Voorbereidings-/achtergrondnotitie over inzet van de Rijkscoördinatieregeling voor het beoogde windmolenpark N33 in de gemeenten Veendam en Menterwolde. Ten behoeve van bestuurlijk overleg 6 januari 2011 Opgesteld door: Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) in overleg met Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) Aan: Participanten in Bestuurlijk overleg van 6 januari 2011 Inleiding/doel Deze notitie gaat over de toepassing van de Rijkscoördinatieregeling (RCR) op het voornemen tot realisatie van een windenergieproject in de gemeenten Veendam en Menterwolde aan beide zijden van de Rijksweg N33 met een omvang van ca. 120 MW (hierna windproject N33). - De notitie beoogt allereerst om inzicht te geven in de werking van RCR voor grootschalige windenergieprojecten. Wij denken dat het voor een goede discussie van belang is dat alle betrokken partijen zich bewust zijn van de verplichtingen, mogelijkheden en procedures die volgen uit de wetsteksten. Paragraaf 1 gaat hier nader op in. - De notitie vervolgt met een korte beschrijving van het initiatief (paragraaf 2) - Daarna wordt kort ingegaan op de visie van het Rijk (paragraaf 3). - De notitie besluit met een nadere uitwerking van het wettelijk kader, het op basis daarvan te doorlopen proces en de terzake mogelijke afspraken, zoals wij die thans voor ogen hebben. Voorafgaand daaraan wordt de vraag opgeworpen of en in hoeverre er bereidheid is om het RCR-proces binnen de grenzen van de wet gezamenlijk te doorlopen en in hoeverre er binnen deze wettelijke kaders (anders dan genoemde) samenwerkingsmogelijkheden zijn te bedenken paragraaf 4). 1. De Rijkscoördinatieregeling De Rijkscoördinatieregeling heeft als voornaamste doel om ruimtelijke procedures en processen voor projecten met een landelijk belang te versnellen door een aantal bevoegdheden op een hoger bestuurlijk niveau (i.c. het Rijk) te leggen. Hieronder gaan wij in op de relevante wettelijke bepalingen en wat dit betekent voor het onderhavige windinitiatief. In artikel 9b, eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 is bepaald dat de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is op windenergieprojecten met een vermogen van tenminste 100 MW. Hieruit volgt dat een (Rijks)inpassingsplan wordt vastgesteld en dat de voorbereiding en bekendmaking daarvan wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten. Het bovenstaande betekent dat de Rijkscoördinatieregeling automatisch (van rechtswege) van toepassing is op windprojecten van 100 MW of groter 1, en dus ook op het onderhavige initiatief voor de realisatie van het windpark N33, zodat voor dit project in beginsel een Rijksinpassingsplan zal worden gemaakt. In het derde lid van artikel 9b is bepaald dat de producent/initiatiefnemer zo spoedig mogelijk een voornemen tot de aanleg van een productie-installatie moet melden bij de minister van EL&I. Dat is gebeurd met een brief van 21 oktober jl. van de initiatiefnemers aan de minister van EL&I 1 Alleen in geval niet te verwachten is dat toepassing van de RCR tot versnelling leidt of daaraan andere aanmerkelijke voordelen verbonden zijn kan de minister van EL&I besluiten om (onderdelen van) de RCR niet toe te passen. Gelet op de doelstelling van de RCR ligt uiterste terughoudendheid bij de toepassing van deze bevoegdheid in de rede. Alleen als met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vooraf kan worden vastgesteld dat inzet van de RCR niet tot versnelling leidt in het bijzonder wanneer de gemeente ten volle bereid is een bestemmingsplanprocedure te doorlopen en nauwelijks maatschappelijk weerstand te verwachten is - kan worden overwogen om (onderdelen van) de RCR niet toe te passen. 1
(bijgevoegd), in reactie waarop de minister van EL&I met een brief van 8 november (bijgevoegd) heeft aangegeven dat de RCR van toepassing is 2. De RCR bestaat uit twee modules: Planologische module: De minister van EL&I is samen met de minister van I&M verantwoordelijk voor het nemen van een ruimtelijk besluit middels het (Rijks)inpassingsplan. Het inpassingsplan komt in de plaats van het bestemmingsplan. De ruimtelijke besluitvorming komt hiermee dus op Rijksniveau te liggen. Uitvoeringsmodule: De voor het project benodigde vergunningen worden door het Rijk gecoördineerd. De betrokken overheden blijven zelf inhoudelijk verantwoordelijk voor het nemen van de besluiten. De minister van EL&I coördineert echter de procedure, wat in het bijzonder inhoudt dat hij de beslistermijnen bepaalt en ook zorgt voor de praktische aspecten (bundeling beroepsmomenten en terinzagelegging etc.). Doel hiervan is het besluitvormingsproces voorafgaande aan de projectrealisatie te versnellen. Indien dat nodig blijkt kan het Rijk overigens wel de beslissingsbevoegdheid van een bestuursorgaan overnemen en zelf een besluit nemen. Net als een bestemmingsplan moet het inpassingsplan voldoen aan het vereiste van goede ruimtelijke ordening. Er moet dus zorgvuldig worden onderzocht of een goede ruimtelijke inpassing mogelijk is. Dit geschiedt onder meer middels een MER-procedure en in nauw overleg met betrokken gemeenten, provincie en (o.m. via inspraak) andere belanghebbenden. In tegenstelling tot een normaal proces betekent toepassing van de RCR echter wel dat weliswaar zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met lokale en regionale belangen en afwegingen, maar dat daarnaast het nationale (ruimtelijke) beleid een zwaar gewicht toekomt. Een en ander neemt niet weg dat het Rijk altijd streeft naar een inpassingsplan dat binnen de doelstellingen van de RCR zoveel mogelijk op maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak kan rekenen. Zie voor nadere informatie over de RCR bijgevoegde informatiesheet. 2. Initiatief voor het windpark N33 en status Zoals gezegd is het project aangemeld met een brief van 21 oktober 2010. Het gaat om een project dat afhankelijk van de nog te kiezen configuratie een totale omvang heeft van ca. 120 MW. Gelet op het feit dat dit initiatief een omvang van meer dan 100 MW heeft is de RCR conform de bepaling van artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998 van toepassing op dit project. Bijgevoegd is een korte omschrijving van het project door de initiatiefnemer. 3. De visie van het Rijk, de Provincie Groningen en de Gemeenten Veendam en Menterwolde in vogelvlucht. A. Rijk Toepassing van windenergie op land is noodzakelijk om de nationale energie- en klimaatdoelstellingen te halen. Met de presentatie van de contouren van de SDE+ 3, stelt het kabinet niet langer concrete doelstellingen per duurzame energietechnologie. De kabinetsdoelstelling voor duurzame bedraagt 14 duurzame energie in 2020 en is daarmee gelijk aan de Nederlandse taakstelling in de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie. Het kabinet kiest ervoor om deze doelstelling met de goedkoopste opties in te vullen. Wind op land behoort samen met grootschalige biomassa-bijstook en groen gas tot de goedkoopste technieken en zal een grote bijdrage aan de realisatie van de doelstelling moeten leveren. Alhoewel het kabinet dus geen concrete wind-doelstelling heeft is een behoorlijke hoeveelheid wind wel nodig om doelstelling te halen. Het is niet onrealistisch om, gegeven het beschikbare budget, daarbij ten minste 6000 MW wind op land in heel Nederland te veronderstellen. 2 Het gaat hier niet om een apart besluit, maar om een bevestiging dat de in de wet vastgelegde regeling van toepassing is. 3 Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (subsidieregeling voor duurzame energie) 2
Daarom kunnen bij het zoeken naar geschikte locaties niet op voorhand bepaalde regio s of provincies buiten beschouwing worden gelaten. Vanzelfsprekend zal daarbij wel rekening moeten worden gehouden met een goede ruimtelijke ordening op nationaal en lokaal niveau. Een gedegen MER is daarbij een belangrijke input. Mede in dit licht is in de Elektriciteitswet bepaald dat de hiervoor toegelichte RCR van toepassing is op windenergieprojecten groter dan 100 MW. Verder heeft het Ministerie van I&M een ambtelijke notitie opgesteld genaamd Concept Ruimtelijk Perspectief Wind op Land. In dit concept dient de ruimtelijke inpassing van grootschalige windenergieprojecten plaats te vinden in tien concentratiegebieden, die daarvoor zeer geschikt zijn. In deze gebieden is in principe voldoende ruimte om grote windparken van meer dan 100 MW per park te situeren. Het gaat om de volgende gebieden: Noordoost Groningen, de Veenkoloniën, het Westen van Friesland, de Kop van Noord-Holland, het IJsselmeer/Markermeer, Flevoland, Regio Rotterdam, Goeree-Overflakkee, West Noord-Brabant en Zeeland. Het totaal van de ruimte in deze concentratiegebieden is in principe voldoende om bovengenoemde 6000 MW in 2020 te realiseren. Het Ruimtelijk Perspectief zal uiteindelijk moeten leiden tot vaststelling van een nationale ruimtelijke visie. Het vormt een bouwsteen voor planologische beleidsvorming en uitwerking op het vlak van duurzame energie en ruimte. Over de uitvoerbaarheid worden verschillende voorstellen voor vervolgstappen gedaan. De provincie Groningen heeft in het verleden aangegeven ruimte te willen scheppen voor minimaal 750 MW wind op land. De locatie voor het windpark N33 is op basis van deze afspraken dus noodzakelijk naast de invulling van windenergie in de zgn. concentratiegebieden. Momenteel wordt ook in het Veenkoloniaal gebied van Drenthe, (concentratiegebied in het kader van het conceptruimtelijk perspectief windenergie) een grootschalig windpark voorbereid. Gezien de ligging van beide parken in elkaars nabijheid is de landschappelijke inpassing van beide parken een gemeente/provinciegrensoverschrijdende aangelegenheid die de nodige aandacht behoeft. 4. Het wettelijk kader, het op basis daarvan te doorlopen proces en de binnen het wettelijk kader te maken/mogelijke afspraken. A. Wettelijk kader Hierboven werd geconstateerd dat de RCR van toepassing is op het onderhavige initiatief. Uit de wet vloeien dan een aantal te doorlopen processtappen voort. Allereerst is het van belang om vast te stellen dat de wet voor het onderhavige grootschalige windinitiatief voorschrijft dat de MER-procedures ten behoeve van het MER-plichtige besluit (vergunning) en het inpassingsplan gecombineerd en gelijktijdig moeten worden doorlopen en ook dat in beginsel één gecombineerd MER wordt gemaakt (zie artikel 7.35, zesde lid van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 14.4b van de Wet milieubeheer). Kortheidshalve wordt het bovenstaande hierna aangeduid met de term combinatieprocedure. In de combinatieprocedure spelen in de praktijk drie partijen een rol: 1) De initiatiefnemer deze zou auteur zijn van het MER als er alleen een besluit-mer voor de vergunning zou worden gemaakt, en is dus auteur van dit deel van het MER. 2) EL&I & I&M deze zouden auteur (en bevoegd gezag) zijn van het MER als er alleen een plan- MER voor het inpassingsplan zou worden gemaakt, en is dus auteur én bevoegd gezag voor dit deel van het MER. 3) Het bevoegd gezag voor de MER-plichtige vergunning deze zou het bevoegd gezag zijn voor de MER-procedure als er alleen een besluit-mer voor de vergunning zou worden gemaakt, en blijft voor dat deel ook bevoegd gezag. B. De (wettelijke) processtappen en de binnen het wettelijk kader mogelijke onderlinge afspraken. Zoals hierboven reeds gesignaleerd hebben de verschillende bestuurlijke lagen (Gemeente, Provincie en Rijk) in de wet neergelegde bevoegdheden en rollen. Tevens bestaat de mogelijkheid om aanvullende afspraken te maken. We benadrukken dat dergelijke afspraken niet in de plaats van de wet kunnen komen en daar vanzelfsprekend ook niet mee in strijd kunnen zijn. Ook indien het onverhoopt niet mogelijk zou 3
zijn om aanvullende afspraken te maken blijft de RCR en het daaruit voortvloeiende proces onverkort van toepassing. Alvorens nader in te gaan op de verschillende processtappen en de mogelijke afspraken is het van belang om allereerst vast te stellen of er bij gemeente en provincie een bereidheid tot samenwerking bestaat. Beslispunt: Voorgesteld wordt dat Rijk, Provincie en Gemeente het hierna beschreven RCR-proces binnen de grenzen van de wet zoveel mogelijk gezamenlijk doorlopen en daarover nadere afspraken (zie hieronder) met elkaar maken. Tevens wordt voorgesteld om de nadere uitwerking van de afspraken (procedure, planning) in een startoverleg op ambtelijk niveau te laten plaats vinden. Organisatorisch zou de samenwerking in de vorm van een stuurgroep met één of meer werkgroepen kunnen worden gegoten. Hieronder worden de verschillende stappen en actoren in de eerste fase van het proces opgesomd. Daarbij wordt vetgedrukt aangegeven waar nadere afspraken tussen de verschillende betrokken partijen gewenst en/of mogelijk zijn. Het is over het algemeen zinvol om af te spreken dat de formele processtappen, zoals kennisgevingen, door één der bevoegde gezagen (bijvoorbeeld het Rijk) mede namens anderen worden gedaan (uiteraard na voorafgaande instemming met de andere bevoegde gezagen). 1. Startnotitie MER voorafgaand aan formele start voorleggen De Startnotitie MER zal in het proces ter inzage worden gelegd en zal ook aan de wettelijk verplichte adviseurs worden voorgelegd (zie de stappen hierna). In die formele adviesronde zal de startnotie ook aan gemeente en provincie worden voorgelegd, maar voorgesteld wordt om voorafgaand aan de start van het formele traject (zie punt 2) een informele commentaarronde te hebben, zodat iedereen zich kan vinden in de startnotitie voorafgaand aan de terinzagelegging. Afspraak 1: Voorgesteld wordt om de startnotitie MER in een informele ronde te laten becommentariëren door provincie en gemeente. 2. (Daadwerkelijke) start proces met mededeling door initiatiefnemer. Het RCR-proces is formeel reeds gestart met de in paragraaf 1 genoemde melding door de initiatiefnemer bij de minister van EL&I. Echter met een mededeling door de initiatiefnemer aan in dat geval B & W van de gemeenten Veendam en Menterwolde 4 van het voornemen om een aanvraag te doen voor een MER-plichtig besluit treden in de wet vastgelegde besluitvormingstermijnen in werking. Daarom is het van belang dat dit startmoment vooraf goed wordt besproken en afgestemd tussen initiatiefnemer, gemeente en provincie. Afspraak 2: Voorgesteld wordt om het startmoment in onderling overleg vast te stellen 5. Dit kan worden gecombineerd met de commentaarronde genoemd onder stap 1. 3. Kennisgeving door bevoegde gezagen B & W is wettelijk verplicht om openbaar kennis te geven van het aan hen gemelde voornemen (Art. 7.27, lid 3 Wm). EL&I is tevens verplicht kennis te geven van haar voornemen een MERplichtig plan voor te bereiden (Art. 7.9 Wm). Omdat de combinatieprocedure van toepassing is moet de gemeentelijke kennisgeving 4 Gelet op het feit dat het transformatorstation deel uitmaakt van de vergunningplichtige installatie en gelet op Bijlage I, onderdeel C, 20.5 van het Besluit omgevingsrecht wordt gedeputeerde staten in plaats van B & W het bevoegd gezag indien het transformatorstation een vermogen van 200 MVA of meer heeft. Wij gaan er in de eerste fase van het proces van uit dat B & W bevoegd gezag zijn. Dit kan mogelijk in een later stadium wijzigen. 5 Dit impliceert niet dat het mogelijk is om geen startmoment vast te stellen. Aangezien de RCR mikt op versnelling van het besluitvormingsproces zal het startmoment ook op redelijk korte termijn moeten worden vastgesteld. 4
gelijktijdig plaatsvinden met de kennisgeving door EL&I van het voornemen om een MERplichtig (inpassings)plan op te stellen 6. Alhoewel niet verplicht ligt het in de combinatieprocedure voor de hand dat één kennisgeving wordt gedaan door of namens de betrokken bevoegde gezagen (B & W, EL&I en I&M). Afspraak 3: Voorgesteld wordt om de kennisgeving door het Rijk (de facto: EL&I), mede namens B &W te doen. 4. Terinzage-legging van stukken (incl. startnotitie MER) en gelegenheid tot kenbaar maken van zienswijzen. In de kennisgeving wordt o.m. vermeld dat stukken openbaar zullen worden gemaakt, dat er gelegenheid wordt geboden zienswijzen naar voren te brengen, welke onafhankelijke instanties om advies wordt gevraagd en dat een passende beoordeling wordt gemaakt. Het gaat hierbij om een combinatie van de eisen die bij de plan-mer- en de uitgebreide besluit-mer-procedure aan de kennisgeving worden gesteld. Alhoewel niet verplicht is het gewenst dat met de kennisgeving een startnotitie MER ter inzage wordt gelegd. Het is zinvol dat de inhoud van deze startnotitie vooraf goed wordt afgestemd (zie processtap 1 hierboven) 7. Afspraak 4: Voorgesteld wordt om de terinzagelegging te laten doen door het Rijk. Daarbij zal de startnotitie MER fysiek op (een aantal) nader te bepalen lokaties ter inzage worden gelegd. 5. Raadpleging van in de wet genoemde adviseurs Het bevoegd gezag raadpleegt de adviseurs en bestuursorganen die bij de voorbereiding van het plan moeten worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau (artikel 7.8 en artikel 7.27, tweede lid, Wm). Het is wettelijk niet verplicht dat het hier om een gezamenlijke raadpleging door het bevoegd gezag voor het besluit (B & W) en het bevoegd gezag voor het plan (EL&I/I&M) gaat, maar het lijkt praktischer dat één bevoegd gezag namens de andere zorg draagt voor raadpleging van alle adviseurs en bestuursorganen 8. De initiatiefnemer heeft hier overigens geen formele rol in. Afspraak 5: Voorgesteld wordt om EL&I, mede namens B & W zorg te laten dragen voor de raadpleging van de in de wet genoemde adviseurs. 6. Organisatie van informatie-avonden Voor het raadplegings- en zienswijzetraject is wettelijk 6 weken uitgetrokken. In die weken zullen ook informatie-avonden worden georganiseerd. Daarbij zullen in ieder geval de initiatiefnemer en EL&I/I&M in informele sfeer zoveel mogelijk informatie over project en proces verstrekken aan iedere belangstellende. Bij de meeste RCR projecten wordt er in de regel een inloopavond georganiseerd waarbij er een infomarkt is. De ervaring is dat dit goed werkt. Graag horen wij of provincie en/of gemeente ook een rol willen spelen in het communicatietraject. Dat hoeft zich natuurlijk niet te beperken tot de hier genoemde informatie-avonden. Hier kunnen later nadere afspraken over worden gemaakt. Wel willen wij benadrukken dat we een dergelijke rol graag zien. Provincie en gemeente staan immers dichter bij de lokale bevolking dan de Rijksoverheid. 7. Vaststellen van een definitieve notitie reikwijdte en detail. In de definitieve notitie reikwijdte en detail zullen de resultaten van de raadpleging worden verwerkt. Alhoewel niet verplicht achten wij het van belang dat we zoveel mogelijk streven naar één door alle partijen gedragen notitie reikwijdte en detail. Het is echter ook mogelijk dat er twee afzonderlijke notities reikwijdte en detail worden opgesteld (voor het besluit-mer-deel 6 Hierboven is reeds aangegeven dat de RCR van toepassing is en dat dit impliceert dat een inpassingsplan moet worden voorbereid. 7 De kennisgeving zelf is wel verplicht, maar in de wet zijn geen vormvereisten opgenomen. 8 Wie de betrokken adviseurs en bestuursorganen zijn, volgt in elk geval uit artikel 3.1.1 Bro en artikel 3.28, eerste lid, Wro. Het zijn in de regel in elk geval alle overheden die een besluit nemen in het kader van het project (gemeenten, provincies, waterschappen, andere ministeries, ProRail), gemeenteraden en provinciale staten, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (wettelijk adviseur), de directeur Regionale Zaken van het ministerie van LNV (wettelijk adviseur), de VROM Inspectie (wettelijk adviseur). Alhoewel niet verplicht wordt ook de commissie MER in dit stadium om advies gevraagd. Op basis van Wm heb je weer andere adviseurs nodig die je i.h.k.v. Wm vergunning moet raadplegen (Nea, adviescommissie provincie, ) 5
door de initiatiefnemer, gehoord het advies van B & W, en voor het plan-mer-deel door EL&I/I&M). In dat geval zullen er dan ook 2 verschillende MER rapporten worden opgesteld. In dit stadium is het nog te vroeg om hier nadere afspraken over te maken. 8. De hiernavolgende stappen betreffen het opstellen van het MER, het ontwerp-inpassingsplan en de ontwerp-vergunning, de ter-inzagelegging van- en inspraak op deze stukken, het advies van de commissie MER en de uiteindelijke besluitvorming. In deze fase is het nog te vroeg om concrete afspraken over inbreng, betrokkenheid en proces te maken. 6
Bijlage: Plangebied windinitiatief N33 7