrrrr". Je zegt "sssssssssssssss". Je zegt een paar keer "t". Je trekt je lippen als het ware naar achteren. Je voelt je keel trillen. De tong doet niets. Je tong komt tegen je gehemelte (de bovenkant van de mondholte). De lucht stroomt door de spleet tussen tong en gehemelte. De lucht komt met korte stoten naar buiten. Je tong komt even tegen de achterkant van je boventanden. 1 Welke twee onderdelen van je mond zijn (meestal) actief als je klanken maakt? De lippen en de tong zijn actief. 2 Is het bij het maken van klanken belangrijk hoe de lucht uit je mond komt? Zo ja, op welke manieren kan de lucht naar buiten komen? Ja. Bij sommige klanken komt de lucht door een spleet. Bij sommige klanken komt de lucht in stoten naar buiten. ANTWOORDEN PROEF 3 Wat neem je waar? situatie pomp staat uit pomp pompt lucht weg pomp is uitgezet kraantje is opengezet Hoe hoor je de bel/telefoon? Je hoort de bel duidelijk. Het geluid wordt zachter. Je hoort niets. Het geluid komt terug en wordt steeds harder. Beantwoord de onderzoeksvraag. Lucht is nodig om geluid door te geven. Natuurkundig gezegd: lucht is een medium waardoor geluid zich kan voortplanten. 62

63 ANTWOORDEN PROEF 4 Wat neem je waar? 1 Welke beweging voert de snaar uit? Verandert er iets aan die beweging? De snaar trilt heen en weer maar de uitslag van de snaar wordt steeds kleiner. 2 Hoor je geluid? Zo ja, wat valt je op aan het geluid? Het is een zwak geluid. 3 Wat voel je? Je voelt de trilling van de snaar maar die dempt snel uit. 4 Hoor je nog geluid als je de trillende snaar vastpakt? Nee. 5 Is de toon hetzelfde als de eerste keer? Zo nee, wat is het verschil? Nee, de toon is hoger. 6 Is de toon hetzelfde als bij de dunne snaar van 50 cm? Zo nee, wat is het verschil? Nee, de toon is lager. 7 Is de toon hetzelfde als bij de dikke snaar van 50 cm? Zo nee, wat is het verschil? Nee, de toon is hoger. 8 Is de toon veranderd door het spannen? Zo ja, hoe? Ja, de toon is hoger geworden. 1 Welke factoren bepalen de toon van een snaar? De lengte en dikte van de snaar en de spanning in de snaar. 2 Hoe bepalen deze factoren de hoogte van de toon? Als de snaar langer is, is de toon lager. Als de snaar dikker is, is de toon lager. Als de spanning in de snaar groter is, is de toon hoger. ANTWOORDEN PROEF 5 Is er verschil in het gedrag van een luidspreker en het geluid dat hij geeft bij gelijkspanning en wisselspanning? Zo ja, welke verschillen zijn er? Ja. Alleen bij wisselspanning komt er geluid uit de luidspreker en beweegt de conus voortdurend heen en weer. Bij gelijkspanning is er geen geluid en gaat de conus alleen eenmalig naar binnen of naar buiten. 63

64 ANTWOORDEN PROEF 6 Wat neem je waar? Wat moet je doen? Houd het kompas bij de kop van de bout. Houd het kompas bij de andere kant van de bout. Trek de bout met 40 wikkelingen, aangesloten op één batterij, langzaam omhoog boven de bak met spijkertjes. Trek de bout met 40 wikkelingen, aangesloten op twee batterijen, langzaam omhoog boven de bak met spijkertjes. Verbreek de stroomkring. Trek de bout met 80 wikkelingen, aangesloten op één batterij, langzaam omhoog boven de bak met spijkertjes. Wat neem je waar? Er zijn twee mogelijkheden: het rode puntje van het kompas wijst naar de kop van de bout en precies de andere kant op. Je ziet dat het rode puntje het tegengestelde doet als bij de vorige situatie. Er blijven spijkertjes aan de bout hangen. Er blijven meer spijkertjes aan de bout hangen dan daarnet. De spijkertjes vallen van de bout. Er blijven meer spijkertje aan de bout hangen dan in het geval van de bout met 40 wikkelingen. 1 Wat blijkt uit de proef met het kompas? Een elektromagneet heeft een noordpool en een zuidpool. 2 Wat verandert er aan een elektromagneet als de spanning over de spoel groter wordt? Dan wordt hij sterker. 3 Kun je een elektromagneet aan- en uitzetten? Ja. 4 Wat verandert er aan een elektromagneet als er meer wikkelingen in de spoel zitten? Dan wordt hij sterker. ANTWOORDEN PROEF 7 Beantwoord de onderzoeksvraag. Als er meer massa aan het uiteinde zit, wordt de frequentie van een trillende strip kleiner. ANTWOORDEN PROEF 8 1 Wat gebeurt er met de lengte van de 'luchtpijp' in de buis als je de buis dieper in het water laat zakken? De 'luchtpijp' wordt korter. 64

65 2 Wat gebeurt er dan met de toon als je blaast? De toon wordt hoger. 3 Hoe kun je de toon van een blaasinstrument hoger maken? Je maakt de toon hoger door de lengte van de 'luchtpijp' korter te maken. 4 Hoe kun je de toon van een blaasinstrument lager maken? Je maakt de toon lager door de lengte van de 'luchtpijp' langer te maken. ANTWOORDEN PROEF 9 1 Beantwoord onderzoeksvraag 1. De ondergrens zal ongeveer 20 Hz zijn en de bovengrens ongeveer Hz. 2 Beantwoord onderzoeksvraag 2. Bij elke leerling liggen de grenzen een beetje anders. Bij je docent zal in elk geval de bovengrens lager liggen dan bij de meeste leerlingen. ANTWOORDEN PROEF 10 1 Beantwoord onderzoeksvraag 1. De uitwijking van de conus wordt groter als de sterkte van het geluid groter wordt (als het geluid harder wordt). 2 Beantwoord onderzoeksvraag 2. De conus gaat sneller trillen (meer trillingen per seconde) als de toon hoger wordt. 65

66 3 Materiaallijsten voor werkstukken en proeven 3.1 Materialen voor de proeven (Eurofysica) Eurofysica BV Postbus DK s-hertogenbosch T: F: E: [email protected] Cursieve items komen eerder in de lijst ook al voor. Voor de volledigheid worden deze items toch opgenomen bij elk hoofdstuk waarin zij voorkomen. Items zonder aantal en productnummer zijn niet leverbaar via Eurofysica. Mogelijk wel bij Opitec. Zie daarvoor de materiaallijsten van Opitec elders op de site. Hoofdstuk 1 Kennismaken met techniek en natuurwetenschappen Aantal Productnr Omschrijving Papierrol reserve 1000 m 28 cm Papierrol op beugel wandmodel Beschermbril Panorama Laboratoriumjas maat L 52/ Liniaal 50 cm Aluminium 0-kant dubb Liniaal 20 cm, plastic transparant Bekerglas Duran LM 250 ml Teclu-Unit Brandergaasje nichroom cm Slang gas EN norm zwart 1mtr Thermometer 10/+110 C rood 30cm Thermometer digitaal 50/+150 C Maatcilinder PL HM 250 ml Maatcilinder HM 250 ml Stopwatch Stratos Platzoolstatief met 75 cm staaf RVS Dubbelklem Statiefstaaf 25 cm/12 mm RVS Aquarium plastic 2,9 liter Balans OHAUS CS2000 E-uitvoering s-vormig haakje Emmertje Zand Klittenband Perforator SM-gelijke massa, set 3 stuks Onregelmatig gevormd lichaam Batterij 4,5 V 1 st type 3R12C Practicumvoeding 0-15V bij 0-3A DC Experimenteersnoer 25 cm zwart 66

67 Experimenteersnoer 25 cm rood Experimenteersnoer 50 cm zwart Experimenteersnoer 50 cm rood Lamp E10 6,0V 0,5A 10st Fitting E-10 op voet Krokodillenklem per stuk Set Materiaalsoorten Houten lat van 100 mm lang, 12 mm dik en 55 mm breed Lijmklem Cilindermassa 50 gram Schijfmassa-set 250 gram Statiefklem 90 mm spanwijdte Druppeltuitflesje PL 100 ml Indampschaal 35ml mm Kroezentang RVS 22 cm Onderlegplaat vuurvast cm Hoofdstuk 2 De fiets Aantal Productnr Omschrijving Haardroger 1800W mt koudeluchtstand Rolcentimeter 3 meter Eigen fiets Stopwatch Stratos Karton A4 en A3 Model LEGO aandrijving Meetlint 20 meter in cassette Fiets met minstens 3 versnellingen Krijtje Fietswiel met as zonder lagers Fietswiel met as en versleten lagers Fietswiel met as en goede lagers Voorvork op steun Vleugelmoeren Triplex Linoleum Rubber mat Kunststofplaat van dik plastic Houten plaat (geen mdf,tri-/multiplex) Platzoolstatief met 75 cm staaf RVS Dubbelklem Statiefklem 90 mm spanwijdte Meetlat 1 meter Pingpong balletje Bekerglas LM 400 ml (of jampotjes) Staalwol Slaolie Reageerbuis 160/16 Duran Rand 100st Reageerbuisrek 24 tot 18 mm wit Rubberstop D12,5 D16,5 H20 mm 10st 3 Ongebruikte spijker Vaseline Bekerglas Duran LM 250 ml Batterij 4,5 V 1 st type 3R12C Practicumvoeding 0 15V bij 0-3A DC Experimenteersnoer 25 cm zwart Experimenteersnoer 25 cm rood Koperelektrode 67

68 Krokodillenklem per stuk Spatellepel RVS 150 mm 1 S Zinksulfaat.7H20 ZZ. 500 gr Hoofdstuk 3 De kermis Aantal Productnr Omschrijving 1 Constructiedoos (bijv Meccano) Liniaal 50 cm Aluminium 0-kant dubb Liniaal 20 cm, plastic transparant Schaar huishoud 18 cm Dynamometer transparant. 5,0 N Veerunster gram Brander-driepoot 21 cm (of gebruik teclu-unit) Cilindermassa 50 gram Schijfmassa-set 250 gram Statiefklem 90 mm spanwijdte Platzoolstatief met 75 cm staaf RVS Dubbelklem Statiefstaaf 25 cm/12 mm RVS SM-cilinders, set 5 stuks Dynamometer transparant. 1,0 N Piepschuim ca. 50 mm Dik stuk karton van A-4 formaat Mes Lijm en lijmstift 2 Houten latjes van ca. 2 cm 2 cm 10 cm Plastic flesje 0,5 L 4 Dezelfde kartonnen kokers (keukenrol b.v.) Dik karton (minstens 4 mm dik) Bout met een lengte van ca. 8 cm met bijpassende moer Passer 10 Kartonnen kaartjes van A6 formaat Nietmachine Plakband 2 Wc rolletjes Zand Teiltje of dienblad Geodriehoek Lat vurenhout van 100 mm 5 mm 44 mm met gat (5 mm) Strip perspex van dezelfde afmeting met gat Ijzeren strip van dezelfde afmeting met gat Lijmklem 68

69 Hoofdstuk 4 De fietsverlichting Aantal Productnr Omschrijving Papierrol reserve 1000 m 28 cm Papierrol op beugel wandmodel Batterij 4,5 V 1 st type 3R12C Practicumvoeding 0-15V bij 0-3A DC Experimenteersnoer 25 cm zwart Experimenteersnoer 25 cm rood Experimenteersnoer 50 cm zwart Experimenteersnoer 50 cm rood Lamp E10 6,0V 0,5A 10st Lamp E10 6,0V 1,0A 10st Fitting E-10 op voet SE/fitting E Basisplaat, cm Krokodillenklem per stuk Set Materiaalsoorten Beschermbril Panorama Tonvoet (of gebruik basisplaat ) Staafje met steker/bus 4 mm Spoeltje constantaandraad 0,2 mm Schakelaar tuimel, enkel LED 5 mm rond rood Weerstandje Voltmeter digitaal 200,0 V DC Voltmeter AC/DC 3/15/30 V Voltmeter analoog Batterij 1,5 V AA type R 6 4 st Batterij 9 V blok 1 stuks type 6F Batterij 1,5 V AAA 4 stuks LR Batterij 1,5 V type R14 2 stuks Schroefdopfles PL NM 1000 ml Zout water Azijn Roerstaaf glas 200/6 mm 25 stuks Zinkelektrode Loodelektrode Koolelektrode 8 58 mm met verb.staaf Koperelektrode Bekerglas Duran LM 250 ml Staafmagneten mm, set 2st IJzervijlsel busje 225 gram IJzervijlsel in experimenteerdoosje 1 demo Magneetkrachtlijnen-model 3D Platzoolstatief met 75 cm staaf RVS Dubbelklem Statiefklem 90 mm spanwijdte Spoel 2 2 cm 100/200 windingen Amperemeter digitaal 2,000 A DC Amperemeter AC/DC 0,05 / 0,5 / 5 A Galvanometer ua (of kies ) Galvanometer 50 ua, 500 ua, 5 ma. (of kies ) Fiets met dynamo Zonnecel 0,5 V/800 ma op voet SE/weerstand 20 Ohm 12 W SE/schakelaar Schakelaar tuimel, wissel 69

70 Buiszekering 0,1 A T 10 st Zekeringhouder op sokkel Hoofdstuk 5 De verwarming Aantal Productnr Omschrijving Maatcilinder LM 250 ml Petrischaal mm glas Liniaal 20 cm, plastic transparant Liniaal 50 cm Aluminium 0-kant dubb Kaars Lucifers Bekerglas Duran LM 250 ml Bekerglastang RVS 26 cm Spatellepel RVS 150 mm Druppeltuitflesje PL 50 ml kort Petrischaal mm glas Potje custard Waxinelichtje 3 demo Erlenmeyerkolf Duran NM 250 ml 3 demo Rubberstop D29 D35 H30 mm 10 st Erlenmeyerkolf Duran NM 250 ml Rubberstop D29 D35 H30 mm 10 st Demo Spuitbus/gasfles met koolstofdioxide Demo Spuitbus/gasfles met zuurstof Aardgas 1 S J Kalkwater 2,5 Liter 1 demo Gaswasfles 250 ml NS Teclu-Unit Slang gas EN norm zwart 1mtr 1 S Jodium oplossing 0,1N (0,05M) 1 ltr Laboratoriumjas maat L 52/ Beschermbril Panorama Reageerbuis 160/16 Duran Rand 100st Reageerbuisrek 24 tot 18 mm wit Reageerbuishouder hout Spuitfles PL 500 ml Stopwatch Stratos 1 S U Kaliumpermanganaat z.z. 500 gr 1 demo Circulatiebuis glas model CV Platzoolstatief met 75 cm staaf RVS Dubbelklem Statiefklem 90 mm spanwijdte Pijpensteel driehoek pijplengte 5cm Bekerglas Duran LM 150 ml Pincet RVS anatomisch recht 20 cm Touwtje 15 cm Schaar huishoud 18 cm 1 demo Hopkins toestel Steentje dat in reageerbuis past Ijsklontje dat in reageerbuis past Brandergaasje nichroom cm Onderlegplaat vuurvast cm Metalen staafje Plastic staafje Deksel met 2 gaten voor op bekerglas Joulemeter met deksel 70

71 Thermometer 10/+110 C rood 30cm Isolatiemateriaal (theedoek, kranten, glaswol, fleece) Hoofdstuk 6 De koelkast Aantal Productnr Omschrijving Papierrol op beugel - wandmodel Bekerglas Duran LM 400 ml Stopwatch Stratos Thermometer model Thermometer 10/+110 C rood 30cm Thermometer digitaal 50/+150 C Teclu-Unit Slang gas EN norm zwart 1mtr Brandergaasje nichroom cm Laboratoriumjas maat L 52/ Beschermbril Panorama Schaar huishoud 18 cm Crêpe tape Bekerglas Duran LM 250 ml Thermometer, 20/+150 C Spatellepel RVS 150 mm Zout Reageerbuis 160/16 Duran Rand 100st Rubberstop D12,5 D16,5 H20 mm 10st Platzoolstatief met 75 cm staaf RVS Dubbelklem Statiefklem 90 mm spanwijdte 1 S X Natriumthiosulfaat- 5H20 5 kg Bekerglastang RVS 26 cm Bekerglas Duran LM 600 ml Zout 1 S K Water Gedestilleerd 20 Liter Watten verpakking 200 gram Druppeltuitflesje PL 50 ml kort 1 S J Ethanol 96% geden. methanol 5 l 1 S J Aceton c.z. 5 liter 1 S Wasbenzine 1 liter Naaigaren 1 demo Lineaire uitzettingstoestel, demo 1 demo P Stoomgenerator 230V demo Slang PVC 8/10 mm 1 meter 1 demo Tyndalltoestel Bol en ring 's-gravensande Bimetaalstrip met handvat 71

72 Hoofdstuk 7 De geluidsinstallatie Aantal Productnr Omschrijving Liniaal 50 cm Aluminium 0-kant dubb Spiegel 1 demo Vacuümpomp, 220 V draagbaar 1 demo Luchtpompschotel 1 demo Rubberplaat voor luchtpompschotel 1 demo Luchtpompklok H25 ID 18 cm 1 demo Bel in luchtledige Practicumvoeding 0-15V bij 0-3A DC Beschermbril Panorama Rolcentimeter 3 meter 2 Tafelklemmen 2 Draadspanners Dunne metalen snaar Dikke metalen snaar Luidspreker Experimenteersnoer 25 cm zwart Krokodillenklem per stuk Batterij 4,5 V 1 st type 3R12C 2 Identieke bouten Ø 10 mm Schelledraad bosje van 6 meter Striptang Schaar huishoud 18 cm Kleine spijkertjes Kompas zakmodel D44 mm Schijfmassa-set 250 gram Zaagblad Stopwatch Stratos Platzoolstatief met 75 cm staaf RVS Dubbelklem Statiefklem 90 mm spanwijdte Kleine emmer Elektriciteitsbuis van pvc 1 demo Toongenerator, digitaal FD4 1 demo Klankstraler 8 Watt 1 demo Db-meter dig. met analoge uitgang Grote luidspreker Rijst of gierst Plaat perspex (of ander glad plastic) ca cm Plaat piepschuim van ca cm 1 demo Stemvork 440 Hz 2 stuks op kast 1 demo Stemvork met schrijfstift 72

73 3.2 Materialen voor de werkstukken (Opitec) S E N S O R HAVO-VWO Tweede editie, Leerjaar 1 Materialen voor 100 lln, bij andere aantallen gelden verschillende prijzen en artikelnummers. Voor speciaal gezaagde maten* geldt een minimum orderbedrag van 15,00. Als u de leerlingen zelf laat zagen, kunt u andere maten en hoeveelheden bestellen. Ook voor de proeven levert Opitec vele materialen. Kijk hiervoor in onze catalogus of op 1 Werkstuk Art.no. Benodigd materiaal Prijs per st. Nodig per 100 lln Nodig per ll. Totaalprijs per 100 lln Hoofdstuk 1 Kennismaking met techniek en natuurwetenschappen Kandelaar van hout en messing Vurenhout mm 3, mm 19,25 Grenen blokken mm, OF stuks 2, niet leverbaar Messing buis Ø 10 mm 19,25 2 Isometrische woonwijk Isometrisch papier, A4 500 vel 13, ,25 Eventueel Tekenpotlood HB, 12 stuks 3, ,25 Hoofdstuk 2 De fiets 1 Strandzeiler Strandzeiler 3, pakket 395,00 OF Losse materialen Multiplex mm* 0, stuk 35, Plexiglas mm* 0, stuk 13, Rondhout Ø 8mm 500 mm, 10 stuks ** 1, mm 16, Aluminium strip mm 2, mm 30, Metalen asje Ø 1mm, 500 mm, 10 stuks 0, mm 4, Houten wielen Ø 30 8 mm, 10 stuks 1, stuks 25, Kunststof plaatje mm 2, mm 5, Houten kraal Ø 20 mm, 12 stuks 1, stuk 13,05 73

74 Schroefogen, 10 3 mm, 100 stuks** 2, stuks 8, Lasdraad 3 mm 2, mm 2, Spijkers, 500 gr.** 4, stuk 4, Houtschroefjes 2 10 mm, 100 stuks** 1, stuks 2, Katoenkoord, 160 mtr.** 4, mm 4, Klemveertjes, 100 stuks** 4, stuks 19, Stofresten gemengd 500 gr 13,20 1 mm 13,20 Kunststof hoekprofiel niet leverbaar mm - alternatief (zelf buigen op Plexiglas stroken mm 0, mm kunststofbuiger) 197,06 2 Kaarthouder materialen afhankelijk van het ontwerp Hoofdstuk 3 De kermis 1 Brug bouwen Rietjes, 500 stuks 3,35 - Overzicht mogelijke materialen Platte ijslollystokjes, 500 stuks 3, Satéstokjes, 100 stuks 1, Knutsellucifers, 500 gr. 5, Vliegertouw, 80 mtr. 2, Karton rood (50 70 cm), 10 vel 4, Karton geel (50 70 cm), 10 vel 4, Karton blauw (50 70 cm), 10 vel 4, Karton groen (50 70 cm), 10 vel 4, Collall alleslijm, 100 ml 1, Hard schuimplaat mm) 0, Hard schuimplaat mm) 0, Nylondraad Ø 0,15 mm, 50 mtr 0, Ijzerdraad Ø 0,50 mm, 60 mtr. 1, Assortiment rondhout 12,00 - niet leverbaar Spagetti - 2 Bakje vol verbindingen Blik ,3 mm 0, , Popnagels Ø 3 mm, 30 stuks 0, stuks 6,30 niet leverbaar Plaatje staal mm alternatief Plaatje aluminium mm* 0, mm 16, Grenen lat mm 5, mm p.2lln 29,25 86,55 74

75 Voor de proeven adviseren van paragraaf 1 wij: Construction Construction C Construction C of Construction C Construction C Construction C TechCard, Basisplaten TechCard - kartonnen constructiemateriaal Platte strips TechCard L-strips TechCard - - Hoofdstuk 4 De fietsverlichting 1 Elektrospel Gekleurd papier cm, 50 vel 5, vel 10, Multiplex 10 mm, cm 1, stuk 121, Schilderstape, 15 mm, 50 mtr. 0, mtr 1, Punaises, 1000 stuks 3,80 1 ca. 20 st. 3, Schellendraad, 100 mtr, rood 6,00 2 ca. 2 mtr 12, Schellendraad, 100 mtr, zwart 6, cm 6, Lampfitting, 100 stuks 13, , Lampje, 10 stuks 2,5V 1, , Batterijhouder voor 2 penlites 0, , Kroonsteentje, 12-polig 0, , Schroefjes 2 10 mm, 100 stuks 1, , HO-stekkers, 10 stuks 1, ,00 Afwerking (keuze) Latjes mm 0, ,00 Eventueel Penlite batterij 0, ,75 2 Autoverlichting Metalen plaatje mm * 0, stuks 40, Triplex mm * 0, stuk 56, Houtschroefjes, 100 stuks ** 1, stuks 2, Schakelaar, 10 stuks 5, stuk 57, Batterijclip 9V ** 0, stuk 15, Witte lampjes, 10 stuks 1, stuks 25, Rode lampjes, 10 stuks 1, stuks 34,00 Zelf knippen Plaatje blik, mm 0, mm 3, Fittingen, 100 stuks 13, stuks 54, Drukschakelaar, 10 stuks 4, stuk 49, Schellendraad van 0,4 mm, 100 m ** 6, cm 6, Knipperlampjes geel, 10 stuks 2, stuks 40, Spijkertjes 3, stuks 6,50 Eventueel Batterij 9V ** 0, stuk 389,50 75

76 Hoofdstuk 5 De verwarming 1 Warmtewip Warmtewip 3, pakket 355,00 OF Losse materialen Plankje van mm * 0, stuk 35, Latje van mm 0, mm 10, Spijkertjes ** 3, stuks 3, Balkje van mm 0, mm 12, Lasdraad Ø 2,0 mm dik, 500 mm, 10 stuks 1, mm 2, Kroonsteeninzetstuk, 10 stuks 1, stuk 12, Lasdraad Ø 3,0 mm dik, 500 mm, 10 stuks ** 2, mm 45, Rondhout Ø 2mm, 500 mm, 10 stuks ** 1, mm 4, Bimetaaltje 0, stuk 98, Theelichtje, 100 stuks** 6, stuk 6, Houten kraal Ø 10 mm, 40 stuks 1, stuks 7, Houten kraal Ø 15 mm, 20 stuks 1, stuks 15, Chinille draad** 6, mm 6, Houten kraal Ø 20 mm, 10 stuks, 12 stuks 1, stuk 13, Lapjes vilt, 10 stuks** 3,18 1 stukje 3,18 276,68 2 Kookdoos Hoofdstuk 6 De koelkast 1 Koelbox materialen afhankelijk van het ontwerp materialen afhankelijk van het ontwerp 2 Thermoventilator Thermoventilator (zonder batterij) 5, pakket 534,00 OF Losse materialen Multiplex mm * 2, stuk 200,00 OF MDF mm * 0, stuk Metalen strip met gaatjes ,5 mm 0, mm 67, Bimetaal, 5 stuks 4, stuk 85,00 Zelf knippen Plaatje blik ,3 mm * 0, stuk 19, Bout M4 50, 100 st.** 2, stuk 2, Moertjes M4, 100 st.** 1, stuks 7, Ringetjes M4, 1000 st.** 4, stuks 8, Beugel 0, stuk 15, Motor R21, 10 stuks 9, stuk 92, Propeller 0, stuk 30, Schroef M4 16, 100 st.** 1, stuks 2, Moer M3, 100 st.** 1, stuks 1,25 76

77 Parkertjes 2,9 9,5, 100 st.** 1, stuks 6, Parkertjes 3,9 9,5, 100 st.** 1, stuks 18, Schellendraad zwart, 100 mtr.** 6, mm 6, Schellendraad rood, 100 mtr.** 6, mm 6, Groen lampje, 3,5V, 0,2 A, 10 stuks 1, stuk 17, Rood lampje, 3,5V, 0,2A, 10 stuks 1, stuk 17, Waxinelichtje, 100 st.** 6, stuk 6, Brugfitting, 100 st. 19, stuk 39,00 Eventueel Batterij 4,5V, 12 stuks ** 9, stuk 648,35 Hoofdstuk 7 De geluidsinstallatie 1 Snaarinstrument Multiplex mm* 0, stuk 43,00 1 Instrument per 2 ln Rondhout Ø 20 mm, 1000 mm* 1, cm 17,50 Hulpmiddel, 10 per klas Strook plexiglas, mm 0, stuk 8, Spijkers van 30 mm lengte, 1000 gram** 5, stuks 11, Triplex berken mm* 0, stuks 59, Nylondraad Ø 0,30 mm, 50 mtr** 1, cm 1, Nylondraad Ø 0,80 mm, 25 mtr** 1, cm 1, Kruiskopschroef 2,9 16 mm, 100 stuks** 1, stuk 1, M3 boutje 16 mm** 1, stuks 4, Moertje M3** 1, stuks 3,75 150,60 2 Microfoon Ballon, 100 stuks 4, stuk 4, Neodym staafmagneet Ø 8 10 mm, 10 stuks 4, stuk 20, Katoenkoord, 160 mtr** 4, cm 4, Koperdraad, 100 mtr 3, mtr 11, Tape 33 mtr 19 mm** 0, cm 1, Acryfix kunststoflijm** 8, , Snoertje met jack-plug, 2 stuks 1, stuk 29,75 Niet leverbaar PVC buisje Ø 6-7 cm met dop PVC buisje Ø 3 cm 89,05 Apart te bestellen zijn de volgende algemene verbruiksmaterialen: zie ook blz Kunststofboor bv. Ø 3 mm 4,60 Acrifix kunststoflijm, tube zie ook blz gram 8,95 zie ook blz Collall alleslijm, fles 250 ml 2,65 zie ook blz Bison houtlijm, fles 250 ml 4,70 zie ook blz Bison houtlijm, fles 250 ml, 5,85 77

78 topspeed zie ook blz Crepe plakband, 18 mm 1,45 zie ook blz. 186/ Plakband 0,55 zie ook blz Dubbelzijdig tape 5,15 zie ook blz Foamtape 1,00 Lijmsticks Ø mm, zie ook blz stuks 19,50 zie ook blz Wit tekenpapier 120 grams, 25 32,5, 500 vel 18,00 zie ook blz Gekleurd papier A4, 500 vel 25,00 zie ook blz Soldeerdraad met harskern, 1 kg 15,25 zie ook blz Elektronicasoldeer, Ø 1 mm, 1 kg 23,50 zie ook blz Assortiment schuurpapier 6,50 zie ook blz Houtboortje bv. Ø 3 mm 0,77 zie ook blz. 411/ Metaalboortje bv. Ø 3 mm 0,52 Figuurzaagjes, bv. gr. 5, zie ook blz stuks 11,75 TOTAAL ORDERBEDRAG * Minimale afname per gezaagde maat is 15,00 ** Deze materialen zijn voor meerdere werkstukken te gebruiken Opitec bouwpakket Prijzen zijn vrijblijvend; kijk voor de meest actuele prijzen op onze website 78

79 Colofon Auteur: Fons Alkemade Met medewerking van: Peter Cox Wim van den Munckhof Ontwerp: Uitgeverij Malmberg Opmaak: Redactiebureau Ron Heijer, Markelo Tweede druk, eerste oplage Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voorzover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan 79 op grond van artikel 16b Auteurswet 1912 j het Besluit van 20 juni 1974, St.b. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, St.b. 471, en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. Malmberg s-hertogenbosch

AUTEUR: FONS ALKEMADE PETER COX

AUTEUR: FONS ALKEMADE PETER COX DOCENTENHANDLEIDING DOCENTENHANDLEIDING SENSOR NATUUR-, SCHEIKUNDE EN TECHNIEK VOOR DE ONDERBOUW TOETSEN VMBO-KGT LEERJAAR 1 AUTEUR: FONS ALKEMADE MET MEDEWERKING VAN: PETER COX WIM VAN DEN MUNCKHOF TWEEDE

Nadere informatie

PROGRAMMA VAN TOETSING EN AFSLUITING 2015-2017. Vak: Natuur- en scheikunde 1 (NASK) Inleiding. Voor het vak Nask1 gebruiken we twee methodes:

PROGRAMMA VAN TOETSING EN AFSLUITING 2015-2017. Vak: Natuur- en scheikunde 1 (NASK) Inleiding. Voor het vak Nask1 gebruiken we twee methodes: PROGRAMMA VAN TOETSING EN AFSLUITING 2015-2017 Vak: Natuur- en scheikunde 1 (NASK) Inleiding Voor het vak Nask1 gebruiken we twee methodes: In het derde jaar: Nu voor staks (ThiemeMeulenhoff) In het vierde

Nadere informatie

PROGRAMMA VAN TOETSING EN AFSLUITING 2015-2017. Vak : Natuur- en scheikunde 1 (NASK-1)

PROGRAMMA VAN TOETSING EN AFSLUITING 2015-2017. Vak : Natuur- en scheikunde 1 (NASK-1) PROGRAMMA VAN TOETSING EN AFSLUITING 2015-2017 Vak : Natuur- en scheikunde 1 (NASK-1) Inleiding Voor het vak Nask1 gebruiken we de methode NOVA: Natuur/Scheikunde 1 KGT (Malmberg). Deze methode bestaat

Nadere informatie

WHITEPAPER Nectar 5 e editie onderbouw

WHITEPAPER Nectar 5 e editie onderbouw WHITEPAPER Nectar 5 e editie onderbouw WHITEPAPER Nectar 5 e editie onderbouw Nectar 5e editie onderbouw is een heldere, motiverende methode biologie die opvalt door de gestructureerde behandeling van

Nadere informatie

WERKEN MET DE DIGITALE LEEROMGEVING NOVA

WERKEN MET DE DIGITALE LEEROMGEVING NOVA Digitale leeromgeving HANDLEIDING WERKEN MET DE DIGITALE LEEROMGEVING NOVA Digitale leeromgeving HANDLEIDING In deze handleiding staat de inhoud van de digitale leeromgeving van Nova beschreven, en hoe

Nadere informatie

WERKEN MET DE DIGITALE LEEROMGEVING MEMO

WERKEN MET DE DIGITALE LEEROMGEVING MEMO Digitale leeromgeving HANDLEIDING WERKEN MET DE DIGITALE LEEROMGEVING MEMO Digitale leeromgeving HANDLEIDING In deze handleiding staat de inhoud van de digitale leeromgeving van Memo beschreven, en hoe

Nadere informatie

WERKEN MET DE DIGITALE LEEROMGEVING BIOLOGIE VOOR JOU

WERKEN MET DE DIGITALE LEEROMGEVING BIOLOGIE VOOR JOU Digitale leeromgeving HANDLEIDING WERKEN MET DE DIGITALE LEEROMGEVING BIOLOGIE VOOR JOU Digitale leeromgeving HANDLEIDING In deze handleiding staat de inhoud van de digitale leeromgeving van Biologie voor

Nadere informatie

Mens en Natuur, Natuurkunde. VO onderbouw (havo/vwo) 2-3 lesuren

Mens en Natuur, Natuurkunde. VO onderbouw (havo/vwo) 2-3 lesuren De sneeuwpop Voor de docent Vak(gebied) Schooltype / afdeling Mens en Natuur, Natuurkunde VO onderbouw (havo/vwo) Leerjaar 1 Tijdsinvestering Vakinhoud 2-3 lesuren Warmtegeleiding en -isolatie in dagelijkse

Nadere informatie

Hoe werkt deze methodesite? Snelle start met het Leerling epack

Hoe werkt deze methodesite? Snelle start met het Leerling epack Hoe werkt deze methodesite? Snelle start met het Leerling epack Inleiding leerling-epack Graag helpen we je zo snel mogelijk op weg in dit epack. Als je snel met het epack leert werken, profiteer je namelijk

Nadere informatie

12. Leerstof samenvatten

12. Leerstof samenvatten 12.1 Samenvatten van tekst(gedeelt)en doel Hoofdzaken uit een tekst halen en samenvatten in steekwoorden wanneer kern les(senserie) groepssamenstelling individueel, tweetallen voorbereiding: - De leerling

Nadere informatie

HOERA, een meisje Ondertitel: Analyseren

HOERA, een meisje Ondertitel: Analyseren HOERA, een meisje Ondertitel: Analyseren 1. Inleiding Aan de hand van een concept cartoon verdiepen leerlingen zich in de vraag hoe het komt dat een meisje een meisje is. Een concept cartoon is een visuele

Nadere informatie

Theorie: Het maken van een verslag (Herhaling klas 2)

Theorie: Het maken van een verslag (Herhaling klas 2) Theorie: Het maken van een verslag (Herhaling klas 2) Onderdelen Een verslag van een experiment bestaat uit vier onderdelen: - inleiding: De inleiding is het administratieve deel van je verslag. De onderzoeksvraag

Nadere informatie

HOE KOM IK VAN LEERDOELEN TOT EEN LES?

HOE KOM IK VAN LEERDOELEN TOT EEN LES? OPDRACHT HOE KOM IK VAN LEERDOELEN TOT EEN LES? In deze opdracht doorloop je in vogelvlucht alle stappen die je kunt zetten om van leerdoelen te komen tot een goede les voor de leerlingen. Het betreft

Nadere informatie

TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2013

TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2013 3 B 2 TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2013 L.A. Reichard J.H. Dijkhuis C.J. Admiraal G.J. te Vaarwerk J.A. Verbeek G. de Jong H.J. Houwing J.D. Kuis F. ten Klooster S.K.A. de Waal J. van Braak J.H.M. Liesting-Maas

Nadere informatie

Een visie op het natuurkundig practicum

Een visie op het natuurkundig practicum Een visie op het natuurkundig practicum Martijn Koops, Peter Duifhuis en Floor Pull ter Gunne; vakgroep Nastec, FE, HU Inleiding Practicum is belangrijk bij het vak natuurkunde. Het kan de theorie ondersteunen

Nadere informatie

VWO-gymnasium. VWO gymnasium practicumboek. natuurkunde

VWO-gymnasium. VWO gymnasium practicumboek. natuurkunde VWO-gymnasium 3 VWO gymnasium practicumboek natuurkunde natuurkunde 3 vwo gymnasium Auteurs F. Alkemade L. Lenders F. Molin R. Tromp Eindredactie P. Verhagen Met medewerking van Th. Smits Vierde editie

Nadere informatie

Lesplanformulier. Les wordt gegeven in een open ruimte met ronde tafels en een computergedeelte. Een les duurt 50 minuten

Lesplanformulier. Les wordt gegeven in een open ruimte met ronde tafels en een computergedeelte. Een les duurt 50 minuten Lesplanformulier naam student : Aukelien Stalman opleiding : docent GZW jaar : 3 naam school : Gomarus College Assen coach : klas : 1 datum van de les: mei 2017 Lesonderwerp: Biologie stevigheid en beweging

Nadere informatie

Informatie. bij de methodes. Techniek en Techniek in beweging. Uitgeverij Teles 2000. Techniek 1

Informatie. bij de methodes. Techniek en Techniek in beweging. Uitgeverij Teles 2000. Techniek 1 Informatie bij de methodes Techniek en Techniek in beweging Techniek 1 Vakwerkplan 1.0 Uitgangspunten Uitgangspunten bij de Techniek lessen zijn de herziene kerndoelen van1998 en de daarna volgende herziening

Nadere informatie

Docentenhandleiding PO Schoolkamp

Docentenhandleiding PO Schoolkamp Docentenhandleiding PO Schoolkamp Inhoudsopgave 1 Inleiding... 1 2 Wat maakt deze opdracht 21 e eeuws?... 1 2.1 Lesdoelstellingen... 2 2.2 Leerdoelen... 2 3 Opzet van de opdracht... 2 3.1 Indeling van

Nadere informatie

Handleiding DISK: Lesgeven met DISK

Handleiding DISK: Lesgeven met DISK Handleiding DISK: Lesgeven met DISK Inhoudsopgave 1. Introductie 2 2. Niveau bepalen 3 3. Themakeuze 3 4. Leerroutes voor de leerling 5 5. Lesorganisatie 7 6. Tijdsplanning 9 7. Differentiëren 11 1 1.

Nadere informatie

Whitepaper Nieuw Nederlands 6 e editie onderbouw

Whitepaper Nieuw Nederlands 6 e editie onderbouw Whitepaper Nieuw Nederlands 6 e editie onderbouw WHITEPAPER NIEUW NEDERLANDS 6 e editie onderbouw Nieuw Nederlands onderbouw 6 e editie staat als vanouds voor hoge kwaliteit en aandacht voor de individuele

Nadere informatie

Kerndoelen Mens en Natuur en Techno Venturie 1 Kerndoelen leerdomein Mens en Natuur 2 Techno Venturie 3 Website tevedocent.nl 4 Urenoverzicht Techno

Kerndoelen Mens en Natuur en Techno Venturie 1 Kerndoelen leerdomein Mens en Natuur 2 Techno Venturie 3 Website tevedocent.nl 4 Urenoverzicht Techno Inhoudsopgave Bladzijde Kerndoelen Mens en Natuur en Techno Venturie 1 Kerndoelen leerdomein Mens en Natuur 2 Techno Venturie 3 Website tevedocent.nl 4 Urenoverzicht Techno Venturie 7 Conclusie urenoverzicht

Nadere informatie

Getal & Ruimte Leerboek 2 vmbo-t/havo deel 2

Getal & Ruimte Leerboek 2 vmbo-t/havo deel 2 Getal & Ruimte Leerboek 2 vmbo-t/havo deel 2 Twaalfde editie, 2018 Noordhoff Uitgevers Groningen Auteurs C. J. Admiraal J. H. Dijkhuis J. A. Verbeek G. de Jong H. J. Houwing J. D. Kuis F. ten Klooster

Nadere informatie

Hoe werkt deze methodesite? Snelle start met het Docenten-ePack

Hoe werkt deze methodesite? Snelle start met het Docenten-ePack Hoe werkt deze methodesite? Snelle start met het Docenten-ePack Inleiding Graag helpen we u zo snel mogelijk op weg met de digitale lesonderdelen van de methode in dit docenten-epack. Naast een optimaal

Nadere informatie

havo practicumboek natuurkunde

havo practicumboek natuurkunde 3 havo practicumboek natuurkunde natuurkunde 3 havo Auteurs L. Lenders F. Molin R. Tromp Met medewerking van Th. Smits Vierde editie Malmberg s-hertogenbosch www.nova-malmberg.nl Inhoudsopgave 1 Krachten

Nadere informatie

Havo 4 - Practicumwedstrijd Versnelling van een karretje

Havo 4 - Practicumwedstrijd Versnelling van een karretje Havo 4 - Practicumwedstrijd Versnelling van een karretje Vandaag gaan jullie een natuurkundig experiment doen in een hele andere vorm dan je gewend bent, namelijk in de vorm van een wedstrijd. Leerdoelen

Nadere informatie

Elektrische huisinstallatie

Elektrische huisinstallatie Elektrische huisinstallatie Titel: Vak: Domein: Sector: 3D aspecten: Elektrische apparaten - Ontwerp een huisinstallatie Natuurkunde Energie Havo - vwo Werkwijze: Modelontwikkeling en gebruik, Onderzoeken,

Nadere informatie

12 e editie havo/vwo onderbouw 29/11/17

12 e editie havo/vwo onderbouw 29/11/17 12 e editie havo/vwo onderbouw 29/11/17 Agenda De nieuwe 12e editie Productinformatie en planning Aanleiding nieuwe editie Uitgangspunten 12e editie Wat is er gebleven? Nieuwe elementen en wijzigingen

Nadere informatie

Sita (VWO2) Aaron Sams. Natuurkunde en Flipping the Classroom

Sita (VWO2) Aaron Sams. Natuurkunde en Flipping the Classroom Natuurkunde en Flipping the Classroom De lespraktijk van een natuurwetenschappelijk vak zoals natuurkunde bestaat gewoonlijk uit klassikale instructie, practicum en het verwerken van opdrachten. In de

Nadere informatie

TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2013

TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2013 3K TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2013 L.A. Reichard J.H. Dijkhuis C.J. Admiraal G.J. te Vaarwerk J.A. Verbeek G. de Jong H.J. Houwing J.D. Kuis F. ten Klooster S.K.A. de Waal J. van Braak J.H.M. Liesting-Maas

Nadere informatie

AUTEURS: R. TROMP M. EIJKELKAMP TH. SMITS G. ALTENA

AUTEURS: R. TROMP M. EIJKELKAMP TH. SMITS G. ALTENA DOCENTENHANDLEIDING NIEUWE NATUUR- EN SCHEIKUNDE NASK1 - NATUURKUNDE 3 VMBO-KGT AUTEURS: R. TROMP M. EIJKELKAMP TH. SMITS MET MEDEWERKING VAN: G. ALTENA DERDE DRUK MALMBERG 'S-HERTOGENBOSCH WWW.NOVA-MALMBERG.NL

Nadere informatie

Deel 3 havo. Docentenhandleiding havo deel 3 CB

Deel 3 havo. Docentenhandleiding havo deel 3 CB Deel 3 havo De hoeveelheid leerstof is gebaseerd op drie lesuren per week. Met drie lesuren is het in ieder geval mogelijk om de basisstof van tien hoofdstukken door te werken, eventueel met de verkorte

Nadere informatie

Meten is weten, dat geldt ook voor het vakgebied natuurkunde. Om te meten gebruik je hulpmiddelen, zoals timers, thermometers, linialen en sensoren.

Meten is weten, dat geldt ook voor het vakgebied natuurkunde. Om te meten gebruik je hulpmiddelen, zoals timers, thermometers, linialen en sensoren. 1 Meten en verwerken 1.1 Meten Meten is weten, dat geldt ook voor het vakgebied natuurkunde. Om te meten gebruik je hulpmiddelen, zoals timers, thermometers, linialen en sensoren. Grootheden/eenheden Een

Nadere informatie

Blauwdruk ontwikkeling leermateriaal

Blauwdruk ontwikkeling leermateriaal Blauwdruk ontwikkeling leermateriaal School: Greijdanus College Door: Jeroen Wester Datum: 19 augustus 2015 Versie: 1.0 Onderstaande blauwdruk is tot stand gekomen door eerdere ervaringen bij het ontwikkelen

Nadere informatie

Eindtermen Techniek De leerlingen onderzoeken waarneembare eigenschappen van courante materialen en grondstoffen i.f.v. een technisch proces.

Eindtermen Techniek De leerlingen onderzoeken waarneembare eigenschappen van courante materialen en grondstoffen i.f.v. een technisch proces. Eindtermen Techniek Inzicht ontwikkelen in technische systemen en processen en hun relatie tot verschillende technologische domeinen en tot andere domeinen (wetenschappen, wiskunde ). 6.35 De leerlingen

Nadere informatie

TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2015

TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2015 TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2015 L.A. Reichard J.H. Dijkhuis C.J. Admiraal G.J. te Vaarwerk J.A. Verbeek G. de Jong H.J. Houwing J.D. Kuis F. ten Klooster S.K.A. de Waal J. van Braak J.H.M. Liesting-Maas

Nadere informatie

Sita (VWO2) Aaron Sams. Natuurkunde en Flipping the Classroom

Sita (VWO2) Aaron Sams. Natuurkunde en Flipping the Classroom Natuurkunde en Flipping the Classroom De lespraktijk van een natuurwetenschappelijk vak zoals natuurkunde bestaat gewoonlijk uit klassikale instructie, practicum en het verwerken van opdrachten. In de

Nadere informatie

Hoe werkt u met Overal NaSk 5e editie onderbouw

Hoe werkt u met Overal NaSk 5e editie onderbouw Hoe werkt u met Overal NaSk 5e editie onderbouw Inhoud 1 In vogelvlucht p. 2 2 Hoe wilt u werken? p. 3 3 Meer dan in het boek p. 4 4 Leerroutes p. 8 5 Oefentoets met studieadvies op maat p. 9 6 Resultatenpagina's

Nadere informatie

Handleiding voor de leerling

Handleiding voor de leerling Handleiding voor de leerling Inhoudopgave Inleiding blz. 3 Hoe pak je het aan? blz. 4 Taken blz. 5 t/m 9 Invulblad taak 1 blz. 10 Invulblad hoofd- en deelvragen blz. 11 Plan van aanpak blz. 12 Logboek

Nadere informatie

TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2013

TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2013 3 TIENDE EDITIE EERSTE OPLAGE, 2013 L.A. Reichard J.H. Dijkhuis C.J. Admiraal G.J. te Vaarwerk J.A. Verbeek G. de Jong H.J. Houwing J.D. Kuis F. ten Klooster S.K.A. de Waal J. van Braak J.H.M. Liesting-Maas

Nadere informatie

Getal & Ruimte. Leerwerkboek 2 vmbo-bk deel 2. Twaalfde editie, 2019

Getal & Ruimte. Leerwerkboek 2 vmbo-bk deel 2. Twaalfde editie, 2019 Getal & Ruimte Leerwerkboek 2 vmbo-bk deel 2 Twaalfde editie, 2019 Noordhoff Uitgevers Groningen Auteurs C.J. Admiraal J.H. Dijkhuis J.A. Verbeek G. de Jong H.J. Houwing J.D. Kuis F. ten Klooster S.K.A.

Nadere informatie

Nederlands in Uitvoering

Nederlands in Uitvoering Leerjaar 2 Uitvinders Een informatieve tekst lezen Algemene modulegegevens Leerjaar: 2 Taaltaak: Een informatieve tekst lezen Thema: Uitvinders (sector Techniek) Leerstijlvariant: ERVAAR BEKIJK - DENK

Nadere informatie

Whitepaper Moderne Wiskunde 12 e editie onderbouw

Whitepaper Moderne Wiskunde 12 e editie onderbouw Whitepaper Moderne Wiskunde 12 e editie onderbouw WHITEPAPER MODERNE WISKUNDE Moderne Wiskunde is een methode waarin inzicht, structuur en vernieuwing centraal staan. Moderne Wiskunde volgt een didactiek

Nadere informatie

Hoe werkt u met Moderne Wiskunde 12 e editie onderbouw?

Hoe werkt u met Moderne Wiskunde 12 e editie onderbouw? Hoe werkt u met Moderne Wiskunde 12 e editie onderbouw? Inhoud 1 In vogelvlucht p. 2 2 Hoe wilt u werken? p. 3 3 Hoe maken de leerlingen kennis met Moderne Wiskunde online? p. 5 4 Meer dan lesstof in het

Nadere informatie

3. Wat betekent dat voor de manier waarop lesgegeven zou moeten worden in de - voor jou - moeilijke vakken?

3. Wat betekent dat voor de manier waarop lesgegeven zou moeten worden in de - voor jou - moeilijke vakken? Werkblad: 1. Wat is je leerstijl? Om uit te vinden welke van de vier leerstijlen het meest lijkt op jouw leerstijl, kun je dit simpele testje doen. Stel je eens voor dat je zojuist een nieuwe apparaat

Nadere informatie

Practicum algemeen. 1 Diagrammen maken 2 Lineair verband en evenredig verband 3 Het schrijven van een verslag

Practicum algemeen. 1 Diagrammen maken 2 Lineair verband en evenredig verband 3 Het schrijven van een verslag Practicum algemeen 1 Diagrammen maken 2 Lineair verband en evenredig verband 3 Het schrijven van een verslag 1 Diagrammen maken Onafhankelijke grootheid en afhankelijke grootheid In veel experimenten wordt

Nadere informatie

Contexten in Pulsar: In de introductie als motivatie voor de leerling en het ophalen van voorkennis

Contexten in Pulsar: In de introductie als motivatie voor de leerling en het ophalen van voorkennis Pulsar Natuurkunde 3 e editie havo en vwo Tweede Fase Pulsar: Uitdagend en gestructureerd Keuze SE in het boek Veel aandacht voor conceptueel begrip (Pulsjes) Aansprekende en relevante contexten Stimuleert

Nadere informatie

Hoe werkt u met Getal & Ruimte 12 e editie vmbo

Hoe werkt u met Getal & Ruimte 12 e editie vmbo Hoe werkt u met Getal & Ruimte 12 e editie vmbo Inhoud 1 In vogelvlucht p. 2 2 Hoe wilt u werken? p. 6 3 Meer dan lesstof in het boek p. 8 4 Leerroutes p. 13 5 Oefentoets met studieadvies op maat p. 17

Nadere informatie

Hoe is SmartRekenen opgebouwd?

Hoe is SmartRekenen opgebouwd? Hoe is SmartRekenen opgebouwd? Onderstaand figuur toont de opbouw van SmartRekenen: SmartRekenen 1F Instaptoets IT 2A 2F Referentieniveau Deel 1 Deel 3F Deel 2 Hoofdstuk 1 Paragraaf Eindtoets 2 Theorie

Nadere informatie

Getal & Ruimte Leerboek 2 vmbo-kgt deel 2

Getal & Ruimte Leerboek 2 vmbo-kgt deel 2 Getal & Ruimte Leerboek 2 vmbo-kgt deel 2 Twaalfde editie, 2019 Noordhoff Uitgevers Groningen Auteurs C.J. Admiraal J.H. Dijkhuis J.A. Verbeek G. de Jong H.J. Houwing J.D. Kuis F. ten Klooster S.K.A. de

Nadere informatie

Hoe werkt u met Chemie Overal 7e editie onderbouw

Hoe werkt u met Chemie Overal 7e editie onderbouw Hoe werkt u met Chemie Overal 7e editie onderbouw Inhoud 1 In vogelvlucht p. 2 2 Hoe wilt u werken? p. 3 3 Meer dan in het boek p. 4 4 Leerroutes p. 7 5 Oefentoets met studieadvies op maat p. 8 6 Resultatenpagina's

Nadere informatie

Het gaat niet om de verpakking, maar om wat er in zit!

Het gaat niet om de verpakking, maar om wat er in zit! Het gaat niet om de verpakking, maar om wat er in zit! U-talent opdracht Wiskunde Havo 3 (eventueel vwo 3) Inleiding Het verpakken en vervoeren van producten is een belangrijk onderwerp in de commerciële

Nadere informatie

Hoe werkt u met Moderne Wiskunde 12 e editie onderbouw?

Hoe werkt u met Moderne Wiskunde 12 e editie onderbouw? Hoe werkt u met Moderne Wiskunde 12 e editie onderbouw? Inhoud 1 In vogelvlucht p. 2 2 Hoe wilt u werken? p. 3 3 Hoe maken de leerlingen kennis met Moderne Wiskunde online? p. 5 4 Meer dan lesstof in het

Nadere informatie

Evalueren van de kwaliteit van onderzoek

Evalueren van de kwaliteit van onderzoek Evalueren van de kwaliteit van onderzoek Een aanpak voor zelfevaluatie van nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en validiteit door vwo-leerlingen bij onderzoek in de bètavakken Promotieonderzoek in kader van

Nadere informatie

Wiskunde op maat! 29/11/17

Wiskunde op maat! 29/11/17 Wiskunde op maat! 29/11/17 Presentatie Achtergrond nieuwe editie Concept boek online Arrangement Achtergrond 12 e editie Gebruikerswensen Oefenstof Theorie/voorbeelden Differentiatie Digitaal Gepersonaliseerd

Nadere informatie

kleuteronderwijs lager onderwijs secundair onderwijs 1 ste graad A- stroom en B-stroom eindtermen en en ontwikkelingsdoelen techniek

kleuteronderwijs lager onderwijs secundair onderwijs 1 ste graad A- stroom en B-stroom eindtermen en en ontwikkelingsdoelen techniek 1 kleuteronderwijs lager onderwijs secundair onderwijs 1 ste graad A- stroom en B-stroom eindtermen en ontwikkelingsdoelen techniek 2 Ontwikkelingsdoelen techniek Kleuteronderwijs De kleuters kunnen 2.1

Nadere informatie

Getal en Ruimte wi 1 havo/vwo deel 1 hoofdstuk 4 Didactische analyse door Lennaert van den Brink (1310429)

Getal en Ruimte wi 1 havo/vwo deel 1 hoofdstuk 4 Didactische analyse door Lennaert van den Brink (1310429) Getal en Ruimte wi 1 havo/vwo deel 1 hoofdstuk 4 Didactische analyse door Lennaert van den Brink (1310429) - een lijst met operationele en concrete doelen van de lessenserie, indien mogelijk gerelateerd

Nadere informatie

Hoe werkt u met buitenland 3e editie Tweede Fase

Hoe werkt u met buitenland 3e editie Tweede Fase Hoe werkt u met buitenland 3e editie Tweede Fase Inhoud 1 In vogelvlucht p. 2 2 Hoe wilt u werken? p. 3 3 Meer dan lesstof in het boek p. 5 4 Leerroutes p. 8 5 Oefentoets met studieadvies op maat p. 9

Nadere informatie

FAQ DE GEO BOVENBOUW HAVO/VWO 5 E

FAQ DE GEO BOVENBOUW HAVO/VWO 5 E FAQ DE GEO BOVENBOUW HAVO/VWO 5 E EDITIE De onderwerpen die in deze FAQ aan bod komen: Arrangement Planning PTA Inhoudelijk ARRANGEMENT Wat is het verschil tussen een combipakket en een abonnement? Abonnement

Nadere informatie

Stoeien met Statistiek

Stoeien met Statistiek Stoeien met Statistiek Havo 4: Statistiek op grote datasets 2 Inhoudsopgave Achtergrondinformatie... 4 Docentenhandleiding... 5 Inleiding voor leerlingen... 6 Opdracht 1... 7 Opdracht 2... 8 Opdracht 3...

Nadere informatie

BBL-4, topklinisch traject RdGG Pagina 1 van 7 Persoonlijke ontwikkeling Studievaardigheden

BBL-4, topklinisch traject RdGG Pagina 1 van 7 Persoonlijke ontwikkeling Studievaardigheden BBL-4, topklinisch traject RdGG Pagina 1 van 7 Inleiding en leerdoelen Leren en studeren is een belangrijk onderdeel in je opleiding tot verpleegkundige. Om beter te leren studeren is het belangrijk niet

Nadere informatie

Beste leerling, Om een zo duidelijk mogelijk verslag te maken, hebben we de examenvragen onderverdeeld in 4 categorieën.

Beste leerling, Om een zo duidelijk mogelijk verslag te maken, hebben we de examenvragen onderverdeeld in 4 categorieën. Beste leerling, Dit document bevat het examenverslag van het vak Natuurkunde vwo, eerste tijdvak (2016). In dit examenverslag proberen we zo goed mogelijk antwoord te geven op de volgende vraag: In hoeverre

Nadere informatie

Wiskunde: vakspecifieke toelichting en tips

Wiskunde: vakspecifieke toelichting en tips Wiskunde: vakspecifieke toelichting en tips Met deze voorbeelden van taken voor de wiskundelessen willen wij verschillende ideeën illustreren. Ten eerste geven zij een idee wat bedoeld wordt met hele-taakeerst

Nadere informatie

AUTEURS: R. TROMP TH. SMITS P. VAN HOEFLAKEN

AUTEURS: R. TROMP TH. SMITS P. VAN HOEFLAKEN DOCENTENHANDLEIDING NIEUWE NATUUR- EN SCHEIKUNDE NATUUR- EN SCHEIKUNDE VOOR DE ONDERBOUW 1-2 VMBO-KGT AUTEURS: R. TROMP TH. SMITS P. VAN HOEFLAKEN MET MEDEWERKING VAN: G. ALTENA A. BOOTS L. VAN DER VELPEN

Nadere informatie

Aandachtspunten. blok 8, les 3 blok 8, les 11. blok 8, les 3 blok 9, les 6 blok 9, les 11. blok 7, les 3 blok 7, les 8 blok 9, les 6

Aandachtspunten. blok 8, les 3 blok 8, les 11. blok 8, les 3 blok 9, les 6 blok 9, les 11. blok 7, les 3 blok 7, les 8 blok 9, les 6 Aandachtspunten 299 Aandachtspuntenlijst 3, bij blok 7, 8 en 9 1 De telrij tot en met en boven 100 000. plaatsen van getallen op de getallenlijn. Het kind kan zich geen voorstelling maken van een hoeveelheid.

Nadere informatie

Handleiding Docentenpakket online. Versie 1.1

Handleiding Docentenpakket online. Versie 1.1 Handleiding Docentenpakket online Versie 1.1 1 Welkom Met de nieuwste generatie leermiddelen (voor docenten Docentenpakket online en voor leerlingen [methode] online) kunnen docenten eigen en open lesmateriaal

Nadere informatie

Whitepaper Pincode 6 e editie tweede fase

Whitepaper Pincode 6 e editie tweede fase Whitepaper Pincode 6 e editie tweede fase Nieuwe editie Pincode 6 e editie Tweede Fase Met de nieuwe editie van Pincode voor de tweede fase worden leerlingen optimaal voorbereid op het nieuwe examenprogramma,

Nadere informatie

Referentieniveaus uitgelegd. 1S - rekenen Vaardigheden referentieniveau 1S rekenen. 1F - rekenen Vaardigheden referentieniveau 1F rekenen

Referentieniveaus uitgelegd. 1S - rekenen Vaardigheden referentieniveau 1S rekenen. 1F - rekenen Vaardigheden referentieniveau 1F rekenen Referentieniveaus uitgelegd De beschrijvingen zijn gebaseerd op het Referentiekader taal en rekenen'. In 'Referentieniveaus uitgelegd' zijn de niveaus voor de verschillende sectoren goed zichtbaar. Door

Nadere informatie

Getal & Ruimte. Leerwerkboek 2 vmbo-bk deel 1. Twaalfde editie, 2018

Getal & Ruimte. Leerwerkboek 2 vmbo-bk deel 1. Twaalfde editie, 2018 Getal & Ruimte Leerwerkboek 2 vmbo-bk deel 1 Twaalfde editie, 2018 Noordhoff Uitgevers Groningen Auteurs C.J. Admiraal J.H. Dijkhuis J.A. Verbeek G. de Jong H.J. Houwing J.D. Kuis F. ten Klooster S.K.A.

Nadere informatie

Workshop Handleiding. Verhalen schrijven. wat is jouw talent?

Workshop Handleiding. Verhalen schrijven. wat is jouw talent? Workshop Handleiding Verhalen schrijven wat is jouw talent? Inhoudsopgave Hoe gebruik je deze workshop? Hoe kun je deze workshop inzetten in je klas? Les 1: Even voorstellen stelt zich kort voor en vertelt

Nadere informatie

Wiskunde Lesperiode 1

Wiskunde Lesperiode 1 Wiskunde Lesperiode 1 Proefwerk analyse & Voorbereiding op de herkansing of hoe je je wiskunde materiaal ook kunt gebruiken. Wat gaan we doen? Overzicht creëren. Planning maken. Fouten opsporen en verbeteren.

Nadere informatie

Verleg je grenzen! Compleet vernieuwd! Waarom kiest ú voor de nieuwe Taalblokken? Taalblokken Nederlands Brochure MBO

Verleg je grenzen! Compleet vernieuwd! Waarom kiest ú voor de nieuwe Taalblokken? Taalblokken Nederlands Brochure MBO Taalblokken Nederlands Brochure MBO Verleg je grenzen! Waarom kiest ú voor de nieuwe Taalblokken? U kunt gemakkelijk differentiëren studenten leren wat nodig is Motiverend en uitdagend lesmateriaal voor

Nadere informatie

Uitdager van de maand. Rekenen Wiskunde, Groep 6. Algemeen

Uitdager van de maand. Rekenen Wiskunde, Groep 6. Algemeen Uitdager van de maand Grafieken Rekenen Wiskunde, Groep 6 Algemeen Titel Grafieken Cognitieve doelen en vaardigheden voor excellente leerlingen Een verslag (omschrijving) van een grafiek aan een grafiek

Nadere informatie

Getal & Ruimte Leerboek 2 vmbo-kgt deel 1

Getal & Ruimte Leerboek 2 vmbo-kgt deel 1 Getal & Ruimte Leerboek 2 vmbo-kgt deel 1 Twaalfde editie, 2018 Noordhoff Uitgevers Groningen Auteurs C. J. Admiraal J. H. Dijkhuis J. A. Verbeek G. de Jong H. J. Houwing J. D. Kuis F. ten Klooster S.

Nadere informatie

Meten en Meetkunde 3. Doelgroep Meten en Meetkunde 3. Omschrijving Meten en Meetkunde 3

Meten en Meetkunde 3. Doelgroep Meten en Meetkunde 3. Omschrijving Meten en Meetkunde 3 Meten en Meetkunde 3 Meten en Meetkunde 3 besteedt aandacht aan het onderhouden en uitbreiden van de basisvaardigheden van het rekenen met maten, oppervlaktes en inhouden, coördinaten en assenstelsels,

Nadere informatie

Whitepaper Getal & Ruimte 12 e editie havo/vwo onderbouw

Whitepaper Getal & Ruimte 12 e editie havo/vwo onderbouw Whitepaper Getal & Ruimte 12 e editie havo/vwo onderbouw WHITEPAPER GETAL & RUIMTE Getal & Ruimte is de grootste wiskundemethode in het voortgezet onderwijs. Met een heldere didactische structuur en een

Nadere informatie

inhoudsopgave juni 2005 handleiding haakjes 2

inhoudsopgave juni 2005 handleiding haakjes 2 handleiding haakjes inhoudsopgave inhoudsopgave 2 de opzet van haakjes 3 bespreking per paragraaf 5 rekenen trek-af-van tegengestelde tweetermen merkwaardige producten tijdpad 6 materialen voor een klassengesprek

Nadere informatie

Scheikunde havo 3. Matthijs Oosterhoff. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/100123

Scheikunde havo 3. Matthijs Oosterhoff. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/100123 Scheikunde havo 3 Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Matthijs Oosterhoff 31 mei 2017 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/100123 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs

Nadere informatie

Nederlands in Uitvoering

Nederlands in Uitvoering Nederlands in Uitvoering Leerjaar 1 Sport & spel Een mondelinge instructie begrijpen Algemene modulegegevens Leerjaar: 1 Taaltaak: Een mondelinge instructie begrijpen Thema: Sport & spel Leerstijlvariant:

Nadere informatie

Actief en zelfstandig leren en werken met Nu voor straks en Techniek om je heen

Actief en zelfstandig leren en werken met Nu voor straks en Techniek om je heen Actief en zelfstandig leren en werken met Nu voor straks en Techniek om je heen Door Hans Betlem, auteur Nu voor straks Inleiding Steeds meer scholen gaan over tot samenvoeging van de vakken natuur- en

Nadere informatie

De vragen sluiten aan bij de belevingswereld van de leerlingen en zijn onderverdeeld in de volgende vijftien categorieën:

De vragen sluiten aan bij de belevingswereld van de leerlingen en zijn onderverdeeld in de volgende vijftien categorieën: > Categorieën De vragen sluiten aan bij de belevingswereld van de leerlingen en zijn onderverdeeld in de volgende vijftien categorieën: 1 > Poten, vleugels, vinnen 2 > Leren en werken 3 > Aarde, water,

Nadere informatie

En wat nu als je voorwerpen hebt die niet even groot zijn?

En wat nu als je voorwerpen hebt die niet even groot zijn? Dichtheid Als je van een stalen tentharing en een aluminium tentharing wilt weten welke de grootte massa heeft heb je een balans nodig. Vaak kun je het antwoord ook te weten komen door te voelen welk voorwerp

Nadere informatie

De lamp. Copyright Vakcollege Groep B.V. 2011. Alle rechten voorbehouden.

De lamp. Copyright Vakcollege Groep B.V. 2011. Alle rechten voorbehouden. De lamp Copyright Vakcollege Groep B.V. 2011. Alle rechten voorbehouden. De lamp Met lampen is het als met schoenen; ze zijn vanzelfsprekend en je ziet ze overal. Pas als de stroom een keer uitvalt, merk

Nadere informatie

Hoe werkt u met Getal & Ruimte 12 e editie havo / vwo onderbouw

Hoe werkt u met Getal & Ruimte 12 e editie havo / vwo onderbouw Hoe werkt u met Getal & Ruimte 12 e editie havo / vwo onderbouw Inhoud 1 In vogelvlucht p. 2 2 Hoe wilt u werken? p. 3 3 Meer dan lesstof in het boek p. 5 4 Leerroutes p. 8 6 Oefentoets met studieadvies

Nadere informatie

Moderne wiskunde. Deel 4 vmbo basis. Docentenhandleiding bij: inhoudelijke structuur 2 dakpanconstructie 16 planning 18 beschrijving per hoofdstuk 21

Moderne wiskunde. Deel 4 vmbo basis. Docentenhandleiding bij: inhoudelijke structuur 2 dakpanconstructie 16 planning 18 beschrijving per hoofdstuk 21 Moderne wiskunde Docentenhandleiding bij: Deel 4 vmbo basis inhoudelijke structuur 2 dakpanconstructie 16 planning 18 beschrijving per hoofdstuk 21 Wolters-Noordhoff bv 1 Inhoudelijke structuur Opstap

Nadere informatie

Bijlage 1: Format en instructie Leerlingwijzer

Bijlage 1: Format en instructie Leerlingwijzer Bijlage : Format en instructie Leerlingwijzer leerlingwijzer toets.nl Hoe heb je gescoord op weten, doen en snappen? vragen te behalen punten behaalde punten Wat heb je goed gedaan in deze toets? weten

Nadere informatie

5 Weerstand. 5.1 Introductie

5 Weerstand. 5.1 Introductie 5 Weerstand 5.1 Introductie I n l e i d i n g In deze paragraaf ga je verschillende soorten weerstanden bestuderen waarvan je de weerstandswaarde kunt variëren. De weerstand van een metaaldraad blijkt

Nadere informatie

ing. J.A.F.C.M. Meerhoff

ing. J.A.F.C.M. Meerhoff 2017 2018 ing. J.A.F.C.M. Meerhoff vmbo gt / mavo nask 1 Jouw beste voorbereiding op je examen in 2018 vmbo gt / mavo nask 1 Voorwoord Met deze examenbundel kun je je goed voorbereiden op het schoolexamen

Nadere informatie

LANDSEXAMEN MAVO

LANDSEXAMEN MAVO LANDSEXAMEN MAVO 2018-2019 Examenprogramma NASK 1 (Natuurkunde) M.A.V.O. 1 Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het commissie-examen. Het centraal examen wordt afgenomen in

Nadere informatie

SPA+ MET VOORBEELDEN UIT DE NATUURKUNDE

SPA+ MET VOORBEELDEN UIT DE NATUURKUNDE SPA+ MET VOORBEELDEN UIT DE NATUURKUNDE Redeneren = denken + formuleren Geheugen en denkkracht In de onderbouw kon je natuurkunde opgaven vaak direct beantwoorden vanuit je geheugen. In de bovenbouw lukt

Nadere informatie

Montessori High School Minor

Montessori High School Minor Titel: Biogas Montessori High School Minor Korte beschrijving van de Minor: Het begrip duurzaamheid kom je steeds vaker tegen in de maatschappij. Bij deze minor ga je zelf een product ontwerpen en een

Nadere informatie

DE NETWERKTHERMOMETER LEERLINGEN INSTRUCTIE

DE NETWERKTHERMOMETER LEERLINGEN INSTRUCTIE Netwerkthermometer DE NETWERKTHERMOMETER LEERLINGEN INSTRUCTIE Wat is De Netwerkthermometer De Netwerkthermometer is een test. Een test om een gedegen beeld te krijgen van hoe je zelf aan kijkt tegen je

Nadere informatie

Lesbrief Hellingproef

Lesbrief Hellingproef Lesbrief Hellingproef Korte beschrijving van een kant en klare praktische opdracht. Op het Comenius College (Hilversum) wordt met succes een zelfgemaakte rail gebruikt om een verband te vinden tussen de

Nadere informatie

DEEL II DOEN! - Praktische opdracht statistiek WA- 4HAVO

DEEL II DOEN! - Praktische opdracht statistiek WA- 4HAVO DEEL II DOEN! - Praktische opdracht statistiek WA- 4HAVO Leerlingmateriaal 1. Doel van de praktische opdracht Het doel van deze praktische opdracht is om de theorie uit je boek te verbinden met de data

Nadere informatie