Alain François, Runa Vander Eeckt en Michaël Verbeke

Vergelijkbare documenten
Prijsbepaling van effecten bij de geschillenregeling in het vennootschapsrecht - De prijs van de vrijheid

De gedwongen aankoop of verkoop van aandelen

526C. Vrijetetring van e;q3faitierea.1 an, 280, 2' Wetboek reoistratierechten, B.V. 8914/2006 INZAKE: Mevrouw H. A, wonende te 9070 Destelbergen,

dhr R. G, landbouwkundig ingenieur, wonende te 3400 LANDEN, dhr B. L, ingenieur, wonende te 3150 HAACHT

Hof van Cassatie van België

De burgerlijke vordering inzake bestuurdersaansprakelijkheid, ingesteld voor de burgerlijke rechter 1333

NEWSLETTER December 2012

DE GESCHILLENREGELING

Hof van Cassatie van België

Hervorming van het vennootschapsrecht Algemene bepalingen & Overzicht vennootschapsvormen

Hof van Cassatie van België

DE VEREFFENING VAN DE BVBA EN DE NV

privé-vermogenvermogen

Hof van Cassatie LIBERCAS

Auteur. Onderwerp. Uitgave

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Vergelijkende matrix vennootschapsvormen (Stibbe-rapport: Onderzoek naar de financieel-juridische aspecten van een Energie Conversie Park)

Hof van Cassatie van België

Relevante feiten. Beoordeling. RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

VERSLAG VAN DE COMMISSARIS R0403 UITGIFTE VAN AANDELEN ZONDER VERMELDING VAN NOMINALE WAARDE BENEDEN FRACTIEWAARDE

Mevrouw *** X X X, wonend te 9070 Destelbergen, Vinkenstraat 4;

Rechtsweigering Art.5 Gerechtelijk Wetboek

Verzet, verstek en hoger beroep na Potpourri V

De contractuele uitsluiting en beperking van de tienjarige aansprakelijkheid van de architect (Cass. 5 september 2014)

DE IDEALE WONING, coöperatieve vennootschap, arrondissement. Antwerpen, met maatschappelijke zetel te 2600 Berchem,

Hof van Cassatie van België

Help, ik ben aandeelhouder Actiemiddelen van de aandeelhouder ten aanzien van de vennootschap. Alain François

Knipperlichten. Vennootschapsrecht. Bart Bellen Reinout Vleugels. 2 februari 2012

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

ALGEMENE INHOUDSTAFEL

Instelling. Onderwerp. Datum

2. Soorten en verband

Gelet op het bestreden arrest, op 21 februari 1997 op verwijzing gewezen door het Hof van Beroep te Gent;

XI. TOEGESTAAN KAPITAAL 239 NV XXX

Auteur. Elfri De Neve. Onderwerp. Anatocisme. Copyright and disclaimer

BIJZONDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR AAN DE AANDEELHOUDERS

Rolnummer Arrest nr. 12/2009 van 21 januari 2009 A R R E S T

DECEUNINCK NV Naamloze vennootschap die een openbaar beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen Brugsesteenweg Roeselare

BESLAGRECHTER IN DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 MEI 2011

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in. de persoon van de Minister-President, met kabinet gevestigd te

I n s t i t u u t van de B e d r i j f s r e v i s o r e n. C o m m i s s i e v a n B e r o e p. N e d e r l a n d s t a l i g e K a m e r

Hof van Cassatie van België

In zake: 2010/AR/3198

De aansprakelijkheid van de vennootschapsbestuurders

Hof van Cassatie van België

DECEUNINCK NV Naamloze vennootschap die een openbaar beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen Brugsesteenweg Roeselare

OVEREENKOMST TOT OVERDRACHT VAN AANDELEN (Kort naamloze vennootschap)

Hof van Cassatie van België

Inhoudstafel De algemene vergadering 3.

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Inleiding tot het economisch recht Voorbeeldexamenvragen (2) (Prof. G.L. Ballon)

Hof van Cassatie 14/11/ Nr. C N

1. Wettelijke context Europa België Vennootschap... 3

Hof van Cassatie van België

Statutair bestuurder, tevens aandeelhouder kan tegen zijn wil en in strijd met aandeelhoudersovereenkomst ontslagen worden

HOOFDSTUK II. DE VOORAFGAANDE VERSLAGPLICHT

MET CONFLICTEN IN VENNOOTSCHAPPEN: REGELING VAN GESCHILLEN IS MEER DAN GESCHILLENREGELING

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Een standpunt over de burgerlijke aansprakelijkheid van bestuurders van een V.Z.W. in de sportwereld

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Stedebouw en ruimteiqke ordenino

Oprichting Spaar BV. H&S Online - Hermans & Schuttevaer Notarissen N.V.

Titel I Benaming. Zetel. Doel. Duur.

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

ARREST van 12 mei 1997 in de zaak A 96/ ARRET du 12 mai 1997 dans l affaire A 96/

Hof van Cassatie van België

Fke: 2009/AR/296I EINDAR~~ST. Rep. rif.: Zitting van: Nummer:

Instantie. Onderwerp. Datum

Vennootschappen ontbinden vóór 1 oktober 14 tegen 10%

A D M I N I S T R A T I E V O O R W A A R D E N

Inhoud. INLEIDING... v. 1. WETTELIJKE CONTEXT Europa België... 1

A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie.

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

GALAPAGOS. Bijzonder verslag van de Raad van Bestuur overeenkomstig Artikel 604 van het Wetboek van vennootschappen

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 2015/XX - Verrichtingen met betrekking tot inschrijvingsrechten. Ontwerpadvies van 9 september 2015

, geboren te op ' met ondernemingsnummer ~ wonende te. eisende p a r tij: vertegenwoordigd door mr te

Hof van Cassatie van België

Federale Beroepscommissie voor de toegang tot milieu-informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Aansprakelijkheid van bestuurders en zaakvoerders

6tt161. 4fi HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL. zetelend in burgerlijke zaken, na beraad, wijst volgend arrest

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dd. 16 december 2005

Transcriptie:

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 634) 5. De rechter is dus niet verplicht om de ontbinding van de vennootschap uit te spreken, maar kan aan haar ook een termijn toestaan om haar toestand te regulariseren, d.i. haar netto-actief opnieuw boven de 61.500 euro te brengen. Na afloop van de toegestane regularisatietermijn zal de rechtbank opnieuw controleren of het netto-actief minder bedraagt dan 61.500 euro, in welk geval de vennootschap alsnog ontbonden wordt verklaard. Om de toestand van de vennootschap te regulariseren, zal veelal dienen te worden overgegaan tot een kapitaalverhoging. In elk geval zal de regularisatie gekoppeld moeten zijn aan de uitvoering van een herstelplan dat is goedgekeurd door de algemene vergadering bij toepassing van de alarmbelprocedure (zie art. 633 W.Venn.). 6. Het toekennen van een regularisatietermijn is echter niet mogelijk indien de voorwaarden voor een faillissement zijn vervuld (Parl.St. Kamer 1981-82, nr. 210/5), zo niet zouden de bepalingen van de Faillissementswet worden geschonden. In voorkomend geval moet de rechter de ontbinding van de vennootschap uitspreken zonder deze evenwel failliet te verklaren. Dit zou immers een ultra petita uitspraak opleveren (S. DE SCHRIJVER, Commentaar bij art. 634 W.Venn. in Comm.V.en V., Antwerpen, Kluwer, 8). Dit neemt uiteraard niet weg dat de ontbonden vennootschap nadien alsnog failliet kan worden verklaard (art. 12, laatste lid Faill.W.). TITEL VI GESCHILLENREGELING De geschillenregeling biedt aan aandeelhouders in de NV de mogelijkheid om, onder welbepaalde voorwaarden en onder rechterlijke controle, een mede-aandeelhouder te verplichten tot overdracht van diens stemrechtverlenende effecten ( de uitsluiting of gedwongen overdracht ) dan wel, opnieuw onder welbepaalde voorwaarden en onder rechterlijke controle, de medeaandeelhouders te verplichten de effecten van de verzoekende aandeelhouder over te nemen ( de uittreding of gedwongen overname ). De mogelijkheid tot het vorderen van de uitsluiting of uittreding betekende een aanzienlijke stap vooruit ten opzichte van het enige voordien bestaande structurele ultimum remedium bij aandeelhoudersconflicten, te weten de gerechtelijke ontbinding. De geschillenregeling maakt het immers mogelijk om een aandeelhoudersconflict te beslechten zonder dat het voortbestaan van de vennootschap en de door haar gevoerde onderneming in het gedrang komt. De geschillenregeling is van dwingend recht. Met een aandeelhouder kunnen dan ook geen beperkingen om een beroep te doen op de geschillenregeling worden afgesproken, dan vooraleer deze zich in de beschermde toestand bevindt (zie hierover meer uitgebreid: R. TAS, Conventionele mechanismen voor de beslechting van conflicten tussen aandeelhouders. Hoe anticiperen op de toepassing van de wettelijke geschillenregeling (uitsluiting en uittreding) in statuten of aandeelhoudersovereenkomsten?, in J. VANANROYE, J. ACKAERT en VLAAMS PLEITGENOOTSCHAP (eds.), Proactief ondernemingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 181-210). Een limitatieve opsomming van uitsluitingsgronden in de statuten zal de toepassing van de geschillenregeling om andere dan de in de statuten genoemde gegronde redenen niet uitsluiten (Gent 4 januari 2016, RABG 2017, 607). Een statutaire voorkoopregeling staat ook niet in de weg aan een uittredingsprocedure (Cass. 23 november 2015, DAOR 2016, 54; Gent 23 november 2015, DAOR 2016, 54). Het dwingend karakter van de geschillenregeling belet niet dat partijen beroep doen op een statutaire procedure inzake verzoening of bemiddeling (R. TAS en W. VAN GAVER, De geschillenregeling: actuele highlights uit een evergreen, in K. GEENS en M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.), Themis vennootschapsrecht en financieel recht, Brugge, die Keure, 2015, 104). De geschillenregeling geldt mutatis mutandis ook voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (art. 334-342 W.Venn.). Voor een verdere analyse van de geschillenregeling kan worden verwezen naar: H. BRAECKMANS, Conflicten in vennootschappen en het wetboek van vennootschappen: de vlag dekt niet de lading, TPR 2010, afl. 4, 1603-1701; A. FRANCOIS, T. VAN DE GEHUCHTE en L. VANDENBEMPT, Art. 334-342 en 636-644, in X. (ed.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, losbl., Boek VI, Titel VI, Hfdst. I en II, 1-79; K. GEENS, M. WYCKAERT et al., Overzicht van rechtspraak vennootschappen 1054 Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02---

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 636) 1999-2010, TPR 2012, afl. 1, nrs. 462 t.e.m. 509; B. TILLEMAN, De uittreding en uitsluiting, in X. (ed.), De vennootschap in de verschillende takken van het recht Brussel, Larcier, 2013, 153-262; X., Les conflits entre actionnaires. Prévention et Résolution, reeks Droit des sociétés, Brussel, Larcier, 2010, 436 p. HOOFDSTUK I TOEPASSINGSGEBIED Art. 635. Deze titel is van toepassing op de naamloze vennootschappen die geen publiek beroep op het spaarwezen doen of hebben gedaan. De geschillenregeling is enkel van toepassing op de NV die geen publiek beroep op het spaarwezen doet of heeft gedaan. De beperking van de geschillenregeling tot de besloten NV, die wordt verantwoord doordat voor publieke NV s zgn. een liquide markt voor de aandelen zou bestaan, wordt door menig auteur op de korrel genomen (zie bv. M. CALUWAERTS, L Exclusion et le retrait forcés comme solution aux litiges entre associés, in X. (ed.), Les conflits au sein des sociétés commerciales ou à une forme commerciale, Brussel, Ed. Jeune Barreau, 2004, 129). HOOFDSTUK II DE UITSLUITING Art. 636. Een of meer aandeelhouders die gezamenlijk effecten bezitten die 30 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of 20 % indien de vennootschap effecten heeft uitgegeven die het kapitaal niet vertegenwoordigen, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 % van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, kunnen om gegronde redenen in rechte vorderen dat een aandeelhouder zijn aandelen en alle converteerbare effecten in zijn bezit, die recht geven op inschrijving op of op omzetting in aandelen van de vennootschap, aan de eisers overdraagt. De vordering kan niet worden ingesteld door de vennootschap of door een dochtermaatschappij van de vennootschap. 1. De eiser in uitsluiting Overeenkomstig artikel 636 W.Venn. kunnen één of meer aandeelhouders die aandelen bezitten en aan de vooropgestelde participatiedrempels voldoen, om gegronde redenen in rechte vorderen dat een medeaandeelhouder zijn stemrechtverlenende effecten aan de eiser(s) overdraagt. 1.1. Aandeelhouders De vordering in uitsluiting kan worden ingesteld door één of meer aandeelhouders. Daartoe moeten zij de zogenaamde animus domino over de effecten bezitten en er dus eigenaar van zijn. Een vruchtgebruiker, een alleen optredende mede-eigenaar of een pandhouder zullen de vordering in uitsluiting dan ook niet kunnen instellen (zie bv. L. CORNELIS en J. WILLEMEN, Naar keuze: de stok achter de deur of de knuppel in het hoenderhok (over de art. 190ter, quater en quinquies Venn.W.), in K. BYTTEBIER, R. FELTKAMP en A. FRANÇOIS (eds.), De gewijzigde vennootschapswet 1995, Antwerpen, Kluwer, 1996, 305). Ook de houders van bewijzen van deelgerechtigdheid en zelfs de houders van stemrechtverlenende winstbewijzen zouden de vordering kunnen instellen. De Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Tongeren oordeelde dat wanneer het deel van de eiser in uitsluiting in een onverdeeldheid groter is dan de 30%-drempel, er een voldoende minderheidsparticipatie bestaat om de vordering op ontvankelijke wijze te kunnen instellen (Vz. Kh. Tongeren 22 november 2005, RABG 2009, 119). Een bewarend beslag heeft geen invloed op de lidmaatschapsrechten van de betrokken aandeelhouder zodat er geen reden is om aan te nemen dat het beslag afbreuk doet aan de ontvankelijkheid of gegrondheid van de vordering (Brussel 29 juni 2006, TBH 2007, 905). De vordering kan niet worden ingesteld door de vennootschap of door haar dochtervennootschappen. Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02--- 1055

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 636) 1.2. Participatiedrempels De vordering in uitsluiting kan slechts worden ingeleid door één of meerdere aandeelhouders die alleen of gezamenlijk aan één van de volgende participatiedrempels voldoen: effecten bezitten die 30% vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of, die 20% vertegenwoordigen indien de vennootschap effecten heeft uitgegeven die het kapitaal niet vertegenwoordigen. Hiervoor moet rekening worden gehouden met alle uitgegeven stemrechtverlenende effecten, ongeacht of het stemrecht is geschorst of niet. aandelen bezitten waarvan de fractie- of nominale waarde 30% van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt. Ook houders van aandelen zonder stemrecht kunnen de vordering dus instellen. Het volstaat dat aan één van beide participatiedrempels is voldaan. Artikel 636 W.Venn. geeft niet uitdrukkelijk aan wanneer aan de participatiedrempels moet worden voldaan. Er kan evenwel worden verdedigd dat zowel op het ogenblik van het instellen van de vordering als op het ogenblik van de uitspraak aan één van beide drempels moet zijn voldaan (H. BRAECKMANS, De uitsluiting en uittreding van aandeelhouders, RW 2000-01, 1362-1363). 2. De verweerder in uitsluiting De vordering in uitsluiting moet worden ingesteld tegen een aandeelhouder. Een meerderheid van auteurs neemt op basis van de tekst van de wet aan dat de vordering bijgevolg niet kan worden ingesteld tegen houders van bijvoorbeeld slechts stemrechtverlenende winstbewijzen. Het komt aan de eiser in uitsluiting toe om te bewijzen dat ook de verweerder de zogenaamde animus domino over de effecten heeft. De vordering is ontoelaatbaar wanneer ze wordt ingesteld tegen een aandeelhouder die voor de betekening van de dagvaarding zijn aandelen heeft ingebracht in een vennootschap (Vz. Kh. Leuven 5 mei 2011, RABG 2012, 549). Er bestaat discussie of dit een element betreft dat de ontvankelijkheid van de vordering raakt of eerder een kwestie is van gegrondheid (zie R. TAS en W. VAN GAVER, De geschillenregeling: actuele highlights uit een evergreen, in K. GEENS en M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.), Themis vennootschapsrecht en financieel recht, Brugge, die Keure, 2015, 104). De verweerder moet niet enkel aandeelhouder zijn bij aanvang van de procedure, maar moet dit blijven tot het ogenblik van de eventuele overdracht (H. BRAECKMANS, De uitsluiting en uittreding van aandeelhouders, RW 2000-01, 1362-1363). Bij een vordering tot uitsluiting is het vervreemdingsverbod van artikel 638 W.Venn. van toepassing zodat het niet mogelijk is voor de verweerder om zijn aandelen over te dragen tijdens de procedure. 3. Voorwerp van de uitsluiting De uitsluiting heeft de overdracht tot voorwerp aan de eiser van alle aandelen en alle converteerbare effecten in het bezit van de verweerder(s) die recht geven op de inschrijving op of omzetting in aandelen van de vennootschap. Ook de effecten die de verweerder nog na het instellen van de vordering zou hebben verworven, vallen onder de vordering in uitsluiting. De eiser kan dus niet slechts de overdracht van een gedeelte van de effecten vorderen. Of ook winstbewijzen moeten worden overgedragen is omstreden en ook over het lot van scripts, opties of converteerbare obligaties bestaat geen duidelijkheid. Er werd reeds geoordeeld dat opties op aandelen het voorwerp kunnen uitmaken van een vordering in uitsluiting (Gent 4 februari 2008, NJW 2008, 888). 4. Gegronde redenen Een vordering in uitsluiting kan slechts slagen wanneer er sprake is van gegronde redenen. Naar aanleiding van de invoering van het begrip gegronde redenen, verklaarde de minister van Justitie dat [het begrip] ( ) [rekening] [houdt] met het belang van alle vennoten en [dus] doelt ( ) op een harmonieuze verhouding, die het voorspoedig bestaan van de vennootschap bestendigt. (Parl.St. Senaat 1993-94, nr. 1086/2, 435). Hieruit kan worden afgeleid dat de uitsluiting enerzijds de continuïteit van de vennootschap beoogt veilig te stellen en anderzijds rekening houdt met het belang van alle aandeelhouders (zie in dezelfde zin: H. BRAECKMANS, De uitsluiting en uittreding van aandeelhouders, RW 2000-01, 1363). Het hof van beroep te Gent definieerde de gegronde reden als een schending van de wet of de statuten en elk feit dat dermate ernstig is dat het behoud van de betrokken persoon als vennoot voor een redelijke persoon on- 1056 Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02---

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 636) denkbaar is of alleszins bijzonder onwenselijk of ongepast voorkomt (Gent 4 januari 2016, RABG 2017, 607). Het is evenwel de door de rechters goed gekende toets aan het vennootschapsbelang die zich tot het dominant toetsingscriterium voor een vordering in uitsluiting heeft ontwikkeld. Dit gaat soms zelfs zover dat de aandeelhouder die aan de grondslag ligt van het conflict, zelfs in geval van foutief gedrag, aan het langste eind zal trekken voor zover dit in het belang is van de vennootschap (Luik 6 juni 2013, DAOR 2013, 415). Er zal in de regel pas sprake zijn van gegronde redenen wanneer de werking van de vennootschap in het gedrang komt. In tegenstelling tot de vordering in uittreding, zal slechts subsidiair naar de individuele belangen van de aandeelhouders worden gekeken. Zo werd geoordeeld dat, in het geval er gekruiste procedures tot uitsluiting zijn, de oplossing van het geschil wordt bepaald door het vennootschapsbelang, en de rechter bijgevolg diegene van de aandeelhouders van wie de afwezigheid het minst schadelijk is voor het vennootschapsbelang moet uitsluiten, met naleving van het evenredigheidsbeginsel (Luik 6 juni 2013, JLMB 2013, 1504; zie in diezelfde zin ook Gent 21 februari 2011, TGR-TWVR 2011, 369). De centrale plaats die aan het vennootschapsbelang wordt gegeven, verklaart mede waarom bij gebrek aan de mogelijkheid om nog enige continuïteit aan de vennootschap te geven de vordering tot uitsluiting niet meer kan worden ingewilligd na het faillissement of de ontbinding van de vennootschap (Gent 11 september 2006, TRV 2007, 284; Brussel 27 juni 2006, TRV 207, 286; Brussel 20 december 2005, TBH 2006, 454; Vz. Kh. Kortrijk 14 oktober 2013, TRV 2016, 206; Vz. Kh. Leuven 12 november 2009, RABG 2010, 487). Anderen betwisten dat nochtans: zij zijn van oordeel dat de vordering moet worden onderzocht wanneer ze werd ingesteld voor het faillissementsvonnis of de beslissing tot ontbinding (zie K. GEENS, M. WYCKAERT, e.a., Overzicht van rechtspraak Vennootschappen (1999-2010), TPR 2012, 526; W. VAN GAVER, Ontbinding en faillissement tijdens de vordering tot uittreding: een analyse in het licht van de cassatierechtspraak over de peildatum (noot onder Vz. Kh. Kortrijk 14 oktober 2013), TRV 2016, 208). Het bestaan van gegronde redenen vereist niet dat een fout voorligt in hoofde van een van de aandeelhouders (zie bv. Cass. 20 februari 2015, RABG 2017, 632; Gent 24 juni 1998, TBH 1999, 567; Antwerpen 26 oktober 1998, TRV 2000, 464; Brussel 7 september 1999, RPS 2000, 334; Brussel 17 december 2002, RPS 2003, 404; Brussel 8 juni 2001, JLMB 2002, 1350; Gent 4 februari 2008, NJW 2008, 888; Gent 21 februari 2011, TGR-TWVR 2011, 369). Zonder exhaustief te zijn, kunnen op basis van de uitgebreide rechtspraak over de geschillenregeling in de NV (en in de BVBA), drie vormen van gegronde redenen worden onderscheiden: wanprestatie; duurzame en ernstige onenigheid; misbruik van meerderheid of minderheid. 4.1. Wanprestatie Een wanprestatie van een aandeelhouder kan als een gegronde reden worden beschouwd. De ingeroepen wanprestatie moet voldoende ernstig zijn, in die zin dat het vennootschapsbelang ernstig en onherroepelijk wordt geschaad, of minstens dreigt te worden geschaad. Volgens sommige auteurs komt de wanprestatie slechts in aanmerking wanneer ze manifest is of van kwade trouw getuigt (zie bv. J.K. KEUSTERMANS, Knelpunten in de vennootschapsrechtelijke geschillenregeling, TRV 2014, 11). Maken bij wijze van illustratie wanprestaties uit die in de rechtspraak als gegronde redenen in aanmerking werden genomen: het verhinderen van een medeaandeelhouder om deel te nemen aan de algemene vergadering en er zijn rechten als aandeelhouder uit te oefenen (in het kader van een vordering in uittreding: Vz. Kh. Hasselt 2 februari 2001, TRV 2001, 393); een manifeste schending van een aandeelhoudersovereenkomst of van de statuten (Vz. Kh. Brussel 30 mei 1997, RPS 1999, 170; Vz. Kh. Hasselt 9 juli 1999, TRV 2001, 407); geknoei met gelden van de vennootschap, het in eigen naam nemen van een octrooi i.p.v. in naam van de vennootschap, het weigeren van medewerking in de vennootschap (Vz. Kh. Brussel 21 november 1997, RPS 1999, 183); een kennelijk ongegronde vordering tot faillietverklaring ingesteld door een aandeelhouder tegen de vennootschap (Brussel 8 juni 2001, JLMB 2002, 1350); Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02--- 1057

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 636) de oprichting van een concurrerende vennootschap die dezelfde zaakvoerder heeft (in het kader van een vordering in uittreding: Gent 2 april 2007, DAOR 2008, 15; Vz. Kh. Brugge 13 juni 2001, DAOR 2001, 280); de deelneming aan een onontbeerlijke kapitaalverhoging afhankelijk maken van het sluiten van een distributieovereenkomst, het zwart maken van de vennootschap bij de leverancier en de poging de overeenkomst aan te wenden ten gunste van een andere vennootschap waarin de betrokkene werkt (Luik 6 december 2005, JLMB 2006, 1366). Bij de beoordeling of er een wanprestatie aanwezig is, wordt er in de eerste plaats rekening gehouden met de situatie binnen de vennootschap zelf. Ook met elementen buiten de context van de vennootschap, zelfs in de privésfeer van een aandeelhouder, mag rekening worden gehouden (Cass. 28 november 2011, RW 2012-13, 18, noot F. PARREIN; RAGB 2012, afl. 9, 562, noot A. VAN HOE, in de context van een duurzame onenigheid). De meeste auteurs nemen aan dat niet alleen tekortkomingen aan verbintenissen als aandeelhouder als gegronde redenen in aanmerking kunnen worden genomen. Bijkomend kunnen ook handelingen die aandeelhouders in hun hoedanigheid van bestuurder hebben gesteld, bijdragen tot de gegronde redenen. De rechtspraak volgt dat standpunt (zie bv. Brussel 29 juni 2006, TBH 2007, 905; Vz. Kh. Charleroi 19 maart 2008, JLMB 2009, 328; Vz. Kh. Kortrijk 17 februari 1997, TRV 1997, 105). Een louter conflict op het bestuursniveau, zonder dat er ook sprake is van een conflict op aandeelhoudersniveau is onvoldoende. Bestuursfouten begaan door een bestuurder die een aandeelhouder vertegenwoordigt, kunnen evenmin in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van het bestaan van gegronde redenen,,maar kunnen wel in combinatie met andere feiten in rekening worden gebracht bij de beoordeling van het gedrag van een aandeelhouder (Brussel 29 juni 2006, TBH 2007, 905; Vz. Kh. Hasselt 9 juli 1999, TRV 2001, 401). Tenslotte riskeren wanprestaties die reeds geruime tijd gekend zijn niet langer als gegronde redenen te kwalificeren (Vz. Kh. Hasselt 14 februari 1997, TRV 1997,105; met betrekking tot een vordering in uittreding: Antwerpen 7 september 1998, RW 1998-99, 130). 4.2. Duurzame en ernstige onenigheid De meest ingeroepen gegronde reden is deze van de duurzame en ernstige onenigheid. Deze onenigheid kan haar oorsprong vinden in verschillende gronden, zoals een fout in hoofde van één van de aandeelhouders, een karakteriële onverenigbaarheid of een wederzijds wantrouwen. Ook een echtscheiding kan de samenwerking tussen aandeelhouders onmogelijk maken en zorgen voor een impasse in de vennootschap (Brussel 13 juni 2005, TRV 2006, 327). Het gedrag dat aan de grondslag ligt van de onenigheid hoeft niet noodzakelijk een fout uit te maken (Gent 21 februari 2011, TGR-TWVR 2011, 369; Gent 4 februari 2008, NJW 2008, 888; Brussel 8 juni 2001, JLMB 2002, 1350). Bij de beoordeling van de omstandigheden zal eerst en vooral rekening worden gehouden met de situatie binnen de vennootschap zelf, maar ook elementen die zich situeren buiten de vennootschap zijn relevant (Cass. 28 november 2011, RW 2012-13, 18, noot F. PARREIN; RAGB 2012, afl. 9, 562, noot A. VAN HOE). De onenigheid moet blijvend en diepgaand zijn en een wezenlijke invloed hebben op het functioneren van de vennootschap en het vennootschapsbelang. De onenigheid moet m.a.w. alle samenwerking tussen de aandeelhouders onmogelijk maken en de continuïteit van de vennootschap in het gedrang brengen (geen wezenlijke invloed op de vennootschap: Brussel 29 oktober 2002, RPS 2003, 317; Brussel 17 december 2002, DAOR 2002, 304; Vz. Kh. Hasselt 14 februari 1997, TRV 1997, 105). Zo zal een bijvoorbeeld louter karakteriële onverenigbaarheid niet voldoende zijn (Vz. Kh. Leuven 28 november 1996, TRV 1997, 108; Gent 20 september 2000, TRV 2001, 492, noot M. WAUTERS; Vz. Kh. Hasselt 14 februari 1997, TRV 1997, 105). Eiser kan het mislukken van een laatste verzoeningspoging en het bestaan van een diepgeworteld wantrouwen aanhalen als element van bewijs van de duurzame onenigheid tussen de vennoten (Gent 12 oktober 2015, NJW 2017, 280; Vz. Kh. Brussel 6 oktober 1999, DAOR 2000, 107; Vz. Kh. Leuven 22 juni 1999, THB 2000, 654). Wordt een vordering tot uitsluiting beantwoord door een vordering in uittreding, dan is de onenigheid tussen de aandeelhouders feitelijk opgelost (Brussel 24 november 2004, TRV 2006, 334). De rechtspraak is verdeeld over de vraag of moet worden nagegaan aan welke aandeelhouder de onenigheid kan worden toegerekend. Er verschenen zowel vonnissen en arresten waar dit wel werd nagegaan (bv. Vz. Kh. Kortrijk 17 februari 1997, TRV 1997, 95; Vz. Kh. Brussel 6 mei 1997, RPS 1999, 168), als waar dit niet werd nagegaan (bv. Brussel 7 september 1999, RPS 2000, 334; Brussel 8 juni 2001, JLMB 2002, 1350). 1058 Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02---

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 636) In het geval van een blijvende en diepgaande onenigheid tussen twee (groepen van) aandeelhouders die elk de uitsluiting jegens elkaar vorderen, zal de rechter dienen na te gaan wie van de aandeelhouders (het meest) de continuïteit van de vennootschap en het vennootschapsbelang nastreeft (Gent 12 oktober 2015, NJW 2017, 280; Gent 25 juni 2007, NJW 2008, 33). Dit is een feitenkwestie waarbij de economische draagkracht van de betrokken aandeelhouders, hun dagdagelijkse betrokkenheid in de werking van de vennootschap, de verhouding met het personeel (en de daaruit af te leiden motivatie om de vennootschap verder te zetten) belangrijke beoordelingselementen kunnen zijn (S. DE GEYTER, Geschillenregeling en duurzame onenigheid tussen vennoten, NJW 2017, 262). Vordert één van de aandeelhouders tevens de ontbinding van de vennootschap, dan kan de rechter daaruit afleiden dat de betrokkene niet bekommerd is over het voortbestaan van de vennootschap, zodat deze aandeelhouder de vennootschap zal moeten verlaten (Gent 24 juni 1998, TBH 1999, 567; Brussel 13 juni 2005, DAOR 2005, 348; Vz. Kh. Aalst 28 mei 1997, TRV 1999, 201). Hetzelfde geldt voor de aandeelhouder die eerder de vereffening of zelfs het faillissement van de vennootschap nastreeft of heeft nagestreefd (Brussel 8 juni 2001, JLMB 2002, 1350; Brussel 29 juni 2006, TBH 2007, 905). 4.3. Misbruik van meerderheid of minderheid Een derde vorm van gegronde redenen bestaat uit het voortdurend miskennen van het vennootschapsbelang door de meerderheid of minderheid van aandeelhouders in de uitoefening van hun (stem)rechten (zie bv. Brussel 8 juni 2001, JLMB 2002, 1350). In het kader van een vordering tot uitsluiting wordt in de praktijk vooral een beroep gedaan op het misbruik van minderheid, daar waar een vordering tot uittreding vaker gestoeld zal zijn op een misbruik van meerderheid. Het typevoorbeeld van een situatie van misbruik van minderheid die tot uitsluiting kan aanleiding geven betreft de blokkering door een minderheidsaandeelhouder van een voor de vennootschap noodzakelijke kapitaalverhoging (Vz. Kh. Brussel 10 april 1998, onuitg., zoals aangehaald door B. TILLEMAN en G. VAN SOLINGE, De uittreding en uitsluiting, TPR 2000, 665 (en 670); Vz. Kh. Brussel 30 mei 1997, RPS 1999, 170; zie ook Luik 6 december 2005, JLMB 2006, 1366). De weigering om voor een kapitaalverhoging te stemmen maakt op zich evenwel geen misbruik uit. Dat zal wel het geval zijn wanneer de kapitaalverhoging noodzakelijk is voor het functioneren van de vennootschap en de minderheidsaandeelhouder zijn weigering stoelt op disproportionele, onaanvaardbare gronden. Voor een uitsluiting volstaat dan ook niet dat aan een aandeelhouder slechts wordt verweten dat hij gebruik maakt van zijn rechten als aandeelhouder (bv. wat betreft de uitoefening van zijn controlerecht: Brussel 17 december 2002, DAOR 2002, 304; Vz. Kh. Brussel 17 november 1997, JLMB 1999, 521). Ook de overdracht van belangrijke vennootschapsactiviteiten naar het bedrijf van de meerderheidsaandeelhouder en het zich toekennen van exorbitante managementvergoedingen kunnen misbruik van meerderheid uitmaken (Antwerpen 23 oktober 2000, TRV 2001, 338; Brussel 14 oktober 2000, TRV 2001, 413). De rechter moet erover waken zich niet in de plaats te stellen van de meerderheid wanneer het aankomt op het bepalen van het beleid van de vennootschap (Bergen 28 juni 1999, DAOR 1999, 52). 5. De bijzondere situatie van een (foutloze) patstelling in een 50-50 verhouding Delicaat is de beoordeling van een situatie binnen een vennootschap waar de aandelen 50-50 zijn verdeeld over twee aandeelhouders die zich ingraven tegenover elkaar in een geschillenregeling. Daarbij wordt de patstelling nog vergroot indien er geen toerekenbare fouten voorhanden zijn. Indien beide aandeelhouders de uitsluiting van elkaar vorderen is het vaak niet makkelijk te beslissen welke aandeelhouder het best geplaatst is om de vennootschap verder te zetten. Er zou in dat geval door de rechter rekening kunnen worden gehouden met wie de meeste animus societatis vertoont (Luik 10 oktober 1997, JLMB 1998, 1067; J.F. KEUSTERMANS, Knelpunten in de vennootschapsrechtelijke geschillenregeling, TRV 2014, 7) en de meeste waarborgen kan geven voor de continuïteit van de vennootschap (Gent 21 februari 2011, TGR-TWVR 2011, 369). Overige, vaak feitelijke elementen, kunnen in een concrete beoordeling ook de doorslag geven in de ene of andere zin (bv. de noodzaak van een diploma, bezit van een licentie, voor het uitoefenen van de vennootschapsactiviteit). Indien beide aandeelhouders de uittreding vorderen stelt zich de vraag of er tout court nog iemand geïnteresseerd is in het verderzetten van de vennootschap. In dat geval dient de vordering te worden afgewezen en is de vordering tot gerechtelijke ontbinding een gepastere oplossing (Brussel 31 mei 2005, TRV 2006, 331; Gent Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02--- 1059

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 637) 17 oktober 2005, RW 2006-07, 880). Indien de ene aandeelhouder de uittreding zou vorderen en de andere aandeelhouder de uitsluiting kan de rechter zich ertoe beperken een akkoord tussen beide partijen te acteren. De rechter zal dienen na te gaan of er gegronde redenen voorhanden zijn en vaststellen wat de prijs van de aandelen is (J.F. KEUSTERMANS, Knelpunten in de vennootschapsrechtelijke geschillenregeling, TRV 2014, 7). Art. 637. De vordering wordt ingeleid bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het gerechtelijk arrondissement waar de zetel van de vennootschap is gevestigd; deze houdt zitting zoals in kort geding. De vennootschap moet worden gedagvaard om te verschijnen. Indien zulks niet geschiedt, verdaagt de rechter de zaak naar een nabije datum. De vennootschap verwittigt op haar beurt de houders van aandelen op naam. De Voorzitter van de rechtbank van koophandel, zetelend zoals in kort geding, is bevoegd om over een vordering in uitsluiting uitspraak te doen. Het betreft een procedure ten gronde die verloopt volgens de vormen van het kort geding. De geschillenregeling streeft immers een structurele, doch snelle oplossing van het aandeelhoudersconflict na. De bevoegdheid van de Voorzitter is, het bevel tot schorsing (art. 638 W.Venn.) uitgezonderd, beperkt tot de geschillenregeling en laat niet toe dat de Voorzitter enige andere maatregel dan de gedwongen overdracht (of overname) zou opleggen. Zo werd reeds beslist dat de Voorzitter geen kennis kan nemen van een vordering tot nietigverklaring van een aandeelhoudersovereenkomst (Vz. Kh. Gent 15 januari 1997, TGR 1997, 170), dat hij niet kan oordelen over de herroeping van een schenking (Luik 23 september 1999, TBH 2000, 626), dat hij geen schadevergoeding kan toekennen (Brussel 14 april 2000, JDSC 2002, 391) en dat hij geen oordeel kan vellen over de opzegging of de bindende kracht van een samenwerkingsovereenkomst (Brussel 24 november 2004, TRV 2006, 334; met betrekking tot een vordering in uittreding: Vz. Kh. Tongeren 15 oktober 2002, TRV 2004, 386). De Voorzitter van de rechtbank van koophandel, zetelend zoals in kort geding, zou ook geen kennis kunnen nemen van vorderingen tot aanstelling van een voorlopig bewindvoerder of tot sekwestratie van aandelen, tenminste voor zover dit buiten het kader van artikel 19, derde lid Ger.W. gebeurt. Wel kan de Voorzitter zich uitspreken over de hoedanigheid van aandeelhouder van de eisende partij (Vz. Kh. Hasselt 30 maart 2001, TRV 2001, 428). De eiser in uitsluiting moet bovendien de betrokken vennootschap dagvaarden om in de procedure te verschijnen, bij gebreke waaraan de Voorzitter de zaak zal verdagen opdat dit alsnog kan gebeuren. De vennootschap dient op haar beurt de houders van aandelen op naam op de hoogte te stellen van de vordering in uitsluiting. De meerderheid van auteurs neemt aan dat een uitsluiting (of uittreding) eveneens via een arbitrage kan worden uitgesproken (zie bv. K. GEENS en T. VERHOEST, Développements récents dans la matière des procédures de sortie prévues par les articles 190ter et 190quater des lois coordonnées, RPS 1998, 371; B. TILLEMAN en G. VAN SOLINGE, De uittreding en uitsluiting, TPR 2000, 638-639). Daartoe is wel vereist dat het arbitragebeding door alle betrokken aandeelhouders en de vennootschap is aanvaard. Bovendien moet de gedwongen overdracht (of overname) tot het toepassingsgebied van het arbitragebeding behoren. In een aandeelhoudersovereenkomst bepalen dat alle betwistingen en geschillen betreffende de interpretatie en uitvoering van deze overeenkomst via arbitrage worden beslecht, volstaat volgens bepaalde rechtspraak niet (Brussel 20 december 2005, TBH 2006, 454). Er is echter ook rechtspraak die bereid is een arbitragebeding van toepassing te verklaren op een geschil tussen aandeelhouders, zelfs wanneer de vennootschap geen partij is bij het arbitragebeding. Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat eerder dan zich te beperken tot de tekst van het arbitragebeding, de rechter rekening dient te houden met de doelstelling die de partijen voor ogen hadden, i.e. geschillen met betrekking tot de vennootschap buiten de openbare rechtszaal te houden (Rb. Brussel 23 juni 2015, onuitg.). Art. 638. Nadat de dagvaarding is betekend, mag de gedaagde zijn aandelen niet vervreemden noch ze met zakelijke rechten bezwaren, behalve met toestemming van de rechter of van de partijen in het geding. Tegen de beslissing van de rechter staat geen rechtsmiddel open. Behalve met betrekking tot het recht op dividenden, kan de rechter bevelen dat de rechten verbonden aan de over te dragen aandelen worden geschorst. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. 1060 Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02---

Wetboek Vennootschappen W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 639) Overeenkomstig artikel 638, eerste lid W.Venn. mag een gedaagde in uitsluiting na betekening van de dagvaarding zijn aandelen niet (meer) vervreemden of met zakelijke (zekerheids)rechten bezwaren, dan mits toestemming van de Voorzitter of alle partijen in het geding. Tegen de beslissing van de Voorzitter staat geen rechtsmiddel open. Het verbod treft alle aandelen, ongeacht of de verweerder deze vóór of na de dagvaarding in uitsluiting heeft verworven. De wetgever heeft in artikel 638, eerste lid W.Venn. slechts over aandelen, terwijl ook converteerbare effecten het voorwerp uitmaken van een vordering in uitsluiting. Er heerst dan ook onduidelijkheid over de vraag of het verbod ook voor converteerbare effecten geldt. Overeenkomstig artikel 638, tweede lid W.Venn. kan de Voorzitter bevelen dat aan de over te dragen aandelen verbonden rechten, het dividendrecht uitgezonderd, worden geschorst. Tegen dergelijke beslissing staat geen rechtsmiddel open (zie voor een toepassing: Brussel 5 november 2002, RPS 2003, 396). Vrij algemeen wordt aanvaard dat de Voorzitter de nodige terughoudendheid aan de dag moet leggen bij het schorsen van de aan de aandelen verbonden rechten. Een schorsing kan immers zeer onbillijk zijn voor de betrokken aandeelhouder, alsook nadelig zijn voor de vennootschap zelf (zie bv. H. BRAECKMANS, De uitsluiting en uittreding van aandeelhouders, RW 2000-01, 1369-1371). Door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel werd zelfs geoordeeld, weze het dat deze uitspraak door verschillende auteurs wordt betwist, dat geen schorsing kon worden uitgesproken bij wijze van voorlopige maatregel vooraleer een beslissing over de gedwongen overdracht was genomen (Vz. Kh. Brussel 24 maart 1997, TRV 1997, 227). Artikel 638 W.Venn. doet geen afbreuk aan de (ruimere) mogelijkheid van de Voorzitter zetelend zoals in kort geding om de toestand van partijen voorlopig te regelen op grond van artikel 19, derde lid Ger.W. (K. GEENS, M. WYCKAERT e.a., Overzicht van rechtspraak Vennootschappen (1992-1998), TPR 2000, 440, nr. 431). Zo kan een verbod worden opgelegd om de eisende vennoot als zaakvoerder te ontslaan (resp. te stemmen voor zijn ontslag) (Gent 30 juni 2014, DAOR 2014, 144, JDSC 2016, 265 en RW 2014-15, 982). Art. 639. Bij de indiening van zijn eerste conclusie voegt de gedaagde er een afschrift bij van de gecoördineerde statuten, alsook een afschrift of een uittreksel van alle overeenkomsten die de overdraagbaarheid van zijn aandelen beperken. Wanneer de rechter de gedwongen overdracht beveelt, ziet hij erop toe dat de rechten verbonden aan die aandelen in acht worden genomen. De rechter kan zich evenwel in de plaats stellen van iedere partij die in de statuten of de overeenkomsten is aangewezen om de prijs te bepalen waartegen het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend, alsook om de termijnen te verkorten waarbinnen het recht van voorkoop tegen een korting kan worden uitgeoefend en om de toepassing te weigeren van de goedkeuringsclausules vastgesteld ten behoeve van de aandeelhouders. Voorzover de begunstigden in het geding zijn betrokken, kan de rechter zich uitspreken over de rechtmatigheid van elke overeenkomst die de overdraagbaarheid van de aandelen van de gedaagde beperkt of, in voorkomend geval, bevelen dat deze overeenkomsten overgaan op de verkrijgers van de aandelen. De gedaagde in uitsluiting dient bij zijn eerste conclusie een kopie te voegen van de gecoördineerde statuten van de vennootschap en van alle overeenkomsten die de overdraagbaarheid van zijn aandelen in deze vennootschap beperken. Opnieuw wordt (per vergissing?) geen melding gemaakt van andere converteerbare effecten. Algemeen wordt aangenomen dat de statutaire of contractuele overdrachtsbeperkingen hun principiële geldigheid behouden. Artikel 639 W.Venn. bepaalt ook dat de Voorzitter er op toeziet dat de aan de aandelen verbonden rechten in acht worden genomen wanneer hij er de gedwongen overdracht van beveelt. De Voorzitter beschikt evenwel over de volgende bevoegdheden: voor zover de begunstigden in het geding zijn betrokken, kan de Voorzitter zich uitspreken over de rechtmatigheid (i.e. de rechtsgeldigheid) van elke overeenkomst die de overdraagbaarheid van de aandelen beperkt. Hierbij kan worden gedacht aan stand still bepalingen, voorkooprechten en goedkeuringsclausules, maar bijvoorbeeld ook aan volgrechten. De toetsing van de rechtsgeldigheid van de overeenkomsten zal alleszins een toetsing aan artikel 510 W.Venn. impliceren; Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02--- 1061

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 640) voor zover de begunstigden in het geding zijn betrokken, kan de Voorzitter bevelen dat de overeenkomst die de overdraagbaarheid van de aandelen beperkt, overgaat op de verkrijgers van de aandelen; de Voorzitter kan zich in de plaats stellen van iedere partij die statutair of conventioneel is aangewezen om de prijs te bepalen waartegen een recht van voorkoop kan worden uitgeoefend; de Voorzitter kan de termijnen verkorten waarbinnen het recht van voorkoop tegen korting kan worden uitgeoefend; de Voorzitter kan de toepassing weigeren van eventuele goedkeuringsclausules. Art. 640. De rechter veroordeelt de gedaagde om, binnen de door hem gestelde termijn te rekenen van de betekening van het vonnis, zijn aandelen aan de eisers over te dragen en de eisers om de aandelen tegen betaling van de prijs die hij vaststelt over te nemen. De beslissing geldt voor het overige als titel voor het vervullen van de formaliteiten verbonden aan de overdracht, wanneer de effecten op naam zijn. De overname geschiedt, in voorkomend geval, na de uitoefening van de eventuele rechten van voorkoop die in het vonnis worden genoemd, naar evenredigheid van ieders aandelenbezit, tenzij anders is overeengekomen. De eisers zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de prijs. De beslissing van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep. Indien de beslissing ten uitvoer wordt gelegd en hoger beroep wordt ingesteld, is artikel 638 van toepassing op degenen die de aandelen verkrijgen. 1. Eigendomsoverdracht Overeenkomstig artikel 640 W.Venn. bepaalt de Voorzitter bij een veroordeling tot gedwongen overdracht de termijn, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis, waarbinnen de verweerder in uitsluiting zijn aandelen moet overdragen en de eiser in uitsluiting de aandelen moet overnemen. In de rechterlijke uitspraak moet tevens een tijdstip worden vastgelegd waarop de prijs dient te worden betaald; dit is in beginsel het tijdstip van de overdracht (Cass. 3 december 2015, TRV 2017, 206, noot R. TAS). Het vonnis dat de overdracht van aandelen beveelt en dat uitvoerbaar bij voorraad is, geldt als titel tot het vervullen van de formaliteiten verbonden aan de overdracht. De eigendomsoverdracht tussen partijen geschiedt op het tijdstip dat de Voorzitter er de overdracht van beveelt. In geval van een vordering tot uitsluiting zal de eiser vanaf dat moment een vordering tot levering kunnen laten gelden, de verweerder een vordering tot betaling (Cass. 3 december 2015, TRV 2017, 206, noot R. TAS). In voorkomend geval geschiedt de overname van de aandelen nadat de in het vonnis genoemde voorkooprechten werden uitgeoefend. Tenzij anders is overeengekomen, gebeurt de overname van de aandelen door de eisers in uitsluiting naar evenredigheid van hun aandelenbezit. De eisers in uitsluiting zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de prijs. 2. Prijsbepaling Overeenkomstig artikel 640 W.Venn. bepaalt de rechter bij een veroordeling tot gedwongen overdracht de prijs waartegen de eiser in uitsluiting de aandelen moet overnemen (zie uitgebreid B. VERKEMPINCK, Prijsbepaling van aandelen in de geschillenregeling: na vijftien jaar nog steeds een hemeltergend raadsel voor de initiatiefnemende aandeelhouders, DAOR 2011, afl. 99, 338-405). Algemeen wordt aangenomen dat de eigendomsoverdracht en de betaling van de prijs in principe niet van elkaar moeten worden losgekoppeld. Door rechtspraak en rechtsleer werd evenwel reeds verdedigd dat de overdracht van de aandelen kan worden opgelegd tegen betaling van een provisionele prijs (voorschot) of tegen het stellen van een zekerheid (zie bv. Gent 23 november 2015, DAOR 2016, 54; Luik 15 december 2005, JT 2006, 124; Gent 25 juni 2007, RW 2007-08, 1822; bij uittreding: Gent 17 maart 2003, TRV 2004, 367; D. VAN GERVEN, Kroniek Vennootschapsrecht 2006-2007, TRV 2007, 442). Ten aanzien van de interesten die verschuldigd zijn op de prijs, kunnen zich twee hypotheses voordoen: (i) ofwel zal de definitieve prijs onmiddellijk worden bepaald in het vonnis dat de overdracht heeft bevolen (in dat geval zijn vanaf dat ogenblik moratoire intresten verschuldigd), (ii) ofwel wordt de overdracht bevolen tegen de betaling van een provisie en zal er door de rech- 1062 Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02---

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 640) ter een deskundige worden aangeduid met oog op de waardering van de aandelen (in dat geval zijn er vergoedende intresten verschuldigd op het saldo tussen beide bedragen en, in voorkomend geval, tevens moratoire intresten vanaf de definitieve vaststelling van de prijs) (zie Cass. 3 december 2015, TRV 2017, 206, noot R. TAS). De wet bevat geen richtlijnen over de prijsbepaling en het is de rechter zelf die bevoegd is om de overnameprijs vast te stellen (Cass. 30 oktober 2003, Arr.Cass. 2003, 2001; Brussel 7 april 2006, TBH 2006, 1035). In de praktijk zal vaak een deskundige worden aangesteld om de waarde van de aandelen te bepalen, doch de rechter is daartoe niet verplicht (Gent 26 mei 2008, TRV 2011, 48. Zo oordeelde het Hof van Cassatie al, weliswaar in het kader van een vordering in uittreding, dat de rechter zich kan baseren op de waarde van de aandelen op het ogenblik van het instellen van de vordering, bepaald op basis van de jaarrekening van het afgelopen jaar (Cass. 30 oktober 2003, TRV 2004, 344; zie bijv. ook Gent 26 mei 2008, TRV 2011, 48; Antwerpen 8 januari 2009, TRV 2011, 44). Indien de Voorzitter een deskundige aanstelt, zal dat doorgaans een externe accountant of een bedrijfsrevisor zijn (zie bv. Gent 2 april 2007, DAOR 2008, 85). Het aanstellen van een deskundige zal mogelijk niet opportuun worden geacht indien dit zou leiden tot disproportioneel hoge kosten in verhouding met de geschatte waarde van de aandelen (B. VERKEM- PINCK, Prijsbepaling van aandelen in de geschillenregeling: na vijftien jaar nog steeds een hemeltergend raadsel voor initiatiefnemende aandeelhouders, DAOR 2011, 342). De Voorzitter is, indien hij een deskundige aanduidt, niet verplicht om richtlijnen te geven over de wijze waarop de aandelen dienen te worden gewaardeerd (Vz. Kh. Brugge 13 juni 2001, DAOR 2001, 280; K. GEENS, M. WYCKAERT e.a., Overzicht van rechtspraak Vennootschappen (1999-2010), TPR 2012, 541, nr. 490; B. VERKEMPINCK acht zulke richtlijnen nochtans aangewezen: zie B. VERKEMPINCK, Prijsbepaling van aandelen in de geschillenregeling: na vijftien jaar nog steeds een hemeltergend raadsel voor initiatiefnemende aandeelhouders, DAOR 2011, 345). Over de methode van prijsbepaling oordeelt de rechter soeverein. Afhankelijk van de aard van de vennootschap in kwestie kan bijvoorbeeld worden geopteerd voor (het gewogen gemiddelde van) de netto kasstroomwaarde, de rentabiliteitswaarde, de intrinsieke waarde, de boekwaarde of gecorrigeerde boekwaarde van een vennootschap en, in voorkomend geval, de beurswaarde van een vergelijkbare vennootschap. Daarbij zou een minwaarde in rekening kunnen worden gebracht bij een overdracht van een minderheidsparticipatie (zie bv. Antwerpen 23 oktober 2000, TRV 2001, 388; contra bij een vordering in uittreding: Brussel 7 april 2006, TBH 2006, 1035). Indien de keuze voor de waarderingsmethode aan de deskundige wordt overgelaten, dient de deskundige op gemotiveerde wijze aan te geven welke waarderingsmethode volgens hem het meest geschikt is (Gent 19 oktober 2009, TRV 2011, 40; Gent 19 februari 2007, TRV 2007, 282; Vz. Kh. Brugge 13 juni 2001, DAOR 2001, 280). In elk geval is het deskundigenverslag slechts adviserend, met dien verstande dat de rechter het verslag niet willekeurig (d.i. zonder een nauwgezette motivering) mag verwerpen (B. VERKEMPINCK, Prijsbepaling van aandelen in de geschillenregeling: na vijftien jaar nog steeds een hemeltergend raadsel voor initiatiefnemende aandeelhouders, DAOR 2011, 348-349). De waarde van de over te dragen aandelen wordt begroot naar evenredigheid met de waarde van de onderliggende vennootschap (B. VERKEMPINCK, Prijsbepaling van aandelen in de geschillenregeling: na vijftien jaar nog steeds een hemeltergend raadsel voor initiatiefnemende aandeelhouders, DAOR 2011, 349). Het komt erop aan de gehele vennootschap te waarderen en het bedrag pro rata parte toe te passen op het in het geding betrokken aandelenpakket. Bij de prijsvaststelling moet de rechter rekening houden met de finaliteit van de geschillenregeling. Het einddoel moet er steeds in bestaan een zo objectief mogelijke prijs vast te stellen en te bepalen wat de prijs zou zijn die de overdrager zou hebben ontvangen bij een vrijwillige overdracht van zijn aandelen in het economisch verkeer (Gent 5 november 2012, TRV 2014, 308, noot N. DELANG; Gent 19 oktober 2009, TRV 2011, 40; R. TAS en W. VAN GAVER, De geschillenregeling: actuele highlights uit een evergreen, in K. GEENS, M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.), Themis Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2015, 124, nr. 31 en 129, nr. 36). Vrij recent werd dit uitgangspunt nog eens onderschreven door advocaat-generaal Genicot in zijn conclusie bij een arrest van het Hof van Cassatie van 28 april 2014: la référence au marché semble être quasi unanimement admise comme le critère de base dans la fixation du prix des titres non cotés (vrije vertaling: de verwijzing naar de markt lijkt quasi unaniem te worden aanvaard als het basiscriterium voor de vaststelling van de prijs van niet-genoteerde effecten) (Concl. Adv.-Gen. GENICOT bij Cass. 28 april 2014, www.juridat.be). In dat verband verwijst advocaat-generaal Genicot onder andere ook op Verordening 1255/2012 van 11 december 2012 waarin de Europese Commissie enkele nieuwe IFRS-normen heeft bekrachtigd (Verordening 1255/2012/ EU houdende wijziging van Verordening nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde interna- Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02--- 1063

W.Venn. 7 mei 1999 (Art. 640) tionale standaarden voor jaarrekeningen, Pb.L. 29 september 2012, 360/78). Het IFRS definieert de reële waarde van een actief als de prijs die zou worden ontvangen om een actief te verkopen of die zou worden betaald om een verplichting over te dragen in een regelmatige transactie tussen marktdeelnemers op de waarderingsdatum ( ) rekening houdend met de kenmerken van het actief of de verplichtingen als marktdeelnemers en of deze kenmerken in aanmerking zouden worden genomen bij het waarderen van het actief of de verplichting op de waarderingsdatum. Omdat de vaststelling van de marktwaarde van de vennootschap niet altijd evident is, is het gebruikelijk dat de Voorzitter (of de deskundige) vertrekt vanuit een (combinatie van) gestandaardiseerde waarderingsmethoden (B. VERKEMPINCK, Prijsbepaling van aandelen in de geschillenregeling: na vijftien jaar nog steeds een hemeltergend raadsel voor initiatiefnemende aandeelhouders, DAOR 2011, 351-356; F. DE CLIPPELE, De waardebepaling van aandelen ingevolge de gedwongen overdracht en bij de inbreng in natura, RW 2001-02, 980-981). Voorzichtigheid is hierbij geboden en enige zin voor nuance dringt zich op. De resultaten van deze methodes zijn immers niet absoluut, noch leveren zij de enige juiste waarde op (R. TAS en W. VAN GAVER, De geschillenregeling: actuele highlights uit een evergreen, in K. GEENS en M. WYCKAERT en V. CO- LAERT (eds.), Themis vennootschapsrecht en financieel recht, Brugge, die Keure, 2015, 123-124). Overigens wordt de waarde vaak vastgesteld op basis van een gewogen gemiddelde van verschillende waarderingsmethodes (bijvoorbeeld een vermogenswaardering en een rendementswaardering) (R. TAS en W. VAN GAVER, De geschillenregeling: actuele highlights uit een evergreen, in K. GEENS en M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.), Themis vennootschapsrecht en financieel recht, Brugge, die Keure, 2015, 127). Welke waarderingsmethode(s) er in een specifiek geval ook worden verkozen, steeds moet er rekening worden gehouden met de marktelementen. Een vergelijking tussen de vennootschap en een gelijkaardige genoteerde vennootschap kan (indien mogelijk) relevant zijn, aangezien de beurskoers in beginsel kan worden geacht de reële marktwaarde te weerspiegelen (M. CALUWAERTS, L exclusion et le retrait forcés comme solution aux litiges entre associés, in X. (ed.), Les conflits au sein des sociétés commerciales ou à la forme commerciale, ed. Jeune Barreau, 2004, 181). De vennootschap moet in beginsel steeds vanuit een continuïteitsperspectief worden gewaardeerd (Cass. 9 december 2010, TBH 2012, 22, noot A. COIBION). De geschillenregeling strekt er immers toe om aan het conflict een einde te maken zodat de vennootschapsactiviteit kan worden verdergezet. Eens de waarde van de vennootschap en het aandelenpakket vastligt, moet de Voorzitter nog een aantal correcties doorvoeren om tot de finale prijs te komen en de peildatum te bepalen. Waarde en prijs vallen immers niet noodzakelijk samen (B. VERKEMPINCK, Prijsbepaling van aandelen in de geschillenregeling: na vijftien jaar nog steeds een hemeltergend raadsel voor initiatiefnemende aandeelhouders, DAOR 2011, 340). De wet bepaalt dat de Voorzitter niet de waarde maar de prijs moet vaststellen waaraan de aandelen worden overgedragen. Net zoals met betrekking tot de waarderingsmethode beslist de Voorzitter autonoom over de finale prijs (Cass. 30 oktober 2003, TRV 2004, 334, noot F. JENNÉ; K. GEENS, M. WYCKAERT e.a. Overzicht van rechtspraak 1999-2010, TPR 2012, 541). Volgens de meerderheid van rechtspraak en rechtsleer kan de finale prijs naar boven worden bijgesteld indien het aandelenpakket een controleparticipatie uitmaakt door de bijkomende beleidsinvloed die wordt verworven (B. VERKEMPINCK, Prijsbepaling van aandelen in de geschillenregeling: na vijftien jaar nog steeds een hemeltergend raadsel voor initiatiefnemende aandeelhouders, DAOR 2011, 361-362; M. CALUWAERTS, L exclusion et le retrait forcés comme solution aux litiges entre associés, in X. (ed.), Les conflits au sein des sociétés commerciales ou à la forme commerciale, ed. Jeune Barreau, 2004, 183). Het begrip controleparticipatie dient zo te worden opgevat dat zelfs een controle(bonus)premie zou kunnen worden verrekend voor een minderheidsparticipatie die ertoe leidt dat de overnemende vennoot de controle verwerft in de betrokken vennootschap. De Voorzitter mag bij de prijsbepaling rekening houden met de omvang van het aandelenpakket, en in voorkomend geval, met het belang van het aandelenpakket in een bepaalde aandeelhoudersstructuur (L. CORNELIS en J. WILLEMEN, Naar keuze: de stok achter de deur of de knuppel in het hoenderhok?, in K. BYTTEBIER, R. FELTKAMP en A. FRANÇOIS (eds.), De gewijzigde vennootschapswet 1995, Antwerpen, Biblo, 1996, 334, nr. 38; zie ook Cass. 28 april 2014, JLMB 2014, 1423, JDSC 2015, 362, RW 2014-15, 1611). Anderzijds is ook een illiquiditeitsdécote denkbaar. Het (naar beneden) corrigeren van de prijs door het toepassen van een minderheidsdécote ligt daarentegen gevoelig aangezien het onbillijk wordt beschouwd voor de betrokken minderheidsaandeelhouder (L. CORNELIS en J. WILLEMEN, Naar keuze: de stok achter de deur of de knuppel in het hoenderhok?, in K. BYTTEBIER, R. FELTKAMP en A. FRANÇOIS (eds.), De gewijzigde vennootschapswet 1995, Antwerpen, Biblo, 1996, 334, nr. 38). 1064 Larcier Duiding Vennootschappen (1 september 2017) Larcier---TREE_7090--Export:11-09-2017_16:02---