ECDL Syllabus Standaard modules

Vergelijkbare documenten
Online Samenwerken. Online Samenwerken

Beeldbewerking. Beeldbewerking

Presentatie. Presentatie. In deze module wordt van de kandidaat verwacht dat hij laat zien competent te zijn in het gebruik van presentatiesoftware.

Databases gebruiken. Databases gebruiken

NEDERLAND SECURITY & PRIVACY AWARENESS. Syllabus versie 2.O_NL

ECDL Syllabus Standaard modules

Spreadsheets. Spreadsheets

Inhoud Basiscursus PowerPoint 2010 NL-NL

EUROPEES COMPUTER RIJBEWIJS/INTERNATIONAAL COMPUTER RIJBEWIJS ADVANCED PRESENTATIES

Hoofdstuk 2 Basiskennis Muistechnieken Windows Verkenner

module Instruct, Postbus 38, 2410 AA Bodegraven - 1 e druk: februari 2009

Europees Computer Rijbewijs. Module 6

PowerPoint 2010 in 12 stappen

EUROPEES COMPUTER RIJBEWIJS / INTERNATIONAAL COMPUTER RIJBEWIJS ADVANCED SPREADSHEETS

Microsoft Office 2003

Uitgeverij cd/id multimedia

Inhoudsopgave. Inleiding 11

INHOUD. Ten geleide Inleiding 15

Deel 1 Werken in Office Deel 2 Aan de slag met Word Deel 3 Aan de slag met Excel

EUROPEES COMPUTER RIJBEWIJS / INTERNATIONAAL COMPUTER RIJBEWIJS ADVANCED DATABASE

3. Afbeeldingen en vormen Afbeeldingen invoegen... 78

Inhoudsopgave. Deel 1 Word 2010

Inhoudsopgave Voorwoord 9 Blijf op de hoogte 9 Introductie Visual Steps 10 Wat heb je nodig? 10 Voorkennis 11 Hoe werk je met dit boek?

ADVANCED DATABASES Syllabus versie 2.0

Inhoudsopgave. Deel 1 - Word 15

Inventarisatie Microsoft Office

Inhoudsopgave. Module 2 Documenten standaardiseren

Inhoudsopgave. Deel 1 Word 2010

EUROPEES COMPUTER RIJBEWIJS / INTERNATIONAAL COMPUTER RIJBEWIJS ADVANCED TEKSTVERWERKING

SG ANKER CONCRETE INVULLING LEERLIJNEN ICT

Opleidingscatalogus: Automatisering

(591N) PowerPoint 2010 Modulair

Onze Microsoft gecertificeerde unieke Excel e-learning cursussen zijn incl.:

Online Essentials. Online Essentials

INHOUD. Ten geleide Het venster van PowerPoint 15

Hoofdstuk 2 Basiskennis Muistechnieken Windows Explorer

INHOUDSTABEL PRESENTATIES OP MAC. geen specifieke voorkennis

module Instruct, Postbus 38, 2410 AA Bodegraven - 1 e druk: november 2008

POWERPOINT Module 6 ECDL

Migreren naar Access 2010

Inhoudsopgave Voorwoord 7 Nieuwsbrief 7 De website bij het boek 8 Introductie Visual Steps 8 Meer over andere Office programma s

Inhoudsopgave. Inleiding 11

PowerPoint 2013 (N/N) : Texte en néerlandais sur la version néerlandaise du logiciel

Excel 2010 in 17 stappen

Inhoud training Microsoft Word

Security & Privacy: erkend vaardig met het Europees Computer Rijbewijs MEET LEER BEWIJS. DIGI-VEILIGHEID, Security & Privacy

Inhoud Expertcursus. Word 2010 NL-NL

INHOUD POWERPOINT 2007

Inhoudsopgave. Inhoudsopgave - 3

ECDL, het Europees Computer Rijbewijs

MODULE 6: Presentaties met PowerPoint 2002

ADVANCED SPREADSHEETS

Outlook 2013 (N/N) : Texte en néerlandais sur la version néerlandaise du logiciel

Inhoudsopgave Visual Steps - Dit is de inhoudsopgave van de Visual Steps-titel Cursusboek MOS Word 2016 en 2013 Basis

PowerPoint Antwoorden

Trainingsomschrijving Excel 97 / 2000 / 2003 NL

Powerpoint 2013 Snelstartgids

PowerPoint 2010: rondleiding (deel 1)

Inhoudsopgave. Deel 1 - Word 15

Inhoudsopgave. Deel 1 Word 13

Inhoudsopgave. Inleiding 9

EBUILDER HANDLEIDING. De Ebuilder is een product van EXED internet EXED CMS UITLEG

INHOUDSOPGAVE Ms Word 2007

Excel 2013 (N/N) : Texte en néerlandais sur la version néerlandaise du logiciel

INHOUD 1 INLEIDING WORD WORD BASISVAARDIGHEDEN WERKEN MET GROTE DOCUMENTEN VERZENDLIJSTEN... 3

1. OpenOffice.org downloaden en installeren Downloaden en installeren Achtergrondinformatie Tips... 21

Hoofdstuk 2 Basiskennis Muistechnieken Windows Verkenner

Inhoudsopgave Initiatie internet met Windows 7

2.12 Een document opslaan als Oefeningen Achtergrondinformatie Tips... 54

INHOUDSOPGAVE Ms Word 2013

INSTRUCT Samenvatting Praktijk Access 2010, H2 SAMENVATTING HOOFDSTUK 2

Mobiele technologie zorgt ervoor dat je met een smartphone en tablet en draadloos op een laptop of computer kunt werken.

Inhoudsopgave. Inleiding 9

Inhoudsopgave. Inleiding 9

Sneltoetsen in PowerPoint 2016 voor Windows

INHOUDSOPGAVE: EXCEL 2010 / 2013 ADVANCED

Inhoudsopgave Voorwoord 13 Nieuwsbrief 13 Introductie Visual Steps 14 Wat heeft u nodig? 15 De website bij het boek 15 Hoe werkt u met dit boek?

WERKOMGEVING... 3 INSTELLINGEN... 3 BASISVAARDIGHEDEN... 3 INVOEREN GEGEVENS... 3 OPMAAK... 3

Handleiding. Opslag Online. voor Android. Versie februari 2014

OneNote 2013 Snelstartgids

ECDL / ICDL Module 5, Databases Advanced Level Versie 1.0. Voorbeeldexamen module 5 (AM5), Advanced Level

Inhoudsopgave Visual Steps Dit is de inhoudsopgave van de titel Visuele stappengids Windows 10 - ISBN

Concept. Google Sites Handleiding

ECDL, het Europees Computer Rijbewijs MEET LEER BEWIJS. Diagnoses & examens digitale vaardigheden

Uw TEKSTEDITOR - alle iconen op een rij

Transcriptie:

ECDL Syllabus Standaard modules Databases gebruiken Syllabus 5.0 Presentatie Syllabus 5.0 Online Samenwerken Syllabus 1.0 Digi-veiligheid Syllabus 2.0 Beeldbewerking Syllabus 2.0

Uitgave ECDL Nederland Bezoekadres: Disketteweg 6, 3821 AR Amersfoort Postadres: Postbus 642, 3800 AP Amersfoort Telefoon: +31 (0)33 750 10 99 e-mail: info@ecdl.nl url: www.ecdl.nl Auteursrechten 2016 ECDL Nederland Alle rechten voorbehouden. Deze uitgave mag uitsluitend worden gebruikt binnen het ECDL-initiatief. Vrijwaringsverklaring ECDL Nederland heeft veel zorg besteed aan de voorbereiding van deze uitgave maar kan geen garantie geven voor de volledigheid noch de juistheid van deze informatie. De uitgevers zijn niet verantwoordelijk voor een eventueel verlies of schade in welke vorm dan ook, voortvloeiend uit deze informatie of eventuele aanwijzingen of adviezen in deze uitgave. In geval van twijfel geldt de versie gepubliceerd door de ECDL Foundation, op www.ecdl.org. De mannelijke vorm representeert beide geslachten. De elektronische versie van dit ECDL Syllabus vindt u op www.ecdl.nl. Opmerking Omdat de ECDL syllabus leveranciersonafhankelijk is, kan het voorkomen dat hier genoemde functies of termen niet voorkomen in de specifieke software waarvoor cursusmateriaal of toetsing wordt ontwikkeld. De voorgeschreven handelswijze is in dat geval als volgt: 1) In de lesstof en in toetsen wordt niet gerefereerd aan functies of termen die in de specifieke software(versie) niet voorkomen. 2) Als er in de specifieke software een vergelijkbare functie/term is, dan worden die functie en functienaam/term geacht deel van de exameneisen te zijn. 3) Als er geen vergelijkbare functie/term is, dan vervalt dat deel van de exameneisen. 2

Inhoud ECDL Standaard modules pagina Databases gebruiken 6 Syllabus versie 5.0 Presentatie 11 Syllabus versie 5.0 Online Samenwerken 16 Syllabus versie 1.0 Digi-veiligheid 22 Syllabus versie 2.0 Beeldbewerking 30 Syllabus versie 2.0 3

ECDL Standaard bewezen, brede basis computervaardigheden Bouw aan een breed fundament van computervaardigheden met het certificaat ECDL Standaard. Dit certificaat bewijst dat u beschikt over praktische vaardigheden in het omgaan met besturingssystemen, internet applicaties, tekstverwerking en spreadsheets aangevuld met een drietal standaard modules naar keuze. Deze ECDL syllabus beschrijft tot in detail wat er qua vaardigheid en kennis van u wordt verwacht wilt u slagen voor het ECDL standaard certificaat of een van haar modules. Deze brochure dient als een checklist om na te gaan welke vaardigheden u zich nog eigen moet maken. Bij de ontwikkeling van de modules heeft de ECDL Foundation gekeken naar actuele toepassingen binnen de informatie- en communicatietechnologie. ECDL trainingen worden aangeboden door diverse opleiders en ECDL test - centra. De ECDL examens kunt u afleggen op een van de openbare testcentra (ECDL examenlocaties), ongeacht of u daar een training heeft gevolgd. Nadere informatie over het basis certificaat: ECDL Basis en ECDL op gevorderd/ Advanced niveau, geschikt lesmateriaal voor zelfstudie, typevaardigheid, diagnosetoetsen alsmede een overzicht van geautoriseerde ECDL testcentra is te vinden op onze website, www.ecdl.nl. Roy Osinga Managing Director ECDL Nederland ECDL opereert wereldwijd en werkt in Nederland met steun van de onafhankelijke ICT-beroepsvereniging Ngi-NGN. ECDL Nederland is medio 2015 onderdeel geworden van de Nederlandse Associatie voor Examinering. 4

ECDL modules en certificaten Basis modules Standaard modules Advanced modules Computer Essentials Presentaties Tekstverwerken Online Essentials Databases gebruiken Spreadsheets Tekstverwerken Digi-veiligheid Presentaties Spreadsheets Beeldbewerking Databases Online Samenwerken U kunt instappen op uw gewenste niveau en zich verder bekwamen ECDL Basis certificaat bestaat uit de 4 basis modules ECDL Standaard certificaat de 4 basis modules en 3 standaard modules naar keuze ECDL Advanced certificaat 1 advanced module naar keuze ECDL Expert certificaat 3 advanced modules naar keuze 5

Databases gebruiken Databases gebruiken In deze module wordt van de kandidaat verwacht dat hij een goed begrip heeft van databases en aantoont competent te zijn in het gebruik van een database. Doel van de module De kandidaat: } Begrijpt wat een database is en hoe deze wordt georganiseerd en bediend. } Kan een eenvoudige database maken en de inhoud van de database in verschillende weergaven bekijken. } Kan een tabel maken, velden en de bijbehorende eigenschappen definiëren en bewerken; gegevens in een tabel invoeren en bewerken. } Kan een tabel of formulier sorteren en filteren; query s maken, bewerken en uitvoeren om specifieke informatie uit een database op te vragen. } Begrijpt wat een formulier is en kan een formulier maken om records en gegevens in records in te voeren, te bewerken en te verwijderen. } Kan routinerapporten maken en de uitvoer zodanig voorbereiden dat deze gereed is voor verspreiding. 6 1 Databases begrijpen 1.1 Belangrijkste begrippen 1.2 Databaseorganisatie 1.1.1 Begrijpen wat een database is. 1.1.2 Begrijpen wat het verschil is tussen gegevens en informatie. 1.1.3 Begrijpen hoe een database georganiseerd wordt in tabellen, records en velden. 1.1.4 Kennis hebben van veelgebruikte manieren om databases op grote schaal in te zetten: boekingssystemen van vliegtuigmaatschappijen, overheidsgegevens, bankrekeninggegevens, patiëntendossiers. 1.2.1 Begrijpen dat elke tabel in een database gegevens moet bevatten die gerelateerd zijn aan een enkel soort onderwerp. 1.2.2 Begrijpen dat elk veld in een tabel slechts één gegevenselement moet bevatten. 1.2.3 Begrijpen dat de inhoud van een veld gekoppeld is aan een passend gegevenstype zoals: tekst, getal, datum/ tijd, ja/ nee.

Databases gebruiken 2 De toepassing gebruiken 1.2.4 Begrijpen dat velden bijbehorende veldeigenschappen hebben, zoals: veldgrootte, opmaak, standaardwaarde. 1.2.5 Begrijpen wat een primaire sleutel is. 1.2.6 Begrijpen wat een index is. Begrijpen hoe een index snellere toegang tot gegevens mogelijk maakt. 1.3 Relaties 1.3.1 Begrijpen dat het belangrijkste doel van het relateren van tabellen in een database het minimaliseren van gegevensverdubbeling is. 1.3.2 Begrijpen dat een relatie wordt aangemaakt door een uniek veld in één tabel te koppelen aan een veld in een andere tabel. 1.3.3 Begrijpen waarom het belangrijk is de integriteit van relaties tussen tabellen te behouden. 1.4 Bediening 1.4.1 Weten dat professionele databases worden ontworpen en gemaakt door databasespecialisten. 2.1 Werken met databases 2.2 Veelvoorkomende taken 1.4.2 Weten dat het invoeren van gegevens, het onderhouden van gegevens en het ophalen van gegevens door de gebruikers wordt gedaan. 1.4.3 Weten dat een databasebeheerder bepaalde gebruikers toegang biedt tot specifieke gegevens. 1.4.4 Weten dat de databasebeheerder verantwoordelijk is voor het herstel van een database na een crash of ernstige fout. 2.1.1 Een databaseprogramma openen en sluiten. 2.1.2 Een database openen en sluiten. 2.1.3 Een nieuwe database maken en opslaan op een locatie op een schijf. 2.1.4 Ingebouwde werkbalken weergeven, verbergen. Het lint herstellen, minimaliseren. 2.1.5 De beschikbare Help-functies gebruiken. 2.2.1 Een tabel, query, formulier, rapport openen, opslaan en sluiten. 2.2.2 Schakelen tussen weergaven in een tabel, query, formulier, rapport. 2.2.3 Een tabel, query, formulier, rapport verwijderen. 7

Databases gebruiken 2.2.4 Navigeren tussen records in een tabel, query, formulier. 2.2.5 Records sorteren in een tabel, formulier, query-uitvoer in oplopende, aflopende numerieke, alfabetische volgorde. 3 Tabellen 3.1 Records 3.1.1 Records in een tabel toevoegen, verwijderen. 4 Gegevens ophalen 3.1.2 Gegevens in een record toevoegen, bewerken, verwijderen. 3.2 Ontwerp 3.2.1 Een tabel maken en een naam geven, velden opgeven met bijbehorende gegevenstypen zoals: tekst, getal, datum/ tijd, ja/ nee. 4.1 Belangrijkste handelingen 3.2.2 Instellingen voor veldeigenschappen toepassen: veldgrootte, getalnotatie, datum- en tijdnotatie, standaardwaarde. 3.2.3 Een validatieregel maken voor een getal, datum/ tijd, valuta. 3.2.4 De gevolgen begrijpen van het veranderen van de gegevenstypen, veldeigenschappen in een tabel. 3.2.5 Een veld instellen als een primaire sleutel. 3.2.6 Een veld indexeren (met, zonder toestaan van duplicaten). 3.2.7 Een veld toevoegen aan een bestaande tabel. 3.2.8 De breedte van kolommen in een tabel wijzigen. 4.1.1 De zoekfunctie gebruiken om een bepaald woord, een bepaald getal, een bepaalde datum in een veld te vinden. 4.1.2 Een filter toepassen op een tabel, formulier. 4.1.3 Het toepassen van een filter op een tabel, formulier uitschakelen. 4.2 Query s 4.2.1 Begrijpen dat een query wordt gebruikt om gegevens op te vragen en te analyseren. 4.2.2 Een benoemde query voor één tabel maken met behulp van specifieke zoekcriteria. 4.2.3 Een benoemde query voor twee tabellen maken met behulp van specifieke zoekcriteria. 8

Databases gebruiken 4.2.4 Criteria aan een query toevoegen met gebruikmaking van een of meerdere van de volgende operatoren: = (is gelijk aan), <> (is niet gelijk aan), < (is kleiner dan), (is kleiner dan of gelijk aan), > (is groter dan), (is groter dan of gelijk aan). 4.2.5 Criteria aan een query toevoeging met gebruikmaking van een of meerdere van de volgende logische operatoren: EN, OF, NIET. 4.2.6 Een jokerteken in een query gebruiken, * of %,? of _. 4.2.7 Een query bewerken: criteria toevoegen, wijzigen, verwijderen. 4.2.8 Een query bewerken: velden toevoegen, verwijderen, verplaatsen, verbergen, weergeven. 4.2.9 Een query uitvoeren. 5 Objecten 5.1 Formulieren 5.1.1 Begrijpen dat een formulier wordt gebruikt om records weer te geven en te onderhouden. 6 Uitvoer 6.1 Rapporten, gegevens exporteren 5.1.2 Een formulier maken en een naam geven. 5.1.3 Een formulier gebruiken om nieuwe records in te voegen. 5.1.4 Een formulier gebruiken om records te verwijderen. 5.1.5 Een formulier gebruiken om gegevens in een record toe te voegen, te wijzigen, te verwijderen. 5.1.6 Tekst in kopteksten, voetteksten in een formulier toevoegen, wijzigen. 6.1.1 Begrijpen dat een rapport wordt gebruikt om geselecteerde informatie uit een tabel of query af te drukken. 6.1.2 Een rapport op basis van een tabel, query maken en een naam geven. 6.1.3 De rangschikking van gegevensvelden en koppen wijzigen in de ontwerpweergave van een rapport. 6.1.4 Specifieke velden presenteren op toepasselijke plaatsen in een rapport dat is gegroepeerd op som, minimum, maximum, gemiddelde, telling (count). 9

Databases gebruiken 6.1.5 Tekst in kopteksten, voetteksten in een rapport toevoegen, wijzigen. 6.1.6 Een tabel, query-uitvoer exporteren naar spreadsheet-, tekst- (.txt,.csv), XML-indeling naar een locatie op een schijf. 6.2 Afdrukken 6.2.1 De afdrukstand (staand, liggend ) wijzigen van een tabel, formulier, query-uitvoer, rapport. Papierformaat wijzigen. 6.2.2 Een pagina, geselecteerde records, volledige tabel afdrukken. 6.2.3 Alle records afdrukken in de formulierweergave, specifieke pagina s afdrukken in de formulierweergave. 6.2.4 De resultaten van een query afdrukken. 6.2.5 Specifieke pagina( s) van een rapport, een volledig rapport afdrukken. 10

Presentatie Presentatie In deze module wordt van de kandidaat verwacht dat hij laat zien competent te zijn in het gebruik van presentatiesoftware. Doel van de module De kandidaat: } Kan werken met presentaties en deze opslaan in verschillende bestandsindelingen. } Kan ingebouwde opties zoals de Help-functie van het programma gebruiken om de productiviteit te verhogen. } Begrijpt de verschillende presentatieweergave mogelijkheden en hun toepassing, kan verschillende indelingen en ontwerpen voor dia s kiezen. } Kan tekst invoeren, bewerken en opmaken in een presentatie. Hanteert best practice o.a. door het geven van unieke titels aan dia s. } Kan grafieken kiezen, maken en opmaken om informatie op een zinvolle manier te presenteren. } Kan foto s, afbeeldingen en getekende objecten invoegen en bewerken. } Kan animaties en overgangseffecten toepassen op presentaties en de inhoud van de presentatie controleren en corrigeren, voordat deze wordt afgedrukt en de presentatie wordt gegeven. 1 Programma gebruiken 1.1 Werken met presentaties 1.2 Productiviteit verbeteren 1.1.1 Een presentatieprogramma openen, sluiten. Presentaties openen, sluiten. 1.1.2 Een nieuwe presentatie maken op basis van een standaardsjabloon. 1.1.3 Een presentatie opslaan op een locatie op een schijf. Een presentatie opslaan onder een andere naam. 1.1.4 Een presentatie opslaan als ander bestandstype: RTF (Rich Text Format), sjabloon, voor stelling, afbeeldingsbestand, een andere software versie. 1.1.5 Schakelen tussen geopende presentaties. 1.2.1 Gebruikersvoorkeuren instellen in het programma: gebruikersnaam, standaardmap voor het openen en opslaan van bestanden. 11

Presentatie 2 Een presentatie ontwikkelen 2.1 Presentatieweergaven 1.2.2 De beschikbare Help-functies gebruiken. 1.2.3 Vergroting/zoomfunctie gebruiken. 1.2.4 Ingebouwde werkbalken weergeven, verbergen. Het lint herstellen, minimaliseren. 2.1.1 Het gebruik begrijpen van verschillende presentatieweergaven: normaal, diasorteerder, notitiepagina, diavoorstelling. 2.1.2 Best practice onderkennen bij het geven van diatitels: voor elke dia een andere titel gebruiken, om ze in de overzichtsweergave en bij het navigeren in een diavoorstelling te kunnen onderscheiden. 2.1.3 Schakelen tussen presentatieweergaven: normaal, diasorteerder, notitiepagina, diavoorstelling. 2.2 Dia s 2.2.1 Een andere standaard dia-indeling kiezen voor een dia. 2.2.2 Toepassen van een beschikbaar ontwerpsjabloon op een presentatie. 2.2.3 Veranderen van de achtergrondkleur van een specifieke dia of van alle dia s. 2.2.4 Een nieuwe dia toevoegen met een specifieke dia-indeling, zoals: titeldia, grafiek en tekst, lijst met opsommingstekens, tabel/spreadsheet. 2.2.5 Dia s kopiëren en verplaatsen binnen de presentatie, tussen geopende presentaties. 2.2.6 Dia( s) verwijderen. 2.3 Modeldia 2.3.1 Een grafisch object (afbeelding, illustratie, gete - kend object ) invoegen in een diamodel. Grafisch object verwijderen uit een diamodel. 2.3.2 Tekst invoeren in voettekst van specifieke dia s of alle dia s in een presentatie. 2.3.3 Automatische dianummering, automatische bij - gewerkte datum, niet-bijgewerkte datum toepassen in de voettekst van specifieke dia s, van alle dia s van een presentatie. 12

Presentatie 3 Tekst 3.1 Tekst verwerken 3.1.1 Best practice onderkennen bij het maken van tekst voor een dia: korte, bondige zinnen, opsommingstekens en genummerde lijsten gebruiken. 4 Grafieken 4.1 Grafieken gebruiken 3.1.2 Tekst invoeren in een tekstkader in standaardweergave of overzichtsweergave. 3.1.3 Tekst bewerken in een presentatie. 3.1.4 Tekst in een presentatie of tussen verschillende presentaties kopiëren, verplaatsen. 3.1.5 Tekst verwijderen. 3.1.6 De opdracht Ongedaan maken, Opnieuw uitvoeren gebruiken. 3.2 Opmaak 3.2.1 Tekstopmaak veranderen: tekengrootte, lettertypen. 3.2.2 Tekstopmaak toepassen: vet, cursief, onderstreept, schaduw. 3.2.3 Verschillende tekstkleuren gebruiken. 3.2.4 Tekst omzetten in hoofdletters of kleine letters. 3.2.5 Tekst uitlijnen: links, centreren, rechts in een tekstkader. 3.3 Lijsten 3.3.1 Opsommingen laten inspringen. Inspringing verwijderen uit opsommingen. 3.3.2 Regelafstand voor en na genummerde lijsten aanpassen. 3.3.3 Wisselen tussen de verschillende standaard stijlen voor opsommingstekens, nummering in een lijst. 3.4 Tabellen 3.4.1 Tabel invoeren en bewerken op een dia met tabel. 3.4.2 Rijen, kolommen, gehele tabel selecteren. 3.4.3 Rijen en kolommen invoegen, verwijderen. 3.4.4 Kolombreedte, rijhoogte wijzigen. 4.1.1 Gegevens invoeren om ingebedde grafieken in een presentatie te maken: kolom-, staaf-, lijn-, cirkeldiagram. 4.1.2 Een grafiek selecteren. 4.1.3 Het grafiektype wijzigen. 13

Presentatie 5 Grafische objecten 4.1.4 Grafiektitel toevoegen, verwijderen, bewerken. 4.1.5 Gegevenslabels aan een grafiek toevoegen: waarden/getallen, percentages. 4.1.6 Achtergrondkleur van een grafiek wijzigen. 4.1.7 De kleuren van de kolommen, staven, lijnen, segmenten van een grafiek wijzigen. 4.2 Organigrammen 4.2.1 Een organigram maken met een gelabelde hiërarchie, met behulp van de ingebouwde organigramfunctie. 5.1 Invoegen, bewerken 4.2.2 De hiërarchische structuur van een organigram wijzigen. 4.2.3 Medewerkers, ondergeschikten aan een organigram toevoegen of eruit verwijderen. 5.1.1 Een grafisch object (afbeelding, illustratie, getekend object) invoegen in een dia. 5.1.2 Een grafisch object selecteren. 5.1.3 Grafische objecten, grafieken kopiëren of verplaatsen binnen de presentatie of tussen geopende presentaties. 5.1.4 Grafische objecten, grafieken in een presentatie vergroten, verkleinen, verwijderen. 5.1.5 Een grafisch object draaien, spiegelen. 5.1.6 Een grafisch object uitlijnen ten opzichte van de dia: links, centreren, rechts, onder, boven. 5.2 Tekenen 5.2.1 Verschillende soorten getekende objecten aan een dia toevoegen: lijn, pijl, blokpijl, rechthoek, vierkant, ovaal, cirkel, tekstvak. 5.2.2 Tekst invoeren in een tekstvak, blokpijl, rechthoek, vierkant, ovaal, cirkel. 5.2.3 Achtergrondkleur, lijnkleur, lijndikte, lijnstijl van een getekend object wijzigen. 5.2.4 De stijl van het begin en eind van een pijl wijzigen. 5.2.5 Schaduw toevoegen aan een getekend object. 5.2.6 Getekende objecten in een dia groeperen, groep opheffen. 14

Presentatie 6 Uitvoer voorbereiden 5.2.7 Een getekend object een niveau naar voren, een niveau naar achteren brengen, voor of achter andere getekende objecten plaatsen. 6.1 Voorbereiding 6.1.1 Overgangseffecten tussen dia s toevoegen, verwijderen. 6.2 Controleren en presenteren 6.1.2 Vooraf ingestelde animatie-effecten voor verschillende dia-onderdelen toevoegen, verwijderen. 6.1.3 Notities toevoegen aan dia s. 6.1.4 Geschikt uitvoerformaat selecteren voor diapresentatie: overheadprojector, hand-outs, vertoning op scherm. 6.1.5 Dia s weergeven, verbergen. 6.2.1 Een spellingscontrole in een presentatie uitvoeren en wijzigingen aanbrengen zoals: correctie van spelfouten, herhaalde woorden verwijderen. 6.2.2 Indeling van de dia wijzigen, afdrukstand van dia wijzigen in staand of liggend. Papierformaat wijzigen. 6.2.3 Gehele presentatie, specifieke dia s, hand-outs, notitiepagina s, overzichtsweergave van de dia s of een aantal exemplaren van de presentatie afdrukken. 6.2.4 Diavoorstelling starten vanaf de eerste dia, vanaf de huidige dia. 6.2.5 Navigeren naar de volgende, vorige dia, een dia waarnaar tijdens de voorstelling wordt gevraagd. 15

Online Samenwerken Online Samenwerken In deze module worden de begrippen en vaardigheden uiteengezet die betrekking hebben op de configuratie en het gebruik van tools voor online samenwerking, zoals opslag, productiviteitstoepassingen, agenda s, sociale media, online vergaderingen, leeromgevingen en mobiele technologie. Doel van de module De kandidaat: } Kent de belangrijkste begrippen met betrekking tot online samenwerking en cloud computing. } Kan accounts instellen voor online samenwerking. } Kan online-opslag en applicaties voor het uitvoeren van specifieke taken op het web gebruiken om samen te werken. } Kan mobiele en online-agenda s gebruiken om activiteiten te plannen en beheren. } Kan samenwerken en communiceren met gebruikmaking van sociale net werken, blogs en wiki s. } Kan onlinevergaderingen inplannen en voorzitten en leeromgevingen op het web gebruiken. } Begrijpt de voornaamste begrippen op het gebied van mobiele technologie en kan voorzieningen gebruiken als e-mail, toepassingen en synchronisatie. 1 Samenwerking concepten 1.1 Belangrijkste begrippen 1.1.1 Begrijpen dat ICT ( informatie- en communicatietechnologie) online samenwerking kan ondersteunen en bevorderen. 1.1.2 De belangrijkste soorten services herkennen die online samenwerking ondersteunen: cloud computing, mobiele technologie. De belangrijkste soorten tools herkennen die online samenwerking ondersteunen: applicaties voor het uitvoeren van specifieke taken zoals een office suite, sociale media, online-agenda s, onlinevergaderingen, online-leeromgevingen. 1.1.3 Herkennen van de belangrijkste kenmerken van tools voor online samenwerking: meerdere gebruikers, realtime, wereldwijd bereik, gelijktijdige toegang. 16

Online Samenwerken 2 Voorbereiding op online samenwerking 1.1.4 De voordelen aangeven van het gebruik van tools voor online samenwerking, zoals: gedeelde bestanden en agenda s, minder reiskosten, soepeler communicatie, verbeterd teamwork, wereldwijde toegang. 1.1.5 Op de hoogte zijn van de risico s van het gebruik van tools voor online samenwerking: onbevoegde toegang tot gedeelde bestanden, onvoldoende versiebeheer, het gevaar van malware, identiteits-/gegevensdiefstal, serviceonderbrekingen. 1.1.6 Het belang inzien van intellectuele-eigendomsrechten en correct gebruik van materiaal bij het gebruik van tools voor online samenwerking. 1.2 Cloud computing 1.2.1 Begrijpen op welke manieren cloud computing mobiele en online samenwerking mogelijk maakt: opslag van gedeelde documenten en bestanden, toegang tot een scala aan onlinetoepassingen en tools. 2.1 Algemene configuratiemogelijkheden 1.2.2 Aangeven van de voordelen van cloud computing voor gebruikers: kostenverlaging, verbeterde mobiliteit, schaalbaarheid, automatische updates. 1.2.3 Aangeven van de risico s van cloud computing, zoals: afhankelijkheid van provider, gegevensbeveiliging en -beheer, potentieel verlies van privacy. 2.1.1 Weten dat er mogelijk aanvullende toepassingen, plug-ins nodig zijn om sommige tools voor online samenwerking te gebruiken. 2.1.2 De belangrijkste apparatuur herkennen die gebruikt wordt ter ondersteuning van online samenwerking, zoals: webcam, microfoon, luidsprekers. 2.1.3 Begrijpen dat de blokkeringen door een firewall problemen kunnen opleveren voor gebruikers van een tool voor online samenwerking. 2.2 Configuratie 2.2.1 Software downloaden ter ondersteuning van tools voor online samenwerking, zoals: VoIP, IM, documenten delen. 17

Online Samenwerken 3 Tools voor online samenwerking gebruiken 3.1 Online-opslag en productiviteitstoepassingen 2.2.2 Registreren en/of instellen van een account voor een samenwerkingstool. Een gebruikersaccount deactiveren, verwijderen/sluiten. 3.1.1 Begrip van het concept van oplossingen voor online-opslag en herkennen van gangbare voorbeelden. 3.1.2 Herkennen van de beperkingen van onlineopslag, zoals: maximale grootte, tijdslimiet, deelbeperkingen. 3.1.3 Bestanden, mappen uploaden, downloaden, verwijderen van het web. 3.1.4 Begrijpen dat gangbare productiviteitstoepassingen via het web gebruikt kunnen worden. Gangbare voorbeelden van productiviteitstoepassingen op het web herkennen, zoals: tekstverwerking, spreadsheets, presentaties. 3.1.5 Kenmerken van applicaties voor het uitvoeren van specifieke taken op het web herkennen: toestaan dat bestanden door meerdere mensen bijgewerkt worden, bestanden delen toestaan. 3.1.6 Bestanden online aanmaken, bewerken en delen. 3.1.7 Een bestand, map delen zodat meerdere gebruikers een bestand, map kunnen inzien, bewerken, in eigendom hebben, delen ongedaan maken. 3.1.8 Eerdere versies van een bestand bekijken, herstellen. 3.2 Online-agenda s 3.2.1 Een agenda delen. Toestemming geven een gedeelde agenda te bekijken, bewerken. 3.2.2 Gedeelde agenda s weergeven, verbergen. 3.2.3 Een gedeelde agenda gebruiken om een gebeurtenis, terugkerende gebeurtenis te maken. 3.2.4 Een herinnering voor een gebeurtenis instellen. 3.2.5 Mensen, middelen uitnodigen voor een gebeurtenis, uitnodiging intrekken. Een uitnodiging accepteren, weigeren. 3.2.6 Een bestaande gebeurtenis bewerken, annuleren. 18

Online Samenwerken 3.3 Sociale media 3.3.1 Herkennen van tools voor sociale media die online samenwerking ondersteunen, zoals: sociale netwerken, wiki s, fora en groepen, blogs, microblogs, content-community s. 3.4 Onlinevergaderingen 3.3.2 Beschikbare machtigingen/privacy-opties instellen, wijzigen, zoals: leestoegang, schrijftoegang, uitnodigingen. 3.3.3 Zoeken naar gebruikers, groepen binnen sociale media, contact leggen. Contacten verwijderen. 3.3.4 Een tool voor sociale media gebruiken om een commentaar, koppeling te posten. 3.3.5 Een tool voor sociale media gebruiken om op een commentaar te reageren, een commentaar door te sturen. 3.3.6 Een tool voor sociale media gebruiken om materiaal te uploaden, zoals: afbeeldingen, video s, documenten. 3.3.7 Posts verwijderen van sociale media. Weten dat het lastig kan zijn posts en foto s permanent te verwijderen. 3.3.8 Een wiki gebruiken om een specifiek onderwerp aan te vullen of bij te werken. 3.4.1 Een toepassing voor onlinevergaderen openen, sluiten. Een vergadering maken: tijd, datum, onderwerp. De vergadering annuleren. 3.4.2 Deelnemers uitnodigen, uitnodiging intrekken, toegangsrechten instellen. 3.4.3 Een vergadering beginnen, beëindigen. 3.4.4 Bureaublad, bestanden delen in een onlinevergadering, delen ongedaan maken. 3.4.5 Beschikbare chatvoorzieningen gebruiken in een onlinevergadering. 3.4.6 Video-, audiovoorzieningen gebruiken in een onlinevergadering. 19

Online Samenwerken 4 Mobiele samenwerking 3.5 Online-leeromgevingen 4.1 Belangrijkste begrippen 4.2 Mobiele apparaten gebruiken 3.5.1 Weten wat (virtuele) onlinegemeenschappen zijn. Herkennen van online-leeromgevingen, zoals: Virtual Learning Environments ( VLE ) en Learning Management Systems ( LMS). 3.5.2 Begrip van de beschikbare voorzieningen, functies binnen een online-leeromgeving, zoals: agenda, prikbord, chatten, registratie van beoordelingen. 3.5.3 Aanmelden voor een cursus in een onlineleeromgeving. 3.5.4 Een bestand uploaden, downloaden in een online-leeromgeving. 3.5.5 Meedoen aan een cursusactiviteit, zoals: quiz, forum. 4.1.1 Herkennen van verschillende typen mobiele apparaten, zoals: smartphone, tablet. 4.1.2 Begrijpen dat mobiele apparaten een besturingssysteem gebruiken. Veelgebruikte besturingssystemen voor mobiele apparaten herkennen. 4.1.3 Begrip van de term Bluetooth en het gebruik ervan. 4.1.4 Begrip van de beschikbare opties voor internetverbindingen voor mobiele apparaten: draadloos (WLAN), mobiel internet (3G, 4G). Begrip van de bijkomstigheden van deze opties, zoals: snelheid, kosten, beschikbaarheid. 4.1.5 Begrip van de voornaamste overwegingen m.b.t. beveiliging voor mobiele apparatuur, zoals: gebruik van een pincode, back-up maken, draadloze voorzieningen/bluetooth in-/ uitschakelen. 4.2.1 Veilig verbinding maken met het internet via draadloze, mobiele technologie. 4.2.2 Zoeken op het web. 4.2.3 E-mail versturen, ontvangen. 4.2.4 Een agendagebeurtenis toevoegen, bewerken, verwijderen. 20

Online Samenwerken 4.2.5 Foto s, video s delen met gebruikmaking van opties zoals: e-mail, IM, sociale media, Blue tooth. 4.3 Toepassingen 4.3.1 Herkennen van algemene toepassingen zoals: nieuws, sociale media, productiviteit, kaarten, games, e-boeken. 4.3.2 Begrijpen dat deze toepassingen (apps) worden verkregen via onlinewinkels (stores). Herkennen van bekende app stores voor mobiele apparaten. 4.3.3 Zoeken naar een app voor een mobiel apparaat in een app store. Inzien dat de aanschaf van een app mogelijk aankoopkosten, gebruikskosten met zich kan meebrengen. 4.3.4 Een app installeren op, verwijderen van een mobiel apparaat. 4.3.5 Apps bijwerken op een mobiel apparaat. 4.3.6 Een app gebruiken op een mobiel apparaat, zoals: spraak- of videocommunicatie, sociale media, kaart. 4.4 Synchronisatie 4.4.1 Weten wat het doel is van synchronisatie van gegevens. 4.4.2 Synchronisatie-instellingen configureren. 4.4.3 Mobiele apparaten synchroniseren met mail, agenda, andere apparaten. 21

Digi-veiligheid Digi-veiligheid In deze module worden begrippen uiteengezet die betrekking hebben op een veilig gebruik van ICT in het dagelijks leven en komen de vaardigheden aan de orde die worden gebruikt om een beveiligde netwerkverbinding te onderhouden, het internet veilig te gebruiken, en gegevens en informatie op een passende manier te beheren. Doel van de module De kandidaat: } Begrijpt het belang van beveiliging van informatie en gegevens, en kan algemene principes op het gebied van bescherming, behoud en beheer van gegevens/privacy benoemen. } Herkent gevaren van identiteitsdiefstal voor de persoonlijke veiligheid, en potentiële gevaren van het gebruik van cloud computing voor gegevens. } Kan wachtwoorden en encryptie/versleuteling gebruiken om bestanden en gegevens te beveiligen. } Begrijpt het gevaar van malware en kan een computer, een mobiel device of een netwerk beveiligen en malware-aanvallen weerstaan. } Herkent veelgebruikte typen beveiliging van (draadloze) netwerken en kan persoonlijke firewalls en hotspots gebruiken. } Kan een computer of device beschermen tegen ongeoorloofde toegang en is in staat wachtwoorden op een veilige manier te beheren en bij te werken. } Kan geschikte browserinstellingen gebruiken en begrijpt hoe verificatie van websites en veilig internetten in zijn werk gaat. } Begrijpt de beveiligingsproblemen bij communicatie die een rol spelen bij het gebruik van e-mail, sociale netwerken, Voice-over-Internet-Protocol, Instant Messaging en mobiele devices. } Kan back-ups van gegevens op lokale en cloudopslaglocaties maken en terugzetten, en kan gegevens en apparatuur veilig verwijderen. 1 Beveiligingsbegrippen 1.1 Gegevensbedreigingen 1.1.1 Het verschil kennen tussen gegevens en informatie. 1.1.2 Weten wat de termen cybercrime en hacking inhouden. 1.1.3 Herkennen van kwaadaardige en onopzettelijke bedreiging van gegevens afkomstig van personen, serviceproviders, externe organisaties. 22

Digi-veiligheid 1.2 Waarde van Informatie 1.3 Persoonlijke beveiliging 1.1.4 Herkennen van bedreiging van gegevens door uitzonderlijke omstandigheden zoals: brand, overstroming, oorlog, aardbevingen. 1.1.5 Herkennen van bedreiging van gegevens door gebruik van cloud computing zoals: beperkte toegang, potentieel verlies van privacy. 1.2.1 De basiskenmerken van gegevensbeveiliging kennen, zoals: vertrouwelijkheid, integriteit, beschikbaarheid. 1.2.2 Begrijpen waarom persoonlijke informatie wordt beveiligd, bijv. voorkomen van identiteitsdiefstal en fraude, behoud van privacy. 1.2.3 Begrijpen waarom werkinformatie op computers en apparaten moet worden beveiligd: voorkomen van diefstal, frauduleus gebruik, onopzettelijk gegevensverlies, sabotage. 1.2.4 Herkennen van algemene principes voor bescherming, behoud en beheer van gegevens/ privacy zoals: transparantie, legitieme doeleinden, proportionaliteit. 1.2.5 Begrijpen van de termen betrokkene en verantwoordelijke met betrekking tot gegevens en weten hoe principes voor bescherming, behoud en beheer van gegevens/privacy daarop van toepassing zijn. 1.2.6 Het belang kennen van naleving van richtlijnen en beleidsregels voor ICT-gebruik en de manier waarop die geraadpleegd kunnen worden. 1.3.1 Begrip van de term social engineering en de implicaties daarvan zoals: ongeoorloofde toegang tot computers en devices, ongeoorloofd verzamelen van gegevens, fraude. 1.3.2 Herkennen van methoden van social engineering, zoals: telefoontjes, phishing, shoulder surfing. 1.3.3 Weten wat de term identiteitsdiefstal inhoudt en de gevolgen kennen, zoals: persoonlijke, financiële, zakelijke en juridische gevolgen. 23

Digi-veiligheid 1.4 Bestandsbeveiliging 2 Malware 2.1 Typen en methoden 1.3.4 Herkennen van methoden van identiteitsdiefstal, zoals information diving (zoeken naar informatie op afgedankte gegevensdragers), skimmen en pretexting 1.4.1 Begrijpen wat het effect is van het in- of uitschakelen van macrobeveiligingsinstellingen. 1.4.2 Begrijpen wat de voordelen en beperkingen zijn van versleuteling. Weten wat het belang is van het niet openbaar maken van het wachtwoord, de sleutel, het certificaat voor versleuteling. 1.4.3 Een bestand, map, schijfstation versleutelen. 1.4.4 Bestanden zoals documenten, spreadsheets en gecomprimeerde bestanden beveiligen met een wachtwoord. 2.1.1 Weten wat de term malware inhoudt. Herkennen van verschillende manieren waarop malware op computers en devices verborgen kan zijn, zoals: Trojaanse paarden, rootkits, achterdeuren. 2.1.2 Besmettelijke malware herkennen en de werking ervan begrijpen, zoals: virussen en wormen. 2.1.3 Soorten malware gericht op gegevensdiefstal en winstbejag/afpersing herkennen en begrijpen hoe ze werken, zoals: adware, ransomware, spyware, botnets, keylogging en diallers. 2.2 Bescherming 2.2.1 Begrijpen hoe antivirussoftware werkt en wat de beperkingen ervan zijn. 2.2.2 Begrijpen dat antivirussoftware op computers en devices geïnstalleerd moet worden. 2.2.3 Het belang inzien van geregeld updaten van de software zoals: antivirusprogramma s, plug-ins, toepassingen, besturingssysteem. 2.2.4 Scannen van specifieke schijven, mappen en bestanden met antivirussoftware. Scans inplannen met behulp van antivirussoftware. 2.2.5 Het risico begrijpen van het gebruik van verouderde en niet-ondersteunde software zoals: verhoogd risico op malware, incompatibiliteit. 24

Digi-veiligheid 3 Netwerk beveiliging 2.3 Oplossen en verwijderen 3.1 Netwerken en verbindingen 2.3.1 Begrijpen wat de term quarantaine inhoudt en wat het effect is van in quarantaine plaatsen van geïnfecteerde/verdachte bestanden. 2.3.2 Geïnfecteerde/verdachte bestanden in quarantaine plaatsen, verwijderen. 2.3.3 Begrijpen dat een malware-aanval kan worden opgespoord en tegengegaan met behulp van online informatiebronnen zoals: websites voor het besturingssysteem, antivirussoftware, browserfabrikanten en relevante instanties. 3.1.1 De term netwerk kennen en gangbare netwerken herkennen, zoals local area network (LAN), wireless local area network (WLAN), wide area network (WAN), virtual private network (VPN). 3.1.2 Begrijpen wat het verbinden met een netwerk voor gevolgen heeft voor de beveiliging, zoals: malware, niet-geautoriseerde gegevenstoegang, behoud van privacy. 3.1.3 Begrijpen wat de rol is van de netwerkbeheerder op het gebied van verificatie, autorisatie en accountbeheer, monitoren, installeren van relevante beveiligingspatches en updates, bewaken van het netwerkverkeer en aanpakken van malware binnen een netwerk. 3.1.4 Begrijpen van de functie en beperkingen van een firewall in een persoonlijke en bedrijfsomgeving. 3.1.5 Een persoonlijke firewall in- en uitschakelen. Een programma via een persoonlijke firewall toegang tot een service/voorziening geven of weigeren. 25

Digi-veiligheid 4 Toegangs beheer 3.2 Draadloze beveiliging 3.2.1 Herkennen van verschillende opties voor draadloze beveiliging en hun beperkingen zoals: Wired Equivalent Privacy (WEP), Wi-Fi Protected Access (WPA)/Wi-Fi Protected Access 2 (WPA2), filteren van Media Access Control (MAC), verbergen van Service Set Identifier (SSID). 3.2.2 Begrijpen dat het gebruik van een onbeveiligd draadloos netwerk kan leiden tot aanvallen zoals: afluisteraars, netwerkkaping, man-in-themiddle-aanvallen. 3.2.3 Weten wat de term persoonlijke hotspot inhoudt. 3.2.4 Een beveiligde persoonlijke hotspot in- en uitschakelen en devices veilig verbinding laten maken en verbreken. 4.1 Methoden 4.1.1 Maatregelen bepalen voor het voorkomen van ongeoorloofde toegang tot gegevens zoals: gebruikersnaam, wachtwoord, pincode, versleuteling, meervoudige verificatie. 4.2 Wachtwoordbeheer 4.1.2 Begrijpen van de term eenmalig wachtwoord en het gebruik ervan. 4.1.3 Begrijpen wat het doel is van een netwerkaccount. 4.1.4 Begrijpen dat een netwerkaccount moet worden benaderd met een gebruikersnaam en wachtwoord en moet worden vergrendeld/ afgemeld wanneer het niet in gebruik is. 4.1.5 Herkennen van algemene biometrische beveiligingstechnieken die bij toegangsbeheer worden gebruikt, zoals: vingerafdrukken, irisscans, gezichtsherkenning, handgeometrie. 4.2.1 Herkennen van goed wachtwoordbeleid zoals: acceptabele wachtwoordlengte, acceptabele combinatie van letters, cijfers en speciale tekens, wachtwoorden niet delen en geregeld vernieuwen, verschillende wachtwoorden voor verschillende diensten. 4.2.2 Begrijpen van de functie en beperkingen van software voor wachtwoordbeheer. 26

Digi-veiligheid 5 Veilig internetgebruik 6 Communicatie 5.1 Browserinstellingen 5.1.1 De juiste instellingen selecteren voor het inof uitschakelen van automatisch aanvullen en opslaan bij het invullen van een formulier. 5.1.2 Persoonlijke gegevens uit een browser verwijderen, zoals: browsegeschiedenis, downloadgeschiedenis, internetbestanden in de cache, wachtwoorden, cookies, gegevens voor automatisch aanvullen. 5.2 Veilig internetten 5.2.1 Begrijpen dat bepaalde online activiteiten (aankopen, bankieren) alleen ondernomen moeten worden op veilige webpagina s. 5.2.2 Manieren kennen om de echtheid van een website te herkennen zoals: kwaliteit van het materiaal, actualiteit, geldige URL, informatie van bedrijf of eigenaar, contactgegevens, beveiligingscertificaat, validatie van domeineigenaar. 5.2.3 Weten wat de term pharming inhoudt. 5.2.4 Begrijpen wat de functie is van de verschillende soorten inhoudscontrolesoftware zoals: software voor internetfilters, ouderlijk toezicht. 6.1 E-mail 6.1.1 Begrijpen wat het doel is van versleutelen, ontsleutelen van een e-mail. 6.1.2 Weten wat de term digitale handtekening inhoudt. 6.1.3 Mogelijk frauduleuze e-mail en ongewenste e-mail herkennen. 6.1.4 Algemene kenmerken van phishing herkennen: gebruik van namen van bonafide organisaties, mensen, valse webkoppelingen, logo s en merknamen, verzoeken om opgeven van persoonlijke gegevens. 6.1.5 Weten dat pogingen tot phishing kunnen worden aangegeven bij de bestaande organisatie en relevante autoriteiten. 6.1.6 Weten dat het gevaar bestaat een computer of device met malware te besmetten door het openen van een e mailbijlage met een macro of uitvoerbaar bestand. 27

Digi-veiligheid 6.2 Sociale netwerken 6.2.1 Begrijpen dat het belangrijk is geen vertrouwelijke gegevens of identificeerbare persoonlijke gegevens te openbaren via sociale netwerken. 6.2.2 Weten dat passende accountinstellingen voor sociale netwerken moeten worden toegepast en geregeld moeten worden bijgewerkt zoals: privacy- en locatie-instellingen. 6.2.3 Accountinstellingen voor sociale netwerken toepassen: privacy- en locatie-instellingen. 6.2.4 De potentiële gevaren kennen van het gebruik van sociale netwerken, zoals: cyberpesten, grooming, kwaadwillige publicatie van persoonlijk materiaal, valse identiteiten, frauduleuze hyperlinks, materialen, berichten. 6.2.5 Weten dat ongepast gebruik van sociale netwerken of gedrag kan worden gerapporteerd bij de serviceprovider en relevante autoriteiten. 6.3 VoIP en chatten 6.3.1 Begrijpen wat de veiligheidsrisico s zijn van chatberichten (Instant Messaging, IM) en van Voice over IP (VoIP) zoals: malware, toegang via de achterdeur, toegang tot bestanden, afluisteren. 6.3.2 Herkennen van methoden om de vertrouwelijkheid tijdens het gebruik van chatten en VoIP te waarborgen, zoals: versleuteling, niet doorgeven van vertrouwelijke informatie, beperking van bestandsdeling. 6.4 Mobiel 6.4.1 De mogelijke implicaties begrijpen van het gebruik van apps van niet-officiële app-stores, zoals: mobiele malware, onnodige aanslag op resources, toegang tot persoonlijke gegevens, slechte kwaliteit, verborgen kosten. 6.4.2 Weten wat de term toepassingsmachtiging inhoudt. 6.4.3 Weten dat mobiele apps persoonlijke informatie van het device kunnen halen zoals: contactgegevens, locatiegeschiedenis, afbeeldingen. 6.4.4 Weten welke beveiligings- en voorzorgsmaatregelen er kunnen worden genomen in geval van verlies zoals: uitschakelen op afstand, wissen op afstand, device lokaliseren. 28

Digi-veiligheid 7 Veilig gegevensbeheer 7.1 Beveiligen en back-ups maken 7.2 Veilig verwijderen en vernietigen 7.1.1 Herkennen van manieren om de fysieke beveiliging van (mobiele) apparatuur te garanderen, zoals: niet onbewaakt achterlaten, registreren van de locatie en details van apparatuur, gebruik van kabelsloten, toegangsbeheer. 7.1.2 Het belang inzien van een back-upprocedure bij verlies van gegevens van computers en devices. 7.1.3 Herkennen van de kenmerken van een back-upprocedure zoals: regelmaat/frequentie, planning, opslaglocatie, gegevenscompressie. 7.1.4 Back-ups maken naar een locatie zoals een lokale schijf, externe schijf/media, clouddienst. 7.1.5 Back-ups terugzetten vanaf een locatie zoals een lokale schijf, externe schijf/media, clouddienst. 7.2.1 Het verschil kennen tussen verwijderen en permanent wissen van gegevens. 7.2.2 Begrijpen wat de redenen zijn voor het permanent wissen van gegevens van schijven of apparaten. 7.2.3 Weten dat verwijderen van content niet altijd permanent is op bijvoorbeeld sociale netwerken, internetfora en clouddiensten. 7.2.4 Herkennen van algemene methoden voor het permanent wissen van gegevens, zoals: versnipperen, vernietigen van schijven/media, demagnetiseren, gebruik van hulpmiddelen voor gegevensvernietiging. 29

Beeldbewerking Beeldbewerking In deze module worden de basisbegrippen en -vaardigheden behandeld voor het begrip van de belangrijkste concepten met betrekking tot digitale afbeeldingen en het gebruik van een beeldbewerkingsprogramma voor het verbeteren van beeld, het toepassen van effecten en het voorbereiden op afdrukken en publicatie. Doel van de module De kandidaat: } Herkent de belangrijkste concepten van het gebruik van digitale afbeeldingen en begrijpt opties voor grafische indelingen en kleurconcepten. } Kan een bestaande afbeelding openen, een afbeelding opslaan in andere indelingen en opties voor afbeeldingsbestanden instellen. } Kan ingebouwde opties gebruiken, zoals werkbalken, paletten weergeven om de productiviteit te verhogen. } Kan een afbeelding van het scherm maken, vastleggen (screencapture/ screenshot) en opslaan, diverse selectiegereedschappen gebruiken en afbeeldingen manipuleren. } Kan lagen maken en gebruiken, werken met tekst, effecten en filters gebruiken en tekengereedschappen gebruiken. } Kan afbeeldingen voorbereiden op afdrukken of publiceren. 1 Digitaal beeldmateriaal concepten 1.1 Digitale afbeeldingen 1.1.1 Weten hoe digitale afbeeldingen kunnen worden gebruikt: publicatie via web en afdrukken (prints), uitwisselen via e-mail en mobiele telefoon, thuis printen, digitale fotolijstjes. 1.1.2 Weten wat de termen pixel, resolutie betekenen en de belangrijkste kenmerken van een digitale afbeelding kennen: samengesteld uit afzonderlijke pixels, digitaal weergegeven in binaire code. 1.1.3 Begrip van de term beeldcompressie met, zonder kwaliteitsverlies. 1.1.4 Begrip van de term auteursrecht en de implica ties voor gebruik van afbeeldingen. Begrip van de termen royaltyvrije afbeeldingen en afbeeldingen met rechtenbeheer. 30

Beeldbewerking 2 Afbeeldingen vastleggen 3 Gebruik van de toepassing 1.2 Grafische indelingen 1.3 Kleuren concepten 2.1 Vastleggen van afbeeldingen 3.1 Afbeeldingen maken 1.2.1 Begrip van de termen rasterafbeeldingen en vectorafbeeldingen en onderscheid daartussen kunnen maken. Herkennen van gangbare rasterindelingen ( jpeg, gif ) en vectorindelingen (svg, eps). 1.2.2 Gepatenteerde (eigendomsmatige) indelingen van digitale beeldbewerkingsprogramma s herkennen: psd, psp, xcf, cpt. 1.3.1 De term kleurenmodel kennen en gangbare kleurenmodellen herkennen: RGB, HSB, CMYK, grijswaarden. 1.3.2 De termen kleurenpalet, kleurdiepte kennen. 1.3.3 De termen tint, verzadiging, kleurbalans kennen. 1.3.4 De termen contrast, helderheid, gamma kennen. 1.3.5 De term transparantie kennen. 2.1.1 Een afbeelding van een digitale camera opslaan op een locatie op een schijf. 2.1.2 Een schermopname maken van een volledig scherm, een actief venster via Print Screen. 2.1.3 Een afbeelding uit een fotobibliotheek, webpagina opslaan op een locatie op een schijf. 2.1.4 Een scanprogramma openen en een afbeelding scannen: voorbeeld weergeven, scanparameters instellen, scannen, opslaan. 3.1.1 Een beeldbewerkingsprogramma openen, sluiten. Afbeeldingsbestanden openen, sluiten. 3.1.2 Een nieuw afbeeldingsbestand maken en opties instellen: kleurenmodel, afmetingen, resolutie, achtergrondkleur. 3.1.3 Een nieuw afbeeldingsbestand maken vanaf het klembord. 3.1.4 Schakelen tussen geopende afbeeldingsbestanden. 3.1.5 Een afbeelding opslaan op een locatie op een schijf. Een afbeelding onder een andere naam opslaan op een locatie op een schijf. 3.1.6 Een afbeelding opslaan, exporteren als ander bestandstype: jpeg, gif, tiff, png. 31

Beeldbewerking 4 Werken met afbeeldingen 3.2 Instellingen 3.2.1 Achtergrondkleur, voorgrondkleur instellen. 3.3 Productiviteit verbeteren 3.2.2 Rastereigenschappen instellen: eenheden, horizontale afstand, verticale afstand, kleur. 3.3.1 Basisopties/-voorkeuren in het programma instellen: transparantie, rasterinstellingen, maateenheden. 3.3.2 De beschikbare Help-functies gebruiken. 3.3.3 Vergroting/zoomfunctie gebruiken. 3.3.4 De opdracht ongedaan maken, opnieuw uitvoeren gebruiken. Historie ongedaan maken gebruiken. 3.3.5 Geïntegreerde werkbalken, paletten, vensters weergeven, verbergen. 4.1 Selectie 4.1.1 Een volledige afbeelding, laag of lagen selecteren. 4.2 Afbeeldingen manipuleren 4.1.2 Instellingen selectiegereedschap instellen: relatie tussen meerdere selecties, doezelen, anti-aliasing, breedte, hoogte. 4.1.3 Deel van een afbeelding selecteren met selectiegereedschappen: rechthoekig selec tiekader, elliptisch, toverstaf, magne tische lasso, snelle selectie. 4.1.4 Een selectie omkeren. 4.1.5 Een selectie opslaan, een opgeslagen selectie laden. 4.2.1 Grootte van het canvas van een afbeelding wijzigen. 4.2.2 Een afbeelding vergroten of verkleinen met pixels, maateenheden. 4.2.3 Een afbeelding bijsnijden. 4.2.4 Afbeelding(en), selectie van afbeelding kopiëren, verplaatsen. 4.2.5 Een afbeelding, selectie binnen een afbeelding roteren, spiegelen. 4.3 Lagen 4.3.1 Definitie geven van de term laag en weten wat dit inhoudt. 32

Beeldbewerking 5 Tekenen en kleurgereedschappen 4.3.2 Een laag maken, kopiëren, verwijderen. 4.3.3 Laageigenschappen instellen: naam, verbergen, weergeven, vergrendelen, dekking, overvloeimodus. 4.3.4 Lagen rangschikken, verenigen, koppelen, één laag maken. 4.3.5 Lagen bewerken: vergroten, verkleinen, roteren, omkeren, volgorde wijzigen, bijsnijden. 4.3.6 Een tekenobject converteren naar een rasterlaag. 4.3.7 Een GIF-animatie maken van lagen. 4.4 Tekst 4.4.1 Tekst toevoegen, bewerken en verwijderen. 4.4.2 Tekst kopiëren, verplaatsen. 4.4.3 Tekst uitlijnen: links, midden, rechts, uitvullen. 4.4.4 Tekstopmaak toepassen: tekengrootte, lettertypen, tekstkleur. 4.4.5 Tekst verdraaien. 4.5 Effecten en filters 4.5.1 Artistieke, vervormingsfilters toepassen: filmkorrel, reliëf, wind, rimpel, kronkel, verlagen kleurverzadiging, belichtingseffect. 5.1 Tekengereedschappen 5.2 Kleurgereedschappen 4.5.2 Vervagingseffecten toepassen: Gaussiaans vervagen, bewegingsonscherpte. 4.5.3 Belichtingseffecten toepassen: belichting, gloed. 4.5.4 Verbeteringen toepassen: helderheid/contrast, kleurverzadiging, kleurbalans. 4.5.5 Scherpte aanpassen, onscherp masker. 4.5.6 Rode ogen corrigeren. 5.1.1 Een lijn toevoegen aan een afbeelding: rechte lijn, vloeiende lijn, curven. Lijndikte, -stijl en -kleur instellen, aanpassen. 5.1.2 Een vorm toevoegen aan een afbeelding: rechthoek, ovaal, veelhoek. Lijn, opvulstijl en kleur instellen, aanpassen. 5.2.1 Een kleurwaarde kiezen met het pipet. 33

Beeldbewerking 6 Uitvoer voorbereiden 5.2.2 Gebied in een afbeelding opvullen met het gereedschap Verloop: dekking/transparantie, radiaal, lineair, locatie, omkeren toepassen. 5.2.3 Gebied in een afbeelding inkleuren met het gereedschap Penseel: kleur, vorm en grootte kiezen. 5.2.4 Gebied in een afbeelding wissen met het gereedschap Gummetje: vorm en dikte kiezen. 5.2.5 Gebied in een afbeelding kleuren met het gereedschap Emmertje. 5.2.6 Een gebied in een afbeelding klonen met het gereedschap Kloonstempel: grootte en dekking kiezen. 6.1 Configuratie 6.1.1 Een voorvertoning van een afbeelding bekijken. 6.1.2 Kiezen van juiste kleurdiepte, resolutie, afbeeldingsgrootte en bestandsformaat voor op web, beeldscherm, afdrukken. 6.2 Afdrukken 6.2.1 Afdrukstand wijzigen: staand, liggend. Papierformaat wijzigen. 6.2.2 Een afbeelding afdrukken naar een geïnstalleerde printer met de opgegeven opties, standaardinstellingen. 34

Notities 35

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de ECDL partner of ECDL Nederland. Uw ECDL partner: 3613_V1 Design by www.rippstein.ch ECDL Nederland Disketteweg 6, 3821 AR Amersfoort tel: +31 (0)33 750 10 99 Postbus 642 3800 AP Amersfoort info@ecdl.nl www.ecdl.nl www.ecdl.org www.typecertificaat.nl