fig Verschillende proteoglycanen

Vergelijkbare documenten
Diagnostiek aan de schoudergordel. Model orthopedische geneeskunde ( James Cyriax) (Dos winkel)

Skillslab handleiding

Inleiding. Anatomie. Humerus

Luxaties van schouder elleboog en vingers. Compagnonscursus 2012

Skillslab handleiding

SNT KLINISCHE TESTS. Dia 1 / 64

Kennis Quiz. SNN congres 2015


Rotator cuff impingement. Beate Dejaco-Lanz Sportfysiotherapeute MSc Orthopedisch manueel therapeute Sport Medisch Centrum Papendal

Schouderletsels (Dr. W.J. Willems, Orthopedisch chirurg, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam)

Schouderpathologie voorde huisarts

Lichamelijk onderzoek

REVALIDATIESCHEMA SCHOUDER

Update schouderpathologie 2013

De schouder. Dirk van Oostveen Orthopaedisch chirurg. Jeroen Bosch Ziekenhuis Orthopedie en Traumatologie s-hertogenbosch

Sport-Fysiotherapie R. de Vries en Medische Trainings Therapie

De schouder. Anatomie De schouder bestaat uit 3 botstukken: - het schouderblad met de schouderkom - de bovenarm met schouderkop - het sleutelbeen

Beroepsopdracht van Çagdas Mutlu & Monique Frederiks Hogeschool van Amsterdam ASHP, opleiding fysiotherapie Inhoudsopgave

Verdiepingsmodule. Vaardigheid schouderonderzoek. Schoudersklachten: Vaardigheid schouderonderzoek. 1. Toelichting. 2. Doel, doelgroep en tijdsduur

Impingement van de schouder

M. supraspinatus. Origo: Insertio: Innervatie: Functie: Fossa supraspinata. Tuberculum maius. N. suprascapularis. Abductie arm

Gesloten vragen Functionele Anatomie II

Wat zorgt voor de stabiliteit? Instabiliteit ontstaat wanneer er iets mis met het actieve of passieve systeem.

Postacademiale cursus: SCHOUDER COMBI. Najaar 2018, blok 4, Gerard Koel.

Versus Tijdschrift voor Fysiotherapie,19e jrg 2001, no.6 (pp )

6. Van welk deel van de wervelkolom is de vertebra prominens een onderdeel? 7. Hoe wordt de binnenste laag van het gewrichtskapsel genoemd?

Schouderproblemen te boven Rotator Cuff Laesies. R Corveleijn Orthopedisch Chirurg

Bewegingsapparaat schouder glenohumeraal Pagina 1 van 5

Injectietechnieken bovenste ledematen. Philippe Van Elsen 30/03/2018

Disclosure belangen spreker: Gerard Koel

FYSIOTHERAPIE en het behandelen van patiënten met SCHOUDERKLACHTEN.

De antwoorden op de opdrachten E-Learning VAN WIT EN ZWART. Opdracht 1. A = M. tensor fasciae lata B = lig. capitis femoris

Orthopedie Arthroscopische subacromiale decompressie van de schouder (Neerplastiek)

Glenohumerale instabiliteit Auteur: Dr. J.D. Stenvers Onderwijscentrum NSA Groningen

SAMENVATTING. Schouder pijn na een beroerte.

Tweede bijeenkomst 2011 van het Schouder Netwerk Twente. 6 December 2011, Saxion Hogeschool Enschede.

H Stabilisatie van de schouder

Bewegingsleer Deel I De bovenste extremiteit

OEFENTHERAPIE ALS CONSERVATIEVE BEHANDELING BIJ SCHOUDERINSTABILITEIT.

Injecties in en rondom grote gewrichten. Bas Knobben Orthopedisch chirurg

Syllabus Scopiecursus 3: arthroscopie en dissectie schouder

De primaire frozen shoulder Stenvers, Jan Derek

Opbouw: De cursus is opgebouwd uit presentaties en twee hands on sessies. De presentaties behandelen:

Sport Specifieke Blessure Begeleiding

Revalidatie Schouder na een labrum reconstructie.

1. Welke structuur verbindt trochanter minor met de linea aspera? Linea pectinea

Nascholing Traumachirurgie 2015 Workshop Onderzoek van de pols en hand. Donderdag 22 januari 2015

De Pijnlijke Pols Het Onderzoek van de Pols

Palpatie. De pijnlijke schouder: Klinisch onderzoek en infiltraties. Inspectie v. d. Schouder. Passieve R.O.M. Horizontale Adductie

Syllabus NVA Arthroscopiecursus 3: Schouder. Basiscursus arthroscopie van de schouder

Cervicale wervelkolom vs. schouderklachten. Dr. T. De Vroey Fysische geneeskunde en revalidatie 20 oktober 2018

Hoofdstuk 6. De Fysiotherapeutische behandeling bij de primaire frozen shoulder

Bijlage I. Bijlage I Functieonderzoek van de pols

4.3 Schouderletsel. Specifiek lichamelijk onderzoek. Specifieke anamnese

Schouderklachten. Schouderinstabiliteit

Lieven De Wilde, MD, PhD Alexander Van Tongel, MD Department of Orthopedic Surgery Gent University Hospital

Schouder instabiliteit

Open Neerprocedure. Schouder. Fysiotherapie. Locatie Hoorn/Enkhuizen

Afdeling Handchirurgie

NVAB Richtlijn Klachten aan Arm, Nek of Schouder. Werk en KANS Hoge School Leiden. Dr. Leo. A.M. Elders

Registratie-richtlijnen D001 WERKGERELATEERDE AANDOENINGEN VAN DE BOVENSTE EXTREMITEIT

FYSIOTHERAPIE en het behandelen van patiënten met SCHOUDERKLACHTEN.

Schouderinstabiliteit

Patiënteninformatie. Na de schouderoperatie Na de schouderoperatie.indd 1

Cuff hechten kleine en grote scheur

UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN LEUVEN

Protocol 1 Scopische subacromiale decompressie

Arthroscopie van bovenste lidmaat: Therapeutische mogelijkheden. Dr. Ruben Jacobs H.Hartziekenhuis Lier

de schouder Hoofdstuk 7 M.J. van der Veen en A.C. de Jongh 76 hoofdstuk 7

PATIËNTENFOLDER ORTHOPEDIE. Schouder impingement. (Inklemming schouder)

Glenohumerale instabiliteit Auteur: Dr. J.D. Stenvers Onderwijscentrum NSA Groningen

Scopische Neerprocedure. Schouder. Fysiotherapie. Locatie Hoorn/Enkhuizen

Schouderdecompressie

Aanpak van acute knieletsels in de eerste lijn. Dr. Bex Steven Huisarts/sportarts KSTVV Lotto-Belisol

Orthopedie. Neerplastiek. Operatieve acromionplastiek volgens Neer

De casus is bedoeld voor medisch studenten in de doctoraalfase van de opleiding.

Schouderdecompressie en/of behandeling cuff ruptuur

Anatomie. Hier volgen 50 opgaven. Bij elke opgave zijn drie antwoorden gegeven. Slechts één van deze antwoorden is het goede.

Schouderprothese. Orthopedie. Oorzaken van de klachten. Artrose. Reuma. Fracturen. Onherstelbare rotator cuff-scheuren. Anatomie van de schouder

Syllabus Scopiecursus 3: arthroscopie en dissectie schouder

Behandeling van een onstabiele schouder. Orthopedie

Heup, knie en schouder : wat als alles begint te kraken? Bie Velghe Medische Beeldvorming Zaterdag 21 september 2013

Verdiepingsmodule. Eerst anatomie kennen, dan injecteren. Eerst anatomie kennen, dan injecteren. 1. Toelichting. 2. Doel, doelgroep en tijdsduur

Postacademiale cursus SCH combi. Door Gerard Koel, Blok 9, 2014, Saxion Hogeschool Enschede.

Howest Departement Hiepso FROZEN SHOULDER, ROTATOR CUFF RUPTUUR, EN SCHOUDERPROTHESE: Tille Vanrobaeys EEN BLIK OP DE BEHANDELING

Arthroscopische Stabilisatie (Bankart herstel)

Post-Op braces S t a b i l i s e r e n e n i m m o b i l i s e r e n p r o d u c t i n f o r m a t i e

Tentamen Structuur en functie van cel en weefsel (Vakcode 8W210) van uur

Helder en transparant aan de patiënt en aan de mede- en vervolgbehandelaars, de oorzaak en gevolgen van de aandoening en de keuzemogelijkheden van

Schouder impingement. Opdracht stage: schouder impingement. Diagnosen geassocieerd met impingementsyndroom:

Anatomie van de heup. j 1.1

Het op eenduidige wijze uitvoering geven aan de postklinische fysiotherapeutische behandeling na stabilisatie van de schouder volgens Latarjet.

Arthroscopische subacromiale decompressie van de schouder (Neerplastiek) Inleiding

Samenvatting en Beantwoording van de vragen. Frankrijk, in 1985, is een nieuw tijdperk ontstaan voor de behandeling van patiënten met een

De Schouder. Schouderartroscopie en de rotator-cuff. Artrose en breuken. Eenmalige of recidiverende luxatie. Schouder artroscopie.

POSTKLINISCH FYSIOTHERAPEUTISCH REVALIDATIEPROTOCOL NA OPEN/ARHTROSCOPISCH HECHTEN CUFFRUPTUUR SCHOUDER, GROOT

Rotator cuff scheur. De meeste scheuren treden op in de supraspinatus maar andere delen van de pees kunnen ook zijn aangedaan.

Bankart Repair. Orthopedie. Stabilisatie van de schouder. Schoudergewricht

Transcriptie:

fig. 1.16 Verschillende proteoglycanen Proteoglycanen stabiliseren in belangrijke mate het collagene bindweefsel door de negatieve sulfaatgroepen die zich binden aan de positief geladen collagene vezels ( fig. 1.16). Een afname van het gehalte aan proteoglycanen betekent dan ook dat het collagene bindweefsel minder stabiel wordt en eenvoudiger is te verlengen, met andere woorden, het wordt fysisch slapper (fig.1.17) ( 20,21,22). De treksterkte van gezond collageen bindweefsel van bijvoorbeeld gewrichtskapsel, ligamenten en pezen is bijzonder groot: gemiddeld 1000 kg/cm². Noyes (28) onderzocht veranderingen in de eigenschappen van de voorste kruisband bij apen die gedurende 8 weken in een full cast waren geïmmobiliseerd. De treksterkte bedroeg nog maar 61% van de normaalwaarde en de compliance ( rekbaarheid) bleek te zijn toegenomen met 40%. fig. 1.17 De onderste curve vertoont verminderde treksterkte van collageen bindweefsel na immobilisatie, vergeleken met normaal bindweefsel (bovenste curve) (20).

Lig. coracohumerale(lch) Het lig. coracohumerale heeft zijn oorsprong aan het laterale aspect van de processus coracoideus en verloopt naar de rotator cuff interval, de ruimte die begrensd wordt door de m.supraspinatus en de m. subscapularis ( fig.4.2)(6,7,8) Meerdere studies wijzen op het belang van het op spanning komen van dit ligament tijdens exorotatie van de schouder. Omgekeerd is bekend van patiënten met een frozen shoulder dat dit ligament vrijwel altijd een rol speelt bij de beperkte exorotatie van het gewricht (10,11,12). Lig. glenohumerale superius(lghs) Dit ligament, evenals de ligg. glenohumerale medium en inferius, ligt aan de binnenzijde van het gewrichtskapsel en is daardoor goed te zien tijdens een artroscopie vanuit een dorsale portal ( fig.4. 1). De oorsprong van dit ligament is gelegen aan het anterosuperiore labrum, net anterior van de bicepspees, en verloopt vervolgens naar de fovea capitis, net boven het tuberculum minus. Het ligament blijkt geen grote bijdrage te leveren aan de gewrichtsstabiliteit (13). fig.4.2 CHL: lig. coracohumerale Lig. glenohumerale medium(lghm) Rockwood et al. (3) geven aan dat dit ligament in ongeveer 27% van het door hen onderzochte materiaal ontbrak. Indien aanwezig, ontspringt het ligament van het anteriore labrum, direkt caudaal van het LGHS en hecht aan aan het tuberculum minus. Het ligament levert een bescheiden bijdrage aan de gewrichtsstabiliteit bij een naar anterior gerichte translatie van de humeruskop. Lig. glenohumerale inferius (LGHI) Dit deel van het kapsuloligamentaire systeem levert zonder twijfel de belangrijkste bijdrage aan stabiliteit. Het is een groot ligament dat meestal wordt verdeeld in twee delen: lig.ghi pars anterior en lig. GHI pars psoterior; ook worden vaak begrippen gebruikt als anterior -en posterior wall, of superior band voor het voorste deel van dit ligament (14,15).Het ligament strekt zich uit tussen het antero-inferiore labrum enerzijds en het collum anatomicum anderzijds, waardoor het op een hangmat lijkt bij de geabduceerde arm ( fig.4.3). Hiermee wordt ook gedeeltelijk de functie aangegeven: bij een 90 geabduceerde armpositie voorkomt dit ligament dat de humeruskop, onder invloed van de zwaartekracht, zou kunnen afglijden naar caudaal. Bovendien is het ligament in bepaalde schouderposities een primaire bewegingsremmer. Bij een schoudergewricht in de late cocking position, 90 abductie met extensie en maximale exorotatie, wordt luxatie naar anterior voorkomen door het pars anterior van het LGHI. Bij werpsporters met een anteriore instabiliteit is dan ook meestal dit deel van het ligament beschadigd, veelal begeleid met een labrumscheur; hier spreekt men van een Bankart letsel. Indien alle anteriore ligamentaire structuren aanwezig zijn, ziet men meestal een opening tussen het LGHS en LGHM : het foramen van Weitbrecht. Ook tussen het LGHM en LGHI kan een opening aanwezig zijn, het foramen van Rouviere (17).

fig. 4.13 Kopnecrose fig. 4.14 Delta prothese Impingement van de schouder De term Impingement ( inklemming ) is 1972 geïntroduceerd door de orthopeed Charles Neer (74). Hij gaf daarmee aan dat subacromiale structuren kunnen inklemmen onder het schouderdak, waardoor onder andere peesbeschadiging en/ of bursitis kan onstaan. Het is echter de Engelse orthopeed Cyriax die reeds in 1947 het fenomeen van subacromiale inklemming beschreef, maar dan spreekt van a painful arc of movement, waarmee hij aangeeft waar in de aangedane subacromiale structuur het letsel zich bevindt, namelijk altijd in dat deel dat tijdens elevatie onder het schouderdak door moet bewegen. Het is naar de mening van Cyriax dan ook geen syndroom, maar een localizing sign (31). Bij het schoudergewricht worden drie verschillende vormen van impingement beschreven: - subacromiale impingement - internal impingement (75,76) - anterosuperiore impingement (77) Subacromiale impingement Onder het subacromiale impingement symptoom verstaat men een kortdurende inklemming van weke delen tussen schouderkop en schouderdak tijdens de elevatiebeweging van de schouder. Het schouderdak, fornix humeri, wordt gevormd door het acromion, de extremitas acromialis claviculae, het acromioclaviculaire gewricht, het lig. coracoacromiale en de processus coracoideus. Tezamen vormen deze elementen de supraspinatustunnel ( fig. 4.15) De ruimte tussen schouderkop en schouderdak bedraagt bij een normale anatomie circa 6-16 millimeter, afhankelijk van de schouderpositie( 78,79,80,81,82,83,84,85). Tussen 0- en 90 abductie neemt de ruimte af tot ongeveer 5-7 millimeter, om daarna weer toe te nemen. Dit verklaart de kortstondige inklemming van de weke delen, het klinische symptoom painful arc.in een MRI gecontroleerd onderzoek bij gezonde proefpersonen, vonden Roberts et al. dat de insertie van de rotator cuff het dichtst bij het anteroinferiore deel van het acromion kwam tijdens de Hawkins test, waarbij de bovenarm in 90 anteversie tot eindstandig wordt geëndoroteerd (79 ).De klinisch belangrijkste structuren die kunnen inklemmen zijn de m. supraspinatus, m.infraspinatus en de bursa fig. 4.15 Supraspinatustunnel

fig. 5.47 Opbouw van het laterale ligament complex van de elleboog. Dit ligamentcomplex dient de elleboog vooral te stabiliseren tegen posterolateraal gerichte krachten. Letsel van met het lig. collaterale ulnare laterale is verantwoordelijk voor een PLRI. Dit kan ontstaan na een distorsie of een dislocatie van de elleboog waarbij de elleboog sterk wordt gesupineerd. Dat komt ook tot uiting tijdens het klinisch onderzoek: de patiënt beschrijft pijn lateral in de elleboog indien men supinatie uitvoert bij een submaximale extensiestand van het gewricht. Dit is eenvoudig te demonstreren met de pivot shift test ( fig. 5.48 en fig. 5.49)( 97). fig. 5.48 Het mechanisme van de pivot shift test.indien bij de submaximaal geëxtendeerde elleboog supinatie wordt uitgevoerd en gelijktijdig axiale druk wordt gegeven zal het caput radii langs het capitellum humeri luxeren. fig. 5.49 Uitvoering van de pivot shift test ( O Driscoll)(98)

fig. 5.54 Froment test. N. radialis neuropathie De n. interosseus posterior (PIN) is klinisch de belangrijkste tak die kan worden gecomprimeerd. Deze tak loopt direct onder de arcus van Frohse, een fibreus blad over het proximale deel van de m. supinator ( fig. 5.56). fig. 5.56 Arcade van Frohse is een fibrous blad over het proximale deel van de m. supinator waar de PIN direct onderdoor loopt. Hypertrofie van de m. supinator kan compressie van de PIN veroorzaken.

Gewricht Radiale keten Centrale keten Ulnaire keten Palmairflexie radiocarpaal Ra-Sc: 39 Ra-Lu: 42 TFCC-Tri: 46 midcarpaal TTC-Sc: 47 Ca-Lu: 37 Ha-Tri: 34 Dorsaalflexie radiocarpaal Ra-Sc: 58 Ra-Lu: 32 TFCC-Tri: 26,5 midcarpaal TTC-Sc: 28 Ca-Lu: 46 Ha-Tri: 37 Tabel 6.1 Verdeling van de individuele carpale mobiliteit naar Camus et al.( 15) gemeten tijdens aktieve beweging van het polsgewricht. Ra=radius, Sc=- scaphoïdeum, TTC= trapezium/trapezoïdeum complex, Lu=lunatum, Ca= capitatum, TFCC= triangulair fibro cartilaginair complex, Tri= triquetrum, Ha= hamatum. Indien de uitkomsten van Camus et al. worden getransponeerd naar het Carpal Link model, dan volgt daaruit: Palmairflexie: in de radiale keten wordt de meeste beweging uitgevoerd in het midcarpale gewricht, terwijl voor diezelfde beweging in de centrale- en ulnaire keten juist in het radiocarpale gewricht de mobiliteit hetn grootst is. Dorsaalflexie: in de radiale keten wordt de meeste beweging uitgevoerd in het radiocarpale gewricht, terwijl voor diezelfde beweging in de centrale- en ulnaire keten juist in het midcarpale gewricht het meest wordt bewogen. Indien nu rekening wordt gehouden met de vorm van de gewrichtsvlakken, convex of concaaf, kunnen de mobilisaties op correcte wijze worden uitgevoerd ( fig.6.43 6.45).