Hanzehogeschool Groningen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Hanzehogeschool Groningen"

Transcriptie

1 Hanzehogeschool Groningen Opleidingen: Chemie, Chemische Technologie, Biologisch en Medisch Laboratoriumonderzoek Visitatiedata: 14 en 15 april 2004

2 2

3 Inhoud 3 Deel A: Onderwerpen Voorwoord Inleiding Werkwijze Oordeelsvorming Schematisch overzicht Oordelen Totaaloordeel 14 Deel B: Facetten 15 Onderwerp 1 Doelstellingen van de opleiding 19 Onderwerp 2 Programma 22 Onderwerp 3 Inzet van personeel 31 Onderwerp 4 Voorzieningen 34 Onderwerp 5 Interne kwaliteitszorg 36 Onderwerp 6 Resultaten 38 Deel C: Bijlagen 43 Bijlage 1 Onafhankelijkheidsverklaring panelleden 45 Bijlage 2 Beknopte CV Panelleden 47 Bijlage 3 De zelfevaluatie in verband met NVAO accreditatie Vragen en Aanwijzingen 55 Bijlage 4 Beoordelingsprotocol van NQA 75 Bijlage 5 Handreiking voor oordeelsvorming 91 3

4 4

5 Deel A: Onderwerpen 5

6 6

7 Hanzehogeschool Groningen, Opleidingen: Chemie, Chemische Technologie (CT) Biologisch en Medisch Laboratoriumonderzoek (BML) Visitatiedata: 14 en 15 april 2004 Deel A: Onderwerpen 1.1 Voorwoord In dit rapport doet het panel dat in opdracht van NQA de opleidingen Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek, Chemie en Chemische Technologie van de Hanzehogeschool Groningen heeft gevisiteerd, verslag van zijn werkwijze, bevindingen en conclusies. Het onderzoek vond plaats in het kader van de accreditatie van hogere beroepsopleidingen. Het onderzoek is feitelijk gestart op 26 februari 2004, het moment waarop de opleiding haar zelfevaluatierapport bij de NQA aanleverde. Een visitatiebezoek vond plaats op woensdag 14 en donderdag 15 april 2004 en werd uitgevoerd door een panel dat bestond uit de volgende personen: De heer dr. W.P. Weijzen (voorzitter) De heer dr. J.M. van der Meer De heer prof.dr. R.R. Remie De heer dr. G.R. van der Laan Mevrouw J. van Harmelen (student-lid) Mevrouw drs. P. Göbel (NQA-auditor) Dit panel voldoet aan de eisen zoals gesteld in het document Vragen en Aanwijzingen van NQA. Het panel beschikt over domeinspecifieke deskundigheid, onderwijs- en auditdeskundigheid en deskundigheid over de internationale ontwikkelingen van de discipline (zie bijlage bij dit rapport) Het rapport bestaat uit drie delen: deel A: een hoofdrapport, het Onderwerprapport, waarin de oordelen van het panel over de basiskwaliteit van de opleiding op onderwerpniveau worden uitgesproken en de overwegingen waarop die oordelen zijn gebaseerd. Het gaat hier om oordelen in de gradatie voldoende/onvoldoende. Tevens wordt hier het eindoordeel geformuleerd. deel B: een detailrapport waarin op facetniveau door het panel oordelen en argumenten ter onderbouwing van dat oordeel worden gegeven. De waarderingen worden uitgedrukt in begrippen uit de vierpuntsschaal zoals die door de NVAO is voorgeschreven. Dit detailrapport vormt de basis van het Onderwerprapport. deel C: hierin zijn alle relevante bijlagen opgenomen. 7

8 1.2 Inleiding De afdeling Life Science & Technology (LST) omvat vier opleidingen: Biologie enmedisch Laboratoriumonderzoek (BML), Chemie (C), Chemische Technologie (CT) en Bioinformatica. De afdeling maakt deel uit van de Faculteit Techniek van de Hanzehogeschool Groningen. De opleiding Bio-informatica is in september 2002 gestart en wordt daarom nog niet geaccrediteerd. De opleiding Biologie & Medische Laboratoriumonderzoek is de voortzetting van de voordien onderscheiden opleidingen Biologisch Laboratorium Opleiding en Medisch Laboratorium Opleiding. Deze samenvoeging, en ook de vernieuwing van de Chemische Laboratorium Opleiding, die als de opleiding Chemie is voortgezet, is gerealiseerd in De opleidingen worden in voltijd aangeboden. In 2003/2004 werken er 25 aan de afdeling verbonden medewerkers en 6 van andere afdelingen ingeleende medewerkers, verdeeld over 12,54 FTE en staan er 309 studenten bij de afdeling LST ingeschreven. De student- FTE-ratio bedraagt 24,64. De opleiding is voor het laatst gevisiteerd in In de Faculteit techniek is in 2000 een omvangrijk onderwijsvernieuwingsproject Herontwerp van start gegaan met als doel te komen tot competentiegerichte curricula. Bij de afdeling LST is het onderwijsvernieuwingsproject voor een competentiegericht curriculum tot en met het derde jaar ingevoerd. Het vierde jaar is in september 2004 aan de beurt. Eveneens vanaf september 2004 wordt de organisatiestructuur van de Hanzehogeschool gewijzigd. In plaats van in faculteiten en afdelingen zullen de opleidingen in schools worden ondergebracht. De vier opleidingen van de afdeling LST vormen dan één school. Het panel heeft bij het bezoek dus drie opleidingen aangetroffen die op meer fronten in transitie is. 1.3 Werkwijze De visitatie van de opleidingen BML, C en CT door het panel heeft plaatsgevonden conform de werkwijze zoals die is neergelegd in het beoordelingsprotocol van NQA (zie bijlage) en die hieronder meer in concreto wordt beschreven. Dit houdt tevens in dat het panel heeft vastgesteld dat het zelfevaluatierapport plus de bijlagen en de aanvullende informatie een voldoende basis boden voor het visitatiebezoek. Daarnaast heeft het panel geconstateerd dat de visitatie plaats vond op basis van het voor de laboratoriumopleidingen en chemische technologie-opleiding geldende domeinspecifieke referentiekader (zie hieronder). NQA onderscheidt drie fasen in het visiteren: de voorbereidingsfase, het visitatiebezoek en de rapportagefase. Hieronder volgt een korte toelichting per fase. De voorbereidingsfase Allereerst heeft de NQA-auditor het zelfevaluatierapport gecheckt op kwaliteit en compleetheid (de screening) en daarmee op bruikbaarheid voor de visitatie. Nadat het zelfevaluatierapport in orde was bevonden, zijn de panelleden zich inhoudelijk gaan voorbereiden op het bezoek. Zij lazen het zelfevaluatierapport (en bijlagen), formuleerden in een beoordelingsformat voorlopige oordelen op basis van argumenten, respectievelijk vragen die werden doorgegeven aan de NQA-auditor. Hoewel ieder panellid alle onderwerpen en facetten onder 8

9 de loep nam, is er sprake geweest van een taakverdeling, waarbij bepaalde onderwerpen en facetten door een bepaald panellid extra grondig zijn bestudeerd. Op basis van een overzicht van voorlopige oordelen inventariseerde de NQA-auditor tenslotte kernpunten en prioriteiten voor materialenonderzoek en gesprekken. Tijdens een voorbereidende vergadering is het visitatiebezoek concreet voorbereid. De opleiding heeft in haar zelfevaluatierapport kenbaar gemaakt voor welk domeinspecifiek referentiekader zij kiest. De NQA-auditor heeft met de domeindeskundige(n) in het panel bekeken of er sprake was van adequate domeinspecifieke doelstellingen en of er nadere aanvulling dan wel nadere specificatie nodig bleek. In het detailrapport is aangegeven op welke landelijke beroeps- en opleidingsprofielen het domeinspecifieke kader (en het opleidingsprogramma) is gebaseerd. Het visitatiebezoek NQA heeft een Raamwerk bezoekprogramma ontwikkeld voor de (dag-)indeling van het visitatiebezoek dat is aangepast aan de specifieke situatie van de opleiding. Tijdens het visitatiebezoek is gesproken met (een representatieve) vertegenwoordiging van: docenten, studenten, werkveld en afgestudeerden. Daarnaast vonden er aan het begin en aan het eind van het visitatiebezoek gesprekken plaats met het management van de opleiding (het operationeel management). Ook werd er, voor meer opleidingen tegelijk, een gesprek gevoerd met de voorzitter van het College van Bestuur (het strategisch management) en de directeur van de Faculteit Techniek. Aan het begin van het bezoek is er ter inzage gevraagd materiaal bestudeerd. In het raamwerk bezoekprogramma kende het ochtendprogramma een vaste structuur, maar was het middagprogramma vrij. In deze tijd heeft het panel zogenaamde schakelmomenten ingelast om bevindingen uit te wisselen en te komen tot gezamenlijke en meer definitieve (tussen-)oordelen. De bevindingen zijn, volgens de afgesproken taakverdeling, door ieder panellid, schriftelijk beargumenteerd. Aan het einde van het bezoek heeft de voorzitter een mondelinge terugkoppeling aan het management gegeven van de bevindingen van het panel, zonder expliciete oordelen uit te spreken. De fase van rapporteren De NQA-auditor heeft, op basis van de bevindingen van het panel, een conceptrapportage opgesteld en deze aan de panelleden voorgelegd. Het panel heeft vervolgens het definitieve concept vastgesteld. In het visitatie- of beoordelingsrapport is, waar relevant, expliciet ingegaan op de verschillende varianten. Het definitieve conceptrapport is aan de opleiding voorgelegd ter correctie van feitelijke onjuistheden. Naar aanleiding daarvan zijn door de NQA-auditor enkele wijzigingen aangebracht en is het definitieve rapport door het panel vastgesteld. Het visitatie- of beoordelingsrapport is uiteindelijk ter beschikking gesteld aan de opleiding, die het samen met de accreditatieaanvraag kan indienen bij de NVAO. 9

10 1.4 Oordeelsvorming In dit hoofdstuk wordt per onderwerp een oordeel uitgesproken op basis van weging van de facetten die van dat onderwerp deel uitmaken. Bij deze weging spelen de beslisregels zoals die door de NQA in het beoordelingsprotocol (zie bijlage) zijn geformuleerd en nader uitgewerkt in de notitie (zie bijlage 5) een belangrijke rol. Tevens is bij de beoordeling rekening gehouden met accenten die de opleiding eventueel legt, het domeinspecifieke kader en een vergelijking met andere chemische en biomedische laboratoriumopleidingen op een aantal aspecten. Het eindoordeel is voorzien van een aanvullende tekst als er sprake is van: weging van de oordelen op facetniveau; benchmarking; generieke bevindingen die het facetniveau overschrijden; bepaalde accenten respectievelijk best practices. Wat de benchmarking betreft is het van belang op te merken dat een vergelijking met andere opleidingen wordt gemaakt op basis van gegevens die de HBO-raad beschikbaar stelt. Een internationale vergelijking voor de opleidingen BML en C is niet mogelijk aangezien er geen internationale equivalenten op HBO-niveau zijn. De opleiding CT heeft de programma s van vergelijkbare opleidingen in Denemarken en Duitsland met hun eigen opleiding vergeleken (zie detailrapport facet 1). In de oordelen per onderwerp wordt steeds een herhaling gegeven van de oordelen op de facetten gevolgd door een weging die leidt tot het eindoordeel. De wegingen zullen in dit rapport niet diepgaand zijn, omdat de opleiding op alle facetten minimaal een voldoende heeft gehaald. De (uitgebreide) argumentatie daarvoor is te vinden in het detailrapport Doelstellingen opleiding Alle facetten zijn met een goed beoordeeld. Het oordeel over het onderwerp is derhalve positief. De gehanteerde eindkwalificaties en de nadere uitwerkingen daarvan zijn in het Clusteroverleg Laboratorium en Procestechnologie (COLP) ontwikkeld en vastgesteld. De opleiding heeft zelf de generieke kernkwalificaties van de commissie Franssen vergeleken met de opleidingskwalificaties uit COLP Programma Op zeven van de acht tot dit onderwerp behorende facetten is het oordeel voldoende toegekend. Eén facet duur is als goed beoordeeld. Het oordeel over het onderwerp is derhalve positief Inzet van personeel De drie facetten zijn met een voldoende beoordeeld. Het oordeel over dit onderwerp is derhalve positief. 10

11 1.4.4 Voorzieningen Het facet materiële voorzieningen is als goed beoordeeld, het facet begeleiding als voldoende. Het oordeel over het onderwerp is derhalve positief Interne kwaliteitszorg. Op alle drie de facetten van dit onderwerp is een voldoende gegeven. Het eindoordeel op dit onderwerp is daarom positief Resultaten. Op beide facetten heeft de opleiding een voldoende. Het eindoordeel over dit onderwerp is daarom ook positief. Tabel 1: Algemene gegevens Afdeling LST Totaal aantal ingeschreven studenten B 1 C CT Omvang docerend 12,94 12,59 10,51 11,99 12,54 personeel in FTE Student/FTE-ratio 21,64 23,51 27,97 23,94 24,64 Totaal aantal docenten Tabel 2: Instroomgegevens Instroom Totaal ingestroomde studenten LST 3 Land. 4 LST Land. LST Land. LST Land. LST Land. B 50 C 24 CT 28 B 941 C 568 CT 376 B 58 C 22 CT 12 B 1069 C 605 CT 317 B 36 C 33 CT 8 B 783 C 482 CT 275 B 39 C 16 CT 5 B 760 C 424 CT 226 B 43 C 21 CT 16 B 783 C 416 CT 206 Op de website van de HBO-raad staan de cijfers voor alle opleidingen vermeld. Deze cijfers zijn gemiddeldes van alle aanwezige varianten. Gezien de verschillen tussen de cijfers waarover de opleiding beschikt en die van de HBO-raad, is in verband met de vergelijkbaarheid in tabel 4 uitgegaan van de cijfers van de HBO-raad. Uit een vergelijking tussen de landelijke gemiddeldes van BML-, C- en CT-opleidingen en die van de afdeling LST van de Hanzehogeschool Groningen in tabel 3 blijkt dat: het diplomarendement van BML niet alleen per jaar sterk wisselt, maar ook ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Bij Chemie ligt het rendement steeds ruim boven het landelijk gemiddelde. Bij CT ligt het steeds iets onder het landelijk gemiddelde, behalve in de gemiddelde studieduur van afgestudeerden bij BML ruim vijf maanden hoger ligt dan het landelijk gemiddelde. Bij Chemie ligt het ruim drie maanden onder het landelijk gemiddelde. Bij CT ligt het meestal enkele maanden boven het landelijk gemiddelde. 1 B=Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek, C= Chemie, CT= Chemische Technologie 2 Het eerste getal betreft de medewerkers die aan de afdeling zijn verbonden, het tweede getal de ingeleende medewerkers. 3 LST= de afdeling Life Science and Technology 4 landelijke cijfers 11

12 het percentage uitvallers na één jaar bij BML en CT de laatste jaren gestegen is tot ruim boven het landelijk gemiddelde. Bij BML stroomt een flink deel van deze uitvallers door naar de universiteit. Bij Chemie is sprake van fluctuatie. het percentage uitvallers van drie jaar op enkele uitzonderingen na rond het landelijke gemiddelde schommelt. de gemiddelde studieduur van studiestakers de laatste jaren is opgeschoven naar het landelijk gemiddelde. Tabel 3: Opleidingsrendement en streefcijfers in percentages van de instroom Diploma behaald na 5 jaar 5 Gemiddelde studieduur Van gediplomeerden in maanden 6 Percentage uitval na 1 jaar 7 Percentage uitval na 3 jaar 8 Gemiddelde studieduur studie-stakers in maanden 9 Streefcijfers LST 70% B 52,2 C 67,4 CT 67,5 Streefcijfers LST Streefcijfers LST LST Land. LST Land. LST Land. LST Land. LST Land. B 61,1 C 40,7 CT 68,5 B 67,2 C 57,5 CT 58,3 B 58,9 C 46,1 CT 62,7 B 58,3 C 53,8 CT 52,6 B 55,3 C 44,5 CT 59,1 B 38,1 C 58,8 CT 45,5 B 54,5 C 46,4 CT 59,7 B 45,0 C 54,5 CT 58,8 B 52,6 C 50,5 CT 48, LST Land. LST Land. LST Land. LST Land. LST Land. B 50,1 C 46,9 CT 57,4 20% B 25,0 C 24,2 CT 17,6 27% B 45,0 C 30,3 CT 35,3 B 19,8 C 19,2 CT 28,5 B 42,2 C 49,9 CT 49,3 B 54,0 C 44,1 CT 55,2 B 42,3 C 48,6 CT 48,8 B 49,9 C 37,1 CT 47,4 B 43,5 C 46,4 CT 47,9 B 52,1 C 40,3 CT 47,1 B 45,7 C 43,3 CT 46,9 B 50,0 C 37,9 CT 53,0 B 45,4 C 46,0 CT 44, LST Land. LST Land. LST Land. LST Land. LST Land. B 30,6 C 28,4 CT 25,6 B 43,6 C 38,7 CT 39,9 B 16,1 C 25,0 CT 19,1 B 26,8 C 35,7 CT 20,0 B 39,3 C 39,3 CT 33,3 B 17,2 C 12,4 CT 18,1 B 33,2 C 31,0 CT 27,8 B 39,8 C 39,9 CT 38,0 B 19,6 C 24,0 CT 19,2 B 32,3 C 20,0 CT 40,0 B 46,2 C 40,0 CT 53,3 B 16,1 C 16,3 CT 16,0 B 29,4 C 27,6 CT 21,1 B 38,5 C 38,9 CT 30,8 B 14,9 C 18,8 CT 23,8 B 36,6 C 23,1 CT 46,2 B 19,2 C 15,9 CT 29,6 B 30,4 C 28,6 CT 29,0 B 16,4 C 21,2 CT 22,5 B 46,3 C 40,0 CT 60,0 B 17,3 C 20,8 CT 26,8 B 31,0 C 27,7 CT 26,3 B 17,2 C 22,4 CT 26,6 De streefcijfers die de afdeling hanteert, komen overeen met streefcijfers van vergelijkbare opleidingen van andere hogescholen, bijvoorbeeld diplomarendement van 70 procent na vijf jaar. 5 De cijfers komen uit 6 id. 7 id. 8 id. 9 id. 12

13 1.5 Schematisch overzicht Oordelen Totaaloverzicht oordelen op facet- en onderwerpniveau Opleidingen: Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek Chemie Chemische Technologie Onderwerp/Facet BML C CT Doelstellingen 1.1 G G G 1.2 G G G 1.3 G G G Totaaloordeel Positief Positief Positief Programma 2.1 V V V 2.2 V V V 2.3 V V V 2.4 V V V 2.5 V V V 2.6 G G G 2.7 V V V 2.8 V V V Totaaloordeel Positief Positief Positief Personeel 3.1 V V V 3.2 G G G 3.3 V V V Totaaloordeel Positief Positief Positief Voorzieningen 4.1 G G G 4.2 V V V Totaaloordeel Positief Positief Positief Kwaliteitszorg 5.1 V V V 5.2 V V V 5.3 V V V Totaaloordeel Positief Positief Positief Resultaten 6.1 V V V 6.2 V V V Totaaloordeel Positief Positief Positief 13

14 1.6 Totaaloordeel Op grond van bovenstaand schema en de inhoudelijke onderbouwing daarvan in paragraaf 1.5 waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort, is de conclusie dat het totaaloordeel over de opleiding POSITIEF is. De opleiding voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit en gaat daar op meerdere facetten, met name binnen de onderwerpen Doelstellingen, Programma en Kwaliteitszorg bovenuit. 14

15 DEEL B: Facetten 15

16 16

17 Hanzehogeschool Groningen Opleidingen: Chemie, Chemische Technologie, Biologisch en Medisch Laboratoriumonderzoek Visitatiedata: 14 en 15 april 2004 Deel B: Detailrapport 17

18 18

19 Facetten Onderwerp 1 DOELSTELLINGEN VAN DE OPLEIDING Facet 1.1 Niveau bachelor C Goed CT Goed BML Goed Criteria: - De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene, internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een bachelor. De bachelor eindkwalificaties van de opleiding worden als goed beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: Het panel heeft geconstateerd dat de opleidingen voor de competenties uitgaan van de landelijk documenten zoals die door het Clusteroverleg Laboratorium en Procestechnologie (COLP) zijn opgesteld: Beroepsprofielen van de Laboratoriumopleidingen (COLP, 19 maart 2003). Gestreefd is naar een gemeenschappelijke competentiestructuur en een zoveel mogelijk identieke uitwerking voor de drie opleidingen. Het opleidingsprofiel is van dit beroepsprofiel afgeleid. Daarbij is rekening gehouden met een onderverdeling in competentieniveaus. Tevens is een onderscheid gemaakt tussen beroepsspecieke en niet-beroepsspecifieke competenties. Hierbij dient te worden opgemerkt, dat er tussen de beroepsprofielen (en de uitwerking) van de opleidingen kleine verschillen zijn. Deze landelijke competenties zijn door het COLP in relatie gebracht met de tien generieke kernkwalificaties voor hbo-bachelor opleidingen. NQA heeft deze tien kernkwalificaties vergeleken met de vijf Dublin-descriptoren en geconstateerd dat ze overeenkomen (zie bijlage ). De werkvelden hebben deze beroepsprofielen en competenties in 2002 gevalideerd (Beroepsprofielen van de Laboratoriumopleidingen COLP, 19 maart 2003), de HBO-raad heeft ze in december 2003 goedgekeurd. Het panel heeft tevens vastgesteld dat de beroepsprofielen, opleidingsprofielen en competenties uit het COLP-document adequaat zijn beschreven. In de beschrijving worden bij BML en C de competenties gerelateerd aan de HTNO-kwalificatiesniveaus na drie tot vijf jaar ervaring in de beroepspraktijk. Mede gezien de eigen accenten die de opleidingen leggen (zie bij facet 1.2.), onderscheiden de opleidingen voor de diverse beroepscompetenties bepaalde eindniveaus; hierbij maken zij ook een onderscheid tussen de verschillende opleidingen. Deze verschillen hangen ondermeer samen met de aard van het vakgebied en de wensen van de regionale werkgevers. De opleidingen BML en C kennen geen internationaal equivalent op HBO-niveau. De opleiding CT kent equivalenten in Denemarken en Duitsland. In het kader van uitwisselingsprogramma s heeft de opleiding de programma s met elkaar vergeleken en geconstateerd dat de niveaus vergelijkbaar zijn Dit is bevestigd door de 19

20 vertegenwoordigers van het werkveld die stagiairs uit Duitsland, Denemarken en Nederland krijgen. Facet 1.2 Domeinspecifieke eisen C Goed CT Goed BML Goed Criteria: - De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk). De domeinspecifieke eindkwalificaties worden als goed beoordeeld. Het oordeel wordt als volgt onderbouwd: De domeinspecifieke eisen zijn in de respectievelijke beroepsprofielen beschreven. De daarin geformuleerde beroepscompetenties zijn gespecificeerd en daarnaast steeds gerelateerd aan een specifieke beroepsomgeving. o De afgestudeerde BML vindt werk in een biologisch/medisch laboratorium in de sectoren gezondheidszorg en milieu, overheidsinstellingen (universiteiten en onderzoeksinstituten) en bedrijven (farmaceutische industrie, voedingsmiddelenindustrie). o De afgestudeerden Chemie werken voornamelijk in de sectoren: bedrijfsleven (chemische en farmaceutische industrie, ingenieurs- en adviesbureaus), overheidsinstellingen (onderzoeksinstellingen en universiteiten) en servicelaboratoria (milieulaboratoria). o De afgestudeerden CT komen vooral terecht bij de chemische of aanverwante industrie, ingenieurs- en adviesbureaus en onderzoeksinstituten. Het COLP heeft de beroepsprofielen ter goedkeuring voorgelegd aan vertegenwoordigers van de beroepspraktijk, zie Beroepsprofielen van de Laboratoriumopleidingen (COLP, 19 maart 2003), die ze heeft gevalideerd. Het panel heeft geconstateerd dat de opleidingen eigen keuzes hebben gemaakt ten aanzien van de landelijke opleidingsprofielen (zie de competentiematrixen van de opleidingen). Zij benadrukken de competentie onderzoeken. De keuze voor een meer onderzoeksgericht profiel wordt volgens het zelfevaluatierapport ingegeven door de contacten met het regionale werkveld. In de regio Groningen is het werkveld in het (medisch)biologisch gebied en in het chemisch gebied meer gericht op (wetenschappelijk) onderzoek dan op de diagnostisch/analytische kant. De opleiding CT kiest er daarnaast voor de competentie ontwikkelen te benadrukken, ook weer op basis van de contacten met het regionale werkveld. In Noord-Nederland ligt een sterke nadruk op de ontwikkeling van nieuwe materialen en processen. Gegeven de afspraken die gemaakt zijn met buitenlandse instellingen inzake het uitwisselen van studenten en het begeleiden en beoordelen van stages en 20

21 afstudeerwerkstukken, kan geconcludeerd worden dat de competenties die de opleidingen nastreven, door buitenlandse vakgenoten als zinvol worden ervaren. De aan de afdeling verbonden lector levert een bijdrage aan de borging van de opleidingscompetentie onderzoeken, zoals in het zelfevaluatierapport staat en in het gesprek met vertegenwoordigers van het werkveld is bevestigd. Facet 1.3 Oriëntatie HBO-bachelor C Goed CT Goed BML Goed Criteria: - De eindkwalificaties zijn mede ontleend aan de door (of in samenspraak met) het relevante beroepenveld opgestelde beroepsprofielen en/of beroepscompetenties. - De eindkwalificaties weerspiegelen het niveau van beginnend beroepsbeoefenaar in een specifiek beroep of samenhangend spectrum van beroepen waarvoor een HBOopleiding vereist is of dienstig is. De oriëntatie op het HBO-niveau wordt als goed beoordeeld. Dit oordeel is gebaseerd op: De opleiding gaat voor de competenties uit van het landelijk document zoals die door het Clusteroverleg Laboratorium en Procestechnologie (COLP) zijn opgesteld en door het werkveld zijn gevalideerd: Beroepsprofielen van de Laboratoriumopleidingen (COLP, 19 maart 2003). Het panel heeft vastgesteld dat de beroepsprofielen, opleidingsprofielen en competenties uit het COLP-document adequaat zijn beschreven. In de beschrijving worden bij BML en C de competenties gerelateerd aan de HTNO-kwalificatiesniveaus na drie tot vijf jaar ervaring in de beroepspraktijk. Daarnaast onderscheiden de opleidingen ook kwalificatieniveaus, passend bij een beginnend beroepsbeoefenaar en rekening houdend met de keuzes die de opleidingen zelf maken, gegeven de eisen van het werkveld in Noord-Nederland. In het gesprek met docenten heeft het panel vastgesteld dat onderzoek een integraal onderdeel van de thema s uitmaakt waarbij studenten leren vanuit een onderzoeksvraag te werken. Hierbij wordt niveau 3 nagestreefd; dit niveau kan worden gedefinieerd met de woorden: integreren, ontwikkelen, transfer van kennis en vaardigheden. Niveau vier van de competentie onderzoeken is academisch niveau. Een afgestudeerde hbo er formuleert geen wetenschappelijke vraagstelling, maar lost via analyse een probleem op. Volgens het zelfevaluatierapport zijn het werkveld, de stage- en afstudeerbegeleiders, de alumni en de studenten tevreden over de mate waarin de opleiding erin slaagt het beroepsprofiel gestalte te geven. Volgens de Stage/afstudeerenquête 2003 zijn studenten en bedrijfsbegeleiders zeer tevreden (88% of hoger) over de theoretische kennis, de beroepstechnische vaardigheden, de sociale en communicatieve vaardigheden en de bruikbaarheid van het eindresultaat voor het bedrijf. In een werkgeverstevredenheidsonderzoek waarbij zes responses waren, komt naar voren dat een aantal generieke kernkwalificaties minder 21

22 aanwezig zijn bij afgestudeerden dan wenselijk wordt gevonden. In het gesprek met vertegenwoordigers van het werkveld werd dit niet bevestigd. De Keuzegids laat zien dat studenten redelijk tevreden zijn over de inhoud van het oude en nieuwe programma: BML: 6,8 (landelijk 7,09) in 2000 en 7,0 (7,15) in 2002; C: 6,7 (6,95) in 2000 en 6,9 (7,04) in 2003; CT: 6,7 (6,95) in 2000 en 6,9 (7,04) in De mening over zelfstandig leren en denken laat een vergelijkbaar beeld zien: BML: 6,6 (landelijk 7,02) in 2000 en 7,0 (7,15) in 2002; C: 7,0 (6,82) in 2000 en 6,8 (6,91) en 2003; CT: 7,0 (6,82) in 2000 en 6,8 (6,91) in Onderwerp 2 PROGRAMMA Facet 2.1 Eisen HBO C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats via vakliteratuur, aan de beroepspraktijk ontleend studiemateriaal en via interactie met de beroepspraktijk en/of (toegepast) onderzoek. - Het programma heeft aantoonbare verbanden met actuele ontwikkelingen in het vakgebied / de discipline - Het programma waarborgt de ontwikkeling van beroepsvaardigheden en heeft aantoonbare verbanden met de actuele beroepspraktijk. Het facet eisen HBO wordt als voldoende beoordeeld. Het oordeel is gebaseerd op: De opleiding kiest voor studiemateriaal dat aan een aantal eisen moet voldoen: up-todate, goede dekking van het vakgebied, duidelijk didactisch concept, goede ondersteuning voor student en docent, passend bij de opleiding, Engelstalig. Wanneer geen geschikte literatuur voorhanden is, stelt de docent een reader samen. Dit komt bij CT vaker voor dan bij de andere opleidingen. Het onderzoek in het derde jaar wordt steeds aangepast aan recente literatuur. Het panel heeft vastgesteld dat de gebruikte literatuur redelijk up-tot-date is. De opleidingen gebruiken de meest recente drukken van leerboeken. De wens van docenten om toegang te krijgen tot artikelen in internationale wetenschappelijke tijdschriften heeft de opleiding als verbeterpunt in het zelfevaluatierapport opgenomen. De student wordt in alle jaren van de studie met de beroepspraktijk geconfronteerd. In de gehele opleiding zijn er snuffelstages en excursies die door studenten zeer gewaardeerd worden, zoals het panel in het gesprek met studenten heeft vastgesteld. In het onderdeel beroepsoriëntatie verzamelt de student informatie over de beroepspraktijk. In het tweede jaar CT en in het derde jaar BML en C leidt het beroepsoriëntatietraject tot een keuze 22

23 voor een stage/afstudeerplaats. Verder bezoeken studenten vakbeurzen, congressen, bedrijven en wonen ze stage- en afstudeervoordrachten bij. Bij BML wordt in het derde jaar geëxperimenteerd met een stage van een week bij een laboratorium als introductie op een thema. Mensen uit de beroepspraktijk verzorgen gastcolleges bij enkele thema s en bij CT zelfs volledige modules. Bij CT is er een stage van vijf maanden in het derde jaar, bij C en BML vindt die stage in het vierde jaar plaats. Bij CT wordt de stage en de afstudeeropdracht bij verschillende bedrijven gedaan vanwege de diversiteit van het beroepenveld. Bij BML en C sluiten de stage en de afstudeeropdracht op elkaar aan, vanwege de complexiteit van het werk en de apparatuur. Het panel heeft vastgesteld op basis van het materiaal, dat het heeft ingezien dat de stageplekken een goede verscheidenheid kennen en van voldoende goed niveau zijn. Tijdens de afstudeerperiode komt de student in aanraking met (toegepast) onderzoek. De bedrijfsbegeleider stelt een onderzoeksvraag op, de student maakt een onderzoeksplan en voert het onderzoek in belangrijke mate zelfstandig uit. Niveau 4 (zie 1.3) van de competentie is wetenschappelijk niveau en wordt niet door de HBO er bereikt. Het panel heeft geen handleiding voor het doen van onderzoek bij het materiaal aangetroffen. De werkveldadviescommissie (WAC) komt twee keer per jaar bij elkaar. De WAC heeft adviesrecht over het curriculum. Voorstellen voor curriculumvernieuwingen worden in de WAC besproken en vervolgens geagendeerd op het studierichtingsoverleg (SRO). Uit het gesprek met vertegenwoordigers van het werkveld heeft het panel vastgesteld dat de WAC zich gehoord voelt: zij zien hun adviezen vertaald terug in het curriculum. De WAC is positief over het curriculum zo blijkt uit de jaarverslagen die het panel heeft ingezien. Wel zou de WAC graag vaker bij elkaar komen. Uit de SSA-enquêtes, blijkt dat studenten over het algemeen tevreden zijn over het oude programma en de wijze waarop dat actueel wordt gehouden. Als verbeterpunt noemt de opleiding in het zelfevaluatierapport de oriëntatie op de internationale arbeidsmarkt, het enige aspect dat in de SSA-enquête bij BML en CT onvoldoende scoort. Uit de blokevaluaties blijkt dat studenten ook tevreden zijn over de wijze waarop vakliteratuur in de modules van het nieuwe programma wordt gebruikt. De opleiding constateert in het zelfevaluatierapport, dat de integratie tussen theorie en praktijk nog verder verbeterd kan worden; ook wordt door docenten geconstateerd, dat sommige studenten een te passieve houding aannemen. Dit komt niet overeen met de visie op onderwijs van de opleiding. In het gesprek met studenten heeft het panel vastgesteld dat het kennis- en kundeniveau in het vierde jaar voldoende is. In het gesprek met vertegenwoordigers van het werkveld heeft het panel geconstateerd dat de basis van de afgestudeerden goed is, maar dat door de breedte van de opleiding aanvullende specialisatie nodig is. Uit een zeer beperkt werkgeverstevredenheidsonderzoek blijkt dat afgestudeerden op diverse competenties tekort schieten. Deze worden niet herkend door vertegenwoordigers van het werkveld met wie het panel een gesprek heeft gehad. 23

24 Facet 2.2 Relatie doelstellingen en inhoud programma C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties, qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen. - De eindkwalificaties van de doelstellingen zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. - De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken. De relatie tussen doelstellingen en inhoud van het programma is als voldoende beoordeeld. Het oordeel is gebaseerd op: De opleidingen gaan uit van de landelijke beroeps- en opleidingsprofielen voor haar competentiegerichte curriculum (Beroepsprofielen van de Laboratoriumopleidingen, COLP, 19 maart 2003). Zij gebruikt voor het ontwerpen van dit curriculum het 4C/IDmodel van Janssen-Noordman en Van Merrienboer: Innovatief onderwijs ontwerpen via leertaken naar complexe vaardigheden. Dit vernieuwde curriculum is in de eerste drie jaar ingevoerd. Het vierde jaar werkt nog volgens het oude curriculum. De opleidingen hebben voor alle opleidingen een afzonderlijke competentiematrix opgesteld waaruit blijkt op welk niveau de student een beroepscompetentie moet beheersen. De opleiding hanteert hiervoor de niveau-indeling uit Compentent HTNO: niveau 1 is uitvoerend, niveau 2 oplossend, niveau 3 integrerend en niveau 4 genererend (Opleidingsprofielen BML, C en CT). Al naar gelang de competentie in kwestie wordt maximaal niveau 3 behaald en minimaal niveau 1; gegeven de leerroutes kunnen studenten nog variëren wat betreft het niveau dat voor specifieke competenties kan worden bereikt. In de themamappen (in totaal 12) komen de competenties terug en worden ze in relatie met de opdracht geplaatst, zoals het panel heeft vastgesteld. Het panel heeft echter ook geconstateerd dat de generieke kernkwalificaties reflectie en feedback minder sterk uit de verf komen, zoals bijvoorbeeld uit de stageverslagen bleek. Het programma is opgebouwd volgens leerlijnen en thema s in een vaste volgorde. In een thema staat de context van het beroepenveld zo veel mogelijk centraal. Een thema bestaat uit een thema-opdracht en ondersteunende modulen waarin theorie en vaardigheden worden aangeboden, zoals het panel bij het bestuderen van het materiaal heeft vastgesteld. In elk thema komen de competenties experimenteren, onderzoeken, zelfsturing/leren leren, en bij CT ook ontwikkelen terug. De overige competenties uit het landelijk opleidingsprofiel (Beroepsprofielen van de Laboratoriumopleidingen, COLP, 19 maart 2003), zoals leiding geven, instrueren, adviseren, beheren, komen in een beperkt aantal thema s aan de orde. De gedragsindicatoren uit de landelijke beroepsprofielen (Beroepsprofielen van de Laboratoriumopleidingen, COLP, 19 maart 2003) vormen de leerdoelen van het programma. Aan de hand van onderzoeksopdrachten en experimenten worden de 24

25 competenties op een steeds hoger niveau geoefend, waarbij het abstractieniveau en de complexiteit van opdrachten toenemen. Het panel heeft vastgesteld dat de leerdoelen nog niet altijd gerelateerd zijn aan de competenties. In het zelfevaluatierapport stelt de afdeling bezig te zijn met het verder uitwerken van deze gedragscriteria en de relatie met competenties. Bij de opleiding BML bevat de propedeuse vier geïntegreerde thema s over de bouw en werking van cellen. In thema 1 ligt het accent op cellen en weefsels, in thema 2 op biochemie, celbiologie en metabolisme, in thema 3 op moleculaire biologie en in thema 4 op erfelijkheid en ziekten. In de hoofdfase worden de belangrijkste onderdelen verder uitgediept. De laatste drie thema s zijn verschillend voor de drie afstudeerrichtingen. Bij Biologie ligt de nadruk op moleculaire biologie, bij Medisch op pathologie/hematologie en bij Biochemie op chemie en biochemie. Bij de opleidingen C en CT is de propedeuse zodanig vormgegeven dat studenten met beide beroepenvelden kennis maken, zodat zij nog van C naar CT en omgekeerd kunnen overstappen. Het accent van de eerste twee thema s ligt op basischemie en chemische technologie. Vanaf het derde kwartaal worden de verschillen tussen C en CT groter. Bij C wordt in thema 3 de basis gelegd voor de instrumentele analyse om deze kennis in thema 4 toe te passen in een ringonderzoek. Bij CT wordt in thema 3 en 4 gestart met de procestechnologische leerlijn, via proces- en drinkwater en eenvoudige scheidingsprocessen. Studenten C kunnen kiezen voor een afstudeerrichting Analytische/Organische Chemie of Biochemie. Studenten CT kunnen kiezen voor een afstudeerrichting Research en Development, Instrumentatie en Simulatie of Management en Economie. Op basis van bestudering van het materiaal en de gesprekken met het management en docenten heeft het panel vastgesteld dat de competentie zelfsturing weliswaar niet altijd uit de opdrachten blijkt, maar een integraal onderdeel vormt van laboratoriumonderzoek: in het eerste jaar wordt de student geleid, maar in het vierde jaar moet hij zelfstandig zijn meesterproef doen. Van de competentie onderzoeken bereiken de afgestudeerden niet niveau 4, want dat vertegenwoordigt het academisch niveau. Uit de SSA-enquêtes, en de HBO-monitor, die met name over het oude curriculum gaan, blijkt dat studenten overwegend tevreden zijn over de wijze waarop de opleiding de doelstellingen naar de inhoud van het programma heeft vertaald. Uit de blokevaluaties over het nieuwe curriculum komt een hoge waardering voor de nieuwe modules naar voren. Facet 2.3 Samenhang in het opleidingsprogramma C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend opleidingsprogramma. De samenhang in de opleidingsprogramma s wordt als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: 25

26 Eén van de doelen van het vernieuwde curriculum was het bewerkstelligen van een goede samenhang en integratie. Daarom heeft de afdeling gekozen voor een concentrisch opgebouwd curriculum met leerlijnen en thema s: na een globale introductie van het domein in het eerste jaar met vier thema s, wordt het domein in de volgende jaren en thema s verbreed en verdiept. De integratie wordt bewerkstelligd door het kiezen van thema s waarin een praktijkprobleem centraal staat. Dit is ook in lijn met de onderwijsvisie van de afdeling. Een thema bestaat uit een thema-opdracht en ondersteunende modulen, waardoor de student inzicht krijgt in de inhoudelijke samenhang van theorie en praktijk. In de themamap en op Blackboard wordt de samenhang toegelicht, zoals het panel na bestudering van de themamappen heeft vastgesteld. Het panel heeft echter ook vastgesteld dat in enkele thema s de integratie nog niet voldoende is gerealiseerd. Dit is ook uit de notulen van het studierichtingsoverleg (SRO) gebleken en als verbeterpunt in het zelfevaluatierapport opgenomen. Via de leerlijnen is de samenhang tussen thema s vastgelegd, mede doordat thema s een vaste volgorde hebben. De samenhang binnen en tussen thema s wordt door het SRO bewaakt. De blokevaluaties van 2003 laten gemiddeld een hoge waardering van studenten voor de samenhang binnen thema s zien: BML 9.4, C en CT 8.3. Op grond van het feit dat de score voor enkele thema s lager was, is de afdeling bij BML een experiment gestart om via tutorgroepen de interne samenhang in thema s in de propedeuse verder te optimaliseren. De eerste blokevaluaties laten een positief resultaat zien: van 72 naar 81 procent. Facet 2.4 Studielast C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Het programma is studeerbaar doordat factoren, die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen. De studielast wordt als voldoende beoordeeld. Dit oordeel is gebaseerd op: De afdeling streeft naar een studeerbaar programma door regelmatig toetsen aan te bieden, de studielast gelijkmatig te verdelen en een adequate begeleiding te bieden. Het studiejaar is opgebouwd uit vier perioden van tien of elf weken, inclusief twee toetsweken, waardoor de hoeveelheid leerstof per periode beperkt blijft (Studiegids Life Science & Technology ). Iedere student heeft recht op twee toetsmogelijkheden per jaar. Na een toetsperiode kan de student in de volgende toetsperiode een tentamen herkansen. Echter, praktijkopdrachten/practica kunnen slechts één keer per jaar worden getoetst. (Studiegids Life Science & Technology ) 26

27 De afdeling kent geen formele drempels voor de stage en de afstudeeropdracht. Wel controleert de stagecoördinator de studieprestaties van een student in verband met zijn geschiktheid voor een stageplek. De afdeling heeft inmiddels normen voor toelating tot stage en afstudeeropdracht geformuleerd die in de Onderwijs- en Examenregeling zullen worden opgenomen. Wanneer een student studievertraging oploopt, legt de studie-adviseur in een studieovereenkomst de individuele leerroute en de studieplanning voor de student vast. Het panel heeft in het gesprek met studenten vastgesteld dat deze overeenkomsten het gewenste effect hebben: de studenten lopen meestal niet meer vertraging op. Uit de blokevaluaties van 2003 blijkt dat de gemiddelde studielast bij BML 36 uur per week bedraagt, bij C 32 uur en bij CT 34 uur. De studielast is daarmee met één tot vier uur gestegen ten opzichte van Uit de HBO-monitor en de stage/afstudeerenquêtes blijkt dat afgestudeerden en de bedrijfsmentoren tevreden zijn over de verdeling van de studielast. Uit de SSA-enquêtes (over het oude curriculum) en de blokevaluaties (over het nieuwe curriculum) blijkt dat studenten vinden dat de docenten bereikbaar zijn en dat tentamenuitslagen tijdig bekend zijn (met als negatieve uitschieter BML). Facet 2.5 Instroom C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: VWO, HAVO, middenkaderopleiding of specialistenopleiding (WEB) of daarmee vergelijkbare kwalificaties, blijkend uit toelatingsonderzoek. De instroom is als voldoende beoordeeld. Het oordeel wordt als volgt onderbouwd: De afdeling participeert in de facultaire werkgroep Aansluiting, die voorstellen en beleidsbeslissingen voorbereidt voor het nieuwe curriculum, met name in verband met het studiehuis-leerconcept en de keuzeprofielen in het voortgezet onderwijs. De afdeling onderhoudt contacten met het voorgezet onderwijs en met het middelbaar beroepsonderwijs in de regio. De afdeling biedt VO-scholen de mogelijkheid om schoolpractica in de practicumzalen van de afdeling uit te voeren. Dit biedt docenten de gelegenheid voor overleg en studenten een eerste kennismaking met het HBO. Eén docent heeft stage in het voortgezet onderwijs gelopen. De opgedane ervaringen zijn meegenomen bij het ontwerpen van onderwijs. De afdeling werkt samen met de RuG in het Bètasteunpunt, dat vragen beantwoordt op het gebied van profielwerkstukken. In het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs wordt een steeds groter beroep op samenwerking tussen en zelfwerkzaamheid van studenten gedaan. De afdeling sluit hierop aan: bij instructiecolleges en practica krijgen studenten kleine en grotere opdrachten en bij de uitvoering wordt een beroep op hun zelfwerkzaamheid 27

28 gedaan. Opdrachten worden zowel individueel als in groepen uitgevoerd, zoals het panel na bestudering van het materiaal heeft vastgesteld. In het eerste kwartaal van de propedeuse organiseert de afdeling een studievaardigheidstraining als ondersteunende module in het eerste thema. De volgende studenten zijn toelaatbaar tot de opleiding: o Havo-studenten met de profielen Natuur en Gezond en Natuur en Techniek kunnen instromen; o studenten met een verwante MBO-opleiding die CT gaan doen, kunnen een verkort traject van 2,5 à 3 jaar volgen; o de ontwikkeling van de verkorte route voor VWO-studenten wordt vanaf september 2004 gestart. De afdeling heeft voorrang gegeven aan de invoering van het nieuwe curriculum; o de toelating van studenten met een niet-reguliere vooropleiding of een buitenlandse opleiding wordt individueel bekeken door de studentenadministratie, decanen en het Expertise Centrum Allochtonen van de hogeschool. Uit de Aansluitingsmonitor 2003, een onderzoek van zes hogescholen uit Noordoost Nederland, blijkt dat gemiddeld genomen de studenten tevreden zijn over de aansluiting, waarbij het oordeel over de Hanzehogeschool Groningen iets lager uitvalt. Het panel heeft geconstateerd dat de opleiding geen eigen onderzoek op dit gebied doet, ook al is het aantal studiestakers ongeveer 25 procent. Ook in de blokevaluaties komt het thema aansluiting niet aan de orde. In het zelfevaluatierapport stelt de afdeling dat docenten die niet in de werkgroep Aansluiting participeren niet voldoende op de hoogte zijn van de uitkomsten van deze groep. Het panel heeft in het gesprek met studenten vastgesteld dat zij tevreden zijn over de aansluiting. Facet 2.6 Duur C Goed CT Goed BML Goed Criteria: - De opleiding voldoet aan formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum: HBO-bachelor: 240 studiepunten. De studieduur van de opleidingen wordt als goed beoordeeld. Dit oordeel is gebaseerd op: Het programma van de opleidingen BML, C en CT voldoet aan de formele eis van 240 ec s. Het programma is gespreid over vier jaar, met per jaar vier kwartalen en per kwartaal een studielast van 15 ec s (Studiegids Life Science & Technology ). 28

29 Facet 2.7 Afstemming tussen vormgeving en inhoud C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen. - De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept. De afstemming tussen vormgeving en inhoud wordt als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: De afdeling gaat uit van een didactisch concept dat gebaseerd is op de principes van competentiegericht onderwijs: het beroep centraal (leren vanuit complexe beroepstaken), activerende en motiverende opdrachten (opdrachten sturen het leerproces, context is de beroepspraktijk), de student als partner in het onderwijs (student is medeverantwoordelijk voor eigen leerproces), de docent als onderwijsinnovator, opdrachtgever, expert en coach (werkt samen in interdisciplinaire teams), en een effectieve leeromgeving (groepsen praktijkruimtes). Het panel heeft vastgesteld, na bestudering van het materiaal en het gesprek met studenten en docenten, dat met dit didactisch concept de boogde competenties gerealiseerd kunnen worden. Bij thema-opdrachten wordt de student in de rol van (beginnend) beroepsbeoefenaar geplaatst. De beroepstaak, bij BML en C onderzoeker en experimenteerder, bij CT ook ontwikkelaar, staat daarbij centraal. Uitgaande van de competentiematrixen van de drie opleidingen worden naast beroepsspecifieke competentie, ook niet-beroepsspecifieke competenties, waaronder leren leren of zelfsturing, sociaal communicatieve vaardigheden, geaccentueerd. Bij de ondersteunende modulen krijgen studenten instructies waarmee zij individueel of in groepen problemen oplossen. Tijdens de studie neemt de begeleiding bij de ondersteunende modulen af en wordt er steeds meer een beroep op de zelfsturing van de student gedaan, terwijl de complexiteit van de opdrachten toeneemt, zoals ook in de onderwijsvisie staat. In de themamappen zijn de beoogde competenties opgenomen, maar de verdere realisatie in het onderwijs moet nog vorm krijgen (bijvoorbeeld begeleiding en toetsing). Tijdens de stage en de afstudeerperiode in een werkomgeving waar de student ook als afgestudeerde terecht kan komen, wordt de student verder opgeleid tot (junior) onderzoeker/experimentator en ontwikkelaar. Uit de blokevaluaties van 2003 (nieuwe curriculum) en de SSA-enquête van 2001 (oude curriculum) blijkt dat studenten tevreden zijn over de werkvormen en het studiemateriaal. In het zelfevaluatierapport is als een van de aandachtsgebieden in het verbeterplan de afstemming tussen vormgeving en inhoud opgenomen. De coachrol uit het didactisch concept komt volgens studenten nog onvoldoende uit de verf, zoals het panel na bestudering van het materiaal heeft vastgesteld. 29

30 Facet 2.8 Beoordeling en toetsing C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Door de beoordelingen, toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd. De beoordeling en toetsing van de opleidingen worden als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: De afdeling streeft ernaar in het kader van een competentiegerichte opleiding om het geheel aan competenties te toetsen en te beoordelen. Met de opleiding constateert het panel, dat het denken in termen van competenties ook de nodige implicaties heeft voor het toetsbeleid (inhoud, niveaubepaling, verantwoordelijkheid, kwaliteitszorg inzake toetsen). Op dit gebied start binnenkort een verbetertraject; de hogeschool heeft hiervoor kaders ontwikkeld. Het panel heeft er vertrouwen in, dat de opleidingen het toetsbeleid kunnen ontwikkelen, gegeven de door de docenten zelf ervaren noodzaak, alsmede de ondersteuning vanuit het management. De toetsing en de praktijkopdracht vormen een integraal onderdeel van de themaopdracht. Bij de beoordeling van de praktijkopdracht wordt steeds getoetst of studenten de competenties onderzoeken en experimenteren en bij CT ook ontwikkelen daadwerkelijk beheersen. Als criteria hiervoor gelden: voorbereiding, logboek, experimentele vaardigheid, verwerking van meetgegevens, conclusie, discussie, reflectie op functioneren. Uit de SRO-verslagen en uit het gesprek met docenten heeft het panel vastgesteld dat docenten tevreden zijn over de toetsing van de ondersteunende modulen, maar niet over de toetsing van de competenties in de thema-opdrachten. De afdeling is gestart met een verbetertraject om competenties en het niveau ervan te kunnen beoordelen en toetsen. De ondersteunende modulen worden voornamelijk schriftelijk getoetst, hoewel ook individuele en groepsopdrachten en presentaties voorkomen. Het panel heeft bij het materiaal veel kennistoetsen aangetroffen. De stage en afstudeeropdracht worden beoordeeld door de contactdocenten en examinatoren, daarbij geadviseerd door de bedrijfsmentoren. Voor buitenlandse studieonderdelen heeft de afdeling een samenwerkingsovereenkomst waardoor het buitenlandse instituut de beoordeling overneemt. Het panel heeft op basis van het bestudeerde materiaal vastgesteld dat de toetsing gestructureerd en gereglementeerd plaatsvindt en dat het team van docenten verantwoordelijk voor de toetsing is. Uit de SSA-enquête 2001 en de blokevaluaties van 2003 blijkt dat studenten de aansluiting van de toetsing op de stof en het onderwijs, zowel in het oude als in het nieuwe curriculum, zeer positief waarderen. Uit de jaarverslagen van de WAC heeft het panel vastgesteld dat de WAC tevreden is over de toetsing bij afstuderen. 30

31 In het gesprek met de studenten heeft het panel vastgesteld dat studenten tevreden zijn over de feedback op toetsen en dat zij de beoordelingscriteria duidelijk vinden. Studenten in het oude curriculum beoordelen dit in de enquêtes nog als zeer matig. Verder komt meeliftgedrag, waartoe groepswerk sommigen uitnodigt, slechts sporadisch voor: studenten spreken elkaar aan op dit ongewenste gedrag. Onderwerp 3 INZET VAN PERSONEEL Facet 3.1 Eisen HBO C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door personeel dat een verbinding legt tussen de opleiding en de beroepspraktijk. De verbinding die het personeel tussen opleiding en beroepspraktijk legt, wordt als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: In het zelfevaluatierapport toont de afdeling aan dat een deel van het personeel, met name negen docenten en een lector die in de afgelopen drie jaar zijn aangesteld, over recente werkervaring in de beroepspraktijk beschikken. Van de 25 docenten van de afdeling zijn er 19 intensief betrokken bij het werkveld via begeleiding van stages en afstudeeropdrachten, hoewel het panel vraagtekens zet bij het inzicht dat dit oplevert in de beroepspraktijk, en/of het verzorgen van contractactiviteiten aan of voor beroepsbeoefenaars. Alle docenten volgen daarnaast cursussen en) en bezoeken symposia en workshops. Eén docent heeft in het bedrijfsleven stage gelopen. Via excursies en gastdocenten leggen docenten een verbinding tussen de opleiding en de beroepspraktijk. De thema-opdrachten zijn ontleend aan de beroepspraktijk en waar mogelijk in overleg met bedrijven of laboratoria opgesteld, zoals het panel na bestudering van het materiaal heeft vastgesteld. In de SRO s wordt de kennis over de relevante ontwikkelingen uitgewisseld. In het gesprek met de docenten heeft het panel vastgesteld dat ook de interdisciplinaire themateams een platform voor uitwisseling van kennis vormen. In het zelfevaluatierapport staat vermeld dat dit aspect versterkt moet worden. Uit Onderzoek Waardering Personeel (2003) blijkt dat 73 procent van de docenten tevreden is over de mogelijkheden om het vak bij te houden. Het panel heeft in het gesprek met studenten vastgesteld dat ruim de helft van de docenten actuele informatie gebruikt of de actualiteit in de les betrekt. 31

32 Facet 3.2 Kwantiteit personeel C Goed CT Goed BML Goed Criteria: - Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen. De kwantiteit van het personeel wordt als goed beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: De afdeling streeft naar een zo klein mogelijk student/docent-ratio. Deze bedraagt 10,7 studenten per docent of 17,2 studenten per FTE. Met de invoering van competentiegericht onderwijs verwacht de afdeling deze ratio te kunnen verlagen tot de streefnorm van 1:23. De belangrijkste randvoorwaarde voor inzet van personeel is de financiële ruimte van de afdeling, waarvoor de onderwijsvraagfactor en het aantal studenten bepalend zijn. De onderwijsvraagfactor ligt iets boven de 1 en ligt daarmee redelijk hoog. De financiële ruimte van de afdeling wordt vergroot door de gunstige onderwijsvraagfactor en de veiligheidstoeslag.deze ruimte kan worden benut voor personele kwantiteit. Een vast deel van de aanstelling van een docent is gereserveerd voor vergaderen, administratieve afhandeling van tentamens, studiedagen, scholing e.d. Van de 25 docenten (ca. 18 FTE) die de afdeling in dienst heeft werken de meeste in meer dan één opleiding. Daarnaast worden 6 docenten ingehuurd van andere afdelingen. De practica worden verzorgd door twee instructeurs praktijkonderwijs die in de propedeuse ondersteund worden door student-assistenten. Daarnaast zijn er vijf medewerkers voor ondersteunende diensten. Uit de samenvatting van de functioneringsgesprekken heeft het panel geconcludeerd dat de werkbelasting niet als extreem hoog wordt ervaren, al zijn er wel pieken. Uit het Onderzoek Waardering Personeel (2003) blijkt hetzelfde: 74 procent is tevreden over de werkdruk en 87 procent ervaart voldoende ruimte in planning en uitvoering van werkzaamheden. Het ziekteverzuim ligt met 2 procent erg laag. Uit de SSA-enquêtes en de blokevaluaties blijkt dat studenten de hoeveelheid personeel als voldoende ervaren: docenten zijn bereikbaar en tentamenuitslagen zijn tijdig bekend (met als negatieve uitschieter BML). 32

33 Facet 3.3 Kwaliteit personeel C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. De kwaliteit van het personeel wordt als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: De afdeling volgt het Facultair Personeelsplan waarin ook een scholingsplan is opgenomen. Docenten dienen volgens de afdeling minimaal over een relevant HBOdiploma te beschikken. Gezien het onderzoekskarakter van de opleidingen heeft een flink deel van het personeel een relevante academische kwalificatie en onderzoekservaring. Verder dienen docenten over een onderwijsbevoegdheid te beschikken. De afdeling heeft een overzicht met de kwalificaties van docenten als bijlage bij het zelfevaluatierapport gevoegd. De afdeling heeft de voor het specifieke laboratoriumonderwijs benodigde veiligheidsfunctionarissen, zoals uit het eerder genoemde overzicht blijkt. De afdeling voert regelmatig functioneringsgesprekken, waarvan elk jaar een samenvatting van de bevindingen wordt gemaakt. Het panel heeft vastgesteld op basis van het materiaal dat het heeft ingezien, dat in de functioneringsgesprekken nagegaan wordt in hoeverre de medewerkers over de kerncompetenties beschikken en welke aandachtspunten er voor het komend jaar zijn (bijvoorbeeld verdere training in coaching). Het gemiddeld niveau (uitgaande van drie niveaus) op de vier kerncompetenties was in 2003: resultaatgerichtheid 1,9 (over 3 niveaus), samenwerken 2,1, veranderingsbereidheid 1,9 en studentgerichtheid 2,3. Ook blijkt uit de samenvatting dat afspraken uit eerdere gesprekken zijn nagekomen. Elk studiejaar organiseert de afdeling drie studiedagen, die de laatste jaren vooral gericht waren op de didactische aanpak van het nieuwe curriculum. Alle docenten hebben een eerste coach-training gevolgd. Verder vinden er training-on-the-job-bijeenkomsten plaats vanuit andere werkgroepen binnen de hogeschool. In de begroting wordt 4 procent gereserveerd voor scholing. Docenten kunnen bij de afdelingdirecteur aangeven welke scholing zij willen doen, vanuit het functioneringsgesprek, maar ook daarbuiten. Uit het Onderzoek Waardering Personeel (2003) blijkt dat 73 procent van het personeel tevreden is over de mogelijkheden om vakinhoudelijk op de hoogte te blijven. De mening van de studenten over de kwaliteit van de docenten blijkt uit de SSAenquêtes (2002), de HBO-monitor (2002) en de Keuzegids (2002/2003). Studenten zijn tevreden over de sfeer, de begeleiding en de feedback (met als negatieve uitschieter BML). De kwaliteit van docenten scoort tussen de 6,6 en 7,7. In het gesprek met vertegenwoordigers van het werkveld heeft het panel vastgesteld dat zij over het algemeen tevreden zijn over de kwaliteit van de docenten met wie zij contact 33

34 hebben, al ontbreekt het bij een aantal aan recente werkveldervaring. Via het lectoraat en via recent aangestelde medewerkers is wel kennis van het bedrijfsleven binnengehaald. Uit het zelfevaluatierapport blijkt dat door de sterke nadruk op didactische scholing er op dit moment niet genoeg tijd is voor het volgen van docentstages en het volgen van vakinhoudelijke workshops en het bezoeken van symposia. De opleiding noemt als verbeterpunt een hogere prioritering voor vakinhoudelijke scholing. Onderwerp 4 VOORZIENINGEN Facet 4.1 Materiële voorzieningen C Goed CT Goed BML Goed Criteria: - De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren. De voorzieningen zijn als goed beoordeeld. Dit oordeel is gebaseerd op: De afdeling Life Science & Technology heeft in 1997 samen met enkele andere technische opleidingen een nieuw gebouw betrokken. Zij kan gebruik maken van de algemene voorzieningen en beschikt daarnaast over specifieke practicumvoorzieningen. De afdeling beschikt over zeven laboratoriumzalen en een chemisch-technologische hal. Voor de propedeusestudenten is er een aparte practicumruimte om ze te laten wennen aan een professionele werkomgeving en het denken aan veiligheid te ontwikkelen. Het panel heeft tijdens de rondleiding vastgesteld dat de voorzieningen goed zijn: er zijn uitstekend toegerust en voldoende werkplekken voor studenten en docenten, de mediatheek biedt een basisvoorziening, maar studenten kunnen gebruik maken van de universitaire bibliotheek, de ICT-faciliteiten zijn prima met 300 aansluitpunten voor laptops en ICT-lokalen met specifieke programmatuur voor de opleidingen, de practicumruimten zijn voldoende toegerust. Uit het gesprek met studenten en via toegang tot het elektronisch systeem heeft het panel vastgesteld dat Blackboard als communicatie- en discussie-instrument begint te werken. De afdeling heeft de gangbare apparatuur in de practicumruimten staan. Een knelpunt vormt het investeringsbudget dat vervanging of uitbreiding van apparatuur niet altijd toelaat. Een criterium voor een stage- en afstudeerplaats is daarom de mogelijkheid voor studenten om ervaring met geavanceerde technologieën en apparatuur op te doen. Studenten en afgestudeerden gaven echter in de gesprekken aan dat door het werken met oudere apparatuur een student beter doorgrondt hoe iets werkt, mede door het programmeren/instellen van de apparatuur. Uit de SSA-enquêtes, de blokevaluaties en de Keuzegids blijkt dat studenten de voorzieningen positief waarderen (met als negatieve uitschieter de faciliteiten bij BML): scores van 5.3 tot

35 Facet 4.2 Studiebegeleiding C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - De studiebegeleiding en informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op de studievoortgang. - De studiebegeleiding en informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten. De studiebegeleiding is als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: Binnen de Faculteit Techniek is er al jaren een gezamenlijk beleid voor studiebegeleiding dat is vastgelegd in het Handboek Studieloopbaanbegeleiding. Inmiddels zijn er nieuwe kaders vastgesteld voor studieloopbaanbegeleiding, dat echter nog geïmplementeerd moet worden. De afdeling onderscheidt bij studieloopbaanbegeleiding de volgende aspecten: o Alle studenten krijgen in het eerste jaar een mentor, die zowel individuele als groepsgesprekken voert. De mentoren en de propedeusecoördinator overleggen regelmatig over de ontwikkeling van de studenten. o Na de propedeuse begeleidt een studieadviseur de studenten tijdens het binnenschool curriculum. De studieadviseur adviseert over de te volgen route tijdens de studie. Hiervoor moet de student het initiatief nemen. Bij vertraging worden studenten door de studieadviseur voor een gesprek uitgenodigd om een studieovereenkomst op te stellen. De student kan ook extra begeleiding krijgen. Wanneer hij zich niet aan de studieovereenkomst houdt, verliest hij zijn recht op extra begeleiding en extra toetsmogelijkheden. o De studievoortgang wordt vastgelegd in ProgRESS WWW. Studenten kunnen hun resultaten on line raadplegen. o De afdeling heeft een Bindend Studieadvies (BSA): de student moet in het eerste jaar minimaal 30 ec s behalen en binnen twee jaar het propedeusediploma. Wanneer een student na één jaar wel 30 ec s heeft verzameld, wordt een studieovereenkomst afgesloten waarin de nadruk ligt op het behalen van de propedeuse en de praktijkopdrachten uit het tweede jaar, om te voorkomen dat de student te veel vertraging oploopt. o Tijdens de stage en de afstudeerperiode worden studenten begeleid door de contactdocent die de voortgang van de stage en het afstuderen bewaakt. o De Hanzehogeschool Groningen beschikt over een decanaat waar studenten terecht kunnen met vragen over inschrijving, studiefinanciering en problemen van persoonlijk aard. o Voor studenten met een exotische vooropleiding en voor studenten die dat nodig hebben, bestaat gedurende de gehele studie de mogelijkheid van bijles. Uit de gesprekken met studenten en docenten heeft het panel vastgesteld dat de studiebegeleiding informatievoorziening in voldoende mate functioneert. 35

36 Uit de SSA-enquêtes (2001/2002), de HBO-monitor (2002) en de Keuzegids (2002/2003) blijkt dat studenten in voldoende mate tevreden zijn over de studiebegeleiding en de informatievoorziening, met als negatieve uitschieter de onvoldoende informatie over studievoortgang bij C en CT. De afdeling gaat er vanuit dat met de nieuwe on line beschikbaarheid van informatie dit aspect beter zal scoren. Het panel heeft in het gesprek met studenten vastgesteld dat zij tevreden zijn over de cijferverwerking. Het panel heeft vastgesteld, na het bestuderen van het materiaal, dat volgens studenten de rol van coach bij docenten nog onvoldoende uit de verf komt. Uit het gesprek met studenten heeft het panel echter geconcludeerd dat studenten wel de verschillende rollen van docenten duidelijk vinden. De coach is in het eerste jaar sturend aanwezig in een tutorgroep, in jaar 2 als toehoorder en in jaar 3 is hij op afroep beschikbaar. Echter, docenten blijken de verschillende rollen nog niet eenduidig in te vullen. In het gesprek met het management en de docenten heeft het panel vastgesteld dat docenten een tweede training op het gebied van coaching krijgen. Onderwerp 5 INTERNE KWALITEITSZORG Facet 5.1 Evaluatie resultaten C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - De opleiding wordt periodiek geëvalueerd, mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. De evaluatie van de resultaten wordt als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: De kwaliteitszorgactiviteiten van de afdeling zijn erop gericht om de plan-do-check-actcirkel (PCDA-cyclus) te doorlopen. De afdeling heeft voor de evaluaties (de checkfase) de volgende streefdoelen geformuleerd: bij tevredenheidsonderzoeken 70 procent tevredenheid, accreditatie behalen, niveau 3 voor alle onderdelen EFQM, binnen de begroting blijven, geen klachten over informatievoorziening, vasthouden kennis- en vaardighedenniveau van het personeel, vasthouden huidige onderwijsvraagfactor, bij klachten zo spoedig mogelijk actie en terugkoppeling naar aanbrenger, bij ideeën idem. De kwaliteitszorg van de afdeling wordt uitgevoerd volgens het EFQM-instrument. De afdelingsonderwijskundige coördineert de activiteiten. De eindverantwoordelijkheid ligt bij de afdelingsdirecteur. De afdeling zet de volgende instrumenten in: o Eén maal per zes jaar stelt de afdeling een zelfevaluatierapport op in verband met accreditatie. o Eén maal per drie jaar wordt een EFQM-consensus en audit gehouden. o Onderzoek waardering Personeel, tweejaarlijks. 36

37 o Alumni-onderzoek via HBO-monitor, jaarlijks. o Aansluitingsmonitor o Studententevredenheidsonderzoek (SSA), tweejaarlijks o Keuzegids, ongeveer driejaarlijks o Blokevaluaties, elk kwartaal, zowel via Blackboard als via klassengesprekken. o Werkgeverstevredenheidsonderzoek. Een probleem bij deze instrumenten is de lage respons waardoor de validiteit en betrouwbaarheid niet erg groot is. Door de nabespreking met studenten zijn de resultaten van de blokevaluaties betrouwbaarder. Hoewel de elementen voor een samenhangend kwaliteitsbeleid aanwezig zijn, stelt de afdeling in het zelfevaluatierapport dat er nog geen integraal systeem is. Na het bestuderen van het materiaal heeft het panel vastgesteld dat er veel gemeten wordt, maar dat er geen meta-analyses beschikbaar zijn, zodat er geen inzicht is in bijvoorbeeld ontwikkelingen in de tijd of in de samenhang tussen verschillende onderzoeken. Facet 5.2 Maatregelen tot verbetering C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - De uitkomsten van deze evaluaties vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan de realisatie van de streefdoelen. De maatregelen tot verbetering worden als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: Uit de langjarige cycli van EFQM-audit en accreditatie volgen verbeterplannen (SMART geformuleerd: specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) die in een kortjarige cyclus worden op genomen. Het panel heeft vastgesteld dat in het afdelingsactiviteitenplan (AAP), ook wel jaarplan genoemd, de activiteiten van de afdeling voor een cursusjaar staan. Tijdens de uitvoering wordt de voortgang gemeten. De behaalde doelen en resultaten van het vorige AAP worden in het jaarverslag beschreven, zoals het panel heeft vastgesteld. De resultaten uit de evaluatie-instrumenten worden onder het personeel verspreid en besproken in het MT, het SRO of de afdelingsvergadering, zoals het panel in gesprekken met het management en de docenten heeft vastgesteld. Gezien de lage betrouwbaarheid van de meeste evaluaties worden de uitkomsten indicatief gebruikt. Wanneer de uitkomsten overeen komen met het subjectieve beeld van management en docenten, is er geen reden voor een ander beleid. Wanneer er verschil bestaat, wordt er nader onderzoek gedaan. Het hoge ambitieniveau van de afdeling blijkt uit de hoeveelheid verbeteractiviteiten in het AAP. Uit de gesprekken met het management en docenten heeft het panel geconcludeerd dat het management goed luistert naar signalen die de SRO s geven over 37

38 de haalbaarheid, in termen van tijd. Inzake de richting bestaat weinig verschil van mening. Facet 5.3 Betrekken van medewerkers, studenten, alumni en beroepenveld C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Dij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers, studenten, alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken. De medewerkers, studenten, alumni en beroepenveld worden voldoende betrokken bij kwaliteitszorg. Dit oordeel is gebaseerd op: De afdeling streeft ernaar medewerkers, studenten, alumni, het afnemend beroepenveld en de WAC bij de kwaliteitscirkel te betrekken. Zij organiseert evaluaties onder deze groepen en informeert hen over de resultaten, verbeterplannen en de resultaten daarvan. De afdeling maakt in een schema in het zelfevaluatierapport duidelijk op welke wijze zij welke groep waarover informeert. In de gesprekken met docenten en management heeft het panel geconstateerd dat het SRO een belangrijke rol speelt bij de verdere ontwikkeling van het curriculum en de toetsing. De kennisuitwisseling binnen dit gremium moet volgens het zelfevaluatierapport versterkt worden, hoewel docenten in het gesprek zich hierover tevreden tonen. Uit de SSA-enquêtes (2001, 2002, 2003), de blokevaluaties (2002/2003) en de Keuzegids (2002/2003) blijkt een grote betrokkenheid van studenten bij de kwaliteit van de opleidingen, scores van 7.1 tot 10. In het gesprek met studenten heeft het panel vastgesteld dat studenten in het eerste jaar geïnformeerd worden over het hoe en waarom van evalueren en wat er met de uitkomsten gebeurt. Het panel heeft geen alumnibeleid aangetroffen. Wel is er in de afgelopen maanden een eerste alumnibrief uitgegaan. Onderwerp 6 RESULTATEN Facet 6.1 Onderwijsrendement C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen. - Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. 38

39 Het onderwijsrendement wordt als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: De afdeling heeft streefcijfers geformuleerd na vergelijking van de resultaten van de afdeling met die van vergelijkbare opleidingen qua instroom in de Faculteit Techniek. Deze cijfers zijn gebaseerd op het gemiddelde van de afgelopen drie jaar. Tabel 1: streefcijfers Streefcijfers 2003 HAVO VWO MBO Gemiddeld Percentage uitvallers Na 1 jaar Na 2 jaar Na 3 jaar Percentage gediplomeerden Na 3 jaar Na 4 jaar Na 5 jaar Na 6 jaar Bron: Zelfevaluatierapport: Levensecht puzzelen, p.52 De resultaten over de afgelopen zeven jaar voldoen niet aan de voor die jaren geformuleerde streefcijfers, maar liggen beduidend hoger voor het percentage uitvallers respectievelijk lager voor het diplomarendement, zie als voorbeeld tabel 2. Tabel 2: resultaten Resultaten BML C CT Gemiddeld Percentage uitvallers 42,6 47,6 57,1 52,4 van cohort 2000 na 3 jaar Percentage gediplomeerden van cohort 1998 na 5 jaar 44,1 51,7 50,0 48,6 Bron: Zelfevaluatierapport: Levensecht puzzelen, p.58 Hoewel de afdeling volgens het zelfevaluatierapport de resultaten niet slecht vindt, worden de verwachtingen over de streefcijfers niet waargemaakt, waardoor de waarde van de streefcijfers door met name docenten in twijfel wordt getrokken. Daarom is er faculteitsbreed een procedure gestart om tot reëlere streefcijfers te komen. In het gesprek met het management heeft het panel vastgesteld dat de afdeling de oorzaken voor uitval en vertraging veelal bij de student legt: verkeerde studiekeuze en bijbaantjes. Wel zet de afdeling verschillende instrumenten in om vertraging en uitval tegen te gaan. In het voorlichtingsmateriaal en tijdens meeloopdagen worden studenten gewaarschuwd voor de zwaarte van de opleiding. Studenten die voortijdig vertrekken worden uitgenodigd voor een exitgesprek met de decaan. Het bindend studieadvies wordt met ingang van strenger. Het panel heeft geconstateerd dat de studieovereenkomst een goed instrument bij studievertraging is, maar door de opbouw van het curriculum is er weinig flexibiliteit om vertraging op te vangen. 39

40 Daarnaast wil de afdeling studieloopbaanbegeleiding, die nog ontwikkeld en ingevoerd moet worden, gaan inzetten voor het verbeteren van de rendementen. Uit het zelfevaluatierapport blijkt dat van de studiestakers een deel met het propedeusediploma doorstroomt naar de Rijksuniversiteit Groningen. Deze route blijkt echter niet altijd succesvol. De Hanzehogeschool en de RuG bieden daarom een schakelgarantie aan voor een effectief studievervolg. Facet 6.2 Gerealiseerd niveau C Voldoende CT Voldoende BML Voldoende Criteria: - De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen. Het gerealiseerd niveau is als voldoende beoordeeld. Dit oordeel wordt als volgt onderbouwd: De afdeling streeft na dat het gemiddelde cijfer voor het afstudeerexamen een zeven is, omdat daarmee gegarandeerd wordt dat de student in ruim voldoende mate voldoet aan de eindkwalificaties en vanaf 2005 aan competenties. Het gemiddelde eindcijfer van de afgelopen twee studiejaren was voor BML 7,9, voor C 7,7 en voor CT 7,7. De opleiding toetst de eindkwalificaties in een examen na afloop van de afstudeeropdracht waarin een beoordeling van het praktisch werk, het verslag en een mondelinge presentatie/verdediging van het afstudeerwerk met bijbehorende beoordeling plaatsvindt. Twee docenten van de opleiding treden als examinator op en worden daarbij geadviseerd door de bedrijfsmentor. Voor de beoordeling zijn standaardformulieren ontwikkeld met criteria voor het experimentele gedeelte, de verslaglegging en het mondeling examen / de presentatie. Een WAC-lid dat bij meer examens aanwezig is, bewaakt de consistentie van de beoordelingen. Wanneer een student zijn afstudeeropdracht in het buitenland vervult, wordt de examinering aan de samenwerkingspartner overgelaten. Dit geldt ook in het omgekeerde geval. Tijdens de EFQM-audit van november 2002 heeft, volgens het zelfevaluatierapport, de WAC grote tevredenheid getoond over de gerealiseerde kwalificaties. Dit wordt bevestigd in de verslagen van de WAC, die het panel heeft ingezien. Uit de SSA-enquêtes, de HBO-monitor en de Keuzegids blijkt dat studenten tevreden over de opleiding als geheel zijn: scores tussen 6,4 en 7,5. Uit een kleinschalig werkgeverstevredenheidsonderzoek van 2004 naar het beheersen van de tien generieke kernkwalificaties blijkt dat bij drie kwalificaties de beheersing van de afgestudeerden onder het gewenste niveau blijft: zelfstandig functioneren (5 van de 6 respondenten), samenwerken (4 van de 6) en communiceren (4 van de 6). De resultaten worden door de WAC niet herkend. 40

41 In het gesprek met de afgestudeerden en de vertegenwoordigers van het werkveld heeft het panel vastgesteld dat het negatieve beeld over de drie genoemde kernkwalificaties niet herkend wordt. Afgestudeerden voelen zich in staat zelfstandig onderzoek op te zetten en uit te voeren. Vertegenwoordigers van het werkveld onderkennen verschillen in zelfstandigheid, maar de basis is goed en in de praktijk leren de afgestudeerden snel. Wel komt als zwak punt naar voren de schriftelijke taalbeheersing. Dit blijkt ook in de afstudeerproducten die gemiddeld van een hoog niveau zijn, maar zwak op het gebied taalgebruik. Daarnaast blijkt ook de structurering van het rapport een zwakker punt te vormen. Het panel heeft na bestudering van het materiaal vastgesteld dat het niveau van het afstudeerwerk voldoende is. Wel heeft het panel geconstateerd dat een onderzoeksvraag sterk vanuit een algoritmische oplossing wordt benaderd en niet vanuit reflectie. Deze reflectie heeft het panel ook niet aangetroffen in de stage- en scriptiebeoordelingen. 41

42 42

43 Deel C: Bijlagen 43

44 44

45 Bijlage 1: Onafhankelijkheidsverklaringen panelleden 45

46 46

47 Bijlage 2 Beknopte CV Panelleden 47

48 Panelsecretaris NQA Naam Göbel Initialen P. Tussenvoegsel(s) Titulatuur Drs. M/v V Geboortedatum Auditdeskundigheid Ja. Lloydstraining gevolgd. (Heeft u ervaring als INK- of ISO-auditor?) Oud voorzitter/lid visitatiecommissie (Wilt u aangeven of de hiernaast opgenomen informatie correct is en eventueel aanvullen) Heeft u gefunctioneerd als dagvoorzitter? Onderwijsdeskundigheid (Bent u onderwijskundige of werkzaam geweest in de onderwijssector) Werkvelddeskundigheid (Wilt u hierbij aangeven welke relevante werkervaring u heeft) Internationale deskundigheid (Wilt u hierbij aangeven of u deskundigheid over de internationale ontwikkeling van het vakgebied heeft) Domeindeskundigheid (Geef in de hiernaast gelegen kolom aan voor welk domein u deskundigheid heeft) Onderhoudt u relaties met één of meer opleidingen uit de hierboven door u aangegeven domeinen die een onafhankelijke beoordeling van 20 jaar werkzaam geweest in het HBO, in diverse functies en bij diverse opleidingen. die opleiding(en) kunnen verhinderen? Indien ja, wilt u aangeven voor welke opleiding(en) dat het geval is en wat de aard is van de relatie(s)? Opleiding(en) Tweedegraads lerarenopleiding: Nederlands en Engels Rijksuniversiteit Utrecht Nederlandse taal- en letterkunde Werkervaring Docent taalbeheersing bij de sector Economie Saxion Hogeschool Enschede Studentendecaan en vertrouwenspersoon bij de sector Economie Saxion Hogeschool Enschede Studentendecaan en vertrouwenspersoon bij de sectoren Welzijn en Arbeid, Lerarenopleiding Basisonderwijs en Conservatorium Directeur van het instituut Welzijn en Arbeid bij de Saxion Hogeschool Enschede Projectleider bij de afdeling Onderwijszaken van de Saxion Hogeschool Enschede Medewerker kwaliteitszorg bij de HBO-raad Auditor NQA Nee 48

49 Voorzitter Naam Weyzen Initialen W.P. Tussenvoegsel(s) Titulatuur dr. M/v M Geboortedatum Auditdeskundigheid Nee (Heeft u ervaring als INK- of ISO-auditor?) Oud voorzitter/lid visitatiecommissie Voormalig voorzitter visitatiecommissie LAV-1, (Wilt u aangeven of de hiernaast opgenomen Panellidmaatschap proefaccreditering hbo; informatie correct is en eventueel aanvullen) Heeft u gefunctioneerd als dagvoorzitter? Ja Onderwijsdeskundigheid (Bent u onderwijskundige of werkzaam geweest in de onderwijssector) Werkvelddeskundigheid (Wilt u hierbij aangeven welke relevante werkervaring u heeft) Internationale deskundigheid (Wilt u hierbij aangeven of u deskundigheid over de internationale ontwikkeling van het vakgebied heeft) Domeindeskundigheid (Geef in de hiernaast gelegen kolom aan voor Ben opgeleid als onderwijskundige met accent op leren en onderwijzen; ervaring in wo-sector Ervaring in het ontwikkelen, uitvoeren en evalueren van diverse vormen van onderwijs (college, practica, werkgroepen, individuele begeleiding van kleine groepen studenten en individuele studenten). Ja, via het bijhouden van literatuur welk domein u deskundigheid heeft) Opleiding(en) Gymnasium a Avond opleiding mo nederlands a (toenmalige school voor taal- en letterkunde) Doctoraal opleiding psychologie Universiteit Leiden 1985 Promotie op een schoolorganisatorisch onderwerp Universiteit Leiden Werkervaring Bankemployé Medewerker literaire uitgeverij Student-assistent bij departement psychologie Universiteit Leiden Werkzaam bij departement psychologie Universiteit Leiden als (hoofd)medewerker; voorzitter van diverse commissies gericht op verbetering en bewaking van onderwijskwaliteit; voorzitter en lid van toenmalige (sub)faculteitsraad; lid van toenmalige subfaculteitsbestuur Projectleider van bevordering studeerbaarheid van het onderwijsprogramma in de Sociale Faculteit Universiteit Leiden 2001-heden Nee Gastmedewerker (0.0 aanstelling) bij departement psychologie; taken ontwikkeling van onderwijs en begeleiden van studenten 49

50 Panellid Naam Laan Initialen G.P. Tussenvoegsel(s) van der Titulatuur dr. M/v M Geboortedatum Auditdeskundigheid Nee (Heeft u ervaring als INK- of ISO-auditor?) Oud voorzitter/lid visitatiecommissie Nee (Wilt u aangeven of de hiernaast opgenomen informatie correct is en eventueel aanvullen) Heeft u gefunctioneerd als dagvoorzitter? Nee Onderwijsdeskundigheid Nee (Bent u onderwijskundige of werkzaam geweest in de onderwijssector) Werkvelddeskundigheid Chemisch analystisch materiaalkundig, 7 jaar (Wilt u hierbij aangeven welke relevante praktijk en leiding gevend aan ca 10 werkervaring u heeft) hbo/universitair medewerkers Internationale deskundigheid Nee (Wilt u hierbij aangeven of u deskundigheid over de internationale ontwikkeling van het vakgebied heeft) Domeindeskundigheid Nee (Geef in de hiernaast gelegen kolom aan voor welk domein u deskundigheid heeft) Opleiding(en) Gymnasium B Chemie RUG Promotie TU Delft Werkervaring 1996-heden OcéTechnologisch: - groepsleider van HBO/Universitair opgeleide medewerkers - materiaalkundig onderzoek in analyse afdeling - INKT ontwikkeling (receptuur en aanmaak) 50

51 Panellid Naam Meer Initialen J.M. Tussenvoegsel(s) van der Titulatuur dr. M/v M Geboortedatum Auditdeskundigheid (Heeft u ervaring als INK- of ISO-auditor?) Nee Oud voorzitter/lid visitatiecommissie Vice voorzitter CTLO (3 voorzitters) (Wilt u aangeven of de hiernaast opgenomen informatie correct is en eventueel aanvullen) Heeft u gefunctioneerd als dagvoorzitter? Ja, meerdere keren Onderwijsdeskundigheid 1 e graad Natuurwetenschappen (Bent u onderwijskundige of werkzaam geweest in 1 jaar Scheikunde en natuurkunde Hervormd de onderwijssector) Lyceum A dam 4 jaar Analyse en praktijk HBO-B (ASA- A dam) 2 jaar Wetenschappelijk medewerker UvA 3 jaar bestuur Steunpunt Volwassen educatie Flevoland 3 jaar Beroepen begeleidingscie Laboratorium en techniek Hogeschool Drenthe te Emmen 4 jaar Freelance docent Academie voor Management en moderator Werkvelddeskundigheid 8 jaar analist Kon. Shell lab A dam (Wilt u hierbij aangeven welke relevante 2 jaar wetenschappelijk medewerker UvA werkervaring u heeft) 15 jaar Min v. Landbouw-IVVO hoofd laboratoria/wetenschappelijk onderzoeker (waarvan 2 jaar in Tanzania opzet research instituut en onderzoek in veevoeding /waardering) 13 jaar bij AVEBE, achtereenvolgens: hoofd analyse, research manager Technical Applications, Business manager Textile, Business Unit manager Industrial specialties Internationale deskundigheid (Wilt u hierbij aangeven of u deskundigheid over de internationale ontwikkeling van het vakgebied heeft) Domeindeskundigheid (Geef in de hiernaast gelegen kolom aan voor welk domein u deskundigheid heeft) en sinds 1 jan 2002 Directeur R&D Maak afspraken over en geef leiding aan internationale samenwerking met Universiteiten en Wetenschappelijke instituten in o.a. Europa, Azië en opkomend is Zuid Amerika. Geef ook leiding aan buitenlandse studenten. Scheikunde, m.n. Analyse, fysiologie, biochemie, immunochemie Opleiding(en) Mulo A+wiskunde Aanvullende Mulo B Analist deel I Avond HBS Doctoraal Wiskunde en natuurwetenschappen UvA Promotie onderzoek Wiskunde en natuurwetenschappen UvA Min van Landbouw: verschillende management programma s 1990 Instituut v. Organisatie psychologie: Integraal 51

52 management leergang Sociale wetenschappen Open Universiteit Acad. v. Management (RUG): Veranderings management, Comenius, Summercourse Cambridge Werkervaring jaar analist Kon. Shell lab A dam Militaire dienst Docent scheikunde/natuurkunde Hervormd Lyceum A dam Docent Analyse en praktijk HBO-B (ASA) jaar wetenschappelijk medewerker UvA jaar Min v. Landbouw-IVVO hoofd laboratoria/wetenschappelijk onderzoeker (waarvan 2 jaar in Tanzania opzet research instituut en onderzoek in veevoeding /waardering) DGIS Vice Voorzitter Visitatiecie HBO-raad heden Freelance docent Academie v. Management heden 13 jaar bij AVEBE, achtereenvolgens: hoofd analyse, research manager Technical Applications, Business manager Textile, Business Unit manager Industrial specialties en sinds 1 jan 2002 Directeur R&D 52

53 Panellid Naam Remie Initialen R.R. Tussenvoegsel(s) Titulatuur Prof. Dr. M/v M Geboortedatum Auditdeskundigheid Nee (Heeft u ervaring als INK- of ISO-auditor?) Oud voorzitter/lid visitatiecommissie Lid visitatiecommissie Landbouw (Wilt u aangeven of de hiernaast opgenomen informatie correct is en eventueel aanvullen) Heeft u gefunctioneerd als dagvoorzitter? Ja, als dagvoorzitter Onderwijsdeskundigheid (Bent u onderwijskundige of werkzaam geweest in de onderwijssector) Werkvelddeskundigheid (Wilt u hierbij aangeven welke relevante werkervaring u heeft) Internationale deskundigheid (Wilt u hierbij aangeven of u deskundigheid over de internationale ontwikkeling van het vakgebied heeft) Domeindeskundigheid Nee (Geef in de hiernaast gelegen kolom aan voor welk domein u deskundigheid heeft) Opleiding(en) Werkervaring tot heden 1989 tot tot tot tot heden Hoogleraar microchirurgie en experimentele technieken bij proefdieren Farmacoloog, proefdierdeskundige, management. Wetenschappelijk directeur IMTC Ja, lid van enkele Europese en internationale vakverenigingen HBS-B Universiteit Groningen, Farmacie Promotieonderzoek PAO Proefdierkunde, Utrecht Solvay Pharmaceuticals, Farmacoloog Proefdierdeskundige en Hoofd Afdeling Proefdierkunde Hoofd Afdeling Bedrijfsgezondheidsdienst Hoogleraar microchirurgie en experimentele technieken bij proefdieren Voorzitter Stichting Microsurgical Developments 1990 tot heden 2001 tot heden DGA 3-R s Education and Consultancy 2001 tot heden DGA, scientific Director, International Microsurgical Training Centre 53

54 Studentlid Naam Harmelen Initialen J. Tussenvoegsel(s) van Titulatuur M/v V Geboortedatum Opleiding Welke opleiding volgt u thans? Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek Wat is de naam van het opleidingsinstituut? Hogeschool Leiden In welk studiejaar studeert u? derde jaar Volgt u een voltijd, deeltijd, duale of Voltijd studie afstandsstudie of wellicht anderszins? Bij welke activiteiten bent u binnen de opleiding De Opleidingscommissie betrokken? Auditdeskundigheid Nee (Heeft u ervaring als INK- of ISO-auditor?) Bent u eerder lid geweest van een visitatiecommissie? Nee Onderwijsdeskundigheid Nee (Bent u onderwijskundige of werkzaam geweest in de onderwijssector) Werkvelddeskundigheid Nee (Wilt u hierbij aangeven welke relevante werkervaring u heeft) Internationale deskundigheid Nee (Wilt u hierbij aangeven of u deskundigheid over de internationale ontwikkeling van het vakgebied heeft) Domeindeskundigheid Nee (Geef in de hiernaast gelegen kolom aan voor welk domein u deskundigheid heeft) Opleiding(en) VWO 2000-heden HLO Leiden, moleculaire biologie Werkervaring Oproepkracht thuiszorg 54

55 Bijlage 3 De zelfevaluatie in verband met NVAO-accreditatie Vragen en aanwijzingen Basiskwaliteit HBO-bachelor Maart

56 56

57 Onderwerp Facet Preambule Doelstellingen van de opleiding (beoogde eindkwalificaties) Niveau Bachelor Domeinspecifieke eisen Oriëntatie HBO bachelor Programma Eisen HBO Relatie doelstellingen en inhoud programma Samenhang in opleidingsprogramma Studielast Instroom Duur Afstemming tussen vormgeving en inhoud Beoordeling en toetsing Inzet van personeel Eisen HBO Kwantiteit personeel Kwaliteit personeel Voorzieningen Materiële voorzieningen Studiebegeleiding Interne kwaliteitszorg Evaluatie resultaten Maatregelen tot verbetering Betrekken van medewerkers, studenten, alumni en beroepenveld Resultaten Onderwijsrendement Gerealiseerde niveau Bijzondere kwaliteitskenmerken (facultatief) Differentiatie en profilering Kwaliteit Concretisering Onderscheidend karakter Bijlage1. Kengetallen

58 Preambule Uitgangspunt Een zelfevaluatie kan meerdere functies hebben en vele doelen dienen. De waarde ligt in eerste instantie in de mate waarin de opleiding de zelfevaluatie benut voor de eigen beleidsvoering, in het bijzonder wat betreft de interne kwaliteitszorg. In deze brochure ligt echter de nadruk op de zelfevaluatie in dienst van de accreditatieaanvraag bij de NVAO. Er wordt in die zin dus ingezoomd op de verantwoordingsfunctie en op basiskwaliteit. De onderwijsinstelling dient met een extern onafhankelijk visitatierapport aan te tonen dat haar opleiding aan de kwaliteitscriteria van de NVAO voldoet. De zelfevaluatie vormt het vertrekpunt voor de objectieve oordeelsvorming door een extern visitatiepanel. De mate waarin de zelfevaluatie op overtuigende wijze aantoont dat aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan, bepaalt voorts de intensiteit van nadere materiaalbestudering en gespreksvoering door het visitatiepanel. Kwaliteitscriteria NVAO Voor het beoordelen van basiskwaliteit zijn door de NVAO in totaal 30 kwaliteitscriteria geformuleerd, die zijn ondergebracht bij 21 facetten. Per facet moet uiteindelijk door een visitatiepanel worden bepaald of de opleiding hierop een: - onvoldoende - voldoende - goed of - excellent scoort. De 21 facetten zijn op hun beurt ingedeeld naar 6 onderwerpen. Het oordeel dat een visitatiepanel velt per onderwerp komt tot stand op basis van weging van oordelen over de afzonderlijke facetten van dat onderwerp. Voor een positief totaaloordeel moet het oordeel over elk onderwerp tenminste voldoende zijn. 30 criteria 21 facetten 6 onderwerpen totaaloordeel Centrale vragen bij oordeelsvorming (visitatiepanel) Om te bepalen of aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan, zijn voor de externe kwaliteitsbeoordelaars van NQA de volgende vragen van belang: - Doelen: welke ambitie heeft de opleiding ten aanzien van een bepaald onderwerp: welke kwaliteit wordt nagestreefd; welke resultaten worden beoogd, kortom; wat zijn de eigen doelen? - Borging: hoe borgt de opleiding dat deze doelen kunnen worden bereikt; zijn beleid, management en processen logisch op die eigen doelen afgestemd? - Resultaten: hoe verhouden de resultaten zich tot de eigen doelen (mede in vergelijking met andere opleidingen)? 58

59 - Verbetering: indien het borgen en bereiken van de doelen te wensen overlaat, zijn er dan verbeteringen in het vooruitzicht? Informatiegehalte zelfevaluatie Om de bovenstaande vragen te kunnen beantwoorden, zal de zelfevaluatie hierover voldoende informatie moeten bevatten. Het gaat dan om de volgende vier typen van informatie: 1. Richtinggevende informatie: eigen visie en doelstellingen, eigen kwaliteitsopvattingen, waar mag de opleiding op worden afgerekend? 2. Beschrijvende informatie: hoe reilt en zeilt de opleiding, hoe zijn processen ingericht, welke afspraken zijn gemaakt, etc.? 3. Evaluatieve informatie: worden de doelen bereikt, hoe waarderen betrokkenen (met name studenten, afnemers en personeel) de verschillende facetten (evaluatieuitkomsten), en welke kwantitatieve resultaten worden bereikt (kengetallen)? 4. Analytische informatie: gezien 1 t/m 3: hoe is het met de kwaliteit gesteld, welke conclusies kunnen hierover worden getrokken, worden de eigen doelen waargemaakt, zijn er discrepanties tussen doelstelling en doelbereiking, welke oorzaken zijn er voor aan te wijzen en welke verbeteringen zijn (of worden) hierop ingezet? Om te bewaken dat het informatiegehalte voldoende is voor de oordeelsvorming zijn per facet relevante vragen ter beantwoording door de opleiding gegeven. Deze vragen zijn dus rechtstreeks ontleend aan de NVAO-facetten en -criteria. Als hulpmiddel voor de beantwoording van die vragen zijn per vraag aanwijzingen voor die beantwoording gegeven. Opbouw zelfevaluatie Het is van belang dat de visitatiepanels de benodigde informatie voor elk van de 21 facetten op een efficiënte wijze tot zich kunnen nemen. Dit zou kunnen door de opbouw van de zelfevaluatie (de hoofdstukindeling) het NVAO-kader te laten volgen: I. Doelstellingen van de opleiding (beoogde eindkwalificaties) II. Programma III. Inzet van personeel IV. Voorzieningen V. Interne kwaliteitszorg VI. Resultaten VII. Indien van toepassing: Bijzonder kwaliteitskenmerk Een andere ordening is mogelijk, mits de benodigde informatie per facet snel toegankelijk is voor de panels. Hierover kunt u desgewenst afspraken maken met NQA. Zoals hierboven reeds is aangegeven, stelt NQA ten aanzien van elk facet een of meerdere vragen waarop in de zelfevaluatie een antwoord wordt gegeven. Deze vragen hebben 59

60 betrekking op het betreffende facet en de daarbij behorende criteria. Voor de beantwoording van die vragen zijn aanwijzingen gegeven over zaken die beschreven en documenten waarnaar verwezen kan worden. Deze aanwijzingen zijn indicatief en niet voorschrijvend bedoeld. Omvang Het zelfevaluatierapport zal als zelfstandig document gelezen moeten kunnen worden; het zal dus voldoende informatie moeten bevatten. Bijlagen dienen als naslagwerk. Gevraagd wordt om de volgende bijlagen mee te sturen: - overzicht van beoogde eindkwalificaties; - het beroepsprofiel; - studiegids; - overzicht van programma/curriculum (voor elke variant en locatie); - overzicht van personeel (kwalificaties docenten); - kengetallen. In het zelfevaluatierapport kan daarnaast belangrijke informatie uit andere documenten worden opgenomen, onder verwijzing naar deze documenten (die tijdens het bezoek ter inzage worden gelegd). In de aanwijzingen is te vinden om welke documenten het kan gaan. Indien dat nodig is voor de oordeelsvorming door de panels, kan de opleiding (zowel vóór, tijdens, als na het bezoek) om aanvullende informatie gevraagd worden. NQA zal zich echter inspannen om de informatielast zo beperkt mogelijk te houden. Door het duidelijk verwijzen naar andere documenten kan het zelfevaluatierapport beperkt blijven tot ten hoogste 40 pagina s per opleiding, in uitzonderlijke gevallen van grote complexiteit (veel locaties en varianten) tot maximaal 80 pagina s. 60

61 1. Doelstellingen van de opleiding (beoogde eindkwalificaties) 1.1 Niveau Bachelor - De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene, internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor. 1.2 Domeinspecifieke eisen - De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk). 1.3 Oriëntatie HBO bachelor - De eindkwalificaties zijn mede ontleend aan de door (of in samenspraak met) het relevante beroepenveld opgestelde beroepsprofielen en/of beroepscompetenties. - De eindkwalificaties weerspiegelen het niveau van beginnend beroepsbeoefenaar in een specifiek beroep of samenhangend spectrum van beroepen waarvoor een HBOopleiding vereist is of dienstig is. 61

62 Vragen Welke eindkwalificaties worden beoogd? Bij welke algemene, internationaal geaccepteerde beschrijving van het bachelorniveau sluiten de beoogde eindkwalificaties aan? Op welk specifiek beroep of samenhangend spectrum van beroepen hebben de beoogde eindkwalificaties betrekking? Bij welke eisen van (buitenlandse) vakgenoten en de (buitenlandse) beroepspraktijk sluiten de beoogde eindkwalificaties aan? Aan welke door het beoogde beroepenveld opgestelde beroepsprofielen en/of beroepscompetenties zijn de beoogde eindkwalficaties ontleend? Waaruit blijkt dat de beoogde eindkwalificaties betrekking hebben op (ten minste) het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar? Facet Aanwijzing 1.1 Verwijs naar een document waarin expliciet is beschreven 1.2 voor welke specifieke competenties of specifieke kennis, 1.3 houding, inzicht en vaardigheden de opleiding studenten beoogt op te leiden. Voeg dit document bij als bijlage. 1.1 Geef aan wat voor de instelling het bachelorniveau van een (beroepsgerichte) opleiding bepaalt. Welk internationaal referentiekader heeft de instelling hiervoor? Beschrijf hoe dit referentiekader in de beoogde eindkwalificaties tot uitdrukking komt. U zou hiervoor de Dublin -descriptoren (zie bijlage 2 in het NVAOaccreditatiekader) kunnen gebruiken. Deze beschrijven het bachelorniveau op een generiek abstractieniveau. De opleiding zou daarbij per descriptor kunnen aangeven voor welke beoogde eindkwalificaties de descriptor relevantie heeft. Indien u hierbij ondersteuning nodig heeft, of als u wilt weten hoe de Dublin-descriptoren zich verhouden tot de generieke kernkwalificaties van de Commissie Franssen/ proefaccreditering, neemt u dan contact op met NQA. 1.3 Beschrijf het beroepenveld waarvoor de opleiding beoogt op te leiden. 1.2 Verwijs naar het document waarin de wensen en behoeften van het beoogde beroepenveld tot uitdrukking komen. Voeg dit document als bijlage bij het zelfevaluatierapport. Het gaat hierbij om een actueel, door (of in samenspraak met) het 1.2 werkveld opgesteld beroepsprofiel. Geef aan of er internationale standaarden voor het beroep (en daarmee voor de opleiding) bestaan. Denk daarbij ook aan buitenlandse beroeps- of opleidingsprofielen of specifieke gegevens over buitenlandse opleidingen. Beschrijf hoe dit referentiekader zich verhoudt tot de beoogde eindkwalificaties. 1.3 Wat moet de afgestudeerde ten minste kunnen en kennen om een goede start te kunnen maken in het beoogde beroepenveld? Beschrijf hoe dit in de beoogde eindkwalificaties tot uitdrukking komt. 62

63 2. Programma 2.1 Eisen HBO - Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats via vakliteratuur, aan de beroepspraktijk ontleend studiemateriaal en via interactie met de beroepspraktijk en/of (toegepast) onderzoek. - Het programma heeft aantoonbare verbanden met actuele ontwikkelingen in het vakgebied / de discipline - Het programma waarborgt de ontwikkeling van beroepsvaardigheden en heeft aantoonbare verbanden met de actuele beroepspraktijk. Vragen Op welke wijze beoogt de opleiding kennisontwikkeling door studenten plaats te laten vinden? Welke rol heeft vakliteratuur daarbij? Hoe ontleent de opleiding studiemateriaal aan de beroepspraktijk? Hoe komen studenten in aanraking met de actuele beroepspraktijk? Hoe wordt de ontwikkeling van beroepsvaardigheden vormgegeven? Op welke wijze is sprake van interactie met (toegepast) onderzoek? Hoe wordt geborgd dat studenten de actuele ontwikkelingen in het vakgebied/de discipline meekrijgen? Welke aantoonbare verbanden met de actuele beroepspraktijk heeft de opleiding? Ervaren studenten, afgestudeerden en afnemend werkveld dat sprake is van een actueel en praktijkgericht programma? Aanwijzingen Beschrijf hoe u de kennisontwikkeling door studenten programmeert. Voeg de studiegids bij als bijlage bij het zelfevaluatierapport. Beschrijf hoe gebruik gemaakt wordt van vakliteratuur over de opleiding als geheel. Stel (via de studiegids of via het materiaal dat ter inzage wordt gelegd) een lijst beschikbaar van vakliteratuur die wordt gebruikt. Beschrijf hoe de opleiding gebruik maakt van aan de praktijk ontleend studiemateriaal. Hoe wordt dat studiemateriaal ingezet in het programma? Geef aan hoe studenten in aanraking komen met de actuele beroepspraktijk: welke werkveldbezoeken, stages / praktijkperioden zijn in het programma opgenomen? Welke doelen zijn aan die programmadelen gekoppeld? Bij welke (buitenlandse) instellingen kunnen studenten stage lopen? Worden er gastcolleges gegeven door mensen uit het werkveld? Beschrijf hoe de ontwikkeling van beroepsvaardigheden binnen het programma vorm krijgt (bijvoorbeeld via vaardighedenlijn, praktijklessen, praktijkopdrachten, stages). Beschrijf hoe studenten in aanraking komen met (toegepast) onderzoek. Geef aan hoe relevante onderzoeksresultaten ingebracht worden in het programma. Zijn docenten betrokken bij de opzet / uitvoering van onderzoek? Is er een lectoraat of kenniskring dat specifieke betekenis heeft voor de opleiding? Moeten studenten zelf onderzoeksopdrachten uitvoeren, of moeten zij met onderzoeksresultaten werken? Geef aan hoe u waarborgt dat de actuele ontwikkelingen in het vakgebied/discipline binnen het programma aan bod komen. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van recente artikelen uit vaktijdschriften, afspraken / beleid rond de actualisering van de inhoud van modulen en daarbij horende readers. Beschrijf de structurele contacten met de beroepspraktijk. Is er bijvoorbeeld een werkveldcommissie? Zijn er andere verbanden met de actuele beroepspraktijk? Wat is de invloed hiervan op het programma? Geef aan welke evaluatieresultaten beschikbaar zijn (oordelen studenten, afgestudeerden, werkveld) over actualiteit en praktijkgerichtheid van het opleidingsprogramma (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Heeft dit geleid tot verbeteractiviteiten? 63

64 2.2 Relatie doelstellingen en inhoud programma - Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties, qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen. - De eindkwalificaties van de doelstellingen zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. - De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken. Vragen Wat is het programma van de opleiding? Hoe worden de beoogde eindkwalificaties qua niveau (zie 1.1) geconcretiseerd in het programma? Hoe worden de beoogde eindkwalificaties qua oriëntatie (zie 1.3) geconcretiseerd in het programma? Hoe worden de beoogde eindkwalificaties qua domeinspecifieke eisen (zie 1.2) geconcretiseerd in het programma Hoe vindt de vertaling van eindkwalificaties in leerdoelen in het programma plaats? Ervaren studenten dat door middel van het programma de eindkwalificaties kunnen worden bereikt? Aanwijzingen Beschrijf kort het programma van de opleiding, inclusief (voornaamste verschillen tussen) eventuele varianten en locaties. Voeg een overzicht van het programma (curriculum) bij als bijlage bij het zelfevaluatierapport. Geef daarbij aan hoe de eindkwalificaties qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen worden geconcretiseerd in het curriculum. Beschrijf hoe binnen de opleiding geborgd wordt dat alle kwalificaties binnen het programma gedekt zijn. Beschrijf hoe de koppeling van de beoogde eindkwalificaties aan leerdoelen van programmaonderdelen tot stand is gekomen. Geef in het programmaoverzicht aan welke leerdoelen bij welke eindkwalificaties horen. Geef aan welke evaluatieresultaten beschikbaar zijn (oordelen afgestudeerden, studenten) over de aansluiting van het opleidingsprogramma op de beoogde eindkwalificaties (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Heeft dit geleid tot verbeteractiviteiten? 64

65 2.3 Samenhang in opleidingsprogramma - Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend opleidingsprogramma. Vragen Hoe wordt geborgd dat studenten een inhoudelijk samenhangend programma volgen? Ervaren studenten die samenhang ook? Aanwijzingen Geef aan welke samenhang naar uw opvatting in het programma bestaat. Is er een logische relatie tussen programmaonderdelen en tussen studiefases; hoe worden deze op elkaar afgestemd? Besteed ook aandacht aan eventuele internationale programmaonderdelen en hoe deze passen binnen de visie op internationalisering. Geef aan op welke manier de samenhang in de opleiding gewaarborgd wordt. Welke rol speelt het opleidingsmanagement daarin, hoe vindt afstemming tussen (groepen) docenten plaats? Geef aan welke evaluatieresultaten beschikbaar zijn (oordelen studenten, afgestudeerden) over de inhoudelijke samenhang binnen het opleidingsprogramma (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Heeft dit geleid tot verbeteractiviteiten? 2.4 Studielast - Het programma is studeerbaar doordat factoren, die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen. Vragen Hoe worden factoren die de studievoortgang belemmeren weggenomen? Ervaren studenten een studeerbaar programma? Aanwijzingen Geef aan wat de opleiding doet om een efficiënte studievoortgang mogelijk te maken. Hoe houdt de opleiding zicht op de vraag of zich belemmerende factoren voordoen? Welke stappen zet de opleiding wanneer zich problemen voordoen? Geef aan welke evaluatieresultaten beschikbaar zijn (oordelen studenten, afgestudeerden) over de studeerbaarheid van het opleidingsprogramma (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Heeft dit geleid tot verbeteractiviteiten? 65

66 2.5 Instroom - Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: VWO, HAVO, middenkaderopleiding of specialistenopleiding (WEB) of daarmee vergelijkbare kwalificaties, blijkend uit toelatingsonderzoek Vraag Hoe wordt geborgd dat er aansluiting is qua vorm? Hoe wordt geborgd dat er is aansluiting is qua inhoud? Hoe wordt gedifferentieerd tussen instromende VWO-studenten, HAVOstudenten en andere instromende studenten? Ervaren studenten de aansluiting ook? Aanwijzing Geef aan welke werkvormen de opleiding hanteert aan de start van de opleiding. Hoe sluiten die werkvormen aan op de vooropleiding van studenten? Beschrijf eventuele activiteiten die de opleiding aanbiedt om studenten te introduceren in de verwachte studiehouding cq. de gehanteerde werkvormen. Geef aan welke toelatingseisen de opleiding stelt, welke deficiëntieprogramma s worden aangeboden voor studenten die bepaalde vakken niet voldoende beheersen, en/of welke mogelijkheden er zijn voor bijscholing dan wel extra begeleiding. Beschrijf welke verkorte leerroutes worden aangeboden, en hoe en wanneer studenten in aanmerking komen voor vrijstellingen. Geef aan hoe de opleiding nagaat of sprake is van voldoende inhoudelijke aansluiting. Wordt bijvoorbeeld een assessment gehanteerd voor instromende studenten? Geef aan op welke manier gedifferentieerd wordt tussen VWO-instroom, HAVO-instroom en anderen. Beschrijf of en hoe de opleiding studieresultaten van verschillende groepen monitort, en hoe wordt ingespeeld op voorkomende aansluitingsproblemen. Welke activiteiten worden ondernomen om de aansluiting van (buitenlandse) studenten met een buitenlandse vooropleiding te bevorderen? Geef aan welke evaluatieresultaten beschikbaar zijn (oordelen studenten) over de aansluiting van de opleiding op de vooropleiding (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Heeft dit geleid tot verbeteractiviteiten? 2.6 Duur - De opleiding voldoet aan formele eisen m.b.t. de omvang van het curriculum: HBObachelor: 240 studiepunten. Vragen Voldoet de opleiding aan de formele eis van 240 studiepunten? Waaruit blijkt dat? Aanwijzingen Geef aan hoe uit de opbouw van het opleidingsprogramma en de omvang van modulen blijkt dat de totale studiebelasting van de opleiding aan de formele eis voldoet. 66

67 2.7 Afstemming tussen vormgeving en inhoud - Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen. - De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept. Vragen Wat is het didactisch concept van de opleiding? Hoe verhoudt dat didactisch concept zich tot de beoogde eindkwalicaties (doelstellingen)? Ervaren studenten dat de gehanteerde werkvormen adequaat zijn en aansluiten bij het didactisch concept? Aanwijzingen Beschrijf het didactisch concept van de opleiding. Beschrijf kort hoe het didactisch concept zich verhoudt tot (afgestemd is op) de doelstellingen van de opleiding. Beschrijf de uitwerking van het didactisch concept naar het gebruik van verschillende werkvormen binnen de opleiding. Geef aan welke evaluatieresultaten beschikbaar zijn (oordelen studenten, afgestudeerden) over het didactisch concept en de gehanteerde werkvormen binnen de opleiding (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Heeft dit geleid tot verbeteractiviteiten? 2.8 Beoordeling en toetsing - Door de beoordelingen, toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd. Vragen Op welke wijze worden studenten beoordeeld, getoetst en geëxamineerd? Ervaren studenten dat zij adequaat getoetst worden op het behalen van de beoogde leerdoelen? Aanwijzingen Beschrijf het toetsbeleid en de verschillende toetsvormen van de opleiding. Betrek hierbij ook de stage- en afstudeeropdrachten. Geef aan hoe de toetsvormen zich verhouden tot de doelstellingen van de opleiding en de leerdoelen. Beschrijf welke afspraken bestaan ten aanzien van de formulering en toepassing van beoordelingscriteria en de verzorging van feedback aan studenten. Geef aan hoe de kwaliteit van de toetsen binnen de opleiding wordt geborgd. Als studenten toetsing bij een buitenlandse instelling of bij een instelling in het werkveld ondergaan, hoe vergewist zich de opleiding dan van de kwaliteit van deze toetsing? Geef aan welke evaluatieresultaten beschikbaar zijn (oordelen studenten, afgestudeerden) over de gehanteerde toetsvormen, het niveau van de toetsen en de feedback die studenten over resultaten krijgen (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Heeft dit geleid tot verbeteractiviteiten? 67

68 3. Inzet van personeel 3.1 Eisen HBO - Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door personeel dat een verbinding legt tussen de opleiding en de beroepspraktijk. 3.2 Kwantiteit personeel - Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen. 3.3 Kwaliteit personeel - Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. Vragen Welk deel van de opleiders legt een verbinding met de beroepspraktijk? Waaruit blijkt dat sprake is van voldoende personeel om de gewenste kwaliteit te verzorgen? Hoe wordt geborgd dat de opleiders gekwalificeerd zijn voor de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma? Ervaren studenten en opleiders zelf dat opleiders gekwalificeerd zijn? Facet Aanwijzingen 3.1 Geef aan welk deel van de opleiders beschikt over recente ervaring met en/of kennis van de beroepspraktijk. Voeg een overzicht van het personeel als bijlage bij het zelfevaluatierapport. Neem in dit overzicht de leeftijd, het geslacht en de kwalificaties van docenten/opleiders op, met name de gevolgde opleidingen, cursussen en trainingen, huidige en vorige werkkringen en functies, eventuele docentstages en andere relevante informatie over de interactie met de beroepspraktijk. 3.2 Beschrijf de visie van de opleiding op de verhouding tussen de omvang van het personeel en de gewenste kwaliteit. Reflecteer op de actuele en gewenste student/docent ratio. Hoe hoog is het ziekteverzuim? Wat zijn de streefcijfers voor de werkbelasting van docenten en hoe verhoudt zich dit tot de ervaren werkbelasting? Als er personeelstekorten zijn, hoe gaat de opleiding dan hiermee om? 3.3 Beschrijf de visie van de opleiding op de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische kwalificaties van docenten/opleiders. Geef aan hoe gebruik wordt gemaakt van scholing en professionalisering om deze kwalificaties te verbeteren c.q. op peil te houden. Welke rol hebben functionerings- en beoordelingsgesprekken (frequentie, inhoud) hierbij? Hoe worden docenten/opleiders in de gelegenheid gesteld om actuele (internationale) ontwikkelingen in het beroepenveld en vakgebied te volgen? Als er onderwijs in een vreemde taal wordt verzorgd, hoe borgt de opleiding dan de kwaliteit daarvan (vreemde taalbeheersing van docenten)? 3.3 Geef aan welke evaluatieresultaten beschikbaar zijn (oordelen studenten en opleiders) over de inhoudelijke (inclusief beroepspraktijkkennis/ervaring), onderwijskundige en organisatorische kwalificaties (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Heeft dit geleid tot verbeteractiviteiten? 68

69 4. Voorzieningen 4.1 Materiële voorzieningen. - De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren. Vragen Waaruit blijkt dat huisvesting en materiële voorzieningen toereikend zijn om het programma te realiseren? Ervaren studenten en docenten dat de huisvesting en materiële voorzieningen toereikend zijn? Aanwijzingen Beschrijf de locatie, de bibliotheek- of mediatheek, de ICT-voorzieningen, en de onderwijs-, praktijk-, studieen werkruimten. Geef daarbij aan hoe wordt getoetst of met de bestaande huisvesting en materiële voorzieningen het programma gerealiseerd kan worden. Zijn deze afgestemd op de behoeften van eventuele buitenlandse, deeltijd- en duaal studenten? Welke verbeteringen zijn gepland, op welke termijn, en welke middelen zijn daarvoor gereserveerd? Verwijs naar opinies over huisvesting en materiële voorzieningen in studenten- en docentenevaluaties (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Wat is er met de uitkomsten gedaan? 4.2 Studiebegeleiding. Vragen Hoe dragen de studiebegeleiding en informatievoorziening bij aan de studievoortgang van studenten? Ervaren studenten dat de studiebegeleiding en informatievoorziening voldoet aan hun behoeften? Aanwijzingen Beschrijf het systeem van studiebegeleiding en studievoortgangsregistratie. Beschrijf ook hoe de informatievoorziening aan studenten plaatsvindt. Geef bij deze beschrijvingen aan, mede aan de hand van rendementscijfers, welke knelpunten er zijn met betrekking tot de studievoortgang. Heeft dit gevolgen voor de studiebegeleiding of de informatievoorziening aan studenten? Als er (veel) buitenlandse studenten zijn, geef dan aan of hier speciale voorzieningen voor zijn getroffen. Verwijs naar opinies over studiebegeleiding en informatievoorziening in studentenevaluaties (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Besteed daarbij speciale aandacht aan de begeleiding van studenten in de propedeuse en tijdens de (binnenen buitenlandse) stages en in de afstudeerfase. Ga ook in op studenttevredenheid over zaken als roosters, toegankelijkheid van en informatieverstrekking door docenten. Geef aan wat met de uitkomsten van deze studentenevaluaties is gedaan. 69

70 5. Interne kwaliteitszorg 5.1 Evaluatie resultaten - De opleiding wordt periodiek geëvalueerd, mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. 5.2 Maatregelen tot verbetering - De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan de realisatie van de streefdoelen. 5.3 Betrekken van medewerkers, studenten, alumni en beroepenveld. - Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers, studenten, alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken. Vragen Welke aspecten worden geëvalueerd, hoe en met welke frequentie? Wat zijn daarbij de streefdoelen en hoe wordt getoetst of deze zijn bereikt? Waaruit blijkt dat uitkomsten van evaluaties tot verbeteringen hebben geleid? Op welke wijze worden: -medewerkers, -studenten, -alumni -afnemend beroepenveld bij de interne kwaliteitszorg betrokken? Facet Aanwijzing 5.1 Beschrijf de evaluaties die plaatsvinden en de frequentie daarvan, de onderwerpen (aspecten) waarop de evaluaties betrekking hebben, en de methoden die gebruikt worden. Verwijs naar het kwaliteitszorgplan of andere relevante kwaliteitszorgdocumenten. 5.1 Geef voor elk van de aspecten die geëvalueerd worden aan welke streefdoelen zijn geformuleerd. Hoe wordt getoetst of de streefdoelen zijn bereikt? Hoe zorgt de opleiding ervoor dat deze toetsing gebeurt op basis van betrouwbare en valide informatie? 5.2 Beschrijf wat er met de uitkomsten van evaluaties gebeurt. Geef aan of (en voor welke aspecten) er sprake is van een verbetercyclus (plan, do check, act). Geef zo mogelijk een aantal praktijkvoorbeelden. Heeft de opleiding nader onderzoek gedaan naar verschillen tussen nagestreefde en behaalde resultaten? Zijn er maatregelen tot verbetering genomen? Zo ja, wie is verantwoordelijk voor het doorvoeren van verbeteringen? Op welke termijn en met welke prioriteit worden verbeteringen doorgevoerd? Hoe wordt nagegaan of de beoogde verbeteringen worden gerealiseerd? 5.3 Beschrijf bij welke evaluaties medewerkers, studenten, alumni en het afnemend beroepenveld worden betrokken. Hoe vaak gebeurt dit? Hoe wordt ervoor gezorgd dat deze evaluaties representatief zijn voor deze groepen? Worden de resultaten van evaluaties teruggekoppeld naar betrokkenen? Kunnen genoemde groepen ook ongevraagd zaken die voor hen van belang zijn doorgeven aan de opleiding en wat doet de opleiding hiermee? Geef aan hoe de inspraak van studenten en medewerkers is geregeld. Als de opleiding intensief samenwerkt met buitenlandse partnerinstellingen (uitwisselingen, dubbeldiplomering,etc.) of met instellingen in het beroepenveld (met name bij duale trajecten) geef dan aan hoe de kwaliteit van de samenwerking wordt bewaakt. 70

71 6. Resultaten 6.1 Onderwijsrendement - Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen. - Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. Vragen Hoe wordt het onderwijsrendement bepaald? Wat zijn daarbij de streefcijfers? Hoe verhouden deze zich tot relevante andere opleidingen? Voldoet het rendement aan de eigen streefcijfers? Aanwijzingen Vul het overzicht met kengetallen in (zie bijlage 1) en voeg dit als bijlage bij het zelfevaluatierapport. Geef aan wat de opleiding zelf als de belangrijkste kengetallen ziet. Wat bepaalt voor de opleiding het onderwijsrendement? Geef aan welke streefcijfers voor het rendement de opleiding hanteert. Beargumenteer de keuze van de streefcijfers, met name hoe deze zich verhouden tot die van relevante andere opleidingen. Verwijs naar het overzicht met kengetallen voor een beoordeling van de mate waarin het rendement voldoet aan de streefcijfers. Hoe verhoudt zich dit tot het rendement van relevante andere opleidingen? Wat zijn de oorzaken voor tekortschietende rendementen? Wat heeft de opleiding gedaan om het rendement te verbeteren? 6.2 Gerealiseerde niveau - De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen Vragen Hoe wordt bepaald of beoogde eindkwalificaties zijn gerealiseerd? - qua niveau (zie 1.1)? - qua oriëntatie (zie 1.3)? - qua domeinspecifieke eisen (zie 1.2)? Aanwijzingen Geef aan hoe de opleiding toetst of de beoogde eindkwalificaties zijn gerealiseerd (dit geldt ook voor in het buitenland gevolgde programmaonderdelen). Maak daarbij een onderscheid naar niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen. Besteed ook aandacht aan de toetsing van afstudeeropdrachten, de examinering en de eventuele betrokkenheid van het werkveld of andere externe (mede)beoordelaars. Bestaat er tevredenheid in het werkveld over de gerealiseerde kwalificaties? Geef aan welke evaluatieresultaten beschikbaar zijn (oordelen afgestudeerden, afnemend werkveld) over de gerealiseerde kwalificaties (geef samenvattend de belangrijkste conclusies weer, stel complete resultaten ter inzage beschikbaar). Heeft dit geleid tot verbeteractiviteiten? 71

72 7. Bijzondere kwaliteitskenmerken (facultatief) 7.1 Differentiatie en profilering - Het kenmerk levert een betekenisvolle bijdrage aan de differentiatie en profilering in het hoger onderwijs. 7.2 Kwaliteit - Het kenmerk leidt tot een bijzondere kwaliteit van het onderwijs. 7.3 Concretisering - De gevolgen van het kenmerk voor de kwaliteit van het onderwijs (instroom, onderwijsprogramma, onderwijsproces, output, voorzieningen, kwaliteit staf) zijn geoperationaliseerd. 7.4 Onderscheidend karakter - Het kenmerk is onderscheidend voor de opleiding in relatie tot relevante opleidingen in het Nederlands hoger onderwijs. N.B. In de NVAO toelichting wordt expliciet gesteld, dat de bewijslast voor de bijzondere kwaliteit bij de instelling ligt. De opleiding moet de VBI overtuigen van het bijzondere karakter van het kenmerk van de opleiding. Vragen Facet Aanwijzingen Is het bijzondere kenmerk gedefinieerd in doelen en concrete operationaliseerbare termen? Beschrijf welke bijzondere kwaliteit de opleiding nastreeft, met daarbij de doelen en te verwachten resultaten. Is het kenmerk betekenisvol? 7.1 Dit kan onder andere blijken uit de waardering van het kenmerk door studenten, alumni, werkveld, docenten, maatschappelijke organisaties. Is het kenmerk geoperationaliseerd en aantoonbaar aanwezig in de opleiding? Is de opleiding onderscheidend ten opzichte van andere (verwante) opleidingen in Nederland? 7.3 Geef aan hoe het kenmerk expliciet terug te vinden is in programmaonderdelen, in opdrachten, eindresultaat (inhoud en indien relevant rendement), voorzieningen, kwaliteit staf). Hier is ook de waardering door stakeholders van belang. 7.4 De opleiding heeft een vergelijkend onderzoek uitgevoerd of laten uitvoeren (kan ook door NQA) onder verwante opleidingen in Nederland. Uit dit vergelijkende onderzoek blijkt dat de opleiding zich op dit kenmerk onderscheidt van andere (verwante) opleidingen. 72

73 Bijlage 1. Kengetallen Instroom, uitstroom, ingeschreven, personeel Opleiding X Totaal aantal ingeschreven studenten Totaal aantal docenten* Omvang docerend personeel in FTE Student / FTE ratio Instroom propedeuse, eerste keer hbo Totaal aantal instromende studenten: instroom opleiding Totaal aantal geslaagden Aantal geslaagden uit prop.instroom eerste keer hbo Gemiddelde studieduur geslaagden, in jaren Aantal studiestakers Gemiddelde studieduur studiestakers, in jaren Opleidingsrendement, in percentage van instroom propedeuse, eerste keer hbo (instroomcohorten) Diploma behaald na 1 jaar Diploma behaald na 2 jaar. Diploma behaald na 3 jaar Diploma behaald na 4 jaar Diploma behaald na 5 jaar Diploma behaald na 6 jaar Uitvalpercentage van instroom propedeuse, eerste keer hbo (instroomcohorten) Percentage uitval na 1 jaar Percentage uitval na 2 jaar Percentage uitval na 3 jaar Percentage uitval na 4 jaar Percentage uitval na 5 jaar Percentage uitval na 6 jaar 73

74 74

75 Bijlage 4 Beoordelingsprotocol van Netherlands Quality Agency (NQA) 75

76 Beoordelingsprotocol: operationalisering criteria accreditatiekader De operationalisering geschiedt in de werkwijze van NQA door middel van richtlijnen voor de zelfevaluatie. Deze richtlijnen vormen een vertaling van het NAO-kader naar aandachtspunten voor de zelfevaluatie. In de richtlijnen zijn naast algemene eisen (bijvoorbeeld ten aanzien van omvang en bijlagen) die aan een zelfevaluatierapport gesteld worden ook vragen en aanwijzingen voor de opleiding opgenomen. De vragen zijn rechtstreeks afgeleid van de facetten en criteria in het NAOkader. De vragen zouden daarom beantwoord moeten worden in het zelfevaluatierapport. De aanwijzingen zijn bedoeld als hulpmiddel bij het schrijven van het zelfevaluatierapport en zijn daarom meer indicatief van aard. De richtlijnen hebben als titel De zelfevaluatie in verband met NAO-accreditatie: vragen en aanwijzingen en zijn als bijlage opgenomen. Het betreft een concept dat verder verbeterd wordt naar aanleiding van opmerkingen van betrokkenen en eventuele wijzigingen als gevolg van de definitieve goedkeuring van het accreditatiekader. 76

77 Beoordelingsprotocol: operationalisering beslisregels Inleiding De NAO beschrijft in het accreditatiekader (hfst 4) beslisregels voor de accreditatie. Een beslisregel is heel expliciet: de opleiding komt alleen voor een positief eindoordeel in aanmerking als op alle onderwerpen (6x) een voldoende wordt gescoord. Aan de VBI wordt overgelaten om voor het oordeel per onderwerp beslisregels te formuleren teneinde te komen tot een weging van oordelen over de afzonderlijke facetten van dat onderwerp. Er wordt hier dus niet gesteld dat er ook beslisregels moeten zijn die leiden tot een oordeel over een facet. In de toelichting (pag 17) staat echter, dat afwegingen op alle niveaus - facetten, onderwerpen en eindoordeel- inzichtelijk gemaakt moeten worden. Dit houdt in dat er ook aangegeven zou moeten worden hoe je van criteria tot een facetoordeel komt. Alleen de beoordeling per criterium is vrij. Een belangrijke aanwijzing in de toelichting is, dat de waardering goed of excellent gebruikt kan worden als compensatie voor een onvoldoende op een facet binnen hetzelfde onderwerp. Daarmee mag echter niet louter instrumenteel worden omgegaan ; inhoudelijke afweging blijft noodzakelijk. Samenvattend zijn er volgens NAO dus 3 afwegingen noodzakelijk: - betreffende het eindoordeel; - betreffende het onderwerp (van facet naar onderwerp); - betreffende het facet. Bovendien dienen afwegingen niet louter instrumenteel (compensatieregeling), maar ook inhoudelijk gemotiveerd te zijn. Eindoordeel Het eindoordeel over de opleiding is positief indien het oordeel over elk van de 6 onderwerpen tenminste voldoende is. NAO heeft bepaald dat voor elke opleidingsvariant afzonderlijk de basiskwaliteit gewaarborgd moet zijn. Ook heeft NAO bepaald dat de opleiding alleen in aanmerking komt voor accreditatie als elke locatie voldoet aan de in het kader genoemde criteria voor basiskwaliteit. Dit zou inhouden dat een positief eindoordeel alleen mogelijk is als elke variant en elke locatie op elk onderwerp tenminste als voldoende is beoordeeld. De consequentie hiervan zou zijn dat accreditatie wordt onthouden indien de grote voltijdvariant en de hoofdlocatie als voldoende worden beoordeeld, maar een kleine deeltijd- of duale variant of een kleinere nevenvestiging als onvoldoende wordt beoordeeld. Omdat dit tot onevenredige schade zou leiden, heeft NAO de weg geopend om tot nadere afspraken met de instelling te komen over verbeteren of stoppen met de betreffende variant (zie brief NAO d.d ). Om het instelling en NAO mogelijk te maken hieromtrent transparante beslissingen te nemen, wordt bij de vermelding van het eindoordeel een samenvattende tabel geplaatst met daarin de oordelen per onderwerp, facet, variant en locatie. 77

78 Oordeel per onderwerp Het uitgangspunt voor de oordeelsvorming per onderwerp is dat het panel, rekening houdend met de context van de opleiding, de weging van facetten maakt. Dit betekent dat het panel bepaalt voor welke facetten binnen een bepaald onderwerp een compensatieregeling, zoals aangegeven door NAO, kan worden toegepast. Dit wil zeggen dat een onvoldoende op een facet gecompenseerd kan worden door een goed of excellent op een ander facet binnen hetzelfde onderwerp. Deze afweging dient door het panel steeds inhoudelijk beargumenteerd te worden. Ten behoeve van consistentie in de afweging binnen en tussen panels zal NQA een handreiking voor panelleden verschaffen. In deze handreiking wordt onder meer ingegaan op de wijze waarop oordelen onderbouwd kunnen worden. 10 Daarbij wordt speciale aandacht gevraagd voor de facetten die, gegeven het NAO-kader, bij accreditatie van bijzonder belang geacht kunnen worden. Dit betreft binnen het onderwerp doelstellingen de facetten niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen. Voorts binnen de onderwerpen programma en inzet van personeel de facetten eisen hbo/wo. Tenslotte binnen het onderwerp intern kwaliteitszorgsysteem het facet maatregelen tot verbetering, waarin de kwaliteitsverbetercyclus primair tot uiting komt, en binnen het onderwerp resultaten het facet gerealiseerd niveau. Hiermee wordt aangesloten bij de toelichting op het accreditatiekader waarin NAO duidelijk aangeeft dat de onderwerpen intern kwaliteitszorgsysteem en resultaten van bijzonder belang worden geacht. Verder zal NQA een structuur creëren waarbinnen consistentie van paneloordelen wordt bevorderd. Binnen deze structuur is een belangrijke rol weggelegd voor de secretaris, die op methodologische aspecten en consistentie van paneloordelen moet letten. Om de consistentie tussen panels te bevorderen zal NQA een permanent overleg tussen panelsecretarissen inrichten. Ook zullen beoordelingsrapporten altijd worden tegengelezen door 1 of meer andere NQA medewerkers, waarbij speciaal op consistentie en overige methodologische aspecten gelet zal worden. Indien dit tot een negatieve conclusie op het punt van methodologie of consistentie leidt, kan de directie van NQA passende maatregelen nemen, waaronder terugzending van het rapport naar het panel. Eventueel optredende verschillen tussen varianten en locaties met betrekking tot het paneloordeel op een bepaald onderwerp zullen expliciet vermeld worden. 10 De handreiking zal ook andere aandachtspunten bevatten, bijvoorbeeld met betrekking tot de zelfevaluatie. Zo mag een zelfkritische zelfevaluatie er niet toe leiden dat een opleiding door het panel gestraft wordt door zelfkritiek van de opleiding over te nemen in de beoordeling en op basis hiervan tot een negatief oordeel op het betreffende facet te komen. Veeleer is het zo dat zelfkritiek een aanwijzing kan zijn voor een goed functionerend kwaliteitszorgsysteem, dat vertrouwen kan geven in snelle verbeteringen van geconstateerde tekortkomingen. Een zelfkritische zelfevaluatie zal daarom in positieve zin moeten worden meegewogen bij de oordeelsvorming door de panels. 78

79 Oordeel per facet Om tot een oordeel op een facet te komen, is er vaak één en zijn er soms meerdere criteria die beoordeeld moeten worden. In het geval van één criterium is de situatie in principe duidelijk; dit moet voldoende zijn om tot een voldoende op het facet te komen. Daar waar er meerdere criteria zijn (soms drie) ligt dat moeilijker. Om te bepalen of aan de criteria wordt voldaan, zijn voor de externe kwaliteitsbeoordelaars van NQA de volgende vragen van belang: Doelen: welke ambitie heeft de opleiding ten aanzien van een bepaald facet: welke kwaliteit wordt nagestreefd; welke resultaten worden beoogd, kortom; wat zijn de eigen doelen? Borging: hoe borgt de opleiding dat deze doelen kunnen worden bereikt; zijn beleid, management en processen logisch op die eigen doelen afgestemd? Resultaten 11 : hoe verhouden de bereikte resultaten zich tot de eigen doelen (mede in vergelijking met andere opleidingen); zijn direct betrokkenen (stakeholders) tevreden over de bereikte resultaten? Verbetering: indien het borgen en bereiken van de doelen te wensen overlaat, zijn er dan verbeteringen in het vooruitzicht? De vragen die in de richtlijnen van NQA voor de zelfevaluatie aan opleidingen worden gesteld, houden verband met de doelen 12, borging, resultaten en verbetering. De kern vormen de resultaten en de borging; dus datgene wat bereikt is en de borging daarvan in de toekomst (accreditatie wordt immers voor zes jaar verleend). Het ligt dan ook voor de hand dat panels bij de oordeelsvorming een belangrijke plaats inruimen voor de resultaten en de borging. Toch kan het niet zo zijn dat een tekortschietende borging of nog uitblijvende resultaten automatisch tot een onvoldoende op het betreffende facet leidt. Zo zal er bijvoorbeeld begrip moeten zijn voor het feit dat veel opleidingen zich op sommige facetten, die nieuw zijn ten opzichte van visitaties (bijvoorbeeld de Dublin descriptoren bij de niveaubepaling), zich nog in een ontwikkelingsstadium bevinden. In dergelijke gevallen kunnen onvoldoende resultaten of borging gecompenseerd worden door concrete en aantoonbare verbeteracties. Zijn de resultaten boven verwachting en de doelen ook in orde, dan kan het panel een oordeel goed overwegen. Is de situatie zodanig dat zelfs geen verbeteringen meer nodig zijn, dan kan een oordeel excellent gegeven worden. In een dergelijk geval fungeert de opleiding als voorbeeld van een best practice op het betreffende facet. Eventueel optredende verschillen tussen varianten en locaties met betrekking tot het paneloordeel op een bepaald facet zullen expliciet vermeld worden. 11 Hiermee is niet het onderwerp resultaten bedoeld maar de bereikte resultaten ten aanzien van elk facet. 12 Echter niet bij elk aspect, bijvoorbeeld bij duur van programma is er sprake van een wettelijke verplichting waar de opleiding geen afwijkende doelstellingen tegenover kan stellen. 79

80 Beoordelingsprotocol: werkwijze bij visitaties Inleiding De beschrijving van de werkwijze gaat in eerste instantie uit van een enkelvoudige beoordeling: een beoordeling die gericht is op één opleiding, met één (vt/dt/duaal) variant, op één locatie. Na die kernbeschrijving zal worden aangegeven op welke manier NQA om wil gaan met een meer complexe beoordeling, d.w.z. hoe de werkwijze wordt aangepast wanneer meerdere opleidingen, varianten en/of locaties gelijktijdig beoordeeld worden. Procedureel en in de tijd onderscheidt NQA de volgende fasen: Intake De intake is erop gericht vast te stellen wat de bepalende randvoorwaarden zijn binnen een beoordelingsproject: op welke en hoeveel opleidingen is de beoordeling gericht; welke varianten (voltijd, deeltijd, duaal) van de opleidingen worden aangeboden; op hoeveel locaties worden opleidingen aangeboden; eventuele bijzondere kwaliteitskenmerken; eventuele additionele behoeften, zoals de wijze waarop (internationale) vergelijkingen tussen opleidingen worden uitgevoerd, of het aanbieden van een vertrouwelijke management letter gericht op kwaliteitsverbetering. In gevallen waar het gaat om meerdere opleidingen, wordt eveneens bezien in hoeverre opleidingen aan elkaar verwant zijn, en in welke mate het beoordelingsproces als gevolg daarvan geïntegreerd kan worden. NQA heeft hiertoe een intakeformulier ontwikkeld, dat in overleg met de betreffende hogeschool wordt ingevuld en vastgesteld. Inhoudelijke voorbereiding op de zelfevaluatie en het beoordelingsbezoek In de voorbereiding op zelfevaluatie en bezoek worden de volgende stappen gezet. Opleiding Alvorens de zelfevaluatie wordt gestart treedt de opleiding in overleg met NQA over de opzet van de zelfevaluatie (NQA heeft richtlijnen voor het zelfevaluatierapport opgesteld). Bij de start van het zelfevaluatieproces geeft de opleiding aan welk domeinspecifiek referentiekader men wenst te hanteren en communiceert hierover met NQA ten behoeve van de vaststelling van het domeinspecifieke kader. 80

81 De opleiding schrijft het zelfevaluatierapport inclusief bijlagen en stelt dit ter beschikking aan NQA binnen een vantevoren aangegeven termijn. Panelsecretaris (medewerker NQA 13 ) Naar aanleiding van de opgave van het domeinspecifieke referentiekader door de opleiding: de secretaris checkt met domeindeskundige(n) in het panel aan de hand van ankerpunten (beroepsprofielen, competentiecatalogi, in eerdere visitaties gebruikte beoordelingskaders) of sprake is van adequate domeinspecifieke doelstellingen, of dat nadere aanvulling dan wel specificatie van domeinspecifieke doelstellingen nodig is. Check op kwaliteit en compleetheid zelfevaluatierapport. Vastleggen / communiceren voorbereidende werkzaamheden panel. Inhoudelijke voorbereiding op bezoek: lezen zelfevaluatierapport, formuleren voorlopige oordelen en vraagpunten. Opstellen overzicht / aggregatie van voorlopige oordelen en vraagpunten van panelleden. Dit kan worden besproken tijdens de voorbereidende vergadering (die voorafgaande aan de gesprekken plaatsvindt). Panel als geheel Inhoudelijke voorbereiding op bezoek: lezen zelfevaluatierapport en formuleren voorlopige oordelen en vraagpunten. Doorgeven voorlopige oordelen en vraagpunten naar panelsecretaris. Op basis van het overzicht van voorlopige oordelen inventariseren kernpunten en prioriteiten voor materialenonderzoek en gesprekken (dit kan geschieden tijdens de voorbereidende vergadering). Beoordeling materiaal en faciliteiten (tijdens beoordelingsbezoek) NQA stelt een lijst van ter inzage gevraagd materiaal op; naar aanleiding van de bestudering van het zelfevaluatierapport en de door het panel geformuleerde vraagpunten kan aanvullend specifiek materiaal gevraagd worden. Het panel beoordeelt ter inzage gelegde materialen. Waar nodig en mogelijk vraagt NQA de opleiding ook toegang tot digitaal materiaal, zoals bijvoorbeeld een digitale studiegids of een digitale leeromgeving. 13 Conform de bepalingen van NAO bestaat het panel uit drie leden (voorzitter, secretaris en lid) plus, voorzover vereist, een studentlid. De panelsecretaris maakt deel uit van het panel; in de persoon van de panelsecretaris is in principe audit- en onderwijsdeskundigheid verenigd. De voorzitter en het andere panellid maken deel uit van een pool van panelleden. In deze personen is domeinspecifieke deskundigheid in discipline en afnemend veld, alsmede deskundigheid over de internationale ontwikkeling van de discipline, vertegenwoordigd. Zij hebben de algemene training op het vlak van auditvaardigheden en het werken met het NQA protocol doorlopen. 81

82 Interviews / gesprekken Tijdens de site visit spreekt het panel in ieder geval met (representatieve vertegenwoordigingen van) de volgende groepen: management (dagelijkse leiding) van de opleiding (operationeel management); docenten; studenten; werkveld 14 ; afgestudeerden; College van Bestuur en/of Faculteits/Instituuts/Schooldirectie (strategisch management); dit gesprek kan ook plaats vinden voor een cluster van bij de betreffende instelling beoordeelde opleidingen. Bezoekprogramma NQA heeft een raamprogramma ontwikkeld voor de (dag)indeling van het beoordelingsbezoek, dat kan worden aangepast aan de specifieke situatie bij de betreffende opleiding. Het raamprogramma heeft betrekking op een enkelvoudige beoordeling: een beoordeling die gericht is op één opleiding, met één (voltijd/deeltijd/duaal) variant, op één locatie. Wanneer sprake is van een beoordeling van een opleiding die met meerdere varianten, of op meerdere locaties wordt aangeboden, worden globaal de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Bij de intake wordt voor elke variant en locatie nagegaan in hoeverre sprake is van een overeenkomst in programma s en docententeams. 2. Bij varianten (vt/dt/duaal) waar sprake is van een duidelijke overeenkomst in het programma en het docententeam wordt het beoordelingsbezoek geïntegreerd uitgevoerd. Dit houdt in dat elk van de gespreksgroepen representatief samengesteld moet zijn, dwz dat studenten, docenten en afgestudeerden van elke variant bevraagd kunnen worden. Indien tussen de programma s of de docententeams van varianten significante verschillen bestaan, kunnen aan het raamprogramma worden toegevoegd: - een extra gesprek met studenten; - een extra gesprek met docenten. In de extra gesprekken wordt separaat gesproken met studenten resp. docenten die verbonden zijn aan de variant. 3. Wanneer een opleiding op meerdere locaties wordt aangeboden: a Wordt bij grote overeenkomst in programma s en docententeams het beoordelingsbezoek afgelegd op de hoofdvestiging, waarbij de samenstelling van de gespreksgroepen representatief moet zijn naar de verschillende vestigingen. Tevens worden dan aanvullende eisen gesteld aan het materiaal dat ter inzage beschikbaar is (tevredenheidsmetingen studenten / docenten, waarin o.a. inzicht over kwaliteit van materiële voorzieningen). Voor zover het 14 Bij het gesprek met vertegenwoordigers van het werkveld gaat het om twee groepen: enerzijds een selectie van werkgevers van afgestudeerden en anderzijds leden van een werkveldcommissie of andere structurele overlegverbanden met werkgevers. 82

83 panel dit nodig acht, wordt aanvullend aan het beoordelingsbezoek op de hoofdvestiging een kort bezoek aan de nevenvestiging gebracht ter verificatie van de aanwezige materiële voorzieningen. b Wanneer er in geringe mate sprake is van overeenkomst in programma s en docententeams wordt elke locatie afzonderlijk bezocht. In de opzet van het beoordelingsbezoek kunnen ook aanpassingen worden aangebracht wanneer gelijktijdig meerdere (al of niet verwante) opleidingen binnen een hogeschool of faculteit/instituut/school worden beoordeeld. Instrumenten en formats Gedurende en voorafgaande aan het beoordelingsbezoek maakt het panel gebruik van formats en instrumenten die zijn gericht op het verzamelen van informatie en het formuleren van oordelen en conclusies. Rapportage De panelsecretaris stelt een conceptrapportage op en legt die voor aan de panelleden. Het panel stelt vervolgens het definitieve concept vast. In de rapportage wordt voorzover van toepassing expliciet ingegaan op de verschillende varianten en/of locaties. Hoor en wederhoor Het definitieve concept wordt aan opleiding voorgelegd ter correctie van feitelijke onjuistheden. Naar aanleiding van de reactie van de opleiding worden door de panelsecretaris zonodig wijzigingen aangebracht en wordt het definitieve rapport door het panel vastgesteld. Het rapport wordt daarna ter beschikking gesteld aan de opleiding, die het samen met de accreditatieaanvraag kan indienen bij de NAO. Indien zich tijdens het beoordelingsproces, ondanks de verschillende procedures die NQA hanteert ter voorkoming daarvan, conflicten voordoen binnen panels, tussen panel en NQA, of tussen panel en opleiding, zal een vooraf ontworpen conflictprocedure ter oplossing worden toegepast. Klachtenprocedure NQA hanteert een klachtenprocedure waarin is vastgelegd op welke wijze opleidingen hun beklag kunnen doen wanneer zij zich in de beoordelingsprocedure op enigerlei wijze tekort gedaan voelen. 83

84 Beoordelingsprotocol: wijze waarop vergelijkingen tussen opleidingen worden gemaakt NAO heeft voorgeschreven dat in de beoordeling een vergelijking met minimaal 1 andere verwante opleiding wordt betrokken. NQA kan aan dit voorschrift op verschillende manieren voldoen: 1. Indien NQA meer opleidingen in hetzelfde domein beoordeelt, kan een vergelijking met verwante opleidingen vrij gemakkelijk door NQA worden gemaakt. Doordat NQA voor een groot aantal instellingen actief is, ligt deze mogelijkheid voor de hand. NQA werkt momenteel aan een database met beoordelingen, waarin vergelijkingsmateriaal wordt opgeslagen. 2. Bij de samenstelling van de panels zal erop gelet worden dat panelleden zo mogelijk bij verwante opleidingen worden ingeschakeld. Vergelijkingen tussen verwante opleidingen kunnen dan door de betreffende panelleden worden uitgevoerd. 3. NQA heeft voor een aantal facetten aangegeven waar gebruik kan worden gemaakt van openbare, vergelijkende informatie. Het betreft onder andere kengetallen (afdeling BIV van HBO-raad), gegevens uit de HBO- en WO-Monitor, en studentenoordelen (Keuzegids Hoger Onderwijs en Elsevier). 4. NQA onderhoudt een groot netwerk, zowel nationaal en internationaal. Samenwerking met andere VBI s en internationale kwaliteitszorgorganisaties ten behoeve van het maken van vergelijkingen ligt daarom voor de hand. Ook internationale vergelijkingen behoren daarom tot de mogelijkheden. Het profiel (doelstellingen programma) en de behoeften van de opleiding vormen echter steeds het uitgangspunt bij het maken van vergelijkingen. De wijze waarop vergelijkingen worden gemaakt komt in dialoog met de opleiding tot stand. In de visie van NQA is het maken van vergelijkingen pas waardevol als dit goed aansluit bij de context van de opleiding. NQA zal in het beoordelingsrapport verantwoorden hoe vergelijkingen zijn gemaakt en de redenen daarvoor. 84

85 Beoordelingsprotocol: wijze waarop bijzondere kwaliteitskenmerken worden getoetst Inleiding Naast accreditatie, gericht op basiskwaliteit, bestaat er de wettelijke mogelijkheid voor HOinstellingen om een aantekening te verkrijgen voor bijzondere kenmerken van de opleiding (WHW art. 5a.10). Een instelling voor HO kan een VBI verzoeken bijzondere kwaliteitskenmerken (verder BK genoemd) te toetsen. Als een BK positief is beoordeeld door de VBI en dit oordeel door de NAO is gevalideerd, levert dit een aantekening op bij de accreditatie. Kader voor beoordeling van het bijzonder kwaliteitskenmerk Het door de NAO ontwikkelde accreditatiekader bestaande opleidingen verlangt van de VBI dat het bijzondere kwaliteitskenmerk op de volgende facetten en criteria wordt getoetst. 7.1 Differentiatie en profilering - Het kenmerk levert een betekenisvolle bijdrage aan de differentiatie en profilering in het hoger onderwijs. 7.2 Kwaliteit - Het kenmerk leidt tot een bijzondere kwaliteit van het onderwijs. 7.3 Concretisering - De gevolgen van het kenmerk voor de kwaliteit van het onderwijs (instroom, onderwijsprogramma, onderwijsproces, output, voorzieningen, kwaliteit staf) zijn geoperationaliseerd. 7.4 Onderscheidend karakter - Het kenmerk is onderscheidend voor de opleiding in relatie tot relevante opleidingen in het Nederlands hoger onderwijs. 85

86 Operationalisering bijzondere kwaliteit door NQA NQA heeft de criteria als volgt geoperationaliseerd in het NQA beoordelingskader. Vragen Is het bijzondere kenmerk gedefinieerd in doelen en concrete operationaliseerbare termen? Het kenmerk is betekenisvol Op welke wijze is het kenmerk geoperationaliseerd en aantoonbaar aanwezig in de opleiding? Opleiding positioneert zich ten opzichte van andere (verwante) opleidingen in Nederland (het kenmerk hoeft niet noodzakelijkerwijs uniek te zijn) Aanwijzingen Van belang is dat de opleiding beschikt over een document waarin ze expliciet heeft beschreven welk bijzondere kwaliteit ze nastreeft met daarbij de doelen en te verwachten resultaten. Dit kan onder andere blijken uit de waardering van het kenmerk (de doelen en het thema als zodanig) door studenten, alumni, werkveld, docenten, maatschappelijke organisaties. Geef aan hoe het kenmerk expliciet terug te vinden is in programmaonderdelen, in opdrachten, eindresultaat (inhoud en indien relevant rendement), voorzieningen, kwaliteit staf. Hier is ook de waardering door stakeholders van het resultaat van belang. De opleiding heeft vergelijkend onderzoek uitgevoerd of laten uitvoeren onder verwante opleidingen in Nederland waaruit blijkt dat het kenmerk onderscheidend is. Onderzoek kan de toets der kritiek doorstaan (valide) Wijze van rapportage door de opleiding (zelfevaluatierapport) en NQA De opleiding en de VBI maken een afspraak over de wijze waarop het BK in de rapportage verwerkt wordt. Dit kan op twee manieren gebeuren: Als expliciet onderdeel in het zelfevaluatierapport en in het rapport van de NQA. Als geïntegreerd onderdeel van de zelfevaluatierapport en in het rapport van de NQA. Bij elk aspect dient het BK wel herkenbaar beoordeeld te worden. Opleiding en NQA geven in een samenvattende paragraaf van het zelfevaluatierapport respectievelijk het visitatierapport weer wat het totaaloordeel is over het BK. In de rapportage dient de VBI haar werkwijze te verantwoorden. De conclusies dienen beargumenteerd te worden aan de hand van het referentiekader van de VBI en de analyse van de feiten. Een vergelijking van de opleiding met andere opleidingen maakt nadrukkelijk onderdeel uit van de rapportage. Beoordelen van het bijzondere kwaliteitskenmerk In de toelichting bij het NAO beoordelingskader wordt expliciet gesteld, dat de bewijslast voor de bijzondere kwaliteit bij de instelling ligt. De opleiding moet de VBI overtuigen van het bijzondere karakter van het kenmerk van de opleiding. Dat betekent dat de opleiding inzicht moet verschaffen in de wijze waarop de kwaliteit van het bijzondere kenmerk is gemeten. De kwaliteit van de bewijsvoering door de opleiding is hierbij van belang. De onderzoeksmethode die de opleiding gebruikt om het BK te evalueren moet naar het oordeel van het panel solide zijn. Dat betekent dat er systematisch kwalitatief 86

87 en kwantitatief onderzoek aan ten grondslag moet liggen. Ook het vergelijkend onderzoek van het kenmerk onder verwante opleidingen dient valide te zijn. De resultaten van het onderzoek moeten uitwijzen dat er inderdaad sprake is van een bijzonder kenmerk en een bijzondere kwaliteit. Samenstelling panel in verband met het bijzondere kwaliteitskenmerk In het panel is voldoende expertise aanwezig om het bijzondere kwaliteitskenmerk te kunnen beoordelen. Dit moet blijken uit opleiding en/of ervaring van de panelleden (CV). 87

88 Beoordelingsprotocol: wijze waarop de rapportage plaatsvindt Inleiding Het rapport staat in dienst van het verkrijgen van een accreditatie voor een opleiding van een hogeschool. In het rapport doet het panel verslag van het onderzoek dat het panel heeft gedaan naar de kwaliteit van de opleiding. Het verslag volgt het NAO accreditatiekader en de richtlijnen van NQA. Het verslag is feitelijk, to the point en geeft beargumenteerde en goed onderbouwde oordelen. Het verslag bevat geen aanbevelingen, uitgebreide analyses of andere uitweidingen die afleiden van de beoordeling en de onderbouwing daarvan. NQA richtlijnen voor het beoordelingsrapport I Beoordeling per facet Elk facet van het accreditatiekader bestaande opleidingen wordt beoordeeld door het panel conform het hierboven beschreven beoordelingsprotocol. Per opleidingsvariant (voltijd, deeltijd, duaal) wordt een oordeel gegeven over het facet (zonodig onderverdeeld naar opleidinglocatie). Het oordeel bij de facetten wordt gevolgd door een samenhangende onderbouwing van het oordeel aan de hand van een logisch opgebouwd betoog. Bij een positief oordeel ( voldoende, goed of excellent ) begint de paragraaf met het geven van een toelichting op dit oordeel, dat wil zeggen dat wordt aangegeven welke positieve aspecten bepalen dat er sprake is van voldoende basiskwaliteit dan wel van goede of excellente kwaliteit. Vervolgens kunnen eventuele kritische kanttekeningen worden geplaatst. Indien het oordeel negatief is ( onvoldoende ), begint de paragraaf met het geven van een toelichting op dit oordeel, dat wil zeggen dat wordt aangeven waarom geen sprake is van basiskwaliteit. Aan het eind kunnen opbouwende en positieve kanttekeningen worden geplaatst. De criteria uit het accreditatiekader geven richting aan de onderbouwing van het oordeel. II Beoordeling per onderwerp Per opleidingsvariant (voltijd, deeltijd, duaal) wordt een oordeel gegeven over het onderwerp (zonodig onderverdeeld naar opleidinglocatie). Het panel geeft voor elk van de zes te beoordelen onderwerpen van het beoordelingskader een oordeel conform het hierboven beschreven beoordelingsprotocol. Daarbij worden de oordelen over de onderliggende facetten betrokken. In het verslag verantwoordt het panel welke afwegingen zij heeft gemaakt om tot een positief dan wel negatief oordeel te komen. Indien de opleiding heeft verzocht om beoordeling van een bijzonder kwaliteitskenmerk dan wordt het samenvattend oordeel hierover afzonderlijk in het rapport behandeld. Voor de wijze van rapportage verwijzen we naar het onderdeel uit het beoordelingsprotocol wijze waarop bijzondere kwaliteitskenmerken worden getoetst. Voor het overige zijn voor bijzondere kwa- 88

89 liteitskenmerken de rapportagerichtlijnen voor de oordelen per facet en onderwerp van toepassing. III Eindoordeel Het hoofdstuk met het eindoordeel start met een overzichtstabel waarin duidelijk wordt gemaakt welke oordelen zijn gegeven per facet, per onderwerp en per opleidingsvariant (en zonodig per opleidinglocatie). Het eindoordeel volgt uit de oordelen per onderwerp; voor een positief eindoordeel dienen immers alle zes onderwerpen als voldoende te zijn beoordeeld. Bij optredende verschillen tussen varianten en locaties zal het eindoordeel beargumenteerd worden. IV Bijlagen In de bijlagen verantwoordt het panel de werkwijze, dit bevat in ieder geval: Ondertekende verklaringen van elk panellid waaruit blijkt dat het oordeel van het panel in volstrekte onafhankelijkheid tot stand is gekomen. Panelleden mogen geen bindingen hebben met de beoordeelde opleiding. Verklaring van het panel over de zelfevaluatie; of deze een voldoende basis bood voor de visitatie. Een overzicht van de samenstelling van het panel (inclusief kort curriculum vitae van de panelleden). Hieruit moet blijken dat er voldoende onderwijsdeskundigheid, domeindeskundigheid, auditdeskundigheid en deskundigheid op het gebied van internationale ontwikkelingen van de discipline in het panel aanwezig is. Een verantwoording van het gehanteerde beoordelingsprotocol en de gevolgde werkwijze, waarbij afwijkende keuzen en gehanteerde procedures worden toegelicht en beargumenteerd. Daarbij wordt speciale aandacht besteed aan de beoordelingswijze van eventuele bijzondere kwaliteitskenmerken, en de wijze van vergelijking met andere, vergelijkbare opleidingen. Eventuele afwijkingen van het beoordelingsprotocol worden gerapporteerd en beargumenteerd. Het domeinspecifieke referentiekader met een verklaring van het panel over de wijze waarop dit tot stand is gekomen en de wijze waarop domeinspecificiteit is betrokken in de oordelen. Interne kwaliteitstoets beoordelingsrapport Het conceptrapport wordt door minimaal 1 ervaren medewerker van NQA, niet zijnde de panelsecretaris, onderworpen aan vooraf vastgestelde kwaliteitseisen met betrekking tot methodologie en consistentie van paneloordelen. Er zal een procedure ontwikkeld worden voor de verdere behandeling indien er gebreken met betrekking tot methodologie of consistentie zijn geconstateerd. 89

90 Managementletter Opleidingen kunnen NQA verzoeken een management letter te schrijven met adviezen over kwaliteitsverbetering. Deze management letter is de verantwoordelijkheid van NQA (waarbij panelleden om advies kunnen worden gevraagd), volgt na het beoordelingsrapport, behoort niet tot de accreditatieprocedure en wordt daarom vertrouwelijk aan de opdrachtgever ter beschikking gesteld. Een management letter kan een waardevolle bijdrage leveren aan het nader invullen van de verbeteringsfunctie. Adviezen over kwaliteitsverbetering hebben echter slechts zin als daarvoor een draagvlak is; vandaar dat management letters alleen worden aangeboden als de opdrachtgever kenbaar heeft gemaakt dat daaraan behoefte is. 90

91 Bijlage 5 HANDREIKING VOOR OORDEELSVORMING 15 Introductie Een van de belangrijkste en ingewikkeldste aspecten van het visitatieproces is de oordeelsvorming. Op verschillende niveaus zijn er oordelen nodig. Het eindoordeel is gebaseerd op het oordeel op zes onderwerpen. Daaronder ligt weer het oordeel op 21 facetten. Per onderwerp dienen, na weging, de facetten te leiden tot een oordeel over het onderwerp. Inhoudelijk richtinggevend voor de oordelen is het NVAO-kader dat bepaalt wat de objecten van onderzoek zijn. Het diepst in het kader liggen de door de NVAO geformuleerde 31 criteria. Informatie over die criteria moet inzicht geven of basiskwaliteit al dan niet door de beoordeelde opleiding wordt gerealiseerd. De criteria in het accreditatiekader geven tevens richting aan de onderbouwing van het oordeel. Het NVAO-kader is zo opgezet dat er ruimte wordt gelaten voor het timmermansoog van de panelleden en de positiebepaling en de eigen doelstellingen van de hogescholen. NQA onderschrijft die uitgangspunten en kiest er bij de oordeelsvorming dan ook niet voor om te werken met mathematische procedures en methodieken. NQA gaat er vanuit dat niet bij voorbaat te zeggen is dat alle facetten overal evenveel waarde hebben. Dat is mede afhankelijk van de keuzes van hogescholen (bijvoorbeeld in de missie geformuleerd). Er is dus ruimte nodig om in de oordeelsvorming aan die diversiteit tegemoet te komen. Dat houdt tevens voor de opleidingen in dat er veel nadruk komt te liggen op de bewijslast. Hoewel dus niet gekozen wordt voor mechanische beslisregels, dient er toch naar gestreefd te worden dat de oordelen van het panel binnen de gehanteerde werkwijze zo objectief en betrouwbaar mogelijk zijn. Bovendien is het van groot belang dat er consistentie is in de afwegingen van de verschillende panels. Tevens zal NQA een structuur creëren waarbinnen consistentie van paneloordelen wordt bevorderd. Binnen deze structuur is een belangrijke rol weggelegd voor de secretaris, die op methodologische aspecten en consistentie van paneloordelen moet letten. Om de consistentie tussen panels te bevorderen zal NQA een permanent overleg tussen panelsecretarissen inrichten. Ook zullen beoordelingsrapporten worden tegengelezen door één of meer andere NQA medewerkers, waarbij speciaal op consistentie en overige methodologische aspecten gelet zal worden. Indien dit tot een negatieve conclusie op het punt van methodologie of consistentie leidt, kan NQA actie ondernemen zoals het terugzending van het rapport naar het panel. 15 Versie 7, 10 maart

92 Beslisregels Inleiding De NVAO beschrijft in het accreditatiekader (hfst 4) beslisregels voor de accreditatie. Eén beslisregel is heel expliciet: de opleiding komt alleen voor een positief eindoordeel in aanmerking als op alle onderwerpen (6x) een voldoende wordt gescoord. Aan de VBI wordt overgelaten om voor het oordeel per onderwerp beslisregels te formuleren teneinde te komen tot een weging van oordelen over de afzonderlijke facetten van dat onderwerp. Er wordt hier dus niet gesteld dat er ook beslisregels moeten zijn die leiden tot een oordeel over een facet. In de toelichting (pag. 17) staat echter, dat afwegingen op alle niveaus - facetten, onderwerpen en eindoordeel - inzichtelijk gemaakt moeten worden. Dit houdt in dat er ook aangegeven zou moeten worden hoe je van criteria tot een facetoordeel komt. Alleen de beoordeling per criterium is vrij. Een belangrijke aanwijzing in de toelichting is, dat de waardering goed of excellent gebruikt kan worden als compensatie voor een onvoldoende op een facet binnen hetzelfde onderwerp. Daarmee mag echter niet louter instrumenteel worden omgegaan ; inhoudelijke afweging blijft noodzakelijk. Samenvattend zijn er volgens NVAO dus 3 afwegingen noodzakelijk: - betreffende het facet - betreffende het onderwerp (van facet naar onderwerp) - betreffende het eindoordeel Bovendien dienen afwegingen niet louter instrumenteel (compensatieregeling), maar ook inhoudelijk gemotiveerd te zijn. Oordeel per facet Om tot een oordeel op een facet te komen, is er vaak één en zijn er soms meerdere criteria die beoordeeld moeten worden. In het geval van één criterium is de situatie in principe duidelijk; dit moet voldoende zijn om tot een voldoende op het facet te komen. Daar waar er meerdere criteria zijn (soms drie) ligt dat moeilijker. Om te bepalen of aan de criteria wordt voldaan, zijn voor de externe kwaliteitsbeoordelaars van NQA de volgende vragen van belang: Doelen: welke ambitie heeft de opleiding ten aanzien van een bepaald facet: welke kwaliteit wordt nagestreefd; welke resultaten worden beoogd, kortom; wat zijn de eigen doelen? Borging: hoe borgt de opleiding dat deze doelen kunnen worden bereikt; zijn beleid, management en processen logisch op die eigen doelen afgestemd? Resultaten 16 : hoe verhouden de bereikte resultaten zich tot de eigen doelen (mede in vergelijking met andere opleidingen); zijn direct betrokkenen (stakeholders) tevreden over de bereikte resultaten? 16 Hiermee is niet het onderwerp resultaten bedoeld maar de bereikte resultaten ten aanzien van elk facet. 92

93 Verbetering: indien het borgen en bereiken van de doelen te wensen overlaat, zijn er dan verbeteringen in het vooruitzicht? De vragen die in de richtlijnen van NQA voor de zelfevaluatie aan opleidingen worden gesteld, houden verband met de doelen 17, borging, resultaten en verbetering. Bij de beoordeling komt centraal te staan dat aanvaardbaar wordt gemaakt dat de opleiding resultaten heeft behaald overeenkomstig de door haar nagestreefde doelen. Vanuit dat perspectief spreekt het vanzelf dat de kern gevormd wordt door de resultaten en de borging; dus datgene wat bereikt is en de borging daarvan in de toekomst (accreditatie wordt immers voor zes jaar verleend). In feite houdt dit in dat bij afweging de uitvoering zwaarder weegt dan het beleid. Toch kan het niet zo zijn dat een tekortschietende borging of nog uitblijvende resultaten automatisch tot een onvoldoende op het betreffende facet leidt. Zo zal er bijvoorbeeld begrip moeten zijn voor het feit dat veel opleidingen zich op sommige facetten, die nieuw zijn ten opzichte van visitaties (bijvoorbeeld de Dublin descriptoren bij de niveaubepaling), zich nog in een ontwikkelingsstadium bevinden. In dergelijke gevallen kunnen onvoldoende resultaten of borging gecompenseerd worden door concrete en aantoonbare verbeteracties. Zijn de resultaten boven verwachting en de doelen ook in orde, dan kan het panel een oordeel goed overwegen. Is de situatie zodanig dat zelfs geen verbeteringen meer nodig zijn, dan kan een oordeel excellent gegeven worden. In een dergelijk geval fungeert de opleiding als voorbeeld van een best practice op het betreffende facet. Eventueel optredende verschillen tussen varianten en locaties met betrekking tot het paneloordeel op een bepaald facet zullen expliciet vermeld worden. Oordeel per onderwerp Het uitgangspunt voor de oordeelsvorming per onderwerp is dat het panel, rekening houdend met de context van de opleiding, de weging van facetten maakt. Dit betekent dat het panel bepaalt voor welke facetten binnen een bepaald onderwerp een compensatieregeling, zoals aangegeven door de NVAO, kan worden toegepast. Dit wil zeggen dat een onvoldoende op een facet gecompenseerd kan worden door een goed of excellent op een ander facet binnen hetzelfde onderwerp. Deze afweging dient door het panel steeds inhoudelijk beargumenteerd te worden. NQA vindt, gegeven het NVAO-kader, dat een aantal facetten bij accreditatie van bijzonder belang geacht kan worden. Dat wil overigens niet zeggen dat deze weging absoluut is en noodzakelijkerwijs tot onvoldoendes op onderwerpniveau moet leiden. Steeds dient gekeken te worden naar specifieke keuzes die de opleiding maakt of de concrete situatie waarin zij zich bevindt. De context speelt dus steeds een belangrijke rol. Uiteraard komt daarbij wel een (extra) zware druk op de bewijslast te liggen. 17 Echter niet bij elk aspect, bijvoorbeeld bij duur van programma is er sprake van een wettelijke verplichting waar de opleiding geen afwijkende doelstellingen tegenover kan stellen. 93

94 De accenten die NQA legt betreffen binnen het onderwerp doelstellingen de facetten niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen. Het gaat hier om facetten die de status als Hbo-opleiding in een bepaald domein beschrijven. Voorts binnen de onderwerpen programma en inzet van personeel de facetten eisen hbo/wo. Deze facetten hebben betrekking op de praktijk- en beroepsgerichtheid van de opleidingen. Tenslotte binnen het onderwerp intern kwaliteitszorgsysteem het facet maatregelen tot verbetering, waarin de kwaliteitsverbetercyclus primair tot uiting komt, en binnen het onderwerp resultaten het facet gerealiseerd niveau. Hiermee wordt aangesloten bij de toelichting op het accreditatiekader waarin de NVAO duidelijk aangeeft dat de onderwerpen intern kwaliteitszorgsysteem en resultaten van bijzonder belang worden geacht. Het oordeel op onderwerpniveau dient weergegeven te worden als voldoende of onvoldoende. Dit houdt echter niet in dat er in de onderbouwing geen sprake zou kunnen zijn van nuancering. Als er binnen een onderwerp op basis van de facetoordelen sprake is van een goede of zelfs excellente situatie dan moet dat in de formulering tot uitdrukking kunnen komen. Een bijzondere situatie doet zich voor bij opleidingen in opbouw die in de visitatie meegenomen moeten worden. Deze opleidingen bevinden zich in een bepaalde fase van ontwikkeling en hebben nog geen afgestudeerden. Op bepaalde onderwerpen (resultaten bijvoorbeeld) kan geen oordeel geven worden. In die situaties zal het oordeel gebaseerd zijn op wat gerealiseerd is, de verdere plannen en het vertrouwen dat is ontstaan in een succesvolle verdere realisering van de opleiding. Anders gezegd; daar waar resultaten afwezig zijn, is een scherp zicht op de borging van groot belang. Eindoordeel Het eindoordeel over de opleiding is positief indien het oordeel over elk van de 6 onderwerpen tenminste voldoende is. De NVAO heeft bepaald dat voor elke opleidingsvariant afzonderlijk de basiskwaliteit gewaarborgd moet zijn. Ook heeft de NVAO bepaald dat de opleiding alleen in aanmerking komt voor accreditatie als elke locatie voldoet aan de in het kader genoemde criteria voor basiskwaliteit. Dit zou inhouden dat een positief eindoordeel alleen mogelijk is als elke variant en elke locatie op elk onderwerp tenminste als voldoende is beoordeeld. De consequentie hiervan zou zijn dat accreditatie wordt onthouden indien, bijvoorbeeld, de grote voltijdvariant en de hoofdlocatie als voldoende worden beoordeeld, maar een kleine deeltijd- of duale variant of een kleinere nevenvestiging als onvoldoende wordt beoordeeld. Omdat dit tot onevenredige schade zou leiden, heeft de NVAO de weg geopend om tot nadere afspraken met de instelling te komen over verbeteren of stoppen met de betreffende variant. Om het de gevisiteerde opleiding en de NVAO mogelijk te maken hieromtrent transparante beslissingen te nemen, wordt bij de vermelding van het eindoordeel een samenvattende tabel geplaatst met daarin de oordelen per onderwerp, facet, variant en locatie. 94

95 Samenvattend: - de beslisregels op facetniveau zijn kwalitatief (gebaseerd op duidelijke argumenten); - de beslisregels op onderwerpniveau zijn kwalitatief en rekenkundig (compensatiemogelijkheid); - beslisregels op het niveau van het eindoordeel zijn rekenkundig (alles voldoende). 95

Hogeschool Rotterdam. Chemie, Chemische Technologie, Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek. Visitatiedata: 6 en 7 oktober 2004

Hogeschool Rotterdam. Chemie, Chemische Technologie, Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek. Visitatiedata: 6 en 7 oktober 2004 Hogeschool Rotterdam Opleidingen: Chemie, Chemische Technologie, Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek Visitatiedata: 6 en 7 oktober 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2 Inhoud 3 Deel A: Onderwerpen

Nadere informatie

Accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs [hbo-bachelor]: uitwerking voor Associate degree-programma s tijdens de pilotfase

Accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs [hbo-bachelor]: uitwerking voor Associate degree-programma s tijdens de pilotfase Accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs [hbo-bachelor]: uitwerking voor Associate degree-programma s tijdens de pilotfase 11 februari 2008 Inhoud 1 Inleiding 3 2 Accreditatiekader, toegespitst

Nadere informatie

Besluit strekkende tot een positieve beoordeling van een aanvraag om accreditatie van de opleiding hbo-bachelor Chemie van de Hogeschool Drenthe

Besluit strekkende tot een positieve beoordeling van een aanvraag om accreditatie van de opleiding hbo-bachelor Chemie van de Hogeschool Drenthe College van Bestuur Hogeschool Drenthe Postbus 2080 7801 CB EMMEN Besluit Besluit strekkende tot een positieve beoordeling van een aanvraag om accreditatie van de opleiding hbo-bachelor Chemie van de Hogeschool

Nadere informatie

Concept Beoordelingskader voor het bijzondere kenmerk residentieel onderwijs

Concept Beoordelingskader voor het bijzondere kenmerk residentieel onderwijs Concept Beoordelingskader voor het bijzondere kenmerk residentieel onderwijs 2 december 2008 Inhoud 1 Inleiding 3 2 Beoordelingskader 4 pagina 2 1 Inleiding Dit beoordelingskader bevat een aantal facetten

Nadere informatie

AVANS Hogeschool, s-hertogenbosch

AVANS Hogeschool, s-hertogenbosch AVANS Hogeschool, s-hertogenbosch Opleiding: Varianten: Civiele Techniek voltijd en duaal Visitatiedata: 29 en 30 september 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2 NQA visitatie Avans Hogeschool vestiging

Nadere informatie

Teamscan op accreditatiewaardigheid

Teamscan op accreditatiewaardigheid Teamscan op accreditatiewaardigheid De Teamscan accreditatiewaardigheid (in vervolg: scan) geeft inzicht in hoe het opleidingsteam ervoor staat met betrekking tot de opleidingsaccreditatie. De scan bestaat

Nadere informatie

Avans Hogeschool, Tilburg

Avans Hogeschool, Tilburg Avans Hogeschool, Tilburg Opleidingen: Varianten: Bouwkunde, Bouwtechnische Bedrijfskunde en Civiele Techniek voltijd en duaal Visitatiedata: 4 en 5 november 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) Utrecht,

Nadere informatie

Besluit. College van bestuur. Hanzehogeschool Groningen. Postbus 30030 9700 RM GRONINGEN

Besluit. College van bestuur. Hanzehogeschool Groningen. Postbus 30030 9700 RM GRONINGEN College van bestuur Hanzehogeschool Groningen Postbus 30030 9700 RM GRONINGEN Besluit Besluit strekkende tot een positieve beoordeling van een aanvraag om accreditatie van de opleiding hbo-bachelor Facility

Nadere informatie

Hogeschool INHOLLAND, School of Agriculture and Technology

Hogeschool INHOLLAND, School of Agriculture and Technology Hogeschool INHOLLAND, School of Agriculture and Technology Opleiding: Luchtvaarttechnologie, bachelor Variant: voltijd Visitatiedata: 5 en 6 april 2005 NQA (Netherlands Quality Agency) Utrecht, augustus

Nadere informatie

Hogeschool Zeeland te Vlissingen

Hogeschool Zeeland te Vlissingen Hogeschool Zeeland te Vlissingen Opleiding: Civiele Techniek Visitatiedatum: 24 september 2004 2 Inhoud 3 Deel A: Onderwerpen 5 1.1 Voorwoord 7 1.2 Inleiding 7 1.3 Werkwijze 8 1.4 Oordeelsvorming 9 1.5

Nadere informatie

Avans Hogeschool, s Hertogenbosch

Avans Hogeschool, s Hertogenbosch Avans Hogeschool, s Hertogenbosch Opleiding: Informatica Varianten: voltijd en duaal Visitatiedata: 5 en 6 oktober NQA (Netherlands Quality Agency) 2 NQA - visitatie Avans Hogeschool s-hertogenbosch opleiding

Nadere informatie

Hanzehogeschool Groningen

Hanzehogeschool Groningen Hanzehogeschool Groningen Opleiding: Varianten: Sociaal Pedagogische Hulpverlening voltijd, deeltijd, duaal Visitatiedata: 6 en 7 april 2004 2 Inhoud 3 Deel A: Onderwerpen 5 1.1 Voorwoord 7 1.2 Inleiding

Nadere informatie

Hogeschool Zuyd, Heerlen

Hogeschool Zuyd, Heerlen Hogeschool Zuyd, Heerlen Opleiding: Facility Management Visitatiedata: 13 en 14 oktober 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2 NQA - visitatie Hogeschool Zuyd opleiding Facility Management Inhoud 3 Deel

Nadere informatie

Hanzehogeschool Groningen

Hanzehogeschool Groningen Hanzehogeschool Groningen Opleidingen: nformatica () en Bedrijfskundige nformatica (B) Visitatiedata: 18 en 19 mei 2004 Eindrapportage 2 nhoud 3 Deel A: Onderwerpen 5 1.1 Voorwoord 7 1.2 nleiding 7 1.3

Nadere informatie

Hogeschool INHOLLAND, Alkmaar. Visitatiedata: 16 en 17 maart 2005

Hogeschool INHOLLAND, Alkmaar. Visitatiedata: 16 en 17 maart 2005 Hogeschool INHOLLAND, Alkmaar Opleiding: Varianten: Werktuigbouwkunde voltijd en deeltijd Visitatiedata: 16 en 17 maart 2005 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, november 2005 2 NQA visitatie Hogeschool

Nadere informatie

Hogeschool Zuyd, Sittard

Hogeschool Zuyd, Sittard Hogeschool Zuyd, Sittard Opleiding: Personeel en arbeid (voltijd en deeltijd) Visitatiedata: 6 en 7 oktober 2004 NQA (Netherlands Quality Agency 2 NQA - visitatie Hogeschool Zuyd, Sittard, opleiding Personeel

Nadere informatie

Hogeschool Zuyd, Heerlen Faculteit Bouw

Hogeschool Zuyd, Heerlen Faculteit Bouw Hogeschool Zuyd, Heerlen Faculteit Bouw Opleiding: Civiele Techniek (voltijd) Visitatiedata: 29 en 30 september 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2 NQA - visitatie Hogeschool Zuyd Faculteit Bouw opleiding

Nadere informatie

OPSTELLEN EINDKWALIFICATIES OPLEIDING

OPSTELLEN EINDKWALIFICATIES OPLEIDING OPSTELLEN EINDKWALIFICATIES OPLEIDING MARIANNE KOK/HERBERT WOLDBERG/HVA Toelichting bij opt opstelellen van eindkwalificaties van een opleiding bij de HvA 1 Het opleidingsprofiel: De beroepspraktijk draagt

Nadere informatie

Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Bewegingstechnologie van De Haagse Hogeschool

Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Bewegingstechnologie van De Haagse Hogeschool NAO nederlands- vlaamse accreditatieorganisatie Besluit Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Bewegingstechnologie van De Haagse Hogeschool Datum: 1 oktober

Nadere informatie

Hogeschool INHOLLAND, Delft

Hogeschool INHOLLAND, Delft Hogeschool INHOLLAND, Delft Opleiding: Plattelandsvernieuwing, bachelor Variant: voltijd Visitatiedata: 20 en 21 april 2005 NQA (Netherlands Quality Agency) Utrecht, augustus 2005 2 NQA - visitatie Hogeschool

Nadere informatie

Hanzehogeschool Groningen. HBO-Bachelor Chemie Chemische Technologie Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek

Hanzehogeschool Groningen. HBO-Bachelor Chemie Chemische Technologie Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek Hanzehogeschool Groningen HBO-Bachelor Chemie Chemische Technologie Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek Netherlands Quality Agency (NQA) December 2010 2/67 NQA - Hanzehs.: audit bestaande hbo-bacheloropleidingen

Nadere informatie

De NVAO beoordeelt het onderwerp doelstellingen opleiding derhalve voldoende.

De NVAO beoordeelt het onderwerp doelstellingen opleiding derhalve voldoende. College van Bestuur van de Christelijke Hogeschool Windesheim Postbus 10090 8000 GB ZWOLLE Besluit datum 10 februari 2005 onderwerp Definitief besluit accreditatie hbo-bachelor Bouwkunde van de Christelijke

Nadere informatie

Hanzehogeschool Groningen, Groningen

Hanzehogeschool Groningen, Groningen Hanzehogeschool Groningen, Groningen Opleiding: Bio-Informatica, hbo bachelor Variant: voltijd Croho: 39215 Visitatiedatum: 19 april 2007 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, september 2007 Inhoud

Nadere informatie

Avans Hogeschool, Breda

Avans Hogeschool, Breda Avans Hogeschool, Breda Opleidingen: Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek en Chemie Varianten: Hbo-bachelor voltijd en duaal Visitatiedata: 20 en 21 oktober 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2

Nadere informatie

Hanzehogeschool Groningen

Hanzehogeschool Groningen Hanzehogeschool Groningen Opleidingen: Fysiotherapie, bachelor Variant: voltijd Visitatiedata: 25 en 26 april 2005 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, september 2005 2 NQA - visitatie Hanzehogeschool

Nadere informatie

PEER REVIEWS. Managementgroep Interactum September 2014

PEER REVIEWS. Managementgroep Interactum September 2014 PEER REVIEWS Managementgroep Interactum September 2014 Met peer review wordt een systeem bedoeld waarbij de betreffende opleidingen structureel gebruik maken van elkaars deskundigheid en elkaars critical

Nadere informatie

Fontys Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg

Fontys Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg 5 Fontys Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg Master Special Educational Needs, bestaande uit 4 opleidingen: - de opleiding leraar speciaal onderwijs algemeen (LSO dt); - de opleiding leraar speciaal

Nadere informatie

Christelijke Hogeschool Nederland, Leeuwarden

Christelijke Hogeschool Nederland, Leeuwarden Christelijke Hogeschool Nederland, Leeuwarden Opleiding: Personeel & Arbeid Visitatiedata: 23 en 24 juni 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2 NQA - visitatie Christelijke Hogeschool Nederland opleiding

Nadere informatie

Hogeschool Zuyd, Maastricht

Hogeschool Zuyd, Maastricht Hogeschool Zuyd, Maastricht Faculteit Social Work Opleiding: Sociaal Pedagogische Hulpverlening (voltijd) Visitatiedata: 20 en 21 oktober 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2 NQA - visitatie Hogeschool

Nadere informatie

Naam/Datum/Versie document advies/verbeterpunten. Avans documenten

Naam/Datum/Versie document advies/verbeterpunten. Avans documenten Document / Informatie P = Prettig ; N = Noodzakelijk Algemene input voor schrijven zelfevaluatie 1. (P) Interne rapport tussentijdse audit op onderwijskwaliteit/accre-ditatiewaardigheid Suggesties NQA

Nadere informatie

Hanzehogeschool Groningen

Hanzehogeschool Groningen Hanzehogeschool Groningen Opleidingen: Sociaal Juridische Dienstverlening, hbo-bachelor; Varianten: voltijd/deeltijd Visitatiedata: 26 april 2006 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, september 2006

Nadere informatie

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Opleiding: Elektrotechniek, hbo-bachelor; Croho: 34267 Varianten: voltijd/deeltijd Visitatiedatum: 27 mei 2008 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, september 2008

Nadere informatie

Hogeschool INHOLLAND, Diemen, Rotterdam en Den Haag

Hogeschool INHOLLAND, Diemen, Rotterdam en Den Haag Hogeschool INHOLLAND, Diemen, Rotterdam en Den Haag Opleiding: Varianten: Communicatie Voltijd, deeltijd en duaal Visitatiedata : 26 en 27 mei 2004 2 Inhoud 3 Deel A: Onderwerpen 5 1.1 Voorwoord 7 1.2

Nadere informatie

Breakout sessie 2-5. Stelsel 3.0 Accreditatie op Maat: Opleidingsbeoordeling. Introductie

Breakout sessie 2-5. Stelsel 3.0 Accreditatie op Maat: Opleidingsbeoordeling. Introductie Breakout sessie 2-5 Stelsel 3.0 Accreditatie op Maat: Opleidingsbeoordeling De voorstellen beschreven in deze notitie dienen als uitwerking van (aangekondigde) wetswijzigingen. Op basis van deze wetswijzigingen

Nadere informatie

Christelijke Hogeschool Windesheim

Christelijke Hogeschool Windesheim Christelijke Hogeschool Windesheim Opleidingen: Accountancy en Bedrijfseconomie, hbo-bachelor; Varianten: Accountancy voltijd/deeltijd/duaal Bedrijfseconomie voltijd Visitatiedatum: 27 juni 2006 Netherlands

Nadere informatie

Hanzehogeschool Groningen, Groningen

Hanzehogeschool Groningen, Groningen Hanzehogeschool Groningen, Groningen Opleiding: Elektrotechniek; hbo-bachelor Croho: 34267 Varianten: voltijd/deeltijd Visitatiedatum: 15 april 2008 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, juli 2008

Nadere informatie

Avans Hogeschool, Breda

Avans Hogeschool, Breda Avans Hogeschool, Breda Opleidingen: Bedrijfskundige Informatica (BI) Informatiedienstverlening en management (IDM) Informatica (INF) Technische Informatica (TI) Varianten: Alle opleidingen voltijd, deeltijd

Nadere informatie

Hogeschool INHOLLAND. Opleidingen: Voedingsmiddelentechnologie, bachelor Varianten: voltijd/duaal. Visitatiedata: 2 en 3 juni 2005

Hogeschool INHOLLAND. Opleidingen: Voedingsmiddelentechnologie, bachelor Varianten: voltijd/duaal. Visitatiedata: 2 en 3 juni 2005 Hogeschool INHOLLAND Opleidingen: Voedingsmiddelentechnologie, bachelor Varianten: voltijd/duaal Visitatiedata: 2 en 3 juni 2005 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, november 2005 2 NQA - visitatie

Nadere informatie

Fontys Hogeschool Werktuigbouwkunde

Fontys Hogeschool Werktuigbouwkunde Fontys Hogeschool Werktuigbouwkunde Opleiding: Werktuigbouwkunde, hbo-bachelor Varianten: voltijd/deeltijd/duaal/automotive Visitatiedata: 24 en 25 februari 2005 NQA (Netherlands Quality Agency) Utrecht,

Nadere informatie

Hogeschool Rotterdam. Opleiding: Vrijetijdsmanagement, hbo bachelor Croho: 34438 Varianten: voltijd. Visitatiedatum: 4 juni 2007

Hogeschool Rotterdam. Opleiding: Vrijetijdsmanagement, hbo bachelor Croho: 34438 Varianten: voltijd. Visitatiedatum: 4 juni 2007 Hogeschool Rotterdam Opleiding: Vrijetijdsmanagement, hbo bachelor Croho: 34438 Varianten: voltijd Visitatiedatum: 4 juni 2007 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, november 2007 2/54 NQA - visitatie

Nadere informatie

Hogeschool van Utrecht

Hogeschool van Utrecht Hogeschool van Utrecht Opleiding: Mondzorgkunde Visitatiedata: 7 en 8 juni 2004 2 Inhoud 3 Deel A: Onderwerpen 5 1.1 Voorwoord 7 1.2 Inleiding 7 1.3 Werkwijze 8 1.4 Oordeelsvorming 10 1.5 Oordelen per

Nadere informatie

Hogeschool van Utrecht

Hogeschool van Utrecht Hogeschool van Utrecht Opleiding: Master of Engineering, deeltijd Visitatiedata: 7 en 8 april 2005 NQA (Netherlands Quality Agency) Utrecht, mei 2005 2 NQA Hogeschool van Utrecht, Master of Engineering

Nadere informatie

Hogeschool Larenstein, Deventer

Hogeschool Larenstein, Deventer Hogeschool Larenstein, Deventer Opleiding: Tropische Landbouw/Agri-Systems Management Hbo-bachelor voltijd Visitatiedata: 7 en 8 september 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) Utrecht, april 2005 2 Inhoud

Nadere informatie

Hogeschool Zuyd, Sittard. Opleiding: Commerciële Economie Niveau: hbo bachelor Croho: 34402 Varianten: voltijd

Hogeschool Zuyd, Sittard. Opleiding: Commerciële Economie Niveau: hbo bachelor Croho: 34402 Varianten: voltijd Hogeschool Zuyd, Sittard Opleiding: Commerciële Economie Niveau: hbo bachelor Croho: 34402 Varianten: voltijd Visitatiedatum: 26 en 27 september Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, december 2007

Nadere informatie

Christelijke Hogeschool Windesheim

Christelijke Hogeschool Windesheim Christelijke Hogeschool Windesheim Opleiding: Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) Visitatiedata: 22 en 23 juni 2004 2 Inhoud 3 Deel A: Onderwerpen 5 1.1 Voorwoord 7 1.2 Inleiding 7 1.3 Werkwijze 8

Nadere informatie

Hogeschool Zeeland, Vlissingen

Hogeschool Zeeland, Vlissingen Hogeschool Zeeland, Vlissingen Opleiding: Werktuigbouwkunde; hbobachelor Varianten: voltijd, duaal en deeltijd Visitatiedata: 27 en 28 oktober 2005 Aanvullende onderzoek aug./sept. 2006 Netherlands Quality

Nadere informatie

Hogeschool INHOLLAND School of Technology

Hogeschool INHOLLAND School of Technology Hogeschool INHOLLAND School of Technology Opleidingen: Bouwkunde (vt) en Civiele Techniek (vt) Locaties: Alkmaar en Haarlem Visitatiedata: 26 en 27 mei 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2 NQA visitatie

Nadere informatie

REGELING EXTERNE TOEZICHTHOUDERS BIJ EXAMENS Instituut voor Toegepaste Biowetenschappen en Chemie. studiejaar

REGELING EXTERNE TOEZICHTHOUDERS BIJ EXAMENS Instituut voor Toegepaste Biowetenschappen en Chemie. studiejaar REGELING EXTERNE TOEZICHTHOUDERS BIJ EXAMENS Instituut voor Toegepaste Biowetenschappen en Chemie studiejaar 20172018 Inhoud REGELING EXTERNE TOEZICHTHOUDERS BIJ EXAMENS... 1 1. Positie en benoeming externe

Nadere informatie

Bijlage 2. Protocol toetsing Associatedegreeprogramma. 15 december 2009

Bijlage 2. Protocol toetsing Associatedegreeprogramma. 15 december 2009 Bi Bijlage 2 Protocol toetsing Associatedegreeprogramma door de NVAO 15 december 2009 Inhoud 1 Inleiding 3 2 Toets Associate-degreeprogramma in de hbo-bachelor 4 2.1 2.2 Criteria De status van de bacheloropleiding

Nadere informatie

Hanzehogeschool, Groningen

Hanzehogeschool, Groningen Hanzehogeschool, Groningen Opleiding: Technische Informatica, hbo-bachelor Croho: 34475 Varianten: voltijd Visitatiedatum: 15 april 2008 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, september 2008 NQA - visitatie

Nadere informatie

Besluit. Aan het Bestuur van de Leidse Onderwijsinstellingen (LOI) Postbus CA LEIDERDORP

Besluit. Aan het Bestuur van de Leidse Onderwijsinstellingen (LOI) Postbus CA LEIDERDORP Aan het Bestuur van de Leidse Onderwijsinstellingen (LOI) Postbus 4200 2350 CA LEIDERDORP Besluit Besluit strekkende tot een positieve beoordeling van een aanvraag om accreditatie van de opleiding hbo-bachelor

Nadere informatie

Hanzehogeschool Groningen

Hanzehogeschool Groningen Hanzehogeschool Groningen Opleiding: Human Technology, hbobachelor Variant: voltijd Visitatiedatum: 19 april 2006 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, juli 2006 2 NQA visitatie Hanzehogeschool Groningen,

Nadere informatie

Hogeschool Journalistiek, Fontys Tilburg. Visitatiedata: 15 en 16 maart 2005

Hogeschool Journalistiek, Fontys Tilburg. Visitatiedata: 15 en 16 maart 2005 Hogeschool Journalistiek, Fontys Tilburg Opleiding: Journalistiek Visitatiedata: 15 en 16 maart 2005 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, september 2005 2 NQA - visitatie Fontys Hogeschool, Tilburg

Nadere informatie

Fontys Hogeschool Toegepaste Natuurwetenschap

Fontys Hogeschool Toegepaste Natuurwetenschap Fontys Hogeschool Toegepaste Natuurwetenschap Opleidingen: Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek (BM) Chemie (Ch) Chemische Technologie (CT) Visitatiedata: 8 en 9 maart 2004 2 NQA (Netherlands Qaulity

Nadere informatie

KIT Plus, borgingsinstrument voor examencommissies

KIT Plus, borgingsinstrument voor examencommissies X0A0T Validiteit Betrouwbaarheid Functionaliteit Condities Toetsbeleid Het toetsbeleidsplan is valide Het toetsbeleidsplan is betrouwbaar Het toetsbeleidsplan is functioneel Het toetsbeleidsplan voldoet

Nadere informatie

{nvao. Uit Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Technische Informatica van de Hogeschool Dirksen B.V.

{nvao. Uit Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Technische Informatica van de Hogeschool Dirksen B.V. {nvao w nederlands - vlaamse accreditatieorganisatie Uit Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Technische Informatica van de Hogeschool Dirksen B.V. datum 29

Nadere informatie

Informatievergadering. Hervisitatie Specifieke lerarenopleiding

Informatievergadering. Hervisitatie Specifieke lerarenopleiding Informatievergadering Hervisitatie Specifieke lerarenopleiding Wie zijn we? Besluit Vlaamse Regering Visitatieprotocol Planning ZER en beoordelingskader Visitatieproces Visitatiecommissie 23/04/2014 2

Nadere informatie

BEOORDELINGSFORMULIER STAGES BACHELOR NIVEAU 3

BEOORDELINGSFORMULIER STAGES BACHELOR NIVEAU 3 Faculteit Geesteswetenschappen BEOORDELINGSFORMULIER STAGES BACHELOR NIVEAU 3 Onderstaand formulier betreft de beoordeling van het stageverslag en het onderzoeksverslag. Deze wordt door de begeleidende

Nadere informatie

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Opleiding: Varianten: Personeel en Arbeid voltijd en deeltijd Visitatiedata: 18 en 19 mei 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2 NQA - visitatie Hogeschool van Arnhem

Nadere informatie

Hogeschool Rotterdam Cluster Paramedisch Opleidingen: Ergotherapie, Fysiotherapie en Logopedie; hbo-bachelor Variant: voltijd

Hogeschool Rotterdam Cluster Paramedisch Opleidingen: Ergotherapie, Fysiotherapie en Logopedie; hbo-bachelor Variant: voltijd Hogeschool Rotterdam Cluster Paramedisch Opleidingen: Ergotherapie, Fysiotherapie en Logopedie; hbo-bachelor Variant: voltijd Visitatiedata: 19 en 20 september 2005 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht,

Nadere informatie

Christelijke Hogeschool Windesheim

Christelijke Hogeschool Windesheim Christelijke Hogeschool Windesheim Opleiding: Varianten: Personeel en Arbeid Voltijd, deeltijd en duaal Visitatiedata: 14 en 15 juni 2004 NQA (Netherlands Quality Agency) 2 NQA Chr. Hogeschool Windesheim,

Nadere informatie

Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Bestuurskunde/Overheidsmanagement van de NHL Hogeschool

Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Bestuurskunde/Overheidsmanagement van de NHL Hogeschool ,nvao r nederlands-vlaam se accreditatie organisatie S uif Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Bestuurskunde/Overheidsmanagement van de NHL Hogeschool datum

Nadere informatie

Hogeschool Rotterdam. Maatschappelijk Werk en Dienstverlening, hbo-bachelor; Visitatiedatum: 10 oktober 2006

Hogeschool Rotterdam. Maatschappelijk Werk en Dienstverlening, hbo-bachelor; Visitatiedatum: 10 oktober 2006 Hogeschool Rotterdam Opleiding: Varianten: Maatschappelijk Werk en Dienstverlening, hbo-bachelor; voltijd/deeltijd Visitatiedatum: 10 oktober 2006 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, december 2006

Nadere informatie

Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding wo-bachelor Psychobiologie van de Universiteit van Amsterdam

Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding wo-bachelor Psychobiologie van de Universiteit van Amsterdam }nvao r n e d e rlcw d s- vlaam se a ccre d ita tie o rg a n is a tie les Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding wo-bachelor Psychobiologie van de Universiteit van Amsterdam

Nadere informatie

Hogeschool INHOLLAND, Alkmaar

Hogeschool INHOLLAND, Alkmaar Hogeschool INHOLLAND, Alkmaar Opleidingen: Chemie en Biologie & Medisch Laboratoriumonderzoek Varianten: voltijd en deeltijd Visitatiedata: 10 en 11 mei 2004 2 Inhoud 3 Deel A: Onderwerpen 5 1.1 Voorwoord

Nadere informatie

Fontys Hogescholen, locatie Eindhoven Opleiding: Fiscale Economie, hbo bachelor Croho: 34409 Varianten: voltijd/deeltijd

Fontys Hogescholen, locatie Eindhoven Opleiding: Fiscale Economie, hbo bachelor Croho: 34409 Varianten: voltijd/deeltijd Fontys Hogescholen, locatie Eindhoven Opleiding: Fiscale Economie, hbo bachelor Croho: 34409 Varianten: voltijd/deeltijd Visitatiedatum: 5 februari 2007 Netherlands Quality Agency (NQA) Utrecht, mei 2007

Nadere informatie

Besluit. College van Bestuur van de Christelijke Hogeschool Windesheim Postbus GB ZWOLLE

Besluit. College van Bestuur van de Christelijke Hogeschool Windesheim Postbus GB ZWOLLE College van Bestuur van de Christelijke Hogeschool Windesheim Postbus 10090 8000 B ZWOLLE Besluit Besluit strekkende tot een positieve beoordeling van een aanvraag om accreditatie van de opleiding hbo-bachelor

Nadere informatie

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Opleiding: Financial Services Management HBO bachelor, locatie Arnhem Croho: 34414 Varianten: voltijd & deeltijd

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Opleiding: Financial Services Management HBO bachelor, locatie Arnhem Croho: 34414 Varianten: voltijd & deeltijd Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Opleiding: Financial Services Management HBO bachelor, locatie Arnhem Croho: 34414 Varianten: voltijd & deeltijd Visitatiedatum: 25 juni 2007 Netherlands Quality Agency

Nadere informatie

Fontys Hogescholen Opleiding: Hogere Kaderopleiding Pedagogiek (HKP) RAPPORTAGE

Fontys Hogescholen Opleiding: Hogere Kaderopleiding Pedagogiek (HKP) RAPPORTAGE Fontys Hogescholen Opleiding: Hogere Kaderopleiding Pedagogiek (HKP) RAPPORTAGE 28-03-2005 NQA (Netherlands Quality Agency) Betreft: Fontys Hogescholen, Tilburg Opleiding: Hogere Kaderopleiding Pedagogiek

Nadere informatie

Hogeschool Rotterdam, Rotterdam

Hogeschool Rotterdam, Rotterdam Hogeschool Rotterdam, Rotterdam Opleiding: Commerciële Economie, bachelor (incl. specialisatieprogramma SportMarketing & Management) Croho: 34402 Varianten: voltijd/deeltijd/duaal Visitatiedatum: 16 mei

Nadere informatie

Besluit strekkende tot een positief oordeel van een aanvraag toets nieuwe opleiding van de hbo-bachelor HBO-Rechten van Capabel Hogeschool

Besluit strekkende tot een positief oordeel van een aanvraag toets nieuwe opleiding van de hbo-bachelor HBO-Rechten van Capabel Hogeschool nvao nederlands - vlaamse accreditatieorganisatie Besluit strekkende tot een positief oordeel van een aanvraag toets nieuwe opleiding van de hbo-bachelor HBO-Rechten van Capabel Hogeschool datum 29 december

Nadere informatie

luit Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Human Resource Management van de Saxion Hogeschool

luit Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Human Resource Management van de Saxion Hogeschool m a o v nederlands - ulaamse accreditatieorganisatie luit Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan de opleiding hbo-bachelor Human Resource Management van de Saxion Hogeschool datum 31

Nadere informatie

Hogeschool INHOLLAND. Opleiding: Bedrijfskundige Informatica

Hogeschool INHOLLAND. Opleiding: Bedrijfskundige Informatica Hogeschool INHOLLAND Opleiding: Bedrijfskundige Informatica Locaties: Alkmaar: voltijd Amsterdam/Diemen: voltijd, deeltijd en duaal Rotterdam/Den Haag: voltijd, deeltijd en duaal Visitatiedata: 28 en 29

Nadere informatie

Hogeschool Diedenoort, Wageningen. Visitatiedata: 17 en 18 mei 2004

Hogeschool Diedenoort, Wageningen. Visitatiedata: 17 en 18 mei 2004 Hogeschool Diedenoort, Wageningen Opleiding: Facility Management Visitatiedata: 17 en 18 mei 2004 2 NQA ( Netherlands Quality Agency) Inhoud 3 Deel A: Onderwerpen 5 1.1 Voorwoord 7 1.2 Inleiding 8 1.3

Nadere informatie

Hogeschool Utrecht. Huidtherapie, hbo-bachelor. Farmakunde, hbo-bachelor. Visitatiedatum: 16 maart 2006

Hogeschool Utrecht. Huidtherapie, hbo-bachelor. Farmakunde, hbo-bachelor. Visitatiedatum: 16 maart 2006 Hogeschool Utrecht Opleiding: Variant: Opleiding: Varianten: Huidtherapie, hbobachelor voltijd Farmakunde, hbobachelor voltijd en deeltijd Visitatiedatum: 16 maart 2006 Netherlands Quality Agency (NQA)

Nadere informatie

Besluit. College van bestuur. Hogeschool van Amsterdam. Postbus 931 1000 AX AMSTERDAM

Besluit. College van bestuur. Hogeschool van Amsterdam. Postbus 931 1000 AX AMSTERDAM College van bestuur Hogeschool van Amsterdam Postbus 931 1000 AX AMSTERDAM Besluit Besluit strekkende tot positieve beoordeling van een aanvraag Toets nieuwe opleiding hbo-master Integraal Leiderschap

Nadere informatie

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Opleiding: Variant: Voeding en Diëtetiek (VD), hbo-bachelor voltijd Visitatiedatum: 28 april 2005 NQA (Netherlands Quality Agency) Utrecht, november 2005 2 NQA - visitatie

Nadere informatie

NSE: Van vraag naar verbetering

NSE: Van vraag naar verbetering NSE: Van vraag naar verbetering Olof Wiegert Hogeschool van Amsterdam Stafafdeling Onderwijs en Onderzoek Hogeschool van Amsterdam 46444 studenten 3539 medewerkers 7 domeinen 68 voltijd bachelor opleidingen

Nadere informatie