Dit artikel is geschreven ter voorbereiding op de lezing van drs. E. Heijerman, die 16 maart 2017 Deo Volente zal worden uitgesproken. De lezing draagt de titel Philharmonie: Mijn ziel maakt groot de Heere en zal gaan over harmonie in de muziek. Het voorbereidingsartikel belicht een andere vorm van kunst, namelijk de architectuur. s Bouwheers Kunstwerk Esthetiek binnen de architectuur Er wordt wel gezegd dat de natuur de eerste plek is waar we schoonheid kunnen ervaren, vervolgens komt de muziek en pas daarna de architectuur. Schoonheid in de architectuur ervaren we bijvoorbeeld bij het betreden van een oude kerk. Op het moment dat we over de drempel stappen worden we overweldigt door de grootsheid, de schoonheid van het gebouw. Het is echter moeilijk om aan te geven waar die schoonheid nu eigenlijk in bestaat. We voelen aan dat het te maken heeft met grootsheid, maar ook met orde. Het is lastig te zeggen waarom we het ene gebouw mooi en het andere lelijk vinden. Waarom kunnen we de oude panden aan de Amsterdamse grachtengordel mooi vinden en tegelijkertijd ook de (post)moderne architectuur in de binnenstad van Rotterdam waarderen? Met andere woorden: wat is esthetiek binnen de architectuur? In dit artikel vindt u een verkenning van het denken over schoonheid binnen de architectuur. Daarbij zal eerst ingegaan worden op de subjectieve ervaring van schoonheid. Vervolgens worden de opvattingen over schoonheid in de klassieke oudheid besproken, om tot slot in te gaan op de verandering die de romantiek in het denken over schoonheid in de architectuur teweegbracht. Schoonheidservaring Schoonheid is deels subjectief. We kunnen van mening zijn dat een gebouw mooi is. Rudy Uytenhaak, hoogleraar architectonisch ontwerpen aan de TU Delft, omschrijft zijn visie op schoonheid als volgt: of iets je wel of niet ontroert, heeft te maken met de waarde die je er zelf in ontwaart. Waar verlang je naar, waar streef je naar, wat heb je meegemaakt, wat is belangrijk voor jou in je leven? Als iets daarbij in de buurt komt, raakt je dat, ga je er als het ware een verbinding mee aan, die je beleeft als schoonheid. Schoonheid heeft dus met identiteit te maken, het is je verbonden voelen met wat je raakt, en daarmee heeft schoonheid uiteindelijk ook veel met liefde te maken: datgene waar je van houdt, vind je ook mooi (Luiten, 2009 p. 103). Geraakt worden door iets kan op verschillende niveaus, van het nuttigen van een goede maaltijd tot het bewonderen van de overweldigende grootsheid van een stad of de natuur. Maar deze ervaring is niet per se individueel. Naast het persoonlijke, subjectieve deel van schoonheid, heeft het begrip een meer universele component, aldus Uytenhaak, je wordt op een bepaald niveau door iets geraakt omdat je er iets in terugvindt dat niet alleen over je eigen identiteit gaat, maar ook over diepere ervaringen van menselijkheid of menselijke strevingen. Universele menselijke waarden waarmee je je verbonden weet door middel van het object dat we mooi noemen (Luiten, 2009 p. 103). Kunstenaars en architecten construeren uit het geheel van ervaringen een ideaal en worden gedreven door het verbeelden van hun ideaal. Ook in een samenleving als geheel kan zich een ideaalbeeld ontwikkelen, dat uitgedrukt wordt in bepaalde waarden. Deze waarden zijn voor iedereen die onderdeel van de cultuur uitmaakt herkenbaar of nastrevenswaardig en vormen samen een bepaalde stijl. De stijl van
antieke Griekse beelden drukt zo het complex van waarden van de cultuur van die tijd uit. Duidelijk is dat normen niet vaststaan, maar steeds verschuiven. Ook in Nederland vinden we hier een duidelijk voorbeeld van. In de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog waren licht en lucht dominante waarden. Vanuit dit principe werden wijken met kleine woningen en grote, vrije ruimten gebouwd, zoals de Bijlmer. Inmiddels zijn de waarden licht en lucht en het daarbij horende optimisme weggevallen. Nu vinden we de woningen maar klein en weinig comfortabel, wonen er minder mensen in deze wijken en wordt de grote, open ruimte als leeg, anoniem of zelfs onveilig ervaren. Als tegenreactie werd er teruggegrepen op de traditionele waarden in de stedenbouw. Dit kwam tot uitdrukking in streven naar warmte en kleur, het gebruik van baksteen en belang van beeldherkenning (Luiten, 2009). Schoonheidsregels Schoonheid heeft dus met identiteit, emotie, herkenning en heersende waarden te maken. Maar deze zaken zijn veel breder toepasbaar dan alleen in de architectuur. Bovendien zegt de uitspraak een mooi gebouw iets over de smaak van de spreker, maar geeft het geen inzicht in het gebouw zelf. Binnen de architectuur heeft schoonheid ook een andere plaats dan binnen andere kunstvormen. Een gebouw heeft immers altijd een functie en is daarmee nooit een kunstwerk op zich. Daarmee leiden de vragen als: wat is bouwkunst, wat is schoonheid, wat is stijl vrijwel altijd terug naar de classicistische traditie. Deze traditie begint in de klassieke oudheid, bij het Architectura libri decem (de bouwkunst, in tien delen) van de Romeinse architect en theoreticus Vitruvius. Vitruvius (± 85-20 v.chr.) behandelt in zijn boek, dat hij opdraagt aan keizer Augustus, in tien hoofdstukken of boeken vrijwel elk aspect van de romeinse architectuur. Vitruvius is vooral bekend vanwege het formuleren van de drie principes waar goede architectuur volgens hem op gestoeld is. Bouwkunst vereist firmitas: duurzaamheid door sterkte en degelijkheid in de constructie, commoditas: functionaliteit door helderheid en rationaliteit in het ontwerp, en venustas: schoonheid door een harmonieus en zinvol resultaat. Wanneer geen van de drie principes overheerst, maar de juiste balans gevonden wordt ontstaat goede en mooie architectuur (Van der Woud, 1993). Naast deze basisprincipes besteed Vitruvius ook veel aandacht aan juiste verhoudingen. De belangrijkste hoofdregels daarvoor zijn ordinatio (afgeleide rangschikking) wat moet leiden tot symmetria (de juiste onderlinge maatafstemming). Met behulp van dispositio (het tekenen op schaal) van deze ordening en van symmetrie ontstaat er een eurytmia (harmonische maatverhouding). Door distributio (het gebruik van de juiste materialen) in acht te nemen, doet de bouwmeester recht aan het principe van decor (een gepast voorkomen). Hoewel deze principes vrij abstract lijken, had Vitruvius ook duidelijke opvattingen over de invulling ervan en formuleerde hij verschillende regels. Deze regels ontleende hij aan de canon van ideale verhoudingen, die reeds bij de Griekse beeldhouwers in gebruik was. In zijn voorwoord schrijft hij al over het lichaam van de architectuur, een perfect lichaam welteverstaan. Daarmee toonde Vitruvius zich een groot voorstander van het gebruik van de ideale verhoudingen van verschillende lichaamsdelen tot elkaar binnen de bouwkunst. De lengte, de breedte, de hoogte en de diepte van een gebouw dienen de verhoudingen van het menselijke lichaam te weerspiegelen. Deze verhoudingen uit de gulden snede werden daarvoor al, al dan niet bewust, toegepast bij Griekse tempels en andere oude bouwwerken. Vitruvius systematiseerde ze en paste ze toe op drie zuilenorden (Dorisch, Ionisch en Korinthisch, zie afbeelding 1). Hierbij diende de onderste diameter van de zuil als rekenfactor of modulus voor het berekenen van de overige maten. Deze modulus kon op zijn beurt dan weer een naar verhouding afgeleid deel van de totale breedte van de plattegrond zijn. Hoewel Vitruvius veel nadruk op de vuistregels legt, geeft hij ook aan dat een architect zich niet altijd strikt aan de vuistregels hoeft te houden, al was het
maar omdat de grondsoort en de beschikbare bouwmaterialen ter plaatse altijd kunnen verschillen. De opvattingen van Vitruvius, die hij gedeeltelijk baseerde op eerdere werken, zijn eeuwenlang van grote invloed geweest op de architectuur en worden soms nog gebruikt. van de kunstenaar, autonomie van de kunst en aandacht voor het bijzondere, het unieke individuele. In de 18 e eeuw kwam dit al tot uitdrukking in de aanleg van kunstmatige ruïnes in landschapstuinen. Een meer recent voorbeeld is het deconstructivisme, dat uitgaat van de verwarring en onzekerheid in de maatschappij en dat in haar ontwerpen tot uiting laat komen. Deze stroming brengt zo de esthetiek van het lelijke, het kapotte naar voren (Van der Woud, 1993). Bekende voorbeelden van het deconstructivisme zijn het Guggenheim museum in Bilbao en het kantoor van de Nationale Nederlanden in Praag (zie afbeelding 2). Afbeelding 1: De Dorische, Ionische en Korinthische zuilenorde Onuitsprekelijke schoonheid Schoonheid ontstaat dus door het toepassen van juiste verhoudingen, vormen en maten. We hebben gezien dat het classicisme strenge harmonieuze architectonische opvattingen had. De begrippen schoonheid, orde en duurzaamheid hadden in de classicistische vormleer dan ook een heldere samenhang en betekenis. Hoewel architecten na verloop van tijd de regels aanpasten en ook niet-klassieke vormen en verhoudingen gebruikten, bleef dit tot in de 19 e eeuw het geval. Hoeveel de romaanse, gotische, barokke en andere stijlen ook van de regels van Vitruvius afweken, toch bleef er voortdurend een samenstel van opvattingen voortleven. Bouwkunst werd steeds opgevat als een instrument van ideologie, een beschavingsideaal. Architectuur werd gezien als een instrument om deze idealen te verwezenlijken. Dat vraagt om regels, om eenheid in de vormgeving, om stijl (Van der Woud, 1993). Schoonheid kwam dus steeds tot uiting door creativiteit binnen de kaders en regels van een stijl. Vanaf het einde van de 18 e kreeg de eeuwenoude beschaving van het classicisme echter met de revolutionaire tegenbeweging te maken: de romantiek. Tegenover de regels, eenheid en stijl van het classicisme kwamen nu andere uitgangspunten te staan: vrijheid Afbeelding 2: Kantoor van de Nationale Nederlanden in Praag, ook wel bekend als het dansende huis De heldere betekenis die het classicisme aan schoonheid, orde en duurzaamheid had gegeven, raakte men dus halverwege de 19 e eeuw kwijt. Daarom werd er geprobeerd een nieuwe, post-classicistische esthetiek te formuleren. Twee begrippen speelden daarbij een belangrijke rol: waarheid en karakter. Waarheid is het principe dat het exterieur van een gebouw overeenstemt met de indeling en functie ervan. Karakter heeft betrekking op de indruk die het gebouw overeenkomstig zijn functie en betekenis op de beschouwer maakt en hoe een architect door vormgeving die gevoelens kan manipuleren. Een gebouw bezat dus schoonheid als het waarheid en karakter had. Deze begrippen gaven de architect veel meer vrijheid, met als gevolg het ontstaan van een nieuwe bouwkunst: een bouwkunst zonder stijl (Van der Woud, 1993).
De romantische architectuuropvatting van de artistieke vrijheid, met waarheid en karakter als hoogste norm, kreeg veel aandacht en navolging. Toch betekende dit niet dat het classicisme had afgedaan. Het bleef als opvatting in andere denkbeelden en andere architectonische vormen voortleven. Omdat de architectuur haar inspiratie niet, zoals andere kunstvormen, uit de natuur haalt, maar uit haar eigen geschiedenis, kwamen principes uit oude bouwstijlen terug en ontstond het neoclassicisme, de neogotiek en later het eclecticisme dat kenmerken van verschillende stijlen combineert. Waar andere kunstrichtingen zich eenzijdig in de romantische traditie hebben ontwikkeld, bleef de architectuur in beide tradities doorgaan. Wat wel fundamenteel veranderde, was de professionele discussie over schoonheid binnen de architectuur. Met het ontbreken van de kaders en regels van een stijl en de vrijheid van de kunstenaar is het niet meer mogelijk om schoonheid te toetsen. Architect P.J.H. Cuypers kon dus nog wel de kritiek krijgen dat je aan zijn Rijksmuseum en Centraal Station te Amsterdam niet kunt zien welk gebouw het station en welke het museum is (waarheid en karakter), maar niet dat zijn ontwerpen niet voldeden aan de regels van stijl of schoonheid. Stromingen als de Nieuwe Zakelijkheid gingen nog een stap verder en waren van mening dat opzettelijk nagestreefde esthetiek overbodig en dus ongewenst is. Ze gingen ervan uit dat schoonheid een inherente eigenschap van een functioneel ontwerp is. Daardoor zagen ze meer in de bouwwetenschap, dan in de bouwkunst en noemden zichzelf a-esthetisch. Niet voor niets is in onze tijd het oude, met betekenissen beladen woord bouwkunst overal vervangen door het lege begrip architectuur dat vrij is van normatieve connotaties (Van der Woud, 1993 p. 5). Hoewel de belangstelling voor esthetiek als reactie op de ingetogenheid van het modernisme weer sterk gegroeid is, heeft dit weinig verandering in de discussie over schoonheid teweeggebracht. Dit betekent niet dat stijlen als het rationalisme, functionalisme, traditionalisme, modernisme, en postmodernisme geen mooie gebouwen voortbrengen, maar wel dat we niet meer kunnen zeggen waarom een gebouw schoonheid heeft. De paradox die Van der Woud al in 1993 verwoordde, is nog steeds actueel: Het hoogst bereikbare is nog altijd een gebouw dat een kunstwerk is, maar er zijn geen woorden meer om de artistieke dimensie in het werk te definiëren en er zijn evenmin begrippen waarmee schoonheid professioneel aan de orde kan worden gesteld. Hedendaagse architectuur heeft een onuitsprekelijke schoonheid (1993 p. 5). Tot slot Schoonheid is voor de een een absolute, objectieve en collectieve kwestie, maar voor de ander een relatieve, subjectieve en individuele aangelegenheid. Daarmee is de klassieke theorie alleen nog maar een mogelijke bron en kan de moderne architectuur niet anders dan vrij en pluriform zijn. Zo zijn we dus terug bij de visie van Van Uytenhaak en is schoonheid een individuele ervaring. Van der Woud: De moderne massacultuur is een beeldcultuur, de woorden mooi en lelijk zijn overal oud en versleten, esthetiek en artisticiteit zijn in alle kunsten metafysische begrippen geworden die te schimmig zijn om zich in woorden te laten vangen (1993, p. 8). Toch ontstaat hier wellicht een te negatief beeld. Hoewel functionele en economische argumenten erg belangrijk zijn en de term stadsschoon zoveel mogelijk wordt vermeden, is schoonheid van de gebouwde omgeving nog steeds enorm belangrijk voor mensen. Door het aanwijzen van beschermde stadsgezichten en monumenten is de laatste decennia getoond dat een samenleving in ieder geval kan bepalen dat bepaalde gebouwen waardevol zijn. Dat er geen overeenstemming bestaat over de vraag of en waarom deze monumenten mooi zijn, is dan misschien niet eens zo erg. Wellicht is het beter om ons niet te veel blind te staren op schoonheid hier op aarde, maar uit te zien naar een hogere schoonheid, zoals Abraham dat deed naar het Hemelse Jeruzalem. Want hij verwachtte de stad, die fundamenten
heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is (Hebreeën 11:10). Literatuur Woud, A. van der (1993). Onuitsprekelijke Schoonheid: Waarheid en karakter in de Nederlandse bouwkunst [Oratie]. Groningen: Historische Uitgeverij. Luiten, A. (2009). Pleidooi voor verdichting in de steden en schoonheid in de architectuur. Vastgoedpersonality, pp. 101-107. Aan de lector zijn de volgende vragen gesteld: 1. Op welke wijze wordt de eenheid tussen bedoelde boodschap en uitvoering in de muziek tot uitdrukking gebracht? 2. Hoe is harmonie terug te horen en te zien in de muziek? Ruimte voor aantekeningen