Thema 6 Activiteit 2 De windman Auteur Ruben Bruneel Coördinatie Yves Bondue en Steef Coorevits beweging - drama / muzisch taalgebruik - beeld - muziek - media 1 x 50' Doelen 1 De kinderen kennen de verschillende (hoofd)windrichtingen N, W, Z en O. 2 De kinderen ervaren dat een diepe buikademhaling zorgt voor een betere controle van de luchtstroom. 3 De kinderen kunnen windklanken maken met hun stem. 4 De kinderen kunnen door middel van experimenteren windklanken bedenken en maken met hun bank. 5 De kinderen kunnen de bewegingen van een windman omzetten in passende windgeluiden (muzikale bouwsteen = dynamiek). 6 De kinderen kunnen met verschillende groepen simultaan een eigen specifiek muzikaal verloop ontwikkelen. Eindtermen en leerplandoelen Leermiddelen Materiaal ET GO! OVSG VVKBaO 2.2 2.2d 2.2h 2.2i 6.1 6.4 Any Way the Wind Blows Windgeluid Klok mondbewegingen bankbewegingen windman Procesevaluatie MV-MUZ-MB-2.1.2 MV-MUZ-SI-2.1 MV-MUZ-SI-3.3 MV-MUZ-MV-18 Schoolbanken en hun inhoud (boeken, pennenzakken, meetlatten ) MUZ-1.1 MUZ-2.1 MUZ-3.1 MV-ALG-01 MV-ALG-13 MV-ALG-14 MV-ALG-19 1
1 Instap Klasgesprek Gericht kijken Any Way the Wind Blows Opwarmen van stem Windgeluid 1.1 Any way the wind blows Vertel de kinderen dat ze zo meteen zullen kijken naar het begin van een Nederlandstalige film. De titel van de film is Any way the wind blows. Vraag hen of ze weten welke taal dit is. (Engels) Vraag of er iemand een woord uit de titel kan vertalen naar het Nederlands. (wind?, blows? ) Een van de personages die ze zullen zien in het fragment noemen ze de windman. Geef hen de opdracht om in het bijzonder op hem te letten. Bekijk nu het fragment. Houd een kort gesprek over het personage van de windman. Stel (open) vragen als: - Wie heeft de windman herkend? - Waarom noemen ze hem de windman? - Wat gebeurt er als de windman voorbij komt? - Hoe zou hij aan die gave zijn gekomen? Leg de kinderen uit dat ze in deze les wind en windgeluiden zullen maken met de stem, hun bank en alles wat erin zit. Ze zullen ook de windman spelen. 1.2 Even op adem komen De kinderen zitten op een stoel aan hun eigen bank en sluiten de ogen. Het geluidsfragment klinkt zacht op de achtergrond. Geef op een rustige toon volgende instructies: - Leg jullie handen op de buik en adem rustig in en uit door je neus. Merk dat je handen lichtjes op en neer gaan. Je buik gaat naar voor en terug. Dit noemen we een buikademhaling. - Adem nu wat steviger in, maar zorg dat het een buikademhaling blijft. Je buik zet nu feller uit. Je merkt dit aan het bewegen van de handen. Deze ademhaling blijven we gebruiken voor de volgende opdrachten. - Adem in met de buik door je neus. Bij het uitademen laat je een lange s-klank horen. Merk op dat bij het sissen je buik langzaam terug kleiner wordt. Als alle lucht op is, adem je opnieuw in met de buik en uit met een s-klank. Doe dit maar een aantal keer. - Adem in met de buik. Bij het uitademen laat je een lange sh-klank horen. Herhaal dit rustig op je eigen tempo. - Adem in met de buik. Bij het uitademen laat je een lange f-klank horen. Vraag nu de kinderen om de ogen te openen. Bij de volgende oefeningen ademen kinderen samen in met de buik en maken samen een klank bij het uitademen. Door je handen te openen (toon open handen) of te sluiten (vuisten maken), maak je duidelijk wanneer de kinderen de klank maken of stoppen. Kinderen blijven de ademhaling controleren door hun handen op hun buik te houden. Geef volgende instructies: - Adem in met de buik. Adem uit op een s-klank. Kijk goed naar mijn handen. Als ik ze sluit, stoppen jullie de s-klank meteen. Als ik ze open, hoor ik opnieuw de s-klank. Laat die maar klinken tot alle lucht op is. - We doen nu dezelfde oefening als daarnet, maar nu zal ik de s-klank een aantal keer onderbreken. Kijk goed naar mijn handen. Adem nu in met de buik. - We doen dezelfde oefening maar met een sh-klank/f-klank. Tip: bij jonge kinderen helpt het om het in- en uitademen met de buik te verwoorden in beelden of concrete handelingen. Bijvoorbeeld: in onze buik zit een ballonnetje dat we langzaam opblazen en weer laten leeg lopen; er zit een gat in onze bal waarlangs de lucht ontsnapt, als we het gaatje toedekken met een vinger stopt het leeglopen. 2
2 Kern Experimenteren met de stem Groepswerk Klok Onderwijsleergesprek 2.1 Op zoek naar de wind In deze fase van experimenteren gebruiken de kinderen hun stem en de bank waaraan ze zitten. Alle bankopstellingen zijn goed. Pas de opdrachten aan in functie van de specifieke schikking van de banken in jouw klas. Windklanken met de stem Laat de kinderen per twee (per bank indien ze met twee aan een bank zitten) op zoek gaan naar zo veel mogelijk windgeluiden die ze kunnen nabootsen met hun stem. Na het experimenteren mag elke groep één geluid laten horen. Probeer zo veel mogelijk verschillende geluiden (van blazen en schuren tot het huilen van de wind) te ontlokken aan de kinderen. Alternatief: elk kind (elke bank) mag één van zijn gevonden geluiden laten horen. Het geluid gaat vervolgens als een windwave doorheen de klas. Bespreek vooraf de route van de wave. Kinderen zitten per vier à zes samen of per rij indien de banken in rijen opgesteld staan. Ze kiezen één bepaalde windklank die ze ononderbroken gedurende 1 minuut moeten laten klinken. Laat hen overleggen hoe ze het zullen aanpakken en geef hen tijd om dit even uit te proberen. Als er geen klok duidelijk aanwezig is in het lokaal, is de projectie van een klok een must. Na het experimenteren laat elke groep zijn minuutje wind horen. Bespreek achteraf het resultaat: - Hoe hebben jullie het aangepakt? - Is deze opdracht geslaagd? - Kwam iedereen aan bod? Bespreek ook het belang van een goede buikademhaling (meer controle over de klank, je kunt de klank langer aanhouden). Volgende opdracht doen we met de volledige klasgroep. Een kind start met een opgegeven windgeluid (bv. een sh-klank). Een tweede komt erbij. Daarna een derde en zo verder tot de hele klas hetzelfde geluid maakt. De wind groeit in klank sterkte. Leid deze oefening door als een soort dirigent de kinderen aan te wijzen. Vervolgens laat je de wind afnemen in sterkte door één voor één de kinderen te laten ophouden. Bespreek deze oefening: - Was het lastig? - Kun je iets vertellen over de sterkte van het geluid? Onderstreep opnieuw het belang van een goede ademhaling (te oppervlakkig en te snel willen ademen veroorzaakt draaierigheid). Herhaal deze oefening met een andere klank. Probeer of deze oefening ook lukt zonder dirigent of wanneer een kind de oefening leidt. Een windtabel Met onze stem kunnen we allerlei windgeluiden nabootsen. Bekijk de windtabel met mondgeluiden. Boots deze geluiden na. Daarna mogen de kinderen een eigen variant verzinnen. Overleg en kom tot vijf geluiden die passen bij elke gradatie. windstil zwakke wind matige wind krachtige wind storm zwijgen blazen met mond in oe-stand f-klank, afwisselend zacht en iets harder uitademen met sh-klank en bewegen van lippen afwisselen van krachtige s-, f-, sh-klanken 3
Experimenteren met bank Wat doet de wind met onze bank Wind veroorzaakt veel soorten van geluid en lawaai. Denk maar aan het ritselen van bladeren, beuken van de golven tegen de zeedijk of het afknakken van takken. Laat kinderen verwoorden welke geluiden de wind zoal kan teweegbrengen. Vertel de kinderen dat we in deze tweede fase van experimenteren op zoek gaan naar geluiden die ontstaan door de wind. Om die geluiden na te bootsen gebruiken we ditmaal niet onze stem, maar onze bank. De kinderen mogen in hun zoektocht gebruikmaken van de bank zelf maar ook wat erin zit of op ligt (een boek, een blad, een pennenzak, een lat). Demonstreer enkele geluiden en toon ook de windtabel met bankgeluiden (ruisen van wind door gras = wrijven over de bank; klapperen van een vensterraam = lat laten trillen op rand van bank; neerploffende tak = bank dicht klappen). Geef nu volgende instructie: per twee (per bank) gaan jullie op zoek naar geluiden die passen bij onze vijf gradaties uit de windtabel. Na het experimenteren laat elke groep zijn vijf geluiden horen. Anderen kunnen eventueel het geluid dat wordt nagebootst raden. Belangrijk is vooral de variatie en de gradatie tussen de geluiden. windstil zwakke wind matige wind krachtige wind storm (niets doen) wrijven over bank wapperen met blad schudden met pennenzak dichtslaan van bank 2.2 De windman Vertel de kinderen dat het nu tijd is om de windman te leren kennen. Onderwijsleergesprek Kennismaking met de windman Toon de windtabel met de reeds ingevulde pictogrammen. Dit zijn tekeningen van de windman. Bespreek de tabel: - Wie kan iets vertellen over de windman? (met armbewegingen kan hij het laten waaien) - Als de windman het wil laten stormen, wat doet hij dan? (hij houdt zijn armen hoog in de lucht) - Hoe kan de windman de wind laten ophouden? (zijn armen naar beneden houden) - Wat gebeurt er als de windman heel langzaam zijn armen in de lucht brengt? (dan neemt de wind geleidelijk aan toe) - Welke geluiden moeten we maken als de windman zijn armen gestrekt houdt? (f-klanken afwisselen tussen zacht en iets harder en ook wapperen met een blad) 4
Meerstemmig musiceren 3 Afsluiter Beschouwen Muziek maken Procesevaluatie Spelen met de wind Elk kind zit aan zijn bank. Zorg dat elk kind alle geluiden kan maken. De windman staat vooraan de klas en is goed zichtbaar voor iedereen. De eigen windtabel (projectie) is eveneens goed zichtbaar voor elk kind. Aan de hand van volgende oefeningen exploreer je de mogelijkheden van de windman. - De leerkracht is de windman. De kinderen maken windgeluiden met de stem. De kinderen beantwoorden de bewegingen van de windman met de gepaste windgeluiden. Geef de kinderen voldoende tijd om gepast te reageren. Verhoog geleidelijk het tempo van verandering in bewegingen. - De leerkracht is de windman. De kinderen maken windgeluiden met hun bank. De kinderen beantwoorden de bewegingen van de windman met de gepaste geluiden. - Verdeel de klas in twee groepen. De ene groep maakt windgeluiden met de stem, de andere groep maakt windgeluiden met de bank. De leerkracht is de windman, de kinderen reageren op de bewegingen. - De klas blijft verdeeld in twee groepen. De ene groep maakt geluiden met de stem en reageert op de rechterarm van de windman, de andere groep met geluiden met de bank en reageert op de linkerarm van de windman. Leerkracht is de windman en maakt nu met zijn beide armen verschillende bewegingen. - Dezelfde oefening maar nu maken beide groepen ofwel windgeluiden met hun stem ofwel windgeluiden met hun bank. - Een kind is de windman. De andere kinderen reageren ofwel met de stem ofwel met de bank. Het kind maakt met beide armen dezelfde beweging. - Er zijn twee windmannen. Verdeel de groep in twee. De ene groep reageert op de ene windman met de stem. De andere groep reageert op de andere windman met instrumenten. - Er zijn twee windmannen en vier groepen. Groep 1 en 2 reageren op windman 1. Groep 1 maakt windgeluiden met de stem. Groep 2 maakt windgeluiden met de bank. Groep 3 en 4 reageren op windman 2. Groep 3 met windgeluiden met de stem. Groep 4 maakt windgeluiden met de bank. 3.1 Presentatie Een of twee windmannen? Twee of vier groepen? Stem of bank? Maak een ke en ga voor de ultieme windervaring. 3.2 Even reflecteren Om het proces van deze activiteit te evalueren kunnen de kinderen het windmannetje inkleuren (zie procesevaluatie): groen als ze iets heel goed kunnen, blauw als het al aardig lukt en rood als ze er nog wat aan moeten werken. 5