Sectoranalyse Horeca 2012
|
|
|
- Fenna Mirthe van den Pol
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 HIER FOTO INVOEGEN BREEDTE 210mm x HOOGTE 99mm Sectoranalyse Horeca 2012 Arbeidsmarkt en tewerkstelling
2 2012 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw Deze informatie werd met de grootste zorg samengesteld. Guidea, het Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw stelt zich echter niet aansprakelijk voor de juistheid van de aangeboden informatie. In geen geval is Guidea, het Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca aansprakelijk voor enige directe of indirecte schade als gevolg van of in verband met de aangeboden informatie uit deze publicatie.
3 i Synthese 1 1 Trends in de economie 1 2 Werkzaamheid Werknemers Zelfstandigen Studentenjobs Tewerkstellingsvooruitzichten Arbeidsduur, uurregeling en tijdelijke arbeid 5 3 Werkzoekenden Niet werkende werkzoekenden In- en uitstroom van werkzoekenden 6 4 Vacatures en opleidingen VDAB Vacatures VDAB Opleidingen VDAB IBO 6 5 Werknemersstromen 7 Trends in de economie 9 1 Bruto Binnenlands Product (BBP) 10 2 Ondernemingen in de horecasector 11 3 Faillissementen in de horecasector 13 4 Oprichtingen in de horecasector 16 5 Tijdelijke werkloosheid in de horecasector 18 6 Uitgaven per huishouden 20 Werkzaamheid 23 1 Aantal werknemers in de horecasector Overzicht Aantal werknemers in alle sectoren in België Aantal werknemers in de horecasector Werknemers per subsector Werknemers per dimensiegrootte van de onderneming Werknemers per dimensiegrootte van de onderneming en per subsector _ Werknemers per statuut 36
4 ii 1.8 Werknemers per statuut en per subsector Werknemers per geslacht Werknemers per geslacht en per subsector Werknemers per regime Werknemers per regime en per subsector Werknemers per leeftijdscategorie Werknemers per leeftijdscategorie en per subsector Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut en per subsector Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut en per geslacht Loonkloof tussen mannen en vrouwen 48 2 Aantal zelfstandigen in de horecasector Overzicht Aantal zelfstandigen in alle sectoren in België Aantal zelfstandigen in de horecasector Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid Aantal zelfstandigen in de horecasector per geslacht Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid en per geslacht Aantal zelfstandigen in de horecasector per leeftijdscategorie Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid en per leeftijdscategorie Aantal startende en stoppende zelfstandigen in de horecasector in de gewesten 63 3 Tewerkstelling van studenten met een studentencontract 65 4 Tewerkstellingsvooruitzichten in de horecasector 66 5 Arbeidsduur, werken op onregelmatige uren en tijdelijke arbeid Werknemers Gewone gemiddelde wekelijkse werktijd Effectieve gewone arbeidsduur op weekbasis Werken op onregelmatige uren Tijdelijke arbeid en types tijdelijke tewerkstelling Zelfstandigen Gewone gemiddelde wekelijkse werktijd 77
5 iii Effectieve gewone arbeidsduur op weekbasis Werken op onregelmatige uren 79 Werkzoekenden 85 1 Niet werkende werkzoekenden 85 2 In- en uitstroom van werkzoekenden 87 Vacatures en horecaopleidingen VDAB 89 1 Vacatures VDAB Ontvangen vacatures Ontvangen vacatures per subsector Belangrijkste beroepen, vacatures en knelpuntberoepen 93 2 Opleidingen VDAB Aantal beëindigde opleidingen bij de VDAB Individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO) 99 Werknemersstromen Sectorale dynamiek In- en uitstroomgraad Werknemersdynamiek naar leeftijd Instroom Instroom naar statuut van oorsprong Instroom naar statuut van oorsprong en leeftijd Uitstroom Uitstroom naar statuut van bestemming Uitstroom naar statuut van bestemming en leeftijd Werknemersstromen tussen paritaire comités Instroom van andere paritaire comités naar PC Uitstroom van PC 302 naar andere paritaire comités 113 Toelichting van de bronnen 115 Bijlage: Evolutiereeksen werknemers 121 Aantal werknemers 121 Aantal werknemers in de horecasector per subsector 122 Aantal werknemers in de horecasector per geslacht 126
6 iv Aantal werknemers in de horecasector per regime 127 Aantal werknemers in de horecasector per regime en per geslacht 128 Aantal werknemers in de horecasector per statuut 130 Aantal werknemers in de horecasector per dimensiegrootte van de onderneming 131 Bijlage: Evolutiereeksen zelfstandigen 133 Aantal zelfstandigen 133 Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid 134 Aantal zelfstandigen in de horecasector per geslacht 135 Aantal zelfstandigen in de horecasector per leeftijdscategorie 136 Aantal starters in de horecasector 138 Aantal stoppers in de horecasector 138
7 1 Synthese In dit rapport wordt een analyse gemaakt van de horeca-arbeidsmarkt in Vlaanderen op basis van gegevens beschikbaar bij diverse officiële bronnen. Achtereenvolgens wordt in verschillende hoofdstukken aandacht besteed aan de huidige economische situatie, de werkzaamheid, werkzoekenden, vacatures en opleidingen bij de vdab en werknemersstromen. Achteraan in dit rapport wordt nog toelichting gegeven bij de gebruikte bronnen in dit rapport. Nieuw dit jaar zijn de bijlagen waar in tabellen lange termijn evoluties worden aangeboden. Voor werknemers wordt er een reeks weergegeven van 2001 tot 2011, voor zelfstandigen van 2003 tot Trends in de economie Vooraleer te focussen op de arbeidsmarkt, willen we eerst dieper ingaan op de economische situatie in Vlaanderen. De vraag en het aanbod van de arbeid wordt immers in grote mate bepaald door economische ontwikkelingen. Inzicht in economische ontwikkelingen vertelt ons heel wat over de toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Dit doen we aan de hand van enkele indicatoren. Een eerste belangrijke conjunctuurindicator is het Bruto Binnenlands Product. De economische crisis was vooral zichtbaar in België in de tweede helft van 2008 en In het crisisjaar 2009 is de economie met 2,7% gekrompen ten opzichte van In 2010 was een herstel merkbaar: het bruto binnenlands product steeg in 2010 met 2,2% ten opzichte van Daarmee herstelt de Belgische economie zich iets sterker dan de Europese. In 2011 en 2012 is er verder groei maar beperkter dan het vorig jaar. In het eerste kwartaal van 2012 stijgt het Belgische BBP met 0,5% in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van vorig jaar. Ten opzichte van het vorige kwartaal is de groei nog kleiner (+0,3%). Het aandeel van de horeca in het BBP bedraagt bij benadering 1,66% in In 2009 ging het om 1,64%, in 2008 om 1,77%. Een tweede conjunctuurindicator is het aantal ondernemingen. Sinds 2008 gaat het aantal ondernemingen zowel in Vlaanderen als op nationaal vlak in stijgende lijn. Vlaanderen telt in horecaondernemingen. Ten opzichte van 2010 is dit een lichte stijging in absolute aantallen met 22 ondernemingen. Procentueel betekent dit dat het aantal ondernemingen in 2011 stabiel gebleven is ten opzichte van Enkel in de subsector vakantieverblijven is er een stijging van 10%, in absolute cijfers een stijging van 68 ondernemingen. Meer detail over ondernemingen vindt u in het rapport Horecaondernemingen Een derde belangrijke conjunctuurindicator is het aantal faillissementen. Sinds 2008 gaat het aantal faillissementen in de horeca zowel in Vlaanderen als op nationaal vlak in stijgende lijn. In 2010 is er een kleine afname (daling van tien faillissementen) wat aansluit bij de heropleving van de economische situatie. In 2011 zien we terug een stijging van het aantal faillissementen. Er zijn faillissementen in de horecasector in Vlaanderen in Dit is een stijging van 11% ten opzichte van Toen telden we nog 936 faillissementen in Vlaanderen. Het hoogste aantal faillissementen vinden we terug in de subsector restaurants (549 faillissementen), gevolgd door de subsector drinkgelegenheden (428 faillissementen). Ten opzichte van 2010 vinden we in deze beide subsectoren een stijging van het aantal faillissementen met 10%. Vooral drinkgelegenheden worden getroffen: 41% van alle faillissementen treffen een drinkgelegenheid, terwijl slechts 32% van alle ondernemingen een drinkgelegenheid is. We kunnen hier dus spreken van een oververtegenwoordiging. De grootste stijging van het aantal faillissementen vinden we bij de catering.
8 2 Een volgende indicator is het aantal oprichtingen. Opvallend is de daling van het aantal oprichtingen in In 2011 zijn er oprichtingen wat lager is dan het aantal in 2008, 2009 en Ondanks deze afname van het aantal oprichtingen en de stijging van het aantal faillissementen blijft het aantal ondernemingen stijgen. Een verklaring hiervoor is te vinden in het aantal oprichtingen dat nog altijd groter is dan het aantal stopzettingen. Hierdoor blijft het aantal ondernemingen toenemen. Een vijfde indicator en voorspeller van de toekomstige evolutie van de werkgelegenheid is de tijdelijke werkloosheid: de evolutie loopt quasi parallel met de evolutie van de conjunctuur. Ook hier zien we in het crisisisjaar 2009 een stijging van het aantal dagen economische werkloosheid. Vanaf het tweede kwartaal van 2010 is er terug een daling. In 2011 zijn er in Vlaanderen dagen economische werkloosheid geteld. Dit is een daling van 11,9% ten opzichte van Een laatste indicator zijn de gemiddelde uitgaven per huishouden die gaan naar horeca. In 2010 gaat gemiddeld 5,67 % van het huishoudbudget naar horeca, een daling ten opzichte van Voor 2011 zijn er nog geen beschikbare cijfers. 2 Werkzaamheid 2.1 Werknemers In 2011 werken werknemers in de Vlaamse horecasector. De evolutie van het aantal werknemers volgt ook in belangrijke mate de evolutie van de economische situatie. In het crisisjaar 2009 is er een daling van het aantal werknemers, gevolgd in 2010 door een herstel. In 2011 stellen we opnieuw een daling vast met 357 werknemers. Ten opzichte van 2006 is er een toename van 344 werknemers in de horecasector in Vlaanderen. Op nationaal niveau merken we een sterkere stijging van het aantal werknemers: ten opzichte van 2006 zijn er in werknemers meer aan het werk in de horecasector. Zo merken we in Brussel ( werknemers), maar vooral in Wallonië ( werknemers) wel een stijging van het aantal werknemers. Tabel: Overzicht loontrekkende werknemers in de horecasector n % Vlaanderen België Vlaanderen België Totaal aantal % 100% Gewesten Vlaanderen % Wallonië % Brussel % Subsector Hotels % 14% Vakantieverblijven % 3% Kampeerterreinen % 0% Overige accommodatie % 1% Restaurants % 56% Catering % 14% Drinkgelegenheden % 12% Dimensiegrootte 1 tot 4 werknemers % 23% 5 tot 9 werknemers % 20% 10 tot 19 werknemers % 18% 20 tot 49 werknemers % 16% 50 of meer werknemers % 23% 1 De cijfers van de RSZ geven normaliter het aantal arbeidsplaatsen op basis van de hoofdzetel van de onderneming weer.
9 3 n % Vlaanderen België Vlaanderen België Arbeiders/bedienden Arbeiders % 88% Bedienden % 12% Geslacht Man % 50% Vrouw % 50% Arbeidsregime Voltijds % 37% Deeltijds % 53% Specialen % 10% Leeftijdscategorie % 100% <20 jaar % 6% jaar % 32% jaar % 24% jaar % 21% jaar % 16% >64 jaar % 1% Gemiddeld bruto kwartaalloon Vlaanderen Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06/2011 Bewerking door GUIDEA België euro euro Per subsector vinden we het grootste aantal werknemers terug bij de restaurants (58%). Bij hotels en andere logiesaanbieders samen werkt 17% van de horecawerknemers. 12% werkt in de catering en 14% werkt in de drinkgelegenheden. Sinds 2001 is de verdeling van de werknemers over de subsectoren gewijzigd. Het aandeel werknemers dat in een restaurant tewerkgesteld wordt neemt in Vlaanderen toe van 53% in 2001 tot 58% in Het aandeel dat in drinkgelegenheden werkt daalt van 17% in 2001 tot 14% in Dit kan grotendeels verklaard worden door de veranderende verdeling van ondernemingen over de subsectoren. Ook daar zien we een groter wordende groep restaurants (45% in 2010 naar 52% in 2011), en een kleiner wordende groep drinkgelegenheden (42% in 2010 naar 32% in 2011). Traditioneel stelt de horecasector meer vrouwen dan mannen te werk. Toch merken we al enkele jaren, dat de verdeling evolueert naar een vijftig-vijftig verdeling. In 2011 werkten er in Vlaanderen nog 52% vrouwen en 48% mannen in de horeca. Opmerking daarbij is dat vrouwen wel vaker deeltijds werken: 6 op 10 vrouwen versus 4 op 10 mannen. De loonkloof tussen mannen en vrouwen in de horeca voor voltijdse werknemers in bruto-uurlonen ligt vrij hoog met 12%. Bij de verdeling van werknemers over de leeftijdscategorieën valt op dat de horecasector een groot aandeel jongeren tewerkstelt: 39% is jonger dan 30 jaar. Het aandeel tewerkgestelden ouder dan 50 jaar ligt eerder laag met 18%. Ter vergelijking: in de volledige economie bedraagt het aandeel jongeren 22% en het aandeel ouderen 25%. 2 De deeltijdse prestaties betreffen de prestaties van de werknemer die gemiddeld slechts een gedeelte presteert van de arbeidstijd van de referentie persoon (voltijds werknemer). 3 De groep specialen bevat vooral loontrekkenden die werken via gelimiteerde prestaties (extra s in de horeca). 4 Werknemers per leeftijdscategorie: deze statistieken geven het aantal unieke werknemers naar leeftijdscategorieën weer volgens de hoofdverblijfplaats van de werknemer.
10 4 2.2 Zelfstandigen Daarnaast telt de Vlaamse horeca in zelfstandigen. Sinds 2008 neemt het aantal zelfstandigen toe, zowel in Vlaanderen als op nationaal niveau. Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector n % Vlaanderen België Vlaanderen België Totaal aantal % 100% Gewesten Vlaanderen % Wallonië % Brussel % Vlaamse provincies West-Vlaanderen % -- Oost-Vlaanderen % -- Antwerpen % -- Vlaams-Brabant % -- Limburg % -- Aard van bezigheid Hoofdbezigheid % 79% Bijkomende bezigheid % 16% Actief na pensioen % 5% Geslacht Man % 56% Vrouw % 44% Leeftijd <25 jaar % 3% 25 tot 35 jaar % 17% 35 tot 50 jaar % 44% 50 tot 65 jaar % 31% >65 jaar % 5% Starters/stoppers Starters Stoppers Bron: RSVZ Voor 78% van de zelfstandigen in de horecasector in Vlaanderen, is de horeca-activiteit hun hoofdbezigheid. Daarnaast oefent 17% een horecafunctie uit als bijkomende activiteit. 5% is actief na hun pensioen. 5 Zelfstandige in bijberoep: Dit is het geval als men samen met de zelfstandige activiteit nog een andere beroepsbezigheid uitoefent voor een werkgever. Of, als men als zelfstandige ook een loonvervangend inkomen krijgt uit een andere, weggevallen beroepsactiviteit als werknemer of ambtenaar. 6 Zelfstandige actief na pensioen(leeftijd): Hier moet de zelfstandige rekening houden met een aantal voorwaarden. Zo zijn de inkomsten uit de beroepsbezigheid begrensd.
11 5 Op lange termijn is de verdeling naar aard van bezigheid geëvolueerd: In 2003 was 86% (ofwel ) nog zelfstandige in hoofdbezigheid, in 2011 is dit aandeel gedaald tot 78% (ofwel ). In 2003 was 11% (ofwel 2.388) zelfstandige in bijkomende bezigheid, in 2011 is dit aandeel toegenomen tot 17% (ofwel 4.231). Waar we bij de werknemers een grote groep jonge werknemers (<30 jaar) aantreffen, zien we bij de zelfstandigen net een omgekeerde leeftijdsverdeling. 35% van de Vlaamse zelfstandigen in de horecasector is ouder dan 50 jaar. 20% is jonger dan 35 jaar. In 2011 zijn er starters in de Vlaamse horecasector. Dit is sinds 2008 een stijging met 697 starters. In 2011 zijn er stoppers in de Vlaamse horecasector. Dit is sinds 2008 een stijging met 439 stoppers. We merken met andere woorden een stijging van het aantal stoppers sinds de crisis eind , maar deze wordt voorlopig nog ruim overtroffen door het aantal nieuwe starters, waardoor het aantal zelfstandigen de afgelopen jaren bleef toenemen. 2.3 Studentenjobs Wat het aantal studentenjobs betreft zijn er grote verschillen tussen de vier kwartalen. In het derde kwartaal (zomer) van 2011 zijn er nationaal in de horeca arbeidsplaatsen voor studenten. In het eerste kwartaal , in het tweede kwartaal en in het vierde kwartaal Het aantal studentenjobs in de vier kwartalen van 2011 is daarmee groter dan het aantal in Tewerkstellingsvooruitzichten Volgens de Barometer voor de tewerkstellingsvooruitzichten van Manpower hebben werkgevers in de horecasector negatieve rekruteringsintenties voor het vierde kwartaal van 2012 (seizoensgezuiverde prognose = -4). 2.5 Arbeidsduur, uurregeling en tijdelijke arbeid In de Belgische Enquête naar de arbeidskrachten bij huishoudens vinden we informatie over arbeidsduur, werken op onregelmatige uren en tijdelijke arbeid. Voltijdse werknemers in de horeca in Vlaanderen in 2011 presteren per week gemiddeld 40 uren en 33 minuten. Deeltijdse werknemers presteren gemiddeld 19 uren en 4 minuten. Vrouwelijke werknemers geven vaker aan minder dan 37 uren per week te werken (67% bij de vrouwen, 36% bij de mannen), terwijl 51% van de mannen aangeeft 37 tot 40 uren per week te werken (ten opzichte van 30% bij de vrouwen). Verder is er bij de Vlaamse vrouwen in vergelijking met de mannen een grotere proportie die nooit s avonds, s nachts, op zaterdag of op zondag werkt. 83% van de horecawerknemers in Vlaanderen heeft vast werk in 2011, 17% heeft tijdelijk werk. Zelfstandigen in Vlaanderen in 2011 die voltijds werken in de horecasector presteren per week gemiddeld 65 uren en 37 minuten. Een ruime meerderheid van de mannen en vrouwen, respectievelijk 85% en 77%, geven aan meer dan 40 uren per week te werken. Ook bij de Vlaamse zelfstandigen geven meer vrouwen in vergelijking met de mannen aan nooit s avonds of s nachts te werken. Iets minder vrouwen geven aan op zaterdag en zondag altijd te moeten werken.
12 6 3 Werkzoekenden 3.1 Niet werkende werkzoekenden In 2011 zijn er gemiddeld niet-werkende werkzoekenden in Vlaanderen in de groep hotel- en keukenpersoneel. Ten opzichte van 2010 is er een afname met -2,8%. De afname is het grootst bij de vrouwen. 3.2 In- en uitstroom van werkzoekenden In het eerste kwartaal van 2012 leren we dat de uitstroom vanuit de sector naar werkloosheid groter is dan de instroom naar de sector vanuit werkloosheid. Er zijn dus meer werknemers die de sector verlaten en werkzoekend worden, dan dat er werkzoekenden zijn die werk vinden in de sector. Bovendien stijgt de uitstroom naar werkloosheid terwijl de instroom vanuit werkloosheid daalt ten opzichte van het jaar ervoor. 4 Vacatures en opleidingen VDAB 4.1 Vacatures VDAB In 2011 zijn er in totaal ontvangen VDAB-vacatures in de horecasector. In 2010 waren er nog ontvangen vacatures bij de VDAB in de horecasector. Het vacaturepeil maakt dus een sprong met een stijging van 18,5% ten opzichte van Deze stijging is hoger dan de stijging (17,2%) over alle sectoren heen. Het grootste aantal ontvangen VDAB-vacatures in de horecasector in 2011 is gesitueerd in West- Vlaanderen. Het gevraagde studieniveau is eerder laag en in 40% van de gevallen wordt een ervaring verwacht van minder dan zes maanden. Het grootste aandeel ontvangen vacatures is afkomstig van de restaurants, gevolgd door de hotels. In 2011 vinden we 53% van de ontvangen vacatures bij de restaurants en 20% bij de hotels. De grootste stijging van het aantal vacatures daarentegen vinden we bij de kampeerterreinen (39%), kantines en catering (21%) en hotels (19%). 4.2 Opleidingen VDAB In 2011 werden bij de VDAB horecaopleidingen beëindigd. 73% van deze opleidingen zijn opleidingen voor keukenpersoneel, 11% zijn opleidingen voor zaalpersoneel en 16% zijn opleidingen voor ander horecapersoneel. Daarnaast werden bij de VDAB 539 horecawebopleidingen beëindigd. 4.3 IBO In 2011 telt de horecasector 839 individuele beroepsopleidingen (IBO) in de onderneming. Hiermee staat de horecasector op de derde plaats na de bouwsector en kleinhandel.
13 7 5 Werknemersstromen De horecasector kent een grote dynamiek en jobmobiliteit: de instroom, uitstroom en interne mobiliteit ligt hoger dan gemiddeld over alle sectoren. We baseren ons hiervoor op een studie van het WSE die betrekking heeft op de werknemerstransities tijdens de jaren 2006, 2007 en Tussen eind 2007 en eind 2008 is ongeveer één derde van alle werknemers vertrokken en vervangen door andere werknemers. Tussen eind 2007 en eind 2008 hebben loontrekkende werknemers die eind 2007 actief waren in Vlaanderen de horecasector verlaten. Dit komt neer op een uitstroomgraad van 30,3%. Omgekeerd was er een instroomgraad van 28,5% werknemers stroomden de sector in. Hiernaast is er ook nog de interne mobiliteit van werknemers: werknemers die zowel eind 2007 als eind 2008 actief waren maar in de tussenliggende periode mobiel geweest zijn. In 2008 is 14,5% van de werknemers intern mobiel geweest. Bij jongeren is zowel de instroom- (48%) uitstroomgraad (50%) als interne mobiliteitsgraad (19%) het hoogst. 18% van de nieuwe werknemers in 2007 stroomt PC 302 in vanuit een ander paritair comité. 29% van de werknemers die PC 302 uitstroomt, stroomt naar een ander paritair comité. De instroom vanuit werk, waarmee we zowel instroom vanuit de ene sector naar de andere als instroom vanuit de uitzendsector bedoelen, is heel wat lager (25%) dan het gemiddelde in andere sectoren (48%).
14 8
15 9 Trends in de economie Vooraleer te focussen op de arbeidsmarkt, willen we eerst dieper ingaan op de economische situatie in Vlaanderen. De vraag en het aanbod van de arbeid wordt immers in grote mate bepaald door economische ontwikkelingen. Inzicht in economische ontwikkelingen vertelt ons heel wat over de toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Eerst bespreken we een aantal conjunctuurindicatoren zoals het Bruto Binnenlands Product en meer specifiek voor de horecasector het aantal ondernemingen, het aantal faillissementen, het aantal oprichtingen, en het aantal dagen economische werkloosheid. Deze indicatoren geven een beeld van de algemene conjuncturele toestand en hebben een voorspellende waarde voor de toestand op de arbeidsmarkt. Bovendien lijkt horeca een sector te zijn die snel met een conjuncturele beweging mee evolueert (bron: Graydon, publicaties 01/03: faillissementen, p. 2; Tenslotte geven we cijfers uit het huishoudbudgetonderzoek, namelijk de gemiddelde uitgaven per huishouden die gaan naar horeca.
16 10 1 Bruto Binnenlands Product (BBP) Het bruto binnenlands product of BBP van een land of van een regio is de marktwaarde van alle goederen en diensten die op één jaar tijd worden geproduceerd. Het is een veel gebruikte maatstaf voor de welvaartscreatie van een land of regio. Grafiek: Evolutie van de economische groei op jaarbasis (België en EU-27; Q Q1 2012) Bron: Nationale Bank van België (Bewerking Departement WSE) Bovenstaande grafiek geeft de evolutie van de economische groei per kwartaal ten opzichte van het kwartaal in het voorgaande jaar voor België en de EU-27. Het gaat hierbij om seizoensgezuiverde en voor kalendereffecten gecorrigeerde veranderingspercentages ten opzichte van de overeenstemmende periode van het voorgaande jaar van het Bruto Binnenlands Product (BBP) naar volume in kettingeuro s 7 (referentiejaar 2005). (Bron: Steunpunt WSE) Ons land werd vooral getroffen door de economische crisis in de tweede helft van 2008 en in 2009: De groei van het Belgisch BBP op kwartaalbasis (ten opzichte van het vorige kwartaal) is stilgevallen in het derde kwartaal van In het vierde kwartaal van 2008 was er een negatieve groei van -2,1%. In het crisisjaar 2009 is de Belgische economie met 2,7% gekrompen ten opzichte van het voorgaande jaar. Gemiddeld in de EU-27 kromp de economie dat jaar met 4,2%. Het bruto binnenlands product steeg in 2010 met 2,2% ten opzichte van Daarmee herstelde de Belgische economie zich iets sterker dan de Europese. Gemiddeld in de EU-27 groeide de economie in 2010 met 2,0%. In 2011 was de groei zowel in België (2,0%) als in de EU-27 (1,6%) minder sterk dan in In het eerste kwartaal van 2012 stijgt het Belgische BBP met 0,5% in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van vorig jaar. Ten opzichte van het vorige kwartaal is de groei beperkter (+0,3%). Gemiddeld in de EU-27 bedraagt de economische groei in het eerste kwartaal van 2012 slechts 0,1% in vergelijking met de overeenstemmende periode één jaar eerder. (bron: Steunpunt WSE). Het aandeel van de horeca in het BBP bedraagt bij benadering 1,66% in 2010 (BBP in kettingeuro's, referentiejaar 2009) (Bron: Nationale Bank van België). In 2009 ging het om 1,64%, in 2008 om 1,77%. 7 Om de volumegroei van het bbp en zijn componenten te meten is het nodig om uit de waarde-evolutie het effect van de prijsveranderingen te elimineren, door de prijzen a.h.w. constant te houden.
17 11 2 Ondernemingen in de horecasector Tabel: Aantal horecaondernemingen per gewest -2008/ Vlaanderen Wallonië Brussel Totaal Vlaanderen 60% 60% 60% 60% Wallonië 29% 29% 29% 29% Brussel 11% 11% 11% 12% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - ADSEI Er zijn in Vlaanderen: In horecaondernemingen 8 In horecaondernemingen Tabel: Aantal horecaondernemingen per subsector in België -2008/ Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants Catering Drinkgelegenheden Totaal Hotels 3% 3% 3% 3% Vakantieverblijven 2% 2% 2% 2% Kampeerterreinen 1% 1% 1% 1% Overige accommodatie 0% 0% 0% 0% Restaurants 52% 53% 53% 53% Catering 8% 9% 9% 9% Drinkgelegenheden 33% 32% 32% 31% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - ADSEI 8 In 2008 gebeurt de indeling in (sub)sectoren op basis van de nieuwe nace-bel 2008 indeling. De omschakeling is echter niet evident. Dit heeft tot gevolg dat nog niet van alle ondernemingen gekend is waar de hoofdzetel van de onderneming gevestigd is. De cijfers dienen nog met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden.
18 12 Tabel: Aantal horecaondernemingen per subsector in Vlaanderen -2008/ Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants Catering Drinkgelegenheden Totaal Hotels 3% 3% 3% 3% Vakantieverblijven 2% 2% 2% 2% Kampeerterreinen 1% 1% 1% 1% Overige accommodatie 0% 0% 0% 0% Restaurants 51% 51% 51% 52% Catering 9% 9% 9% 10% Drinkgelegenheden 34% 33% 33% 32% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - ADSEI De verdeling over de verschillende subsectoren is vrij gelijklopend tussen Vlaanderen en België. Tabel: Evolutie van het aantal ondernemingen in de horecasector in Vlaanderen per subsector -2009/ t.o.v n n n n % Hotels % Vakantieverblijven % Kampeerterreinen % Overige accommodatie % Restaurants % Catering % Drinkgelegenheden % Totaal horeca % Bron: FOD Economie - ADSEI In 2011 zijn er in de horecasector in Vlaanderen 22 ondernemingen meer dan in Procentueel betekent dit dat het aantal ondernemingen in 2011 stabiel gebleven is ten opzichte van In de verschillende subsectoren blijft het aantal ondernemingen vrij stabiel. Enkel in de subsector vakantieverblijven zien we in 2011 een toename in het aantal ondernemingen met 10% ten opzichte van Deze stijging kunnen we vooral toewijzen aan het toenemend aantal gastenkamers. Meer detail over het aantal ondernemingen vindt u in het rapport Horecaondernemingen 2012.
19 13 3 Faillissementen in de horecasector Een derde belangrijke conjunctuurindicator is het aantal faillissementen. Bij opleving van de economie daalt het aantal faillissementen, bij achteruitgang stijgt het aantal faillissementen. We geven het aantal faillissementen op jaarbasis weer. Hierdoor worden cyclische schommelingen, waarbij gewoontegetrouw de maanden mei, juli en augustus lagere cijfers tonen en de maanden maart, september en oktober systematisch hogere, afgevlakt (bron: Graydon, publicaties 02/06/2010: faillissementen, p.3; Tabel: Aantal faillissementen in de horecasector in de gewesten -2008/ Vlaanderen Wallonië Brussel Totaal Vlaanderen 52% 56% 52% 52% Wallonië 29% 26% 28% 29% Brussel 19% 18% 19% 18% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - ADSEI Er gingen in Vlaanderen: in horecaondernemingen failliet in horecaondernemingen failliet Tabel: Aantal faillissementen in de horecasector per subsector in België -2008/ Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants Catering Drinkgelegenheden Totaal Hotels 2% 2% 1% 2% Vakantieverblijven 0% 0% 0% 1% Kampeerterreinen 0% 0% 0% 0% Overige accommodatie 0% 0% 0% 0% Restaurants 60% 61% 57% 55% Catering 2% 3% 3% 3% Drinkgelegenheden 35% 35% 38% 39% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - ADSEI
20 14 Tabel: Aantal faillissementen in de horecasector per subsector in Vlaanderen -2008/ Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants Catering Drinkgelegenheden Totaal Hotels 2% 1% 1% 2% Vakantieverblijven 0% 0% 1% 1% Kampeerterreinen 0% 0% 0% 0% Overige accommodatie 0% 0% 0% 0% Restaurants 58% 59% 53% 53% Catering 2% 3% 3% 4% Drinkgelegenheden 38% 37% 41% 41% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - ADSEI In 2011 is 53% van de failliete horecaondernemingen in Vlaanderen een restaurant, 41% is een drinkgelegenheid. 4% van de faillissementen vindt plaats in de subsector catering en 2% in de hotels. Tabel: Evolutie van het aantal faillissementen in de horecasector in Vlaanderen per subsector -2008/ t.o.v n n n n % Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants % Catering % Drinkgelegenheden % Totaal % Bron: FOD Economie - ADSEI Het aantal faillissementen in de horecasector in Vlaanderen kent in de periode tussen 2008 en een opwaartse beweging. In 2010 is er een daling in het aantal Vlaamse faillissementen van 7% (of 71 faillissementen) t.o.v In 2011 is er echter opnieuw een forse stijging tot faillissementen, een stijging van 11% t.o.v Hotels en andere logiesmogelijkheden zijn weggelaten omwille van te lage aantallen. 10 Voor de jaren 2008 en 2009 zijn de cijfers herberekend van de (oude) nace-bel nomenclatuur 2003 naar de (nieuwe) nace-bel nomenclatuur 2008 volgens een probabilistische methode. Dit maakt een evolutie mogelijk over meerdere jaren.
21 15 Grafiek: Evolutie van het aantal faillissementen in de horecasector 11 in Vlaanderen t.o.v % 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% Restaurants 10% Catering 36% Drinkgelegenheden 10% Bron: FOD Economie - ADSEI Ten opzichte van 2010 zien we in 2011 de volgende evoluties in de subsectoren: Bij de restaurants neemt het aantal faillissementen toe met 10%. Bij de catering neemt het aantal faillissementen toe met 36%. Bij de drinkgelegenheden neemt het aantal faillissementen toe met 10%. 11 Hotels en andere logiesmogelijkheden zijn weggelaten omwille van te lage aantallen.
22 16 4 Oprichtingen in de horecasector Een volgende conjunctuurindicator is het aantal oprichtingen. Tabel: Aantal oprichtingen in de horecasector per gewest -2008/ Vlaanderen Wallonië Brussel Totaal Vlaanderen 56% 56% 55% 54% Wallonië 31% 30% 30% 32% Brussel 11% 12% 12% 13% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - ADSEI In 2011 zijn er in de horecasector in Vlaanderen in totaal oprichtingen. Dit maakt dat één op twee oprichtingen in de horecasector in Vlaanderen plaatsvindt. Ten opzichte van 2008 is het aantal oprichtingen in Vlaanderen gedaald. Tabel: Aantal oprichtingen in de horecasector per subsector in Vlaanderen -2008/ Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants Catering Drinkgelegenheden Totaal Hotels 1% 2% 2% 2% Vakantieverblijven 4% 3% 3% 3% Kampeerterreinen 0% 0% 0% 0% Overige accommodatie 0% 0% 0% 0% Restaurants 48% 48% 48% 49% Catering 10% 10% 10% 10% Drinkgelegenheden 37% 37% 36% 36% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - ADSEI 12 Een klein deel van de oprichtingen is nog niet toegekend aan een bepaald gewest. Hierdoor ligt het totaal voor België iets hoger dan de som van de regio s.
23 17 Tabel: Evolutie van het aantal oprichtingen in de horecasector in Vlaanderen per subsector -2009/ t.o.v n n n n % Hotels % Vakantieverblijven % Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants % Catering % Drinkgelegenheden % Totaal horeca % Bron: FOD Economie - ADSEI In 2011 zijn er in de horecasector in Vlaanderen 181 oprichtingen minder dan in 2010, ofwel een daling van 6%. Naargelang de subsector zien we verschillen in de evolutie van het aantal oprichtingen. Ten opzichte van 2010 zijn er: 19% minder vakantieverblijven opgericht in % minder hotels opgericht in Kampeerterreinen en Overige accommodaties zijn weggelaten omwille van te lage aantallen.
24 18 5 Tijdelijke werkloosheid in de horecasector Een vijfde conjunctuurindicator en dus een voorspeller van de toekomstige evolutie van de werkgelegenheid is de tijdelijke werkloosheid (bron: RVA). Wanneer de tijdelijke werkloosheid daalt, stijgt de werkgelegenheid en omgekeerd. De evolutie van de conjunctuur loopt bovendien quasi parallel met de evolutie van de tijdelijke werkloosheid. We focussen hier op de tijdelijke werkloosheid omwille van economische redenen, omdat deze de invloed van de crisis weergeeft 14. We spreken van tijdelijke werkloosheid als de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdelijk wordt opgeschort met behoud van de contractuele band. Zo kan de onderneming het hoofd bieden aan een tijdelijke vermindering of onderbreking van de bedrijfsactiviteit 15. Tabel: Het aantal dagen economische werkloosheid in de horecasector per kwartaal in Vlaanderen -1 ste kwartaal 2007 t.e.m. 4 de kwartaal Andere vormen Economische van tijdelijke Totaal werkloosheid werkloosheid Kwartaal Kwartaal Kwartaal Kwartaal Totaal Kwartaal Kwartaal Kwartaal Kwartaal Totaal Kwartaal Kwartaal Kwartaal Kwartaal Totaal Kwartaal Kwartaal Kwartaal 3 ' Kwartaal 4 ' Totaal Kwartaal 1 ' Kwartaal Kwartaal 3 ' Kwartaal 4 ' Totaal Bron: RVA 14 De tijdelijke werkloosheid komt voornamelijk voor bij arbeiders. Door de crisis werd besloten om tijdelijke werkloosheid ook voor bedienden toe te laten. Aangezien in de horecasector in Vlaanderen 91% (2010) als arbeider werkt, vermoeden we dat deze uitbreiding een beperkte invloed zal hebben op het aantal tijdelijk werklozen in de horecasector. 15 Deze kan meerdere oorzaken hebben: bv. economische redenen, slechte weersomstandigheden, technische storingen, overmacht, jaarlijkse vakantie, staking of lock-out.
25 19 In bovenstaande tabel geven we het aantal dagen economische werkloosheid in de horecasector in Vlaanderen per kwartaal. 16 Binnen de horecasector oefent het seizoen een invloed uit op het aantal dagen tijdelijke werkloosheid: Het eerste kwartaal telt het meeste aantal dagen. Het derde kwartaal telt het minste aantal dagen. Vanaf het eerste kwartaal van 2009 is er een toename van het aantal dagen economische werkloosheid (stijging van 13,7% t.o.v. het eerste kwartaal van 2008). In het tweede kwartaal van 2010 komt de ommekeer en is er opnieuw een daling te zien in het aantal dagen economische werkloosheid (daling van 1,8% t.o.v. het tweede kwartaal van 2009). In 2011 zijn er in Vlaanderen dagen economische werkloosheid geteld. Dit is een daling van 11,9% ten opzichte van Grafiek: Evolutie van het aantal dagen economische werkloosheid in de horecasector in Vlaanderen -1 ste kwartaal 2007 t.e.m. 4 de kwartaal Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q Dagen economische werkloosheid Trendlijn Bron: RVA 16 We werken met het aantal dagen en niet met het aantal personen. Naarmate de crisis verergert is het immers mogelijk dat de werkgever besluit om zijn werknemers langer tijdelijk werkloos te maken. Werken met het aantal dagen tijdelijke werkloosheid geeft daarom de impact van de crisis preciezer weer.
26 20 6 Uitgaven per huishouden Een laatste belangrijke indicator zijn de gemiddelde uitgaven per huishouden die gaan naar horeca. De FOD Economie schat elk jaar, via het huishoudbudgetonderzoek, de uitgaven van de Belgische huishoudens op basis van een representatieve steekproef. In de enquête wordt o.a. gevraagd naar de gemiddelde uitgaven per huishouden die gaan naar horeca. Tabel: Gemiddelde uitgaven per huishouden en per jaar in euro in Vlaanderen (%) -2008/ Voeding, dranken, tabak 15,31% 14,95% 15,10% Kleding en schoeisel 4,67% 4,81% 4,76% Bruto huur 18,17% 19,55% 19,01% Verwarming, verlichting, water 5,44% 6,30% 6,13% Inrichting en onderhoud van huis en tuin 6,21% 6,46% 6,89% Gezondheid 4,65% 4,98% 4,60% Vervoer en communicatie 16,08% 15,16% 15,93% Cultuur, onderwijs en vrije tijd 7,99% 7,56% 7,93% Lichaamsverzorging en persoonlijke artikelen 2,39% 2,52% 2,36% Horeca 5,69% 5,72% 5,67% Restaurants en cafés 5,30% 5,47% 5,36% Hotel 0,39% 0,25% 0,31% Toeristische reizen 5,62% 4,01% 3,83% Financiële diensten, verzekeringen 4,92% 5,00% 4,93% Overige 2,86% 2,98% 2,85% Bron: FOD Economie ADSEI Gemiddeld gaat er 5,67% van het huishoudbudget in 2010 naar de horeca. Dit gaat dan om uitgaven in restaurants en cafés, in hotel en soortgelijke huisvestingsdiensten in België. Daarnaast gaat 3,83% van het huishoudbudget in 2010 naar toeristische reizen. Dit gaat dan om de uitgaven verbonden aan reizen naar het buitenland en volledig verzorgde toeristische reizen in België. De gemiddelde uitgaven voor toeristische reizen liggen in Vlaanderen in 2009 en 2010 lager dan in Dit is vooral te wijten aan een daling in de besteding aan reizen naar het buitenland.
27 21 Grafiek: Gemiddelde uitgaven in de horecasector per huishouden en per jaar in Vlaanderen (%) -2005/2010-7,00% 6,50% 6,00% 5,50% 5,78% 6,00% 5,69% 5,69% 5,72% 5,67% 5,00% 4,50% 4,00% Horeca Bron: FOD Economie ADSEI De gemiddelde uitgaven van het huishoudbudget in de horecasector schommelt tussen 2005 en In 2006 werd er 6% van het huishoudbudget gespendeerd in de horeca. Sinds 2007 liggen de uitgaven iets lager op afgerond 5,7%.
28 22
29 23 Werkzaamheid Om een beeld te krijgen van het aantal werkenden in de horecasector in Vlaanderen geven we in dit hoofdstuk een overzicht van het aantal werknemers, het aantal zelfstandigen en het aantal studentenjobs tewerkgesteld in de Vlaamse horeca. De data betreffen het jaar Daarnaast is het ook interessant een beeld te krijgen van de toekomstige evoluties in tewerkstelling. De Manpower Barometer geeft ons een idee van de recruteringsvooruitzichten voor het vierde kwartaal van De conclusies zijn gebaseerd op een rondvraag bij een representatieve steekproef van werkgevers uit Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Tenslotte bespreken we cijfers over arbeidsduur, werken op onregelmatige uren en tijdelijke arbeid bij werknemers en zelfstandigen. Deze gegevens halen we uit de EAK, de Enquête naar de arbeidskrachten, uitgevoerd door de FOD Economie.
30 24 1 Aantal werknemers in de horecasector Op de volgende pagina s vindt u in een overzicht de kerncijfers in verband met de loontrekkende werknemers in de horecasector voor België en Vlaanderen. Daarna vindt u meer gedetailleerde tabellen. Nog meer detail is te vinden in onze online database Horeca in Cijfers 17 : Aantal werknemers per provincie en per gemeente; Aantal werknemers in Wallonië en Brussel. Deze digitale weg maakt het mogelijk om de beschikbare informatie continu te actualiseren en uit te breiden. Voor de cijfers over de loontrekkende werkgelegenheid in de horecasector doen we een beroep op de cijfers van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). We verkiezen de gecentraliseerde statistieken: het bedrijf en dus ook zijn werknemers wordt ingedeeld in de sector van zijn hoofdactiviteit. De geografische indeling gebeurt op basis van de locatie van de hoofdzetel. De RSZ bepaalt het aantal arbeidsplaatsen door per werkgever een telling te maken van het aantal werknemers in dienst. Personen met meerdere jobs bij verschillende werkgevers worden dus meermaals geteld. Enkel bij de cijfers over werknemers per leeftijdscategorie wordt hiervan afgeweken. Bij deze cijfers gaat het om unieke werknemers. De geografische indeling gebeurt op basis van de hoofdverblijfplaats van de werknemer. Het gemiddeld brutokwartaalloon wordt berekend door het, bij de RSZ aangegeven, brutoloon per kwartaal te delen door het aantal voltijdsequivalenten. De afbakening van de horecasector gebeurt op basis van de nace-bel 2008 nomenclatuur. 17 Te bereiken via de website: > cijfers en publicaties > online cijferdatabase
31 Overzicht In totaal werken in 2011 in België, over alle sectoren heen, werknemers werknemers of 3,5% werkt in de horecasector. Dit aandeel is sinds 2008 ongewijzigd werknemers (56%) werken in de Vlaamse horecasector. Dit is een daling van 357 werknemers t.o.v Grafiek: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector in Vlaanderen -2006/ Vlaanderen Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 In het crisisjaar 2009 is er een daling van het aantal werknemers, gevolgd in 2010 door een herstel. In 2011 stellen we opnieuw een daling vast van het aantal werknemers.
32 26 Tabel: Overzicht loontrekkende werknemers in de horecasector n % Vlaanderen België Vlaanderen België Totaal aantal % 100% Gewesten Vlaanderen % Wallonië % Brussel % Subsector Hotels % 14% Vakantieverblijven % 3% Kampeerterreinen % 0% Overige accommodatie % 1% Restaurants % 56% Catering % 14% Drinkgelegenheden % 12% Dimensiegrootte 1 tot 4 werknemers % 23% 5 tot 9 werknemers % 20% 10 tot 19 werknemers % 18% 20 tot 49 werknemers % 16% 50 of meer werknemers % 23% Arbeiders/bedienden Arbeiders % 88% Bedienden % 12% Geslacht Man % 50% Vrouw % 50% Arbeidsregime Voltijds % 37% Deeltijds % 53% Specialen % 10% 18 De cijfers van de RSZ geven normaliter het aantal arbeidsplaatsen op basis van de hoofdzetel van de onderneming weer 19 De deeltijdse prestaties betreffen de prestaties van de werknemer die gemiddeld slechts een gedeelte presteert van de arbeidstijd van de referentie persoon (voltijds werknemer). 20 De groep specialen bevat vooral loontrekkenden die werken via gelimiteerde prestaties (extra s in de horeca).
33 27 n % Vlaanderen België Vlaanderen België Leeftijdscategorie % 100% <20 jaar % 6% jaar % 32% jaar % 24% jaar % 21% jaar % 16% >64 jaar % 1% Gemiddeld bruto kwartaalloon Vlaanderen Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06/2011 Bewerking door GUIDEA België euro euro In 2011 werkt 56% van de horecawerknemers in Vlaanderen, 22% in Wallonië en 23% in Brussel. In 2011 werkt 58% van de horecawerknemers in Vlaanderen in een restaurant. 14% werkt in een drinkgelegenheid, 13% in een hotel, 12% in de catering en 4% in een vakantieverblijf. In Vlaanderen ligt, in vergelijking tot het nationaal gemiddelde, het aandeel werknemers in vakantieverblijven, restaurants en drinkgelegenheden iets hoger. Het aandeel werknemers in hotels, overige accommodatie en catering ligt iets lager. In 2011 werkt 23% van de werknemers in Vlaanderen in een horecaonderneming met één tot vier werknemers. 22% werkt in een horecaonderneming met vijf tot negen werknemers, 21% in een horecaonderneming met tien tot negentien werknemers en 17% in een horecaonderneming met 20 tot 49 werknemers. De overige 18% werkt in een horecaonderneming met 50 of meer werknemers. De verdeling van de werkgelegenheid per dimensiegrootte is voor Vlaanderen en België nagenoeg gelijk. Nationaal werken wel meer werknemers in een onderneming met 50 werknemers of meer (23% t.o.v. 18% voor Vlaanderen). Vlaanderen stelt op zijn beurt meer werknemers in een onderneming met tien tot negentien werknemers te werk (21% t.o.v. 18% voor België). In 2011 is 91% van de werknemers in de Vlaamse horeca arbeider. Dit percentage ligt iets boven het nationale gemiddelde (88%). De overige 9% zijn bedienden. In 2011 is in Vlaanderen 52% van de loontrekkende werknemers in de horecasector vrouw en 48% man. In Vlaanderen ligt het aandeel tewerkgestelde vrouwen in de horeca iets boven het nationale gemiddelde, 52% versus 50% in België. 21 Werknemers per leeftijdscategorie: deze statistieken geven het aantal unieke werknemers naar leeftijdscategorieën weer volgens de hoofdverblijfplaats van de werknemer.
34 28 In 2011 werkt 34% van de werknemers voltijds in de Vlaamse horeca. Het aandeel deeltijdse werknemers bedraagt 51%. Het aandeel specialen bedraagt 15%. Het aandeel voltijdse en deeltijdse werknemers ligt iets lager dan het nationale gemiddelde. Het aandeel specialen ligt hoger dan het nationale gemiddelde. In 2011 bedroeg het berekende gemiddeld brutokwartaalloon voor een horecawerknemer in Vlaanderen euro. In België is dit euro. In 2011 is 31% van de horecawerknemers in Vlaanderen tussen 20 en 29 jaar oud. Dit percentage ligt iets lager dan het nationale gemiddelde (32%). 22% is tussen 30 en 39 jaar oud. Dit percentage ligt in Vlaanderen ook iets lager dan het nationale gemiddelde (24%). 21% is, net als het nationale gemiddelde, tussen 40 en 49% jaar oud. 17% is 50 jaar of ouder. Dit percentage ligt in Vlaanderen iets hoger dan het nationale gemiddelde (16%).
35 Aantal werknemers in alle sectoren in België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in alle sectoren in België -2009/2011- Sectie Omschrijving A Landbouw, bosbouw en visserij B Winning van delfstoffen C Industrie D Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht E Distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering F Bouwnijverheid G Groot- en detailhandel: reparatie van auto s en motorfietsen H Vervoer en opslag I Verschaffen van accommodatie en maaltijden J Informatie en communicatie K Financiële activiteiten en verzekeringen L Exploitatie van en handel in onroerend goed M Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten N Administratieve en ondersteunende diensten O Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen P Onderwijs Q Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening R Kunst, amusement en recreatie S Overige diensten T Huishoudens als werkgever van huishoudelijk personeel U Extraterritoriale organisaties en lichamen Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
36 Aantal werknemers in de horecasector Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per gewest -2009/ Vlaanderen Wallonië Brussel Totaal Vlaanderen 57% 57% 56% Wallonië 21% 21% 22% Brussel 22% 22% 23% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Grafiek: Evolutie aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per gewest -2006/ Vlaanderen Wallonië Brussel
37 Werknemers per subsector België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per subsector in België -2009/ Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants Catering Drinkgelegenheden Totaal Hotels 14% 14% 14% Vakantieverblijven 3% 3% 3% Kampeerterreinen 0% 0% 0% Overige accommodatie 1% 1% 1% Restaurants 56% 56% 56% Catering 13% 13% 14% Drinkgelegenheden 13% 12% 12% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per subsector in Vlaanderen -2009/ Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants Catering Drinkgelegenheden Totaal Hotels 12% 12% 13% Vakantieverblijven 4% 4% 3% Kampeerterreinen 0% 0% 0% Overige accommodatie 0% 0% 0% Restaurants 58% 58% 58% Catering 11% 11% 12% Drinkgelegenheden 14% 14% 14% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
38 Werknemers per dimensiegrootte van de onderneming België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per dimensiegrootte van de onderneming in België -2009/ tot 4 werknemers tot 9 werknemers tot 19 werknemers tot 49 werknemers tot 99 werknemers tot 199 werknemers tot 499 werknemers tot 999 werknemers werknemers en meer Totaal tot 4 werknemers 23% 23% 23% 5 tot 9 werknemers 21% 21% 20% 10 tot 19 werknemers 18% 18% 18% 20 tot 49 werknemers 15% 16% 16% 50 tot 99 werknemers 5% 5% 5% 100 tot 199 werknemers 4% 4% 3% 200 tot 499 werknemers 5% 5% 6% 500 tot 999 werknemers 1% 1% 1% 1000 werknemers en meer 8% 8% 8% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
39 33 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per dimensiegrootte van de onderneming in Vlaanderen -2009/ tot 4 werknemers tot 9 werknemers tot 19 werknemers tot 49 werknemers tot 99 werknemers tot 199 werknemers tot 499 werknemers tot 999 werknemers werknemers en meer Totaal tot 4 werknemers 23% 23% 23% 5 tot 9 werknemers 23% 22% 22% 10 tot 19 werknemers 21% 21% 21% 20 tot 49 werknemers 16% 17% 17% 50 tot 99 werknemers 6% 5% 5% 100 tot 199 werknemers 2% 3% 2% 200 tot 499 werknemers 5% 5% 7% 500 tot 999 werknemers 1% 1% 1% 1000 werknemers en meer 4% 4% 3% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
40 Werknemers per dimensiegrootte van de onderneming en per subsector België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per dimensiegrootte van de onderneming en per subsector in België Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie genheden Kampeer- Overige Drinkgele- Restaurants Catering 1 tot 4 wns tot 9 wns tot 19 wns tot 49 wns tot 99 wns tot 199 wns tot 499 wns tot 999 wns wns en meer Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie genheden Kampeer- Overige Drinkgele- Restaurants Catering 1 tot 4 wns 6% 9% 38% 10% 29% 8% 37% 5 tot 9 wns 10% 6% 40% 33% 25% 9% 24% 10 tot 19 wns 16% 9% 11% 49% 21% 10% 22% 20 tot 49 wns 21% 15% 11% 9% 16% 12% 14% 50 tot 99 wns 15% 14% 0% 0% 3% 5% 3% 100 tot 199 wns 13% 6% 0% 0% 1% 6% 0% 200 tot 499 wns 11% 11% 0% 0% 2% 18% 0% 500 tot 999 wns 0% 0% 0% 0% 1% 4% 0% 1000 wns en meer 7% 31% 0% 0% 3% 27% 0% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
41 35 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per dimensiegrootte van de onderneming en per subsector in Vlaanderen Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie genheden Kampeer- Overige Drinkgele- Restaurants Catering 1 tot 4 wns tot 9 wns tot 19 wns tot 49 wns tot 99 wns tot 199 wns tot 499 wns tot 999 wns wns en meer Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie genheden Kampeer- Overige Drinkgele- Restaurants Catering 1 tot 4 wns 7% 8% 28% 15% 28% 9% 33% 5 tot 9 wns 10% 4% 48% 29% 26% 13% 24% 10 tot 19 wns 23% 7% 7% 40% 22% 15% 23% 20 tot 49 wns 23% 17% 16% 16% 15% 19% 16% 50 tot 99 wns 14% 12% 0% 0% 2% 6% 4% 100 tot 199 wns 5% 4% 0% 0% 1% 6% 0% 200 tot 499 wns 5% 0% 0% 0% 4% 32% 0% 500 tot 999 wns 0% 0% 0% 0% 1% 0% 0% 1000 wns en meer 14% 48% 0% 0% 0% 0% 0% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
42 Werknemers per statuut België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per statuut in België -2009/ Arbeiders Bedienden Totaal Arbeiders 88% 88% 88% Bedienden 12% 12% 12% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per statuut in Vlaanderen -2009/ Arbeiders Bedienden Totaal Arbeiders 91% 91% 91% Bedienden 9% 9% 9% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
43 Werknemers per statuut en per subsector België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per statuut en per subsector in België Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Arbeiders Bedienden Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Arbeiders 70% 68% 73% 74% 93% 84% 97% Bedienden 30% 32% 27% 26% 7% 16% 3% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per statuut en per subsector in Vlaanderen Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Arbeiders Bedienden Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Arbeiders 72% 70% 69% 47% 95% 87% 98% Bedienden 28% 30% 31% 53% 5% 13% 2% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
44 Werknemers per geslacht België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per geslacht in België -2009/ Mannen Vrouwen Totaal Mannen 48% 49% 50% Vrouwen 52% 51% 50% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per geslacht in Vlaanderen -2009/ Mannen Vrouwen Totaal Mannen 46% 47% 48% Vrouwen 54% 53% 52% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
45 Werknemers per geslacht en per subsector België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per geslacht en per subsector in België Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Mannen Vrouwen Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Mannen 46% 30% 55% 35% 53% 48% 47% Vrouwen 54% 70% 45% 65% 47% 52% 53% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per geslacht en per subsector in Vlaanderen Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Mannen Vrouwen Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Mannen 42% 26% 55% 30% 51% 49% 45% Vrouwen 58% 74% 45% 70% 49% 51% 55% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
46 Werknemers per regime België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per regime in België -2009/ Voltijds Deeltijds Specialen Totaal Voltijds 35% 35% 37% Deeltijds 53% 53% 53% Specialen 12% 12% 10% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per regime in Vlaanderen -2009/ Voltijds Deeltijds Specialen Totaal Voltijds 32% 32% 34% Deeltijds 50% 50% 51% Specialen 18% 17% 15% Totaal 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
47 Werknemers per regime en per subsector België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per regime en per subsector in België Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie heden Kampeer- Overige Restaurants Catering Drinkgelegen- Voltijds Deeltijds Specialen Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie heden Kampeer- Overige Restaurants Catering Drinkgelegen- Voltijds 66% 39% 58% 54% 30% 44% 21% Deeltijds 28% 55% 39% 45% 59% 43% 65% Specialen 7% 6% 2% 0% 10% 13% 14% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per het regime en per subsector in Vlaanderen Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie heden Kampeer- Overige Restaurants Catering Drinkgelegen- Voltijds Deeltijds Specialen Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie heden Kampeer- Overige Restaurants Catering Drinkgelegen- Voltijds 61% 34% 62% 42% 31% 34% 21% Deeltijds 32% 58% 35% 58% 54% 41% 60% Specialen 7% 7% 3% 1% 15% 25% 19% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
48 Werknemers per leeftijdscategorie België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per leeftijdscategorie 22 in België -2008/ <15 jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Onbekend Totaal <15 jaar 0% 0% 0% 0% jaar 8% 8% 7% 6% jaar 17% 17% 17% 17% jaar 15% 15% 15% 15% jaar 12% 12% 12% 12% jaar 12% 12% 12% 12% jaar 11% 11% 11% 11% jaar 10% 10% 10% 10% jaar 7% 7% 8% 8% jaar 4% 5% 5% 5% jaar 2% 2% 2% 2% 65 jaar en ouder 1% 1% 1% 1% Onbekend 0% 0% 0% 0% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, situatie op 30/06 22 Statistieken m.b.t. de leeftijdscategorieën van werknemers zijn opgebouwd volgens de hoofdverblijfplaats van de werknemer (en niet volgens vestigingsplaats van de onderneming).
49 43 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per leeftijdscategorie in Vlaanderen -2008/ <15 jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Onbekend Totaal <15 jaar 0% 0% 0% jaar 11% 10% 9% 8% jaar 17% 17% 17% 17% jaar 13% 13% 14% 14% jaar 11% 11% 11% 11% jaar 11% 11% 11% 11% jaar 11% 11% 11% 11% jaar 10% 10% 10% 10% jaar 8% 8% 8% 8% jaar 5% 5% 6% 6% jaar 2% 2% 3% 3% 65 jaar en ouder 1% 1% 1% 1% Onbekend 0% 0% 0% 0% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, situatie op 30/06
50 Werknemers per leeftijdscategorie en per subsector België Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per leeftijdscategorie en per subsector in België Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie genheden Kampeer- Overige Drinkgele- Restaurants Catering <15 jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Onbekend Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie genheden Kampeer- Overige Drinkgele- Restaurants Catering <15 jaar 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% jaar 2% 1% 1% 0% 8% 4% 6% jaar 12% 8% 7% 4% 21% 10% 18% jaar 16% 11% 9% 9% 16% 11% 17% jaar 14% 10% 6% 10% 12% 12% 13% jaar 13% 11% 9% 12% 11% 13% 11% jaar 13% 15% 13% 13% 10% 15% 10% jaar 12% 16% 15% 17% 8% 13% 9% jaar 9% 15% 18% 19% 6% 11% 7% jaar 6% 9% 9% 9% 4% 7% 5% jaar 3% 4% 7% 6% 2% 3% 3% 65 jaar en ouder 1% 1% 4% 2% 1% 1% 1% Onbekend 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, situatie op 30/06
51 45 Vlaanderen Tabel: Aantal loontrekkende werknemers in de horecasector per leeftijdscategorie en per subsector in Vlaanderen Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie genheden Kampeer- Overige Drinkgele- Restaurants Catering <15 jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Onbekend Totaal Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie genheden Kampeer- Overige Drinkgele- Restaurants Catering <15 jaar jaar 2% 1% 1% 0% 10% 5% 8% jaar 13% 8% 8% 4% 21% 10% 19% jaar 15% 10% 11% 14% 15% 10% 15% jaar 13% 9% 5% 8% 11% 10% 12% jaar 12% 10% 8% 12% 10% 12% 10% jaar 13% 16% 11% 8% 9% 14% 10% jaar 12% 17% 14% 13% 9% 14% 8% jaar 9% 16% 21% 18% 7% 12% 7% jaar 6% 10% 10% 10% 5% 8% 6% jaar 3% 4% 7% 7% 2% 3% 3% 65 jaar en ouder 1% 1% 5% 5% 1% 1% 2% Onbekend 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, situatie op 30/06
52 Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut België Tabel: Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut in België -2009/ Arbeiders Bedienden Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut in Vlaanderen -2009/ Arbeiders Bedienden Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/ Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut en per subsector België Tabel: Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut en per subsector in België Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Arbeiders Bedienden Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut en per subsector in Vlaanderen Hotels Vakantieverblijveterreinen accommodatie Restaurants Catering Drinkgele- Kampeer- Overige genheden Arbeiders Bedienden Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
53 Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut en per geslacht België Tabel: Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut en per geslacht in België -2009/ Arbeiders Bedienden Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Gemiddeld brutokwartaalloon in de horecasector per statuut en per geslacht in Vlaanderen -2009/ Arbeiders Bedienden Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
54 Loonkloof tussen mannen en vrouwen Verschillen in gemiddelde brutolonen tussen mannen en vrouwen kan je op verschillende manieren berekenen. Zo kan je de gemiddelde bruto-uurlonen vergelijken. Je kan ook de gemiddelde brutomaandlonen vergelijken. Beide gegevens hier gelden voor voltijdse werknemers. Tabel: Gemiddelde bruto-uurlonen en loonkloof van voltijdse werknemers in de horecasector ( , op basis van nacecodes, ondernemingen met minstens tien werknemers) Uurloon Uurloon Uurloon Uurloon Loonkloof vrouwen mannen vrouwen mannen Loonkloof Hotels en restaurants 11,78 13,51 13% 12,48 14,17 12% Alle sectoren 16,11 18,00 11% 16,60 18,38 10% Bron: Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen In de tabel vind je de loonkloof 23, berekend voor alle werknemers op basis van bruto-uurlonen. In 2009 verdiende een vrouw in de horecasector gemiddeld 12,48 euro per uur, bij mannen was dit 14,17 euro. De loonkloof in bruto-uurlonen in de horeca bedraagt 12%, in alle sectoren in dit iets lager, namelijk 10%. De lonen in de horecasector liggen, in vergelijking met andere sectoren, vrij laag. Ook voor mannen. Toch is er nog een loonkloof van 12%. Door de berekening o.b.v. bruto-uurlonen wordt het effect van de verschillen in arbeidsduur geneutraliseerd. Als je de loonkloof zou berekenen o.b.v. brutojaarlonen, dan zou je zien dat de loonkloof hoger ligt. Want, er is een verschil tussen mannen en vrouwen in arbeidsduur. Vrouwen werken in het algemeen vaker deeltijds dan mannen. Het is wel zo dat in de horecasector ook heel wat mannen deeltijds werken. T.o.v is de loonkloof in 2009 gedaald, zowel in de horecasector als in alle sectoren. Tabel: Gemiddelde brutomaandlonen en loonkloof van voltijdse werknemers in de horecasector (2009, op basis van paritair comité, ondernemingen met minstens tien werknemers) Maandloon Maandloon Maandloon Maandloon Loonkloof vrouwen mannen vrouwen mannen Loonkloof PC % Alle sectoren % % Bron: Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen In 2009 verdienden vrouwen in de horecasector gemiddeld euro per maand. Bij mannen ligt dit iets hoger, namelijk op euro. Vrouwen in de horecasector verdienden dus gemiddeld 146 euro per maand minder. In 2009 bedraagt de loonkloof van de brutomaandlonen voor de voltijdse werknemers in de horecasector 7%. Voor alle sectoren is de loonkloof iets groter, namelijk 10%. In 2009 verdienden vrouwen in alle sectoren gemiddeld 320 euro minder dan mannen. Voor alle sectoren kunnen we de cijfers van 2009 met die van 2008 vergelijken. Zo is de loonkloof in alle sectoren met één procentpunt gedaald t.o.v Loonkloof = (loon mannen-loon vrouwen)/ loon mannen
55 49 2 Aantal zelfstandigen in de horecasector Op de volgende pagina s vindt u in een overzicht de kerncijfers in verband met de zelfstandigen 24 in de horecasector voor België en Vlaanderen. Daarna vindt u meer gedetailleerde tabellen. Nog meer detail is te vinden in onze online database Horeca in Cijfers 25 : Aantal zelfstandigen per provincie en per gemeente; Aantal zelfstandigen in Wallonië en Brussel. Deze digitale weg maakt het mogelijk om de beschikbare informatie continu te actualiseren en uit te breiden. Voor de gegevens over de zelfstandigen in de horecasector doen we een beroep op de gegevens van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ). Deze instantie gebruikt een activiteitenindeling los van de nace-bel codes. De horecasector valt hier onder de subbedrijfstak 407. De regionale indeling gebeurt bij de RSVZ op basis van de woonplaats van de zelfstandige. Dit stemt niet noodzakelijk overeen met de plaats waar de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend, maar dit laatste gegeven is door de RSVZ niet gekend. 24 De statistieken geven het aantal verzekeringsplichtigen. Dit is de som van het aantal zelfstandigen en helpers. 25 Te bereiken via de website: > cijfers en publicaties > online cijferdatabase
56 Overzicht In totaal werken in 2011 in België, over alle sectoren heen, zelfstandigen zelfstandigen of 4,1% werkt in de horecasector zelfstandigen actief in de horecasector (64%) werken in 2011 in Vlaanderen. Grafiek: Aantal zelfstandigen in de horecasector -2006/ Vlaanderen Bron: RSVZ Het aantal zelfstandigen in de horecasector daalde tussen 2006 en 2008 van tot In 2009 zien we een toename van 993 zelfstandigen. Deze stijging zet zich verder in 2010 en 2011.
57 51 Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector n % Vlaanderen België Vlaanderen België Totaal aantal % 100% Gewesten Vlaanderen % Wallonië % Brussel % Vlaamse provincies West-Vlaanderen % -- Oost-Vlaanderen % -- Antwerpen % -- Vlaams-Brabant % -- Limburg % -- Aard van bezigheid Hoofdbezigheid % 79% Bijkomende bezigheid % 16% Actief na pensioen % 5% Geslacht Man % 56% Vrouw % 44% Leeftijd <25 jaar % 3% 25 tot 35 jaar % 17% 35 tot 50 jaar % 44% 50 tot 65 jaar % 31% >65 jaar % 5% Starters/stoppers Starters Stoppers Bron: RSVZ 26 Zelfstandige in bijberoep: Dit is het geval als men samen met de zelfstandige activiteit nog een andere beroepsbezigheid uitoefent voor een werkgever. Of, als men als zelfstandige ook een loonvervangend inkomen krijgt uit een andere, weggevallen beroepsactiviteit als werknemer of ambtenaar. 27 Zelfstandige actief na pensioen(leeftijd): Hier moet de zelfstandige rekening houden met een aantal voorwaarden. Zo zijn de inkomsten uit de beroepsbezigheid begrensd.
58 52 Een profielschets: In 2011 werkt 64% van de zelfstandigen in Vlaanderen, 30% in Wallonië en 6% in Brussel. In 2011 werkt 26% van de Vlaamse zelfstandigen in West-Vlaanderen, 24% in Oost- Vlaanderen, 21% in Antwerpen, 15% in Limburg en 14% in Vlaams-Brabant. In 2011 werkt 78% van de zelfstandigen in Vlaanderen in de horeca als hoofdbezigheid. 17% is zelfstandige in bijberoep. 5% is actief als zelfstandige na het bereiken van de pensioenleeftijd. De verdeling van de zelfstandigen per aard van bezigheid is voor Vlaanderen en België nagenoeg gelijk. In 2011 is in Vlaanderen 55% van de zelfstandigen in de horecasector man en 45% vrouw. In Vlaanderen ligt het aandeel vrouwelijke zelfstandigen in de horeca iets boven het nationale gemiddelde, 45% versus 44% in België. In 2011 is 45% van de Vlaamse zelfstandigen tussen 35 en 50 jaar oud. 31% is tussen 50 en 65 jaar oud. 17% is tussen 25 en 35 jaar oud. Een minderheid is ouder dan 65 jaar of jonger dan 25 jaar. Deze leeftijdsverdeling is gelijkaardig aan die voor België. In 2011 zijn zelfstandigen van start gegaan in de Vlaamse horecasector zelfstandigen zijn gestopt. Op nationaal vlak zien we eveneens meer starters dan stoppers.
59 Aantal zelfstandigen in alle sectoren in België Tabel: Aantal zelfstandigen in alle sectoren in België -2010/2011- Code RSVZ Omschrijving Groentekwekers Tuinbouwers Wijnbouwers Landbouwers, pachters, e.a Bosexploitatie Diverse landbouwactiviteiten , Bestuurders van de landbouw Zeevisserij Zoetwatervisserij , Bestuurders van de visserij Mijnnijverheid Steengroefnijverheid Metaalnijverheid Keramieknijverheid Glasnijverheid Chemische nijverheid Voedingsnijverheid Textielnijverheid Kledingnijverheid Bouwnijverheid Hout-en meubelnijverheid Huid-en ledernijverheid Tabaksnijverheid Papiernijverheid Boekdruknijverheid Kunst-en precisienijverheid Vervoer Binnenschippers Sleepbootexploitanten Security en bewaking nijv. en amb , Bestuurders van de nijv. en amb Groothandel Kleinhandel Groot-en kleinhandel Banken Verzekeringen Tussenpersonen Horecasector Vermakelijkheden Foorkramers Marktkramers, leurders
60 54 Code RSVZ Omschrijving Marketing en verkoop Security en bewaking handel , Bestuurders van de handel Artsen, chirurgen Tandartsen Apothekers Dierenartsen Para-medici Privé-onderricht Wetenschap Letteren Kunst (voor 1/7/2003) Kunst (vanaf 1/7/2003) Advocaten Notarissen Gerechtsdeurwaarders Landmeters, ingenieurs, accountants, experts Architecten Diverse intellectuele beroepen , Bestuurders van de vrije beroepen Schoonheidszorg Diverse beroepen van manuele aard , Bestuurders van de diensten Diversen , 061 Bestuurders van diversen Totaal Bron: RSVZ In 2010 zijn er drie nieuwe categorieën bij de zelfstandigen. Dit zijn 320- security en bewaking in de nijverheid en ambachten (productie), 411- marketing en verkoop en 412- security en bewaking in de handel. In 2010 en 2011 werkte 4,1% van alle zelfstandigen in de horecasector.
61 Aantal zelfstandigen in de horecasector Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector in de gewesten -2008/ Vlaanderen Wallonië Brussel Totaal Vlaanderen 62% 63% 64% 64% Wallonië 32% 32% 30% 30% Brussel 6% 6% 6% 6% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ Grafiek: Aandeel zelfstandigen in de horecasector over de gewesten -2005/ % 80% 60% 40% 20% 0% Vlaanderen 62% 62% 62% 62% 63% 64% 64% Wallonië 31% 31% 31% 32% 32% 30% 30% Brussel 6% 6% 6% 6% 6% 6% 6% Bron: RSVZ
62 Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid België Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid in België -2008/ Hoofdbezigheid Bijkomende bezigheid Actief na pensioen(leeftijd) Totaal Hoofdbezigheid 82% 81% 80% 79% Bijkomende bezigheid 14% 14% 15% 16% Actief na pensioen(leeftijd) 4% 4% 5% 5% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ Vlaanderen Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid in Vlaanderen -2008/ Hoofdbezigheid Bijkomende bezigheid Actief na pensioen(leeftijd) Totaal Hoofdbezigheid 83% 81% 80% 78% Bijkomende bezigheid 13% 14% 16% 17% Actief na pensioen(leeftijd) 4% 4% 4% 5% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
63 Aantal zelfstandigen in de horecasector per geslacht België Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per geslacht in België -2008/ Mannen Vrouwen Totaal Mannen 55% 56% 56% 56% Vrouwen 45% 44% 44% 44% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ Vlaanderen Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per geslacht in Vlaanderen -2008/ Mannen Vrouwen Totaal Mannen 53% 54% 54% 55% Vrouwen 47% 46% 46% 45% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
64 Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid en per geslacht België Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid en per geslacht in België -2008/ Hoofdbezigheid Mannen Vrouwen Bijkomende bezigheid Mannen Vrouwen Actief na pensioen(leeftijd) Mannen Vrouwen Hoofdbezigheid Bijkomende bezigheid Actief na pensioen(leeftijd) Bron: RSVZ Mannen 54% 54% 54% 55% Vrouwen 46% 46% 46% 45% Mannen 68% 66% 65% 65% Vrouwen 32% 34% 35% 35% Mannen 46% 47% 48% 49% Vrouwen 54% 53% 52% 51%
65 59 Vlaanderen Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid en per geslacht in Vlaanderen -2008/ Hoofdbezigheid Mannen Vrouwen Bijkomende bezigheid Mannen Vrouwen Actief na pensioen(leeftijd) Mannen Vrouwen Hoofdbezigheid Bijkomende bezigheid Actief na pensioen(leeftijd) Bron: RSVZ Mannen 52% 52% 53% 53% Vrouwen 48% 48% 47% 47% Mannen 67% 64% 64% 64% Vrouwen 33% 36% 36% 36% Mannen 45% 47% 48% 50% Vrouwen 55% 53% 52% 50%
66 Aantal zelfstandigen in de horecasector per leeftijdscategorie België Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per leeftijdscategorie in België -2008/ <25 jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Totaal <25 jaar 3% 3% 3% 3% jaar 17% 17% 17% 17% jaar 46% 46% 45% 44% jaar 30% 30% 31% 31% 65 jaar en ouder 4% 4% 4% 5% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ Vlaanderen Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per leeftijdscategorie in Vlaanderen -2008/ <25 jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Totaal <25 jaar 3% 3% 3% 3% jaar 18% 17% 17% 17% jaar 47% 46% 46% 45% jaar 29% 29% 30% 31% 65 jaar en ouder 3% 4% 4% 4% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
67 Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid en per leeftijdscategorie België Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid en per leeftijdscategorie in België -2008/ Hoofdbezigheid <25 jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Bijkomende bezigheid <25 jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Actief na pensioen(leeftijd) <25 jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Hoofdbezigheid <25 jaar 3% 3% 3% 3% jaar 17% 17% 16% 16% jaar 48% 47% 47% 46% jaar 32% 32% 33% 34% 65 jaar en ouder 0% 0% 0% 0% Bijkomende bezigheid <25 jaar 4% 4% 4% 4% jaar 24% 25% 25% 25% jaar 50% 49% 47% 47% jaar 21% 23% 23% 24% 65 jaar en ouder 0% 0% 0% 0% Actief na pensioen(leeftijd) Bron: RSVZ <25 jaar 0% 0% 0% 0% jaar 0% 0% 0% 0% jaar 0% 0% 0% 0% jaar 15% 13% 13% 12% 65 jaar en ouder 85% 87% 87% 88%
68 62 Vlaanderen Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid en per leeftijdscategorie in Vlaanderen -2008/ Hoofdbezigheid <25 jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Bijkomende bezigheid <25 jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Actief na pensioen(leeftijd) <25 jaar jaar jaar jaar jaar en ouder Hoofdbezigheid <25 jaar 3% 3% 3% 3% jaar 18% 17% 16% 16% jaar 49% 48% 48% 47% jaar 31% 31% 32% 33% 65 jaar en ouder 0% 0% 0% 0% Bijkomende bezigheid <25 jaar 5% 4% 5% 5% jaar 24% 25% 26% 27% jaar 51% 48% 46% 45% jaar 20% 22% 23% 23% 65 jaar en ouder 0% 0% 0% 0% Actief na pensioen(leeftijd) Bron: RSVZ <25 jaar 0% 0% 0% 0% jaar 0% 0% 0% 0% jaar 0% 0% 0% 0% jaar 17% 15% 14% 14% 65 jaar en ouder 82% 84% 85% 86%
69 Aantal startende en stoppende zelfstandigen in de horecasector in de gewesten Tabel: Aantal startende zelfstandigen in de horecasector in de gewesten -2008/ Vlaanderen Wallonië Brussel Totaal Vlaanderen 56% 58% 63% 60% Wallonië 39% 36% 31% 34% Brussel 5% 7% 6% 6% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ Tabel: Aantal stoppende zelfstandigen in de horecasector in de gewesten -2008/ Vlaanderen Wallonië Brussel Totaal Vlaanderen 57% 55% 59% 61% Wallonië 37% 39% 35% 33% Brussel 6% 6% 6% 6% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
70 64 België Tabel: Aantal startende en stoppende zelfstandigen in de horecasector in België -2008/ Starters Stoppers Bron: RSVZ Grafiek: Aantal starters en stoppers in de horecasector in België -2005/ Starters Stoppers Bron: RSVZ Vlaanderen Tabel: Aantal startende en stoppende zelfstandigen in de horecasector in Vlaanderen -2008/ Starters Stoppers Bron: RSVZ Grafiek: Aantal starters en stoppers in de horecasector in Vlaanderen -2005/ Starters Stoppers Bron: RSVZ
71 65 3 Tewerkstelling van studenten met een studentencontract Het aantal studenten wordt weergegeven in aantal arbeidsplaatsen. Dit cijfer wordt bekomen door per werkgever het aantal tewerkgestelde studenten gedurende het kwartaal te tellen. Het gaat om statistische informatie over studentenjobs (geen onderwerping aan de sociale zekerheid maar met een solidariteitsbijdrage). Enkel cijfers voor België zijn beschikbaar 28. We merken vrij grote schommelingen tussen de vier kwartalen, met de meeste studentenjobs in het derde kwartaal (zomerperiode). Dit is ook logisch te verklaren: tijdens de zomer zijn de meeste studenten vragende partij om een centje bij te verdienen. Omwille daarvan kiezen we ervoor om een cijferoverzicht te geven per kwartaal. Belangrijk om op te merken is dat een arbeidsplaats over meerdere kwartalen kan lopen. Sommeren heeft in dit geval dus weinig zin. Grafiek: Aantal studentenjobs in de horecasector per kwartaal in België -Q1 2008/Q Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek In 2011 vinden we de meeste studentenjobs in de horecasector in het derde kwartaal ( arbeidsplaatsen). Gevolgd door het tweede kwartaal (26.453) en het vierde kwartaal (22.643). De minste studentenjobs vinden we in januari, februari en maart (17.817). In 2011 merken we een verdere toename in het aantal arbeidsplaatsen voor studenten in de horecasector. Zo zijn er arbeidsplaatsen in het derde kwartaal van 2011, in 2010 was dit nog (stijging met 11%). Ook in het eerste, tweede en vierde kwartaal van 2011 zien we een toename met respectievelijk 27%, 19% en 26% ten opzichte van Detail naar gewest en provincie is niet langer beschikbaar bij de RSZ.
72 66 4 Tewerkstellingsvooruitzichten in de horecasector Op basis van de Manpower Barometer krijgen we een idee van de rekruteringsintenties in de nabije toekomst in horeca. De Manpower Barometer voor de tewerkstellingsvooruitzichten voor het 4 de kwartaal van 2012 in België is gebaseerd op een rondvraag bij een representatieve steekproef van 750 werkgevers in Brussel, Vlaanderen en Wallonië. Alle respondenten hebben op dezelfde vraag geantwoord: Hoe zal de totale werkgelegenheid in uw onderneming zich het komende kwartaal dus tot het einde van december 2012 ontwikkelen in vergelijking met het huidige kwartaal? In het rapport gebruikt Manpower de term Nettotewerkstellingsprognose. Deze waarde berekenen ze door van het percentage werkgevers die een stijging van de totale werkgelegenheid verwachten, het percentage werkgevers die een daling verwachten af te trekken. Het resultaat is dus een nettosaldo van tewerkstellingsvooruitzichten dat positief of negatief kan zijn. Op deze prognose wordt een seizoenszuivering uitgevoerd. Deze seizoensgezuiverde gegevens zijn op lange termijn betrouwbaarder. Volgens de seizoensgezuiverde prognose verwachten de werkgevers uit 5 van de 10 gepeilde activiteitensectoren een stijging van hun personeelsbestand voor het vierde kwartaal De rekruteringsintenties in de horeca zijn daarentegen negatief, met een nettotewerkstellingsprognose van -4. Grafiek : Nettotewerkstellingsvooruitzichten alle sectoren in België -vierde kwartaal Bron: Manpower Barometer voor de tewerkstellingsvooruitzichten België
73 67 Grafiek : Nettotewerkstellingsvooruitzichten horeca in België -vierde kwartaal Bron: Manpower Barometer voor de tewerkstellingsvooruitzichten België Volgens de seizoensgecorrigeerde gegevens rapporteren de werkgevers van de horecasector een nettotewerkstellingsprognose van -4. Dit resultaat stemt overeen met een lichte daling van 2 punten op kwartaalbasis en met een gematigde daling van 6 punten op jaarbasis. Niet gecorrigeerd voor seizoensinvloeden, bereikt de nettotewerkstellingsprognose de zeer pessimistische waarde van -8. Dit cijfer vertegenwoordigt zowel op kwartaalbasis als op jaarbasis een forse daling van respectievelijk 9 en 8 punten.
74 68 5 Arbeidsduur, werken op onregelmatige uren en tijdelijke arbeid In de Belgische Enquête naar de Arbeidskrachten bij huishoudens vinden we informatie over arbeidsduur, werken op onregelmatige uren en tijdelijke arbeid. Eerst bespreken we de werknemers, daarna de zelfstandigen. 5.1 Werknemers Gewone gemiddelde wekelijkse werktijd Tabel: Gewone gemiddelde werktijd bij horecawerknemers in uren per woonplaats per gewest Vlaanderen Wallonië Brussel België Voltijds loontrekkenden 40 uren 33 min. 39 uren 38 min. 39 uren 13 min. 40 uren 03 min. Deeltijds loontrekkenden 19 uren 04 min. 20 uren 07 min. 20 uren 28 min. 19 uren 33 min. Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Voltijdse werknemers in de horecasector presteren per week gemiddeld 40 uren en 3 minuten. Deeltijdse werknemers presteren per week gemiddeld 19 uren en 33 minuten. Bij de voltijdse werknemers ligt de gemiddelde wekelijkse werktijd het hoogst in Vlaanderen, bij de deeltijdse werknemers ligt de gemiddelde wekelijkse werktijd het hoogst in Brussel. Tabel: Evolutie gewone gemiddelde werktijd bij horecawerknemers in uren per woonplaats in Vlaanderen -2007/ Voltijds loontrekkenden 41 u 50 min 40 u 40 min 40 u 16 min 39 u 47 min 40 u 33 min Deeltijds loontrekkenden 18 u 55 min 19 u 12 min 18 u 37 min 18 u 54 min 19 u 04 min Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 De gemiddelde werktijd bij horecawerknemers is bij voltijds loontrekkenden van 2007 t.e.m lichtjes gedaald. In 2011 zien we een stijging van de gemiddelde werktijd t.o.v Bij deeltijds loontrekkende nam de gemiddelde werktijd in 2008 lichtjes toe om in 2009 terug te dalen tot onder het niveau van In 2010 is de gemiddelde werktijd voor een deeltijds loontrekkende opnieuw gelijk aan In 2011 neemt de gemiddelde werktijd nog iets toe.
75 Effectieve gewone arbeidsduur op weekbasis In de onderstaande tabel wordt de spreiding van de gewerkte uren op weekbasis weergegeven. Werknemers die weet niet geantwoord hebben, zijn niet opgenomen in de tabel. Tabel: Aantal loontrekkenden per geslacht per effectieve gewone arbeidsduur op weekbasis (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal 1-20 uren 24% 43% 34% 26% 41% 34% uren 12% 24% 18% 13% 23% 18% uren 51% 30% 40% 51% 32% 41% > 40 uren 13% 2% 7% 10% 4% 7% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 34% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt 1 tot 20 uren per week. 18% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt 21 tot 36 uren per week. 40% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt 37 tot 40 uren per week 7% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt 41 uren of meer per week. Er zijn enkele verschillen tussen mannen en vrouwen. Het aandeel vrouwen dat in Vlaanderen minder dan 37 uren op weekbasis werkt is hoger: 67% van de vrouwen werkt minder dan 37 uren per week, voor mannen ligt dit percentage lager (36%). 51% van de mannen werkt 37 tot 40 uren per week, voor vrouwen ligt dit percentage lager (30%). De resultaten voor België liggen in dezelfde lijn. Tabel: Evolutie aantal loontrekkenden per geslacht per effectieve gewone arbeidsduur in Vlaanderen op weekbasis (%) -2007/ M V M V M V M V M V 1-20 uren 22% 45% 16% 43% 28% 37% 22% 43% 24% 43% uren 13% 18% 10% 22% 14% 20% 15% 23% 12% 24% uren 49% 33% 58% 32% 52% 38% 52% 31% 51% 30% > 40 uren 15% 4% 16% 4% 6% 5% 11% 2% 13% 2% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Over de jaren heen merken we enkele schommelingen in de arbeidsduur per geslacht. Zo schommelt het aantal mannen dat meer dan 37 uren per week werkt over de jaren heen. In 2008 was er een stijging van 9 procentpunten bij de mannen (tot 58%) die tussen de 37 en 40 uren werken per week. In 2009 volgt er een daling die daarna stabiel blijft.
76 Werken op onregelmatige uren Definities In de volgende tabellen vindt u terug in hoeverre de loontrekkende werknemers in de horecasector op onregelmatige uren werken. Dit betekent avondwerk, nachtwerk, zaterdagwerk, zondagwerk of thuiswerk. s Avonds = effectieve arbeidsduur presteren tussen 19u en 23u s Nachts = effectieve arbeidsduur presteren tussen 23u en 05u Zaterdag- en zondagwerk werden niet gedefinieerd. De respondenten waren vrij om hier hun eigen interpretatie te geven. Antwoordmogelijkheden: Nooit = 100% niet Soms = minder dan 50% van de werkdagen Gewoonlijk = 50% van de werkdagen of meer Altijd = 100% wel Eerst brengen we de resultaten van de EAK 2011 en daarna bekijken we hoe de resultaten van de EAK evolueren sinds In de grafieken definiëren we de categorie ja als de som van de percentages voor de antwoordmogelijkheden soms, gewoonlijk en altijd.
77 71 Avondwerk Tabel: Frequentie avondwerk bij horecawerknemers in Vlaanderen en België per geslacht (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Nooit 24% 39% 32% 30% 45% 37% Soms 29% 29% 29% 27% 26% 27% Gewoonlijk 22% 18% 20% 19% 16% 17% Altijd 25% 14% 19% 25% 13% 19% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 32% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt nooit s avonds. 29% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt soms s avonds. 20% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt gewoonlijk s avonds. 19% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt altijd s avonds. In Vlaanderen zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen: Bij de vrouwen is er een grotere proportie die nooit s avonds werkt (39% versus 24% bij de mannen). Bij de mannen is er een grotere proportie die altijd s avonds werkt (25% versus 14% bij de vrouwen). De resultaten voor België liggen in dezelfde lijn. Grafiek: Evolutie avondwerk bij horecawerknemers in Vlaanderen per geslacht (%) -2007/ % 80% 60% 40% 20% 0% Man 83% 79% 78% 77% 76% Vrouw 52% 50% 55% 55% 61% Avondwerk 29 Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Vanaf 2007 neemt het avondwerk bij mannen lichtjes af. In 2007 werkte 83% s avonds, in 2011 zakt dit tot 76%. Het avondwerk bij vrouwen, neemt de afgelopen jaren toe. Van 52% in 2007 tot 61% in Antwoordcategorie: Ja = werkt soms, gewoonlijk of altijd s avonds
78 72 Nachtwerk Tabel: Frequentie nachtwerk bij horecawerknemers in Vlaanderen en België per geslacht (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Nooit 66% 81% 74% 69% 83% 76% Soms 25% 13% 19% 20% 12% 16% Gewoonlijk 4% 4% 4% 5% 4% 4% Altijd 5% 2% 3% 6% 2% 4% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 74% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt nooit s nachts. 19% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt soms s nachts. 4% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt gewoonlijk s nachts. 3% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt altijd s nachts. In Vlaanderen zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen: Bij de vrouwen is er een grotere proportie die nooit s nachts werkt (81% versus 66% bij de mannen). Bij de mannen is er een grotere proportie die soms of altijd s nachts werkt (respectievelijk 25% versus 13% en 5% versus 2%). De resultaten voor België liggen in dezelfde lijn. Grafiek: Evolutie nachtwerk bij horecawerknemers in Vlaanderen per geslacht (%) -2007/ % 80% 60% 40% 20% 0% Man 35% 34% 31% 34% 34% Vrouw 17% 14% 17% 16% 19% Nachtwerk 30 Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Het nachtwerk bij mannelijke horecawerknemers daalt sinds 2007, maar in 2010 is er opnieuw een stijging merkbaar. In 2010 en 2011 zegt 34% nachtwerk te verrichten. Het nachtwerk bij vrouwelijke horecawerknemers is in 2011 met 2 procentpunten gestegen t.o.v Antwoordcategorie: Ja = werkt soms, gewoonlijk of altijd s nachts
79 73 Zaterdagwerk Tabel: Frequentie zaterdagwerk bij horecawerknemers in Vlaanderen en België per geslacht (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Nooit 17% 28% 22% 22% 31% 27% Soms 19% 17% 18% 20% 20% 20% Gewoonlijk 19% 28% 24% 19% 26% 23% Altijd 45% 27% 36% 38% 23% 31% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 22% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt nooit op zaterdag. 18% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt soms op zaterdag. 24% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt gewoonlijk op zaterdag. 36% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt altijd op zaterdag. In Vlaanderen zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen: Bij de vrouwen is er een grotere proportie die nooit op zaterdag werkt. Bij de mannen is er een grotere proportie die gewoonlijk of altijd op zaterdag werkt. De resultaten voor België liggen in dezelfde lijn. Grafiek: Evolutie zaterdagwerk bij horecawerknemers in Vlaanderen per geslacht (%) -2007/ % 80% 60% 40% 20% 0% Man 88% 87% 85% 82% 83% Vrouw 73% 68% 69% 69% 72% Zaterdagwerk 31 Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Het zaterdagwerk bij mannelijke werknemers is sinds 2007 gedaald. Het ja-percentage daalt van 88% in 2007 tot 82% in In 2011 zien we een lichte toename tot 83%. Bij de vrouwen is het zaterdagwerk ook afgenomen. Het daalt van 73% in 2007 tot 69% in Ook hier zien we een toename in 2011 tot 72%. 31 Antwoordcategorie: Ja = werkt soms, gewoonlijk of altijd op zaterdag
80 74 Zondagwerk Tabel: Frequentie zondagwerk bij horecawerknemers in Vlaanderen en België per geslacht (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Nooit 33% 45% 39% 39% 48% 44% Soms 16% 17% 16% 19% 17% 18% Gewoonlijk 17% 20% 19% 15% 19% 17% Altijd 33% 18% 25% 27% 16% 21% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 39% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt nooit op zondag. 16% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt soms op zondag. 19% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt gewoonlijk op zondag. 25% van de horecawerknemers in Vlaanderen werkt altijd op zondag. In Vlaanderen geven de mannen aan vaker op zondag te werken: Bij de vrouwen is er een grotere proportie die nooit op zondag werkt. Bij de mannen is er een grotere proportie die gewoonlijk of altijd op zondag werkt. Bij de mannen werkt in Vlaanderen, in vergelijking met België, een grotere proportie altijd op zondag (33% versus 27% voor België), een kleinere proportie werkt nooit op zondag (33% versus 39% voor België). Grafiek: Evolutie zondagwerk bij horecawerknemers in Vlaanderen per geslacht (%) / % 80% 60% 40% 20% 0% Man 76% 75% 75% 76% 67% Vrouw 55% 53% 54% 62% 55% Zondagwerk 32 Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Bij de mannen bleef het zondagwerk van stabiel. In 2011% zien we een daling tot 67%. Bij de vrouwen evolueert het zondagwerk in 2011 opnieuw naar het niveau van Antwoordcategorie: Ja = werkt soms, gewoonlijk of altijd op zondag
81 Tijdelijke arbeid en types tijdelijke tewerkstelling Tijdelijke arbeid versus vast werk Het aandeel tijdelijke arbeid bij de loontrekkenden geeft weer welk aandeel van de loontrekkende werknemers geen contract van onbepaalde duur hebben of vastbenoemd zijn bij de overheid. Tabel: Tijdelijke arbeid versus vast werk bij horecawerknemers in Vlaanderen en België (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Vast werk 85% 82% 83% 84% 82% 83% Tijdelijk werk 15% 18% 17% 16% 18% 17% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 83% van de horecawerknemers in Vlaanderen heeft vast werk. 17% van de horecawerknemers in Vlaanderen heeft tijdelijk werk. De resultaten voor mannen en vrouwen liggen in dezelfde lijn, net zoals de resultaten voor België. Grafiek: Evolutie tijdelijke arbeid versus vast werk bij horecawerknemers in Vlaanderen (%) -2007/ % 80% 60% 40% 20% 0% Vast werk 92% 92% 86% 86% 85% Tijdelijk werk 8% 8% 14% 14% 15% Vast/tijdelijk werk mannen 100% 80% 60% 40% 20% 0% Vast werk 86% 89% 90% 91% 82% Tijdelijk werk 14% 11% 10% 9% 18% Vast/tijdelijk werk vrouwen Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Het percentage mannen met vast werk in de horecasector neemt af. T.o.v is er in 2011 een afname met 7 procentpunten. Het percentage vrouwen met vast werk in de horecasector neemt toe tot In 2011 zien we een daling met 9 procentpunten.
82 76 Tijdelijke arbeid per type Onderstaande tabel geeft aan welke vormen tijdelijke arbeid meestal aanneemt 33. Tabel: Tijdelijke arbeid per type bij horecawerknemers in België (%) Uitzendkracht 11% Dienstencheque / PWA 1% Opleiding, stage, leercontract 6% Studentenarbeid (met studentencontract) 24% Arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een bepaald werk 39% Andere arbeidsovereenkomst van bepaalde duur 4% Gelegenheidswerk zonder formele arbeidsovereenkomst 14% Totaal 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 39% van de tijdelijke werknemers heeft een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een bepaald werk. 24% van de tijdelijke werknemers verricht studentenarbeid. 14% van de tijdelijke werknemers doet gelegenheidswerk zonder formele arbeidsovereenkomst. 11% van de tijdelijke werknemers werkt als uitzendkracht. 6% van de tijdelijke werknemers werkt in het kader van een opleiding, stage of leercontract. 4% van de tijdelijke werknemers heeft een andere arbeidsovereenkomst van bepaalde duur. 1% van de tijdelijke werknemers werkt in het kader van dienstencheques/pwa. 33 Voor tijdelijke arbeid per type zijn er geen resultaten voor Vlaanderen beschikbaar
83 Zelfstandigen Gewone gemiddelde wekelijkse werktijd Tabel: Gewone gemiddelde werktijd bij zelfstandigen in uren per woonplaats per gewest Vlaanderen Wallonië Brussel België Voltijds 65 uren 37 min. 64 uren 39 min. 56 uren 28 min. 64 uren 25 min. Deeltijds Geen representatieve cijfers beschikbaar Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Zelfstandigen die voltijds werken in de horecasector presteren per week gemiddeld 64 uren en 25 minuten. De gemiddelde wekelijkse werktijd ligt bij Vlaamse zelfstandigen het hoogst, bij de zelfstandigen van het Brusselse het laagst. Tabel: Evolutie gewone gemiddelde werktijd bij zelfstandigen in uren per woonplaats in Vlaanderen / Voltijds 66 u 36 min 65 u 29 min 65 u 47 min 65 u 37 min Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 De gemiddelde werktijd van zelfstandigen in Vlaanderen schommelt in de periode tussen 2008 en 2010 tussen 65 en 66 uur.
84 Effectieve gewone arbeidsduur op weekbasis In de onderstaande tabel wordt de spreiding van de gewerkte uren op weekbasis weergegeven. Zelfstandigen die weet niet geantwoord hebben, zijn niet opgenomen in de tabel. Tabel: Aantal niet-loontrekkenden per geslacht per effectieve gewone arbeidsduur op weekbasis (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal 1-20 uren 3% 8% 5% 5% 8% 6% uren 3% 6% 4% 3% 6% 4% uren 9% 9% 9% 11% 12% 11% > 40 uren 85% 77% 81% 81% 74% 79% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 5% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt 1 tot 20 uren per week. 4% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt 21 to 36 uren per week. 9% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt 37 tot 40 uren per week. 81% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt 41 uren of meer per week. De verdeling tussen mannen en vrouwen in Vlaanderen is vrij gelijklopend. In Vlaanderen is er een grotere proportie niet-loontrekkenden die aangeeft meer dan 40 uren per week te werken (81% versus 79% in België). Tabel: Evolutie aantal niet-loontrekkenden per geslacht per effectieve gewone arbeidsduur in Vlaanderen op weekbasis (%) -2007/ M V M V M V M V M V 1-20 uren 1% 7% 1% 7% 2% 5% 2% 5% 3% 8% uren 3% 3% 2% 5% 1% 9% 10% 6% 3% 6% uren 2% 6% 4% 9% 10% 4% 3% 4% 9% 9% > 40 uren 94% 83% 93% 79% 88% 82% 85% 85% 85% 77% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Het percentage mannen dat meer dan 40 uren werkt per week, neemt af. In 2010 zakt het percentage met 9 procentpunten t.o.v Het percentage vrouwen dat hoogstens 36 uren per week werkt was in %. In 2008 is dit 12% en in 2009 is dit 14%. In 2010 zakken we opnieuw naar het niveau van 2007 met 11%. In 2011 zien we weer een toename tot 14%.
85 Werken op onregelmatige uren In de volgende tabellen vindt u terug in hoeverre de zelfstandigen in de horecasector op onregelmatige uren werken. Dit betekent avondwerk, nachtwerk, zaterdagwerk, zondagwerk of thuiswerk. Avondwerk Tabel: Frequentie avondwerk bij niet-loontrekkenden in Vlaanderen en België per geslacht (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Nooit 5% 12% 8% 9% 13% 16% Soms 7% 20% 12% 11% 21% 11% Gewoonlijk 28% 17% 23% 23% 17% 20% Altijd 60% 52% 56% 57% 49% 62% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 8% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt nooit s avonds. 12% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt soms s avonds. 23% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt gewoonlijk s avonds. 56% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt altijd s avonds. In Vlaanderen geven de niet-loontrekkende vrouwen, vaker dan mannen, aan minder s avonds te werken: Er zijn meer vrouwen die nooit (12% versus 5% mannen) s avonds werken. Er zijn minder vrouwen die altijd (52% versus 60% mannen) s avonds werken.
86 80 Grafiek: Evolutie avondwerk bij niet-loontrekkenden in Vlaanderen per geslacht (%) -2007/ % 80% 60% 40% 20% 0% Man 95% 96% 95% 89% 95% Vrouw 90% 89% 88% 85% 88% Avondwerk 34 Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Het avondwerk bij mannen die niet-loontrekkende zijn in de horecasector blijft tussen 2007 en 2009 stabiel. In 2010 is er een daling van 6 procentpunten naar 89%. In 2011 zien we een stijging tot het niveau van 2007, nl. 95%. Het avondwerk bij vrouwen neemt lichtjes af met 2 procentpunten tussen 2007 en In 2010 is er een daling met 3 procentpunten tot 85%. Ook hier zien we in 2011 een toename, nl. tot 88%. 34 Antwoordcategorie: ja = werkt soms, gewoonlijk of altijd s avonds
87 81 Nachtwerk Tabel: Frequentie nachtwerk bij niet-loontrekkenden in Vlaanderen en België per geslacht (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Nooit 34% 51% 42% 43% 55% 48% Soms 31% 24% 28% 27% 24% 26% Gewoonlijk 19% 10% 15% 15% 8% 12% Altijd 16% 14% 15% 15% 14% 14% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 42% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt nooit s nachts. 28% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt soms s nachts. 15% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt gewoonlijk s nachts. 15% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt altijd s nachts. In Vlaanderen zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen: De niet-loontrekkende vrouwen geven vaker aan nooit nachtwerk uit te oefenen (51% versus 34% bij de mannen). De niet-loontrekkende mannen geven iets vaker aan altijd nachtwerk uit te oefenen (16% versus 14% bij de vrouwen) De verdeling in België, is gelijklopend met de verdeling in Vlaanderen, vooral bij de vrouwen. Bij de mannen zijn er in volledig België iets meer mannen die aangeven nooit nachtwerk uit te voeren. Grafiek: Evolutie nachtwerk bij niet-loontrekkenden in Vlaanderen per geslacht (%) -2007/ % 80% 60% 40% 20% 0% Man 63% 63% 63% 54% 66% Vrouw 55% 53% 45% 51% 49% Nachtwerk 35 Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Het nachtwerk bij niet-loontrekkende mannen die niet-loontrekkende zijn in de horecasector blijft tussen 2007 en 2009 stabiel. In 2010 is er daling met 9 procentpunten. In 2011 is er een stijging tot 66%. Het nachtwerk bij vrouwen daalt in 2010 ten opzichte van 2007 met 4 procentpunten tot 51%. Deze daling zet zich verder in Antwoordcategorie: Ja = werkt soms, gewoonlijk of altijd s nachts
88 82 Zaterdagwerk Tabel: Frequentie zaterdagwerk bij niet-loontrekkenden in Vlaanderen en België per geslacht (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Nooit 3% 4% 4% 6% 7% 6% Soms 1% 5% 3% 5% 7% 6% Gewoonlijk 14% 13% 13% 12% 12% 12% Altijd 82% 78% 80% 77% 74% 76% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 4% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt nooit op zaterdag. 3% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt soms op zaterdag. 13% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt gewoonlijk op zaterdag. 80% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt altijd op zaterdag. De resultaten voor niet-loontrekkende mannen en vrouwen zijn in Vlaanderen vrij gelijklopend. De resultaten voor België liggen in dezelfde lijn. Grafiek: Evolutie zaterdagwerk bij niet-loontrekkenden in Vlaanderen per geslacht (%) -2007/ % 80% 60% 40% 20% 0% Man 95% 93% 96% 88% 97% Vrouw 92% 88% 95% 89% 96% Zaterdagwerk 36 Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Het zaterdagwerk bij mannen daalt in 2010 tot 88%. In 2011 stijgt het zaterdagwerk tot 2 procentpunten boven het % van Ook bij zien we in 2011 een toename t.o.v. 2007, namelijk met 4 procentpunten. 36 Antwoordcategorie: Ja = werkt soms, gewoonlijk of altijd op zaterdag
89 83 Zondagwerk Tabel: Frequentie zondagwerk bij niet-loontrekkenden in Vlaanderen en België per geslacht (%) Vlaanderen België Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Nooit 12% 16% 13% 15% 18% 16% Soms 2% 8% 5% 6% 9% 7% Gewoonlijk 16% 9% 13% 12% 10% 11% Altijd 71% 67% 69% 66% 63% 65% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 13% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt nooit op zondag. 5% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt soms op zondag. 13% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt gewoonlijk op zondag. 69% van de niet-loontrekkenden in Vlaanderen werkt altijd op zondag. In Vlaanderen is er bij de vrouwen een lager percentage dat aangeeft altijd op zondag te werken (67% versus 71% bij de mannen). Het aandeel zelfstandigen in Vlaanderen dat altijd op zondag werkt ligt hoger dan het nationaal gemiddelde (69% versus 65% voor België). Grafiek: Evolutie zondagwerk bij niet-loontrekkenden in Vlaanderen per geslacht (%) -2007/ % 80% 60% 40% 20% 0% Man 87% 89% 84% 83% 88% Vrouw 87% 83% 85% 81% 84% Zondagwerk 37 Bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten 2011, NACE_2008=55 of 56 Het zondagwerk bij mannen stijgt in 2008 met twee procentpunten om in 2009 te dalen naar een lager niveau dan in In 2010 is er een verdere daling met 1 procentpunt van het zondagwerk tot 83%. In 2011 is er een toename tot één procentpunten boven het % van Bij vrouwen zien we eveneens schommelingen in het zondagwerk. In 2011 situeert het zondagwerk zich 3 procentpunten onder het niveau van Antwoordcategorieën: Nee = werkt nooit op zondag Ja = werkt soms, gewoonlijk of altijd op zondag
90 84
91 85 Werkzoekenden 1 Niet werkende werkzoekenden De Vlaamse werkloosheid wordt geoperationaliseerd aan de hand van de inschrijving als niet-werkende werkzoekende (nwwz) bij de VDAB 38. De groep van nwwz bestaat uit de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen (uvw s), de schoolverlaters in wachttijd, de vrij ingeschreven niet-werkende werkzoekenden en andere verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (onder andere OCMW). De meting van de nwwz vindt plaats op het einde van elke maand (bron: departement WSE). Het verloop van het aantal nwwz schommelt sterk omwille van seizoensinvloeden. Zo is er ondermeer tijdens de zomermaanden steeds een sterke toename van het aantal werkzoekenden: de werkzoekende schoolverlaters. We verkiezen daarom om in deze publicatie enkel een jaargemiddelde weer te geven 39. De VDAB geeft het aantal nwwz naar beroepsgroep voor arbeiders en bedienden 40. De indeling gebeurt steeds op basis van het hoofdberoep van de werkzoekende. Het hoofdberoep is het voorkeurberoep dat door de werkzoekende wordt opgegeven. Bij de arbeiders vinden we de groep hotel- en keukenpersoneel. 38 Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding 39 Meer cijfers per maand zijn te vinden op de website van de VDAB ( 40 Cijfers via ARVASTAT (
92 86 Tabel: Niet-werkende werkzoekenden hotel- en keukenpersoneel per geslacht in Vlaanderen -2008/2011- Horeca 2009 Horeca 2010 Horeca tov 2010 n % n % n % n % Hotel- en keukenpersoneel % % % ,8% Mannen % % % -51-1,1% Vrouwen % % % ,3% Bron: VDAB In 2011 zijn er in deze categorie werkzoekenden, waarvan 51% vrouwen en 49% mannen. Grafiek: Evolutie van het aantal niet-werkende werkzoekenden hotel- en keukenpersoneel per geslacht in Vlaanderen t.o.v % -5% -4% -3% -2% -1% 0% Mannen -1,1% Vrouwen -4,3% Ten opzichte van 2010 is er een afname van 1,1% nwwz mannen met als hoofdberoep hotel- en keukenpersoneel. Bij de vrouwen is er een afname van 4,3%.
93 87 2 In- en uitstroom van werkzoekenden In een sector als de horeca is de kans zeer reëel dat dezelfde persoon in hetzelfde jaar meerdere perioden van werkloosheid en werk doormaakt. Deze persoon kan dus in verschillende maanden worden meegeteld. De instroom- en uitstroomcijfers van werkzoekenden van en naar de horecasector interpreteren we daarom beter als aantal einde contracten en als aantal aanwervingen, in plaats van als aantal personen 41. Tabel: Gemiddelde maandelijkse instroom in werkloosheid vanuit werk in horeca en uitstroom uit werkloosheid naar werk in de horecasector in Vlaanderen -Q1 2007/Q Gemiddeld aantal per maand Jaargroei Kwartaal Instroom in werkloosheid vanuit horeca Uitstroom uit werkloosheid naar horeca Instroom in werkloosheid vanuit horeca Uitstroom uit werkloosheid naar horeca 2007-I II III IV I ,50% -5,17% 2008-II ,96% -10,57% 2008-III ,00% -10,39% 2008-IV ,56% +5,43% 2009-I ,83% -10,55% 2009-II ,61% +2,99% 2009-III ,30% +9,07% 2009-IV ,71% -7,27% 2010-I ,22% +13,25% 2010-II ,15% +11,11% 2010-III ,22% +1,34% 2010-IV ,97% +11,97% 2011-I ,15% -0,35% 2011-II ,38% -0,65% 2011-III ,66% -3,98% 2011-IV ,15% 2,12% 2012-I ,70% -6,26% Bron: Departement WSE In het eerste kwartaal van 2012 is ten opzichte van het eerste kwartaal van 2011: Het aantal mensen dat instroomt in de werkloosheid vanuit horeca gestegen. Het aantal mensen dat uitstroomt uit de werkloosheid naar de horeca gedaald. Bekijken we de kwartalen wat meer in detail dan zien we dat in het eerste kwartaal van 2011 het aantal mensen (absoluut) dat instroomt in de werkloosheid vanuit horeca even groot als het aantal mensen dat uitstroomt uit de werkloosheid naar de horeca. In het tweede kwartaal van 2011 is het aantal mensen (absoluut) dat uitstroomt uit de werkloosheid en werk vindt in de horeca groter. Maar sinds het derde kwartaal van 2011 zijn de rollen opnieuw omgekeerd, en is het aantal mensen dat instroomt in werkloosheid vanuit horeca groter dan het aantal mensen dat uistroomt uit de werkloosheid naar horeca. 41 De horecasector wordt hier afgebakend op basis van nace-code. Je kan de instroom van werkzoekenden berekenen die bij het begin van de maand als werkzoekende zijn ingeschreven en die op de laatste dag van de maand aan het werk zijn volgens DIMONA. De koppeling met de nace-codes geeft aan in welke sector en welke activiteit de werkzoekende is ingestroomd.
94 88 Grafiek: Instroom in de werkloosheid vanuit werk in de horeca 42 en uitstroom uit de werkloosheid naar werk in horeca 43 in Vlaanderen -Q1 2007/ Q Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q Uitstroom uit werkloosheid naar horeca Instroom in werkloosheid vanuit horeca Trendlijn uitstroom uit werkloosheid naar horeca Trendlijn instroom in werkloosheid vanuit horeca Bron: Departement WSE 42 Het aantal mensen werkzaam in de horeca dat in de loop van de maand werkzoekend wordt 43 Het aantal werkzoekenden dat in de loop van de maand instroomt in de horeca
95 89 Vacatures en horecaopleidingen VDAB 1 Vacatures VDAB In dit eerste deel wordt een beeld gevormd van de toestand en de evolutie van het aantal ontvangen vacatures in de horecasector. We kijken hiervoor naar de ontvangen VDAB-vacatures. De voornaamste beperking bij het VDAB-bestand is dat deze slechts een deel van de totale vacaturemarkt omvat. Werkgevers kunnen vacatures ook verspreiden via andere kanalen zoals jobsites, uitzendkantoren of mond-aan-mond-reclame. De vacaturemarkt wordt in dit hoofdstuk beschreven aan de hand van het totaal aantal ontvangen vacatures uit het Normaal Economisch Circuit (NEC) zonder interimopdrachten. Het omvat de vacatures uit het AMI-systeem 44 en Jobmanager 45 uit de vaste en tijdelijke circuits (uitgezonderd interim). In de vaste circuits gaat het om jobs met een contract voor onbepaalde of lange duur, jobs die werken en leren combineren en jobs ter vervanging van het brugpensioen. De tijdelijke circuits omvatten arbeidsovereenkomsten voor korte duur, studentenjobs en tijdelijke jobs in de horeca. Voor de vacaturegegevens gebruiken we jaarcijfers. Deze cijfers zijn weinig onderhevig aan seizoensschommelingen, omdat er gewerkt wordt met cumulatieve cijfers over de laatste 12 maanden. 44 AMI-systeem is een arbeidsmarktinformatiesysteem dat door VDAB-consulenten wordt gebruikt om vacatures te beheren en op te volgen. Werkzoekenden met een geschikt profiel worden doorverwezen naar de vacatures en de invulling van de vacatures wordt opgevolgd. 45 Jobmanager is een computersysteem waarmee werkgevers op zelfstandige basis online vacatures kunnen plaatsen en beheren. De werkzoekenden kunnen autonoom de vacatures raadplegen op de VDAB-website.
96 Ontvangen vacatures In onderstaande tabel worden de kenmerken van de ontvangen vacatures in de horecasector weergegeven. De onderverdeling wordt gemaakt naar vestigingsplaats van de onderneming, studieniveau en gevraagde ervaring. Tabel: Kenmerken van de ontvangen vacatures in de horecasector in Vlaanderen zonder de uitzendsector -2009/2011- Horeca 2009 Horeca 2010 Horeca 2011 Alle sectoren 2011 n % n % n % n % Totaal aantal vacatures % % % % Vestigingsplaats bedrijf West-Vlaanderen % % % % Oost-Vlaanderen % % % % Antwerpen % % % % Vlaams-Brabant % % % % Limburg % % 902 8% % Buiten Vlaanderen 685 8% 818 8% 869 8% % Studieniveau Laag % % % % Midden % % % % Hoog % 372 4% 554 5% % Gevraagde ervaring <6 maanden % % % % 6 maanden - 2 jaar % % % % +2 jaar % % % % Bron: VDAB/ Departement WSE In 2009 was er een terugval van het aantal vacatures, waarschijnlijk voor een groot deel toe te wijzen aan de crisis. De horecasector herstelt zich vervolgens in We zien dit in de toename van het aantal vacatures in de horecasector. Ook in 2011 neemt het aantal vacatures verder toe. Het grootste aantal ontvangen vacatures in de horecasector vinden we in 2011 bij de horecaondernemingen met een vestigingsplaats in West-Vlaanderen (39%). Ook Antwerpen (20%) en Oost-Vlaanderen (15%) hebben een groot aantal ontvangen vacatures in Vlaams-Brabant en Limburg vertegenwoordigen een kleiner aandeel in het aantal vacatures: respectievelijk 10% en 8%. De verdeling van het aantal vacatures in de horecasector naar vestigingsplaats verschilt met de verdeling over alle sectoren heen. Gemiddeld genomen, over alle sectoren heen, is het grootste aantal vacatures afkomstig van ondernemingen met een vestigingsplaats in Antwerpen (28%), gevolgd door Oost-Vlaanderen (20%) en West-Vlaanderen (17%). Het gevraagde studieniveau voor de ontvangen vacatures in de horecasector is eerder laag (80%). Slechts 5% van de vacatures verwacht een hoog opleidingsniveau. Het verwachte opleidingsniveau ligt in alle sectoren gemiddeld hoger dan in de horecasector. De horecasector wijkt voor gevraagde ervaring af van het gemiddelde over alle sectoren heen. In de meeste horecavacatures wordt een ervaring verwacht van minder dan 6 maanden (40% versus 50% over alle sectoren heen). 46 Max. secundair onderwijs 2 de graad + wanneer geen min. studieniveau vermeld werd door de werkgever 47 Secundair 3 de of 4 de graad 48 Hoger onderwijs
97 91 Tabel: Het aandeel ontvangen vacatures in de horecasector t.o.v. het totaal aantal vacatures in Vlaanderen zonder de uitzendsector -2008/ n % n % n % n % Totaal alle sectoren % % % % Horecasector ,6% ,8% ,7% ,7% Bron: VDAB/ Departement WSE In 2011 zijn er in totaal vacatures in Vlaanderen (3,7%) zijn vacatures in de horecasector. Grafiek: Evolutie van het aantal ontvangen vacatures in de horecasector en alle sectoren in het normaal economisch circuit zonder interimopdrachten 2011 t.o.v % Horecasector 18,5 Alle sectoren 17,2 Bron: VDAB/ Departement WSE Ten opzichte van 2010 was er in 2011 een stijging van 18,5% in het aantal ontvangen horecavacatures. Over alle sectoren heen was de stijging iets kleiner namelijk 17,2%.
98 Ontvangen vacatures per subsector Tabel: Evolutie van het aantal ontvangen vacatures in de horecasector in het normaal economisch circuit zonder interimopdrachten per nace-code -2009/2011- Horeca 2009 Horeca 2010 Horeca tov 2010 n % n % n % n % Totaal aantal vacatures % % % % Hotels % % % % Kampeerterreinen 523 6% 556 6% 775 7% % Restaurants % % % % Drankgelegenheden % 802 8% 895 8% % Kantines en catering % % % % Bron: VDAB/ Departement WSE In de horecasector vinden we: 53% van de openstaande vacatures bij de restaurants 20% van de openstaande vacatures bij de hotels. 12% van de openstaande vacatures bij de kantines en catering. 8% van de openstaande vacatures bij de drankgelegenheden. 7% van de openstaande vacatures bij de kampeerterreinen. Grafiek: Evolutie van het aantal openstaande vacatures in de horecasector in het normaal economisch circuit zonder interimopdrachten per nace-code t.o.v % 0% 10% 20% 30% 40% 50% Hotels 19,0% Kampeerterreinen 39,4% Restaurants 16,7% Drankgelegenheden 11,6% Kantines en catering 20,7% Bron: VDAB/ Departement WSE Zoals hiervoor reeds vermeld is er in 2009 een terugval van het aantal vacatures, met daarna opnieuw een toename Ook in 2011 neemt het aantal vacatures verder toe. In 2009 was de terugval in het aantal vacatures het grootst in de kantines en catering en de hotels. Dit zijn dan ook de sectoren die in 2010 de grootste heropleving in aantal openstaande vacatures kennen. In 2011 is de toename van het aantal vacatures het grootst bij: Kampeerterreinen: +39% Kantines en catering: +21% Hotels: +19%
99 Belangrijkste beroepen, vacatures en knelpuntberoepen Tabel: Overzicht van de belangrijkste beroepen waarvoor vacatures ontvangen werden in de horecasector (Vlaams Gewest, 2011) knelpunt Vlaams Horecasector Per beroep met minstens 5 jobs in 2011 in 2010 Gewest Aandeel Keukenhulp ja ,4% Restaurantkelner ja ,6% Chef de partie - hulpkok ja ,5% Drankkelner brasserie, taverne, bistro, cafe, tea-room ja ,0% Zaalmeisje - zaaljongen ja ,7% Keukenmedewerker fastfood - sneldienstrestauratie ,4% Afwasser ,3% Keukenverantwoordelijke - chef-kok ja ,3% Helper zaal ,2% Kamerpersoneel ja ,3% Barman ,3% Klassieke (professionele) schoonmaker ja ,3% Verkoper ,9% Hotelreceptionist - dag ja ,8% Hotelreceptionist - nacht ja ,7% Zaalmedewerker fast-food, sneldienstrestauratie ,6% Hulpkelner ja ,6% Receptionist ,5% Kok traiteurdienst - onderchef keuken - sous-chef ja ,3% Frituurbakker ,5% Keukenhulp - collectiviteiten ,2% Keukenchef-gerant ja ,5% Filiaalhouder of handelszaakbeheerder ja ,7% Hotelmeester - maitre d'hotel ja ,4% Animator toeristische centra ,2% Chauffeur distributie ja ,3% Buffetmedewerker ,7% Administratieve bediende ,7% Productiearbeider ,8% Klusjesman gebouwen ,5% Helper in de diensten- of vermaaksector ,5% Rangkelner ja ,2% Particuliere Schoonmaker ja ,3% Winkelverkoper - aanvuller - kassier ,8% Redder (strand en zwembad) ja ,9% Filiaalassistent - eerste verkoper - rayon verantwoordelijke ja ,8% Commercieel bediende ,8% Mecanicien-hersteller van fietsen ja ,8% Chauffeur koerierdienst ,4% Sanitair installateur - loodgieter ja ,1% Kok grootkeuken ,3% Gouvernante ,7% Uitvoerend bediende ,9% Zaalhulp - collectiviteiten ,9%
100 94 Per beroep met minstens 5 jobs in 2011 knelpunt in 2010 Vlaams Gewest Horecasector Aandeel Bestuurder lichte vrachtwagen - vaste wagen (max. 7,5 ton) ja ,2% Banketbakker - pasteibakker - patissier ja ,4% Directieassistent van de algemene directie ,3% Kassier ,8% Nachtportier ,0% Schoonheidsspecialist(e) ,8% Croupier ,2% Kok (vreemde gerechten) ,9% Organisator evenementen - beurzen - tentoonstellingen - popconcerten, ,1% Verkoopsverantwoordelijke - sales-manager ,7% Technisch-administratief bediende ja ,8% Onderhoudsmecanicien en hersteller machines en industriele installaties ja ,6% Pizza-bakker ,1% Kwaliteitscontroleur ,6% Algemeen verantwoordelijke profit sector ,4% Boekhouder ja ,6% Bediende in de boekhouding ,7% Onthaalhostess - toerisme ,3% Klantendienstmedewerker - verkoopsassistent ,4% Onderhoudsarbeider van gebouwen ,7% Handlanger (licht werk) ,8% Concierge - huisbewaarder ,6% Monitor opvoeder - spelleider ,0% Onderhoudselektricien ja ,9% Steward - horeca ,5% Luchtverkeersleider ,0% Marketingsverantwoordelijke, -manager ,4% Personeelsverantwoordelijke ,6% Productieverantwoordelijke ja ,7% Bediende planning en logistiek ja ,5% Lader, losser ,6% Kinesitherapeut ja ,7% Magazijnbediende ja ,7% Airhostess - steward ,7% Medewerker toeristische sector ,1% Helper bakker of snoepgoed ja ,3% Orderpicker - distributiesector ,3% Dagportier ,8% Ingenieur ja ,2% Danser ,9% Hulpboekhouder ,0% Reclame- en publiciteitsmedewerker - promoteam ,3% Tuinier ja ,1% Bestelwagenbestuurder ,7% Beenhouwer - spekslager ja ,6% Auditor (boekhouding - interne controle) ,4% Hygiëneconsulent voor de horeca- en voedingssector ,2% Verantwoordelijke interne communicatie ,2% Directiesecretaris ja ,8%
101 95 Per beroep met minstens 5 jobs in 2011 knelpunt Vlaams Horecasector in 2010 Gewest Aandeel Secretaris ,2% Bediende ticketting - reisbureau ,2% Accountmanager ,2% Marktverkoper -standwerker ,0% Bouwvakarbeider - diverse specialiteiten ,4% Bron: VDAB Voor 98 beroepen in de horecasector werden in 2011 minstens 5 vacatures ontvangen. 37 van de 98 beroepen zijn knelpuntberoepen Sinds 2008 zijn de criteria om de knelpunten te bepalen gebaseerd op het vervullings-percentage, de vervullingstijd en de looptijd van de vaste + tijdelijke circuits. (bron: knelpuntanalyses VDAB)
102 96 2 Opleidingen VDAB 2.1 Aantal beëindigde opleidingen bij de VDAB Tabel: Aantal beëindigde horecaopleidingen bij de VDAB -2009/2011- Horeca 2009 Horeca 2010 Horeca 2011 n % n % n % Aantal beëindigde opleidingen % % % Keukenpersoneel % % % Zaalpersoneel % % % Ander horecapersoneel % 146 9% % Alle secties Vlaanderen Horeca t.o.v. alle secties Vlaanderen 1,29% 1,80% 1,87% Bron: VDAB In 2011 beëindigden cursisten een horecaopleiding bij de VDAB. 73% van deze opleidingen zijn opleidingen voor keukenpersoneel, 11% zijn opleidingen voor zaalpersoneel en 16% zijn opleidingen voor ander horecapersoneel. In 2011 zijn 1,87% van alle VDAB-opleidingen horecaopleidingen. Sinds 2010 zijn webopleidingen niet langer opgenomen in de rapportering van het aantal beëindigde opleidingen. Ten opzichte van 2010 is er in 2011 een kleine toename van het aantal beëindigde horecaopleidingen. Tabel: Aantal beëindigde horeca-webopleidingen bij de VDAB -2010/2011- Horeca 2010 Horeca 2011 n % n % Aantal beëindigde webopleidingen % % Keukenpersoneel 8 1% 12 2% Zaalpersoneel % % Ander horecapersoneel % % Bron: VDAB In bovenstaande tabel wordt het aantal beëindigde horeca-webopleidingen bij de VDAB weergegeven. In 2011 zijn 2% van deze webopleidingen opleidingen voor keukenpersoneel, 33% zijn opleidingen voor zaalpersoneel en 65% zijn opleidingen voor ander horecapersoneel. 50 In 2010 zijn webopleidingen niet langer opgenomen in de rapportering van het aantal beëindigde opleidingen.
103 97 Tabel: Aantal beëindigde horecaopleidingen bij de VDAB per provincie -2009/2011- Horeca 2009 Horeca 2010 Horeca 2011 n % n % n % Aantal beëindigde opleidingen % % % Antwerpen % % % Vlaams-Brabant 50 3% 48 3% 82 5% Centrale diensten % 0 0% 0 0% Limburg 157 8% % % Oost-Vlaanderen 96 5% 75 5% 86 5% West-Vlaanderen % % % Regionale dienst Brussel % % % Bron: VDAB In 2011 werd 47% van de horecaopleidingen beëindigd in West-Vlaanderen. 15% werd beëindigd in Antwerpen en 15% bij regionale dienst Brussel. Alle webopleidingen worden steeds geregistreerd onder de centrale dienst. Tabel: Aantal beëindigde horecaopleidingen bij de VDAB per statuut van de cursist -2009/2011- Horeca 2009 Horeca 2010 Horeca 2011 n % n % n % Aantal beëindigde opleidingen % % % Werkzoekenden % % % Leerlingen % 35 2% Werknemers 75 4% 18 1% 42 3% Bron: VDAB In 2011 werd 95% van de opleidingen beëindigd door werkzoekenden. 2% werd beëindigd door leerlingen en 3% door werknemers, een minderheid. Ten opzichte van vroegere jaren is er in 2010 voor gekozen om werkzoekenden en leerlingen van elkaar te scheiden. Tot 2009 werden deze twee groepen nog samengenomen. Tabel: Aantal beëindigde horeca-webopleidingen bij de VDAB per statuut van de cursist -2010/2011- Horeca 2010 Horeca 2011 n % n % Aantal beëindigde webopleidingen % % Werkzoekenden % % Leerlingen 4 1% 2 0% Werknemers % % Bron: VDAB 51 Bij de centrale diensten gaat het vooral over webleercursussen die centraal beheerd worden 52 Regionale Dienst Brussel = naam VDAB in Brussel 53 In 2010 wordt er een onderscheid gemaakt tussen werkzoekenden (excl. leerlingen) en leerlingen. Voor de vergelijkbaarheid van de cijfers dien je dus werkzoekenden + leerlingen van 2010 te vergelijken met werkzoekenden van de gegevens voordien.
104 98 Tabel: Aantal beëindigde horecaopleidingen bij de VDAB per samenwerkingsvorm -2009/2011- Horeca 2009 Horeca 2010 Horeca 2011 n % n % n % Aantal beëindigde opleidingen % % % Eigen beheer % % % In samenwerking met derden % % % Bron: VDAB In 2011 werd 52% van de opleidingen in eigen beheer georganiseerd. In 48% van de beëindigde opleidingen werd er samengewerkt met derden. Alle webopleidingen zijn in eigen beheer georganiseerd.
105 Individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO) De individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO) is een opleidingsvorm waarbij een werkzoekende door een werkgever wordt opgeleid op de werkvloer. De werkgever betaalt geen loon of RSZ, enkel een productiviteitsvergoeding, verplaatsingskosten en een verzekering tegen arbeidsongevallen. De werkzoekende krijgt een premie bovenop zijn uitkering, waardoor het inkomen vergelijkbaar is met een nettoloon. Na deze opleiding van 1 tot 6 maanden is het bedrijf verplicht de werkzoekende een contract van onbepaalde duur te geven. (Bron: Departement WSE/VDAB) Tabel: Aantal IBO s per sector (Vlaams Gewest, 2011) Sector n % Bouw % Kleinhandel % Horeca 839 7% Groothandel en handelsbemiddeling 731 6% Vervaardiging van transportmiddelen 705 6% Informaticatechnologie 604 5% Consultancy en wetenschappelijke activiteit 544 4% Overige diensten aan personen 483 4% Garagewezen 429 4% Vervaardiging van metaalproducten 369 3% Overige zakelijke dienstverlening 262 2% Transport 254 2% Primaire sector 240 2% Vervaardiging van dranken, voeding en tabak 229 2% Onderhoud van gebouwen, tuinen en landschap 226 2% Uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling 224 2% Vervaardiging van (elektrische) apparaten e 195 2% Houtindustrie en vervaardiging van meubelen 156 1% Maatschappelijke dienstverlening 156 1% Logistiek 123 1% Grafische nijverheid 121 1% Telecommunicatie 108 1% Gezondheidszorg 88 1% Financiële diensten 87 1% Textiel en kleding 81 1% Vervaardiging van bouwmaterialen 81 1% Recreatie, cultuur en sport 75 1% Informatie en media 73 1% Overige industrie 63 1% Afval en recyclage 44 0% Rubber- en kunststofnijverheid 39 0% Belangenvertegenwoordiging 38 0% Vervaardiging van informatica en elektronis 36 0% Onderwijs 26 0% Post 23 0%
106 100 Sector n % Chemische industrie 19 0% Metallurgie 17 0% Toerisme 12 0% Openbaar bestuur 6 0% Energie en water 4 0% Verplichte sociale verzekering 2 0% Eindtotaal % Bron: VDAB In 2011 deed de bouwsector (3.058) het vaakst beroep op IBO als opleidingsvorm. Op de tweede plaats komt de kleinhandel met IBO-contracten, op de derde plaats komt de horeca met 839 IBO-contracten. Tabel: Het aandeel IBO-opleidingen in de horecasector t.o.v. het totaal aantal IBO-opleidingen in Vlaanderen -2009/ t.o.v n n n n % Totaal alle sectoren ,8% Horecasector ,8% Horeca t.o.v. alle sectoren 6,8% 6,2% 6,8% Bron: VDAB In 2011 zijn er in totaal IBO-opleidingen in Vlaanderen. 839 zijn IBO s in de horecasector. In 2011 is er, ten opzichte van 2010, een toename van 13,8% in het aantal IBO s in de horecasector. Over alle sectoren heen was er een toename met 3,8%.
107 101 Tabel: Kenmerken van de IBO s in de horecasector in Vlaanderen Horeca Alle sectoren n % n % Totaal aantal IBO s % % Geslacht Man % % Vrouw % % Studieniveau Laag % % Midden % % Hoog 56 8% % Leeftijd <25 jaar % % jaar % % 50 jaar en meer 18 2% 354 3% Kansengroep Allochtonen % % Personen met een handicap 53 7% 799 7% 50-plussers 18 2% 352 3% Bron: VDAB Tabel: Kenmerken van de IBO s in de horecasector in Vlaanderen Horeca Alle sectoren n % n % Totaal aantal IBO s % % Geslacht Man % % Vrouw % % Studieniveau Laag % % Midden % % Hoog 66 8% % Leeftijd <25 jaar % % jaar % % 50 jaar en meer 32 4% 358 3% Kansengroep Allochtonen % % Personen met een handicap 67 8% 828 7% Laaggeschoolden % % Ouderen % 349 3% Bron: VDAB 54 De som van lager onderwijs en 1 ste graad secundair onderwijs en 2 de graad secundair voor de horecasector en alle sectoren, verschilt lichtjes van de kansengroep laaggeschoolden. Dit verschil ontstaat door kleine verschillen in het tijdstip waarop de kenmerken van de werkzoekende worden bepaald. 55 Het aantal IBO s in alle sectoren voor 50-jarigen en ouder bedraagt 358. Dit ligt hoger dan de 349 bij kansengroep ouderen. Dit verschil ontstaat door kleine verschillen in het tijdstip waarop de kenmerken van de werkzoekende worden bepaald.
108 102 In de horecasector hebben in 2011 iets meer mannen (53%) dan vrouwen (47%) een IBOopleiding gevolgd. De verdeling van het aantal IBO s in de horecasector per geslacht verschilt met de verdeling over alle sectoren heen. Gemiddeld genomen, over alle sectoren heen, vinden we het grootste aantal IBO-opleidingen terug bij mannen (72%). Het studieniveau van de personen die een IBO-opleiding in de horecasector volgden, is eerder laag (55%). Over alle sectoren heen is er een lager percentage (36%) met een laag studieniveau. De meeste deelnemers aan een IBO-opleiding in de horecasector zijn jonger dan 25 jaar (60%). 36% is minstens 25 jaar en hoogstens 49 jaar. Over alle sectoren heen zien we een gelijkaardige leeftijdsverdeling. In de horecasector is 24% van de deelnemers aan een IBO-opleiding allochtoon. 8% heeft een arbeidshandicap, 55% behoort tot de kansengroep laaggeschoolden en 4% tot de kansengroep ouderen. Over alle sectoren heen, zien we dat de horecasector beter scoort op IBO-opleidingen voor allochtonen en laaggeschoolden.
109 103 Werknemersstromen Elk jaar verlaten heel wat werknemers hun baan. Vaak gebeurt dit om elders aan de slag te gaan. Voor een werkgever betekent het verlies van een werknemer steeds een verlies aan ervaring en competenties. Bovendien moet geïnvesteerd worden in een vervang(st)er. Voor de goede werking van de arbeidsmarkt is het echter belangrijk dat werknemers de kans krijgen om door te groeien naar de baan waarin ze zich maximaal kunnen ontplooien en waar ze zelf het meest voldoening uit halen. In dit hoofdstuk bekijken we het werknemersverloop in de sectoren en hoe mobiel werknemers zijn gedurende hun loopbaan. We baseren ons op cijfergegevens van het Steunpunt Werk en Sociale Economie. De sector wordt afgebakend op basis van het paritair comité. Meer specifiek worden via het Datawarehouse Arbeidsmarkt & Sociale Bescherming van de KSZ werknemers gegevens gedurende vijf opeenvolgende kwartalen aan elkaar gekoppeld, zodat de transities die deze werknemers doormaakten gedurende één kalenderjaar in kaart gebracht worden. De data die momenteel beschikbaar zijn, hebben betrekking op de jaren 2006, 2007 en 2008.
110 104 1 Sectorale dynamiek 1.1 In- en uitstroomgraad Om een zicht te krijgen op de dynamiek in een sector, brengen we in kaart hoeveel werknemers een bepaald paritair comité in- en uitstromen. Grafiek: Brutostromen in PC 302 (Vlaams Gewest - 31/12/2007 tot 31/12/2008) Loontrekkend 31/12/ Uitstroom Intern mobiel Instroom Loontrekkend 31/12/ Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ Grafiek: In- en uitstroomgraad en interne mobiliteitsgraad in PC 302 t.o.v. alle sectoren 56 (Vlaams Gewest - 31/12/2007 tot 31/12/2008) % Uitstroomgraad 16,1 30,3 Instroomgraad 16,2 28,5 Interne mobiliteitsgraad 5,4 14,5 Horeca Alle sectoren Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ Het paritair comité 302 telde op 31/12/ werknemers in het Vlaams gewest. Exact een jaar later is dit wat neerkomt op een daling van werknemers. Bekijken we de brutostromen meer in detail dan blijkt de achterliggende dynamiek heel wat groter dan de netto daling van het aantal werknemers laat uitschijnen. Van de werknemers die PC302 telde, verlieten er op één jaar tijd werknemers de sector. In de loop van het jaar 2008 heeft 30,3% van alle loontrekkende in het Vlaams Gewest die actief waren eind 2007 de sector horeca verlaten. We noemen dit de uitstroomgraad Voorlopig zijn er geen mobiliteitsgegevens voor de publieke sector. Werknemers die van de privé-sector overstapten naar de publieke sector worden wel getoond 57 De uitstroomgraad geeft het aandeel werknemers weer dat gedurende het beschouwde jaar een paritair comité verliet (voor een ander paritair comité als loontrekkende of voor een niet-loontrekkend statuut), ten opzichte van het totaal aantal werknemers in het paritair comité op 31/12/2007.
111 105 Omgekeerd blijkt dat er tussen 2007 en 2008 ook werknemers het paritair comité instroomden. Op een totaal van werknemers eind 2008 komt dit neer op 28,5%. 28,5% trad tot de horecasector toe. Dit is de instroomgraad 58. Naast de werknemersstromen in en uit het paritair comité geven we ook een beeld van het aantal werknemers dat intern mobiel is. Het betreft hier alle werknemers die zowel op 31/12/07 als op 31/12/08 in het paritair comité 302 actief waren, maar in de tussenliggende periode mobiel geweest zijn 59. In bovenstaande grafiek zien we dat werknemers intern mobiel waren in de loop van het jaar Uitgedrukt naar de interne mobiliteitsgraad betekent dit een aandeel van 14,5% 60. In vergelijking met andere sectoren wordt de horecasector gekenmerkt door een hoge instroomgraad en een hoge uitstroomgraad. Tussen eind 2007 en eind 2008 is ongeveer één derde van alle werknemers in deze sectoren vertrokken en vervangen door andere werknemers. Een dergelijke hoge jobmobiliteit kan er op wijzen dat er weinig werknemers hun hele carrière in dezelfde sector blijven werken. Het grote aantal jongeren dat in de sector werkt, kan hier een verklaring geven. Werkgevers in sectoren met een hoge jobrotatie moeten voortdurend nieuwe werknemers aanwerven en het verlies aan ervaring opvangen. Anderzijds staan de (oudere) werknemers die deze sectoren wensen te verlaten voor de uitdaging om hun carrière soms een compleet andere richting uit te sturen. (bron: Groepssectorfoto 2009 WSE) Evolutie van de werknemersstromen in PC 302 in het Vlaams Gewest: evolutie van de uitstroomgraad, instroomgraad en interne mobiliteitsgraad Uitstroomgraad 30,5% 30,8% 30,3% Instroomgraad 29,8% 29,7% 28,5% Interne mobiliteitsgraad 15,2% 14,7% 14,5% Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ De instroomgraad en de interne mobiliteitsgraad daalden lichtjes tussen 2005 en De instroomgraad geeft het aandeel werknemers dat gedurende het beschouwde jaar tot de sector heeft toegetreden, ten opzichte van het totaal aantal werknemers in de sector op 31/12/ Het gaat om werknemers die ofwel van werkgever veranderden binnen de sector, ofwel in een speciaal regime werkzaam waren (seizoensarbeid), ofwel tijdelijk in een andere sector of in een niet-loontrekkend statuut zaten. Bij deze laatste groep gaat het om werknemers die tijdelijk hun loopbaan hebben onderbroken om diverse redenen (werkloosheidsperiode tussen twee tijdelijke jobs, kortstondig tijdskrediet, enzovoort). 60 Het betreft hier de verhouding van het aantal werknemers dat gedurende het beschouwde jaar intern mobiel was, ten opzichte van het gemiddeld aantal werknemers op het einde van 2007 en 2008 ( = werknemers)
112 Werknemersdynamiek naar leeftijd De sectorale dynamiek van werknemers verschilt sterk naar leeftijd. Tabel: Uitstroomgraad, instroomgraad en interne mobiliteitsgraad naar leeftijdsklasse in PC 302 (Vlaams Gewest - 31/12/07 / 31/12/08) Horecasector Alle sectoren n % % Uitstroomgraad ,3% 16,1% <25 jaar ,1% 34,6% jaar ,8% 13,9% 50 jaar of ouder ,4% 12,8% Instroomgraad ,5% 16,2% <25 jaar ,0% 44,3% jaar ,1% 13,1% 50 jaar of ouder ,0% 6,4% Interne mobiliteitsgraad ,5% 5,4% <25 jaar ,3% 8,1% jaar ,8% 4,6% 50 jaar of ouder ,1% 2,4% Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ In bovenstaande grafiek geven we de in- en uitstroomgraden en de interne mobiliteitsgraad weer naar leeftijdsklasse % van alle werknemers die instromen in horeca is jonger dan 25 jaar. Dit is iets hoger dan het gemiddelde voor alle sectoren (44,3%). De instroomgraad is het laagst bij 50-jarigen of ouder. In vergelijking tot alle sectoren is de instroomgraad voor oudere werknemers groter voor de horecasector (15,0% horeca t.o.v. 6,4% alle sectoren) Ook wanneer we de uitstroomgraden en de interne mobiliteitsgraden bekijken, zien we dat de jongeren er bovenuit steken met een uitstroomgraad van 48,1% en een interne mobiliteitsgraad van 19,3%. 61 Deze graden worden berekend binnen de onderscheiden leeftijdsklassen. Zo wordt bijvoorbeeld de instroomgraad in de leeftijdsgroep min-25-jarigen berekend als het aantal jongere instromers ten opzichte van het totaal aantal jongere werknemers.
113 107 2 Instroom 2.1 Instroom naar statuut van oorsprong Tabel: Instroom van werknemers naar statuut van oorsprong voor PC 302 en alle sectoren samen (Vlaams Gewest 31/12/2007 / 31/12/2008) Horeca Alle sectoren n % n % Totale instroom % % Uit ander paritair comité % % Uit uitzendwerk (PC 322) % % Uit zelfstandig statuut 865 5% % Uit vergoede werkloosheid % % Uit werkloosheid met vrijstelling van beschikbaarheid 269 2% % Uit voltijds tijdskrediet/ loopbaanonderbreking 103 1% % Uit pensioen/ brugpensioen 304 2% % Uit leefloon/ financiële hulp 311 2% % Uit statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag % % Uit ander statuut % % Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ In bovenstaande tabel bekijken we het statuut van oorsprong van de nieuw ingestroomde werknemers. We maken hierbij de procentuele verdeling van de groep instromers naar statuut. Het gaat dus niet om instroomgraden (zie vroeger). Tussen 31 december 2007 en 31 december 2008 stroomden werknemers PC 302 in Vlaanderen in. Deze werknemers stroomden in vanuit verschillende statuten. De top 3 instroom in PC 302 in 2008: 33% vanuit het statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag. 21% vanuit een ander statuut. Ander statuut is een verzamelnaam van statuten die niet gekend waren in het Datawarehouse AM&SB. Het gaat onder andere over arbeidsongeschiktheid en huishouden, maar ook werkzoekenden in wachttijd. 18% vanuit een ander paritair comité. Wanneer we vergelijken met het gemiddelde van andere sectoren is het aandeel dat instroomt vanuit een ander PC, vanuit uitzendwerk en vanuit voltijds tijdskrediet of loopbaanonderbreking lager in de horeca: Vanuit een ander PC (18% versus 38% alle sectoren). Vanuit uitzendwerk (7% versus 10% alle sectoren). Vanuit voltijds tijdskrediet of loopbaanonderbreking (1% versus 1% alle sectoren). Wanneer we vergelijken met het gemiddelde van andere sectoren is het aandeel dat instroomt vanuit het statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag, het zelfstandig statuut en het pensioen of brugpensioen hoger in de horeca: Vanuit het statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag (33% versus 16% alle sectoren). Vanuit het zelfstandig statuut (5% versus 4% alle sectoren). Vanuit pensioen of brugpensioen (2% versus 1% alle sectoren). 62 Het gaat uitsluitend om echte uitzendarbeid, waarbij het interimkantoor geldt als werkgever. Studentenarbeid zonder tussenkomst van een interimkantoor valt dus niet onder deze noemer.
114 108 Grafiek: Instroom uit werk (Vlaams Gewest - 31/12/2007 / 31/12/2008) % Horeca Alle sectoren Instroom uit ander PC Instroom uit interim Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ De instroom in een sector kan onderverdeeld worden in twee substromen; de instroom vanuit werk en de instroom vanuit niet-werk 63. Onder instroom vanuit werk beschouwen we zowel instroom vanuit de ene sector naar de andere als de instroom vanuit de uitzendsector. De instroom vanuit de uitzendsector is echter een apart geval en wordt afzonderlijk weergegeven in de grafiek. Een uitzendkracht werkt immers officieel voor haar/zijn interimbureau, maar werkt in de praktijk bij een extern bedrijf. Uitzendwerk doet vaak dienst als een soort proefperiode en vormt dan een opstap naar vast werk. Indien de werknemer een vast contract krijgt in het bedrijf waar hij werkt maakt hij de overstap van één werkgever(het interimbureau) naar een andere. Het gaat dus om een ander soort jobmobiliteit. (Groepssectorfoto 2009, Steunpunt WSE/Departement WSE) In de grafiek zien we dat de instroom vanuit werk naar horeca heel wat lager is dat het gemiddelde in andere sectoren. 63 De instroom vanuit zelfstandig statuut wordt ook bij de instroom vanuit niet-werk gerekend. Met de instroom vanuit werk wordt dus eigenlijk de instroom vanuit loontrekkend werk bedoeld.
115 Instroom naar statuut van oorsprong en leeftijd Tabel: Instroom volgens statuut van oorsprong en leeftijd voor PC 302 en alle sectoren samen (Vlaams Gewest 31/12/ /12/2008) Horeca Alle sectoren % Totaal (n) <25 jaar 25-49jaar >49jaar <25 jaar 25-49jaar >49jaar Totale instroom % 41% 8% 37% 56% 7% Uit ander paritair comité % 62% 7% 24% 70% 7% Uit uitzendwerk (PC 322) % 56% 6% 39% 56% 4% Uit zelfstandig statuut % 77% 14% 11% 74% 15% Uit vergoede werkloosheid % 72% 13% 19% 71% 10% Uit werkloosheid met vrijstelling van beschikbaarheid % 54% 19% 25% 67% 8% Uit voltijds tijdskrediet/ loopbaanonderbreking % 83% 8% 6% 88% 6% Uit pensioen/ brugpensioen % 82% 1% 18% 82% Uit leefloon/ financiële hulp % 51% 6% 40% 55% 6% Uit statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag % 0% - 100% 0% 0% Uit ander statuut % 58% 11% 27% 64% 9% Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ In de tabel hierboven bekijken we het leeftijdsprofiel van de nieuw ingestroomde werknemers. We maken hierbij de procentuele verdeling van de groep instromers naar leeftijdsklasse. Ook hier mag niet verward worden met de eerder berekende instroomgraden naar leeftijd (zie vroeger). Bekijken we de totale instroom dan blijken de instromers in PC 302 een uitgesproken jong profiel te hebben: 51% van de ingestroomde werknemers in horeca was jonger dan 25 jaar, terwijl dit slechts 37% is voor het totaal van alle sectoren. 41% van de ingestroomde werknemers in horeca was tussen 25 en 49 jaar, terwijl dit 56% is voor het totaal van alle sectoren. Het grote aantal instromers vanuit het statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag biedt hier zeker een verklaring. Bekijken we instroom vanuit de verschillende statuten apart dan blijkt de grootste instroom in horeca vooral te gebeuren door werknemers tussen 25 en 49 jaar. Het aandeel dat instroomt tussen 25 en 49 jaar is het grootst bij: 83% van de instroom uit voltijds tijdskrediet of loopbaanonderbreking is tussen 25 en 49 jaar. 77% van de instroom uit zelfstandig statuut in horeca is tussen 25 en 49 jaar. 72% van de instroom uit vergoede werkloosheid in horeca is tussen 25 en 49 jaar.
116 110 3 Uitstroom 3.1 Uitstroom naar statuut van bestemming Tabel: Uitstroom van werknemers naar statuut van bestemming voor PC 302 en alle sectoren samen (Vlaams Gewest, 31/12/2007 / 31/12/2008) Horeca Alle sectoren n % n % Totale uitstroom % % Naar ander paritair comité % % Naar uitzendwerk (PC 322) % % Naar zelfstandig statuut % % Naar vergoede werkloosheid % % Naar werkloosheid met vrijstelling van beschikbaarheid 284 2% % Naar voltijds tijdskrediet/ loopbaanonderbreking 144 1% % Naar conventioneel brugpensioen 72 0% % Naar pensioen 453 2% % Naar leefloon/ financiële hulp 253 1% % Naar statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag % % Naar ander statuut % % Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ In de loop van 2008 kende PC 302 een uitstroom van werknemers. Het gaat hier om een vergelijking van twee momentopnames: 31 december 2007 en 31 december De uitstroom gebeurt naar verschillende statuten. De top 3 van de uitstroomstatuten zijn: Ander paritair comité (29%). Ander statuut. Ander statuut is een verzamelnaam van statuten die niet gekend waren in het Datawarehouse AM&SB. Het gaat onder andere over arbeidsongeschiktheid en huishouden, maar ook werkzoekenden in wachttijd (21%). Rechtgevend kind voor kinderbijslag (15%). In vergelijking met alle sectoren samen ligt de uitstroom naar een ander PC, naar conventioneel brugpensioen, pensioen én naar voltijds tijdskrediet of loopbaanonderbreking lager in de horeca: Uitstroom naar een ander PC (29% versus 44% alle sectoren). Uitstroom naar conventioneel brugpensioen (0% versus 4% alle sectoren). Uitstroom naar pensioen (2% versus 3% alle sectoren). Uitstroom naar voltijds tijdskrediet of loopbaanonderbreking (1% versus 2% alle sectoren) Vooral de uitstroom naar statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag ligt in horeca heel wat hoger dan voor alle sectoren samen: Uitstroom naar statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag (15% versus 3% alle sectoren) Ook de uitstroom naar uitzendwerk, zelfstandig statuut, vergoede werkloosheid en leefloon ligt iets hoger dan voor alle sectoren samen: Uitstroom naar ander statuut (21% versus 17% alle sectoren) Uitstroom naar uitzendwerk (9% versus 6% alle sectoren). Uitstroom naar zelfstandig statuut (7% versus 7% alle sectoren). Uitstroom naar vergoede werkloosheid (12% versus 12% alle sectoren). Uitstroom naar leefloon of financiële hulp (1% versus 1% alle sectoren).
117 Uitstroom naar statuut van bestemming en leeftijd Tabel: Uitstroom volgens statuut van bestemming en leeftijd voor PC 302 en alle sectoren samen (Vlaams Gewest; 31/12/ /12/2008) Horeca Alle sectoren % Totaal (n) <25 jaar 25-49jaar >49jaar <25 jaar 25-49jaar >49jaar Totale uitstroom % 47% 10% 25% 60% 15% Naar ander paritair comité % 52% 5% 27% 67% 6% Naar uitzendwerk (PC 322) % 50% 7% 31% 63% 6% Naar zelfstandig statuut % 69% 7% 14% 76% 10% Naar vergoede werkloosheid % 67% 12% 22% 67% 11% Naar werkloosheid met vrijstelling van beschikbaarheid % 49% 30% 28% 51% 21% Naar voltijds tijdskrediet/ loopbaanonderbreking % 78% 5% 11% 81% 8% Naar conventioneel brugpensioen % - 0% 100% Naar pensioen % 89% 0 6% 94% Naar leefloon/ financiële hulp % 52% 6% 37% 57% 5% Naar statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag % % 0% 0% Naar ander statuut % 57% 13% 21% 63% 16% Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ In de tabel hierboven bekijken we het leeftijdsprofiel van uitgestroomde werknemers in de loop van 2008 in het Vlaams Gewest. We zien ook dat de uitgestroomde werknemers uit PC 302 een opvallend jonger profiel hebben dan de uitgestroomde werknemers uit alle sectoren: 43% van alle uitgestroomde werknemers in horeca is jonger dan 25 jaar, terwijl dit voor alle sectoren samen 24% is. 10% van alle uitgestroomde werknemers in horeca is ouder dan 49 jaar, terwijl dit voor alle sectoren samen 15% is. Ook hier biedt het grote aandeel van werknemers naar statuut van rechtgevend kind voor kinderbijslag wellicht een verklaring. Bekijken we nu de uitstroom naar de verschillende statuten, dan zien we dat de uitstroom naar een ander paritair comité en naar uitzendwerk voornamelijk gebeurt door -50 jarigen: 52% van de uitgestroomde werknemers naar een ander PC is tussen 25 en 49 jaar, 43% is jonger dan 25 jaar. 50% van de uitgestroomde werknemers naar uitzendwerk is tussen 25 en 49 jaar, 43% is jonger dan 25 jaar. De leeftijd van werknemers die uitstromen naar zelfstandig statuut, naar vergoede werkloosheid en naar voltijds tijdskrediet of loopbaanonderbreking ligt voornamelijk tussen 25 en 49 jaar: 69% van de uitstroom naar zelfstandig statuut is tussen 25 en 49 jaar. 67% van de uitstroom naar vergoede werkloosheid is tussen 25 en 49 jaar. 78% van de uitstroom naar voltijds tijdskrediet of loopbaanonderbreking is tussen 25 en 49 jaar.
118 112 4 Werknemersstromen tussen paritaire comités 4.1 Instroom van andere paritaire comités naar PC 302 Tabel: Instroom van andere PC naar PC 302 (Vlaams Gewest -31 december 2007 / 31 december 2008) Instroom van ander PC n % % PC 322 Uitzendsector % PC 218 Aanvullend Nationaal PC voor Bedienden % PC 201 Zelfstandige kleinhandel % PC O/G Overheid of geen PC % PC 119 Handel in voedingswaren 124 4% PC Voedingsnijverheid 119 4% PC Gezondheidsdiensten 118 4% PC Kleinhandel in voedingswaren 113 4% PC 121 Schoonmaak en ontsmettingsondernemingen 105 3% PC 100 Aanvullend PC arbeiders 103 3% PC 311 Grote kleinhandelszaken 103 3% Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ In bovenstaande tabel geven we het PC weer waar de ingestroomde werknemers voordien aan de slag waren. Er worden enkel cijfers gegeven voor de tien grootste paritaire comités. 37% van alle ingestroomde werknemers is afkomstig uit het PC 322 of de uitzendsector. Mogelijks was een groot aandeel van deze werknemers al in een bedrijf uit PC 302 aan het werk, maar dan met een uitzendcontract. De andere belangrijke paritaire comités zijn het aanvullend nationaal PC voor bedienden, de zelfstandige kleinhandel, de overheid, handel in voedingswaren, voedingsnijverheid, gezondheidsdiensten, kleinhandel in voedingswaren, schoonmaak, aanvullend PC voor arbeiders, en grote kleinhandelszaken.
119 Uitstroom van PC 302 naar andere paritaire comités Tabel: Uitstroom van PC 302 naar andere PC (Vlaams Gewest -31 december 2007 / 31 december 2008) Uitstroom ander PC n % % PC Uitzendsector % PC O/G Overheid of geen PC % PC 218 Aanvullend Nationaal PC voor bedienden % PC 201 Zelfstandige kleinhandel % PC Gezondheidsdiensten 362 7% PC 311 Grote kleinhandelszaken 217 4% PC Kleinhandel in voedingswaren 214 4% PC 121 Schoonmaak en ontsmettingsondernemingen 166 3% PC 119 Handel in voedingswaren 164 3% PC 124 Bouwbedrijf 160 3% Bron: Departement WSE op basis van Datawarehouse AM & SB bij de KSZ In de bovenstaande tabel geven we het PC weer waar de uitgestroomde werknemers naar toe gaan. Ook hier worden enkel cijfers gegeven voor de tien grootste paritaire comités. 33% van de werknemers die uitstromen naar een ander PC in 2008 ging naar PC 322. De uitzendsector vormt voor vele werknemers een tussenstap naar een nieuwe, reguliere job. Andere belangrijke paritaire comités van uitstroom zijn overheid, aanvullend nationaal PC voor bedienden, zelfstandige kleinhandel, gezondheidsdiensten, grote kleinhandelszaken, kleinhandel in voedingswaren, schoonmaak en ontsmettingsondernemingen, handel in voedingswaren, en de bouwsector.
120 114
121 115 Toelichting van de bronnen Deze publicatie geeft een beeld van de Vlaamse arbeidsmarkt. De cijfers die we hiervoor gebruiken zijn afkomstig van verschillenden officiële instanties. Waar er cijfers specifiek voor de horecasector beschikbaar zijn, worden deze gegeven. We kijken zo veel mogelijk vanuit een Vlaams perspectief. Dit omwille van meerdere redenen: Enkele bronnen zoals het Departement voor Werk en Sociale Economie en de VDAB beschikken enkel over cijfers voor Vlaanderen. Deze publicatie komt er op vraag van de Vlaamse sociale partners. 1 Nace-bel code Guidea maakt zo veel mogelijk gebruik van de nace-bel nomenclatuur om de horecasector af te bakenen. Volgens de nace-bel indeling van 2003 omvat de sector de volgende activiteiten (die vallen onder sectie H: Hotels en Restaurants ). Nace-bel 2003: 55 Hotels en restaurants 55.1 Hotels 55.2 Overige accommodatie voor kortstondig verblijf 55.3 Restaurants 55.4 Drankgelegenheden 56.1 Kantines en catering In 2008 werd een nieuwe nace-indeling in gebruik genomen die beter aansluit bij de huidige economische realiteit. Hierdoor ontstaat bij sommige tijdsreeksen een trendbreuk. De verschillende horeca-activiteiten vallen in de nieuwe indeling onder de sectie I: verschaffen van accommodatie en maaltijden. Deze bevat de opsplitsing in codes 55 (accommodaties) en 56 (eet-en drinkgelegenheden). Nace-bel 2008: 55 verschaffen van accommodatie 55.1 Hotels en dergelijke accommodatie 55.2 Vakantieverblijven en andere accommodatie voor kort verblijf 55.3 Kampeerterreinen en kampeerauto- en caravanterreinen 55.9 Overige accommodatie 56 Eet- en drinkgelegenheden 56.1 Restaurants en mobiele eetgelegenheden 56.2 Catering en overige eetgelegenheden 56.3 Drinkgelegenheden
122 116 2 Faillissementen Het aantal faillissementen van ondernemingen is gebaseerd op aangiften van de handelsrechtbanken. Deze sturen de gegevens over de faillissementen door naar de Directie Statistiek. Deze informatie wordt aangevuld met gegevens uit de Kruispuntbank van ondernemingen. De weergegeven situatie is deze op 31 december van het desbetreffende jaar. 3 Ondernemingen, oprichtingen Het aantal ondernemingen en oprichtingen wordt bepaald aan de hand van de btw-plichtigen, die in de kruispuntbank van ondernemingen zijn opgenomen. De weergegeven situatie is altijd deze op 31 december van het desbetreffende jaar. We verkiezen de gecentraliseerde 64 statistieken om meerdere redenen. Zo bestaat de horeca hoofdzakelijk uit kleinschalige ondernemingen, waardoor afwijkingen tussen gecentraliseerde en gedecentraliseerde gegevens eerder beperkt zijn. Bovendien zijn deze gegevens ook iets sneller beschikbaar. De ondernemingsstatistieken moeten met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd: Niet alle ondernemingen zijn btw-plichtig. De economische activiteit vindt niet altijd plaats op het adres van de maatschappelijke zetel. Denk maar aan een bedrijf met verschillende vestigingen, maar met de hoofdzetel in Brussel. Tendensen die uit administratieve gegevens worden afgeleid kunnen de weerspiegeling zijn van administratieve wijzigingen. 4 Loontrekkende werknemers Voor de cijfers over de loontrekkende werkgelegenheid in de horecasector doen we een beroep op de cijfers van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). We verkiezen de gecentraliseerde statistieken: het bedrijf - en dus ook zijn werknemers - wordt ingedeeld volgens de sector van zijn hoofdactiviteit. Bovendien zijn de gecentraliseerde cijfers iets sneller beschikbaar. De cijfers in dit rapport geven de toestand van het tweede kwartaal (30 juni) weer. De telling is een momentopname. De RSZ bepaalt het aantal arbeidsplaatsen door per werkgever een telling te maken van het aantal werknemers in dienst. Personen met meerdere jobs bij verschillende werkgevers worden dus meermaals geteld. Hoewel de cijfers het aantal arbeidsplaatsen weergeven, gebruiken we om praktische redenen de term aantal werknemers in dit rapport. 64 Eén activiteit (de hoofdactiviteit) en één enkele lokalisatie (de hoofdzetel) wordt in aanmerking genomen. Een onderneming met meerdere vestigingen maar met maatschappelijke zetel in Brussel, zal bij Brussel worden gerekend. Dergelijke onderneming wordt bovendien slechts één keer geteld.
123 117 5 Zelfstandigen Voor de gegevens over de zelfstandigen in de horecasector doen we een beroep op de gegevens van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ). Deze instantie gebruikt een andere activiteitenindeling, los van de nace-bel codes. De horecasector valt hier onder de subbedrijfstak 407. De regionale indeling gebeurt bij de RSVZ op basis van de woonplaats van de zelfstandige. Dit stemt niet noodzakelijk overeen met de plaats waar de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend, maar dit laatste gegeven is door de RSVZ niet gekend. De statistieken geven het aantal verzekeringsplichtigen. Dit is de som van het aantal zelfstandigen en helpers. Een zelfstandige is een persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent zonder hiervoor door een arbeidsovereenkomst of statuut met een werkgever verbonden te zijn. Een helper is een persoon die in België een zelfstandige bijstaat of vervangt in de uitoefening van zijn beroep en dit zonder dat hij door een arbeidsovereenkomst met de zelfstandige verbonden is. Zowel de zelfstandige als de helper zijn verplicht een verzekering te nemen en bijdragen te betalen. In het rapport vind je cijfers terug over de aard van de bezigheid. De RSVZ onderscheidt drie categorieën: Zelfstandige in hoofdberoep Zelfstandige in bijberoep: dit is het geval als men samen met de zelfstandige activiteit nog een andere beroepsbezigheid uitoefent voor een werkgever. Of, als men als zelfstandige ook een loonvervangend inkomen krijgt uit een andere, weggevallen beroepsactiviteit als werknemer of ambtenaar. Zelfstandige actief na pensioen(leeftijd): hier moet de zelfstandige rekening houden met een aantal voorwaarden. Zo zijn de inkomsten uit de beroepsbezigheid begrensd. Starters zijn personen van wie verondersteld wordt dat ze in het lopende jaar begonnen zijn, na een periode van niet-aansluiting. Stoppers zijn personen van wie verondersteld wordt dat ze in het lopende jaar gestopt zijn, na een periode van aansluiting. De cijfers in dit rapport geven de toestand op 31 december van het betreffende jaar weer. 6 Enquête naar de arbeidskrachten (EAK) Het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (Eurostat) voert in samenwerking met de nationale instituten voor de statistiek de Belgische Enquête naar de arbeidskrachten bij huishoudens uit. In deze enquête komen de omvang, de structuur en de evolutie van de werkgelegenheid en de werkloosheid aan bod. De EAK levert ook een aantal cijfers over de werksituatie van werknemers die je bij andere instanties niet vindt. Voorbeelden zijn gegevens over het opleidingsniveau van werknemers, soorten tijdelijke arbeid, arbeidsduur. Bij de cijfers van de EAK wordt een opsplitsing gemaakt naar de niet-loontrekkenden (zelfstandigen) en de loontrekkenden. Nog enkele bemerkingen: Het gaat hier om een enquête dus zijn enkel de verhoudingen van belang en niet de absolute waarden. De resultaten geven een totaalbeeld van de horecasector (geen opsplitsing per subsector) in België en Vlaanderen. Sommige resultaten moeten voorzichtig geïnterpreteerd worden.
124 118 7 Werkzoekenden De Vlaamse werkloosheid wordt geoperationaliseerd aan de hand van de inschrijving als nietwerkende werkzoekende (nwwz) bij de VDAB 65. De groep van nwwz bestaat uit de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen (uvw s), de schoolverlaters in wachttijd, de vrij ingeschreven niet-werkende werkzoekenden en andere verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (onder andere OCMW). De meting van de nwwz vindt plaats op het einde van elke maand (bron: departement WSE). Het verloop van het aantal nwwz schommelt sterk omwille van seizoensinvloeden. Zo is er ondermeer tijdens de zomermaanden steeds een sterke toename van het aantal werkzoekenden: de werkzoekende schoolverlaters. We verkiezen daarom om in deze publicatie enkel een jaargemiddelde weer te geven 66. De VDAB geeft het aantal nwwz naar beroepsgroep voor arbeiders en bedienden 67. De indeling gebeurt steeds op basis van het hoofdberoep van de werkzoekende. Het hoofdberoep is het voorkeurberoep dat door de werkzoekende wordt opgegeven. Tot slot geven we in dit hoofdstuk ook nog de werkzoekendenstromen. Voor deze cijfers kunnen we terecht bij het Departement WSE. Het gaat hier om de instroom in werkloosheid vanuit horeca en de uitstroom uit werkloosheid naar horeca. 8 Vacatures en horecaopleidingen VDAB Voor de vacatures kijken we naar de ontvangen VDAB-vacatures. De voornaamste beperking bij het VDAB-bestand is dat deze slechts een deel van de totale vacaturemarkt omvat. Werkgevers kunnen vacatures ook verspreiden via andere kanalen zoals jobsites, uitzendkantoren of mond-aan-mondreclame. De vacaturemarkt wordt in dit hoofdstuk beschreven aan de hand van het totaal aantal ontvangen vacatures uit het Normaal Economisch Circuit (NEC) zonder interimopdrachten. Het omvat de vacatures uit het AMI-systeem 68 en Jobmanager 69 uit de vaste en tijdelijke circuits (uitgezonderd interim). In de vaste circuits gaat het om jobs met een contract voor onbepaalde of lange duur, jobs die werken en leren combineren en jobs ter vervanging van het brugpensioen. De tijdelijke circuits omvatten arbeidsovereenkomsten voor korte duur, studentenjobs en tijdelijke jobs in de horeca. Daarnaast bekijken we ook welke opleidingen de VDAB aanbiedt. We baseren ons hiervoor op cijfers van de VDAB. Er is ook informatie terug te vinden over de individuele beroepsopleiding in de onderneming. (IBO). Voor de cijfers baseren we ons op cijfermateriaal van de VDAB. De individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO) is een opleidingsvorm waarbij een werkzoekende door een werkgever wordt opgeleid op de werkvloer. De werkgever betaalt geen loon of RSZ, enkel een productiviteitsvergoeding, verplaatsingskosten en een verzekering tegen arbeidsongevallen. De werkzoekende krijgt een premie bovenop zijn uitkering, waardoor het inkomen vergelijkbaar is met een nettoloon. Na deze opleiding van 1 tot 6 maanden is het bedrijf verplicht de werkzoekende een contract voor onbepaalde duur te geven. 65 Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding 66 Meer cijfers per maand zijn te vinden op de website van de VDAB ( 67 Cijfers via ARVASTAT ( 68 AMI-systeem is een arbeidsmarktinformatiesysteem dat door VDAB-consulenten wordt gebruikt om vacatures te beheren en op te volgen. Werkzoekenden met een geschikt profiel worden doorverwezen naar de vacatures en de invulling van de vacatures wordt opgevolgd. 69 Jobmanager is een computersysteem waarmee werkgevers op zelfstandige basis online vacatures kunnen plaatsen en beheren. De werkzoekenden kunnen autonoom de vacatures raadplegen op de VDAB-website.
125 119 9 Werknemersstromen In een laatste deel bekijken we het werknemersverloop in de sectoren en hoe mobiel werknemers zijn gedurende hun loopbaan. We baseren ons op cijfergegevens van het Steunpunt Werk en Sociale Economie. De sector wordt afgebakend op basis van het paritair comité 302. Meer specifiek worden via het Datawarehouse Arbeidsmarkt & Sociale Bescherming van de KSZ werknemers gegevens gedurende vijf opeenvolgende kwartalen aan elkaar gekoppeld, zodat de transities die deze werknemers doormaakten gedurende één kalenderjaar in kaart gebracht worden. De data hebben betrekking op de jaren 2006, 2007 en 2008.
126 120
127 121 Bijlage: Evolutiereeksen werknemers Aantal werknemers Tabel: Aantal werknemers in de horecasector in de gewesten -2001/ Vlaanderen Wallonië Brussel België Vlaanderen 59% 59% 58% 58% 59% 58% 58% 57% 57% 57% 56% Wallonië 19% 19% 19% 19% 19% 20% 20% 20% 21% 21% 22% Brussel 23% 22% 23% 23% 22% 22% 22% 23% 22% 22% 23% België 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
128 122 Aantal werknemers in de horecasector per subsector Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per subsector in België -2001/ Hotels Overige accommodaties Restaurants Drankgelegenheden Kantines en catering Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06, nace-bel 2003 indeling Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants Catering Drinkgelegenheden Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06, nace-bel 2008 indeling
129 123 Tabel: Procentuele verdeling van het aantal werknemers in de horecasector over de subsectoren in België -2001/2011- % Hotels 15% 14% 15% 15% 15% 15% 15% Overige accommodaties 5% 5% 5% 5% 5% 5% 4% Restaurants 51% 54% 54% 54% 55% 55% 55% Drankgelegenheden 15% 13% 13% 13% 13% 12% 12% Kantines en catering 14% 14% 13% 13% 13% 13% 13% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06, nace-bel 2003 indeling % Hotels 14% 14% 14% 14% Vakantieverblijven 3% 3% 3% 3% Kampeerterreinen 0% 0% 0% 0% Overige accommodatie 1% 1% 1% 1% Restaurants 55% 56% 56% 56% Catering 14% 13% 13% 14% Drinkgelegenheden 12% 13% 12% 12% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06, nace-bel 2008 indeling
130 124 Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per subsector in Vlaanderen -2001/ Hotels Overige accommodaties Restaurants Drankgelegenheden Kantines en catering Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06, nace-bel 2003 indeling Hotels Vakantieverblijven Kampeerterreinen Overige accommodatie Restaurants Catering Drinkgelegenheden Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06, nace-bel 2008 indeling
131 125 Tabel: Procentuele verdeling van de werknemers in de horecasector over de subsectoren in Vlaanderen -2001/2011- % Hotels 12% 12% 13% 13% 13% 13% 13% Overige accommodaties 6% 6% 6% 6% 6% 6% 5% Restaurants 53% 55% 55% 56% 57% 57% 57% Drankgelegenheden 17% 15% 15% 15% 15% 14% 14% Kantines en catering 12% 11% 10% 10% 10% 10% 11% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06, nace-bel 2003 indeling % Hotels 12% 12% 12% 13% Vakantieverblijven 4% 4% 4% 3% Kampeerterreinen 0% 0% 0% 0% Overige accommodatie 0% 0% 0% 0% Restaurants 57% 58% 58% 58% Catering 12% 11% 11% 12% Drinkgelegenheden 14% 14% 14% 14% Totaal 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06, nace-bel 2008 indeling
132 126 Aantal werknemers in de horecasector per geslacht België Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per geslacht in België -2001/ mannen vrouwen Totaal België mannen 47% 47% 48% 48% 48% 48% 48% 48% 48% 49% 50% vrouwen 53% 53% 52% 52% 52% 52% 52% 52% 52% 51% 50% Totaal België 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per geslacht in Vlaanderen -2001/ mannen vrouwen Totaal mannen 45% 45% 45% 45% 45% 45% 45% 46% 46% 47% 48% vrouwen 55% 55% 55% 55% 55% 55% 55% 54% 54% 53% 52% Totaal België 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
133 127 Aantal werknemers in de horecasector per regime België Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per regime (voltijds/deeltijds/specialen) in België -2003/ voltijds deeltijds specialen Totaal voltijds 37% 35% 33% 34% 35% 35% 35% 35% 37% deeltijds 56% 54% 49% 50% 52% 53% 53% 53% 53% specialen 7% 10% 18% 15% 13% 12% 12% 12% 10% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per regime (voltijds/deeltijds/specialen) in Vlaanderen -2003/ voltijds deeltijds specialen Totaal voltijds 36% 33% 30% 31% 32% 32% 32% 32% 34% deeltijds 54% 51% 45% 47% 49% 50% 50% 50% 51% specialen 10% 17% 25% 22% 19% 18% 18% 17% 15% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
134 128 Aantal werknemers in de horecasector per regime en per geslacht België Tabel: Aantal mannelijke werknemers in de horecasector per regime en geslacht in België -2003/ voltijds deeltijds specialen Totaal voltijds 47% 44% 42% 43% 44% 45% 44% 44% 46% deeltijds 47% 46% 41% 42% 43% 44% 45% 45% 44% specialen 7% 10% 18% 15% 12% 11% 11% 11% 10% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Tabel: Aantal vrouwelijke werknemers in de horecasector per regime en geslacht in België -2003/ voltijds deeltijds specialen Totaal voltijds 29% 27% 25% 26% 26% 27% 26% 26% 27% deeltijds 64% 62% 56% 58% 60% 61% 61% 61% 62% specialen 7% 11% 19% 16% 14% 13% 12% 12% 11% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
135 129 Vlaanderen Tabel: Aantal mannelijke werknemers in de horecasector per regime en geslacht in Vlaanderen -2003/ voltijds deeltijds specialen Totaal voltijds 45% 41% 39% 41% 42% 42% 42% 42% 44% deeltijds 44% 42% 36% 37% 39% 41% 41% 41% 41% specialen 11% 17% 25% 22% 18% 17% 17% 17% 15% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Tabel: Aantal vrouwelijke werknemers in de horecasector per regime en geslacht in Vlaanderen -2003/ voltijds deeltijds specialen Totaal voltijds 28% 25% 23% 24% 24% 24% 24% 24% 25% deeltijds 62% 58% 52% 54% 57% 58% 59% 58% 59% specialen 10% 17% 25% 22% 19% 18% 18% 18% 16% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
136 130 Aantal werknemers in de horecasector per statuut België Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per statuut (arbeiders/bedienden) in België -2003/ Arbeiders Bedienden Totaal Arbeiders 89% 89% 90% 89% 89% 89% 88% 88% 88% Bedienden 11% 11% 10% 11% 11% 11% 12% 12% 12% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06 Vlaanderen Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per statuut (arbeiders/bedienden) in Vlaanderen -2003/ Arbeiders Bedienden Totaal Arbeiders 91% 91% 92% 91% 91% 91% 91% 91% 91% Bedienden 9% 9% 8% 9% 9% 9% 9% 9% 9% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
137 131 Aantal werknemers in de horecasector per dimensiegrootte van de onderneming België Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per dimensiegrootte van de onderneming in België -2003/ tot 4 WN tot 9 WN tot 19 WN tot 49 WN tot 99 WN tot 199 WN tot 499 WN tot 999 WN WN en meer Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/ tot 4 WN 23% 23% 23% 24% 23% 23% 23% 23% 23% 5 tot 9 WN 19% 20% 21% 21% 21% 20% 21% 21% 20% 10 tot 19 WN 18% 18% 19% 18% 18% 19% 18% 18% 18% 20 tot 49 WN 15% 15% 15% 15% 15% 15% 15% 16% 16% 50 tot 99 WN 6% 5% 5% 6% 5% 6% 5% 5% 5% 100 tot 199 WN 4% 4% 4% 4% 4% 4% 4% 4% 3% 200 tot 499 WN 4% 4% 4% 4% 4% 4% 5% 5% 6% 500 tot 999 WN 5% 3% 2% 2% 2% 2% 1% 1% 1% 1000 WN en meer 6% 7% 7% 8% 7% 8% 8% 8% 8% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
138 132 Vlaanderen Tabel: Aantal werknemers in de horecasector per dimensiegrootte van de onderneming in Vlaanderen -2003/ tot 4 WN tot 9 WN tot 19 WN tot 49 WN tot 99 WN tot 199 WN tot 499 WN tot 999 WN WN en meer Totaal Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/ tot 4 WN 24% 24% 23% 24% 24% 23% 23% 23% 23% 5 tot 9 WN 21% 21% 23% 23% 23% 22% 23% 22% 22% 10 tot 19 WN 19% 20% 21% 20% 20% 21% 21% 21% 21% 20 tot 49 WN 16% 16% 16% 16% 16% 16% 16% 17% 17% 50 tot 99 WN 6% 5% 6% 6% 6% 6% 6% 5% 5% 100 tot 199 WN 2% 3% 3% 2% 2% 2% 2% 3% 2% 200 tot 499 WN 5% 5% 5% 5% 5% 3% 5% 5% 7% 500 tot 999 WN 6% 2% % 1% 1% 1% 1000 WN en meer - 3% 4% 4% 4% 4% 4% 4% 3% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSZ, gecentraliseerde statistiek, situatie op 30/06
139 133 Bijlage: Evolutiereeksen zelfstandigen Aantal zelfstandigen Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector in de gewesten -2003/ Vlaanderen Wallonië Brussel België Vlaanderen 62% 62% 63% 63% 63% 62% 63% 64% 64% Wallonië 31% 31% 31% 31% 31% 32% 32% 30% 30% Brussel 7% 7% 6% 6% 6% 6% 6% 6% 6% België 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
140 134 Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid België Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid in België -2003/ Hoofdbezigheid Bijkomende bezigheid Actief na pensioen Totaal België Hoofdbezigheid 86% 86% 85% 84% 83% 82% 81% 80% 79% Bijkomende bezigheid 10% 11% 11% 12% 13% 14% 14% 15% 16% Actief na pensioen 3% 4% 4% 4% 4% 4% 4% 5% 5% Totaal België 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ Vlaanderen Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per aard van bezigheid in Vlaanderen -2003/ Hoofdbezigheid Bijkomende bezigheid Actief na pensioen Totaal Vlaanderen Hoofdbezigheid 86% 86% 86% 85% 84% 83% 81% 80% 78% Bijkomende bezigheid 11% 11% 11% 12% 13% 13% 14% 16% 17% Actief na pensioen 3% 3% 4% 4% 4% 4% 4% 4% 5% Totaal Vlaanderen 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
141 135 Aantal zelfstandigen in de horecasector per geslacht België Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per geslacht in België -2003/ mannen vrouwen Totaal België mannen 55% 55% 55% 55% 55% 55% 56% 56% 56% vrouwen 45% 45% 45% 45% 45% 45% 44% 44% 44% Totaal België 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ Vlaanderen Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per geslacht in Vlaanderen -2003/ mannen vrouwen Totaal mannen 53% 53% 53% 53% 53% 53% 54% 54% 55% vrouwen 47% 47% 47% 47% 47% 47% 46% 46% 45% Totaal België 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
142 136 Aantal zelfstandigen in de horecasector per leeftijdscategorie België Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per leeftijdscategorie in België -2003/ <25 jaar t.e.m. 29 jaar t.e.m. 34 jaar t.e.m. 39 jaar t.e.m. 44 jaar t.e.m. 49 jaar t.e.m. 54 jaar t.e.m. 59 jaar t.e.m 64 jaar Totaal <25 jaar 3% 3% 3% 3% 3% 3% 3% 3% 3% 25 t.e.m. 29 jaar 8% 8% 7% 7% 7% 7% 7% 7% 7% 30 t.e.m. 34 jaar 13% 13% 12% 11% 11% 10% 10% 10% 10% 35 t.e.m. 39 jaar 15% 15% 15% 15% 15% 14% 14% 13% 13% 40 t.e.m. 44 jaar 16% 16% 16% 16% 16% 16% 16% 16% 15% 45 t.e.m. 49 jaar 15% 16% 16% 15% 16% 16% 16% 16% 16% 50 t.e.m. 54 jaar 13% 13% 13% 13% 14% 14% 14% 13% 14% 55 t.e.m. 59 jaar 9% 9% 10% 10% 10% 10% 10% 11% 11% 60 t.e.m 64 jaar 4% 5% 5% 6% 6% 6% 6% 7% 7% 65+ 3% 3% 3% 4% 4% 4% 4% 4% 5% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
143 137 Vlaanderen Tabel: Aantal zelfstandigen in de horecasector per leeftijdscategorie in Vlaanderen -2003/ <25 jaar t.e.m. 29 jaar t.e.m. 34 jaar t.e.m. 39 jaar t.e.m. 44 jaar t.e.m. 49 jaar t.e.m. 54 jaar t.e.m. 59 jaar t.e.m 64 jaar Totaal <25 jaar 3% 4% 4% 3% 3% 3% 3% 3% 3% 25 t.e.m. 29 jaar 8% 8% 7% 7% 7% 7% 7% 7% 7% 30 t.e.m. 34 jaar 13% 13% 12% 11% 11% 10% 10% 10% 10% 35 t.e.m. 39 jaar 16% 16% 16% 15% 15% 14% 14% 13% 13% 40 t.e.m. 44 jaar 17% 17% 17% 17% 16% 16% 16% 16% 16% 45 t.e.m. 49 jaar 15% 16% 16% 16% 16% 16% 16% 16% 16% 50 t.e.m. 54 jaar 12% 12% 12% 13% 13% 13% 14% 13% 14% 55 t.e.m. 59 jaar 8% 9% 9% 9% 9% 10% 10% 10% 10% 60 t.e.m 64 jaar 4% 4% 5% 5% 5% 6% 6% 6% 6% 65+ 3% 3% 3% 3% 3% 3% 4% 4% 4% Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
144 138 Aantal starters in de horecasector Tabel: Aantal starters in de horecasector per gewest -2003/ Vlaanderen Wallonië Brussel België Vlaanderen 63% 62% 61% 61% 59% 56% 58% 63% 60% Wallonië 32% 32% 34% 34% 35% 39% 36% 31% 34% Brussel 5% 6% 5% 5% 5% 5% 7% 6% 6% België 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ Aantal stoppers in de horecasector Tabel: Aantal stoppers in de horecasector per gewest -2003/ Vlaanderen Wallonië Brussel België Vlaanderen 61% 60% 60% 60% 60% 57% 55% 59% 61% Wallonië 33% 34% 33% 34% 34% 37% 39% 35% 33% Brussel 6% 6% 7% 6% 6% 6% 6% 6% 6% België 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Bron: RSVZ
145
146
Sectoranalyse Horeca 2014
HIER FOTO INVOEGEN BREEDTE 210mm x HOOGTE 99mm Sectoranalyse Horeca 2014 Ondernemingen Faillissementen Oprichtingen en schrappingen Omzet en investeringen 2014 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca
Sectoranalyse Horeca 2012
HIER FOTO INVOEGEN BREEDTE 210mm x HOOGTE 99mm Sectoranalyse Horeca 2012 Ondernemingen Faillissementen Oprichtingen en schrappingen 2013 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw Deze informatie
Sectoranalyse Horeca 2013
HIER FOTO INVOEGEN BREEDTE 210mm x HOOGTE 99mm Sectoranalyse Horeca 2013 Arbeidsmarkt en tewerkstelling 2013 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw Deze informatie werd met de grootste zorg
ALGEMEEN OMZET FEBRUARI 2016 16/02/2016. Boordtabellen Horeca. Synthese:
FEBRUARI 2016 16/02/2016 Boordtabellen Horeca Synthese: De omzetgroei in de horeca zet door en is het sterkst in restaurants en logies. De horeca inflatie blijft op een hoog niveau. Het aantal arbeidsplaatsen
Diversiteit horecasector
Rapport 2016 46 Pag. Diversiteit horecasector Cijfers 2015 2016 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw Deze informatie werd met de grootste zorg samengesteld. Guidea, het Kenniscentrum voor
SECTORANALYSE HORECA 2016
Rapport 2016 130 Pag. SECTORANALYSE HORECA 2016 Ondernemingen 2016 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw Deze informatie werd met de grootste zorg samengesteld. Guidea, het Kenniscentrum voor
Diversiteit horecasector
Rapport 2015 52 Pag. Diversiteit horecasector Cijfers 2014 2015 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw Deze informatie werd met de grootste zorg samengesteld. Guidea, het Kenniscentrum voor
BOORDTABELLEN HORECA SYNTHESE: OVERZICHT: MAART /03/2017
07/03/2017 SYNTHESE: Er is een opmerkelijke versnelling van de omzetgroei in het derde kwartaal bij restaurants en drinkgelegenheden. Hotels en catering kennen nog steeds een dalende omzet. De horecaprijzen
Sectoranalyse Horeca 2013. Ondernemingen Arbeidsmarkt en tewerkstelling Diversiteit
Sectoranalyse Horeca 2013 Ondernemingen Arbeidsmarkt en tewerkstelling Diversiteit 2013 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw Deze informatie werd met de grootste zorg samengesteld. Guidea,
Vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbijdrage
Vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbijdrage Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (2001), Statistiek van de aangesloten vennootschappen jaar 2000, 68 p. Begin juni
Sectoranalyse Horeca 2014
HIER FOTO INVOEGEN BREEDTE 210mm x HOOGTE 99mm Sectoranalyse Horeca 2014 Arbeidsmarkt en tewerkstelling 2014 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw Deze informatie werd met de grootste zorg
Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid
Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Juli 2013 De evolutie van de werkende beroepsbevolking te Brussel van demografische invloeden tot structurele veranderingen van de tewerkstelling Het afgelopen
De regionale impact van de economische crisis
De regionale impact van de economische crisis Damiaan Persyn Vives Beleidspaper 11 Juli 2009 VIVES Naamsestraat 61 bus 3510 3000 Leuven - Belgium Tel: +32 16 32 42 22 www.econ.kuleuven.be/vives De regionale
NOVEMBER 2014 BAROMETER
NOVEMBER 2014 BAROMETER In deze nieuwe editie van de barometer staan we stil bij de Census 2011 die afgelopen maand werd gepubliceerd door Statistics Belgium, onderdeel van de FOD Economie. We vertalen
Sectoren / paritaire comités Methodologie
Sectoren / paritaire comités Methodologie Wouter Vanderbiesen Mei 2014 Methodologie Steunpunt Werk en Sociale Economie Parkstraat 45 bus 5303-3000 Leuven T:+32 (0)16 32 32 39 [email protected] www.steunpuntwse.be
1. Aangiften : FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN
FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN Statistisch verslag van de arbeidsongevallen van 2015 - privésector 1. Aangiften : In 2015 werden 157.242 aangiften genoteerd. Het betreft een verdere daling (-6,5% t.o.v.
SECTORFOTO Verhuissector 2008 DEpaRTEmEnT WERk En SOCialE ECOnOmiE
SECTORFOTO Verhuissector 2008 Departement Werk en Sociale Economie Colofon Samenstelling: Vlaamse overheid Beleidsdomein Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie Koning Albert II-laan
Instituut voor de nationale rekeningen
Instituut voor de nationale rekeningen 2014-01-31 Links: Publicatie BelgoStat Online Algemene informatie 2011-2012: Economische terugval in 2012 verschilt per gewest Het Instituut voor de nationale rekeningen
De arbeidsmarkt klimt uit het dal
Trends en ontwikkelingen arbeidsmarkt en onderwijs De arbeidsmarkt klimt uit het dal Het gaat weer beter met de arbeidsmarkt in, ofschoon de werkgelegenheid wederom flink daalde. De werkloosheid ligt nog
SECTORANALYSE HORECA 2015
Rapport 2015 126 Pag. SECTORANALYSE HORECA 2015 Arbeidsmarkt 2015 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw Deze informatie werd met de grootste zorg samengesteld. Guidea, het Kenniscentrum voor
Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013)
1 Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) 1. Arbeidsmarktstatus van de bevolking van 15 jaar en ouder in 1983 en 2013 De Belgische bevolking van
CBS: Voorzichtig herstel arbeidsmarkt in het tweede kwartaal
Persbericht PB14 56 11 9 214 15.3 uur CBS: Voorzichtig herstel arbeidsmarkt in het tweede kwartaal Meer werklozen aan de slag Geen verdere daling aantal banen, lichte groei aantal vacatures Aantal banen
2014 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw en Horeca Vorming Vlaanderen
2014 Guidea - Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw en Horeca Vorming Vlaanderen Deze informatie werd met de grootste zorg samengesteld. Guidea, het Kenniscentrum voor Toerisme en Horeca vzw en Horeca
Omgevingsanalyse. bij de opmaak van het meerjarenplan 2014-2019. 4. Economie en arbeidsmarkt
Omgevingsanalyse bij de opmaak van het meerjarenplan 2014-2019 4. Economie en arbeidsmarkt De gegevens werden bijgewerkt tot 30 september 2012. Voor een groot deel van de cijferreeksen zijn actuele updates
EEN BEELD VAN DE HORECA Hoofdstuk 11
EEN BEELD VAN DE HORECA Hoofdstuk 11 Maarten Tielens Tussen 1994 en 2001 groeide de werkgelegenheid in de horeca met 20% tot ongeveer 69 800 jobs. De helft van de loontrekkende jobs vinden we terug bij
De loonkloof tussen vrouwen en mannen in België. Samenvatting rapport 2011
De loonkloof tussen vrouwen en mannen in België Samenvatting rapport 2011 Hoe groot is de loonkloof? Daalt de loonkloof? De totale loonkloof Deeltijds werk Segregatie op de arbeidsmarkt Leeftijd Opleidingsniveau
Pendelarbeid tussen Gewesten en provincies
ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 19 juli 2007 Pendelarbeid tussen Gewesten en provincies Eén op de tien Belgen werkt in een ander gewest; één op de vijf in een andere
PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015
PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015 Een derde van de uitgaven gaat naar de woning De gemiddelde uitgaven van Belgische gezinnen in 2014 In 2014 gaf een doorsnee gezin in België bijna 36.000 euro uit;
Arbeidsmarktbarometer Onderwijs
Arbeidsmarktbarometer Onderwijs Basisonderwijs en secundair onderwijs December 29 VLAAMS MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VORMING AGENTSCHAP VOOR ONDERWIJSDIENSTEN (AgODi) Arbeidsmarktbarometer Onderwijs december
STEEKKAART Toelichting Indicator Datum Bron Toelichting
STEEKKAART 2013 - Toelichting Indicator Datum Bron Toelichting DEMOGRAFIE Totale bevolking 1/1/2012 ADSEI Evolutie bevolking 2001-2011 1/1/2002-1/1/2012 ADSEI Aandeel niet-belgen in totale bevolking 1/1/2012
BIJLAGE DERDE EDITIE ECONOMISCH GEWICHT VAN DE IZW S IN BELGIE
BIJLAGE DERDE EDITIE ECONOMISCH GEWICHT VAN DE IZW S IN BELGIE Bijdrage tot de welvaart België telt tienduizenden vzw s, stichtingen, sociale economiebedrijven en feitelijke verenigingen. 18.847 daarvan
VDAB SECTORRAPPORT SECTOR HORECA & TOERISME
VDAB SECTORRAPPORT SECTOR HORECA & TOERISME SECTORRAPPORT HORECA EN TOERISME VOORJAAR 2012 SECTORRAPPORT HORECA EN TOERISME Inhoudstafel 3-4 VDAB Sectorrapporten: Inleiding 5-6 Binnenlandse werkgelegenheid:
SECTORFOTO 2012 LOKALE BESTUREN
SECTORFOTO 2012 LOKALE BESTUREN Inleiding Sectoren spelen een belangrijke rol in het Vlaamse arbeidsmarktbeleid. Via de sectorconvenants (protocollen tussen de Vlaamse Regering en sectoren) engageren de
VERSO- Cahier 2/ 2014 Profiel van de medewerkers in de social profit
VERSO- Cahier 2/ 2014 Profiel van de medewerkers in de social profit Een beschrijvende analyse van de kenmerken van de social profitmedewerker Voor vragen en toelichting [email protected] Zie verder
Omschrijving: De werkzaamheidsgraad is het aandeel werkenden ( volgens IAB-statuut) in de bevolking.
Methodologie Boordtabel Eindeloopbaan Steunpunt WSE Werkzaamheidsgraad naar leeftijd en geslacht De werkzaamheidsgraad is het aandeel werkenden ( volgens IAB-statuut) in de bevolking. - Voor België en
DEPARTEMENT WERK EN SOCIALE ECONOMIE. Kerncijfers Vergrijzing en Werkzaamheid Versie 20 juni 2013
DEPARTEMENT WERK EN SOCIALE ECONOMIE Kerncijfers Vergrijzing en Werkzaamheid Versie 20 juni 2013 1 De arbeidsmarkt wordt krapper: alle talent is nodig Evolutie van de vervangingsgraad (verhouding 15-24-jarigen
ECONOMISCHE MONITOR EDE 2015 I
ECONOMISCHE MONITOR EDE 2015 I In deze economische monitor vindt u cijfers over de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt van de gemeente Ede. Van de arbeidsmarkt zijn gegevens opgenomen van de tweede helft
