Master Design Willem de Kooning Academie Competenties en Gedragsindicatoren Competentiegericht onderwijs De Master Design heeft competenties geformuleerd om de vormgeving, sturing en onderbouwing van het leren te waarborgen. Competentiegericht onderwijs kenmerkt zich door een integrale benadering van kennis, vaardigheden en attitude. Een competentie is het vermogen om adequaat te functioneren in de beroepspraktijk. De master is afgestemd op de toekomstige werkpraktijk van studenten, dat een grote mate gericht is op zelfsturing. Deze zelfsturing betekent dat het competentie-onderwijs studentgericht is. In dit onderwijs ligt de nadruk op de integratie van kennis, vaardigheden en attitude (kennen, kunnen en willen). Het accent op de (verdere) professionele (talent)ontwikkeling van studenten resulteert in flexibel onderwijs met diverse mogelijkheden voor de invulling. De beroepspraktijk is dichtbij: de docenten zijn actief in de creatieve veld en ook adviseurs en gastdocenten zijn afkomstig uit de beroepspraktijk. Voorwaarde voor het ontwikkelen van competenties is dat studenten ruimte krijgen om hun eigen ontwikkeling actief te sturen, om zo al aanwezige competenties op een hoger niveau te brengen en nieuwe competenties te ontwikkelen. Toetsing heeft als doel het verwerven van de competenties te ondersteunen. Dus niet alleen toetsing achteraf, maar ook toetsing als richtinggever tijdens het ontwikkelen van competenties. Voor het verwerven van competenties is een krachtige, uitdagende en veeleisende leeromgeving een voorwaarde. Deze leeromgeving wordt gerealiseerd door bij de deeltijdvariant de huidige beroepspraktijk als richtinggevend principe te hanteren. Dit betekent dat de beroepspraktijk waarin de competenties moeten worden aangewend deel uit maakt van de onderwijspraktijk. De beroepsproducten uit die praktijk kunnen worden ingebracht voor zover ze relevant zijn voor het eigen ontwerponderzoek. De resultaten hiervan vloeien vanzelfsprekend terug naar de beroepspraktijk. Deze leeromgeving wordt ook wel een consistente leeromgeving, leren in de gebruikerscontext of authentiek leren genoemd. Bij de voltijdvariant is de gewenste beroepspraktijk het punt aan de horizon vanwaaruit de studie vorgegeven wordt. Daar wordt in het aanbod en het ontwikkelen van het design research zoveel mogelijk op aangestuurd. 1
Dat betekent dat de opleiding, naast het streven naar actualiteit, studenten voorbereidt op het functioneren binnen beroepssituaties die aan veranderingen onderhevig zijn. Studenten leren probleemoplossend handelen, ook wanneer problemen nieuw voor hen zijn, of bij problemen die niet opgelost kunnen worden met bestaande kennis. Het kan gaan om nieuwe problemen, om nieuwe kennis, die nog ontwikkeld moet worden en om nieuwe contexten waarin bestaande kennis op een andere manier moet worden ingezet. Hierbij werkt de beroepsbeoefenaar van nu niet mono-, maar multi- en transdisciplinair. De vereiste leeromgeving voor competentiegericht onderwijs staat niet op zichzelf. Diverse experts zijn bij de opleiding betrokken. Dit kan bijvoorbeeld door asssessoren van buiten de opleiding mee te laten beoordelen, door de begeleiding over te laten aan sterke professionals uit het veld en door lectoren vraagstukken te laten inbrengen vanuit verschillende gebieden. De student komt tot eigen regie en zelfsturing naar aanleiding van het programma, dat uitdaagt de eigen grenzen te verleggen en de comfort zone te verlaten. Dit betekent het volgende voor de inrichting en opzet van de masteropleiding: De actuele beroepspraktijk (dt) is leidend. De beoordelingscriteria zijn gebaseerd op de competenties en op de kernwaarden van de opleiding Het leren speelt zich af in interactie met de sociale en culturele context van de master en de groep en wordt ingegeven door de onderzoeksvragen. Bij aanvang van de studie worden door middel van een nulassessment mogelijke deficiënties en eerder verworven competenties vastgesteld. Studenten stellen een startportfolio samen met daarin een beschrijving van het niveau ten opzichte van de eindcompetenties, functiebeschrijving en reflectie op het eigen functioneren. De studenten leggen een researchblog aan waarin de onderzoeksvoortgang zichtbaar is. Een team van docenten evalueert aan het einde van ieder tijdvak de voortgang aan de hand van de beoordelingscriteria. De student heeft een zelfstandige rol in het leerproces (zelfsturing). De begeleiding is afgestemd op de behoefte van de student. Kennissturing zit vooral aan het begin van de opleiding. Er is een diversiteit aan werkvormen. 2
De toetsing van competenties vindt integraal plaats, waarbij de resultaten in de opleiding en de ontwikkeling in de eigen praktijk of werkomgeving beiden meewegen (competentie-assessment). Studenten leren van elkaar via intervisie, interdisciplinaire samenwerking, peer- en groepscoaching. De ontwerper op masterniveau De Master Design kent meerdere dimensies waarbinnen het eigen design research en de verdieping van het ondernemerschap zich afspelen. Het masterniveau kenmerkt zich door de complexiteit van de (zelfgestelde) opdracht, de daaruit voortkomende onderzoeksvragen en de manier waarop het design research wordt uitgevoerd. Het masterniveau blijkt ook uit de diverse en soms tegengestelde belangen waar de masterstudent mee om moet gaan bij de (zelfgestelde) opdracht. Dat komt terug in de manier waarop de student aanvullende expertise zoekt in interdisciplinaire samenwerking met andere creatieven èn met specialisten uit andere (wetenschappelijke) domeinen. Verdieping en verbreding van kennis en vaardigheden vinden plaats op bekend en onbekend terrein. De masterstudent kenmerkt zich door zijn zelfstandigheid en de manier waarop hij zijn onderzoeksvragen verdiept en relevantie geeft. Iedere onderzoeksvraag brengt een complexe context met zich mee. Deze context vraagt om een open blik op de mogelijke onderzoekslijnen die een onderzoeksvraag herbergt. In het managen van deze complexiteit koppelt de masterstudent nieuwe kennisgebieden aan zijn ontwerpvaardigheden. Mede hierdoor zal hij af kunnen wijken van gebaande paden. De verdiepingsslag die de masterstudent maakt in het eigen werkveld ligt in het dragen van eindverantwoordelijkheid. Dit betekent zelfstandig beslissingen nemen en in een leidinggevende rol samenwerking vormgeven en sturen. De uitkomsten van het onderzoek (het eindproduct en de publicatie) worden getoond op een breed internationaal podium. De masterstudent begeeft zich in een discours met professionals binnen en buiten de discipline, en mogelijk in een brede maatschappelijke setting. Het netwerk van de student verbreedt en verdiept zich hierdoor, alsmede de connectiviteit met andere (cultuur)maatschappelijke velden. Al deze kwalificaties op masterniveau zijn door vertaald in de gedragsindicatoren van de Master Design. 3
Gedragsindicatoren In lijn met de ontwikkelingen op het vakgebied en in samenspraak met het beroepsveld onderscheidt de Master Design de volgende competenties en gedragsindicatoren. Deze zijn afgeleid van de landelijk vastgestelde competenties. Via het onderwijsaanbod, de ontwikkeling van eigen design research, opdrachten (deliverables) en zelfsturing zal de student de eindcompetenties verwerven en/of aanscherpen. De gedragsindicatoren beschrijven het gedrag en de taken die dat aantonen. De eindcomptenties worden in twee competenties-assessments getoetst (na het eerste en na het tweede jaar) Competenties Master Design C1. Creërend Vermogen De ontwerper kan zelfstandig innovatief, onderscheidend en imaginatief ontwerp realiseren en positioneren in een markt. Gedragsindicatoren Master Design Gedragsindicatoren creërend vermogen 1.1 De ontwerper vertaalt complexe ontwerp- en onderzoeksvragen naar een onderscheidend en innovatief ontwerp; 1.2 De ontwerper ziet kansen vertaalt dit naar ontwerp voor de bijbehorende gebruikers. 1.3 De ontwerper beschikt over een helikopterview waarmee onderzoek naar producten, communicatie, processen en diensten vertaald kan worden naar een betekenisvol ontwerp. 1.4 De ontwerper veroorzaakt via het ontwerp (zintuiglijke) ervaringen. 4
C2. Onderzoekend Vermogen De ontwerper kan relevante onderwerpen en vragen herkennen, analyseren en positioneren, ter zake doende onderzoeksvragen formuleren en onderzoeksmethoden ontwikkelen en gebruiken. C3. Innoverend vermogen De ontwerper kan zijn werk en werkwijze blijvend ontwikkelen, verdiepen en innoveren en daarmee veranderingen tot stand brengen in het vakgebied en de maatschappij. C4. Organiserend vermogen De ontwerper kan complexe projecten in samenwerking met meerdere disciplines opzetten, ontwerpen en aansturen. Gedragsindicatoren onderzoekend vermogen 2.1 De ontwerper onderzoekt om te ontwerpen, en/of onderzoekt door middel van ontwerp en/of doet onderzoek naar ontwerp. 2.2 De ontwerper kent (recente, theoretische) inzichten binnen (wetenschappelijke) disciplines en onderzoeksdomeinen en kan deze door vertalen naar een ontwerp; 2.3 De ontwerper formuleert een onderzoeksvraag, bepaalt de strategie voor een design research, doet (methodisch) onderzoek en vertaalt uitkomsten naar een ontwerp; Gedragsindicatoren innoverend vermogen 3.1 De ontwerper draagt bij aan nieuwe ontwikkelingen binnen vakgebied en maatschappij; 3.2 De ontwerper ontwikkelt, ontwerpt en genereert veranderprocessen (mede) en kan de bedrijfs- of instellingsstrategie hier (mede) op afstemmen; Gedragsindicatoren organiserend vermogen 4.1 De ontwerper draagt zorg voor onderlinge afstemming tussen deelnemende disciplines; 4.2 De ontwerper plant en budgetteert met oog voor de inhoud; 4.3 De ontwerper herkent veranderende rollen in het beroepsdomein, maakt zich dit eigen en 5
vormt ze mede; 4.4 De ontwerper ontwikkelt en realiseert relevante nieuwe verdienmodellen; 4.5 De ontwerper herkent de wereld als een geheel met verbonden delen, en verhoudt zich tot de mogelijkheden daarbinnen te handelen. C5. Communicatief vermogen De ontwerper kan visie, onderzoek, concept en ontwerp overtuigend delen met en presenteren aan experts en betrokkenen binnen en buiten het vakgebied. C6. Omgevingsgerichtheid De ontwerper kan de grotere context waarin zijn werk(wijze) en onderzoek zich bevinden kritisch beschouwen en veranderen. Gedragsindicatoren communicatief vermogen 5.1 De ontwerper publiceert met inachtneming van een theoretisch en methodisch kader over onderzoeksproces, uitkomsten en ontwerp; 5.2 De ontwerper kan onderzoeksproces en ontwerp overleggen met en uitleggen aan relevante gebruikers; 5.3 De ontwerper reflecteert in de researchblog, in gesprekken en presentaties op het ontwerp-onderzoeksproces en ontwerp. Gedragsindicatoren omgevingsgerichtheid 6.1 De ontwerper verhoudt zich tot de actualiteit van beroep en maatschappij; 6.2 De ontwerper ontwikkelt via het ontwerp relevante oplossingen of openbaar debat over deze actualiteit; 6.3 De ontwerper beschikt over inlevingsvermogen in de positie van opdrachtgevers, gebruikers en publiek. 6.4 De ontwerper neemt een ethisch standpunt in 6
binnen het eigen ontwerponderzoek. C7. Vermogen tot samenwerken De ontwerper zoekt en initieert relevante samenwerkingen om ontwerp te realiseren. Gedragsindicatoren vermogen tot samenwerken 7.1 De ontwerper kan andere disciplines betrekken en aansturen ten behoeve van product- en projectontwikkeling; 7.2 De ontwerper werkt multi-, inter- of transdisciplinair in een (in)formele omgeving aan een ontwerp; 7.3 De ontwerpers beschikt over empatisch vermogen en toont dat in het leiden van en samenwerken met gebruikers en partners. 7.4 De ontwerper ontwikkelt co-design trajecten en neemt gereflecteerd de maatschappelijke, sociale en culturele achtergrond van de partners in acht. Hij ontwikkelt communicatie en werkt online (internationaal) samen; 7