RUW EERSTE CONCEPT, NIET CITEREN; COMMENTAAR WELKOM

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "RUW EERSTE CONCEPT, NIET CITEREN; COMMENTAAR WELKOM"

Transcriptie

1 Nederlandse ArbeidsmarktDag 29, 14 oktober 29, gebouw Sociaal-economische Raad Sessie vergrijzing Versie 11/1/29 Wiemer Salverda, Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies 1 WELVAARTSVAST PENSIOEN: CRISIS VAN DE ULTIEME POLDERMYTHE? RUW EERSTE CONCEPT, NIET CITEREN; COMMENTAAR WELKOM Samenvatting Het Nederlandse pensioen is nu overduidelijk niet welvaartsvast gebleken. Dat is effectief al langere tijd niet het geval en kan nog lange jaren zo blijven. Basisoorzaak is de decennialange collectieve loonmatiging, die de boot van de welvaartsontwikkeling heeft gemist. Het gebrek aan weloverwogen samenhang in het systeem en veranderingen op belangrijke onderdelen van het stelsel, zoals het middelloon en de nabestaandenvoorziening, dragen hier verder aan bij. Ze zetten het stelsel op een ramkoers met het wereldkampioenschap deeltijdwerken. Kortzichtige toezichtsregels doen er nog een flinke schep bovenop. In de financiering bijt het stelsel in zijn eigen staart door actieve deelname in het spel op de financiële wereldmarkt. Organisatorisch geldt hetzelfde de sterke opbouw op basis van bedrijven en bedrijfstakken staat in toenemende mate (inter)nationale arbeidsmarktflexibiliteit zonder pensioenverlies in de weg. Gevolgen voor pensioengedrag leiden tot een ongecontroleerde groei van individuele voorzieningen die een beter doelwit voor reductie van overheidsuitgaven vormen dan de verlaging van de AOW. Een schets van basiskenmerken wordt gevolgd door een gedetailleerde beschouwing van achtereenvolgens de uitkeringskant en de financieringskant van het pensioenstelsel. Afgesloten wordt met een discussie die bepleit om naar analogie van de ziektekostenverzekering met de invoering van een basispensioenregeling een win-win-situatie te scheppen van een beter inzicht voor individuele deelnemers in hun situatie en rechten, een verbeterde samenhang in het stelsel, een adequaat antwoord op hedendaagse arbeidsmarktontwikkelingen en een democratisch en op realistische leest geschoeid toezicht met behoud van de rol van werkgevers en werknemersorganisaties. 1

2 2 De Nederlandse arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen vertonen enkele opvallende kenmerken in vergelijking met andere landen, inclusief de nauw verwante buurlanden. Het relatief zeer sterk ontwikkelde kapitaaldekkingsstelsel van de collectieve pensioenregelingen is een belangrijk voorbeeld. Deze regelingen lijken bovendien het laatst overgebleven materiële aspect van de arbeidsrelatie dat nog volledig in handen is van de sociale partners, nadat regeringsmaatregelen in de afgelopen decennia een eind maakten aan hun rol in de uitvoering van werknemersverzekeringen en arbeidsbemiddeling. De wijd verbreide gedachte dat Nederland een uitmuntend pensioenstelsel heeft dat voorziet in een welvaartsvast inkomen voor gepensioneerde werknemers, is recentelijk ernstig aangetast door de financiële crisis die de huidige bezittingen neerwaarts en de toekomstige verplichtingen opwaarts heeft beïnvloed. Bovendien is het stelsel niet geheel los van het voorgaande sinds enkele jaren voorwerp van intensief en indringend financieel-administratief toezicht door de Nederlandsche Bank (DNB), gebaseerd op de nieuwe Pensioenwet van 27. Tot slot vormt het op dit moment onderwerp van een verhit publiek debat en politieke beleidsbepaling dat behalve de inhoud ook de vorm (met name de governance ) kan beïnvloeden. Deze ontwikkelingen werpen onmiddellijk de vraag op naar het functioneren van het stelsel en de perspectieven voor de toekomst, en daarbij in welke mate de sociale partners de zaak nog onder controle hebben en kunnen houden. Impliciet is de vraag naar de noodzaak, urgentie en mogelijkheid van verandering. Hoe presteert het stelsel nu en welke bedreigingen zijn er voor de toekomst? Klopt dat met gerede verlangens en verwachtingen? Als aan de ene kant de pensioenen achter zouden blijven bij de robuuste verwachtingen van individuele werknemers, en aan de andere kant de beheers- en organisatievrijheid van de sociale partners door regeringsbeleid en de toezichthouder drastisch zou worden gereduceerd, kan de toekomst van het stelsel penibel worden. 1. Ontwikkeling, positie en prestaties Uiteraard is de eerste taak de huidige situatie tegen het licht te houden. Wat is de betekenis van het stelsel en hoe heeft het zich ontwikkeld? Ons land staat tamelijk eenzaam aan de top in de wereld van collectief geregelde ouderdomspensioenen voor werknemers gebaseerd op een stelsel van kapitaaldekking. Het pensioenfonds ABP is het grootste in Europa en een van de drie grootste fondsen ter wereld wanneer het bekende met oliegelden gevulde Noorse fonds wordt meegerekend. Eind 28 hadden de gezamenlijke pensioenfondsen volgens de officiële waarneming van de Nederlandsche Bank een vermogen van 64 miljard. Dat is nagenoeg gelijk aan het totale Nederlandse Bruto Binnenlands product (BBP), het totaal van alle bruto inkomsten inclusief afschrijvingen in ons land gedurende het hele jaar. Dit bezit is een pakhuis vol geld waar zelfs Dagobert Duck niet aan kan tippen, zei Adriaan Hiele (NRC web, 11/12/1997) meer dan tien jaar geleden al voor een vermogen dat nog bijna de helft kleiner was. In zijn soort is dit een wereldkampioenschap. In internationale vergelijking laatste gegevens voor 27, zie figuur 1 komen alleen IJsland (het land heeft iets minder bewoners dan de stad Utrecht, en staat inmiddels niet echt meer op de financiële kaart) en Zwitserland (de helft van ons land) in de buurt. In zijn soort is echter een belangrijke toevoeging omdat pensioenvoorzieningen ook langs andere weg geregeld kunnen worden. Hoewel niet onaanzienlijk is de omvang van het vermogen ook betrekkelijk: het staat gelijk aan slechts zes procent van het totale particuliere vermogen ter wereld van 1 biljard dat wordt beheerd door vermogensbanken, en aan minder dan 5% van wat de grootste particuliere banken, zoals de Bank of America/Merrill Lynch en de Zwitserse UBS, beheren (FT 5/7/29, tegen $- koers ). Niettemin blaast Nederland volop zijn partijtje mee in de big band van het financiële wereldcasino.

3 3 Dit enorme bezit is van tamelijk recente datum. Het kapitaal is met een aanloop van meerdere decennia opgebouwd (Figuur 2). Ten tijde van de invoering van de AOW in 1957 bedroeg het ruim een vijfde van het BBP. Vervolgens verdubbelde het geleidelijk tot 45% in 198 om vandaar door te groeien naar een bijna drie maal hogere top van 131% in het jaar 26. Aan deze groei liggen drie factoren ten grondslag: de premie-inleg was vrijwel steeds groter is dan de pensioenuitkering niet verbazingwekkend gelet op kapitaalsopbouw en demografie, het opgebouwd kapitaal genereert directe opbrengsten (rente en dividend) en de koersen van aandelen en obligaties kunnen het kapitaal in waarde vermeerderen. Daarover verderop meer. Figuur 1 Nationale pensioenfondsvermogens vergeleken, % BBP, AU AT BE CA DK FI FR DE IS IE IT JA NL NZ NO ES SE CH UK US Bron: OECD, Pensions at a Glance 29, 143. Figuur 2 Balans van de Nederlandse pensioenfondsen, % BBP, Bron: CBS/Statline, Beleggingen volgens Statistiek Institutionele Beleggers.

4 4 De grootste prestatie is dat deze collectieve voorziening het overgrote deel van de bevolking dekt Natuurmonumenten en de ANWB zijn er niets bij. Anno 28 zijn er bijna 6 miljoen deelnemers die actief pensioen opbouwen in de fondsen meer dan tien jaar terug. Ruim 2,4 miljoen personen ontvangen een ouderdoms- of partnerpensioen 4% meer dan tien jaar geleden. Daarvan zijn er 2 miljoen 65 jaar of ouder, wat overeenkomt met tenminste 3 8% van het aantal AOWontvangende personen. De pensioenvoorziening omvat daarmee vrijwel de gehele volwassen bevolking ook al zijn er nog witte vlekken, waar er geen pensioenregeling voor werknemers is, en grijze vlekken, waar niet alle werknemers steeds voldoen aan criteria voor deelneming, bijvoorbeeld vanwege leeftijd, in weerwil van langdurige inspanningen van overheid en sociale partners om daar een eind aan te maken. Gepensioneerden en nabestaanden ontvingen in 28 samen 19,5 miljard, gemiddeld ruim 8. Dat verschilt niet veel van de geïndividualiseerde AOW voor samenwonenden, 86. Alle AOW-uitkeringen samen bedroegen 26,5 mld. Tot slot is het van belang vast te stellen dat de pensioenvoorziening waar het tot nu toe over gaat, onderdeel vormt van een breder stelsel wel een kwalitatief en kwantitatief essentieel onderdeel. Het stelsel bestaat, in wisselende verhoudingen ook in veel andere landen, uit drie pijlers zo niet vier. De eerste pijler, het fundament omdat het voor iedere inwoner van toepassing is, is de AOW. Daarbovenop komen de hierboven besproken beroepspensioenen. Zij gelden niet voor iedereen, maar slechts voor werknemers die daadwerkelijk aan een pensioenregeling hebben deelgenomen. Deze pensioenen zijn gebaseerd op de vooronderstelling dat er een AOW is, en ze heten dan ook aanvullend. Alleen samen genomen leveren ze, aan de uitkeringskant, het fameuze pensioen van 7% van het eerder verdiende loon op waarover opnieuw verderop meer. De inbouw van de AOW leidt tot de vrijstelling van een deel van het loon (de franchise) waarover geen pensioenpremie wordt geheven omdat er voor dat gedeelte ook geen aanvullend pensioen wordt opgebouwd. De derde pijler wordt gevormd door individueel gecontracteerde pensioenen lijfrentes die binnen vastgestelde regels zijn afgesloten bij particuliere levensverzekeraars 4. Zij keerden in 28 ruim 12 miljard uit. In wezen kan er nog een vierde pijler worden onderscheiden in veel landen kwantitatief niet onbelangrijk die neerkomt op individuele kapitaalsvorming voor eigen rekening, door middel van besparingen, beleggingen, huizenbezit en dergelijke. De opbrengsten of verkoop daarvan genereren later inkomen voor de oude dag. Van de eerste naar de vierde pijler verschuift het karakter van 1% collectief tot 1% individueel. In de eerste drie pijlers is er, in Nederland, steeds een rol weggelegd voor de staat door wettelijke verplichtingen en toezicht enerzijds en door middel van belastingfaciliteiten anderzijds. De onderlinge verhoudingen en hun ontwikkeling in de loop van de tijd komen verderop aan de orde. Voordat we verder gaan moet worden opgemerkt dat statistische data helaas in aanzienlijke mate ontbreken 5 net als trouwens voor de twee andere opvallende kenmerken van ons land, de vele (kleine) deeltijders en de brede dekking van werknemers door CAO s. Zo gaat bijvoorbeeld de informatie over het aantal pensioentrekkers maar kort terug in de tijd, en ondanks meer dan 5 jaar opbouw van de kapitaaldekking is er maar bitter weinig bekend over individuele posities. Het is verder moeilijk te geloven dat DNB op zijn website uitvoerige gegevens vermeldt van alle particuliere levensverzekeraars maar niet van individuele pensioenfondsen, waar nota bene de klant geen mogelijkheid om weg te lopen. Na deze korte schets bekijken we het stelsel achtereenvolgens van twee kanten: de uitgaven en pensioenuitkeringen enerzijds, en de inkomsten en pensioenpremies anderzijds. Daarna bedisssussieren we mogelijke conclusies. 2 Bijna 9 miljoen hebben ooit in een fonds deelgenomen en als slaper hun opgebouwde kapitaal daar bij vertrek achtergelaten. Het lijkt verontrustend dat hun aantal nu 4% groter is dan in 1997 (gegevens DNB). 3 De AOW is geïndividualiseerd, terwijl een ontvanger van ouderdomspensioen een partner kan hebben zonder. Zowel AOW-er als gepensioneerde kunnen in het buitenland wonen. 4 We laten terzijde dat de fondsen ook een klein lijfrentebedrijf hebben, ca 6% van dat van levensverzekeraars. 5 Het is navrant dat dit ook geldt voor de andere specialiteiten van Nederland, zoals de vele kleine deeltijdbanen of de individuele toepassingen van CAO s die 8% van alle werknemers betreffen.

5 5 2. Uitkerings- en opbouwproblemen Het huidige pensioenstelsel en zijn uitkomsten vertonen een aantal kenmerken die de welvaartsvastheid van de pensioenuitkering bedreigen. Daarbij kunnen twee belangrijke aspecten worden onderscheiden: het pensioenniveau dat behaald wordt op moment van pensionering in vergelijking met het eerder verdiende loon, en de ontwikkeling van het eenmaal ingegaan pensioen. Hier moet eerst de vraag worden gesteld hoe welvaartsvastheid gedefinieerd zou moeten worden. Dit verschilt tussen opbouw en uitkering. Voor de eerste gaat het om de mate waarin pensioen vervanging biedt van het loon op het moment van pensionering, Hoewel de belastingwetgeving 1% vervanging toelaat wordt in de praktijk 7% als een goed niveau gezien. We zullen ons daarop richten. Wat is welvaartvast? Voor de pensioenuitkering gaat het om de verdere ontwikkeling na het moment van toekenning bij pensionering. Het moge duidelijk zijn dat welvaartsvastheid in het algemeen staat voor méér dan waardevastheid, dat wil zeggen een gegeven inkomen of pakket waarvan voor de jaarlijkse prijsstijging wordt gecorrigeerd. Waardevastheid is relatief simpel vast te stellen wanneer die prijsstijging bekend is. Voor welvaartsvastheid is dat moeilijker al zal in het algemeen duidelijk zijn dat boven de waardevastheid uit stijgt bij een groeiende welvaart (en in principe daaronder bij een afname). Daarmee spreekt het nog niet vanzelf hoe dit kan worden geoperationaliseerd. Dat is mede afhankelijk van de vraag om wie of wat het gaat. Het BBP per hoofd van de bevolking is een voor de hand liggende maat, zeker waar het om algemene voorzieningen gaat zoals de AOW. Een eerste vraag is echter of wel alle hoofden in aanmerking moeten worden genomen, of dat bijvoorbeeld kinderen er buiten worden gelaten omdat ze niet aan de inkomensvorming bijdragen. Hieronder zal de ondergrens bij 2 jaar worden gelegd. Een tweede vraag is of niet gecorrigeerd moet worden voor grotere inspanningen: extensieve groei van het BBP als gevolg van een uitbreiding van de werkgelegenheid. Ten derde is van belang dat het BBP ook het inkomen van de pensioenfondsen zelf omvat, zaken dreigen dan met zichzelf vergeleken te worden. Alternatieven zijn het (reële) inkomen, van huishouden of individu, en het (reële) verdiende loon. Het laatste ligt voor de hand waar het om beroepspensioen gaat. Het levert bovendien enige correctie voor de zojuist genoemde grotere inspanning en voor het eigen inkomen van de fondsen. Het verdiende loon kan om diverse redenen afwijken van het collectief onderhandelde loon het CAO-loon. Dat verschil wordt wel samengevat in het begrip incidentele loonontwikkeling (zie ook Salverda, 28b). Dat berust deels op samenstellingsveranderingen in de werkgelegenheid, en daarmee de pensioenopbouwende populatie. Bijvoorbeeld een groter aandeel van hoger opgeleiden in de werkgelegenheid die hogere lonen ontvangen impliceren geen hoger loonniveau voor dezelfde inspanning. Dat deel kan beter buiten beschouwing blijven bij de bepaling van de welvaartsontwikkeling. Andere delen kunnen echter wel geïnterpreteerd worden als werkelijke loons- en welvaartsverhogingen. Een voorbeeld is dat, afhankelijk van de arbeidsmarktsituatie, werknemers systematisch hoger of lager ingeschaald kunnen worden in dezelfde CAO s ook al verrichten ze hetzelfde werk. Een ander voorbeeld is dat CAO s niet altijd en overal van toepassing zijn de dekkingsgraad is circa 8% en 2% valt er buiten. Over de omvang van deze twee delen is weinig bekend, en zeker niet over een langere termijn. Volgens gegevens van het CBS bestaat het incidenteel voor het grootste deel uit werkelijke loonsverbetering los van samenstellingsveranderingen 6. en 25,6% van de jaar. Voor het gemak nemen we aan dat het buiten deze periode niet anders is. Een belangrijke vraag is ook hier of gecorrigeerd zou moeten worden voor de omvang van de geleverde inspanning, lees de werktijd. Hetzelfde loon voor minder uren werk kan in beginsel als een welvaartsverbetering worden beschouwd ook al blijft het totale 6 Over heeft gemiddeld slechts,1% van het totale jaarlijkse incidenteel van,7% betrekking op demografisch-economische verschuivingen.

6 6 inkomen onveranderd. Dat is een niet onbelangrijk verschil bij sterke algemene arbeidstijdverkorting of snel groeiende deeltijdarbeid. Deze discussie zou onbelangrijk zijn als er niet aanmerkelijke verschillen optraden, met name in de recente periode (figuur 3). Het BBP per hoofd zit duidelijk het sterkst in de lift (in % tov 1979). Het verschil met de bescheidener ontwikkeling van het reële loon per uur (+17%) lijkt te duiden op het genoemde extra-werkgelegenheidseffect. De ontwikkeling van de CAO-lonen per werknemer, die uitgangspunt vormt voor de indexatie, blijft hier ver bij achter. Ze staan de facto al meer dan twee decennia vrijwel stil op hetzelfde reële niveau, dat ondanks een lichte groei vanaf 1997 ook nu nog aanmerkelijk (7%) onder dat van 1979 ligt. Dit vlakke verloop vanaf 198 betekent een drastische ombuiging van de na-oorlogse loonontwikkeling en maakte een eind aan een tijdperk van substantiële koopkrachtstijging. De bijna 3 jaren die sinds 198 zijn verstreken kunnen gerust the great moderation worden genoemd, waarvoor Nederland een voortrekkersrol heeft vervuld. Hieronder zullen we het verdiende loon per uur hanteren als welvaartsmaat, daarbij aannemend dat het incidenteel loon op langere termijn goeddeels als werkelijke loonstijging kan worden opgevat. Figuur 3 Maten voor de welvaartsbepaling: BBP per hoofd, verdiend loon per gewerkt uur, en CAOloon per werknemer (gedefleerd met consumentenprijzen), Reëel BBP/hoofd-2+ Reëel verdiend loon/uur Reëel CAO-loon/werknemer NB: CAO-lonen betreffen indexcijfers die al voor compositiewijzingen zijn gecorrigeerd; de andere reeksen betreffen lopende jaargemiddelden zonder samenstellingscorrectie. Het CAO-loon per maand is geïnterpreteerd als zijnde per werknemer. EU-KLEMS data eindigen in 25 en zijn geëxtrapoleerd met de mutaties van loonvoet marktsector en consumentenprijsindex volgens MEV 21. Bron: CBS, Nationale Rekeningen, Bevolkingsstatistiek en Statistiek CAO-lonen; verdiend loon volgens EU- KLEMS database. Individuele pensioenen dienen opgebouwd te worden, ongeacht de pijler waarin ze zich bevinden. Bij de AOW gebeurt dat automatisch met 2% per levensjaar door het blote feit dat iemand inwoner van Nederland is tussen zijn of haar 15 e en 65 e jaar. Het Nederlandse AOW stelsel is internationaal uniek wegens het feit dat er geen premie-inleg en geen arbeid, en zeker geen full-time arbeid, nodig is om individuele rechten op te bouwen. Bij het beroepspensioen vindt opbouw plaats per gewerkt kalenderjaar met een percentage van het in dat jaar verdiende loon, ongeacht de gewerkte uren. Dat percentage ligt vast in de pensioenregeling en bevindt zich binnen een nauw bereik dat, vanwege de aftrekbaarheid, bepaald wordt door de inkomstenbelastingen, met een maximum van 2,33 %. De meeste deelnemers nemen tegenwoordig deel in een (middelloon)regeling die tussen 2 en 2,25% per jaar opbouwt; tot voor kort was dat 1,75% (voor een eindloonregeling).

7 7 Samenhangende prestaties van het stelsel Wat zijn nu de uitkomsten van dit stelsel? Er zijn nauwelijks systematische gegevens beschikbaar over de situatie tijdens de individuele opbouw, de overgang naar pensioen of de pensionering. Opgebouwde niveaus zijn slechts een maal (25) door het CBS gemeten. Die van vlak voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, laten het beste zien dat hoe de overgang van loon naar pensioen verloopt. Alle gepensioneerde werknemers tezamen behalen gemiddeld een gecombineerd resultaat uit AOW en 2 e pijler van 59% van hun eerdere loon (Figuur 4), duidelijk onder de magische 7%. Het resultaat verschilt sterk naar inkomensniveau waarbij vooral, en begrijpelijk, het belang van de inbouw van de AOW sterk afneemt met de leeftijd. Alleen de pensioenen van de laagste inkomensgroep mannen zowel als vrouwen halen (ruimschoots) het percentage van 7%. Dat is ook hier niet alleen te danken aan de AOW; ook over de rest van hun loon lijkt impliciet sprake van hoge vervanging 7. Bovendien treedt een aanmerkelijk verschil op tussen mannen en vrouwen. Vrouwen komen percentagegewijs veel hoger uit, niet vanwege een hoger pensioen maar vanwege een lager loon, waardoor het belang van de AOW toeneemt. Afgeleid kan worden dat het gemiddelde loon van vrouwen onder de 18. blijft terwijl dat van mannen bijna 44. bedraagt. De vele in deeltijd werkende vrouwen ontvangen immers wel een volledige AOW. Deze cijfers zijn gemiddelden. Gegevens over de verdeling van nieuw ingegane pensioenen in 24 verstrekt door ABP en PGGM (Salverda, 26, 131), de twee fondsen voor overheid, onderwijs en gezondheidszorg die samen goed zijn voor bijna de helft van het beroepspensioenstelsel, tonen dat van alle nieuw gepensioneerden slechts 1 tot 2% de befaamde 7% halen (dat geldt binnen het fonds, eventuele slapende rechten in andere fondsen komen hier nog bovenop). Figuur 4 Te bereiken vervangingspercentages 1 e en 2 e pijler pensioenen naar inkomensniveau, werknemers 6 65 jaar, e pijler AOW allen < >75 allen < Allen Mannen Vrouwen >75 Bron: CBS, Statistiek Pensioenaanspraken Het aanvullende pensioen vormt dus een Siamese tweeling met de AOW. Ondanks het grijzer worden van de bevolking is het totaal van AOW-uitkeringen gedurende de afgelopen decennia gestaag afgenomen als percentage van het BBP. Van een maximum van 6, 6,2% BBP tussen 1978 en 1988 daalde het beslag naar 4,4 4,5% tegenwoordig (Figuur 5). Dit is het gevolg van een sterk achterblijven van de hoogte van de AOW-uitkering. Ze bleef achter bij de prijsontwikkeling met een 7 Voor mannen kan dat redelijkerwijs worden geschat aangenomen dat zij in het algemeen voltijds werken en dat de franchise bedroeg in 25. Voor vrouwen kan het deeltijdeffect helaas niet worden uitgeschakeld.

8 8 koopkrachtverlies van 15% dat grotendeels in de jaren tachtig is geconcentreerd maar nooit meer werd goedgemaakt. Bovendien bleef ze ook achter bij de welvaartsontwikkeling (reëel verdiend loon per uur) dat vanaf 1989 steeg met 17% terwijl de AOW vrijwel onveranderd bleef. Een belangrijke reden voor het achterblijven is dat de ook indexatie van de AOW niet gerelateerd is aan de welvaartsontwikkeling maar met de sterk achtergebleven CAO-lonen. Figuur 5 Indexcijfers (1979=1) van AOW-uitkering en verdiend loon per gewerkt uur (gedefleerd met consumentenprijzen), en AOW-uitgaven als % BBP, AOW: percentage BBP Reële AOW en loon/capita: index 1979 = AOW-totaal (%BBP) Reëel AOW pensioen (1979=1) Reëel loon/capita (1979=1) NB: tot 1979 betreft AOW-pensioen het gemiddeld berekend uit totale uitgaven en aantal AOW-trekkers, daarna de wettelijke individuele uitkering8 Bron: CBS, Nationale rekeningen en Historie Sociale Zekerheid, en Watson Wyatt De andere helft van de tweeling, het aanvullend pensioen, heeft deze achteruitgang deels gecompenseerd, tenminste zo lijkt het op nationaal niveau en dan uiteraard alleen voor degenen die zo n pensioen ontvangen naast hun AOW. Figuur 6 toont dat de som van AOW en beroepspensioen per saldo gelijk is gebleven op 9% van het BBP. Gelet op de toenemende vergrijzing (de opwaartse lijn in de figuur) had het percentage voor een gelijkblijvende welvaart van het toenemend aandeel van gepensioneerden in principe moeten toenemen. Alleen de uitkeringen vanuit de derde pijler hebben per saldo voor een toename gezorgd waardoor het geaggregeerde resultaat wel de vergrijzing gevolgd lijkt te hebben. Het is echter heel goed mogelijk dat dit een misleidend beeld is. Aan deze geaggregeerde cijfers kunnen niet gemakkelijk gevolgtrekkingen worden verbonden voor de individuele pensioenuitkeringen. De eerste en tweede pijler gaan grotendeels samen maar niet altijd, zij kunnen wel bij elkaar worden opgeteld maar onbekend is hoe groot de fractie van de AOW-ers zonder aanvullend pensioen is in de loop van de tijd. De derde pijler zal vaak een alternatief vormen voor de tweede, bijvoorbeeld voor zelfstandigen, en kan dus vaak niet bij het totaal van de andere twee worden opgeteld. De ogenschijnlijke compensatie van de eerste door de tweede pijler kan dus ook niet op de gemiddelde individuele pensioendeelnemers worden betrokken. Integendeel, waarschijnlijk zijn ook de aanvullende pensioenen achtergebleven bij de welvaart. Dat is te verwachten gelet op dezelfde rol in veel gevallen van de CAO-lonen voor de indexatie van het beroepspensioen. De pure CAOloonontwikkeling in de bedrijfstak of het bedrijf vormt in een grote meerderheid van de gevallen de maat voor indexatie van ingegane pensioenen, soms nog in combinatie met de prijsontwikkeling 8 De toename van onvolledige AOW opbouw als gevolg van internationale migratie laten we hier buiten beschouwing.

9 9 (DNB, Tabel 8.16). Het verloop van de indexatie bij het grootste pensioenfonds van ons land illustreert dit achterblijvende effect(figuur 7). Figuur 6 Pensioenuitkeringen in de drie pijlers, % BBP, BEVOLKINGSAANDEEL 65+ LEVENSVERZEKERING 9 15 Pensioensommen als % BBP 6 BEROEPSPENSIOEN 1 Bevolkingsaandeel 3 5 AOW Bron: CBS, Nationale Rekeningen en Bevolkingsstatistiek. Figuur 7 Indexcijfers (1979=1) van cumulatieve indexatie van ingegane pensioenen van ABP en CAO-lonen van overheid en onderwijs en reëel verdiend loon per uur (gedefleerd voor consumentenprijzen), % Indexatie ABP CAO overheid 1% Verdiend loon 5% % Bron: ABP en CBS, Consumentenprijsindex en figuur 3. Ook al zijn er afwijkingen, ten gunste van het pensioen in de jaren tachtig, de ontwikkeling van de CAO-lonen is toch volledig bepalend voor de grote lijn van de pensioenontwikkeling 9. De uitkomst vertoont grote overeenkomst met die van de AOW in figuur 5 met uitzondering van de beginperiode 9 Merk op dat CAO-lonen overheid 21 procentpunt achterbleven bij die van private sector tussen 1979 en 198.

10 1 tot circa 197 toen de AOW nog volop in ontwikkeling was en sneller steeg. Na 198 is de daling van CAO-lonen van overheid en onderwijs en van pensioenen met een koopkrachtverlies van 2% iets sterker dan voor de AOW (-15%). Het gemiddelde totale individuele pensioenresultaat van beide pijlers tezamen zal tussen deze twee percentages in zitten. Het pensioen in deze sector is aldus gedurende de afgelopen tien jaar niet volledig waardevast gebleken, laat staan welvaartsvast. Vergelijking met figuur 3 impliceert dat voor werknemers in de particuliere sector de reële CAO-lonen zich iets gunstiger hebben ontwikkeld de reële daling was na 198 per saldo half zo groot (7%). Derhalve kunnen hun pensioenuitkomsten bij een vergelijkbaar indexeringsmechanisme gunstiger zijn geweest. Het is echter plausibel dat ook zij zijn achtergebleven bij de welvaartsontwikkeling, met een al langdurig onveranderde waarde. Een en ander impliceert dat de groei van de tweede pijler in figuur 6 niet verklaard wordt door het meegroeien van reeds verleende pensioenen maar door de groei van het aantal pensioenen en een hoger ingangsniveau als gevolg van de verdiende-loonstijging tijdens de individuele pensioensopbouw. Andere belangrijke aspecten Drie andere algemene eigenschappen van het aanvullend-pensioenstelsel kunnen de welvaartsvastheid eveneens beïnvloeden. Aan de opbouwkant betreft het ten eerste de massale invoering van het middelloonstelsel ten koste van het eindloonstelsel. De regering heeft deze invoering sterk bepleit in het midden van de jaren negentig (Nota Werk en Zekerheid, van minister Melkert) in de hoop een besparing van 2% op pensioenkosten te bereiken (p. 31). Het was mede aanleiding tot grote onenigheid met de sociale partners die uiteindelijk is weggepoetst met het Pensioenconvenant tussen regering en Stichting van de Arbeid in december 1997, waarna weinig actie volgde. De sterke ingreep in pensioenregelingen naar aanleiding van de dotcom-crisis in het begin van deze eeuw heeft echter alsnog de massale introductie van het middelloon tot gevolg gehad. Tussen 23 en 28 hebben eindloon (van 49 naar 1% van alle deelnemers) en middelloon (van 35 naar 87%) stuivertje gewisseld in termen van actieve pensioendeelnemers. Vanuit het principe van rechtvaardigheid is veel voor het middelloon te zeggen. Het eindloonstelsel geeft pensioen als een vast percentage van het laatst verdiende loon, en verschaft zo een voordeel aan personen die door carrière te maken hun inkomen sneller zien stijgen dan de massa van de pensioendeelnemers het betekent een stukje omslagstelsel binnen de kapitaaldekking. De omvang van dit effect is niet precies bekend en hangt uiteraard mede af van het vervangingspercentage dat hogere inkomens daadwerkelijk weten te bereiken. Figuur 4 lijkt te impliceren dat lage inkomens een aanmerkelijk hoger vervangingspercentage halen over hun loon boven de franchise dan hogere inkomens het effect kan daarom meevallen al verdwijnt het niet. Uiteraard kan de beperking tot middelloon ook gedragseffecten sorteren onder hogere-inkomensgroepen in de zin van prikkeling tot extra opbouw in de derde pijler. Toch lijkt het ook voor degenen die geen carrière maken, mogelijk dat de verandering niet per se neutraal is zoals wel wordt gesuggereerd 1. Een gestileerd voorbeeld laat dit zien (Figuur 8). Bij een onveranderde opbouwindexatie van 3% per jaar blijft het eindresultaat al enigszins achter bij het eindloon. Toepassing van de werkelijke indexaties van het ABP gedurende de afgelopen 4 jaren, geeft aanleiding tot een duidelijk ongunstiger resultaat. 1 Door het FTK opgelegde niet-indexatie van de premie-inleg in 28 ondanks loonstijging in dat jaar, is een direct voorbeeld.

11 Figuur 8 Middelloon en eindloon, gestileerde vergelijking van 4 jaar opbouw. 7% 11 6% 5% 4% 3% 2% Eindloon: 4 x 1.75%=7% 1% Middelloon: Indexatie 3%/jaar % Middelloon: Indexatie ABP Geïnspireerd door DNB (26) Figuur 1. Beginloon 2., loonontwikkeling eerste 1 jaar 6%, tweede 5%, derde 4% en vierde 3%11; franchise 1.. Eindloon is 7% inclusief 1e pijler. Een tweede opbouwprobleem betreft de pensioenbreuk die op kan treden bij een verandering van baan die gepaard gaat met een overgang tussen pensioenregelingen. Het Nederlandse stelsel is sterk decentraal opgebouwd, geworteld in bedrijfstakken, beroepsgroepen en afzonderlijke bedrijven die er allemaal verschillende regelingen op na houden. Van meet af aan vormde overgang met medeneming van opgebouwde rechten die gewenst is voor doorgaande pensioenontwikkeling in een nieuw fonds een groot probleem. Ondanks langdurig overleg hebben de sociale partners daar niet eigener beweging een eind aan weten te maken. Nieuwe wettelijke bepalingen hebben de fondsen in het begin van de jaren tachtig verplicht waarde-overdracht toe te staan. De vraag is echter hoe doeltreffend deze bepalingen nog zijn. Zoals eerder opgemerkt is het aantal slapers dat zijn rechten achterlaat in het oude fonds, enorm gestegen en met 9 miljoen nu hoger dan ooit. Met de flexibilisering van arbeidscontracten is de relevantie van overgangen sterk gegroeid, vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt. In de huidige crisis is duidelijk geworden dat overdracht verboden is voor fondsen met een te lage dekkingsgraad. Tevens treden er toenemende overdrachtsproblemen op voor andere elementen van de pensioenvoorziening dan het ouderdomspensioen, bijvoorbeeld het nabestaandenpensioen zoals het niveau ervan 12 of zelfs het voortbestaan met name in het geval van pensioen op risicobasis. Tussen 1998 en 26 daalde het aandeel van actieve deelnemers met nabestaandenpensioen op de traditionele opbouwbasis van 95 naar 33% terwijl dat op risicobasis steeg van 5 naar 6%. Van dat laatste schakelt slechts 2% vanaf 65 jaar over van risicobasis naar opbouw. Het percentage helemaal zonder zo n pensioen steeg van naar 7% (gegevens DNB, Pensioenmonitor 26 T. 87cb). Het betekent dat nu bijna de helft problemen voor de nabestaanden kan verwachten bij overlijden. Dat strookt slecht met de vrijwel onveranderde 8 procent van mannen tussen 6 en 65 jaar dat samenwoont. Het strookt evenmin met de geringe pensioenopbouw van vrouwen (figuur 4). Het derde probleem betreft de relatie tussen deeltijdarbeid en aanvullend pensioen. Nederland is wereldkampioen deeltijdwerk, vooral onder vrouwen maar ook onder jongeren en meer algemeen gesproken frequenter in laagopgeleid werk. De opbouw van AOW-rechten staat los van het verrichten van arbeid en dus ook van het werken in deeltijd. Dat geldt niet echter voor het aanvullend pensioen. In geval van deeltijdarbeid is de opbouw naar rato lager met uiteindelijk een lager pensioen als gevolg. 11 De loonontwikkeling lijkt op het eerste gezicht excessief, maar komt per saldo niet hoger uit dan de werkelijke CAO-loonontwikkeling. 12 Het ABP halveerde het nabestaandenpensioen van 7% naar 35%.

12 12 Op zich weerspiegelt dat het lagere arbeidsinkomen tijdens de actieve periode, waarmee huishoudens in de meeste gevallen kunnen leven omdat ook een voltijdsinkomen van een partner aanwezig is. Probleem aan de opbouwkant is dat in toenemende mate het partnerpensioen afwezig is of gebaseerd is op risicobasis, wat betekent dat het verloren gaat in geval van echtscheiding of het verlaten van een pensioenfonds. Aan de kant van eenmaal ingegane pensioenen is het een probleem dat het pensioenniveau dat nabestaanden lees deeltijders kunnen ontlenen aan pensioen van een overleden partner lees voltijders in een aantal gevallen drastisch is verlaagd. Een drastische terugval in inkomen na zulk overlijden is het voor de hand liggende gevolg. Ook deze veranderingen van rechten gaan terug op de nota Werk en Zekerheid. Deze gender dimensie wordt ten onrechte verwaarloosd in huidige debat. Ze is een gevolg van de fictie van economische zelfstandigheid van vrouwen en vormt wellicht ook een verklaring voor het hardnekkig verzet tegen aantasting van pensioenrechten. Kortom, er blijkt al langdurig sprake van structurele druk vanuit verschillende richtingen op de welvaartsvastheid van pensioenen waarvan de indexatie van AOW zowel als beroepspensioen met de CAO-loonontwikkeling de belangrijkste is. Zij zijn komen naar boven als gevolg van het onmiddellijke probleem van niet-indexering, die op dit moment de ingegane pensioenen doet achterblijven bij zowel de loon- als de prijsontwikkeling. Dit brengt ons direct bij de financieringskant van het pensioenstelsel.

13 13 3. Financieringsproblemen Alvorens in te gaan op de meest recente ontwikkelingen is het ook hier goed de achtergrond op langere termijn te onderzoeken. Voor de eerste pijler, de AOW, als omslagstelsel zijn inkomsten en uitgaven in principe aan elkaar gelijk. De ontwikkeling van de uitgaven is al eerder geschetst (figuur 6). De inkomsten berusten op premie-afdrachten en, in toenemende mate, op bijdragen van de overheid die door de belastingheffing in het algemeen zijn mogelijk gemaakt. Ondanks het eerder geschetste achterblijven van de uitgaven bij de groei van het BBP lijken de financieringslasten middels premieheffing zwaarder te zijn geworden waarvoor de overheidsbijdrage in toenemende mate compensatie moet bieden (nog afgezien van de zogenaamde fiscalisering die AOW-ontvangers laat meebetalen). Figuur 9 laat echter zien dat de relatieve premie-opbrengst aanzienlijk is gedaald, van circa 5,5% van het BBP tot minder dan 3,5%. Dit heeft plaatsgevonden ondanks een stijging van de AOW-premie van 1% van het premieplichtig inkomen tot het maximum van 18% dat in 1999 is ingevoerd. Het is deze stijging die als een verzwaring wordt ervaren. Terugrekenend uit premieopbrengst en percentage blijkt het draagvlak voor de premieheffing, het premieplichtig inkomen, sinds 199 zeer drastisch te zijn afgenomen, van bijna 5% van het BBP tot minder dan 2%. Verantwoordelijk daarvoor zijn zowel de herziening van de inkomstenbelasting op grond van de operatie-oort in 199 als de nominaal bijna onveranderde handhaving van de premiegrens die heeft geleid tot de sterke reële daling van 1 in 1979 tot 59 in 28 die in de figuur is aangegeven. Vergeleken met het verdiende loon (figuur 3) is de premiegrens tussen 1979 en 28 gehalveerd. Doordat ze nominaal bijna onveranderd bleef, drukt financiering van de AOW relatief steeds zwaarder op de lage inkomens. Figuur 9 Premiefinanciering van de AOW, Premiepercentage (%), -opbrengst en -grondslag (%BBP) Reële premiegrens (1979=1) Premiepercentage Premiegrondslag Premieopbrengst Reële premiegrens Bron: CBS, Nationale Rekeningen en UWV, Kroniek van de Sociale Verzekeringen. Tweede pijler In de tweede pijler berust de pensioenvermogensgroei van beroepspensioenen (figuur 2) in de eerste plaats op de ontwikkeling van inkomsten en uitgaven van pensioenfondsen: Het is een tautologie dat de inkomsten vrijwel onafgebroken de uitgaven hebben overtroffen. Vermogensrelevante inkomsten

14 14 vallen uiteen in twee delen: het direct gerealiseerd inkomen enerzijds en de waardevermeerdering van het vermogen, indirecte inkomsten, anderzijds. Het direct gerealiseerde inkomen op zijn beurt omvat de afdracht van pensioenpremies enerzijds en de directe opbrengst van vermogen anderzijds, die op hun beurt weer bestaat uit rente-ontvangsten uit obligaties en leningen (zoals hypotheken), huurbetalingen van gebruikers van onroerend goed en dividend uit aandelenbezit. De indirecte opbrengst betreft koerswinsten van effecten en een hogere waardering van onroerend goed. Ze bestaat alleen op papier zolang de waardevermeerdering niet door verkoop wordt gerealiseerd. Figuur 1 toont de ontwikkeling van de directe inkomsten en uitgaven. Het totaal van inkomsten is vrijwel constant terwijl de uitgaven langzaam toenemen. Hun batig saldo daalde dientengevolge van ruim 6% BBP in 198 naar ca 3,5 nu. Binnen de inkomsten daalde de rol van premies significant tot het midden van de jaren negentig om daarna weer te stijgen, met een versnelling tot boven het oorspronkelijke niveau onder invloed van de dotcom crisis. Het complement van de premies, de directe vermogensopbrengsten, keerden daarmee na een aanvankelijke toename tot ruim 6% BBP in de jaren negentig ook terug naar hun uitgangsniveau van 4%. Figuur 1 Directe inkomsten en uitgaven van pensioenfondsen, % BBP, Bron: CBS, Nationale Rekeningen. Totale directe inkomsten Alleen pensioenpremies Directe uitgaven Deze relatief gunstige ontwikkeling van directe inkomsten en uitgaven kan zeker niet de gehele toename van het pensioenvermogen verklaren. Daarvoor is de waardevermeerdering onmisbaar. Het beeld van de opbouw in figuur 2 toont bij nadere beschouwing al dat het mooie bezit niet geheel zonder risico s is. Vijf maal (1969, 199, 1994, 2-22 en 27-28) is sprake van een duidelijke terugval - ongewogen samengeteld gaat het om zo n 57% van het BBP waarvan 47% tijdens de twee crisis van deze nog maar net begonnen eeuw. Figuur 11 voegt deze waardeontwikkelingen toe bovenop het inkomstenbeeld van figuur 1. Ze zijn bepaald als restpost van inkomsten, uitgaven en vermogen zie het lichtste gedeelte van de grafiek. In 1987, en 1994 was hun effect op de beschikbare middelen nog gering, in 22 neutraliseerden ze de andere inkomsten uit premies en kapitaalopbrengsten volledig, en in de huidige crisis vaagden ze die meer dan volledig weg. Circa een kwart van het BNP ging verloren in de jaren ondanks een onveranderde groei van de directe inkomsten. Belangrijk is dat behalve deze amplitude ook de frequentie van de waardedalingen sterk is toegenomen.

15 15 Figuur 11 Directe inkomsten en vermogenswaardeveranderingen van pensioenfondsen, % BBP, Pensioenpremies, beleggingsinkomen en koerswinst, % BBP, Bron: CBS, Nationale Rekeningen en Figuur 2. Pensioenpremies Overige directe inkomsten Waardeveranderingen Figuur 12 Aandelen en vastrentende waarden op balans van pensioenfondsen, %BBP, * 7 6 Aandelen 5 Vastrentend II II ** *) Reeksbreuken in 198 en De rol van vastgoedbeleggingen en kortlopende leningen gering en tamelijk constant. Bron: CBS, Statistiek Institutionele Beleggers Het toegenomen belang van waardeveranderingen berust op een grote verschuiving in de samenstelling van het pensioenvermogen. Lange tijd werd dat vermogen bijna uitsluitend gedragen door vastrentende waarden, tot een plafond van ca 55% van het BBP werd bereikt vanaf het midden van de jaren tachtig. In de loop van de jaren tachtig is het belang van aandelen gaan groeien om vanaf 1993 explosief te gaan stijgen. Het zal de pull van stijgende aandelenkoersen tegenover stagnerende rente geweest zijn die hierachter zit, omdat de push van pensioenopbouw als gevolg van de great

16 16 moderation 13 eerder minder werd. Vanaf het jaar 2 hebben beide categorieën ruwweg een even groot aandeel in het totale vermogen. Met de groeiende rol van het aandelenbezit zijn ook de risico s aanmerkelijk toegenomen (en zoals we nog zullen zien de kosten). De beide grote vermogensdalingen van deze eeuw komen dan ook vooral voor rekening van het aandelenbezit. Echter in alle gevallen dat gedurende de gehele periode het vermogen afnam, blijken de vastrentende waarden tegelijkertijd ook te dalen. Met de toename van dit papieren bezit nam het rendement van directe opbrengsten over het gehele vermogen drastisch af ook al werden deze opbrengsten op zichzelf genomen niet per se minder zoals figuur 11 aangeeft. Figuur 13 toont een benadering van het rendement. De directe opbrengsten zijn genomen over het totale vermogen minus de jaarlijkse groei door waardevermeerdering. Ze vertonen een duidelijk dalende trend van 1% naar 3%. Het papieren rendement van waardeveranderingen is ook over het gehele vermogen genomen teneinde de twee als alternatieven te kunnen vergelijken. De bijbehorende trend stemt niet optimistisch en blijft zelfs op het hoogtepunt achter bij het directe rendement en bij de rente op staatsleningen. Het lijkt te impliceren dat doorgaan met vastrentende waarden een superieure uitkomst had kunnen genereren. Dat het nemen van risico tot een hoger rendement leidt, is een heilig geloof wanneer niet tijdig winst wordt genomen. Dat is evident niet tijdig gebeurd bij de twee grote dalingen. Het rendement kan ook zeer langdurig onder druk staan getuige het feit dat de Nederlandse beurskoersen pas in 1954 weer het niveau van 1899 bereikten (CBS, 2). Figuur 13 Direct en indirect rendement op pensioenvermogen, Direct pensioenfondsrendement Rente 1-jarige staatslening Indirect rendement Poly. (Indirect rendement) Bron: CBS, Statistiek Pensioenfondsen Rendement op Beleggingen (eigen berekening) Kosten van de pijlers In het voorafgaande hebben we ons gericht op de globale uitkomsten van de eerste en tweede pijler met voorbijgaan aan de uitvoeringskosten. Omdat pensioenopbouw een zeer langdurig proces is, zijn dergelijke kosten van enorm belang voor de uiteindelijke uitkomst. Kleine verschillen hebben een groot effect. Deze kosten lopen sterk uiteen tussen de drie pijlers en ook binnen de pijlers, afhankelijk van uitvoering door hetzij private (levensverzekeraars) hetzij collectieve (fondsen) partijen. Figuur 14 toont de onderlinge verschillen in dwarsdoorsnee voor 28. Ze zijn als percentage bepaald over de som van uitkeringen en premies (die beide tot administratiekosten leiden) en directe inkomsten (die leiden tot kosten van vermogensbeheer) en luiden inclusief exploitatie-overschot. Het laatste is nihil 13 CAO-loonmutaties waren sinds 198 altijd geringer dan de aangegeven rente op staatsleningen, en bleven gemiddeld (vanaf ,4%) meer dan de helft achter (5,8).

17 17 voor pensioenfondsen en gelijk aan de pro rato toegerekende winst voor levensverzekeraars 14. De kosten van vermogensbeheer die de fondsen maken, zijn pas met ingang van 27 door DNB gepubliceerd, Voordien luiden de vermogensopbrengsten netto na aftrek van dergelijke kosten, nu worden ze, enigszins merkwaardig, bruto vermeld gevolgd door een aftrekpost aan de inkomstenkant van de resultatenrekening. Dit leidt tot een verdubbeling van de eerder bekende kosten van pensioenfondsen, van een jaarlijkse 1,5 miljard naar 3 miljard. Figuur 14 Uitvoeringskosten (incl. exploitatie-overschot) in de drie pijlers naar uitvoerders, % van premie-inleg, uitkeringen en directe vermogensopbrengsten, AOW Pensioen - fondsen Pensioen - verzekeraars 12 1 Lijfrente - fondsen Lijfrente - verzekeraars Eerste pijler Tweede pijler Derde pijler Bron: xx De uitvoeringskosten van de AOW zijn in vergelijking jaloersmakend klein, mede als gevolg van efficiëntieverbeteringen in de jaren negentig. De kosten van pensioenfondsen zijn ruim 2 maal hoger, die van pensioenuitvoering door levensverzekeraars 5 maal. Kosten in de derde pijler zijn nog vele malen hoger. De AOW-kosten kunnen laag blijven omdat de administratie van rechten simpel is de leeftijd van 65 jaar is eenvoudig vast te stellen en de opbouw middels levensjaren in Nederland wordt de facto door het bevolkingsregister bijgehouden. Pensioenen vergen een veel gedetailleerder administratie van individuele arbeidsgeschiedenissen voor de opbouw van rechten maar hebben het relatief gemakkelijk bij de aard van deze rechten en de inning van de premies vanwege hun collectieve karakter. Lijfrentes vergen in beide opzichten meer individuele behandeling en zijn bovendien voorwerp van het maken van winst. Figuur 15 toont vanaf 198 de ontwikkeling van deze kosten voor elk van de drie pijlers en hun totaal, inclusief de recent bekend geworden kosten van vermogensbeheer over 27 en Globaal zijn de kosten meer dan verdubbeld, van 3% tot duidelijk meer dan 6%. De totale kosten stegen dus twee maal zo snel als het onderliggende bedrijf van premie-, pensioen- en vermogensbeheer. De kosten van de AOW zijn onveranderlijk laag, die van de derde pijler zijn met schommelingen tamelijk stabiel op een hoog niveau. Het zijn met name de kosten in de tweede pijler die zijn gestegen, van 3% naar 6%. Dat is een verontrustende ontwikkeling voor de effectieve opbrengst na decennia van premie-inleg. 14 Particuliere voorziening blijkt ook meer ruimte te bieden voor moral hazard waarbij mensen met onnodige of te dure producten worden opgescheept. Dat heeft de huidige financiële crisis ons wel geleerd maar eerder al de woekerpolis en op dit moment weer DSB bank. 15 Gelet op de recente toename van het aandelenbezit (figuur 12) mag worden aangenomen dat deze kosten tot het midden van de jaren tachtig gering zo niet verwaarloosbaar waren.

18 18 Dat is echter niet de enige verklaring voor de toename van de globale kosten. Die is ook terug te voeren op de verschuiving tussen de pijlers minder AOW, meer tweede pijler en vooral ook meer derde pijler zoals aangeduid in figuur 6. Figuur 16 geeft de geaggregeerde effecten aan in vergelijking met het BBP. Figuur 15 Uitvoeringskosten (incl. exploitatie-overschot) in de drie pijlers van het pensioenstelsel, % van premie-inleg, uitkeringen en directe vermogensopbrengsten, Derde pijler Totaal Tweede pijler Eerste pijler Bron: xx Figuur 16 Uitvoeringskosten (incl. exploitatie-overschot) in de drie pijlers van het pensioenstelsel, % BBP, Derde pijler Vermogensbeheer PF Tweede pijler AOW Bron: CBS en DNB Het betekent dat verschuivingen tussen de pijlers veel meer aandacht verdienen. Bij de aanprijzingen van het drie-pijlerstelsel door OECD en Wereldbank lijken ze over het hoofd gezien te worden, hetzelfde geldt met zekerheid voor het huidige debat over de AOW. De keuze tussen omslag en kapitaaldekking kan geoptimaliseerd als ze deze kosten in de beschouwing betrekt en niet slechts op

19 19 basis van a priori s worden gemaakt 16. In het achter ons liggende tijdvak heeft een belangrijke substitutie plaatsgevonden van de tweede en derde pijler voor de eerste pijler, die zeker niet kostenneutraal is geweest. Waren de oorspronkelijke verhoudingen van de drie soorten bedrijf (uitkeringen, premies en vermogensopbrengsten) bewaard gebleven in het totaal van 28 dan zou het bedrijf van de AOW 23 miljard (waaronder 13 miljard uitkeringen) omvangrijker zijn, de tweede pijler 9 miljard geringer (3,5 miljard uitkeringen) en de derde 14 miljard (6 miljard uitkeringen) minder. De derde pijler is het sterkst uitgebreid Het zou 3 miljard besparen op de jaarlijkse uitvoeringskosten voorzichtig uitgaande van de huidige kostenniveaus en per saldo 3,5 miljard meer aan uitkeringen genereren. Figuur 17 Indicatie van belastinguitgaven wegens premie-inleg tweede en derde pijler, % BBP, Derde pijler 1..5 Tweede pijler Marginaal tarief 2e pijler 42% en 3e pijler 52% verondersteld. Bron: CBS, Nationale Rekeningen (eigen bewerking) Tot slot heeft de verschuiving naar tweede en derde pijler ook invloed op de overheidsfinanciën, zeker op korte termijn (figuur 17). De premie-inleg in de tweede en derde pijler leidt, anders dan in de eerste pijler, tot belastingvrijstelling en daarmee tot belastinguitgaven. De belastingderving vindt plaats tegen marginaal tarief de raison d être van de omkeerregel. De boven aangeduide verschuiving van 9 miljard naar de AOW vanuit de tweede pijler en 14 miljard vanuit de derde pijler, waarmee 3,2 resp. 4,6 miljard aan premies is gemoeid, impliceert korte-termijn extra belastinginkomsten tot een mogelijk totaal van 3,7 miljard 17 of,4% van het BBP. Sinds 198 steeg de gezamenlijke premie-inleg met 3 miljard en zijn deze uitgaven wellicht met 13 miljard of bijna 3% van het BBP gegroeid 18. Daarvan zou dus 3 à 4 miljard kunnen worden weggenomen. Dat is vergelijkbaar met de bezuiniging op de AOW waar nu zo over wordt gevochten. 16 Nog afgezien van de vraag of, als het er bij vergrijzing op aankomt, pay-as-you-go wel een veel ongunstiger resultaat boekt dan kapitaaldekking, omdat ook het laatste door ontwaarding kan worden ondermijnd. 17 Rekenend met een marginaal tarief van 42% voor de tweede pijler en 52% voor de derde pijler. 18 Met dezelfde veronderstellingen van marginaal tarief voor 198.

20 2 Toezicht Dit is het beeld wanneer de aandacht gericht wordt op de lopende inkomsten en uitgaven en de bezittingen van de fondsen. Worden daarnaast ook de verplichtingen voor de toekomst in de beschouwing betrokken conform de regels van het Financieel Toetsingskader (FTK) waarmee de Nederlandsche Bank tegenwoordig toezicht uitoefent op de pensioenfondsen, dan is er in 28 een gat gevallen van 22 miljard, ruwweg 5/5 opgebouwd uit de al besproken vermindering van het vermogen en een vermeerdering van toekomstige verplichtingen op basis van de tegelijkertijd gedaalde rente (DNB, 29). Dat bedrag staat gelijk staat aan de verdamping van de pensioenpremieinleg over de laatste acht jaar of het totaal van de AOW-uitkeringen over de laatste tien jaar. Zoweel verdamping is navrant omdat de premie-inleg aanzienlijk was verhoogd als gevolg van de dotcom crisis. Het strakke toezicht van DNB, dat ter gelegenheid van die crisis tot stand kwam, heeft de huidige nog grotere terugval binnen vijf jaar niet kunnen voorkomen. Mogelijk heeft het daaraan zelfs bijgedragen door een onderschatting van de risico s en de fixatie op een fair value waardering van de bezittingen, die is geoperationaliseerd als de dagkoersen van effecten en rentetarieven op gegeven momenten. Een grote volatiliteit is het gevolg. Met name de renteniveaus zijn van doorslaggevend belang gebleken voor de beoordeling van de positie van fondsen en hun mogelijkheden om de pensioenen te indexeren. Voor deze beoordeling geeft een lange-termijn swap-rente de doorslag. Daarvan al is opgemerkt dat ze slechts een momentopname betreft. Daar kan aan worden toegevoegd dat de voorspellingswaarde gering is. De rentes over termijnen van 15 tot 6 jaar zijn sterk gecorreleerd zo niet bijna identiek, terwijl realistisch te verwachten is dat de economische uitkomsten over zulke perioden in werkelijkheid aanmerkelijk zullen verschillen (figuur 18). Figuur 18 Rente volgens de maandelijkse rentetermijnstructuur van DNB, december 21* september Gemiddelde van 6 jaar vooruit 15 jaar vooruit *) December 21, 22 en 23 en dan maandelijks verder. Bron: DNB, t1.2.1nm. Alleen de 1-jaarsrente wijkt sterk af van dit beeld. Zelfs op die korte termijn is deze echter een slechte voorspeller van de werkelijke rente één jaar later (figuur 19).

Pensioenaanspraken in beeld

Pensioenaanspraken in beeld Pensioenaanspraken in beeld Deel 1: aanspraken naar geslacht en burgerlijke staat Elisabeth Eenkhoorn, Annelie Hakkenes-Tuinman en Marije vandegrift bouwen minder pensioen op via een werkgever dan mannen.

Nadere informatie

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 1 Toelichting op het jaarverslag In het Jaarverslag 2013 legt het pensioenfonds uitgebreid verantwoording af over de ontwikkelingen, besluiten en gebeurtenissen

Nadere informatie

Toeslagverlening Uitgave mei 2015

Toeslagverlening Uitgave mei 2015 Toeslagverlening Uitgave mei 2015 Disclaimer De in deze brochure verstrekte informatie van Stichting Pensioenfonds Sabic, gevestigd te Sittard (het pensioenfonds ) is van algemene aard, uitsluitend indicatief

Nadere informatie

Extra informatie pensioenverlaging

Extra informatie pensioenverlaging Extra informatie pensioenverlaging Wat is de invloed van de verlaging op mijn netto pensioen? Als u nog niet met pensioen bent, kunnen we u nu niet zeggen hoe uw netto pensioen

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog Publicatiedatum CBS-website Centraal Bureau voor de Statistiek 9 december 25 Beleggingen institutionele beleggers in 24 met 8,1 procent omhoog drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen,

Nadere informatie

AANVULLENDE PENSIOENREGELING

AANVULLENDE PENSIOENREGELING AANVULLENDE PENSIOENREGELING Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Agrarische en Voedselvoorzieningshandel Uw pensioen is onze zorg. Inleiding Voor u ligt de brochure over de aanvullende pensioenregelingen

Nadere informatie

De Nederlandsche Bank. Statistisch Bulletin maart 2009

De Nederlandsche Bank. Statistisch Bulletin maart 2009 09 De Nederlandsche Bank Statistisch Bulletin maart 2009 ndexatie pensioenen blijft achter bij inflatie en loonstijging n 2009 worden pensioenaanspraken en -uitkeringen naar verwachting gemiddeld met zo

Nadere informatie

Toeslag- verlening Uitgave mei 2015

Toeslag- verlening Uitgave mei 2015 Toeslagverlening Uitgave mei 2015 Disclaimer De in deze brochure verstrekte informatie van Stichting Pensioenfonds DSM Nederland, gevestigd te Heerlen (het pensioenfonds ) is van algemene aard, uitsluitend

Nadere informatie

Zicht op de indexatiekwaliteit van pensioenregelingen

Zicht op de indexatiekwaliteit van pensioenregelingen Prijsstijgingen kunnen een negatieve invloed hebben op de koopkracht. Ook op de koopkracht van pensioenen. Veel Nederlandse pensioenfondsen streven er daarom naar de pensioenen elk jaar te verhogen, of

Nadere informatie

WAT U ALS WERKNEMER WILT WETEN OVER DE ABP-PENSIOENREGELING

WAT U ALS WERKNEMER WILT WETEN OVER DE ABP-PENSIOENREGELING WAT U ALS WERKNEMER WILT WETEN OVER DE ABP-PENSIOENREGELING 1- Waarom heeft het ABP een herstelplan opgesteld? ABP is, evenals vele andere pensioenfondsen, zwaar geraakt door de crisis op de financiële

Nadere informatie

Indexatie pensioenen blijft achter bij loon- en prijsstijging

Indexatie pensioenen blijft achter bij loon- en prijsstijging Indexatie pensioenen blijft achter bij loon- en prijsstijging In 2010 worden pensioenaanspraken- en uitkeringen naar verwachting gemiddeld met 0,4 procent verhoogd om te corrigeren voor gestegen lonen

Nadere informatie

Stichting Pensioenfonds Smurfit Kappa Nederland Nieuwsbrief

Stichting Pensioenfonds Smurfit Kappa Nederland Nieuwsbrief Stichting Pensioenfonds Smurfit Kappa Nederland Nieuwsbrief NUMMER 12 > JAARGANG 8 > SEPTEMBER 2011 inhoud > De financiële situatie bij pensioenfondsen [p.1] Pensioenleeftijd 65 jaar, wat als ik eerder

Nadere informatie

Effect van maximaal fiscaal gefaciliteerd pensioengevend inkomen

Effect van maximaal fiscaal gefaciliteerd pensioengevend inkomen CPB Notitie Nummer : 2004/3 Datum : 29 januari 2004 Aan : Tweede Kamerfractie PvdA (de heer Crone en de heer Depla) Effect van maximaal fiscaal gefaciliteerd pensioengevend inkomen Verzoek De Tweede Kamerleden

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Inkomen huishoudens gecorrigeerd voor inflatie licht gedaald. Meer inkomen uit vermogen en pensioen

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Inkomen huishoudens gecorrigeerd voor inflatie licht gedaald. Meer inkomen uit vermogen en pensioen Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB06-074 13 juli 2006 9.30 uur Uitgaven huishoudens hoger dan inkomsten De Nederlandse economie is in 2005 met 1,5 procent gegroeid. Het voor inflatie gecorrigeerde

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen Publicatiedatum CBS-website: 1 oktober 27 Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek Voorburg/Heerlen 27 Verklaring der tekens. =

Nadere informatie

Risico s rond pensioen

Risico s rond pensioen Risico s rond pensioen Uitgave maart 2015 Disclaimer De in deze brochure verstrekte informatie van Stichting Pensioenfonds SABIC, gevestigd te Sittard (het pensioenfonds ) is van algemene aard, uitsluitend

Nadere informatie

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Wat u moet weten over uw pensioen Dit pensioenoverzicht ontvangt u omdat uw deelneming aan de beroepspensioenregeling is beëindigd.

Nadere informatie

Toeslagverlening. Versie

Toeslagverlening. Versie Toeslagverlening Versie 25-02-2016 Versie 25-02-2016 Toeslagverlening (indexatie) Waarom toeslagverlening? Toeslag is een manier om te zorgen dat de pensioenen hun koopkracht behouden. Toeslag wordt ook

Nadere informatie

Een nieuwe pensioenregeling

Een nieuwe pensioenregeling Een nieuwe pensioenregeling De pensioenregeling van Pensioenfonds voor de Accountancy wordt per 1 januari 2015 aangepast. Het bestuur heeft inmiddels de hoofdlijnen van de nieuwe regeling vastgesteld.

Nadere informatie

Pensioen Informatie sessie

Pensioen Informatie sessie Pensioen Informatie sessie Pensioenreglement B Oktober 2013 Voorbehoud De tekst in deze presentatie is louter ter informatie bedoeld. Er kunnen dan ook geen rechten aan worden ontleend. Bij onduidelijkheden

Nadere informatie

Persbericht. Kwartaalbericht: vierde kwartaal 2011

Persbericht. Kwartaalbericht: vierde kwartaal 2011 Persbericht Kwartaalbericht: vierde kwartaal 2011 Hoofdpunten: Dekkingsgraad van 94% is te laag: aanvullende maatregelen nodig Beschikbaar vermogen stijgt met ruim 11 miljard Door gedaalde rente nemen

Nadere informatie

Overzicht en kerncijfers pensioenregelingen Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Baksteenindustrie

Overzicht en kerncijfers pensioenregelingen Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Baksteenindustrie Overzicht en kerncijfers pensioenregelingen Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Baksteenindustrie Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Baksteenindustrie (BPF Baksteen) is opgericht op 1-4-1957.

Nadere informatie

PENSIOEN IN BEWEGING! KLAAR VOOR DE TOEKOMST? SAMEN DELEN, EEN STERKE KEUZE

PENSIOEN IN BEWEGING! KLAAR VOOR DE TOEKOMST? SAMEN DELEN, EEN STERKE KEUZE PENSIOEN IN BEWEGING! KLAAR VOOR DE TOEKOMST? SAMEN DELEN, EEN STERKE KEUZE PENSIOEN IS AANVULLING OP AOW Lijfrente Salaris 100% Pensioen Staatspensioen (AOW) 2 AOW, VOLKSVERZEKERING (1) Voorziet in MINIMUM

Nadere informatie

WELVAARTSVAST PENSIOEN: CRISIS VAN DE ULTIEME POLDERMYTHE?

WELVAARTSVAST PENSIOEN: CRISIS VAN DE ULTIEME POLDERMYTHE? 28 februari 2010 Ronald Batenburg, Paul de Beer, Jos Mevissen en Kea Tijdens, redactie Arbeid in Crisis Den Haag: Boom/Lemma, 2010, 103 117 Wiemer Salverda Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies 1 Universiteit

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 27 400 Nota over de toestand van s Rijks Financiën Nr. 42 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

RBS pensioen update. Van premie tot pensioen

RBS pensioen update. Van premie tot pensioen RBS pensioen update Van premie tot pensioen Hoe is uw pensioen opgebouwd? Waarom zitten veel pensioenfondsen nu in de problemen? Hoe ziet de toekomst van pensioen in Nederland eruit? In deze RBS Pensioen

Nadere informatie

Facts & Figures uitwerking Pensioenakkoord

Facts & Figures uitwerking Pensioenakkoord Facts & Figures uitwerking Pensioenakkoord Waarom langer doorwerken? De levensverwachting stijgt Elke generatie leeft langer dan de vorige. Dat is al langer bekend, maar de stijging van de levensverwachting

Nadere informatie

Het jaarverslag 2014 samengevat

Het jaarverslag 2014 samengevat Het jaarverslag 2014 samengevat Uw pensioenfonds blikt terug én vooruit Deelnemers 1.711 In 2014 verdiende het fonds 55,1 miljoen dankzij beleggen. Dat bedrag staat voor een rendement van 20,1%. Het fonds

Nadere informatie

Toeslagverlening. Versie

Toeslagverlening. Versie Toeslagverlening Versie 07-10-2016 Versie 07-10-2016 Toeslagverlening (indexatie) Waarom toeslagverlening? Toeslag is een manier om te zorgen dat de pensioenen hun koopkracht behouden. Toeslag wordt ook

Nadere informatie

solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd?

solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd? Bijdrage prof. dr. Kees Goudswaard / 49 Financiering van de AOW: solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd? Deze vraag staat centraal in de bij drage van bijzonder hoogleraar Sociale zekerheid prof.

Nadere informatie

Eén nieuw pensioen voor de Techniek

Eén nieuw pensioen voor de Techniek Eén nieuw pensioen voor de Techniek Vakbonden en werkgeversorganisaties (sociale partners) in de sectoren Metaal & Techniek en Metalektro zijn het op 25 september 2014 eens geworden over een nieuwe pensioenregeling

Nadere informatie

Veelgestelde vragen nettopensioenregeling

Veelgestelde vragen nettopensioenregeling Veelgestelde vragen nettopensioenregeling Vragen en antwoorden over pensioenopbouw en verzekeren nabestaandenpensioen over uw pensioengevend salaris boven 100.000 Pagina 1 van 7 Vragen en antwoorden Wat

Nadere informatie

1. Waarom moet het pensioenfonds ANWB extra maatregelen nemen?

1. Waarom moet het pensioenfonds ANWB extra maatregelen nemen? 1. Waarom moet het pensioenfonds ANWB extra maatregelen nemen? Het pensioenfonds staat er financieel niet goed voor. De twee belangrijkste oorzaken: 1. Nederlanders worden steeds ouder. Met name de laatste

Nadere informatie

Nieuw in dienst. Versie 06-01-2016

Nieuw in dienst. Versie 06-01-2016 Nieuw in dienst Versie 06-01-2016 Versie 06-01-2016 Nieuw in dienst Ben je kort geleden in dienst gekomen, dan is nu het goede moment om een paar zaakjes rond je pensioen meteen goed te regelen. Zaken

Nadere informatie

Facts & Figures uitwerking Pensioenakkoord

Facts & Figures uitwerking Pensioenakkoord Facts & Figures uitwerking Pensioenakkoord Waarom langer doorwerken? De levensverwachting stijgt Elke generatie leeft langer dan de vorige. Dat is al langer bekend, maar de stijging van de levensverwachting

Nadere informatie

6.1 De AOW. Een alleenstaande krijgt 70% van het minimumloon. Gehuwden of samenwonenden krijgen 100% van het minimumloon.

6.1 De AOW. Een alleenstaande krijgt 70% van het minimumloon. Gehuwden of samenwonenden krijgen 100% van het minimumloon. 6.1 De AOW In 1957 is in Nederland de AOW ingevoerd door premiers Willem Drees (PVDA). Iedereen die 65 jaar of ouder is, krijgt een uitkering van de staat. Deze uitkering hangt af van het aantal jaren

Nadere informatie

Risicoverdeling en ambitieniveau in bestaande pensioencontracten

Risicoverdeling en ambitieniveau in bestaande pensioencontracten Risicoverdeling en ambitieniveau in bestaande pensioencontracten artikel Inleiding Reeds geruime tijd wordt een maatschappelijke discussie gevoerd over de toekomst van het Nederlandse pensioenstelsel.

Nadere informatie

Pensioenvoorziening in internationaal perspectief

Pensioenvoorziening in internationaal perspectief Het pensioenvermogen van Nederlandse huishoudens bedroeg eind 2008 eur 740 miljard. Dit vormt meer dan de helft van hun financiële vermogen. Voor andere landen van het eurogebied is het pensioenvermogen

Nadere informatie

Wat krijgt u in onze pensioenregeling?

Wat krijgt u in onze pensioenregeling? Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl.

Nadere informatie

2012 in het kort TOELICHTING OP HET JAARVERSLAG

2012 in het kort TOELICHTING OP HET JAARVERSLAG 2012 in het kort TOELICHTING OP HET JAARVERSLAG 1 Toelichting op het jaarverslag In het Jaarverslag 2012 legt het pensioenfonds uitgebreid verantwoording af over de ontwikkelingen, besluiten en gebeurtenissen

Nadere informatie

Einde dienstverband en uw pensioen

Einde dienstverband en uw pensioen Einde dienstverband en uw pensioen INHOUD PAGINA 1. Inleiding 2 2. Het op de ontslagdatum opgebouwde pensioen 3 3. Het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum 3 4. Het wezenpensioen 3

Nadere informatie

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Uitkeringsovereenkomst Wat heeft u aan het Uniform Pensioenoverzicht? Het Uniform Pensioenoverzicht geeft u duidelijkheid over wat u krijgt bij pensionering en arbeidsongeschiktheid.

Nadere informatie

Aanpassing pensioenregeling een must. Presentatie: Marcel Brussee / voorzitter SPH Kees Lekkerkerker / directeur HRM

Aanpassing pensioenregeling een must. Presentatie: Marcel Brussee / voorzitter SPH Kees Lekkerkerker / directeur HRM Aanpassing pensioenregeling een must Presentatie: Marcel Brussee / voorzitter SPH Kees Lekkerkerker / directeur HRM 1 Aanpassing pensioenregeling een must Inhoud Marcel Brussee: Achtergrond wijzigingen

Nadere informatie

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Wat u moet weten over uw pensioen Op het Uniform Pensioenoverzicht staan de bedragen die u ontvangt bij pensionering en arbeidsongeschiktheid.

Nadere informatie

Wat krijgt u in onze pensioenregeling?

Wat krijgt u in onze pensioenregeling? Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl

Nadere informatie

Sociaal akkoord aow en Witteveenkader Op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Sociaal akkoord aow en Witteveenkader Op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid CPB Notitie 10 juni 2011 Sociaal akkoord aow en Witteveenkader Op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. CPB Notitie Aan: Ministerie van SZW Centraal Planbureau Van Stolkweg

Nadere informatie

Toelichting. Uniform Pensioenoverzicht 2015. Uitkeringsovereenkomst

Toelichting. Uniform Pensioenoverzicht 2015. Uitkeringsovereenkomst Toelichting Uniform Pensioenoverzicht 2015 Uitkeringsovereenkomst Actieve deelnemer Wat heeft u aan het Uniform Pensioenoverzicht? Het Uniform Pensioenoverzicht geeft inzicht in uw inkomen dat u van Hagee

Nadere informatie

Tentamen Pensioenactuariaat 1, 18-1-2007

Tentamen Pensioenactuariaat 1, 18-1-2007 Tentamen Pensioenactuariaat 1, 18-1-2007 Op dit tentamen kun je 100 punten halen : 25 pt Opgave A, óf je eindcijfer van de opdrachten tijdens het collegeblok. Het maimum van de twee scores is geldig, dus

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers 1,5 biljoen euro in 2010

Beleggingen institutionele beleggers 1,5 biljoen euro in 2010 11 Beleggingen institutionele beleggers 1,5 biljoen euro in John Gebraad Publicatiedatum CBS-website: 3-11-211 Den Haag/Heerlen Verklaring van tekens. = gegevens ontbreken * = voorlopig cijfer ** = nader

Nadere informatie

Wat krijgt u in onze pensioenregeling?

Wat krijgt u in onze pensioenregeling? Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl

Nadere informatie

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen CPB Notitie Aan: Ministerie van SZW Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen Centraal Planbureau Bezuidenhoutseweg 30 2594 AV Den Haag Postbus 80510 2508 GM

Nadere informatie

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Aan: Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Aan: Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen CPB Notitie Aan: Ministerie van SZW Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen Centraal Planbureau Bezuidenhoutseweg 30 2594 AV Den Haag Postbus 80510 2508 GM

Nadere informatie

Informatiebijeenkomst Pensioenen: actueler dan ooit. Oktober 2013

Informatiebijeenkomst Pensioenen: actueler dan ooit. Oktober 2013 Informatiebijeenkomst Pensioenen: actueler dan ooit Oktober 2013 1 Pensioenstelsel Individueel Pensioen fonds Overheid Lijfrente Pensioen AOW B E L A S T I N G 2 Programma bestuur en taken bestuur de pensioenregeling

Nadere informatie

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht einde deelneming

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht einde deelneming Toelichting Uniform Pensioenoverzicht einde deelneming Wat u moet weten over uw pensioen Dit pensioenoverzicht ontvangt u omdat

Nadere informatie

Voor informatie verwijzen we u ook naar de nieuwsbrieven van het pensioenfonds van ALU-PF van september 2015 en november 2015.

Voor informatie verwijzen we u ook naar de nieuwsbrieven van het pensioenfonds van ALU-PF van september 2015 en november 2015. Veelgestelde vragen (FAQ) naar aanleiding van de overgang (Collectieve Waarde overdracht: CWO) van het Alcatel-Lucent Pensioenfonds (ALU-PF) naar het Pensioenfonds van de Metalektro (PME). Voor informatie

Nadere informatie

2013 verkort in beeld. Ontwikkelingen. Pensioenen Beleggingen Organogram

2013 verkort in beeld. Ontwikkelingen. Pensioenen Beleggingen Organogram 02 verkort in beeld 03 Ontwikkelingen 05 08 10 Pensioenen Beleggingen Organogram Aantal deelnemers dat pensioen opbouwt Aantal personen dat een ouderdomspensioen ontvangt Aantal deelnemers met slapende

Nadere informatie

Wat krijgt u in onze pensioenregeling?

Wat krijgt u in onze pensioenregeling? Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl.

Nadere informatie

Wat is er aan de hand moet onze pensioenen?

Wat is er aan de hand moet onze pensioenen? Wat is er aan de hand moet onze pensioenen? Casper van Ewijk, Netspar & University of Amsterdam KNAW Symposium, 9 januari 2014, Amsterdam Agenda Wat is een pensioen? Goed pensioen is een risicovol pensioen

Nadere informatie

Overzicht vragen gesteld tijdens inloopsessies met betrekking tot de nieuwe pensioenregeling

Overzicht vragen gesteld tijdens inloopsessies met betrekking tot de nieuwe pensioenregeling Overzicht vragen gesteld tijdens inloopsessies met betrekking tot de nieuwe pensioenregeling 1. Waarom wordt het nieuwe pensioenreglement pas later uitgereikt? Antwoord: De pensioenregeling is gebaseerd

Nadere informatie

ALV CDAV Brabant 3 oktober 2015

ALV CDAV Brabant 3 oktober 2015 Vrouw en Pensioen anno 2015 e.v. Balans tussen werk, zorg en invloed ALV CDAV Brabant 3 oktober 2015 Mr. Caroline Jones Groeneweg RB Even voorstellen 3 pijlers Nederlands pensioenstelsel 3.Privé 2.De werkgever

Nadere informatie

Wat krijgt u in onze pensioenregeling?

Wat krijgt u in onze pensioenregeling? Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl

Nadere informatie

7. Bouw ik nu meer/minder op? Bij Coop Pensioenfonds bouwt u 1,64% op (2016). Bij BPFL gaat u 1,875% opbouwen (2016).*

7. Bouw ik nu meer/minder op? Bij Coop Pensioenfonds bouwt u 1,64% op (2016). Bij BPFL gaat u 1,875% opbouwen (2016).* Beste lezer, Dit overzicht met veelgestelde vragen hebben wij opgesteld naar aanleiding van de brief d.d. 10 november 2016 over de liquidatie van Coop Pensioenfonds. Heeft u een vraag die hier niet tussenstaat

Nadere informatie

Vragen & antwoorden over uw pensioen en de kredietcrisis

Vragen & antwoorden over uw pensioen en de kredietcrisis Vragen & antwoorden over uw pensioen en de kredietcrisis Corporate Pensioen 4 Juni 2009 Vragen 1. Hoe zeker is mijn toekomstige pensioenvoorziening bij Nationale-Nederlanden? 3. Hoe weet ik hoeveel pensioen

Nadere informatie

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Uitkeringsovereenkomst

Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Uitkeringsovereenkomst Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Uitkeringsovereenkomst Wat u moet weten over uw pensioen Het Uniform Pensioenoverzicht geeft u duidelijkheid over wat u krijgt bij pensionering en arbeidsongeschiktheid.

Nadere informatie

Stichting Metro Pensioenfonds Populair jaarverslag 2008

Stichting Metro Pensioenfonds Populair jaarverslag 2008 Stichting Metro Pensioenfonds Populair jaarverslag 2008 blad 1 van 7 Het Metro Pensioenfonds Hieronder eerst een aantal bijzonderheden over het Metro Pensioenfonds. Het Metro Pensioenfonds is opgericht

Nadere informatie

Vraag-antwoord voor Pensioenfonds ANWB

Vraag-antwoord voor Pensioenfonds ANWB Vraag-antwoord voor Pensioenfonds ANWB vanwege verlagen pensioenen, april 2013 1. Waarom moet Pensioenfonds ANWB extra maatregelen nemen? Het pensioenfonds staat er financieel niet goed voor. De twee belangrijkste

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2009Z02723/2080913600. Kamervragen van het lid Omtzigt

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2009Z02723/2080913600. Kamervragen van het lid Omtzigt De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon (070) 333 44 44 Fax (070) 333 40 33

Nadere informatie

Wat krijgt u in onze pensioenregeling?

Wat krijgt u in onze pensioenregeling? Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl.

Nadere informatie

PensioenNieuws van Pensioenfonds TenCate

PensioenNieuws van Pensioenfonds TenCate PensioenNieuws van Pensioenfonds TenCate oktober 2016 Hoe verloopt 2016 tot nu toe? Om maar meteen met de deur in huis te vallen: de financiële situatie bij Pensioenfonds TenCate is niet goed. De alsmaar

Nadere informatie

Persbericht. ABP verlaagt pensioen in 2013 met 0,5% Ondanks goed rendement stijgt dekkingsgraad in 2012 onvoldoende

Persbericht. ABP verlaagt pensioen in 2013 met 0,5% Ondanks goed rendement stijgt dekkingsgraad in 2012 onvoldoende Persbericht ABP verlaagt pensioen in 2013 met 0,5% Ondanks goed rendement stijgt dekkingsgraad in 2012 onvoldoende Hoofdpunten: Verlaging pensioen met 0,5% per 1 april 2013 definitief Mogelijk aanvullende

Nadere informatie

OEFENOPGAVEN Voorzieningen en pensioenen (toets 2)

OEFENOPGAVEN Voorzieningen en pensioenen (toets 2) OEFENOPGAVEN Voorzieningen en pensioenen (toets 2) Opgave 1 Mevrouw H. (geb. datum 15-12-1960) bouwt sinds 1 januari 1983 pensioen op bij het pensioenfonds MPF, dat per 1 januari 2011 overgeschakeld is

Nadere informatie

Wat krijgt u in onze pensioenregeling?

Wat krijgt u in onze pensioenregeling? Pensioenfonds Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt

Nadere informatie

3.4. Verplichtstelling en maximale hoogte van het pensioen

3.4. Verplichtstelling en maximale hoogte van het pensioen Bij een eindloonregeling bouwt u veel meer pensioen op als u gedurende uw werkzame leven behoorlijk carrière maakt (lees salarisstijgingen ontvangt). Want u ontvangt het pensioen over uw laatste en dus

Nadere informatie

Wat is er aan de hand met uw pensioen?

Wat is er aan de hand met uw pensioen? Wat is er aan de hand met uw pensioen? versie 2; 01-01-2012 Programma AOW nu en vanaf 2013 De mogelijkheden van ABP Pensioen Wat is er aan de hand met uw pensioen? Meer weten? versie 2; 01-01-2012 2 AOW

Nadere informatie

Wat krijgt u in onze pensioenregeling?

Wat krijgt u in onze pensioenregeling? Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl

Nadere informatie

Vragen en antwoorden nieuwe regeling PMT, versie werkgevers

Vragen en antwoorden nieuwe regeling PMT, versie werkgevers Vragen en antwoorden nieuwe regeling PMT, versie werkgevers Hieronder treft u vragen en antwoorden over de nieuwe regeling aan. Staat uw vraag er niet bij, stuur dan een mail aan uw werkgeversconsulent.

Nadere informatie

Economische effecten van een verlaging van de administratieve lasten

Economische effecten van een verlaging van de administratieve lasten CPB Notitie Datum : 7 april 2004 Aan : Projectdirectie Administratieve Lasten Economische effecten van een verlaging van de administratieve lasten 1 Inleiding Het kabinet heeft in het regeerakkoord het

Nadere informatie

De beschikbare premieregeling: de feiten op een rij

De beschikbare premieregeling: de feiten op een rij De beschikbare premieregeling: de feiten op een rij 3 De beschikbare premieregeling In Nederland bestaan grofweg twee categorieën pensioenregelingen: beschikbare premieregelingen enerzijds en middelloon-

Nadere informatie

datum onze referentie uw referentie doorkiesnummer 15-11-2010 0523 288420

datum onze referentie uw referentie doorkiesnummer 15-11-2010 0523 288420 Aan: alle actieve deelnemers alle gewezen deelnemers alle pensioengerechtigden datum onze referentie uw referentie doorkiesnummer 15-11-2010 0523 288420 Betreft: de risico s van het pensioenfonds voor

Nadere informatie

100K+/Netto Pensioen/Netto Lijfrente. Versie 19 januari 2015

100K+/Netto Pensioen/Netto Lijfrente. Versie 19 januari 2015 100K+/Netto Pensioen/Netto Lijfrente Versie 19 januari 2015 Wat is er veranderd per 1-1-2015? Voor 1-1-2015 gold er geen salarisbeperking waarover met pensioen op mocht bouwen. Vanaf 1-1-2015 is wetgeving

Nadere informatie

Voorbeeld Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Model 3 Premieovereenkomst

Voorbeeld Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Model 3 Premieovereenkomst Voorbeeld Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Model 3 Premieovereenkomst Wat heeft u aan het Uniform Pensioenoverzicht? Het Uniform Pensioenoverzicht geeft u inzicht in wat u krijgt bij pensionering

Nadere informatie

Wat krijgt u in onze pensioenregeling?

Wat krijgt u in onze pensioenregeling? Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl.

Nadere informatie

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4

Nadere informatie

Kort jaarverslag Stichting Pensioenfonds nv Linde Gas Benelux

Kort jaarverslag Stichting Pensioenfonds nv Linde Gas Benelux Kort jaarverslag Stichting Pensioenfonds nv Linde Gas Benelux Beleggingen Het totaal rendement over het afgelopen boekjaar 2010 is uitgekomen op 15,6%. Als we naar de onderverdeling kijken zien we het

Nadere informatie

Voorbeeld Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Model 3 Premieovereenkomst

Voorbeeld Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Model 3 Premieovereenkomst Voorbeeld Toelichting Uniform Pensioenoverzicht Model 3 Premieovereenkomst Wat heeft u aan het Uniform Pensioenoverzicht? Het Uniform Pensioenoverzicht geeft u inzicht in wat u krijgt bij pensionering

Nadere informatie

Pensioenfonds Robeco. Populair Jaarverslag 2014

Pensioenfonds Robeco. Populair Jaarverslag 2014 Pensioenfonds Robeco Populair Jaarverslag 2014 2014 was een bewogen jaar voor Pensioenfonds Robeco door de sterk dalende rente en de veranderende wet- en regelgeving. In het jaarverslag blikken wij als

Nadere informatie

Nieuwe pensioenregeling vanaf 1 januari 2015. Jan Raaijmakers Aad van der Tak Michel Stok Voorzitter Manager Pensioenfonds Extern actuarieel adviseur

Nieuwe pensioenregeling vanaf 1 januari 2015. Jan Raaijmakers Aad van der Tak Michel Stok Voorzitter Manager Pensioenfonds Extern actuarieel adviseur Nieuwe pensioenregeling vanaf 1 januari 2015 Jan Raaijmakers Aad van der Tak Michel Stok Voorzitter Manager Pensioenfonds Extern actuarieel adviseur Agenda 1. Rol klankbordgroep 2. Waarom een nieuwe pensioenregeling?

Nadere informatie

Brochure. Uw pensioen in de Groothandel in Eieren

Brochure. Uw pensioen in de Groothandel in Eieren Brochure Uw pensioen in de Groothandel in Eieren Inleiding Voor u ligt de brochure van het Bedrijfspensioenfonds voor de Agrarische en Voedselvoorzieningshandel (Bpf AVH). Bpf AVH verzorgt al 50 jaar de

Nadere informatie

Je bouwt partnerpensioen op met de pensioenregeling van Pensioenfonds Detailhandel. Voor je kinderen is er wezenpensioen.

Je bouwt partnerpensioen op met de pensioenregeling van Pensioenfonds Detailhandel. Voor je kinderen is er wezenpensioen. Hoe is jouw pensioen geregeld? Wat krijg je in onze pensioenregeling? Ouderdomspensioen Je bouwt ouderdomspensioen op met de pensioenregeling van Pensioenfonds Detailhandel. Je krijgt dit ouderdomspensioen

Nadere informatie

Kwartaalbericht. 4e kwartaal 2014 Den Haag, 30 januari 2015. Samenvatting cijfers per 31 december 2014

Kwartaalbericht. 4e kwartaal 2014 Den Haag, 30 januari 2015. Samenvatting cijfers per 31 december 2014 Kwartaalbericht 4e kwartaal 2014 Den Haag, 30 januari 2015 Samenvatting cijfers per 31 december 2014 Dekkingsgraad: 111,5% Beleidsdekkingsgraad: 112,6% Belegd vermogen: 19,6 miljard Rendement 2014: 27,6%

Nadere informatie

Het Nederlandse groeirecept raakt uitgewerkt

Het Nederlandse groeirecept raakt uitgewerkt 157 Het Nederlandse groeirecept raakt uitgewerkt M. A. Allers* Samenvatting De afgelopen 25 jaar is de Nederlandse economie vooral gegroeid doordat meer mensen zijn gaan werken. Deze extensieve economische

Nadere informatie

Verkort Jaarverslag 2013

Verkort Jaarverslag 2013 Verkort Jaarverslag Han Thoman: Ons bestuur is zich echt goed bewust van de risico s die het pensioenfonds loopt. Voorzitter Han Thoman Onze financiële positie is redelijk maar moet nog beter Een jaar

Nadere informatie

Het AVEBE Pensioen samengevat

Het AVEBE Pensioen samengevat Het AVEBE Pensioen samengevat Deze folder is bedoeld voor alle medewerkers die bij AVEBE in dienst zijn getreden. Pensioenfonds Ouderdomspensioen: het AVEBE Pensioen vanaf uw pensionering Het AVEBE Pensioen

Nadere informatie

Een nadere analyse van de ontwikkeling van de franchise in de periode

Een nadere analyse van de ontwikkeling van de franchise in de periode Een nadere analyse van de ontwikkeling van de franchise in de periode 1998-2001 Uitgevoerd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag, september 2003 Inleiding In juni 2001 is de

Nadere informatie

Veel gestelde vragen kwartaalcijfers pensioenfondsen

Veel gestelde vragen kwartaalcijfers pensioenfondsen Veel gestelde vragen kwartaalcijfers pensioenfondsen 1. De kwartaalcijfers van de pensioenfondsen zijn negatief. Hoe komt dat? Het algemene beeld is dat het derde kwartaal, en dan in het bijzonder de maand

Nadere informatie

CPB Notitie. Samenvatting. Aan: Ministerie van SZW

CPB Notitie. Samenvatting. Aan: Ministerie van SZW CPB Notitie Aan: Ministerie van SZW Centraal Planbureau Van Stolkweg 14 Postbus 80510 2508 GM Den Haag T (070) 3383 380 I www.cpb.nl Contactpersoon M.H.C. Lever Datum: 10 juni 2011 Betreft: Sociaal akkoord

Nadere informatie

Bijlage bij lesbrief Pensioenworkshop Mañana

Bijlage bij lesbrief Pensioenworkshop Mañana Stichting Weet Wat Je Besteedt (WWJB) Extra uitleg en Q&A Bijlage bij lesbrief Pensioenworkshop Mañana Wat is pensioen? Tekst uit het filmpje Wist je dat je nu waarschijnlijk al pensioen opbouwt? Een klein

Nadere informatie

Hoofdstuk 24 Financiële situatie

Hoofdstuk 24 Financiële situatie Hoofdstuk 24 Financiële situatie Samenvatting De gemeente voert diverse inkomensondersteunende maatregelen uit die bedoeld zijn voor huishoudens met een lager inkomen. Zes op de tien Leidenaren zijn bekend

Nadere informatie

Risico s rond pensioen. Versie 29-12-2015

Risico s rond pensioen. Versie 29-12-2015 Risico s rond pensioen Versie 29-12-2015 Versie 29-12-2015 Risico s rond pensioen Volgens een onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) blijken de meeste Nederlanders nog hoge, ja vaak te hoge,

Nadere informatie

Waardeoverdracht. bij indiensttreding. Wat is waardeoverdracht? Is waardeoverdracht. verstandig? Goed om te weten. Een nieuwe baan.

Waardeoverdracht. bij indiensttreding. Wat is waardeoverdracht? Is waardeoverdracht. verstandig? Goed om te weten. Een nieuwe baan. Waardeoverdracht bij indiensttreding Meer weten? www.kpnpensioen.nl Wat is waardeoverdracht? 4 Zoek en vind 11 Een nieuwe baan 3 Is waardeoverdracht verstandig? Goed om te weten 6 Zo vraagt u aan 10 9

Nadere informatie