Opslag gevaarlijke stoffen in emballage. CPR 15 richtlijnen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage. CPR 15 richtlijnen"

Transcriptie

1 Opslag gevaarlijke stoffen in emballage CPR 15 richtlijnen (Handreiking voor het toepassen van de CPR 15 richtlijnen binnen het werkgebied van de Regionale milieudienst Noord-West Utrecht en binnen dit gebied aanwezige gemeentelijke brandweerkorpsen) Versie 1.2 d.d. 5 januari 2004

2 Inhoudsopgave 1. Inleiding pagina 3 2. CPR 15-1 pagina 4 Hoofdstuk 3 Werkingssfeer pagina 4 Hoofdstuk 4 Begripsomschrijving pagina 7 Hoofdstuk 5 Algemene opzet van de opslag pagina 8 Hoofdstuk 6 Algemene voorschriften pagina 10 Hoofdstuk 7 Kasten pagina 12 Hoofdstuk 8 Kluizen pagina 13 Hoofdstuk 9 Opslaggebouwen pagina 17 Hoofdstuk 10 Vatenparken pagina 19 Hoofdstuk 11 Technische voorzieningen pagina 20 Hoofdstuk 12 Persoonlijke bescherming en hygiëne pagina 22 Gelijkwaardigheden pagina CPR 15-2 pagina Externe veiligheid pagina Gevolgen Bouwbesluit 2003 voor de CPR 15 richtlijnen pagina Literatuurlijst pagina Bijlagen: Pagina 30 Voorbeeld voorschriften pagina 30 Maximaal toegestane opslag van gevaarlijke stoffen in emballage binnen AmvB-inrichtingen pagina 35 Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 2

3 1. Inleiding Naar aanleiding van de ramp in Enschede heeft in 2001 in de regio Noord-West Utrecht een project plaatsgevonden waarbij een veertigtal bedrijven met opslag van gevaarlijke stoffen in emballage, door medewerkers van de milieudienst Noord-West Utrecht tezamen met de plaatselijke brandpreventiemedewerker, is gecontroleerd op de naleving van de regelgeving betreffende de opslag van deze stoffen, de zogenaamde Post-Sandoz richtlijnen. Het belangrijkste uitgangspunt bij de Post-Sandoz richtlijnen (ook wel CPR-richtlijnen) is dat de gevaarlijke stoffen zodanig zijn opgeslagen dat zij bij een brand in de omgeving niet bij deze brand betrokken kunnen geraken. Een volgend belangrijk aandachtspunt is de risico s voor de omgeving (externe veiligheid) rond een opslag van gevaarlijke stoffen. Zodra van de richtlijnen wordt af geweken of wanneer er gezocht wordt naar gelijkwaardige oplossingen zullen deze uitgangspunten in het oog moeten worden gehouden. Tijdens dit project is geconstateerd dat de CPR-richtlijnen, met name de CPR 15-1 uit 1994, op een aantal onderdelen niet meer geheel voldoen aan de huidige inzichten op het gebied van brandpreventie. Zo zijn bijvoorbeeld de eisen aan brandwerendheid van constructies zoals opgenomen in het bouwbesluit van latere datum dan de eisen welke golden ten tijde van het opstellen van de CPR15-1. Ook de stand der techniek is voortgeschreden waardoor nieuwe brandpreventietechnieken (bijvoorbeeld de toepassing van inerte gasblusinstallaties) zijn ontwikkeld welke nog niet zijn opgenomen in de CPR15-2 richtlijn maar weldegelijk een tenminste gelijkwaardig beschermingsniveau kunnen bieden en om bijvoorbeeld arbotechnische redenen veelal verkiesbaar zijn boven de traditionele systemen. Verder is een groot aantal NEN-normen inmiddels vervangen en zijn nieuwe normen verschenen. Tot slot bieden de CPR15 richtlijnen op onderdelen de ruimte voor verschillende interpretaties en is inmiddels ervaring opgedaan met gelijkwaardige, van de CPR-richtlijnen afwijkende, oplossingen. Teneinde een eenduidige toepassing van de CPR15-richtlijnen binnen de regio N-W Utrecht te waarborgen is in deze notitie op onderdelen van de CPR15 richtlijnen een toelichting gegeven. In deze notitie wordt hoofdzakelijk ingegaan op de meest van toepassing zijnde richtlijn, de CPR15-1, waarbij is aangesloten bij de hoofdstukindeling van deze richtlijn. Hierdoor is een handzaam instrument ontstaan waarbij zowel de controlerende instanties maar ook bedrijven en adviesbureaus gemakkelijk kennis kunnen nemen van de wijze waarop de CPR-richtlijnen binnen deze regio worden toegepast. Verder wordt er aandacht gegeven aan de richtlijn CPR15-2 en de circulaire CPR15. In deze notitie wordt niet uitgebreid stilgestaan bij de CPR15-3. Deze handreiking is opgesteld door: R. Krens Milieuinspecteur werkzaam bij de Milieudienst Noord-West Utrecht G.L. Bijsterbosch Preventie officier werkzaam bij de Brandweer Breukelen en De Ronde Venen NB Door het Ministerie van VROM is aangegeven dat de CPR 15 richtlijnen aan gepast moeten worden.de gedacht gaan uit naar één integrale CPR 15. Vooralsnog is er geen zicht op welk termijn deze nieuwe richtlijnen gepubliceerd zullen worden. Vele punten uit deze handreiking zullen dan achterhaald worden. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 3

4 2. CPR 15-1 Opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton) Hoofdstuk 3 werkingssfeer Vraagstelling: Is er een verschil tussen de werkingssfeer van de Wms en de ADR en hoe verhoudt zich dit tot de CPR-richtlijnen? In zijn algemeenheid kan worden aangehouden dat stoffen welke vallen onder de Wms tevens vallen onder de ADR (regelgeving inzake vervoer van gevaarlijke stoffen). De werkingsfeer van de ADR is ruimer dan die van de Wms. Dit geldt met name voor de producten met een vlampunt tussen de 55 C en de 61 C. Deze producten zijn wel voorzien van het rode ADR-vlametiket maar vallen (op basis van hun vlampunt) niet onder de Wms. De wijze van etikettering en indeling van stoffen op basis van de Wms en ADR is sterk afwijkend, hetgeen voor verwarring kan zorgen. Een aandachtspunt is verder de K2-producten (vlampunt 21 C 55 C). Deze vallen wel onder de Wms maar de op de emballage aanwezige Wms-etiketten zijn niet voorzien van een oranje blokje met vlamsymbool. Een voorbeeld van diverse etiketten. Links het Amerikaanse diamant-etiket, in het midden het ADR-etiket en rechts het Wms-etiket De CPR-richtlijnen zijn van toepassing op stoffen welke vallen onder de werking van de Wms. Producten die wel onder de ADR maar niet onder de Wms vallen behoeven dus niet noodzakelijk in een CPR-opslag te worden opgeslagen. Gevaarlijke stoffen die echter niet onder de werkingssfeer van de CPR 15 1, 2 en/of 3 vallen zijn bijvoorbeeld Bestrijdingsmiddelen (tot 400 kg), Organische Peroxiden, voor zelfontbranding vatbare stoffen en Cryogene gassen enz. Wel kan het zijn dat in een vergunning of AMvB wordt verwezen naar de CPR 15 1 terwijl die stoffen in de CPR zelf zijn uitgezonderd. Denk hierbij aan de opslag van gasflessen zoals deze in diverse AMvB s is geregeld. Ten aanzien van verf en andere visceuze stoffen is in de richtlijn CPR 15-2 een uitzondering opgenomen. Visceuze stoffen met een vlampunt tussen 21 C en 55 C, die volgens de criteria van de ADR als niet-ontvlambaar worden beschouwd vallen niet onder de werkingssfeer van de CPR Hoewel de CPR 15-1 deze uitzondering formeel niet kent wordt deze uitzondering ook op de CPR 15-1 van toepassing verklaard. De opslag van deze stoffen hoeft dus niet te voldoen aan de CPR 15. Deze uitzondering geldt niet voor stoffen die, los van het vlampunt, nog vanwege andere eigenschappen (bijv. schadelijk, irriterend, bijtend, etc.) onder de werkingssfeer van de CPRrichtlijnen vallen. Verfproducten verpakt in emballage voorzien van een Wms-etiket met daarop een symbool (bijv. een andreas kruis) dient dus gewoon conform de CPR-richtlijn te worden opgeslagen ook al is op het product de ADR niet van toepassing. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 4

5 Foto rechts: Verven kunnen bij een calamiteit in het bluswater terecht komen en op deze wijze lijden tot aanzienlijke milieuschade. Door opslag van deze stoffen in een opslag volgens CPR 15-richtlijnen kan de milieuschade worden beperkt. Vraagstelling: Vallen cosmetica artikelen onder de Wms? Extra aandacht verdient de opslag van cosmeticaartikelen. Hoewel deze producten wel degelijk (brand)gevaarlijke kunnen zijn en veelal ook zijn geëtiketteerd met een vlametiket, zijn de cosmeticaartikelen als bedoeld in het Cosmeticabesluit (Warenwet) 1979 (Stb. 1980, 256), op grond van artikel 6 van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, expliciet uitgezonderd van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Overigens kunnen, middels de gebruiks- en/of milieuvergunning voor de opslag van deze artikelen, uiteraard wel degelijk brandpreventieve maatregelen worden verlangd. Dit zal dan echter wel gemotiveerd moeten gebeuren. Vraagstelling: Vallen spuitbussen onder de werkingssfeer van de CPR-richtlijnen? Van de werkingssfeer zijn samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen uitgezonderd. Voorzover er sprake is van de opslag van spuitbussen met brandbare drijfgassen is de richtlijn CPR 11-6 (hoofdstuk 8.3) van toepassing. Een vergelijk tussen de richtlijn CPR 11-6 en de richtlijn CPR 15-1 leert ons echter dat de verschillen voor wat betreft de eisen die gesteld worden aan de opslag minimaal zijn. De volgende verschillen tussen deze richtlijnen willen wij nog melden: 1. artikel ingevolge de CPR 11-6 stelt dat opwarming van spuitbussen boven 50 C door (directe) zonnestraling of andere warmtebronnen moet worden uitgesloten. Feitelijk gaat de CPR 11-6 uit van inpandige opslag van spuitbussen. De CPR 11-6 sluit dus de mogelijkheid van opslag van spuitbussen in een vatenpark zonder een afdak (mogelijk op basis van de CPR 15-1) uit. 2. artikel ingevolge de CPR 11-6 stelt dat bij de bepaling van de benodigde vloeistofopvangcapaciteit als vuistregel kan worden gehanteerd dat liter vulinhoud overeenkomt met liter verpakt product. De CPR15-1 kent deze vuistregel niet. Voor de opslag van spuitbussen, welke niet vallen onder de werkingssfeer van de CPR 11-6, is geen richtlijn bekend. Indien spuitbussen worden opgeslagen zonder brandbare drijfgassen maar met een inhoud die wel valt onder de werkingssfeer van de Wms wordt vooralsnog aangesloten bij de bepalingen uit de CPR Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 5

6 Vraagstelling: Moeten gevaarlijke stoffen waarop de CPR-richtlijnen van toepassing zijn ook altijd overeenkomstig deze richtlijnen worden opgeslagen? Er komen gevaarlijke stoffen voor waarvan de milieudienst en de brandweer het niet perse noodzakelijk vindt dat deze stoffen overeenkomstig de CPR-regelgeving worden opgeslagen. Hierbij speelt de aard van de stoffen en de omgeving (gevoeligheid) van de opslag een grote rol. Een voorbeeld hiervan is de opslag van epoxeerpoeders bij metaalbewerkende bedrijven, cement species e.d bij bouwmarkten en groothandelaren van bouwmaterialen. Het betreft hier vaste stoffen die op basis van de Wms als schadelijk (Xn) of irriterend (Xi) moeten worden ingedeeld. Het gevaarsaspect van deze stoffen wordt dermate laag ingeschat dat kostbare voorzieningen in de vorm van CPR-opslag voor deze stoffen niet reëel wordt geacht. Het is wel noodzakelijk om in vergunningen deze afwijkingen goed te motiferen. Vraagstelling: Hoe moet het begrip werkvoorraad worden geïnterpreteerd? Onder werkvoorraad wordt verstaan de hoeveelheid chemicaliën die bij een normale bedrijfsvoering in een werkdag binnen de inrichting wordt verwerkt. Hiervoor is geen concrete hoeveelheid te noemen. Dit kan voor een garagebedrijf 50 liter zijn terwijl een afvulbedrijf een werkvoorraad van meer dan liter kan hebben staan. Overigens kunnen aan de Wm-vergunning, indien de aangevraagde werkvoorraad dit rechtvaardigt, wel aanvullende (brandpreventieve)eisen aan de opslag-/verwerkingsruimte worden verbonden, e.e.a. in overleg met de plaatselijke brandweer. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 6

7 Hoofdstuk 4 begripsomschrijving Vraagstelling: Zijn de in de CPR15 richtlijnen gehanteerde normen nog wel actueel? In de CPR-richtlijnen wordt nog uitgaan van de inmiddels verouderde normen NEN 3884 (bouwdelen) en NEN 3885 (deur-, luik- en raamconstructies). Deze normen zijn inmiddels vervangen door de normen 6068 en Bij het verlangen van brandpreventieve maatregelen is het in nieuwe situaties van belang om de meest actuele normen te hanteren. Voor het ontwerp van brandpreventieve voorzieningen en installaties welke bij toepassing van de CPR15 richtlijnen een rol spelen is het volgende geactualiseerde overzicht aan normen opgesteld. In te verlenen (milieu)vergunningen dient, voor zover van toepassing, naar de volgende normen te worden verwezen. NEN 2535 (1996); NEN 2654; NEN 2575; NEN-EN 1838; NEN-EN 671-1; NEN 6093; Brandmeldinstallaties Onderhoud brandmeldinstallaties Ontruimingsinstallaties Noodverlichtingsinstallaties Brandslanghaspels Rook- en Warmteafvoerinstallaties NEN 6063; Bepaling van het brandgevaarlijk zijn van daken NEN 6064; Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen NEN 6065; Bepaling van de bijdrage tot brandvoortplanting van bouwmaterialen NEN 6066; Bepaling van de rookproductie bij brand van bouwmaterialen NEN 6068; Bepaling WBDBO NEN 6069; Bepaling van de brandwerendheid van bouwdelen NEN 6090; Bepaling van de vuurbelasting NEN 6702; Belastingen en vervormingen TGB 1990 Van diverse normen zijn inmiddels aanvullingen uitgegeven. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 7

8 Hoofdstuk 5 Algemene opzet van de opslag Vraagstelling: Zijn er voorbeelden uit de vergunningenpraktijk waarbij gemotiveerd andere maxima per opslag zijn gehanteerd dan genoemd in dit hoofdstuk? In enkele praktijksituaties is, rekening houdende met te treffen aanvullende brandpreventieve maatregelen, zoals een gecertificeerde snelle branddetectieinstallatie, van de in de richtlijn gehanteerde maximumhoeveelheden voor een opslagplaats gemotiveerd (motivatie uitgebreid meenemen in considerans) afgeweken. Ook wordt regelmatig afgeweken van de voorgeschreven bouwkundige uitvoering van met name een kluis voor de opslag van (licht) ontvlambare stoffen. (zie hiervoor het hoofdstuk inzake kluizen). Voorbeeld 1: Betreft een drietal kluizen in een gebouw zonder verdieping waar in de vergunning is opgenomen dat de maximaal toegestane hoeveelheid per kluis van ltr. mag worden verhoogd tot ltr.kg indien het gehele pand wordt voorzien van een gecertificeerde brandmeldinstallatie (inclusief doormelding op de centrale meldkamer van de brandweer). Hierdoor wordt een incident in de omgeving van een opslag snel gedetecteerd en kan snel worden ingegrepen. Voorbeeld 2: Betreft een viertal losse, niet betreedbare, kasten (zie afbeelding) in een apart bouwkundig gecompartimeteerd gebouw zonder verdieping waar in de vergunning is opgenomen dat de maximaal toegestane hoeveelheid per kast ltr.kg mag bedragen. Hierbij is rekening gehouden met de aanwezigheid van een gecertificeerde brandmeldinstallatie (dus inclusief doormelding op de centrale meldkamer van de brandweer), deuren van kasten worden geopend gehouden middels kleefmagneten welke worden gestuurd via de brandmeldinstallatie. Dergelijke afwijkingen zullen van geval tot geval met de plaatselijke brandpreventiemedewerker moeten worden besproken. Voorbeeld 2: 4 losse kasten (zogeheten chem-savers met ieder een opslagcapaciteit van 10 ton). Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 8

9 Vraagstelling: Welke eisen stelt de brandweer aan de locatie van een CPR-opslag? Een opslag gevaarlijke stoffen zal te allen tijde op een acceptabele wijze door de brandweer bereikt moeten kunnen worden. Dit om eventuele inzet van de brandweer bij een falende deur o.i.d. mogelijk te maken. Hierbij gelden de volgende aandachtspunten: Met uitzondering van de kasten mag een opslag gevaarlijke stoffen alleen op de begane grond plaats mogen vinden. Een kluis moet gelegen zijn aan een buitenmuur. De(vlucht)deur van een opslag moet voor de brandweer bereikbaar zijn. (een opslag die grenst aan een sloot is dus niet acceptabel, al is het een buitengevel) Een aanpandig gebouw mag geen onacceptabele risico s voor betreding van de brandweer opleveren. Rondom een opslaggebouw moet over een afstand van ten minste 2 meter, het terrein vrij worden gehouden (dus ook auto s e.d). Vraagstelling: Welke afstanden tot gevoelige objecten gelden er voor een CPR opslag? Hoewel de CPR 15-1 niet ingaat op afstanden tot gevoelige objecten, is het wel van belang hier aandacht aan te schenken. In recentere AMvB s wordt bij een opslag groter dan 2500 kg een afstand van 20 meter vereist tussen de opslag en de dichtstbijzijnde woning. Het licht voor de hand deze afstand eveneens bij vergunningverlening te hanteren. Ook in de circulaire 15 wordt deze afstand aangegeven voor de CPR 15-1 waarbij wordt vermeld dat voor kleine opslagen (kasten e.d.) het bevoegd gezag van deze afstand kan afwijken. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 9

10 Hoofdstuk 6 algemene voorschriften Vraagstelling: Is gescheiden opslag van stoffen volgens tabel 2, behorende bij voorschrift altijd noodzakelijk? De specifieke kennis die nodig is om gemotiveerd te kunnen afwijken (bijvoorbeeld omdat vanwege de aard van de stoffen in een specifieke situatie compartimentering van de stoffen niet noodzakelijk is) is in onvoldoende mate aanwezig. Bovendien kunnen productwisselingen tot andere conclusies lijden. Afgesproken wordt om compartimentering overeenkomstig tabel 2 strikt toe te passen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat deze tabel niet volledig is. In deze tabel ontbreken onder andere de (veel voorkomende) schadelijke en irriterende stoffen. Deze stoffen mogen in combinatie met alle in de tabel genoemde stoffen worden opgeslagen. Vraagstelling: Het komt voor dat op gevaarlijke stoffen meerdere gevaarsapecten (Wms- categorieën) van toepassing zijn bijvoorbeeld een combinatie van ontvlambaar (F) en schadelijk (Xn) of giftig (T) en bijtend (C). Hoe moeten deze stoffen nu worden ingedeeld? Voor de indeling en compartimetering van dergelijke stoffen is de zwaarst wegende categorie bepalend, waarbij de volgende volgorde kan worden aangehouden: Zeer Vergiftig, Vergiftig, Ontplofbaar, Oxyderend, Licht ontvlambaar, Ontvlambaar, Bijtend, Schadelijk en Irriterend. Vraagstelling: Zijn er bij opslag van spuitbussen bijzonderheden waarmee rekening gehouden dient te worden? Hoewel spuitbussen niet vallen onder de werkingssfeer van de CPR 15-1 wordt voor de opslag van spuitbussen welke zijn voorzien van een Wms-etiket aangesloten bij deze richtlijn. Indien het spuitbussen betreft gevuld met een brandbaar drijfgas dan is de CPR 15-1 niet van toepassing maar kan de richtlijn CPR 11-6 worden gehanteerd. De CPR 11-6 (hoofdstuk 8.3) is specifieker gericht op de opslag van spuitbussen. Zie ook hoofdstuk 3 van deze handreiking. In bepaalde gevallen (met name bij opslag van spuitbussen naast andere emballage in grotere CPR15-2 opslagen) kan het wenselijk zijn om de spuitbussen in een aparte kooi-constructie te plaatsen om te voorkomen dat de bussen in geval van een calamiteit door de ruimte heen kunnen schieten. Proefondervindelijk is gebleken dat deze over een afstand van ca 50 meter kunnen weg schieten Vraagstelling: Kan de opslag van niet-wms-geclassificeerde producten in een CPRruimte worden toegestaan? Uitgangspunt van de CPR-richtlijnen is dat gevaarlijke stoffen worden opgeslagen in een uitsluitend daarvoor bestemde opslag. Dit om te voorkomen dat er in een CPR-opslag onnodige handelingen met de daarmee gepaard gaande risico s plaatsvinden. Er kunnen omstandigheden zijn die het wenselijk maken om toch in te stemmen met opslag van niet Wms-producten in een CPR-opslag. Voorbeelden hiervan zijn combinaties van producten (Wms-geclassificeerde verf met bijbehorende niet-wms-geclassificeerde dragers) die vanuit logistiek oogpunt bij elkaar moeten worden opgeslagen, opslag van cosmeticaartikelen in de CPR-ruimte (zie ook onder hoofdstuk 3) en opslag van gevaarlijk afval in de kluis. Het is van belang dat middels de milieuvergunning wordt vastgelegd welke opslag is toegestaan en onder welke voorwaarden. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 10

11 Vraagstelling: Hoe kan scheiding van producten nu precies worden gerealiseerd? Indien stoffen volgens de CPR 15 richtlijnen gescheiden moeten worden opgeslagen dan moet: een opslagvrije strook van ten minste 2 meter zijn aangebracht bij opslagen < 10 ton, een opslagvrije strook van ten minste 3,5 meter zijn aangebracht bij opslagen > 10 ton, of een scheidingswand met een brandwerendheid van 60 minuten, of een scheidingswand met een brandwerendheid van 30 minuten, indien er geen (licht)ontvlambare stoffen of stoffen die bij brand gevaarlijke verbindingen vormen worden opgeslagen Vraagstelling: Op welke wijze moet invulling worden gegeven aan de verplichting tot registratie en veiligheidssignalering als bedoeld in de voorschriften en van de CPR15-1? Het is voor de brandweer van belang om snel inzicht te verkrijgen in de gevaarsaspecten van de opgeslagen stoffen. Hierbij worden de volgende maatregelen voorgesteld: 1. Informatie eerste Lijn (Bevelvoerder) Er moet op de buitenkant van de opslagplaats etikettering zijn aangebracht. De voorkeur gaat hierbij uit naar de etikettering op basis van de klasse-indeling conform het VLG/ADR, omdat hiermee een preciezere aanduiding mogelijk is dan met de WMS etikettering en de brandweer bekend is met deze etiketten. 2. Informatie voor tweede lijn (OvD, ROGS) Een actuele map met informatiebladen en stofgegevens moet aanwezig zijn bij de brandweeringang (Brandmeldpaneel) Vraagstelling: Op welke wijze moet invulling worden gegeven aan de verplichting tot opleiding van personeel als bedoeld in de voorschriften van de CPR15-1? De milieudienst is van mening dat bij bedrijven waar grotere hoeveelheden aan gevaarlijke stoffen worden opgeslagen (als ondergrens wordt hierbij een totale hoeveelheid van liter aangehouden) verwacht mag worden dat het personeel dat deze stoffen bezigt een minimale opleiding over de gevaarsaspecten en regelgeving m.b.t. deze stoffen moet hebben genoten. Verlangd wordt een geldig certificaat Vakbekwaamheid Behandeling Gevaarlijke Stoffen afgegeven door de Stichting Examenbureau Vervoer en Logistiek (EVL), dan wel een gelijkwaardig door het bevoegd gezag goed te keuren opleiding. Vraagstelling: Hoe om te gaan met beperkte ompak- en overtapwerkzaamheden? Uitgangspunt moet zijn dat deze werkzaamheden niet in de opslag mogen plaatsvinden maar dat daarvoor een aparte ruimte moet worden gerealiseerd. Een uitzondering hiervan kan worden gemaakt voor het overtappen in een (kleinschalige) opslag van gevaarlijke afvalstoffen niet zijnde K1- of K2-vloeistoffen. Vraagstelling: Voorschrift verlangd een speciaal vat om gemorste vloeistoffen te kunnen immobiliseren. Hoe wordt hier invulling aan gegeven? De aanwezige voorziening moet tenminste de inhoud hebben van de grootst aanwezige emballage. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 11

12 Hoofdstuk 7 Kasten Losse kasten Vraagstelling: Hoe kan er worden gecontroleerd of een losse kast voldoet aan de NEN2678? Leveranciers dienen een verklaring te overleggen dat de door hen geleverde kast voldoet aan de NEN2678 (Voor de beoordeling van de brandwerendheid van deze kasten is een aparte brandproef ontwikkeld waarnaar de NEN-norm verwijst). Verder dient de kast mechanisch te worden geventileerd op de buitenlucht en dienen lekbakken van voldoende grootte aanwezig te zijn. Bouwkundige kasten Vraagstelling: Wat zijn de meest relevante aandachtpunten bij een bouwkundige kast? De kast moet aan alle zijden een brandwerendheid bezitten van tenminste 60 min bepaald volgens de NEN Reductie tot 30 minuten is mogelijk indien geen brandbare stoffen worden opgeslagen en de afstand tot een brandgevaarlijke object ten minste 7,5 meter bedraagt. Ook deze kasten dienen geventileerd te worden op de buitenlucht en te zijn voorzien van lekbak. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 12

13 Hoofdstuk 8 Kluizen Vraagstelling: Hoe moet de brandwerendheid van een kluis worden beoordeeld? De kluis moet worden uitgevoerd als apart onafhankelijk brandcompartiment met een WBDBO van tenminste 60 minuten, bepaald volgens de NEN 6068, tussen de kluis en een andere besloten ruimte. Vervolgens moeten de buiten gevels een brandwerendheid bezitten van 60 minuten (WBDBO) bepaald volgens de NEN Reductie tot 30 minuten is mogelijk indien geen brandbare stoffen worden opgeslagen en de afstand tot een brandgevaarlijke object ten minste 7,5 meter bedraagt. De beoordeling of een brandwerende constructie voldoet aan de vereiste brandwerendheid (WBDBO) vereist specialistische kennis. Het is daarom raadzaam om het vooroverleg over en de beoordeling van een (bouwkundige)constructie op brandwerendheid altijd in samenspraak met de plaatselijke brandpreventiemedewerker uit te voeren. Bij de beoordeling van een 60 minuten brandwerende gevel zijn de volgende aandachtspunten van belang: 1. Een gevel dient te bestaan uit 60 minuten brandwerend materiaal (in veel gevallen wordt dit uitgevoerd middels gemetselde muren van bijvoorbeeld B2-blokken). 2. Een 60 minuten brandwerende wand/scheiding dient tot 0.5 meter hoogte bovendaks door te lopen. Een alternatief is om het dak over een afstand van ten minste 3 meter uit de gevel 60 minuten brandwerend uit te voeren. Dit is o.a. mogelijk door brandwerende isolatie aan te brengen. Hierbij moet natuurlijk wel de constructie een brandwerendheid op bezwijken bezitten. 3. Aanwezige staalconstructies mogen geen afbreuk doen aan de brandwerendheid van de gevel. In veel gevallen zijn staalconstructies, welke in geval van een brand zullen bezwijken of kromtrekken, zodanig met de betreffende gevel verbonden of aan de gevel bevestigd dat ook de gevel vroegtijdig zal bezwijken. Om dit te voorkomen kan het noodzakelijk zijn dat staalconstructies worden omtimmert of worden behandeld met brandwerende verf. Ook kan het noodzakelijk zijn om de verbindingen tussen staalconstructies uit te voeren middels smeltbevestigingen zodat een ligger kan bezwijken zonder dat een daarmee verbonden staande profiel of muur wordt meegetrokken. 4. Deuren mogen geen afbreuk doen (zie hierover hoofdstuk 11). 5. Leidingdoorvoeringen en kabelgoten mogen geen afbreuk (zie voorbeeld). Voorbeelden van leidingen en een kabelgoot welke op een deugdelijke wijze brandwerend zijn afgewerkt door middel van bij brand dichtschuimende manchetten. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 13

14 Vraagstelling: Moet ook de brandwerendheid van het gebouw waarin de kluis zich bevindt worden beoordeeld? Hoewel de CPR 15-1 hierin niet voorziet zijn zowel de milieudienst als de brandpreventiemedewerkers van mening dat de uitvoering van het gebouw waarin de kluis gelegen is wel degelijk op de kans van bezwijken moet worden beoordeeld. Per slot van rekening heeft het weinig zin om een 60 minuten brandwerende kluis te realiseren in een gebouw wat in geval van brand na 30 minuten bezwijkt waardoor de gevaarlijke stoffen alsnog bij de brand betrokken raken. Om deze reden wordt gesteld dat het gebouw bij brand voldoende lang (ten minste even lang dan de vereiste brandwerendheid van de kluis) constructief stand zal moeten houden of zal moeten worden aangetoond dat de kluis mechanisch sterk genoeg is om weerstand te kunnen bieden tegen bijvoorbeeld een instortend dak. Beoordeling in hoeverre het pand geschikt is voor de opslag van gevaarlijke stoffen vindt plaats door de brandweer alvorens de benodigde gebruiksvergunning wordt verleend. In alle gevallen waar bedrijfsmatig gevaarlijke stoffen worden opgeslagen is een gebruiksvergunning vereist. Vraagstelling: Kan van de verplichting tot een toegangs/vluchtdeur welke van buitenaf toegang geeft tot een kluis waarin (licht)ontvlambare stoffen worden opgeslagen (voorschrift onderdeel d) worden afgeweken? Een kluis voor de opslag van (licht)ontvlambare stoffen mag slechts van buitenaf toegankelijk zijn met uitzondering van één doorlaatopening, die rechtstreeks verbinding geeft met een aangrenzende aanmaak- of verweringsruimte; zo staat in dit voorschrift. In overleg met de brandweer kan worden bepaald dat van deze deur kan worden afgezien indien: 1. er sprake is van een niet betreedbare kluis (bijv. een opslag type chemsaver waarin een pallet in zijn geheel in de kluis wordt geplaatst) zodat er geen noodzaak is voor een vluchtweg, en 2. de kluizen in het pand zodanig worden opgesteld dat het voor de brandweer mogelijk is om van buitenaf op een goede wijze de deuren van de kluis te kunnen koelen/afschermen. Vraagstelling: Hoe moet beoordeling plaats vinden van de op basis van voorschrift onderdeel e vereiste drukontlasting (explosieluik)? In de CPR15-1 wordt in kluizen en opslaggebouwen waarin (licht) ontvlambare stoffen worden opgeslagen een met opzet aangebracht zwakke plek (drukontlasting) verlangd welke in geval van een explosie in het gebouw bezwijkt met het in stand houden van de rest van de constructie van de kluis / het gebouw. Geconstateerd is dat hier op velerlei manieren invulling aan is gegeven en nog steeds wordt gegeven zonder dat er helderheid bestaat over de doelmatigheid van de getroffen voorzieningen. Bovendien zijn veel van deze voorzieningen zodanig uitgevoerd dat de drukontlasting, nadat deze is aangesproken, afbreuk doet aan de brandwerendheid van de constructie waarin het geplaatst is, hetgeen naar mening van de brandweer en milieudienst niet het geval zou mogen zijn. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 14

15 Bij het ontwerp van een drukontlasting dient rekening te worden gehouden met de volgende punten: De constructiesterkte van de opslagplaats moet bekend zijn. Immers de maximale explosiedruk moet altijd lager zijn dan de druk die de constructie kan hebben. Dit zou door een constructeur berekend moeten worden. De locatie van het explosieluik is van belang. Het is namelijk mogelijk dat als gevolg van het uitblazen van de gas/dampwolk er een steekvlam/explosie of op zijn minst een wolkbrand ontstaat. De oppervlakte van het luik kan in principe berekend worden aan de hand van hoofdstuk 9 van de NEN In moeilijke gevallen kan het aan te bevelen zijn om het door een deskundige (zoals TNO) door te laten rekenen. (Hoe groter de oppervlakte van de ruimte, des te groter de oppervlakte van het explosieluik moet zijn én hoe zwakker de constructie van de kluis, hoe groter het explosieluik) Indien er sprake is van een druk ontlasting geplaatst in een brandwerend bouwdeel die na het bezwijken open blijft, is de WBDBO niet meer intact. Dit is dus strijdig met de WBDBO-eis uit de CPR 15. Is het explosieluik aangebracht in een brandwerend bouwdeel dan dient het explosieluik dus na de drukontlasting weer terug te vallen (op de foto s hieronder zijn enkele voorbeelden zichtbaar van explosieluiken). Drukontlasting aangebracht in toegangsdeur tot kluis. De drukontlasting is gerealiseerd middels een scharnierend luik met een enkele schroef in de deur bevestigd. Het luik valt terug waardoor de brandwerende functie van de deur ook na een explosie nog gewaarborgd blijft. Aan de binnenzijde van het explosieluik is een inbraakbeveiliging aangebracht. Op de foto rechts is een drukontlasting aangebracht in het dak van een opslaggebouw. Ter plaatse van deze drukontlasting heeft het dak geen brandwerende functie. In verband met brandoverslag vanuit naastgelegen ruimten diende het dak van de opslag tot op 3 meter vanuit de gevel van de opslag brandwerend te zijn uitgevoerd. Door de plek van de drukontlasting in het midden te kiezen kon hieraan worden voldaan. Het dak dient wel bestand te zijn tegen vliegvuur. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 15

16 Vraagstelling: Zijn er alternatieven voor een explosieluik? In nieuwe situaties wordt in een aantal gevallen in plaats van een drukontlasting en/of in plaats van een explosie-veilige elektrische installatie maatregelen genomen die moeten voorkomen dat er een explosie kan gaan plaatsvinden. Door de opslag zodanig mechanisch te ventileren dat in geval van een lekkage van de grootst aanwezige emballage geen te ontsteken luchtdampmengsel kan ontstaan (10% van de LELwaarde voor de betreffende stof) en een goede controle op de werking van deze ventilatie te waarborgen is de brandweer en milieudienst van mening dat er sprake is van een afwijking met een tenminste gelijkwaardig beschermingsniveau. Met deze oplossing wordt de gedachtegang zoals deze ook gehanteerd wordt in de NPR gevolgd. Een voorbeeld van een voorschrift in een vergunning waarin dit is toegepast is opgenomen in deze handreiking (zie bijlage). Van belang is wel dat per situatie moet worden beoordeeld welk ventilatievoud minimaal benodigd is (e.e.a. is afhankelijk van de bronsterkte (plasgrote, dampspanning) ed.). In geval van opslag van (licht)ontvlambare stoffen in combinatie met mechanische ventilatie wordt een ventilatievoud van tenminste 4 door de arbeidsinspectie als minimum gehanteerd. Bij een instantane emissie (lekstoten van een vat) zal er altijd een gevaarlijke dampconcentratie ontstaan vlak boven een vloeistofplas er mag dus nooit een ontstekingsbron laag bij de grond aanwezig zijn. Een grotere ventilatievoud en dus een sterke mechanische afzuiging kan dan de damp snel afvoeren voordat dit zich volledig door de ruimte verspreidt. Let op! Indien er sprake is van een ruimte met een verhoogd explosierisico zijn sinds 1 juli 2003 ook de zogenaamde ATEX-richtlijnen van toepassing. Dit zijn Europese richtlijnen m.b.t. explosieveiligheid. ATEX 137: Minimum voorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers in omgevingen met explosiegevaar. ATEX 95: Essentiële voorschriften voor apparaten en veiligheidssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. Apparaten die in een opslagplaats voor (licht)- ontvlambare stoffen worden geplaatst moeten dus voldoen aan deze richtlijnen Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 16

17 Hoofdstuk 9 Opslaggebouwen Hoe moeten de compartimenteringeisen van toepassing op opslaggebouwen nu precies worden gehanteerd? Een opslaggebouw moet worden uitgevoerd als afzonderlijk brandcompartiment. Tussen dit compartiment en andere ruimten, maar ook tussen dit compartiment en open terrein moet een bepaalde brandwerendheid (WBDBO) worden gerealiseerd welke afhankelijk is van het gebruik van de directe omgeving beoordeeld over een afstand van ten minste 10 meter (hoge gebouwen of grote opslagen van bijvoorbeeld pallets of banden kunnen een grotere afstand noodzakelijk maken). Uitgangspunt bij de bepaling van de hoogte van de vereiste brandwerendheid is dat de opslag gevaarlijke stoffen zodanig worden opgeslagen dat bij een brand in de omgeving (zowel in een gebouw, het gebouw zelf of een buitenbrand), de stoffen buiten de brand blijven. In het algemeen zal het voldoende zijn om rekening te houden met een brandwerendheid van 60 minuten, (een brand met een vuurbelasting 60 kg vurenhout/m²). Bij een hogere vuurbelasting zal de scheidingsconstructie een WBDBO bezitten die ten minste gelijk is aan die vuurbelasting, uitgedrukt in kg vurenhout/m². Een dak mag, bepaald overeenkomstig de NEN 6063, niet brandgevaarlijk zijn (bestendigheid tegen vliegvuur). Van een opslaggebouw moeten de wanden en het dak zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Voor de beoordeling van brandwerende constructies zie ook hoofdstuk 8! Foto links: Met compartimentering kan de schade veroorzaakt door een brand aanzienlijk worden beperkt. Deze branddeur heeft brandoverslag naar naastgelegen ruimten kunnen voorkomen. In veel gevallen zijn de compartimenterings-eisen uit de CPR15-1 niet juist toegepast. Een veel voorkomend voorbeeld hiervan is de vereiste brandwerendheid tussen een opslaggebouw en een aanpandig gelegen gebouw. In dergelijke situaties is in het verleden min of meer standaard een brandwerende scheiding van 60 minuten verlangd. De CPR stelt echter in situaties waarbij meer dan liter wordt opgeslagen een brandwerendheid van 2 x 60 minuten (scheidingsconstructie + brandmuur) verplicht. Ook wanneer het open terrein, direct rondom een opslaggebouw voor meer dan liter aan gevaarlijke stoffen, wordt gebruikt voor opslag materialen of parkeergelegenheid dient het opslaggebouw een brandwerendheid van 2 x 60 minuten te bezitten. Tabel vereiste afstanden in relatie tot brandwerendheid en hoeveelheden Hoeveelheden Brandwerendheid opslaggebouw Afstand tot Afstand tot In kg/liters Wanden/deuren Dak erfgrens ander gebouw < 1000 > 60 min en >30 min > 2m (0m) > 3m (0m) < 60 min of <30 min > 3m (0m) > 5m (0m) > 1000 > 60 min en >30 min > 3m (0m) > 5m (0m) < 60 min of <30 min > 5m (3m) > 10m (3m) Tussen haakjes staan de afstanden die minimaal gelden indien: 1. Een brandmuur op de erfgrens aanwezig is met ten minste 60 min. Brandwerendheid; 2. De wand van het tot de inrichting behorende gebouw ten minste 60 min. Brandwerend is. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 17

18 Of alle doorvoeringen naar de buitenlucht brandwerend en eventueel zelfsluitend moeten worden uitgevoerd, is afhankelijk van de afstand tot gebouwen en de mogelijkheid tot het vrijhouden van terrein van brandbare opslag. Veilige afstand vanaf andere gebouwen (eigen en derden) kan bepaald worden volgens TNO vuistregel (d=14m-h/2 (h<15m)) en/of met de berekening van de WBO uit het brandbeveiligingsconcept Beheersbaarheid van Brand. Indien er wordt uitgegaan van een vrij te houden ruimte om de opslag heen, (i.p.v. een hogere brandwerendheid) moet dit wel te handhaven zijn. Conclusie: het effect, van een incident in de omgeving, op het opslaggebouw is maatgevend voor een groot gedeelte van de preventieve maatregelen aan het opslaggebouw Vraagstelling: Wanneer is een bliksembeveiligingsinstallatie (voorschrift 9.3.9) noodzakelijk? Navraag is gedaan bij Verzekeringsmaatschappij Delta-Loyd. Deze eist nergens in deze regio een dergelijke installatie. Ook in het kader van bouwregelgeving is dit geen onderwerp meer wat wordt geregeld. De milieudienst is van mening dat het aan de aanvrager / ondernemer is om aan te tonen dat een dergelijke installaties achterwege kan blijven. Kan hij dit niet dan dient een dergelijke installatie te worden verlangd. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 18

19 Hoofdstuk 10 Vatenparken Tabel vereiste afstanden in relatie tot hoeveelheden Hoeveelheden Afstand tot erfgrens Afstand tot ander gebouw In kg/liters < 1000 > 3m (0m) > 5m (0m) > 1000 > 5m (3m) > 10m (3m) Tussen haakjes staan de afstanden die minimaal gelden indien: 1. Een brandmuur op de erfgrens aanwezig is met ten minste 60 min. brandwerendheid; 2. De wand van het tot de inrichting behorende gebouw ten minste 60 min. Brandwerend is. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 19

20 Hoofdstuk 11 Technische voorzieningen Vraagstelling: Op welke wijze mogen brandwerende deuren in geopende stand worden vastgezet? De CPR 15-1 stelt dat de deuren uitsluitend mogen worden vastgezet met een voorziening die er voor zorgdraagt dat de deuren automatisch sluiten zodra een toestand intreedt, waarin deze hun brandwerende functie moeten vervullen. In praktijk komt het er op neer dat hiervoor twee uitvoeringen worden toegepast, te weten: 1. toepassing van een smeltveiligheid welke bij circa 70 C doorsmelt waarna het sluitingsmechaniek (een gewicht aan een staaldraad) in werking treedt; 2. toepassing van kleefmagneten welke via plaatselijke branddetectie of middels een brandmeldcentrale worden aangestuurd waarna het sluitingsmechaniek in werking treedt. Binnen de regio Noord-West Utrecht wordt de nadrukkelijke voorkeur uitgesproken voor de toepassing van kleefmagneten. Dit mag een separate installatie zijn, echter de voorkeur gaat uit naar een aansluiting op een totaal branddetectie systeem. Het voordeel hiervan is dat de deuren in geval van een calamiteit veel sneller sluiten en de deuren middels een tijdschakelaar buiten werktijd geheel automatisch kunnen worden gesloten. Hierdoor blijft ook de gangbaarheid gewaarborgd. In vergunningsituaties zal dit waar mogelijk worden voorgeschreven. Buiten werktijden moeten de deuren gesloten zijn. Voorbeeld van een branddeur met een sluitingsmechaniek voorzien van een smeltzekering Vraagstelling: Tijdens controlebezoeken is het niet altijd eenvoudig gebleken om te beoordelen of brandwerende deuren de vereiste brandwerendheid bezitten, hoe kan deze controle plaatsvinden? In nieuwe situaties wordt er veelal een brandwerende deur geplaatst waarvan het certificaat of testrapport simpelweg op te vragen is bij de leverancier (zie foto). Voorbeeld van een stempelplaat op een gecertificeerde brandwerende deur. Het TNOtestrapport waarnaar wordt verwezen is op te vragen bij de leverancier van dergelijke deuren. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 20

21 In een bestaande situatie kan over het algemeen het volgende worden aangehouden: Een massief houten deur kan slechts 60 minuten brandwerendheid bezitten indien de deur aan de buitenzijde voorzien is van brandwerend materiaal, rondom voorzien is van een zwelstrip en bovendien de aanslag minimaal 2,5 cm bedraagt. Een houten deur zonder zwelstrip zal in geval van brand gaan kromtrekken (verhitting van één zijde van de deur!) waardoor de deur in de sponning zal vervormen en brandoverslag binnen 60 minuten zal optreden (criteria vlamdichtheid). Vraagstelling: Hoe kan de noodzaak voor een explosieveilige elektrische installatie worden beoordeeld? Installaties in een kluis of een opslaggebouw waar (licht)ontvlambare stoffen worden opgeslagen moeten explosieveilig worden uitgevoerd (ook inbraakdetectie, branddetectie, slow-whoops e.d.) tenzij middels een gevaarzone-indeling conform de NPR kan worden aangetoond dat dit niet noodzakelijk is. Geconstateerd wordt dat er ingevolge de Nederlandse praktijkrichtlijn (NPR7910-1) bij vergunningverlening veel vaker als nu gebeurt een zoneringsrapport moet worden verlangd. Een zoneringsrapport opgesteld volgens de NPR vormt de basis voor de verdere beoordeling van de electrische installatie in ruimten met gasontploffingsgevaar. Ook de keuring en het onderhoud van deze installaties heeft tot op heden te weinig aandacht gekregen. Toepassing van de richtlijn Bedrijfsvoering van elektrische installaties vindt onvoldoende plaats. In het kader van de reguliere taakuitoefening (vergunningverlening/handhaving) dient dit aspect beter ter hand te worden genomen. Voorbeeld voorschriften zijn in deze handreiking opgenomen (zie bijlage). Let op! Indien er sprake is van een ruimte met een verhoogd explosierisico zijn sinds 1 juli 2003 ook de zogenaamde ATEX-richtlijnen van toepassing. Dit zijn Europese richtlijnen m.b.t. explosieveiligheid. ATEX 137: Minimum voorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers in omgevingen met explosiegevaar ATEX 95: Essentiële voorschriften voor apparaten en veiligheidssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 21

22 Hoofdstuk 12 persoonlijke bescherming en hygiene Nadere toelichting op dit hoofdstuk wordt niet noodzakelijk geacht. De voorzieningen uit dit hoofdstuk zullen over het algemeen geëist worden door de Arbodienst/Arbeidsinspectie. Gelijkwaardigheden Op basis van het gelijkwaardigheidsbeginsel worden regelmatig om de volgende afwijkingen van de CPR gevraagd: een grotere opslagcapaciteit; een lagere brandwerendheidseis aan de scheidingen; het laten vervallen van de vluchtdeur in de opslagplaats. het laten vervallen van de eis van een explosieluik. De CPR-richtlijnen bieden de mogelijkheid om af te wijken mits een tenminste gelijkwaardig beschermingsniveau wordt gerealiseerd, een en ander ter beoordeling door het bevoegd gezag. Bij het vergunnen en vooral ook motiveren van deze afwijkingen moeten de volgende overwegingen in acht worden genomen: Hoe is de brandveiligheid geregeld in de omgeving (het gebouw waarin de opslag is gerealiseerd of een naast gelegen gebouw)? Let hierbij op de vuurbelasting, compartimentgrote en de aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties. Hoe is de bereikbaarheid, de bluswatervoorziening en inzettijd van de plaatselijke brandweer? Worden er (licht)ontvlambare stoffen, brandbare vloeistoffen of peroxiden opgeslagen of te wel: wat is het gevaarsaspect van de opgeslagen stoffen (zakken cementspecie worden minder milieugevaarlijk gezien dan giftige of licht ontvlambare stoffen, toch vallen beiden onder dezelfde richtlijn). In voorgaande hoofdstukken is reeds op enkele afwijkingen ingegaan. Iedere afwijking dient echter altijd goed gemotiveerd te worden in een considerans van een milieuvergunning. Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 22

23 3. CPR15-2 OPSLAG VAN GEVAARLIJKE STOFFEN VANAF 10 TON Vraagstelling: Hoe (en door wie) dient de beoordeling plaats te vinden van de uitvoering van brandblusinstallaties welke noodzakelijk zijn bij een opslag conform CPR15-2, beschermingsniveau 1. Aangezien de (technische) ontwikkelingen niet stil staan en de CPR 15-2 inmiddels ruim 10 jaar oud is, moet ook de lijst met brandbestrijdingssystemen nodig worden aangevuld. Wat mag er uit? - de halon blusinstallaties (per verboden, behoudens enkele specifieke uitzonderingen) Wat mag er in? - Gasblusinstallaties met inert gas - Water-mist installaties - Hi-Ex inside air LET OP!!! Beoordeling van de uitvoering en geschiktheid van automatische brandblusinstallaties vergt veel expertise. Hierbij is zowel chemische kennis vereist (welk blusmiddel bij welke chemicaliën) als ook kennis over de van toepassing zijnde normen en technieken. Met name bij de toepassing van Hi-Ex inside air brandblusinstallaties is gedegen kennis over de opgeslagen chemicaliën een pré. Over de toepassing van Hi-Ex inside air brandblusinstallaties is op 12 november 2001 naar alle gemeenten een brief gestuurd met daarbij de uitkomsten van het onderzoek naar de toepasbaarheid van deze installaties. Ook bij andere brandblusinstallaties dienen keuzen te worden gemaakt (bijv. welk type schuim toe te passen, sprinkler met of zonder toevoegmiddelen, etc.) welke nauw samenhangen met de bedrijfsspecifieke omstandigheden. De milieudienst bezit deze expertise maar ten dele en zal op dit punt gebruik moeten kunnen maken van de expertise van de plaatselijke brandpreventiemedewerker of van de Regio Brandweer Utrechts Land. Het is in alle gevallen van groot belang dat een te plaatsen brandblusinstallatie gecertificeerd wordt door een daartoe erkende instelling. Hiervoor is het o.a. noodzakelijk dat vooraf een Programma van Eisen (PvE) voor de installatie wordt opgesteld door een daartoe erkende instantie. Dit PvE wordt beoordeeld door de plaatselijke brandweer. Automatische inergen-gasblusinstallatie t.b.v. een CPR15-2 opslaggebouw met een beschermingsniveau 1 Handreiking toepassing CPR-richtlijnen versie 1.2 d.d ) pag. 23

ir. A.J. Pikaar, ir. J. Granneman en ing. R.P.M. Jansen NIEUWE REGELGEVING VOOR OPSLAG VAN GEVAARLIJKE STOFFEN

ir. A.J. Pikaar, ir. J. Granneman en ing. R.P.M. Jansen NIEUWE REGELGEVING VOOR OPSLAG VAN GEVAARLIJKE STOFFEN ir. A.J. Pikaar, ir. J. Granneman en ing. R.P.M. Jansen NIEUWE REGELGEVING VOOR OPSLAG VAN GEVAARLIJKE STOFFEN Volwaardige implementatie heeft nog lange weg te gaan Voor bedrijven die, al dan niet tijdelijk,

Nadere informatie

Stappenplan PGS 15: Richtlijn voor opslag verpakte gevaarlijke stoffen

Stappenplan PGS 15: Richtlijn voor opslag verpakte gevaarlijke stoffen Stappenplan PGS 15: Richtlijn voor opslag verpakte gevaarlijke stoffen Hieronder treft u een stappenplan aan waarmee u zelf aan de slag kunt gaan om te bepalen of u onder de werkingssfeer van de nieuwe

Nadere informatie

ROCKWOOL BRANDOVERSLAG REKENTOOL

ROCKWOOL BRANDOVERSLAG REKENTOOL ROCKWOOL BRANDOVERSLAG REKENTOOL Om snel een inschatting te maken van het risico op brandoverslag bij industriële hallen kunt u de ROCKWOOL brandoverslag Rekentool gebruiken. Hiermee kan de benodigde brandwerendheid

Nadere informatie

Opslag Gevaarlijke stoffen

Opslag Gevaarlijke stoffen Opslag Gevaarlijke stoffen CPR / PGS Wet of richtlijn? Inhoudsopgave Inleiding Wetgeving CPR naar PGS Wijzigingen Etikettering & verpakkingscategorieën Ondergrenzen Diverse bepalingen Stappenplan Tot Inleiding

Nadere informatie

Checklist voor Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, nitraathoudende kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen

Checklist voor Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, nitraathoudende kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen Nr. 4.1.1 Checklist voor Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, nitraathoudende kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen Vindplaats Activiteitenbesluit: 4.1.1, artikel

Nadere informatie

Themabijeenkomst VBE PGS 15. Richtlijn opslag verpakte gevaarlijke stoffen

Themabijeenkomst VBE PGS 15. Richtlijn opslag verpakte gevaarlijke stoffen Themabijeenkomst VBE PGS 15 Richtlijn opslag verpakte gevaarlijke stoffen Maarten de Groot 9 september 2010 Programma 1. Voorstellen 2. Van CPR 15 naar PGS 15 3. PGS 15 nader toegelicht 4. Opbouw PGS 15

Nadere informatie

PGS 15. December 2011 versie 1.0 ten opzichte van PGS 15: Dupa Veiligheidstechniek 27-01-2012

PGS 15. December 2011 versie 1.0 ten opzichte van PGS 15: Dupa Veiligheidstechniek 27-01-2012 PGS 15 December 2011 versie 1.0 ten opzichte van PGS 15: 2005 Dupa Veiligheidstechniek 27-01-2012 Wijzigingen In tabel 1.2 is de ondergrens voor klasse 2 (gassen) gesteld op 125 l (was eerst 50 l). Voorschrift

Nadere informatie

Integrale controle opslag gevaarlijke stoffen. Meer dan PGS15 alleen

Integrale controle opslag gevaarlijke stoffen. Meer dan PGS15 alleen Integrale controle opslag gevaarlijke stoffen Meer dan PGS15 alleen Onderwerpen Belangrijkste wijzigingen (CPR 15-PGS15) PGS15 en Activiteitenbesluit Integraal (Bouwbesluit/Milieu/Gebruiksbesluit) (Integrale)

Nadere informatie

ADVIES. Registratienummer: 1308 Brandwerend rolscherm OV-busterminal Trefwoorden: Brandwerendheid, beoordelingscriteria, EI, EW Datum: 3 oktober 2013

ADVIES. Registratienummer: 1308 Brandwerend rolscherm OV-busterminal Trefwoorden: Brandwerendheid, beoordelingscriteria, EI, EW Datum: 3 oktober 2013 ADVIES Registratienummer: Betreft: Brandwerend rolscherm OV-busterminal Trefwoorden: Brandwerendheid, beoordelingscriteria, EI, EW : Status: Definitief Postbus 1819 3000 BV Rotterdam www.adviescommissiebrandveiligheid.nl

Nadere informatie

groot brandcompartiment, handhaving, spiegelsymmetrie, WBDBO

groot brandcompartiment, handhaving, spiegelsymmetrie, WBDBO ADVIES Registratienummer: 1103 Betreft: Trefwoorden: WBDBO bedrijfspand Vastgesteld d.d.: 31 januari 2011 Status: groot brandcompartiment, handhaving, spiegelsymmetrie, WBDBO Definitief Postbus 30941 2500

Nadere informatie

ATRIA EN HET BOUWBESLUIT

ATRIA EN HET BOUWBESLUIT ATRIA EN HET BOUWBESLUIT Veiligheidsregio Haaglanden 11-09-2006 Inleiding Onder een atrium wordt verstaan een wel of niet besloten ruimte welke zich over een aantal verdiepingen uitstrekt. Deze vorm van

Nadere informatie

Datum : 16 april 2015 : Externe veiligheid aanzet verantwoording groepsrisico

Datum : 16 april 2015 : Externe veiligheid aanzet verantwoording groepsrisico Notitie Project Projectnummer : 15-056 EV Betreft : Externe veiligheid aanzet verantwoording groepsrisico Behandeld door : Linda Gelissen 1 Inleiding Aan de Beatrixlaan te Weert wordt een Kennis en Expertise

Nadere informatie

RICHTLIJN CPR 15-1 OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN IN EMBALLAGE (opslag van vloeistoffen en vaste stoffen 0-10 ton)

RICHTLIJN CPR 15-1 OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN IN EMBALLAGE (opslag van vloeistoffen en vaste stoffen 0-10 ton) 1. Doel en functie 1. Doel en functie van richtlijnen van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen In onze steeds gecompliceerder wordende samenleving wordt een toenemend gebruik gemaakt

Nadere informatie

Checklist Gebruik en Opslag gevaarlijke stoffen Houtbewerking, bouwnijverheid en installatietechniek

Checklist Gebruik en Opslag gevaarlijke stoffen Houtbewerking, bouwnijverheid en installatietechniek Naam bedrijf Contactpersoon Adres vestiging Postcode + plaats Telefoonnummer Postadres Naam inspecteur Datum controle Activiteitenbesluit Type A Type B Type C Postcode + plaats Telefoonnummer nio = niet

Nadere informatie

OPNAME-RAPPORT APK-KEURING GEBOUWEN. Opsteller. Namens. Datum onderzoek. Aanwezig Naam Namens. Naam bouwwerk. Straat. Gemeente. Bestemming bouwwerk

OPNAME-RAPPORT APK-KEURING GEBOUWEN. Opsteller. Namens. Datum onderzoek. Aanwezig Naam Namens. Naam bouwwerk. Straat. Gemeente. Bestemming bouwwerk OPNAME-RAPPORT APK-KEURING GEBOUWEN Opsteller Namens Datum onderzoek Aanwezig Naam Namens Naam bouwwerk Straat Gemeente Bestemming bouwwerk Contactpersoon Telefoonnummer Datum gebruiksvergunning Datum

Nadere informatie

: Gevaarlijke stoffen

: Gevaarlijke stoffen Versie : 1.4 Onderwerp : Preventie-informatie Deze preventie-informatie behandelt de risico s van het behandelen en/of de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Wat is een gevaarlijke stof? Een gevaarlijke

Nadere informatie

Beleid bestaande bouw - beleidspakket. Kwaliteit brandveiligheid

Beleid bestaande bouw - beleidspakket. Kwaliteit brandveiligheid Beleid bestaande bouw - beleidspakket Kwaliteit brandveiligheid 1 Voorwoord In dit rapport zijn de door het gemeentebestuur vastgestelde pakketten met de brandveiligheidseisen voor bestaande gebouwen weergegeven.

Nadere informatie

ATEX REGELGEVING Regels en voorschriften voor apparaten, arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen in explosieve omgevingen

ATEX REGELGEVING Regels en voorschriften voor apparaten, arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen in explosieve omgevingen ATEX REGELGEVING Regels en voorschriften voor apparaten, arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen in explosieve omgevingen Sinds 30 juni 2003 is er het één en ander veranderd voor apparaten en beveiligingssystemen

Nadere informatie

Gevarenkaart nr. 1 Brandbare en oxiderende gassen

Gevarenkaart nr. 1 Brandbare en oxiderende gassen Toepassingsgebied en definities Gevarenkaart nr. 1 NB. Achtergrondinformatie m.b.t. de motivatie en verantwoording van keuzes en uitgangspunten voor deze gevarenkaart is opgenomen in het Achtergronddocument,

Nadere informatie

WET MILIEUBEHEER BESCHIKKING

WET MILIEUBEHEER BESCHIKKING WET MILIEUBEHEER BESCHIKKING Gegevens aanvrager Naam aanvrager : De heer Van Manen namens Kloosterboer Elst Bv Adres : Handelsweg 5 Postcode en plaats : 6662 NH ELST Gegevens inrichting Naam inrichting

Nadere informatie

ONTWERPBESCHIKKING. Aan Dierenkliniek Rotterdam BV t.a.v. de heer R. Bosch Ommoordseweg 24 3056 JP ROTTERDAM. Geachte heer Bosch,

ONTWERPBESCHIKKING. Aan Dierenkliniek Rotterdam BV t.a.v. de heer R. Bosch Ommoordseweg 24 3056 JP ROTTERDAM. Geachte heer Bosch, Bezoekadres: Galvanistraat 15 3029 AD ROTTERDAM Postadres: Postbus 6575 3002 AN ROTTERDAM Website: www.rotterdam.nl E-mail: ut.francisca@rotterdam.nl ONTWERPBESCHIKKING Aan Dierenkliniek Rotterdam BV t.a.v.

Nadere informatie

STAPPENPLAN BEOORDELING BRANDVEILIGHEID volgens Bouwbesluit 2012 UTILITEITSGEBOUWEN. Kenmerk: 2013-R-V1.2

STAPPENPLAN BEOORDELING BRANDVEILIGHEID volgens Bouwbesluit 2012 UTILITEITSGEBOUWEN. Kenmerk: 2013-R-V1.2 STAPPENPLAN BEOORDELING BRANDVEILIGHEID volgens Bouwbesluit 2012 UTILITEITSGEBOUWEN Kenmerk: 2013-R-V1.2 Datum rapport : Opdrachtgever : Project nummer : Behandeld door : Opmerking : STAPPENPLAN BEOORDELING

Nadere informatie

Bepalingen voor de opslag van gevaarlijke producten

Bepalingen voor de opslag van gevaarlijke producten Nieuwsbrief MilieuTechnologie, december 2000 (Kluwer, jaargang 7, nummer 11) Jan Gruwez & Stefaan Deboosere, TREVI nv Bepalingen voor de opslag van gevaarlijke producten Vorig jaar werden een aantal wijzigingen

Nadere informatie

Handige tips over brandweerstand

Handige tips over brandweerstand Handige tips over brandweerstand kb 7 juli 994 : basisnormen Voor preventie Van brand en ontploffing bijlage 6 Deze infofiche geeft een samenvatting van de regelgeving met betrekking tot de passieve veiligheid

Nadere informatie

Onderbouw. Brandveiligheidseisen ONDERBOUW. Om voor optoppen in aanmerking te komen moet een woongebouw aan

Onderbouw. Brandveiligheidseisen ONDERBOUW. Om voor optoppen in aanmerking te komen moet een woongebouw aan 3 Onderbouw Om voor optoppen in aanmerking te komen moet een woongebouw aan een aantal voorwaarden voldoen. Het is belangrijk dat het gebouw in goede bouwkundige staat verkeert, gunstig gelegen is en dat

Nadere informatie

STAPPENPLAN BEOORDELING BRANDVEILIGHEID (voor nieuwbouw utiliteitsgebouwen, op hoofdlijnen, volgens bouwbesluit 2012 versie 1.0)

STAPPENPLAN BEOORDELING BRANDVEILIGHEID (voor nieuwbouw utiliteitsgebouwen, op hoofdlijnen, volgens bouwbesluit 2012 versie 1.0) STAPPENPLAN BEOORDELING BRANDVEILIGHEID (voor nieuwbouw utiliteitsgebouwen, op hoofdlijnen, volgens bouwbesluit 2012 versie 1.0) Dit stappenplan biedt ontwerpers een richtlijn om te komen tot een brandveilig

Nadere informatie

Veelgestelde vragen Versie 21/04/2015

Veelgestelde vragen Versie 21/04/2015 Vlaamse overheid Afdeling Milieuvergunningen Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel T 02 553 79 97 F 02 553 79 95 milieuvergunningen@lne.vlaanderen.be Veelgestelde vragen Versie 21/04/2015 21/04/2015

Nadere informatie

WIJZIGINGSVERGUNNING WET MILIEUBEHEER

WIJZIGINGSVERGUNNING WET MILIEUBEHEER WIJZIGINGSVERGUNNING WET MILIEUBEHEER verleend aan Delamine B.V. (Locatie Oosterhorn 8 te Farmsum) Groningen, 21 augustus Nr. 2007-31.021/34, M V Procedure nr. Procedure Nummer 6264 Inhoudsopgave 1. VERZOEK

Nadere informatie

Beschrijving. Adviesvraag ADVIES

Beschrijving. Adviesvraag ADVIES ADVIES Registratienummer: Betreft: Onderbouwing gelijkwaardigheid sprinkler Trefwoorden: Bouwbesluit 2012, industriefunctie, NEN 6060, gelijkwaardigheid, nieuwbouw, compartimentering, loopafstand, sprinkler

Nadere informatie

Bovengenoemd project betreft de nieuwbouw van een melkveestal voor vof Aarts aan de Broekstraat 2a te Asten-Heusden.

Bovengenoemd project betreft de nieuwbouw van een melkveestal voor vof Aarts aan de Broekstraat 2a te Asten-Heusden. Documentnummer 1405f d.d. 30 mei 2014 Projectnummer 14.5725.1a Project melkveestal Aarts Betreft brandcompartimentering Bovengenoemd project betreft de nieuwbouw van een melkveestal voor vof Aarts aan

Nadere informatie

Groepsrisicoberekening MAVOM tbv Wm-vergunningprocedure

Groepsrisicoberekening MAVOM tbv Wm-vergunningprocedure Groepsrisicoberekening MAVOM tbv Wm-vergunningprocedure Paul van Aller Jan Heckman September 2010 Provincie Zuid-Holland 1 INLEIDING MAVOM heeft een vergunning aangevraagd die gevolgen heeft voor de externe

Nadere informatie

6 - OPSLAG VAN GASFLESSEN

6 - OPSLAG VAN GASFLESSEN VOORSCHRIFTEN behorende bij het ontwerpbesluit betreffende de Wet milieubeheer voor de inrichting Cubri Pallet en Handelsmij BV Kanaalweg 14 te Schoonebeek 2 1 3 - ALGEMEEN 3 1.1. 3.16 - Veiligheidsignalering,

Nadere informatie

EU-GHS: nieuwe regels over etikettering en indelen van gevaarlijke stoffen

EU-GHS: nieuwe regels over etikettering en indelen van gevaarlijke stoffen Verordening (EG) Nr. 1272/2008 over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels 1 geldt vanaf 20 januari 2009. De verordening in Nederland aangeduid als EU-GHS introduceert nieuwe regels

Nadere informatie

Checklist 7. Chemicaliën. School:... Datum:... Vestiging:... Ingevuld door sectie / docent / TOA:... Vak:... Lokaal / kabinet:... in orde d.d.

Checklist 7. Chemicaliën. School:... Datum:... Vestiging:... Ingevuld door sectie / docent / TOA:... Vak:... Lokaal / kabinet:... in orde d.d. Checklist 7 Chemicaliën School:... Datum:... Vestigg:... Ingevuld door sectie / docent / TOA:... Vak:... Lokaal / kabet:... Nr Aandachtspunt Omschrijvg Opmerkg 7.1 Veiligheid en structie 7.1.1 Bij het

Nadere informatie

CHECKLIST OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN > 10.000 kg of liter. Begrippen

CHECKLIST OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN > 10.000 kg of liter. Begrippen CHECKLIST OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN > 0.000 kg of liter Begrippen Handhavingskleurspoor Grijs: Milieuvergunning Handhavingskleurspoor Rood: RO = Ruimtelijke ning Bouw is gerelateerd aan de Bouwvergunning

Nadere informatie

Brandpreventie. Werk nr. 2010-057 Datum: 15-09-2014 HOOFDGEBOUW (2014)

Brandpreventie. Werk nr. 2010-057 Datum: 15-09-2014 HOOFDGEBOUW (2014) Brandpreventie Project: Werk nr. 2010-057 Datum: 15-09-2014 Camping Oranjezon HOOFDGEBOUW (2014) Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Algemeen Hoofdstuk 2 Indeling brandcompartimenten Hoofdstuk 3 Indeling beschermde

Nadere informatie

Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken. Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid

Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken. Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten 1 De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen

Nadere informatie

Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen conform PGS 15 bij Elha Cosmetics BV te Burgerveen

Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen conform PGS 15 bij Elha Cosmetics BV te Burgerveen Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen conform PGS 15 bij Elha Cosmetics BV te Burgerveen Onderdeel van een melding krachtens het Activiteitenbesluit milieubeheer Rapportnummer FA 20091-3-RA-001 d.d.

Nadere informatie

Herziening PGS 15. CTGG-dag 27november 2015. Macco Korteweg Maris Beleidsmedewerker (transport)veiligheid

Herziening PGS 15. CTGG-dag 27november 2015. Macco Korteweg Maris Beleidsmedewerker (transport)veiligheid Herziening PGS 15 CTGG-dag 27november 2015 Macco Korteweg Maris Beleidsmedewerker (transport)veiligheid Korte live enquete Vraag 1 : Wie in de zaal heeft helemaal NIETS te maken met de PGS 15? Vraag 2

Nadere informatie

VEILIGHEIDSREGIO HAAGLANDEN

VEILIGHEIDSREGIO HAAGLANDEN VEILIGHEIDSREGIO HAAGLANDEN Brandveiligheid woonwagens en woonwagenstandplaatsen 14 juni 2006 Woonwagens-Brandveiligheid woonwagens 1 Inhoud. Blz. 1. Inleiding 3 2. Begripsomschrijvingen 4 3. Omstandigheden

Nadere informatie

Explosieveiligheid in PGS 15-opslagen voor verpakte gevaarlijke stoffen

Explosieveiligheid in PGS 15-opslagen voor verpakte gevaarlijke stoffen Explosieveiligheid in PGS 15-opslagen voor verpakte gevaarlijke stoffen Standpunt Arbeidsinspectie betreffende UN-gekeurde verpakkingen en verpakkingen onder het LQ-regime Samenvatting Dit standpunt is

Nadere informatie

Rapportnummer: 2012/Polyplus/01

Rapportnummer: 2012/Polyplus/01 UMEO milieuadvies Wilhelminastraat 98 7462 CJ Rijssen Project: QRA Polyplus, Assen Opdrachtgever: Gemeente Assen Rapportnummer: 2012/Polyplus/01 Status: definitief Auteur: ing. H. Hiltjesdam Telefoon:

Nadere informatie

Overzicht symbolen Afdrukdatum: 08-03-2002

Overzicht symbolen Afdrukdatum: 08-03-2002 Risico C Bijtend Geen gevarenidentificatie Xi Irriterend F Licht ontvlambaar N Milieu gevaarlijk E Ontplofbaar Ontvlambaar O Oxyderend Xn Schadelijk T Vergiftig Pagina: 1 van 11 Risico F+ Zeer licht ontvlambaar

Nadere informatie

Opslag van gasflessen. (Volgens PGS 15)

Opslag van gasflessen. (Volgens PGS 15) Opslag van gasflessen. (Volgens PGS 15) (Gerichte samenvatting op basis van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen - juli 2005) Ten geleide Voor Nederland geldt

Nadere informatie

College van Burgemeester en Wethouders van Enschede Postbus 20 7500 AA Enschede

College van Burgemeester en Wethouders van Enschede Postbus 20 7500 AA Enschede > Retouradres Postbus 16191 2500 BD Den Haag College van Burgemeester en Wethouders van Enschede Postbus 20 7500 AA Enschede Postbus 16191 2500 BD Den Haag www.ilent.nl Contactpersoon F.H.M. van Nieuwenborg

Nadere informatie

CHECKLIST PROJECT TRANSPORTBEDRIJVEN

CHECKLIST PROJECT TRANSPORTBEDRIJVEN CHECKLIST PROJECT TRANSPORTBEDRIJVEN 1. Gegevens bedrijfsdossier 1.1 Algemeen Naam bedrijf Adres Plaats / postcode Telefoon Contactpersoon Inrichtingsnummer Procedurenummer Gecontroleerd door Datum controle

Nadere informatie

Raadsvoorstel tot het wijzigen van de Bouwverordening gemeente

Raadsvoorstel tot het wijzigen van de Bouwverordening gemeente gemeente Eindhoven Dienst Stedelijke Ontwikkeling en Beheer Raadsnummer 03.R499.OOI Inboeknummer osbooo4s4 Beslisdatum BikW xo juni soos Dossiernummer a24.75i Raadsvoorstel tot het wijzigen van de Bouwverordening

Nadere informatie

BELEIDSNOTA CONSUMENTENVUURWERK WORMERLAND

BELEIDSNOTA CONSUMENTENVUURWERK WORMERLAND BELEIDSNOTA CONSUMENTENVUURWERK WORMERLAND September 2011-1 - Inhoudsopgave 1 Inleiding 2 Doel 3 Verhouding met de APV en het Vuurwerkbesluit 4 Argumentatie 5 Beleidsregels 6 Vaststelling, citeertitel

Nadere informatie

Brandveiligheidsaspecten van de uitbreiding van het kantoorpand van IHC Hydrohammer B.V. te Kinderdijk. Ontwerp met 3 verdiepingen

Brandveiligheidsaspecten van de uitbreiding van het kantoorpand van IHC Hydrohammer B.V. te Kinderdijk. Ontwerp met 3 verdiepingen Brandveiligheidsaspecten van de uitbreiding van het kantoorpand van IHC Hydrohammer B.V. te Kinderdijk Ontwerp met 3 verdiepingen Rapportnummer FM 17692-3-RA d.d. 27 februari 2014 Brandveiligheidsaspecten

Nadere informatie

Handboek brandbestrijdingssystemen

Handboek brandbestrijdingssystemen 14 Handboek brandbestrijdingssystemen PUBLICATIEREEKS GEVAARLIJKE STOFFEN Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 14 Handboek brandbestrijdingssytemen (te hanteren naast PGS 15: opslag van verpakte gevaarlijke

Nadere informatie

BRANDWEER Regio Groningen

BRANDWEER Regio Groningen BRANDWEER Regio Groningen Afdeling Risicobeheersing.#ïb«^ provincie ' ' ~ groningen BEZOEKADRES Sontweg 10 Provincie Groningen Milieuvergunningen De heer E.P. Pol Postbus 610 9700 AP GRONINGEN ing.d.d.:

Nadere informatie

KEURMERK VEILIGE BOTENSTALLING SCHOUWINGRAPPORT

KEURMERK VEILIGE BOTENSTALLING SCHOUWINGRAPPORT Stichting VbV Postbus 21, 7300 AA, APELDOORN +31 55-527 05 05 FA: +31 55-522 67 66 Schouwinggegevens VbV referentie: KVB KEURMERK VEILIGE BOTENSTALLING SCHOUWINGRAPPORT Bedrijfsnaam: Aantal loodsen: Naam

Nadere informatie

VOORSCHRIFTEN. behorende bij het ontwerpbesluit. betreffende de Wet milieubeheer voor de inrichting

VOORSCHRIFTEN. behorende bij het ontwerpbesluit. betreffende de Wet milieubeheer voor de inrichting VOORSCHRIFTEN behorende bij het ontwerpbesluit betreffende de Wet milieubeheer voor de inrichting Jellice Pioneer Europe te Kapitein Antiferstraat 31 te Emmen 2 INHOUDSOPGAVE 1 OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN

Nadere informatie

Besluit buiten. behandeling. laten. nee. 2 3 Alle toestemmingen Is EV relevant? Is de. ja aangevraagd & volledig? aanvraag. compleet?

Besluit buiten. behandeling. laten. nee. 2 3 Alle toestemmingen Is EV relevant? Is de. ja aangevraagd & volledig? aanvraag. compleet? Voorbereiding Aanvraag Beoordeling en besluitvorming Aanvrager: burger of bedrijf Initiatief nemen en verkennen mogelijkheden Opstellen Indienen bij bevoegd gezag Geen omgevingsvergunning benodigd EV niet

Nadere informatie

Beleidsnotitie. Huisvesting (buitenlandse) seizoenswerknemers in de fruitteelt

Beleidsnotitie. Huisvesting (buitenlandse) seizoenswerknemers in de fruitteelt Beleidsnotitie Huisvesting (buitenlandse) seizoenswerknemers in de fruitteelt Gemeente Houten vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders, 10-9-2013 1 Beleidsnotitie huisvesting (buitenlandse)

Nadere informatie

InleIDInG ReGelGeVInG en BouwBeSluIT

InleIDInG ReGelGeVInG en BouwBeSluIT 4. BRANDVEILIGHEID INLEIDING REGELGEVING EN BOUWBESLUIT Gevels van gebouwen zijn de belangrijkste onderdelen als het gaat om de bescherming van de inhoud van het gebouw en het comfort voor de gebruikers.

Nadere informatie

EXTERNE VEILIGHEID DEVENTER BEDRIJVENPARK A1 RAPPORTAGE

EXTERNE VEILIGHEID DEVENTER BEDRIJVENPARK A1 RAPPORTAGE EXTERNE VEILIGHEID DEVENTER BEDRIJVENPARK A1 RAPPORTAGE GEMEENTE DEVENTER 11 oktober 2007 141223/EA7/1A8/000523/sfo Inhoud 1 Inleiding 3 1.1 Achtergrond en doel 3 2 Analyse risico s 4 2.1 Wet- en regelgeving

Nadere informatie

Atria en brandveiligheid

Atria en brandveiligheid AKOESTIEK EN BOUWFYSICA LAWAAIBEHEERSING MILIEUTECHNOLOGIE BRANDVEILIGHEID Atria en brandveiligheid ir J.J. Mertens Zoetermeer Mook Düsseldorf Parijs Londen www.peutz.nl Aan de orde komen wat zijn kenmerken

Nadere informatie

ADVIES. Beschrijving. Pagina 1 van 5. Adviescommissie Praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften. Postbus 1819 3000 BV Rotterdam

ADVIES. Beschrijving. Pagina 1 van 5. Adviescommissie Praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften. Postbus 1819 3000 BV Rotterdam ADVIES Registratienummer: 1302-1 Betreft: Parkeren onder galerij woongebouw Trefwoorden: Parkeren onder galerij, rookvrije vluchtroute, niet-besloten ruimte : Status: Definitief Beschrijving Het project

Nadere informatie

Proefexamen ATEX Basis ATEX.05

Proefexamen ATEX Basis ATEX.05 01. Welke van de onderstaande definities omschrijft de ATEX 137-richtlijn het best? a. Geeft minimum voorschriften voor de verbetering van de gezondheids bescherming en van de veiligheid van de werknemers

Nadere informatie

Klaar voor de toekomst met DENIOS opslagvoorzieningen HET EUROPESE BRANDCOMPARTIMENT. 120 minuten brandwerend. Voor uw veiligheid en ons milieu

Klaar voor de toekomst met DENIOS opslagvoorzieningen HET EUROPESE BRANDCOMPARTIMENT. 120 minuten brandwerend. Voor uw veiligheid en ons milieu Klaar voor de toekomst met DENIOS opslagvoorzieningen HET EUROPESE BRANDCOMPARTIMENT 120 minuten brandwerend Voor uw veiligheid en ons milieu Meer dan het verleden interesseert mij de toekomst, want daarin

Nadere informatie

Project: Verbouw van tot een kinderdagverblijf Kinderdagverblijf Dolfijn te Voorthuizen Adviesrapport brandpreventie

Project: Verbouw van tot een kinderdagverblijf Kinderdagverblijf Dolfijn te Voorthuizen Adviesrapport brandpreventie Project: Verbouw van tot een kinderdagverblijf Kinderdagverblijf Dolfijn te Voorthuizen Adviesrapport brandpreventie Project 20130202: Verbouw tot een kinderdagverblijf Kinderdagverblijf Dolfijn te Voorthuizen

Nadere informatie

Bouwdeel F/G Brouwhuis aan de Ceresstraat te Breda

Bouwdeel F/G Brouwhuis aan de Ceresstraat te Breda Quickscan brandveiligheid Omgevingsvergunning Project: Bouwdeel F/G Brouwhuis aan de Ceresstraat te Breda Kenmerk: 2014139.qsb.mj.a1 Datum: 16-03-2015 Bijlage 7 bij besluit 2014/1642-V1 Bezoekadres Postadres

Nadere informatie

Postbus 554 2665 ZN Bleiswijk Brandpuntlaan Zuid 16 2665 NZ Bleiswijk 088 3473 723 nederland@efectis.com

Postbus 554 2665 ZN Bleiswijk Brandpuntlaan Zuid 16 2665 NZ Bleiswijk 088 3473 723 nederland@efectis.com Postbus 554 2665 ZN Bleiswijk Brandpuntlaan Zuid 16 2665 NZ Bleiswijk 088 3473 723 nederland@efectis.com Vleugelboot 22 3991 CL HOUTEN Boerhaavelaan 40 2713 H ZOETERMEER Postbus 190 2700 AD ZOETERMEER

Nadere informatie

ADVIES. Pagina 1 van 5. Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften. Secretariaat info@adviescommissiebrandveiligheid.

ADVIES. Pagina 1 van 5. Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften. Secretariaat info@adviescommissiebrandveiligheid. ADVIES Registratienummer: Betreft: Vluchtroute woning door ijssalon Trefwoorden: Bouwbesluit 2012, monument, woning, winkel, handhaving, bestaande bouw, vluchtroute, BMI : Status: Definitief Beschrijving

Nadere informatie

Onderzoek externe veiligheid plangebied Afrikastraat te Ittervoort. Datum 7 december 2009 Referentie 20091936-02

Onderzoek externe veiligheid plangebied Afrikastraat te Ittervoort. Datum 7 december 2009 Referentie 20091936-02 Onderzoek externe veiligheid plangebied Afrikastraat te Ittervoort Datum Referentie 20091936-02 Referentie 20091936-02 Rapporttitel Onderzoek externe veiligheid plangebied Afrikastraat te Ittervoort Datum

Nadere informatie

datum x kenmerk x uw kenmerk/brief van x doorkiesnummer x R41/ 010 284 8747

datum x kenmerk x uw kenmerk/brief van x doorkiesnummer x R41/ 010 284 8747 datum x kenmerk x uw kenmerk/brief van x doorkiesnummer x R41/ 010 284 8747 onderwerp x X behandeld door/e-mail x bouwvergunning (nummer 20090074) veranderen indeling bedrijfshal Nijverheidstraat 124 A.J.

Nadere informatie

RUD Utrecht. Toetsing plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording groepsrisico (GR) Bestemmingsplan Paardenveld de Kade

RUD Utrecht. Toetsing plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording groepsrisico (GR) Bestemmingsplan Paardenveld de Kade RUD Utrecht Toetsing plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording groepsrisico (GR) Bestemmingsplan Paardenveld de Kade Auteur : J. van Berkel Datum : 17 december 2014 RUD Utrecht Archimedeslaan 6 3584

Nadere informatie

Checklist Zorg voor de veiligheid in kerkgebouwen

Checklist Zorg voor de veiligheid in kerkgebouwen Checklist Zorg voor de veiligheid in kerkgebouwen Stappenplan Om tot een verantwoord plan van aanpak te komen, is het noodzakelijk een stappenplan te maken waarin de volgende stappen worden onderscheiden:

Nadere informatie

Kwaliteitsverklaringen, afgegeven op basis van BRL 5065 Mineraal gebonden houtwolplaten d.d. 20-10- 2003 behouden hun geldigheid tot 01-10-2013.

Kwaliteitsverklaringen, afgegeven op basis van BRL 5065 Mineraal gebonden houtwolplaten d.d. 20-10- 2003 behouden hun geldigheid tot 01-10-2013. Vastgesteld door het College van Deskundigen d.d. 30012013 Aanvaard door de Harmonisatiecommissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit d.d. 21032013 Pagina 1 van 11 Dit wijzigingsblad is op 21032013 door

Nadere informatie

ADVIES. Pagina 1 van 6. Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften. Secretariaat info@adviescommissiebrandveiligheid.

ADVIES. Pagina 1 van 6. Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften. Secretariaat info@adviescommissiebrandveiligheid. ADVIES Registratienummer: Betreft: Adviesaanvraag upgrade tweede vluchtmogelijkheid of enkele vluchtroute op galerij Trefwoorden: Verbouw, handhaving, zorgplicht, vluchtroute, beschermde route, enkele

Nadere informatie

Arbeidsomstandighedenregeling. Hoofdstuk 4. Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen. Paragraaf 4.1 Veiligheid aan op of in tankschepen

Arbeidsomstandighedenregeling. Hoofdstuk 4. Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen. Paragraaf 4.1 Veiligheid aan op of in tankschepen Arbeidsomstandighedenregeling Hoofdstuk 4. Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen Paragraaf 4.1 Veiligheid aan op of in tankschepen Artikel 4.1. Definities Voor de toepassing van deze paragraaf

Nadere informatie

Kwantitatieve risicoanalyse fa. Brandsma te Hilversum

Kwantitatieve risicoanalyse fa. Brandsma te Hilversum externe veiligheid, risicoanalyses en risico[informatie + voorlichting] AVIV BV Langestraat 11 7511 HA Enschede Kwantitatieve risicoanalyse fa. Brandsma te Hilversum Datum : 13 februari 2012 Project :

Nadere informatie

Datum Referentie Uw referentie Behandeld door 16 maart 2012 20112539-03 C. Land

Datum Referentie Uw referentie Behandeld door 16 maart 2012 20112539-03 C. Land Notitie 20112539-03 Verantwoordingsparagraaf Externe Veiligheid Polanenpark Datum Referentie Uw referentie Behandeld door 16 maart 2012 20112539-03 C. Land 1 Inleiding In opdracht van Van Riezen & partners

Nadere informatie

Vervang de inhoud van de volgende paragrafen in de BRL door de aangegeven tekst.

Vervang de inhoud van de volgende paragrafen in de BRL door de aangegeven tekst. Wijzigingsblad BRL 2811 Ferrocement-producten Datum wijzigingsblad 27-09-2012 Vastgesteld door CvD Constructief Beton d.d. 21 juni 2012 Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit

Nadere informatie

Roozen - van Hoppe Bouw en Ontwikkeling bv T.a.v. de heer Jeroen Pel Postbus 165 5080 AD HILVARENBEEK

Roozen - van Hoppe Bouw en Ontwikkeling bv T.a.v. de heer Jeroen Pel Postbus 165 5080 AD HILVARENBEEK Roozen - van Hoppe Bouw en Ontwikkeling bv T.a.v. de heer Jeroen Pel Postbus 165 5080 AD HILVARENBEEK datum: 13 augustus 2015 ons kenmerk: 5777S02 inzake: Abdij Koningsoord te Berkel Enschot Geachte heer

Nadere informatie

Externe veiligheid. in bestemmingsplannen. Door: Hans Boerhof & André Gijsendorffer Hengelo, 12-10-2006

Externe veiligheid. in bestemmingsplannen. Door: Hans Boerhof & André Gijsendorffer Hengelo, 12-10-2006 Externe veiligheid in bestemmingsplannen Door: Hans Boerhof & André Gijsendorffer Hengelo, 12-10-2006 Externe veiligheid in bestemmingsplannen Welke informatie is noodzakelijk bij beoordeling: Inventariseren

Nadere informatie

Eind- en toetstermen Brandpreventie Deskundige I

Eind- en toetstermen Brandpreventie Deskundige I Eind- en toetstermen Brandpreventie Deskundige I CertoPlan B.V. Postbus 85200 3508 AE UTRECHT Ptolemaeuslaan 900 3528 BV UTRECHT Telefoon (0)30 23 45 671 Website www.certoplan.nl Mail examens@certoplan.nl

Nadere informatie

Brandveiligheidsonderzoek. Van de nieuw te bouwen loods aan de Druisdijk 9B te Alphen

Brandveiligheidsonderzoek. Van de nieuw te bouwen loods aan de Druisdijk 9B te Alphen Brandveiligheidsonderzoek Van de nieuw te bouwen loods aan de Druisdijk 9B te Alphen Van Dun Advies BV Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten T: 013-519 9458 F: 013-519 9727 E: info@vandunadvies.nl www.vandunadvies.nl

Nadere informatie

Betreft: Beroepsschrift inzake besluit op bezwaar inzake handhavingsverzoek mbt brandveiligheid Hummel Recycling BV

Betreft: Beroepsschrift inzake besluit op bezwaar inzake handhavingsverzoek mbt brandveiligheid Hummel Recycling BV Leek, 16 april 2013 Van: FrisLeek p/a Mulderspark 9-1 9351 NR Leek Aan: Rechtbank Noord Nederland Sector Bestuursrecht Postbus 200 9400 AE Assen Betreft: Beroepsschrift inzake besluit op bezwaar inzake

Nadere informatie

EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Beoordeling van explosiegevaren door stof van installaties en arbeidsplaatsen

EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Beoordeling van explosiegevaren door stof van installaties en arbeidsplaatsen Installatie: Arbeidsplaats: Beschrijving van de installatie en arbeidsplaats Verantwoordelijke: (1) Brandbare Stoffen (2) Gegevens van de meest kritische stof Ontstekingstemperatuur: Ontstekingsenergie:

Nadere informatie

Veestallen en gelijkwaardige oplossingen

Veestallen en gelijkwaardige oplossingen Veestallen en gelijkwaardige oplossingen Preventie Commissie Zuid Nederland April 2009 i --- r L, gemeente 1 )) Eersel,--, Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel

Nadere informatie

Infobrief Landelijke regels voor Brandveiligheid toegelicht : 1. Stroomschema s en Bouwbesluit nu en in de toekomst

Infobrief Landelijke regels voor Brandveiligheid toegelicht : 1. Stroomschema s en Bouwbesluit nu en in de toekomst Infobrief 1: Stroomschema s en Bouwbesluit nu en in de toekomst Infobrief Landelijke regels voor Brandveiligheid toegelicht : De Nederlandse regelgeving op het gebied van brandveiligheid zit ingewikkeld

Nadere informatie

Gelijkwaardige oplossing brandveiligheid voor woongebouw aan de Torenstraat/Statenlaan te Drunen

Gelijkwaardige oplossing brandveiligheid voor woongebouw aan de Torenstraat/Statenlaan te Drunen College Onderwerp: V200900620 Gelijkwaardige oplossing brandveiligheid voor woongebouw aan de Torenstraat/Statenlaan te Drunen Samenvatting: Inleiding: De bouwaanvraag van Stichting Woonveste voor een

Nadere informatie

Identificatie gevaarlijke stoffen

Identificatie gevaarlijke stoffen Identificatie gevaarlijke stoffen 2 Gas 3 Brandbare vloeistof 4 Brandbare vaste stof 5 Oxiderende werkende stof of Organische peroxide 6 Giftige stof 7 Radioactieve stof 8 Bijtende stof 9 Diverse gevaarlijke

Nadere informatie

Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi III)

Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi III) Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi III) Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi III) Op 13 februari 2009 is de derde wijziging van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi

Nadere informatie

Voorbeeld INVENTARISATIE VOORZIENINGEN

Voorbeeld INVENTARISATIE VOORZIENINGEN Voorbeeld INVENTARISATIE VOORZIENINGEN VOORZIENINGEN Bestaande preventieve voorzieningen en maatregelen dienen in kaart te worden gebracht en te worden geanalyseerd. In een aantal gevallen, b.v. bij brandblusmiddelen,

Nadere informatie

Inleiding. Situering. De situering van het geplande asielzoekerscentrum is in onderstaande figuur weergegeven.

Inleiding. Situering. De situering van het geplande asielzoekerscentrum is in onderstaande figuur weergegeven. Notitie 2015.245.02-01: Beperkte verantwoording tijdelijk asielzoekerscentrum Jachthuisweg te Hardenberg Berg en Terblijt, 6 oktober 2015 1. Inleiding Men is voornemens een asielzoekerscentrum te vestigen

Nadere informatie

Bouwkundige brandveiligheid en WBDBO in de praktijk We willen een brand graag beheersbaar houden.

Bouwkundige brandveiligheid en WBDBO in de praktijk We willen een brand graag beheersbaar houden. Bouwkundige brandveiligheid en WBDBO in de praktijk We willen een brand graag beheersbaar houden. 1 BEPERKING VAN UITBREIDING VAN BRAND Brandcompartiment Het gedeelte van het gebouw dat bestemd is als

Nadere informatie

A D V I E S V E R S L A G. Vervoer & Opslag Gevaarlijke Stoffen. Schwartzmans B.V.

A D V I E S V E R S L A G. Vervoer & Opslag Gevaarlijke Stoffen. Schwartzmans B.V. A D V I E S V E R S L A G 2013 Vervoer & Opslag Gevaarlijke Stoffen B.V. EVO - Afdeling Bedrijfsadvies Signaalrood 60 2718 SG Zoetermeer Postbus 350 2700 AJ Zoetermeer 079 346 73 46 Bedrijfsgegevens Naam:

Nadere informatie

Presentatie BRAND-voorschriften

Presentatie BRAND-voorschriften Presentatie BRAND-voorschriften 28 november 2013 Pieter Stox Bouwkundig adviseur mob: 06-51588910 pstox@arvalis.nl INTRODUCTIE ARVALIS Agrarisch adviesbedrijf, ontstaan vanuit de Limburgse Land- en Tuinbouwbond

Nadere informatie

Risicoberekening vervoer gevaarlijke stoffen Randweg Zundert

Risicoberekening vervoer gevaarlijke stoffen Randweg Zundert Risicoberekening vervoer gevaarlijke stoffen projectnr. 196747 revisie 00 december 2010 Opdrachtgever Gemeente Zundert datum vrijgave beschrijving revisie 00 goedkeuring vrijgave December 2010 Menno de

Nadere informatie

Zaanstreek-Waterland Zaanstad

Zaanstreek-Waterland Zaanstad Zaanstreek-Waterland Zaanstad Sector Voorbereidende Brandweerzorg, Afdeling Proactie en Bouwvergunningen Postadres: Postbus 150, 1500 ED Zaandam Bezoekadres: Prins Bernhardplein 112, 1508 XB Zaandam Tel:

Nadere informatie

V e i l i g h e i d s t e c h n i e k. www.dupa.nl. www. dupa.nl info@dupa.nl +31 (0)76 5086507

V e i l i g h e i d s t e c h n i e k. www.dupa.nl. www. dupa.nl info@dupa.nl +31 (0)76 5086507 www.dupa.nl Inhoud Voor u ligt onze wegwijzer. Een makkelijk en handzaam naslagwerk, waar u systematisch door de Nederlandse regelgeving PGS 15 hoofdstuk 3 en 6 wordt geleid. Wij hopen hiermee voor u

Nadere informatie

Uitgebreide Checklist. 1. Organisatorische aspecten

Uitgebreide Checklist. 1. Organisatorische aspecten Uitgebreide Checklist 1. Organisatorische aspecten Controlerapporten, keuringsrapporten, certificaten etc. zijn verzameld in een logboek. Zijn alle controles in het logboek vastgelegd, inclusief datum

Nadere informatie

Branddeuren Rolluiken

Branddeuren Rolluiken Branddeuren Rolluiken Architectuur in Hermetica NEDERLAND Vrijheidweg 37 1521 RP Wormerveer Tel. +31(0)75-6474600 Fax. +31(0)75-6474699 BELGIË Rubensstraat 104 2300 Turnhout Tel. +32(0)14470980 Fax. +32(0)14470981

Nadere informatie

RUD Utrecht. Toetsing plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording groepsrisico (GR) Bestemmingsplan Oog in Al

RUD Utrecht. Toetsing plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording groepsrisico (GR) Bestemmingsplan Oog in Al RUD Utrecht Toetsing plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording groepsrisico (GR) Bestemmingsplan Oog in Al Auteur : J. van Berkel Datum : 4 december 2014 RUD Utrecht Archimedeslaan 6 3584 BA Utrecht

Nadere informatie

Toolbox-meeting Gevaarlijke stoffen

Toolbox-meeting Gevaarlijke stoffen Toolbox-meeting Gevaarlijke stoffen Unica installatietechniek B.V. Schrevenweg 2 8024 HA Zwolle Tel. 038 4560456 Fax 038 4560404 Inleiding In het dagelijks leven kunnen we niet meer zonder chemische stoffen.

Nadere informatie

De klassieke oranje HSID-symbolen vervallen en worden vervangen door de nieuwe GHS/CLP-pictogrammen.

De klassieke oranje HSID-symbolen vervallen en worden vervangen door de nieuwe GHS/CLP-pictogrammen. GEMEENSCHAPPELIJKE PREVENTIEDIENST Gevaarlijke stoffen - etikettering De klassieke oranje HSID-symbolen vervallen en worden vervangen door de nieuwe GHS/CLP-pictogrammen. Op 31 december 2008 is de Verordening

Nadere informatie