U I T S P R A A K

Vergelijkbare documenten
U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K en

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

T U S S E N U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

van het College van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

U I T S P R A A K

Transcriptie:

U I T S P R A A K 0 9-1 3 1 van het College van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden inzake het beroep van de heer XXX te Schiedam, appellant tegen de Examencommissie Bachelor Rechtsgeleerdheid, verweerder 1. Ontstaan en loop van het geding Met de op 8 december 2009 ingekomen brief van 6 december 2009 tekent appellant beroep aan tegen het besluit van Examencommissie Bachelor Rechtsgeleerdheid van 11 november 2009, waarin is besloten appellant met ingang van 11 november 2009 uit te sluiten van deelname aan het tentamen Geschiedenis van het Europees publiekrecht (bachelor) voor de duur van één jaar, tot 11 november 2010; appellant uit te sluiten met ingang van 11 november 2009 van alle tentamens van door de Faculteit der Rechtsgeleerdheid verzorgde opleidingen voor de duur van tien maanden, tot 11 september 2010; de beschikking ter kennis te brengen van het Onderwijs Informatie Centrum van de Faculteit met het doel dat deze wordt aangetekend in het elektronische persoonsdossier (ISIS) van appellant. Het beroepschrift van 8 december 2009 was niet ondertekend en bevatte geen gronden van beroep. Bij brief van 9 december 2009 is bezwaarmaker verzocht overeenkomstig artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)om binnen twee weken het verzuim te herstellen. Bij brief gedateerd 6 december 2009, ontvangen op 14 december 2009 heeft bezwaarmaker het verzuim hersteld. Bij brief van 29 december, ontvangen op 4 januari 2010, heeft appellant de nadere gronden van het bezwaar ingediend. Door appellant wordt - kort weergegeven aangevoerd dat de sanctie die is opgelegd te zwaar is. Appellant geeft aan dat hij op de dag van het tentamen niet zichzelf en heel ziek was. Voorts brengt appellant naar voren dat hij kampte met slaap- en eetproblemen waardoor hij zich slap voelde, hij meerdere malen probeerde niet in slaap te vallen en niet meer goed kon nadenken. Appellant geeft aan dat de ziekteverschijnselen waarmee hij kampte voortkomen uit psychische problemen. Secretariaat: Rapenburg 70 Postbus 9500 2300 RA Leiden Telefoon 071 527 33 07 / 071 527 81 18 Fax 071 527 45 67

Blad 2/6 Appellant geeft aan dat hij zijn aantekeningen op tafel heeft gelegd en met behulp daarvan een aantal vragen heeft beantwoord. Daarna voelde hij zich schuldig en was hij voornemens een leeg tentamenvel, met alleen zijn naam erboven, in te leveren. Appellant geeft aan dat het gesprek met de Examencommissie van 30 oktober 2009 kort duurde en dat niet alles is besproken. In het gesprek zou zijn aangegeven dat bij het opleggen van een sanctie rekening gehouden zou worden met zijn ziekte. Dit zou echter niet zijn gebeurd. Met betrekking tot de eerder geconstateerde fraude merkt appellant op dat van zijn kant sprake was van onwetendheid en dat hij in verband met dit voorval een lichte sanctie heeft ontvangen. Appellant is van mening dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn ziekte en dat verweerder niet heeft laten meewegen dat hij zich van deelname van het tentamen wilde terugtrekken. Appellant wijst erop dat de sanctie gezien zijn gezondheid, leeftijd, financiële situatie en eerder opgelopen studievertraging disproportioneel zwaar is. Hij verzoekt de Examencommissie toegelaten te worden tot een aantal vakken. Voorts zou de sanctie niet in lijn zijn met eerder opgelegde maatregelen bij andere studenten. Daarnaast zou verweerder onvoldoende gemotiveerd hebben waarom er sprake is van een omvangrijke vorm van fraude en van één van de ernstige gevallen van ongeoorloofd handelen dan wel fraude. Conform artikel 7.61 lid 4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) heeft verweerder op 22 januari 2010 een gesprek gevoerd met appellant om te zien of een minnelijke schikking mogelijk was. Gebleken is dat dit gesprek partijen niet nader tot elkaar heeft kunnen brengen. Bij brief van 1 februari 2010 is een verweerschrift ingediend. Daarin is aangegeven dat een examinator tijdens het tentamen van het vak Europees publiekrecht, ongeoorloofde papieren op de tafel van appellant heeft aangetroffen. Deze papieren bevatten samenvattingen van colleges en werkgroepen. Op 30 oktober 2009 heeft de verweerder appellant gehoord in de aanwezigheid van de examinator. Verweerder heeft in dit gesprek toegelicht dat ziekte geen legitieme reden kan zijn voor deze omvangrijke vorm van fraude en dat appellant zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan fraude. Op 22 januari 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerder en appellant om te zien of een minnelijke schikking mogelijk was. In dit gesprek heeft appellant aanvullende informatie gegeven over zijn ziekte. Verweerder merkt op dat dit geen aanleiding is geweest om de beslissing te herzien.

Blad 3/6 Verweerder wijst erop dat betrokkene reeds eerder gesanctioneerd is en dat deze zaak reeds is afgedaan. Het beroep is behandeld op 10 februari 2010 tijdens een openbare zitting van een kamer uit het College. Appellant is in persoon ter zitting verschenen. Namens het faculteitsbestuur is mevrouw mr. dr. XXX, voorzitter van de Examencommissie propedeuse Rechtsgeleerdheid verschenen. Appellant erkent dat hij een fout heeft gemaakt, maar is van mening dat de sanctie die is opgelegd te zwaar is. Voorts erkent appellant dat hij de aantekeningen heeft gebuikt, doch dat dit marginaal is geweest. Appellant geeft aan dat hij tijdens het tentamen tot inkeer kwam en van plan was een leeg papier in te leveren. Terwijl hij aan het opruimen was, heeft een examinator gezien dat hij ongeoorloofde papieren op tafel had. Appellant geeft aan dat hij reeds, nu hij al een aantal maanden is uitgesloten van tentamens, voldoende gestraft is. Verweerder geeft aan dat de door appellant gepleegde fraude, het meenemen van aantekeningen, de meest zware vorm is. Daarom is één van de hoogste sancties opgelegd. Verweerder wijst erop dat antwoorden op het tentamenvel overeenkomen met de aantekeningen die appellant op tafel had liggen. Verweerder licht toe dat de maatregel zijn oorsprong vindt in het toevoegen van leed, en niet zozeer preventie. Verweerder merkt op dat in het verleden een aantekening is gemaakt met betrekking tot een eerder fraude geval. Toen was er sprake van plagiaat. Dit voorval is meegenomen bij het opleggen van de sanctie. Verweerder sluit niet uit dat ook zonder dit voorval de uitsluiting van alle tentamens eveneens tien maanden zou zijn geweest. De Examencommissie kon geen zwaardere vorm van fraude bedenken. Verweerder licht toe dat naar aanleiding van de geconstateerde fraude een gesprek heeft plaatsgevonden dat 40 minuten duurde, waarin de ziekte van appellant aan de orde gekomen. Verweerder is van begin af aan op de hoogte geweest van deze omstandigheid, maar is van mening dat het geen verontschuldigbaarheid met zich mee kan brengen. Om deze reden is geen nader onderzoek verricht. Desgevraagd licht verweerder toe dat indien sprake is van een lichte vorm van fraude, bijvoorbeeld het in een wetboek bijschrijven van één of twee arresten, dit wordt afgehandeld door de examinator zelf. In dat geval wordt het cijfer 1 (één) toegekend en wordt verder geen sanctie opgelegd. Bij een omvangrijker vorm wordt het behandeld door de Examencommissie.

Blad 4/6 2. De overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid Met de op 8 december 2009 door het College ontvangen brief van 6 december 2009 heeft appellant tijdig beroep ingesteld tegen het besluit van 11 november 2009. Het beroepschrift voldoet ook overigens aan de daaraan ingevolge de Algemene wet bestuursrecht ( Awb ) en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ( WHW ) gestelde eisen, zodat het administratief beroep ontvankelijk is. 3. De overwegingen ten aanzien van het geschil Het beroep richt zich tegen het besluit van 11 november 2009, waarbij waarin is besloten appellant met ingang van 11 november 2009 uit te sluiten van deelname aan het tentamen Geschiedenis van het Europees publiekrecht (bachelor) voor de duur van één jaar, tot 11 november 2009; appellant uit te sluiten met ingang van 11 november 2009 van alle tentamens van door de Faculteit der Rechtsgeleerdheid verzorgde opleidingen voor de duur van tien maanden, tot 11 september 2010; de beschikking ter kennis te brengen van het Onderwijs Informatie Centrum van de Faculteit met het doel dat deze wordt aangetekend in het elektronische persoonsdossier (ISIS) van appellant. Het College dient overeenkomstig artikel 7.61, tweede lid, WHW te beoordelen of de bestreden besluiten al dan niet in strijd zijn met het recht. Daarbij ziet het zich gesteld voor de vraag of appellant (toerekenbaar) in strijd heeft gehandeld met enige regel ten aanzien van het afleggen van een tentamen als gevolg waarvan aan hem een maatregel kon worden opgelegd. Indien bewezen dient het de vraag te beantwoorden of de opgelegde maatregel gerechtvaardigd en evenredig is. Naar het oordeel van het College geldt, zoals het College reeds in meerdere kwesties heeft vastgesteld voor het bewijs van fraude, dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de appellant zich aan de verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Het College is van mening dat gevoeglijk vast is komen te staan dat appellant ten tijde van het tentamen in het bezit was van ongeoorloofde aantekeningen op zijn tafel. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de door verweerder overgelegde papieren de tijdens het tentamen in beslag genomen aantekeningen betreft en dat appellante de papieren tijdens het tentamen op zijn tafel had liggen en heeft gebruikt. Appellant heeft dit immers erkent. Hiermee is vast komen te staan dat appellant fraude heeft gepleegd. Het College overweegt ten overvloede dat het enkele feit dat appellant aantekeningen op zijn tafel had liggen, voldoende grond biedt om fraude vast te stellen.

Blad 5/6 Het College ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door appellant gepleegde fraude hem toe te rekenen is. Appellant heeft aangevoerd dat zijn gedrag voorafgaande van en tijdens het tentamen werd beïnvloed door zijn psychische en fysieke gesteldheid. Appellant stelt dat hij in de aanloop naar het tentamen vanwege als gevolg van psychische problemen weinig geslapen en gegeten heeft. Het College is van mening dat deze omstandigheden, wat daar ook van zij, geen aanleiding geven om de gedraging niet aan appellant toe te rekenen. Niet is gebleken dat de medische gesteldheid ertoe heeft geleid dat appellant de gedraging niet heeft kunnen voorkomen. Appellant had er derhalve voor kunnen kiezen het tentamen niet te maken of aan het tentamen deel te nemen zonder ongeoorloofde hulpmiddelen. De door appellant aangevoerde medische omstandigheden zijn derhalve geen aanleiding om appellant voor door hem gepleegde fraude te verontschuldigen. Het College overweegt met betrekking tot de evenredigheid van de opgelegde sanctie het volgende. Ingevolge artikel 7.12, vierde lid, van de WHW is de Examencommissie bevoegd een student in geval van fraude voor de duur van maximaal één jaar van het afleggen van examens en tentamens uit te sluiten. Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat de door appellant gepleegde vorm van fraude, het op tafel hebben van een aanzienlijke hoeveelheid aantekeningen, één van de zwaarste vorm is. Bovendien heeft appellant eerder een sanctie opgelegd gekregen wegens het plegen van fraude. Voorts heeft verweerder ter zitting heeft uiteengezet dat (in het verleden) meerdere studenten op fraude zijn betrapt. De aan appellant opgelegde maatregel is in lijn met de maatregelen die aan andere studenten zijn opgelegd. Het College is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de Examencommissie door appellant voor de duur van tien maanden tot 11 september 2010 voor alle vakken, respectievelijk voor de duur van één jaar tot 20 november 2011 uit te sluiten van het tentamen Geschiedenis van het Europees publiekrecht, geen onevenredige maatregel heeft opgelegd en dientengevolge niet in strijd met het recht heeft gehandeld. Het beroep is dan ook ongegrond. 4. De beslissing Het College van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden, gezien artikel 7.61 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, verklaart het beroep ONGEGROND.

Blad 6/6 Aldus vastgesteld op 20 februari 2010 door een kamer uit het College van beroep voor de examens, bestaande uit mr. O. van Loon (voorzitter), dr. H.W. Sneller, prof.dr. E.M. Noordijk, mr. dr. M.B. de Boer en J.C.A. van Oord (leden), in tegenwoordigheid van de secretaris van het College, mr. W.J. de Wit. mr. O. van Loon, voorzitter mr. W.J. de Wit, secretaris Voor eensluidend afschrift, Verzonden op: