Module 4 Nu en later

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Module 4 Nu en later"

Transcriptie

1 Leeropdrachtenkatern HAVO Economie voor de 2 e fase Module 4 Nu en later Auteurs prof. dr. J. Hinloopen drs. P. Adriaansen dr. A. Zuiderwijk Eindredactie drs. P. Adriaansen prof. dr. J. Hinloopen Vijfde druk Malmberg, s-hertogenbosch

2 Voorwoord Economie is een actief vak. Je bent voortdurend bezig om economische principes te herkennen en toe te passen op de vele verschillende praktijksituaties. Je leert in te zien dat situaties die heel verschillend lijken, toch dezelfde economische logica hebben. Dat maakt het vak leuk en daardoor ga je begrijpen waar het in het vak Economie eigenlijk om draait. Deze methode gaat je daarbij helpen. Stap voor stap leer je met deze methode de dagelijkse praktijk te bekijken vanuit economische principes. Je leert begrijpen dat economie overal om je heen is en dat het juist daarom zo n actief en boeiend vak is. Concepten In de economie spelen acht concepten een sleutelrol. Ze vormen de basis van het vak. Om het vak Economie te beheersen, is het noodzakelijk dat je met deze acht basisconcepten goed om kunt gaan. De acht concepten zijn: Schaarste Ruil Markt Ruilen over de tijd Samenwerken en onderhandelen Risico en informatie Welvaart en groei Goede tijden, slechte tijden Elk katern behandelt een concept. De concepten schaarste en ruil zijn zó nauw met elkaar verbonden, dat ze samen worden behandeld in het eerste katern. Het concept markt is het grootste concept. Dit concept wordt behandeld in twee katernen. De opbouw van de concepten bij de katernen is als volgt: Katern Concepten 1 Schaarste, geld en handel Schaarste en Ruil 2 Eenmaal, andermaal, verkocht Markt 1 3 Markt en overheid Markt 2 4 Nu en later Ruilen over de tijd 5 It s a deal! Samenwerken en onderhandelen 6 Stop! Geen risico!? Risico en informatie 7 Welvaart en groei Welvaart en groei 8 Goede tijden, slechte tijden Goede tijden, slechte tijden Theorie en opdrachten De theorie en de bijbehorende opdrachten van de acht concepten vind je compact aangeboden in acht katernen. Zoals gezegd behandelt elk katern een volledig concept. Het is een combinatie van theoretische uitleg en opdrachten. Je start met het lezen van de theorie van een hoofdstuk. In de kantlijn vind je steeds de begrippen die je moet leren. De contexten praktijksituaties die worden gebruikt om de theorie toe te lichten zijn in een kader geplaatst. Aansluitend op de theorie van een hoofdstuk maak je de opgaven van de Verkenning om te kijken of je de theorie hebt begrepen. Op deze manier werk je de theorie van het hele hoofdstuk door. Vervolgens ga je de theorie via de opgaven van de Toepassing gebruiken en toepassen op andere contexten. Heb je de theorie van alle hoofdstukken via Verkenning en Toepassing doorgenomen, dan vind je aan het einde van het katern ook nog een Herhaling. Dit zijn opdrachten die controleren of je de theorie van de hele module kunt toepassen. Na Begrippen en Samengevat eindigt het katern met een Verplichte context. Hier ga je aan de hand van een concrete situatie opgaven maken en leer je de begrippen bij deze context. Verderop in de methode zullen steeds vaker verschillende concepten binnen één context worden gecombineerd. 2

3 Klaslokaalexperimenten en Tips Bij het schoolexamen hoort een aantal klaslokaalexperimenten. Die klaslokaalexperimenten zijn niet alleen leuk, ze zijn ook erg leerzaam. Klaslokaalexperimenten bootsen echte economische situaties na. Door mee te doen aan een klaslokaalexperiment gaat de stof echt voor je leven. En daardoor kun je het concept waar het klaslokaalexperiment over gaat, nog beter begrijpen. In de tekst staat regelmatig aangegeven welk klaslokaalexperiment op dat moment uitgevoerd kan worden. Het experiment heeft altijd betrekking op de theorie die net is uitgelegd. Een experiment is een serieuze aangelegenheid. Het is niet iets wat je zomaar kunt doen. Je docent heeft de benodigde handelsinstructie en beschrijving voor een experiment. In alle katernen zijn klaslokaalexperimenten opgenomen. Op deze manier kunnen de concepten levend worden gemaakt. Daarnaast kom je ook regelmatig een tip tegen. Die helpt je bij het doorgronden van de theorie, of geeft een aanwijzing voor verdieping of helpt bij het maken van een opdracht. epack Een belangrijk onderdeel van de methode is epack. Dit is het digitale deel van de methode. Dit deel staat op Hierop vind je digitale ondersteuning bij het leren. Denk aan uitleg van begrippen via animaties en filmpjes, meer verplichte contexten en examentraining. Daarnaast vind je daar ook extra opdrachten, herhaling en toetsing. Nadat je de acht katernen bestudeerd hebt, kun je aan de slag met een apart examenkatern dat bij de methode hoort. Dit katern biedt opgaven op eindexamenniveau. Met deze opgaven combineer je diverse concepten binnen dezelfde context, zoals dat ook tijdens het examen gebeurt. Met het doornemen van het examenkatern, ben je goed voorbereid op het examen. Wij wensen je veel succes met het vak Economie en hopen dat de methode Praktische Economie ertoe bijdraagt dat economie ook voor jou een boeiend vak wordt. De samenstellers 3

4 Module 4 Nu en later 4 Inleiding Een man die op reis ging, riep zijn dienaren bij zich en gaf het geld dat hij bezat aan hen in beheer. Aan de een gaf hij vijf talent, aan een ander twee, en aan nog een ander één, ieder naar wat hij aankon. Toen vertrok hij. Meteen ging de man die vijf talent ontvangen had op weg om er handel mee te drijven, en zo verdiende hij er vijf talent bij. Op dezelfde wijze verdiende de man die er twee had gekregen er twee bij. Degene die één talent ontvangen had, besloot het geld van zijn heer te verstoppen: hij begroef het. Na lange tijd keerde de heer van die dienaren terug en vroeg hun rekenschap. Degene die vijf talent ontvangen had, kwam naar hem toe en overhandigde hem nog vijf talent erbij met de woorden: Heer, u heeft mij vijf talent in beheer gegeven, alstublieft, ik heb er vijf talent bij verdiend. Zijn heer zei tegen hem: Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar. Ook degene die twee talent ontvangen had, kwam naar hem toe en zei: Heer, u heeft mij twee talent in beheer gegeven, alstublieft, ik heb er twee talent bij verdiend. Zijn heer zei tegen hem: Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar. Nu kwam ook degene die één talent ontvangen had naar hem toe, hij zei: Heer, ik wist van u dat u streng bent, en uit angst besloot ik uw talent te begraven; alstublieft, hier heeft u het terug. Zijn heer antwoordde hem: Je bent een slechte, laffe dienaar. Had mijn geld dan bij de bank in bewaring gegeven, dan zou ik bij terugkomst mijn kapitaal met rente hebben terugontvangen. Vrij naar: Bijbelboek Mattheüs, Hoofdstuk 25, vers

5 Inhoud Module 4 Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Verkenning 1.1 Tijd is geld Intertemporele substitutie Inflatie Rendement 17 Toepassing De prijs van tijd 20 Toetsing Eindtoets Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 2 Gezinnen in de tijd Verkenning 2.1 Investeren in arbeidsproductiviteit Arbeidsproductiviteit en het looninkomen Inkomsten en uitgaven 32 Toepassing Gezinnen in de tijd 35 Toetsing Eindtoets Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Ondernemingen in de tijd Verkenning 3.1 Investeringen in productiviteit De balans en resultatenrekening 44 Toepassing Ondernemingen in de tijd 50 Toetsing Eindtoets Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 De overheid in de tijd Verkenning 4.1 Collectieve goederen en ruilen over de tijd Investeringen in (arbeids)productiviteit Inkomsten en uitgaven Solidariteit tussen generaties 60 Toepassing De overheid in de tijd 63 Toetsing Eindtoets Hoofdstuk 4 Herhaling Module 4 Nu en later 67 Begrippen 72 Samengevat 74 Verplichte context Module 4 Huis en hypotheek 77 5

6 Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Vakantiewerk is meestal niet leuk. Soms is het vies, of eentonig, of begint het op een heel vroeg tijdstip. En dat terwijl je al die tijd lekker in de zon kunt liggen! Maar het geld dat je verdient kun je natuurlijk goed gebruiken. Je kunt het meteen uitgeven of je kunt het opzij leggen om er later iets van te kopen. In de tussentijd zet je dan je verdiende loon op de bank tegen een mooie spaarrente. Dan wordt het bedrag ook nog eens vanzelf groter. En op internet staat precies welke bank de hoogste rente geeft. Het enige wat je hoeft te doen is de juiste spaarrekening openen. Maar is die hoge rente wel genoeg om toekomstige prijsverhogingen te compenseren? Is het niet beter om nu te kopen in plaats van te wachten? Kernbegrippen Rente Sparen Intertemporele substitutie Voorraad- en stroomgrootheid Inflatie Consumentenprijsindex Rendement 6 Module 4 Nu en later

7 Verkenning 1.1 Tijd is geld Om iets te kunnen kopen of produceren heb je middelen nodig. Een autoliefhebber kan wel een mooie auto willen kopen, maar als hij het geld daarvoor niet heeft gaat de koop niet door. En een aannemer kan wel beloven een futuristisch gebouw neer te zetten, als hij niet over voldoende geschoold personeel beschikt komt de bouw niet van de grond. Als de benodigde middelen niet voorhanden zijn kan de factor tijd uitkomst bieden. Want door de tijd heen kan geld worden verdiend en gespaard. De autoliefhebber kan iedere maand een deel van zijn arbeidsloon opzij zetten. Na verloop van tijd beschikt hij dan over voldoende geld om de auto te kopen. De aannemer kan zijn medewerkers eerst laten bijscholen zodat ze daarna dat futuristische gebouw kunnen bouwen. rente algemene prijs van tijd De factor tijd beïnvloedt de hoeveelheid en kwaliteit van middelen waarover iemand beschikt. Daarom heeft de factor tijd zelf ook een prijs. De autoliefhebber beschikt pas na een bepaalde tijd over voldoende geld. De aannemer wil voldoende gekwalificeerd personeel hebben, maar dat kost tijd. Deze prijs van tijd heeft een speciale naam: de rente. De rente die de banken rekenen is voor iedereen gelijk. Daarom is de rente de algemene prijs van tijd. Bron 1 De algemene prijs van tijd stijgt. Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Verkenning 7

8 Edwin wil een nieuwe auto kopen. De auto die hij op het oog heeft kost Dat geld heeft hij niet. Na aftrek van alle lasten houdt Edwin maandelijks 350 over. Dit bedrag zet hij op de eerste dag van iedere maand op de bank tegen een rente van 5%. De rente die de bank betaalt, is gebaseerd op het gemiddelde spaarbedrag dat gedurende een jaar op de bankrekening van Edwin staat. De eerste maand staat er 350 op, de tweede maand 700 en zo verder. Gemiddeld genomen staat er het eerste jaar ( ) / 12 = op de spaarrekening. Edwin krijgt na het eerste jaar 0, = 113,75 aan rente uitgekeerd. Deze rente zet hij ook op de spaarrekening zodat hij na het eerste jaar in totaal 4.313,75 heeft. In bron 2 staat de ontwikkeling van het spaargeld door de tijd heen. Zo zal er in het tweede jaar gemiddeld 6.588,75 op de spaarrekening staan, en dat levert Edwin 329,44 aan rente op. Op deze manier beschikt Edwin na vijf jaar over ,19 en dat is meer dan de huidige prijs van de auto. Bron 2 Spaargeldontwikkeling van Edwin die 350 per maand spaart tegen een rente van 5%. Maand Spaarbedrag Januari 350 Februari 700 Maart Gemiddeld spaarbedrag eerste jaar Rente 113,75 Totaal na 1 jaar 4.313,75 Totaal na 2 jaar 8.843,19 Totaal na 3 jaar ,10 Totaal na 4 jaar ,80 Totaal na 5 jaar ,19 Opdrachten 1 Lees de introtekst van de module. Welke twee manieren geeft de tekst om het aantal talenten in de loop van de tijd te vermeerderen? 2 Lees de introtekst van het hoofdstuk. a Wat is het voordeel als je consumptie uitstelt naar een latere tijd? b Je krijgt 2,8% rente op je spaarrekening, waardoor jouw spaarbedrag groeit. Waarom is het niet zeker dat je met het grotere spaarbedrag in de toekomst ook meer producten kunt kopen? 3 De titel van de paragraaf is Tijd is geld. Wat wordt daar in dit geval mee bedoeld? A Aan vrije tijd zijn kosten verbonden. Mensen kunnen in dezelfde tijd immers ook geld verdienen. B De factor tijd heeft een prijs en die prijs wordt rente genoemd. 8 Module 4 Nu en later

9 4 Waarom wordt rente de algemene prijs van tijd genoemd? Kies een of meer van de volgende verklaringen: A Rente komt in het algemeen tot stand door vraag en aanbod. B De rente die de banken rekenen is voor iedereen hetzelfde. C Iedereen wil even graag lenen. D Iedereen wil even graag sparen. 5 Bekijk bron 1 (zie bladzijde 7). Waarom dalen de bestedingen van consumenten als de algemene prijs van tijd stijgt? 6 Bekijk bron 2. In het voorbeeld in deze paragraaf krijgt Edwin elk jaar een bedrag aan rente bijgeschreven. a Waarom neemt dit bedrag van jaar tot jaar toe? b Laat met een berekening zien dat Edwin in het tweede jaar 329,44 rente ontvangt. c Toon aan dat Edwin in totaal ,81 opzij moet leggen om een auto van te kunnen kopen. 7 Lees bron 3. a Toon met een berekening aan dat in jaar 1 het gemiddelde bedrag op de spaarrekening 325 is. b Toon met een berekening aan dat Anita na twee jaar 1.250,52 bij elkaar heeft gespaard. c Welk bedrag heeft Anita in totaal in twee jaar opzij gelegd? Bron 3 Anita spaart voor een scooter Anita wil een tweedehands scooter kopen van Anita heeft dit bedrag niet cash, maar ze wil er wel voor sparen. Anita houdt elke maand 50 euro over van de inkomsten van haar bijbaantje. Dit bedrag zet zij vanaf 1 januari op de eerste dag van elke maand op een spaarrekening, tegen een rentepercentage van 4%. De bank betaalt de verschuldigde rente op de laatste dag van het jaar. De rente wordt berekend over het gemiddelde spaarbedrag in een jaar. 1.2 Intertemporele substitutie In module 1 heb je gezien dat de invoering van geld ruilen makkelijker maakt. Voor alle middelen hoef je dan alleen maar de ruilverhouding tot geld te bepalen, en niet meer voor alle middelen onderling. Ook de factor tijd maakt ruilen gemakkelijker. Want de algemene prijs van tijd, de rente, maakt het mogelijk om te ruilen over de tijd. intertemporele substitutie Als een consument een product koopt, is de verkoopprijs lager dan de maximale prijs die hij bereid is te betalen. Anders zou hij het product namelijk niet kopen. Dit verschil is in zijn voordeel en heet het consumentensurplus, zie hoofdstuk 1 van module 2. Hoe hoger het surplus, hoe hoger het welbevinden van de consument bij de aankoop van het product. Een consument kan ook besluiten om de aankoop uit te stellen. Het geld dat hij daardoor niet uitgeeft, kan hij op een bankrekening zetten. De consument ontvangt dan rente. Als je spaart, stel je consumptie uit: consumptie nu wordt vervangen door consumptie in de toekomst. Dit verschuiven van consumptie door de tijd heet intertemporele substitutie. Consumptie in de huidige tijd wordt gesubstitueerd door consumptie in de toekomst. Consumptie wordt dus in de tijd (intertemporeel) verschoven. Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Verkenning 9

10 sparen individuele prijs van tijd Sparen levert rente op. Maar de spaarder loopt consumentensurplus mis door het uitstellen van zijn consumptie. Voor het mislopen van dit consumentensurplus wordt de spaarder gecompenseerd in de vorm van rente. De rente is voor een spaarder dus de prijs die hij krijgt voor het uitstellen van consumptie. Maar wanneer zet een consument dan zijn geld op de bank, en wanneer geeft hij het direct uit? Om dat te weten, moet je de algemene tijd vergelijken met de individuele prijs van tijd. Deze individuele prijs van tijd is gelijk aan het ongemak dat een consument ondervindt als hij consumptie uitstelt. Stel dat iemand honger heeft en besluit om het geld voor eten op de bank te zetten. De prijs die de consument dan betaalt voor het uitstellen van consumptie is gelijk aan het ongemak van het blijvende hongergevoel. Als de rente hoog genoeg is, weegt het hongergevoel niet op tegen de rentebetaling. In dat geval is de individuele prijs van tijd lager dan de rente en zet de consument het geld op de bank. Edwin heeft honger en staat in een snackbar. Zal ik een patatje kopen? vraagt Edwin zich af. Dan ben ik van dat hongergevoel af. Edwin kan de 2 van het patatje ook op de bank zetten. Dat levert rente op. Als de rente 5% is, krijgt hij over een jaar 0,10 aan rente uitgekeerd. Die renteopbrengst weegt voor Edwin niet op tegen het wegwerken van zijn hongergevoel. Inmiddels is Edwin aan de beurt. Eén patat met graag. Bron 4 Voor Edwin is de individuele prijs van tijd nu hoger dan de algemene prijs van tijd. De individuele prijs van tijd verschilt van persoon tot persoon. De een is ongeduldig en kan niet wachten om de nieuwste dvd van zijn favoriete filmheld te kopen. De ander is geduldiger en vindt het niet erg om daarop te moeten wachten. De individuele prijs van tijd is voor ongeduldige consumenten hoog. Zij zijn minder geneigd om te sparen. Voor geduldige consumenten ligt de prijs van tijd lager. Zij zijn meer geneigd om te sparen. De neiging tot sparen hangt ook af van het product. Als je dorst hebt, wil je snel wat drinken. Maar de aankoop van een nieuwe cd kan wel een weekje wachten. De individuele prijs van tijd is daarom voor ieder product verschillend. Afhankelijk van de hoogte van de rente zal een consument voor ieder product besluiten of hij de aankoop uitstelt of niet. Dat was lekker. Edwin loopt door het winkelcentrum en bekijkt etalages. Bij een juwelier blijft hij staan. Ik zou eens een nieuw horloge moeten kopen, mijmert hij. Maar ja, die zijn niet goedkoop. Hij kijkt op zijn horloge. Deze is eigenlijk nog prima. Weet je wat, ik laat mijn geld op de bank staan. Dan kan ik volgend jaar een nog mooier horloge kopen. 10 Module 4 Nu en later

11 Een consument kan ook consumptie vervroegen. In dat geval wordt toekomstige consumptie verschoven naar het heden. Er wordt dan geconsumeerd op een moment dat de consument er nog geen geld voor heeft. Dat betekent dat hij geld zal moeten lenen. Over deze lening moet hij rente betalen aan de persoon of de instantie die het geld uitleent. Voor iemand die leent, is de rente de prijs die hij betaalt voor het vervroegen van consumptie. Het voordeel van het vervroegen van consumptie is dat de consument direct het consumentensurplus ontvangt. Het nadeel is dat de consument rente moet betalen boven op het aankoopbedrag. Ook nu weer bepaalt het verschil tussen de algemene prijs van tijd, de rente, en de individuele prijs van tijd of de consument geld leent of niet. De consument zal geld lenen als het voordeel van vervroegde consumptie groter is dan het nadeel van de rentekosten. In dat geval is de individuele prijs van tijd hoger dan de rente. Edwin heeft niet veel zin om vijf jaar te sparen voor zijn auto. Hij overweegt een lening af te sluiten van De bank vraagt jaarlijks 8% rente over dit leenbedrag en 470 aflossing aan het eind van elke maand. De rente die Edwin moet betalen, is gebaseerd op het gemiddelde leenbedrag dat gedurende een jaar open staat. In het eerste jaar is dat ( ) / 12 = De rente komt dan uit op 0, = 1.673,20. De bank staat toe dat deze rente weer wordt toegevoegd aan de lening. Zodoende moet Edwin na een jaar nog ,20 = ,20 terugbetalen. Het tweede jaar is het leenbedrag gemiddeld ,20. De rente die Edwin hierover betaalt, is 1.355,86. Op deze manier heeft Edwin na vijf jaar nog een restschuld van 228,37. De ontwikkeling van de schuld van Edwin door de tijd staat in bron 5. Hij besluit om het bedrag niet te lenen. Het verschil tussen 350 per maand sparen en 470 per maand aflossen vindt hij te groot. Het vervroegen van consumptie mag wat kosten, maar het moet niet te gek worden. Bron 5 Ontwikkeling lening van Edwin die 470 per maand aflost en leent tegen een rente van 8%. Maand Leenbedrag aan het begin van de maand Januari Februari Maart maanden Gemiddeld leenbedrag eerste jaar Rente 1.673,20 Restschuld na 1 jaar ,20 Restschuld na 2 jaar ,06 Restschuld na 3 jaar ,18 Restschuld na 4 jaar 5.625,15 Restschuld na 5 jaar 228,37 Experiment Wie dan leeft, wie dan zorgt Rente is de prijs van tijd. De hoogte van de rente bepaalt of je geld spaart, of je het direct uitgeeft, en of je geld leent. Als je spaart, stel je consumptie uit. Dat levert rente op. Als je leent, verschuif je consumptie uit de toekomst naar het heden. Dat kost je rente en aflossing. Bij dit experiment gaat het om de vraag: wat doe jij? Sparen of lenen? Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Verkenning 11

12 voorraadgrootheid stroomgrootheid Wie spaart geeft zijn spaargeld in beheer bij de bank. Dit spaargeld is een voorraadgrootheid. Voorraadgrootheden zijn grootheden waarvan de waarde op een bepaald moment wordt bepaald, zoals grondstoffen die opgeslagen liggen in een loods, het aantal bedrijfsauto s en het op een rekening gestorte spaargeld. Iemand die spaart, krijgt als beloning rente. Deze rente is een stroomgrootheid. De waarde van stroomgrootheden wordt over een bepaalde periode bepaald. Daardoor verandert hun waarde door de tijd, zoals opgebouwde rente en bedrijfswinsten. Het onderscheid tussen voorraad- en stroomgrootheden is van belang als je bezittingen en schulden met elkaar vergelijkt. In hoofdstuk 3 wordt dit besproken: daar gaat het over de financiële stand van zaken van een onderneming. Opdrachten 8 Het bestaan van rente maakt ruilen over de tijd mogelijk. Leg deze uitspraak uit. 9 Mensen hebben verschillende motieven om te sparen. Bedenk een tweetal motieven voor mensen om te sparen. 10 Mensen hebben verschillende motieven om te lenen. Bedenk een tweetal motieven voor mensen om te lenen. 11 Geef aan waarom er in de volgende gevallen sprake is van intertemporele substitutie. A Harrie is twintig jaar. Hij werkt als trainee bij Albert Heijn. In de avonduren studeert Harrie voor zijn heao-diploma. Hij hoopt later een hoge managementfunctie te krijgen. B Theo wil over twee jaar met zijn gezin een grote wereldreis maken. Om geld uit te sparen gaat hij voorlopig even niet op wintersport. C Loes heeft bij een postorderbedrijf een mooie computer gekocht. Zij betaalt de rekening door 20 maanden lang 60 per maand af te betalen. D Koos neemt een mobiel abonnement bij KPN en ontvangt daarbij een iphone voor Zijn de volgende uitspraken juist? A Mensen moeten rente betalen als zij hun consumptie willen vervroegen. B Mensen ontvangen rente als zij hun consumptie willen vervroegen. C Mensen ontvangen rente als zij bereid zijn hun consumptie uit te stellen. D Mensen ontvangen rente als zij hun consumptie willen vervroegen. 13 Bekijk bron 4 (zie bladzijde 10). Edwin koopt een patatje, terwijl hij de 2 ook op een spaarrekening had kunnen zetten. Edwin kan zijn hongergevoel niet weerstaan. Welke prijs van tijd is in dit geval bij Edwin heel hoog? A De individuele prijs van tijd. B De algemene prijs van tijd. 14 Zijn de volgende uitspraken juist? A Mensen lenen omdat hun individuele prijs van tijd lager is dan de algemene prijs van tijd. B Mensen sparen omdat hun individuele prijs van tijd lager is dan de algemene prijs van tijd. C Hoe lager de rente, hoe meer mensen lenen. D De algemene prijs van tijd wordt weergegeven door de rente. 15 Het onderscheid tussen de algemene prijs van tijd en de individuele prijs van tijd is van belang om te begrijpen waarom sommige mensen sparen en anderen lenen. Leg deze uitspraak in eigen woorden uit. 12 Module 4 Nu en later

13 16 Als de rente daalt, zullen meer mensen gaan lenen. Leg deze uitspraak uit en gebruik daarbij de begrippen algemene prijs van tijd en individuele prijs van tijd. 17 Sparen kan op twee manieren. Je kunt het geld op de bank zetten of het in eigen beheer thuis bewaren, bijvoorbeeld in een oude sok of onder je matras. De tweede methode heeft een aantal nadelen, zowel voor jezelf als voor de economie als geheel. a Geef twee nadelen als je zelf geld bewaart. b Wat doet de bank met het spaargeld van klanten? c Wat is (dus) een nadeel van het sparen in eigen beheer voor de economie als geheel? 18 Gebruik bron 5 (zie bladzijde 11). a Deze paragraaf geeft in de uitleg van bron 5 aan dat de schuld van Edwin in december van het eerste jaar is. Toon met een berekening aan dat dit bedrag juist is. b In deze paragraaf staat dat de gemiddelde schuld in het eerste jaar is. Toon met een berekening aan dat dit bedrag juist is. c Ieder jaar moet Edwin een bedrag aan rente betalen. Waarom neemt dit bedrag van jaar tot jaar af? 19 Edwin besluit de aankoop van de auto niet te vervroegen. Welke conclusie is juist? A Voor Edwin is de individuele prijs van tijd lager dan de algemene prijs van tijd. B Voor Edwin is de individuele prijs van tijd hoger dan de algemene prijs van tijd. 20 Lees bron 6. a Is Kelly s individuele prijs van tijd hoger of lager dan 9%? Verklaar je antwoord. b Toon aan dat de gemiddelde schuld in het eerste jaar 957,50 is. c Toon aan dat Kelly over het eerste jaar 86,18 aan rente moet betalen. Bron 6 Kelly gaat lenen Kelly wil ook een scooter kopen van 1.249, net als Anita uit bron 3 (zie bladzijde 9). Maar Kelly heeft eigenlijk helemaal geen zin om te sparen. Ze kan het benodigde bedrag voor de scooter namelijk ook lenen tegen een rentepercentage van 9%. Kelly vindt dat geen probleem. Aan het eind van elke maand lost ze 53 af. Na vijf jaar is de scooter afbetaald. De rente wordt aan het eind van elk jaar berekend over de gemiddelde schuld in dat jaar. Het rentebedrag wordt aan het eind van elk jaar bij de schuld bijgeschreven. 21 Kelly betaalt in totaal (afgerond) voor de scooter, terwijl Anita een veel lager bedrag betaalt (zie antwoord op vraag 7c). Geef twee oorzaken waarom Kelly meer voor de scooter betaalt dan Anita. 22 Welke van de volgende grootheden zijn voorraadgrootheden en welke zijn stroomgrootheden? A Mijn spaargeld op een IJslandse bank. B Mijn hypotheekschuld bij Aegon. C De hypotheekrente die ik betaal over mijn schuld bij Aegon. D De machines in de bedrijfshal van de Calvé-pindakaasfabriek. E De drie miljoen m 3 ruwe olie die is opgeslagen bij de olieraffinaderij van Shell op de Maasvlakte. F De winst van Shell in G Het tropisch hardhout in de oerwouden van Brazilië. H De jaarlijkse inkomsten van Brazilië uit de export van tropisch hardhout. Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Verkenning 13

14 1.3 Inflatie goederenmandje bestedingsaandeel In 2009 was de gemiddelde prijs van een bruin brood 1,90. Voor datzelfde brood moest je een jaar later een hogere prijs betalen, namelijk 2. En dat geldt voor de meeste producten: voor hetzelfde product moet je na verloop van tijd een hogere prijs betalen. Prijsstijgingen van jaar op jaar zijn voor ieder product verschillend. Zo kunnen stripboeken in een jaar tijd 8% duurder zijn geworden, terwijl de prijs van een Big Mac met maar 3% is gestegen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berekent daarom ieder jaar een gemiddelde prijsstijging. Daarvoor gebruikt het CBS een zogenoemd goederenmandje. Dit is een verzameling producten die representatief is voor wat een gemiddeld gezin zoal koopt. Het bevat onder meer kleding, voedsel, energieverbruik en woonlasten. Het CBS berekent de prijsverandering van dit goederenmandje van jaar op jaar, waarbij rekening wordt gehouden met het bestedingsaandeel van de goederen in het goederenmandje. Dit bestedingsaandeel is gelijk aan wat er aan een bepaald product wordt uitgegeven als percentage van de totale uitgaven. Zo ligt het bestedingsaandeel van wonen rond de 30%, terwijl dat voor kleding bijvoorbeeld 5% is. Dat betekent dat een gemiddeld huishouden 5% van het maandinkomen aan kleding uitgeeft en 30% aan wonen. Veranderingen in het prijspeil van wonen voelen consumenten dus sterker in hun portemonnee dan veranderingen in het prijspeil van kleding. inflatie De gemiddelde prijs van het goederenmandje is het algemene prijspeil. De stijging van het algemene prijspijl door de tijd heet inflatie. In formule: Edwin is benieuwd hoeveel procent zijn lunch in 2010 duurder is geworden ten opzichte van In bron 7 staan de producten van zijn lunch met de prijzen uit 2009 en Om de prijsstijging van zijn lunch te berekenen, maakt Edwin dezelfde som als het CBS maakt voor het goederenmandje. Eerst heeft hij het bestedingsaandeel van ieder product berekend. Dat aandeel is gelijk aan wat Edwin in 2009 aan dit onderdeel van zijn lunch uitgeeft als percentage van de totale kosten van de lunch. Vervolgens vermenigvuldigt hij de individuele prijsstijgingen met de bestedingsaandelen. Zo ontstaat er een gewogen prijsstijging voor ieder onderdeel van zijn lunch. Zo berekent het CBS ook de inflatie van het goederenmandje, denkt Edwin. Deze gewogen prijsstijgingen telt Edwin dan op om een gewogen gemiddelde te krijgen. Het gewogen gemiddelde is de prijsstijging van zijn lunch. In bron 7 is op deze manier de prijsstijging berekend voor de lunch van Edwin. Brood, kaas en ham werden duurder, maar van melk en appels daalde de prijs. De optelsom van de gewogen prijsstijgingen komt uit op 5,5%. Zijn lunch is 5,5% duurder geworden. Bron 7 Prijsstijging van de lunch van Edwin. Product Prijs in 2009 Bestedingsaandeel Prijs in 2010 Stijging van de prijs Gewogen inflatie Brood (half) 1,50 26,8 % 1,56 4,0 % 1,1 % Melk (halve liter) 0,80 14,3 % 0,76 5,0 % 0,7 % Kaas (1 ons) 0,90 16,1 % 0,99 10,0 % 1,6 % Appel (2) 0,40 7,1 % 0,30 25,0 % 1,8 % Ham (1 ons) 2 35,7 % 2,30 15,0 % 5,3 % + Totaal 5,60 100,0 % 5,91 Prijsstijging 5,5 % 14 Module 4 Nu en later

15 basisjaar Het CBS meet de officiële inflatie door de prijzen van de verschillende productcategorieën van het goederenmandje om te zetten in indexcijfers en vervolgens te wegen met het bestedingsaandeel. Een indexcijfer is een getal waarmee je eenvoudig een procentuele verandering ten opzichte van het basisjaar kunt aflezen. Het indexcijfer voor het basisjaar is altijd 100. In bron 8 zijn de prijzen omgerekend naar indexcijfers. De woonlasten in het basisjaar 2009 zijn 500. Deze 500 wordt omgezet in het prijsindexcijfer 100. Het prijsindexcijfer van de woonlasten in 2010 is dan 525 / = 105. Op dezelfde manier bereken je de andere prijsindexcijfers in Het wegen van de prijsindexcijfers met behulp van de bestedingsaandelen gaat voor 2009 als volgt: ((30 100) + (25 100) + (5 100) + (15 100) + (25 100)) / 100 = 100. Voor 2010 geldt: ((30 105) + (25 110) + (5 98) + (15 100) + (25 110)) / 100 = 106,4. Bron 8 Het berekenen van het consumentenprijsindexcijfer. Bestedingsaandeel Prijs in 2009 Prijs in 2010 Prijsindexcijfer 2009 Prijsindexcijfer 2010 Wonen 30% Voeding 25% Kleding 5% Recreatie 15% Overige 25% consumentenprijsindex De uitkomst van de bovenstaande berekening noem je het consumentenprijsindexcijfer. De consumentenprijsindex (CPI) geeft de hoogte van het gemiddelde prijsniveau in het land, uitgedrukt in een indexcijfer. De CPI bereken je met de formule: De CPI in het basisjaar (2009) is 100. In 2010 is de CPI gestegen naar 106,4. Dit betekent dat de prijzen van 2009 naar 2010 met gemiddeld 6,4% gestegen zijn. Anders gezegd: van 2009 naar 2010 is de inflatie 6,4%. Als de CPI in 2011 naar 109,2 stijgt, is de inflatie vanaf het basisjaar 9,2%. Als in dit boek het begrip inflatie wordt gebruikt, dan is dat de officiële inflatie, berekend met de CPI. Er is een verklaring voor het bestaan van inflatie. Die komt in module 8 aan bod. Nu gaat het vooral om het gevolg van inflatie: met hetzelfde budget kun je in het heden meer kopen dan in de toekomst. Anders gezegd: door de tijd heen wordt geld minder waard. Tip Kijk eens op de site van het CBS ( Daar is informatie te vinden over de prijzen van tal van goederen. Op de site is ook het consumentenprijsindexcijfer te vinden. Opdrachten 23 Zijn de volgende uitspraken juist? A Inflatie betekent dat alle prijzen stijgen. B Inflatie wordt uitgedrukt in een percentage. C Inflatie leidt tot geldontwaarding. D Inflatie houdt in dat het algehele prijspeil stijgt. Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Verkenning 15

16 24 Het tegenovergestelde van inflatie heet deflatie. Geef een omschrijving van het begrip deflatie. 25 De prijs van punaises stijgt met 20% en de prijs van aardgas met 10%. a Van welke prijsstijging hebben consumenten dan het meeste last? Verklaar je antwoord. b Hoe verwerkt het CBS dit verschil in de berekening van de inflatie? 26 Lees bron 9. Bereken voor David het gemiddelde cijfer voor het vak Economie. Bron 9 Welk cijfer komt op je diploma? David moet voor economie de volgende examenonderdelen afleggen: twee praktische opdrachten (PO), een schoolexamen (SE) en een centraal schriftelijk examen (CE). Het eindcijfer is een gewogen gemiddelde van de behaalde cijfers. Het CEresultaat telt voor 50% mee bij de bepaling van het eindcijfer. De twee PO s tellen ieder mee voor 10%. Het SE telt voor 30% mee. David haalt voor zijn PO s een 6,6 en een 8,2, voor zijn SE een 5,5, voor zijn CE een 6,0. 27 Waarom is de CPI een gewogen gemiddelde? A Omdat consumenten aan het ene product meer geld uitgeven dan aan het andere product. B Omdat het ene product meer in prijs stijgt dan het andere product. 28 Hoe berekent het CBS de bestedingsaandelen van productgroepen? A Het CBS onderzoekt de gemiddelde prijs van de productgroep. Hoe hoger de prijs, hoe hoger het bestedingsaandeel. B Het CBS onderzoekt hoeveel procent van zijn uitgaven de consument besteedt aan de betreffende productgroep. 29 De volgende tabel geeft een overzicht van de verschillende productgroepen waaraan de consument zijn inkomen besteedt en van de prijsstijging in een bepaalde periode. a Bereken de gewogen inflatie per productgroep in de laatste kolom. b Bereken met behulp van de laatste kolom het inflatiepercentage. Rond af op een geheel percentage. Productgroep Bestedingsaandeel Stijging van de prijs Gewogen inflatie Voeding 15% 2% Huisvesting 25% 8% Kleding 10% 8% Recreatie 15% 12% Overige 35% 6% 30 Bekijk de volgende tabel. Productgroep Bestedingsaandeel Prijsindexcijfer 1 januari 2009 Prijsindexcijfer 1 januari 2010 Voeding 26% Huisvesting 28% Kleding 6% Recreatie 12% Overige 28% Module 4 Nu en later

17 a Hoeveel procent is voeding gemiddeld in prijs gestegen van 1 januari 2009 tot 1 januari 2010? b Welk product is in 2009 gemiddeld goedkoper geworden? c 1 januari 2009 is het basisjaar. Hoe zie je dat in de tabel? d Bereken met de gegevens uit de tabel de CPI op 1 januari Rond af op een geheel getal. e Hoe hoog is de inflatie in 2009? 31 Bekijk de volgende tabel. Productgroep Bestedingsaandeel Prijsindexcijfer 1 januari 2010 Prijsindexcijfer 1 januari 2011 Voeding 26% Huisvesting 28% Kleding 6% Recreatie 12% Overige 28% a In opdracht 30d heb je de CPI op 1 januari 2010 berekend. Bereken nu de CPI op 1 januari b Bereken met behulp van de antwoorden van opdracht a de inflatie in Johnnie heeft een krantenwijk en verdient daarmee 40 per week. Hij geeft zijn hele wekelijkse inkomen uit aan bier en sigaretten ( 24 aan bier en 16 aan sigaretten). Door belastingmaatregelen van de overheid wordt bier 10% duurder en worden sigaretten 20% duurder. Met hoeveel procent inflatie heeft Johnnie te maken, gezien zijn persoonlijke bestedingspatroon? 1.4 Rendement rendement Een spaarder die zijn geld op de bank zet, krijgt daarvoor rente. Deze rente is het rendement op het ingelegde spaargeld. Als een spaarder jaarlijks 80 rente ontvangt bij een bedrag van 1.600, dan is het rendement: 80 / % = 5%. Het begrip rendement is ook van toepassing bij de investeringen van bedrijven. Als een bedrijf jaarlijks een opbrengst van behaalt als gevolg van een eerder gedane investering van , dan is het rendement / % = 10%. Het rendement op een investering is als volgt gedefinieerd: Deze formule geldt natuurlijk ook voor spaargeld dat op de bank wordt gezet. De investering is dan gelijk aan het ingelegde spaargeld. De bank doet Edwin een voorstel. Als hij elke maand 350 inlegt gedurende vijf jaar, dan keert de bank aan het einde van de looptijd een rente uit van 12%. Dit is een veel hoger percentage dan de 5% die u nu elk jaar krijgt, zegt de bankmedewerker. Dat is wel zo, maar het rendement is lager, antwoordt Edwin. Als ik elke maand 350 inleg, investeer ik in totaal = Mijn investeringsopbrengst is in dat geval = bij 5% rente per jaar. Dat komt overeen met een rendement van / % = 13,5%. Edwin besluit dan ook niet op het voorstel van de bank in te gaan. Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Verkenning 17

18 nominale rendement reële rendement De rente die de bank uitkeert op spaargeld is het nominale rendement. Zo krijgt Edwin nominaal 5% rente. Bij dit nominale rendement wordt geen rekening gehouden met de inflatie. Maar in de tijd dat het geld van Edwin op een spaarrekening staat, is het gemiddelde prijspeil van de producten gestegen als gevolg van de inflatie. Daardoor betekent 5% aan nominale rente niet dat de koopkracht van Edwin met 5% is toegenomen. Edwin heeft wel meer geld, maar alles is ook duurder geworden. Bij het reële rendement wordt wel rekening gehouden met de inflatie. Om het reële rendement te berekenen, zet je eerst het (nominale) spaarbedrag om in een indexcijfer. Vervolgens deel je dit indexcijfer door het consumentenprijsindexcijfer. De uitkomst geeft de reële waarde van het spaargeld, uitgedrukt in een indexcijfer. Uit dit indexcijfer van de reële spaarwaarde kun je het reële rendement afleiden. In formule: Deze formule is met een eenvoudig voorbeeld te begrijpen. Stel dat je in een bepaald jaar met 100 aan spaargeld 100 pennen kunt kopen van 1 per stuk. De nominale rente is 5% en de inflatie 3%. De nominale rente zorgt ervoor dat de oorspronkelijke 100 spaargeld na een jaar is gegroeid tot 105. Maar de prijs van een pen is in een jaar tijd gestegen tot 1,03 waardoor 100 pennen samen 103 kosten. Met de 105 kun je na een jaar dus geen 105 pennen kopen, maar 105 / 1,03 = 101,9 pennen. De koopkracht van het spaargeld is gestegen van 100 naar 101,9. Dat komt overeen met een reëel rendement van 1,9%. Met het invullen van de formule krijg je dezelfde berekening als in dit voorbeeld met de pennen. Het indexcijfer van de reële spaarwaarde bij 100 spaargeld is 100 / 100 = 100. Na een jaar is het indexcijfer van de nominale spaarwaarde 105 en de CPI is 103. Het indexcijfer van de reële spaarwaarde is dus 105 / 103 = 101,9. Het reële rendement bedraagt dan 1,9%. De auto die Edwin wil kopen kost nu Maar over vijf jaar, als ik volgens bron 2 (zie bladzijde 8) ,19 gespaard heb, is die auto vast een stuk duurder, denkt Edwin. De inflatie is gemiddeld 2%. Als de prijs van een auto met de inflatie meestijgt, kost hij volgend jaar ,02 = , het jaar daarna ,02 = ,40, en zo verder. Over vijf jaar moet ik dus ,02 5 = ,90 gespaard hebben. Maar dat is meer dan de ,19 die ik op de bank zal hebben staan als ik iedere maand 350 spaar en de bank me 5% rente geeft! De eerdere berekening van Edwin hield geen rekening met de inflatie en daardoor komt hij bedrogen uit. Hij zou dat ook hebben kunnen weten door het reële rendement op zijn investering te berekenen. De 5% rente die de bank hem betaalt, is de nominale rente. Om de reële rente te berekenen moet hij eerst de inflatie omzetten in een consumentenprijsindexcijfer. De inflatie bedraagt 2% per jaar, dus is het consumentenprijsindexcijfer 102. De nominale rente is 5% per jaar, en dus is het indexcijfer 105. Het reële rendement is dan ((105 / 102) 1) 100% = 2,9%. Dit rendement blijkt niet voldoende te zijn om over vijf jaar de auto te kunnen kopen. Edwin zal daarvoor per maand meer moeten sparen. 18 Module 4 Nu en later

19 Opdrachten 33 Nominaal rendement en inflatie bepalen samen het reële rendement. In welk geval is het reële rendement gelijk aan het nominale rendement? A Als het nominale rendement meer dan 0% is. B Als de inflatie minder dan 0% is. C Als er geen inflatie is. D Als de inflatie negatief is. 34 In welk geval is het nominale rendement hoger dan het reële rendement? A Als het nominale rendement meer dan 0% is. B Als de inflatie minder dan 0% is. C Als er geen inflatie is. D Als er sprake is van inflatie. 35 Gerard heeft in een bepaald jaar een nominaal rendement van 5,2%. De inflatie in dat jaar is 3,3%. Laat met een berekening zien dat het reële rendement (op één decimaal afgerond) 1,8% is. 36 Bereken de percentages op plaats A tot en met G in de volgende tabel (afronden op één decimaal). Nominaal rendement Inflatie Reëel rendement 4,0% 4,0% A % 6,2% 4,2% B % 4,6% 6,1% C % 3,1% 0% D % 6,0% E % 8,2% F % 5,1% 0 % 3,0% G % 1,9% Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Verkenning 19

20 Toepassing 1 Gebruik bron 10. Op deze markt zijn vijf aanbieders van en vijf vragers naar geld actief. a Zijn de spaarders de vragers of de aanbieders van geld? b Welke vier personen bieden euro s aan bij een rente van 6%? c Wie vraagt euro s bij een rente van 6%? d Laat met een berekening zien dat er bij een rente van 6% een aanbodoverschot is van 350. e Bij welke rente is er evenwicht tussen vraag en aanbod op deze markt? Verklaar je antwoord met een berekening. f Welke vragers van vermogen zullen bij de evenwichtsrente afzien van lenen? g Welke aanbieders van vermogen zullen bij de evenwichtsrente afzien van sparen? h Welke hoeveelheid krediet wordt bij evenwicht op deze markt verhandeld? i Welke persoon heeft de hoogste individuele prijs van tijd? 2 Gebruik de volgende tabel. Productgroep Bestedingsaandeel Prijsindexcijfer Voeding 12% 96 Huisvesting 24% 110 Kleding 6% 98 Recreatie X % Y Overige 35% 108 a Welk cijfer is op de plaats X weggelaten? b Het inflatiepercentage vanaf het basisjaar is 8,05%. Welk cijfer is weggelaten op plaats Y? 3 Bekijk bron 11. Welke van de volgende uitspraken is/zijn juist? A In 2002 daalde het gemiddelde prijspeil. B De gemiddelde inflatie tussen 2000 en 2008 is ongeveer 2%. C Voedselprijzen zijn meer aan schommelingen onderhevig dan de prijzen in het algemeen. D Hoge voedselprijzen hebben in 2001 bijgedragen aan een relatief hoge inflatie. E In 2005 stegen de voedselprijzen. 4 Lees bron 12. Zijn de volgende uitspraken juist? Verklaar je antwoord. A In 2006 gaven consumenten een lager percentage van hun inkomen uit aan voedsel dan in B In 2006 gaven consumenten in euro s gemeten minder geld uit aan voedsel dan in C Veranderingen in de prijs van voeding tellen in 2006 minder zwaar mee in de berekening van het inflatiecijfer dan in D Doordat de prijzen van voeding sterk zijn gestegen, tellen diezelfde cijfers minder zwaar mee bij de berekening van het inflatiecijfer. Bron 10 Aanbieders en vragers op de vermogensmarkt. Aanbieders Jan-Peter Deng Mohammed Nicholas Angela Aangeboden hoeveelheid euro s Minimale rente waarbij de euro s aangeboden worden 5,0% 3,5% 4,0% 7,0% 6,0% Vragers Vladimir George Juan Barack Özal Gevraagde hoeveelheid euro s Maximale rente waarbij de euro s gevraagd worden 4,5% 6,0% 5,0% 5,5% 4,0% Bron 11 Inflatie en de stijging van de voedselprijzen. 10 % inflatie totaal prijsstijging voeding Bron: CBS. 20 Module 4 Nu en later

21 Bron 12 Aandeel voeding in bestedingen neemt af Het afgelopen halfjaar zijn de prijzen van voeding sterk gestegen. In de laatste vijf maanden lag deze stijging op jaarbasis zelfs boven de 6%. Deze ontwikkeling wordt vooral veroorzaakt door een sterk gestegen vraag naar grondstoffen op de wereldmarkt. Ondanks de recente stijging van de voedselprijzen zijn de huishoudens de afgelopen jaren relatief steeds minder aan voedsel uit gaan geven en dus tellen diezelfde prijzen minder zwaar mee bij de berekening van de inflatie. Hoe zwaar een uitgavencategorie meetelt bij de berekening van de inflatie hangt namelijk af van de uitgaven van huishoudens aan die categorie. In 1969 woog voeding nog voor bijna een kwart mee in de inflatie. In 2006 is dit nog maar ruim 10%. Dit betekent dat consumenten nu relatief minder uitgeven aan voeding dan jaren geleden. Vrij naar: CBS. c Hoe hoog is het jaarlijkse nominale rendement op het ingelegde spaargeld? d Hoe hoog is het uiteindelijke nominale rendement op het ingelegde spaargeld, over de totale periode (op één decimaal nauwkeurig)? Bron 13 Het nominale rendement van sparen Eric heeft van zijn oudtante geërfd. Hij besluit het geld op 1 januari van jaar 1 op een spaarrekening te zetten. Deze spaarrekening levert jaarlijks 5% rente op. Aan het eind van jaar 1 ontvangt Eric dus 400 aan rente. Dit bedrag laat Eric bijboeken op zijn spaarrekening. Op deze manier krijg ik rente op rente, denkt hij, en groeit mijn geld nog harder. Na vijf jaar haalt hij het totale bedrag van de spaarrekening af en koopt er een leuke auto voor. 5 Gebruik de volgende tabel. Jaar CPI op 31 december Inflatie % B 2004 A 4% C D E a Hoe kun je uit de tabel afleiden dat op plaats A het indexcijfer 104 moet staan? b Bereken de inflatiepercentages op plaats B, C, D en E. 6 In 2008 steeg de CPI tot boven de 3%. Veel mensen ondervonden de nadelige gevolgen van deze voor Nederland relatief hoge inflatie. Maar anderen hadden er voordeel bij. Leg in de volgende gevallen uit of de bewuste personen voordeel of nadeel hebben van inflatie, of dat het voor hen niets uitmaakt. A Laura en Rob hebben in 2007 een lening afgesloten van tegen een vast rentepercentage van 6%. B Chris is gepensioneerd. Hij heeft een vast pensioen van per maand. C Timo heeft vorig jaar een erfenis gekregen van Hij heeft dit bedrag voor tien jaar vastgezet op een spaarrekening tegen een vaste, hoge rente van 5,5%. D Karel werkt in de bouw. In de bouw-cao is afgesproken dat werknemers jaarlijks in hun loon worden gecompenseerd voor gestegen prijzen. 7 Lees bron 13. a Hoeveel geld heeft Eric op zijn rekening staan aan het eind van jaar 2? b Hoeveel geld heeft Eric op zijn rekening staan aan het eind van jaar 5? 8 Gebruik bron 14. Stel de CPI op 1 januari van jaar 1 op 100. a Bereken de CPI op 1 januari van jaar 2. b Bereken de CPI op 1 januari van jaar 3 (afronden op één decimaal). c Bereken de CPI aan het einde van jaar 5 (afronden op één decimaal). Bron 14 Helaas, de prijzen stijgen ook. INFLATIE De procentuele stijging van de CPI gedurende het jaar ,2 +3,5 +5,0 jaar 1 jaar 2 jaar 3 jaar 4-2,2 +0,3 jaar 5 9 Gebruik bron 13 en 14. Rond de antwoorden bij de volgende vragen af op één decimaal. a Hoe hoog was het nominale rendement op het ingelegde spaargeld van Eric in jaar 1? b Bereken het reële rendement in jaar 1. c In welk jaar was het reële rendement precies 0%? d In welk jaar was het reële rendement hoger dan het nominale rendement? e Bereken het reële rendement over de hele periode van vijf jaar. Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Toepassing 21

22 10 Lees bron 15. a Waarom wordt de in de bron beschreven crisis kredietcrisis genoemd? b Waardoor ging Lehman Brothers failliet? c Waardoor verspreidde de kredietcrisis zich over de wereld? De kredietcrisis ontstond in de monetaire (financiële) wereld. De crisis sloeg vervolgens over naar de reële economie. De reële economie is de economie van de productie en consumptie. d Wat wordt er in de monetaire (financiële) wereld verhandeld? e Op welke manier werd de kredietcrisis in de financiële wereld ook een bedreiging voor de reële economie? Bron 15 De kredietcrisis De kredietcrisis is een wereldwijde crisis op de financiële markten. Zij begon in de VS in de zomer van Daar kwamen banken in de problemen omdat huiseigenaren met lage inkomens hun hypotheeklasten niet meer konden opbrengen. Verscheidene Amerikaanse banken, zoals Lehman Brothers, gingen failliet. Vervolgens kwamen Europese en Aziatische banken in de problemen. Zij hadden een deel van de risicovolle hypotheekleningen van Amerikaanse banken overgenomen. Doordat voor de banken niet precies duidelijk was welke banken besmet waren en welke niet, droogde de interbancaire geldmarkt op; banken durfden elkaar geen geld meer te lenen. Doordat banken in noodgevallen niet meer bij elkaar terecht konden, werden zij erg voorzichtig met het uitlenen van geld, bijvoorbeeld aan consumenten of aan bedrijven. Zo werd de kredietcrisis in 2008 in bijna de hele wereld ook een bedreiging voor de reële economie. De ontwikkelingen bedreigden al snel het ongestoord functioneren van het internationale financiële systeem. Veel centrale banken waren genoodzaakt om in te grijpen. Vanaf oktober 2008 steunden overheden op grote schaal noodlijdende banken. In Nederland werd Fortis genationaliseerd en werden miljarden euro s uitgeleend aan banken (bijvoorbeeld ING) en verzekeraars (bijvoorbeeld Aegon). 11 Lees bron 16. a Welk spaarmotief kun je uit de tekst halen? b Uit de bron blijkt dat de individuele prijs van tijd van de Nederlandse consument is veranderd. Is deze prijs van tijd hoger of lager geworden? Verklaar je antwoord. c Leg uit hoe veranderingen op de financiële markten de intertemporele substitutie van consumenten beïnvloeden. Bron 16 Huishoudens houden hand op de knip Nederlandse huishoudens hebben in de eerste helft van 2008 meer gespaard in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar. Dat maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend. Consumenten hébben wel geld, maar aan de bestedingen zie je dat ze voorzichtiger zijn geworden met uitgeven, aldus CBS-econoom Michiel Vergeer. Het vertrouwen van de consument in de toekomst daalt als gevolg van de kredietcrisis. In de periode gaven huishoudens nog meer uit dan zij verdienden. Het ziet ernaar uit dat 2008 een spaarjaar wordt, zegt Vergeer. Vrij naar: Trouw, november Lees bron 17. a Waarom daalt de olieprijs als de bestedingen van de consumenten dalen? b Waarom leidt een daling van de olieprijs tot een verminderde investeringsbereidheid bij de oliemaatschappijen? c Leg uit dat een investering van een bedrijf die betaald wordt met geleend geld ook een voorbeeld van intertemporele substitutie is. d Leg uit hoe de kredietcrisis het ruilen over de tijd van bedrijven beïnvloedt. Bron 17 Oliemaatschappijen stellen investeringen uit door lage olieprijs Nu de wereld in een recessie wegzakt, snijden grote oliemaatschappijen als Aramco en Shell sneller in investeringen of stellen projecten uit. Voorlopig zijn 44 projecten uitgesteld of zijn de investeringen teruggedraaid. De plannen zijn gemaakt in een tijdperk waarin een vat olie tussen de $ 80 en $ 100 noteerde, en dit soort plannen werkt niet in een wereld waarin een vat olie $ 65 kost, aldus Aramco tegenover Morgan Stanley. Vrij naar: Het Financieele Dagblad, november Lees bron 18 en 19. a Waarom maakt de kredietcrisis banken voorzichtiger bij het verstrekken van hypotheken? b Fokkema verwacht dat de voorzichtigheid van de banken een stijging van de huizenprijzen veroorzaakt. Beschrijf zijn redenering. c Leg uit dat er bij de huizenbouw dus volgens Fokkema sprake is van fout ruilen over de tijd. d In bron 19 staat echter dat de huizenprijzen dalen. Heeft Fokkema dus ongelijk? Licht je antwoord toe. 22 Module 4 Nu en later

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen Economie module 4 Ruilen in de tijd 27 blz. werkboek = 1 ½ blz. per les H1 par 1 & 2 vb.1 O O sparen om tijd storting + rente iets te kopen goederen kopen vb.2 O O geld lenen om tijd aflossing + rente

Nadere informatie

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 ConsumentenPrijsIndexcijfer Consumenten Prijsindexcijfer in

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl Domein E: Ruilen over de tijd Rente : prijs van tijd Nu lenen: een lagere rente Nu sparen: een hogere rente Individuele prijs van tijd: het ongemak dat je ervaart Algemene prijs van tijd: de rente die

Nadere informatie

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Ruilen over de tijd Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Bedenk dat bij ruilen er altijd twee dingen gedaan worden. Je geeft wat en je krijgt wat terug. Als je twee keer ruilt - ruilen over de tijd

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

Hoe wordt inflatie berekend? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 1 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/V1/5.1

Hoe wordt inflatie berekend? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 1 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/V1/5.1 Hoe wordt inflatie berekend? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 1 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/V1/5.1 Als je in de examenklas van het vmbo zit, woon je waarschijnlijk nog thuis.

Nadere informatie

Economie Samenvatting M4

Economie Samenvatting M4 Economie Samenvatting M4 Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Ruilen over tijd is een belangrij onderdeel van economisch handelen. Dat geldt voor huishoudens, bedrijven en de overheid. Gezinnen sparen voor hun

Nadere informatie

a Wie lenen er allemaal voor de aanschaf van een duurzaam consumptiegoed? b Wie lenen er allemaal wegens een onverwachte tegenslag?

a Wie lenen er allemaal voor de aanschaf van een duurzaam consumptiegoed? b Wie lenen er allemaal wegens een onverwachte tegenslag? Eindtoets hoofdstuk 1 Kopen doe je zo (CONSUMEREN) 1.3 Ik spaar, leen en beleg mijn geld 1 REDENEN OM TE SPAREN Hier staan zes mensen die sparen: Linda zet geld opzij voor haar vakantie Roy belegt in aandelen

Nadere informatie

ALGEMENE ECONOMIE /03

ALGEMENE ECONOMIE /03 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 M Productiefactoren: alle middelen die gebruikt worden bij het produceren: NOKIA: natuur, ondernemen, kapitaal,

Nadere informatie

ECONOMIE VOOR VMBO BOVENBOUW. 3 vmbo - (k)gt ANTWOORDENBOEK

ECONOMIE VOOR VMBO BOVENBOUW. 3 vmbo - (k)gt ANTWOORDENBOEK ECONOMIE VOOR VMBO BOVENBOUW 3 vmbo - (k)gt ANTWOORDENBOEK Hoofdstuk 2 Het inkomen van consumenten Paragraaf 1 Welke soorten inkomens zijn er? 1 Oppassen. 2 3 Werken in de horeca mag je pas na je zestiende.

Nadere informatie

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd quiz beginner printen en uitsnijden of knippen. Bijlage

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Examen HAVO - Compex. economie 1 Compex

Examen HAVO - Compex. economie 1 Compex economie 1 Compex Examen HAVO - Compex Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 31 mei Totale examentijd 3 uur 20 06 Vragen 1 tot en met 21 In dit deel van het examen staan de vragen waarbij

Nadere informatie

1.4 a. 6,54 wordt afgerond 6,5 en het antwoord: 6, = b. 6,54 wordt dan 7 en het antwoord: =

1.4 a. 6,54 wordt afgerond 6,5 en het antwoord: 6, = b. 6,54 wordt dan 7 en het antwoord: = Hoofdstuk 1 Rekenen 1.1 a. Bij het afronden van 5,45 op een heel getal kijk je naar het eerste cijfer achter de komma. Dat is een 4, dus moet je naar beneden afronden. 5,45 wordt dan een 5. b. De docent

Nadere informatie

p1 = 20 euro p2 =10 euro Budget = 100 euro Stel budgetvergelijking op en teken budgetlijn Budgetvergelijking: B = 20q 1 + 10q 2 Budgetlijn.

p1 = 20 euro p2 =10 euro Budget = 100 euro Stel budgetvergelijking op en teken budgetlijn Budgetvergelijking: B = 20q 1 + 10q 2 Budgetlijn. 1. Wat zijn behoeften? 2. Waarom is er sprake van schaarste bij behoeften? 3. Leg uit waarom netto-baten een beter begrip bij te keuzen maken dan baten. 4. Leg met een voorbeeld uit wat alternatief aanwendbaar

Nadere informatie

SPEL VAN DE GOUDEN EEUW - LESMATERIAAL

SPEL VAN DE GOUDEN EEUW - LESMATERIAAL Amsterdam in 1594, aan het begin van de Gouden Eeuw. De Nederlandse kunst, wetenschap en vooral de economie bloeien op. Ondernemers krijgen nieuwe kansen en kunnen steeds grotere investeringen doen. De

Nadere informatie

Antwoorden Lesbrief Waar voor je geld

Antwoorden Lesbrief Waar voor je geld Antwoorden Lesbrief Waar voor je geld Deze lesbrief (derde druk, 2015) is een uitgave van De Nederlandse Bank en tot stand gekomen met medewerking van Gerrit Gorter en Han van Spanje (VECON). 1. Prijzen

Nadere informatie

Lesbrief Jong en Oud 3 e druk

Lesbrief Jong en Oud 3 e druk Hoofdstuk 1. 1.16 C. School of baantje 1.17 a. 200/ 10 = 20 keer. b. Zie figuur. c. Zie figuur. d. 15 keer naar de bioscoop kost hem 150. Er blijft dan nog 50 over voor tijdschriften. Hij kan nog 50/5

Nadere informatie

Doel Leerlingen kunnen in eigen woorden formuleren waarvoor en wanneer de berekeningen nodig zijn en deze op een correcte manier uitrekenen.

Doel Leerlingen kunnen in eigen woorden formuleren waarvoor en wanneer de berekeningen nodig zijn en deze op een correcte manier uitrekenen. Algemene informatie: De aankomende 2 lessen ga je in groepjes van drie personen je bezig houden met het berekenen van procenten. Er zijn drie vormen en iedereen behandeld alle vormen. Jullie wisselen om

Nadere informatie

Rekenmodule procenten Pagina 1

Rekenmodule procenten Pagina 1 % Rekenmodule procenten Pagina 1 Rekenmodule procenten Pagina 2 Inleiding Omdat gebleken is dat nog niet iedereen van jullie helemaal thuis is in procenten gaan we het nu hebben over dit onderwerp. Met

Nadere informatie

Verantwoord lenen bij Delta Lloyd

Verantwoord lenen bij Delta Lloyd Verantwoord lenen bij Delta Lloyd Beste klant, De huizenprijzen zijn de laatste jaren flink gedaald. Daardoor houden steeds meer mensen na verkoop van de woning een restschuld over. Als de verkoopopbrengst

Nadere informatie

Rekenmodule procenten Pagina 1

Rekenmodule procenten Pagina 1 % Rekenmodule procenten Pagina 1 Inleiding Omdat gebleken is dat nog niet iedereen van jullie helemaal thuis is in procenten gaan we het nu hebben over dit onderwerp. Met behulp van deze module proberen

Nadere informatie

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij.

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij. 2.2 Kinderjaren Het krijgen van kinderen heeft voor ouders economische gevolgen: 1. Ouders krijgen minder tijd voor andere zaken en gaan bv. minder werken; 2. Kinderen kosten geld. De overheid komt ouders

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

UIT VWO geld en banken

UIT VWO geld en banken Hoe ontstaat geld in de economie? Geld heb je nodig om spullen mee te kunnen kopen, zonder geld valt er niets te kopen, en als er te weinig geld is zitten mensen te wachten op geld voordat ze het uit kunnen

Nadere informatie

samengestelde rente: rente op rente ik spaar mijn rente

samengestelde rente: rente op rente ik spaar mijn rente samengestelde rente: rente op rente ik spaar mijn rente Als je geld langere tijd (meerdere jaren) op een spaarrekening zet, dan ontvang je per jaar een rentebedrag. Als je het rentebedrag niet opneemt,

Nadere informatie

Compex wiskunde A1-2 vwo 2004-I

Compex wiskunde A1-2 vwo 2004-I KoersSprint In deze opgave gebruiken we enkele Excelbestanden. Het kan zijn dat de uitkomsten van de berekeningen in de bestanden iets verschillen van de exacte waarden door afrondingen. Verder kunnen

Nadere informatie

De verschillende hypotheekvormen

De verschillende hypotheekvormen De verschillende hypotheekvormen Hierbij ontvangt u een beschrijving van een vijftal hypotheekvormen. Wij willen u vragen dit alvast door te nemen zodat u reeds bekend bent met de diverse hypotheeksoorten.

Nadere informatie

(N)iets op de bank? Lesbrief over sparen, beleggen en lenen

(N)iets op de bank? Lesbrief over sparen, beleggen en lenen (N)iets op de bank? Lesbrief over sparen, beleggen en lenen Het is verstandig om geld achter de hand te hebben. Sparen betekent het niet uitgeven van een deel van je inkomen. Je kunt verschillende redenen

Nadere informatie

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 scorepunt toegekend. MINpunten 1 maximumscore 1 2 / 6 x 100 % = 33,3% 2 maximumscore 1 Voorbeeld van een juiste reden: Klantenbinding:

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Loen Educatie & Schrijfwerk www.economieweb.nl. (N)iets op de bank? Lesbrief over sparen en lenen

Loen Educatie & Schrijfwerk www.economieweb.nl. (N)iets op de bank? Lesbrief over sparen en lenen (N)iets op de bank? Lesbrief over sparen en lenen Het is makkelijk en verstandig om geld achter de hand te hebben. Er kan bijvoorbeeld iets kapot gaan in huis, of je spaart voor iets dat je graag wil hebben.

Nadere informatie

De rente stijgt: welke gevolgen heeft dat voor u?

De rente stijgt: welke gevolgen heeft dat voor u? De rente stijgt: welke gevolgen heeft dat voor u? Onafhankelijke informatie voor consumenten Wat is renterisico? Als u geld nodig heeft, kunt u een lening afsluiten. U moet het geleende geld wel terugbetalen.

Nadere informatie

Absoluut Relatief = in verhouding = procentueel; procentuele verandering procentpunt; perunage, promille; juist afronden groei over groei

Absoluut Relatief = in verhouding = procentueel; procentuele verandering procentpunt; perunage, promille; juist afronden groei over groei Absoluut Relatief = in verhouding = procentueel; procentuele verandering procentpunt; perunage, promille; juist afronden groei over groei (groeifactoren) terugrekenen in de tijd (met groeifactoren) nominaal,

Nadere informatie

Maak je eigen jaarbegroting

Maak je eigen jaarbegroting Maak je eigen jaarbegroting Inleiding Een begroting maken. Het woord begroting wordt normaal gesproken alleen gebruikt bij bedrijven en de overheid. Maar het is tijd om ook jouw budget dezelfde aandacht

Nadere informatie

Sparen of lenen Waarom?

Sparen of lenen Waarom? Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Sparen of lenen Waarom? 1 Als tijd duur is betaal je veel rente Als de rente hoog is zullen mensen minder lenen en meer sparen! 2 Investeren in je toekomst Door

Nadere informatie

UIT geld en banken

UIT geld en banken Hoe ontstaat geld in de economie? Geld heb je nodig om spullen mee te kunnen kopen, zonder geld valt er niets te kopen, en als er te weinig geld is zitten mensen te wachten op geld voordat ze het uit kunnen

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Prijzen stabiel vergeleken met november; inflatie 2015 is -0,5 procent

Prijzen stabiel vergeleken met november; inflatie 2015 is -0,5 procent Centraal Bureau voor de Statistiek Inlichtingen: (+599 9) 461 1031 fax 461 1696 Adres: Fort Amsterdam z/n E-mail: info@cbs.cw Website: www.cbs.cw Persbericht Willemstad, 10 februari 2016 Consumentenprijzen

Nadere informatie

Vermogensmarkt Bank, Beurs of de Haaien

Vermogensmarkt Bank, Beurs of de Haaien Vermogensmarkt Bank, Beurs of de Haaien Havo Economie 2010-2011 VERS Opdracht 1: a. Eigen antwoorden. Opletten dat het om verschillende zaken gaat. b. Eigen antwoorden. c. Waarschijnlijk zal niet het gehele

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja Een voorbeeld van een juiste

Nadere informatie

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij.

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij. 2.2 Kinderjaren Het krijgen van kinderen heeft voor ouders economische gevolgen: 1. Ouders krijgen minder tijd voor andere zaken en gaan bv. minder werken; 2. Kinderen kosten geld. De overheid komt ouders

Nadere informatie

Hypotheek? Wij zijn uw bank.

Hypotheek? Wij zijn uw bank. Hypotheek? Wij zijn uw bank. U wilt een huis kopen? Wij bezorgen u onbezorgd woonplezier. U wilt voor de eerste, tweede of misschien wel derde keer een huis kopen. Een gezellige stadswoning in het centrum,

Nadere informatie

Wat je moet weten als je een hypotheek kiest?

Wat je moet weten als je een hypotheek kiest? Wat je moet weten als je een hypotheek kiest? Als je een hypotheek af gaat sluiten, moet je aan een heleboel dingen denken. We hebben een aantal vragen voor je op een rijtje. Klik op de doorlinks hiernaast

Nadere informatie

Klas 4m2 Economie Leerling instructie Koehandel

Klas 4m2 Economie Leerling instructie Koehandel Klas 4m2 Economie Leerling instructie Koehandel Mollers Inleiding spel koehandel De komende 5 lessen gaan we aan de slag met het spel koehandel. Dit spel speel je met maximaal 5 personen. Met deze vijf

Nadere informatie

Examen HAVO - Compex. economie 1

Examen HAVO - Compex. economie 1 economie 1 Examen HAVO - Compex Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 23 mei totale examentijd 2,5 uur 20 05 Vragen 1 tot en met 19 In dit deel staan de vragen waarbij de computer niet

Nadere informatie

De Hypotheek. De Hypotheekrente. Rentevastperiode. Wat is een hypotheek? Wat zijn de kosten van mijn lening? Variabele rente

De Hypotheek. De Hypotheekrente. Rentevastperiode. Wat is een hypotheek? Wat zijn de kosten van mijn lening? Variabele rente De Hypotheek Je gaat een woning kopen en hebt hiervoor een lening nodig van de bank. In deze toelichting proberen wij je inzichtelijk te maken wat een hypotheek is en wat de meest voorkomende vormen zijn.

Nadere informatie

Steeds meer vijftigers financieel kwetsbaar

Steeds meer vijftigers financieel kwetsbaar Maart 215 stijgt naar 91 punten Steeds meer vijftigers financieel kwetsbaar De is in het eerste kwartaal van 215 gestegen van 88 naar 91 punten. Veel huishoudens kijken positiever vooruit en verwachten

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Afbetaling Aflossing Aflossingsvrije lening Beleggingskrediet BKR of Bureau Kredietregistratie Consumptief krediet Creditcard

Afbetaling Aflossing Aflossingsvrije lening Beleggingskrediet BKR of Bureau Kredietregistratie Consumptief krediet Creditcard Begrippenlijst A-Z Afbetaling Als u iets op afbetaling koopt, krijgt u uw aankoop direct mee. Vervolgens betaalt u het aankoopbedrag in termijnen terug. U wordt pas officieel eigenaar van uw aankoop zodra

Nadere informatie

Welke soorten beleggingen zijn er?

Welke soorten beleggingen zijn er? Welke soorten beleggingen zijn er? Je kunt op verschillende manieren je geld beleggen. Hier lees je welke manieren consumenten het meest gebruiken. Ook vertellen we wat de belangrijkste eigenschappen van

Nadere informatie

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Domein E: Concept Ruilen over de tijd 1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande

Nadere informatie

economie CSE GL en TL COMPEX

economie CSE GL en TL COMPEX Examen VMBO-GL en TL 2010 tijdvak 1 donderdag 27 mei totale examentijd 2 uur economie CSE GL en TL COMPEX Vragen 23 tot en met 38 In dit deel van het examen staan vragen waarbij de computer wel wordt gebruikt.

Nadere informatie

Indexcijfers. - We rekenen volumes van allerlei zaken om naar procenten - We vergelijken vervolgens die cijfers om conclusies te trekken

Indexcijfers. - We rekenen volumes van allerlei zaken om naar procenten - We vergelijken vervolgens die cijfers om conclusies te trekken Wat is een? Binnen de economie vergelijken we vaak procentuele ontwikkelingen. Die ontwikkelingen zijn in geld uitgedrukt soms lastig te doorzien. Zo wordt de economische groei van een land uitgedrukt

Nadere informatie

1. Lees de tekst met het stappenplan. Kom je nog moeilijke woorden tegen in de tekst? Gebruik dan de woordhulp.

1. Lees de tekst met het stappenplan. Kom je nog moeilijke woorden tegen in de tekst? Gebruik dan de woordhulp. Tekst lezen 1. Lees de tekst met het stappenplan. Kom je nog moeilijke woorden tegen in de tekst? Gebruik dan de woordhulp. 2. Er staan een aantal moeilijke woorden in de tekst. Hieronder staat een rijtje.

Nadere informatie

Uw koopkracht in de toekomst

Uw koopkracht in de toekomst Een goed gesprek over Uw koopkracht in de toekomst Nadenken over de toekomst. Dat is wat ons kantoor dagelijks doet. De toekomst van u, en die van de andere relaties van ons kantoor. De ene keer gaat het

Nadere informatie

CPI Statistisch Bulletin, december 2016

CPI Statistisch Bulletin, december 2016 CPI Statistisch Bulletin, december 2016 Willemstad, februari 2017 Consumentenprijzen Curaçao december 2016 Prijzen 0,2 procent hoger vergeleken met november;inflatie 2016 is 0,0 procent H et consumentenprijsindexcijfer

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2013-I

Eindexamen havo economie 2013-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) monopolie bij (2) toe

Nadere informatie

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar

Nadere informatie

Examen VMBO-GL en TL - COMPEX

Examen VMBO-GL en TL - COMPEX Examen VMBO-GL en TL - COMPEX 2008 tijdvak 1 woensdag 28 mei totale examentijd 2 uur economie CSE GL en TL COMPEX Vragen 1 tot en met 22 In dit deel van het examen staan de vragen waarbij de computer niet

Nadere informatie

Bijdrage aan en impact op de inflatie

Bijdrage aan en impact op de inflatie Paper Bijdrage aan en impact op de inflatie Jan Walschots Februari 2016 CBS 2014 Scientific Paper 1 Inhoud 1. Inleiding 3 2. De CBS methode om bijdragen te berekenen 3 3. De Eurostat methode om impacts

Nadere informatie

Hypotheekrecht en - vormen

Hypotheekrecht en - vormen Hypotheekrecht en - vormen Wat is een hypotheek? Een hypotheek is in theorie een zekerheidsrecht. Wanneer u een hypotheek afsluit, geeft u het recht van hypotheek aan de geldverstrekker. Dit recht van

Nadere informatie

Wat moet ik weten als ik een hypotheek kies?

Wat moet ik weten als ik een hypotheek kies? Wat moet ik weten als ik een hypotheek kies? Ga niet over één nacht ijs... 1 Hoeveel kan ik lenen?... 2 Vaste of variabele rente?... 3 Rente kort of lang vastzetten?... 4 Hoogte van de rente... 4 Hoe zit

Nadere informatie

Module 4: Antwoorden vwo. nieuwe economie

Module 4: Antwoorden vwo. nieuwe economie Module 4: Antwoorden vwo nieuwe economie Verantwoording 2010, Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze module geldt een Creative

Nadere informatie

Maak uw eigen Miljoenennota

Maak uw eigen Miljoenennota Maak uw eigen Miljoenennota Er is weer economische groei, de huizenmarkt trekt aan, en volgens de rijksbegroting gepresenteerd op Prinsjesdag gaat bijna iedereen er volgend jaar financieel op vooruit.

Nadere informatie

INLEIDING WET OP DE INKOMSTENBELASTING

INLEIDING WET OP DE INKOMSTENBELASTING INLEIDING WET OP DE INKOMSTENBELASTING ECONOMIE VMBO 3 VMBO TL 1 Inhoudsopgave Inleiding Hoofdstuk 1: Box 1 berekenen Hoofdstuk 2: Box 3 berekenen Hoofdstuk 3: Alles bij elkaar Hoofdstuk 4: Handleiding

Nadere informatie

Hoofdstuk 2: Kom je ermee uit?

Hoofdstuk 2: Kom je ermee uit? Hoofdstuk 2: Kom je ermee uit? Een middagje shoppen. a 75 209 x 100% = 35,9%. b 209 : 3,72 = 56,18. Dus zij moet 57 uur werken om de nieuwe jas te kunnen kopen. c Zij had eerst kunnen sparen of zij had

Nadere informatie

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Als je moet kiezen welk plaatje je op je cijferlijst zou willen hebben,

Nadere informatie

Toeslagverlening. Versie

Toeslagverlening. Versie Toeslagverlening Versie 23-02-2017 Versie 23-02-2017 Toeslagverlening Waarom toeslagverlening? Toeslag is een manier om te zorgen dat de pensioenen hun koopkracht behouden. Toeslag wordt ook wel indexatie

Nadere informatie

Hoofdstuk 12. Vreemd vermogen op lange termijn. Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen:

Hoofdstuk 12. Vreemd vermogen op lange termijn. Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen: www.jooplengkeek.nl Vreemd vermogen op lange termijn Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen: 1. Onderhandse lening. 2. Obligatie lening. 3.

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

procenten in de detailhandel

procenten in de detailhandel procenten in de detailhandel eenvoudig rekenen m et procenten opgaven weet je het nog Als van een assortiment knikkers gegeven is dat de prijs van elke knikker hetzelfde is én die eenheidsprijs bekend

Nadere informatie

De 15 valkuilen om voor op te passen bij het aangaan van een lening of krediet!

De 15 valkuilen om voor op te passen bij het aangaan van een lening of krediet! De 15 valkuilen om voor op te passen bij het aangaan van een lening of krediet! Wees u bewust van deze valkuilen om niet bedrogen uit te komen Pagina 1 Inhoudsopgave Inleiding... 3 Valkuil 1. Aanbiedingen...

Nadere informatie

Welke hypotheek past bij mijn persoonlijke en financiële situatie?

Welke hypotheek past bij mijn persoonlijke en financiële situatie? Welke hypotheek past bij mijn persoonlijke en financiële situatie? Stappenplan Wat voor hypotheek past bij mij EEN ONDERNEMING VAN ABN AMRO BANK N.V. WELKE HYPOTHEEK PAST BIJ MIJ? Je hebt je pijlen gericht

Nadere informatie

Markt en overheid - uitwerkingen bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 5 en 6

Markt en overheid - uitwerkingen bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 5 en 6 Markt en overheid - uitwerkingen bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 5 en 6 1 Nog niet zo lang geleden had je als boer te maken met een melkquotum. Een melkquotum betekent dat je een maximale hoeveelheid

Nadere informatie

Een huis met een restschuld, kunt u dit voorkomen? www.zichtadviseurs.nl/hypotheken

Een huis met een restschuld, kunt u dit voorkomen? www.zichtadviseurs.nl/hypotheken Een huis met een restschuld, kunt u dit voorkomen? www.zichtadviseurs.nl/hypotheken De huizenprijzen zijn in Nederland sinds 2008 flink gedaald. Dat is goed nieuws voor starters die een huis willen kopen.

Nadere informatie

Om een zo duidelijk mogelijk verslag te maken, hebben we de vragen onderverdeeld in 4 categorieën.

Om een zo duidelijk mogelijk verslag te maken, hebben we de vragen onderverdeeld in 4 categorieën. Beste leerling, Dit document bevat het examenverslag voor leerlingen van het vak economie vwo, tweede tijdvak (2017). In dit examenverslag proberen we een zo goed mogelijk antwoord te geven op de volgende

Nadere informatie

Wij zijn VDZ. Onze boodschap is helder: niemand regelt je geldzaken. beter dan wij. Dat is niet arrogant bedoeld, maar het uitgangspunt

Wij zijn VDZ. Onze boodschap is helder: niemand regelt je geldzaken. beter dan wij. Dat is niet arrogant bedoeld, maar het uitgangspunt Wij zijn VDZ. Onze boodschap is helder: niemand regelt je geldzaken beter dan wij. Dat is niet arrogant bedoeld, maar het uitgangspunt van onze dienstverlening. Deze tijd vraagt om transparantie. Wij regelen

Nadere informatie

Lesbrief CBS, inflatie en indexcijfers

Lesbrief CBS, inflatie en indexcijfers 2COLLEGE RUIVEN Lesrief CBS, inflatie en indexijfers Consumptie PSB en JKH 2016-2017 Deze lesrief geeft extra informatie over CBS, inflatie en indexijfers die je nodig het voor je PTA-toetsen en eindexamen.

Nadere informatie

Veel gestelde vragen kwartaalcijfers pensioenfondsen

Veel gestelde vragen kwartaalcijfers pensioenfondsen Veel gestelde vragen kwartaalcijfers pensioenfondsen 1. De kwartaalcijfers van de pensioenfondsen zijn negatief. Hoe komt dat? Het algemene beeld is dat het derde kwartaal, en dan in het bijzonder de maand

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

Beginner. Beginner. Beginner

Beginner. Beginner. Beginner Beginner Nummer 1 Beginner Nummer 2 Beginner Antwoordmodel Antwoordmodel Antwoordmodel Nummer 3 2014: uitgave 0/kosten 30 Afschrijving De waardevermindering van de auto (een onderdeel van de vaste activa)

Nadere informatie

Toeslagverlening Uitgave mei 2015

Toeslagverlening Uitgave mei 2015 Toeslagverlening Uitgave mei 2015 Disclaimer De in deze brochure verstrekte informatie van Stichting Pensioenfonds Sabic, gevestigd te Sittard (het pensioenfonds ) is van algemene aard, uitsluitend indicatief

Nadere informatie

Leeftijd (jaar) Lengte 1,59m 1,70m 1,80m 1,85m Indexcijfer (16 jaar=100) Indexcijfer (15 jaar=100)

Leeftijd (jaar) Lengte 1,59m 1,70m 1,80m 1,85m Indexcijfer (16 jaar=100) Indexcijfer (15 jaar=100) INTRODUCTIE VAN INDEXCIJFERS LES 1 Hier zijn de eerste 5 opgaven over indexcijfers. Het is de bedoeling dat je het stroomdiagram voor indexcijfers gebruikt welke op de PPT en in je schrift staat. Hierdoor

Nadere informatie

Lenen vmbo-b34. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

Lenen vmbo-b34. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. Auteur VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 23 August 2016 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/62249 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van

Nadere informatie

Vakantiegeldenquete 2010

Vakantiegeldenquete 2010 Vakantiegeldenquete 2010 Inleiding Net als vorig jaar heeft het Nibud onderzoek gedaan naar de manier waarop mensen zich in financieel opzicht voorbereiden op de vakantie en of men zich aan hun budget

Nadere informatie

Uitkomsten kwartaal sectorrekeningen

Uitkomsten kwartaal sectorrekeningen t7 7 Uitkomsten kwartaal sectorrekeningen tweede kwartaal 28 Publicatiedatum CBS-website: 8 oktober 28 Den Haag/Heerlen Verklaring van tekens. = gegevens ontbreken * = voorlopig cijfer x = geheim = nihil

Nadere informatie

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2004 - II

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2004 - II BEOORDELINGSMODEL s an het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 punt toegekend. EEN NIEUWE WSMHINE 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord (twee van de volgende): productbeleid: er

Nadere informatie

Als we geld lenen noemen we dat vreemd vermogen.

Als we geld lenen noemen we dat vreemd vermogen. www.jooplengkeek.nl Enkelvoudige interest Als we geld lenen noemen we dat vreemd vermogen. Voor een lange periode (lang krediet) of een korte periode (kort krediet), maar het is altijd tijdelijk. We moeten

Nadere informatie

Welke hypotheek past bij mijn persoonlijke en financiële situatie? Stappenplan Wat voor hypotheek past bij mij

Welke hypotheek past bij mijn persoonlijke en financiële situatie? Stappenplan Wat voor hypotheek past bij mij Welke hypotheek past bij mijn persoonlijke en financiële situatie? Stappenplan Wat voor hypotheek past bij mij Een onderneming van ABN AMRO BANK N.V. Welke hypotheek past bij mij? Je hebt je pijlen gericht

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Voorwaarden Zilvervloot Sparen

Voorwaarden Zilvervloot Sparen Voorwaarden Zilvervloot Sparen 8.4241.00.1506 (01-07-2015) Dit zijn de Voorwaarden Zilvervloot Sparen. In dit document lees je welke afspraken er gelden voor deze spaarrekening. Bijvoorbeeld dat je als

Nadere informatie