Leiden Bio Science Park en station
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 5 Inleiding 5 1.1 Aanleiding 5 1.2 Begrenzing plangebied 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan 5 Hoofdstuk 2 Beschrijving van het bestemmingsplan 7 2.1 Inventarisatie van het plangebied 7 2.2 Actualisatie 9 2.3 Ontwikkelingen 10 2.4 Doel van het bestemmingsplan 16 Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 17 3.1 Europees en nationaal beleid 17 3.2 Provinciaal en regionaal beleid 18 3.3 Gemeentelijk beleid 20 Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 23 4.1 Archeologie 23 4.2 Cultuurhistorie 25 4.3 Ecologie 31 4.4 Kabels en leidingen 35 4.5 Milieuaspecten 35 4.6 Milieueffectrapportage 48 4.7 Verkeer en vervoer 49 4.8 Water 53 Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 61 5.1 Inleiding 61 5.2 Opzet en volgorde van de regels 61 5.3 Uitleg van de regels 62 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 71 6.1 Economische uitvoerbaarheid 71 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 71 2
Bijlagen 72 Bijlage 1 Lijst van bedrijven 73 Bijlage 2 Quick scan Flora en Fauna 81 Regels 93 Hoofdstuk 1 Inleidende regels 94 Artikel 1 Begrippen 94 Artikel 2 Wijze van meten 101 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 103 Artikel 3 Agrarisch 103 Artikel 4 Bedrijf 1 104 Artikel 5 Bedrijf 2 106 Artikel 6 Bedrijf 3 108 Artikel 7 Gemengd 110 Artikel 8 Groen 113 Artikel 9 Horeca 115 Artikel 10 Kantoor 116 Artikel 11 Maatschappelijk 1 117 Artikel 12 Maatschappelijk 2 119 Artikel 13 Maatschappelijk 3 121 Artikel 14 Sport 123 Artikel 15 Verkeer 125 Artikel 16 Verkeer - Railverkeer 127 Artikel 17 Verkeer - Snelweg 128 Artikel 18 Water 129 Artikel 19 Wonen 130 Artikel 20 Waarde - Archeologie 3 135 Artikel 21 Waarde - Archeologie 5 137 Artikel 22 Waarde - Archeologie 6 139 Artikel 23 Waarde - Cultuurhistorie 141 Artikel 24 Wro-zone - wijzigingsgebied 142 Hoofdstuk 3 Algemene regels 143 Artikel 25 Antidubbeltelregel 143 Artikel 26 Algemene bouwregels 144 Artikel 27 Algemene afwijkingsregels 145 Artikel 28 Overige regels 146 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 3 147
Artikel 29 Overgangsrecht 147 Artikel 30 Slotregel 148 Bijlagen 149 Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten 1 151 Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten 2 155 Bijlage 3 Staat van bedrijfsactiviteiten 3 159 4
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 Inleiding Aanleiding De gemeente Leiden streeft voor het gehele gemeentelijke grondgebied naar actuele bestemmingsplannen. Het doel van de nieuwe digitale bestemmingsplannen is om een adequate, up-to-date juridische regeling voor de stad te garanderen. Tegelijkertijd wordt aangesloten op de landelijk verplichting tot het vaststellen en beschikbaar stellen van uniforme digitale bestemmingsplannen. Voor het plangebied 'Leiden Bio Science Park en station' vigeren verschillende bestemmingsplannen. Het huidige bestemmingsplan 'Leeuwenhoek - Station 92' geldt op dit moment voor het grootste deel van het plangebied. Dit bestemmingsplan is ouder dan tien jaar en daardoor niet meer up-to-date. Om te voldoen aan de plicht tot actualisering dient voor dit plangebied een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Dit nieuwe bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. Dit houdt in dat in principe geen nieuwe ontwikkelingen worden meegenomen. Zowel voor het Bio Science Park als het Stationsgebied zijn ambitieuze stedenbouwkundige plannen vastgesteld. De komende jaren zullen deze plangebieden dan ook op de schop gaan. Dit bestemmingsplan zal genoemde ontwikkelingen niet mogelijk maken: dit plan is uitsluitend bedoeld om de bestaande (planologische) situatie vast te leggen. Dat houdt ook in dat voor (delen van) het plangebied de komende tien jaar nog afzonderlijke bestemmingsplannen gemaakt zullen worden om de nieuwe, gewenste, ontwikkelingen mogelijk te maken. 1.2 Begrenzing plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat uit het gebied ruwweg begrensd door de snelweg A44, de Wassenaarseweg, de Albinusdreef, de Sandifortdreef, het Stationsplein en de Plesmanlaan. 1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, vigeren op dit moment de volgende bestemmingsplannen: Naam bestemmingsplan Vastgesteld Goedkeuring Onherroepelijk Leeuwenhoek Station 92 29-06-1993 22-02-1995 09-10-1995 Boerhaave-Sylvius 18-02-2010 nvt 11-05-2010 Daarnaast is op 30 juni 2003 door B en W een uitwerkingsplan voor een deel van het plangebied vastgesteld: het 'Uitwerkingsplan Sandifortdreef'. Dit uitwerkingsplan maakt onder 5
andere de bouw van het O&O-gebouw mogelijk. 6
Hoofdstuk 2 2.1 Beschrijving van het bestemmingsplan Inventarisatie van het plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan beslaat ruwweg het gebied gelegen tussen de autosnelweg A44, de Wassenaarseweg, de Albinusdreef, de Sandifortdreef, het Stationsplein en de Plesmanlaan. Dit plangebied kan in een aantal deelgebieden opgeknipt worden: Snelliuslocatie Dit betreft een locatie in de oksel van de A44 met de Wassenaarseweg. Dit gebied is thans in gebruik door de universiteit. De Wassenaarseweg is onder de A44 doorgetrokken naar Oegstgeest om een tweede ontsluiting van Nieuw Rhijngeest-Zuid mogelijk te maken. Deze nieuwe ontsluiting wordt meegenomen in dit plan. Voor de bebouwing van de universiteit wordt een maatschappelijke bestemming opgenomen. Gorlaeusgebied Deze locatie ligt ten oosten van de Snelliuslocatie tussen de Wassenaarseweg en de Einsteinweg. Deze locatie is in gebruik door de universiteit. Op dit moment is de bouw van de nieuwe Beta-campus hier in uitvoering. Deze wordt meegenomen in dit nieuwe bestemmingsplan via een maatschappelijke bestemming. Ook de Leidse Instrumentmakers School (LIS) maakt deel uit van dit deelgebied en wordt positief bestemd. Universitair Sportcentrum (USC) (Nieuw) Naast het Gorlaeusgebied, tussen de Wassenaarseweg en de Einsteinweg in, liggen de nieuwe universitaire sportvelden. Deze zijn nu opgenomen in bestemmingsplan Boerhaave-Sylvius. Deze velden worden positief bestemd, inclusief de gevoerde Wabo-procedure voor een tijdelijke kleedruimte annex kantine. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor uitbreiding van gebouwde sportfaciliteiten. Sylviusgebied Het Sylviusgebied is thans opgenomen in het bestemmingsplan Boerhaave-Sylvius. Voor dit gebied geldt een bedrijfsbestemming waarbij Life Science gerelateerde bedrijven de hoofdmoot vormen. Dit gebied is op dit moment in ontwikkeling, zo is de nieuwbouw van Astellas net opgeleverd. Dit gebied wordt opgenomen conform het vigerende bestemmingsplan Boerhaave-Sylvius, waarbij gebruik wordt gemaakt van een nieuwe gestandaardiseerde bedrijfsbestemming. Het Sylviusgebouw van de Universiteit Leiden heeft tevens een bestemming maatschappelijk vanwege de onderwijsfunctie van dit gebouw. Hogeschool en TNO Deze locatie wordt gebruikt door de Hogeschool Leiden en TNO. Ook zijn in dit gebied de afgelopen jaren 500 nieuwe studentenwoningen opgeleverd. Al deze functies worden positief bestemd. 7
Boerhaavegebied Tussen de Wassenaarseweg, de Albinusdreef en de Sandifortdreef ligt het Boerhaavegebied. Dit gebied bestaat voor een groot deel nog uit de oude universiteitsgebouwen in een campusachtige omgeving. Daarnaast bevindt het Gortergebouw van TNO zich in dit deelgebied. Deze gebouwen hebben thans een gemengde bestemming met onder andere een woonfunctie. Deze gemengde functies zijn ook opgenomen in dit plan. Het Boerhaavegebied moet een autoluwe campus worden. In dit bestemmingsplan is dan ook opgenomen dat met uitzondering van parkeerplaatsen voor mindervaliden er geen parkeerplaatsen in dit gebied zijn toegestaan. Aan de randen van het gebied is ruimte voor 281 parkeerplaatsen: 60 voor TNO/Gorter, 221 voor de Universiteitsgebouwen. LUMC en omgeving Tussen Sandifortdreef, Albinusdreef, Plesmanlaan en Darwinweg bevindt zich het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en de medische faculteit (O&O-gebouw) met bijbehorende gebouwen en instellingen zoals een parkeergarage en de bloedbank. Deze worden allen positief bestemd. Leeuwenhoekpark Ten noorden en zuiden van de Sandifortdreef, tussen het LUMC, de Plesmanlaan en de Darwinweg ligt het Leeuwenhoekpark. Het Leeuwenhoekpark is een belangrijke groenvoorziening in het plangebied. In de toekomst zal de groene functie van dit gebied nog belangrijker worden: het zal de verbinding worden tussen het Singelpark en het Bos van Bosman. Hiertoe wordt ook een brede groenstrook vanaf de Sandifortdreef richting de Wassenaarseweg in het plan opgenomen. In het bestaande groengebied zijn ook het Pesthuis, thans in gebruik door museum Naturalis, De Stal, thans in gebruik als horeca en Stichting De Valk aanwezig. Deze worden allen positief bestemd. Aan de Plesmanlaan ligt het voormalige gebouw van de ambulancedienst. In dit plan wordt de bestaande bestemming van het pand overgenomen binnen een groenbestemming. Hiermee wordt het gewenste (groene) eindgebruik alvast mogelijk gemaakt. Leeuwenhoek Ten westen van het Leeuwenhoekpark ligt het oude Bio Science Park: de Leeuwenhoek. Dit gebied heeft in het voorgaand bestemmingsplan een specifieke bestemming gekregen waarin ruimte is voor kennisintensieve, innovatieve bedrijvigheid in een aantal geselecteerde sectoren waaronder Life Sciences en ruimtevaart. Deze bestemming is naar de huidige systematiek omgebouwd tot een bedrijfsbestemming. Binnen dit deelgebied bevinden zich ook enkele afwijkende functies die apart benoemd worden. Naast deze hoofdbestemming bevinden zich in dit deel van het plangebied nog enkele afwijkende functies waaronder bijvoorbeeld het museum Naturalis. Deze afwijkende functies worden mogelijk gemaakt door middel van een specifieke bestemming of aanduiding. Nieuwbouw van Naturalis zal niet worden meegenomen, deze plannen zijn nog onvoldoende concreet op dit moment. 8
Universitair Sportcentrum (USC) (oud) Ten noorden van de Plesmanlaan, tussen de Ehrenfestweg en de A44, ligt het oude universitaire sportcentrum. Dit is deels nog in gebruik en zal, in afwachting van nieuwe plannen voor het Entreegebied en de Kop van de Leeuwenhoek, bestemd worden als sportterrein conform het huidige bestemmingsplan. Aansluitend op het oude USC is Janssen Biologics gevestigd. Dit bestaande Life Sciencebedrijf wordt positief bestemd. Stationsgebied Aan de oostzijde van het spoor bestrijkt het plangebied een deel van het stationsgebied inclusief het stationsgebouw van Leiden Centraal. Dit station wordt positief bestemd waarbij nadrukkelijk de huidige openbare doorgang van de stadszijde naar de zeezijde via de stationshal blijft gehandhaafd. Voor een goed functioneren van het station als verbinding tussen deze twee stadsdelen is een openbaar toegankelijke doorgang zonder obstakels noodzakelijk. Aan de noordzijde van het station bevindt zich het kantoorgebouw van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Dit gebouw wordt positief bestemd. De autotunnel onder het Stationsplein wordt ook positief bestemd, ook de gebouwde fietsenstalling en taxistandplaats zijn in de regels opgenomen. Aan de zuidzijde van het station bevindt zich het busstation en de zogenaamde Trafolocatie. Het busstation alsmede de daaraan gelegen gebouwen worden positief bestemd. De Trafolocatie is thans onbebouwd. Hoewel het bestemmingsplan Leeuwenhoek Station 92 via een uitwerkingsbevoegdheid ruime bouwmogelijkheden heeft opgenomen voor deze locaties (busstation en Trafolocatie) zal in dit bestemmingsplan een bestemming Verkeer aan deze gronden worden gegeven. De reden hiervoor is dat de bestaande bouwmogelijkheden niet meer aansluiten bij de stedenbouwkundige plannen voor dit gebied. Aan de andere kant is de ontwikkeling van deze kavels thans nog niet voldoende uitgewerkt om direct op te nemen in dit bestemmingsplan. Wel dient duidelijk gesteld te worden dat de Trrafolocatie en de busstationlocatie binnen de looptijd van dit bestemmingsplan bebouwd zullen gaan worden conform de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Kaderbesluit Stationsgebied. Daarvoor zal dan te zijner tijd een aparte procedure doorlopen worden. 2.2 Actualisatie Binnen de gemeente Leiden worden globaal twee typen bestemmingsplannen onderscheiden: actualisatieplannen en ontwikkelingsplannen. Actualisatieplannen worden veelal opgesteld voor een groter plangebied, bijvoorbeeld een wijk of stadsdeel. Het doel van een actualisatieplan is vooral het conserveren van de bestaande situatie. Hiertoe wordt de bestaande planologische situatie in een actueel juridisch kader gegoten. Bij een actualisatieplan wordt met een up-to-date juridisch raamwerk de bestaande situatie zo goed mogelijk vastgelegd. Hiermee wordt voor belanghebbenden en helder beeld gegeven wat planologisch wel en niet is toegestaan. Hierbij vinden geen (grote) wijzigingen plaats in de planologische situatie. De actualisatie van bestemmingsplannen is een landelijke verplichting. Dit levert voor het Leiden Bio Science Park de lastige situatie op dat er enerzijds ambitieuze 9
stedenbouwkundige plannen zijn, anderzijds dat het huidige plangebied binnen korte tijd geactualiseerd moet worden. Dit bestemmingsplan 'Leiden Bio Science Park en station' is een conserverend bestemmingsplan. Dat wil zeggen dat de huidige planologische situatie wordt vastgelegd en er geen ruimte wordt geboden voor nieuwe grote ontwikkelingen. In de loop van de afgelopen jaren hebben zich in het plangebied wel ontwikkelingen voorgedaan die in strijd zijn met het op dat moment vigerende bestemmingsplan. Deze ontwikkelingen worden natuurlijk wel meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Op deze manier biedt het bestemmingsplan ook echt een actueel juridische kader. Omdat de regels voor het opstellen van een bestemmingsplan in de tussentijd wel zijn gewijzgd zullen in dit bestemmingsplan andere termen en begrippen genoemd worden dan in de voorgaande plannen. Hiermee wordt niet alleen voldaan aan de landelijke plicht, ook kan op die manier het brancheringsbeleid voor het LBSP op een goede manier verankerd worden in het bestemmingsplan. 2.3 Ontwikkelingen 2.3.1 Algemeen 'Leiden Bio Science Park en station' is een conserverend bestemmingsplan. Dat betekent dat nieuwe ontwikkelingen niet worden meegenomen maar dat de huidige planologische situatie opnieuw wordt vastgelegd. Zo ontstaat een actueel ruimtelijk kader voor de bestaande planologische situatie. Reeds ontwikkelde plannen (bijvoorbeeld mogelijk gemaakt via een artikel 19-procedure of ontwikkelingsbestemmingsplan) worden wel meegenomen. Toch zijn er wel degelijk ontwikkelingen in dit plangebied die de komende jaren ook concretere vormen gaan aannemen. Deze ontwikkelingen worden in de rest van deze paragraaf besproken. 2.3.2 Ontwikkelingen Leeuwenhoek Ontwikkeling van de Leeuwenhoek in de afgelopen 30 jaar De Leeuwenhoek is een gebied dat de afgelopen jaren een enorme ontwikkeling heeft doorgemaakt en nog steeds doormaakt. Oorspronkelijk was het onbebouwde gebied voorzien als woongebied. Op 4 april 1984 werd echter niet de eerste paal geslagen voor een woning, maar werd het 'Academisch Bedrijven Centrum (ABC)' opgericht. In 1985 waren drie bedrijven in het park gevestigd, in 2009 waren dat er al ruim 70. In dit jaar werd het park ook uitgeroepen tot 'beste bestaande bedrijvenpark'. Dit vanwege de clustering op één locatie van onderwijs- en onderzoeksinstituten en de life sciences bedrijven die zich specialiseren in onderzoek, ontwikkeling en productie van medicijnen. Een kroon op het werk van de vele bedrijven, de Universiteit Leiden, andere kennisinstellingen op het park, het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en de gemeenten Leiden en Oegstgeest op wier grondgebied het inmiddels Leiden Bio Science park (LBSP) gedoopte gebied gelegen is. Zij kregen daarbij steun van de provincie Zuid-Holland en het ministerie van Economische Zaken. Het Leiden Bio Science Park is inmiddels het grootste life sciences kenniscluster in Nederland. Het park is toonaangevend in Europa. Binnen Nederland hoort Leiden Bio Science 10
Park tot de zes scienceparken van nationaal belang. Op het Leiden Bio Science Park zijn op dit moment meer dan honderd organisaties waarvan zo'n 70 bedrijven gevestigd. Vrijwel zonder uitzondering zijn dit bedrijven in de biomedische sector. Ze variëren in grootte van eenmansadviesbureautjes tot productielocaties met bijna 1.200 werknemers. Eén van de krachten van het park is het bijna altijd strikt gehanteerde toelatingsbeleid voor bedrijven. Dit strenge toelatingsbeleid heeft er voor gezorgd dat het park na bijna 30 jaar internationaal toonaangevend is. De samenwerking tussen de Universiteit Leiden, het LUMC, de andere onderwijsinstellingen, de bedrijven en de gemeenten maakt het park uniek. Daarnaast zijn de resultaten die worden geboekt op het gebied van onderzoek en medicijnontwikkeling enorm belangrijk voor onze samenleving. Het park heeft hierdoor grote maatschappelijke betekenis. Met de komst van de bijzondere NeCEN nanomicroscoop valt op gebied van onderzoek nog veel te verwachten. In het Leiden Bio Science Park werken overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven optimaal samen. Het is daarmee een mooi voorbeeld van de zogenaamde Triple Helix formule. De samenwerking ondersteunt de ontwikkeling van het Leiden Bio Science Park tot een dynamisch en succesvol kenniscluster met winstgevende bedrijven en continue groei. Nationale en internationale uitwisseling van kennis staat hierbij centraal. Bijvoorbeeld via de warme band die de gemeente Leiden heeft met het Engelse Oxford, een van de oudste stedenbanden ter wereld. Ook voor het LUMC, dat zich nadrukkelijk richt op medische vernieuwing, is internationale kennisuitwisseling vanzelfsprekend. Op verschillende niveaus zijn er samenwerkingsverbanden gevormd die elkaar kruisbestuiven. Zo hebben het LUMC, het Erasmus MC en de universiteiten van Delft, Rotterdam en Leiden zich verenigd in Medical Delta. De gemeenten Leiden, Rotterdam en Delft en de provincie Zuid-Holland zijn de officiële partners. Op internationaal niveau opereert Health TIES. Het bundelt de krachten van Leiden, Rotterdam en Delft met die van toonaangevende Europese universiteiten en science parken, zoals die van Oxford, Zurich, Barcelona en Debrecen. Voorbeelden van Leidse ontdekkingen en onderzoek zijn: Stier Herman, de eerste genetisch gemodificeerde stier ter wereld. Zijn nakomelingen produceren nieuwe geneesmiddelen in hun melk. Factor-V Leiden, een aangeboren en erfelijke bloedstollingsziekte, ontdekt in het LUMC. Remicade, een medicijn van Centocor tegen reumatische arthritis en verschillende andere auto-immuunziekten. Quinvaxem, het eerste volledig vloeibare vaccin ter wereld tegen vijf belangrijke kinderziekten: difterie, tetanus, kinkhoest, hepatitis B en HiB, ontwikkeld door Crucell. Het biotech bedrijf Prosensa en het LUMC doen onderzoek naar de behandeling van de ziekte Duchenne spierdystrofie. OctoPlus ontwikkelt een medicijn Locteron tegen chronische hepatitis C. DNAge ontwikkelt een medicijn tegen ouderdomsziekten als het Cockayne Syndroom. Op het Leiden Bio Science Park zijn onder andere gevestigd: Apotex, Janssen Biologics, Crucell, Galapagos, Genencor, OctoPlus, TNO, Pharming, Top Instituut Pharma en een uitgebreid cluster van serviceverlenende bedrijven. In de incubators zijn circa 30 startende life science bedrijven gehuisvest. Enkele kenmerken van het park: 11
Het park beslaat 120 hectare. Dit is bijna net zo groot als de binnenstad van Leiden. In het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) werken ongeveer 7.000 werknemers. De kennisinstellingen bieden werk aan ongeveer 2.000 werknemers (Universiteit Leiden, Hogeschool Leiden, MLO, LIS, TNO en Top Instituut Pharma). Bij de ruim 70 life science bedrijven werken ongeveer 3.100 werknemers. Op het park volgen 13.500 studenten een opleiding, waarvan 5.900 studenten zich richten op life science gerelateerde studies. Op het park zijn twee 'incubator' gebouwen van het BioPartner Center Leiden bestemd voor startende ondernemers in de life sciences. Het Accelerator gebouw is bestemd voor bedrijven in de jong-volwassen fase. Het park kent twee grote publiektrekkers: museum Naturalis met 260.000 bezoekers en Corpus met 230.000 bezoekers per jaar. De plannen van de universiteit en de gemeenten Leiden en Oegstgeest bieden uitbreidingsmogelijkheden aan bedrijven die gerelateerd zijn aan de life sciences en voor stedelijke voorzieningen. Het park wordt op die manier geschikt gemaakt om te werken, te wonen en te recreëren. In dit bestemmingsplan is de keuze gemaakt om het strenge brancheringsbeleid, aangepast aan de huidige tijd, voort te blijven zetten. Dit is de meest geëigende vorm om de sterke punten van het park te bewaren en het park verder te blijven ontwikkelen. Stedenbouwkundig masterplan Om ook in de toekomst het park zowel kwalitatief als kwantitatief te blijven versterken is in mei 2009 door de raad het 'Stedenbouwkundig Masterplan De Hollandse Campus' (RV 09.0083) vastgesteld. De raad heeft hiermee ook ingestemd met de bijbehorende exploitatieovereenkomst met de universiteit. Hoofddoelstelling is de ambitie om het Leiden Bio Science Park te laten doorgroeien tot een park dat wereldwijd toonaangevend is. Voor de doorontwikkeling van het Leiden Bio Science Park staan voorts drie doelen centraal: het behoud en de versterken van het kenniscluster in Leiden door meer ruimte te creëren voor kennisintensieve bedrijvigheid; het ontwerpen en realiseren van een hoogwaardig stedelijk gebied met functiemenging, een goede wegeninfrastructuur, openbaar vervoer, groen en water; het clusteren en moderniseren van de universitaire huisvesting. Deze doelen worden middels de exploitatieovereenkomst en het stedenbouwkundig masterplan bereikt door: toename van het oppervlak life-science-bedrijven en wonen + stedelijke voorzieningen van respectievelijk 200.000 m2 en 170.000 m2 bruto vloeroppervlak; reconstructie van wegen, groen en water conform het stedenbouwkundig masterplan; concentratie van universitaire gebouwen in het O+O gebouw (gerealiseerd in 2006) en in het deelgebied Gorlaeus. Het stedenbouwkundig masterplan is een plan op hoofdlijnen dat in de toekomst op onderdelen nog nader uitgewerkt zal worden ten behoeve van de op te stellen bestemmingsplannen en uitvoeringsplannen. Het masterplan kent een hoge bebouwingsdichtheid en anticipeert op infrastructurele aanpassingen. Belangrijke uitgangspunten voor het stedenbouwkundig masterplan zijn het masterplan Knoop 12
Leiden West, de landschappelijke onderlegger en de gewenste functiemenging. Deze hebben geresulteerd in een stedenbouwkundig masterplan met een samenhangende visie op de openbare ruimte en de bebouwing. Door herstructurering van de universitaire gronden en infrastructuur is het mogelijk om meer ruimte te creëren voor kennisintensieve bedrijvigheid. In totaal ontstaat ruimte voor circa 200.000 m2 nieuwe Life Science bedrijvigheid en 170.000 m2 wonen en stedelijke voorzieningen. De gewenste functiemenging moet er voor zorgen dat het gebied een integraal onderdeel wordt van de stad, een gebied waar voor de Leidenaar iets te beleven is, ook op tijden dat er niet gewerkt wordt. Gedacht wordt aan sportvoorzieningen, aantrekkelijke, groene en sociaal veilige verbindingen voor wandelaars en fietsers, horeca, een hotel/congrescentrum en woningen. Een menging met wonen is op enkele plekken mogelijk met voldoende afstand tot de Life Science bedrijvigheid. De universiteit heeft in 2006 al haar geneeskundefaculteit kunnen onderbrengen in het O+O gebouw van het LUMC waardoor het deelgebied Boerhaave vrijkomt voor onder meer woningbouw en studentenhuisvesting. Door het masterplan krijgt de universiteit ruimte om haar 'beta-cluster' verder uit te bouwen en te moderniseren in het deelgebied Gorlaeus. Op dit moment kent het gebied tussen A44 en station weinig samenhang en een onduidelijke structuur. Om meer samenhang en kwaliteit in het gebied te brengen en om het gebied een meer publiek karakter te geven is de inrichting van de openbare ruimte cruciaal. Als beeldmerk voor het Bio Science Park is gekozen voor de "Hollandse Campus", waarin het landschap leidend is. Een structuur van poldersloten en bijbehorende bomen (wilg, abeel, els) bepaalt het beeld. De gebouwen staan ingepast in het landschap met de gevels georiënteerd op de straat. Parkeren wordt onder de gebouwen of aan de achterzijde van de gebouwen opgelost. Van noord naar zuid lopen dwars door het Bio Science Park twee belangrijke groene aders met elk een eigen karakteristiek: In de westelijke groene ader, die aansluit op het landgoed Endegeest, zijn de sportvelden gepland als een buffer tussen het universiteitsterrein en de bedrijven. Deze sportvelden zijn opgenomen in dit bestemmingsplan: zij zijn inmiddels gerealiseerd. Het sportterrein krijgt een grotendeels openbaar karakter. Deze ader loopt door in een groen plein langs de Plesmanlaan met een goede langzaam verkeersverbinding richting Morskwartier. De oostelijke groene ader krijgt een meer parkachtig karakter. Het is onderdeel van een groene verbindingszone tussen Leidse Hout, Bos van Bosman en de singel. Dit parkachtige gebied heeft ook een belangrijke functie voor aanliggende bebouwing van Hogeschool, bedrijven, (studenten)woningen, LUMC en het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit (NCB, Naturalis). Ook deze groene verbindingszone wordt in het bestemmingsplan waar mogelijk meegenomen. Onderdeel hiervan is het zogenaamde Leeuwenhoekpark met daarin een horecavoorziening, De Stal. Via een groene verbinding sluit dit park aan op de singel. Exploitatieovereenkomst In een exploitatieovereenkomst tussen de partijen is een aantal afspraken vastgelegd over de onderlinge samenwerkingsvorm, rolverdeling en verantwoordelijkheden. Daarnaast is deze overeenkomst noodzakelijk als uitwerking van de samenwerkingsovereenkomst Knoop Leiden West en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Deze exploitatieovereenkomst vormt namelijk ook de anterieure overeenkomst voor toekomstige ontwikkelingen. Nieuwe bestemmingsplannen Het bestemmingsplan Boerhaave-Sylvius (vastgesteld op 18 februari 2010) is het eerste 13
bestemmingsplan op basis van het masterplan. Dit bestemmingsplan Boerhaave-Sylvius voorziet nadrukkelijk in diverse ontwikkelingen. Later zullen ook de andere onderdelen uit het masterplan verwerkt worden in bestemmingsplannen. Denk hierbij aan de ontsluiting van het Bio Science Park (OBSP), het Entreegebied, de Kop van de Leeuwenhoek, etc. Dit is echter een conserverend bestemmingsplan: hieraan zal de bestaande (planologische) situatie worden opgenomen en worden nieuwe ontwikkelingen niet meegenomen. Voor het OBSP en de Kop van de Leeuwenhoek zullen binnen de looptijd van dit bestemmingsplan aparte bestemmingsplannen in procedure worden gebracht. Om die reden is bijvoorbeeld het benzinestation aan de Plesmanlaan 101 niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Het erfpachtcontract met de exploitant van dit benzinestation is reeds opgezegd. Bestemmingsplan Boerhaaave-Sylvius wordt wel meegenomen in dit bestemmingsplan: op die manier ontslaat voor het Bio Science Park weer een bestemmingsplan met een uniforme regeling voor de diverse bestemmingen. Dit houdt wel in dat bestaande regelingen zoals in Boerhaave-Sylvius vastgelegd, worden gewijzigd in nieuwe regelingen. 2.3.3 Ontwikkelingen Stationsgebied Algemeen Een gedeelte van het plangebied van dit bestemmingsplan beslaat het stationsgebied van Leiden. Het voorheen vigerende bestemmingsplan Leeuwenhoek Station 92 bood ook het ruimtelijk-juridisch kader voor het station en directe omgeving. Dit bestemmingsplan heeft, met uitzonderig van het Zeezijdegebied en een gedeelte bij de Dellaertweg, dezelfde plangrens. Zeezijde Het bestemmingsplangebied Zeezijde is geen onderdeel van dit bestemmingsplan Leiden Biom Science Park en station maar wel belangrijk om te noemen. Dit plan beslaat het deel van het station ten westen van het spoor. Dit bestemmingsplan is op 20 december 2005 door de raad vastgesteld en biedt ruimte aan een aantal belangrijke ontwikkelingen in het Zeezijdegebied. Enkele nieuwe ontwikkelingen in dit gebied die zijn of worden gerealiseerd: nieuwbouw voor het ROC aan de Bargelaan, nieuwbouw voor Rivierduinen en binnenkort woonbebouwing nabij het Poortgebouw. Dit bestemmingsplan Zeezijde is nog grotendeels actueel en wordt niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Bestemmingsplan Zeezijde zal dus te zijner tijd geactualiseerd worden. Dellaertweg Het bestemmingsplan Leeuwenhoek Station 92 geldt voor een gedeelte van het Schuttersveld, namelijk de zogenaamde U-bochtlocatie (Dellaertweg). Op deze locatie, gelegen tussen het spoor, de Stationspleintunnel en het Schuttersveld is enkele jaren geleden met toepassing van een vrijstellingsprocedure een nieuw kantoorgebouw voor Achmea gebouwd. Dit kantoorgebouw is inmiddels opgeleverd en in gebruik. Deze locatie wordt meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan Schuttersveld: het gebied sluit hier beter op aan dan op het stationsgebied. De U-bochtlocatie maakt dus ook geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. SVB-locatie 14
Ruim tien jaar geleden is aan het Stationsplein 1, gelegen naast het spoor en tussen het station en het Schuttersveld in, een nieuw kantoorgebouw voor de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gebouwd. Deze nieuwbouw maakt onderdeel uit van het plangebied van dit nieuwe bestemmingsplan. Hetzelfde geldt voor de fietsenstalling en taxistandplaats voor dit gebouw. Allen worden positief bestemd, conform de bestaande situatie. Leiden Centraal Station Leiden Centraal is half jaren negentig van de vorige eeuw helemaal vernieuwd tot een licht en modern station, inmiddels in reizigersaantallen het vijfde van Nederland. Dit stationsgebouw is enkele jaren geleden in het kader van 'proefstation' intern verbouwd. Dit station is opgenomen in dit bestemmingsplan. Het station is naast een openbaar vervoersknooppunt tevens een belangrijke schakel tussen stadszijde en zeezijde, en dus de binnenstad en het Bio Science Park. Het station is niet alleen een plek om het openbaar vervoer te gebruiken, maar ook een belangrijke verblijfsplaats en een belangrijke openbare schakel en doorgang tussen twee stadsdelen. Deze doorgang is dan ook apart opgenomen in dit bestemmingsplan, naast de diverse functies in het stationsgebouw zelf. Trafolocatie en busstation Ten zuiden van het station, tussen station, spoor, Stationspleintunnel en Plesmanlaan liggen de Trafolocatie en het busstation. Deze beide locaties maken onderdeel uit van de herontwikkeling van het stationsgebied. Nergens in Nederland liggen een historisch stadshart en een groot en modern centrum van kennis, onderwijs en technologie zo dicht bij elkaar als in Leiden. Het vijfde station van Nederland is de overgang en de verbinding tussen deze twee culturen, die slechts door een spoordijk van elkaar gescheiden zijn. De huidige structuur en inrichting van het stationsgebied, vooral die aan de centrumzijde, verhindert dat het gebied zich kan ontplooien tot de levendige stadsentree die Leiden verdient. Daarom wordt nu gewerkt aan de gebiedsontwikkeling van het stationsgebied Leiden Centraal. Bureau Maxwan heeft een stedenbouwkundig plan voor de toekomstige Stationsbuurt ontwikkeld. Deze laat zien hoe de omgeving van het Centraal Station kan uitgroeien tot een levendige stationsbuurt met een rijk aanbod aan functies, zoals kantoren, woningen en winkels. Om een prettig klimaat te creëren komt er plek voor vrijetijdsbesteding in het gebied, zoals een hotel, congresfaciliteiten en een bioscoop. Maar ook diverse horeca en een club. Daarbij is en blijft het gebied een vervoersknoop. Dit betekent dat diverse vervoersmodaliteiten, zoals auto, bus, trein bij elkaar komen in het stationsgebied. Kenmerkend voor het gebied in de toekomst is dat het zal bestaan uit een fijnmazig netwerk van straten zoals in de oude binnenstad van Leiden. Ook zijn de plinten en 'setbacks' (een gebouw niet hoger dan die in de Leidse binnenstad met daar bovenop een opbouw) een kenmerk van de toekomstige Stationsbuurt. Voor de locatie van het huidige busstation wordt in het nieuwe stedenbouwkundige plan voor het Stationsgebied gedacht aan gemengde stedelijke functie: hotel, horeca, leisure, etc. De Trafolocatie kan ruimte bieden aan kantoren en parkeren. Voor beide locaties is hoogbouw mogelijk, de 'setbacks'. De eerste fase van het stationsgebied die nu ontwikkeld gaat worden is het Rijnsburgerblok. De Trafolocatie en het busstation zullen later ontwikkeld gaan worden. Om deze reden zullen deze twee laatstgenoemde locaties wel opgenomen worden in dit bestemmingsplan Leiden Bio Sciencs park en Station, maar zal de huidige situatie vastgelegd worden en niet de geplande bebouwingsmogelijkheden met programma. De gronden krijgen dus een verkeers- 15
en verblijfsbestemming waarop een busstation mogelijk is. Ook de kiosk nabij het Alphens perron behoudt voorlopig haar huidige horecafunctie. Binnen de looptijd van dit bestemmingsplan, tien jaar, zullen deze beide locaties wel ontwikkeld gaan worden conform het stedenbouwkundig plan voor het stationsgebied. Te zijner tijd zal voor deze locaties dus een aparte procedure worden gevoerd om de gewenste nieuwe functies en bouwmogelijkheden hier mogelijk te maken. Dat betekent dat de bouwmogelijkheden, via een uitwerkingsplan, van het huidige bestemmingsplan niet in dit nieuwe plan worden meegenomen. Tijdelijk krijgen de gronden dus een bestemming conform de huidige situatie: verkeers- en verblijfsgebied. Binnen enkele jaren zullen echter weer nieuwe bouwmogelijkheden voor deze locaties opgenomen gaan worden conform het stedenbouwkundig plan voor het stationsgebied. 2.4 Doel van het bestemmingsplan Dit is een conserverend bestemmingsplan en legt de huidige planologische situatie vast of actualiseert via kleinere wijzigingen de actuele planologische situatie. Het bestemmingsplan legt echter niet voor de komende tien jaar het eindbeeld vast: door diverse ontwikkelingen zal het plangebied de komende jaren nog wijzigen. Deze ontwikkelingen, gebaseerd op het stedenbouwkundig masterplan, zullen de komende jaren via afzonderlijke procedures mogelijk gemaakt worden. Het doel van dit bestemmingsplan Leiden Bio Science Park is het actualiseren van het bestaande bestemmingsplangebied Leeuwenhoek Station 92. Ten opzichte van dit oorspronkelijke bestemmingsplan vinden enkele grenswijzingen plaats. Ook worden nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen waarvoor al een procedure is gevoerd meegenomen in dit bestemmingsplan, bijvoorbeeld in het deelgebied Boerhaave-Sylvius. 16
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 3.1 Europees en nationaal beleid 3.1.1 Nota Ruimte De Nota Ruimte is een nota van het rijk, waarin de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd worden. De nota is op 23 april 2004 door het kabinet vastgesteld en is tevens door de Tweede Kamer aangenomen. In de Nota Ruimte gaat het om inrichtingsvraagstukken die spelen tussen nu en 2020, met een doorkijk naar 2030. In de nota worden de hoofdlijnen van beleid aangegeven, waarbij de ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland een belangrijke rol zal spelen. Onderwerpen die aan bod komen zijn: wonen, woonlocaties en verstedelijking, natuur, landschap en waterbeheer, bereikbaarheid en het ruimtelijk accommoderen van de economie. Hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid is ruimte te scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies op het beperkte oppervlak dat Nederland ter beschikking staat. Meer specifiek richt het kabinet zich hierbij op vier algemene doelen: versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland; bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland; borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden; borging van de veiligheid. Het rijk wil zich niet meer met alles bemoeien en wil strategisch op hoofdlijnen sturen. Decentrale overheden krijgen meer ruimte om hun eigen weg te gaan. Het gaat er uiteindelijk om dat de besluitvorming over de inrichting van de ruimte dichter bij de direct belanghebbenden komt te liggen. De Nota Ruimte kenmerkt zich dan ook door: Ontwikkelingsplanologie: het ruimtelijk beleid moet beter gaan voldoen aan maatschappelijke wensen en sneller uitgevoerd worden. Het accent zal meer liggen op wat kan en minder op wat moet. Decentralisatie: nationale prioriteiten en decentralisatie bepalen de inhoud. De nationale ruimtelijke hoofdstructuur is daarbij een belangrijk kader. Deregulering: dit betekent minder rijkssturing. Provincies en gemeenten kunnen hun eigen verantwoordelijkheid verschillend gaan invullen. Uitvoeringsgerichtheid: het kabinet legt het accent op uitvoering en financiële dekking. Voor verstedelijking, infrastructuur en vestiging van bedrijven en economische activiteiten geldt een zogenaamd bundelingsbeleid: nieuwe woongebieden en bedrijvigheid moeten zoveel mogelijk worden aangesloten op bestaande bebouwing en infrastructuur. Hierbij moet bovendien rekening worden gehouden met recreatieve voorzieningen, groen en water. Onder het overgangsrecht bij de Wro heeft de Nota Ruimte de status van structuurvisie gekregen. Hierin staat het beleid. Voor de belangen die juridisch moeten doorwerken in bestemmingsplannen is het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte) vastgesteld. 17
3.1.2 Structuurvisie Randstad 2040 In de Structuurvisie Randstad 2040 zet het kabinet de koers uit om de Randstad integraal te ontwikkelen tot een duurzame en concurrerende topregio in 2040. Lopende en nieuwe ontwikkelingen en opgaven vragen om een visionair en samenhangend antwoord. Klimaatverandering, internationale arbeidsmigratie, bereikbaarheidsproblemen, vergrijzing van de bevolking en toenemende internationale concurrentie brengen kansen en risico's met zich mee voor de toekomstige concurrentiepositie in de Randstad. De steden van de Randstad ontwikkelen zich in een economisch krachtenveld van verdere internationalisering. De unieke ligging in de delta, de diversiteit en onderlinge nabijheid van steden en landschappen zijn kwaliteiten die de Randstad onderscheidt van andere Europese stedelijke regio's. Het kabinet wil keuzes maken vanuit vier leidende principes voor de langere termijn. Dezeleidende principes zijn: 1. 2. 3. 4. leven in een veilige klimaatbestendige en groenblauwe delta; kwaliteit maken door een sterkere wisselwerking groen, blauw en rood; wat internationaal sterk is, sterker maken; krachtige duurzame steden en regionale bereikbaarheid. Het Bio Science Park is een internationaal bekend bedrijventerrein met life science als specialisme. Dit bestemmingsplan beoogt deze ontwikkeling in een actueel juridisch document opnieuw voor tien jaar veilig te stellen. 3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.2.1 Provinciale Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland, Ontwikkelen met schaarse ruimte' Op 2 juli 2010 is de 'Visie op Zuid-Holland' vastgesteld door Provinciale Staten. De kern van deze visie is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Gestreefd wordt naar een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten. In de structuurvisie wordt aangegeven welke zaken de provincie Zuid-Holland van provinciaal belang vindt. Hiervoor zijn vijf integrale hoofdopgaven benoemd: Aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel; duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie; divers en samenhangend stedelijk netwerk; vitaal, divers en aantrekkelijk landschap; stad en land verbonden. 'Visie op Zuid-Holland' is zelfbindend voor de provincie. Het toetsingskader voor de gemeente is uitgewerkt in de provinciale verordening. Kenniscentra vormen, aldus de visie, tot de belangrijkste economische pijlers van de provincie. In het provinciaal beleid zal de focus moeten komen te liggen op de stuwende sectoren in de regio en de kruisbestuiving tussen deze sectoren. Onder deze sectoren wordt 18
het Life Science & Healthcluster genoemd. Het versterken van de kenniseconomie en kennisinstituten is van provinciaal belang. Op de functiekaart behorende bij de structuurvisie gelden voor het plangebied van dit bestemmingsplan de volgende uitgangspunten: Het Bio Science Park heeft de aanduiding 'bedrijventerrein'; het overige gebied een aanduiding 'bestaand stads- en dorpsgezicht'; het gehele plangebied heeft een aanduiding 'stads- en dorpsgezicht met hoogwaardig penbaar vervoer''; station Leiden Centraal heeft de aanduiding 'bovenregionaal centrum'; het Bio Science Park is een 'kenniscentrum'; door het plangebied loopt een 'regionale railverbinding'; de A44 is een '(inter)nationale wegverbinding'; het eerste deel van de Plesmanlaan tot aan de ontsluiting Bio Scinece park (OBSP) is een '(boven)regionale wegverbinding'. Op de kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'stedelijk netwerk met hoogwaardig openbaar vervoer'. Op bladzijde 56 van de structuurvisie wordt het Bio Science Park genoemd als het grootste life- en healthsciencecluster van Nederland. De provincie wil ruimte bieden voor deze activiteiten en deze ook versterken. De structuurvisie is in 2011 geactualiseerd. Deze actualisering is op 29 februari 2012 door Provinciale Staten vastgesteld. Deze actualisering heeft geen gevolgen voor het onderhavige plangebied. Met de provincie is de actualisering van het Bio Science Park uitvoerig voorbesproken. Hierbij is gekeken naar het gewenste toekomstprofiel van het park en hoe dit het beste gehaald kan worden. In overleg met de provincie zijn dan ook de nieuwe regels ten behoeve van het LBSP opgesteld. 3.2.2 Provinciale Verordening 'Verordening Ruimte Provincie Zuid-Holland' In de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland, op 2 juli 2010 door Provincale Staten vastgesteld, zijn de provinciale belangen uit de structuurvisie verder uitgewerkt in regels. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Dit bestemmingsplan voldoet aan regels zoals vastgelegd in de provinciale verordening. In artikel 7 van de Verordening Ruimte wordt ingegaan op kantoren. Volgens dit artikel mogen geen nieuwe kantoorbestemmingen mogelijk gemaakt worden buiten de invloedssfeer van een knooppunt. Hiervoor is een uitzondering gemaakt voor functiegebonden kantoren bij een kenniscentrum. Een kenniscentrum is een Universiteitscomplex en/of bedrijventerrein dat primair bestemd is voor hoogwaardige en kennisgerichte instituten of bedrijven van (inter)nationale betekenis. Het LBSP is zo'n kenniscentrum. In de toelichting bij artikel 7 wordt het LBSP ook met name genoemd als een kenniscluster waar functiegebonden kantoren mogelijk zijn en ook nodig zijn voor het goed functioneren van het cluster. In het bestemmingsplan dient goed onderbouwd te worden waarom kantoorruimte behoort tot het kenniscluster. Voorkomen moet worden dat ook gewone kantoren zich kunnen vestigen op zo'n locatie. In overleg met de provincie zijn afspraken gemaakt over de toelating van bedrijven en functiegebonden kantoren en de procedure die hiervoor gevoerd moet worden. Hiervoor is onder andere een brancheringscommissie geïntroduceerd. Door slechts kantoren toe te laten 19
die passen binnen het kenniscluster en de beoordeling hiervan aan een brancheringscommissie over te laten wordt een strikt toelatingsbeleid gehanteerd, in overeenstemming met provinciaal beleid. 3.2.3 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 Deze structuurvisie is op 25 juni 2009 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst. De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn: 1. Holland Rijnland is een top woonregio; 2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie; 3. Concentratie stedelijke ontwikkeling; 4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal; 5. De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open; 6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis; 7. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport. De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie. 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Leiden 2025 Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2025 vastgesteld. De structuurvisie bouwt voort op het Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. Op de punten die niet in deze structuurvisie zijn opgenomen, is de Boomgaard van Kennis van toepassing. Voor de overige aspecten is de structuurvisie is hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de structuurvisie gebruik gemaakt van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn benoemd, vormen het uitgangspunt van de structuurvisie. De uitgangspunten van de structuurvisie zijn het bestaande beleid en de ambities en verwachtingen die in overleg met partijen en partners zijn geformuleerd. Dit heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities: de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet; het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld; de bereikbaarheid wordt verbeterd; 20
de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden; de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met wonen en werken een bijdragen te leveren aan de versterking van de kennisstad. Het Bio Science Park wordt in de structuurvisie genoemd als een bijzonder project dat in belangrijke mate bijdraagt aan Leiden en de regio en Leiden internationaal op de kaart zet. Het Bio Science Park vormt een cluster van hoogwaardige kennisintensieve bedrijven en werkt als een magneet op andere hoogwaardige kennisintensieve bedrijven. Het Bio Science Park heeft een sleutelrol in de positie van Leiden als kennisstad. Dit bestemmingsplan voorziet in het handhaven van de bestemmingen die een Bio Science Park mogelijk maken. In die zin draagt dit bestemmingsplan, juist ook omdat het een conserverend plan is, bij aan de ambities zoals weergegeven in de Structuurvisie. 3.3.2 Ontwikkelingsvisie 'Leiden, stad van ontdekkingen: profiel 2030' In 2004 is een gemeentelijke ontwikkelingsvisie vastgesteld waarin een toekomstbeeld wordt geschetst van de stad Leiden. De nadruk ligt op twee pijlers. De eerste pijler is kwaliteit. De historie, de ligging en de levendigheid zijn duidelijke kwaliteiten. Daarnaast valt op dat de Leidse bevolking jong is en een goed opleidingsniveau heeft. De tweede pijler is inbreiding en herstructurering. De stad is nagenoeg volgebouwd, met als gevolg een spanning op de woningmarkt en beperkte ruimte voor wonen, werken en recreëren. Volgens de ontwikkelingsvisie is het Bio Science Park één van de pijlers van de Leidse economie. Versterking van dit cluster is dan ook beleidsuitgangspunt. Dit wordt ook in dit bestemmingsplan door vertaald. Het Stationsgebied is een belangrijke knoop in de stad en de regio, belangrijk dus om ook deze te faciliteren. Dit gebeurt door het huidige station positief te bestemmen. 3.3.3 Structuurplan 'Boomgaard van Kennis' Het Structuurplan van Leiden 'Boomgaard van Kennis' is vastgesteld in 1995 en beschrijft in hoofdlijnen de meest gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Leiden. Het is bedoeld als sturingskader voor op te stellen bestemmingsplannen. De drie pijlers zijn de versterking van de kennisintensieve werkgelegenheid, het gebruik van de monumentale binnenstad en het bieden van gevarieerde woonmilieus. Ook hier is geconstateerd dat in het stedelijk gebied van Leiden nagenoeg geen ruimte meer is voor geschikte bouwlocaties. Bij het binnenstedelijk realiseren van (woning)bouwopgaven wordt dus gestreefd naar doelmatig ruimtegebruik en een verbetering van de stedenbouwkundige vervlechting en ruimtelijke kwaliteit. De pijlers worden uitgewerkt aan de hand van de volgende thema's: de stedelijke contour; de stadsgebieden; de stedelijke zones; de groenstructuur; de schaalniveaus; de intensivering van functies; fietsverkeer; openbaar vervoer; autoverkeer. 21
In het structuurplan wordt aandacht geschonken aan de belangrijke functie van de binnenstad. Deze binnenstad wordt gekenmerkt door een middeleeuwse en 17e eeuwse stadsplattegrond, omgeven door een groene singel, met daarbinnen een stelsel van grachten en een groot aantal monumenten. Het Bio Science Park en de omgeving van het ziekenhuis worden in het structuurplan de 'nieuwe stad' genoemd. Dit gebied moet niet een buitenwijk of industrieterrein worden, naar als stedelijk gebied waar plaats is voor diverse functies als bijvoorbeeld horeca en wonen. De hele Leeuwenhoek wordt gekenmerkt als een dynamisch gebied op randstedelijk niveau. Het gebied leent zich voor hoogbouw. Al deze elementen worden in dit bestemmingsplan meegenomen. 22
Hoofdstuk 4 4.1 Archeologie 4.1.1 Beleidskader Omgevingsaspecten 4.1.1.1 Europees en nationaal beleid In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad gepubliceerd. Na enkele malen uitstel is het wetsvoorstel in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De nieuwe wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, aanpassingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en enkele andere wetten. Met de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het nieuwe beleid is tevens het principe 'de verstoorder betaalt'. Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek). Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen. Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen. 4.1.1.2 Provinciaal beleid Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld in de Visie op Zuid-Holland. 23
4.1.1.3 Gemeentelijk beleid Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed, vastgesteld door de raad op 20 december 2005 - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. De Leidse bodem is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnde bestemmingsplan gebieden met archeologische waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de plankaart binnen de aanduiding Waarde Archeologie 1 tot en met Waarde Archeologie 7. Voor werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is een aanlegvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het bestemmingsplan, met uitzondering van Waarde Archeologie 1, daarvoor geldt de vergunningplicht van artikel 11 van de Monumentenwet 1988. Initiatiefnemers dienen bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen. Daarin moet de daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord zijn vastgesteld. Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten. Teneinde onnodige procedures te vermijden wordt initiatiefnemer verzocht vooraf contact op te nemen met de Unit Monumenten en Archeologie van de gemeente. Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor vergunninghoudende bedrijven of instanties. 4.1.2 Onderzoeksresultaten 4.1.2.1 Inleiding De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. 4.1.2.2 Melding toevalsvondst Ingeval archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 53 van de Monumentenwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de Unit Monumenten en Archeologie van de gemeente, tel. nr. 071-5167950. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek. 24
4.1.2.3 Waarneming archeologie Indien in het plangebied de bodem wordt verstoord, kan het voorkomen dat tijdens of na de werkzaamheden een archeologische waarneming plaatsvindt. Deze waarneming wordt verricht als onderdeel van de gemeentelijke onderzoeksagenda en wordt uitgevoerd door een archeoloog van de gemeente Leiden. De kosten van dit onderzoek komen niet voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient op grond van artikel 57 van de Monumentenwet wel de gelegenheid te bieden tot het uitvoeren van deze werkzaamheden. De initiatiefnemer meldt de aanvang van de werkzaamheden dientengevolge uiterlijk drie weken van tevoren aan de gemeente Leiden. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, dit geldt dus ook voor de archeologie: geen nieuwe ontwikkelingen, dus ook geen nieuwe verstoringen. 4.2 Cultuurhistorie 4.2.1 Beleidskader 4.2.1.1 Rijksbeleid Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in deze nota beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. Monumentenwet (1988) Een deel van het culturele erfgoed wordt beschermd via de Monumentenwet (1988). Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten met een leeftijd hoger dan 50 jaar aan te wijzen als rijksmonument. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. De 'Monumentenwet' geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere eigenschap hebben en in welke zich een of meer monumenten bevinden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen de cultuurhistorische waarden binnen het geschermd stadsgezicht als belangrijk toetsingscriterium te worden gehanteerd. Dit krijgt ondermeer vorm door bescherming via aangepaste bestemmingsplannen en het daarbij horende vergunningenstelsel. De Monumentenwet richt zich vooralsnog voornamelijk op bescherming. Wijzigingen in het monumentenstelsel zijn aangekondigd door het Rijk maar zijn nog niet omgezet in wetgeving. Wel is duidelijk dat verankering van cultuurhistorie in ruimtelijke ontwikkelingen doormiddel van de ruimtelijke ordening een belangrijke rol zal gaan spelen. Wanneer het gewenst is dat monumenten gebruikt worden voor het stimuleren van ontwikkelingen, zal de gemeente andere instrumenten een rol moeten laten spelen. De Monumentenwet geeft aan gemeenten de vrijheid om zelf monumenten aan te wijzen en een monumentenlijst op te stellen. Een gemeentelijk monument mag jonger zijn dat 50 jaar. 25
Modernisering Monumentenzorg In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming. De rode draad door het beleid is om de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt. Concreet betekent dit voor bestemmingsplannen dat er, doormiddel van een wijziging in het Besluit Ruimtelijke Ordening, met ingang van 01-01-2012 in bestemmingsplannen moet worden aangegeven wat de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden zijn en op welke wijze hiermee rekening wordt gehouden. Ook de tweede pijler, vereenvoudiging van de regelgeving, is per 01-01-2012 gerealiseerd doormiddel van een wetswijzing. Hierbij geldt geen vergunningplicht vanuit de monumentenwet meer voor nader omschreven ondergeschikte wijzigingen van een rijksmonument en voor bepaalde bouwactiviteiten binnen een beschermd stadsgezicht. Een en ander wordt via een wijziging van het Besluit Omgevingsrecht toegepast. De laatste pijler zal vooral gestalte krijgen door het financieel stimuleren van onderzoek naar herbestemmingmogelijkheden en het wind-en waterdicht houden van leegstaande gebouwen. Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed. Van oudsher bepalen de overheid en inhoudelijk deskundigen wat de cultuurhistorische waarden inhouden en wat en hoe zaken worden beschermd. Het beleid is er op gericht om burgers daar meer bij te betrekken maar ook een grotere stem daarin te geven. 4.2.1.2 Provinciaal beleid Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland In de Provinciale Structuurvisie Zuid-Holland 2010 is het behoud van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) als provinciaal belang omschreven. In de CHS is een aantal gebieden aangewezen als topgebieden. De daadwerkelijke beleidsmatige aandacht van de provincie Zuid-Holland voor de diverse gebieden in in de CHS beperkt zich tot de zogenaamde topgebieden, molenbiotopen, landgoedbiotopen en archeologie. In de regioprofielen zijn de cultuurhistorische waarden binnen deze topgebieden nader omschreven en worden richtlijnen gegeven voor het behoud van deze waarden. Het volledige grondgebied van de gemeente Leiden ligt buiten deze topgebieden waardoor dit beleidsinstrument niet van toepassing is op de gemeente Leiden. 4.2.1.3 Gemeentelijk beleid Nota Cultureel Erfgoed Leiden 2005-2015 (2005) De nota Cultureel Erfgoed Leiden is in 2005 vastgesteld en vervangt twee oudere nota's: de Leidse Monumentennota uit 1991 en de beleidsnota Archeologie 1996-2000, Toekomst voor Leids verleden uit 1996. Daarin is in 43 beleidsvoornemens het Leids erfgoedbeleid vastgelegd voor de periode 2005-2015. De nieuwe nota pakt de beleidsterreinen Monumentenzorg en Archeologie gezamenlijk op. Dit is nodig om een integraal beleid te ontwikkelen ten aanzien van het cultureel erfgoed van Leiden, een ontwikkeling die landelijk al werd ingezet door de Belvedèrenota van 1999. Hierin werd vooral de nadruk gelegd op de integratie van cultuurhistorie in ruimtelijke ontwikkelingen, een aandachtspunt dat ook in deze nieuwe nota duidelijk naar voren komt. Ook andere 26
ontwikkelingen die plaatsvinden binnen de monumentenzorg en archeologie komen tot uiting in deze nota; van de nieuwe archeologiewetgeving (Malta) tot de tegenwoordig veel grotere belangstelling voor het monument achter de gevel (bouwhistorie). Monumentenverordening en monumentenlijst (2009) De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening. Karakteristieke panden Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming sterkt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak. 4.2.2 Onderzoeksresultaten 4.2.2.1 Cultuurhistorische paragraaf Na de vorming van de strandwallen en een geleidelijke zeespiegelstijging, vanaf circa 5000 jaar geleden, werd het Hollandse landschap steeds meer afgezonderd van de directe invloeden van de zee. Na het steeds verder dichtslibben van riviermondingen in de strandwallen, verzoette het milieu en ontstond langzaam een dik veenpakket: het Holland Laagpakket. Rondom Leiden bleef de Oude Rijn een grote rol spelen in de vorming van de ondergrond. De rivier verlegde haar oevers regelmatig, en zette aan weerszijden grote hoeveelheiden klei en zand af. Achter deze oeverafzettingen ontstonden relatief hoog gelegen kreek- en geulsystemen, waar eveneens klei en zand werd afgezet. Deze oeverafzettingen langs de Oude Rijn en aangetakte kreken vormden vanwege de hogere ligging en stevigere ondergrond van oudsher ideale vestigingsplaatsen voor ijzertijdnederzettingen. De oudst bekende vermelding van bewoning stamt uit het jaar 860 na Christus. De dijknederzetting werd destijds aangeduid als Leithon. De eerste bebouwing werd opgericht aan de voet van de dijk op de zuidelijke oever van de Rijn, ter plaatse van de huidige Breestraat. Op het punt waar de twee Rijntakken samenvloeiden werd in dezelfde tijd een verdedigingsheuvel, een zogenaamde "motte", opgeworpen. Op de heuvel werd rond het jaar 1200 de nu nog bestaande burcht gebouwd. De stad ontstond op een kruispunt van een aantal belangrijke water- en landwegen. De Nieuwe en de Oude Rijn voegden zich hier samen tot één rivier. De Leidse Vliet en de Mare stroomden hier in de Rijn uit. De stad had een centrale functie voor het omliggende platteland als markt- en handelscentrum. Al snel kreeg men te maken met ruimtegebrek in de stad. In de middeleeuwen zouden uiteindelijk vier stadsvergrotingen plaatsvinden: de Hoge Woerd, de uitleg in de Waard, de uitleg in de Mare en tenslotte de uitleg van het Nieuwland en Rapenburg in 1386. Aan de oostzijde van de Mare (nu Lange Mare) lag een zelfstandige woonkern. Aan de westzijde van de Mare lag verspreide bebouwing langs de Maredijk en de weg over de Mors. Deze bebouwing werd in 1355 gedeeltelijk binnen de stadsgrenzen gebracht. Om de 27
stadsuitbreidingen aan te laten sluiten op de oude stad werden nieuwe bruggen tussen de stadsdelen aangelegd. Als gevolg van de bevolkingsgroei begon men tegen het einde van de 17de eeuw de raamlanden in het Nieuwland te bebouwen. Door de groeiende welvaart van de stad was dit echter niet voldoende. De stad werd in de daaropvolgende periode verder uitgebreid. Na enkele kleinere uitbreidingen volgde in 1611 een grotere uitbreiding, ten noorden van de bestaande stad, gevolgd door meerdere stadsuitbreidingen. Na deze uitbreidingen was het gebied binnen de singels grotendeels voltooid. In de 18de eeuw liep de welvaart sterk terug. Leiden bleef echter zijn functie als streekcentrum vervullen. Tot het laatste kwart van de 19e eeuw kwam het niet tot grote uitbreidingen buiten de singels. Langs de uitvalswegen, de Rijnoevers, De Maredijk en de Singels werden in de eerste helft van de 19e eeuw vooral buitenhuizen en bedrijven als houtzagerijen gebouwd. Tegen het eind van de eeuw werden vooral de zuidelijke singels steeds meer bebouwd met losse villa's of aaneengeschakelde huizen voor de rijkere standen. De eerste stedenbouwkundig geordende uitbreiding van Leiden buiten de singels was de wijk Vreewijk vanaf 1882. Na de opkomst van de sociale woningbouwverenigingen breidde Leiden zich verder uit. Vanaf de jaren '10 van de vorige eeuw kwamen verschillende uitbreidingen tot stand in de Kooi, in Noord, in de Tuinstadwijk, in het Haagwegkwartier en in de Rijndijkbuurt. De wijken in het noorden waren veelal bedoeld voor de arbeiders, terwijl de uitbreidingen in het zuiden veelal werden gebouwd voor de middenklasse en de welgestelden. Pas in de periode van de Wederopbouw volgden ook aan de zuidzijde uitbreidingen met sociale woningbouw. De uitbreidingen in de Vogelwijk en het Poelgeest- en Houtkwartier waren een direct gevolg van de grenswijziging van 1920 die dit gebied bij de gemeente Leiden trok. De tramlijn die langs de Rijnsburgerweg liep zorgde voor een goede verbinding met het centrum van de stad. Bestemmingsplan Leiden Bio Science Park en station is een conserverend bestemmingsplan. De aanwezige cultuurhistorische waarden worden binnen het kader van dit bestemmingsplan niet betrokken bij een ontwikkeling of wijziging. Het plangebied wordt begrensd door de gemeentegrens achter de rijksweg A44 aan de westzijde, de Wassenaarseweg en gemeentegrens aan de noordzijde, de Sandifortdreef en de Albinusdreef inclusief station Leiden Centraal aan de oostzijde en de Plesmanlaan aan de zuidzijde. Het plangebied omvat in hoofdzaak het Biosciencepark en het complex van het LUMC. Daarnaast omvat het plan het gebied met daarop station Leiden Centraal en het daarvoor gelegen stationsplein tussen de Plesmanviaduct en het Rijnsburgerviaduct. Het plangebied ligt buiten de 17e eeuwse stad. Het westelijke deel tot aan de Darwinweg werd in 1896 toegevoegd aan de gemeente Leiden, een smalle strook tot aan ca. de Archimedesweg werd in 1920 toegevoegd. Het merendeel van het gebied behoort sinds 1966 tot de gemeente Leiden. Tot ca. 1900 bestond het gehele plangebied voornamelijk uit het open polderlandschap van de Pesthuispolder. In de polder lagen twee belangrijke ruimtelijke structuren: het pesthuiscomplex en de Endegeesterweg die onderdeel uitmaakte van de landweg tussen Den Haag en Amsterdam. Het complex van het Pesthuis bestaat uit het in 1661 gebouwde eigenlijke Pesthuis, een dubbele gracht en een aantal bijgebouwen die deels dateren uit de 17e eeuw en deels uit de periode dat het complex in gebruik was als militaire gevangenis tussen 1822-1941. De buitenste gracht is grotendeels een recente reconstructie waarbij het stuk aan de zuidzijde niet volledig werd aangelegd vanwege de aanwezigheid van de Plesmanlaan. Het Pesthuiscomplex bestaande uit gebouwen, watergangen en inrichting is van zeer hoge cultuurhistorische waarde en grotendeels beschermd als rijksmonument. Alleen de 28
dienstwoningen ten westen van het pesthuis zijn als karakteristiek pand opgenomen vanwege de functionele samenhang met de geschiedenis van het complex. De woningen zijn nog goed herkenbaar als eenvoudige dienstwoningen uit de tweede helft van de 19e eeuw. Mogelijk bevatten ze nog delen van het voormalig turfhuis dat deel uitmaakte van het 17e eeuwse complex. De loop van de belangrijke historische landweg tussen Den Haag en Amsterdam is bij herinrichting van het gebied in de periode 1970-1980 tussen de Plesmanlaan en Wassenaarseweg verloren gegaan. De prestedelijke polderverkaveling is na 1966 haast volledig vergraven. Een nog bestaand en goed beleefbaar overblijfsel wordt gevormd door de Poelwetering, uitgezonderd de bocht langs de Sandifortdreef. De watergang vanuit het Pesthuis naar de Sandifortdreef maakt eveneens deel uit van de oude polderverkaveling. Deze watergangen vormen een essentieel deel van de waterberging van het gebied en zijn als zodanig bestemd. Daarmee is het voortbestaan voldoende geborgd. Een eerste grote stedelijke ingreep in het gebied vindt plaats wanneer vanaf 1923 begonnen wordt met de bouw van de in 1912 door rijksbouwmeester J.A.W.Vrijman ontworpen Cité Médical. Dit complex wordt de opvolger van het 19e eeuwse universitair ziekenhuis in de binnenstad en is opgebouwd als een verzameling losse paviljoens in een parkachtige omgeving. Bij de bouw van het huidige LUMC vanaf 1980 is het grootste deel van dit voor Nederland zeer zeldzame complex afgebroken. Alleen het noordelijk deel tussen Sandifortdreef en Wassenaarseweg, het zogenaamde Boerhaavecomplex, en het buiten het plangebied gelegen poortgebouw zijn bewaard. In dit gebied ligt een aantal gebouwen naar het ontwerp van Vrijman en een aantal naoorlogse gebouwen die met een afwijkende architectuur wel binnen het stedenbouwkundig concept zijn gerealiseerd. Het Boerhaavecomplex is daarom in bebouwing en aanleg van hoge cultuurhistorische waarde. Voor het behoud van deze cultuurhistorische waarden bij de herontwikkeling van het gebied is daarom een convenant van kracht tussen de Universiteit Leiden en de gemeente Leiden. In 1925 wordt de gele tram doorgetrokken vanuit Wassenaar naar Leiden met een halte ter hoogte van het ziekenhuis. Langs de trambaan wordt later de Wassenaarseweg aangelegd waarmee het ziekenhuisterrein ook een verkeersontsluiting aan de noordzijde krijgt. Rond 1960 besluit de universiteit dat de bètafaculteiten geconcentreerd worden in grotendeels nieuwe bebouwing tussen de Wassenaarseweg, de nieuw aan te leggen Plesmanlaan en het toenmalig ziekenhuiscomplex. Deze universiteitswijk zou zich eveneens uitstrekken ten westen van de A44. De volledig nieuwe indeling van het gebied en een deel van de bebouwing, o.a. het Gorleuslaboratorium, stamt uit de periode volgend op dit besluit. Deze bebouwing is grotendeels ingrijpend gewijzigd sinds de bouwtijd en vertegenwoordigt daarmee een beperkte cultuurhistorische waarde. Het gebied met daarop het station Leiden Centraal kent een geheel eigen ontwikkeling die veel nauwer met die van de binnenstad van Leiden is verbonden. Met de aanleg van de spoorlijn in 1842 en de bouw van het eerste station begint de complexe inrichtingsgeschiedenis. Tot de herinrichting van het gebied vanaf 1950 vormen de plaats van het station en de loop van de Rijnsburgerweg de constante factoren. Het station uit 1842 wordt in 1879 vervangen door een groter exemplaar en vervolgens 1953 weer opnieuw vervangen. Voor het oudste station wordt in eerste instantie een plantsoen aangelegd dat rond 1875 vervangen wordt door een spoorhaven. Met de daarbij behorende goederenloods met perron en vervolgens de aanleg van de tram, ontstaat en vol en wat rommelig gebied. De bombardementen in 1944 beschadigen weliswaar de bebouwing ten zuiden van het station maar het station zelf blijft ongedeerd. Door de sterk toenemende verkeersdruk en het intensieve treinverkeer tussen Rotterdam en Amsterdam ontstaat al voor 1940 een 29
onhoudbare situatie rond de spoorwegovergangen ter weerszijden van het station. Vanaf 1950 wordt daarom de spoorlijn op een spoordijk gelegd zodat twee ongelijkvloerse kruisingen kunnen worden aangelegd. Daarbij moet ook het station uit 1879 worden vervangen om de hoger gelegen perrons te kunnen ontsluiten. Voor het station wordt naar een plan van 1949 een enorme boulevard met aan weerszijden een ruim verkeersplein in de vorm van een rotonde voorzien. Het huidige zeer ruime Stationsplein met in het verlengde de Schipholweg zijn daar een overblijfsel van. Eind 20e eeuw wordt ook het station uit 1953 als onvoldoende ervaren en in 1996 wordt het huidige station geopend. Dit station is enigszins naar het noorden verschoven ten opzichte van de voorgaande stations zodat de hoofdingang meer in de as van de Stationsweg ligt. De oude stations waren gelegen aan het Stationsplein waardoor de Rijnsburgerweg als doorgaande weg van Leiden naar Oegstgeest aan de oostzijde van het plein lag. Het station en de ruimtelijke inrichting van het huidige plein vertegenwoordigen geen beschermenswaardige cultuurhistorische waarden. 4.2.2.2 Beschermd stads- of dorpsgezicht Binnen het plangebied bevindt zich geen beschermd stadsgezicht. Wel bevindt een klein onderdeel van het beschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten zich in het plangebied. Het betreft de agrarische gronden ten noorden van de Wassenaarseweg. Deze gronden zijn in gebruik als agrarisch gebied en vertegenwoordigen een belangrijke cultuurhistorische waarde. Zij zijn op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1985 op 26 oktober 2007 aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het toale gebied beslaat een oppervlakte van 64,6 hectare. Deze gronden dienen vanuit cultuurhistorisch perspectief onbebouwd te blijven en hun open, agrarische karakter te behouden, voor zover gelegen binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. Hiertoe zijn in dit bestemmingsplan extra regels opgenomen ten behoeve van bescherming van dit beschermd dorpsgezicht. 4.2.2.3 Landgoederenbiotoop Het plangebied valt niet in de invloedssfeer van een landgoederenbiotoop. 4.2.2.4 Molenbiotoop Het plangebied valt niet in de invloedssfeer van een molenbiotoop. In het plangebied zijn zelf ook geen historische windmolens aanwezig. 4.2.2.5 Rijksmonumenten In het plangebied is aan aantal rijksmonumenten aanwezig. Deze genieten bescherming via de Monumentenwet. De rijksmonumenten zijn: Straat Huisnummer Monumentnummer Pesthuislaan 2 25438 Pesthuislaan 3 25438 Pesthuislaan 3a 25483 Pesthuislaan 4 515091 30
Pesthuislaan 7 25439 Deze tabel betreft een momentopname: binnen de looptijd van een bestemmingsplan kunnen nieuwe monumenten worden aangewezen. Bovenstaande lijst dient dan ook ter illustratie. 4.2.2.6 Gemeentelijke monumenten Is het plangebied zijn enkele gemeentelijke monumenten aanwezig, deze genieten bescherming via de Monumentenwet. De gemeentelijke monumenten zijn: Straat Huisnummer Monumentnummer Wassenaarseweg 56 1600 Wassenaarseweg 58 1600 Wassenaarseweg 60 1711 Wassenaarseweg 60 naast 1712 Deze tabel betreft een momentopname: binnen de looptijd van een bestemmingsplan kunnen nieuwe monumenten worden aangewezen. Bovenstaande lijst dient dan ook ter illustratie. 4.2.2.7 Karakteristieke panden De volgende panden in het plangebied hebben de waarde van 'karakteristiek pand'. Deze panden worden niet beschermd via de Monumentenwet maar via het bestemmingsplan. Om die reden is voor onderstaande panden op de verbeelding een aanduiding 'karakteristiek pand' met bijbehorende regels opgenomen. Straat Huisnummer Wassenaarseweg 54 Wassenaarseweg 62 Wassenaarseweg 70 Pesthuislaan 5 Pesthuislaan 6 Pesthuislaan 6a Pesthuislaan 6b 4.3 Ecologie 4.3.1 Beleidskader 4.3.1.1 Europees en nationaal beleid Flora- en faunawet 31
Werkzaamheden die worden uitgevoerd om ontwikkelingen mogelijk te maken, kunnen mogelijk aanwezige natuurwaarden verstoren of aantasten. Om deze reden dient, in het kader van de Flora- en faunawet, een ecologische toets uit te worden gevoerd om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige natuurwaarden inzichtelijk te kunnen maken. In het kort komen verplichtingen in het kader van de Flora en faunawet op het volgende neer: onderzoeken of er beschermde planten of dieren voorkomen in het te ontwikkelen gebied; voorkómen van verstoring van deze beschermde planten en dieren; eventueel vóóraf bieden van een alternatief voor de gevonden soorten (bijvoorbeeld in de vorm van vervangende verblijfplaatsen); eventueel aanvragen van een ontheffing met een gedegen ecologische onderlegger en/of compensatieplan. De flora- en faunawetgeving is sinds februari 2005 gewijzigd. Hierbij is het beschermingsregime voor algemeen voorkomende soorten verlicht en kan het aanvragen van ontheffingen voor een aantal beschermde soorten worden voorkomend als gewerkt wordt volgens een gedragscode. De gemeentelijke Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden en het daarbij horende ecologische toetsingskader geeft inzicht in de diverse verplichtingen die dit met zich meebrengt en kan op elk stedelijk project worden toegepast. De Flora- en faunawetbeschermt een groot aantal bijzondere en minder bijzondere inheemse plant- en diersoorten. De verstoring van (vaste rust- en verblijfsplaatsen van) deze soorten is in beginsel verboden. Er kan een ontheffing van zulke verboden worden gegeven wanneer de gunstige staat van instandhouding van de soort(en) niet in gevaar komt. Voor algemene soorten is een vrijstelling van kracht van deze ontheffingsplicht voor ruimtelijke ontwikkelingen. De zorgplicht uit de Wet blijft voor deze soorten wel van kracht: bij werkzaamheden moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat schade toegebracht wordt aan beschermde soorten. Voorzover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie (ELI). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien: er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling); er geen alternatief is; geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Ecologische hoofdstructuur Het beschermingsregime voor gebieden die vallen onder de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vloeit voort uit het Natuurbeleidsplan uit 1991 en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is in de Nota Ruimte op nationaal niveau en vervolgens door de provincies op provinciaal niveau nader uitgewerkt. Bescherming van deze gebieden is op planologische basis en er wordt van uitgegaan van het "Nee, tenzij"-regime en compensatiebeginsel. Het ruimtelijk beleid voor de EHS is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in de EHS het "nee, tenzij"- regime. Indien een voorgenomen ingreep de "nee, tenzij"-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het "nee, tenzij"-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden. Natuurbeschermingswet 1998 De gebiedsbescherming is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Nota Ruimte. Onder deze bescherming vallen de volgende gebiedsoorten: Natura 2000-gebieden (dit zijn 32
gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn), Beschermde Natuurmonumenten en gebieden ter uitvoering van verdragen en andere internationale verplichtingen (zoals wetlands), worden ook beschermd op basis van de Natuurbeschermingswet 1998. De uitgevoerde toetsing betreft het vaststellen of het projectgebied in of in de omgeving van een beschermd natuurgebied ligt en of er sprake is van een negatief effect op de beschermde natuurwaarden. 4.3.1.2 Provinciaal en regionaal beleid Landschapsbeleidsplan Leidse regio en Warmond 2002 Het regionale landschapsbeleidsplan heeft meerdere doelstellingen. Aangegeven moet worden hoe de agrarische, ecologische, recreatieve, cultuurhistorische en visueel - ruimtelijke kwaliteiten van het landschap behouden, versterkt of ontwikkeld kunnen worden op een zodanige manier, dat een meerwaarde ontstaat op regionaal niveau. Daarnaast moet er een landschappelijk raamwerk worden ontworpen, waarin functies als landbouw, natuur, waterbeheer, recreatie en mogelijkheden voor verstedelijking duidelijk zijn gepositioneerd. Ook een optimale wisselwerking tussen stedelijke en landelijke gebieden moet worden aangegeven. De relatie stad-land, de voedingsaders voor natuur in de stad, moet worden geoptimaliseerd en worden beschermd. 4.3.1.3 Gemeentelijk beleid Kaderstelling Bomenbeleid (2004-2014; actualisatie Bomennota 1993) De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen. Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998) Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen. De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn: Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in. Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken. Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES. Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden (2005) De Flora- en Faunawet stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd. 33
Deze Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Floraen Faunawet. Het Ecologisch toetsingskader voor stedelijke projecten (2003) en het Stadsnatuurmeetnet vormen de basis van de Gedragscode. 4.3.2 Onderzoeksresultaten Door Bureau Stadsnatuur Rotterdam (BSR) is een quickscan in het kader van de Flora- en faunawet uitgevoerd. Deze quickscan met kenmerk 0858 van 24 september 2012 is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt. Er zijn potenties in het onderzoeksgebied aanwezig voor soorten van tabel 2 en tabel 3 van de Flora- en faunawet van de volgende soortgroepen: ongewervelden; flora; vissen; vogels; vleermuizen. Het gaat hierbij om 21 soorten. Het betreft negen soorten van tabel 2, vijf sooten van tabel 3 en zeven jaarrond beschermde vogelsoorten. Kerngebieden met een hoge kans op de aanwezigheid van meerdere beschermde soorten bevinden zich globaal in vijf zones in het plangebied. In deze zones zullen ruimtelijke ingrepen voorafgegaan moeten worden door ecologisch onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten. Algemeen gesteld zijn drie elementen in het plangebied direct een aanleiding voor vervolgonderzoek in het kader van de Flora- en faunawet: -watergangen. Ruimtelijke ingrepen waarbij sloten zullen worden aangetast kunnen niet worden uitgevoerd zonder gedegen visonderzoek op voorhand. Bij goede waterkwaliteit zal aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden naar Platte schijfhoren; -bomenrijen. Nader onderzoek naar vaste verblijven van vogels of vleermuizen is wenselijk indien kapwerkzaamheden voorgenomen zijn. Ook beschermde vliegroutes van vleermuizen zijn mogelijk; -gebouwen met spouwmuren. Dit type gebouwen heeft een reële kans verblijven van vleermuizen te herbergen. Tot slot geldt dat ruimtelijke ingrepen uitgevoerd zullen moeten worden volgens de richtlijnen van de Gedragscode ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden. Dit om verstoring van soorten van tabel 2 van de Flora- en faunawet en broedende vogels te voorkomen. Aangezien het bestemmingsplan een conserverend karakter heeft waarin geen ruimtelijke ingrepen mogelijk worden gemaakt zijn vervolgonderzoeken in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig. Indien sprake is van concrete ontwikkelingen dan zal daar een aparte procedure voor doorlopen worden, met ook een apart flora- en faunaonderzoek. 34
4.4 Kabels en leidingen Het betreft een conserverend bestemmingsplan zodat aanwezige kabels en leidingen in het plangebied geen belemmeringen vormen voor ontwikkelingen. 4.5 Milieuaspecten 4.5.1 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1.1 Beleidskader Landelijke wet-/regelgeving en instrumentarium De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) (editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt ondermeer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes is weergegeven in onderstaande tabel. Richtlijnen (in meters) tot omgevingstype (op basis van VNG uitgave Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)) Categorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 0 2 30 10 3.1 50 30 3.2 100 50 4.1 200 100 4.2 300 200 In gebieden met functiemenging, zoals binnensteden, kunnen sommige soorten bedrijven aanpandig of inpandig aan woningen grenzen. Dit is in dat soort gebieden vaak al de praktijk. Ook kan gekeken worden naar de specifieke situatie bij een bedrijf: als een bedrijf afwijkt van het 'gemiddelde' bedrijf uit de VNG handreiking, of als het bedrijf al beperkt wordt door bestaande woningen in de buurt, kan een andere afstand worden aangehouden. Een afwijkende afstand wordt onderbouwd met onderzoek dat aantoont dat met die afstand een goed woon- en leefklimaat behouden blijft. 35
4.5.1.2 Onderzoeksresultaten In bijlage 1 is een actueel overzicht gegeven van de bij de Omgevingsdienst aanwezige vergunningplicht bedrijfslocatie binnen het plangebied. In zijn algemeenheid zullen bij nieuwe ontwikkelingssituaties de bovengenoemde uitgangspunten uit de VNGhandreiking worden gehanteerd. Uit het overzicht in bijlage 1 valt echter op te maken dat voor een aantal bedrijven en onderzoeks-/onderwijsinstellingen sprake is van een bijzondere (milieu)categorie die niet is opgenomen in de VNG handreiking. Dit komt omdat binnen die bedrijven of instellingen sprake is van laboratoria waarin gewerkt wordt met pathogene micro organismen (pmo) en of genetisch gemodificeerde organismen (ggo). Het specifieke milieuzoneringsbeleid dat de gemeente Leiden voor dergelijke bedrijven en/of instellingen heeft vastgesteld ten behoeve van de vigerende bestemmingsplannen Leeuwenhoek en Boerhaave-Sylvius wordt in dit bestemmingsplan voortgezet. Hieronder wordt hierop dieper ingegaan. Bij het vaststellen van het specifiek zoneringsbeleid is gebruik gemaakt van het onderzoek van TNO (januari 2002, nr PG/VGZ2002.011). De vraagstelling van dit onderzoek richtte zich specifiek op de risico's van grotere researchlaboratoria en bedrijven/instellingen die werken met of aan pathogene micro-organismen (pmo) en genetisch gemodificeerde organismen (ggo) dan wel laboratoria en bedrijven/instellingen die deze organismen in opslag hebben. De conclusies van het TNO onderzoek waren: De snelle wetenschappelijke ontwikkelingen bij ggo kunnen aanleiding zijn voor een regelmatige aanpassing van de regelgeving; Binnen de betreffende inrichtingen bestaat onder normale werkomstandigheden een geringe kans op een voorval waarbij mogelijk ziekteverwekkende organismen vrijkomen. In de vergunning voor genetische modificatie worden, afhankelijk van de aard van de organismen, maatregelen voorgeschreven om de organismen "binnen te houden"; Bij calamiteiten bestaat er in principe een grotere kans op verspreiding van organismen in de omgeving. Slechts een beperkt aantal pmo of ggo kan zich via de lucht verspreiden. De belangrijkste verspreidingsroute voor pmo of ggo loopt via mens-mens of mens-dier contacten. Verder zijn afval en afvalwater potentiële verspreidingsroutes. Hiervoor kunnen in de vergunningverlening zo nodig specifieke voorschriften worden opgenomen; Met betrekking tot risicoperceptie stelt TNO dat activiteiten zoals die in de Leeuwenhoek plaatsvinden aanleiding kunnen zijn voor het ontstaan van bezorgdheid onder omwonenden. Uit verschillende bronnen blijkt dat in het algemeen bij grote delen van de bevolking een wantrouwen bestaat tegenover genetische modificatie. Omdat het gaat om een fenomeen dat stress kan veroorzaken, is het verkleinen van de kans op bezorgdheid aan te bevelen. Verwacht wordt dat de bezorgdheid beperkt kan worden door het vergroten van de psychologische afstand: door bijvoorbeeld de feitelijke afstand te vergroten (zonering), maar bijvoorbeeld ook door bij de planvorming rekening te houden met visuele afscherming. Mede op grond van de resultaten van het onderzoek van TNO, het advies over de milieuzonering in het kader van juridische vereisten van prof. Mr. N.S.J. Koeman en het overleg met de universiteit zijn onderstaande beleidsuitgangspunten geformuleerd ten aanzien van de milieuzonering. Er bestaan geen wettelijke regels omtrent de zonering van laboratoria die werken aan of met pmo of ggo. Ook in de lijst van bedrijfstypen zoals opgenomen in de VNG-handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (2009) worden deze niet expliciet vermeld. In deze handreiking wordt (in de tabel met opslagen en installaties) voor (bio)chemische laboratoria een richtafstand van 30 meter ten opzichte van een rustige woonwijk aangehouden. Hieraan is de aanduiding "D" toegevoegd, hetgeen aangeeft dat er een grote diversiteit binnen de bedrijfstak is. Dat kan aanleiding geven tot het hanteren van afwijkende afstanden. Voor medische laboratoria en laboratoria voor hoger onderwijs noemt de VNG handreiking eveneens 36
een richtafstand van 30 meter tot een rustige woonwijk. In het Biosciencepark is sprake van een concentratie van de betreffende activiteiten. Daarnaast is er op een aantal aspecten onzekerheid over de eventuele effecten van met name calamiteiten. Tenslotte blijkt dat de betreffende activiteiten in potentie aanleiding kunnen zijn voor het ontstaan van bezorgdheid bij de bewoners. Op grond hiervan hebben de gemeente en de Omgevingsdienst West-Holland op basis van het rapport van TNO voorgesteld om voor de betreffende activiteiten de genoemde richtafstand van 30 m (in de VNG-publicatie) tot 100 m te verhogen. Er moet dan rekening worden gehouden met een afstand van 100 m ten opzichte van gevoelige functies. Bij het bepalen van deze afstand hebben de volgende conclusies uit het onderzoek van TNO een grote rol gespeeld: In de vigerende milieuvergunningen van de laboratoria zijn daadwerkelijk maatregelen voorgeschreven om te voorkomen dat mogelijk ziekteverwekkende organismen vrijkomen uit het laboratorium; In de vigerende milieuvergunningen zijn daar waar noodzakelijk specifieke voorschriften opgenomen om verspreiding via afval en afvalwater te voorkomen; De risicoperceptie van omwonenden is van groot belang. De gemeente zal aandacht besteden aan het aspect in de communicatie met omwonenden. Milieuzonering bedrijven/instellingen met ggo-laboratoria In het bestemmingsplan geldt dus als uitgangspunt voor bedrijven en instellingen met laboratoria die werken met of aan pmo of ggo een afstand van ten minste 100 meter ten opzichte van gevoelige functies. In de huidige situatie zijn op enkele locaties de realisatie van gen-labs of de realisatie van (nieuwe) gevoelige/beperkt gevoelige functies mogelijk gemaakt, zoals woningen. Hierover kan het volgende worden vermeld: De woningen ten noorden van de Hogeschool: Deze liggen op een afstand van meer dan 50 m vanaf de gen-laboratoria van de Hogeschool. Voor deze woningbouw wordt een afstand van 50 m voldoende geacht ten opzichte van de Hogeschool als bron, vanwege het lage niveau van onderzoek (categorie ML-I). Dit is een afwijking van bovenstaand uitgangspunt. In de zonering van de school zijn de betreffende laboratoria-activiteiten alleen in het zuidelijk deel van de school gesitueerd. De milieuvergunning van de Hogeschool is hier ook op aangepast. Bij het bepalen van deze afstand werd ook de verminderde risicoperceptie meegenomen in de afweging. Bewoners van deze woningen, zullen veelal studenten van de Hogeschool of de universiteit zijn en daarmee dus bekend met de werkzaamheden en risico's van gen-laboratoria. Om die reden is 50 meter afstand tot de laboratoria voldoende geacht. Dit is verwoord in het Collegebesluit van 14 april 2009.De afstand tussen nieuwe woningen en het bouwvlak van TNO als gen-lab bedraagt 100 m. Hiermee is voldaan aan het gemeentelijke beleid, als het gaat om de afstand tot TNO. De onderwijsinstelling op de locatie ten noorden van TNO: deze locatie zal door de Hogeschool gebruikt gaan worden en is daarmee niet gevoelig. Ten behoeve van deze onderwijsvoorziening zullen eveneens ondersteunende voorzieningen als kantoren mogelijk worden gemaakt. Gelet op de relatie met de onderwijsinstelling worden deze ondergeschikte kantoren als niet gevoelig beschouwd. Dit geldt eveneens voor mogelijke kantoren als ondergeschikte functie op de bestaande Hogeschool-locatie. De functies in het gebied, zoals voorzieningen voor tijdelijke huisvesting (korter dan 6 maanden), horeca, kantoren, congresfaciliteiten, sportvoorzieningen): deze liggen op een afstand van minstens 50 m vanaf de bestemde gen-laboratoria in het plangebied en de gen-laboratoria buiten het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijke beleid. De (nieuwe) sportvelden tussen Sylvius en Gorleaus gebied: de bestemming sport ligt op een afstand van minstens 25 m vanaf de bestemde ggo-laboratoria in het plangebied. Sportvelden worden conform het gemeentelijk beleid niet als gevoelig of beperkt gevoelig 37
aangemerkt. Gelet op de korte verblijftijd van sporters ter plaatse en de hoge mate van zelfredzaamheid wordt een afstand van 25 tot 30 m als voldoende beschouwd. Resumerend kan worden gesteld dat voor wat betreft de milieuzonering voor bedrijven en instellingen waar met pmo of ggo wordt gewerkt de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: Functie gevoeligheid leef-/verblijfsgebied Richtafstanden ten opzichte van bedrijven/instellingen met ggo laboratoria (in meters) Gevoelig 100 Beperkt gevoelig 50 Niet gevoelig 0 Uitgaande van het bovenstaande betekent dit dan in het gebied dat ligt langs de Plesmanlaan, grofweg vanaf de Darwinweg, via de Einsteinweg en de Ehrenfestweg naar de A44, bij de planning van bedrijven die met ggo's werken, rekening worden gehouden met de gewenste afstand van 100 meter die geldt naar gevoelige functies. Immers, aan de overkant van de Plesmanlaan liggen woningen op enkele punten op een kleinere afstand dan 100 meter. Het betreft hier woningen aan de Muiderkring, de Jan Luykenlaan en Schouwenhove. Aan de Verbeeklaan zijn in een huidig kantoorpand zowel studentenwoningen (nr. 11 t/m 23) als reguliere woningen gepland (nr. 2 t/m 12). Deze (studenten)woningen komen nog het dichtste bij het plangebied. De woningen aan de Van Ravelingenstraat liggen op voldoende afstand (140 meter). Dit betekent, dat niet zonder meer een GGO inrichting aan de rand van het plangebied aan de Plesmanlaan gevestigd kan worden. Conclusie Binnen het plangebied is een aantal bedrijven en instellingen aanwezig waar gewerkt wordt met pmo en/of ggo. Voor dergelijke bedrijven is een milieuzoneringsmethodiek vastgesteld die afwijkt van de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Bij vestiging van nieuwe bedrijven in het gebied ziet de milieuzonering er samengevat als volgt uit: Functie gevoeligheid leef-/verblijfsgebied Richtafstanden ten opzichte van bedrijven/instellingen met pmo en/of ggo laboratoria (in meters) Gevoelig 100 Beperkt gevoelig 50 Niet gevoelig 0 Dit betekent, dat niet zonder meer een pmo dan wel ggo inrichting aan de rand van het plangebied aan de Plesmanlaan gevestigd kan worden gelet op de aanwezigheid van gevoelige functies ten zuiden van de Plesmanlaan. 38
4.5.2 Bodem 4.5.2.1 Beleidskader Wet ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde "spoed- of risicolocaties")). Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Lok aal bodembeleid De regels voor grondverzet volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. In de gemeente Leiden is het generieke beleid van kracht. Dat betekent dat toe te passen grond altijd aan twee eisen moet voldoen: toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als de ontvangende bodem - (op niveau van bodemkwaliteitsklasse); toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als geldt voor de op betreffende plek geldende bodemfunctieklasse; voor de gemeente Leiden is een bodemfunctieklassenkaart beschikbaar. Aanvullende regels hierop zijn opgenomen in de regionale bodembeheernota. 39
4.5.2.2 Onderzoeksresultaten In de jaren tachtig van de vorige eeuw is het plangebied in ontwikkeling genomen. Het westelijke en een groot deel van het oostelijke deel bestond uit weilanden. De bodemkwaliteit van het plangebied is voordat het in ontwikkeling is genomen middels een aantal grootschalige bodemonderzoeken in beeld gebracht. Veelal zijn er vervolgonderzoeken uitgevoerd van percelen, die later in ontwikkeling zijn genomen. Het oostelijke deel grenzend aan het centraal station en ter hoogte van het "Pesthuis" is geleidelijk vanaf de zeventiende eeuw in gebruik genomen. Met name ter hoogte van het "Pesthuis" is het gebied intensiever gebruikt. Dit gebied is "verdacht" en bodemverontreiniging is hier dan ook aangetroffen. Het binnengebied van het "Pesthuis" is gesaneerd. Verontreinigingen van dien aard zijn verder binnen het Biosciencepark niet aangetroffen. Over het algemeen zijn in de grond en het grondwater lichte verontreinigingen aangetroffen. Een enkele keer is er een uitschieter aan zware metalen aangetroffen boven de tussenwaarde. Deze matige verontreinigingen zijn van beperkte omvang en hebben op de ontwikkeling/herinrichting van dit plangebied geen invloed. Momenteel bevinden zich vele bedrijven binnen het plangebied, die mogelijk bodembedreigende activiteiten uitvoeren. Verontreinigingen, die zij veroorzaken dienen op basis van de Zorgplicht (Wbb artikel 13) direct verwijderd te worden. De bedrijven hoeven dus geen probleem te zijn voor een verslechtering van de bodemkwaliteit. Mocht er grond worden aan- of afgevoerd, dan moet dit plaatsvinden volgens de door de overheid gestelde regels. In het bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit. Conclusie Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk. Verder zijn er binnen het plangebied geen "spoed- of risicolocaties" aanwezig. Om deze redenen hoeft de bodem ten behoeve van dit plan niet te worden onderzocht of gesaneerd. 4.5.3 Externe veiligheid 4.5.3.1 Beleidskader Algemeen Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR). Landelijk beleid Het Rijk heeft voor de verschillende risicobronnen beleid vastgesteld. Inrichtingen: Het beleid voor de opslag van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), voor zover de risico's door een inrichting worden veroorzaakt. Buisleidingen: Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). 40
Transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor: Voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire Rnvgs) en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing. In de Circulaire Rnvgs is een risicobenadering die vergelijkbaar is met de risicobenadering die voorgeschreven is in het Bevi. Op termijn zullen de Circulaire Rnvgs en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen vervangen worden door het in voorbereiding zijnde Besluit transport externe veiligheid (Btev). In het Btev zal dezelfde risicobenadering gehanteerd worden als in het Bevi gehanteerd wordt. Begrippen externe veiligheid Binnen externe veiligheid spelen een aantal begrippen een belangrijke rol, nl. het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico en de belemmeringenstrook buisleidingen. Hieronder zijn deze begrippen nader uitgewerkt. Plaatsgebonden risico: Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar voor nieuwe en bestaande situaties. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Eventueel aanwezige kwetsbare bestemmingen moeten gesaneerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan. Verantwoordingsplicht groepsrisico: De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (OW): met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ligt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen een factor 10 lager dan voor inrichtingen. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding (zie ook Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico voor inrichtingen). Belemmeringenstrook buisleidingen: De belemmeringenstrook is een strook van 4 of 5 meter aan weerszijden van de leidingen die moet worden vrijgehouden ten behoeve van onderhoud en werkzaamheden aan de buisleiding. De bedoeling is dat alle PR 10-6 contouren rondom buisleidingen teruggebracht worden tot een afstand binnen de zgn. belemmeringenstrook. In de belemmeringenstrook mag niet gebouwd worden, tenzij met toestemming (via een ontheffing of een aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders. Hiervoor zijn in de Regels voorwaarden opgenomen waarmee voldaan wordt aan artikel 14, lid 2 Bevb. Werkzaamheden in deze strook mogen alleen worden uitgevoerd door of met instemming van de leidingbeheerder. De ligging van de leidingen en de belemmeringenstrook is op de Verbeelding vastgelegd. Transport gevaarlijk stoffen over weg: veiligheidszone en plasbrandaandachstgebied : 41
Voor wegen die onderdeel zijn van het Basisnet Weg zijn veiligheidsafstanden vastgelegd : de veiligheidszone en het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Bij de vaststelling van de veiligheidzones is rekening gehouden met een toename van het transport van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet Weg geeft een gebruiksruimte aan de daarin opgenomen wegen. De veiligheidszone is zodanig gekozen dat rekening houdend met de gebruiksruimte het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op de grens van de zone niet meer bedraagt dan 10-6 per jaar. Binnen de veiligheidszone mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd. Voor wegen met een veiligheidszone van '0' meter, betekent dit dat de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico niet buiten de weg ligt. Binnen het PAG van 30 meter mag slechts bij hoge uitzondering en met een goede motivatie gebouwd worden. Voor wegen die deel uitmaken van het Basisnet moet voor de berekening van het groepsrisico worden uit gegaan van de in bijlage 2 van de Circulaire Rnvgs vermelde vervoercijfers. Deze vervoercijfers zijn gebaseerd op een maximale benutting van de gebruiksruimte voor het vervoer over het Basisnet. De in bijlage 2 vermelde vervoercijfers hebben alleen betrekking op LPG (GF3). Dit laat onverlet dat de omvang van het invloedsgebied mede wordt bepaald door andere gevaarlijke stoffen. Het invloedsgebied wordt derhalve ook voor de in bijlage 2 genoemde wegen bepaald door de gevaarlijke stof die over de betreffende weg wordt vervoerd met grootste 1% letaliteitsgrens. Lok aal beleid Provinciaal (zuid Holland): De provincie Zuid Holland ambieert een veilig Zuid-Holland. In de provinciale structuurvisie (PSV) staat als provinciaal belang genoemd het 'beschermen van grote groepen mensen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen'. De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een verantwoording groepsrisico schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom deze ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is. Op basis van een verantwoording groepsrisico moet aannemelijk worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde. Holland Rijnland: De regio Holland-Rijnland heeft in 2008 een Omgevingsvisie externe veiligheid opgesteld. In deze omgevingsvisie heeft de regio een beslismodel opgesteld op basis van zonering van het groepsrisicodiagram (het fn-diagram, f= kans op calamiteit, N=aantal slachtoffers). Het model gaat uit van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Aan de zones in het diagram zijn verschillende handelswijzen gekoppeld. Als de groepsrisicocurve voor een bepaalde activiteit of ruimtelijke ontwikkeling in een bepaalde zone uitkomt, volgt uit het beslismodel onder welke voorwaarden de activiteit of ruimtelijke ontwikkeling is toegestaan. 4.5.3.2 Onderzoeksresultaten Het plangebied ligt niet in een effectgebied (1% letaliteitsafstand) van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. 42
Wel is aandacht nodig voor: 1. transportroutes: A4, A44, N206, Plesmanlaan, 2. bedrijven:, Apotex, Dutch Space, MultiEnergy. Ad 1 Rijksweg A4: Het plangebied ligt in het effectgebied van de A4, maar wel een op ruime afstand van 2km. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied waar dodelijk slachtoffers kunnen vallen (1% letaliteitstafstand) reikt tot meer dan 4 kilometer. Het plan heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid. Rijksweg A44: Het Biosciencepark wordt aan de Westzijde begrensd door de A44. Een deel van de A44 ligt in het plangebied. Over de A44 worden brandbare vloeistoffen en brandbare gassen getransporteerd. Het effectgebied van de A44 reikt tot 355 meter vanaf de weg. De A44 heeft een veiligheidszone van 0 meter en heeft geen PAG. Voor de A44 zijn diverse risicoberekeningen beschikbaar. Het groepsrisico is 0,221 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico verandert niet met dit plan. N206: Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de N206. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT2 heeft de N206 een effectgebied van 900 meter. Het groepsrisico van de N206 is erg laag. Het plan heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid. Plesmanlaan: Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan de Plesmanlaan. De Plesmanlaan wordt gebruikt voor het transport van LPG ter bevoorrading van het LPG tankstation aan de Plesmanlaan. Zie daarom hiernavolgende onder MultiEnergy. Het groepsrisico langs de Plesmanlaan is in de huidige situatie 0,11 maal de oriëntatie. Een groei van 50% LPG transport veroorzaakt een stijging tot 0,195 maal de oriëntatiewaarde.dit blijft met dit plan hetzelfde. Ad 2 Apotex: Aan de Archimedesweg is Apotex gevestigd. Apotex produceert medicijnen en heeft daarvoor een grote opslag van grondstoffen, waarvan een deel gevaarlijke stoffen. Apotex valt door de opslag van meer dan 10 ton gevaarlijke stoffen onder de werkingssfeer van het Bevi. De PR grenswaarde contour (PR 10-6 contour) ligt binnen de inrichtingsgrenzen, het effectgebied is 97 meter. Apotex veroorzaakt in de huidige situatie geen groepsrisico, want het maximale aantal slachtoffers bedraagt volgens de berekening 8 personen. Dit verandert niet met dit plan. 43
Dutch Space: Hiervoor heeft het Centrum voor Externe Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu een risicoanalyse opgesteld. De effecten bij een calamiteit zijn beperkt. Bij Dutch Space worden kleine hoeveelheden ontplofbare stoffen van klasse 1.1 (0,05 kg), 1.3 (200 kg) en 1.4 (0,2 kg) opgeslagen. De klasse 1.1 en 1.4 stoffen worden opgeslagen in opslagkasten in het gebouw van de inrichting. Volgens het onderzoek van het RIVM blijft het effect van een calamiteit beperkt tot de opslagkast. De klasse 1.3 stoffen worden opgeslagen in een opslaggebouw op het buitenterrein. De locatie voldoet aan de afstandseisen van de Circulaire opslag ontplofbare stoffen. Volgens het onderzoek van het RIVM reikt het effect van een calamiteit tot ca 12 meter. De locatie van de opslagvoorziening is zodanig gekozen dat het effect van een calamiteit binnen de inrichtingsgrenzen blijft. MultiEnergy: In 2010 is de vergunning van dit bedrijf geactualiseerd. In de vergunning zijn de volgende voorschriften opgenomen: de LPG doorzet is max 1000 m3 per jaar, bevoorrading met LPG vindt uitsluitend plaats in de uren tussen 21.00 uur en 6.00 uur, het LPG-reservoir mag maximaal tot 50% met vloeibaar LPG worden gevuld. PR: Binnen een straal van 45 meter vanaf het vulpunt, 25 meter vanaf het LPG-reservoir en 15 meter vanaf de afleverzuil van LPG zijn geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten gelegen. GR: Een deel van het plangebied ligt binnen het effectgebied van het LPG tankstation. Een deel ligt in het invloedsgebied waarvoor een groepsrisico verantwoording verplicht is. Het invloedsgebied van een LPG-tankstation bedraagt 150 meter. In de huidige situatie ligt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Vanwege de vestiging van een nieuw kantoorgebouw aan de Vondellaan 47 (Heerema) zijn de gemeente Leiden en MultiEnergy reeds in gesprek over beëindiging van de LPG verkoop. De gemeente Leiden en MultiEnergy zijn overeengekomen (overeenkomst uit 2008) dat de LPG verkoop nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen niet in de weg mag staan. Mocht door een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling de GR oriëntatiewaarde overschreden worden dan moet de LPG verkoop worden beëindigd. Met ander woorden als door nieuwbouw in het Biosciencepark het GR groter wordt dan de oriëntatiewaarde moet de LPG verkoop worden gestaakt. Het LPG tankstation is dus geen onoverkomelijk obstakel. Conclusie Binnen het plangebied bevindt zich vanuit oogpunt van externe veiligheid een aantal relevante bronnen. Het gaat hierbij om 1. transportroutes: A4, A44, N206 en Plesmanlaan, 2. bedrijven:, Apotex, Dutch Space, MultiEnergy. Geen van deze risicobronnen is een onoverkomelijk obstakel. 44
4.5.4 Geluid 4.5.4.1 Beleidskader Landelijke wet-/regelgeving en beleid Wet geluidhinder: Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen. Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden op grond van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het in sommige gevallen, zoals bij drukke 30 km wegen, toch nodig zijn om de akoestische situatie in kaart te brengen, om te beoordelen of het een goede locatie is voor een geluidgevoelige functie. Met betrekking tot industrielawaai geldt dat alleen een geluidszone moet worden vastgesteld voor een bedrijventerrein waarop grote lawaaimakers mogen worden gevestigd. Omdat op het bedrijventerrein geen grote lawaaimakers mogen worden gevestigd wordt aan de zonering industrielawaai geen nadere aandacht besteed. Hierna wordt wel aandacht besteed aan het geluid van de bedrijven. Locale wet-/regelgeving en beleid Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder: De Omgevingsdienst West-Holland voert namens de aangesloten gemeenten de hogere waarde procedure uit. Het bestuur van de Omgevingsdienst heeft richtlijnen vastgesteld, die de Omgevingsdienst gebruikt als kader bij het beoordelen van verzoeken van gemeenten om een hogere waarde. Deze richtlijnen hanteren 5 db lagere normen dan het maximum dan wat op grond van de Wet geluidhinder mogelijk is. Deze richtlijn sluit daarmee aan bij de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Leiden. 4.5.4.2 Onderzoeksresultaten Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk. Hierdoor is er geen akoestisch onderzoek nodig. 4.5.5 Luchtkwaliteit 4.5.5.1 Beleidskader Landelijk wet-/regelgeving en beleid In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 45
Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijn stof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen in bijlage 2 zijn minder kritisch. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL): De 'Wet luchtkwaliteit' vormt de Nederlandse uitwerking van de Europese normen voor de luchtkwaliteit. Op grond van de Europese regelgeving moet vanaf 2005 overal in Europa worden voldaan aan de grenswaarde voor fijn stof. Voor stikstofdioxide geldt de grenswaarde vanaf 2010. In ons land is het niet gelukt om overal aan de grenswaarden te voldoen. Daarom heeft Nederland om uitstel verzocht. Op 7 april 2009 heeft de Europese Commissie het gevraagde uitstel gegeven. De jaargemiddelde norm voor fijn stof moet uiterlijk in juni 2011 gehaald zijn en de daggemiddelde en jaargemiddelde norm voor NO2 uiterlijk 1 januari 2015. Om deze normen te halen is een maatregelenpakket opgesteld, dat in een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid en de lagere overheden wordt uitgevoerd. Dit pakket wordt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) genoemd. Het NSL is op 1 augustus 2009 van kracht geworden en vormt de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het Rijk coördineert het programma. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen. Hiervan zijn de volgende van belang. Besluit en regeling 'niet in betekenende mate': De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten die in betekenende mate bijdrage kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevat criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen: Met dit besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van 46
provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide. Gevoelige bestemmingen zijn gedefinieerd als gebouwen met de bijbehorende terreinen van scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen en vergelijkbare functies. Woningen worden hier niet toe gerekend. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitonderzoek nodig is, namelijk 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Wanneer in de onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo'n plek de vestiging van de gevoelige bestemming niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10 % van het totale aantal blootgestelden toegestaan. Regionaal beleid Duurzaamheidsagenda 2011-2014 (gemeente Leiden): In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Leiden zijn voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit de volgende zaken opgenomen: voor de helft van de nieuwbouwwoningen geldt dat de luchtkwaliteit minimaal 5-10% beter is dan de wettelijke grenswaarden (36 tot 38?g/m3); op woonlocaties ligt de norm voor luchtkwaliteit 10% lager dan de grenswaarden (< 36?g/m3); er worden geen scholen, kdv's, verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen e.d. gerealiseerd/uitgebreid binnen 300 meter van de snelweg en 50 meter van een drukke weg (>10.000 mvt/etm); er worden geen woningen, sporthallen, sportvelden, gevangenissen en ziekenhuizen gerealiseerd binnen 100 meter van de snelweg en 50 meter van een drukke weg (>10.000 mvt/etm). Luchtkwaliteitsplan Leiden: Deze planperiode is afgerond en het plan is geëvalueerd. De luchtkwaliteit in Leiden voldoet nog niet overal aan de grenswaarden. Daarom is een luchtkwaliteitsplan 2011-2014 in voorbereiding. Het nieuwe luchtkwaliteitsplan valt onder de paraplu van de Duurzaamheidsagenda 2011-2014. Regionaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit: In het Regionale Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit Zuid Holland zijn een aantal maatregelen ingebracht, die in regio Holland Rijnland worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn opgenomen in het NSL. De uitvoering van deze maatregelen wordt door Omgevingsdienst West-Holland gecoördineerd. 4.5.5.2 Onderzoeksresultaten Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk. Hierdoor is er geen luchtonderzoek nodig. Wanneer zich ontwikkelingen voordoen zal moeten worden nagegaan of onderzoek noodzakelijk is. 47
4.6 Milieueffectrapportage 4.6.1 Beleidskader Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een milieuvergunningsprocedure. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht en die dus alle drie moeten worden getoetst. Hierbij zijn de activiteiten bepalend waarop het plan of besluit betrekking heeft. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) Op grond van het Besluit m.e.r. toetst men of het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Het plan of besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig: dit betekent dat door het bevoegd gezag moet worden beoordeeld of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Als dat het geval is, geldt de m.e.r.-plicht: Voor een plan als bedoeld in kolom 3 'plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er dient door het bevoegd gezag in een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden beoordeeld of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Toetsing aan artikel 7.2a lid 1 van de Wet milieubeheer Op grond van artikel 7.2a lid 1 van de Wet milieubeheer moet een planmer worden opgesteld wanneer er voor het plan een passende beoordeling moet worden opgesteld. Een passende beoordeling moet op grond van artikel 19j lid 2 van de Natuurbeschermingswet (Nb-wet) worden opgesteld, wanneer als gevolg van het plan significante negatieve effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. Toetsing aan de provinciale milieuverordening 48
Door Provinciale Staten kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. 4.6.2 Onderzoeksresultaten Het betreft een conserverend bestemmingsplan. In principe worden er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt en hoeft er geen m.e.r -beoordeling plaats te vinden. Daarnaast moet bekeken worden of een zogenaamde "passende beoordeling "op grond van artikel 19j lid 2 van de Nb-wet gedaan moet worden. Hiervan is sprake wanneer als gevolg van het plan significante negatieve effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten (toets Nb-wet artikel 19j lid 1). Het zou in dit geval dan gaan om het gebied 'Meijendel & Berkheide' dat op circa 4,5 km van het plangebied ligt. Behalve nieuwe ontwikkelingen, die met het plan niet mogelijk worden gemaakt, moet hierbij rekening worden gehouden met onbenutte ontwikkelingsruimte,wijzigings- en ontheffingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen die vanuit het vigerend plan mogelijk zijn en in dit plan worden overgenomen. Op basis van de info van de gemeente Leiden is aangenomen dat hiervan geen sprake is. Een m.e.r. beoordeling is niet nodig. Het plan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Bovendien bevat het plan geen onbenutte ontwikkelingsruimte,wijzigings- en/of ontheffingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen vanuit het vigerend plan waardoor een passende beoordeling en daarmee een eventuele plan-mer evenmin noodzakelijk zijn. 4.7 Verkeer en vervoer 4.7.1 Beleidskader 4.7.1.1 Nota mobiliteit De Nota Mobiliteit geeft de visie van het rijk op het verkeer en vervoersbeleid weer tot en met 2020. De Nota is in samenwerking met de provincies, gemeenten, kaderwetgebieden en waterschappen tot stand gekomen. De Nota Mobiliteit is een zogenaamde planologische kernbeslissing (pkb), een planfiguur die wordt beschreven in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en die de nota zijn wettelijke status geeft. Dit betekent dat eerst een beleidsvoornemen wordt gemaakt, waarna inspraak en advies volgen en tot slot een kabinetsstandpunt met parlementaire behandeling. De ruimtelijke aspecten van het verkeersen vervoersbeleid komen terug in de Nota Ruimte van het ministerie van VROM. De minister van Verkeer en Waterstaat heeft op 28 mei 2004 de hoofdlijnennotitie voor de Nota Mobiliteit aan de Tweede Kamer aangeboden. In de hoofdlijnennotitie worden de volgende beleidsdoelen aangegeven: het verbeteren van de internationale bereikbaarheid; het verbeteren van de interne en onderlinge bereikbaarheid van de nationale stedelijke netwerken en economische kerngebieden; een goed functionerend systeem voor het vervoer van personen en goederen als essentiële voorwaarde voor economische ontwikkeling; het inzetten op proces- en technologie-innovatie ter realisering van de beleidsdoelen. De uitgangspunten bij het realiseren van deze beleidsdoelen zijn betrouwbare reistijden, vlotte en veilige verkeersafwikkeling binnen de (inter)nationale wettelijke en beleidsmatige kaders van milieu en leefomgeving. Een goede bereikbaarheid is een voorwaarde voor de sociale en economische ontwikkeling in Nederland. Op zijn beurt creëert die ontwikkeling weer nieuwe 49
mobiliteit. Mobiliteit mag, maar niet altijd en overal. Mensen moeten mobiel kunnen zijn om maatschappelijk te kunnen participeren. 4.7.1.2 Regionaal Verkeer- en Vervoerplan (RVVP) Begin juli 2002 is het ontwerp Regionaal Verkeer- en Vervoerplan verschenen. In dit RVVP met de titel 'De Regio's Verbonden' wordt aangegeven wat de komende jaren het beleid zal zijn voor de Leidse Regio, de Duin en Bollenstreek en de Provincie Zuid-Holland. Met het plan wil men vraagstukken aanpakken die op het gebied van mobiliteit een bijdrage leveren aan een goed klimaat om te wonen, werken en ondernemen in de regio. Ten aanzien van het plangebied zijn de volgende aandachtsvelden van belang: Mobiliteit en ruimte; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen: a. betere afstemming van de ruimtelijke ontwikkelingen en de vervoersnetwerken; b. bundeling van activiteiten op locaties die goed bereikbaar zijn met de vervoermiddelen die daarbij horen; in dit geval het openbaar vervoer; c. een uitgekiende ruimtelijke ordening, zodat gebruik van fiets en openbaar vervoer gestimuleerd worden. De fiets; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen: a. meer gebruik van de fiets in stedelijke gebieden; b. gebruik van fiets als voor- en natransport bij het openbaar vervoer. Openbaar vervoer; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen: a. een snel en hoogwaardig verbindend regionaal hoofdnet (HOV); b. het hoofdnet en het onderliggend netwerk moeten afzonderlijk en eenduidig herkenbaar zijn. 4.7.1.3 Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (GVVP), Leiden, stad in beweging Leiden is strategisch gelegen als schakelpunt tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Dat blijkt ook uit de mobiliteitscijfers. De gemiddelde Leidenaar maakt 10% meer verplaatsingen dan personen in vergelijkbare sterk stedelijke gemeenten. Om dit zowel nu en in de toekomst vlot en veilig te kunnen blijven doen zijn er diverse inspanningen nodig. Omdat het verkeers- en vervoersbeleid in Leiden nu nog verwerkt is in een scala aan deelplannen is dit integraal verkeers- en vervoersplan opgesteld. Hierin is de onderliggende visie verwoord, wordt de samenhang met andere vakdisciplines aangeven, komen alle vervoerwijzen aan bod en is een actieplan opgesteld voor uitwerking van het beleid. Nadrukkelijk is daarbij gekeken naar de verwachtingen voor de toekomst. Centraal binnen het plan staat het stimuleren van duurzame mobiliteit. Dat wil zeggen dat door de te nemen maatregelen én de noodzakelijke bereikbaarheid van voorzieningen met verschillende vervoerswijzen is gewaarborgd én een bijdrage wordt geleverd aan een kwalitatief goede leefomgeving. De mobiliteitsvraag wordt gefaciliteerd uit oogpunt van vitaliteit en economie. Echter, Leiden als historische stad en verblijfsplaats, waar de netwerkstructuur en de openbare ruimte niet optimaal zijn ontwikkeld op het massale autogebruik van de nieuwe tijd, noodzaakt wel tot een beheerste groei van die mobiliteit. Er wordt sterk ingezet op behoud en verbetering van het aandeel langzaam verkeer in de verplaatsingen in de stad en toekomstige mobiliteitsgroei wordt zo veel mogelijk gekoppeld aan adequaat openbaar vervoer. De parkeerstrategie zet in op ontlasting van de (binnen)stad en opvang aan de stadsrand (P&R, transferia), gekoppeld aan HOV, zoals dat ook geldt voor 50
de realisering van ontbrekende schakels in het rand- (A4-A44) en ring- (Kanalenroute, via Zijldijk) wegenstelsel op langere termijn. Zowel op korte als langere termijn leveren vervoers- en verkeersmanagementmaatregelen een bijdrage aan de oplossing. De strategie is uitgewerkt in een vijftal samenhangende thema's: mobiliteit, ruimtelijke ordening, bereikbaarheid, leefbaarheid en randvoorwaarden. 4.7.1.4 Kadernota Bereikbaarheid Op 26 mei 2009 heeft de raad de Kadernota Bereikbaarheid vastgesteld. In deze kadernota is beleid vastgesteld omtrent de thema's verkeerscirculatie, parkeren, milieu, verkeersveiligheid, openbaar vervoer en fietsverkeer. De kadernota noemt een aantal knelpunten op het gebied van bereikbaarheid en stelt enkele concrete projecten voor. 4.7.1.5 Nota beleidsregels parkeernormen Op 20 oktober 2012 zijn de beleidsregels parkeernormen Leiden in werking getreden, deze schrijven voor hoe de gemeente toepassing geeft aan de bepalingen in de bouwverordening over parkeervoorzieningen bij bouwontwikkelingen. De beleidsregels bevatten parkeernormen voor allerlei verschillende functies, met bijbehorende bezettingspercentages per dagdeel. Op die manier wordt bepaald wat de parkeerbehoefte vanuit een ontwikkeling precies is. Voor de specifieke functies in het LBSP zijn aparte normen vastgesteld. Voor de functies Bedrijf 1, 2 en 3 zijn de volgende normen opgenomen in de beleidsregels parkeernormen: Functie [per Binnenstad 100 m2 b.v.o.] Binnenstad bij station Schil Schil bij station Rest Lifescience bedrijven categorie 1 1 0,8 1 0,8 1 Lifescience bedrijven categorie 2 1,3 1,1 1,3 1,1 1,3 Lifescience bedrijven categorie 3 1,7 1,5 1,7 1,5 1,7 51
4.7.2 Onderzoeksresultaten 4.7.2.1 Ontsluiting De belangrijkste ontsluitingsroutes voor het autoverkeer liggen aan de zijde van de Plesmanlaan: Bestaande toegangen zijn de Darwinweg en de Einsteinweg. Om de bereikbaarheid van het gebied op de langere termijn te garanderen is een derde ontsluitingsweg nodig ter hoogte van de Ehrenfestweg. Mede hierdoor is het nodig de kruising Plesmanlaan - Haagse Schouwweg te verbeteren en ongelijkvloers te maken. Dit gebeurt in het project Ontsluiting Bio Science park (OBSP). De Ehrenfestweg is inmiddels vanuit een richting ook toegankelijk gemaakt voor autoverkeer. Dit houdt in dat deze straat in dit bestemmingsplan Leiden Leeuwenhoek-Station een verkeersbestemming krijgt. De Wassenaarseweg is een belangrijke schakel in de langzaam verkeer verbinding tussen de binnenstad en de nieuwbouwwijk Valkenburg richting zee. Deze weg is ook van belang in de relatie tussen het Bio Science Park in Leiden ('de Leeuwenhoek') en in Oegstgeest ('Nieuw Rijngeest Zuid'). In dat kader wordt de onderdoorgang onder de A44 door permanent opengesteld voor autoverkeer, de zogenaamde Verlengde Wassenaarseweg. Hiermee is ook een goede verbinding tussen Leiden en Corpus gerealiseerd. De wegenstructuur in het Leiden Bio Science Park kent een 50 kilometer regime uitgezonderd twee smallere wegen met eenrichtingverkeer (JH Oortweg en Galileiweg) die een 30 km regime hebben. Fietsverkeer wordt zoveel mogelijk gecombineerd met autoverkeer, maar daarnaast zijn er vrij liggende fietsroutes als alternatief. Regionale investeringen in de bereikbaarheid, zoals aanleg van de Rijnlandroute zijn van belang om het Bio Science Park bereikbaar te houden. Via aparte plannen wordt de OBSP mogelijk gemaakt, de provincie Zuid-Holland maakt een inpassingsplan voor de Rijnlandroute. 4.7.2.2 Parkeren De gemeente Leiden hanteert de kencijfers van kennisorgaan CROW als leidraad voor het bepalen van parkeereisen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze kencijfers worden landelijk geaccepteerd als leidende adviesnormen voor parkeersituaties. De CROW-kencijfers bieden adviesnormen voor verschillende functies, en met verschillende bandbreedtes. De gemeente Leiden hanteert in beginsel de maximale bandbreedte met de strengste norm, behalve in gebieden die buitengewoon goed ontsloten zijn met openbaar vervoer, zoals gebieden in de directe omgeving van NS-station Leiden Centraal of NS-station Lammenschans. Bij de berekening van de parkeereis wordt altijd van de bestaande situatie uitgegaan als zijnde de nulsituatie, waarbij het uitgangspunt geldt dat de parkeersituatie niet mag verslechteren. Ook in gebieden waar de parkeersituatie reeds slecht is kunnen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, zolang aan dit uitgangspunt wordt voldaan. Daarom wordt het verschil in de parkeerbehoefte in de oude situatie vergeleken met de parkeerbehoefte in de toekomstige situatie. Voor dit bestemmingsplangebied geldt dat in het voorgaande bestemmingsplan parkeernormen zijn opgenomen. Deze zullen in dit nieuwe plan niet meer opgenomen worden: de parkeerbehoefte wordt berekend per concrete bouwaanvraag en wordt getoetst bij de uitgifte van een vergunning. Op deze manier kan steeds getoetst worden aan de meest recente parkeernormen. Het parkeren ten behoeve van de diverse functies in het Leiden Bio Science Park gebeurt op eigen terrein: het gebied kent geen openbare parkeerplekken. Parkeren voor bezoekers gebeurt in de daarvoor beschikbare parkeergebieden (bijvoorbeeld naast De Stal) en parkeergarages (bijvoorbeeld naast het LUMC). 52
Het gebied kent, vanwege het ontbreken van openbare parkeerplaatsen, geen parkeerrestrictie of blauwe zone. 4.8 Water 4.8.1 Beleidskader 4.8.1.1 Europees en nationaal beleid Nationaal Waterplan 2009-2015 In de aard en omvang van de nationale waterproblematiek doen zich structurele veranderingen voor. Klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking maken een nieuwe aanpak in het waterbeleid noodzakelijk. In februari 2001 sloten daarom het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en Vereniging van Nederlandse Gemeenten de 'Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw'. Daarmee werd de eerste stap gezet in het tot stand brengen van de noodzakelijke gemeenschappelijke aanpak. Twee jaar later werden de resultaten van die samenwerking en van voortschrijdende kennis en inzicht neergelegd in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Dit akkoord heeft een bijdrage geleverd aan het Nationaal Waterplan. Het Nationaal Waterplan beschrijft het nationale beleid ten aanzien van water en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het beschrijft manieren waarop Nederland kan anticiperen op klimaatverandering en andere uitdagingen met betrekking tot de waterkwaliteit, waterhuishouding en grondwaterstand. In dit kader zijn projecten als Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken uitgerold, en worden zwakke plekken in de Nederlandse waterlinie gerepareerd. Het Nationaal Waterplan bevat een uitvoeringsprogramma voor de periode 2009-2015 en een langetermijnvisie tot 2040. Watertoets en waterparagraaf (2003) Om mogelijke complicaties met wateroverlast bij ruimtelijke ontwikkelingen te voorkomen, om een goede waterkwaliteit te kunnen waarborgen én om de beleving van water voor burgers te vergroten, is het nationale Watertoetsproces in het leven geroepen. De Watertoets is een sinds 2003 verplichte procedure die er voor zorgt dat de waterbeheerder (het Hoogheemraadschap) in een zo vroeg mogelijk moment bij de planvorming worden betrokken. De Watertoets bevat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De vertaling van de resultaten van de Watertoets moet in een wettelijke vereiste waterparagraaf worden beschreven in elk bestemmingsplan. De 'Handleiding Watertoets Leiden. Praktisch omgaan met Watertoets en waterbeleid bij ruimtelijke plannen' (2008) geeft alle betrokkenen bij ruimtelijke plannen in Leiden meer duidelijkheid hoe praktisch om te gaan is met de Watertoets en de watereisen, wensen en kansen. Het is opgesteld in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland. Gebruik van deze handleiding en met name het stappenplan inclusief de invullijst versnelt het planproces. Door vroegtijdig de watereisen in kaart te brengen en hiermee rekening te houden, wordt de goedkeuring van het plan en het verkrijgen van de ontheffing van de keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland vergemakkelijkt. 4.8.1.2 Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan 2010-2015 53
De provincie legt haar waterbeleid vast in het Provinciaal Waterplan 2010-2015. Dit plan treedt op 1 januari 2010 in werking en gaat het huidige provinciale Waterhuishoudingplan vervangen, dat nu is opgenomen in het 'Beleidsplan Groen, Water en Milieu' (2006) en in het 'Grondwaterplan 2007-2013'. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. 4.8.1.3 Beleid waterschap Waterbeheerplan Voor de planperiode 2010-2015 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Keur en Beleidsregels Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. De "Keur en Beleidsregels" maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. 4.8.1.4 Gemeentelijk beleid Waterplan Leiden (2007) Met het Waterplan Leiden hebben de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland afgesproken om gezamenlijk knelpunten in het watersysteem efficiënter op te lossen, 54
kansen te benutten en andere te inspireren om 'Leiden Waterstad' nog beter op de kaart te zetten. In het Waterplan Leiden wordt aan de hand van de volgende vier thema's een visie op het water gegeven: Ruimte voor water, Water als trekpleister, Schoon en gezond water, Water in de wijk. Deze visie is vertaald in een uitvoeringsprogramma 2007-2010 met gezamenlijke maatregelen. Het Waterplan Leiden is de vertaling van het Waterbeheerplan 'Waterwerk Rijnland 2006-2009' voor het grootste deel van het grondgebied van de gemeente Leiden, met specifiekere richtlijnen. Omdat het Europese, nationale, provinciale en regionale waterbeleid zijn vertaald in beleid toegespitst op de unieke watersituatie in de gemeente Leiden vormt het Waterplan Leiden het belangrijkste en meest concrete beleidskader voor alles gerelateerd aan waterbeheer. Daarnaast zijn doelstellingen uit eerder gemeentelijk beleid, zoals het Gemeentelijk RioleringsPlan, in het kader verwerkt. Naast algemene doelstellingen, zoals het streven naar schoner en gezonder water, een grotere veiligheid rondom water en een werkend afwateringsen wateropvangsysteem, zijn in het document boezemgebieden en boezemwatergangen benoemd. Voor de boezemgebieden geldt de zogenaamde 15%-compensatie regeling voor het verharden van onverhard terrein over oppervlaktes groter dan 500m2. Voor boezemwatergangen geldt een instandhoudingsbeleid, en opgestelde regels ten behoeve van het onderhoud van de watergangen. Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) Het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) is een beleidsmatig en strategisch plan voor de aanleg en beheer van de gemeentelijke riolering. De technische uitwerking vindt plaats in operationele plannen. Elke 5 jaar wordt door de gemeente een nieuw GRP gemaakt. Het GRP wordt vastgesteld door de gemeenteraad. In het GRP tot aan 2013 ligt het accent onder meer op milieuhygiënische verbeteringen (terugdringen overstort) en aanleg van een verbeterd gescheiden rioolstelsel, dat voorziet in de scheiding van hemelwater en afvalwater. 4.8.2 Watertoets 4.8.2.1 Algemeen Water in Leiden Leiden en water zijn al eeuwenlang onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zo is de Rijn al van oudsher een belangrijke motor van de Leidse economie: het vormde reeds in de middeleeuwen een belangrijke handelsweg voor goederen vanuit andere plaatsen, en is in die zin voor een groot deel verantwoordelijk voor de groei van Leiden in de late middeleeuwen. Maar water heeft naast een vervoersfunctie ook andere kwaliteiten die van groot belang zijn voor Leiden. Zo is water een belangrijk onderdeel van de ecologische hoofdstructuur en biedt het onderdak aan een veelvoud aan plant- en diersoorten. Water wordt door veel bewoners en bezoekers gezien als een kwaliteit die de stad aantrekkelijker maakt. En water heeft een belangrijke functie voor de waterhuishouding in de stad. Vanwege haar veelvoud aan functies in de stad houden verschillende vakdisciplines zich binnen het planproces bezig met water. De loop van water in inrichtingsplannen en bestemmingsplannen is dan ook het resultaat van intensief overleg tussen deze verschillende vakgroepen. Zo hebben de stedenbouwkundigen en architecten (verantwoordelijk voor het inrichtingsplan Haagwegterrein) en de planologen van de gemeente (verantwoordelijk voor het bestemmingsplan) nadrukkelijk rekening moeten houden met de wensen van de waterbeheerder, het Hoogheemraadschap van Rijnland. Vooroverleg tussen deze partijen is niet alleen gewenst voor een goede afstemming van waterbelangen, het is in het kader van de watertoets ook wettelijk verplicht. De watertoets is een vastgesteld proces waarbij de 55
waterbeheerder wordt betrokken bij het vooroverleg voor het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen, om te waarborgen dat er in het plan voldoende rekening wordt gehouden met een goede waterhuishouding. Leiden bestaat uit een netwerk met doorgaande waterstructuren en verbindingen met de regio. Deze structuren hebben veelal de ruimtelijke structuur van de stad bepaald. De verschillende waterstructuren zijn opgebouwd uit verschillende elementen: de Rijn, stadsgrachten, singels, vaarten, kanalen en waterwegen. Functies water in de stad Het oppervlaktewater heeft tegenwoordig in het stedelijk gebied meerdere functies: de belangrijkste (fysieke) functie is de afvoer en berging van water en daarmee het voorkomen van wateroverlast in het stedelijk gebied. Dat is een waarborg voor een veilige woon- en werkomgeving. Andere functies zijn: de recreatieve functie: water zorgt voor beleving in de stad. Het is mogelijk om er op verschillende manieren op en langs te recreëren; de economische functie: water zorgt voor een hogere waardering van de omgeving, vastgoed in de nabijheid heeft bijvoorbeeld een hogere waarde; ecologische functie: water is een belangrijk onderdeel van de ecologische structuur van een stad; historische functie: Leiden is ontstaan door het water en dat is te zien aan de structuur. Water en ruimtelijke ordening Water en ruimtelijke ordening, het lijken twee werelden. Maar intussen weten we dat ze alles met elkaar te maken hebben. Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Bouwen langs het water kan enorm bijdragen aan het woongenot. Bouwen op de verkeerde plek kan veel ellende geven door wateroverlast. Terecht wordt steeds meer erkend dat water mede sturend dient te zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk. Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer. Watertoets Om problemen met wateroverlast te voorkomen, om een goede waterkwaliteit te waarborgen én om de beleving van water voor burgers te vergroten, is de watertoets in het leven geroepen. De watertoets is een sinds 2003 verplichte procedure die er voor zorgt dat water en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk moment bij de planvorming worden betrokken. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. 4.8.2.2 Uitgangspunten watertoets Handleiding Watertoets 56
De "Handleiding Watertoets Leiden: Praktisch omgaan met Watertoets en waterbeleid bij ruimtelijke plannen" geeft alle betrokkenen meer duidelijkheid hoe praktisch moet worden omgegaan met de Watertoets en de watereisen, wensen en kansen. Het is opgesteld in samenspraak met het Hoogheemraadschap van Rijnland. De handleiding, en met name het daarin opgenomen stappenplan met invullijst, is bedoeld om het planproces te verduidelijken en te versnellen. Door vroegtijdig de watereisen in kaart te brengen en hiermee rekening te houden wordt de goedkeuring van het plan en het verkrijgen van de ontheffing van de keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland vergemakkelijkt. Uitgangspunten duurzaam stedelijk waterbeheer in Leiden De gemeente streeft samen met het Hoogheemraadschap van Rijnland naar een duurzaam stedelijk waterbeheer. Het behouden en creëren van een 'goed woon en leefklimaat' is uitgangspunt. In het kader van het Waterplan Leiden zijn concrete maatregelen voor verbetering van het watersysteem van Leiden uitgewerkt. Maatregelen die in het kader van duurzaam stedelijk waterbeheer getroffen moeten worden, zijn onder andere: De inrichting van de watergangen: zo min mogelijk duikers, bevorderen van watercirculatie en het vermijden van doodlopende watergangen. Vooral de grote lengte van een duiker heeft slechte invloed op de waterkwaliteit (weinig daglicht) en de ecologie; de duiker kan ook verstopt zijn met bagger waardoor er geen goede doorstroming van het oppervlaktewater is; Het voorkomen van aantasting van het aquatisch ecosysteem; De gemeente is doende (zoals verwoord in het Gemeentelijke Riolerings Plan (GRP)) bij rioolvervanging over te stappen op een verbeterd gescheiden stelsel, ten behoeve van het scheiden van hemelwater en afvalwater. Ook wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk afkoppelen van hemelwater naar oppervlaktewater. Het 'duurzaam bouwen' en het 'duurzaam inrichten en beheren van de openbare ruimte' staat bij de gemeente hoog in het vaandel, met name wat betreft het gebruik van (bouw)materialen. De handhaving op deze regels is een belangrijke voorwaarde voor het uiteindelijke succes. Bij vernieuwing van de beschoeiingen en bij nieuwbouw voor bouwmaterialen en straatmeubilair zullen zoveel mogelijk duurzame en, met uitzondering van de klassieke Leidse straatlantaarns met koperen kap, niet uitloogbare materialen gebruikt worden (dus geen koper, zink en lood). De gemeente heeft in 2004 het Regionale Dubo-pluspakket vastgesteld waarin onder andere de problematiek van 'uitlogen' aan de orde komt. Bruggen en steigers worden gezien als overkluizingen die het wateroppervlak afdekken en de lichttoetreding belemmeren. Overkluizingen zijn daarom van invloed op de ecologische waterkwaliteit. De aanleg van overkluizingen en het creëren van ligplaatsen moeten voldoen aan het overkluizingenbeleid. Voor het aanbrengen van alle overkluizingen is een ontheffing van de keur noodzakelijk. Ook zal op plaatsen waar dat mogelijk is beschoeiing vervangen worden door natuurlijke oevers. Hoewel de mogelijkheden in het stedelijke grachtenstelsel hiertoe beperkt zijn, wordt wel een natuurvriendelijke oeverinrichting nagestreefd ter verbetering van de algemene waterkwaliteit daar waar mogelijk. Een andere mogelijkheid is het inrichten van zogenaamde floatlands (drijvende natuurvriendelijke oevers), die ook zelfreinigend vermogen hebben en de ecologische potenties ten goede komen. Taakverdeling waterschap - gemeente Het grootste deel van de wateren in Leiden staan in open verbinding met elkaar en hebben een(boezem)peil van Normaal Amsterdams Peil (NAP) - 0.62 meter. Het beheer van de waterkwantiteit in de boezemwatergangen - ofwel het regelen van de waterhoeveelheden in de boezem(vakken) via aanvoer, doorvoer en afvoer - ligt bij het Hoogheemraadschap van 57
Rijnland. In haar zorg voor de waterhuishouding heeft het hoogheemraadschap van Rijnland daarnaast het waterkwaliteitsbeheer van alle watergangen en bestrijdt zij de verzilting van de oppervlaktewateren. Het hoogheemraadschap van Rijnland onderhoudt niet zelf alle boezemwatergangen. In het kader van de schouw worden alle boezemwatergangen, die bij de gemeente in eigendom en derhalve in onderhoud zijn, één maal per jaar schoongemaakt (het verwijderen uit de watergangen van plantengroei). Tot het onderhoud van de watergangen behoren ook de baggerwerkzaamheden en het verwijderen van drijvend vuil. Waterkeringen Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen. Verharding onbebouwde gronden Binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland is het verboden om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de gronden is altijd een ontheffing van het Keur van het hoogheemraadschap van Rijnland noodzakelijk. Bij toename van verharding is compensatie in de vorm van extra oppervlaktewater noodzakelijk. Samenwerking gemeente - waterschap De gemeente en het hoogheemraadschap van Rijnland werken sinds lange tijd samen op het gebied van riool en waterbeheer. De laatste jaren is die coöperatie intenser en breder geworden getuige de samenwerking in het kader van het Waterplan Leiden. In het kader van het Waterplan Leiden zal het beheer en onderhoud van water in Leiden in de toekomst overgedragen worden van de gemeente Leiden aan het Hoogheemraadschap van Rijnland. Bij ruimtelijke ontwikkelingen zal de Watertoets gevolgd moeten worden, het proces waarbij de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken wordt bij de planvorming. 4.8.2.3 Watertoets Vooroverleg In het kader van de Watertoets is het plan voor vooroverleg aangeboden aan het Hoogheemraadschap van Rijnland. Beschrijving van het watersysteem Beschrijving huidige watersysteem Op een gedeelte van de Pesthuispolder Noord na bestaat het gehele plangebied uit boezemgebied. Waterpeil(en) Het waterpeil in de Pesthuispolder Noord bedraagt -1,25 m. Eventuele hoofdwatergangen In het plangebied bevinden zich diverse primaire- en overige boezemwaters alsmede een groot aantal duikers. Polders In het plangebied bevindt zich (een deel van) de Pesthuispolder Noord, te weten een 58
onderdeel van het Boerhaaveterrein ten zuiden van de Wassenaarseweg. Deze polder heeft onderbemaling. Het combigemaal Wassenaarsweg bevindt zich buiten het plangebied. Waterkeringen In het plangebied bevinden zich geen waterkeringen. Verhard oppervlak Het plangebied is voor een groot deel verhard: een groot deel van het plangebied is bebouwd. Watercompensatie Het betreft een conserverend bestemmingsplan: hierin worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er hoeft in het kader van dit bestemmingsplan dan ook geen watercompensatie verleend te worden. Indien zich in het plangebied nieuwe ontwikkelingen voor gaan doen, dan zal daar een aparte procedure voor doorlopen worden. In het kader van zo'n procedure vindt opnieuw een watertoets en -eventueel- compensatie plaats. Watertoets Omdat onderhavig plan een actualisatie betreft van verouderde bestemmingsplannen en er geen nieuwe ontwikkelingen zijn meegenomen behoeft het aspect water niet nader onderzocht te worden. 59
60
Hoofdstuk 5 5.1 Juridische planbeschrijving Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de bestaande situatie en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied juridisch zijn vertaald. Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels. De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. 5.2 Opzet en volgorde van de regels De regels van bestemmingsplan 'Leiden Bio Science Park en station' zijn op de volgende wijze opgebouwd. Hoofdstuk 1 Inleidende regels: Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels: Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel Artikel 3 Agrarisch 4 Bedrijf 1 5 Bedrijf 2 6 Bedrijf 3 7 Gemengd 8 Groen 9 Horeca 10 Kantoor 11 Maatschappelijk 1 12 Maatschappelijk 2 13 Maatschappelijk 3 14 Sport 15 Verkeer 16 Verkeer - Railverkeer 17 Verkeer - Snelweg 18 Water 19 Wonen 20 Waarde - Archeologie 3 61
Artikel 21 Waarde - Archeologie 5 Artikel 22 Waarde - Archeologie 6 Artikel 23 Waarde - Cultuurhistorie Hoofdstuk 3 Algemene regels: Artikel Artikel Artikel Artikel 24 Anti-dubbeltelregel 25 Algemene bouwregels 26 Algemene afwijkingsregels 27 Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels: Artikel 28 Overgangsrecht Artikel 29 Slotregel 5.3 Uitleg van de regels 5.3.1 Inleiding Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2008 (SVBP2008). 5.3.2 Inleidende regels Begripsbepalingen (artikel 1) In de begripsbepaling worden begrippen waarnodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het normale spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. Hiernaast zijn in dit artikel de voor dit bestemmingsplan specifieke begrippen voor bijvoorbeeld het Life Science & Health kenniscluster opgenomen. Wijze van meten (artikel 2) De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. 5.3.3 Bestemmingsregels Agrarisch (artikel 3) Dit artikel heeft betrekking op een klein gedeelte van het bestemmingsplan. Ten noorden van 62
de Wassenaarseweg ligt een strook agrarisch gebied, op de gemeentegrens met Oegstgeest. Deze strook vormt tevens onderdeel van het beschermde dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten. De bestemming voorziet slechts in agrarisch gebruik van de grond, bouwmogelijkheden zijn niet opgenomen. Bedrijf 1 (Artikel 4) Een groot gedeelte van het bestemmingsplan heeft een bedrijfsbestemming. Dit gaat om het Leiden Bio Science Park. Het LBSP biedt plaats aan gespecialiseerde Life Science & Health bedrijven met een hoog innovatief karakter. Het park behoort tot een van de kennisclusters in Zuid-Holland. Om die reden zijn tussen de Universiteit Leiden, provincie Zuid-Holland en de gemeenten Oegstgeest en Leiden afspraken gemaakt over brancheringsregels voor het park. Deze hebben geleid tot een drietal bedrijfsbestemmingen: Bedrijf 1, Bedrijf 2 en Bedrijf 3. Deze bestemmingen vormen feitelijk de 'opvolger' van de oude WSP-bestemming (Wetenschapspark) uit het voorgaande bestemmingsplan Leeuwenhoek Station 92. De indeling in een drietal categorieën volgt uit de Samenwerkingsovereenkomst die is gesloten tussen de Universiteit Leiden en de gemeente Leiden. In deze overeenkomst is een drietal bedrijfscategorieën geïntroduceerd voor de diverse lifesciencebedrijven. Deze drie categorieën zijn in dit bestemmingsplan verteaald naar regels met objectieve normen. De keuze voor een drietal bedrijfsbestemmingen met een stringent toelatingsbeleid is ingegeven door diverse factoren. Bestuurlijk wordt door zowel de betrokken gemeenten als de provincie alsmede door de universiteit het belang onderkent van het LBSP voor de regio. Dat het LBSP de afgelopen jaren uit kon groeien tot een toonaangevend wetenschapspark is mede het gevolg van het daarop toegesneden stringente bestemmingsplan Leeuwenhoek Station 92. Door genoemde partijen wordt het belang onderkent van een stringent toelatingsbeleid. Om die reden is gewerkt aan een actualisering van de regels waarbij de visie op het LBSP de basis bleef voor de invulling van de nieuwe regels. Deze nieuwe bestemmingen bieden de ruimte aan Life Science & Health gerelateerde bedrijven, waarbij de mogelijkheden per bestemming iets toenemen: de voor Bedrijf 1 aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor Life Sciences & Health bedrijven met maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte toegestaan. Deze bedrijven mogen gen-laboratoria tot maximaal gevarenklasse P3 hebben. In feite gaat het hier om de zuivere bioscience bedrijven zoals Janssen Biologics, Crucell, Apotex, etc. Een gedeelte van het bedrijf Dutch Space is gelegen binnen deze bestemming en heeft een aanduiding 'lucht- en ruimtevaarttechnologie' gekregen. Daarnaast is een kenniscentrum voor autobanden gevestigd op het park, deze is positief bestemd door middel van een aanduiding 'kenniscentrum voor autobanden'. Tenslotte is op een tweetal locaties een aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf maatschappelijk 1' opgenomen. Binnen deze aanduiding zijn naast bedrijven tevens alle functies mogelijk zoals genoemd onder Maatschappelijk 1. Het betreft het Sylviusgebouw van de Universiteit en het CHDR-gebouw aan de Zernikedreef. Bedrijf 2 (artikel 5) Ook de voor Bedrijf 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor Life Science & Health bedrijven met maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte en eventueel gen-laboratoria tot maximaal gevarenklasse P3. Hiernaast zijn binnen deze bestemming ook wetenschappelijke instellingen en onderwijs op het gebied van Life Science & Health mogelijk. Om de mogelijkheid te bieden aan zogenaamde cross-overs is binnen deze bestemming een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Deze biedt de mogelijkheid om ook niet Life Science & Health bedrijven toe te staan, mits deze wel en toegevoegde waarde hebben voor 63
het kenniscluster en ook hieraan gerelateerd zijn. Het bevoegd gezag laat zich hierbij adviseren door een brancheringscommissie. Deze commissie is in samenwerking met de universiteit, de provincie en de beide gemeenten opgezet met tot doel de bevoegde gezagen te kunnen adviseren over de wenselijkheid van vestiging van een cross-over bedrijf op het LBSP. De brancheringscommissie is samengesteld uit onafhankelijke leden en heeft grote kennis op het gebied van Life Science & Health en kennisclusters. Bedrijf 3 (artikel 6) De gronden met bestemming Bedrijf 3 bieden plaats aan een groot aantal functies op het gebied van Life Science & Health. Op deze gronden zijn, net als bij de bestemmingen Bedrijf 1 en Bedrijf 2, Life Science & Health bedrijven toegestaan. Hierbij is wel een verschil met de vorige twee bestemmingen: bedrijven mogen over 100% kantoorruimte beschikken, de maximale gevarenklasse voor eventuele gen-laboratoria is beperkt tot P1. Naast bedrijven biedt deze bestemming ruimte voor wetenschappelijke instellingen en hoger onderwijs, waarbij het hoger onderwijs niet beperkt is tot het kenniscluster. Ook andere faculteiten van de universiteit zijn mogelijk binnen deze bestemming. Bedrijf 3 biedt ook de mogelijkheid tot vestiging van bedrijven die niet rechtstreeks Life Science & Health gerelateerd zijn maar wel ter ondersteuning van het kenniscluster dienen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld rekencentra en toelatingsbedrijven voor medicijnen. Tenslotte biedt ook de bestemming Bedrijf 3 een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor cross-overs en overige bedrijven die een bijdrage kunnen leveren aan de versterking van het kenniscluster. Ook hierbij laat het bevoegd gezag zich adviseren door een brancheringscommissie. Binnen deze bestemming Bedrijf 3 zijn nog enkele specifieke bedrijfsvormen opgenomen via een specifieke functieaanduiding. Het gaat om het Hoogheemraadschap Rijnland, deze heeft een aanduiding 'kantoor' gekregen. Het bestaande Dutch Space heeft een aanduiding 'luchten ruimtevaarttechnologie' gekregen. Gemengd (artikel 7) De functie Gemengd heeft betrekking op de voormalige universiteitsgebouwen in het Boerhaavegebied. Het betreft de gebouwen anatomie, pathologie, fysiologie alsmede het Gortergebouw en de Gortervilla van TNO. Deze gebouwen vormen een overblijfsel van de oude ziekenhuiscampus en vertegenwoordigen deels een cultuurhistorische waarde. Een deel van de gebouwen heeft om die reden een aanduiding 'karakteristiek' gekregen. Deze gebouwen zijn allen geschikt voor herbestemming. In het bestemmingsplan Boerhaave-Sylvius is deze herbestemming reeds mogelijk gemaakt. Door grote bouwvlakken met ruime bouwmogelijkheden op te nemen wordt de architect en stedenbouwkundige een maximale vrijheid gegeven deze campus te ontwikkelen tot een aantrekkelijk verblijfs- en woongebied. Binnen de bestemming Gemengd zijn diverse functies mogelijk zoals wonen, horeca en onderwijs. Een gedeelte van de bebouwing langs de Sandifortdreef is alleen geschikt voor tijdelijke bewoning (maximaal 6 maanden) in verband net de gen-laboratoria in de nabije universiteits- en ziekenhuisgebouwen. Dit bestemmingsplan neemt de bestemmingen uit bestemmingsplan Boerhaave-Sylvius over waarbij de regels wel vereenvoudigd zijn en daardoor ook iets verruimd. Het gaat hier dus om een conserverende bestemming waarbij de systematiek wel iets gewijzigd is. Groen (artikel 8) De bestemming Groen is voorbehouden aan structureel groen. Het gaat hierbij om groen en groenstructuren die van belang zijn voor de stedenbouwkundige opzet van het LBSP. Gronden 64
met de bestemming Groen zijn bedoeld voor het in stand houden van bestaande groenvoorzieningen en om nieuw geplande groenvoorzieningen mogelijk te maken. Enkele belangrijke groenstructuren zijn het (toekomstige) Leeuwenhoekpark en de groene verbinding naar de binnenstad, via het Pesthuis en de Plesmanlaan. Daarnaast is de groen zone langs het Boerhaaveterrein richting het Bos van Bosman van groot belang. Naast deze grote groengebieden zijn de groene structuren langs infrastructuur en gebouwcomplexen van belang. Hiermee behoudt het LBSP haar campusachtige uitstraling. Binnen de bestemming groen is ruimte voor groen, water, waterpartijen, wandelpaden en fietspaden. Autowegen en parkeervoorzieningen zijn niet toegestaan binnen de bestemming Groen. Een bijzondere vorm van groen bevindt zich langs de Plesmanlaan nabij de Pesthuislaan. Hier staat het gebouw van de ambulancedienst. De gemeente heeft de wens dit gebouw weg te bestemmen naar een groenbestemming. Deze locatie vormt namelijk een belangrijke schakel tussen de binnenstad (de groen Singel) en het (vernieuwde) Leeuwenhoekpark en, verderop, richting het Bos van Bosman. Hiermee vormt het een belangrijke groene verbinding van de binnenstad naar de Leidse Hout en Oegstgeest. Om bestaande rechten niet in te perken is het ambulancegebouw, conform de regeling van het voorafgaande bestemmingsplan Leeuwenhoek Station 92, middels een specifieke aanduiding in groen opgenomen. Hiermee kan het ambulancegebouw in stand worden gelaten en het gebruik worden voortgezet. Horeca (artikel 9) Dit bestemmingsplan kent een tweetal panden met een horecabestemming: De Stal aan de Darwinweg en het horecapaviljoen op het stationsplein. De Stal heeft sinds enige jaren een horecafunctie en functioneert als ontmoetingsplek voor medewerkers van het LUMC, universiteit en LBSP. Dit gebouw wordt positief bestemd door middel van een horecabestemming tot maximaal categorie III. Het horecapaviljoen op het stationsplein is enige jaren geleden met toepassing van een vrijstellingsprocedure ex artikel 19 WRO tot stand gekomen. Ook dit gebouw wordt positief bestemd door middel van een horecabestemming tot maximaal categorie III. Voor dit laatste gebouw is het van belang dat het gebouw zich bevindt op een locatie die valt binnen het nieuwe stedenbouwkundige plan voor het Stationsgebied. Dit gebouw zal dus op den duur plaats kunnen maken voor grotere bebouwing conform het stedenbouwkundige plan voor het Stationsgebied. Kantoor (artikel 10) Binnen het plangebied bevindt zich het kantoorgebouw van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan het Stationsplein. Dit kantoorgebouw wordt positief bestemd. Maatschappelijk 1 (artikel 11) De bestemming Maatschappelijk 1 is de 'opvolger' van de oude UWO-bestemming (Universiteit en Wetenschappelijk Onderzoek) en biedt ruimte aan de gebouwen van de universiteit. Maatschappelijk 1 staat dus als het ware synoniem aan '(hoger) onderwijs'. Deze bestemming is gegeven aan onder andere het Snelliusgebied waar zich thans de wiskunde- en informaticafaculteit zich bevindt. Ook het hele Gorleausgebied en de toekomstige Betacampus hebben deze bestemming gekregen alsmede de Leidse Instrumentenmakersschool LIS). Tenslotte heeft ook de Hogeschool Leiden deze bestemming gekregen. 65
Binnen deze bestemming zijn gen-laboratoria toegestaan tot maximaal gevarenklasse P3, met uitzondering van de Hogeschool. Hier is maximaal gevarenklasse P1 toegestaan. Maatschappelijk 2 (artikel 12) De bestemming Maatschappelijk 2 staat synoniem voor 'gezondheidszorg' in de meest brede zin van het woord. Hiermee is deze bestemming deels de 'opvolger' van de oude MD-bestemming (Medische Doeleinden). Naast instellingen op het gebied van gezondheidszorg is ook onderwijs op het gebied van gezondheidszorg binnen deze bestemming toegestaan. Het gehele LUMC heft deze bestemming gekregen alsmede de gehele faculteit geneeskunde van de universiteit. Ook het gebouw van Sanquin en van Stichting Valk vallen binnen deze bestemming. Maatschappelijk 3 (artikel 13) De derde vorm van Maatschappelijk betreft een bredere vorm van maatschappelijke doeleinden. Deze bestemming biedt niet alleen plaats aan onderwijs en gezondheidszorg maar ook aan musea, openbare dienstverlening en soortgelijke bestemmingen. Kinderdagverblijven zijn echter wel uitgesloten in verband met de aanwezigheid van gen-laboratoria in de directe omgeving. De bestemming Maatschappelijk 3 is onder andere gegeven aan museum Naturalis en het Pesthuis. Ook het Darwinhouse, het kantoorgebouw naast Naturalis, heeft deze bestemming gekregen in verband met de geplande uitbreiding van Naturalis. Sport (artikel 14) Binnen het LBSP bevindt zich het Universitair Sport Centrum (USC). Dit USC is op het moment van deze bestemmingsplanprocedure bezig met een verhuizing: het nieuwe USC bevindt zich langs de Wassenaarseweg. Reeds in bestemmingsplan Boerhaave-Sylvius is dit nieuwe USC mogelijk gemaakt. Via een Wabo-procedure zijn de bijbehorende gebouwen mogelijk gemaakt. Deze worden in dit bestemmingsplan positief bestemd. Het oude USC bevindt zich langs de Plesmanlaan. Dit gebied zal in de toekomst plaats maken voor gemengde bebouwing in de vorm van bedrijven, kantoren en gemengde functies. Dit betreft de deelgebieden Kop van de Leeuwenhoek, OBSP en Entreegebied. Omdat dit bestemmingsplan een conserverend plan is wordt het oude USC hier nog in opgenomen via een sportbestemming. Hiermee biedt dit bestemmingsplan feitelijk de plaats aan een tweetal USC's. Binnen de looptijd van dit plan, tien jaar, zullen echter afzonderlijke bestemmingsplannen in procedure worden gebracht voor de genoemde drie deelgebieden. Verkeer (artikel 15) Binnen het bestemmingsplan is de bestemming Verkeer voorbehouden aan verkeers- en verblijfsgebieden waar (ook) ruimte is voor de auto. Alle straten die (ook) geschikt zijn voor de auto hebben deze bestemming gekregen. Daarnaast vallen binnen deze bestemming ook voetpaden, fietspaden, groenvoorzieningen, water(partijen) en verblijfsvoorzieningen. De loopbrug van het Pesthuis naar Naturalis is via een specifieke bouwaanduiding (overbouwing) opgenomen binnen deze bestemming. Daarnaast biedt deze bestemming geen ruimte voor bebouwing, met uitzondering van een gebouwde fietsenstalling en taxistandplaats. Slechts binnen de bestemming passende bouwwerken zijn toegestaan. Denk aan straatmeubilair, kunstwerken, etc. Binnen deze bestemming is eveneens, via een aanduiding, een tunnel voor doorgaand 66
autoverkeer toegestaan, de tunnel die onder het Stationsplein doorloopt en doorgaand autoverkeer van de Plesmanlaan naar de Willem de Zwijgerlaan voert. Verkeer - Railverkeer (artikel 16) Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan bevindt zich een deel van de spoorlijn Den Haag- Amsterdam en station Leiden Centraal. Aan deze gronden is een bestemming Verkeer - Railverkeer gegeven. Binnen deze bestemming zijn spoorwegen met de bijbehorende voorzieningen zoals geluidsschermen toegestaan. Via een specifieke functieaanduiding (verkeer) worden de kruisingen met overige verkeerssoorten mogelijk gemaakt. Het betreft de onderdoorgangen nabij de Plesmanlaan, Joop Walenkamptunnel en het Rijnsburgerviaduct. Via een specifieke functieaanduiding wordt ook het stationsgebied van Leiden Centraal met de bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt. Dit aanduidingsgebied is ruim bemeten en behelst onder andere ook de kantine voor de buschauffeurs en de fietsenstalling nabij het Alphen s Perron. De gehele stationsbebouwing inclusief perrons, overkappingen, detailhandel en horeca is binnen deze aanduiding opgenomen. Hiernaast is nog een specifieke aanduiding opgenomen om een openbare doorgaande langzaamverkeersroute tussen stadszijde en zeezijde mogelijk te maken. De stationshal van Leiden Centraal heeft namelijk een belangrijke functie als schakel tussen het Stationsgebied stadszijde en zeezijde. Een openbaar toegankelijke doorgang tussen deze twee stadsdelen is van groot belang en daarom ook in dit bestemmingsplan voorgeschreven. Verkeer - Snelweg (artikel 17) Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de snelweg A44. Deze snelweg heeft een bestemming Verkeer - Snelweg gekregen waarin ruimte is voor een autosnelweg met de bijbehorende op- en afritten en geluidsschermen. De kruisingen van de snelweg met overige verkeerssoorten zijn via een specifieke functieaanduiding mogelijk gemaakt. Water (artikel 18) De bestemming Water is voorbehouden voor water(partijen) die van belang zijn voor de waterhuishouding en de stedenbouwkundige structuur. Wonen (artikel 19) De woonbestemming is gegeven aan en viertal panden in het plangebied: de twee studentenflats aan de Wassenaarsweg en een tweetal woningen nabij het Pesthuis. Laatstgenoemden worden anti-kraak bewoond en zullen naar verwachting hun woonfunctie binnenkort verliezen. Deze locatie leent zich ook niet goed voor een woonfunctie in verband met de nabijheid van het laboratorium van het LUMC. Omdat dit een conserverend bestemmingsplan betreft is de woonfunctie vooralsnog wel in stand gelaten. De studentenflats aan de Wassenaarseweg hebben tevens een aanduiding 'gemengd' gekregen waarmee diverse gemengde functies op de begane grond mogelijk zijn. Waarde - Archeologie 3 (artikel 20) De gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. 67
Er mag uitsluitend gebouwd worden ten behoeve van deze bestemming, en ten behoeve van de overige geldende bestemming(en), beide mits de bepalingen van omtrent de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden vooraf in acht zijn genomen. Voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist, indien deze dieper dan 30 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 30 m² worden uitgevoerd. Deze omgevingsvergunning kan alleen verleend worden indien de werken en werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden. Om dit aan te tonen moet de aanvrager een archeologisch rapport overleggen. Indien noodzakelijk kunnen aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden. Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming geheel of gedeeltelijk toevoegen, wijzigen of laten vervallen indien dit op basis van onderzoek wenselijk blijkt. Waarde - Archeologie 5 (artikel 21) De gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Er mag uitsluitend gebouwd worden ten behoeve van deze bestemming, en ten behoeve vande overige geldende bestemming(en), beide mits de bepalingen omtrent de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden vooraf in acht zijn genomen. Voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist, indien deze dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 250 m² worden uitgevoerd. Deze omgevingsvergunning kan alleen verleend worden indien de werken en werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden. Om dit aan te tonen moet de aanvrager een archeologisch rapport overleggen. Indien noodzakelijk kunnen aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden. Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming geheel of gedeeltelijk toevoegen, wijzigen of laten vervallen indien dit op basis van onderzoek wenselijk blijkt. Waarde - Archeologie 6 (artikel 22) De gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 6' zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Er mag uitsluitend gebouwd worden ten behoeve van deze bestemming, en ten behoeve van de overige geldende bestemming(en), beide mits de bepalingen van omtrent de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden vooraf in acht zijn genomen. Voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist, indien deze dieper dan 75 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 500 m² worden uitgevoerd. Deze omgevingsvergunning kan alleen verleend worden indien de werken en werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden. Om dit aan te tonen moet de aanvrager een archeologisch rapport overleggen. Indien noodzakelijk kunnen aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden. Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming geheel of gedeeltelijk toevoegen, wijzigen of laten vervallen indien dit op basis van onderzoek wenselijk blijkt. 68
Waarde - Cultuurhistorie (artikel 23) Een klein gedeelte van het plangebied, de strook agrarische grond ten noorden van de Wassenaarseweg, behoort tot het Beschermde Dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten. Deze gronden komen overeen met de bestemming Agrarisch. Hiernaast hebben deze gronden een bestemming Waarde - Cultuurhistorie gekregen ter bescherming van de cultuurhistorische waarde van het gebied. 5.3.4 Algemene regels De algemene regels bevatten de volgende artikelen: Antidubbeltelregel (artikel 24) De antidubbeltelregel bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is gekomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. De antidubbeltelregel is opgenomen in het Bro2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling. Algemene bouwregels (artikel 25) In de algemene bouwregels zijn de bepalingen voor het ondergronds bouwen weergegeven. Daarnaast is een bestaande matenregeling opgenomen die bepaalt dat een bestaand bouwwerk met maten die afwijken van de in dit plan voorgeschreven maten toegestaan is, waarbij de afwijkende maten als ten hoogste toelaatbaar worden geacht. Algemene afwijkingsregels (artikel 26) Op grond van de algemene afwijkingssregels kan afgeweken worden van het bestemmingsplan in verschillende specifieke gevallen. Het betreft hier bijvoorbeeld het afwijken van de maatvoering, overschrijding van bouwgrenzen en ondergeschikte dakopbouwen. Overige regels (artikel 27) De overige regels verwijzen naar andere wetgeving die relevant is voor het bouwen, zoals de bouwverordening. 5.3.5 Overgangs- en slotregels Overgangsregels (artikel 28) Het overgangsrecht is opgenomen in het Bro2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De overgangsregels bevatten bepalingen omtrent het voortzetten van gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is. Eenzelfde regeling is opgenomen voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden 69
krachtens een bouwvergunning. Indien zo'n bouwwerk afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, het bouwwerk 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Slotregels (artikel 29) In de slotregels worden de regels van dit bestemmingsplan aangehaald. 70
Hoofdstuk 6 6.1 Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende bestemmingsplan betreft een actualisering van een aantal verouderde bestemmingsplannen, waarbij slechts het juridisch-planologisch regime is geactualiseerd. Met betrekking tot de realisatie van het plan heeft dit geen financiële consequenties voor de gemeente Leiden. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zien. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Het is vrijwel niet mogelijk iedereen tevreden te stemmen: bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander. 6.2.2 Vooraankondiging Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.3.1 Bro is op 6 maart 2013 een vooraankondiging van dit bestemmingsplan gedaan. 6.2.3 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Deze instanties worden in de gelegenheid gesteld te reageren op het ontwerp bestemmingsplan. Eventuele reacties zullen worden meegenomen in het bestemmingsplan. 6.2.4 Zienswijzen Dit ontwerpbestemmingsplan zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze tegen het ontwerp indienen. Ingediende zienswijzen zullen worden betrokken bij de uiteindelijke vaststelling van het bestemmingsplan. 71
Bijlagen 72
Bijlage 1 Lijst van bedrijven 73
74
inr.code naam organisatie adres postcode type bedrijf branche CBI-code CBI-omschrijving GGO niveau. Gew. afstand altijd 100 m milieuz one GEU R STO F GEL UID GEVA AR AFST AND VERK EER VISU EEL Borcategorie Bor-categorie_1 gaat weg, komt iets anders GGO 001485 Leids Universitair Medisch Centrum Albinusdreef 2 2333ZA Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 8610 Ziekenhuizen ML3, DM3 100m Zone 2 10 0 30 C 10 30 3 2 23.1.a ziekenhuizen (algemeen, categoriaal of academisch) 002546 Stichting Rivierenduinen Albinusdreef 5 2333ZB Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 8621, 8622, 8623 Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven Zone 1 0 0 10 0 10 2 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw 002530 Hoogheemraadschap van Rijnland Archimedesweg 1 2333CM Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 63,69-71,73,74,77,78 Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Zone 1 0 0 10 0 10 D 2 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw 001932 Apotex Nederland BV Archimedesweg 2 2333CN Type C-ver Industrie n.e.g. Nota Bene: Altijd de laatste stand van zaken vragen aan cluster Externe veiligheid voor de risicoanalyse. 2120.1 Farmaceutische produktenfabrieken:- formulering en afvullen geneesmiddelen 002861 Proxy Laboratories B.V. Archimedesweg 25 2333CM Type C-ver Industrie n.e.g. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2 100m Zone 3.1 50 10 50 50 R 50 2 1 04.1.c kosmetische of farmaceutische producten (vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 002283 Genencor International B.V. Archimedesweg 30 2333CN Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 002299 SCS/VACO Archimedesweg 31 2333CM Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 63,69-71,73,74,77,78 Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Zone 1 0 0 10 0 10 D 2 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw 002559 Crucell Holland BV Archimedesweg 4 2333CN Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML3, DM3 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 021015 Gasdrukregel- en meetstation 031860 Kantoorgebouw (Jones Lang Lasalle) Archimedesweg 4 2333CN Type B Voorzieningen en installaties 35.D4 Gasdistributiebedrijven:- gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C Bargelaan 10 2333CT Type B Installaties; Propaan; Br. vloeistoffen; Nutsbedrijven e.d. Zone 2 0 0 30 C 10 30 1 1 nr1 sub1 (lijst2) opslagen Zone 2 30 30 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw 025539 Community College Leiden Bargelaan 180 2333CW Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 8532, 854, 855 Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs Zone 2 10 0 30 10 30 D 2 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw 032323 Multicopy Bargelaan 8 2333CT Type B Kopieerwinkel 1813 grafische technieken Zone 2 30 2 1 16.1.c grafisch 008761 Lebkov Leiden B.V. Bargelaan 8 2333CT Type B Horeca, Sport en Recreatie 561 Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Zone 1 10 0 10 C 10 10 2 1 18.1 hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria''s snackbars en discotheken, en inrichtingen waar tegen vergoeding logies worden verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt Kopie van Bijlage 1 Inrichtingen Leiden Biosciencepark met CBI en Bor per 1mrt13 g.xlsx Pagina 1
inr.code naam organisatie adres postcode type bedrijf branche CBI-code CBI-omschrijving GGO niveau. Gew. afstand altijd 100 m milieuz one GEU R STO F GEL UID GEVA AR AFST AND VERK EER VISU EEL Borcategorie Bor-categorie_1 gaat weg, komt iets anders GGO 018014 De stal van Herman Darwinweg 1 2333CR Type B Horeca, Sport en Recreatie 561 Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Zone 1 10 0 10 C 10 10 2 1 18.1 hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria''s snackbars en discotheken, en inrichtingen waar tegen vergoeding logies worden verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt 001956 Naturalis Darwinweg 2 2333CR Type C-ver Sport-, en sociaalculturele instellingen + opslagtanks buiten 9101, 9102 + nr3 sub1 (lijst2) Bibliotheken, musea, ateliers, e.d. + opslag K1/K2 Zone 1 +zone 3.1 0 0 10 0 50 10 50 2 1 021974 Galapagos Darwinweg 24 2333CR Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 022075 MicroSafe B.V. Darwinweg 24 2333CR Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 018935 Pharming Technologies BV Darwinweg 24 2333CR Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 001622 Janssen Biologics B.V. Einsteinweg 101 2333CB IPPC Industrie n.e.g. 2120.1 Farmaceutische produktenfabrieken:- formulering en afvullen geneesmiddelen MI1 100m Zone 3.1 50 10 50 50 R 50 2 1 21.1.b genetisch gemodificeerde organismen (opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietingen, vermeerderen, niet kleinschalig) 002010 U.L. Van Steenis laboratorium Einsteinweg 2 2333CC Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. momenteel leegstand 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw 001626 Nijssen Koeling b.v. Einsteinweg 3 2333CC Type B Aannemers / Timmerbedrijven / Installateurs 45.A Bouwbedrijven en aannemersbedrijven met werkplaats Zone 3 10 30 50 10 30 1 1 04.1.b producten die milieugevaarlijke stoffen bevatten (vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) 013942 BaseClear B.V. Einsteinweg 5 2333CC Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 030755 Universiteit Leiden Einsteinweg 55 2333CC Type C-mel Installaties; Propaan; Br. vloeistoffen; Nutsbedrijven e.d. nr.3 sub2 (lijst2) opslag gas zone 3.1 50 50 01.1.c thermisch vermogen gezamelijk > 130 kw 001933 U.L. Gorlaeus Laboratoria Einsteinweg 55 2333CC Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2, DM2 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 017414 Servier Nederland Farma B.V. Einsteinweg 5B 2333CC Type B Opslag en transportbedrijven 461 Handelsbemiddeling (kantoren) Zone 1 0 0 10 0 10 1 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw Kopie van Bijlage 1 Inrichtingen Leiden Biosciencepark met CBI en Bor per 1mrt13 g.xlsx Pagina 2
inr.code naam organisatie adres postcode type bedrijf branche CBI-code CBI-omschrijving GGO niveau. Gew. afstand altijd 100 m milieuz one GEU R STO F GEL UID GEVA AR AFST AND VERK EER VISU EEL Borcategorie Bor-categorie_1 gaat weg, komt iets anders GGO 031271 Bioké Einsteinweg 5N 2333CC Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk kantoor voor speur- en ontwikkelingswerk Zone 2 30 30 30R 30 04.1.b producten die milieugevaarlijke stoffen bevatten (vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) 000357 U.L. sportcentrum Einsteinweg 6 2333CC Type B Sport-, en sociaalculturele instellingen 931.Aa Sporthallen Zone 3.1 0 0 50 C 0 50 2 1 19.1.c sportscholen, sporthallen en andere inrichtingen niet zijnde sportterreinen 018155 Compressor op het sportterrein Einsteinweg 6 2333CC Type B Horeca, Sport en Recreatie 561 Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Zone 1 10 0 10 C 10 10 2 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw 002312 Leidse Instrumentenmakersschool 002172 Gasdrukregel- en meetstation Einsteinweg 61 2333CC Type B Sport-, en sociaalculturele instellingen 8532, 854, 855 Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs Einsteinweg 90 2333CD Type B Voorzieningen en installaties 35.D4 Gasdistributiebedrijven:- gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C 000358 Stichting SLS Wonen Flanorpad 1 2333AN Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 9609.B Persoonlijke dienstverlening n.e.g. Zone 2 10 0 30 10 30 D 2 1 11.1.e glas of glazen voorwerpen (winnen, vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) Zone 2 0 0 30 C 10 30 1 1 Zone 1 0 0 10 C 0 10 D 1 1 01.1.c thermisch vermogen gezamelijk > 130 kw 019914 HAL Allergy J.H. Oortweg 15 17 2333CH Type C-ver Industrie n.e.g. 2120.1 Farmaceutische grondstoffenfabrieken ML2, MI2 100m Zone 4.2 200 10 200C 300R 300 1 2 04.1.c kosmetische of farmaceutische producten (vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) 017415 U.L. Instituut Biologie Leiden Sylvius Laboratorium J.H. Oortweg 19 2333CH Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. Diverse bedrijven, waaronder ProteoNic, to-bbb, Xendo, enz. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 031889 AS 15168 J.H. Oortweg 21 2333CH Type B Voorzieningen en installaties 35.D4 Gasdistributiebedrijven:- gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C 002247 en 2210 Dutch Space Industry Mendelweg 30 2333CS Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 3099 Transportmiddelenindustrie n.e.g. Zone 2 0 0 30 C 10 30 1 1 Zone 3.2 30 30 100 30 100D 2 2 12.1 metalen, metalen voorwerpen of schroot (vervaardigen, bewerken (ook oppervlakte behandelen), verwerken, opslaan of overslaan) 031876 Noodstroomgenerator Mendelweg 32 2333CS Type A Voorzieningen en installaties nr2 (lijst 2) noodstroomvoorziening Zone 2 30 30 01.1.b verbrandingsmotoren gezamelijk > 1,5 kw 007874 DZB afd. Groen, kwekerij Nachtegaallaan 41 2333XH Type B Landbouw 011, 012, 013.1 Tuinbouw:- bedrijfsgebouwen Zone 2 10 10 30 C 10 30 1 1 09.1.f landbouwproducten (telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan) 031751 Crucell Holland B.V. Newtonweg 1 2333CP Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 2120.1 +721 Farmaceutische produktenfabrieken:- formulering en afvullen geneesmiddelen ML2, MI2 100m Zone 3.1 50 10 50 50 R 50 2 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 000356 U.L. Informatiseringsgroep Niels Bohrweg 1 2333CA Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 63,69-71,73,74,77,78 Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Zone 1 0 0 10 0 10 D 2 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw 000466 U.L. stichting B.A.B.C.L. Niels Bohrweg 11 2333CA Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk. Komt leeg en wordt verkocht. Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw Kopie van Bijlage 1 Inrichtingen Leiden Biosciencepark met CBI en Bor per 1mrt13 g.xlsx Pagina 3
inr.code naam organisatie adres postcode type bedrijf branche CBI-code CBI-omschrijving GGO niveau. Gew. afstand altijd 100 m milieuz one GEU R STO F GEL UID GEVA AR AFST AND VERK EER VISU EEL Borcategorie Bor-categorie_1 gaat weg, komt iets anders GGO 031907 Verpakapotheek Niels Bohrweg 11 2333CA Type B 4773, 4774 Apotheken en drogisterijen Zone 1 0 0 0 10 10 1 1 04.1.c kosmetische of farmaceutische producten (vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) 000363 U.L. Huygens Niels Bohrweg 2 2333CA Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 022874 RAD Hollands Midden Pesthuislaan 8 2333BA Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 5221.1 Autoparkeerterreinen, parkeergarages. Gaat naar Vondellaan 43 Zone 2 10 0 30 C 0 30 3 1 13.1.a vliegtuigen, trams of onderdelen, motoren, motorvoertuigen, motorvaartuigen, caravans, landbouwwerktuigen, bromfietsen (vervaardigen, onderhouden, oppervlakte behandelen, keuren, reinigen verhandelen, verhuren of proefdraaien) 002561 Sanquin Bloedbank Plesmanlaan 1A 2333BZ Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 8621, 8622, 8623 + 721 Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven ML1 100m Zone 1 0 0 10 0 10 2 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 029455 Europdonor Foundation Plesmanlaan 1B 2333BZ Type A Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 63,69-71,73,74,77,78 Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Zone 1 0 0 10 0 10 D 2 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw 029039 Service XS Plesmanlaan 1D 2333BZ Type C-ver Industrie n.e.g. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 031831 Astellas B.V. Sylviusweg 62 2333BE Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 04.1.b producten die milieugevaarlijke stoffen bevatten (vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) 030966 Dura Vermeer Sylviusweg 72 2333BE Type B Installaties; Propaan; Br. vloeistoffen; Nutsbedrijven e.d. nr1, sub1 (lijst2) gastank Zone 2 30 30 000355 TNO Gortergebouw Wassenaarseweg 56 2333AL Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 63,69-71,73,74,77,78 Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Zone 1 0 0 10 0 10 D 2 1 01.1.c thermisch vermogen gezamelijk > 130 kw 002083 Gasdrukregel- en meetstation 020109 Rioolgemalen Wassenaarseweg Universiteit Leiden 002084 Gasdrukregel- en meetstation 001930 Centre for Human Drug Research Wassenaarseweg 72 2333AL Type B Voorzieningen en installaties 35.D4 Gasdistributiebedrijven:- gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C Zone 2 0 0 30 C 10 30 1 1 Wassenaarseweg 72 2333AL Type B Voorzieningen en installaties 3700.B rioolgemalen Zone 2 30 0 10 C 0 30 1 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw Wassenaarseweg 72 2333AL Type B Voorzieningen en installaties 35.D4 Gasdistributiebedrijven:- gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C Zernikedreef 10 2333CL Type B Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk Zone 2 0 0 30 C 10 30 1 1 Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 01.1.a elektromotoren gezamelijk > 1,5 kw Kopie van Bijlage 1 Inrichtingen Leiden Biosciencepark met CBI en Bor per 1mrt13 g.xlsx Pagina 4
inr.code naam organisatie adres postcode type bedrijf branche CBI-code CBI-omschrijving GGO niveau. Gew. afstand altijd 100 m milieuz one GEU R STO F GEL UID GEVA AR AFST AND VERK EER VISU EEL Borcategorie Bor-categorie_1 gaat weg, komt iets anders GGO 001929 Hogeschool Leiden Zernikedreef 11 2333CK Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 8532, 854, 855 Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs ML1 100m (50m noordoost zijde) Zone 2 10 0 30 10 30 D 2 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) 002595 OctoPlus bv Zernikedreef 12 2333CL Type B Detailhandel en ambachtsbedrijven 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 04.1.c kosmetische of farmaceutische producten (vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) 002810 Mentor Medical Systems B.V. Zernikedreef 2 2333CL Type C-ver Industrie n.e.g. 26, 32, 33.A Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie Zone 2 30 0 30 0 30 1 1 04.1.e producten op basis van elastomeren of kunststoffen (vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) 000365 Cam Bioceramics B.V. Zernikedreef 6 2333CL Type C-ver Detailhandel en ambachtsbedrijven 26, 32, 33.A Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie Zone 2 30 0 30 0 30 1 1 04.1.e producten op basis van elastomeren of kunststoffen (vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan) 000360 TNO Gaubiusgebouw Zernikedreef 9 2333CK Type C-ver Scholen; Kantoorgebouwen; gezondheidszorg e.d. 721 Natuurwetenschappelijk speuren ontwikkelingswerk ML2, DM2 100m Zone 2 30 10 30 30 R 30 1 1 21.1.a genetische modificatie van organismen (ook opslaan, toepassen, vervoeren, zich ontdoen, vernietigen op kleinschalige schaal) Toelichting GGO Beknopte uitleg van gebruikte afkortingen in verband met biologische agentia: GGO: genetisch gemodifideerde organismen PMO: pathogeen micro organismen (niet gemodificeerd) ML = Micro-organismen Laboratorium PL = Planten Laboratorium PCM = PlantenkweekCel met Micro-organismen PKM = PlantenKas met Micro-organismen DM = Dierverblijf met Micro-organismen MI = Micro-organismen Industriële schaal Inperkingsniveau: Veiligheidsniveau van een werkruimte waar gewerkt wordt met GGO of PO. Dit niveau wordt bepaald aan de hand van een risico-analyse. Klasse I: laagste inperkingsniveau niveau Klasse IV: allerhoogste inperkingsniveau Kopie van Bijlage 1 Inrichtingen Leiden Biosciencepark met CBI en Bor per 1mrt13 g.xlsx Pagina 5
Bijlage 2 Quick scan Flora en Fauna 81
82
Notitie Opdrachtgever: Dhr. S. Bek, Gemeente Leiden Auteur: W. Moerland & A. de Baerdemaeker Betreft: Quick scan Leeuwenhoek Leiden Projectnummer: 0858 Datum: 24 september 2012 Status: Definitief bezoekadres: Natuurhistorisch Museum Rotterdam Westzeedijk 345 3015 AA Rotterdam telefoon: 010 266 04 70 e-mail: info@bureaustadsnatuur.nl www.bureaustadsnatuur.nl Inleiding In opdracht van Gemeente Leiden heeft bureau Stadsnatuur een quick scan uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde natuurwaarden in twee Leidse wijken, namelijk de Pesthuiswijk en Leeuwenhoek (Figuur 1). Dit in het kader van het opstellen van een conserverend bestemmingsplan. Het gebied wordt begrensd door de Wassenaarseweg, de Albinusdreef, de Plesmanlaan en rijksweg A44 en omvat daarmee het stationsgebied en het Bioscience park. Figuur 1. Weergave van het plangebied. Het onderzoeksgebied wordt gekarakteriseerd door hoogbouw van maximaal enkele decennia oud. Oudere bebouwing (uit de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw), overigens van universitaire oorsprong, bevindt zich tussen Wassenaarseweg en Sandifortdreef. Voorts is in het oostelijk deel van het plangebied lokaal historische bebouwing, onder meer het Pesthuis uit de 17 e eeuw. Rijen populieren, borderbegroeiing en gazons bepalen grotendeels het groenbeeld. Voorts is er een uitgebreid netwerk van sloten, al dan niet recent aangelegd. Plaatselijk zijn braakliggende terreinen aanwezig, echter dergelijk onbruik is drastisch afgenomen het laatste decennium. Aan de westzijde van het gebied, tegen de A44 aan, zijn hoog opgaande dichte struwelen aanwezig. 0858 - Quick scan Leeuwenhoek Leiden 1 / 9
Wettelijk kader Verbodsbepalingen De van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren worden beschermd door de Flora- en faunawet die in 2002 van kracht geworden is. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn in de Ffwet geïmplementeerd. Deze bescherming dient ervoor te zorgen dat zeldzame en bedreigde soorten niet in aantallen afnemen of uit Nederland verdwijnen. De bescherming in de Ffwet wordt geregeld middels een aantal verbodsbepalingen (artikel 8 t/m 13): artikel 8: artikel 9: Het is verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen. Het is verboden (beschermde) dieren te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. artikel 10: Het is verboden (beschermde) dieren opzettelijk te verontrusten. artikel 11: Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen (zie onderstaande paragraaf) van (beschermde) dieren te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. artikel 12: Het is verboden eieren van (beschermde) dieren te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen. artikel 13: Het is verboden planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van (beschermde) dieren te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben. Voortplantingsplaatsen en andere vaste rust- en verblijfplaatsen Tot vaste rust- en verblijfplaatsen als bedoeld in artikel 11 van de Ffwet worden bijvoorbeeld verblijven van vleermuizen of voortplantingswateren van de Rugstreeppad Bufo calamita gerekend. Ook de functionele omgeving van een verblijf kan een beschermde status hebben. Dit geldt bijvoorbeeld voor belangrijke migratie- en vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen die van belang zijn voor de instandhouding van een vaste rust- of verblijfplaats van de soort op populatieniveau. Alle inheemse broedvogels en hun nesten mogen niet worden verstoord tijdens het broeden. Voor enkele vogelsoorten geldt dat de broedlocaties dermate belangrijk zijn voor de soort dat deze jaarrond zijn beschermd, dus ook buiten het broedseizoen zijn hier de verbodsbepalingen van artikel 11 van kracht. In 2009 is een aangepaste lijst met jaarrond beschermde vogels opgesteld (Ministerie van LNV 2009). Deze jaarronde bescherming krijgen bijvoorbeeld nesten van honkvaste koloniebroeders, nesten van anderszins zeer honkvaste soorten, soorten afhankelijk van bebouwing of vogels die ieder jaar gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om boomnesten die worden gebruikt door roofvogels en uilen waaronder Buizerd Buteo buteo en Ransuil Asio otus, en vogels die aan menselijke bebouwing zijn gebonden als Gierzwaluw Apus apus, Huismus Passer domesticus en Kerkuil Tyto alba. Wanneer bij werkzaamheden de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats gegarandeerd kan worden is geen ontheffing nodig. Wanneer dit niet mogelijk is dient ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. 0858 - Quick scan Leeuwenhoek Leiden 2 / 9
Beschermingsregimes Het soortbeschermingsdeel van de Europese Habitatrichtlijn is opgenomen in de Flora- en faunawet. In de Flora- en faunawet is een groot aantal in Nederland voorkomende planten en dieren opgenomen waarop de hier boven genoemde verbodsbepalingen van toepassing zijn. Later zijn deze soorten in drie beschermingsregimes ingedeeld. Deze driedeling is als volgt: Tabel 1. Als iemand activiteiten onderneemt die zijn te kwalificeren als bestendig beheer en onderhoud of bestendig gebruik of ruimtelijke ontwikkelingen, geldt een vrijstelling voor de soorten in tabel 1 voor artikel 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. Voor deze activiteiten hoeft geen ontheffing aangevraagd worden. Voor andere activiteiten dan hierboven genoemd is voor de soorten in tabel 1 een ontheffing nodig. Een ontheffingaanvraag voor deze soorten wordt getoetst aan het criterium doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort (de zogenaamde lichte toets). Tabel 2. Als iemand activiteiten onderneemt die zijn te kwalificeren als bestendig beheer en onderhoud of bestendig gebruik of ruimtelijke ontwikkelingen, geldt een vrijstelling voor de soorten in tabel 2 voor artikel 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet, mits activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de staatssecretaris van EL&I goedgekeurde gedragscode. Hetzelfde geldt voor alle vogelsoorten. Een gedragscode moet door een sector of ondernemer zelf opgesteld worden en ingediend voor goedkeuring. Voor andere activiteiten dan hierboven genoemd is voor de soorten in tabel 2 een ontheffing nodig. Een ontheffingaanvraag voor deze soorten wordt getoetst aan het criterium doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort. Dit is niet van toepassing op alle vogelsoorten (zie toelichting tabel 3) Tabel 3. Als iemand activiteiten onderneemt die zijn te kwalificeren als bestendig beheer en onderhoud of bestendig gebruik, geldt een vrijstelling voor de soorten in tabel 3 voor artikel 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet, mits activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de staatssecretaris van EL&I goedgekeurde gedragscode. Deze vrijstelling is enigszins beperkt; voor activiteiten die zijn te kwalificeren als bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en bosbouw en bestendig gebruik geldt geen vrijstelling voor artikel 10 van de Flora- en faunawet. Ook niet op basis van een gedragscode. Een gedragscode moet door een sector of ondernemer zelf opgesteld worden en ingediend voor goedkeuring. Als iemand activiteiten onderneemt die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkeling, geldt voor soorten in tabel 3 geen vrijstelling. Ook niet op basis van een gedragscode. Hiervoor is een ontheffing nodig. Voor activiteiten in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en bosbouw en bestendig gebruik en voor activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling is het niet mogelijk voor artikel 10 voor de soorten in tabel 3 een ontheffing te krijgen. Voor andere activiteiten dan hierboven genoemd is voor de soorten in tabel 3 een ontheffing nodig. Een ontheffingaanvraag voor de soorten van tabel 3 en de soorten vermeld in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn (onder meer alle Nederlandse vleermuissoorten) wordt getoetst aan drie criteria: 1) er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; 2) er is geen alternatief; 3) er is geen sprake van afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Deze drie criteria vormen de zogenaamde uitgebreide toets. De drie criteria staan naast elkaar en niet na elkaar (aan alle drie moet voldaan zijn). De uitgebreide toets geldt ook voor alle vogelsoorten. Gunstige staat van instandhouding Het criterium gunstige staat van instandhouding is van toepassing wanneer soorten uit tabel 2 en 3 van de Ffwet of Bijlage IV van de Habitatrichtlijn voorkomen, op locaties waar activiteiten gaan plaatsvinden die een wezenlijk negatief effect kunnen hebben op de aanwezige populaties van deze soorten. Een gunstige staat van instandhouding voldoet krachtens de Habitatrichtlijn aan de volgende voorwaarden: 0858 - Quick scan Leeuwenhoek Leiden 3 / 9
Uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat op lange termijn zal blijven en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op langere termijn in stand te houden. Mitigatie & Compensatie Voor eventueel verlies van leefgebied van beschermde soorten op plaatsen waar ruimtelijke inrichting of ontwikkeling plaatsvindt, dient compensatie plaats te vinden, hetgeen kan inhouden dat er elders geschikt leefgebied wordt gecreëerd ten gunste van de soort. Daarnaast dienen mitigerende maatregelen te worden genomen waarmee de schade aan de aanwezige populatie tijdens werkzaamheden wordt beperkt. Zorgplicht In de Ffwet is een zorgplicht opgenomen (artikel 2), een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. Wanneer men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat werkzaamheden nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen hebben, dient men dit, mits redelijkerwijs mogelijk, te vermijden of deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. In het geval van beschermde planten of dieren geldt de zorgplicht ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht voor dieren betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood, maar wel dat dit, indien onvermijdelijk, met zo min mogelijk lijden gepaard gaat. De genoemde drie items: mitigatie, compensatie en Zorgplicht, zijn algemene voorwaarden ter verkrijging van een eventuele ontheffing van de verbodsbepalingen in de Ffwet. Methodiek Het onderzoeksgebied is op 12 juli 2012 onderzocht door een ecoloog van bsr op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van soorten die jaarrond beschermd zijn. Gedurende dit bezoek is gekeken: of direct aantoonbaar strikt beschermde soorten aanwezig zijn binnen het onderzoeksgebied; of er (indirecte) aanwijzingen zijn voor het voorkomen van strikt beschermde soorten; of het gebied potentie heeft voor strikt beschermde soorten; op welke wijze eventuele strikt beschermde soorten het onderzoeksgebied gebruiken als leefgebied. Naast de indrukken in het veld werden de meest recente gegevens uit het Stadsnatuurmeetnet Leiden geraadpleegd (Moerland in prep.). Tot slot zijn de resultaten van een uitgebreide inventarisatie van flora en fauna in 2008 op het terrein van Naturalis Biodiversity Center (NBC), inclusief Pesthuis, nageslagen op het voorkomen van beschermde soorten (Smit et al. 2009). Resultaten Op basis van het veldbezoek en aanvullende literatuurgegevens, wordt in dit hoofdstuk per soortgroep besproken welke ecologische potenties voor het onderzoeksgebied van belang zijn. Wanneer soorten van tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet in dit hoofdstuk niet worden besproken, impliceert dit dat zij geen enkel potentieel op voorkomen in het gebied hebben. Bij iedere soort die hieronder wordt besproken is aangegeven in welke mate van zekerheid van aanwezigheid mag worden uitgegaan. Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende driedeling: 0858 - Quick scan Leeuwenhoek Leiden 4 / 9
vastgesteld: tijdens een recent uitgevoerde inventarisatie is de aanwezigheid van de soort in het onderzoeksgebied aangetoond; waarschijnlijk: op basis van de actuele regionale verspreiding en de aanwezigheid van voor de soort op het oog geschikt biotoop (leefgebied) wordt de kans op aanwezigheid groot geacht; mogelijk: vanwege de aanwezigheid van voor de soort op het oog geschikt biotoop kan de aan- of afwezigheid van de soort niet op voorhand worden uitgesloten. Flora Binnen het plangebied liggen potenties voor beschermde flora. Deze zal hoofdzakelijk berusten op soorten aangepast aan stenige milieus, zoals enkele soorten muurvarens. De grootste kansen voor aanwezigheid liggen bij het leegstaande universiteitscomplex in de oosthoek van het gebied. Gewone, overigens nietbeschermde soorten, als Mannetjesvaren Dryopteris filix-mas en Muurvaren Asplenium ruta-muraria (Figuur 2) zijn vastgesteld op de leegstaande en matig onderhouden panden. Derhalve zijn andere, wel beschermde, vertegenwoordigers van de muurflora, die elders in Leiden ook voorkomen in vergelijkbaar biotoop, eveneens mogelijk. Het gaat hier om minder gewone (Steenbreekvaren Asplenium trichomanes, Zwartsteel A. adiantumnigrum) tot algemene en wijdverspreide soorten (Gele helmbloem Pseudofumaria lutea en Klein glaskruid Parietaria judaica). Onbekend uit Leiden, maar potentieel voorkomend is het beschermde Stijf hardgras Catapodium rigidum (Ffw tabel 2). In West-Nederland (Rotterdam, Gouda, Barendrecht, Den Haag) is de soort bekend van stenige milieus die overeen komen met die in het onderzoeksgebied. Figuur 2. Muurflora op het Clusiusgebouw, met ondermeer Mannetjesvaren Dryopteris filix-mas en Muurvaren Asplenium ruta-muraria. Voorts is een grote standplaats van de door de Flora- en faunawet beschermde Rietorchis Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa aanwezig binnen het plangebied (Moerland in prep). Enkele tientallen exemplaren bevinden zich in de berm van de trambaan. De soort komt voor op mesotrofe, vochtige grond van een basisch karakter. Niet uitgesloten kan worden dat elders in het plangebied de soort langs slootkanten voorkomt. Een aanzienlijk minder gewone en beschermde orchis, de Brede orchis Dactylorhiza majalis subsp. majalis, heeft gelijke ecologische eisen aan zijn omgeving. Deze soort komt echter binnen de gemeente Leiden niet voor. 0858 - Quick scan Leeuwenhoek Leiden 5 / 9
Overige beschermde flora, waaronder historische standplaatsen van diverse stinzenflora, is binnen het plangebied niet te verwachten. Tabel 1. Overzicht beschermde flora in het projectgebied. soort beschermingsregime Flora- en faunawet aanwezigheid Gele helmbloem Pseudofumaria lutea tabel 2 waarschijnlijk Klein glaskruid Parietaria judaica tabel 2 waarschijnlijk Rietorchis Dactylorhiza praetermissa tabel 2 vastgesteld (Moerland in prep.) Steenbreekvaren Asplenium trichomanes tabel 2 mogelijk Stijf hardgras Catapodium rigidum tabel 2 mogelijk Tongvaren Asplenium scolopendrium tabel 2 mogelijk Zwartsteel Asplenium adiantum-nigrum tabel 2 mogelijk Figuur 3. De berm van de Trambaan met Rietorchis Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa op 20 juni 2012. Floristisch één van de meest hoogwaardige bermen in het plangebied. Ongewervelden De Platte schijfhoren Anisus vorticulus is een strikt beschermde soort en komt in het plangebied met zekerheid voor. Deze zoetwatermollusk is genoteerd bij de inventarisatie van het terrein van Naturalis in 2008 (Smit et al. 2009). De vindplaats van deze waarneming mag ronduit a-typisch genoemd worden. De soort komt enkel voor in schone watergangen met een goed ontwikkelde vegetatie. Een fors deel van de watergangen binnen het plangebied hebben ogenschijnlijk een matige waterkwaliteit. Binnen de gemeente Leiden komt de Platte schijfhoren maar lokaal voor, vermoedelijk met het zwaartepunt in de Oostvlietpolder (Moerland 2011). Tabel 2. Overzicht beschermde ongewervelden in het onderzoeksgebied. soort beschermingsregime Flora- en faunawet aanwezigheid Platte schijfhoren Anisus vorticulus tabel 3 vastgesteld (Smit et al. 2009) 0858 - Quick scan Leeuwenhoek Leiden 6 / 9
Vissen Drie beschermde vissoorten komen algemeen voor in stedelijk Leiden. Bittervoorn Rhodeus amarus is vastgesteld tijdens de inventarisatie van het Naturalis-terrein (Smit et al. 2009). De Kleine modderkruiper Cobitis taenia en Rivierdonderpad Cottus gobio zijn evenwel goed te verwachten in het plangebied. Eerstgenoemde is een algemeen verspreide vis in de Leidse wateren, in kleine watertjes, maar ook in de singels, met zandige tot modderige bodems. De Rivierdonderpad is juist aangepast aan een leven in water met stenige bodem- en oeversubstraat. Vermoedelijk is de soort algemeen voorkomend in Leiden. Tabel 3. Overzicht beschermde vissen in het onderzoeksgebied. soort beschermingsregime Flora- en faunawet aanwezigheid Bittervoorn Rhodeus amarus tabel 3 vastgesteld (Smit et al. 2009) Kleine modderkruiper Cobitis taenia tabel 2 waarschijnlijk Rivierdonderpad Cottus gobio tabel 2 waarschijnlijk Vogels Zeven vogelsoorten met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen zich voortplanten in het plangebied. Deze zijn te splitsen in twee categorieën: de gebouwbewonende soorten en de soorten met nesten in vegetatie. Op basis van het Stadsnatuurmeetnet Leiden (Moerland in prep.) zijn Gierzwaluw en Huismus met grote waarschijnlijk broedend in het plangebied. Deze soorten zullen gebruik maken van de oudere panden, hoofdzakelijk in het leegstaande universitaire complex aan de Wassenaarseweg (Gierzwaluw) en Pesthuis en omgeving (Huismus). De Slechtvalk Falco peregrinus zoekt hoge, onbereikbare locaties van gebouwen uit bij de nestkeuze. Sporadisch worden in het plangebied exemplaren gezien. Derhalve is op de toren van NBC een nestkast geïnstalleerd, tot nu toe echter zonder succes (mond. med. B. Koese, NBC). De overige soorten zijn boom- of struweelbroeders die rustige locaties opzoeken voor hun nesten. Boomvalken Falco subbuteo broedt in oude kraaiennesten, hoog in de toppen van populieren. Van deze soort was mogelijk een territorium aanwezig in de omgeving van de Wassenaarseweg in 2011 (De Baerdemaeker 2012). Ook de Ransuil is afhankelijk van verlaten nesten. Sperwer Accipiter nisus en Buizerd zijn voor nestgelegenheid afhankelijk van bomen die beschutting bieden. Voor alle genoemde soorten zijn binnen het plangebied goede mogelijkheden te vinden. Daarnaast zijn tal van andere vogelsoorten broedend aan te treffen in het projectgebied. Alle nesten van inheemse vogelsoorten zijn gedurende het broedseizoen strikt beschermd. Tabel 4. Overzicht beschermde vissen in het onderzoeksgebied. soort beschermingsregime Flora- en faunawet aanwezigheid Buizerd Buteo buteo nest jaarrond beschermd mogelijk Sperwer Accipiter nisus nest jaarrond beschermd waarschijnlijk Boomvalk Falco subbuteo nest jaarrond beschermd waarschijnlijk Slechtvalk Falco peregrinus nest jaarrond beschermd mogelijk Ransuil Asio otus nest jaarrond beschermd mogelijk Gierzwaluw Apus apus nest jaarrond beschermd waarschijnlijk Huismus Passer domesticus nest jaarrond beschermd waarschijnlijk Vleermuizen Slechts voor enkele soorten vleermuizen is het plangebied toereikend als voortplantingsbiotoop. Twee soorten hebben hun vaste rust- en voortplantingsverblijven in bebouwing, namelijk de Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus en de Laatvlieger Eptesicus serotinus. De derde soort, de Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, heeft zijn balts- en winterslaapverblijven voornamelijk in oude bomen, ook populieren. Incidenteel wordt waargenomen dat gebruik wordt gemaakt van bebouwing (waarnemingen bsr). In principe zijn verblijven van gebouwbewonende vleermuizen, vooral de Gewone dwergvleermuis, overal te verwachten waar toegankelijke bebouwing is. Een baltsende Gewone dwergvleermuis werd waargenomen nabij het 0858 - Quick scan Leeuwenhoek Leiden 7 / 9
Pesthuis, een aanwijzing dat in de directe omgeving een beschermd paarverblijf is. Uitermate geschikt zijn de verlaten, oude en verwaarloosde universitaire panden in het oostelijke deel van het plangebied. Niet toevallig is de verwachting dat ook Gierzwaluwen juist hier tot broeden komen. Hier zijn volop situaties te vinden die, ook voor een ronduit schaarse vleermuissoort in Leiden als de Laatvlieger (Moerland et al. 2012), zeer geschikt zijn. Tot slot zijn in het plangebied lijnvormige elementen, in de vorm de populierenrijen, die van dienst kunnen zijn als vliegroute voor diverse soorten vleermuizen. Dergelijke functionaliteit is eveneens wettelijk beschermd. Tabel 5. Overzicht beschermde vleermuizen in het onderzoeksgebied. soort beschermingsregime Flora- en faunawet aanwezigheid Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus tabel 3 vastgesteld (Smit et al. 2009; Moerland in prep.) Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii tabel 3 waarschijnlijk Laatvlieger Eptesicus serotinus tabel 3 mogelijk Conclusies Er zijn potenties in het onderzoeksgebied aanwezig voor soorten van tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet van de volgende soortgroepen: - ongewervelden - flora - vissen - vogels - vleermuizen Het gaat hierbij om 21 soorten. Het betreft negen soorten van tabel 2, vijf soorten van tabel 3 en zeven jaarrond beschermde vogelsoorten; Kerngebieden met een hoge kans op de aanwezigheid van meerdere beschermde soorten bevinden zich globaal in vijf zones in het projectgebied (Figuur 4; Tabel 6). In deze zones zullen ruimtelijke ingrepen voorafgegaan moeten worden door ecologisch onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten. Algemeen gesteld zijn drie elementen in het plangebied direct een aanleiding voor vervolgonderzoek in het kader van de Flora- en faunawet: - watergangen. Ruimtelijke ingrepen waarbij sloten zullen worden aangetast kunnen niet worden uitgevoerd zonder gedegen visonderzoek op voorhand. Bij goede waterkwaliteit zal aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden naar Platte schijfhoren; - bomenrijen. Nader onderzoek naar vaste verblijven van vogels of vleermuizen is wenselijk indien kapwerkzaamheden voorgenomen zijn. Ook beschermde vliegroutes van vleermuizen zijn mogelijk; - gebouwen met spouwmuren. Dit type gebouwen heeft een reële kans verblijven van vleermuizen te herbergen. Tot slot geldt dat ruimtelijke ingrepen uitgevoerd zullen moeten worden volgens de richtlijnen van de Gedragscode ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden (Groos 2005). Dit om verstoring van soorten van tabel 2 van de Flora- en faunawet en broedende vogels te voorkomen. 0858 - Quick scan Leeuwenhoek Leiden 8 / 9
A B D G C F E Figuur 4. Zeven zones met mogelijk aanwezige beschermde ecologische waarden. Deze zijn exclusief de watergangen waar beschermde soorten evengoed kunnen zitten. Zie Tabel 6 voor beschrijving en soorten van iedere zone. Tabel 6. Omschrijving van ecologisch veelbelovende zones en de (mogelijk) daarin voorkomende soorten in het projectgebied. zone omschrijving soorten A bomen en struweel oostelijke berm A44 roofvogels, Ransuil B populierenrijen langs de Wassenaarseweg Boomvalk, vleermuizen C grazige oevers Trambaan Rietorchis (vastgesteld) D gebouwen omgeving Poelwetering Huismus, Gierzwaluw, vleermuizen, muurflora E omgeving Naturalis Platte schijfhoren, Bittervoorn, Huismus, vleermuizen (alle vastgesteld) F fietsenstalling NS centrumkant Huismus (vastgesteld) G terrein Universitair Sportcentrum roofvogels, Ransuil Literatuur Baerdemaeker, A. de, 2012. Verkennend onderzoek Boomvalk Leiden. bsr-notitie 0780. Bureau Stadsnatuur, Rotterdam. Groos, J. 2005. Gedragscode ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden. De flora- en faunawet in de praktijk. Gemeente Leiden. Moerland, W. 2011. Flora- en faunawetonderzoek Oostvlietpolder Leiden. bsr-rapport 182. Bureau Stadsnatuur Rotterdam, Rotterdam. Moerland, W. in prep. Resultaten Stadsnatuurmeetnet Leiden 2012. bsr-rapport in voorbereiding. Moerland, W., G. Bakker & R.W.G. Andeweg. 2012. Samenvatting en analyse Stadsnatuurmeetnet Leiden 2010. bsr-rapport 197. Bureau Stadsnatuur, Rotterdam. Smit, J.T., M. Reemer & R. Kleukers 2009. Zit er leven in Naturalis? 1569 soorten op 7 hectare grond. EIS-Nieuwsbrief 48: 11-16. Bureau Stadsnatuur Westzeedijk 345 3015 AA Rotterdam Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. bsr kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage. 0858 - Quick scan Leeuwenhoek Leiden 9 / 9
Regels 93
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1 Inleidende regels Begrippen plan: het van de gemeente Leiden; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0546.BP00089-0201 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen). 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aan-huis-verbonden beroeps- /bedrijfsactiviteit: een beroeps-/bedrijfsactiviteit die in of bij een woning wordt uitgeoefend door een bewoner van de op het bouwperceel gesitueerde woning, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de beroeps-/bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitwerking en/of uitstraling heeft die met de woonfunctie ter plaatse in overeenstemming is; groepspraktijken, detailhandel en horeca zijn hiervan uitgesloten. 1.6 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.7 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, verhandelen, installeren en/of herstellen van goederen. 1.8 bedrijfsverzamelgebouw: een gebouw, dat dient voor de huisvesting van verschillende bedrijven, waarbij eventueel faciliteiten, zoals onder meer ICT-voorzieningen, parkeervoorzieningen, vergaderruimtes, etc., gedeeld worden of kunnen worden en waarbij de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met die van een bedrijf. 94
1.9 bedrijfsvloeroppervlakte: de vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten, van een gebouw dat wordt gebruikt voor een beroep, bedrijf of dienstverlenende instelling, berekend conform NEN 2580 zoals deze luidt op het tijdstip van in werking treden van het bestemmingsplan. 1.10 begane grondvloer: de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau. 1.11 bestaande situatie: a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen. 1.12 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.13 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.14 Bevi-inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. 1.15 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.16 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.17 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. 95
1.18 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.20 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.21 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.22 brancheringscommissie: een externe, onafhankelijke deskundigencommissie bestaande uit drie leden die benoemd zijn door de Universiteit Leiden, gemeente Leiden en gemeente Oegstgeest om het bevoegd gezag advies te geven over de wenselijkheid van vestiging van een bedrijf, instelling en/of kantoor binnen het Leiden Bio Science Park. 1.23 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw. 1.24 dakkapel: een uitspringend gedeelte op een hellend dak waarin een raamkozijn is opgenomen en die voorzien is van zijwanden. 1.25 dakvoet: Het laagste punt van een schuin dak. 1.26 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- /bedrijfsactiviteiten. 96
1.27 dienstverlening: het bedrijfsmatig verrichten van diensten van of ten behoeve van het publiek, zoals een uitzendbureau, bank, stomerij, wasserette, apotheek, kapsalon, schoonheidssalon, schoenmaker of reisbureau. 1.28 eerste bouwlaag: de onderste bouwlaag, waarvan de vloer boven maaiveld is gelegen. 1.29 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30 geluidzoneringsplichtige inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge artikel 40 van de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidzone moet worden vastgesteld. 1.31 gen-laboratoria: gespecialiseerde laboratoria waarin gewerkt wordt aan of met genetisch gemodificeerde micro-organismen danwel natuurlijke micro-organismen. 1.32 gestapelde bebouwing: bebouwing bestaande uit zich in één gebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten. 1.33 hoofdfunctie: een functie waarvoor het gebouw hoofdzakelijk mag worden gebruikt. 1.34 horeca: een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt. De volgende categorieën worden onderscheiden: I. horeca-inrichtingen voor het bedrijfsmatig verstrekken van kleine eetwaren al dan niet in combinatie met alcoholvrije drank (thee- en koffiehuizen, broodjeszaken en ijssalons). II. horeca-inrichtingen voor het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend snacks en/of ter plaatse opgewarmde eetwaren, al dan niet in combinatie met alcoholvrije drank om aldaar te nuttigen (cafetaria's, snackbars, shoarmazaken). III. horeca-inrichtingen voor het bedrijfsmatig verstrekken van zowel ter plaatse bereidde maaltijden als alcoholhoudende of -vrije drank overwegend in combinatie met etenswaren (restaurants, eetcafés, café-restaurants, grand cafés en lunchrooms). IV. horeca-inrichtingen voor het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholische 97
dranken voor gebruik ter plaatse (cafés, bars, pubs). V. horeca-inrichtingen voor het gelegenheid geven tot dansen in combinatie met het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholhoudende of -vrije dranken en kleine etenswaren (dancings). VI. horeca-inrichtingen als genoemd in categorie II, waarbij tevens gelegenheid wordt gegeven tot overnachting (hotels). VII. horeca-inrichtingen die uitsluitend toegankelijk zijn voor leden van een vereniging (sociëteiten). 1.35 huishouden: één persoon dan wel twee of meer personen, die duurzaam met elkaar samenleven, dan wel twee of meer personen in wisselende samenstelling die gebruik maken van gezamenlijke voorzieningen. 1.36 kantoor: een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig diensten worden verleend, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder congres- en vergaderaccommodatie. 1.37 kap: een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden. 1.38 Life Science & Health: Life Science & Health is een innovatieve en technologie intensive sector gericht op de gezondheid van mens en dier. De sector bestaat uit bedrijven en kennisinstellingen in onder meer medische technologie, (bio)farmacie en regeneratieve geneeskunde. 1.39 Life Science & Health bedrijven: onder Life Science & Health bedrijven wordt verstaan bedrijven behorende tot de sector Life Science & Health, namelijk de volle breedte van farma, biotech, materialen tot diagnostiek en medische technologie. Life Science & Health bedrijven kunnen (deels) beschikken over (gen-) laboratoria en kunnen bestaan uit hoogwaardige distributie en -productie. Life Science & Health bedrijven beschikken over maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte per bedrijf, het overige deel van het bedrijf bestaat uit laboratoria, R&D-ruimten, productie- en distributiefaciliteiten. 1.40 Life Science & Health kenniscluster: een fysieke concentratie en interactie van bedrijven, kantoren en kennisinstellingen met onderzoek, ondersteuning en opleidingen in de Life Science & Health sector of een andere sector die een relatie heeft met de Life Science & Health sector. 98
1.41 maatschappelijke voorzieningen: voorzieningen zoals gezondheidszorg, (para)medische en verpleegvoorzieningen, bejaardenvoorzieningen, verzorgingshuizen, welzijnsvoorzieningen, cultuurvoorzieningen, sociale voorzieningen, religieuze voorzieningen, musea, bibliotheken, onderwijsvoorzieningen, wetenschappelijk onderzoek, openbare dienstverlening en verenigingsleven. 1.42 ondersteunende detailhandel: beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een bedrijf, waarbij het gaat om detailhandel dat niet zelfstandig functioneert, maar als een ondergeschikte aanvulling en ondersteuning van de bedrijfsfunctie dient. 1.43 ondersteunende horeca: beperkt verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse vanuit een bedrijf, waarbij het gaat om horeca dat niet zelfstandig functioneert, maar als een ondergeschikte aanvulling en ondersteuning van de bedrijfsfunctie dient. 1.44 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.45 productiegebonden detailhandel: beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een bedrijf dat die goederen vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.46 verkoopvloeroppervlakte: het oppervlak dat in gebruik is voor de directe verkoop van goederen, berekend conform NEN 2580, zoals deze luidt op het tijdstip van in werking treden van het bestemmingsplan. 1.47 voorgevellijn: de lijn waarin de voorgevel van het gebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan. 1.48 voorgevelrooilijn: a. ter plaatse van de aanduiding gevellijn : de ter plaatse aangeduide grens van het bouwvlak; b. overige situaties: de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd. 99
1.49 voorzieningen inzake gezondheidszorg: instellingen en/of inrichtingen voor gezondheidszorg waaronder begrepen ziekenhuizen, revalidatiecentra, centra voor intramurale zorg, onderzoeksbedrijven, (gen)laboratoria alsmede zelfstandige dan wel als onderdeel van een ziekenhuis zijnde operatieruimten, praktijkruimten, analyseruimten, behandelkamers, spreekkamers met de bijbehorende functiegebonden kantoren, functiegebonden horeca en functiegebonden detailhandel. 1.50 voorzieningen voor tijdelijk wonen: voorzieningen voor woonruimten waar per persoon maximaal gedurende een periode van 6 maanden gewoond mag worden en door dezelfde persoon het hervatten van bewoning binnen dezelfde bestemming telkens pas na 6 maanden weer is toegestaan. 1.51 wetenschappelijke instellingen en onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health: wetenschappelijke instellingen en onderwijs op MBO, HBO en/of WO niveau met de daarbij behorende voorzieningen in de vorm van collegezalen, lesruimten, praktijkruimten, bibliotheken, functiegebonden kantoren, fondersteunende horeca en (gen)laboratoria. 1.52 woning: een (complex van) ruimte(n), geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 100
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming daarvan, of binnen een in de planregels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 2.2 de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren, met dien verstande dat indien een gevelvlak niet evenwijdig lopen dan wel verspringen, het gemiddelde geldt van de kleinste en grootste breedte, diepte c.q lengte. 2.3 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.4 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.6 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.8 de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. 101
2.9 het peil: a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 2 cm; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 2 cm. 2.10 de vloeroppervlakte van een gebouw de som van alle tot het gebouw behorende binnenruimten, gemeten op vloerniveau tussen de begrensde opgaande scheidingsconstructie van de afzonderlijke daartoe behorende ruimte(n), inclusief onderbouw en zolderruimte. De oppervlakte van een trapgat, een liftschacht en een toegankelijke leidingschacht moet op elke bouwlaag tot de vloeroppervlakte van een gebouw worden gerekend. 2.11 ondergeschikte bouwdelen bij toepassing van het in dit artikel bepaalde worden ondergeschikte bouwonderdelen, zijnde plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, luchtkokers, liftschachten, technische ruimten op het dak, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken met betrekking tot de goot- en bouwhoogte, oppervlakten en bouwgrenzen buiten beschouwing gelaten, met dien verstande dat de overschrijding van een overstekend dak niet meer mag bedragen dan 1 m en met dien verstande dat niet meer dan 10% van het totale dakvlak gebruikt mag worden voor ondergeschikte bouwdelen, waarbij de maximale bouwhoogteoverschrijding niet meer mag bedragen dan 3 m. 102
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1 Bestemmingsregels Agrarisch Bestemmingsomschrijving De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van grondgebonden veehouderij; b. het behoud en versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden van het beschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m; b. uitsluitend overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de waterhuishouding zijn toegestaan met dien verstande dat hiervoor een maximale bouwhoogte van 1 m geldt. 103
Artikel 4 4.1 Bedrijf 1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Life Science & Health bedrijven zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 1; b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - maatschappelijk 1' tevens voor voorzieningen ten behoeve van middelbaar en hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, wetenschappelijke instellingen en instituten op zowel onderzoeks- en ontwikkelingsgebied alsmede in de dienstverlenende sector met een inperkingsniveau van maximaal ML-III+ en/of BSL-3 met een maximale gevarenklasse van P3; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kenniscentrum voor banden' tevens voor een kenniscentrum voor de bandenbranche bestaande uit kantoorruimte en/of testruimte; d. kantoorruimte en onderzoeksruimte op het gebied van luchtvaart en ruimtevaarttechnologie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - ruimtevaarttechnologie'; e. een doorgaande langzaam verkeerroute ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - langzaam verkeer'; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals: f. g. h. i. j. k. l. m. n. (eventueel gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor laden en lossen; tuinen; in- en uitritten en ontsluitingswegen; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; verhardingen; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo)' mag het bebouwd oppervlak aan gebouwen en overkappingen per bouwvlak niet meer bedragen dan het in de aanduiding weergegeven oppervlak in bvo. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. f. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met f, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. 104
4.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 4.3 Specifieke gebruiksregels a. Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en gebouwen anders dan voor Life Science & Health bedrijven; b. Life Science & Health bedrijven mogen beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-III+ en/of BSL-3 met een maximale gevarenklasse van P3; c. Life Science & Health bedrijven mogen beschikken over bedrijfsgebonden kantoorruimte met dien verstande dat per bedrijf maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte is toegestaan. 105
Artikel 5 5.1 Bedrijf 2 Bestemmingsomschrijving De voor Bedrijf 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Life Sciences & Health bedrijven zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 2; b. wetenschappelijke instellingen en onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 2; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1' Life Sciences & Health bedrijven en wetenschappelijke instellingen en onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 2 met een inperkingsniveau van maximaal ML-I en/of BSL-1 met een maximale gevarenklasse van P1; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - langzaam verkeer' een doorgaande route voor langzaam verkeer; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals: e. f. g. h. i. j. k. l. m. (eventueel gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor laden en lossen; tuinen; in- en uitritten en ontsluitingswegen ; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; verhardingen; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo)' mag het bebouwd oppervlak aann gebouwen en overkappingen per bouwvlak niet meer bedragen dan het in de aanduiding weergegeven oppervlak in bvo. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. f. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. g. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met f, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. 106
5.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 5.3 Specifieke gebruiksregels a. Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en gebouwen anders dan voor Life Science & Health bedrijven en/of wetenschappelijke instellingen en onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health; b. Life Science & Health bedrijven en/of wetenschappelijke instellingen en onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health mogen beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-III+ en/of BSL-3 met een maximale gevarenklasse van P3. Ter plaatse van de aanduiding ''specifieke vorm van bedrijf - 1' mogen Life Science & Health bedrijven en/of wetenschappelijke instellingen en onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-I en/of BSL-1 met een maximale gevarenklasse van P1. c. Life Science & Health bedrijven mogen beschikken over bedrijfs- en/of instellingsgebonden kantoorruimte met dien verstande dat per bedrijf maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte is toegestaan. Voor wetenschappelijke instellingen en onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health geldt dat minimaal 50% van de gebouwen gebruikt dient te worden ten behoeve van lesruimten, praktijkruimten, onderzoeksruimten en soortgelijke voorzieningen. 5.4 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.3 onder a. voor het toestaan van niet-life Science & Health bedrijven en/of -instellingen, mits deze bedrijven en/of instellingen wel passen binnen het Life Science & Health kenniscluster, een inperkingsniveau van maximaal ML-III+ en/of BSL-3 met een maximale gevarenklasse van P3 hebben en maximaal over 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte per bedrijf beschikken. Het bevoegd gezag laat zich hierbij adviseren door een deskundigencommissie in de vorm van een brancheringscommissie. 107
Artikel 6 6.1 Bedrijf 3 Bestemmingsomschrijving De voor Bedrijf 3 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Life Science & Health bedrijven zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 3; b. wetenschappelijke instellingen en onderwijs zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 3; c. aan het Life Science & Health kenniscluster gerelateerde overige bedrijven, (onderwijs-) instellingen en/of kantoren zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 3; d. kantoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kantoor'; e. kantoorruimte en onderzoeksruimte op het gebied van luchtvaart en ruimtevaarttechnologie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - ruimtevaarttechnologie'; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals: f. g. h. i. j. k. l. m. n. (eventueel gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor laden en lossen; tuinen; in- en uitritten en ontsluitingswegen ; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; verhardingen; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo)' mag het bebouwd oppervlak aann gebouwen en overkappingen per bouwvlak niet meer bedragen dan het in de aanduiding weergegeven oppervlak in bvo. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. f. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. g. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met f, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. 6.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: 108
a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 6.3 Specifieke gebruiksregels a. Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en gebouwen anders dan voor Life Science & Health bedrijven en/of -instellingen, wetenschappelijke instellingen en/of onderwijs en Life Sciences & Health gerelateerde overige bedrijven, (onderwijs-) instellingen en/of kantoren zoals opgenomen in de Staat van Inrichtingen 3; b. Life Science & Health bedrijven en/of -instellingen mogen beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-I en/of BSL-1 met een maximale gevarenklasse van P1. 6.4 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3 onder a. voor het toestaan van overige bedrijven, (onderwijs-) instellingen en/of kantoren die niet voorkomen in de Staat van Bedrijven 3, mits deze wel passen binnen het Life Science & Health kenniscluster en eventuele (gen)laboratoria een inperkingsniveau van maximaal ML-I en/of BSL-1 met een maximale gevarenklasse van P1 hebben. Het bevoegd gezag laat zich hierbij adviseren door een deskundigencommissie in de vorm van een brancheringscommissie. 109
Artikel 7 7.1 Gemengd Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. wonen; wetenschappelijke instellingen en hoger onderwijs; detailhandel; zakelijke dienstverlening; horeca tot en met categorie IV; met de daarbij behorende voorzieningen zoals: f. g. h. i. j. k. l. m. n. (eventueel gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor laden en lossen; tuinen; in- en uitritten en ontsluitingswegen ; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; verhardingen; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; alsmede voor: o. behoud en bescherming van beeldbepalende bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo)' mag het bebouwd oppervlak aann gebouwen en overkappingen per bouwvlak niet meer bedragen dan het in de aanduiding weergegeven oppervlak in bvo. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van het gebouw binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1 m. f. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. g. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met d, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. h. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' mag het bouwvlak voor 100% worden bebouwd tot een hoogte van maximaal 17,5 meter. Hoger dan 17,5 meter mag het bouwvlak maximaal voor 30% bebouwd worden. 110
i. De oppervlakte van horecabedrijven bedraagt tezamen met de oppervlakte van horecabedrijven in de bestemming Gemengd - 2 ten hoogste 2.500 m2. 7.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van het gebouw binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 7.3 Nadere eisen 7.3.1 Situering en inrichting Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en de inrichting van een perceel, indien dit noodzakelijk is ten behoeve van de bezonningssituatie, (bestaande) boombeplanting, de ligging van leidingen en dergelijke, dan wel indien dit uit oogpunt van stedenbouwkundige of ruimtelijk/functionele kwaliteit wenselijk is. 7.3.2 Windhinder Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats, de hoogte en de bouwwijze van gebouwen met een bouwhoogte van meer dan 25 meter voor zover dit noodzakelijk is om onaanvaardbare gevolgen te voorkomen voor het windcomfort in de verblijfsgebieden in de onmiddelijke nabijheid van de gebouwen, mede gelet op het karakter van de desbetreffende verblijfsgebieden, waarbij gedlt dat door de nadere eisen de gebruikswaarde van de te bebouwen gronden niet onevenredig mag worden geschaad en de bouwhoogte van (delen van) gebouwen met ten hoogste 10% mag worden teruggebracht. 7.3.3 Karakteristieke panden Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering en maatvoering van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' indien en voor zover dat noodzakelijk is om de karakteristieke waarden van bouwwerken te beschermen. 7.4 Specifieke gebruiksregels Wetenschappelijke instellingen en onderwijs mogen niet beschikken over (gen)-laboratoria. 111
7.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan afwijken van het gestelde in artikel 7.1 onder e. voor het toestaan van ten hoogste één studentensociëteit uit horecacategorie VII voor zover de betrokken activiteit naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) toelaatbaar kan worden geacht en geen onevenredige overlast oplevert voor de omgeving. 7.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 7.6.1 Slopen Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op of in deze gronden gelegen bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te veranderen. 7.6.2 Toelaatbaarheid a. De in sub 7.6.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien door de sloopwerkzaamheden en/of verbouwingswerkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en/of de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied. b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.6.1 wint het bevoegd gezag advies in bij de monumentencommissie omtrent de mogelijke aantasting van het beeldbepalende karakter van de bebouwing. 7.6.3 Uitzonderingen Het bepaalde in sub 7.6.1 is niet van toepassing op: a. sloopwerkzaamheden en/of verbouwingswerkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; b. sloopwerkzaamheden en/of verbouwingswerkzaamheden, die op het tijdstip, waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn. 112
Artikel 8 8.1 Groen Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. groenvoorzieningen; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; nutsvoorzieningen; speelvoorzieningen; in- en uitritten voor gemotoriseerd verkeer; kunstobjecten; oeververbindingen in de vorm van bruggen en vlonders; een post voor ambulancevervoer met de daarbij behorende parkeerplaatsen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - ambulancevervoer', waarbij maximaal 25% van de bebouwde grondoppervlakte voor ander bijzonder personenvervoer toegestaan is; j. een dienstwoning behorende bij het in artikel 8.1 onder i genoemde bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - ambulancevervoer'; k. een overbouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing'. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. d. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. e. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met d, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. f. de onder artikel 8.1 onder lid 1, sub j vermelde woning mag een oppervlakte van ten hoogste 100 m2 BVO hebben. 8.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m. 113
8.3 Specifieke gebruiksregels Binnen de bestemming Groen zijn parkeerplaatsen niet toegestaan. 114
Artikel 9 9.1 Horeca Bestemmingsomschrijving De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. horecainstellingen in de categoriën I, II en III; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals: b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. (gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; voorzieningen voor laden en lossen; tuinen; verhardingen in- en uitritten; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; terrassen behorende bij de betreffende horecavoorziening(en). 9.2 Bouwregels 9.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. f. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met d, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. 9.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 115
Artikel 10 10.1 Kantoor Bestemmingsomschrijving De voor kantoor aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. kantoren; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals: b. c. d. e. f. g. h. i. j. (gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; voorzieningen voor laden en lossen; tuinen; verhardingen in- en uitritten en ontsluitingswegen ; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 10.2 Bouwregels 10.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. f. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met f, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. 10.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 116
Artikel 11 11.1 Maatschappelijk 1 Bestemmingsomschrijving De voor Maatschappelijk 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen ten behoeve van middelbaar en hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met een inperkingsniveau van maximaal ML-III+ en/of BSL-3 met een maximale gevarenklasse van P3; b. wetenschappelijke instellingen en instituten op zowel onderzoeks- en ontwikkelingsgebied alsmede in de dienstverlenende sector; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 1' voorzieningen ten behoeve van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met een inperkingsniveau van maximaal ML-I en/of BSL-1 met een maximale gevarenklasse van P1; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals: d. e. f. g. h. i. j. k. l. (eventueel gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; voorzieningen voor laden en lossen; in- en uitritten en ontsluitingswegen; tuinen; verhardingen; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 11.2 Bouwregels 11.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo)' mag het bebouwd oppervlak aann gebouwen en overkappingen per bouwvlak niet meer bedragen dan het in de aanduiding weergegeven oppervlak in bvo. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. f. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. g. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met d, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. 11.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: 117
a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 11.3 Specifieke gebruiksregels Voorzieningen voor hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek mogen beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-III+ en/of BSL-3 met een maximale gevarenklasse van P3. Ter plaatse van de aanduiding ''specifieke vorm van maatschappelijk - 1' mogen voorzieningen ten behoeve van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-I en/of BSL-1 met een maximale gevarenklasse van P1. 118
Artikel 12 12.1 Maatschappelijk 2 Bestemmingsomschrijving De voor Maatschappelijk 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen ten behoeve van hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en gezondheidszorg; b. onderwijs uitsluitend op het gebied van Life Science & Health en gezondheidszorg; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals: c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. (gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; voorzieningen voor laden en lossen; in- en uitritten en ontsluitingswegen; tuinen; verhardingen; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; een overbouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing'. 12.2 Bouwregels 12.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo)' mag het bebouwd oppervlak aann gebouwen en overkappingen per bouwvlak niet meer bedragen dan het in de aanduiding weergegeven oppervlak in bvo. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. f. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. g. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met d, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. 12.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen 119
dan 3 m. 12.3 Specifieke gebruiksregels Voorzieningen voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en gezondheidszorg mogen beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-III+ en/of BSL-3 met een maximale gevarenklasse van P3. 120
Artikel 13 13.1 Maatschappelijk 3 Bestemmingsomschrijving De voor Maatschappelijk 3 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. kantoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk kantoor'; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals: c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. (gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; voorzieningen voor laden en lossen; in- en uitritten en ontsluitingswegen; tuinen; verhardingen; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; een overbouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing'. 13.2 Bouwregels 13.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo)' mag het bebouwd oppervlak aann gebouwen en overkappingen per bouwvlak niet meer bedragen dan het in de aanduiding weergegeven oppervlak in bvo. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. f. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. g. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met d, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten. 13.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen 121
dan 3 m. 13.3 Specifieke gebruiksregels a. Voorzieningen voor hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek mogen beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-I en/of BSL-1 met een maximale gevarenklasse van P1; b. kinderdagverblijven zijn niet toegestaan binnen de bestemming Maatschappelijk 3. 122
Artikel 14 14.1 Sport Bestemmingsomschrijving De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Sport- en recreatieve voorzieningen zoals sportvelden, tennisbanen, atletiekbanen, kunstgrasvelden en sporthallen en periodieke sportevenemten; met de bijbehorende voorzieningen zoals: b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. (gebouwde) parkeervoorzieningen; voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; voorzieningen voor laden en lossen; in- en uitritten en ontsluitingswegen; ondersteunende horeca; tuinen; verhardingen; nutsvoorzieningen; groenvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen. 14.2 Bouwregels 14.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. b. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. c. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo)' mag het bebouwd oppervlak aann gebouwen en overkappingen per bouwvlak niet meer bedragen dan het in de aanduiding weergegeven oppervlak in bvo. e. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. f. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een vlaggenmast niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. g. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder b tot en met d, dan betreffen de bestaande hoogten de maximale hoogten; h. In afwijking van het bepaalde onder c mag de maximale bouwhoogte van ballenvangers, lichtmasten en soortgelijke voorzieningen niet meer dan 20 meter bedragen. 14.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6. 123
d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m; e. de bouwhoogte van ballenvangers, lichtmasten en soortgelijke voorzieningen mag niet meer dan 20 meter bedragen. 124
Artikel 15 15.1 Verkeer Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n. o. p. q. r. s. t. u. gemotoriseerd verkeer met bijbehorende voorzieningen; langzaam verkeer met bijbehorende voorzieningen; openbaar vervoer met bijbehorende voorzieningen; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - tunnel' een tunnel voor het doorgaande gemotoriseerde verkeer en/of langzaam verkeer; (ondergrondse) parkeervoorzieningen, met uitzondering van de gebieden met aanduiding (-sv-p) waar parkeren niet is toegestaan, met uitzondering van parkeerplaatsen voor mindervaliden; een parkeergarage ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' (pg); groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; (gebouwde) fietsenstallingen; (gebouwde) taxistandplaatsen; nutsvoorzieningen; hondenuitlaatplaatsen; in- en uitritten; kunstwerken; straatmeubilair; (ondergrondse) inzamelpunten voor afvalstoffen; geluidswerende voorzieningen; luchtschermen; terrassen ten behoeve van horecadoeleinden; balkons, luifels en overstekende bouwdelen behorende bij hoofdgebouwen op de aangrezende bestemming; een overbouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing'. 15.2 Bouwregels 15.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen met uitzondering van fietsenstallingen geen gebouwen worden opgericht met uitzondering van een parkeergarage ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' (pg). Deze parkeergarage mag maximaal 40 meter hoog worden. Gebouwde fietsenstallingen mogen alleen verdiept of half verdiept worden gebouwd. 15.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m; c. ten behoeve van een busstation mag een reisinformatiesysteem tot een maximale hoogte van 10 m worden gebouwd. 125
15.3 Specifieke gebruiksregels Het aantal rijstroken van de doorgaande weg voor gemotoriseerd verkeer ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - tunnel' bedraagt 2 + 2. 15.4 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het gestelde in lid 1 voor het toestaan van standplaatsen voor ambulante handel mits: a. het stedenbouwkundig verantwoord is; b. er geen nadelige effecten voor de verkeersveiligheid ontstaan. 126
Artikel 16 16.1 Verkeer - Railverkeer Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. spoorwegen en de daarbij behorende spoorwegvoorzieningen; b. verkeer in de vorm van (on)gelijkvloerse kruisingen ter plaatse van de aanduiding 'verkeer'; c. kunstwerken ten behoeve van het spoorverkeer zoals perrons, overkappingen, wachtruimten, liftopbouwen, (rol)trappen, kiosken, tunnels en viaducten; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - station' een spoorwegstation met bijbehorende voorzieningen zoals toegangen tot de perrons, kantoren ten behoeve van het station, verblijfsruimten voor reizigers en personeel, horeca categorie I, II en III, detailhandel, fietsenstallingen en -werkplaatsen; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - voetgangerstraverse' een openbare voetgangerstraverse die de verbinding vormt tussen het Stationsplein en de Bargelaan; met de daarbij behorende voorzieningen zoals: f. g. h. i. j. (ontsluitings)wegen; in- en uitritten; geluidwerende voorzieningen; groen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 16.2 Bouwregels 16.2.1 Bouwwerken Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht, met uitzondering van stationsgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'station'. Hiervoor gelden de volgende bouwregels: a. de gronden binnen het bouwvlak met de aanduiding 'station' mogen voor 100% bebouwd worden; b. bebouwing mag naast, over en onder het spoor plaatsvinden; c. de maximale bouwhoogte bedraagt 20 m. 16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Uitsluitend binnen de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan zoals voorzieningen ten behoeve van het railverkeer waaronder bovenleidingen, seinen, perrons, overkappingen en kunstwerken. 127
Artikel 17 17.1 Verkeer - Snelweg Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Snelweg' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gemotoriseerd verkeer met bijbehorende voorzieningen; b. openbaar vervoer; c. langzaam verkeer met bijbehorende voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - langzaam verkeer'; d. geluidswerende voorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. nutsvoorzieningen; h. kunstwerken in de vorm van viaducten, onderdoorgangen, tunnels en bruggen. 17.2 Bouwregels 17.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht, met uitzondering van abri's ten behoeve van het openbaar vervoer. Hiervoor gelden de volgende bouwregels: a. de maximaal toegestane bouwhoogte bedraagt 3 m; b. het maximaal toegestane oppervlakte bedraagt 25 m2. 17.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Uitsluitend binnen de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan zoals geluidswerende voorzieningen, verlichting, ongelijkvloerse kruisingen in de vorm van tunnels, onderdoorgangen, viaducten en bruggen. 17.3 Specifieke gebruiksregels a. Het aantal rijstroken van de A44 bedraagt 2 + 2, met uitzondering van in- en uitvoegstroken en openbaar vervoerstroken; b. het aantal rijstroken van de N206 bedraagt 2 + 2, met uitzondering van in- en uitvoegstroken en openbaar vervoerstroken. 128
Artikel 18 18.1 Water Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; kunstobjecten; een overbouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing'. 18.2 Bouwregels 18.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 18.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Uitsluitend binnen de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m. 18.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 2 onder 18.2.2 voor het bouwen van bruggen ten behoeve van langzaam verkeer en bestemmingsverkeer. Een afwijking kan verleend worden mits: a. dit aanvaardbaar is in de stedenbouwkundige structuur en karakteristiek van de omgeving; b. vanuit oogpunt van verkeersveiligheid geen gevaar oplevert; c. er geen onevenredige verslechtering van de waterkwaliteit optreedt. 129
Artikel 19 19.1 Wonen Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. in afwijking van het bepaald onder artikel 19.1 onder a ter plaatse van de aanduiding 'specifieke functieaanduiding - tijdelijk wonen' uitsluitend voor voorzieningen voor tijdelijk wonen; c. aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteiten; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - gemengd' tevens voor horecabedrijven in maximaal categorie IV en maatschappelijke doeleinden, met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 1.000 m2; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals: e. f. g. h. i. (gebouwde) parkeervoorzieningen; in- en uitritten ten behoeve van deze parkeervoorzieningen; tuinen en verhardingen; nutsvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 19.2 Bouwregels 19.2.1 Bouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. b. De voorgevel moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn. c. De goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. De bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. e. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo) bedraagt het bebouwd oppervlak aan gebouwen en overkappingen per bouwvlak niet meer dan in het in de aanduiding weergegeven oppervlak. f. Een gebouw mag in zijn geheel worden voorzien van een plat dak dan wel worden voorzien van een kap. g. Indien een gebouw wordt voorzien van een kap, dient minimaal 40% van een gebouw te worden voorzien van een schuin hellend dakschilden en mag de dakhelling per schuin hellend dakschild niet minder bedragen dan 30 en niet meer bedragen dan 75. h. In afwijking van het bepaalde onder e mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 m. i. Indien de bestaande hoogten meer bedragen dan maximaal is toegestaan op grond van het bepaalde onder d, e en h, dan bedragen de bestaande hoogten de maximale hoogten. j. De in artikel 20.1 onder c genoemde horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan op de eerste bouwlaag van de bebouwing. 19.2.2 Bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen en overkappingen mogen buiten het bouwvlak uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'erf' worden gebouwd. 130
b. Gebouwen achter en aansluitend op het bouwvlak mogen het bouwvlak met niet meer dan 2,5 m overschrijden. c. De gronden met de aanduiding 'erf' mogen per bouwperceel voor maximaal 50% worden bebouwd. d. De gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen ter plaatse van de aanduiding 'erf' mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 35 m². e. De bouwhoogte van een gebouw binnen 2,5 m van een gebouw binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het gebouw binnen het bouwvlak plus 0,3 m, met een maximum van 4 m. f. De bouwhoogte van een gebouw op een afstand van meer dan 2,5 m buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 3 m. g. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van het gebouw binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1 m. h. De bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 1. i. Vrijstaande reclameborden c.q. reclamezuilen mogen worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. deze uitsluitend zijn toegestaan ten behoeve van aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteiten; 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,50 m; 3. de breedte niet meer mag bedragen dan 0,40 m; 4. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 0,50 m²; 5. het aantal reclameborden c.q. reclamezuilen per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 1. j. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 19.2.3 Erkers, balkons, luifels en portalen Voor het bouwen van erkers, balkons, luifels en portalen buiten het bouwvlak en buiten de aanduiding 'erf', aan een naar de weg gekeerde gevel van een gebouw binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. De diepte van een erker, balkon, luifel of portaal mag niet meer bedragen dan 1,5 m. b. De afstand tot de openbare weg mag niet minder bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van een erker en/of portaal mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende gebouw binnen het bouwvlak plus 0,3 m, met een maximum van 4 m. d. De bouwhoogte van een balustrade op een balkon mag niet meer bedragen dan 1,20 m vanaf de bovenkant vloer van het balkon. e. De breedte van een erker en portaal tezamen mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de voorgevel van het gebouw binnen het bouwvlak. f. Een erker mag de denkbeeldige lijn, te meten vanaf het punt waar de voorgevel en de zijgevel van het gebouw binnen het bouwvlak samenkomen en met een hoek van 45 ten opzichte van de zijgevel van dat gebouw binnen het bouwvlak, niet overschrijden. g. Het bepaalde onder f is niet van toepassing indien: 1. op twee belendende percelen de erkers aaneen worden gebouwd; 2. op een hoekperceel een erker tegen de zijgevel wordt gebouwd. 131
19.2.4 Gebouwen buiten het bouwvlak bij gestapelde woningen ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' Voor het bouwen van gebouwen buiten het bouwvlak bij gestapelde woningen ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' gelden de volgende bepalingen: a. Gebouwen buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', waarbij de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' volledig mogen worden bebouwd. b. Ter plaatse van de aanduiding 'erf' mogen uitsluitend gebouwen behorende bij de woningen op de begane grond worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. per woning op de begane grond niet meer dan één vrijstaand gebouw mag worden opgericht achter de achtergevel van de betreffende woning; 2. per woning niet meer dan 50% van het bij de woning behorende aanduidingsvlak mag worden bebouwd; 3. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 12 m² per woning. c. De bouwhoogte van de gebouwen buiten het bouwvlak mag binnen 2,5 m vanaf het bouwvlak niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende gebouw binnen het bouwvlak plus 0,3 m, met een maximum bouwhoogte van 4 m en mag op een afstand van meer dan 2,5 m vanaf het bouwvlak niet meer bedragen dan 3 m. 19.2.5 Parkeergarage Voor het bouwen van een parkeergarage ten behoeve van de woonfunctie gelden de volgende bepalingen: a. Een parkeergarage mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak en/of ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage'. b. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' mogen volledig worden bebouwd ten behoeve van de parkeergarage. c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. e. Indien geen aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven, mag uitsluitend een ondergrondse parkeergarage worden gebouwd. f. In afwijking van het bepaalde onder a mag buiten het bouwvlak en buiten de aanduiding 'parkeergarage' een hellingbaan/inrit ten behoeve van een ondergrondse parkeergarage worden gebouwd. 19.3 Afwijken van de bouwregels 19.3.1 Afwijkingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in: a. lid 19.2.1 onder c voor het bouwen van een voorgevel achter de voorgevelrooilijn, met dien verstande dat de afstand tussen de voorgevel en de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 2 m; b. lid 19.2.2 onder a voor het bouwen van een gebouw op gronden zonder de aanduiding 'erf', met dien verstande dat: 1. per bouwperceel niet meer dan één gebouw mag worden opgericht; 2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 4 m²; 3. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 m; c. lid 19.2.2 onder f voor het bouwen van een kapconstructie op gebouwen buiten het 132
bouwvlak, met dien verstande dat: 1. dit uitsluitend is toegestaan voor gebouwen aansluitend aan een gebouw binnen een bouwvlak; 2. de kapconstructie een doorlopend gedeelte betreft van de kap van het gebouw binnen het bouwvlak; 3. de verhoging met een kap niet onevenredig nadelig is voor de lichttoetreding in aangrenzende tuinen; d. lid 19.2.2 onder f voor het bouwen van een dakterras op gebouwen buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: 1. dit uitsluitend is toegestaan voor gebouwen aansluitend aan een gebouw binnen een bouwvlak; 2. de bouwhoogte van een balustrade op een dakterras niet meer mag bedragen dan 1,20 m vanaf de bovenkant vloer van het dakterras; e. lid 19.2.3 voor het bouwen van een balkon aan een gevel van een gebouw binnen het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'erf', met dien verstande dat de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 m. 19.3.2 Algemene criteria afwijkingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen, mits: a. dit aanvaardbaar is binnen de stedenbouwkundige structuur en karakteristiek van de omgeving; b. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 19.4 Specifieke gebruiksregels a. Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik ten behoeve van het stallen van auto's en aanhangers (waaronder caravans) op de gronden gelegen recht voor het bouwvlak. b. Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van vrijstaande gebouwen buiten het bouwvlak voor bewoning. c. De uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteiten is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: 1. De omvang van de activiteiten mag in totaal niet meer bedragen dan 40% van de totale vloeroppervlakte van de bebouwing, voor zover gesitueerd binnen het bouwvlak. 2. De activiteiten mogen alleen in de gebouwen (binnen en buiten het bouwvlak) worden uitgeoefend. 3. Het gebruik mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben. 4. De activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving waarbij geldt dat deze is genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten - aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteiten. 19.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 19.4 sub c onder 4 voor het toestaan van een aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteit dat niet voorkomt in de Staat van bedrijfsactiviteiten aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteiten, mits de activiteit naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de toegelaten milieucategorie. 133
19.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 19.6.1 Slopen Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op of in deze gronden gelegen bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te veranderen. 19.6.2 Toelaatbaarheid a. De in sub 19.6.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien door de sloopwerkzaamheden en/of verbouwingswerkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en/of de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied. b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 19.6.1 wint het bevoegd gezag advies in bij de monumentencommissie omtrent de mogelijke aantasting van het beeldbepalende karakter van de bebouwing. 19.6.3 Uitzonderingen Het bepaalde in sub 19.6.1 is niet van toepassing op: a. sloopwerkzaamheden en/of verbouwingswerkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; b. sloopwerkzaamheden en/of verbouwingswerkzaamheden, die op het tijdstip, waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn. 19.7 Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan de bestemming Wonen ter plaatse van de aanduiding 'Wro-zone wijzigingsgebied 1' wijzigen naar de bestemming Gemengd 1. Deze wijziging kan alleen plaats vinden indien: a. stedenbouwkundige belangen zich niet tegen het inrichtings- en/of bouwplan verzetten; b. binnen het wijzigingsgebied voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd; c. de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder danwel een vastgestelde hogere grenswaarde niet wordt overschreden; d. een oppervlak van ten minste 15% van het nieuw te realiseren oppervlak aan verharding in of nabij het wijzigingsgebied 134
Artikel 20 20.1 Waarde - Archeologie 3 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 20.2 Bouwregels 1. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 20.1 bedoelde bestemming uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van artikel 20.3 vooraf in acht zijn genomen. 2. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht voor de primaire bestemming(en) als bedoeld in het betreffende bestemmingsplan, mits de bepalingen van artikel 20.3 vooraf in acht zijn genomen. 20.3 Aanlegvergunning 1. Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 zonder of in afwijking van een schriftelijke aanlegvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 30 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 30 m². a. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd; c. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het verlagen van het waterpeil; e. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten; f. het heien van palen en slaan van damwanden; 2. De aanvrager van een aanlegvergunning dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, in voldoende mate is vastgesteld. 3. De werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden als bedoeld onder a t/m f zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover deze door die werken of werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden. 20.4 Aanlegvergunning niet vereist Het verbod zoals bedoeld in artikel 20.3 is niet van toepassing indien: 135
1. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; 2. de werken of werkzaamheden: - reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; - mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of ontgrondingenvergunning. 20.5 Voorwaarden aanlegvergunning Aan de aanlegvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek; 2. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); 3. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ); 4. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; 5. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door burgemeester en wethouders te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding). 20.6 Programma van eisen Archeologisch onderzoek zoals bedoeld in artikel 20.5 wordt uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, dat moet worden goedgekeurd door het college van burgemeester en wethouders. In het Programma van Eisen wordt aangegeven op welke wijze de voorwaarden die aan de vergunning worden verbonden worden uitgevoerd. 20.7 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door: 1. de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; 2. aan gronden alsnog de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 toe te kennen indien uit inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft. 20.8 Procedure wijzigingsbevoegdheid Op de voorbereiding van een wijziging als bedoeld in artikel 20.7 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 136
Artikel 21 21.1 Waarde - Archeologie 5 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 21.2 Bouwregels a. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 21.1 bedoelde bestemming uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van lid 21.3 vooraf in acht zijn genomen. b. Tevens mogen op deze gronden gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht voor de overige geldende bestemming(en), mits de bepalingen van lid 21.3 vooraf in acht zijn genomen. 21.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.3.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 250 m²: a. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd; c. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het verlagen van het waterpeil; e. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten; f. het heien van palen en slaan van damwanden. 21.3.2 Toelaatbaarheid a. De in lid 21.3.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien en voor zover die werken of werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden. b. De aanvrager van een omgevingsvergunning dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. 137
21.3.3 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 21.3.1 is niet van toepassing op: a. onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. werken of werkzaamheden die: 1. op het tijdstip, waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingenvergunning. 21.3.4 Voorwaarden omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek; b. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); c. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ); d. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; e. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding). 21.3.5 Programma van Eisen Archeologisch onderzoek zoals bedoeld in lid 21.3.4 wordt uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, dat moet worden goedgekeurd door het het bevoegd gezag. In het Programma van Eisen wordt aangegeven op welke wijze de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning worden verbonden worden uitgevoerd. 21.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan te wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. aan gronden alsnog de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' toe te kennen indien uit inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze bestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft. 138
Artikel 22 22.1 Waarde - Archeologie 6 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden 22.2 Bouwregels a. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 22.1 bedoelde bestemming uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van lid 22.3 vooraf in acht zijn genomen. b. Tevens mogen op deze gronden gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht voor de overige geldende bestemming(en), mits de bepalingen van lid 22.3 vooraf in acht zijn genomen. 22.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.3.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 75 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 500 m²: a. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd; c. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het verlagen van het waterpeil; e. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten; f. het heien van palen en slaan van damwanden. 22.3.2 Toelaatbaarheid a. De in lid 22.3.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien en voor zover die werken of werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden. b. De aanvrager van een omgevingsvergunning dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. 22.3.3 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 22.3.1 is niet van toepassing op: 139
a. onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. werken of werkzaamheden die: 1. op het tijdstip, waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingenvergunning. 22.3.4 Voorwaarden omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek; b. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); c. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ); d. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; e. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding). 22.3.5 Programma van Eisen Archeologisch onderzoek zoals bedoeld in lid 22.3.4 wordt uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, dat moet worden goedgekeurd door het het bevoegd gezag. In het Programma van Eisen wordt aangegeven op welke wijze de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning worden verbonden worden uitgevoerd. 22.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan te wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. aan gronden alsnog de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' toe te kennen indien uit inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze bestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft. 140
Artikel 23 23.1 Waarde - Cultuurhistorie Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde- cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de bescherming van de met het beschermd dorpsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden, zoals nader omschreven in de toelichting bij de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten en in de toelichting die het onderhavige bestemmingsplan vergezelt. 23.2 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan bij het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, nadere eisen stellen aan de situering van bouwwerken ter voorkoming van oneveneredige aantasting van de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit, die in dit plangebied bestaat uit de cultuurhistorische waarde van het landelijk gebied ten noorden van de Wassenaarseweg. 141
Artikel 24 Wro-zone - wijzigingsgebied 1. Het bevoegd gezag kan de bouwregels ter plaatse van de aanduiding ' wro-zone wijzigingsgebied - 2' wijzigen. 2. De wijziging van de bouwregels is enkel mogelijk ten behoeve van het oprichten van een gebouwde sportvoorziening, inclusief bijbehorende aanpassing van de directe omgeving. 3. Het maximaal bebouwd oppervlakte bedraagt 6.000m² 4. De maximale nokhoogte bedraagt 20m. 5. De wijziging van de bouwregels, zoals bedoeld in lid 1, kan alleen plaatsvinden indien: a. stedenbouwkundige belangen zich niet tegen het inrichtings- en/of bouwplan verzetten; b. Binnen het wijzigingsgebied dienen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd; c. De voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder, dan wel de door het college van Burgemeester en wethouders vóór de vaststelling van het plan vastgestelde hogere grenswaarde, dient niet te worden overschreden; d. Een oppervlak van ten minste 15% van het nieuw te realiseren oppervlak aan verharding dient in of nabij het wijzigingsgebied voor waterbergingsdoeleinden te worden gereserveerd; e. Bodemsanering niet noodzakelijk is dan wel vóór uitvoering van het wijzigingsplan zal plaatsvinden; f. Voldaan wordt aan het bepaalde in de Wet luchtkwaliteit; g. Het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt; h. Geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden dan wel geen ingrepen in de bodem zullen worden verricht; i. Voldaan wordt aan het bepaalde in de Flora- en faunawet; j. Het wijzigingsplan financieel uitvoerbaar is. 6. Het bevoegd gezag wint, alvorens gebruik te maken van deze wijzigingsbevoegdheid, advies in bij de waterbeheerder en verwerkt dit advies gemotiveerd in het besluit tot wijziging. 7. Het bevoegd gezag wint, alvorens gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheid, advies in bij de Regionale Brandweer Hollands Midden en verwerkt dit advies gemotiveerd in het besluit tot wijziging. 142
Hoofdstuk 3 Artikel 25 Algemene regels Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. 143
Artikel 26 26.1 Algemene bouwregels Ondergronds bouwen Voor ondergronds bouwen geldt de volgende bepaling: a. Op plaatsen waar bovengronds bebouwing in de vorm van gebouwen is toegestaan, mag ondergronds worden gebouwd, met dien verstande dat de maximale maten, met uitzondering van de hoogte, zoals genoemd in de bestemmingen in hoofdstuk 2 van toepassing blijven. b. Direct aansluitend aan een ondergronds bouwwerk mogen daar waar bovengronds geen gebouwen zijn toegestaan voorzieningen ten behoeve van ondergrondse bouwwerken worden gebouwd in de vorm van hellingbanen en trappenhuizen. 26.2 Bestaande maten a. de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. 144
Artikel 27 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken: a. van de in deze regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. deze regels en toestaan dat kleine gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen, het openbaar vervoer, de bediening van kunstwerken, telefooncellen, toiletvoorzieningen en naar aard gelijk te stellen gebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat de inhoud per gebouw niet meer dan 50 m3 mag bedragen en dat de bouwhoogte niet meer dan 3,5 meter mag bedragen; c. van deze regels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter. 145
Artikel 28 28.1 Overige regels Uitsluiting aanvullende werking Bouwverordening De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen: a. b. c. d. e. f. de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen; de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer; de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten; het bouwen bij hoogspanningsleidingen en ondergrondse hoofdtransportleidingen; de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden; de ruimte tussen bouwwerken. 28.2 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het voorontwerp van het bestemmingsplan. 146
Hoofdstuk 4 Artikel 29 29.1 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 29.2 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 147
Artikel 30 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het. 148
Bijlagen 149
150
Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten 1 151
152
Staat van Bedrijven 1 Binnen de Staat van Bedrijven 1 zijn de volgende bedrijven toegestaan: bedrijven behorende tot de sector Life Science & Health, namelijk de volle breedte van farma, biotech, materialen tot diagnostiek en medische technologie. Life Science & Health bedrijven kunnen (deels) beschikken over (gen-) laboratoria en kunnen bestaan uit hoogwaardige distributie en -productie. Life Science & Health bedrijven beschikken over maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte per bedrijf, het overige deel van het bedrijf bestaat uit laboratoria, R&Druimten, productie- en distributiefaciliteiten.
Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten 2 155
156
Staat van Bedrijven 2 Binnen de Staat van Bedrijven 2 zijn de volgende bedrijven en/of instellingen toegestaan: bedrijven behorende tot de sector Life Science & Health, namelijk de volle breedte van farma, biotech, materialen tot diagnostiek en medische technologie. Life Science & Health bedrijven kunnen (deels) beschikken over (gen-) laboratoria en kunnen bestaan uit hoogwaardige distributie en -productie. Life Science & Health bedrijven beschikken over maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte per bedrijf, het overige deel van het bedrijf bestaat uit laboratoria, R&Druimten, productie- en distributiefaciliteiten. wetenschappelijke instellingen en hoger onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health. wetenschappelijke instellingen en hoger onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health kunnen (deels) beschikken over (gen-) laboratoria en kunnen bestaan uit hoogwaardige distributie en -productie. wetenschappelijke instellingen en hoger onderwijs op het gebied van Life Sciences & Health beschikken over maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte per bedrijf, het overige deel van het bedrijf bestaat uit laboratoria, R&D-ruimten, lesruimten, praktijkruimten, productie- en distributiefaciliteiten.
Bijlage 3 Staat van bedrijfsactiviteiten 3 159
160
Staat van Bedrijven 3 Binnen de Staat van Bedrijven 3 zijn de volgende bedrijven, kantoren en/of instellingen toegestaan: bedrijven behorende tot de sector Life Science & Health, namelijk de volle breedte van farma, biotech, materialen tot diagnostiek en medische technologie. Life Science & Health bedrijven kunnen (deels) beschikken over (gen-) laboratoria en kunnen bestaan uit hoogwaardige distributie en productie, R&D-ruimten en kantoren. wetenschappelijke instellingen en onderwijs, zowel aan het Life Science & Health kenniscluster gerelateerd als ook wetenschappelijke instellingen en/of hoger onderwijs in de sectoren wis- en natuurkunde, informatietechnologie (ICT en engineering), taalwetenschappen, psychologie, sociologie, rechten en economie. Aan het Life Science & Health kenniscluster gerelateerde overige bedrijven, instellingen en/of kantoren die gericht te zijn op de ondersteuning van (of regelgeving met betrekking tot) het Life Science & Health kenniscluster. Deze overige bedrijven, instellingen en/of kantoren zijn: printings services, secretariele ondersteuning, conferentie-faciliteiten, ziektekostenverzekeraars, toelatingsorganisaties voor medicijnen, tariefbepalende instanties in de Life Science & Health-sector, subsidie verstrekkende organisaties in de Life Science & Health en/of wetenschappelijke sector, contract research, adviesdiensten op het gebied van intellectual property (IP) en rekencentra.