Onderneming en omgeving - Uitwerkingen Studiehandleiding

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Onderneming en omgeving - Uitwerkingen Studiehandleiding"

Transcriptie

1 Onderneming en omgeving - Uitwerkingen Studiehandleiding Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie Deel I - HOOFDSTUK 1 Omgevingsfactoren Schaarste is de spanning tussen behoeften en middelen. 2 Omdat de middelen die in de onbegrensde hoeveelheid behoeften kunnen voorzien, beperkt zijn. 3 De vestigingsplaatskeuze, reclame maken op televisie of in de kranten. 4 De keuze om vanwege de werkgelegenheid een luchthaven uit te breiden of, vanwege het milieu, de luchthaven niet uit te breiden of zelfs te sluiten. 5 Zie figuur. Figuur 01_01. 1

2 1 a Zie figuur 01_01. b Zie figuur 01_01. c De keuzemogelijkheden tussen straatverlichting en toneelsubsidie. d Zie figuur 01_01. e Twee. f Twee eenheden straatverlichting. g Zie figuur 01_01. h Een op een. 2 Het artikel verwart schaarste met er is een tekort. Gesuggereerd wordt dat door het instellen van een maximumprijs, brood schaars geworden is. Brood is altijd schaars omdat bij de productie ervan productiemiddelen zijn opgeofferd die voor iets anders aangewend hadden kunnen worden Beiden denken er goed vanaf te komen door de ander te verlinken; daardoor ontstaat er een slechter resultaat dan wanneer ze tevoren iets hadden kunnen afspreken. Figuur 01_02 Henk Kees betaalt mee betaalt niet mee betaalt mee 3,3 1,4 betaalt niet mee 4,1 2,2 2 a Stap 1 start bij Henk betaalt mee (waardering 3); wat kiest Kees? Kees kiest, betaalt niet mee..., want 4... is groter dan 3... We hebben een horizontale pijl in de tabel gezet die laat zien wat Kees doet. Stap 2 Henk betaalt niet mee; Kees kiest... betaalt niet mee... Pijl zie tabel. We zien nu dat Kees, wat Henk ook doet, niet mee betaalt. Stap 3 start nu bij Kees betaalt mee. Henk kiest nu voor betaalt niet mee..., wan is groter dan 3... Pijl zie figuur 01_02. Stap 4 Kees betaalt niet mee; Henk kiest betaalt niet mee..., want.2 is groter dan 1... Zie de verticale pijl. Stap 5 er is maar een cel in de tabel waarheen twee pijlen wijzen, een pijl van Henk en een pijl van Kees. Die cel laat de oplossing zien. Welke cel is dat?.. De cel rechtsonder. De conclusie is dus dat beiden kiezen niet mee te betalen en er geen verlichting wordt geplaatst. b De oplossing om deze toestand te doorbreken is dat beide heren met elkaar in gesprek gaan over de verdeling van de kosten De economische wetenschap analyseert het omgaan van mensen met schaarse, alternatief aanwendbare middelen, die ze gebruiken om er hun doelstelling mee te bereiken. 2

3 2 Welvaart is de mate waarin de behoeften zijn bevredigd, of de mate waarin de schaarste is verminderd door aanwending van schaarse, alternatief aanwendbare middelen. 3 a Dat ze voor de bevrediging van verschillende behoeften kunnen worden ingezet. b Industrieterrein, camping, huizenbouw. 4 De kosten van het opgeofferd alternatief. 1 verband winstverwachting en beurskoers 6 internationale handel 8 poldermodel 3 kredietcrisis 9 belastingen 10 energie 7 producentenvertrouwen 5 consumentenvertrouwen 11 telecom 1 conjunctuur 4 effecten Vrije goederen staan onbeperkt ter beschikking: zon, licht, lucht. Economische goederen moeten worden geproduceerd, waarbij productiefactoren worden opgeofferd. 2 Onder water, in een vervuild gebied. 3 De nachtwacht, het Naardermeer, de Westertoren. 4 Produceren is het maken van goederen en diensten met behulp van productiefactoren. 5 a Er worden behoeften bevredigd. b Omdat er geen geld voor wordt betaald en het CBS de transacties dus niet kan waarnemen. 6 a Consumptiegoederen en kapitaalgoederen. b Het moment van aankoop door de consument is het onderscheidingscriterium. 7 a Natuur, arbeid en kapitaal. b Natuur: de grond waarop een fabriek gevestigd is. Arbeid: de portier aan de ingang van het terrein. Kapitaal: de fabriekshal. 8 De fabriek staat op een stuk grond; het ijzererts en de kolen zijn aan de bodem onttrokken; de fabriek loost afval in het natuurlijk milieu. 9 Straatveger: geen. Concertpianist: conservatorium. Manager: studie economie/bedrijfskunde en specialistische opleidingen. 10 Om op die manier een voorsprong te houden op zijn concurrenten. 11 Leerfabriek koopt huiden in en bewerkt deze; schoenfabriek koopt bewerkte huiden in en maakt er schoenen van. 12 Een particulier bedrijf moet winst maken om te overleven. 3

4 1 a Investeringen vergroten de kapitaalgoederenvoorraad en daarmee kan een grotere productie worden gerealiseerd. b Deze vertragen/verkleinen de productie a en b - De ondernemingsleiding die arbeidskracht levert. - De werknemers die arbeidskracht leveren. - De vermogensverschaffers: soms de ondernemers zelf, soms aandeelhouders, soms banken. - De afnemers die goederen en diensten ontvangen. - De leveranciers van grondstoffen en machines die daarvoor een betaling ontvangen. - De overheid die een infrastructuur en een rechtsorde levert. 2 De concurrentieverhoudingen die op hun beurt door marktvorm en marktgedrag worden bepaald. - De economische situatie waarbij hoog- en laagconjunctuur elkaar afwisselen. - De mate van openheid van onze economie. - De invloed van de overheid die randvoorwaarden oplegt aan het particulier initiatief. - De economische orde. - De rol van werknemers- en werkgeversorganisaties. - Het milieu, dat randvoorwaarden oplegt aan het ondernemen. 3 Het aantal ondernemingen, de aard van het product, de mogelijkheid tot toetreding. 4 - Hoogconjunctuur: economie draait op volle toeren en ondernemingen kunnen hun producten goed verkopen. - Laagconjunctuur: economie is ingezakt, afzet stagneert, werkloosheid. 5 Een relatief groot deel van de Nederlandse economie betreft invoer en uitvoer. 6 Door vrijheid van particulier initiatief, binnen door de overheid opgelegde randvoorwaarden. 7 - De demografische ontwikkeling heeft invloed op aantal en soort afnemers en op grootte en samenstelling van de beroepsbevolking. - De ontwikkeling van de techniek heeft grote invloed op het productieproces. - De normen en waarden in de samenleving, het politieke systeem en de rechtsorde beïnvloeden het gedrag van consumenten, producenten en overheidsdienaren. 8 Ontwikkeling van de techniek kan bij de productie uitstoot van mensen tot gevolg hebben. 4

5 Het geheel van bestuurlijke beslissingen en handelingen dat de prestaties van de onderneming op de lange duur bepaalt. 2 Het managementproces bestaat uit het onderzoek van de omgevingsfactoren, het formuleren van de strategie, het uitvoeren van de strategie in actieplannen en tot slot de evaluatie van de strategie. 3 De onderneming streeft expansie na door middel van autonome groei a Om een analyse van de kansen en bedreigingen ( opportunities en threats ) die buiten de onderneming liggen en die op de korte duur een gegeven vormen voor de ondernemingsleiding. b De omgevingsfactoren in enge en in ruime zin. 5

6 2 a Het interne onderzoek beziet de sterke en de zwakke punten ( strengths en weaknesses ) van de onderneming zelf. b Het gaat daarbij om een drietal zaken: - De structuur, dat wil zeggen de manier waarop de onderneming is georganiseerd. - De cultuur: het verwachtingspatroon, de overtuiging en de waarden van de mensen in de organisatie. - En ten slotte de productiemiddelen: de mensen en hun vakbekwaamheden, de kwaliteit van het management, de financiële middelen, machines, kantoren en fabrieken. 3 Daarbij confronteert men de strenghts (S) en weaknesses (W) van de onderneming met de opportunities (O) en threats (T) die de omgeving biedt om tot de formulering van een strategie te komen. 1 De opkomst van China kent voor Peugeot-Citroën de volgende kansen: nieuw afzetgebied, goedkope productie van halffabrikaten zoals staal, plastics, elektronica, banden. Bedreigingen: concurrentie van Chinese merken op alle markten waar Peugeot-Citroën actief is, inclusief de Chinese markt zelf. Het stelen van technologie omdat China het niet al te nauw neemt met patenten en octrooien. 2 Omgevingsaspect Inspelen door: a Verschillen in loonkosten tussen landen. b De toegang tot kapitaalmarkten alsmede tot professionele managementsupport-instellingen in financiële centra. c Concentratie van Research en Developmentactiviteiten van uiteenlopende bedrijven in een bedrijfstak op één specifieke locatie. d Cao-verschillen tussen productie- en transportondernemingen. 1.8 Verplaatsen productie naar lage-loonlanden. Verplaatsen hoofdkantoor naar financieel centrum (Philips). Verplaatsen R&D afdeling naar de betreffende locatie. Uitbesteden van activiteiten in het laatste stadium van de productie aan transportondernemingen (value added logistics) of logistiek dienstverleners. 1 Met keuzevraagstukken die voortvloeien uit de schaarsteproblematiek waarmee bedrijven zich geconfronteerd zien. 2 Met het totstandkomen van prijzen van eindproducten en van productiefactoren en de manier waarop de productiefactoren worden toebedeeld aan de productiemogelijkheden (allocatie) De omzet, de winst, het aantal werknemers, de beurswaarde. 2 Exxon Mobil, Walmart, Shell, BP, General Motors. 3 10%

7 1 a Eenmanszaak: de ondernemer is met zijn gehele privévermogen aansprakelijk. Vennootschap onder firma: ieder van de vennoten is met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor alle schulden van de zaak. b Bij een bv en nv kunnen aandeelhouders nooit meer verliezen dan het vermogen dat zij in de onderneming hebben gestoken. 2 a Alle zaken die met het bestuur van de onderneming te maken hebben. b Verbeterde transparantie in de jaarrekening, betere verantwoording van de Raad van Commissarissen en een versterking van de zeggenschap en bescherming van aandeelhouders a Uit de balans, de resultatenrekening en een toelichting op beide. b Het resultaat vergroot het eigen vermogen als het positief is en verkleint dit als het negatief is. c De balans is een vermogensoverzicht op een bepaald moment (een momentopname), terwijl de resultatenrekening de uitgaven en ontvangsten gedurende een periode (meestal een jaar) laat zien. 2 a De liquiditeit en de solvabiliteit. b De rentabiliteit van het eigen en van het totale vermogen. c Omdat een balans stille en geheime reserves kan bevatten. 3 Het verschijnsel dat de onderneming in toenemende mate verantwoording moet afleggen tegenover de samenleving over de manier waarop zij omgaat met haar personeel, met grondstoffen en energie, met het milieu, met de ruimte en met de derde wereld. 4 Voor het nemen van risico, als beloning voor vernieuwingsdrang en als gevolg van een monopolieachtige positie. 5 Voor de zelffinanciering van uitbreidingen en om de financiële wereld te bewegen risicodragend vermogen beschikbaar te stellen. 6 Het bedrijfsresultaat uitgedrukt in procenten van het gemiddeld gedurende het verslagjaar werkzame totale vermogen. 7 a Een stille reserve kan uit de balans worden afgelezen. b Een te laag gewaardeerde voorraad verkleint het totale vermogen en vergroot dus de RTV. 1 a De liquiditeit per 31 december 2009 = (vlottende activa/kortlopende schulden) 100% = (11.909/8.050) 100% = 148%. b De solvabiliteit = (totale vermogen/vreemd vermogen) 100% = (30.527/17.195) 100% = 192%. c Het totale vermogen op 31 december 2009 is Op 1 januari 2009 is het Dus gemiddeld werkzaam totaal vermogen = ( ) : 2 = De RTV = (bedrijfsresultaat/gemiddeld totaal vermogen) 100% = (614/ ) 100% = 1.97%. d Het totale eigen vermogen op 31 december 2009 is Op 1 januari 2009 is het Dus gemiddeld werkzaam eigen vermogen = ( ) : 2 = Dus REV = (nettoresultaat/gemiddeld eigen vermogen) 100% = (424/ ) 100% = 2.8%. e Performer Energy Care vacuum cleaner, made partly from recycled and bio-based plastics Bedrijven die deelnemen in andere bedrijven om ze na reorganisatie met winst te kunnen verkopen. 7

8 2 Iemand koopt aandelen voor 100 per stuk, gefinancierd met 10 procent eigen geld en 90 procent geleend geld. De gang van zaken in de onderneming verbetert zo, dat de aandelen na enige tijd verkocht kunnen worden voor 150 per stuk. Er wordt 5 procent rente betaald over het vreemd vermogen, dus in dit geval 5 x 0,90 = 4,50. Dat levert 50 4,50 = 35,50 koerswinst met een belegging van 10. Een rendement van het belegd vermogen van 35,50/10 x 100 procent = 355 procent. 3 Aan de belangen van de aandeelhouders. 4 Door de reorganisatie zullen veel werknemers hun baan verliezen. 1 Een aandeel van 200 wordt met 20 eigen vermogen en 180 vreemd vermogen gefinancierd. Bij verkoop wordt per aandeel = 50 winst gemaakt. Er wordt over 180, 5% rente betaald, dus 9. Nettoresultaat belegging 50-9 = 41. Rendement van het belegd vermogen 41/20 x 100% = 205%. 2 Over het vreemd vermogen wordt aanzienlijk minder rente betaald dan wordt verkregen met het eigen vermogen. 8

9 Deel I - HOOFDSTUK 2 Onderzoek van de omgevingsfactoren a Nog niet eerder liep de groei van de westerse economieën zo sterk terug, behalve in de depressie van de jaren dertig, vorige eeuw. b Eind 2010 valt het herstel in de VS tegen; men vreest een double dip. c Omdat hun vertrouwen in het herstel gering is, de woningprijzen stagneren en er veel werkloosheid is. d Voor ondernemingen die naar de VS exporteren en voor ondernemingen die uit de VS importeren. 2 a We bedoelen dan de euro/dollarkoers: hoeveel dollar moet je voor een euro betalen. b Je betaalt dan 0,74 euro voor een dollar. c Tussen de 1,60 dollar per euro en de 1,20 dollar per euro. d Artikelkop: Euro duikt onder 1,20 dollar NEW YORK - De euro is vrijdag onder de 1,20 dollar gedoken. Eerder op de dag bereikte de Europese eenheidsmunt al een laagste koers in vier jaar tijd. De euro staat onder druk door zorgen om de opgelopen overheidstekorten van de landen in de eurozone. De euro noteerde 1,1993 dollar, de laagste stand sinds 29 maart e Voor bedrijven die goederen en diensten verhandelen in dollars. f Voordelig voor exporterende bedrijven, nadelig voor importerende bedrijven Het geheel van schakels (inclusief de verbindende markten) in de vorm van zelfstandige bedrijven dat een product passeert. 2 Zie figuur. 3 a Integratie: een schakel uit de bedrijfskolom neemt de activiteiten over van een hogere of lagere schakel in de kolom. Differentiatie: het afstoten van activiteiten naar een voorafgaande, of naar volgende geleding in de bedrijfskolom. 9

10 b Specialisatie: het afstoten van activiteiten naar schakels van andere bedrijfskolommen die op gelijke hoogte liggen. c Parallellisatie: het aantrekken van activiteiten van schakels van andere bedrijfskolommen die op gelijke hoogte liggen. 4 Een heao richt een opleiding hotelmanagement in. 5 Ondernemingen die verwante bewerkingen uitvoeren op dezelfde hoogte in de bedrijfskolom. 6 De quartaire sector. 7 De tertiaire sector. 8 Er is geen sprake van integratie van de toeleveranciers, maar van zeer nauwe samenwerking, waarbij de leveranciers ook gedeelten van de assemblage just in time komen verzorgen Ondernemingen die verwante bewerkingen uitvoeren op dezelfde hoogte in de bedrijfskolom. 2 Primaire, secundaire, tertiaire en quartaire sector. 1 De volgende BIK-codes zijn relevant: - Uitgeverij van tijdschriften, boeken en dagbladen. - Adviesbureau automatisering: systeemontwikkelaars en systeemanalisten, programmeurs. - Reclamebureaus, reclameontwerp en reclameadvies. - Groothandel in computer- en randapparatuur. - Productie van (video)films en 2 We kiezen als voorbeeld een computerassemblagebedrijf X. Kracht Voorbeeld Potentiële concurrentie. Een harddiskfabrikant overweegt computers te gaan assembleren. Andere participanten. Milieuactivisten stellen eisen op het gebied van materiaalgebruik. Leveranciers. De leverancier van beeldschermen eist een minimumafname. Substituten. Ontwikkelingen van internet maken het gebruik van domme terminals mogelijk. Afnemers. Afnemers vormen een inkoopcombinatie. Concurrenten binnen de bedrijfstak. Er zijn zes concurrerende assemblagebedrijven. 1 a Afnemers hebben veel macht omdat zij kunnen kiezen uit veel transportondernemingen die een vergelijkbare kwaliteit leveren. Bovendien is het switchen tussen transportondernemingen eenvoudig. De rivaliteit tussen de transportondernemingen is onder druk van de macht van afnemers groot. Bovendien is de omzethonger van de vele kleine ondernemingen groot en willen zij nog wel eens de winstgevendheid uit het oog verliezen. ( Liever een volle vrachtwagen en wat meer verlies lijkt een adagium dat nogal eens van toepassing is op transportondernemingen.) 10

11 b - Het vervoer van bijzondere stoffen (bijvoorbeeld gevaarlijke stoffen, kunst, enzovoort). - Internationaal vervoer (op bepaalde bestemmingen). - Logistieke dienstverlening; veel transportondernemingen kunnen hun dienstverlening aan klanten uitbreiden indien zij verladers niet alleen het transport, maar ook de opslag en het management van grote delen van de fysieke distributie uit handen nemen. Hierdoor daalt het aantal alternatieven in de markt dat een soortgelijke kwaliteit kan leveren en daarmee de afnemersmacht. Bovendien wordt het voor een verlader moeilijker over te stappen naar een andere leverancier Macro-economie analyseert de economie van het land als een totaliteit. Meso-economie bestudeert sectoren en bedrijfstakken. Micro-economie analyseert individuele producenten en consumenten. 2 Op microniveau: de gezinnen van de werknemers worden getroffen, het bedrijf ontslaat de werknemers om de loonkosten te verlagen en de winstgevendheid te verbeteren. Op mesoniveau: in de bedrijfstak is een bedrijf zich aan het reorganiseren; er wordt een stuk overcapaciteit afgestoten; op de arbeidsmarkt voor de staalproductie bieden zich extra mensen aan. Op macroniveau: de werkloosheid stijgt De regelgeving door de overheid; de situatie op de arbeidsmarkt; de conjuncturele situatie; het consumentenvertrouwen. 2 De wisselkoers; energieprijzen; grondstoffenprijzen. 3 Bij een krappe arbeidsmarkt zullen looneisen niet uitblijven die bij gegeven productiviteit de arbeidskosten per eenheid beïnvloeden. 4 Bij teruglopend consumentenvertrouwen kan de afzet minder snel groeien. 5 Een stijgende dollarkoers werkt met vertraging door in bijvoorbeeld de elektriciteit- en de aardgastarieven. 1 a Ondernemingen worden gemaakt door mensen. Er wordt zelfs gesteld dat het structurele concurrentievoordeel van ondernemingen niet afhangt van het onderscheidend vermogen van producten, maar van het vermogen van bedrijven om te leren en gericht kerncompetenties te ontwikkelen (bijvoorbeeld: het uitermate veilig en snel verplaatsen van personen door de lucht; het managen van de bezettingsgraad in vliegtuigen, et cetera). Deze kerncompetenties zijn afhankelijk van het samenspel dat plaatsvindt tussen mensen binnen een bedrijf: - binnen een bedrijfscultuur; - gestructureerd volgens bepaalde regels en procedures; - met het benutten van de ervaring van de groep medewerkers binnen een bedrijf; - met het benutten van de middelen binnen het bedrijf (kapitaal, machines, testapparatuur, databases, enzovoort). Het is belangrijk mensen te zoeken die binnen de bedrijfsomgeving duurzaam een bijdrage kunnen leveren aan het ontwikkelen van de gezochte kerncompetenties. Denk bijvoorbeeld aan een meesterkok van wie de reputatie van een restaurant volledig afhankelijk is. b Vanzelfsprekend door personeel te leveren dat op tijdelijke basis te werk wordt gesteld. Maar ook bij het aantrekken van vast personeel spelen uitzendbureaus een rol. Via 11

12 uitzendbureaus kan namelijk de selectielast worden verschoven richting uitzendbureaus en kan de wettelijke proeftijd van twee maanden worden omzeild. c - Toetreding: meer uitzendbureaus, vooral kleine specialistische uitzendbureaus. - Substitutie: geplaatst tegenover wettelijke maatregelen die het voor werkgevers flexibeler maken eigen personeel in dienst te nemen, gevoegd bij de afnemende flexibiliteit van uitzendwerkers, kan men een lichte verschuiving verwachten in de richting van meer eigen, in plaats van ingeleend personeel. - Afnemers: de macht van afnemers zal wellicht enigszins toenemen als er meer uitzendbureaus komen waaruit men kan kiezen. - Leveranciers: door de wettelijke maatregelen krijgen de werkzoekenden iets meer zekerheid en macht. - Rivaliteit: toename: de druk op prijzen neemt toe, ondanks de hoge groei. 2 a Consumentenvertrouwen, koopbereidheid en economisch klimaat. b De consumenten reageren op de onzekere toekomst door minder aankopen te doen. c Een op Statline samengestelde grafiek (alleen consumentenvertrouwen) kan de volgende gedaante hebben: 12

13 Deel I - HOOFDSTUK 3 Markt en afzet De aanbieder kan de prijs en overige verkoopcondities min of meer zelf vaststellen; hij kan in een heftige concurrentiestrijd verwikkeld zijn of (prijs)afspraken met zijn concurrenten hebben gemaakt; of hij is een aanbieder zonder macht die de prijs als een gegeven heeft te aanvaarden. 2 a De aard van het product; het aantal aanbieders; het aantal afnemers de transparantie van de markt en de toetredingsmogelijkheden tot de markt. b Een product waarvan elke eenheid in de ogen van de consumenten precies dezelfde eigenschappen heeft. 3 a De enige aanbieder van een bepaald goed. b De enige koper van een bepaald goed. 4 a De markt voor aandelen Philips, de wereldgraanmarkt. b De markt voor tweedehands auto s. Hier bestaat een informatieprobleem bij de kopers. c Internet maakt markten transparanter door de vele zoek- en vergelijkingsmogelijkheden. 5 a Er bestaat een grote merkentrouw bij de afnemers; er is een groot beginvermogen vereist. b Boycotafspraken en vestigingseisen. 6 Een zeer groot aantal aanbieders, een homogeen product, een transparante markt en vrije toetreding. 7 Valutamarkten, grondstoffenmarkten, veilingen. 8 a De NS was het enige bedrijf dat personenvervoer per trein aanbood. b Er trad korte tijd een nieuwe aanbieders op (Lover), maar nu is de NS in Nederland weer enige aanbieder van personenvervoer per rail. c Vervoer per bus, auto of vliegtuig. d Omdat er bijna altijd wel substituten aanwezig zijn. 9 a Door productdifferentiatie en doordat het aantal aanbieders klein is. b Een fabrikant biedt een technisch (nagenoeg) identiek product onder twee verschillende merknamen met ieder een eigen imago aan. 10 Bij de eerste is het aantal aanbieders zeer groot, bij de tweede klein. 11 Het aantal aanbieders is zo klein dat elke aanbieder weet dat de anderen zullen reageren op zijn acties. 12 Banken, verzekeraars, schoonmaakbedrijven. 13 Het gezamenlijk marktaandeel van bijvoorbeeld de vier grootste ondernemingen. 1 a Een heterogeen oligopolie. b Een onvolkomen markt omdat de kopers niet op de hoogte zijn van alle eigenschappen van de verschillende producten. c Toetreding is niet eenvoudig omdat zeer grote investeringen zijn vereist, zowel bij de productie als bij de distributie (reclame). d Productvernieuwing, reclame, prijsconcurrentie. e Aanbieders kunnen afspraken maken inzake research, rayons en prijzen Door confrontatie van collectief aanbod en collectieve vraag. 13

14 2 Bij een concrete markt ontmoeten de mensen elkaar en zijn de goederen fysiek aanwezig; een abstracte markt is het samenhangend geheel van vraag en aanbod en bestaat uit telefoon- en beeldschermverbindingen. 3 Zie figuur. 1 a, b, c en d. Zie figuur. e 10p = 25p 220 p = 13 f Verandering van: het aantal vragers, de behoefte aan het goed of verandering van het inkomen. 14

15 2 a x v = x a -2p + 60 = 3p 40 5p = 100 p = 20 q = 20 b Zie figuur 03_01. Figuur 03_01 c 1. -2p + 70 = 3p p = 110 p = 22 q = Zie figuur 03_01. d Zie figuur 03_01. e Voor p = 20 volgt uit de nieuwe vraagvergelijking: x v = = 30. De nieuwe aanbodlijn gaat dus door het punt (30,20) en heeft als richtingscoëfficiënt 3. Invullen van deze gegevens in de algemene gedaante x = ap + b geeft 30 = b b = -30. De nieuwe aanbodvergelijking luidt: x a = 3p Een maximale winst; een maximale groei van de omzet; een voldoende winstniveau. 2 De manier waarop ondernemingen gegeven hun doelstellingen met elkaar concurreren. 3 Felle concurrentiestrijd; het maken van afspraken om bepaalde concurrentiewapenen niet te gebruiken (kartel). 4 Een overeenkomst tussen twee of meer ondernemingen om bepaalde concurrentiewapenen niet te gebruiken. 5 Nee, bij een kartel gaat het om meer dan één aanbieder. De marktvorm is het oligopolie; dit gedraagt zich echter als monopolie. 15

16 3.4 1 De prijs van het goed, de prijzen van de overige goederen, het budget en de voorkeuren. 2 De prijzen van de overige goederen, het budget en de voorkeuren. 3 Dat zij bij lagere prijzen meer wensen te kopen dan bij hogere. 4 Zie figuur a Stap 1 De gevraagde hoeveelheid repen verandert : (100-95)/95 x 100% = -5,2% Stap 2 De prijs is veranderd met (2,20 / 2,00)/2,20 x 100% = 10%. Stap 3 Ep = -5,2/10 = - 0,52 b Stap 1 De omzet in de oude situatie was 100 x 2 = 200 Stap 2 De omzet in de nieuwe situatie is 95 x 2,20 = 209 Stap 3 De omzet is gestegen van 200 naar 209. De hoeveelheidvermindering wordt overgecompenseerd door de prijsverhoging: een inelastische afzet. c Chocolade is relatief ongevoelig voor prijsveranderingen. 2-10%/15% = -0,66 3 De prijs wordt verlaagd met 20%; de verkochte hoeveelheid stijgt met 20%. De prijselasticiteit bedraagt 20/- 20 = Dit wil zeggen dat bij een prijsverhoging van 1% de verkochte hoeveelheid met 2% afneemt. 5 Bij een prijsverlaging van 1% neemt de verkochte hoeveelheid met 3% toe. 6 a De prijsverhoging is 10%; de vermindering van de verkochte hoeveelheid is -5%; de prijselasticiteit = 10/-5= -2. b Omzet in de oude situatie 100 x 2 = 200 euro; in de nieuwe situatie 95 x 2,20 = 209. c De afzet is inelastisch. 7 a Hij ziet zijn omzet teruglopen. b De hoeveelheidvermindering wordt dan niet overgecompenseerd door de prijsverhoging. 8 De procentuele verandering van de verkochte hoeveelheid A ten gevolge van een prijsverandering van B. 16

17 9 a Dit zijn complementaire goederen; als bier duurder wordt, verkoopt men zowel minder bier als minder bierglazen. b Een negatief teken: prijsverhoging van bier leidt tot minder verkoop van bierglazen. c Complementaire goederen. 10 Als het inkomen met 1% stijgt/daalt, neemt de verkochte hoeveelheid met 2% toe/af. 11 a Inferieure goederen. b Margarine en aardappelen 1 a De prijsverhoging bedraagt = 130; dit is 10% van de oorspronkelijke prijs. Het aantal verkochte stuks liep terug van 500 naar 425, dus met 75 stuks; dit is 15% van de oorspronkelijke afzet. De prijselasticiteit van de afzet is -15/10 = -1,5 b De oorspronkelijke omzet is = Na de prijsverhoging bedraagt de omzet = De omzet loopt terug bij een prijsverhoging, het product is prijselastisch. c Bij een kruiselingse prijselasticiteit van 2 heeft een 5% prijsverhoging van Sprintstar een afzetvergroting van 2 5% = 10% van het substituut Cyclospeed tot gevolg. 2 a Er is sprake van volkomen concurrentie. b Door de ontmoeting van collectieve vraag en collectief aanbod. c Zie figuur. d Zij verwachten een prijsstijging, kopen nu koffie om daarvan te profiteren en realiseren daardoor (mede) zelf de verwachte prijsstijging. e Van heterogeen oligopolie met DE als prijsleider. f De vraag naar koffie is inelastisch, een prijsverhoging heeft weinig invloed op de verkochte hoeveelheid. g Stap 1 is het formuleren van de onderzoeksvraag, bijvoorbeeld: Met hoeveel procent ging bij de achtereenvolgende prijsverhogingen van een 250 grams pak DE Aroma Rood de verkochte hoeveelheid omlaag? Stap 2 is het verzamelen van de nodige informatie, bijvoorbeeld door contact te zoeken met DE. Stap 3 is het verwerken van de informatie, in dit geval het analyseren van prijzen en bijbehorende verkochte hoeveelheden. Stap 4 is het presenteren van de informatie. 17

18 3 a Dit betekent dat de gevraagde hoeveelheid aardgas bij een prijsverhoging van 1% met 0,4% terugloopt. Of 0,4% toeneemt bij een prijsverlaging met 1%. b Voor een gevraagde hoeveelheid van 16% is een prijsverhoging nodig van 40%, want 0,4 = (- 16/40). c De aangeboden hoeveelheid gft-afval reageert sterk op een prijsverhoging, omdat de aanbieders met zelf composteren een relatief eenvoudig en goedkoop alternatief hebben. 4 a Slechte oogsten en een grote vraag. b Een prijsinelastisch goed. 5 De marktvorm schuift op in de richting van monopolistische concurrentie. Het aantal aanbieders wordt groter doordat de toetreding eenvoudiger wordt. De markt wordt transparanter door de eenvoudige vergelijkingsmogelijkheden. Er kunnen wel (kleine) verschillen blijven bestaan in de aard van het product. 18

19 Deel I - HOOFDSTUK 4 Productie: kosten en opbrengsten Het verband tussen de hoeveelheid product de output en de gebruikte productiefactoren de inputs. 2 Korte termijn: bij gegeven capaciteit gaat hij minder produceren. Lange termijn: hij besluit zijn capaciteit in te krimpen Wanneer aan een productiefactor met een constant gehouden omvang eenheden van een variabele factor worden toegevoegd. 2 Omdat de constante factor als knelpunt gaat optreden. 3 Waar de totale productie afnemend stijgt, daalt de meerproductie. Waar de totale productie daalt, is de meerproductie negatief Zij veranderen als de productieomvang wijzigt. 2 Onderhoudskosten, energiekosten, kosten van grondstoffen. 3 Als de prijzen van de vaste productiemiddelen stijgen en/of als de capaciteit wordt vergroot. 4 Onderhoud en reparatie moeten ook plaatsvinden als er niet geproduceerd wordt. Bij een draaiend machinepark zullen ze variëren met de productieomvang. 5 Omdat men de rente derft die had kunnen worden ontvangen als men het geld op een spaarrekening had gezet. 1 a Zie onderstaande tabel. Productieomvang (x 1000) Totale constante kosten Totale variabele kosten Totale kosten , , , , ,70 Totale kosten per potlood 19

20 b. b Zie figuur. c Uit bovenstaande figuur blijkt dat de grafiek van de totale kostenfunctie een rechte lijn is; deze kan worden gevonden door twee punten in te vullen. Het rechtlijnig verband tussen de totale kosten (TK) en de productieomvang (x) luidt in het algemeen: TK = ax + b. We vullen de waarden (0,5000) en (6,6200) in: 5000 = a.0 + b 6200 = a.6 + b = -6a, dus a = 200; dan volgt dat b = 5000, dus geldt TK = 200x d Zie tabel. e Zie figuur. 20

21 2 Eigen resultaten. Het zal blijken dat het onderscheid tussen vast en variabel in hoge mate afhangt van de termijn die men kiest Omdat hij slechts een aanbieder is te midden van zeer veel anderen. 2 Men krijgt inzicht bij welke productieomvang men winst begint te maken. 1 a De wet van de (toe- en de) afnemende meeropbrengsten. b Zie onderstaande tabel. x TK = 2x + 5 GTK GVK extra kosten , , , , , ,6 2 2 c Zie figuur. 21

22 2 a Korte termijn betekent in deze context dat binnen de beschouwde productieperiode de productiecapaciteit niet verandert, dus constant is.vaste of constante kosten zijn kosten die onafhankelijk zijn van de productieomvang (bij gegeven capaciteit). b In de formule zijn deze te herkennen als de term waarin de variabele Q niet voorkomt; hier 400. Echter om de juiste hoogte van de kosten in euro s te verkrijgen, moet men nog vermenigvuldigen met de schaalfactor Kortom, de totale constante kosten bedragen c GTK = TK/x = ½ Q 2 6Q /Q; invullen van achtereenvolgens Q = 9, Q = 10 en Q = 11 laat zien dat GTK bij Q = 10 minimaal is. d De kostprijs of GTK bij Q = 10 (ton) is te achterhalen door Q = 10 in te vullen in de vergelijking van de GTK-functie. e Substitutie in GTK = ½Q 2 6Q /Qlevert dan per ton ofwel 55 per kg. f Maximale totale winst kan op twee manieren gevonden worden. Een omslachtige manier, voor wie het differentiëren niet beheerst, is het bepalen van de totale winstfunctie (TW = TO -TK) en tekenen van de grafiek hiervan. Wie kan differentiëren gaat als volgt te werk: de totale winst is maximaal indien de marginale opbrengst (=MO) precies gelijk is aan de marginale kosten (=MK). De MO is gelijk aan de prijs indien de producent hoeveelheidaanpasser is, dus 97 per kg. Bedenk hierbij dat de MK, net zoals de GTK, in feite luiden in per ton ofwel in 1 per kg. Oplossing: 97=3/2 Q 2 12Q /2(Q 2 8Q 48) = 0 3/2 (Q + 4) (Q- 12) = 0 Q = 12. g De omvang van de maximale TW bij Q = 12 (ton) is nu te berekenen door het verschil te nemen van de totale opbrengst (=TO) en de totale kosten (=TK); dus: TW = TO TK. De TO = 97 per kg 12 ton = per ton 12 ton = De TK bij Q = 12: TK = ½(12) 3 6(12) = 400 = 700; dus de TK bedragen , zodat de TW = Maximale winst p.e.p. wordt behaald waar de GTK minimaal zijn, bij Q = 10 (ton). Hier is de kostprijs het laagst bij de gegeven marktprijs. Dit leidt echter niet tot maximale TW. Maximale TW komt tot stand bij Q = 12 (ton). De reden hiervoor is dat de MK niet constant zijn. In bedrijfseconomische calculaties gaat men vaak uit van constante variabele kosten p.e.p. ofwel constante MK. In dergelijk situaties vallen maximale GW en maximale TW samen De kruiselingse prijselasticiteit bij monopolie = 0, immers als de prijs van een ander goed verandert, reageert de verkochte hoeveelheid van de monopolist in het geheel niet. 2 Omdat hij zelf één prijs vaststelt en niet zoals bij volkomen concurrentie zijn verkochte hoeveelheid aanpast aan elke voor hem gegeven marktprijs. 22

23 1 a Zie figuur: b Totale variabele kosten: TVK = 2x Totale vaste kosten: TVastK = 1 c Zie onderstaande tabel. Aantal stuks Totale opbrengsten Totale kosten Totale winst d Zie tabel. e Zie figuur bij a. f De totale opbrengst is maximaal bij x = 3. g De totale winst is maximaal bij x = 2. h Daarbij is de totale winst lager dan maximaal; het is zelfs denkbaar dat er verlies wordt gemaakt. 23

24 2 a Zie figuur. b Zie figuur; de constante kosten ontbreken. c TO = -x 2 + 6x TK = 2x TW = -x 2 + 4x d Zie figuur. TW is maximaal bij x = 2. e Zie figuur Omdat een prijsverlaging de anderen direct in hun omzet raakt, waarop deze zullen reageren. Daardoor kan een moordende concurrentiestrijd ontstaan. 2 De banken; de benzinemaatschappijen. 3 Een overeenkomst tussen twee of meer juridisch zelfstandige ondernemingen om bepaalde concurrentiewapens niet te gebruiken. 4 Openbaar maken en vernietigen. 24

25 5 Deze openbaar maken; verplichten tot leveren of een boycot verbieden; prijsvoorschriften geven. 1 a Heterogeen duopolie. b a 11 en a 22 beide negatief. De verkochte hoeveelheid zal afnemen bij verhoging en toenemen bij verlaging van de eigen prijs. c a 12 en a 21 beide positief. De verkochte hoeveelheid van 1 zal afnemen bij verlagingen en toenemen bij verhoging van de prijs van 2. d Het ligt voor de hand dat de verkochte hoeveelheid van 1 sterker reageert op veranderingen van zijn eigen prijs dan op prijsveranderingen van 2. Absolute waarde a 11 groter dan die van a 12, dus a 11 + a 12 negatief. e Kartel is overeenkomst, is marktgedrag; marktvorm verandert niet. f Mededingingswet. g Publiceren; aanwijzingen geven; vernietigen. 2 a Heterogeen oligopolie. b Op de site vind ik geen enkele waarschuwing. c Op consumentenautoriteit.nl lezen we: De Consumentenautoriteit is de toezichthouder op consumentenrecht en eerlijke handel. De Consumentenautoriteit bevordert eerlijke handel tussen bedrijven en consumenten, met als uitgangspunt de economische belangen van consumenten.' 3 a Heterogeen oligopolie. b Toyota. c Toyota onderzocht beter wat de afnemers belangrijk vinden a totaal aangeboden hoeveelheid 45 47, , ,5 60 prijs 45 42, , ,5 30 totale winst , , , b 45 eenheden. c Henk biedt aan Kees biedt aan totale aanbod prijs totale winst winst Henk winst Kees 22,5 22, ,5 1012, ,5 52,5 37,5 1968, ,75 22, ,5 37,5 1968,5 843, d Henk verkoopt 22,5 Henk verkoopt 30 Kees verkoopt 22,5 (1012,5; 1012,5) (843,75; 1125) Kees verkoopt 30 25

26 (1125; 843,75) (900; 900) e Als Henk 22,5 aanbiedt, kiest Kees voor 22,5, want 1125 is groter dan 1012,5. f Als Henk 30 aanbiedt, kiest Kees voor 30, want 900 is groter dan 844. g Als Kees 22,5 aanbiedt, kiest Henk voor 22,5 want 1125 is groter dan 1012,5. Als Kees 30 aanbiedt, kiest Henk voor 30 want 900 is groter dan 843,75. Het blijkt dat ze beiden hun winst niet maximeren. h Door contact met elkaar op te nemen en af te spreken allebei 22,5 aan te bieden a Introductiefase; expansiefase; rijpheids- of stagnatiefase; verzadiging- of neergangfase. b De uitvinder heeft een voorsprong en is daardoor in het begin vaak de enige aanbieder. c Er treden nieuwkomers toe op de snel groeiende markt. d In de rijpheidfase neemt de groei van de totale markt af. Een onderneming kan zijn afzet alleen nog laten toenemen door zijn marktaandeel te vergroten ten koste van zijn rivalen. De concurrentiestrijd neemt toe. Concurrenten worden kapotgemaakt of overgenomen. De concentratie neemt toe. In de neergangfase, wanneer de totale markt krimpt, zal een en ander zich in versterkte mate voordoen. 1 a Eigen invulling; met energie wordt in dit kader bedoeld elektrische stroom. b De Energiekamer is een onderdeel van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. De Energiekamer voert de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet uit en houdt toezicht op de naleving van beide wetten. De Energiekamer werkt in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. Voorheen heette de Energiekamer, Directie Toezicht Energie (DTe). c Nuon, Eneco, Atoomstroom. d Heterogeen oligopolie. 26

27 Deel I - HOOFDSTUK 5 Marktmechanisme en de invloed van de overheid Centraal staat de coördinatie van de besluitvorming. 2 Ook binnen een onderneming moeten de handelingen van veel, soms zeer veel mensen op elkaar worden afgestemd. 3 a De productiemiddelen zijn in particuliere handen en de coördinatie wordt verzorgd door het marktmechanisme. b De productiemiddelen zijn eigendom van de gemeenschap en de coördinatie wordt verzorgd door een centraal gezag met behulp van een dwingend plan. 4 Een economische orde gekenmerkt door vrije beslissingen van producenten en consumenten, echter binnen door de overheid opgelegde randvoorwaarden. 5 In de werkelijkheid treffen we steeds mengsels aan van kapitalisme en socialisme. 1 a Corporatisme (van Dale): (Het streven naar) staatsordening op grondslag van samenwerkende corporaties. Neocorporatisme: Hernieuwde manifestatie van corporatisme. b Het vinden van consensus kost inderdaad tijd; maar vervolgens is er een breed draagvlak en zijn alle betrokkenen gecommitteerd. c Differentiatie in de loonvorming betekent dat er niet een loonafspraak voor alle betrokkenen wordt gemaakt, maar dat er vele zijn die zijn afgestemd op de situatie waarin de onderneming/bedrijfstak zich bevindt. Als er op centraal niveau consensus is, leidt dit logischerwijze tot een centrale loonafspraak. Hier kan tegenin worden gebracht dat er ook consensus kan worden bereikt over differentiatie in de loonvorming De parlementaire discussies over de begrotingen van de departementen. 2 Beslissingen worden genomen op het niveau waar men het best geïnformeerd is; mensen zijn gemotiveerder omdat er een duidelijke relatie is tussen de beslissing en het resultaat. 3 De top is vaak minder goed geïnformeerd over wat er aan de basis gebeurt; de span of control is beperkt De technische doelmatigheid, de dynamische economische doelmatigheid, de statische economische doelmatigheid, de economische vrijheid, de economische rechtvaardigheid en de economische soevereiniteit. 2 Een zodanige toedeling van de productiemiddelen over de productiemogelijkheden dat de wensen van consumenten zo goed mogelijk worden vervuld. 3 Landen in Oost-Europa; deelrepublieken van de voormalige Sovjet-Unie; China. 1 a en b Deze denktank heeft als missie om conservatieve waarden te promoten, gebaseerd op de vrije markt, een gelimiteerde overheid, individuele vrijheid, traditionele Amerikaanse waarden en een sterke defensie. Het bedoelde erfgoed (heritage) is het joods-christelijke 27

28 gedachtegoed en het gedachtegoed van de opstellers van de Amerikaanse grondwet (de Founding Fathers). c China heeft nog een gebrek aan investeringsvrijheid, heeft zwakke financiële instellingen en een wankel juridisch systeem. 2 a Econoom met sterk vertrouwen in het vrije marktmechanisme. b Reagan, Thatcher en Pinochet. c Nee hij erkent dat ze niet perfect werken, maar vindt niet perfect werkende markten nog altijd beter dan overheidsingrijpen. d Overheidsingrijpen brengt geen oplossingen maar vooral problemen. e Monetaristen hechten groot belang aan de invloed van de geldzijde van het economisch proces. Sturing door de overheid gaat altijd mis omdat deze te laat reageert en daardoor procyclisch beleid voert Het kan de voorziening met collectieve goederen niet regelen; soms komen sociaal onaanvaardbaar lage of hoge prijzen tot stand; de verdeling hoeft niet rechtvaardig te zijn; markten kunnen vertraagd reageren op het prijssignaal; er kunnen externe effecten optreden; monopolies en oligopolies kunnen een machtspositie misbruiken; er kan van onvolledige informatie sprake zijn. 2 Het tekort moet eerst worden vastgesteld; vervolgens moeten meer studenten voor tandheelkunde kiezen. Bij een studietijd van zo n zes jaar zal het dan in totaal een jaar of tien duren. 3 Het is gebleken dat de zelfcorrectie die men van de marktwerking verwachtte bij de banken niet heeft gewerkt. 1 a Eigen weergave. b Dat ze het over de introductie van de markt bij overheidsdiensten hebben. c Lering te trekken uit de gemaakte fouten. d De individuele welvaart van de burgers is de basis van de maatschappelijke welvaart. Overheidsingrijpen vereist altijd een inperking van vrijheden en het heffen van belastingen. e - Dat dit tot een daling van de welvaart leidt. - Eigen invulling. f Deze bewering gaat voorbij aan de scheve verdeling van primaire inkomens. g De markt als uitgangspunt te kiezen en elke keer een kosten-baten analyse te maken van overheidsingrijpen. h Bij kosten-baten analyse wordt geprobeerd zo goed mogelijk de kosten en de opbrengsten van een bepaald project te waarderen en deze tegenover elkaar te stellen. i Bij de politiek. 28

29 5.5 1 Niet klantgericht, risicomijdend, gering kostenbewustzijn. 1 a Zie figuur. b Groenten op een veiling. c Deze overschotten worden opgeslagen, tegen een lage prijs aan arme landen verkocht, of vernietigd. 29

30 2 a Beperking van huurverhogingen, aftrek hypotheekrente, bouwvergunningen. b c Er treedt een vraagoverschot op. d Er moet een distributiesysteem worden ingevoerd. e Er kunnen lange wachtlijsten ontstaan. f Door beperking van het rendement op nieuwbouw worden er te weinig nieuwe huurwoningen gebouwd. g Eigen invulling. h Deze subsidie drijft de vraag naar koopwoningen op Een recessie zoals die in 2009/ Dit is een tekortkoming van het onderzoek. 3 De bedoeling was dat door de concurrentie de prijzen zouden dalen. Daar is niets van terechtgekomen. 1 a De overheid kan zich niet zonder meer terugtrekken maar moet blijven controleren. b Het publieke belang is het belang van de consumenten. c Taxibranche en thuiszorg. d - Taxi's staan zodanig opgesteld dat de consument geen vrije keuze heeft, hij moet de voorste nemen. Er is geen kwaliteitscontrole georganiseerd. - De overheid kan regels opleggen. e De kwaliteitscontrole ontbreekt; aanbieders kunnen prijsafspraken maken. 30

31 Deel I - HOOFDSTUK 6 Het natuurlijk milieu Wanneer wij ongeremd doorgaan met stoffen in het milieu te brengen die niet of in niet voldoende mate kunnen worden afgebroken Het voldoen aan de mondiale energievraag; milieuproblematiek; geopolitieke aspecten. 2 Fossiele brandstoffen. 3 a Volgens vele deskundigen beschadigt CO2-uitstoot de beschermende ozonlaag rond de aarde. b Omdat alleen het smelten van landijs de zeespiegel verhoogt. 4 Omdat driekwart van ons land beneden de zeespiegel ligt. 5 Het verdrag zou in werking treden als de parlementen van 55 landen, die samen 55% van de uitstoot van broeikasgassen veroorzaken, het hebben bekrachtigd. De Europese Unie, (toen 15 landen) heeft het Verdrag begin 2002 bekrachtigd. Daarmee waren nog 40 handtekeningen nodig. De VS echter hebben het overeengekomen verdrag niet ondertekend. President George W. Bush vreesde voor schade aan de Amerikaanse economie. In de VS proberen verscheidene staten, waaronder de bevolkingrijke staat Californië wel iets te doen om de uitstoot te verminderen. Rusland, dat oorspronkelijk wel geïnteresseerd was, heeft lang getwijfeld over bekrachtiging van het verdrag. Op 23 oktober 2004 werd het verdrag ook in Rusland goedgekeurd. Omdat hiermee een meerderheid van de landen het verdrag heeft geratificeerd trad het wereldwijd in werking, zeven jaar na de overeenkomst in Kyoto. In navolging van de VS had Australië onder de regering John Howard besloten het protocol niet te tekenen. De in november 2007 gekozen premier Kevin Rudd had echter al tijdens de verkiezingscampagne toegezegd dat Australië wel zou ratificeren, en heeft op 3 december, enkele uren na zijn aantreden, het protocol ondertekend. Op 16 februari 2005 (90 dagen na de ondertekening door Rusland) is het Kyoto-protocol officieel in werking getreden. Op de dag van inwerkingtreding zijn wetenschappers al van mening dat de doelstelling onvoldoende is en wordt er gesproken over het Post-Kyoto protocol. De Verenigde Naties hebben een forum van internationale wetenschappers ingesteld, het IPCC, om de stand van de huidige wetenschap en de risico's inzake klimaatverandering te evalueren. Het IPCC doet zelf geen onderzoek, maar evalueert onderzoek dat is gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Het IPCC kwam in 2010 in opspraak omdat er fouten zitten in het laatste klimaatrapport dat dateert uit Zo stond er onder meer in dat de gletsjers in de Himalaya in 2035 verdwenen zijn, wat zou betekenen dat ze 25 maal sneller smelten dan nu het geval is. Ook stond erin dat 55% van Nederland onder zeeniveau ligt, wat 26% moest zijn. Wereldwijd baseren overheden hun klimaatbeleid op de conclusies van dit rapport. De reactie van het ippc is dat deze fouten de hoofdconclusies inzake global warming niet aantasten. Sceptici over het verdrag denken dat onvoldoende is onderbouwd dat klimaatverandering werkelijk een menselijke oorzaak heeft. 1 a Bij een hoge olieprijs zoekt men naar substituten. De exploitatie van bij lagere olieprijzen te dure alternatieven wordt interessant. b De grondstoffen voor de tortilla (maïs) worden duurder en dus wordt de tortilla duurder. c Steeds meer Amazonebos wordt geofferd voor de verbouw van soja waarmee biobrandstof kan worden geproduceerd. 31

32 d Ook de granen waarmee bier wordt geproduceerd worden als biobrandstof gebruikt. Het biertje wordt duurder. e 2 a De planten binden tijdens hun groei CO2 en geven dit weer af bij verbranding van de biobrandstof. b Rotie is specialist in de verwijdering en verwerking van organisch afval. c We zien in de landbouw dat men meer gewassen geschikt voor biobrandstof gaat verbouwen, wat ten kosten gaat van voedingsgewassen. 3 a - De energie die deze auto's gebruiken wordt milieu-onvriendelijk geproduceerd. - Veel elektriciteit wordt met fossiele brandstoffen geproduceerd; accu's bevatten milieubelastend lood. b Centrales die werken met behulp van warmtekrachtkoppeling, zonne-energie, energie uit water, biomassa en vergisting. c Omdat in ons land de energiebedrijven het tarief van terugkoppeling bepalen Op het feit dat ze buiten de markt om werken. 2 Aanleg van een weg die een gebied toegankelijk maakt; de imker en de vruchtenboomgaard; het effect van onderwijs op de kwaliteit van de beroepsbevolking. 3 a Rookoverlast; ongewild meeroken. b Verkeersopstoppingen; milieuoverlast. c Vervuiling van het water. d Stank; verzuring van grond; sterfte van bossen door ammoniakuitstoot. 4 Lokaal; regionaal; stroomgebieden; continenten; wereld. 5 Dumpen van chemisch afval; laten afsterven van bossen; laten eroderen van grond. 6 Omdat ze niet gestraft worden; omdat elk individu denkt dat zijn kleine bijdrage van geen betekenis is. a Negatieve externe effecten. b Opstoppingen en files; ongevallen; luchtvervuiling; geluidshinder; verwoesting van het landschap. c Nee. d Andere productietechnieken; anders consumeren; minder consumeren en produceren. e Flexibele mogelijkheid tot verplaatsen; snel en comfortabel vervoer. 32

33 1 a De daling van de opbrengst per koe als een boer meer koeien gaat houden wordt dat voor een deel afgewenteld op de anderen. Het probleem is dat ze allemaal zo handelen. b Elke boer wordt dan direct geconfronteerd met de gevolgen van zijn eigen handelingen. c Dan kunnen afspraken worden gemaakt over hoeveel koeien elke boer mag laten grazen. d Bijvoorbeeld; elke boer niet meer dan twee koeien. e Ook de zee is een gemeenschappelijke bron. Elke visser denkt de vangst voor zichzelf te kunnen uitbreiden. Omdat ze dit allemaal denken, ontstaat het probleem van overbevissing Een zodanige bevrediging van de behoeften van de huidige generaties dat die van toekomstige generaties niet in gevaar wordt gebracht. 2 Het verbod en het vergunningenstelsel. 3 a Het opleggen van een heffing. b Zie figuur. De prijsverhoging van OA naar OB wordt door de afnemers betaald. Het gedeelte van OB naar OC door de aanbieder. 4 Naarmate de vraag minder prijselastisch is, zal de consument een groter deel van de heffing te betalen krijgen; naarmate het aanbod minder prijselastisch is, zal de aanbieder een groter deel van de heffing te dragen krijgen. 1 a Ophalen en verbranden kost hem 800 per ton. Dat is 400 per halve ton (zijn week productie van afval). Zelf verbranden kost hem 950 per ton, dus 475 per halve ton. Laten weglopen in een riviertje: hij wordt één keer per 20 weken betrapt en moet dan betalen. Dat is dus 5.000/20 = 250 per week. Hij kiest dus deze laatste voor hem goedkoopste oplossing. b De pakkans vergroten en/of de boete verhogen, zodanig dat lozen in het milieu de duurste oplossing voor de fabrikant wordt. 33

Onderneming en omgeving - Uitwerkingen Studiehandleiding

Onderneming en omgeving - Uitwerkingen Studiehandleiding Onderneming en omgeving - Uitwerkingen Studiehandleiding Deel I - Omgevingsfactoren en micro-economie Deel I - HOOFDSTUK 1 Omgevingsfactoren 1.1 1 Schaarste is de spanning tussen behoeften en middelen.

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt Ondernemingsvormen Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt De eenmanszaak = een onderneming met één eigenaar. De vennootschap onder firma (VOF) = een onderneming waarbij enkele mensen

Nadere informatie

Domein D: markt (module 3) havo 5

Domein D: markt (module 3) havo 5 Domein D: markt (module 3) havo 5 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte

Nadere informatie

Lesbrief Vraag en Aanbod 1 e druk

Lesbrief Vraag en Aanbod 1 e druk Hoofdstuk 1 1.6 C Markten 1.7 a. De prijzen zijn gestegen. Bij een gelijk volume (= afzet) leidt dit tot een omzetgroei. b. Indexcijfer volume (afzet): 105, indexcijfer prijs: 97,1. 97,1 105 = 101,96.

Nadere informatie

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) vwo 4 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte en een concrete markt? 4. Over

Nadere informatie

Economie Pincode klas 4 vmbo-gt 6 e editie Samenvatting Hoofdstuk 3: We gaan voor de winst Exameneenheid: Arbeid en productie

Economie Pincode klas 4 vmbo-gt 6 e editie Samenvatting Hoofdstuk 3: We gaan voor de winst Exameneenheid: Arbeid en productie 3.1 Wat zijn de kosten? Toegevoegde = extra waarde die ontstaat door de bewerking van een product waarde Toegevoegde waarde = verkoopwaarde inkoopwaarde Productiefactoren = productiemiddelen die een producent

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

1 Volledige of volkomen competitieve markten Om te spreken van volkomen concurrentie moeten er 4 voorwaarden vervuld zijn:

1 Volledige of volkomen competitieve markten Om te spreken van volkomen concurrentie moeten er 4 voorwaarden vervuld zijn: Competitieve markten van 6 COMPETITIEVE MARKTEN Marktvormen Welke verschilpunten stel je vast als je het aantal aanbieders en het aantal vragers vergelijkt op volgende markten? a/ Wisselmarkt b/ Markt

Nadere informatie

Katern 2 Markten en welvaart

Katern 2 Markten en welvaart Katern 2 Markten en welvaart Begrippen budgetlijn = deze lijn geeft de verschillende mogelijkheden van geld uitgeven voor een consument weer ceteris paribus vraaglijn = het verband tussen de prijs en de

Nadere informatie

Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie

Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie HOOFDSTUK Omgevingsfactoren.. Schaarste is de spanning tussen behoeften en middelen. 2. Omdat de middelen die in de onbegrensde hoeveelheid behoeften kunnen voorzien,

Nadere informatie

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit Uitwerking vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

Economie Module 3. De marktstructuur is het geheel van kenmerken van de markt die het marktevenwicht beïnvloeden.

Economie Module 3. De marktstructuur is het geheel van kenmerken van de markt die het marktevenwicht beïnvloeden. Module 3 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten: - De concrete

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

Economie Module 2 & Module 3 H1

Economie Module 2 & Module 3 H1 Economie Module 2 & Module 3 H1 Module 2 1.1 De individuele vraag Individuele vraaglijn kent een dalend verloop: als de prijs daalt, stijgt als gevolg daarvan de gevraagde hoeveelheid. Men wil voor 1 appel

Nadere informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

LESBRIEF VERVOER. havo 4 blok 3

LESBRIEF VERVOER. havo 4 blok 3 LESBRIEF VERVOER havo 4 blok 3 Inhoud Met de taxi of met de fiets (kosten, opbrengsten, winst, mo, mk) Verzekeren tegen risico (verzekeren) De lucht in (vraag, aanbod, surplus) Het beroepsgoederenvervoer

Nadere informatie

Economie Module 3 H1 & H2

Economie Module 3 H1 & H2 Module 3 H1 & H2 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten:

Nadere informatie

Oefeningen Producentengedrag

Oefeningen Producentengedrag Oefeningen Producentengedrag Oefening 1: Bij een productie van 10.000 eenheden bedragen de totale kosten van een bedrijf 90.000 EUR. Bij een productie van 12.500 bedragen de totale kosten 96.000 EUR. De

Nadere informatie

UIT groei en conjunctuur

UIT groei en conjunctuur Economische groei. Economische groei drukken we uit in de procentuele groei van het BBP op jaarbasis. De groei van het BBP heeft twee oorzaken. Het BBP kan groeien omdat de prijzen van producten stijgen

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

Markt. Kenmerken van marktvormen:

Markt. Kenmerken van marktvormen: 1 1 1 Markt 1 3 5 7 9 1 1 1 1 1 hoeveelheid 1 3 5 7 9 Qv Qa nieuw Qa Qv nieuw p Kenmerken van marktvormen: Volkomen concurrentie: Veel aanbieders Homogeen product(mais) Vrije toetreding Alle kennis van

Nadere informatie

1 Markt en marktvormen

1 Markt en marktvormen 1 Markt en marktvormen Wat is het verschil tussen een markt en een marktvorm? Markt= Concrete markt, plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en transacties afsluiten Marktvorm

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Domein markt: volkomen concurrentie

Domein markt: volkomen concurrentie Domein markt: volkomen concurrentie De markt / het marktmechanisme Vraag-aanbodcurve evenwicht, surplus Elasticiteiten E v p, E v i, E v1 p2, E a p Een van de vele aanbieders Opbrengst Kosten Winst TW

Nadere informatie

Domein D: Concept markt. Havo 5 Module 2 en 3

Domein D: Concept markt. Havo 5 Module 2 en 3 Domein D: Concept markt Havo 5 Module 2 en 3 Domein D: Concept markt Winst = omzet kosten TW = TO TK TO = 2000 TK = 1500 TW = 500 Omzet per product = gemiddelde omzet = prijs = GO TO = 2000 Als afzet is

Nadere informatie

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST OVER OMZET, KOSTEN EN WINST De Totale Winst (TW) van bedrijven vindt men door van de Totale Opbrengsten (TO), de Totale Kosten (TK) af te halen. Daarvoor moeten we eerst naar de opbrengstenkant van het

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo I

Eindexamen economie 1-2 vwo I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 nivellering 38,2 : 9,6 = 3,98 : 1 2 maximumscore

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Examen HAVO - Compex. economie 1

Examen HAVO - Compex. economie 1 economie 1 Examen HAVO - Compex Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 23 mei totale examentijd 2,5 uur 20 05 Vragen 1 tot en met 19 In dit deel staan de vragen waarbij de computer niet

Nadere informatie

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden 3.1 De reis van een spijkerbroek 1 3.1 De reis van een spijkerbroek Bedrijfskolom = De weg die een product aflegt van grondstof tot eindproduct. Tussen elke schakel van de bedrijfskolom bevindt zich een

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

Literatuur: Onderneming en omgeving. Docent: Jan Coppens

Literatuur: Onderneming en omgeving. Docent: Jan Coppens Literatuur: Onderneming en omgeving Docent: Jan Coppens Algemene economie Economie in combinatie met de maatschappij. Er wordt onderzocht hoe er met beperkte middelen keuzes worden gemaakt uit oneindige

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Concrete markt: vragers, aanbieders, product op een bepaalde plaats. Abstracte markt: vraag en aanbod bepalen de prijs (denkmodel)

Concrete markt: vragers, aanbieders, product op een bepaalde plaats. Abstracte markt: vraag en aanbod bepalen de prijs (denkmodel) Concrete markt: vragers, aanbieders, product op een bepaalde plaats. Abstracte markt: vraag en aanbod bepalen de prijs (denkmodel) Kenmerken: Veel aanbieders Homogeen goed Vrije toe- uittreding Transparante

Nadere informatie

Kaarten module 4 derde klas

Kaarten module 4 derde klas 1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 vergemakkelijken van het ontslaan

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-I

Eindexamen economie 1 vwo 2005-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 102,4 100 = 101,4866 1,49% 100,9 Voor het antwoord:

Nadere informatie

ALGEMENE ECONOMIE /03

ALGEMENE ECONOMIE /03 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 M Productiefactoren: alle middelen die gebruikt worden bij het produceren: NOKIA: natuur, ondernemen, kapitaal,

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo II

Eindexamen economie vwo II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Verkenning 1 a De kosten van het onderzoek en het risico dat het mislukt moet worden afgewogen tegen de mogelijke winst als het onderzoek wel lukt en het

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

MARKT & OVERHEID. HAVO 4 Blok 4

MARKT & OVERHEID. HAVO 4 Blok 4 MARKT & OVERHEID HAVO 4 Blok 4 INHOUD Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4: Hoofdstuk 5: Hoofdstuk 6: Hoofdstuk 7: De telefoniemarkt Van volledige mededinging naar monopolie Oligopolie en

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 q v = 200 1,25 + 450 = 200 q a

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Domein D markt monopolie enzo Zie steeds de eenvoud!! UITWERKINGEN vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Bij welke afzet geldt dat de MO-lijn de MK-lijn snijdt? q= 6 2. Teken een stippellijn naar de prijslijn

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) volkomen concurrentie bij (2) niet bij (3)

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

ALGEMENE ECONOMIE /06

ALGEMENE ECONOMIE /06 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 M Het begrip markt is niet eenduidig; er zijn verschillende markten, waaronder: F concrete markt F abstracte

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo II

Eindexamen economie 1-2 vwo II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Arbeid = arbeiders = mensen

Arbeid = arbeiders = mensen Vraag van en aanbod naar arbeid Arbeid = arbeiders = mensen De vraag naar mensen = werkenden Het aanbod van mensen = beroepsbevolking Participatiegraad Beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking * 100%

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

Remediëringstaak: Vraag en aanbod

Remediëringstaak: Vraag en aanbod Remediëringstaak: Vraag en aanbod Oefening 1: a. Stijging olieprijs blijft beperkt. Je moet een grafiek tekenen waarin je je aanbod naar links laat verschuiven (aanbod daalt) (wegens pijpleidingen die

Nadere informatie

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE VRIJDAG 16 DECEMBER UUR

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE VRIJDAG 16 DECEMBER UUR SPD Bedrijfsadministratie Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE VRIJDAG 16 DECEMBER 2016 15.30-17.00 UUR SPD Bedrijfsadministratie Algemene economie vrijdag 16 december 2016 B / 12 2016 NGO-ENS B / 12 Opgave

Nadere informatie

Het Vijfkrachtenmodel van Porter

Het Vijfkrachtenmodel van Porter Het Vijfkrachtenmodel van Porter (een concurrentieanalyse en de mate van concurrentie binnen een bedrijfstak) 1 Het Vijfkrachtenmodel van Porter Het vijfkrachtenmodel is een strategisch model wat de aantrekkelijkheid

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 13

Extra opgaven hoofdstuk 13 Extra opgaven hoofdstuk 13 Opgave 1 Stel, dat een markt voor product X zich als volgt ontwikkelt. Aanvankelijk zijn er voor dit product veel aanbieders en veel vragers. Na verloop van tijd loopt de vraag

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 1

Extra opgaven hoofdstuk 1 Extra opgaven hoofdstuk 1 Opgave 1 Er zijn economische problemen, omdat: a. de middelen en de behoeften beide onbeperkt zijn; b. de behoeften beperkt zijn in relatie tot de middelen; c. de middelen beperkt

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 0,15 0,12 100% = 25%

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-II 4 Antwoordmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie pilot I

Eindexamen vwo economie pilot I Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat de principaal te maken kan krijgen met keuzemogelijkheden en daardoor kosten moet maken om de kwaliteit van de zorgproducenten te kunnen beoordelen

Nadere informatie

Wat is het juiste antwoord? Of welk woord hoort in welke kolom? 2 Monopolistische. concurrentie. Zowel volkomen als volkomen concurrentie

Wat is het juiste antwoord? Of welk woord hoort in welke kolom? 2 Monopolistische. concurrentie. Zowel volkomen als volkomen concurrentie Extra opdrachten 1. Wat is het juiste antwoord? Of welk woord hoort in welke kolom? Soort 1 Volledige mededinging 2 Monopolistische Zowel volkomen als volkomen 3 Oligopolie (duopolie) Geen 4 Monopolist

Nadere informatie

H3 Hoe werken markten

H3 Hoe werken markten H3 Hoe werken markten 3.1 Markten marktmechanisme Organisatie door Marktmechanisme Vragers en aanbieders met eigen belang Aanbieders passen aan aan vragers. Soorten markten één, enkele of veel aanbieders

Nadere informatie

Lesbrief Markt en Overheid 2 e druk

Lesbrief Markt en Overheid 2 e druk Hoofdstuk 1. 1.15 1.16 1.17 1.18 D C B B De telefoniemarkt 1.19 a. TO = 2q. b. TK = 1,50q + 75.000. c. TO = TK 2q = 1,50q + 75.000 0,50q = 75.000. De break-evenafzet is 75.000/0,5 = 150.000 pennen. d.

Nadere informatie

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Als je moet kiezen welk plaatje je op je cijferlijst zou willen hebben,

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Inhoud. deel 1 omgevingsfactoren en micro-economie

Inhoud. deel 1 omgevingsfactoren en micro-economie V Inhoud deel 1 omgevingsfactoren en micro-economie 1 Omgevingsfactoren 2 1.1 Schaarste dwingt tot kiezen 2 1.2 De economische wetenschap 4 1.3 Produceren, productiefactoren 4 1.4 Participanten en omgevingsfactoren

Nadere informatie

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p).

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). 1. Prijselasticiteit van de vraag De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). %-verandering gevraagde hoeveelheid (gevolg)

Nadere informatie

Evenwichtspri js MO WINST

Evenwichtspri js MO WINST Volkomen concurrentie Volledige mededinging Hoeveeldheidsaanpassing: prijs komt door Qa en Qv tot stand, individu heeft alleen invloed op de hoeveelheid die hij gaat produceren Veel vragers en veel aanbieders

Nadere informatie

Op zoek naar een spijkerbroek

Op zoek naar een spijkerbroek Hoofdstuk 2 Op zoek naar een spijkerbroek 2.23 2.24 2.25 2.26 2.27 2.28 2.29 2.30 2.31 2.32 D A A D B C D B C A 2.33 a. P = 6 Qv = -0,8 6 + 20 = 15,2 15.200 stuks. b. Omzet = P Qv = 6 15.200 = 91.200.

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo I

Eindexamen economie pilot vwo I Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

ALGEMENE ECONOMIE /05

ALGEMENE ECONOMIE /05 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 Producenten: indeling M Bedrijven kunnen ingedeeld worden naar sector: F marktsector: G primaire sector:

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE 22 JUNI UUR UUR

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE 22 JUNI UUR UUR SPD Bedrijfsadministratie Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE 22 JUNI 2015 14.45 UUR 16.15 UUR SPD Bedrijfsadministratie Algemene Economie 22 juni 2015 B / 11 2015 NGO - ENS B / 11 Opgave 1 (21 punten) Vraag

Nadere informatie

Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1

Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1 Inhoud Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1 1 Omgevingsfactoren 3 1.1 Schaarste dwingt tot kiezen 3 1.2 De economische wetenschap 4 1.3 Produceren, productiefactoren 5 1.4 Participanten en omgevingsfactoren

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2005-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2005-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 8 per kg 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 12

Extra opgaven hoofdstuk 12 Extra opgaven hoofdstuk 12 Opgave 1 In dit hoofdstuk wordt gewerkt met een strakke definitie van het begrip marktvorm, waarna verschillende marktvormen zijn ingedeeld aan de hand van twee criteria. a.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2002-II

Eindexamen economie 1 vwo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 van prijsdifferentiatie Een toelichting waaruit

Nadere informatie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 7 Antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010, Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang: economie 1 Correctievoorschrift VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs 20 05 Tijdvak 2 Het correctievoorschrift bestaat uit: 1 Regels voor de beoordeling 2 Algemene regels 3 Vakspecifieke regels

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 monopolie 2 maximumscore 3 bij

Nadere informatie

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 Inhoud 1 Inleiding 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 modellen 12 2 Markt of overheid 1 de vraag 14 Prijzen en gevraagde hoeveelheid 14 D De vraagfunctie 14 D Verschuiving

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie