Assessment MVO-competenties



Vergelijkbare documenten
Leren, loopbaan en burgerschap

kwaliteiten en motieven

reflectieopdrachten en door middel van het toepassen van het analysemodel in praktijkcases.

Nederlands. Burgerschap voor AG. M.C. Arnold-Klaarhamer

Economie, Wet- en Regelgeving

Handboek Examinering Praktijkschool Grotius College Delft*

CONCEPT Format OER voor 2010 competentiegerichte opleidingen in het nieuwe format A. Basisgegevens

91462 Examenplan Medewerker (gezel) Schilderen 3 Uitstroom Gezel Schilder Afwerking van Interieurs

Leren, Loopbaan & Burgerschap. Geel Rood & Blauw Kunst&cultuuractiviteiten

Reglement Diploma Praktijkonderwijs, Regio Haaglanden. Inhoudsopgave reglement

Leren, Loopbaan en Burgerschap

Prestatie-indicator. aanwezigheid bij bijeenkomsten, arbeidstijden Schriftelijke en mondelinge taalvaardigheid Ethisch en integer handelen

PVB 3.4 Aansturen van sportkader

Economie, Wet- en Regelgeving

INtheMC. Niveau (NQF) Startdatum: Einddatum: Aanvinken v=voldoende a = aanpassen 2=2e gelegenheid

Leren, Loopbaan en Burgerschap. April 2007

Competentiegericht Onderwijs

Scholen voor Zorg. Examendocument Behorend bij de BEWIJSMAP. Loopbaan en Burgerschap. Cohort Opleiding Verzorgende- IG MBO.

OER 2010 A. Basisgegevens

Reglement certificering en diplomering

MVO-Control Panel. Instrumenten voor integraal MVO-management. Intern MVO-management. Verbetering van motivatie, performance en integriteit

Model Praktijkbeoordelaar

Studentopdracht INtheMC

Studentopdracht INtheMC

Als je in zorg of welzijn werkt, krijg je veel te maken met zorgvragers die ondersteunt moeten worden in hun persoonlijke verzorging/adl.

Werken aan persoonlijke ontwikkeling en sturen van eigen loopbaan

[STUDIEHANDLEIDING SLB EN EXAMINERING BPV ] Studiehandleiding studieloopbaanbergeleiding en examinering.

Examendocument Behorend bij de BEWIJSMAP. Loopbaan en Burgerschap. Cohort Opleiding AG. Crebonummer 91300/

Loopbaan- en burgerschap op Campus Winschoten. Richtlijn voor MBO-leerlingen

Handboek Examinering Praktijkschool Grotius College Delft*

EXAMENPLAN OPLEIDING Handhaver Toezicht en Veiligheid

EXAMENPLAN CGO 2011 DELTION COLLEGE

Project Dimensie Kerndoelen Competenties

Handleiding BPV-beoordeling voor de deelnemer. Dossiers VMBO

Model Praktijkbeoordelaar

PVB 3.4 Aansturen van sportkader

Beoordelingsformulier PVB 1.1 Assisteren bij lessen/activiteiten. Deelkwalificatie van Leider Sportieve Recreatie 1

MVO-Control Panel. Instrumenten voor integraal MVO-management. MVO en reorganisatie. Een model voor verantwoorde en succesvolle reorganisatie

Leerplanschema. Helpende zorg/ welzijn

MVO-Control Panel. Instrumenten voor integraal MVO-management. Extern MVO-management. MVO-management, duurzaamheid en duurzame communicatie

Kerntaak 1 Bieden van zorg en ondersteuning op basis van een werkplanning. STER opdracht: helpen bij een creatieve activiteit

Academie voor Sportkader. Kwalificatieprofiel Wedstrijdadministratie (Official 2)

EXAMENPLAN 2018 Crebocode: Leerweg: BOL en BBL

OER voor 2011 competentiegerichte opleidingen in het nieuwe format A. Basisgegevens

Inhoud en competenties leer-werkboeken

1.2.1 Begeleidt sporters bij toetsen/evenementen; Waarborgt de hygiëne; Maakt afspraken; Handelt formaliteiten af.

Brondocument. - Burgerschap - Leren & loopbaan. in het MBO. Versie Juni 2009

Competentiemanagement bij de federale overheid

Ondernemend gedrag (geschikt voor niveau 1 en 2)

Competentieprofiel beoordelaar

1. Algemene informatie over kwalificatie

TWIXX: De Start KLASSIKAAL

1. Algemene informatie over de kwalificatie. A. Functienaam Wellnessmasseur (NGS) 1

Handboek Examinering Praktijkschool Grotius College Delft*

VOORTGANGSRAPPORTAGE Pedagogisch Werk Jeugdzorg BOL Leerjaar 2 Praktijk

Deelkwalificatie van Leider Sportieve Recreatie niveau 2

2 Stappen en fasen bw.indd :35

Overzicht kerntaken, werkprocessen, prestatie-indicatoren gekoppeld aan examenproducten

PvB 3.3 Organiseren van activiteiten

Gespreksformulieren LA personeel Dommelgroep

Handboek Examinering Praktijkschool Grotius College Delft*

Deelkwalificatie van Leider Sportieve Recreatie niveau 3

Kwalificatieprofiel NGS Wellnessmasseur

Talentcoach Kwalificatieprofiel

Landelijke Kwalificaties MBO

Deelkwalificatie van Leider Sportieve Recreatie niveau 2

Keuzedeel mbo. Zorg en technologie. gekoppeld aan één of meerdere kwalificaties mbo. Code K0137

Leerplanschema. Helpende zorg/ welzijn

Verantwoordingsdocument LLB Wellantcollege

Leerlingen doen ervaringen op op diverse werkplekken

Beroepsopdracht 3: Zorg voor de veiligheid en voorlichting geven

OPLEIDING HELPENDE ZORG EN WELZIJN TOETS BEROEPSOPDRACHT. Beroepstaak C Helpen bij (sociale) activiteiten. Niveau Gevorderd

PVB 4.5 Samenwerken met een begeleidingsteam en onderhouden van externe contacten

vaardigheden - 21st century skills

Pagina 1 van 5. Examenprogramma Profielvak: dienstverlening & producten. De kern

Handboek Examinering Praktijkonderwijs Versie: februari 2019

Examenprogramma Profielvak: dienstverlening & producten

Deelkwalificatie van Leider Sportieve Recreatie niveau 3

ALGEMENE INSTRUCTIE EXAMINERING BEROEPSOPDRACHT A (BOL)

EXAMENPLAN CGO 2011 DELTION COLLEGE

dit project wordt mede mogelijk gemaakt door de Europese Unie Vraag - Aanbod cliënt detailhandel bouwnijverheid toerisme zorg

1. Algemene informatie over de kwalificatie. A. Functienaam Sportmasseur (NGS) 1

1. Algemene informatie over kwalificatie

gestructureerd activiteitenprogramma, zodat dit goed leesbaar en hanteerbaar is.

Dit portfolio is eigendom van: Naam: Adres: Postcode en woonplaats: Telefoon: Naam studieloopbaanbegeleider: Telefoon:

NAAM VOORNAAM 29/10/2012

OER voor 2009 competentiegerichte opleidingen in het nieuwe format A. Basisgegevens

PVA Jaar 2. Stefan Timmer S Klas: CE 2b

Kwalificatieprofiel NGS Sportmasseur

PROFESSIONEEL INTEGER DIENSTBAAR. Nederlands Compliance Instituut

STER opdracht huishoudkunde

Transcriptie:

Assessment MVO-competenties Competenties en beoordelingsformulieren behorend bij het boek MVO en Duurzaam Ondernemen. 1

Gegevens deelnemer Opleiding Jaar Naam begeleidend docent/beoordelaar 2

Inhoudsopgave Toelichting en opbouw...5 Vakinhoudelijke competenties in het boek bij elk hoofdstuk... 5 Algemene KBB-competenties en het Brondocument... 5 Beoordeling van verworven competenties... 5 Portfolio... 5 Deel 1 Assessment formulieren MVO-competenties... 7 MVO-competenties...8 Overzicht... 8 en bewijzen... 8 Competenties en hoofdstuk 1...10 Competentie 1.1... 11 Competentie 1.2... 12 Competentie 1.3... 13 Competentie 1.4... 14 Competenties en hoofdstuk 2...15 Competentie 2.1.... 16 Competentie 2.2... 17 Competentie 2.3... 18 Competentie 2.4... 19 Competentie 2.5... 20 Competenties en hoofdstuk 3...21 Competentie 3.1... 22 Competentie 3.2... 23 Competentie 3.3... 24 Competentie 3.4... 25 Competentie 3.5... 26 Competenties en hoofdstuk 4...27 Competentie 4.1... 28 Competentie 4.2... 29 Competentie 4.3... 30 Competentie 4.4... 31 Competenties en hoofdstuk 5...32 Competentie 5.1... 33 Competentie 5.2... 34 Competentie 5.3... 35 Competentie 5.4... 36 Competenties en hoofdstuk 6...37 Competentie 6.1... 38 Competentie 6.2... 39 Competentie 6.3... 40 Competentie 6.4... 41 Competentie 6.5... 42 Competentie 6.6... 43 Competentie 6.7... 44 3

Competenties en hoofdstuk 7...45 Competentie 7.1... 46 Competentie 7.2... 47 Competentie 7.3... 48 Competentie 7.4... 49 Competentie 7.5... 50 Deel 2 Assessment formulieren MVO-gerelateerde KBB-competenties... 51 Inleiding...52 Competenties en... 52 Competentie A. Beslissen en activiteiten initiëren... 53 Competentie B. Aansturen... 54 Competentie C. Begeleiden... 55 Competentie D. Aandacht en begrip tonen... 56 Competentie E. Samenwerken en overleggen... 57 Competentie F. Ethisch en integer handelen... 58 Competentie G. Relaties bouwen en netwerken... 60 Competentie H. Overtuigen en beïnvloeden... 61 Competentie K. Vakdeskundigheid toepassen... 62 Competentie L. Materialen en middelen inzetten... 63 Competentie M. Analyseren... 64 Competentie N. Onderzoeken... 65 Competentie O. Creëren en innoveren... 66 Competentie P. Leren... 67 Competentie R. Op de behoeften en verwachtingen van de klant richten... 68 Competentie S. Kwaliteit leveren... 69 Competentie T. Instructies en procedures volgen... 70 Competentie U. Omgaan met verandering en aanpassen... 71 Competentie W. Gedrevenheid en ambitie tonen... 72 Competentie X. Ondernemend en commercieel handelen... 73 Competentie Y. Bedrijfsmatig handelen... 74 4

Toelichting en opbouw Vakinhoudelijke competenties in het boek bij elk hoofdstuk In het boek hebben we bij elk hoofdstuk de specifieke, concrete vakinhoudelijke competenties genoemd die horen bij de onderwerpen van dat hoofdstuk. Op basis van onder andere je deelname in de klas, de manier waarop je de opdrachten hebt uitgewerkt of samen met anderen een projectopdracht hebt voltooid, kun je (laten) beoordelen in welke mate je deze competenties verworven hebt. Algemene KBB-competenties en het Brondocument Daarnaast kan je opleiding ervoor kiezen om dit boek te koppelen aan de algemene competenties uit het zogeheten KBB-model (powered by SHL), zoals die in het Brondocument Leren, Loopbaan en Burgerschap (LLB) zijn opgenomen. In dit Brondocument worden zeven kerntaken genoemd met daarbij behorende werkprocessen. Vervolgens worden bij elk van deze werkprocessen de van toepassing zijnde algemene KBB-competenties genoemd. KBB-competenties, SLB en Burgerschap Studieloopbaanbegeleiding De eerste twee kerntaken in het Brondocument en alle daarbij behorende werkprocesen en KBBcompetenties komen heel concreet aan de orde in het vak Studieloopbaanbegeleiding. Dat is een zogeheten doorlopende leerlijn, waarin je werkt aan allerlei sociale, communicatieve en studievaardigheden die je nodig hebt tijdens je studie en in je latere beroepsomgeving. Burgerschap De overige vijf kerntaken zijn tezamen minder omvangrijk dan de eerste twee, maar zijn ook erg belangrijk. Samen vormen ze de inhoud van het vak Burgerschap. Daarin leer je hoe je als volwaardig burger bij kan dragen aan de kwaliteit van de samenleving waar je zelf deel van uitmaakt. KBB-competenties en MVO In dit boek werk je aan concrete vakinhoudelijke MVO-competenties. Daarnaast versterk je, zoals je dat ook doet bij andere vakken, bepaalde algemene KBB-competenties die horen bij een aantal werkprocessen bij de verschillende kerntaken uit het Brondocument. Beoordeling van verworven competenties Als je dit boek hebt doorgewerkt en de theorie in de praktijk hebt toegepast - met behulp van de opdrachten of projectopdrachten op de website of in je stage of beroepsomgeving -, dan kun je (laten) beoordelen in welke mate je de vakinhoudelijke competenties verworven hebt. In deel 1 van dit document geven we daartoe standaardformulieren die je kunt gebruiken om bij elk van de competenties waaraan je bij het vak MVO werkt te controleren of je deze competenties inderdaad hebt verworven. Als je opleiding daarvoor kiest, kun je ook (laten) beoordelen in welke mate je de algemene KBB-competenties hebt versterkt. In deel 2 van dit document geven we daartoe ook standaardformulieren. Portfolio Door de formulieren in dit document in te vullen en te laten beoordelen bouw je aan je eigen MVO-portfolio. Je kunt uit de prestaties en activiteiten die je in dit document beschrijft een 5

selectie maken van de beste voorbeelden. Daarmee kun jij jezelf nog beter profileren bij werkgevers, voor stages en je latere carrière. Wij wensen je veel plezier en succes bij het doorwerken van het boek, het uitwerken van (project)opdrachten en het verwerven van de MVO-competenties! 6

Deel 1 Assessment formulieren MVO-competenties 7

MVO-competenties Overzicht Hieronder zie je per hoofdstuk de competenties waaraan je werkt in dit boek. Als je de beoordelingsformulieren hierna hebt ingevuld en hebt laten beoordelen door je begeleider/docent, kun je de competenties in dit overzicht aftekenen en laten ondertekenen door je begeleider/docent. en bewijzen In de beoordelingsformulieren hierna worden bij elk van de competenties zogeheten gegeven. Dat zijn voorbeelden van concreet gedrag dat hoort bij een bepaalde competentie. Met behulp van deze kun je dus concreet bepalen of je een competentie verworven hebt. Dat doe je door het aandragen van bewijzen. Bewijzen kunnen verslagen zijn of presentaties of beschrijvingen van de manier waarop jij gehandeld hebt of datgene wat jij ervaren hebt in concrete praktijksituaties, bijvoorbeeld tijdens een project of in je stage. Hoofdstuk 1 V O 1.1 De maatschappelijke en zakelijke betekenis van MVO benoemen en verklaren. 1.2 De reikwijdte van de drie kernbegrippen People, Planet en Profit benoemen en verklaren vanuit de verantwoordelijkheid van een organisatie voor eigen werknemers en de externe stakeholders. 1.3 De basisargumenten waarom MVO een instrument is voor succesvolle bedrijfsvoering herkennen, benoemen en verklaren. 1.4 Reflecteren op je eigen rol, maatschappelijke verantwoordelijkheid en de zin van het leven als burger en als werknemer. Hoofdstuk 2 2.1 De rol en betekenis van verantwoordelijkheid als professionele competentie beschrijven en verklaren. 2.2 Drogredenen herkennen bij het ontlopen van verantwoordelijkheden. 2.3 De verantwoordelijkheid van de organisatie beschrijven als speler in een netwerk van stakeholders. 2.4 Reflecteren op je eigen keuzes en gedrag in het nemen van verantwoordelijkheid. 2.5 Reflecteren op je eigen professionele verantwoordelijkheden in relatie tot de verantwoordelijkheden van de organisatie. Hoofdstuk 3 3.1 De verschillende belangen van stakeholders bepalen en afwegen. 3.2 Basisregels voor argumentatie toepassen bij het vinden van een oplossing voor ethische dilemma s 3.3 Het belang van ethisch beleid voor het zakelijk succes van een organisatie verklaren. 3.4 Reflecteren op je eigen keuzes en gedrag bij ethische dilemma s. 3.5 Reflecteren op de betekenis van deze keuzes en gedrag voor het functioneren in de organisatie. 8

Hoofdstuk 4 4.1 Inhoud, opzet en zakelijk en maatschappelijk nut van bedrijfscodes beschrijven en verklaren, gekoppeld aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid van organisaties. 4.2 Risico s van een bedrijfscode benoemen en verklaren 4.3 Reflecteren op eigen rol en verantwoordelijkheid in het bijdragen aan de bedrijfscode 4.4 Reflecteren op eigen rol en verantwoordelijkheid bij het functioneren als werknemer in overeenstemming met een bedrijfscode. Hoofdstuk 5 5.1 Het begrip kwaliteit van arbeid en de vier dimensies daarvan arbeidsinhoud, arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden beschrijven. 5.2 De relatie tussen zorg voor werknemers, MVO en maatschappelijk en zakelijk rendement beschrijven en verklaren. 5.3 Toepassen van deze begrippen in relatie tot het functioneren in een organisatie en de daarbij behorende verantwoordelijkheden. 5.4 Reflecteren op de eigen verantwoordelijkheid als werknemer in het mederealiseren van kwaliteit van arbeid in de organisatie. Hoofdstuk 6 6.1 Beoordelen van de morele aspecten van marketing. 6.2 Analyseren van de morele kwaliteit van reclame-uitingen. 6.3 Toepassingsmogelijkheden voor MVO-reclame herkennen. 6.4 De relatie beschrijven en verklaren tussen PR en MVO. 6.5 Beoordelen van ethische dilemma s in relatie met maatschappelijk verantwoord PR-beleid. 6.6 Reflecteren op de eigen mogelijkheden in maatschappelijk verantwoorde marketing en PR zoals die door bedrijven wordt toegepast. 6.7 Reflecteren op de eigen keuzes met betrekking tot maatschappelijk verantwoord consumentengedrag. Hoofdstuk 7 7.1 Het begrip duurzame ontwikkeling beschrijven in relatie met MVO. 7.2 Globale inhoud en praktisch nut van een duurzaamheidsverslag beschrijven en verklaren. De zakelijke toepassingsmogelijkheden van duurzame ontwikkeling en duurzaam 7.3 ondernemen beschrijven en verklaren, onder andere in relatie met de begrippen samenwerking in de keten en ketenverantwoordelijkheid. 7.4 Reflectie op de betekenis van eigen keuzes en gedrag als werknemer voor de duurzaamheid van een organisatie. 7.5 Reflectie op de mogelijkheden om als werknemer zelf bij te dragen aan versterking van het duurzaamheidsbeleid van de organisatie. 9

Competenties en hoofdstuk 1 Hoofdstuk 1 1.1 De maatschappelijke en zakelijke betekenis van MVO benoemen en verklaren. 1.2 De reikwijdte van de drie kernbegrippen People, Planet en Profit benoemen en verklaren vanuit de verantwoordelijkheid van een organisatie voor eigen werknemers en de externe stakeholders. De basisargumenten waarom MVO een instrument is voor succesvolle bedrijfsvoering 1.3 herkennen, benoemen en verklaren. Reflecteren op je eigen rol, maatschappelijke verantwoordelijkheid en de zin van het 1.4 leven als burger en als werknemer. 10

Competentie 1.1 en verklaren. De maatschappelijke en zakelijke betekenis van MVO benoemen 1.1.A. Je kunt in praktijksituaties de relatie tussen de zorg voor People (werknemers en samenleving), de zorg voor Planet (milieu) en de zorg voor Profit (financiële en maatschappelijke winst) zichtbaar maken. Vold. Onv. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 11

Competentie 1.2 De reikwijdte van de drie kernbegrippen People, Planet en Profit benoemen en verklaren vanuit de verantwoordelijkheid van een organisatie voor eigen werknemers en de externe stakeholders. 1.2.A. Je kunt in praktijksituaties verschillende aspecten zichtbaar maken waarin MVO bijdraagt aan het welzijn van People (werknemers, klanten en de sociale omgeving ). 1.2.B. Je kunt in praktijksituaties verschillende aspecten zichtbaar maken waarin MVO bijdraagt aan het welzijn van Planet (milieu). 1.2.C. Je kunt in praktijksituaties verschillende aspecten zichtbaar maken waarin MVO bijdraagt aan Profit (financiële en sociaal-maatschappelijke winst) 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 12

Competentie 1.3 De basisargumenten waarom MVO een instrument is voor succesvolle bedrijfsvoering herkennen, benoemen en verklaren. 1.3.A. Je kunt in praktijksituaties het zakelijk voordeel van imagoverbetering als gevolg van MVO aantoonbaar maken. 1.3.B. Je kunt in praktijksituaties het zakelijk voordeel van versterking van de relatie met klanten als gevolg van MVO aantoonbaar maken. 1.3.C. Je kunt in praktijksituaties het zakelijk voordeel van versterking van motivatie en betrokkenheid van werknemers als gevolg van MVO aantoonbaar maken. 1.3.D. Je kunt in praktijksituaties het zakelijk voordeel van versterking van het vermogen van de organisatie om risico s in te schatten als gevolg van MVO aantoonbaar maken. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 13

Competentie 1.4 Reflecteren op je eigen rol, maatschappelijke verantwoordelijkheid en de zin van het leven als burger en als werknemer. 1.4.A. Je kunt voorbeelden geven van de relatie tussen jouw functioneren als burger en het welzijn van de samenleving, je kunt op basis daarvan doelen voor jezelf stellen en aantonen overeenkomstig die doelen te handelen. 1.4.B. Je Je kunt voorbeelden geven van de relatie tussen jouw functioneren als werknemer en het welzijn van de samenleving, je kunt op basis daarvan doelen voor jezelf stellen en aantonen overeenkomstig die doelen te handelen. 1.4.C. Je kunt voorbeelden geven van de relatie tussen jouw functioneren als werknemer in relatie tot het zin geven aan het bestaan van de organisatie en het zin geven aan jouw eigen werk voor de organisatie. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 14

Competenties en hoofdstuk 2 Hoofdstuk 2 2.1 De rol en betekenis van verantwoordelijkheid als professionele competentie beschrijven en verklaren. 2.2 Drogredenen herkennen bij het ontlopen van verantwoordelijkheden. 2.3 De verantwoordelijkheid van de organisatie beschrijven als speler in een netwerk van stakeholders. 2.4 Reflecteren op je eigen keuzes en gedrag in het nemen van verantwoordelijkheid. 2.5 Reflecteren op je eigen professionele verantwoordelijkheden in relatie tot de verantwoordelijkheden van de organisatie. 15

Competentie 2.1 De rol en betekenis van verantwoordelijkheid als professionele competentie beschrijven en verklaren. 2.1.A. Je kunt praktijkvoorbeelden noemen van situaties waarin het nemen van individuele verantwoordelijkheid een onmisbaar onderdeel was van jouw professionele taakuitvoering. 2.1.B. Je kunt praktijkvoorbeelden noemen van situaties waarin het nemen van integrale verantwoordelijkheid een onmisbaar onderdeel was van jouw professionele taakuitvoering. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 16

Competentie 2.2 Drogredenen herkennen bij het ontlopen van verantwoordelijkheden. 2.2.A. Je kunt praktijkvoorbeelden noemen waarin je drogredenen bij het ontlopen van verantwoordelijkheid hebt herkend en waarbij je beargumenteerd hebt waarom ze ongeldig zijn. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 17

Competentie 2.3 De verantwoordelijkheid van de organisatie beschrijven als speler in een netwerk van stakeholders. 2.3.A. Je kunt praktijkvoorbeelden noemen van situaties waarin de verantwoordelijkheid van een organisatie ten aanzien van verschillende stakeholders naar voren kwam. 2.3.B. Je kunt praktijkvoorbeelden noemen van onder 2.3.A genoemde situaties waarin jijzelf die verantwoordelijkheid mede vorm en inhoud gaf. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 18

Competentie 2.4 Reflecteren op je eigen keuzes en gedrag in het nemen van verantwoordelijkheid. 2.4.A. Je kunt praktijkvoorbeelden noemen van situaties waarin een beroep werd gedaan op het nemen van eigen beslissingsverantwoordelijkheid; je kunt daarbij de mogelijke gevolgen voor anderen binnen de organisatie benoemen en meewegen 2.4.B. Je kunt praktijkvoorbeelden noemen van situaties waarin een beroep werd gedaan op het nemen van eigen beslissingsverantwoordelijkheid; je kunt op basis van die ervaringen doelen stellen en aantonen overeenkomstig die doelen te handelen. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 19

Competentie 2.5 Reflecteren op je eigen professionele verantwoordelijkheden in relatie tot de verantwoordelijkheden van de organisatie. 2.5.A. Je kunt praktijkvoorbeelden noemen van situaties waarin een beroep werd gedaan op het nemen van eigen beslissingsverantwoordelijkheid; je kunt daarbij de mogelijke gevolgen voor anderen buiten de organisatie of voor de organisatie als geheel benoemen en meewegen 2.5.B. Je kunt praktijkvoorbeelden noemen van situaties waarin een beroep werd gedaan op het nemen van eigen beslissingsverantwoordelijkheid ten behoeve van het imago of bepaalde verantwoordelijkheden van de organisatie; je kunt op basis van die ervaringen doelen stellen en aantonen overeenkomstig die doelen te handelen. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 20

Competenties en hoofdstuk 3 Hoofdstuk 3 3.1 De verschillende belangen van stakeholders bepalen en afwegen. 3.2 Basisregels voor argumentatie toepassen bij het vinden van een oplossing voor ethische dilemma s 3.3 Het belang van ethisch beleid voor het zakelijk succes van een organisatie verklaren. 3.4 Reflecteren op je eigen keuzes en gedrag bij ethische dilemma s. 3.5 Reflecteren op de betekenis van deze keuzes en gedrag voor het functioneren in de organisatie. 21

Competentie 3.1 De verschillende belangen van stakeholders bepalen en afwegen. 3.1.A. Je kunt in het geval van een ethisch dilemma de belangen van de verschillende stakeholders goed afwegen, waarbij je rekening houdt met de consequenties voor de verschillende stakeholders. 3.1.B. Je kunt met collega s relaties opbouwen gebaseerd op openheid en vertrouwen, waarbij je in je handelen en beslissen laat zien rekening te houden met de belangen van je collega s. 3.1.C. Je kunt met klanten en andere stakeholders buiten de organisatie een relatie opbouwen gebaseerd op openheid en vertrouwen, waarbij je de belangen van deze stakeholders meeweegt in je handelen en besluiten. 3.1.D. Je kunt in je handelen en beslissen laten zien dat je rekening houdt met belangen van het milieu en deze belangen nadrukkelijk meeweegt. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 22

Competentie 3.2 Basisregels voor argumentatie toepassen bij het vinden van een oplossing voor ethische dilemma s 3.2.A. Je kunt in je handelen en beslissen laten zien dat je gevoel voor ethiek hebt: je laat je geweten spreken, hebt oog voor de consequenties voor anderen en weegt daarbij mee of je die consequenties ook acceptabel vindt als je ze zelf zou ondervinden. 3.2.B. Je kunt bij een ethisch dilemma de directe stakeholders benoemen en hun belangen aangeven, waarbij je een onderscheid kunt maken tussen welbegrepen eigenbelangen en algemene belangen. 3.2.C. Je kunt bij een ethisch dilemma alternatieve oplossingen aandragen en daaruit de meest verantwoorde oplossing kiezen, waarbij je de consequenties voor de verschillende stakeholders goed afweegt en je houdt aan geldende normen en waarden. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 23

Competentie 3.3 Het belang van ethisch beleid voor het zakelijk succes van een organisatie verklaren. 3.3.A. Je kunt in je handelen en beslissen laten zien dat je het ethisch beleid van de organisatie, zoals bijvoorbeeld geformuleerd in bedrijfsof gedragscode of andere richtlijnen, kent, onderschrijft en ondersteunt. 3.3.B. Je kunt in je handelen en beslissen laten zien dat je beseft dat ethisch verantwoord handelen van de organisatie en van jezelf als werknemer in de organisatie bijdraagt aan het zakelijk succes van de organisatie. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 24

Competentie 3.4 Reflecteren op je eigen keuzes en gedrag bij ethische dilemma s. 3.4.A. Je kunt in je handelen en beslissen laten zien dat je reflecteert op je eigen keuzes en gedrag bij ethische dilemma s, op basis daarvan doelen stelt en acties onderneemt om die doelen te realiseren. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 25

Competentie 3.5 Reflecteren op de betekenis van deze keuzes en gedrag voor het functioneren in de organisatie. 3.5.A. Je kunt in je handelen en beslissen laten zien dat je reflecteert op de consequenties voor de organisatie van eigen keuzes en gedrag bij ethische dilemma s, dat je op basis daarvan doelen stelt die direct gekoppeld zijn aan organisatiebelangen en dat je acties onderneemt om die doelen te realiseren. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 26

Competenties en hoofdstuk 4 Hoofdstuk 4 4.1 Inhoud, opzet en zakelijk en maatschappelijk nut van bedrijfscodes beschrijven en verklaren, gekoppeld aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid van organisaties. 4.2 Risico s van een bedrijfscode benoemen en verklaren 4.3 Reflecteren op eigen rol en verantwoordelijkheid in het bijdragen aan de bedrijfscode 4.4 Reflecteren op eigen rol en verantwoordelijkheid bij het functioneren als werknemer in overeenstemming met een bedrijfscode. 27

Competentie 4.1 Inhoud, opzet en zakelijk en maatschappelijk nut van bedrijfscodes beschrijven en verklaren, gekoppeld aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid van organisaties. 4.1.A. Je kunt in je handelen en beslissen laten zien dat je de inhoud en opzet van de bedrijfscode kent en het belang ervan voor je eigen functioneren onderschrijft en in woord en daad ondersteunt. 4.1.B. Je kunt in je handelen en beslissen laten zien dat je de inhoud en opzet van de bedrijfscode kent en het belang ervan voor het functioneren van de organisatie in relatie tot haar verantwoordelijkheden voor de verschillende stakeholders onderschrijft en in woord en daad ondersteunt. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 28

Competentie 4.2 Risico s van een bedrijfscode benoemen en verklaren 4.2.A. Je kunt de externe risico s van een bedrijfscode in de praktijk inschatten en op basis daarvan eigen verantwoordelijkheid dragen bij het in woord en daad naleven van de bedrijfscode in je contacten met externe stakeholders. 4.2.B. Je kunt de interne risico s van een bedrijfscode in de praktijk inschatten en op basis daarvan waar mogelijk de regels in de code vertalen in eigen verantwoordelijkheid en je kunt dit verantwoordelijkheidsgevoel in woord en daad tonen. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 29

Competentie 4.3 Reflecteren op eigen rol en verantwoordelijkheid in het bijdragen aan de bedrijfscode 4.3.A. Je kunt in woord en daad laten zien dat je reflecteert op je eigen rol en verantwoordelijkheid in het bijdragen aan doelstellingen van de organisatie zoals geformuleerd in de bedrijfscode. Je kunt op basis van die reflectie doelen stellen ter verbetering van je gedrag en houding, en acties formuleren om die doelen te halen. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 30

Competentie 4.4 Reflecteren op eigen rol en verantwoordelijkheid bij het functioneren als werknemer in overeenstemming met een bedrijfscode. 4.4.A. Je kunt in woord en daad laten zien dat je reflecteert op je eigen rol en verantwoordelijkheid in het naleven van richtlijnen en regels in de code. Je kunt op basis van die reflectie doelen stellen ter verbetering van je gedrag en houding, en acties formuleren om die doelen te halen. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 31

Competenties en hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 Hoofdstuk 5 Het begrip kwaliteit van arbeid en de vier dimensies daarvan arbeidsinhoud, arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden beschrijven. De relatie tussen zorg voor werknemers, MVO en maatschappelijk en zakelijk rendement beschrijven en verklaren. Toepassen van deze begrippen in relatie tot het functioneren in een organisatie en de daarbij behorende verantwoordelijkheden. Reflecteren op de eigen verantwoordelijkheid als werknemer in het mederealiseren van kwaliteit van arbeid in de organisatie. 32

Competentie 5.1 Het begrip kwaliteit van arbeid en de vier dimensies daarvan arbeidsinhoud, arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden beschrijven. 5.1.A. Je kunt het begrip arbeidsinhoud in relatie tot het begrip kwaliteit van arbeid betekenis geven door aan aspecten van dit begrip zoals regelmogelijkheden, creativiteit, sociale contacten enz. zelf concreet vorm en inhoud te geven. 5.1.B. Je kunt het begrip arbeidsomstandigheden in relatie tot het begrip kwaliteit van arbeid betekenis geven door wat betreft de fysieke en psychische werksituatie algemene en bedrijfsspecifieke regels en adviezen te kennen en na te leven en in beide een eigen verantwoordelijkheid te nemen. 5.1.C. In het kader van het begrip arbeidsverhoudingen ken je de verschillende mogelijkheden van medezeggenschap en maakt daar actief gebruik van. 5.1.D. Je kent de in de organisatie geldende arbeidsvoorwaarden, je kunt het belang daarvan uitleggen, zowel voor jezelf, voor je collega s en voor de organisatie als geheel, en je kunt de voor- en nadelen van verschillende regelingen afwegen. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 33

Competentie 5.2 De relatie tussen zorg voor werknemers, MVO en maatschappelijk en zakelijk rendement beschrijven en verklaren. 5.2.A. Je kunt het op elk van de vier terreinen van het begrip zorg voor werknemers duidelijk de relatie leggen tussen voordelen voor de werknemers en zakelijke en maatschappelijke voordelen. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 34

Competentie 5.3 Toepassen van deze begrippen in relatie tot het functioneren in een organisatie en de daarbij behorende verantwoordelijkheden. 5.3.A. Je kunt in de praktijk laten zien dat je het begrip zorg voor werknmers betekenis kunt geven. Dat kun je doordat je op één of meer van de vier terreinen van het begrip zorg voor werknemers hebt bijgedragen aan het welzijn van zowel de organisatie als werknemers en de samenleving. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 35

Competentie 5.4 Reflecteren op de eigen verantwoordelijkheid als werknemer in het mederealiseren van kwaliteit van arbeid in de organisatie. 5.4.A. Je kunt in woord en daad laten zien dat je reflecteert op je eigen rol en verantwoordelijkheid in het mederealiseren van kwaliteit van arbeid. Je kunt op basis van die reflectie doelen stellen ter verbetering van je gedrag en houding en acties formuleren om die doelen te halen. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 36

Competenties en hoofdstuk 6 Hoofdstuk 6 6.1 Beoordelen van de morele aspecten van marketing. 6.2 Analyseren van de morele kwaliteit van reclame-uitingen. 6.3 Toepassingsmogelijkheden voor MVO-reclame herkennen. 6.4 De relatie beschrijven en verklaren tussen PR en MVO. 6.5 Beoordelen van ethische dilemma s in relatie met maatschappelijk verantwoord PRbeleid. 6.6 Reflecteren op de eigen mogelijkheden in maatschappelijk verantwoorde marketing en PR zoals die door bedrijven wordt toegepast. 6.7 Reflecteren op de eigen keuzes met betrekking tot maatschappelijk verantwoord consumentengedrag. 37

Competentie 6.1 Beoordelen van de morele aspecten van marketing 6.1.A. Je de morele aspecten van marketinguitingen, in relatie tot de drie begrippen ruil, relatie en reputatie in concrete gevallen benoemen, afwegen en beargumenteerd beoordelen. 6.1.B. Je kunt in het kader van morele grenzen aan reclame laten zien dat je een verantwoorde afweging kunt maken tussen enerzijds de hogere Maslow-behoeften van de klant en anderzijds zijn recht op eerlijke informatie en keuzevrijheid. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 38

Competentie 6.2 Analyseren van de morele kwaliteit van reclame-uitingen. 6.2.A. Je kunt de morele kwaliteit van reclame-uitingen beoordelen en daarbij een duidelijk onderscheid maken tussen normen en gevolgen. 6.2.B. Je kunt bij deze beoordeling ook argumenten ter verdediging van reclame-uitingen aanvoeren en deze afwegen tegen de onder 6.2.A genoemde beoordeling. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 39

Competentie 6.3 Toepassingsmogelijkheden voor MVO-reclame herkennen. 6.3.A. Je kunt in een concrete situatie voor een organisatie beargumenteerd aangeven welke mogelijkheden zij heeft voor MVO-reclame en welke aandachtspunten met betrekking tot MVO in de reclame verwerkt kunnen worden. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 40

Competentie 6.4 De relatie beschrijven en verklaren tussen PR en MVO. 6.4.A. Je kunt argumenten aandragen voor het verwerken van MVO-beleid in de PR-activiteiten van de organisatie. 6.4.B. Je kunt in een concrete situatie middelen noemen die een organisatie kan inzetten om MVO-beleid te realiseren door middel van PRactiviteiten. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 41

Competentie 6.5 Beoordelen van ethische dilemma s in relatie met maatschappelijk verantwoord PR-beleid. 6.5.A. Je kunt de externe verantwoording van een organisatie met betrekking tot concrete beleidskeuzes op haar morele waarde beoordelen. Daarbij kun je de normen en waarden die een rol spelen benoemen en een beargumenteerde afweging maken van de gevolgen van de beleidskeuze voor de verschillende stakeholders. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 42

Competentie 6.6 Reflecteren op de eigen mogelijkheden in maatschappelijk verantwoorde marketing en PR zoals die door bedrijven wordt toegepast. 6.6.A. Je kunt in een of meer concrete situaties aangeven welke mogelijkheden je hebt werknemer om de organisatie te stimuleren MVO concreet te verwerken in hun marketing- en PR-beleid. Op basis daarvan kun je doelen stellen en acties ondernemen om die doelen te realiseren. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 43

Competentie 6.7 Reflecteren op de eigen keuzes met betrekking tot maatschappelijk verantwoord consumentengedrag. 6.7.A. Je kunt in een of meer concrete situaties aangeven welke mogelijkheden je hebt als burger of als klant om organisaties te stimuleren MVO concreet te verwerken in hun marketing- en PR-beleid. Op basis daarvan kun je doelen stellen en acties ondernemen om die doelen te realiseren. 6.7.B. Je kunt in een of meer concrete situaties aangeven welke mogelijkheden je zelf hebt voor maaatschappelijk verantwoord consumentengedrag. Op basis daarvan kun je doelen stellen en acties ondernemen om die doelen te realiseren. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 44

Competenties en hoofdstuk 7 Hoofdstuk 7 7.1 Het begrip duurzame ontwikkeling beschrijven in relatie met MVO. 7.2 Globale inhoud en praktisch nut van een duurzaamheidsverslag beschrijven en verklaren. De zakelijke toepassingsmogelijkheden van duurzame ontwikkeling en duurzaam 7.3 ondernemen beschrijven en verklaren, onder andere in relatie met de begrippen samenwerking in de keten en ketenverantwoordelijkheid. 7.4 Reflectie op de betekenis van eigen keuzes en gedrag als werknemer voor de duurzaamheid van een organisatie. 7.5 Reflectie op de mogelijkheden om als werknemer zelf bij te dragen aan versterking van het duurzaamheidsbeleid van de organisatie. 45

Competentie 7.1 MVO. Het begrip duurzame ontwikkeling beschrijven in relatie met 7.1.A. Je kunt beargumenteerd uitleggen waarom de behoefte aan duurzame ontwikkeling een belangrijke factor is geweest voor het ontstaan van MVO. 7.1.B. Je kunt een of meer concrete voorbeelden geven van aspecten van duurzame ontwikkeling in het MVObeleid van een organisatie. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 46

Competentie 7.2 Globale inhoud en praktisch nut van een duurzaamheidsverslag beschrijven en verklaren. 7.2.A. Je kunt op basis van praktijkvoorbeelden de globale inhoud aangeven van een duurzaamheidsverslag. 7.2.B. Je kunt concrete voorbeelden geven van interne en externe voordelen van het publiceren van een duurzaamheidsverslag. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 47

Competentie 7.3 De zakelijke toepassingsmogelijkheden van duurzame ontwikkeling en duurzaam ondernemen beschrijven en verklaren, onder andere in relatie met de begrippen samenwerking in de keten en ketenverantwoordelijkheid. 7.3.A. Je kunt concrete voorstellen doen voor het inhoud geven aan duurzame ontwikkeling en duurzaam ondernemen in de interne organisatie. 7.3.B. Je kunt concrete voorstellen doen voor het inhoud geven aan duurzame ontwikkeling en duurzaam ondernemen door middel van samenwerking in de keten. 7.3.C. Je kunt concrete voorstellen doen voor het inhoud geven aan duurzame ontwikkeling en duurzaam ondernemen door middel van het nemen van ketenverantwoordelijkheid. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 48

Competentie 7.4 Reflectie op de betekenis van eigen keuzes en gedrag als werknemer voor de duurzaamheid van een organisatie. 7.4.A. Je kunt op basis van concrete situaties aangeven hoe jouw eigen keuzes en gedrag als werknemer al dan niet hebben bijgedragen aan de duurzaamheid van een organisatie. je kunt op basis daarvan doelen stellen en acties ondernemen om die doelen te realiseren. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 49

Competentie 7.5 Reflectie op de mogelijkheden om als werknemer zelf bij te dragen aan versterking van het duurzaamheidsbeleid van de organisatie. 7.5.A. Je kunt in een of meer concrete situaties aangeven welke mogelijkheden je hebt als werknemer om zelf bij te dragen aan duurzaamheid van de organisatie. Op basis daarvan kun je doelen stellen en acties ondernemen om die doelen te realiseren. 1 In welke praktijksituatie(s) heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 50

Deel 2 Assessment formulieren MVO-gerelateerde KBBcompetenties 51

Inleiding Hieronder zie je een overzicht van de zeven kerntaken uit het Brondocument Leren, Loopbaan en Burgerschap. Bij elk van de kerntaken geven we de belangrijkste werkprocessen waaraan je werkt bij MVO. MVO-gerelateerde werkprocessen bij elk van de kerntaken uit het Brondocument LLB Kerntaken Werkprocessen Kerntaak 1: Benoemt zijn eigen ontwikkeling en 1.1 Benoemt leerdoelen voor de eigen gebruikt middelen en wegen om daarbij ontwikkeling. passende leerdoelen te bereiken. Kerntaak 2: Stuurt de eigen loopbaan 2.1 Reflecteert op eigen kwaliteiten en motieven 2.2 Onderzoekt welk werk er is en wat bij hem past. 2.3 Stuurt de eigen loopbaan en onderneemt Kerntaak 3: Participeert in het politieke domein, in besluitvorming en beleidsbeïnvloeding Kerntaak 4: Functioneert als werknemer in een arbeidsorganisatie Kerntaak 5: Functioneert als kritisch consument Kerntaak 6: Deelnemen in allerlei sociale verbanden en respectvol gebruiken van de openbare ruimte Kerntaak 7: Zorgt voor de eigen gezondheid (vitaal burgerschap) acties die daarbij nodig zijn. 3.2 Vormt een eigen mening. 3.3 Onderneemt acties naar aanleiding van gemaakte keuzen. 4.1 Gedraagt zich als werknemer bij het uitvoeren van het werk. 4.2 Maakt gebruik van werknemersrechten. 4.3 Stelt zich collegiaal op. 5.1. Oriënteert zich op de consumentenmarkt en houdt rekening met eigen wensen en mogelijkheden. 6.1. Neemt deel in diverse sociale verbanden en leeft in de openbare ruimte. 7.1 Zoekt informatie over een gezonde leefwijze. 7.2 Beslist op basis van informatie en handelt ernaar. Competenties en Bij elk van de werkprocessen die je hierboven in het kader ziet horen bepaalde competenties. Hieronder zie je een lijst van deze competenties uit het KBB-model (powered by SHL) waaraan je werkt in dit boek. Bij elk van deze competenties geven we bijbehorende. Die maken de algemene competenties concreter, zodat het makkelijker is om te beoordelen of je deze competenties inderdaad versterkt hebt. worden ook wel concrete voorbeelden van effectief gedrag genoemd. Ze laten zien wat je in de praktijk moet kunnen om te bewijzen dat je een competentie bezit. 52

Competentie A. Beslissen en activiteiten initiëren A.1. Je kunt keuzes maken op het terrein van MVO, met betrekking tot je eigen ontwikkeling tijdens studie en met betrekking tot de gewenste beroepsomgeving (carrièrekeuze, solliciteren). A.2. Je kunt verantwoordelijkheid dragen voor gemaakte keuzes. A.3. Je kunt bij het nemen van beslissingen of het maken van keuzes laten zien dat je je bewust bent van je integrale verantwoordelijkheid. A.4. Je kunt keuzes vertalen in concrete activiteiten om efficiënt en effectief de gestelde doelen te realiseren. A.5 Je kunt anticiperend in plaats van afwachtend optreden met betrekking tot risico s of kansen op het terrein van MVO. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 53

Competentie B. Aansturen B.1. Je kunt geleverde prestaties evalueren op basis van MVO- of duurzaamheidscriteria. B.2. Je kunt voor jezelf en anderen of de organisatie realistische MVO-doelen stellen. B.3. Je kunt deze doelstellingen analyseren en vertalen in (deel-)taken. B.4. Je kunt anderen ruimte geven om zelf keuzes te maken. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 54

Competentie C. Begeleiden C.1. Je kunt de ander motiveren om eigen verantwoordelijkheid te nemen. C.2. Je kunt de ander ruimte geven om naar eigen inzicht te handelen. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 55

Competentie D. Aandacht en begrip tonen D.1. Je kunt mondeling en schriftelijk relaties leggen tussen jouw persoonlijke waarden in relatie tot het zoeken naar passend en zinvol werk. D.2. Je kunt anderen in hun waarde laten en respect tonen voor de persoonlijkheid en mogelijkheden van anderen. D.3. Je kunt je inleven in ethische of morele problemen van anderen en je tolerant opstellen ten opzichte van een afwijkende mening. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 56

Competentie E. Samenwerken en overleggen E.1. Je kunt de verschillende belangen overzien en op basis daarvan streven naar win-win situaties, oplossingen die voor alle partijen voordeel opleveren. E.2. Je kunt anderen betrekken bij overleg door gerichte vragen te stellen, door te vragen en constructief voort te bouwen op andermans ideeën. E.3. Je kunt openstaan voor andermans ideeën, goed luisteren en de ander ruimte geven om zich uit te spreken. E.4 Je kunt je eigen mening in woord en geschrift duidelijk maken en beargumenteren. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 57

Competentie F. Ethisch en integer handelen F.1. Je kunt je eerlijk en betrouwbaar opstellen tegenover collega s en teamgenoten en kunt iedereen met respect, onbevooroordeeld en op basis van gelijkwaardigheid behandelen. F.2. Je kunt in woord en geschrift aangeven wanneer werkzaamheden of het gedrag in de organisatie indruisen tegen algemeen geldende normen en waarden. F.3. Je kunt in de manier waarop je je werk uitvoert en in de manier waarop je met anderen overlegt en omgaat laten zien dat je rekening houdt met het fysieke en geestelijk welzijn van anderen. F.4. Je kunt in de manier waarop je je werk uitvoert laten zien dat je als loyale werknemer rekening houdt met de belangen van de organisatie, deze belangen in woord en daad behartigt en actief probeert te voorkomen dat deze belangen geschaad worden. F.5. Je kunt in je handelen en beslissingen laten zien dat je rekening houdt met de consequenties voor de klant en andere betrokkenen. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 58

5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 59

Competentie G. Relaties bouwen en netwerken G.1. Je kunt duurzame zakelijke en persoonlijke relaties opbouwen en onderhouden waarbij samenwerking in de keten en/of ketenverantwoordelijkheid een rol spelen. G.2. Je kunt het vertrouwen in gemeenschappelijke voordelen bij samenwerking versterken. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 60

Competentie H. Overtuigen en beïnvloeden H.1. Je kunt anderen overtuigen van de voordelen van MVObeleid binnen jouw werkveld. H.2. Je kunt altijd het gemeenschappelijke belang van je idee of mening benoemen. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 61

Competentie K. Vakdeskundigheid toepassen K.1. Je kunt op basis van je kennis en inzicht in je vak toekomstige ontwikkelingen overzien en de consequenties daarvan, voor de organisatie en voor jezelf, beschrijven met betrekking tot kansen en risico s op het terrein van MVO-beleid van de organisatie. K.2. Je kunt op basis van je kennis en inzicht in je vak adviezen bedenken en formuleren voor te maken (beleids-)keuzes op het terrein van MVO. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 62

Competentie L. Materialen en middelen inzetten L.1. Je kunt aangeven welke materialen en middelen bij kunnen dragen aan het streven van de organisatie om duurzaam te ondernemen. L.2. Je kunt verantwoord en conform bedrijfsvoorschriften omgaan met materialen en middelen. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 63

Competentie M. Analyseren M.1. Je kunt op basis van analyse van uiteeenlopende argumenten en belangen van stakeholders tot een eigen mening komen en zowel de analyse als de daaruit voortvloeiende mening helder verwoorden (mondeling en schriftelijk). M.2. Je kunt in de opbouw van argumentaties en verslagen laten zien dat je op het terrein van MVO-gerelateerde vraagstukken een duidelijk onderscheid kunt maken tussen probleem, oorza(a)k(en) en oplossing(en) en op basis daarvan een informatief en overtuigend verhaal kunt houden. M.3. Je kunt kennis die je opdoet over MVO plaatsen in de context waarbinnen die kennis relevant is en aldus je inzicht vergroten. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 64

Competentie N. Onderzoeken N.1. Je kunt informatie achterhalen die van belang is of kan zijn voor jouw functioneren, maar ook van belang is of kan zijn voor het functioneren van de organisatie, in relatie tot MVOgerichte kwaliteitsverbetering van processen en van diensten of producten. N.2. Je kunt een probleem of situatie vanuit meerdere invalshoeken bekijken en daarbij nadrukkelijk invalshoeken met betrekking tot MVO betrekken. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 65

Competentie O. Creëren en innoveren O.1. Je kunt laten zien dat je een visie hebt op de toekomst van jouw beroepsomgeving in relatie tot MVO. O.2. Je kunt anderen stimuleren na te denken over nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden of nieuwe werkwijzen die het MVO-gehalte van de organisatie bevorderen. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 66

Competentie P. Leren P.1. Je kunt laten zien dat je zoekt naar nieuwe kansen en mogelijkheden op het terrein van MVO. P.2. Je kunt snel nieuwe informatie in je opnemen en deze effectief gebruiken. P.3. Je kunt zelfstandig reflecteren op je eigen persoonlijkheid en kwaliteiten in relatie tot MVO en op basis daarvan leerdoelen stellen. P.4. Je zoekt actief naar feedback op jouw functioneren. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 67

Competentie R. Op de behoeften en verwachtingen van de klant richten R.1. Je kunt vertrouwen opbouwen bij je klanten door integriteit, betrouwbaarheid en oog voor langetermijnbelangen van zowel de klant als de organisatie. R.2. Je kunt verantwoordelijkheid aanvaarden voor gemaakte fouten (niet afschuiven) en daar constructief gebruik van maken. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 68

Competentie S. Kwaliteit leveren S.1. Je kunt aan je eigen werk duidelijke kwaliteitseisen koppelen met betrekking tot MVO en daar jezelf ook op beoordelen. S.2. Je kunt kansen signaleren om de MVO-kwaliteit van diensten, producten of processen te verbeteren. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 69

Competentie T. Instructies en procedures volgen T.1. Je kunt het belang van beschreven gedragscode, procedures en richtlijnen voor de organisatie en voor de kwaliteit van je eigen werk inzien. T.2 Je kunt in de praktijk laten zien dat je de gedragscode, procedures en richtlijnen die gelden in je werkomgeving hebt eigen gemaakt en je werk conform deze procedures en richtlijnen kunt uitvoeren. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 70

Competentie U. Omgaan met verandering en aanpassen U.1. Je kunt creativiteit laten zien in het nadenken over alternatieve werkwijzen en alternatieve mogelijkheden binnen het kader van MVO in het omgaan met marktkansen en klanten. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 71

Competentie W. Gedrevenheid en ambitie tonen W.1. Je kunt makkelijk extra taken en verantwoordelijkheden dragen in het besef van de samenhang tussen het dragen van die extra verantwoordelijkheid en het welzijn en succes van zowel de organisatie, je collega s en jezelf. W.2. Je kunt werken aan je ambities zonder daardoor de belangen van anderen uit het oog te verliezen. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 72

Competentie X. Ondernemend en commercieel handelen X.1.Je kunt nieuwe ideeën ontwikkelen op het terrein van MVO voor toepassingsgebieden van producten of diensten. X.2. Je kunt laten zien dat je investeert in duurzame contacten met klanten en collega s. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 73

Competentie Y. Bedrijfsmatig handelen Y.1.Je kunt op basis van je inzicht in de samenhang tussen verschillende bedrijfsprocessen en tussen het werk van jou en van je collega s, zowel op de eigen afdeling als op andere afdelingen, aangeven welke verantwoordelijkheden jij hebt jegens die collega s en je handelen daarop afstemmen Y.2. Je kunt bij interne en externe betrokkenen het MVObeleid van de organisatie vertalen in succesvolle zakelijke contacten Y.3. Je kunt laten zien op de hoogte te zijn van verschillende belangen in een organisatie. 1 In welke praktijksituatie(s) gekoppeld aan MVO heb je aan deze competentie gewerkt? 3 Wat vonden anderen goed en minder goed gaan? Op basis waarvan zijn ze tot dat oordeel gekomen? 5 Wat wil je verbeteren? Hoe ga je dat doen? Welke ondersteuning en van wie heb je daarbij nodig? 74