Hoofdstuk 1 Steeds meer mobiliteit 1.1 a. manier van vervoeren fiets

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Hoofdstuk 1 Steeds meer mobiliteit 1.1 a. manier van vervoeren fiets"

Transcriptie

1 Hoofdstuk 1 Steeds meer mobiliteit 1.1 a. manier van vervoeren fiets trein voordeel flexibel, goedkoop, gezond, niet slecht voor het milieu. snel, goedkoop. nadeel langzaam, je wordt nat bij regen, te laat door materiaalpech. niet flexibel (je kunt niet laat naar huis, hij komt niet altijd dicht bij huis). bus goedkoop, relatief snel. niet-flexibel. scooter snel, flexibel. duur, gevaarlijk, lawaai. auto snel, comfortabel. duur, soms slecht voor milieu. vliegtuig zeer snel. duur, slecht voor milieu, lange aanvoerlijnen. te voet goedkoop, gezond, niet slecht voor milieu. langzaam. b. Fiets, bus, trein. c. Op kamers gaan in Goes, auto kopen. d. De Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs zijn bereid voor een lager loon te werken en het is dus aantrekkelijk om die mensen in dient te nemen in plaats van (dure) Nederlandse vrachtwagenchauffeurs. e. 1. Overwegingen voor aanschaf tweede auto: vader en moeder kunnen tegelijk de auto nemen. minder problemen met het vervoeren van kinderen. hoeven geen afspraken te maken over het gebruik van de auto. 2. Overwegingen tegen aanschaf tweede auto: het is erg duur. je hebt meer parkeerruimte nodig. overlast van auto's in de buurt. slecht voor milieu. f. Meer autowegen gaat ten koste van natuur. Luchtvervuiling (fijnstof) en stank. Lawaai. Opraken olievoorraad. 1.2 a. De ouders betalen het rijbewijs. Eigen spaargeld. Loon uit een baantje. Lenen. b. Je kunt het ooit nodig hebben voor je werk. Je wilt later een auto, dus heb je het rijbewijs toch nodig. Je kunt de auto van een ander gebruiken. c. De kosten zijn te hoog vergeleken met hun budget. Ze hebben een auto niet nodig om naar school te gaan.

2 Hoofdstuk 2 Met de taxi of met de fiets 2.1 omzet van een onderneming marktaandeel van de omzet = omzet van de totale markt 100% 2.2 a. Marktaandeel Volkswagen = (60.881/ ) 100% = 26,0%. b. Als de prijs van een Volkswagen hoger is dan de gemiddelde prijs van een auto, dan haalt Volkswagen relatief meer omzetaandeel dan afzetaandeel. 2.3 Totale opbrengst = = Afschrijvingskosten = ( ) / 3 = per jaar. 2.5 a. Constante kosten = / 200 = 30 per dag. b. Totale kosten = totale variabele kosten + totale constante kosten = 100 0, = 80 per dag. c. Totale winst = = TO = P q 2. TVK = GVK q 3. TK = TVK + TCK 4. TW = TO TK 2.7 q = 0 km km km km TO = = = TK , = , = , = TW a/b/c. Zie grafiek op de volgende bladzijde. d a. Het getal voor de q in de TK-functie is 0,75. De variabele kosten per km zijn dus 0,75. b. De constante in de TK-functie is De totale constante kosten zijn dus c. Het getal voor de q in de TO-functie is 2,25. De prijs per km is dus 2,25. d. TO = TK 2,25q = 0,75q ,5q = q = / 1,5 = km. De break-evenafzet is km.

3 e. TO = 2, = TK = 0, = _ TW = = Grafiek bij opdracht a. aantal gereden kilometers per jaar totale constante kosten (TCK) totale variabele kosten (TVK) totale kosten (TK) = = = = =

4 b. Zie grafiek. c. aantal gereden kilometers per jaar gemiddelde constante kosten (GCK) gemiddelde variabele kosten (GVK) gemiddelde totale kosten (GTK) / = 3,60 1, / = 1,80 1,00 2, / = 1,20 1,00 2, / = 0,90 1,00 1, / = 0,72 1,00 1,72 d. Het vaste bedrag van de constante kosten worden verdeeld over een steeds groter aantal kilometers. De constante kosten per kilometer worden dan lager.

5 e. f. Veilig thuis zal het nieuwe model aanschaffen. Kostprijs (GTK) van de nieuwe taxi bij km = 0, / = 0,60 + 1,25 = 1,85. Dit is lager dan de kostprijs van de huidige taxi, 1,90. De kostprijs van het nieuwe model is lager a. Als je niet rijdt, ben je de constante kosten toch al kwijt. Als je een rit maakt, let je daarom alleen op de extra benzinekosten. b. De rijstijl. Hard optrekken en veel remmen leiden tot hoger brandstofgebruik per kilometer. Autorijden in stad of op autoweg. Rijden in de stad kost meer brandstof per kilometer door vaker remmen en optrekken. c. Je moet vaker voor onderhoud naar de garage als je meer rijdt: slijtage van banden en andere onderdelen, meer onderhoudsbeurten a Daar begint de kostenlijn op de verticale as. Het zijn de kosten die je ook hebt als je nul fietsen produceert. b. Bij 800 fietsen is TO = en TK is iets meer dan Dus is de totale winst bij 800 fietsen iets minder dan c. 500 fietsen. Dat is de afzet waarbij TO gelijk is aan TK Een prijs van De verkoopprijs van is lager dan de variabele kosten per fiets van Op de variabele kosten wordt al verlies geleden en van de constante kosten wordt niets terugverdiend.

6 2.14 a. TO = 2.750q. b. TK = 1.850q c. TO = TK 2.750q = 1.850q q = q = / 900 = 555,5 fietsen, afgerond 556 fietsen. d. Sjoerd zal de designfiets niet op de markt brengen tegen een prijs van Hij maakt pas winst vanaf 556 fietsen want bij een prijs van kan hij maar 400 fietsen verkopen (zie tabel 2.5). Dus Sjoerd komt bij deze prijs niet uit de kosten a. TO = 2.250q. b.

7 c. TO = TK 2.250q = 1.850q q = q = / 400 = fietsen. d. Zie tekening. e. Bij een prijs van is de afzet fietsen. TO = = TK = = _ TW = De variabele kosten per designfiets worden hoger als de productie toeneemt a. Extra winst per fiets = = 350. b. Ja. Elke fiets levert nog = 300 extra winst op. c. Ja. De extra winst per fiets wordt wel kleiner, namelijk ( ) = 50 maar als hij naar maximale totale winst streeft, zal hij fietsen produceren en verkopen omdat de totale winst nog steeds toeneemt bij uitbreiding van de productie. d. Nee. Als Sjoerd zijn productie uitbreidt van tot fietsen dan zou zijn totale winst gaan afnemen omdat hij op de laatste 500 fietsen verlies maakt. Elk extra fiets die geproduceerd wordt boven stuks kost = 150 meer dan dat hij oplevert a Per extra verkochte fiets krijgt Sjoerd steeds Dus is de marginale opbrengst per fiets is dus b c d a. totale opbrengst (TO) = = totale kosten (TK) = = _ totale winst (TW) = b. Extra opbrengst = = Extra kosten = = _ Extra winst = c. Extra opbrengt = = Extra kosten = = _ Extra winst De winst neemt met af. d. TW bij fietsen = = e. Bij fietsen is de totale winst maximaal. Als Sjoerd meer verkoopt dan fietsen neemt de totale winst af omdat MO ( 2.250) kleiner is dan MK ( 2.400).

8 2.20 Keuzes: Toenemen, afnemen, gelijk blijven. Invullen: Maximaal; Of: het hoogst a b. 26 stuks. De ondernemer streeft naar maximale totale winst. De producten 21 t/m 26 dragen allemaal bij tot een vergroting van de totale winst omdat voor al deze producten geldt MO > MK. Op de producten 27 t/m 30 maak je verlies waardoor de totale winst lager wordt. c. De opbrengst per stuk is 475. Dus zal de totale opbrengst met = toenemen. d. De toename van de opbrengst = De toename van de kosten = = _ De toename van de totale winst = 464 e. Nee. Je weet niet hoeveel winst is gemaakt over de eerste 20 producten. f g. TO = = TK = = _ TW = per week. h. Van het 27 e product is MO = 475 en MK = 496. De totale winst daalt met = 21. i. TO = = TK = = _ TW = is 21 lager dan de maximale totale winst van Totale opbrengsten = totale kosten (aantal wedstrijden) = aantal wedstrijden aantal wedstrijden = aantal wedstrijden aantal wedstrijden = Aantal wedstrijden / = a. Gemiddelde variabele loonkosten = / = 0,50. b. 1) GVK = 2,50 + 0,50 = 3. 2) TCK = / = c. TO = TK P = P = P = / = 4,67.

9 d. TO TK = TW 5q 3q = q = q = q = De machine produceert maximaal gipsplaten per jaar. Dus de uitbreiding gaat niet door. Of: TW = TO TK = 5 x = Uitbreiding gaat niet door.

10 Hoofdstuk 3 Verzekeren tegen risico 3.1 a. Als er bijvoorbeeld lichamelijk letsel optreedt bij een ongeval, is die schade meestal zo hoog dat de verantwoordelijke automobilist dat vaak niet zelf kan betalen. De getroffene lijdt dan grote schade zonder een vergoeding te krijgen. b. verzekerden zullen voorzichtiger rijden om schade te voorkomen. verzekerden zullen kleine schades niet melden en dat scheelt aan uitvoeringskosten. 3.2 a. Aantal verzekerde fietsen = 0, = Aantal verwachte gestolen fietsen = 0, = Totale schadebedrag = = Premie per verzekerde = / = 30 per jaar. Of: 0,1 300 = 30. b. TO TK = TW premie 0, = premie = premie = premie = Premie = / = 35. c. Bij de scholieren die zich verzekeren is de kans dat een fiets gestolen wordt groter dan gemiddeld, omdat vooral scholieren met de grootste kans op diefstal van de fiets zich verzekeren. Scholieren die hun fiets verzekerd hebben tegen diefstal zullen slordiger met hun fiets omgaan (minder en goedkopere sloten), omdat ze toch de schade vergoed krijgen. 3.3 a. Groep 1: gemiddelde schade ,01 = 200 per verzekerde. Groep 2: gemiddelde schade ,02 = 400 per verzekerde. Groep 3: gemiddelde schade ,03 = 600 per verzekerde. Groep 1 betaalt per jaar meer premie ( 200) dan de gemiddelde schade van 400 en in deze groep zullen relatief veel mensen een goedkopere verzekering zoeken of zich niet meer verzekeren. b. De gemiddelde premie zal stijgen omdat de lagere risico's deels verdwijnen. Als alle automobilisten uit groep 1 zich niet meer verzekeren bij deze verzekeraar dan zal de premie ( ) / 2 = 500 worden. 3.4 a. Als je een oude auto hebt. De dagwaarde van die auto's die uitgekeerd wordt bij een eventuele schade is te laag vergeleken met de verzekeringspremie. b. Iedereen. De last wordt gelijkelijk over alle verzekerden verdeeld. Hoe meer schade des te hoger de premie voor iedereen. c. Jongeren veroorzaken relatief meer schade en zijn dus duurder voor de verzekeraar. Bovendien hebben ze nog geen bonus kunnen opbouwen.

11 3.5 a. Er zijn ,50 = voorzichtige scholieren. Er worden ,02 = fietsen gestolen. De schade bedraagt = De premie wordt / = 6. Of: 2% van 300 = 6. b. Er zijn ,50 = onvoorzichtige scholieren. Er worden ,18 = fietsen gestolen. De schade bedraagt = De premie wordt / = 54. Of: 0, = De schade bedraagt 0, = De premieopbrengst bedraagt = _ Het verlies = a. De werkgever weet niet of de sollicitant vaak ernstige sportblessures heeft. De werkgever weet niet of de sollicitant bijvoorbeeld drugs gebruikt. De werkgever weet niet of de sollicitant vaak ziek is. De sollicitant weet niet dat de werkgever zijn beloftes niet nakomt. De sollicitant weet niet dat de werkgever moeilijk doet over zijn loon. b. De werkgever: hij is minder goed geïnformeerd over de mogelijkheden van de sollicitant. De werknemer: hij is onvoldoende op de hoogte van het bedrijf. c. Transactiekosten. d. Meerdere sollicitatiegesprekken houden, referenties opvragen, een test afnemen, proeftijd, enzovoort. 3.8 a. Averechtse selectie wordt bestreden doordat iedere inwoner verplicht is zich te verzekeren. b. Vooral mensen die veel tandartskosten hebben, zullen zich aanvullend verzekeren, mensen met weinig kosten niet. c. Door invoering van een eigen risico verwacht men dat er minder onterecht gebruik van de zorgverzekering wordt gemaakt. d. De overheid streeft naar solidariteit tussen gezonden en zieken. 3.9 a. De spaarrekening SpaarVast. Een persoon die risicoavers is, zal voor het beleggingsproduct met het kleinste risico op vermogensverlies kiezen. De spaarrekening is van deze drie producten de enige keuze met een vast rendement waarbij de inleg in elk geval terugverdiend zal worden. b. Spelen. Spelen biedt 25% kans op het winnen van : dat is , terwijl stoppen maar oplevert. c. Verwachte schadelast = 0, = 600. De premie moet dan zijn 600/30 = 20.

12 d. Fatima: averechtse selectie. Kader: moreel wangedrag. Julia: premiedifferentiatie. e. Met premiedifferentiatie betalen goede risico s minder dan slechte risico s (voor eenzelfde dekking), waardoor voorkomen kan worden dat goede risico s er voor kiezen om zich niet te verzekeren en de verzekeraar alleen de slechte risico s overhoudt als klant.

13 Hoofdstuk 4 De lucht in 4.1 a. Bederfelijke goederen, zoals bloemen en groenten, moeten snel vervoerd worden. Spoedbestellingen, zoals medicijnen en belangrijke onderdelen van machines, moeten snel geleverd worden. Postverkeer moet snel afgeleverd kunnen worden. b. Charters worden meestal lang van tevoren volgeboekt, dus zijn de constante kosten per reiziger laag. Lijnvluchten zitten lang niet altijd vol en omdat er toch op geregelde tijden wordt gevlogen, zijn de hogere constante kosten per reiziger hoger. c. Voorbeelden van antwoorden staan in de tabel; ze kunnen per persoon nogal verschillen. vervoerswijze voordeel nadeel bus Goedkoop. Lange, vermoeiende reis. (georganiseerde reis) Je hoeft zelf niets te regelen. Je zit vast aan het reisschema van de bus. vliegtuig trein auto Je hoeft niet zelf te rijden. Snel. Soms goedkoop (bij prijsvechters). Veilig en comfortabel. Milieuvriendelijk. Soms snel (HSL). Flexibel: je bent vrij om tijdstip en tempo te bepalen. Kans op files. Soms duur. Veel reis- en wachttijd van, naar en op het vliegveld. Vervuilend. Minder flexibel. Reistijd van en naar station en overstappen. Vermoeiend. Minder veilig. Kans op files. 4.2 gebeurtenis vraag naar vliegreizen: prijs van een vliegticket: 1. de economische krimpt wereldwijd Daalt. Door minder zakenreizen en lagere inkomens. Lagere vraag dus de prijs daalt. 2. de terrorismedreiging neemt toe Daalt. Mensen die bang zijn voor een aanslag vliegen niet meer. Daalt. Doordat de vraag daalt, daalt de prijs. 3. mensen krijgen meer vrije tijd Stijgt. Meer vrije tijd betekent meer vakantiereizen ook per vliegtuig. Vraag stijgt dus de prijs stijgt. 4. de pensioenleeftijd wordt verhoogd 5. de prijs van treinkaartjes op de hogesnelheidslijnen wordt fors verlaagd Daalt. Minder reizen door gepensioneerden. Stijgt. Ouderen hebben hoger inkomen als ze blijven werken: meer geld voor vliegreizen. Daalt. Mensen reizen met HSL in plaats van per vliegtuig. Als vraag daalt, daalt de prijs. Als vraag stijgt, stijgt de prijs. Vraag daalt, dus de prijs daalt.

14 4.3 Carlijn: = 10. Daan: = 110. Ayoub: = a. Zie de horizontale bij een prijs van 40. b. Zie het gearceerde gebied. 4.5 a. P Qv -0, = 80-0, = 40-0, = 0

15 b. c. Aflezen: vliegreizen. d. Alle vragers die bereid zijn meer te betalen dan 60. Zij hebben welvaartswinst omdat ze minder hoeven te betalen dan ze bereid zijn te betalen. e. Iedereen die alleen bij een prijs beneden 60 een ticket wil kopen. Ze vinden 60 te veel. f. 4.6 a. P Qv -0, = 450-0, = 90

16 b/c/d. c. Je kunt aflezen dat er bij een prijs van 100 per dag 360 tickets worden gevraagd. e. Qv = = 378 passagiers per dag. Qv = -0,9P = -0,9P ,9P = = 72 P = 72 / 0,9 = 80. De maatschappij zal een prijs van 80 vaststellen om met twee volle vliegtuigen naar Antalya te vliegen. f. Bij P = 80 is Q = 378. Het consumentensurplus is dan 0,5 378 (500 80) = Bij P = 100 is Q = 360. Het consumentensurplus is dan 0,5 360 ( ) = De toename van het consumentensurplus is = g. Bij P = 100 geldt Q = 360 TO = = Bij P = 80 geldt Q = 378 TO = = Door de prijsverlaging daalt de totale opbrengst.

17 4.7 gebeurtenis die invloed heeft op de vraag naar Russische auto's gevraagde hoeveelheid Russische auto's verschuiving van de vraaglijn bij verchuiving: 1. de bevolking van Rusland neemt af daalt ja links 2. de autoprijs in Rusland is verdubbeld door het ontbreken van vitale onderdelen daalt nee nvt* 3. door een overvloedig aanbod van Russische auto's is de prijs sterk gedaald stijgt nee nvt 4. het inkomen van de Russen is met 20% gestegen stijgt ja rechts 5. de Russen kopen liever chique Mercedessen in Duitsland daalt ja links * nvt = niet van toepassing 4.8 a. Het aantal consumenten is gedaald, prijzen van concurrerende goederen zijn gedaald, het inkomen van de consument is gedaald, de behoefte aan het product neemt af. b. Bij dezelfde prijs is er minder vraag naar dit product. 4.9 a. Rian = 35, Simpelyet = 30, Kwantas = 25, Dutch Airlines = 15 en English Airlines = 10. b.

18 4.10 a. Zie figuur. b. Beneden die prijs kunnen de kosten niet worden terugverdiend en zullen ondernemers niet aanbieden. c. Zie de horizontale lijn in de grafiek bij P = 360. d. Zie de gearceerde driehoek in de grafiek. e. 0,5 200 ( ) = a. De aanbodlijn zal naar rechts verschuiven. Door de kostendaling wordt vliegen goedkoper en dus winstgevender. Bij dezelfde prijs zal er dus meer worden aangeboden. b. De aanbodlijn verschuift naar rechts. Bij dezelfde prijs worden er meer tickets aangeboden a. De vraaglijn (V) heeft een dalend verloop, de aanbodlijn (A) heeft een stijgend verloop. Bij D loopt de aanbodlijn verticaal.

19 b. Grafiek A: Aanbodlijn verschuift naar rechts door toename van het aantal aanbieders. Aanbodlijn verschuift naar rechts door afname van kosten. Grafiek B: Aanbodlijn verschuift naar links doordat er minder aanbieders zijn. Aanbodlijn verschuift naar links door toename van de kosten. Aanbodlijn verschuift naar links door een belastingheffing. Grafiek C: Vraaglijn verschuift naar rechts door toename van het aantal vragers Vraaglijn verschuift naar rechts door stijging van de behoefte. Vraaglijn verschuift naar rechts door stijging van de inkomens. Vraaglijn verschuift naar rechts omdat complementaire goederen goedkoper worden. Vraaglijn verschuift naar rechts omdat substitutiegoederen duurder worden. Grafiek D: Vraaglijn verschuift naar links door afname van het aantal vragers. Vraaglijn verschuift naar links door afname van de behoefte. Vraaglijn verschuift naar links door daling van de inkomens. Vraaglijn verschuift naar links omdat complementaire goederen duurder worden. Vraaglijn verschuift naar links omdat substitutiegoederen goedkoper worden.

20 4.13 a. Zie figuur. b. Consumentensurplus is bovenste driehoek (///); producentensurplus is onderste driehoek (\\\) Qa = Qv 4P 100 = -6P P = P = / 10 = 100. Qa = = 300. De evenwichtshoeveelheid is = vliegtickets.

21 4.15 a. b. Qa = Qv P 40 = -0,5P ,5P = 120 P = 120 / 1,5 = 80. c. 1) Bij P = 80 geldt Q = = 40 dus tickets is de afzet. 2) De marktomzet is dan = d. De driehoek boven de aanbodlijn en onder P = 80 (zie grafiek). e. De driehoek boven P = 80 en onder de vraaglijn (zie grafiek). f. De aanbodlijn verschuift naar links. Bij dezelfde prijs wordt minder aangeboden. Of: Door de hogere kosten wordt hetzelfde aanbod tegen een hogere prijs aangeboden. g. Qa = Qv P 46 = -0,5P ,5P = 126 P = 126 / 1,5 = 84. h. Dan is Qv = -0,5P + 80 = = 38 en Qa = = 38;. Er worden dus tickets gevraagd en aangeboden.

22 i. Het totale surplus wordt kleiner. Als de aanbodlijn naar links/boven verschuift, wordt zowel de driehoek van het consumentensurplus als de driehoek van het producentensurplus kleiner a. Ja, want er zijn ook consumenten die bereid zijn om een hogere hypotheekrente dan 6% te betalen. b. 'Consumenten verliezen het vertrouwen in de economie en zijn bang voor inkomensverlies als gevolg van de toenemende werkloosheid.' Daardoor daalt de vraag naar hypothecaire leningen en verschuift de vraaglijn naar links. c. De rente daalt van 6% naar 3%. d. De aanbodlijn verschuift naar links en snijdt de nieuwe vraaglijn bij 6% rente. e. Banken zijn voorzichtiger geworden en bieden bij hetzelfde rentepercentage minder hypothecaire leningen aan. De aanbodlijn verschuift naar links tot er een nieuw evenwicht bij 6% tot stand komt a. Bij (1) substitueerbaar voor Bij (2) stijging Bij (3) de gemiddelde prijs van het album daalt

23 b. Mogelijke antwoorden: Downloads leiden tot meer naamsbekendheid van beginnende popgroepen en dat kan leiden tot hogere bezoekersaantallen bij concerten / hogere opbrengsten uit merchandising. Downloads leiden tot meer naamsbekendheid, hetgeen de onderhandelingspositie met muziekmaatschappijen bij volgende albums kan versterken. Downloads leiden tot meer bekendheid van het album en dat kan er toe leiden dat de cd vaker op de radio gedraaid wordt. Radiozenders betalen hiervoor auteursrechten en dat geld gaat naar de Duploaders. c/d a. (1) werknemers (2) werkgevers (3) werkgeverssurplus (4) werknemerssurplus

24 b. 0,5 (30 15) 1,5 1 miljoen = 11,25 miljoen. c. 1,5 1 = 0, arbeidskrachten. d. Toename van het werknemerssurplus = BSTC = 5. Afname van het werknemerssurplus = CDE = 0,83. Het werknemerssurplus neemt met 5 0,83 = 4, miljoen = toe.

25 Hoofdstuk 5 Het beroepsgoederenvervoer over de weg 5.1 a. Voordeel: snel en flexibel. Met een vrachtauto kun je goederen van deur tot deur vervoeren. Nadeel: alleen geschikt voor relatief kleine volumes en beperkte afstanden. In Nederland is een maximaal gewicht van 60 ton toegestaan. b. Voordeel: treinvervoer is per ton/km goedkoper en het meest geschikt voor zware en gevaarlijke stoffen en massagoederen zoals erts, kalk, zout. Nadeel: veel bedrijven hebben geen spoorwegaansluiting in de buurt, zodat de lading eerst per vrachtwagen van en naar de trein moet worden gebracht. Dit betekent tijdverlies en hoge kosten, waardoor treinvervoer pas bij grote afstanden rendabel is. c. Voordeel: lage transportkosten, duurzaam en makkelijk om grote afstanden te overbruggen. Containers kunnen snel overgeladen worden op vrachtwagens, treinen en schepen zonder steeds de goederen in en uit te laden. Nadeel: niet snel en niet alle bestemmingen zijn bereikbaar. d. Voordeel: luchtvervoer is snel en kan grote afstanden overbruggen. Vooral van belang bij bederfelijke en seizoensgebonden producten. Nadeel: geschikt voor een beperkt volume en relatief duur. Is ook altijd in combinatie met wegvervoer. 5.2 a. In situatie B en D. b. In situatie E en F. 5.3 a = personen. b = personen. c = personen. 5.4 a. Aanbod van arbeid: werklozen + werknemers + zelfstandigen. Vraag naar arbeid: werknemers + zelfstandigen + vacatures. b. Werkgelegenheid: werknemers + zelfstandigen. 5.5 a. Sinds enkele jaren zien we steeds meer LZV s op de weg. Dit zijn langere (25,25m) en zwaardere vrachtwagens (60 ton). De voortschrijdende techniek heeft dit mogelijk gemaakt. Grotere vrachtauto s maken het mogelijk minder chauffeurs in te huren. Over enkele jaren verwacht men al de eerste zelfsturende vrachtwagens op de weg. Bij de containeroverslag in de haven van Rotterdam rijden ze al. Ook hierdoor daalt de vraag naar chauffeurs. b. Als gevolg van de globalisering verplaatsen ondernemingen hun productieafdelingen naar lagelonenlanden. De productie zal van daaruit vervoerd moeten worden over de gehele wereld. Hierdoor neemt de vervoersbehoefte en de vraag naar vrachtwagenchauffeurs toe.

26 Door globalisering komen consumenten in contact met producten uit andere landen en willen zij die producten ook hier kunnen kopen. Ook hierdoor ontstaat meer vervoer en meer vraag naar vrachtwagenchauffeurs. 5.6 Door het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd zal het aanbod van arbeid toenemen, omdat de mensen twee jaar langer moeten doorwerken. De vraag naar arbeid zal hierdoor niet veranderen. 5.7 a. Arbeidsaanbod neemt hierdoor toe omdat steeds meer vrouwen een betaalde baan zoeken. b. Het arbeidsaanbod neemt hierdoor af omdat veelal vrouwen hun eigen kinderen opvangen en verzorgen. Zij zijn dan niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt. c. Het arbeidsaanbod neemt daardoor af. Jongeren vanaf 16 jaar zijn dan niet meer beschikbaar voor de arbeidsmarkt. d. Het arbeidsaanbod verandert niet. Werknemers in de bouw verliezen hun baan maar blijven aanbieders op de arbeidsmarkt. 5.8 a. Twee chauffeurs. b. Zes chauffeurs.

27 Qv = L + 16 Qv = = 1 chauffeur gevraagd. Qa = L 8 Qa = 15 8 = 7 chauffeurs die zich aanbieden a. Zie de Qa-lijn in de grafiek. b. Er zullen zich meer truckers aanbieden op de arbeidsmarkt. De opofferingskosten of alternatieve kosten van vrije tijd nemen toe. c. Het gaat dan om de keuze tussen arbeid en vrije tijd. Als het loon stijgt, kun je hetzelfde verdienen met minder werken en meer vrije tijd hebben. d. Beneden Bij een bruto jaarloon van is het aanbod nul. Het loon moet meer dan zijn, willen truckers zich aanbieden op de arbeidsmarkt. e. Zie de Qv-lijn in de grafiek. f. Als het loon stijgt, daalt de vraag naar arbeid. g. Het aanbod is en de vraag is h. Qa = = Qv = =

28 i. Qa = Qv 2L = -L L + L = L = L = /3 = j. Zie grafiek. k. Qe = Zie ook grafiek a. Zie de stippellijn Qv1 in de grafiek van opdracht 5.11e. b. Bij elk loon worden nu = truckers meer gevraagd dan in de uitgangssituatie.

29 c. Qa = Qv 2L = -L L + L = L = L = /3 = L invullen in Qa of Qv = truckers. d. Bij dit loon bieden zich alle truckers aan die gevraagd worden, dus is er geen werkloosheid Zie stippellijn Qv2 in de grafiek van Het evenwichtsloon zal toenemen. Het snijpunt van de nieuwe aanbodlijn en de oorspronkelijke vraaglijn komt hoger te liggen a. Afschrijvingskosten per vrachtauto per jaar: ( )/8 = Afschrijvingskosten per kilometer: / = 0,125. Brandstofkosten per kilometer: (35 1,60)/100 = 0,56. Onderhoudskosten per kilometer: 20% 0,56 = 0,112. Overheadkosten per kilometer: /( ) = 0,075. Loonkosten per kilometer: / = 0,35. Totale kosten per kilometer: 0, ,56 + 0, , ,35 = 1,222. b. Jaarlijkse winst: 0, = c. Tarief of prijs per kilometer: 1, , 128 = 1,35 per kilometer. d. Totale constante kosten: = e. Variabele kosten per kilometer: 0,56 + 0,112 = 0,672. f. Break-evenpunt: /(1,35 0,672) = ,66 afgerond km a. Qa = Qv 0,1L 1 = -0,3L + 9 0,4L = 10 L = 10/0,4 = 25 dus per arbeidsjaar. b. Zie de Qa-lijn en de Qv-lijn in de figuur. c. Zie het gearceerde driehoekje in de figuur. d = 5 dus is het maximale werkgeverssurplus e. Op het gedeelte van de aanbodlijn voorbij het evenwichtsloon. Deze aanbieders zijn pas bereid arbeid te leveren als het loon hoger wordt dan per jaar.

30 5.17 a. veel vragers en aanbieders homogeen product vrije toetreding en uittreding transparante markt b. De arbeidsmarkt van notarissen bestaat niet uit veel vragers en aanbieders. Daarbij kun je op deze markt niet vrij toetreden. Een notaris wordt benoemd door de koning! 5.18 a. Qa = Qv 0,25P + 76 = -0,45P ,7P = 14 P = 20 ( 1.000) = b. Qv = -0,45P , Qv = 78,75 ( ) = personen. c. Qa = 0,25P , Qa = 82,25 ( ) = personen. d. Qa Qv = personen a. De woningbouwvereniging kan op korte termijn geen woningen bijbouwen, dus kan het aanbod niet veranderen ongeacht de huur die ze zouden vragen. b. Bij een huurprijs van 500 willen huurders een woning hebben. Het aanbod is woningen. Dus zullen er 750 mensen op een de wachtlijst staan. c. Zie grafiek. C = consumentensurplus. P = producentensurplus. d. Het totale surplus blijft gelijk. Het vierkant ABDE wordt van producentensurplus consumentensurplus.

31 e. Een meer marktconform huurbeleid betekent dat de prijs (de hoogte van de huur) sterker door vraag en aanbod worden bepaald zodat de huurprijs dichter bij de evenwichtsprijs komt te liggen. f. Nee. Bij een huurprijs van 600 zullen nog huurders een woning willen. Het aanbod blijft 1.500, dus zullen nog 500 mensen op de wachtlijst staan. g. Zie grafiek. h. Nee. Bij de vastgestelde prijs van 500 is de vraag woningen en het aanbod De wachtlijst bevat nog 250 huurders. i. Bij een huurprijs van 600. Bij die prijs zijn vraag en aanbod even groot. j. De vraaglijn. Een aantal huurders zal dan niet meer in de binnenstad willen wonen en een woning aan de rand van de stad huren. De vraaglijn naar huurwoningen in de binnenstad verschuift naar links.

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

Economie. Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 & 5 h5 samengevat 6 wat moet weten 7 & 8 Begrippen 8,

Nadere informatie

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) vwo 4 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte en een concrete markt? 4. Over

Nadere informatie

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit Uitwerking vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Domein D markt monopolie enzo Zie steeds de eenvoud!! UITWERKINGEN vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Bij welke afzet geldt dat de MO-lijn de MK-lijn snijdt? q= 6 2. Teken een stippellijn naar de prijslijn

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5 Aanvullingen op de havo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden 3.1 De reis van een spijkerbroek 1 3.1 De reis van een spijkerbroek Bedrijfskolom = De weg die een product aflegt van grondstof tot eindproduct. Tussen elke schakel van de bedrijfskolom bevindt zich een

Nadere informatie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 7 Antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010, Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Verkenning 1 a De kosten van het onderzoek en het risico dat het mislukt moet worden afgewogen tegen de mogelijke winst als het onderzoek wel lukt en het

Nadere informatie

Kaarten module 4 derde klas

Kaarten module 4 derde klas 1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt Ondernemingsvormen Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt De eenmanszaak = een onderneming met één eigenaar. De vennootschap onder firma (VOF) = een onderneming waarbij enkele mensen

Nadere informatie

2 Katern Consumenten en producenten

2 Katern Consumenten en producenten Vwo-katern 2 Consumenten en producenten hoofdstuk 1 Consumenten en producenten 2 Katern Consumenten en producenten hoofdstuk 1 Het gedrag van de consument Opdracht 1 a Bijvoorbeeld via reclame of via prijsacties.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Economie Module 3 H1 & H2

Economie Module 3 H1 & H2 Module 3 H1 & H2 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten:

Nadere informatie

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p).

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). 1. Prijselasticiteit van de vraag De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). %-verandering gevraagde hoeveelheid (gevolg)

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Economie Module 2 & Module 3 H1

Economie Module 2 & Module 3 H1 Economie Module 2 & Module 3 H1 Module 2 1.1 De individuele vraag Individuele vraaglijn kent een dalend verloop: als de prijs daalt, stijgt als gevolg daarvan de gevraagde hoeveelheid. Men wil voor 1 appel

Nadere informatie

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II BEOORDELINGSMODEL Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. HET GROTE ONDERNEMERSSPEL 1 B 2 A 3 maximumscore 2 Voorbeeld van een juiste berekening: Loonkosten in twee jaar:

Nadere informatie

Markt. Kenmerken van marktvormen:

Markt. Kenmerken van marktvormen: 1 1 1 Markt 1 3 5 7 9 1 1 1 1 1 hoeveelheid 1 3 5 7 9 Qv Qa nieuw Qa Qv nieuw p Kenmerken van marktvormen: Volkomen concurrentie: Veel aanbieders Homogeen product(mais) Vrije toetreding Alle kennis van

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Evenwichtspri js MO WINST

Evenwichtspri js MO WINST Volkomen concurrentie Volledige mededinging Hoeveeldheidsaanpassing: prijs komt door Qa en Qv tot stand, individu heeft alleen invloed op de hoeveelheid die hij gaat produceren Veel vragers en veel aanbieders

Nadere informatie

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST OVER OMZET, KOSTEN EN WINST De Totale Winst (TW) van bedrijven vindt men door van de Totale Opbrengsten (TO), de Totale Kosten (TK) af te halen. Daarvoor moeten we eerst naar de opbrengstenkant van het

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie pilot 2013-I

Eindexamen vwo economie pilot 2013-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 maximale winst als MO

Nadere informatie

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Werken of vrije tijd? 1.1 Geld verdienen om leuke spullen te kunnen kopen of voetballen.

Hoofdstuk 1 Werken of vrije tijd? 1.1 Geld verdienen om leuke spullen te kunnen kopen of voetballen. Hoofdstuk 1 Werken of vrije tijd? 1.1 Geld verdienen om leuke spullen te kunnen kopen of voetballen. 1.2 a. (1336 1798)/1798 100% = -25,7% dus 25,7% minder per jaar. b. 2.288/48 = 47,7 uur per week. c.

Nadere informatie

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Opgave 1 Vraag- en aanbodcurve met consumenten- en producentensurplus. Qv = -0,5p + 10 Qa = 0,5p 2 Qa = Qv Prijs in euro, q in stuks. 1. Teken de

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja Een voorbeeld van een juiste

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2011 - II

Eindexamen economie pilot havo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2. Werkboek Werk Ver 2 Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12 Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.9 7 2.10 t/m 2.14 Afmaken beleggen Inleveren handelingsdeel bij docent

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - II

Eindexamen havo economie 2012 - II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten (bepaalde) aankopen naar voren halen, wanneer ze een hoge / hogere inflatie in de komende periode verwachten. 2 maximumscore 2 Een

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst havo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

Grafieken Economie Hoofdstuk 7

Grafieken Economie Hoofdstuk 7 Economie: Grafieken Hoofdstuk 7 1 Inhoud Grafieken Economie Hoofdstuk 7 door ieter Nobels ONDERNEMERSGEDRG BIJ OLKOMEN CONCURRENTIE... 3 GLOBL MRKTEENWICHT... 3 ERSCHUIINGEN N RG- EN NBODCURE (GLOBLE MRKT)...

Nadere informatie

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2 Aanvullingen op de vwo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 monopolie 2 maximumscore 3 bij

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: VWO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - I

Eindexamen havo economie 2012 - I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 3 bij (1) substitueerbaar voor bij (2) stijging

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Op de gegevens voor de top 10% van 1999

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2013-I

Eindexamen havo economie 2013-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) monopolie bij (2) toe

Nadere informatie

Toegepast Rekenen Opdrachten:

Toegepast Rekenen Opdrachten: Toegepast Rekenen Opdrachten: Hfst 1: Rekenen Opdr. 1: a. 66 : 3 = c. -66 : (-3) = e. 12 - (+5) = b. 66 : (-3) = d. -12 + 5 = f. -12 (-5) = De omzet van een laptopwinkel is 15.000,-. De verkoopprijs per

Nadere informatie

Memokaart A01 Rekenen met procenten

Memokaart A01 Rekenen met procenten Memokaart A01 Rekenen met procenten Procent betekent 1% = 1/100 = 0,01 = één honderdste deel 10% = 10/100 = 0,1 = tien honderdste deel Uitdrukken in procenten Jan had tien knikkers en hij heeft er nu elf.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja De prijselasticiteit

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse

Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse Sytze Rienstra en Jan van Donkelaar, 15 januari 2010 Er is de laatste tijd bij de beoordeling van projecten voor de binnenvaart veel discussie over

Nadere informatie

2 Constante en variabele kosten

2 Constante en variabele kosten 2 Constante en variabele kosten 2.1 Inleiding Bij het starten van een nieuw bedrijf zal de ondernemer zich onder andere de vraag stellen welke capaciteit zijn bedrijf moet hebben. Zal hij een productie/omzet

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie pilot 2012 - II

Eindexamen vwo economie pilot 2012 - II Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 290 100% = 117,9% 306 160 + 100 Een andere juiste

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend.

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Patat: niet alleen de smaak verschilt 1 maximumscore 2 bij t Hoekje 1 uit de berekening moet blijken dat deze snackbar

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2000-II Deze uitwerking wordt ook opgenomen in de Examenbundel Onderwijspers 2001-2002 die in de zomer van 2001 bij

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 EXAMEN: 2002-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 EXAMEN: 2002-I TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: HAVO EXAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

verkeer veilige veiligheid verbindingen BIJLAGE 6: TAG CLOUDS MOBILITEIT staat stad stiptheid stress tijd tram trein treinen uur veilig

verkeer veilige veiligheid verbindingen BIJLAGE 6: TAG CLOUDS MOBILITEIT staat stad stiptheid stress tijd tram trein treinen uur veilig flexibiliteit genoeg geraken gezondheid goed goede goedkoop grote BIJLAGE 6: TAG CLOUDS MOBILITEIT Grafische voorstelling open antwoorden andere belangrijke zaken bij verplaatsingen aankomen aansluiting

Nadere informatie

Extra opgaven module 2 vwo 5

Extra opgaven module 2 vwo 5 Opgave 1 vwo ec1 2002-1 Huizenprijs in Nederland torenhoog Tussen 1997 en 2000 zijn de prijzen van koopwoningen en de inflatie gestegen (figuur 1). Twee belangrijke oorzaken van de gestegen huizenprijzen

Nadere informatie

Samenvatting ... Het gebruik van de trein nam sinds 1985 eveneens fors toe met meer dan een verdubbeling van het aantal treinkilometers.

Samenvatting ... Het gebruik van de trein nam sinds 1985 eveneens fors toe met meer dan een verdubbeling van het aantal treinkilometers. Samenvatting... De mobiliteit van Nederlanders groeit nog steeds, maar niet meer zo sterk als in de jaren tachtig en negentig. Tussen 2000 en 2008 steeg het aantal reizigerskilometers over de weg met vijf

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: HAVO EAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

5.1 Het speelkwartier

5.1 Het speelkwartier 5.1 Het speelkwartier Economie gaat over het maken van keuzes. Iedereen maakt in het leven constant keuzes. Deze keuzes hebben economische gevolgen: Welke studie ga je volgen? Wanneer ga je op jezelf wonen?

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

1 Markt en marktvormen

1 Markt en marktvormen 1 Markt en marktvormen Wat is het verschil tussen een markt en een marktvorm? Markt= Concrete markt, plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en transacties afsluiten Marktvorm

Nadere informatie

Remediëringstaak: Vraag en aanbod

Remediëringstaak: Vraag en aanbod Remediëringstaak: Vraag en aanbod 1. Studeer opnieuw de leerstof van vraag en aanbod in. Tracht steeds zeer inzichtelijk te studeren: ga na dat je alle redeneringen die we in de klas / cursus maakten snapt.

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 De kledingmarkt 1.1 ergens een mouw aan passen. iemand de mantel uitvegen. een wolf in schaapskleren.

Hoofdstuk 1 De kledingmarkt 1.1 ergens een mouw aan passen. iemand de mantel uitvegen. een wolf in schaapskleren. Hoofdstuk 1 De kledingmarkt 1.1 ergens een mouw aan passen. iemand de mantel uitvegen. een wolf in schaapskleren. 1.2 a. b. Verschil in behoeften? Verschil in besteedbaar inkomen? 1.3 Verschil in behoeften.

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend.

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. De heilige koe 1 maximumscore 1 per jaar: 4 x 80 = 320 2 maximumscore 1 1,167 0,321 x 100% = 72,5% 1,167 Als niet

Nadere informatie

Altijd prijs bij Achmed. Consumentengedrag. Uitwerkingen. HAVO Economie 2010 / 2011 VERS

Altijd prijs bij Achmed. Consumentengedrag. Uitwerkingen. HAVO Economie 2010 / 2011 VERS Altijd prijs bij Achmed Consumentengedrag HAVO Economie 2 : altijd prijs bij Achmed Opdracht 1 a. eigen ideeën, controleer of het om concrete markten gaat b. eigen ideeën, controleer of het om abstracte

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) volkomen concurrentie bij (2) niet bij (3)

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2003 - II

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2003 - II BEOORDELINGSMODEL Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 punt toegekend. RECHT PARKETVLOER 1 maximumscore 2 Uit het antwoord moet blijken dat Ralf blijkbaar prioriteit geeft aan woongenot

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 37 vragen.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening is: 1,5

Nadere informatie

geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola)

geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola) Lesbrief Consument en Producent Hoofdstuk 1 De klant Marktaandeel van een merk: geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola) Afzet

Nadere informatie

Hoofdstuk 1. Opgave 1.1 1. 171. 2. 26,176. 3. 13.758,57. Opgave 1.2 1. 16.687. 2. 832. 3. 469,078. Opgave 1.3 1. 250,-. 2. 11,94114769. 3. 124.

Hoofdstuk 1. Opgave 1.1 1. 171. 2. 26,176. 3. 13.758,57. Opgave 1.2 1. 16.687. 2. 832. 3. 469,078. Opgave 1.3 1. 250,-. 2. 11,94114769. 3. 124. Hoofdstuk 1 Opgave 1.1 1. 171. 2. 26,176. 3. 13.758,57. Opgave 1.2 1. 16.687. 2. 832. 3. 469,078. Opgave 1.3 1. 250,-. 2. 11,94114769. 3. 124. Opgave 1.4 1. 25,24. 2. 1.486,35. 3. 28.459.000,-. 4. 4.659,-.

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid.

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid. 1 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wie vragen arbeid? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving van

Nadere informatie

5.5 a. Een bezit: Natascha heeft nog geld van de klant tegoed. b. Er is nog niets verkocht, dus ook niet op rekening.

5.5 a. Een bezit: Natascha heeft nog geld van de klant tegoed. b. Er is nog niets verkocht, dus ook niet op rekening. Hoofdstuk 5 Werken in een eigen bedrijf 5.1 a. De bezittingen zijn altijd door iemand gefinancierd: door de eigenaar (eigen vermogen) en/of door iemand die een lening verschaft (vreemd vermogen). b. Het

Nadere informatie

Economie H5 : Markt & Overheid

Economie H5 : Markt & Overheid 1. De telefoniemarkt Het kan per land verschillen wat de overheid aanbiedt en wat door de bedrijven wordt aangeboden. Dit kan aan de politiek liggen maar ook aan de tijdsperiode. Voorbeelden telefonie,

Nadere informatie