ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 5 RONDKOMEN ANTWOORDEN HOOFDSTUK 5 TOETS 1 RONDKOMEN 1 Prioriteiten stellen. 2 B 3 2,55 + 2,80 = 5,35 4 52 27 : 12 + 95 : 2 + 40,50 : 3 + 25 = 203. 5 A 3; B 4; C 2; D 1. 6 C 7 720 + 315 + 285 + 180 = 1.500; 180 : 1.500 100 = 12%. 8 13.700 2.000 = 11.700 : 24 = 487,50. 9 Zij moest interen op haar spaargeld, want haar uitgaven ( 1.250) zijn hoger dan haar budgetten samen ( 250 + 350 + 400 + 150 = 1.150). 10 D 11 Tekort in april: 565 150 = 415. 12 Saldo overschotten eind april: 1.340 415 = 925. 13 D 14 825 175 200 325 100 = 25. 15 60 25 = 35. 16 D 17 Hij kan nu ook thuis internet (en andere toepassingen) gebruiken. 18 36 162,50 5.000 = 850. 19 Het budget voor haar vaste lasten en het spaarbedrag. 20 2.000 + 7% van 10.000 = 2.700 : 12 = 225. 21 D 22 Kleine kinderen. 23 1 en 2. 24 1 b; 2 c; 3 d; 4 a. TOETS 2 RONDKOMEN 1 D 2 D 3 Deze goederen worden maar één keer gebruikt. 4 5,15 + 4,60 = 9,75. 5 1, 3 en 5. 6 D 7 1.800 300 450 600 180 = 270 : 1.800 100 = 15%. 8 480 210 = 270 : 45 = 6 maanden. 9 530 110 300 45 45 75 = 45: Hij teert 45 in. 10 Totaal budgetten: 1.025; totaal uitgaven: 865; 1.025 865 = 160. 11 Er zijn ook maanden dat de werkelijke uitgaven hoger zijn dan de budgetten. 12 D 13 A 14 Bijv. besparingen dalen met 200 150 = 50; bezuinigen op de budgetten: 250 50 = 200. 15 Ze bezuinigt 70 op de persoonlijke uitgaven en spaart 50 minder. Ze moet nog 250 50 70 = 130 bezuinigen. Het budget voor de incidentele uitgaven wordt: 275 130 = 145. 16 B 17 36 300 9.000 = 1.800. 18 750 + 60 = 810. 19 250 35 = 215.
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 5 RONDKOMEN 20 B 21 D 22 Studie kinderen. 23 A 24 1 d; 2 a; 3 b; 4 c.
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 6 DE AMBTENAAR ANTWOORDEN HOOFDSTUK 6 TOETS 1 DE AMBTENAAR 1 1, 4, 5, 7, 8. 2 B 3 54 52 : 12 = 234 194,40 = 39,60. 4 B 5 B 6 B 7 Bijv. de zorg voor het milieu kost geld, tijd en moeite en veel bedrijven en consumenten hebben dat er niet voor over. 8 In 2003: 5.500 68 = 374.000; in 2007: 5.225 56 = 292.600; daling in procenten: 374.000 292.600 = 81.400 : 374.000 100 = 22%. 9 a 3; b 5; c 1; d 2; e 4. 10 A 11 1.800 : 100 25 = 450. 12 615 + 246 120 = 741. 13 D 14 B 15 Aantal inwoners met een baan: 240 + 2.400 + 9.360 = 12.000; in de particuliere sector werkt: 9.360 : 12.000 100 = 78%. 16 Bijv. de aanleg van een groot parkeerterrein met lage parkeertarieven. 17 C 18 99.000 75.000 = 24.000 : 100 20 = 4.800. 19 Percentage afdracht 2,35% + 31,15% = 33,5%; in euro s per maand: 14.191 : 100 33,5 = 4.753,99 : 12 = 396 (afgerond). 20 3, 4 en 6. 21 C 22 Bijv. de staatsschuld gaat omlaag, hierdoor dalen de uitgaven voor rente en aflossing, en ontstaat er meer ruimte voor andere uitgaven of voor een belastingverlaging. 23 272 miljard 241 miljard = 31 miljard. 24 1.200 miljoen : 100 4,25 = 51 miljoen rente per jaar. TOETS 2 DE AMBTENAAR 1 D 2 90 minuten : 7,5 0,30 = 3,60. 3 20.000 3,50 = 70.000 : 500.000 100 = 14%. 4 D 5 De maatschappelijke kosten gaan omlaag. 6 D 7 Bijv. ze letten meer op hun eigen kosten dan op de maatschappelijke kosten. 8 1.500.000 : 100 15 = 225.000 125.000 = 100.000. 9 A 10 D 11 1.680 : 100 5 = 84. 12 861 + 246 = 1.107. 13 A 14 D 15 240 + 900 = 1.140 inwoners. 16 1, 2 en 5. 17 1 d; 2 b; 3 c; 4 e; 5 a. 18 D
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 6 DE AMBTENAAR 19 21% 6% = 15%; 35 : 100 15 = 5,25. 20 900.000 585.000 260.000 = 55.000 : 100 20 = 11.000. 21 D 22 A 23 230 miljard + 11 miljard = 241 miljard. 24 272 miljard 241 miljard = 31 miljard : 100 3,5 = 1,085 miljard ( 1.085 miljoen).
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 7 DE ARBEIDSMARKT ANTWOORDEN HOOFDSTUK 7 TOETS 1 DE ARBEIDSMARKT 1 C 2 7.400.000 + 94.000 = 7.494.0000 arbeidsplaatsen. 3 30.000 : 2 + 600 = 15.600 inwoners. 4 C 5 A 6 Verborgen werkloosheid. 7 Regionale werkloosheid. 8 C 9 D 10 A 11 B en C 12 A, C, E, G, H 13 B en D 14 D 15 D 16 Er wordt minder gekocht, dan daalt de afzet van bedrijven. De productie daalt, de werkgelegenheid daalt en de werkloosheid stijgt. 17 Plaatje C. 18 Eén dag langer werken en negen dagen korter werken geeft twee vacatures van vier dagen. 19 Vier uur extra bedrijfstijd per dag geeft 4 5 12 = 240 extra uren per week. 240 : 40 = zes medewerkers. 20 3, 1, 2, 4, 5. 21 Een arbeidsovereenkomst. 22 Er moeten avond- en weekenddiensten gedaan worden. 23 Arbeidsvoorwaarden. 24 A TOETS 2 DE ARBEIDSMARKT 1 14 + 2 + 1 = 17 arbeidsplaatsen. 2 D 3 240.000 105.000 32.000 5.000 = 98.000 personen. 4 A 5 C 6 A 7 Bijv. buiten hun regio solliciteren naar een baan. 8 C 9 B 10 D 11 Bijv. hij heeft werkervaring opgedaan. 12 Van de mensen met een handicap heeft 63% geen baan (of 37% wel een baan), terwijl van de mensen zonder handicap 44% geen baan (56% wel een baan heeft). 13 Januari en februari. 14 C 15 De werkgelegenheid daalt, want vrachtvervoerders zullen hun containers liever via een goedkopere haven vervoeren. 16 C 17 De werkloosheid daalt.
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 7 DE ARBEIDSMARKT 18 De bedrijfstijd wordt: 5 + 3 9 + 11 + 8 = 51 uur. Dat is 51 45 = 6 uur extra. 6 10 = 60 uur per week. 19 5, 6, 3, 2, 1, 5 20 C 21 Een flexibel roostersysteem en betaling volgens de horeca-cao. 22 De vakbonden en de werkgeversorganisatie. 23 1.250 : 100 1,5 = 18,75 12 = 225 + 225 : 100 8 = 243. 24 De cao-lonen gelden voor alle chauffeurs.
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 8 HET BUITENLAND ANTWOORDEN HOOFDSTUK 8 TOETS 1 HET BUITENLAND 1 Er ontstaat meer werkgelegenheid. 2 C en D 3 Bij de handel tussen de landen van de eurozone hoeven geen euro s gewisseld te worden. Ook: binnen de EU worden geen invoerrechten geheven. 4 655 35 = 620; 287.000 620 246.000 655 = 16.810.000. 5 B 6 Protectie. 7 1.000 4,10 = 4.100 : 100 14 = 574. 8 De consumenten in de Europese Unie. 9 Bijv. er is weinig industrie. 10 B, D en F 11 Rente: 20 miljoen : 100 5 = 1 miljoen; aflossing: 20 miljoen : 20 = 1 miljoen; bij elkaar: 1 miljoen + 1 miljoen = 2 miljoen. 12 In guarani s 180 miljoen : 12 = 15 miljoen; in euro s 15.000.000 : 1.000 = 15.000 0,015 = 225. 13 A 14 Internationale arbeidsverdeling. 15 Bijv. om de werkgelegenheid in de koperverwerkende bedrijven in eigen land te beschermen. 16 0,64 0,55 = 0,09 1.000 50 = 4.500. 17 C 18 De infrastructuur is veel geschikter voor de export. Ook: de koopkracht van de bevolking is er hoger. 19 1 b; 2 c; 3 a. 20 Een multinational. 21 562 49 = 513. 22 a 3; b 1; c 2. 23 Bijv. een langzame aflossing, een laag rentepercentage. 24 D TOETS 2 HET BUITENLAND 1 C en D 2 De geïmporteerde grondstoffen worden doorgaans in Nederland verwerkt tot eindproducten. 3 Bijv. hij hoeft geen vreemd geld te wisselen bij de bank, want hij kan met euro s betalen. 4 248 mld + 62 mld = 310 mld; 248 mld : 310 mld 100 = 80%. 5 B 6 Vrijhandel. 7 Zij willen de (werkgelegenheid in de) eigen schoenindustrie beschermen. 8 29,75 17,50 = 12,25 : 17,50 100 = 70%. 9 A 10 A, C en F 11 Bijv. de overheid heeft na de betaling van de rente en aflossing te weinig geld voor de import van noodzakelijke producten zoals geneesmiddelen en kapitaalgoederen. 12 3.750 0,023 12 = 1.035. 13 Internationale arbeidsverdeling. 14 D 15 Bijv. als de prijs van het exportproduct daalt. 16 A
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 8 HET BUITENLAND 17 31 miljard : 100 25,1 = 7.781 miljoen. 18 D 19 Bijv. de bedrijven en mensen in Somalië verdienen te weinig om (meer) belasting te betalen. 20 A en C 21 562 285 = 277. 22 1 d; 2 c. 23 6% 2,5% = 3,5%; 20 miljoen : 100 3,5 = 0,7 miljoen. 24 A