1. Inleiding Met het thema van deze nieuwsbrief willen we ons richten op de fundamenten van het fokken: de basisgenetica. Want of je het nu wil of niet. dit is ook de basis voor een succesvolle fok! Misschien ben je al helemaal vertrouwd met dit onderwerp en heb je de quiz vorige maand in de kortste keren correct ingevuld? Anders lees je beter mee want we willen met de basis beginnen om dan verder te bouwen in de volgende nieuwsbrieven. Zo willen we jullie met deze korte nieuwsbrieven een mooi logisch parcours laten afleggen van genetische basis tot het opfokken van pups en alle bijhorende aspecten. Dus relax en lees rustig mee voor een reis door de boeiende wereld van het fokken. 2. Het belang van genetica in de fokkerij Waarom is er zo een groot verschil tussen honden? Wat wij zien aan de hond is zijn uiterlijk, zijn karakter en fysiologische gevoeligheden die we kunnen samenbundelen als de zichtbare eigenschappen van een dier, ook wel het fenotype genoemd. Dit fenotype wordt bepaald door een combinatie van zijn erfelijke aanleg (of genotype) en de impact van omgevingsfactoren. Hieronder wordt dit verduidelijkt met een figuur. Dit betekent dus dat genetische aanleg niet volledig bepaalt hoe een nakomeling zal zijn. Hoe groot de invloed van het genotype zal zijn hangt af van het kenmerk dat we bekijken. Zo wordt de vachtkleur grotendeels bepaald door het genotype, terwijl dit voor het karakter veel minder belangrijk is. Het belang van erfelijkheid in de ontwikkeling van een aandoening kan variëren van nihil (vb virale infectie) tot heel groot (vb. heupdysplasie). Hoe dan ook, als fokker kan je een duidelijke richting voor de nakomelingen bepalen door een goede keuze van de ouderdieren en een basiskennis van de genetica. Als je weet dat bepaalde kleuren niet uit een combinatie kunnen komen hoef je de stambomen van de pups ook niet op deze onmogelijke kleuren aan te vragen. Dat scheelt alle partijen weer een hoop werk. Genotype Vb aanleg aggressie Omgeving Vb goede opvoeding Fenotype Vb assertieve hond
3. Van hond naar DNA DNA bevindt zich in iedere cel van het lichaam. Elke cel heeft een klein compartimentje in zich, de kern, waarin het DNA zich bevindt. In deze kern ligt het DNA in een lange streng opgerold in X-vormige structuren: de chromosomen. Een hond bestaat uit meer dan 1 miljoen cellen Chromosomen Elk chromosoom komt in tweevoud voor, zo zijn er 39 chromosomenparen bij de hond en 19 chromosomenparen bij de kat. Bij mannelijke en vrouwelijke dieren is er een groot verschil in 1 chromosomenpaar; de geslachtschromosomen. Zo hebben vrouwelijke dieren twee X-chromosomen en mannelijke dieren een X en een Y-chromosoom. In tegenstelling tot de gewone lichaamscellen bevatten de geslachtscellen of voortplantingscellen slechts 1 chromosoom van een paar. Dus in totaal 39 chromosomen (ipv 39 chromosomenparen) bij de hond. Bij een bevruchting komen de 39 chromosomen van de vader samen met die van de moeder en bestaat de cel weer uit 78 chromosomen of 39 chromosomenparen. Celkern Elk chromosoom bevat een aantal erfelijke eigenschappen, een aantal genen. Van elk gen zijn meerdere uitvoeringen mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan oogkleur. Deze kan immers blauw, groen of bruin zijn. Elke uitvoering wordt een allel genoemd. Ieder individu heeft dus steeds 2 allelen van eenzelfde gen in zijn DNA, omdat het niet één chromosoom (met dat gen) maar een chromosomenpaar heeft. Uitzondering zijn de geslachtschromosomen bij het mannelijke dier: het X en Y chromosoom hebben niet dezelfde genen. Gen 4. Van DNA naar hond Het DNA kan gezien worden als een code die gedecodeerd moet worden om zich te uiten in het organisme. De functionele eenheid die ontstaat tijdens het decoderen van een gen is een eiwit dat dan een specifieke taak kan vervullen. Het zijn immers altijd eiwitten die aan de basis liggen van de lichaamsstructuren en de chemische processen die het leven ondersteunen. Deze eiwitten worden dan ofwel ter plaatse als structuurelement gebruikt, ofwel als boodschapper rondgestuurd (in of buiten de cel die het eiwit geproduceerd heeft) om andere metabolische processen te laten gebeuren. Zo wordt de basis van het functioneren en uiterlijk van de hond gedicteerd door het DNA.
5. Enkele basisbegrippen van de genetica Als een individu 2 gelijke allelen heeft noemen we die homozygoot voor die eigenschap. Heeft hij 2 ongelijke allelen dan is diegene heterozygoot. De verschillende allelen van een gen zijn niet allemaal even sterk. Het ene allel kan het andere overheersen. Dit allel is dan dominant over het andere allel, het recessieve allel. In het geval van een heterozygoot individu zorgt het dominante allel welke uitvoering van het gen tot expressie komt. Als het blauwe allel dominant is over het bruine allel, zal je dus blauwe ogen krijgen als je beide allelen hebt. Er kan ook sprake zijn van co-dominantie. In dit geval zal de aanwezigheid van twee verschillende allelen resulteren in een intermediaire uitdrukking van een eigenschap (vb. bij bloemen ziet men soms dat een kruising tussen rode en witte bloemen leidt tot roze bloemen). De meeste eigenschappen worden echter bepaald door een combinatie van genen. Na kruising kan er dus een grote variatie in een eigenschap optreden. Van sommige eigenschappen is de volledige genetische basis zelfs nog niet gekend. Homozygoot/heterozygoot : dominant/recessief : een voorbeeld van de 2 allelen aanwezig in locus B vader moeder vader moeder B: dominant allel b: recessief allel
Moeder allel Vader allel Allel A Allel a Allel A AA aa Allel a Aa aa Het moederdier heeft voor een bepaald kenmerk/gen genotype Aa. De vader heeft hetzelfde genotype. Gaan de nakomelingen dan ook allemaal Aa zijn? Nee, volgens kansberekening zien we dat als er 4 mogelijkheden zijn Mogelijkheid 1 is dat de nakomeling een allel A van de moeder en een allel A van de vader erft -> genotype AA. Mogelijkheid 2 is dat de nakomeling allel a van de moeder erft en allel A van de vader -> genotype aa. Mogelijkheid 3 is dat allel A van de moeder komt en allel a van de vader -> genotype Aa. Merk op dat dit hetzelfde genotype is als bij mogelijkheid 2! Mogelijkheid 4 is de combinatie van allel a van de vader en de moeder -> genotype aa. Als we dit in kansberekening uitdrukken zien we 1 kans op 4 (of 25%) om genotype AA te bekomen, 1 kans op 4 (of 25%) om aa te bekomen en 2 kansen op 4 (of 50%) om genotype Aa te bekomen. 6. Voorspellen Om de resultaten van een specifieke kruising te voorspellen kan je aan kansberekening doen. Dan wordt er een kruisingstabel opgesteld waarbij de allelen van één ouder aan de bovenkant van de tabel worden geplaatst en de allelen van de andere ouder langs de zijkant. Dit kan dus enkel als het genotype van de ouderdieren gekend is. Elke nakomeling erft één allel van elk ouderdier: dus één allel van de bovenkant en één allel van de zijkant. Zo bekomen we 2x2 = 4 combinaties. In bijhorende figuur is een voorbeeld van dergelijke kruisingstabel te zien. Elk van de 4 combinaties heeft een even grote kans om voor te komen (namelijk 1 kans op 4), maar aangezien als eenzelfde genotype in 2 combinaties voorkomt dan kan je de kansen optellen. Het wordt al ingewikkelder als je 2 genen terzelfdertijd wil bekijken (vb de rode vachtkleur samen met een tabbypatroon). Dan heb je bovenaan 4 allelen op een rij van het moederdier en rechts 4 allelen van het vaderdier = dan zijn er 16 combinaties mogelijk!
7. Wat zijn mutaties? Een mutatie is eigenlijk een fout in het DNA. Deze fout komt in het DNA wanneer cellen zich niet correct vermenigvuldigen en kan gewoon door toeval ontstaan of door blootstelling aan gifstoffen of bestraling. De gevolgen van mutaties zijn heel variabel. In een volgroeid individu kan een mutatie in een lichaamscel bijvoorbeeld leiden tot het ontstaan van kankercellen. Bij een mutatie in een geslachtscel of bij de eerste delingen van een bevruchte eicel kan die mutatie zich veruiterlijken in de volledige toekomstige nakomeling. Is door de mutatie de werking van het eiwit té erg verstoord dan kan dit leiden tot de dood, voor of na de geboorte. Deze mutaties staan bekend onder de naam dodelijke mutaties. Maar het hoeft niet altijd zo drastisch te zijn, soms zorgen mutaties voor onverwachte effecten zoals de korte poten bij de teckel. Dergelijke mutaties heb je als fokker niet in de hand, het zijn toevalstreffers. Erop wachten is dus zinloos vermits de kans miniem is dat een niet-levensbedreigende, ethisch verantwoorde mutatie zich voor je ogen voordoet. Hetgeen je als fokker wél in de hand hebt is selectie : het zorgvuldig uitselecteren van 2 ouderdieren die de geschikte genen hebben om door te geven aan hun nakomelingen. En met deze nakomelingen verder fokken zodat beoogde kenmerken zich steeds beter veruiterlijken. Maar daarover meer in een volgende nieuwsbrief! We danken alle deelnemers van de groei quizz!!