Checklist duidelijk geschreven taal Woorden Korte woorden gebruikt of samengestelde woorden gesplitst? o OK Enkel alledaagse en internationale woorden gebruikt? o OK Gewone en geen moeilijke woorden gebruikt? o OK Geen vaktaal gebruikt? Zo ja, concreet omschreven of met een voorbeeld? o OK Figuurlijk taalgebruik vermeden? o OK Letterwoorden en afkortingen vermeden? o OK Nominaliseringen vermeden? (= het + infinitief) o OK Cijfers in plaats van voluit geschreven getallen gebruikt? o OK Voorzetselketens vermeden? o OK Zinnen Spreektaal geen schrijftaal - gebruikt? o OK Instructies gebruikt? o OK Actief geschreven? o OK Heb je korte zinnen gebruikt maar telegramstijl vermeden? (+/- 10 woorden) o OK Lezers met u of je aangesproken? Men vermeden? o OK Staat het onderwerp voorop in de zinnen? o OK Vraagjes gebruikt? o OK Checklist duidelijk geschreven taal Huis van het Nederlands 1
Structuur van de tekst Is de structuur logisch en eenvoudig? o OK Duidelijke titels gebruikt? o OK Zijn de alinea s en de teksten kort? o OK Een nieuwe alinea voor nieuwe informatie? o OK Vormgeving Is het lettertype groot genoeg? o OK Eén lettertype gebruikt? o OK Hoofdletters vermeden? o OK Vet gebruikt om de nadruk te leggen? Niet onderstreept? o OK Duidelijke, functionele illustraties of pictogrammen gebruikt? o OK Voldoende ruimte tussen de alinea s? o OK Cijfers gebruikt, telefoonnummers gesplitst, data voluit geschreven? o OK Inhoud Heb je rekening gehouden met je doelpubliek? o OK Heb je vooraf bepaald wat de essentie van je boodschap moet zijn? o OK Heb je je informatie zo beknopt mogelijk gehouden? o OK Heb je beeldspraak of humor gedoseerd gebruikt? o OK Checklist duidelijk geschreven taal Huis van het Nederlands 2
Duidelijke taal 1. Tips voor duidelijke taal Hou steeds voor ogen wat je wil overbrengen en wat het doel is van de tekst. o Wat ga je schrijven? o Hulpvragen: Wie? Wat? Waar? Wanneer? Waarom? Hoe? Bepaal het profiel van je lezer. Voor wie schrijf je? Bedenk een ijkpersoon/focusgroep (studies, gezinssituatie, ) o Wat weet de lezer al over het onderwerp? o Wat moet jouw lezer weten? o Wat moet de lezer doen? o Wat is het taalniveau van de lezer? o Welke boodschap moet de lezer begrijpen na het lezen van de tekst? Nuances niet schrappen maar verduidelijken. Moeilijke stukken niet weglaten maar herformuleren. De betekenis van zinnen nooit veranderen. Geen kindertaal gebruiken. Let op spellingsfouten. Gebruik slanke formuleringen. Vermijd omslachtige formuleringen. Bv: Er is de mogelijkheid een maaltijd te nuttigen in het restaurant wordt Je kan iets eten in het restaurant. Schrijf actief en vermijd passieve zinnen. Bv: Er wordt de gelegenheid gegeven om tijd te nemen voor persoonlijke processen wordt Je krijgt de tijd voor persoonlijke processen. Spreek de lezers aan me je. Zorg voor korte alinea s. Zo moet de lezer niet te grote stukken lezen en krijgt hij denkpauzes. Maak korte zinnen en vermijd bijzinnen. Je moet niet alle info in één zin stoppen. Vermijd moeilijke woorden Let op voor beeldspraak en woordspelingen. Dat is voor anderstaligen moeilijk te begrijpen en ze zullen dit eerder letterlijk nemen. Bv: Dit is echt ver van mijn bed of Dat is toch een ander paar mouwen. Gebruik transparante woorden. Gebruik woorden die in meerdere talen bijna hetzelfde zijn. Bv: cadeautje in plaats van geschenkje Gebruik spreektaal en vermijd typische schrijftaal. Gebruik illustraties, foto s, pictogrammen en symbolen om een tekst meteen te verduidelijken. Zorg voor een eenvormige en herkenbare structuur. Werk met een logo, een titel en gebruik altijd dezelfde structuur. Bv: wie, wat, waar. 2. Tips voor duidelijk gesproken taal Hou het simpel maar maak het niet kinderachtig. Probeer het steeds makkelijk uit te leggen zonder over te gaan in kleutertaal. Dat kan neerbuigend overkomen.
Schakel niet te snel over op een andere taal. Schakel niet automatisch over op die andere taal. Check eerst of de persoon een beetje Nederlands spreekt. Je kan de anderstalige ook aanmoedigen. Bv: spreek maar Nederlands. Ik zal je helpen. Lukt het niet dan kan je overschakelen naar een contacttaal (Frans, Engels, ). Spreek langzaam en duidelijk, maar blijf natuurlijk spreken. Zorg ervoor dat je geen gebroken Nederlands spreekt. Spreek liever langzaam, duidelijk, met transparante woorden, in korte zinnen die grammaticaal juist zijn. Gebruik veel gebaren en ondersteun je instructies en informatie visueel. Als je veel informatie moet geven, deel je die best op in kortere stukken. Het kort houden, betekent niet dat je snel of luider moet gaan spreken. Je kan een stukje uitleg ook afwisselen met pauzes. Je kan iets tonen, een instructie geven, de kans geven om vragen te stellen, Neem je tijd om belangrijke informatie aan te wijzen zodat de anderstalige ziet wat je bedoelt. Zo zal hij ook gemakkelijker vragen stellen. Je kan ook altijd foto s, prenten en voorwerpen gebruiken. Vermijd figuurlijk taalgebruik. Wees je ervan bewust dat anderstaligen figuurlijke taal moeilijker begrijpen. Bv: je zal dat snel onder de knie hebben wordt best je zal dat snel kunnen, Ik kan daar in komen wordt best ik begrijp dat, aan de lopende band wordt best constant. Gebruik transparante woorden. Gebruik woorden die in meerdere talen (bijna) dezelfde zijn. Bv: afzeggen wordt annuleren, gevoelens wordt emotie, onthaal wordt receptie. Herhaal! Zorg dat je voldoende herhaalt. Als Nederlandstalige denk je al snel dat veel herhalen saai is, maar het tegendeel is waar als je de taal nog aan het leren bent. Als je merkt dat de anderstalige niet alles begrepen heeft, herhaal dan je uitleg. Je doet dit best met dezelfde woorden of je verandert een paar woorden als je denkt dat deze persoon die niet kent (hertalen). Stel open vragen om na te gaan of de cliënt alles heeft begrepen. Vaak zeggen anderstaligen dat ze je hebben begrepen, terwijl dat niet altijd zo is. Dat komt omdat het in sommige culturen ongepast is om te laten weten dat je iets niet begrijpt. Wees je hiervan bewust en vraag regelmatig begrijp je het?. Vraag door en laat merken dat je alle antwoorden waardeert. Vermijd dialectwoorden en spreektaal. Vermijd spraaktaal. Bv: pak ne stylo, Doe da ne keer,
Fouten maken mag. Corrigeer de cliënt op een positieve manier. Iemand die de taal nog aan het leren is, maakt fouten. Een fout is niet meer dan een kans om iets nog beter te leren; Geef het gevoel dat het mag. Laat hem merken dat je het apprecieert dat hij het in het Nederlands probeert. Daardoor zal hij ook sneller vragen durven stellen. Laat je niet van de wijs brengen als iemand in een andere taal begint. Weet op welk niveau de anderstalige Nederlands leert op school. Anderstaligen die Nederlands leren in een Centrum van Basiseducatie of in centra voor volwassenonderwijs kunnen verschillende niveaus van Nederlands aan het leren zijn. Vraag aan jouw cliënt welk niveau hij al behaald heeft. Zo kan je inschatten hoe groot de kennis is van het Nederlands en kan je jouw eigen taalgebruik aanpassen. 3. Tips voor duidelijk geschreven taal Schrijf korte eenvoudige zinnen (max 10 woorden). o Schrijf directe, actieve zinnen en geef instructies. o Spreek je lezer aan en gebruik spreektaal. o Zet het onderwerp vooraan in de zin. Zorg voor een eenvoudige en logische structuur en inhoud. o Hou je doelpubliek voor ogen en bepaal vooral de essentie. o Doseer het gebruik van humor. o Schrap overbodige informatie. o Gebruik witruimte, titels, tussentitels en vraagjes. o Begin voor nieuwe informatie een nieuwe alinea. o Gebruik cijfers, splits telefoonnummers en schrijf data voluit. Gebruik korte alledaagse of internationale woorden. o Vermijd formele woorden en figuurlijk taalgebuik. o Vermijd vaktaal of omschrijf het woord. o Schrijf woorden voluit. o Controleer je woordgebruik met de woordenlijst klare taal. Zorg voor een duidelijke vormgeving. o Zet belangrijke woorden in vet. o Gebruik eenzelfde, schreefloos en voldoende groot lettertype. o Vermijd hoofdletters. o Gebruik visuele ondersteuning. Meer info? Agentschap Integratie en Inburgering Universiteitslaan 3 3500 Hasselt T 011 30 56 10 www.klaretaalrendeert.be