Pilotproject bodeminformatie landbouw

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Pilotproject bodeminformatie landbouw"

Transcriptie

1 Pilotproject bodeminformatie landbouw Rapport In samenwerking met: Provincie Noord-Holland december 2009 Definitief

2

3 Pilotproject bodeminformatie landbouw Rapport dossier : C registratienummer : FJ-GI versie : 4 Provincie Noord-Holland december 2009 Definitief DHV B.V. Niets uit dit bestek/drukwerk mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt d.m.v. drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van DHV B.V., noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gecertificeerd volgens ISO 9001.

4

5 INHOUD BLAD SAMENVATTING 3 1 INLEIDING Aanleiding Doel Leeswijzer 9 2 METHODE Beoordelingsfactoren voor reguliere landbouw Beoordelingsfactoren voor biologische landbouw Bodemgeschiktheidsclassificatie HELP-tabel 38 3 RESULTATEN Veenweidegebied Bollenteelt (bollen op zand) Landbouw in de Wieringermeer en Haarlemmermeer 48 4 LITERATUUR 52 5 COLOFON 55 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

6

7 SAMENVATTING In opdracht van de provincie Noord Holland heeft DHV het ILG-pilot-project onder de titel Pilotproject bodeminformatie landbouw uitgevoerd. Dit in nauwe samenwerking met Alterra. Dit pilot-project ondersteunt de ontwikkeling van een provinciale visie op duurzaam bodembeheer, door stimulering van het gebruik van bodeminformatie in ruimtelijke inrichtingsprojecten en hier meer ervaring mee op te doen. De resultaten van deze bodeminformatiepilot kunnen dienen ter onderbouwing van keuzes in het kader van de provinciale (structuur)visie op de ontwikkelrichting van de landbouw. De informatie die in de pilot wordt gegenereerd zal namelijk worden gebruikt in het landbouwstructuuronderzoek om te komen tot een betere onderbouwing van de selectie van meest geschikte gebieden voor bepaalde teelten. Specifiek moest de pilot zich richten op beantwoording van geschiktheidvragen voor de volgende teelten en gebieden: Veenweidegebieden (veenweide/melkvee): Welke verschillen in bodemeigenschappen bestaan er binnen veenweidegebieden die van invloed zijn op de geschiktheid voor melkveehouderij? Speciale aandacht: grondwaterstand in relatie met omliggende natuur. Bollenteelt (bollen op zand): Is eer verschil in geschiktheid tussen de diverse zandgronden in Noord-Holland voor de bollenteelt? Speciale aandacht: risico van kwel in de toekomst, verspreiding van bestrijdingsmiddelen en verspreiding van zware metalen (vooral kwik). Landbouw in Wieringermeer en Haarlemmermeer: Welke delen van de Wieringermeer en Haarlemmermeer zijn het meest geschikt voor primaire landbouw? Speciale aandacht: grondsoort, bodemstructuur, water en verziltingsgevoeligheid. Voor de drie bovengenoemde vragen moet een onderscheid gemaakt worden tussen geschiktheid voor twee landbouwtypes: duurzame streekgebonden (gecertificeerde) landbouw / reguliere teelt biologische landbouw Vaststellen bodemgeschiktheid Bij de beoordeling van de bodemgeschiktheid voor verschillende teelten in de provincie Noord-Holland zijn telkens twee methoden gebruikt. De eerste methode is een overwegend kwalitatieve methode, waarbij met behulp van specifieke bodemkarakteristieken (beoordelingsfactoren) een beoordeling wordt gegeven van de geschiktheid van een grond voor een bepaald gewas. Een beoordelingsfactor is dus een met de grond samenhangende factor, waarmee een voor het bodemgebruik belangrijk proces, een gedragsaspect van de grond of een groeiplaatsomstandigheid, wordt gekarakteriseerd en het niveau ervan wordt beschreven. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

8 De tweede methode is een meer kwantitatieve methode, waarbij met behulp van zogenaamde HELPtabellen (Werkgroep HELP-tabel, 1987 en Huinink & Brouwer, 2002) een gemiddelde opbrengstdepressie wordt weergegeven als gevolg van natschade en van droogte. Deze depressiewaarden geven aan in welke mate (procentueel) de opbrengst achterblijft bij de opbrengst onder optimale' groeiomstandigheden. Belangrijkste conclusies Dit project richt zich op de beantwoording van de geschiktheidsvragen voor 3 studiegebieden binnen de Provincie Noord-Holland (zie ook Tabel A): Tabel A: Arealen (%) van bodemgeschiktheid voor vier teelten Bodemgebruik Ruime mogelijkheden Beperkte mogelijkheden Geringe Mogelijkheden Weidebouw Bloembollenteelt Akkerbouw Tuinbouw Bebouwing, wegen e.d. Veenweidegebied Op de bodemgeschikheidskaarten voor weidebouw zijn, met name in het zuiden en oosten van het veenweidegebied, grote arealen aangeduid als gronden met weinig mogelijkheden voor weidebouw. Toch komt juist hier weidebouw veelvuldig voor. Dit komt doordat andere vormen van grondgebruik hier eveneens (of zelfs nog meer) beperkt zijn, waardoor weidebouw als sluitpost overblijft. Het betreft hier dus overwegend weidegronden met een handicap: ze hebben nog wel een matige (soms zelfs hoge brutoproduktie) maar door grote beweidingsverliezen en zeer beperkte berijdbaarheid moeten deze gronden met het juiste (boeren)beleid worden behandeld. De voedingstoestand en organische-stofklasse zijn meestal tegengesteld aan de bodemgeschiktheid (trend: hoe lager de geschiktheid van een grond scoort voor grasland, des te hoger is de natuurlijke voedingstoestand en het organische-stofgehalte). Dit gegeven is een mooie bijkomstigheid voor de biologische weidebouw: daar waar de reguliere weidebouw met handicaps (slechte draagkracht) te maken krijgt, zijn de omstandigheden voor biologische weidebouw vanwege een hogere voedingstoestand en een hoger organische-stofgehalte hier weer iets gunstiger. Alleen in het noordwesten van het gebied, net ten oosten van Alkmaar, zijn twee kleine voorkomens in het Besluit (Uav, Nr 40.1) aangewezen als verzuring gevoelige gronden. Gebieden met een lage ph komen vooral voor in het zuidoosten van dit gebied, waardoor pitrus wel voor een probleem kan zorgen. Het probleem van de wisselende grondwaterstanden, waardoor extra fosfaat vrij kan komen, komt slechts voor bij twee kleine kaartvlakken tussen Krommenie en De Rijp. Er zijn overwegend weinig problemen te verwachten omtrent de grondwaterstanden van graslandpercelen in relatie met omliggende natuur. Slechts op enkele locaties in het noorden kunnen wat conflictsituaties ontstaan (tussen Purmerend en Middenbeemster, in de omgeving van Schermerhorn en ten noorden van Oosthuizen). 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

9 Bollenteeltgebied In de plan-mer worden 10 ingrepen getoetst, waaronder het zoekgebied voor de bollenteelt in de Kop van Noord-Holland (nr. 10). De toetsing in de plan-mer vindt plaats op basis van de drie hoofdthema s Klimaatbestendigheid, Ruimtelijke kwalititeit en Duurzaam ruimtegebruik. Doordat bloembollen vallen onder de groep van zogenaamd hoogsalderende gewassen, zijn er meer mogelijkheden om eventuele minder gunstige omstandigheden aan te passen. Zo kunnen ongunstige bodems via diepe grondbewerkingen (diepspitten) toch geschikt gemaakt worden voor de teelt van bloembollen. Dit leidt vanzelfsprekend niet per definitie tot een vorm van duurzaam bodembeheer. Wat betreft het aspect duurzaam bodemgebruik en de selectie van meest geschikte gebieden voor bepaalde teelten, kan op basis van de uitkomsten van deze studie het volgende worden geconcludeerd: in relatie tot (toekomstige) risico s van kwel: zoute kwel komt met name voor in de wat dieper gelegen poldergebieden met lage oppervlaktewaterpeilen, zoals ten noorden van Kleine Sluis en ten westen en oosten van Alkmaar. in relatie tot verspreiding van bestrijdingsmiddelen: vooral in het gebied tussen Den Helder en Kleine Sluis wordt het oppervlaktewater sterk belast met bestrijdingsmiddelen. Wieringermeer en Haarlemmermeer Op basis van grondsoort, bodemstructuur en water blijkt dat de Wieringermeerpolder, met uitzondering van het eiland Wieringen, over het algemeen erg geschikt is voor primaire landbouw. Een smalle strook van west naar oost over Middenmeer, een gebied ten oosten van Wieringerwerf en een gebied ten zuiden van het eiland Wieringen heeft beperkte mogelijkheden. Ook de Haarlemmermeerpolder biedt over het algemeen ruime mogelijkheden voor primaire landbouw. Ten zuiden van Nieuw-Vennep en net ten oosten van Haarlem zijn de gronden minder geschikt. De Wieringermeerpolder is erg gevoelig voor zoute kwel: in het noordoosten is dit een ernstig probleem; in iets mindere mate en omvang vormt dit eveneens in het noordwesten en zuidwesten van de polder een probleem. Deze toenemende verzilting kan primaire landbouw in deze gebieden onder druk zetten. De bodemgeschiktheidsclassificatie voor biologische teelt sluit aan bij de classificatie voor gangbare teelt. Voor de biologische tuinbouw en akkerbouw zijn de slempgevoeligheid en verkruimelbaarheid van groot belang voor de bodemstructuur in verband met de doorwortelbaarheid en opname van voedingsstoffen. Bij biologische akkerbouw is ook de bodemvruchtbaarheid van belang. Door een goede bodemstructuur zal het aantal regenwormen in omvang toenemen, wat een positief effect heeft op de bodemvruchtbaarheid. Wat betreft verziltingsgevoeligheid (concentraties in mg Cl/l) hebben we de volgende praktische onderverdeling aangebracht: 0-300: geen probleem : probleem bij snijmaïs, bouwland, aardappelen, tuinbouw, (zomer-, winter- en blad-) groenten, bloembollen; : probleem bij eerder genoemde gewassen en gras, granen, suikerbieten; >3000: altijd probleem. Op basis van deze onderverdeling blijkt dat met name de Wieringermeer, maar ook (aanzienlijke) delen van de Haarlemmermeer zoutproblemen ondervinden bij primaire landbouw. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

10 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Op 18 december 2006 is een Bestuursovereenkomst afgesloten tussen het Rijk en de Provincie Noord- Holland voor de periode in het kader van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG). In deze overeenkomst zijn voor het thema Bodem pilot-projecten voorzien. Deze pilot-projecten zijn gericht op de ontwikkeling van een provinciale visie op duurzaam bodembeheer, door stimulering van het gebruik van bodeminformatie in ruimtelijke inrichtingsprojecten en hier meer ervaring mee op te doen. DHV heeft voor de provincie Noord-Holland een dergelijk ILG-pilot-project onder de titel Gebruik bodeminformatie in landbouwstructuuronderzoek uitgevoerd in nauwe samenwerking met Alterra. De provincie Noord-Holland wil de landbouwsector de ruimte bieden om zich te kunnen ontwikkelen, zodat op duurzame wijze de concurrentiekracht wordt behouden en versterkt. Een goede agrarische structuur is voor land- en tuinbouwbedrijven van groot belang. Door kavelruil, via landinrichting, een actief grondbeleid en door middel van stimuleringspremies, kunnen de productie- en arbeidsomstandigheden binnen het agrarische bedrijfsleven worden verbeterd (Bron: website Provincie). De provincie Noord-Holland wil naast versterking van de marktpositie de verdere ontwikkeling van de landbouw ook faciliteren in de richting van verduurzaming. In het kader van de Wro heeft de provincie een (ontwerp) structuurvisie opgesteld waarin ook het thema Voldoende ruimte voor landbouw en visserij een belangrijke plaats inneemt. In de structuurvisie worden de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor de langere termijn beschreven. De resultaten van deze bodeminformatiepilot kunnen dienen ter onderbouwing van keuzes in het kader van de provinciale (structuur)visie op de ontwikkelrichting van de landbouw. De provincie kan bepaalde ontwikkelingen stimuleren die van maatschappelijk belang zijn en die de markt kan oppakken: verbreding, biologische landbouw en ruimtelijk faciliteren van ontwikkelingen binnen het krachtenveld van concurrerende claims op ruimte en het maatschappelijke belang van de landbouw als beheerder van het landschap. Volgens Kuhlman et al (2009) zijn de belangrijkste uitdagingen voor het provinciale landbouwbeleid in Noord-Holland de volgende: (a) faciliteren van schaalvergroting en zorg voor duurzaam perspectief voor de landbouw door landschappelijke inpassing en -combinaties, werken aan een goede verkavelingstructuur, opzetten van helder beleid waaronder schaalvergroting planologisch mogelijk is, beleid ontwikkelen voor 'agrobedrijventerreinen', beheer van bodem en water; (b) zorgen voor regionaal maatwerk en het beleid in nauwe samenspraak met lokale en regionale partijen anders wordt ingevuld; (c) (financieel) stimuleren van de herstructureringsopgave in de glastuinbouw, vinden van 'ruimte voor glas' (ook in samenwerking met Zuid-Holland); (d) zorg voor goede, regionale bereikbaarheid van de productie- en handelsgebieden, stimuleren nieuwe logistieke concepten; (e) faciliteren en stimuleren van gewenste ontwikkelingen als verduurzaming, verbreding, opkomst biologische landbouw, opkomst kennisintensieve clusters als Seed Valley en aquacultuur; 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

11 (f) leggen van verbindingen met andere 'sectoren' en beleidsterreinen (water, natuur, milieu, energie, verkeer en vervoer, recreatie, rurale parken in steden, enzovoort); (g) in samenwerking met onder andere het ministerie van EZ, stimuleren van innovaties, zowel van producten als processen (supply-chain management); (h) vormen van een bestuurlijke en beleidsmatige schakel naar rijksprogramma's en -gremia (LNV, EZ, Greenports Nederland, Programma Agrogistiek enzovoort). Leidende gedachte is dat enerzijds de landbouw van groot economisch belang is als stuwende en dynamische sector in de provincie; anderzijds is ze ook van maatschappelijk belang als beheerder van het unieke Hollandse landschap. De uitdaging is om aan beide aspecten recht te doen (Kuhlman et al., 2009). Daarnaast vindt ook de innovatie binnen de sector plaats in het spanningsveld van schaalvergroting en ruimtelijke druk. Wat betreft de eerstgenoemde uitdaging (a), staat met name het onderdeel beheer van bodem en water als thema in relatie tot een andere recente visie van de provincie Noord-Holland, namelijk de Bodemvisie Noord-Holland. Deze Bodemvisie geeft een invulling van de provinciale ambitie voor een efficiënte en duurzame benutting van de bodem. Dit betekent dat het gebruik van de bodem zo goed mogelijk wordt afgestemd op de eigenschappen van de bodem en dat zo met de bodem wordt omgegaan dat ook toekomstige generaties er nog goed gebruik van kunnen maken. Een van de onderwerpen die in deze visie centraal staat, is het bevorderen van een goede afstemming tussen ruimtelijke functies en bodemeigenschappen bij ruimtelijke plannen. Een tweede onderwerp dat direct aansluit bij de uitdaging waar ook in de structuurvisie aandacht voor wordt gevraagd is de verbetering van de regulerende bodemfunctie in het landelijk gebied. Wat deze zaken betreft is ook de plan-mer bij de structuurvisie Noord-Holland zeer relevant. In de plan- MER worden 10 ingrepen getoetst, waaronder het zoekgebied voor de bollenteelt in de Kop van Noord- Holland (nr. 10). De toetsing in de plan-mer vindt plaats op basis van de drie hoofdthema s Klimaatbestendigheid, Ruimtelijke kwalititeit en Duurzaam ruimtegebruik. 1.2 Doel Het doel van het pilot-project is het in meer detail verzamelen, ontsluiten en benutten van informatie en kennis over bodemeigenschappen die van invloed zijn op de geschiktheid van de bodem voor specifieke teelten of in specifieke gebieden. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

12 De informatie die in de pilot wordt gegenereerd zal gebruikt worden in het landbouwstructuuronderzoek om te komen tot een betere onderbouwing van de selectie van meest geschikte gebieden voor bepaalde teelten. Specifiek moet de pilot zich richten op beantwoording van geschiktheidvragen voor de volgende teelten en gebieden: Veenweidegebieden (veenweide/melkvee) Specifieke vraag: Welke verschillen in bodemeigenschappen bestaan er binnen veenweidegebieden die van invloed zijn op de geschiktheid voor melkveehouderij? Speciale aandacht: - grondwaterstand in relatie met omliggende natuur. Bollenteelt (bollen op zand) Specifieke vraag: Is eer verschil in geschiktheid tussen de diverse zandgronden in Noord-Holland voor de bollenteelt? Speciale aandacht: - risico van kwel in de toekomst, - verspreiding van bestrijdingsmiddelen en - verspreiding van zware metalen (vooral kwik). Landbouw in Wieringermeer en Haarlemmermeer Specifieke vraag: Welke delen van de Wieringermeer en Haarlemmermeer zijn het meest geschikt voor primaire landbouw? Speciale aandacht: - grondsoort, - bodemstructuur, - water en - verziltingsgevoeligheid. Voor de drie bovengenoemde vragen moet een onderscheid gemaakt worden tussen geschiktheid voor twee landbouwtypes: biologische landbouw duurzame streekgebonden (gecertificeerde) landbouw / reguliere teelt 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

13 1.3 Leeswijzer Het voorliggende rapport geeft voor drie regio s in de provincie Noord-Holland kaarten van de bodemgeschiktheid en van de risico s rondom de gangbare (reguliere) teelten en hun biologische varianten. De regio s worden gevormd door: - het Veenweidegebied, - de Bollenstreek, - de Haarlemmer- en Wieringermeerpolder. In hoofdstuk 2 wordt de gehanteerde methode voor het vaststellen van bodemgeschiktheid voor divers landbouwkundig gebruik verder uitgewerkt en toegelicht. Dit hoofdstuk geeft een diepgaande analyse van de zogenaamde beoordelingsfactoren, zoals: ontwateringstoestand, vochtleverend vermogen, stevigheid van de bovengrond en verkruimelbaarheid. In hoofdstuk 3 worden de resultaten gepresenteerd in de vorm van kaarten en oppervlaktetabellen. Voor diegenen die vooral geïnteresseerd zijn in de verspreiding van de verschillende bodemgeschiktheden en bijbehorende kwetsbaarheden kunnen het beste direct door naar hoofdstuk 3 voor de oppervlaktetabellen of naar de bijlagen voor de kaarten. Lezers die er belang in stellen om meer achtergrondinformatie te kennen, raden wij aan om ook hoofdstuk 2 te lezen. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

14 2 METHODE Vaststellen bodemgeschiktheid Bij de beoordeling van de bodemgeschiktheid voor verschillende teelten in de provincie Noord-Holland zijn telkens twee methoden gebruikt. De eerste methode is een overwegend kwalitatieve methode, waarbij met behulp van specifieke bodemkarakteristieken (beoordelingsfactoren) een beoordeling wordt gegeven van de geschiktheid van een grond voor een bepaald gewas (Werkgroep Interpretatie Bodemkaarten, stadium C, kortweg WIB-C in Haans red., 1979 en Technisch Document 19D, 1995). De tweede methode is een meer kwantitatieve methode, waarbij met behulp van zogenaamde HELP-tabellen (Werkgroep HELPtabel, 1987 en Huinink & Brouwer, 2002) een gemiddelde opbrengstdepressie wordt weergegeven als gevolg van natschade en van droogte. Deze depressiewaarden geven aan in welke mate (procentueel) de opbrengst achterblijft bij de opbrengst onder optimale' groeiomstandigheden. 2.1 Beoordelingsfactoren voor reguliere landbouw Bij de bodemgeschiktheidsbeoordeling maken we gebruik van beoordelingsfactoren. Een beoordelingsfactor is een met de grond samenhangende factor, waarmee een voor het bodemgebruik belangrijk proces, een gedragsaspect van de grond of een groeiplaatsomstandigheid, wordt gekarakteriseerd en het niveau ervan wordt beschreven (Haans red., 1979). De beoordelingsfactoren voor weide-, akker-, en tuinbouw, en voor bollenteelt staan vermeld in Tabel 1. Tabel 1: De beoordelingsfactoren en het bodemgebruik waarvoor zij worden toegepast bij de geschiktheidsbeoordeling van de gronden Beoordelingsfactor Bodemgebruik weidebouw akkerbouw tuinbouw bloembollenteelt ontwateringstoestand vochtleverend vermogen stevigheid van de bovengrond verkruimelbaarheid slempgevoeligheid stuifgevoeligheid storing in de verticale waterbeweging zuurgraad profielopbouw : toegepast bij genoemd bodemgebruik; -: niet toegepast bij genoemd bodemgebruik Een beoordelingsfactor berust op een combinatie van bodemeigenschappen. Zo bepalen eigenschappen als textuur, dichtheid van de bovengrond, organische-stofgehalte en drukhoogten van het bodemvocht bij GHG en GVG na een periode met weinig neerslag, de beoordelingsfactor stevigheid van de bovengrond', die het gedrag van de grond karakteriseert bij het betreden en berijden. Soms worden er ook nietbodemkundige factoren in betrokken, zoals het klimaat (neerslag en verdamping) bij de beoordelingsfactor vochtleverend vermogen. Het niveau of de grootte van een door een beoordelingsfactor aangeduid proces of gedragsaspect van een grond geven we aan met een waarderingscijfer, gradatie genoemd. Wij kennen beoordelingsfactoren met drie en met vijf gradaties, aangeduid met de cijfers 1 t/m 3 en 1 t/m 5. De lage cijfers geven een 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

15 gunstige, de hoge cijfers een ongunstige omstandigheid aan. De beoordelingsfactor storing in de verticale waterbeweging' geven we niet met gradaties aan, maar met een + (plusteken) bij het voorkomen ervan. In dit hoofdstuk geven we een toelichting op de afzonderlijke beoordelingsfactoren. Van elke factor vermelden we achtereenvolgens een begripsomschrijving, de indeling in gradaties en richtlijnen voor de vaststelling van de gradaties Ontwateringstoestand De ontwateringstoestand is niet alleen een aanduiding voor de ontwatering, maar ook voor de luchthuishouding van een grond. De ontwateringstoestand geeft daardoor ook informatie over de zuurstofvoorziening van de plantenwortels en over de wijzigingen die zich hierin voordoen in de loop van het jaar onder invloed van neerslag, verdamping en afvoer. Het gaat vooral om de bovenste 50 tot 100 cm van de grond waarin zich de meeste plantenwortels bevinden en waarin zich het bodemleven afspeelt. De grondwaterstand bepaalt in belangrijke mate het lucht- (en water-)gehalte van de grond. Ook de poriënfractie en de poriëngrootteverdeling zijn van invloed. Gradaties We onderscheiden vijf gradaties (Tabel 2). Als richtlijn voor de vaststelling van de gradaties in deze beoordelingsfactor nemen we de gemiddeld hoogste wintergrondwaterstand (GHG) als referentiewaarde. Tabel 2: Gradatie in ontwateringstoestand als afhankelijke van de grondwatertrap Gradatie Grondwatertrap (Gt) GHG-referentiewaarde code benaming (cm-mv) 1 zeer diep VII,VIII 80 2 vrij diep IV,VI matig diep IIb, IIIb,Vb vrij ondiep II,III,V soms I zeer ondiep I, soms II <15 Vaststelling van de gradaties De voornaamste maatstaf voor de ontwateringstoestand is de gemiddeld hoogste wintergrondwaterstand (GHG). Uit de gegevens in Tabel 2 blijkt echter dat we met behulp van de GHG's in het traject 0-40 cm drie gradaties in ontwateringstoestand definiëren tegen maar één in het traject cm en één in het traject dieper dan 80 cm. Op natte gronden werkt de GHG dus sterker differentiërend; een fout in de GHGschatting zal hier eerder tot een onjuiste gradatie in ontwateringstoestand leiden dan op gronden met diepere GHG's. De fout in de schatting van de GHG kan al gauw 10 à 15 cm bedragen. De schattingen van de GHG dienen we dan ook zo veel mogelijk door grondwaterstandsmetingen te ondersteunen en te controleren. Bij gronden met Gt II, III en vooral V heeft een deel een GHG van cm. We rekenen ze dan toch tot gradatie 4, omdat we vinden dat de natste delen de gebruiksmogelijkheden bepalen. De gradatie 5 zijn veelal zeer natte' gronden. In sommige gevallen zullen we bij de toekenning van de gradatie behalve met de GHG, ook rekening moeten houden met de aard (textuur, structuur) van de grond. Wanneer deze veel fijne, langdurig met water gevulde poriën bezit, kennen we een hogere ( nattere') gradatie toe dan met het niveau van de GHG overeenkomt. Wij denken hierbij aan zeer sterk opdrachtige gronden, tertiaire klei, slecht doorlatend veen, e.d. Omgekeerd zullen we aan een grond met overwegend zeer wijde poriën een lagere ( drogere') gradatie geven dan met de GHG overeenkomt. Deze situatie doet zich nogal eens voor in zandgronden' met een zeer grote doorlatendheid en een goede waterbeheersing (o.a. bloembollenteelt). Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

16 Bijzonderheden bij bloembollenteelt Hyacinten, tulpen en narcissen worden in de herfst geplant op 8-12 cm diepte. Na het planten ontwikkelt zich nog tijdens de herfst en de winter een stelsel van bijwortels en de aanleg van een spruit. In de geleidelijk dieper reikende wortelzone maar vooral in de omgeving van de relatief grote bollen, die door hun omvang extra zuurstof nodig hebben, is een goede aëratie nodig. In zandgebieden met een minder goed te beheersen slootpeil en grondwaterstand is het, evenals in hellende gebieden, veel moeilijker een optimale ontwatering te realiseren dan in de binnenduinstrook. Hetzelfde geldt voor kleigronden en kleiïge zand- en zavelgronden. Op deze gronden is het erg belangrijk dat de aëratie in de wortelzone, maar vooral rondom de bollen, niet in gevaar komt om afsterven van wortels, en in ernstige gevallen van de bollen, te voorkomen. Bovendien moet het veelal ondiepe wortelstelsel van tulpen voldoende vocht op kunnen nemen voor een vlotte groei. Deze combinatie van eisen is voor de klei- en zavelgronden slechts te realiseren op opdrachtige gronden met een rulle bovengrond en een drooglegging van meer dan 50 cm bij een maatgevende afvoer van 10 mm per dag. Bijzonderheden bij biologisch weidebouw Ontwatering is voor reguliere weidebouw erg belangrijk maar voor de biologische variant krijgt deze beoordelingsfactor extra gewicht vanwege het gevaar voor leverbot. Bij natte percelen vormt deze parasiet een aanzienlijk groter probleem dan bij droge percelen Vochtleverend vermogen Onder vochtleverend vermogen van de grond verstaan we de hoeveelheid vocht die in een groeiseizoen van 150 dagen (1 april tot 1 september) en in een droog jaar (zgn. 10% droog jaar) aan de plantenwortel kan worden geleverd. Een droog jaar is een jaar, waarvan we aannemen dat de potentiële verdamping tijdens het groeiseizoen de neerslag met meer dan 200 mm overtreft (Tabel 3). Deze situatie doet zich statistisch eens in de 10 jaar voor. De hiervoor benodigde gegevens ontlenen we aan het KNMI-station De Bilt en gelden voor een fictief gewas (bij benadering gras). Tabel 3: Gemiddeld neerslagtekort (mm) vanaf 1 april in een groeiseizoen van 150 dagen in een 10% droog jaar (Buishand, 1982) Periode 1 april-1 mei 20 1 april-1 juni 65 1 april-1 juli april-1 augustus april-1 september 200 Neerslagtekort Gradaties We onderscheiden 5 gradaties (Tabel 4). De millimeters vocht achter iedere gradatie, duiden de orde van grootte van het vochtleverend vermogen aan. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

17 Tabel 4: Gradatie in vochtleverend vermogen als afhankelijke van de hoeveelheid vocht Gradatie Code benaming 1 zeer groot vrij groot matig vrij gering zeer gering <50 Hoeveelheid vocht (in mm) Vaststelling van de gradaties Het vochtleverend vermogen van de grond is afhankelijk van: de aard en opbouw van het bodemprofiel; belangrijk zijn vooral de dikte en het vochthoudend vermogen van de wortelzone en het capillair geleidingsvermogen van de ondergrond (kritieke z- afstand, Tabel 7); het grondwaterstandsverloop; hiervan zijn vooral de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand(gvg) en de gemiddeld laagste grondwaterstand in een 10% droog jaar (LG3) van betekenis. Alvorens we met de eigenlijke procedure voor het vaststellen van de gradatie van het vochtleverend vermogen beginnen, behandelen we eerst de begrippen (bodemeigenschappen): a) bewortelingsmogelijkheden; b) vochthoudend vermogen; c) kritieke z-afstand. a) Bewortelingsmogelijkheden De wortelzone is de grondlaag waarin zich het overgrote deel van de wortels bevindt. Voor het vaststellen van het vochtleverend vermogen van een grond hebben we de dikte van de wortelzone nodig. Daarom wordt allereerst vanuit de bodemkunde nagegaan welke de bewortelingsmogelijkheden van het profiel zijn. Deze diepte hangt samen met één of meer van de in Tabel 5 beschreven beperkende factoren voor wortelgroei: ph, aëratie en indringingsweerstand. Bij ph (KCl)-waarden beneden 3,5 à 4 is vrijwel geen beworteling meer mogelijk. Dit komt voor in de veenkoloniale gronden en in gronden met gliedelagen en katteklei. De aëratie speelt voornamelijk een rol bij veengronden, moerige gronden en sommige zavel- en kleigronden. Bij luchtgehalten van minder dan 10 à 15% wordt de beworteling sterk beperkt. Een slechte aëratie kan worden veroorzaakt door zowel een hoge grondwaterstand, als een slechte bodemstructuur, als een sterke opdrachtigheid. De indringingsweerstand is de voornaamste beperkende factor op zand- en brikgronden. De kritische grens voor de beworteling ligt bij een indringingsweerstand van 2,5 à 3,0 MPa. Indien een stelsel van voldoende grote verticale poriën aanwezig is, verschuift de kritische grens naar hogere waarden; voor veel zandgronden ligt deze tussen 3 en 5 MPa. Bezien we vanuit de groei van het gewas de bewortelingsmogelijkheid van het profiel, dan spreken we van bewortelingsdiepte. Onder bewortelingsdiepte verstaan we hier de diepte waar een één- of tweejaars, volgroeid gewas nog juist voldoende wortels in een 10% droog jaar kan laten doordringen om het aanwezige vocht aan de grond te onttrekken. Onder een juist voldoende aantal' wortels verstaan we circa Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

18 4 wortels per dm2, aan de wand van een kuil gemeten. Dit aantal is betrekkelijk arbitrair. Het berust op veldervaring en we geven het onder het nodige voorbehoud. In de Tabel 17 tot en met Tabel 21 geven we per legenda-eenheid voor de veengronden, moerige gronden, en zavel-, klei- en leemgronden een indicatie van de bewortelbare diepte. Daarnaast geven we, uitgaande van de bewortelbare diepte, een indicatie voor de bewortelingsdiepte. Deze indicatie geven we in de vorm van een gemiddelde waarde en een traject waarbinnen de bewortelingsdiepte valt. Met dit traject geven we aan welke variatie we binnen de kaartvlakken, behorende tot de legenda-eenheid, kunnen aantreffen. Voor de akkerbouw- en tuinbouwgewassen moeten we bij het gebruik van het traject tevens rekening houden met het feit dat de diep wortelende gewassen (bijv. granen, suikerbieten) een bewortelingsdiepte hebben die bij benadering overeenkomt met de onderkant van het traject en dat voor de ondiep wortelende gewassen (bijv. aardappelen en uien) de bewortelingsdiepte dichter ligt bij de bovenkant van het traject. Bij blijvend grasland ontstaat door het regelmatig maaien en weiden een zode, waarbij het grootste deel van de wortelmassa zich in de toplaag van 20 à 25 cm beneden maaiveld bevindt. Heringezaaid grasland heeft het eerste jaar een opvallend diepe beworteling vergeleken met ouder grasland. Diepere beworteling van gras treedt ook op bij de graszaadteelt of bij de teelt van gras voor groenbemesting, dus bij een bouwlandsituatie. De bewortelingsdiepte komt dan overeen met die van een graangewas en kan 1 à 1,5 m diep gaan bij een goed bewortelbaar profiel en een goede ontwatering. Bij ondiep wortelende gewassen en blijvend grasland moeten we een correctie op de bewortelbarediepte toepassen. Tabel 5: Verband tussen bodemeigenschappen en bewortelbarediepte, samengevat voor de hoofdklassen van de legenda van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1: (Houben, 1979, aangevuld en bijgewerkt) b) Vochthoudend vermogen Het vochthoudend vermogen van een grond bepalen we voor een vorm van bodemgebruik, uit de gecorrigeerde bewortelbarediepte en de volumefractie beschikbaar water. De volumefractie beschikbaar water leiden we af uit de vochtkarakteristieken van de wortelzone. We nemen aan dat beschikbaar is, het verschil tussen de volumefractie water aan het begin van het groeiseizoen en die bij een drukhoogte h = - 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

19 cm (verwelkingspunt). Aan het begin van het groeiseizoen correspondeert de volumefractie water met de drukhoogte, welke gelijk is aan de afstand van de grondwaterspiegel tot het midden van de wortelzone. De aldus bepaalde drukhoogte kan te klein zijn (denk aan minteken), dus te droog, voor de situatie met wat diepere grondwaterstanden. Voor die gevallen brengen we een correctie aan die samenhangt met de aard van het bodemmateriaal en de capillaire eigenschappen van de ondergrond. Voor de correctie van de drukhoogte kunnen we de volgende globale normen toepassen: voor hangwaterprofielen h = -100 cm, indien goed doorlatend h = -200 cm; voor opdrachtige profielen (voor bepaling van de gedachten: kritieke z-afstand groter dan 80 cm) h= -50 cm; voor weinig opdrachtige profielen (kritieke z-afstand minder dan 80 cm) h = -100 cm. De uit de dikte van de wortelzone en de grondwaterspiegel bepaalde drukhoogte aan het begin van het groeiseizoen kan dus nooit kleiner zijn dan de hierboven aangegeven normen. We kunnen de volumefractie beschikbaar water van zand-, zavel- en kleigronden afleiden als de drukhoogten aan het begin en het einde van het groeiseizoen bekend zijn. Tabel 6 geeft een overzicht van de normen die in de praktijk gangbaar zijn. Tabel 6: Volumefractie beschikbaar water in diverse grondsoorten, uitgaande van verschillende drukhoogten (h) bij veldcapaciteit Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

20 c) Kritieke z-afstand Voor de bepaling van het vochtleverend vermogen moeten we, behalve naar de vochtinhoud van de wortelzone, kijken naar de mogelijke bijdrage vanuit het grondwater. Hierbij zijn de samenstelling van de ondergrond en uiteraard de diepte van de grondwaterspiegel belangrijke grootheden. In dit verband is de kritieke z-afstand geïntroduceerd. De kritieke z-afstand is de maximale afstand tussen de grondwaterspiegel en de onderkant van de wortelzone waarover een bepaalde vochtstroom nog mogelijk is. We nemen aan dat een vochtstroom van 2 mm/dag als aanvulling op de vochtvoorraad van de wortelzone in Nederland veelal toereikend is om een gewas optimaal te laten groeien. De grotendeels uit veldwaarnemingen afgeleide kritieke z-afstand in een aantal typen ondergrond zijn met hun spreiding opgenomen in Tabel 7. De grootte van de z-afstand is te benaderen door in droge perioden op plekken waar het gewas verdroogt de afstand van de grondwaterspiegel tot de stofdroge laag te meten. Als deze stofdroge laag beneden de wortelzone ligt, vertoont het gewas verschijnselen van verdroging. Voor z- afstanden uit gemeten K-h relaties verwijzen we naar de door DLO-Staring Centrum uitgebrachte Staringreeks (Wösten et al., 1994). Tabel 7: Uit veldwaarnemingen afgeleide waarden van de kritieke z-afstand (zk) met hun spreiding in een aantal typen ondergrond (Van der Sluijs, 1991) Grondwaterstand aan het begin en eind van het groeiseizoen Voor het aangeven van de grondwaterstand aan het begin van het groeiseizoen is het begrip gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand' (GVG) ingevoerd. Als begin van het groeiseizoen is 1 april gekozen. Het gemiddelde van de op of omstreeks die datum gemeten grondwaterstand over een reeks van jaren is de GVG. De GVG zal altijd dieper zijn dan de GHG en des te dieper naarmate het verschil tussen de GHG en GLG groter is. Uit grondwaterstandsgegevens zijn voor de GVG de volgende betrekkingen afgeleid (Van der Sluijs en Van Heesen, 1989): GVG = ,96 * GHG + 0,17 * (GLG - GHG) voor polders; GVG = 4 + 0,97 * GHG + 0,15 * (GLG - GHG) voor stroomgebieden. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

21 Voor gronden met een beperkte fluctuatie van het grondwater, de grondwatertrappen I, II en IV, geldt de vuistregel: GVG = GHG + 15 cm. Voor gronden met een ruimere fluctuatie van het grondwater, de grondwatertrappen III, V, VI, VII en VIII, kan als benadering genomen worden: GVG = GHG + 20 cm. De grondwaterstand aan het eind van het groeiseizoen kunnen we bij benadering gemiddeld gelijkstellen aan de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). In een 10% droog jaar, waarvan we voor de schatting van het vochtleverend vermogen uitgaan, zal de grondwaterstand aan het eind van het groeiseizoen beneden het GLG-niveau liggen. Hiervoor nemen we het gemiddelde van de drie laagste grondwaterstanden: de LG3. Voor veel gronden is dit niveau 20 à 40 cm lager dan het GLG-niveau; 20 cm kan als norm worden genomen voor in polders gelegen gronden, en 40 cm voor gronden in stroomgebieden. Voor gronden met Gt I en II kan met 10 cm worden volstaan. Hangwater-, grondwater- en tijdelijke grondwaterprofielen De vaststelling van de gradatie van het vochtleverend vermogen berust op een indeling van de gronden in: hangwaterprofielen; grondwaterprofielen; tijdelijke grondwaterprofielen. Tot de hangwaterprofielen rekenen we de gronden, waarvan het vochtleverend vermogen bepaald wordt door de hoeveelheid beschikbaar water in de wortelzone. Deze stellen we vast door het vermenigvuldigen van de volumefractie water met de dikte van de wortelzone. In het voorjaar is de afstand van de grondwaterspiegel tot de wortelzone groter dan de kritieke z-afstand, waardoor geen capillair vochttransport van enige betekenis mogelijk is. Hangwaterprofielen met een dunne wortelzone hebben gewoonlijk de gradatie 4 of 5, die met een dikke wortelzone gradatie 2 of 3 en slechts zelden gradatie 1. Voor grondwaterprofielen is de grondwaterstand gedurende het groeiseizoen bepalend. Gronden waarin gedurende het gehele groeiseizoen de afstand van de grondwaterspiegel tot de wortelzone een voldoend capillair transport toelaat, rekenen we tot de grondwaterprofielen. Een capillaire stijgsnelheid van gemiddeld 2 mm/dag beschouwen we in dit verband als voldoende. Aan dergelijke gronden geven we een vochtleverend vermogen groter dan 200 mm (gradatie 1). Tot de tijdelijke grondwaterprofielen rekenen we de gronden, waarin de capillaire aanvoer slechts in een deel van het groeiseizoen voldoende is voor een wezenlijke bijdrage tot het vochtleverend vermogen. Naarmate het tijdstip waarop de kritieke z-afstand wordt overschreden, later in het groeiseizoen valt, is het vochtleverend vermogen groter. Vaststelling van de gradatie bij tijdelijke grondwaterprofielen Het vochtleverend vermogen bepalen we in eerste instantie uit het grondwaterstandsverloop in een 10% droog jaar. Hieruit lezen we, door uit te gaan van een lineair grondwaterstandsverloop, bij benadering het tijdstip af waarop de kritieke z-afstand wordt overschreden. We nemen aan dat tot dat tijdstip het bodemwatersysteem voldoende vocht kan leveren om te voldoen aan het neerslagtekort. Uit Tabel 3 kunnen we afleiden dat de bodem 115 mm vocht kan leveren als de kritieke z-afstand omstreeks 1 juli wordt overschreden. Gebeurt dit omstreeks 1 augustus dan kan de bodem 165 mm leveren. De verkregen waarde voor het vochtleverend vermogen is de eindschatting, tenzij de hoeveelheid hangwater groter is. In dat geval stellen we het vochtleverend vermogen gelijk aan de beschikbare hoeveelheid hangwater. De beschikbare hoeveelheid hangwater bepalen we op dezelfde wijze als bij de hangwaterprofielen. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

22 Beperking van het rekenmodel Het rekenmodel dat we gebruiken voor het schatten van het vochtleverend vermogen is uiteraard een schematisering van de in werkelijkheid optredende processen. Het grondwaterstandsverloop is vereenvoudigd tot een gelijkmatige (lineaire) daling van GVG naar LG3. Zo nemen we ook aan dat eerst al het hangwater wordt verbruikt om het neerslagtekort te dekken en daarna het capillair opstijgende grondwater. Dit is een globale benadering van de werkelijkheid. In feite wordt namelijk tegelijkertijd uit beide bronnen geput. Op het moment dat dus de kritieke z-afstand wordt overschreden, zal er in werkelijkheid dus nog hangwater aanwezig zijn wat wij in deze benadering niet verdisconteren. In vele gronden zal deze hoeveelheid echter toch een beperkte grootte hebben, temeer wanneer we ons realiseren dat er al eerder dan bij een drukhoogte van cm sprake is van een vochttekort. Een andere onvolkomenheid in de gebruikte rekenmethode is het doorgaan van de capillaire opstijging, ook nadat de kritieke z-afstand is overschreden. In dat geval kan er uiteraard geen 2 mm/dag meer opstijgen maar wel bijvoorbeeld 1 mm/dag. Bij de meeste zand-, veen- en zware kleigronden vormt deze onvolkomenheid echter geen probleem omdat de kritieke z-afstanden bij fluxen van 2 tot 0,5 mm/dag dicht bij elkaar liggen. Hierdoor zal dus korte tijd nadat de kritieke z-afstand bij een flux van 2 mm/dag is overschreden, ook de kritieke z-afstand bij kleinere fluxen worden overschreden. Alleen bij ondergronden die over grotere dikte bestaan uit sterk lemig zand, zavel of lichte klei kunnen we het vochtleverend vermogen, uitgaande van deze gebruikte methoden, onderschatten. Bij deze gronden gaat de capillaire opstijging met fluxen kleiner dan 2 mm/dag namelijk nog lang door nadat de kritieke z-afstand bij een flux van 2 mm/dag is overschreden. Bij WIB-C zien we af van een verdere verfijning van de rekenmethode voor de tijdelijke grondwaterprofielen omdat deze dan al snel gaat in de richting van een methode waarop ook sommige computermodellen zijn gebaseerd, bijvoorbeeld LAMOS (Landinrichtingsdienst Model voor Onverzadigde Stroming). Het met de hand uitvoeren van een tijdrovende verfijnde methode is dan geen goed alternatief meer voor het toepassen van genoemde modellen. De rekenmethode waarmee we voor tijdelijke grondwaterprofielen de kritieke z-afstand en het schatten van het vochtleverend vermogen vaststellen is tot een computerprogramma bewerkt. Voor de werking ervan moeten we de effectieve worteldiepte en per bodemlaag de bijbehorende Staringreekscode opgeven (Stolp en Vroon, 1990). Bijzonderheden bij bloembollenteelt Hoge productie bij bloembollen is uiteraard alleen mogelijk als het gewas in de zomer niet voortijdig afsterft. Voorwaarde hiervoor is dat het wortelstelsel ook in een warme, droge periode voldoende vocht uit de grond kan opnemen, dat wil zeggen tot 6 mm per dag. Is de grondwaterstand te laag of de capillaire opstijging te traag, dan kan tegen het einde van het groeiseizoen de drukhoogte in de wortelzone te veel afnemen en, onder omstandigheden van sterke verdamping, het gewas vervroegd afsterven. Het vochtleverend vermogen van de grond is dus in hoge mate medebepalend voor de hoogte van de productie. Door de veelal ondiepe beworteling van bloembolgewassen is het belangrijk dat de benodigde hoeveelheid vocht tussen 10 en 30 cm beneden maaiveld opgenomen kan worden. Dit is te verwezenlijken op diepe zandgronden met een grondwaterstand van cm. Bij lagere grondwaterstanden, bij aanwezigheid van storende lagen en ook op zavel- en kleigronden is aanvullende beregening nodig Stevigheid van de bovengrond De stevigheid van de bovengrond geeft een aanduiding van het weerstandsvermogen van een met gras begroeide bovengrond tegen het betreden door vee en berijden met landbouwwerktuigen. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

23 Een voldoende stevigheid van de bovengrond in de weidebouw is onder meer van belang voor: het op het juiste tijdstip toedienen van de eerste stikstofgift; de lengte van de weideperiode; planning van beweiding en voederwinning; de beweiding zelf: beweidingsverliezen door vertrapping en berijding kunnen worden vermeden; het kunnen uitrijden van drijfmest binnen de toegestane periode waardoor de opslagcapaciteit kleiner kan zijn. In de akkerbouw geeft voldoende draagkrachtige grond minder moeilijkheden bij de grondbewerking en de oogstwerkzaamheden. Gradaties Voor de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50 000, onderscheiden we drie gradaties (Tabel 8). Tabel 8: Gradatie in stevigheid van de bovengrond als afhankelijke van de indringingsweerstand (MPa) Gradatie Indringingsweerstand bij GHG (Mpa) code benaming 1 zeer groot vrij groot tot matig >0.3 en <0.6 3 gering 0.3 Voor grootschalige bodemkaarten onderscheiden we bij het bodemgebruik weidebouw vijf gradaties. Vaststelling van de gradaties Om gronden onderling te kunnen vergelijken stellen we de stevigheid vast aan de bovengrond van grasland dat ten minste enkele jaren oud is en bij voorkeur geen viltige zode heeft. De stevigheid van de bovengrond is afhankelijk van een aantal factoren: de dichtheid: dit is de dichtheid of volumieke massa van de stoofdroge grond, vroeger (droog) volumegewicht genoemd. Bij gelijkblijvende overige omstandigheden neemt de indringingsweerstand toe met de dichtheid; het organische-stofgehalte of de massafractie organische stof van de bovenste 5-10 cm. Bij gelijkblijvende overige omstandigheden neemt de stevigheid af bij een hoger organischestofgehalte. Anderzijds beïnvloedt het organische-stofgehalte ook de dichtheid; het vochtgehalte, de volumefractie water of het volumetrisch vochtgehalte, vroeger wel volumepercentage vocht genoemd. Hoe natter een grond, hoe slapper. Bij statisch evenwicht hangt het vochtgehalte van een bovengrond af van de drukhoogte (h) en de bij die grond behorende vochtkarakteristiek (pf-curve). Uiteraard is het vochtgehalte van een bovengrond ook sterk afhankelijk van het weer in de voorafgaande periode (hoeveelheid neerslag, en intensiteit van de neerslag en van de verdamping). Een maat voor de stevigheid van de bovengrond is de indringingsweerstand. Deze meten we met een penetrometer met een conusoppervlakte van 5 cm2 en een tophoek van 60 (Van Wallenburg en Hamming, 1985). Indien we een penetrometer met een andere tophoek en conusgrootte gebruiken, moeten we de meetwaardes omrekenen, opdat we de oude normen voor het vaststellen van de gradatie van de stevigheid van de bovengrond kunnen gebruiken. De metingen voor de Bodemkaart van Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

24 Nederland, schaal 1:50 000, moeten we uitvoeren na een periode met droog (winter)weer en bij een grondwaterstand op ongeveer het niveau van de GHG. Willen we de indeling in 5 gradaties (grootschalige bodemkaart) toepassen, dan moeten we ook meten bij grondwaterstanden omstreeks het GVG-niveau. Bij zwellende en krimpende gronden geven de metingen alleen juiste waarden als de voorgaande zomer en herfst niet extreem droog zijn geweest. Als grenswaarde voor beweiding hanteren we veelal 0,6 MPa. Dit geldt ook voor het uitrijden van drijfmest en voor grondbewerking en oogstwerkzaamheden in de akkerbouw. Voor bouwland is geen aparte meetmethodiek ontwikkeld. We stellen de stevigheid van de bovengrond van bouwland gelijk aan die voor de weidebouw. Deze benadering is toepasbaar, omdat deze beoordelingsfactor weinig of geen invloed heeft op de uiteindelijke bodemgeschiktheid voor akkerbouw. Voor de interpretatie van bodemkaarten is het ondoenlijk de gradatie alleen met metingen te achterhalen. Veel onderzoek met de penetrometer heeft als resultaat gehad dat gradaties gekoppeld konden worden aan combinaties van GHG-waarden, organische-stofgehalte en bovengrond samenstellingen. In Tabel 9 geven we de waarden voor deze combinaties als richtlijn voor een gradatie. Tabel 9: Gradatie in stevigheid van de bovengrond als afhankelijke van de GHG en samenstelling van de bovengrond (organische-stofgehalte en textuur) voor vertrapping bij beweiden en voor insporing bij berijden in drie gradaties en voor sommige grootschalige bodemkaarten in vijf gradaties Gradatie GHG Samenstelling van de bovengrond code benaming org-stof textuur 3 deling 5 deling lutum leem 1 1 zeer groot >40 <5 - - > n.v.t <5 n.v.t. < vrij groot > n.v.t. >40 > <5 n.v.t. > n.v.t. - 3 matig <15 <30 n.v.t >15 n.v.t. - < n.v.t. < vrij gering <15 >30 n.v.t. <25 <5 - n.v.t. <25 <5 n.v.t. > zeer gering >15 - n.v.t. <25 > december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

25 2.1.4 Verkruimelbaarheid De verkruimelbaarheid geeft een aanduiding van het gemak waarmee de bouwvoor zich laat verkruimelen en van de breedte van het vochtgehaltetraject waarbinnen dit mogelijk is. Verkruimelbaarheid beschouwen we hier als een hoedanigheid van het bodemmateriaal zelf. Gradaties We onderscheiden drie gradaties (Tabel 10). Tabel 10: Gradatie in verkruimelbaarheid als afhankelijke van textuur, organische-stof- en koolzure kalkgehalte van de bouwvoor Gradatie code benaming Samenstelling bouwvoor vochtgehalte traject textuur org-stof (%) koolz.kalk (%) - moerig - 1 gemakkelijk breed zand zandige leem - - lichte zavel >2 >0.5 2 tamelijk betrekkelijk zware zavel <0.5 gemakkelijk breed <2 lichte klei, siltige leem >5 >0.5 3 moeilijk nauw zware klei <0.5 <5 Gradaties De gradaties in verkruimelbaarheid kunnen we afleiden uit lutum-, leem-, organische- stof- en kalkgehalte van de grond, zoals is aangegeven in Tabel 10. Deze tabel is afgeleid uit de tiendelige schaal voor bewerkbaarheid uit het waarderingssysteem van De Vries (1974), die ontleend is aan de resultaten van het onderzoek van Boekel (1972). Of een bouwvoor het voor verkruimeling vereiste vochtgehalte bezit, - in het voorjaar bij de grondbewerking, in het najaar bij de oogst - hangt af van de ontwateringstoestand en van het weer in de voorafgaande periode. Bijzonderheden bij bloembollenteelt Sinds het rooien van bloembollen is gemechaniseerd, is de verkruimelbaarheid erg belangrijk geworden. Naarmate bij het rooien meer kluiten meegeoogst worden, is het scheiden van bollen en grond kostbaarder. Op zavelgronden wordt er daarom naar gestreefd, door een goede voorbewerking voor het planten in het najaar, het aantal kluiten in de bovenlaag te beperken. Ook wordt de grond zoveel mogelijk in een gunstige vochtigheidstoestand bewerkt en vermijdt men zo mogelijk de plantbedden te berijden. Bovendien wordt vaak ruggenteelt toegepast om een rul, kluitarm plantbed te verkrijgen om bij het rooien de hoeveelheid te verwerken grond tot een minimum te beperken. Naarmate het vochtgehaltetraject voor een goede verkruimelbaarheid nauwer wordt, is de teler, zowel voor het planten als voor de oogst, meer afhankelijk van de weersgesteldheid. De afname van het aantal werkbare dagen leidt namelijk nogal eens tot voortzetting van de werkzaamheden als de vochtigheidstoestand van de grond dit eigenlijk niet toelaat. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

26 2.1.5 Slempgevoeligheid De beoordelingsfactor slempgevoeligheid duidt aan in hoeverre de bodemaggregaten bestand zijn tegen: uiteenvallen in micro-aggregaten of afzonderlijke korrels onder invloed van de neerslag; vervloeien bij hoge vochtgehalten. Als dit verschijnsel alleen aan het oppervlak plaatsvindt, spreken we van oppervlakkige slemp, bij opdrogen ontstaat dan een slempkorst. Zakt de gehele bouwvoor in elkaar, dan spreken we van interne slemp. Of slemp op een slempgevoelige grond werkelijk zal optreden, hangt onder meer af van de neerslag, de ontwateringstoestand en de begroeiing. Door slemp wordt de aëratie van de grond ongunstig beïnvloed, waardoor de zuurstofvoorziening van de plantenwortels in gevaar kan komen. Ook neemt de infiltratiecapaciteit en het waterbergend vermogen van de grond af. Een slemplaag of slempkorst heeft nadelen voor de akkerbouw en tuinbouw: de grond droogt in het voorjaar langzaam op, de zuurstofvoorziening van ingezaaide gewassen komt in het gedrang en vooral bij fijn zadige gewassen kan de kiem beschadigen. Gradaties We onderscheiden drie gradaties (Tabel 11). Tabel 11: Gradatie in slempgevoeligheid als afhankelijke van textuur, organische-stof- en koolzure kalkgehalte van de bouwvoor Gradatie Samenstelling bouwvoor code benaming textuur org-stof (%) koolz.kalk (%) - moerig - 1 gering leemarm zand, klei - - zware zavel - >0.5 2 matig <0.5 siltige leem - - >3 - lichte zavel <3 >05 3 groot <0.5 zandige leem - - Let op: Voor lemig zand zijn nog geen richtlijnen opgesteld; afhankelijk van de fijnheid van het zand en van het lutumgehalte komt gradatie 2 of 3 voor. Vaststelling van de gradaties De slempgevoeligheid is een hoedanigheid van het bodemmateriaal zelf, die we kunnen afleiden uit het gehalte aan lutum, leem, organische stof en kalk van de bouwvoor. Deze factoren zijn dan ook gebruikt in Tabel 11. De indeling is gebaseerd op het onderzoek van Albers (1980) en het waarderingssysteem van De Vries (1974). Op gronden met gradatie 1 treedt gemiddeld in minder dan 1 van de 10 jaren oppervlakkige en/of interne verslemping op. Op gronden met gradatie 2 treedt in 1 tot 5 van de 10 jaren duidelijk oppervlakkige en weinig interne slemp op. Gronden met gradatie 3 zijn in meer dan 5 van de 10 jaren onderhevig aan sterke oppervlakkige en veelal ook aan interne slemp. Bijzonderheden bij bloembollenteelt Bloembollen worden tamelijk diep geplant. Om de bewortelings-mogelijkheden te verruimen, wordt de grond vaak vrij diep bewerkt. Hierdoor wordt het doorgaand poriënstelsel verbroken. Daardoor ontstaat bij 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

27 een hoge neerslagintensiteit kort na het planten gemakkelijk waterstagnatie, vooral als de afvoer van het oppervlaktewater te wensen overlaat door bijvoorbeeld onvoldoende begreppeling. Op daarvoor gevoelige gronden kan dan interne verslemping optreden die de lucht-toetreding bemoeilijkt. Door de betrekkelijk hoge bodemtemperatuur in de herfst is de zuurstofbehoefte van de bollen in het najaar nog vrij groot. Als gevolg van de onvoldoende luchttoetreding is later de opkomst onregel-matig, hetgeen de opbrengst ongunstig beïnvloedt (Van Dam en Van der Knaap, 1965). Een mogelijkheid om het gevaar van interne verslemping te verminderen is een drooglegging tot minstens 80 cm diepte. Naast interne slemp onderscheiden we ook oppervlakkige slemp, waarbij op daarvoor gevoelige gronden een slempkorst ontstaat bij een hoge neerslag-intensiteit. Ook de oppervlakkige slemp kan de zuurstoftoevoer naar de bollen belemmeren. Een slempkorst is te voorkomen door de daarvoor gevoelige gronden direct na het planten af te dekken, bijvoorbeeld met stro. Dit verhoogt echter de kostprijs Stuifgevoeligheid De beoordelingsfactor stuifgevoeligheid duidt de weerstand aan die de grond heeft tegen verstuiven. Verstuiven treedt vooral op in een droog voor- of najaar wanneer de grond (gedeeltelijk) kaal is. De onderlinge binding van de gronddeeltjes van de bouwvoor is dan te gering om de eroderende kracht van de wind te weerstaan, terwijl ook de bescherming door het gewas ontbreekt. Verstuiven leidt tot afname van het organische-stofgehalte, de vochthoudendheid, de chemische bodemvruchtbaarheid en de biologische activiteit. Verder kunnen ziekten en onkruiden zich verbreiden, kiemende zaden en zelfs aardappels blootstuiven, jonge plantjes onderstuiven of beschadigd worden en zelfs sloten plaatselijk dichtstuiven. Gradaties We onderscheiden drie gradaties (Tabel 12). Tabel 12: Gradatie in stuifgevoeligheid als afhankelijke van lutum- en leemgehalte van de bouwvoor Gradatie Samenstelling bouwvoor code benaming lutum (%) leem (%) >5-1 gering 3-5 >17.5 <3 > matig < groot <3 <10 Vaststelling van de gradaties Er bestaat geen methode om de gevoeligheid voor verstuiven van grond te meten. We hebben dan ook getracht richtlijnen te geven voor de vaststelling van de gradaties voor verstuiven van grond, welke berusten op ervaringskennis. Belangrijk zijn: korrelgrootte van het zand en vochtgehalte van de bovengrond. Grenzen voor deze factoren kunnen niet worden aangegeven en worden daarom niet vermeldt in Tabel 12. Verder bodemfactoren als lutum-, leem- en organische-stofgehalte. Organische stof omvat soms ingedroogde (amorfe) organische stof, alsook de echte humus. De echte humus komt zowel voor in de moder- als in de mullvorm. Mullhumus draagt in grote mate bij aan de binding. De moderhumus niet of nauwelijks. Amorfe organische stof in droge vorm in het geheel geen binding. Er zijn aanwijzingen dat de kwaliteit van de organische stof gerelateerd is aan het lutumgehalte en, in wat mindere mate, aan het leemgehalte. Vandaar dat we (voorlopig) alleen het lutum- en leemgehalte als richtlijnen hanteren voor Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

28 het vaststellen van de gradaties voor stuifgevoeligheid (Tabel 12). De gradaties gelden bij vlakke en open ligging. Naast deze bodemfactoren zijn de graad van bodembedekking en beschutting voor de wind belangrijk. De indeling in gradaties is voornamelijk gebaseerd op het onderzoek van Booij (Bodemkaart, 1978), Brussel (1980) en Zuur (1948). Bepaalde gronden zijn erg struifgevoelig, vooral droge, schrale zandgronden met laag organische-stofgehalte en gronden met zeer hoog organische-stofgehalte, maar van een slechte kwaliteit (hoog C/N-quotiënt). Veelal verstuift de losse bovenlaag die is opgedroogd of drooggevroren Storing in de verticale waterbeweging Deze beoordelingsfactor gebruiken we om gronden af te kunnen zonderen, waarvan de wateroverlast niet of niet uitsluitend door verlaging van de grondwaterstand kan worden opgeheven. Bij de bepaling van de gradatie van de ontwateringstoestand kunnen dan wateroverlast en tijdelijke schijngrond-waterspiegels ten gevolge van een slecht doorlatende laag buiten beschouwing blijven. Na een eventuele verbetering van de ontwateringstoestand of door verbreking van de slecht doorlatende laag met behulp van een woeler, zijn deze gronden te verbeteren. Een dergelijke grondbewerking is duur en de vruchtbaarheid van de bouwvoor vermindert er veelal door. De beoordelingsfactor storing in de verticale waterbeweging is van toepassing voor de bloembollenteelt. Ze geeft een aanduiding voor: een langzame verticale waterbeweging door het profieldeel boven het niveau van de ontwateringsdiepte; een trage capillaire aanvoer van water in en boven de storende laag bij grondwaterprofielen en tijdelijke grondwaterprofielen; een gebrekkig wortelstelsel door te grote dichtheid van de storende laag, waterstagnatie erboven en moeilijke bereikbaarheid eronder. Lagen die de verticale waterbeweging in een bodemprofiel kunnen verstoren vanwege een slechte doorlatendheid, zijn opgenomen in de legenda van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50 000, wanneer ze aan de volgende criteria voor de dikte voldoen: moerige tussenlaag en spalterveenlagen.: >5 cm; kleilagen (profielverloop 3 en 4): >15 cm; toevoeging...t.: >20 cm. Gradaties We onderscheiden geen gradaties in deze beoordelingsfactor. Wel kennen we een aanduiding toe voor gronden waar in de bovenste 80 cm van het profiel lagen voorkomen met een verzadigde doorlatendheid kleiner dan ca. 1 cm per etmaal. In de beoordelingstabellen geven we dit door toevoeging van het + teken aan. Bij onderzoek voor grootschalige bodemkaarten kunnen we voor specifieke gebruiksdoelen nadere indelingen maken naar diepte, dikte en doorlatendheid van de lagen. Bijzonderheden bij bloembollenteelt Slecht doorlatende lagen, soms van zeer geringe dikte en ondiep in het profiel, kunnen de wortellengte van bloembollen beperken. Door de slechte doorlatendheid kunnen namelijk op deze dichte lagen tijdelijk schijngrondwaterspiegel ontstaan, zodat de zuurstofvoorziening onvoldoende wordt. Slecht doorlatende lagen zullen niet alleen de opbrengst, maar ook het aantal werkbare dagen voor het planten en rooien verminderen, doordat de berijdbaarheid afneemt na regenval. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

29 2.1.8 Zuurgraad De beoordelingsfactor zuurgraad geeft een aanduiding over de zuurgraad in de bewortelbare zone van een grond die optreedt wanneer deze grond tenminste de laatste 10 à 15 jaar met bos of met een halfnatuurlijke vegetatie is begroeid en in die periode niet (meer) is bekalkt of bemest. We gebruiken deze factor alleen voor de bodemgeschiktheidsbeoordeling voor de bloembollenteelt. De zuurgraad is van invloed voor de groei van bloembollen. Gradaties We onderscheiden drie gradaties (Tabel 13). Tabel 13: Gradatie in zuurgraad als afhankelijke van de ph-kcl Gradatie benaming ph-kcl 1 neutraal zwak zuur sterk zuur 4.5 Vaststelling van de gradaties In het algemeen kunnen we stellen dat kalkrijke gronden gradatie 1 hebben. Kalkloze (voor zover geen katteklei) en kalkarme zeeklei- en rivierkleigronden en een deel van de beekeerdgronden, leemgronden en oude kleigronden hebben gradatie 2. De overige gronden, de kalkloze pleistocene zandgronden en veel veengronden (zonder zavel- of kleidek), hebben gradatie 3. Hoewel het niet is voorgeschreven, kan het nuttig zijn gronden met ph-kcl <3,5 te signaleren. Bijzonderheden bij bloembollenteelt Met behulp van de beoordelingsfactor zuurgraad kunnen we de kalkhoudende zandgronden scheiden van de kalkloze. Globaal kunnen we hiermee bijvoorbeeld de weinig of niet afgegraven duinzandgronden onderscheiden van de dieper afgegraven kernen van strandwallen en duintoppen en van de omgespoten gronden. Behalve in zuurgraad onderscheiden de van nature kalkhoudende duinzandgronden zich van de kalkloze door een lossere pakking dankzij de aanwezigheid van kalkhuidjes rondom de korrels en schelpgruis. Door de lossere pakking bevat de grond meer lucht en minder vocht bij gelijke drukhoogte (vochtspanning) in de bewortelbare laag. Bovendien is de capillaire stijghoogte vanuit het grondwater geringer. Dit verschil in vochtvoorziening wordt veelal nog versterkt, doordat de kalkhoudende duinzandgronden humusarm zijn en de kalkloze humeus. Door de beperkte hoeveelheid beschikbaar vocht in humusarme, kalkhoudende duinzandgronden is de capillaire nalevering vanuit het grondwater van bijzonder belang. Een hoge maaiveldligging boven het grondwater heeft daardoor bij de kalkhoudende duinzandgronden een sterkere opbrengstdaling tot gevolg dan bij de kalkloze. De kans op vorstschade van de geplante bollen is op de kalkhoudende gronden ook groter. Er wordt dan ook, zo mogelijk, een hoger waterpeil aangehouden bij vorst. Humeuze, kalkloze zandgronden hebben een dichtere pakking dan humusarme, kalkhoudende zandgronden. Door de dichtere pakking is de kans op vochttekort kleiner, maar de kans op onvoldoende zuurstoftoevoer naar het wortelstelsel groter. Bij het rooien van bloembollen is het op humusarme, kalkhoudende duin- en zeezandgronden gemakkelijk om bollen en zand te scheiden met behulp van zeven. Naarmate het humus- en/of kleigehalte toeneemt, wordt dit moeilijker, omdat kluitjes op de zeef blijven liggen en de grond moeilijk van de bollen loslaat; de bollen moeten dan met water gespoeld worden om de grond eraf te krijgen. Voor tulpen heeft het verschil in bewortelingsmilieu tussen de kalkhoudende en kalkloze duinzandgronden weinig invloed op de teeltresultaten; hyacinten en narcissen laten op kalkhoudende gronden betere teeltresultaten zien. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

30 Bijzonderheden bij biologisch weidebouw Expansieve groei van Pitrus wordt, behalve bij het voorkomen van wisselende grondwaterstanden, ook in de hand gewerkt door zuurder wordende grond (ph van 3,7-4,8). Gradaties Voor de beschrijving en het vaststellen van de gradaties verwijzen we naar Tabel 13. Klasse 3 (sterk zuur: ph < 4,5) is aangemerkt als probleemgebied Profielopbouw Voor de geschiktheid voor bloembollenteelt is de grondsoort, vooral die van de bovengrond, een belangrijke factor. De aard van de bovengrond heeft namelijk grote invloed op het aantal soorten bloembollen dat met succes kan worden geteeld, en daarmee op de vruchtwisselingsmogelijkheden. De beoodelingsfactor profielopbouw maakt het mogelijk gronden met een zandige, kleiïge en moerige bovengrond van elkaar te scheiden. Gronden met een zandbovengrond verdelen we weer onder naar verschillen in teeltrisico en bewerkingsmarge. Gronden met een kleiïge, lemige en/of zeer fijne zandbovengrond hebben eerder luchtgebrek in de wortelzone en een nauwere bewerkingsmarge dan die met zeer kleiarm en leemarm grover zand. Na veel neerslag hebben ze bovendien meer tijd nodig om uit te zakken. Ook tussenlagen zijn van invloed op de geschiktheid voor bloembollenteelt. Zo zal een moerige en/of kleiïge tussenlaag de op- en neerwaartse waterbeweging vertragen. Daardoor is de bovengrond in de winter natter en in de zomer droger dan van gronden die geen storende lagen hebben. Gradaties We onderscheiden vijf gradaties voor de bloembollenteelt (Tabel 14). Tabel 14: Gradatie in profielopbouw Gradatie Omschrijving 1 zandgronden die tot dieper dan 120 cm - mv. bestaan uit zeer kleiarm en leemarm, matig fijn of grof zand 2 zandgronden die vanaf het maaiveld bestaan uit zeer kleiarm en leemarm, matig fijn of grof zand met een storende tussenlaag of ondergrond die meer dan 3% lutum en/of meer dan 10% leem bevat en/of humusrijk of moerig is 3 overige zandgronden zonder klei- of moerig dek 4 overige gronden met een minerale bovengrond 5 overige gronden met een moerige bovengrond 2.2 Beoordelingsfactoren voor biologische landbouw Bodemvruchtbaarheid Omdat de bemesting bij biologische weidebouw veel minder intensief toegepast kan worden is de natuurlijke bodemvruchtbaarheid, vooral in verband met de stikstoflevering, van groot belang. In dit project belichten wij twee aspecten die een goede graadmeter zijn voor de bodemvruchtbaarheid en eveneens goed zijn af te leiden. Het betreffen de aard van de organische stof en de voedingstoestand. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

31 Aard organische stof Aan de hand van representatieve profielbeschrijvingen per kaarteenheid van De Bodemkaart van Nederland, schaal 1: hebben we de organische stof in de bovengrond opgedeeld in de volgende vijf klassen: - Mineraal, humusarm 0-2,5% - Mineraal, humeus 2,5-8% - Mineraal, humusrijk 8-15% - Moerig met kleibijmenging (kleiig veen) >15% *) - Moerig zonder kleibijmenging (veen) >15% *) *) De grens tussen moerig en mineraal is mede afhankelijk van het lutumpercentage Voedingstoestand De beoordelingsfactor voedingstoestand wordt veel gebruikt bij bosbouw maar voor biologische weidebouw is de voedingstoestand eveneens erg belangrijk. De voedingstoestand duidt de vruchtbaarheid van een grond aan (gehalte aan voor de boomgroei of biologische teelt noodzakelijke voedingsstoffen), die voorkomt wanneer deze grond ten minste de laatste 10 à 15 jaar met bos of met een halfnatuurlijke vegetatie is begroeid en in die periode niet (meer) is bekalkt of bemest (Technisch Document 19D, 1995). Gradaties We onderscheiden vijf gradaties (Tabel 15). Tabel 15: Code en benaming van de gradaties in de voedingstoestand Code Benaming 1 zeer hoog 2 vrij hoog 3 matig 4 vrij laag 5 zeer laag *) Richtlijnen om de gradaties vast te stellen staan in de tabellen D-27 en D-28 van Technisch Document 19D. Vaststelling van de gradaties De voedingstoestand nemen we niet rechtstreeks aan de grond waar, maar leiden we af uit de bodem, het bodemgebruik en eventueel de spontane vegetatie (tabel D-27 en D-28 van TD19D). De ingang van tabel D-27 zijn de legenda-eenheden van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1 : (kolom 1 en 2). Voor het veenweidegebied in de provincie Noord-Holland zijn de gradaties 4 en 5 niet onderscheiden Bodemleven en biodiversiteit Een rijk bodemleven is bij biologische landbouw van belang omdat dit omzettingprocessen van bepaalde stoffen (afbraak van humus) kan versnellen, waardoor voor de plant noodzakelijke stoffen beschikbaar kunnen komen zonder de hulp van intensieve bemesting. De eerder genoemde bodemvruchtbaarheid wordt hiermee opgebouwd. De biodiversiteit is belangrijk voor een goed evenwicht van bacteriën en schimmels, waardoor een stabiel systeem (tegen ziektes) ontstaat. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

32 Gradaties Het is erg lastig om deze parameter op regionale schaal te kwantificeren. Bij benadering hebben we dit gegeven uitgewerkt door een onderverdeling naar aard van de bovengrond (zand, veen en klei) in combinatie met de vochttoestand (nat: GHG < 25 mv. en droog: GHG > 25 cm mv.) Omvang regenwormen Regenwormen hebben een aangetoond gunstig effect op diverse bodemeigenschappen en processen. In Nederland zijn ongeveer 25 soorten regenwormen bekend. Op grond van hun voedselkeuze, gedrag en voorkomen in de bodem kunnen regenwormen worden ingedeeld in drie ecologische groepen. De betekenis van regenwormen voor het functioneren van de bodem hangt hier sterk mee samen. Pendelaars zijn grote soorten die vooral verticale gangen maken en bladmateriaal tot diep in de bodem brengen. Zij bevorderen het gehalte aan organisch stof en verbeteren de bodemvruchtbaarheid en het vochtregulerende vermogen. Regenwormen met een oppervlakkig gangenstelsel bevorderen de compostering van dood plantaardig materiaal. Hun uitwerpselen bevatten grote hoeveelheden stikstof, fosfaat en kalium. Dieper in de bodem levende wormen bewonen geen gangenstelsel, maar graven zich al etende voortdurend een weg door de bodem. Deze bioturbatie stimuleert de microbiële activiteit en bevordert de beluchting van de bodem. Het voorkomen van regenwormen is afhankelijk van bodemeigenschappen zoals zuurgraad, vochtigheid, temperatuur en textuur. Daarnaast moet er ook voldoende voedsel aanwezig zijn. Regenwormen zijn erg gevoelig voor grondbewerking, zoals ploegen en mestinjectie en voor bodemverontreiniging. Regenwormen zijn vooral talrijk bij (melk)veehouderij op klei, löss en veen. De regenwormendichtheid is het aantal regenwormen per m 2, deze wordt bepaald door handmatig plaggen uit te zoeken en de wormen te tellen. In onderstaande tabel is als referentie gemiddelde waarden van aantallen regenwormen en diversiteit weergegeven voor verschillende bodem- en landbouwtypen (Bron: Typeringen van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit. RIVM, 2007) Tabel 16: Gemiddelde regenwormendichtheid en regenwormen diversiteit per bodemgebruik en - type Bodemgebruik en -type Regenwormen dichtheid (n/m2) (gemiddelde) Akkerbouw op klei Regenwormen diversiteit (aantal taxa) (gemiddelde) Melkveehouderij op klei Melkveehouderij op löss (Limburgse klei) Melkveehouderij op veen (laagveen) Akkerbouw op zand Melkveehouderij op zand Halfnatuurlijk grasland op zand Heide op zand 0 0 Gemengd bos op zand Stadsparken op zand december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

33 2.2.4 (Sterk) Wisselende grondwaterstanden Op plekken die afwisselend blank staan en uitdrogen en/of waar de grond verslempt is treedt talrijk pitrus op. Pitrus gedijt op allerlei vochtige kalkarme tot kalkloze standplaatsen, maar vooral op matig tot sterk zure, tenminste 's winters natte grond die onder een zekere mate van bemesting staat of gestaan heeft (Schaminée et al., 1996). Volgens Buijs et al. (1991) vestigt pitrus zich vooral in terreinen met sterk wisselende waterstanden, waar bemesting wordt gestaakt of waar gemaaid wordt en het maaisel blijft liggen. Tevens is de kans op het optreden van leverbot bij vee groter bij hoge en sterk wisselende grondwaterstanden. Sterk wisselende grondwaterstanden treden op bij gronden met grondwatertrap V, en worden daardoor als negatief beoordeeld. Alle andere grondwatertrappen in het veenweidegebied worden neutraal, dan wel positief beoordeeld. Gradaties Voor dit project zijn alle gronden met grondwatertrap V aangemerkt als probleemgebied Bodemstructuur Bodemstructuur speelt een belangrijke rol bij de bewortelbaarheid en opname van voedingstoffen. Naast de reeds bij reguliere weidebouw beschreven bodembeoordelingsfactor draagkracht zijn bij de biologische variant ook de factoren slempgevoeligheid en verkruimelbaarheid beoordeeld om meer inzicht te verschaffen voor de bodemstructuur. Gradaties Voor de beschrijving en het vaststellen van de gradaties van slempgevoeligheid en verkruimelbaarheid verwijzen we naar paragrafen en Bodemgeschiktheidsclassificatie Bij de bodemgeschiktheidsclassificatie groeperen we de gronden naar hun geschiktheid voor een bepaald bodemgebruik in een beperkt aantal geschiktheidsklassen. Elke vorm van bodemgebruik heeft een eigen bodemgeschiktheidsclassificatie. Deze bestaat uit drie hoofdklassen', die we elk in een klein aantal, gewoonlijk twee tot vier, klassen onderverdelen (Tabel 17). Tabel 17: Schema van de bodemgeschiktheidsclassificatie voor de verschillende Hoofdklassen klassen 1 Gronden met ruime mogelijkheden voor... (gebruiksvorm) enzovoort 2 Gronden met beperkte mogelijkheden voor... (gebruiksvorm) enzovoort 3 Gronden met weinig mogelijkheden voor... (gebruiksvorm) enzovoort Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

34 In de volgorde 1, 2 en 3 geven de hoofdklassen een afnemende geschiktheid aan. De volgorde binnen de klassen kan, maar hoeft geen volgorde in geschiktheid aan te geven. We kunnen een klasse onderverdelen naar de aard van de beperking(en) van de grond. Dit kan een grond zijn met voor het betreffende bodemgebruik incidenteel enige problemen met de ontwateringstoestand. Onder de bodemgeschiktheid van de grond verstaan we de mate waarin die grond voldoet aan de eisen, die we er voor een bepaald bodemgebruik aan stellen. Of de met de bodemgeschiktheidsklasse aangegeven mogelijkheden voor het bodemgebruik ook werkelijk verwezenlijkt kunnen worden, hangt niet alleen van de bodemgesteldheid af. Factoren als landinrichtingssituatie, bedrijfsinrichting, bedrijfsvoering en graad van mechanisatie zijn mede van groot belang voor de te behalen resultaten. Deze aspecten beoordelen we hier niet. We gaan er bij de geschiktheidsbeoordeling van uit dat dergelijke technische, economische en sociale 'niet-bodemfactoren' aan bepaalde voorwaarden voldoen. We sommen deze voorwaarden voor iedere vorm van bodemgebruik onder het hoofd 'randvoorwaarden' op. Voor de vaststelling van de geschiktheid is voor elke vorm van bodemgebruik een sleutel opgesteld, die voor het gehele land geldig is Bodemgeschiktheid voor weidebouw Randvoorwaarden De bodemgeschiktheidsclassificatie voor weidebouw gaat uit van een weidebedrijf, gericht op de melkveehouderij, met een oppervlakte van 20 ha of meer ( standaardbedrijfseenheden, sbe) en een bezetting van ca. 2,5 grootvee- eenheden (gve) per ha gras of per ha gras plus groenvoedergewassen (snijmaïs). Het vee wordt in grote koppels (enkele tientallen) geweid. Gedurende de weideperiode gaan deze koppels tweemaal daags naar de centrale melkstal. Drijfmest wordt uitgereden over het land op tijdstippen die voor de bedrijfsvoering en de grasgroei zo gunstig mogelijk zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de periode waarvoor een uitrijverbod geldt. Er wordt stikstof in de vorm van kunstmest gegeven ( kg N per ha). Voor de verzorging van het grasland, de winning van ruwvoer en het uitrijden van mest worden meestal zware werktuigen gebruikt. Verkaveling en ontsluiting zijn zodanig, dat het mogelijk is verschillende beweidingssystemen toe te passen (Overvest en Laeven- Kloosterman, 1984). De bodemvruchtbaarheid heeft het voor de bodemkundige situatie gewenste niveau. Het bedrijf wordt goed geleid. We beoordelen iedere kaarteenheid alsof het gehele bedrijf uit grond van die eenheid bestaat. Vaststelling van de bodemgeschiktheid Het toekennen van een geschiktheidsklasse aan de kaarteenheden gebeurt voor de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50 000, met de sleutel in Tabel 18. De geschiktheid leiden we af van de gradaties van de beoordelingsfactoren voor de ontwateringstoestand, het vochtleverend vermogen en de stevigheid van de bovengrond. Zij staan respectievelijk vermeld in de tabellen 2, 4 en 8. Een aantal combinaties van beoordelingsfactoren komt in de praktijk niet voor. Voor de uniformiteit zijn aan dergelijke combinaties wel geschiktheidsklassen toegekend. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

35 Tabel 18: Sleutel voor de vaststelling van hoofdklassen en klassen van de bodemgeschiktheid voor weidebouw Bodemgeschiktheidsclassificatie In Tabel 19 zijn de hoofdklassen en klassen weergegeven voor de Bodemkaart van Nederland, schaal 1: Tabel 19: Bodemgeschiktheidsklassen voor weidebouw 1 Gronden met ruime mogelijkheden 1.1 Hoge bruto-produktie; weinig beweidingsverliezen; goed berijdbaar 1.2 Hoge bruto-produktie; weinig beweidingsverliezen, behalve in natte jaren; enigszins beperkt berijdbaar 1.3 Hoge bruto-produktie, behalve in droge jaren; weinig beweidingsverliezen; goed berijdbaar 1.4 Hoge bruto-produktie, behalve in droge jaren; weinig beweidingsverliezen, behalve in natte jaren; enigszins beperkt berijdbaar 2 Gronden met beperkte mogelijkheden 2.1 Hoge bruto-produktie; matige beweidingsverliezen; beperkt berijdbaar 2.2 Matige bruto-produktie in droge jaren; weinig beweidingsverliezen; goed berijdbaar Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

36 2.3 Matige bruto-produktie in droge jaren; matige beweidingsverliezen in natte jaren; beperkt berijdbaar 3 Gronden met weinig mogelijkheden 3.1 Matige of hoge bruto-produktie; grote beweidingsverliezen; zeer beperkt berijdbaar 3.2 Lage of matige bruto-produktie; weinig beweidingsverliezen; goed berijdbaar Voor intensieve bladgroenteteelt en bloembollenteelt stellen we hogere eisen aan het vochtleverend vermogen van de grond (5 à 8 mm per dag bij een temperatuur van 25 C en veel wind). Met behulp van de beoordelingsfactoren vochtleverend vermogen en profielopbouw met een goed te beheersen water- en luchtvoorziening in de effectieve wortelzone is het goed mogelijk om de gronden af te splitsen Bodemgeschiktheid voor akkerbouw Randvoorwaarden De bodemgeschiktheidsclassificatie voor akkerbouw gaat uit van een zuiver akkerbouwbedrijf van tenminste 30 ha ( standaardbedrijfseenheden, sbe), met een bouwplan van 40% of meer hakvruchten en verder granen. Voor zover geen gebruik wordt gemaakt van loon- of combinatiewerk is de mechanisatiegraad zodanig, dat met een minimum aan mankracht de werkzaamheden aan bodem en gewas kunnen worden uitgevoerd. Verkaveling en ontsluiting maken het mogelijk de gewassen in eenheden van grote oppervlakte te telen. De bodemvruchtbaarheid heeft het voor de bodemkundige situatie gewenste niveau en het bedrijf wordt goed geleid. We beoordelen iedere kaarteenheid alsof het gehele bedrijf uit grond van die eenheid bestaat. Vaststelling van de bodemgeschiktheid Het toekennen van een geschiktheidsklasse aan de kaarteenheden gebeurt met de sleutel in Tabel 20, behalve bij de klasse 3.3 waarin buiten de hoofdwaterkering gelegen gronden zonder grondwatertrap zijn aangegeven. De bodemgeschiktheid leiden we af van de gradaties voor de beoordelingsfactoren: ontwateringstoestand, vochtleverend vermogen, stevigheid van de bovengrond, verkruimelbaarheid, slemp- of stuifgevoeligheid. Ook maken we in de sleutel (Tabel 20) onderscheid tussen gronden met een bovengrond van klei, zavel en leem enerzijds en die met een bovengrond van zand en moerig materiaal anderzijds. Dit onderscheid is rechtstreeks uit de codering van de legenda-eenheid af te lezen. Een aantal combinaties van beoordelingsfactoren komt in de praktijk niet voor. Voor de uniformiteit zijn aan dergelijke combinaties wel geschiktheidsklassen toegekend. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

37 Tabel 20: Sleutel voor de vaststelling van hoofdklassen en klassen van de bodemgeschiktheid voor akkerbouw Bodemgeschiktheidsclassificatie In Tabel 21 zijn de hoofdklassen en klassen weergegeven die landelijk worden onderscheiden. Bij de gronden met ruime mogelijkheden maken we onderscheid tussen gronden met een kleivruchtwisseling en die met een zandvruchtwisseling. Dit onderscheid is ingevoerd, omdat bij de akkerbouw op klei-, zavel- en leemgronden gewoonlijk gewassen voorkomen, zoals wintergranen, zomergranen, aardappelen, suikerbieten, peulvruchten en handelsgewassen. Op moerige gronden, veengronden (overwegend veenkoloniale gronden) en zandgronden worden gewoonlijk zomergranen, aardappelen, suikerbieten en maïs verbouwd. In Tabel 22 geven we normen voor een hoog' opbrengstniveau. Tabel 21: Bodemgeschiktheidsklassen voor akkerbouw 1 Gronden met ruime mogelijkheden 1.1 Kleivruchtwisseling; hoog opbrengstniveau; weinig teeltrisico; goed berijdbaar en bewerkbaar 1.2 Kleivruchtwisseling; matig tot hoog opbrengstniveau; enig teeltrisico; ten dele beperkt berijdbaar en bewerkbaar 1.3 Zandvruchtwisseling; hoog opbrengstniveau; weinig teeltrisico; goed berijdbaar en bewerkbaar 1.4 Zandvruchtwisseling; matig tot hoog opbrengstniveau; enig teeltrisico; ten dele beperkt berijdbaar; goed bewerkbaar 2 Gronden met beperkte mogelijkheden 2.1 Vrij groot teeltrisico; veelal beperkt berijdbaar 2.2 Vrij groot teeltrisico; beperkt bewerkbaar 2.3 Vrij groot teeltrisico; vochttekort Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

38 3 Gronden met weinig mogelijkheden 3.1 Zeer groot teeltrisico; zeer beperkt bewerkbaar of berijdbaar 3.2 Zeer groot teeltrisico; groot vochttekort 3.3 Zeer groot teeltrisico; overstromingsgevaar Tabel 22: Normen voor hoog' opbrengstniveau (kg.ha-1)(pagv, 1986) Bodemgeschiktheid voor tuinbouw Randvoorwaarden De randvoorwaarden bij de bodemgeschiktheidsbeoordeling zijn: de bedrijven zijn modern ingericht van voldoende grootte en worden goed geleid; de percelen hebben een goede verkaveling en ontsluiting; de tuinbouw onder glas betreft grondgebonden teelten en geen substraatteelten; de bodemvruchtbaarheid heeft het voor de bodemkundige situatie gewenste niveau; iedere kaarteenheid beoordelen we alsof het gehele bedrijf uit grond van die eenheid bestaat. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kunnen we toevoegen: voor beregening is voldoende geschikt oppervlaktewater en/of grondwater beschikbaar; de afvoer van water uit drainreeksen levert geen problemen op; de grond heeft een betere geschiktheid naarmate de vruchtwisselingsmogelijkheden groter zijn; de gronden zijn vrij van schadelijke bodemorganismen en stoffen die bodemziekten en bodemmoeheid kunnen veroorzaken; de te velde staande gewassen ondervinden weinig of geen schade van wild of vogels. Vaststelling van de bodemgeschiktheid We kennen een geschiktheidsklasse aan de kaarteenheden toe met de sleutel in Tabel 23. De indeling van de gronden in een van de onderscheiden klassen is gebaseerd op de beoordelingsfactoren: ontwateringstoestand; vochtleverend vermogen; verkruimelbaarheid; slempgevoeligheid; storing in de verticale waterbeweging. De beoordelingsfactoren zijn beschreven in paragrafen t/m De gradaties staan respectievelijk in de tabellen 2, 4, 10 en 11. De registratie van de storing in de verticale waterbeweging staat in paragraaf december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

39 Tabel 23: Sleutel voor de vaststelling van hoofdklassen en klassen van de bodemgeschiktheid voor tuinbouw Bodemgeschiktheidsclassificatie In Tabel 24 zijn de hoofdklassen en klassen voor tuinbouw weergegeven. Tabel 24: Bodemgeschiktheidsklassen voor tuinbouw 1 Gronden met ruime mogelijkheden 1.1 Weinig teeltrisico. Weinig of geen tekortkomingen. Vele vormen van tuinbouw kunnen op deze gronden met succes worden uitgeoefend. 1.2 Weinig teeltrisico voor enkele vormen van tuinbouw; voor de overige een matig teeltrisico door een minder goede bewerkbaarheid of slempgevoeligheid. Voor de teelt van pit- en steenvruchten is dit niet bezwaarlijk, voor vele andere vormen daarentegen wel. Gronden met een storing in de verticale waterbeweging behoren ook tot deze klasse. 2 Gronden met beperkte mogelijkheden Vrij groot teeltrisico; veelal beperkt berijdbaar Matig teeltrisico door wateroverlast in natte 2.1 jaren, enig vochttekort in droge jaren. Tot deze klasse behoren ook gronden met een storing in de Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

40 verticale waterbeweging, slempgevoeligheid of een minder goede bewerkbaarheid. Vrij groot teeltrisico; beperkt bewerkbaar Matig teeltrisico voor enkele vormen van tuinbouw; 2.2 voor de overige vormen zeer groot teeltrisico. Tot deze klasse behoren ook gronden met meer dan een storing in de verticale waterbeweging, slempgevoeligheid of een minder goede bewerkbaarheid. 3 Gronden met weinig mogelijkheden Zeer sterk beperkt door wateroverlast of een (groot) vochttekort Bodemgeschiktheid voor bloembollenteelt Randvoorwaarden Bij de interpretatie van de grond gaan we uit van een modern intensief bloembollenbedrijf. We nemen aan dat: het bedrijf goed wordt geleid; de bodemgesteldheid op het bedrijf overal gelijk is; de percelen een goede verkaveling en ontsluiting hebben; het planten en het rooien verregaand gemechaniseerd zijn; de grond een betere geschiktheid heeft naarmate meer soorten bloembollen en bijgoed met succes kunnen worden geteeld. Vaststelling van de bodemgeschiktheid We kennen de geschiktheidsklasse aan de kaarteenheden toe met de sleutel in Tabel 25. De bodemgeschiktheidsclassificatie voor bloembollenteelt heeft betrekking op de geschiktheid van gronden voor de teelt van siergewassen, waarbij de vermeerdering van bollen en bijgoed, voornamelijk bestaande uit knollen, voorop staat of enig doel is. De meeste bolgewassen worden in de herfst geplant en in de zomer gerooid. Lelies worden meestal in het vroege voorjaar geplant. Veel knolgewassen worden eveneens in het voorjaar geplant of gezaaid, zoals gladiolen. De gronden voor bloembollenteelt worden veelal periodiek ontsmet, zodat jaar na jaar, dus continue, bloembollen kunnen worden geteeld. Meestal is er een driejarige teeltcyclus van tulpen, narcissen en hyacinten of lelies. Deze bedrijfsvorm is voornamelijk geconcentreerd op de binnenduinstrook. Op de overige gronden wordt de teelt van bloembollen meestal afgewisseld door groenteteelt en landbouwgewassen. Op deze gronden wordt dus de bloembollenteelt periodiek beoefend. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

41 Tabel 25: Sleutel voor de vaststelling van hoofdklassen, klassen en subklassen van de bodemgeschiktheid voor bloembollenteelt Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

42 Bodemgeschiktheidsclassificatie In Tabel 26 zijn de hoofdklassen, klassen en subklassen voor bloembollenteelt weergegeven. Tabel 26: Bodemgeschiktheidsklassen voor continue of periodieke bloembollenteelt 1 Gronden met ruime mogelijkheden 1.1 Weinig teeltrisico voor continue bloembollenteelt met uitzondering van narcissen; goed te beheersen gunstige grondwaterstanden (kalkrijk, humus- en kleiarm duinzand tot >120 cm - mv.) Weinig teeltrisico voor continue bloembollenteelt met uitzondering van hyacinten; redelijk te beheersen gunstige grondwaterstanden (kalk-, klei- en leemarm matig fijn of matig grof zand tot >120 cm - mv.). 1.3 Enig teeltrisico voor bloembollenteelt; enige tekortkomingen t.a.v. de water- en/of luchthuishouding Bovendien extra teeltrisico voor narcissen Bovendien extra teeltrisico voor hyacinten Bovendien extra gevoeligheid voor te grote dichtheid van de wortelzone. 1.4 Enig teeltrisico door vochttekort en slechts periodieke mogelijkheden voor tulpenteelt en enkele bijgewassen, zoals gladiolen en bolirissen; hoog opbrengstniveau; niet gemakkelijk mechanisch rooibaar i.v.m. kluiten en huidbeschadiging (goede zavelgronden en recent gescheurde, zeer humeuze tot humusrijke zwaardere kleigronden). 2 Gronden met beperkte mogelijkheden 2.1 Matig teeltrisico voor continue bloembollenteelt met zeer ruime vruchtwisseling (matige tekortkomingen door wateroverlast en/of vochttekort). 2.2 Matig teeltrisico voor continue bloembollenteelt met ruime vruchtwisseling (matige tekortkomingen door wateroverlast en/of vochttekort). 2.3 Matig teeltrisico voor bloembollenteelt (matige tekortkomingen door wateroverlast en/of vochttekort, of de profielopbouw). 2.4 Matig teeltrisico voor periodieke tulpenteelt en enkele bijgewassen, zoals gladiolen en bolirissen (matige tekortkomingen door wateroverlast en/of vochttekort). Tot deze klasse behoren ook gronden met een storing in de verticale waterbeweging, slempgevoeligheid en wat te zware gronden. 3 Gronden met weinig mogelijkheden Dit zijn gronden met ernstige beperkingen door wateroverlast en/of vochttekort, de verkruimelbaarheid of de profielopbouw met betrekking tot de kwaliteit van het geoogste product. 2.4 HELP-tabel Voor de landbouwkundige gebruikswaarde van een grond is, behalve de grondsoort, de waterhuishouding van groot belang. De fluctuatie van het grondwater wordt in deze studie gekarakteriseerd door grondwatertrappen (Gt s). De Gt in combinatie met het bodemtype levert voor de verschillende bodemgebruikvormen een waarde op die nader kan worden gekwantificeerd. Per bodemgebruikvorm kunnen de landbouwkundige gebruikswaarden echter nogal variëren. De in de praktijk hiervoor gebruikte HELP-tabellen (oorspronkelijk in 1984 en vervolgens in 1987 (Werkgroep HELP), door de toenmalige Landinrichtingsdienst samengestelde tabellen t.b.v. een Her-Evaluatie van LandinrichtingsPlannen) geven opbrengstdepressies weer voor combinaties van bodemtypen en grondwatertrappen. Voor verschillende 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

43 bodemgebruikvormen worden in de HELP-tabellen opgesplitste opbrengstdervingen gegeven: voor wateroverlast en watertekort. De oorspronkelijke HELP-tabellen zijn slechts afgeleid voor melkveegrasland en akkerbouw. Door het EC-LNV (Expertise Centrum van Min. v LNV) zijn in 1993 ook voor de overige landbouwkundige vormen van bodemgebruik vergelijkbare opbrengstdepressietabellen samengesteld. In overleg met DLG (Dienst Landelijk Gebied) zijn al deze tabellen in 1997, en recentelijk opnieuw in 2002 (Huinink & Brouwer), op basis van voortschrijdende inzichten en kennis geactualiseerd, waarbij de oorspronkelijke 70 bodemtypen zijn teruggebracht tot 14 groepen sterk verwante bodemtypen. Voor een goed inzicht lichten we hieronder een aantal aspecten van de HELP-tabel nader toe. Het is van belang hierbij op te merken dat voor dit project zoveel mogelijk gebruik is gemaakt van de geactualiseerde versie van 2002 (Huinink & Brouwer). De gewassen die hiermee zijn uitgerekend zijn: grasland, maïs, aardappelen, bieten, graan, zomer-, winter- en bladgroente, en bloembollen. Alleen voor de gecombineerde teelt bouwland (akkerbouw) is uitgegaan van de versie van 1987 (Werkgroep HELP). HELP-code De HELP-tabel heeft als ingang de HELP-code, dus niet de legenda-eenheid (bodemcode) van de bodemkaart. De omzetting van een legenda-eenheid van een bodemkaart naar een HELP-code is met ondersteuning van vertaaltabellen uitgevoerd. In de HELP-tabel zijn per HELP-bodemprofieltype voor een aantal grondwaterstandsverlopen, op basis van de gemiddeld hoogste (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG), opbrengstdepressiepercentages (als gevolg van natschade en droogte) gegeven voor verschillende bodemgebruiken (teelten). De wateroverlastdepressies zijn in hoofdzaak gebaseerd op empirische relaties, proefveld-ervaringen en inzichten en ervaringen van deskundigen. De droogtedepressies zijn berekend met het model LAMOS (een LD-variant van MUST) met meteogegevens (neerslag en openwater verdamping) van het meteostation De Bilt (periode ); zij betreffen het gemiddelde over 30 jaar. Meteofactor De droogtedepressiepercentages in de HELP-tabel zijn berekend voor het meteostation De Bilt. De meteorologische omstandigheden van De Bilt gelden echter niet voor de provincie Noord-Holland. Afhankelijk van het KNMI-district waarin het onderzoeksgebied ligt, hebben we de droogtedepressiepercentages gecorrigeerd met een factor 1,3 voor de kuststrook (bollenstreek) en 1,1 voor de droogmakerijen (Haarlemmermeer en Wieringermeer) en het veenweidegebied. Voor de wateroverlastdepressie geldt geen correctiefactor. Grondgebruik De HELP-tabel geeft opbrengstdepressiepercentages voor verschillende gewassen. Voor zeer natte grondwatertrappen (Gt II en II*) en voor enkele veengronden en moerige gronden zijn in de HELP-tabel van 1987 geen depressiepercentages voor bouwland opgenomen, omdat die gronden in de regel alleen als grasland in gebruik zijn. Voor een volledig kaartbeeld zijn de opbrengstdepressies van deze gronden gezet op 99%. Bouwplan De droogtedepressiepercentages voor bouwland zijn het gewogen gemiddelde van de droogtedepressie voor graan, maïs, aardappelen en suikerbieten, uitgaande van een voor de betreffende grondsoort representatief bouwplan. Via omrekenformules kunnen we de droogtedepressie voor bouwland voor een afwijkend bouwplan berekenen. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

44 Werkwijze Nadat vastgesteld is welk grondgebruik van toepassing is, welke meteofactor en evt. welk bouwplan gelden, geeft de tabel bij een hydrologische situatie van een HELP-bodemtype het opbrengstdepressiepercentage voor wateroverlast en voor droogte. Deze waarden geven dus aan in welke mate (procentueel) de opbrengst achterblijft bij de opbrengst onder optimale' groeiomstandigheden: enerzijds als gevolg van groeibeperkingen door wateroverlast; anderzijds door verminderde vochtaanvoercapaciteit. Om aan de opbrengstdervingtabellen (HELP-tabellen) ook een economische invulling te kunnen geven, zijn door het EC-LNV per bodemgebruikvorm de opbrengstdervingpercentages vertaald naar saldi (financiële opbrengst minus aan het gewas toe te rekenen kosten). Deze bedrijfeconomische vertaling (praktisch potentiele gewassaldi) is in 2002 aangepast aan de toen geldende gewasopbrengsten (fysiek en financieel) en veranderingen in de toe te rekenen kosten (Tabel 27). Toepasbaarheid Berekeningen op basis van de HELP-tabel gebeuren in de regel op gebiedsniveau. Daar is de HELP-tabel ook voor bedoeld. Voor berekeningen op perceels- of lokaal niveau is de HELP-tabel minder geschikt, omdat de depressiepercentages gelden voor een gemiddeld bodemprofiel van een bepaald HELPbodemtype. De legenda bij de bodemkaart verschaft beperkte informatie over de aard en dikte van de wortelzone en over de vocht-naleverende eigenschappen van de ondergrond. Bodemprofielen met aanzienlijk verschillende bodemfysische eigenschappen kunnen tot hetzelfde bodemtype en daarmee ook tot hetzelfde HELP-bodemtype behoren. Het mag duidelijk zijn dat rond het gemiddelde depressiepercentage een behoorlijke spreiding bestaat. Wanneer alleen de grondwatertrap (Gt) bekend is, en niet de exacte waarde van de GHG en GLG, is ook al om die reden op lokaal niveau geen nauwkeurige uitspraak te doen. Tabel 27: Praktisch potentiële saldo en bijbehorende fysieke opbrengst (Huinink & Brouwer, 2002) (Saldi zijn exclusief kosten voor aanvullende watervoorziening (beregening, bevloeiing of infiltratie). Indien kunstmatige watervoorziening plaatsvindt: saldi met 300,- (extensieve teelten) tot 500,- (intensieve teelten) verlagen. Droogteschade volgens aanhangsel 1 daarbij verlagen tot % in tabel 2.) Bodemgebruikvorm Saldo (euro/ha) Fysieke opbrengst (kg/ha) Akkerbouw 2.970,- (naar beteelde oppervlakte gewogen gemiddelde uit: Consumptie-aardappelen 4.650, Wintertarwe 1.750,- 12t. korrels, 6t.stro Suikerbieten 3.700, Vollegrondsgroente 9.174,- (naar beteelde oppervlakte gewogen gemiddelde uit: Groene erwten 1.060, erwten, stro Tuinbonen 1.245, Bruine bonen 1.700, Stamslabonen:normaal 1.200, Idem: vroeg, handpluk, vers markt 6.565, Spinazie: industrie 550, Idem: vers markt Andijvie: herfstteelt , Asperges (eerste jaren , meegemiddeld) Augurk , december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

45 Boerenkool 800, Bleekselderij , stuks Bloemkool 6.900, stuks Savoiekool, herfst vers markt 8.800, stuks Grove peen 4.200, Courgette, vers markt , stuks Sla, zomer 9.050, stuks Prei: herfst, vroeg 9.005, Spruitkool; midden 5.300, Peulen , Groot fruit Appel , Peer Idem Klein fruit Blauwe bessen , Braam , Rode bessen , Bloembollen Dahliaknollen ,- Gladiolen ,- à ,- afh. van pit of kraal Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

46 3 RESULTATEN Dit project richt zich op de beantwoording van de bodemgeschiktheidsvragen voor 3 studiegebieden binnen de Provincie Noord-Holland: - Het veenweidegebied - De Bollenstreek - De Wieringermeer en Haarlemmermeer De bovengenoemde studiegebieden zijn in Bijlage 1 weergegeven. 3.1 Veenweidegebied Bodemgeschiktheid voor weidebouw De bodemgeschiktheidkaarten voor weidebouw volgens de kwalitatieve en kwantitatieve methode zijn in bijlage 2 tot en met bijlage 6 opgenomen. Op de bodemgeschikheidskaarten voor weidebouw zijn, met name in het zuiden en oosten van het veenweidegebied, grote arealen aangeduid als gronden met weinig mogelijkheden voor weidebouw. Toch komt juist hier weidebouw veelvuldig voor. Dit komt doordat andere vormen van grondgebruik hier eveneens (of zelfs nog meer) beperkt zijn, waardoor weidebouw als sluitpost overblijft. In Tabel 28 is een samenvatting met de oppervlaktes per bodemgeschiktheid (WIB-C) weergegeven. Tabel 28: Oppervlaktes per bodemgeschiktheid voor weidebouw volgens de kwalitatieve methode (WIB-C). Bodemgeschiktheid Oppervlakte (ha) (%) 1 Gronden met ruime mogelijkheden 1.1 Hoge bruto-produktie; weinig beweidingsverliezen; goed berijdbaar 7654,3 14,8 1.2 Hoge bruto-produktie; weinig beweidingsverliezen; behalve in natte 4692,4 9,1 jaren; enigiszins beperkt berijdbaar 1.3 Hoge bruto-produktie; behalve in droge jaren; weinig 1002,3 1,9 beweidingsverliezen; goed berijdbaar 1.4 Hoge bruto-produktie; behalve in droge jaren; weinig beweidingsverliezen; behalve in natte jaren; enigiszins beperkt berijdbaar 454,9 0,9 2 Gronden met beperkte mogelijkheden 2.1 Hoge bruto-produktie; matige beweidingsverliezen; beperkt berijdbaar 734,1 1,4 2.2 Matige bruto-produktie in droge jaren; weinig beweidingsverliezen; goed 46,9 0,1 berijdbaar 2.3 Matige bruto-produktie in droge jaren; matige beweidingsverliezen in natte jaren; beperkt berijdbaar 403,6 0,8 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

47 3 Gronden met weinig mogelijkheden 3.1 Matige of hoge bruto-produktie; grote beweidingsverliezen; zeer beperkt berijdbaar 27291,3 52,8 No data 9369,1 18,1 Totaal 51649,0 100, Beoordelingsfactoren voor biologische weidebouw Voor biologische weidebouw zijn, naast de beoordelingsfactoren voor de reguliere (gangbare) teelt, nog een aantal extra bodemkarakteristieken van belang. Deze extra bodembeoordelingsfactoren spelen vooral een rol bij de aangepaste bemesting en ziekte- en onkruidbestrijding. De factoren voor de biologische weidebouw die we in dit project belichten zijn: - Bodemvruchtbaarheid (aard organische stof en voedingstoestand); - Bodemleven en biodiversiteit (aard en vochttoestand van de bovengrond); - Omvang regenwormen; - Ontwatering; - (Sterk) Wisselende grondwaterstanden; - ph van de bovengrond; - Bodemstructuur (slempgevoeligheid en verkruimelbaarheid) Bodemgeschiktheid voor biologische weidebouw De bodemgeschiktheidsclassificatie voor biologische weidebouw sluit aan bij de classificatie voor gangbare weidebouw. Vanwege de extra, hierboven genoemde, bodembeoordelingsfactoren krijgt de classificatie voor biologische weidebouw enkele uitbreidingen. Vanwege de leesbaarheid (overzichtelijkheid) van de kaart is een selectie van deze extra bodemkenmerken als arcering aangebracht over de kleuren van de geschiktheidsklassen van de reguliere teelt Teeltrisico s in het veenweidegebied Grondwaterstand in relatie met omliggende natuur Bronnen EHS_land (provincie Noord-Holland) en De Bodem- en Gt-kaart van Nederland, schaal 1: Probleem In het veenweidegebied gaan we ervan uit dat de als Ecologische Hoofd Structuur aangewezen gebieden reeds de functie van natte natuur (Gt I en II: GHG = 0-25 cm mv.) bezitten of als zodanig worden ingericht. Om aan te kunnen geven waar de lage grondwaterstanden in de EHS-gebieden voor problemen kunnen gaan zorgen, moeten we de omliggende gebieden met een agrarische bestemming op twee karakteristieken beoordelen. De aangrenzende agrarische percelen moeten bij de aanwijzing als probleemgebied zelf een goede ontwatering hebben en ze moeten als open profiel worden beschouwd. Wanneer gronden een storende laag in hun profiel hebben, zullen ze namelijk niet of slechts traag reageren op hoge grondwaterstanden in nabij gelegen EHS-gebieden. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

48 Toepassing Bij gebieden grenzend aan EHS markeren wij een probleem zodra gronden met een GHG > 40 cm mv. in combinatie voorkomen met een zogenaamd open profiel. We hebben gekozen voor een selectie op basis van de GHG omdat dit een goed beeld geeft voor de winter- en voorjaarssituatie. In de zomer zullen hoge(re) grondwaterstanden bij gronden met een agrarische bestemming eerder welkom zijn in verband met een toename van de vochtleverantie. De grens van > 40 cm mv. voor de GHG baseren wij op het feit dat tussen de GHG van de agrarische gronden en de GHG van de EHS minimaal 1 klasse verschil moet zitten. We hebben deze exercitie uitgevoerd voor een buffergebied van de EHS met een strookbreedte van 50 m. Kaart met verzuring gevoelige gronden Bron Als basis is De Bodemkaart van Nederland, schaal 1: (bod50_2006) gebruikt van de provincie Noord-Holland. Via een vertaaltabel, vermeld in tabel 1 van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij Nr 40.1, zijn de bodemcodes getypeerd als wel of niet verzuring gevoelig. Begripsomschrijving In bovengenoemde verordening wordt verstaan onder voor verzuring gevoelige gronden, gronden die als zodanig zijn aangewezen op basis van de Interimwet 1 ammoniak en veehouderij en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij. Toepassing Kolom zuurgevoel met code: 1 = niet verzuring gevoelige gronden en 2 = verzuring gevoelige gronden. 3.2 Bollenteelt (bollen op zand) Bodemgeschiktheid voor bollenteelt De bodemgeschiktheidkaarten voor bollenteelt volgens de kwalitatieve en kwantitatieve methode zijn in bijlage 7 tot en met bijlage 10b opgenomen. Het telen van bloembollen is doorgaans een lucratieve bezigheid (zie Tabel 27). Doordat bloembollen vallen onder de groep van zogenaamd hoogsalderende gewassen, zijn er meer mogelijkheden om eventuele minder gunstige omstandigheden aan te passen. Zo kunnen ongunstige bodems via diepe grondbewerkingen (diepspitten) toch geschikt gemaakt worden voor de teelt van bloembollen. In Tabel 29 is een samenvatting met de oppervlaktes per bodemgeschiktheid (WIB-C) weergegeven. 1 Verzuring gevoelige gronden genoemd in artikel 1, onder b, van de Uitvoeringsregeling Interimwet ammoniak en veehouderij (Uav) Nr 40.1.(regeling van 16 augustus 1994, stcrt. 162, zoals deze regeling laatstelijk is gewijzigd bij de Regelingen van 7 december, stcrt 244(Rectificatie stcrt 251). Het eindproduct bod50def maakt onderdeel uit van het in voorbereiding zijnde rapport Wav Kaart Noord-Holland deel 2, Centrum Landschap van Alterra. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

49 Tabel 29: Oppervlaktes per bodemgeschiktheid voor bloembollen volgens de kwalitatieve methode (WIB-C). Bodemgeschiktheid 1 Gronden met ruime mogelijkheden 1.1 Weinig teeltrisico voor continue bloembollenteelt met uitzondering van narcissen; goed te beheersen gustige grondwaterstanden (kalkrijk, humus- en kleiarm duinzand tot > 120 cm mv.). 1.2 Weinig teeltrisico voor continue bloembollenteelt met uitzondering van hyacinten; redelijk te beheersen gustige grondwaterstanden (kalk-, klei- en leemarm, matig fijn of matig grof zand tot > 120 cm mv.). 1.3 Enig teeltrisico voor bloembollenteelt; enige tekortkomingen t.a.v. de water- en/of luchthuishouding Als 1.3; bovendien extra gevoelig voor te grote dichtheid van de wortelzone. 1.4 Enig teeltrisico door vochttekort en slechts periodieke mogelijkheden voor tulpenteelt en enkele bijgewassen, zoals gladiolen en bolirissen; hoog opbrengstniveau; niet gemakkelijk mechanisch rooibaar i.v.m. kluiten en huidbeschadiging (goede zavelgronden en recent gescheurde, zeer humeuze tot humusrijke zwaardere kleigronden). Oppervlakte (ha) (%) 6604,4 52,2 839,0 6,6 1029,3 8,1 108,6 0,9 642,2 5,1 2 Gronden met beperkte mogelijkheden 2.1 Matig teeltrisico voor continue bloembollenteelt met zeer ruime vruchtwisseling (matige tekortkomingen door wateroverlast en/of vochttekort). 2.2 Matig teeltrisico voor continue bloembollenteelt met ruime vruchtwisseling (matige tekortkomingen door wateroverlast en/of vochttekort). 2.3 Matig teeltrisico voor bloembollenteelt (matige tekortkomingen door wateroverlast en/of vochttekort, of de profielopbouw). 2.4 Matig teeltrisico voor periodieke tulpenteelt en enkele bijgewassen, zoals gladiolen en bolirissen (matige tekortkomingen door wateroverlast en/of vochttekort). Tot deze klasse behoren ook gronden met een storing in de verticale waterbeweging, slempgevoeligheid en wat te zware gronden. 3.0 Gronden met weinig mogelijkheden Dit zijn gronden met ernstige beperkingen door wateroverlast en/of vochttekort, de verkruimelbaarheid of de profielopbouw met betrekking tot de kwaliteit van het geoogste produkt. 199,0 1,6 7,8 0,1 939,9 7,4 935,8 7,4 716,0 5,7 No data 618,8 4,9 Totaal 12640,9 100,0 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

50 3.2.2 Teeltrisico s in de bollenstreek Kwel Bron De gebruikte kwel- en infiltratiekaarten (zomer- en wintersituatie) is samengesteld door Van Someren (Bodem en Water Consultancy, 2001). Probleem Voor de provincie Noord-Holland is kwel met name een probleem in combinatie met zout. Zoals ook genoemd bij de beschrijving van de chloridenkaart komt zoute kwel met name voor in de wat dieper gelegen poldergebieden met lage oppervlaktewaterpeilen. Door het peilverschil tussen de polder en de Noordzee treedt het van nature aanwezige zoute water uit de diepere ondergrond in sloten aan de oppervlakte. De intensiteit van de kwelstroom (zoutbezwaar) is het grootst waar in die lagere gebieden geen of slechts een dunne deklaag aanwezig is of waar de deklaag is doorsneden door watergangen. Voor zover zout polderwater wordt uitgemalen naar de boezem verhoogt dit ook het zoutgehalte van het boezemwater, hetgeen de kwaliteit van het elders weer in te laten boezemwater niet ten goede komt. Waterschappen/hoogheemraadschappen monitoren het chloridengehalte op vaste meetpunten. Tevens hebben zij vaak een doorspoelbeleid om het chloridengehalte in het oppervlaktewater te verlagen. Studies van klimaatveranderingen (en inmiddels ook de praktijk) geven onomstotelijk weer dat de zeespiegel in de (nabije) toekomst (nog sterker) gaat rijzen. Dit betekent dat de kwelstroom en het daaraan gekoppelde zoutbezwaar zal toenemen. Verspreiding van bestrijdingsmiddelen Achtergrond Om inzicht te krijgen in het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij bollenteelt zijn gegevens gebruikt van de Nationale Milieu Indicator (NMI). De NMI is een rekenmodel/database waarmee emissies en potentiële milieueffecten als gevolg van het landbouwkundig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden geschat op een gedetailleerde ruimtelijke schaal. NMI is door Alterra en RIVM ontwikkeld voor de Ministeries Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). Het doel van de NMI is het zichtbaar maken van trends en ruimtelijke patronen op nationale- en regionale schaal in de milieugevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de Nederlandse landbouw. De NMI is ontwikkeld voor de evaluatie van het Nederlandse gewasbeschermingsbeleid (Nota Duurzame Gewasbescherming). NMI berekent emissies en potentiële ecotoxicologische effecten als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de Nederlandse landbouw op een gedetailleerde ruimtelijke schaal. De resultaten zijn bedoeld voor centrale en regionale overheden (ondersteuning van beleidsevaluaties) en waterbeheerders (ondersteuning bij het ontwikkelen van waterkwaliteitsprogramma s, stroomgebiedbeheersplannen). Emissies De aard van de toepassing bepaalt welke emissies kunnen optreden. De NMI berekent emissies van werkzame stoffen en relevante metabolieten naar de milieucompartimenten oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht. Emissies worden berekend als hoeveelheid op jaarbasis, voor standaardsituaties die zoveel mogelijk conform het toelatingsbeleid zijn. In zijn meest algemene vorm is de berekening van de 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

51 emissie als gevolg van een toepassing als volgt weer te geven; het jaargemiddeld verbruik van een stof wordt vermenigvuldigd met emissiefactoren voor het betreffende milieucompartiment: Emissie (kg) = Emissiefactor (fractie van het verbruik) Verbruik (kg). De emissiefactor kan stofafhankelijk zijn, ruimtelijk variabel, of beide. Er wordt ook gebruik gemaakt van constanten en van landsdekkend gemiddelde waarden Milieubelasting Blootstellingsconcentraties in oppervlaktewater en gehalten in bodem zijn primair bedoeld om de kans op ecologische effecten te kunnen berekenen. De NMI berekent blootstellingsconcentraties voor: dieren die in het water leven (aquatisch ecosysteem) dieren die in de bodem leven dieren die fourageren tussen het behandeld gewas (het terrestrisch ecosysteem). Het gehalte werkzame stof in de bodem wordt berekend met een metamodel van PEARL. Resultaten De kaarten uit de Nationale Milieu Indicator (NMI) zijn in bijlage 15 tot en met bijlage 18 opgenomen. Verspreiding van zware metalen: kwik bij bloembollenteelt Achtergrond Bloembollenteelt is een intensieve teelt waarbij elk jaar opnieuw dezelfde percelen worden gebruikt. Om een sterke ontwikkeling van schimmels, aaltjes, virussen en andere parasieten tegen te gaan, moet de grond, voordat de bollen er in augustus of september in gaan, eerst worden gesteriliseerd. Hiervoor kunnen chemische en/of fysische methoden worden gebruikt. Bij chemische grondontsmetting kan dichloorpropeen of metam-natrium in vloeibare vorm in de bodem worden gebracht. Een laag dunne mest moet de verdampende vloeistoffen zo lang mogelijk in de bodem houden. Vaak worden bovendien tegelijk met het planten van de bollen niet-vloeibare chemische middelen in de plantregel gestrooid. De bollen zelf worden tegen schimmels en andere plagen die op de bol kunnen zitten, ontsmet door ze enige tijd in bestrijdingsmiddelen onder te dompelen. Tot 1980 gebeurde dat in een bad van kwik, waarmee voornamelijk aan de bol hangende cysten van het aaltje Heterodera rostochiensis werden bestreden. Later werd hiervoor het kankerverwekkende captafol gebruikt, dat inmiddels ook verboden is. Tegenwoordig worden ook alternatieve methoden gebruikt, zoals schuimbaden waarbij bollen in zogenaamde kuubskisten gevuld met schuim worden geplaatst of stomen. Ontsmetting is van belang omdat de bollen door de jaren heen geselecteerd zijn op gewicht, waarbij niet werd gelet op bestendigheid tegen ziekten. Bij de fysische methode wordt het perceel in de winterperiode tijdelijk onder water gezet. Dit inunderen moet bij voorkeur minimaal weken aaneengesloten plaatsvinden en bestrijdt het stengelaaltje. Een bijkomend voordeel van deze methode is dat hiermee niet goed gerooide bollen eveneens doodgaan, waarmee opslag (zoals krokussen tussen de tulpen) wordt voorkomen. Resultaat Omdat de ontsmetting met kwikbaden na 1980 niet meer wordt toegepast, laten we een verdere uitwerking hiervan in dit project buiten beschouwing. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

52 3.3 Landbouw in de Wieringermeer en Haarlemmermeer Bodemgeschiktheid voor reguliere teelt en duurzame streekgebonden landbouw De bodemgeschiktheidkaarten voor de Wieringermeer en Haarlemmermeer volgens de kwalitatieve en kwantitatieve methode zijn in bijlage 11 tot en met bijlage 28 opgenomen. Met name in het zuiden van de Wieringermeerpolder is op de geschiktheidskaarten heel mooi het krekenpatroon (zie ook de bodemkaart) terug te vinden. In Tabel 30 is een samenvatting met de oppervlaktes per bodemgeschiktheid voor akkerbouw (WIB-C) weergegeven. Tabel 30: Oppervlaktes per bodemgeschiktheid voor akkerbouw volgens de kwalitatieve methode (WIB-C). Bodemgeschiktheid Oppervlakte (ha) (%) 1 Gronden met ruime mogelijkheden Kleivruchtwisseling; hoog opbrengstniveau; weinig teeltrisico; goed 16,0 1.1 berijdbaar en bewerkbaar 6702,8 Kleivruchtwisseling; matig tot hoog opbrengstniveau; enig teeltrisico; 44,5 1.2 ten dele beperkt berijdbaar en bewerkbaar 18584,9 Zandvruchtwisseling; hoog opbrengstniveau; weinig teeltrisico; goed 1,7 1.3 berijdbaar en bewerkbaar 724,7 Zandvruchtwisseling; matig tot hoog opbrengstniveau; enig teeltrisico; 1,1 1.4 ten dele beperkt berijdbaar; goed bewerkbaar 468,5 2 Gronden met beperkte mogelijkheden 2.1 Vrij groot teeltrisico; veelal beperkt berijdbaar 1268,4 3,0 2.2 Vrij groot teeltrisico; beperkt bewerkbaar 2635,4 6,3 2.3 Vrij groot teeltrisico; vochttekort 2673,7 6,4 3 Gronden met weinig mogelijkheden 3.1 Zeer groot teeltrisico; zeer beperkt bewerkbaar of berijdbaar 2873,2 6,9 3.2 Zeer groot teeltrisico; groot vochttekort 107,7 0,3 3.3 Zeer groot teeltrisico; overstromingsgevaar 19,5 0,0 No data 5704,4 13,7 Totaal 41763,2 100,0 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

53 In Tabel 31 is een samenvatting met de oppervlaktes per bodemgeschiktheid voor tuinbouw (WIB-C) weergegeven. Tabel 31: Oppervlaktes per bodemgeschiktheid voor tuinbouw volgens de kwalitatieve methode (WIB-C). Bodemgeschiktheid 1 Gronden met ruime mogelijkheden Oppervlakte (ha) (%) Weinig teeltrisico. Weinig of geen tekortkomingen. Vele vormen van tuinbouw kunnen op deze gronden met succes worden uitgeoefend. 8614,2 Weinig teeltrisico voor enkele vormen van tuinbouw; voor de overige een matig teeltrisico door een minder goede bewerkbaarheid of slempgevoeligheid. Voor de teelt van pit- en steenvruchten is dit niet bezwaarlijk, voor vele andere vormen daarentegen wel. Gronden met een storing in de verticale waterbeweging behoren ook tot deze klasse ,7 20,6 30,4 2 Gronden met beperkte mogelijkheden Matig teeltrisico door wateroverlast in natte jaren, enig vochttekort in droge jaren. Tot deze klasse behoren ook gronden met een storing in de verticale waterbeweging, slempgevoeligheid of een minder goede bewerkbaarheid. 3928,2 Matig teeltrisico voor enkele vormen van tuinbouw; voor de overige vormen zeer groot teeltrisico. Tot deze klasse behoren ook gronden met meer dan een storing in de verticale waterbeweging, slempgevoeligheid of een minder goede bewerkbaarheid. 7630,4 9,4 18,3 3 Gronden met weinig mogelijkheden Zeer sterk beperkt door wateroverlast of een (groot) vochttekort. 3200,3 7,7 No data 5704,4 13,7 Totaal 41763,2 100, Bodemgeschiktheid voor biologische teelt De bodemgeschiktheidsclassificatie voor biologische teelt sluit aan bij de classificatie voor gangbare teelt. Voor de biologische tuinbouw en akkerbouw zijn de slempgevoeligheid en verkruimelbaarheid van groot belang voor de bodemstructuur in verband met de doorwortelbaarheid en opname van voedingsstoffen. Bij biologische akkerbouw is ook de bodemvruchtbaarheid van belang. Door een goede bodemstructuur zal het aantal regenwormen in omvang toenemen, wat een positief effect heeft op de bodemvruchtbaarheid Teeltrisico s in de Wieringermeer en Haarlemmermeer Verziltingsgevoeligheid Bron De gebruikte chloridenkaart (verziltingskaart) is samengesteld door Deltares (contactpersoon: Esther van Baaren). Het betreft een zogenaamde chloridenkaart onderkant deklaag (C_od_ref_t2z; grove indicatie: resolutie van 1*1 km 2, Deltares [1] t/m [3]). De chloridenkaart onderkant deklaag geeft de volgende vier klassen (mg Cl/l) weer: 0-300; ; ; >3000. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

54 Begin volgend jaar heeft Deltares een concept versie van het zoetzout NHI model. Dit is een landsdekkend dichtheidsafhankelijk grondwatermodel (stroming van grondwater en transport van chloride in het grondwater) met een resolutie van 250*250 m 2. Probleem Zoute kwel komt met name voor in de wat dieper gelegen poldergebieden met lage oppervlaktewaterpeilen. Door het peilverschil tussen de polder en de Noordzee treedt het van nature aanwezige zoute water uit de diepere ondergrond in sloten aan de oppervlakte. De intensiteit van de kwelstroom (zoutbezwaar) is het grootst waar in die lagere gebieden geen of slechts een dunne deklaag aanwezig is of waar de deklaag is doorsneden door watergangen. Voor zover zout polderwater wordt uitgemalen naar de boezem verhoogt dit ook het zoutgehalte van het boezemwater, hetgeen de kwaliteit van het elders weer in te laten boezemwater niet ten goede komt. Waterschappen/hoogheemraadschappen monitoren het chloridengehalte op vaste meetpunten. Tevens hebben zij vaak een doorspoelbeleid om het chloridengehalte in het oppervlaktewater te verlagen. Voor alle genoemde gewassen mag de zoutconcentratie in het bodemvocht (en dus ook in het beregeningswater) niet te hoog worden. Bij een te hoge zoutconcentratie neemt de opbrengst af, met name doordat de gewassen dan te weinig water kunnen opnemen. Beregening met zout water op wat zwaardere grond kan tevens in combinatie met de neerslag een slechte structuur van de grond opleveren, door dispergeren van de kleideeltjes door de afwisseling van zout(brak)water en zoet regenwater. Grenzen zouttolerantie in literatuur In het algemeen is de opbrengstreductie recht evenredig met de zoutconcentratie. De mate waarin opbrengstreductie optreedt, is echter ook afhankelijk van het gewas en van andere omstandigheden zoals concentraties van andere stoffen, kwel/wegzijging en meteorologische omstandigheden. Als grens voor zoutbezwaar van zowel gras- als bouwland wordt in het algemeen 600 mg Cl per liter gehanteerd (Huinink et al. 1998). Deze algemene grens is echter niet voldoende nauwkeurig, omdat in dit project gewasteelten met sterk uiteenlopende zouttoleranties worden beschreven. Bij aardappelen of suikerbieten bijvoorbeeld is bij een zoutgehalte van 3000 mg Cl per liter 10% opbrengstderving vastgesteld. Granen krijgen pas serieuze problemen boven de 6000 mg Cl per liter. Aan de andere kant zijn er ook groenten, zoals sla, die bij lagere concentraties al opbrengstdepressies vertonen; dit geldt eveneens voor maïs. De omvang van het bezwaar is echter -zoals reeds gezegd- sterk afhankelijk van de interactie met andere stoffen, maar deze koppeling wordt hier buiten beschouwing gelaten. Als beregening nodig is, moet een afweging worden gemaakt tussen mogelijke droogteschade of zoutschade. In Brouwer et al. (2003) zijn per gewas de volgende maximale zoutgehaltes (mg Cl/l) voor beregeningswater gehanteerd: Grasland: 1000; Snijmaïs: 300; Aardappelen: 600; Granen: 1000; Suikerbieten: 1000; Bloembollen (met name lelies en tulpen): 600; Zomergroenten: 300; Wintergroenten: december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

55 De grenzen van de zouttolerantie voor bloembollen berusten in dit overzicht op aannames en zijn (nog) niet geverifieerd aan de hand van literatuur. Toepassing Doordat de chloridenkaart van Deltares vier klassen (mg Cl/l) onderscheidt hebben we de volgende praktische onderverdeling aangebracht: 0-300: geen probleem : probleem bij snijmaïs, bouwland, tuinbouw, aardappelen, (zomer-, winter- en blad-) groenten, bloembollen; : probleem bij eerder genoemde gewassen en gras, granen, suikerbieten; >3000: altijd probleem. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

56 4 LITERATUUR Albers, H.T.M.P., Een onderzoek naar de verslemping van zeekleigronden. Rapport Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. Bodemkaart, Bodemkaart van Nederland, schaal 1 : ; toelichting bij de kaartbladen 9 West Texel (gedeeltelijk)-14 West Medemblik, Blad 14 Oost Medemblik -15 West Stavoren(Noordhollandse gedeelte) en blad 19 West Alkmaar. Wageningen, Stichting voor Bodemkartering Bodemkaart van Nederland. Algemene begrippen en indelingen, 3e herziene uitgave. Wageningen, Stichting voor Bodemkartering (STIBOKA) Buishand, T.A., Het verloop van het potentiële neerslagoverschot in een zomerhalfjaar van een bepaalde droogtegraad. Cultuurt. Tijdschrift 22: p Brouwer, F. J.A.M. ten Cate en A. Scholte, Bodemgeografisch onderzoek in Landinrichtingsgebieden; Bodemvorming, methoden en begrippen. Wageningen, DLO-Staring Centrum, rapport 157. Brouwer, F., H.L. Boogaard & R.C.M. Merkelbach, 2003.Waterkansenkaarten voor de functie Landbouw; Een methode voor het vaststellen van geschiktheden en kwetsbaarheden van relevante gewasteelten voor Noord-Nederland. Wageningen, Alterra, Rapport 692. Brouwer, F. J.T.M. Huinink, Opbrengstdervingpercentages voor combinaties van bodemtypen en grondwatertrappen: Geactualiseerde help-tabellen en opbrengstdepressiekaarten. Wageningen, Alterrarapport 429 Cate, J.A.M. ten, A. van Holst, H. Kleijer en J. Stolp, Handleiding Bodemgeografisch Onderzoek; Deel D: Interpretatie van bodemkundige gegevens voor diverse vormen van bodemgebruik Technisch Document 19D. Wageningen, DLO-Staring Centrum. Dam, J.G.C. van en W. van der Knaap, Invloed van de grond op de teeltresultaten van tulpen. Rapport 908. Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. Deneer, J.W., A.M.A. van der Linden, R. Luttik, en R.A. Smidt, An environmental indicator used on national and regional scales for evaluating pesticide emissions in the Netherlands. Proc of the XII Symposium Pesticide Chemistry, Piacenza, Haans, J.C.F.M. (red.), De interpretatie van bodemkaarten; rapport van de Werkgroep Interpretatie Bodemkaarten, stadium C. Rapport Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. Help-tabel werkgroep De invloed van de waterhuishouding op de landbouwkundige productie. Utrecht, Mededelingen landinrichtingsdienst nr 176 Houben, J.M.M.Th., Bodemgesteldheid en diepte van beworteling. Rapport Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

57 Huinink, J., F. Verstraten, J. Jansen, M. Mooij, L. Beyer en A, van der Wees, Het economisch belang van water in de landbouw. Wageningen, IKC-L. Publicatie 137. Kruijne, R., R.C.M. Merkelbach en J.G. Groenwold, Regionale toets van de Nationale Milieu Indicator in het Noord-Hollands Zandgebied. Wageningen, WUR-Alterra, Rapport 1517, 118 p. Kuhlman et al. Landbouwperspectieven in Noord-Holland tot Bouwstenen voor de structuurvisie van de provincie. LEI-rapport [2] Kwadijk, J., Vuren, van, S. Verhoeven, G., Oude Essink, G., Snepvangers, J. & Calle, E. 2007, Gevolgen van grote zeespiegelstijging op de Nederlandse zoetwaterhuishouding, i.o.v. Milieu en Natuurplan Bureau. Deltares-rapport, Q4394, 73 p. Linden van der, A.M.A, R. Luttik, J.G. Groenwold en R. Kruijne. Sensitivity and uncertainty analyses of the Dutch Environmental Indicator for pesticides. RIVM report /2008. Linden van der, A.M.A, R. Luttik, J.G. Groenwold, R. Kruijne en R.C.M. Merkelbach Dutch Environmental Indicator for plant protection products, version 2. Input, calculation and aggregation procedures. RIVM report /2008. Linden van der, A.M.A., Deneer J.W., Luttik R., Smidt R.A., Dutch Environmental Indicator for Plant Protection Products - Description of input data and calculation methods. Bilthoven, RIVM Rapport (NMI versie 1) Linden van der, A.M.A., Durand A., Zijp M., Reijnders H, Occurrence of pesticides in groundwater bodies in the Netherlands. In: A.A.M. Del Re, E. Capri, G. Fragoulis, M. Trevisan (eds). Environmental fate and ecological effects of pesticides. Proceedings XIII Symposium Pesticide Chemistry. Italy, Piacenza, September 3-6, p Linden van der, A.M.A., H.F.R. Rijnders, M.C. Zijp en A.M. Durand-Huiting, Residuen van gewasbeschermingsmiddelen in het grondwater. Een analyse voor de KRW. RIVM rapport /2007 (Concept) Linden van der, A.M.A., P. van Beelen, G.A. van den Berg, M. de Boer, D.J. van der Gaag, J.G. Groenwold, J.F.M. Huijsmans, D.F. Kalf, S.A.M. de Kool, R. Kruijne, R.C.M. Merkelbach, G.R. de Snoo, R.A.N. Vijftigschild, M.G. Vijver, A.J. van der Wal, Evaluatie duurzame gewasbescherming 2006: milieu. RIVM, Bilthoven, Rapport Nie de, D.S., Emissie-evaluatie MJP-G 2000; Achtergronden en berekeningen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen, Bilthoven, RIVM Rapport [1] Oude Essink, G.H.P., Baaren, E.S., van, Verzilting van het Nederlandse Grondwatersysteem. Deltares 2009-U-R91001, 24 p. Overvest, J. en A.F. Laeven-Kloosterman, Graslandgebruiksystemen op het gezinsbedrijf. P.R.-publ. nr. 26. Lelystad. Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

58 PAGV, Kwantitatieve informatie voor de akkerbouw en de groenteteelt in de Vollegrond. Bedrijfssynthese Publ. nr. 33. Lelystad, PAGV. Wösten, J.H.M., G.J. Veerman en J. Stolte, Waterretentie- en doorlatendheidskarakteristieken van boven- en ondergronden in Nederland: De Staringreeks. Technisch Document 18. Wageningen, DLO- Staring Centrum. Rutgers, M., Mulder, C Typeringen van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit, RIVM Rapport /2007. Sluijs, P. van der en H.C. van Heesen, Veranderingen in de berekeningen van de GHG en GLG. Landinrichting 29. p Someren, van, M., H., mei De kwel- en infiltratiekaart van Noord-Holland. Wijk aan Zee, PROV-007.DEF. Stolp, J. en H.R.J. Vroon, Een snelle methode voor het brekenen van kritieke z-afstanden en verzadigingstekorten bij twee fluxen (2 en 1 mm/dag) in gelaagde bodemprofielen tijdens de veldopname. Interne mededeling nr. 92. Wageningen, DLO-Staring Centrum. [3] Stuurman, R., Baggelaar, P., Berendrecht, W., Buma, J., Louw, P., de, Oude Essink, G., 2008, Toekomst van de Nederlandse grondwatervoorraad in relatie tot klimaatverandering. Deltares rapport, i.o.v VROM, 2008-U-R0074/B, 85 p. Vis, T. en H.G.M. Geenen, Plasvorming op kampeerterreinen en geschiktheid van de bodem voor intensief recreatief gebruik. Interne mededeling nr. 6. Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

59 5 COLOFON Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI Opdrachtgever : Provincie Noord-Holland Project : Pilotproject bodeminformatie landbouw Dossier : C Omvang rapport : 55 pagina's Auteur : Fokke Brouwer Bijdrage : Javier Gallero, Martine ten Kate Interne controle : Simon Moolenaar Projectleider : Javier Gallero Projectmanager : Radboud Ammerlaan Datum : 4 december 2009 Naam/Paraaf : Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw 4 december 2009, versie 4 FJ-GI

60 4 december 2009, versie 4 Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw FJ-GI

61 Ruimte en Mobiliteit Laan 1914 nr EX Amersfoort Postbus BC Amersfoort T (033) F (033) E [email protected]

62

63 BIJLAGEN Provincie Noord-Holland/Pilotproject bodeminformatie landbouw bijlage 0 FJ-GI

64

Aanvulling. Dictaat Inleiding Bodem. Voor versie Bodem en Water 1 (LAD-10806) Bodem en Water II (AEW-21306) Oktober 2010.

Aanvulling. Dictaat Inleiding Bodem. Voor versie Bodem en Water 1 (LAD-10806) Bodem en Water II (AEW-21306) Oktober 2010. Aanvulling Dictaat Inleiding Bodem Voor versie 2009 Bodem en Water 1 (LAD-10806) Bodem en Water II (AEW-21306) Oktober 2010 Inhoud - Figuur 8.8.2.5-2 in Bijlage 8.8-1 Vaststelling gradatie vochtleverend

Nadere informatie

Bodem en bomen Everhard van Essen

Bodem en bomen Everhard van Essen Bodem en bomen Everhard van Essen Aequator Groen & Ruimte bv Even voorstellen Aequator Groen & Ruimte bv 2 Opzet presentatie Wat bepaald de geschiktheid van de bodem voor de boom? Wat weten we over de

Nadere informatie

Bodem en Water, de basis

Bodem en Water, de basis Bodem en Water, de basis Mogelijkheden voor verbeteringen 5 febr 2018 Aequator Groen & Ruimte bv Het jaar 2017 April tot 30 juni April tot sept Aequator Groen & Ruimte bv 2 Jaar 2017 2017 Zomer warmer

Nadere informatie

Landbouwkundig belang van een goede waterhuishouding Everhard van Essen Jan van Berkum

Landbouwkundig belang van een goede waterhuishouding Everhard van Essen Jan van Berkum Landbouwkundig belang van een goede waterhuishouding Everhard van Essen Jan van Berkum Aequator Groen & Ruimte bv Opzet presentatie Wat is het belang van een goede waterhuishouding? Wat is een optimale

Nadere informatie

Bodemgeschiktheid 'Uden-Veghel'

Bodemgeschiktheid 'Uden-Veghel' Bodemgeschiktheid 'Uden-Veghel' 1.1 Methode Voor hèt gebied 'Uden-Veghel' (API A50) is de bodemgeschiktheid voor weide-, akker-, en tuinbouw bepaald. De methode waarmee de geschiktheid voor weide-, akker-

Nadere informatie

Inrichtingsplan Sarsven en de Banen

Inrichtingsplan Sarsven en de Banen Inrichtingsplan Sarsven en de Banen Toelichting op de bodemgeschiktheidskaart ex artikel 52 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied Juncto artikel 15 t/m 20 van de Regeling Inrichting Landelijk Gebied 25

Nadere informatie

Masterclass Fruitteelt

Masterclass Fruitteelt Masterclass Fruitteelt Voelen van de bodem 21 maart 2013, Henk van Reuler en Ton Baltissen Wat is een bodem? Buitenste deel van de aardkorst waar de plantenwortels zich in bevinden, 1 2 m Bodem bestaat

Nadere informatie

Grondsoort en grondprijs

Grondsoort en grondprijs Grondsoort en grondprijs November 2016 Huib Silvis, Martien Voskuilen (Wageningen Economic Research) Paul Peter Kuiper (Kadaster) en Everhard van Essen (Aequator) Grondpercelen met lichte en zware zavel

Nadere informatie

Bodemkunde. Datum: vrijdag 24 juni 2016 V 2.1. V3.1 V4.1

Bodemkunde. Datum: vrijdag 24 juni 2016 V 2.1. V3.1 V4.1 Bodemkunde Datum: vrijdag 24 juni 2016 V 2.1. V3.1 V4.1 Bodems en hun eigenschappen 3 Bodems en hun eigenschappen Opdracht: - Zoek op wat het bodemprofiel is waar je zelf woont / werkt / stage loopt 4

Nadere informatie

Achtergrond rapportage beleidsregel toepassen van drainage in attentiegebieden. Juni 2011

Achtergrond rapportage beleidsregel toepassen van drainage in attentiegebieden. Juni 2011 Achtergrond rapportage beleidsregel toepassen van drainage in attentiegebieden Juni 2011 Achtergrond van de lagen benadering De oorsprong van de lagenbenadering moet gezocht worden in de negentiende eeuw,

Nadere informatie

Projectnummer: C01012.100139.0400/LB. Opgesteld door: Tristan Bergsma. Ons kenmerk: 078572453:0.2. Kopieën aan: Cees-Jan de Rooi (gd)

Projectnummer: C01012.100139.0400/LB. Opgesteld door: Tristan Bergsma. Ons kenmerk: 078572453:0.2. Kopieën aan: Cees-Jan de Rooi (gd) MEMO ARCADIS NEDERLAND BV Beaulieustraat 22 Postbus 264 6800 AG Arnhem Tel 026 3778 911 Fax 026 4457 549 www.arcadis.nl Onderwerp: Beknopte watersysteemanalyse de Knoop, Doetinchem Arnhem, 29 juli 2015

Nadere informatie

: SAB Prinses Margrietlaan Best Betreft : Watertoets ontwikkeling Prinses Margrietlaan nabij nr. 24

: SAB Prinses Margrietlaan Best Betreft : Watertoets ontwikkeling Prinses Margrietlaan nabij nr. 24 Logo MEMO Aan : Henrike Francken Van : Michiel Krutwagen Kopie : Dossier : BA1914-112-100 Project : SAB Prinses Margrietlaan Best Betreft : Watertoets ontwikkeling Prinses Margrietlaan nabij nr. 24 Ons

Nadere informatie

Verkennend onderzoek naar bodemverdichting

Verkennend onderzoek naar bodemverdichting Verkennend onderzoek naar bodemverdichting December 2017 E. van Essen en W. Harder Aequator Groen & Ruimte 1 Inleiding Deskstudies (o.a. Akker et al., 2014) wijzen naar grote problemen met verdichting

Nadere informatie

Bodem & Klimaat. Op weg naar een klimaatbestendig bodembeheer

Bodem & Klimaat. Op weg naar een klimaatbestendig bodembeheer Bodem & Klimaat Op weg naar een klimaatbestendig bodembeheer Jaartemperaturen en warmterecords in De Bilt sinds het begin van de metingen in 1706 Klimaatverandering KNMI scenarios Zomerse dagen Co de Naam

Nadere informatie

Limburg Waterproof Klimaat, water en landbouw

Limburg Waterproof Klimaat, water en landbouw Limburg Waterproof Klimaat, water en landbouw Provincie Limburg Maastricht, 14 september 216 Joris Schaap, Profiel 214 heden Zelfstandig hydroloog en bodemkundige 28-214 Adviseur water in het landelijk

Nadere informatie

Dienst Landbouw Voorlichting (teruggaand tot voor 1900) Aequator Groen & Ruimte bv 3

Dienst Landbouw Voorlichting (teruggaand tot voor 1900) Aequator Groen & Ruimte bv 3 Groenbemesters, goed voor grond, boer en waterbeheerder Bodemverdichting Everhard van Essen Aequator Groen & Ruimte bv Even voorstellen Aequator Groen & Ruimte bv 2 1 Waar komen we vandaan? Dienst Landbouw

Nadere informatie

1 Grond Bodem Minerale bestanddelen Organische bestanddelen De verschillende grondsoorten 16 1.

1 Grond Bodem Minerale bestanddelen Organische bestanddelen De verschillende grondsoorten 16 1. Inhoud Voorwoord 5 Inleiding 6 1 Grond 9 1.1 Bodem 9 1.2 Minerale bestanddelen 11 1.3 Organische bestanddelen 13 1.4 De verschillende grondsoorten 16 1.5 Afsluiting 17 2 Verzorging van de bodem 19 2.1

Nadere informatie

Ontwikkeling en beheer van natuurgraslanden in Utrecht: Nat schraalland

Ontwikkeling en beheer van natuurgraslanden in Utrecht: Nat schraalland Provincie Utrecht, afdeling FLO, team NEL, 5 februari 2015 Nat is zeer laagproductief hooiland op natte, onbemeste, basenrijke veen- en zandgrond dat gewoonlijk een keer per jaar worden gemaaid in de nazomer.

Nadere informatie

Grondwaterstanden juni 2016

Grondwaterstanden juni 2016 Grondwaterstanden juni 2016 Kennisvraag: In beeld brengen van de grondwatersituatie zoals die buiten geweest is. Antwoord: op vrijwel alle meetlocaties waar analyse mogelijk was komt de maximale waterstand

Nadere informatie

14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw Kenmerk N001-4524746BTM-V01 06-12-2007

14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw Kenmerk N001-4524746BTM-V01 06-12-2007 14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw 06-12-2007 Notitie Concept Contactpersoon Maaike Bevaart Datum 6 december 2007 Geohydrologie Zuidbuurt Eemnes 1 Inleiding Ter voorbereiding op de ontwikkeling van

Nadere informatie

Handboek Melkveehouderij 2014

Handboek Melkveehouderij 2014 1 Bodem en water 1.1 Bodemkundige indeling... 1-2 1.1.1 Korrelgrootteklassen en -verdelingen... 1-2 1.1.2 Indeling naar organische stofgehalte... 1-3 1.1.3 Dichtheid van de grond... 1-4 1.2 Draagkracht

Nadere informatie

Watersysteem rond 1900 Kaart 9a GHG. A4P Grontmij Nederland bv Alle rechten voorbehouden. Legenda GHG. Hydrologisch onderzoek de Zumpe

Watersysteem rond 1900 Kaart 9a GHG. A4P Grontmij Nederland bv Alle rechten voorbehouden. Legenda GHG. Hydrologisch onderzoek de Zumpe GHG boven maaiveld 0.00-0.10 0.10-0.25 0.25-0.50 0.50-0.75 0.75-1.00 1.00-1.50 1.50-2.00 > 2.00 m beneden maaiveld Kaart 9a GHG Map Document: P:\258828\Water\05_GIS\prj\kaart_09a...mxd) Effect GHG 0,30-0,40

Nadere informatie

Fysische eigenschappen

Fysische eigenschappen Fysische eigenschappen Fysische bodemkengetallen - structuur - - Hoe snel is de grond te berijden - Hoe snel verslempt de grond - Hoe groot is de doorwortelbaarheid - Storende laag/ploegzool - Watervasthoudend

Nadere informatie

Eiwitgewassen. Voordelen luzerne. Nadelen luzerne 1/14/2016. Luzerne Rode klaver Lupine Veldbonen Soja. Eiwitrijke gewassen

Eiwitgewassen. Voordelen luzerne. Nadelen luzerne 1/14/2016. Luzerne Rode klaver Lupine Veldbonen Soja. Eiwitrijke gewassen Eiwitgewassen Eiwitrijke gewassen Luzerne Rode klaver Lupine Veldbonen Soja Voordelen luzerne Nadelen luzerne Positief effect op bodemstructuur Droogteresistent door diepe beworteling Nalevering N: 60

Nadere informatie

Bodembenutting belangrijk gegeven voor bedrijfsbenutting

Bodembenutting belangrijk gegeven voor bedrijfsbenutting Bodembenutting belangrijk gegeven voor bedrijfsbenutting DE BODEM ONDER EEN VRUCHTBARE KRINGLOOP Nick van Eekeren DMS Vertrekpunt grondsoort Welke grondsoort zit u? Zie ook bodemdata.nl Losser 101 Veldpodzolen.

Nadere informatie

Kaart 1 Overzichtskaart. Legenda. Duurswold. Veenkoloniën. Hunze. Drentse Aa. Peilbesluit Paterswolde en stad Groningen

Kaart 1 Overzichtskaart. Legenda. Duurswold. Veenkoloniën. Hunze. Drentse Aa. Peilbesluit Paterswolde en stad Groningen Duurswold Veenkoloniën Hunze Drentse Aa Peilbesluit en stad Kaart 1 Overzichtskaart 0 500 1.000 2.000 3.000 4.000 Schaal: 1:100.000 Datum: 4-11-2014 O:\Peilbesluit\Pr ojects\_stad groningen\kaarten 1646

Nadere informatie

Zwaartevan degronden stikstofbehoefte van suikerbieten

Zwaartevan degronden stikstofbehoefte van suikerbieten ^v^tffâv^^^ IR ',-A- GROOTENHUIS Zwaartevan degronden stikstofbehoefte van suikerbieten ^ it. c/ 3 r ' * * ' ^ " / ; ^3 %* 3 Uit onderzoekingen, verricht door Den Bakker en Ferrari in 1958 en 1959, bleek

Nadere informatie

Naar een klimaatbestendige bodem

Naar een klimaatbestendige bodem Naar een klimaatbestendige bodem Jeroen Willemse Delphy BV Water op het land 1 Sporen van mest uitrijden Sporen van grond klaarmaken 2 Sporen van het poten Banen in het land 3 Extreme regenval in het voorjaar

Nadere informatie

Efficiëntie van beregening

Efficiëntie van beregening Efficiëntie van beregening Jan van Bakel Martin Mulder 8-5-2019 1 Indeling presentaie Inleiding Definitie van efficiëntie Beregeningsverliezen SWAP-WOFOST-berekeningen Resultaten Discussie Conclusies 8-5-2019

Nadere informatie

De projectlocatie ligt globaal op de coördinaten: X = 140.650 en Y = 447.600.

De projectlocatie ligt globaal op de coördinaten: X = 140.650 en Y = 447.600. Bijlage I Technische beoordeling van de vergunningsaanvraag van Ontwikkelingsverband Houten C.V. voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van de bouw van een parkeerkelder onder het nieuw realiseren

Nadere informatie

2 Aanleggen van beplanting Planten van houtige tuinplanten Planten van kruidachtige tuinplanten Afsluiting 46

2 Aanleggen van beplanting Planten van houtige tuinplanten Planten van kruidachtige tuinplanten Afsluiting 46 Inhoud Voorwoord 5 Inleiding 6 1 Grondwerk en grondbewerking 9 1.1 Redenen voor grondbewerking 9 1.2 Bodemprofiel belangrijk 9 1.3 Ideale toestand 10 1.4 Niet slechter dan voorheen 10 1.5 Machines voor

Nadere informatie

BODEMONDERZOEK GROEI- LOCATIE GLASTUINBOUW KLEINE HEITRAK, ASTEN

BODEMONDERZOEK GROEI- LOCATIE GLASTUINBOUW KLEINE HEITRAK, ASTEN Bijlage 2 bij de toelichting BODEMONDERZOEK GROEI- LOCATIE GLASTUINBOUW KLEINE HEITRAK, ASTEN i BODEMONDERZOEK GROEILOCATIE GLASTUINBOUW KLEINE HEITRAK, ASTEN In opdracht van: Tuinbouw Ontikkelings Maatschappij

Nadere informatie

Bodems en hun eigenschappen

Bodems en hun eigenschappen Hoofdstuk 1 Bodems en hun eigenschappen De Nederlandse landbouw is divers. Akkerbouw, groenteteelt, gras, maïs, fruit en bollen wisselen elkaar af in landschappen met een uiteenlopend karakter. Dit is

Nadere informatie

Organische stof Impact op waterhuishuishouding

Organische stof Impact op waterhuishuishouding Landbouw & Waterkwaliteit Organische stof Impact op waterhuishuishouding 26 januari 2018 Gerard H. Ros Nutriënten Management Instituut Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Wageningen Universiteit Gerard Ros

Nadere informatie

Waterwijzer Landbouw. Mirjam Hack en Ruud Bartholomeus, namens consortium 29 juni 2017

Waterwijzer Landbouw. Mirjam Hack en Ruud Bartholomeus, namens consortium 29 juni 2017 Waterwijzer Landbouw Mirjam Hack en Ruud Bartholomeus, namens consortium 29 juni 2017 Waterwijzer Landbouw: een klimaatrobuust instrument voor het bepalen van effecten van veranderend waterbeheer op landbouwopbrengsten

Nadere informatie

De positieve kant van onkruid Boomkwekerij Hans Puijk - Vlamings

De positieve kant van onkruid Boomkwekerij Hans Puijk - Vlamings De positieve kant van onkruid Boomkwekerij 13-02-2016 Hans Puijk - Vlamings Inhoud Bodem, balans en elementen (herh) Bewerkingen en bodem management Wat zeggen onkruiden op het perceel Uitbreiding, nieuw

Nadere informatie

Kansen voor NKG op zand

Kansen voor NKG op zand Kansen voor NKG op zand Sander Bernaerts DLV plant 14 juni Vessem NKG Niet Kerende Grondbewerking betekent het systematisch vermijden van intensief kerende of mengende grondbewerking en het zoveel mogelijk

Nadere informatie

Nederlandse droogteperiodes vanaf 1906 in beeld Bart Vreeken, Logboekweer.nl

Nederlandse droogteperiodes vanaf 1906 in beeld Bart Vreeken, Logboekweer.nl Nederlandse droogteperiodes vanaf 1906 in beeld Bart Vreeken, Logboekweer.nl 6 augustus 2018 Dit is een voorlopige versie. De methode kan nog verbeterd en de droogte van 2018 is nog niet ten einde. Commentaar

Nadere informatie

De organische stof balans: nuttig instrument voor bouw- èn grasland. NMI, Marjoleine Hanegraaf. Opstellen van een balans. Principe van een OS- balans

De organische stof balans: nuttig instrument voor bouw- èn grasland. NMI, Marjoleine Hanegraaf. Opstellen van een balans. Principe van een OS- balans De organische stof balans: nuttig instrument voor bouw- èn grasland. NMI, Marjoleine Hanegraaf Principe van een OS- balans Het doel van een OS-balans is handhaven van het organische stofgehalte. Aanvoerbronnen

Nadere informatie

BODEMOPBOUW EN INFILTRATIECAPACITEIT VLASSTRAAT/BRIMWEG, SOMEREN

BODEMOPBOUW EN INFILTRATIECAPACITEIT VLASSTRAAT/BRIMWEG, SOMEREN BODEMOPBOUW EN INFILTRATIECAPACITEIT VLASSTRAAT/BRIMWEG, SOMEREN i BODEMOPBOUW EN INFILTRATIECAPACITEIT VLASSTRAAT/BRIMWEG, SOMEREN-EIND RESULTATEN VELDWERK EN INFILTRATIEBEREKENINGEN Uitgebracht aan:

Nadere informatie

Landgebruik en bodemkwaliteit Jan de Wit Nick van Eekeren

Landgebruik en bodemkwaliteit Jan de Wit Nick van Eekeren Landgebruik en bodemkwaliteit 60-20 - 20 Jan de Wit Nick van Eekeren Grasland Bouwland Huidige landbouwontwikkeling naar controle just in time, precisiebemesting,. Dit vraagt ook om risico-beheersing,

Nadere informatie

Visie Water en Ruimtelijke Ontwikkeling bijlage 1

Visie Water en Ruimtelijke Ontwikkeling bijlage 1 Visie Water en Ruimtelijke Ontwikkeling bijlage 1 Kaarten Waterbelangen DM: 303052 1 Wateropgaven 2015 / 2027 Kaart 1. Gebieden met een WB21 wateropgave In 2005 is een studie wateropgave uitgevoerd (conform

Nadere informatie

Gebruikersmiddag Waterwijzer Landbouw

Gebruikersmiddag Waterwijzer Landbouw Gebruikersmiddag Waterwijzer Landbouw Martin Mulder, Marius Heinen, Jan van Bakel, Mirjam Hackten Broeke ea. 7 februari 2019 Inhoud: Waterwijzer Landbouw Toepassing Waterwijzer Landbouw Veel gestelde vragen

Nadere informatie

Grondwater beïnvloedt kwaliteit Limburgse beken

Grondwater beïnvloedt kwaliteit Limburgse beken Grondwater beïnvloedt kwaliteit Limburgse beken Resultaten WAHYD Hoe zit het in elkaar: afkijken bij Noord-Brabant In het onderzoeksproject WAHYD (Waterkwaliteit op basis van Afkomst en HYDrologische systeemanalyse)

Nadere informatie

EEN BETERE BODEM. Op goede gronden een gezonde groei. Inhoudsopgave

EEN BETERE BODEM. Op goede gronden een gezonde groei. Inhoudsopgave EEN BETERE BODEM Op goede gronden een gezonde groei Inhoudsopgave Over Heicom Onze producten Zand en grond Zuurstof Bodemverdichting Water lucht en poriën PF curve Eigenschappen van zand Normen ISA sport

Nadere informatie

Bijlage 1. Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek

Bijlage 1. Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bijlage 1 Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bijlagel Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bodemopbouw en Geohydrologie Inleiding In deze bijlage wordt

Nadere informatie

Achtergrondartikel grondwatermeetnetten

Achtergrondartikel grondwatermeetnetten Achtergrondartikel grondwatermeetnetten Wat is grondwater Grondwater is water dat zich in de ondergrond bevindt in de ruimte tussen vaste deeltjes, zoals zandkorrels. Indien deze poriën geheel met water

Nadere informatie

Rapport nr De bodemgesteldheid en bodemgeschiktheid voor akkerbouw van landbouwbedrijf J. Schoenmakers te Raamsdonksveer

Rapport nr De bodemgesteldheid en bodemgeschiktheid voor akkerbouw van landbouwbedrijf J. Schoenmakers te Raamsdonksveer BlB U()TlUr.:f^c Dro even.?:; -i, Po. -j 6? 00 Ai, V< Rapport nr. 1792 De bodemgesteldheid en bodemgeschiktheid voor akkerbouw van landbouwbedrijf J. Schoenmakers te Raamsdonksveer STICHTING VOOR BODEMKARTERING

Nadere informatie

Precies bemesten door meer meten!

Precies bemesten door meer meten! Precies bemesten door meer meten! 2 Hoe help ik mijn bodem zo goed mogelijk de vernieling in Bodemaspecten fysisch, b.v.: structuur (grondbewerking, bandenspanning, bekalking) grondsoort (egalisatie, mengwoelen,

Nadere informatie

Bodemgeschiktheidseisen stedelijk gebied

Bodemgeschiktheidseisen stedelijk gebied Bodemgeschiktheidseisen stedelijk gebied uit: Riet Moens / Bouwrijp maken http://team.bk.tudelft.nl/publications/2003/earth.htm Uit: Standaardgidsen (1999) 1.7.3 Uitwerking voor stedelijke functies De

Nadere informatie

Werken aan organische stof met melkveehouders. Het hoe en waarom? Nick van Eekeren

Werken aan organische stof met melkveehouders. Het hoe en waarom? Nick van Eekeren Werken aan organische stof met melkveehouders. Het hoe en waarom? Nick van Eekeren Inhoud Waarom werken aan organische stof? Maatregelen organische stof Hoe we dat proberen vorm te geven onder de Nederlandse

Nadere informatie

ACHTERGRONDDOCUMENT. Ontwikkelingsvisie en Beheerplan voor de landgoederen Nieuw- en Oud Amelisweerd en Rhijnauwen. Juni 2008

ACHTERGRONDDOCUMENT. Ontwikkelingsvisie en Beheerplan voor de landgoederen Nieuw- en Oud Amelisweerd en Rhijnauwen. Juni 2008 ACHTERGRONDDOCUMENT Ontwikkelingsvisie en Beheerplan voor de landgoederen Nieuw- en Oud Amelisweerd en Rhijnauwen Juni 2008 Inhoud deel I BASISGEGEVENS 1. Bodem, grondwater en hydrologie 2. Historie van

Nadere informatie

Bodemverdichting, een sluipend probleem. Jan van den Akker et al

Bodemverdichting, een sluipend probleem. Jan van den Akker et al Bodemverdichting, een sluipend probleem Jan van den Akker et al Inleiding Bodemfysische criteria Oorzaken Gevolgen Preventie Conclusies De volgende stap Opbouw voordracht Bodemfysische criteria (1) Pakkingsdichtheid

Nadere informatie

Inhoud. Optimalisatie van de productie van eigen grond is de kern van goed boeren. Functies. 1.Productie: Strengere bemestings normen

Inhoud. Optimalisatie van de productie van eigen grond is de kern van goed boeren. Functies. 1.Productie: Strengere bemestings normen BETERE BODEM- MEER GRAS-MEER MELK Inhoud grasland Relaties functies en bodemkwaliteit Zegveld November 213 Nick van Eekeren Kringloop op een melkveebedrijf 1.Productie: Strengere bemestings normen 13 Ton

Nadere informatie

Veenactualisatie Bodemkaart van Nederland Digitale Bodemkartering

Veenactualisatie Bodemkaart van Nederland Digitale Bodemkartering Veenactualisatie Bodemkaart van Nederland Digitale Bodemkartering Bas Kempen Symposium BIS2014 Wageningen, 14 Februari 2011 Inhoud Korte introductie: Bodemkaart van Nederland en noodzaak actualisatie Efficiënt

Nadere informatie

Beter Bodembeheer de diepte in

Beter Bodembeheer de diepte in Beter Bodembeheer de diepte in 6 april 2017 Nijkerk Partners in PPS Duurzame Bodem: LTO Nederland, NAV, Brancheorganisatie Akkerbouw (Penvoerder), Agrifirm, IRS, Suiker Unie, AVEBE, CZAV, NAO, Bionext

Nadere informatie

Teelthandleiding. 4.8 kalkbemesting

Teelthandleiding. 4.8 kalkbemesting Teelthandleiding 4.8 kalkbemesting 4.8 Kalkbemesting... 1 2 4.8 Kalkbemesting Versie: april 2016 Een goede ph (zuurgraad) van de bouwvoor is voor een goede groei van de biet belangrijk, vooral voor de

Nadere informatie

Waterbeheer en landbouw

Waterbeheer en landbouw Waterbeheer en landbouw Melkveehouderij in veenweidegebieden Bram de Vos (Alterra) Idse Hoving (Animal Sciences Group) Jan van Bakel (Alterra) Inhoud 1. Probleem 2. Waterpas model 3. Peilverhoging polder

Nadere informatie

Samenvatting peilvoorstellen en afwegingen

Samenvatting peilvoorstellen en afwegingen Samenvatting peilvoorstellen en afwegingen 14.52044 De peilvoorstellen en afwegingen van het ontwerp-peilbesluit voor de Zuid- en Noordeinderpolder worden hier gegeven. Dit ontwerppeilbesluit is opgesteld

Nadere informatie

Onderzoeksrapportage naar het functioneren van de IT-Duiker Waddenweg te Berkel en Rodenrijs

Onderzoeksrapportage naar het functioneren van de IT-Duiker Waddenweg te Berkel en Rodenrijs Notitie Contactpersoon ir. J.M. (Martin) Bloemendal Datum 7 april 2010 Kenmerk N001-4706565BLL-mya-V02-NL Onderzoeksrapportage naar het functioneren van de IT-Duiker Waddenweg te Berkel en Rodenrijs Tauw

Nadere informatie

Vernatten en akkerbouw? Olga Clevering (Praktijkonderzoek Plant en Omgeving) Bram de Vos en Francisca Sival (Alterra)

Vernatten en akkerbouw? Olga Clevering (Praktijkonderzoek Plant en Omgeving) Bram de Vos en Francisca Sival (Alterra) Vernatten en akkerbouw? Olga Clevering (Praktijkonderzoek Plant en Omgeving) Bram de Vos en Francisca Sival (Alterra) Inhoud Vormen van vernatten Modelberekeningen Veldexperimenten Conclusies en discussie

Nadere informatie

Plantenteelt maïs. Docent: Muhtezan Brkić

Plantenteelt maïs. Docent: Muhtezan Brkić Plantenteelt maïs Docent: Muhtezan Brkić Programma Vragen filmpje Snijmaïs veredeling Gebruiksvormen, ontwikkeling en kwaliteit van maïs Vragenlijst maïs als gewas Bodem, water en bouwplan Opstarten groepswerk

Nadere informatie

Het beste tijdstip om grasland te vernieuwen

Het beste tijdstip om grasland te vernieuwen Het beste tijdstip om grasland te vernieuwen Auteur Alex De Vliegher 16/04/2014 www.lcvvzw.be 2 / 7 INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave... 3 Wanneer grasland vernieuwen in het najaar? Wanneer in het voorjaar?...

Nadere informatie

Grondbewerking en brandstofbesparing. 9 februari 2015, Gerard Meuffels PPO Vredepeel

Grondbewerking en brandstofbesparing. 9 februari 2015, Gerard Meuffels PPO Vredepeel Grondbewerking en brandstofbesparing 9 februari 2015, Gerard Meuffels PPO Vredepeel BODEMSTRUCTUUR Waaraan voldoet een goede bodem Bron: SBU, 2002 Diepe sporen als gevolg van oogstwerkzaamheden Schade

Nadere informatie

Opdracht 1 Bodems en hun eigenschappen

Opdracht 1 Bodems en hun eigenschappen Opdracht 1 Bodems en hun eigenschappen Bekijk de Bodemkaart van Nederland op bladzijde 7 van Bodemsignalen. Maak een lijstje van grondsoorten die binnen een straal van ongeveer 50 km van je bedrijf voorkomen.

Nadere informatie

RENHEIDE OP PEIL Doel pilot Beoogde effecten Maatregelen

RENHEIDE OP PEIL Doel pilot Beoogde effecten Maatregelen Doel pilot GGOR: Gewogen Grondwater- en Oppervlaktewater Regime Verbetering waterhuishouding voor zowel landbouw als natuur Betere stuurbaarheid waterpeil in Buulder Aa Natuurlijker peilverloop (winter

Nadere informatie

Aanvulling ruimtelijke onderbouwing

Aanvulling ruimtelijke onderbouwing Aanvulling ruimtelijke onderbouwing Dijkversterking Spui Oost Gemeente Korendijk Waterschap Hollandse Delta 1 oktober 2013 definitief Aanvulling ruimtelijke onderbouwing Dijkversterking Spui Oost Gemeente

Nadere informatie

Bodem en bemesting in de bollenteelt Jan Bokhorst Yorick van Leeuwen Coen ter Berg

Bodem en bemesting in de bollenteelt Jan Bokhorst Yorick van Leeuwen Coen ter Berg Bodem en bemesting in de bollenteelt Jan Bokhorst Yorick van Leeuwen Coen ter Berg Verantwoording Deze brochure is geschreven in het kader van het project Bollen en Bodem dat liep van 2006 tot 2008 en

Nadere informatie

Potenties voor vegetaties van Natte duinvalleien in het plangebied Hanenplas

Potenties voor vegetaties van Natte duinvalleien in het plangebied Hanenplas reg.nr. 17.87199 17.100697 Potenties voor vegetaties van Natte duinvalleien in het plangebied Hanenplas 1. Hydrologie 1.1 Hydrologische voorwaarden voor Schoenetum : zomergrondwaterstanden die niet verder

Nadere informatie

Veilig werken. Duurzaam bodemgebruik in de landbouw

Veilig werken. Duurzaam bodemgebruik in de landbouw Veilig werken Duurzaam bodemgebruik in de landbouw Programma voor vandaag: Duurzaam bodemgebruik in de landbouw Kahoot Oefentoets bodemgebruik Veilig werken & Duurzaam bodemgebruik? Veilig werken & Duurzaam

Nadere informatie

Teelthandleiding wettelijke regels

Teelthandleiding wettelijke regels Teelthandleiding 4.14 wettelijke regels 4.14 Wettelijke regels... 1 2 4.14 Wettelijke regels Versie: april 2016 De belangrijkste wettelijke regels over het gebruik van meststoffen staan in de Meststoffenwet,

Nadere informatie

Vergelijking van het Nieuw Limburgs Peil met het Waterbeheerplan van waterschap Peel en Maasvallei

Vergelijking van het Nieuw Limburgs Peil met het Waterbeheerplan van waterschap Peel en Maasvallei 8-2-2017 Vergelijking van het Nieuw Limburgs Peil met het Waterbeheerplan van waterschap Peel en Maasvallei Inleiding Het Limburgse waterschap Peel en Maasvallei (P&M) heeft in 2010 het Nieuw Limburgs

Nadere informatie

Kansrijke maatregelen

Kansrijke maatregelen Kansrijke maatregelen Fase 1: Landbouw op Peil 5 juli 2011 Everhard van Essen Aequator Groen & Ruimte bv Ingrijpen in: Optimalisatie van water in landbouwgebieden: 1. Afwatering (slootprofiel, verhang,

Nadere informatie

Handleiding bepaling MijnBodemConditie

Handleiding bepaling MijnBodemConditie Handleiding bepaling MijnBodemConditie Beter boeren met de BodemConditieScore! Versie 1.0 uitgewerkt voor de Beemsterpolder (NH) Deze handleiding bevat instructies hoe een BodemConditieScore voor een enkele

Nadere informatie

Organische stof what else? Marjoleine Hanegraaf

Organische stof what else? Marjoleine Hanegraaf Organische stof what else? Marjoleine Hanegraaf Vraagstelling Aanleiding: Vuistregel voor de afbraak: 2% per jaar (range 1.6 2.4%) 1 Ervaringsfeit veel telers: variatie in de afbraak, mogelijk >2% Onderzoeksvraag:

Nadere informatie

Benut de rooicapaciteit en

Benut de rooicapaciteit en F.G.J. Tijink Voorkom verdichting van de ondergrond Benut de rooicapaciteit en Tijdens de bietenoogst is er een verhoogde kans op verdichting van de ondergrond. Problemen zijn te voorkomen door zuinig

Nadere informatie

De bodem van Flevoland

De bodem van Flevoland De bodem van Flevoland Om de bodem van Flevoland te leren kennen, moeten we terug in de tijd. Op 3 oktober 1939 is de Noordoostpolder ontstaan als diepe droogmakerij in de voormalige Zuiderzee. Na de tweede

Nadere informatie

Waterwijzer Landbouw: wat is het en wat kun je ermee? Mirjam Hack en Ruud Bartholomeus november 2016

Waterwijzer Landbouw: wat is het en wat kun je ermee? Mirjam Hack en Ruud Bartholomeus november 2016 Waterwijzer Landbouw: wat is het en wat kun je ermee? Mirjam Hack en Ruud Bartholomeus november 2016 Waterwijzer Landbouw Waarom en wat is Waterwijzer Landbouw? Wat kan je straks met Waterwijzer Landbouw?

Nadere informatie

2 Bemesting 44 2.1 Meststoffen 44 2.2 Soorten meststoffen 46 2.3 Grondonderzoek 49 2.4 Mestwetgeving 49

2 Bemesting 44 2.1 Meststoffen 44 2.2 Soorten meststoffen 46 2.3 Grondonderzoek 49 2.4 Mestwetgeving 49 Inhoud Voorwoord 5 Inleiding 6 1 Bodem en grond 9 1.1 Grond, bodem en grondsoorten 9 1.2 Eigenschappen van grond 20 1.3 Problemen met de grond 23 1.4 Verbeteren van landbouwgronden 30 1.5 Transport van

Nadere informatie

De bewerkbaarheid van de grond in het voorjaar

De bewerkbaarheid van de grond in het voorjaar (Overdruk Cultuurtechnisch Tijdschrift, jaargang 18, nr. 4, dec. '78/jan. '79) P. BOEKEL Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren (Gr.) Inleiding De bewerkbaarheid van de grond in het voorjaar De meeste

Nadere informatie