vuurwerk Lustrum: FEWEB 60 jaar

Vergelijkbare documenten
vuurwerk Lustrum: FEWEB 60 jaar

Economie en Bedrijfseconomie. Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde

Voorlichting Econometrie & Operationele Research. Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde

Summary in Dutch. Samenvatting

De Drievoudige Bottom Line, een noodzakelijke economische innovatie

Het hoofdstuk effectiever werken aan diversiteit geschreven door lector Dr. Sjiera de Vries is onderdeel van De Staat van de Ambtelijke Dienst (STAD)

Van baan naar eigen baas

I still haven t found what I m looking for: Op zoek in de stad

Dutch Summary. Dutch Summary

Trouwen en scheiden in tijden van voor- en tegenspoed

Tabel 1: De bijdrage van RtHA aan de regionale economie op basis van 2,4 miljoen passagiers

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II

In de afgelopen decennia heeft ongehuwd samenwonen overal in Europa. toegenomen populariteit van het ongehuwd samenwonen is onderdeel van

Voorlichtingsdag Bedrijfskunde. Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde

Eindexamen economie 1-2 vwo II

Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) Het managen van weerstand van consumenten tegen innovaties

Eindexamen vwo economie 2014-I

Dhr. Prof. Dr. F.P. Weerman Kloveniersburgwal CX Amsterdam. Faculteitsraad. Geachte decaan, beste Fred,

VERKORT VERKIEZINGSPROGRAMMA Leidse Universitaire Verkiezingen 21 april t/m 7 mei 2009

Voelen arme mensen zich eigenlijk arm?

Boost uw carrière. Zo kiest u de MBAopleiding die bij u past. Deze whitepaper is mede mogelijk gemaakt door

COLLEGE VAN BEROEP VOOR DE EXAMENS. Uitspraak van het College van Beroep voor de Examens van Tilburg University

Inclusive Growth and Development Report 2017 van het World Economic Forum: Bevindingen voor Nederland

Samenwerking Erasmus School of Economics en de Erasmus School of Law

Het realiseren en exploiteren van een Multifunctionele Accommodatie - een financieel model ter ondersteuning - Masterthesis

Verschillen tussen Economische opleidingen

Sommige cliënten voldoende hebben aan een bandbreedte van 0-2 uur per week, maar past niet binnen eerste intensiteit en moet nu via waakvlam

-A.J.E. (Arjen) Edzes- Assistant professor. regionale en ruimtelijke economie Rijksuniversiteit Groningen

SSamenvatting. 1. Introductie

Arbeidsmarkt. Bedrijfskunde. Technische bedrijfskunde

Samenvatting. Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation.

Domeinpresentaties Tilburg University per 1 januari 2019

Toetsplan Masteropleiding Midden-Oosten Studies

Vergelijking bachelor programma s Tilburg School of Economics and Management

Macrodoelmatigheidsdossier BSc Business Analytics AANVRAAGFORMULIER NIEUWE OPLEIDING. 1. Basisgegevens. Tongersestraat LM Maastricht

Kwetsbaar alleen. De toename van het aantal kwetsbare alleenwonende ouderen tot 2030

FACULTEIT GEDRAGSWETENSCHAPPEN

Nieuwe voorschriften kostenonderbouwing

Een speelvriendje op batterijen: hoe gaan kinderen om met robots?

5.6 Het Nederlands hoger onderwijs in internationaal perspectief

Essays on Multichannel Customer Management

How to present online information to older cancer patients N. Bol

GEBRUIK VAN VERANTWOORDELIJKHEIDS- CENTRA

Koopkrachtpariteit en Gini-coëfficiënt in China: hoe je tegelijkertijd arm én rijk kunt zijn.

Samenwoonrelaties stabieler

Examen HAVO. Nederlands

Hoe je zorgt voor veranderbereidheid bij medewerkers

Nederlandse samenvatting

Overgangsregels Page 1

NEETs in Limburg: trends, spreiding, en duiding. NEETs in Limburg: trends, spreiding, en duiding

Curriculum: Het vervolg

creating tomorrow Logistiek en economie Hva techniek

Eerste jaars. Bachelor. Erasmus School of Economics. Erasmus School of History, Culture and Communication. Erasmus School of Law

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG

Bachelorproject (15 EC), BSK. Docent: MSc, Drs. C. Nagtegaal

Van BBP naar naar NBP Wat houdt ons tegen?

Center for Organisation Development in Hospitals

Coöperatie en communicatie:

1.1 Bevolkingsontwikkeling Bevolkingsopbouw Vergrijzing Migratie Samenvatting 12

Goudzwaard School of Fair and Green Economics 1

De impact van supersterbedrijven op de inkomensverdeling

10 onmisbare vaardigheden voor. de ambtenaar van de toekomst. 10 vaardigheden. Netwerken. Presenteren. Argumenteren 10. Verbinden.

De weg naar sociaal ondernemen

Europese toppositie voor Management onderzoek van Erasmus Universiteit Rotterdam

Curriculumevaluatie BA Wijsbegeerte

Beleggen in de jungle van duurzaamheid. Hoe beoordeel ik beleggingen op duurzaamheid?

Datum 09 september 2014 Betreft Aanbieding OESO-rapport Education at a Glance 2014 Onze referentie

Data-analyse voor Doelmatig Overheidsbeleid

Domeinpresentaties Tilburg University per 1 september 2019

Opgave 1 Heeft het vrijwilligerswerk toekomst?

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Kernenergie. Van uitstel komt afstel

Fout van CPB bij berekening remgeldeffect eigen risico

Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties

Datum : 12 juni 2009 Aan : Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Ministerie van Financiën

1. Jurriaan Vogel. 2. Mark van Wijgerden. Waarde medestudenten,

The Effectiveness of Community Schools: Evidence from the Netherlands

smartops people analytics

HYPOTHEEK INDEX 2E KWARTAAL 2016

de masterkeuze van hbo ers

De Sleutel tot het benutten van potentie

Waarom politiek en wetenschap niet zonder feiten kunnen FTM

Eindexamen economie pilot havo I

Eindexamen vwo economie II

Arbeidsproductiviteit in MKB en grootbedrijf

Graduation Document. General Information. Master of Science Architecture, Urbanism & Building Sciences. Student Number

WERK AAN DE WINKEL BEzuINIgINgsvooRstEL sp zwolle

Economen voor de klas (3) Bas Jacobs: Je moet een overdosis aan liefde voor het economievak hebben om buiten je eigen expertise te willen treden

Bij persconferentie. Dames en heren,

GOED BESTUUR VANUIT DRIE PERSPECTIEVEN

Chinese borden Universiteiten in en uit balans

De Rijksbegroting voor dokters

BIJ DIE WERELD WIL IK HOREN! HANS ROMKEMA 3 MAART 2010, DEN HAAG

BESTUURS- EN ORGANISATIEWETENSCHAP FACULTEIT DER SOCIALE WETENSCHAPPEN

Format samenvatting aanvraag. Opmerking vooraf

Strategisch sturen in stedelijke gebiedsontwikkeling MCD. master city developer

Transcriptie:

vuurwerk Lustrum: FEWEB 60 jaar Singles and the city De BNP paradox Gemeentelijke lokale lasten China als Belegging Besliskunde en het rondje om de kerk Economisch contractonderzoek en het adviesbegrip Adoptie van innovaties Spitsmijden #8 oktober 2008 jaargang 4 Relatiemagazine van de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde

VOLGEND NUMMER De volgende Vuurwerk verschijnt in mei 2009. Deadline kopij: 1 april 2009. In dit nummer: Thema LUSTRUM Redactioneel 3 Overzicht FEWEB 4 Overzicht opleidingen FEWEB 5 Singles and the city 6 De BNP paradox 10 De gemeentelijke lokale lasten 15 Interview met Wim Kuijken 19 China als belegging 22 Besliskunde en het Rondje om de kerk 24 Economisch contractonderzoek 28 en het economisch adviesbegrip Cijfers FEWEB 33 Adoptie van innovaties 34 Spitsmijden: Werken prikkels? 38 Agenda 44 Nieuws FEWEB 45 De verdiensten van Gerrit Zalm voor de overheidsfinancien in Nederland 46 Prijzen en awards 47 Singles and the city / pagina 6 China als belegging / pagina 22 COLOFON Vierde jaargang, nr. 8, oktober 2008 Vuurwerk is het relatiemagazine van de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde (FEWEB). Redactie Frans Snijders, Iris Visser, Ina Putter, Henri de Groot Adres Faculteitsbureau FEWEB, De Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam iputter@feweb.vu.nl, (020) 598 61 57 Ontwerp en opmaak Room for ID s, Nieuwegein Druk Drukkerij Damen, Werkendam Fotografie FEWEB, Johan Hoekstra, Room for ID s Oplage Vuurwerk verschijnt twee keer per jaar in een oplage van 7.500 exemplaren. Spitsmijden: werken prikkels? / pagina 38 2 vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

REDACTIONEEL/ Continuïteit en verandering De faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde bestaat 60 jaar. Vandaar deze speciale aflevering van Vuurwerk, die als achtergrond dient van de festiviteiten. Een belangrijk moment is de Dies Natalis van de Vrije Universiteit, op 20 oktober 2008. De traditionele diesviering heeft een facultair tintje meegekregen. De diesredenaar, André Lucas, hoogleraar Financiële markten en instellingen, laat zijn licht schijnen over de wereldwijde crisis op de financiële markten. En alumnus en voormalig bijzonder hoogleraar Economische politiek, Gerrit Zalm, krijgt een eredoctoraat voor zijn wezenlijke bijdrage aan de vernieuwing van het Nederlandse begrotingsbeleid vanaf het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw. Op 21 oktober 2008 houdt de faculteit het lustrumsymposium Prudentia: over financieren en begroten, gevolgd door een aangeklede receptie en de presentatie van het lustrumboek. Iedereen die iets van doen heeft of heeft gehad met de faculteit is welkom op deze bijzondere gelegenheden. We kunnen wel herdenken en vieren, maar waar staan we nu als 60-jarige? Wat studentenaantallen betreft zijn we inmiddels veruit de grootste faculteit van de Vrije Universiteit, zelfs de grootste economische faculteit in Amsterdam. Niet iedereen staat bij dit gegeven te juichen, dus daar kunnen we kort over zijn. Interessanter om te lezen zijn hopelijk de krenten uit de facultaire onderzoekspap. Als daar iets uit zou kunnen blijken, dan is het wel dat we als faculteit midden in de (mondiale) samenleving staan. Hadden de oprichters van de faculteit in 1948 ooit kunnen bevroeden dat zij aan de basis zouden staan van een faculteit die eens de vloer aan zou vegen met het BNP als welvaartsmaatstaf, kritische kantekeningen zou plaatsen bij de advisering door consultants en de succesfactoren zou identificeren voor mondiaal opererende ondernemingen? Of onderzoek zou doen naar de vraag waarom de wereldburger zo weinig belegd in Chinese aandelen? In 1948 had Mao wel een andere agenda. Blijkbaar kan het superieure denkraam van onze economen ook de huwelijksmarkt in Amsterdam analyseren. En de vraag waarom de lokale lasten tussen gemeentes zo verschillen, houdt ons ook allemaal bezig. In 1948 kenden we geen files, alleen opstoppingen, en was de vraag naar anders betalen voor mobiliteit nog niet bedacht. Net zomin als men zich toen voor zou kunnen stellen dat machinisten zouden kunnen staken omdat ze geen rondje om de kerk willen rijden. Er waren wel andere motieven geweest om de locs stil te zetten. Dat besliskundigen zoiets zouden kunnen oplossen! Veel nieuwe en actuele onderwerpen kenmerken het facultaire onderzoek, maar er blijft aandacht voor de publieke zaak. Wat zou Jelle Zijlstra ervan gevonden hebben dat de promotiecommissie van de mede door hem opgerichte faculteit nog eens een eredoctoraat zou toekennen aan een alumnus die zijn gedachtegoed in ere zou herstellen, zoals in deze aflevering word betoogd? Er is veel veranderd in 60 jaar, maar sommige kenmerken van de faculteit blijven. Deze continuïteit en verandering vormen de kracht van de faculteit. Harmen Verbruggen Decaan vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

OVERZICHT/FEWEB Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde (FEWEB) De Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde (FEWEB) biedt plaats aan ruim 3000 studenten, 1500 postgraduate studenten en 400 medewerkers. Daarmee is zij landelijk gezien een middelgrote faculteit. Tegelijkertijd is het één van de grotere faculteiten van de VU. De Faculteit der Economische Wetenschappen is opgericht in 1948. De opleiding Econometrie werd van 1962 tot 1987 verzorgd door de Interfaculteit der Actuariële Wetenschappen en Econometrie. Beide faculteiten zijn in 1987 samengevoegd tot de Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie (FEWEC). Per 1 september 2000 is de opleiding Bedrijfswetenschappen van start gegaan. Dit heeft er toe geleid dat de naam van de Faculteit per 1 januari 2001 is veranderd in de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde (FEWEB). Afdelingen en Onderzoeksprogramma s De Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde van de VU heeft 8 afdelingen en 12 onderzoeksprogramma s: Algemene en Ontwikkelingseconomie, Prof. dr. G.J. van den Berg, http://www.feweb.vu.nl/economics Applied Labour Economics en Farms and Firms: The micoreconomics of poverty, risk and development Secretariaat AE: Kamer 2E-71, tel. 020 598 6030, fax 020 598 6020 Secretariaat OE: Kamer 2E-71, tel. 020 598 6140, fax 020 598 6004 Informatiekunde en Logistiek Prof. dr. A.R. van Goor http://www.feweb.vu.nl/informatiekunde en http://www.feweb.vu.nl/logistics Information Systems for Organisational Networks Secretariaat: Kamer 3A-15, tel. 020 598 6185, fax 020 598 6005 Afdeling Marketing Prof. dr. R.T. Frambach http://www.feweb.vu.nl/marketing Marketing Strategy Secretariaat: Kamer 2E-43, tel. 020 598 7145, fax 020 598 6005 Accounting, Prof. dr. T.L.C.M. Groot http://www.feweb.vu.nl/accounting Accounting and Decision Making Secretariaat: kamer 2E-43, tel. 020 598 6040, fax 020 598 9870 Management en Organisatiekunde Prof. dr. T. Elfring http://www.feweb.vu.nl/mo Strategic Entrepreneurship, en Human Resources Secretariaat: Kamer 3A-15, tel. 020 598 6050, fax 020 598 6005 Econometrie Prof. dr. ir. G. van der Laan http://www.feweb.vu.nl/econometrics Strategic and Cooperative Decision Making; Time Series Econometrics: methods, computations and applications en Operations Research and Information Technology Secretariaat: Kamer 1A-17, tel. 020 598 6010, fax 020 598 6020 Financiering en Bedrijfskunde voor de Financiële Sector Prof. dr. M. van der Nat en Prof. dr. B. Compaijen http://www.feweb.vu.nl/fb Finance and Banking Secretariaat: Kamer 1A-17, tel. 020 598 6060, fax 020 598 6020 Ruimtelijke Economie Prof. dr. P. Rietveld http://www.feweb.vu.nl/re Spatial, Transport and Environmental Economics Secretariaat: Kamer 4A-33, tel. 020 598 6090, fax 020 598 6004 Daarnaast heeft de faculteit verschillende Postdoctorale Opleidingen (De Postgraduate School, zie achterzijde van Vuurwerk) en twee stichtingen, te weten het Amsterdam Centre for Business and Economic Research (AMBER) en de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening (SOW). AMBER, Secretariaat, Kamer 5A-36, tel. (020) 598 6080, fax (020) 598 6127, http://www.feweb.vu.nl/esi/ SOW, Secretariaat, Kamer 15A-15, tel. (020) 598 9321, fax (020) 598 9325, http://www.sow.vu.nl/ vuurwerk #7 #8 mei oktober 2008 2008 jaargang jaargang 4 4

OVERZICHT OPLEIDINGEN/FEWEB Bacheloropleidingen De Faculteit biedt momenteel vier bacheloropleidingen aan en daarnaast voor een selecte groep studenten een honours programma : Economie en Bedrijfseconomie Econometrie en Operationele Research Bedrijfswetenschappen (in Amsterdam en Zwolle) International Business Administration (alleen in het Engels) Na succesvolle afronding ontvangen studenten het Bachelor of Science diploma. Masteropleidingen Een masteropleiding is een specialistische opleiding. Na afronding van een bacheloropleiding biedt een masteropleiding verdieping van kennis en inzicht in een deelgebied van de in de bachelor bestudeerde discipline. De masteropleiding is tevens een wetenschappelijke opleiding, waarbij niet alleen het doen van onderzoek, maar ook de toepassing van de wetenschap centraal staat. Na succesvolle afronding van de master ontvangen studenten het MSc (Master of Science) diploma. Deze is internationaal erkend. De onderstaande masters duren één jaar full-time, worden in het Engels gegeven en hebben een studielast van 60 ects. Accounting & Control Business Administration Econometrics and Operations Research Economics Finance Quantitative Finance Honors Track Marketing Spatial, Transport and Environmental Economics (STREEM) NIEUWS/FEWEB Het Tinbergen Instituut Het Tinbergen Instituut is een samenwerkingsverband tussen de economische faculteiten van de Vrije Universiteit, de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit van Amsterdam. Het Tinbergen Instituut is behalve een onderzoeksinstituut ook een opleidingsschool voor promovendi. Meer informatie over het Tinbergen Instituut is te lezen op http://www.tinbergen.nl/ Research- en deeltijdmasters: MPhil Economics (research master, twee jaar, full-time, Engelstalig) MSc Bedrijfswetenschappen (twee jaar, part-time, Nederlandstalig) MSc Accounting & Control i.c.m. RA-opleiding (drieëneenhalf jaar, part-time, Nederlandstalig) MPhil Finance (research master, twee jaar, full-time, Engelstalig) Voor meer informatie over opleidingen zie: www.feweb.vu.nl vuurwerk #8#7 oktober mei 2008 jaargang 44

LUSTRUM/ Singles Pieter A. Gautier 1 In de succesvolle tv serie en bioscoopfilm Sex and the city worden vier vrouwen van in de dertig (deze leeftijd refereert aan hun karakters) in New York gevolgd in hun zoektocht naar de ware. Als de serie in Nederland zou spelen zou de regisseur waarschijnlijk voor Amsterdam kiezen waar het percentage singles (55%) veel hoger is dan het landelijk gemiddelde van 33%, terwijl in de middelgrote steden zoals Almere dit percentage slechts 25% is. Waarom hebben steden zo n aantrekkingskracht op singles? Steden zijn dichtbevolkte gebieden waar het aantal contacten tussen alleenstaanden groter is dan op het platteland. Alleenstaanden zullen daarom bereid zijn om hogere woningprijzen te accepteren om van dit voordeel gebruik te kunnen maken. Zodra een partner is gevonden verdwijnen deze baten echter maar blijven de kosten bestaan. Gehuwden hebben daarom een prikkel om de stad te verlaten. Dit initiële voordeel dat steden aan singles biedt leidt er vervolgens toe dat het extra aantrekkelijk wordt om restaurants, clubs, bars, bioscopen en allerlei andere diensten te openen waar vooral singles gebruik van maken en dit leidt vervolgens tot een verdere instroom van singles. 1 Pieter Gautier is Universitair Hoofddocent bij de afdeling Algemene en Ontwikkelingseconomie, de Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam, pgautier@feweb.vu.nl 2 Zie Gautier, Svarer en Teulings (2004), Marriage and the city, Tinbergen discussion paper. vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

and the City Waarom hebben steden zo n aantrekkingskracht op singles? Sommige alleenstaanden profiteren meer van de stad dan anderen. Volgens de evenwichtszoektheorie zullen vooral de meest aantrekkelijke alleenstaanden naar de stad trekken 2. Zij profiteren namelijk het meest van de dichtheid van de stad die ze in staat stelt om kieskeuriger te zijn. Als bijvoorbeeld alle vrouwen met Johnny Depp willen trouwen dan zal deze bereid zijn veel te betalen om te wonen in een gebied waar hij veel potentiële partners tegenkomt. Hij hoeft zich geen zorgen te maken of een aanzoek geweigerd wordt en profiteert altijd van een zo groot mogelijke keuze. Omdat de meest aantrekkelijke vrouwen met hem willen trouwen zijn voor hem de opportunity kosten van het single zijn ook het hoogst. Hoewel Johnny Depp misschien wel het liefst met Scarlett Johansson zou willen trouwen, zal hij zelfs in de stad toch bereid zijn om met andere vrouwen te trouwen omdat de kans dat hij Scarlett Johansson tegenkomt te gering is. Te grote kieskeurigheid leidt tot een te lange periode van ongehuwdheid. De stad stelt hen echter in staat om kieskeuriger te zijn dan op het platteland. Scarlett Johansson zal om dezelfde reden ook in de stad willen wonen. Samenvattend, de evenwichtszoektheorie voorspelt dat met name de aantrekkelijke alleenstaanden naar de stad trekken en de gehuwden de stad verlaten. Wat heeft dit met economie te maken? Sinds het baanbrekende werk van Becker in de jaren zeventig zou die vraag eigenlijk niet meer gesteld mogen worden. Economie gaat over het maken van keuzes en de keuze voor een partner is misschien wel de belangrijkste keuze die je moet maken in je leven. In Gautier, Svarer en Teulings (2004) testen we bovenstaande voorspellingen met een unieke Deense dataset waarin een cohort alleenstaanden met leeftijden tussen de 15 en 30 jaar voor 15 jaar gevolgd wordt en waarbij ook alle informatie van eventuele partners bijgehouden wordt. We vinden dat alleenstaanden inderdaad een grotere kans hebben om van het platteland naar de stad te trekken en dat gehuwden een grotere kans hebben om van de stad naar het platteland te trekken. Deze uitkomst blijkt robuust te zijn. Ze geldt ook voor de sub-populatie die nooit kinderen neemt, en wordt niet veroorzaakt door de aanwezigheid van universiteiten in steden. Onze gegevens staan ons helaas slechts toe om een zeer grove aantrekkelijkheidsmaat te construeren die afhangt van inkomen, opleiding, vaders inkomen en vaders opleiding. Op basis van deze maat blijkt dat, zoals de theorie voorspelt, inderdaad voornamelijk de aantrekkelijke alleenstaanden naar de stad trekken. Kan dit patroon niet door de arbeidsmarkt verklaard worden? Nee, want als de arbeidsmarkt de drijvende kracht vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

Om optimaal gebruik te kunnen maken van de voordelen die de stad biedt dient de woningmarkt goed te functioneren zou zijn, zouden gehuwden ook naar de stad willen trekken en juist de power couples omdat die twéé schaarse topbanen moeten zoeken en dat is niet wat we vinden. Je zou kunnen denken dat ouderen de stad verlaten omdat hun preferenties veranderen als ze ouder worden (ze gaan liever vissen en wandelen dan naar de kroeg). We vinden echter dat koppels die naar het platteland trekken en scheiden daarna juist weer een grote kans hebben om naar de stad te trekken. Als hun belangrijkste motivatie om naar het platteland te gaan was dat ze wilden wandelen en vissen zouden ze na hun scheiding daar blijven. Wat interessant is aan dit onderzoek is dat als bepaalde groepen een sterk verlangen hebben om bij elkaar in een bepaalde omgeving te wonen dit vrij gemakkelijk en ongecoördineerd gebeurt. Alleenstaande lezers die op dit moment al in de stad wonen zijn wellicht meer geïnteresseerd in wat de beste locaties zijn om partners te vinden. De universiteit zelf is natuurlijk een uitstekende huwelijksmarkt die bestaat uit een grote groep mensen in dezelfde leeftijdsgroep met dezelfde interesses en vaardigheden. Dit zou in elk geval verklaren waarom de opkomst op vrijdagochtend bij de colleges zo laag is. Het verklaart ook waarom veel studies die weinig waarde op de arbeidsmarkt hebben toch zo populair zijn. Studeren biedt je namelijk toegang tot een goede huwelijksmarkt. In het uitgaanscircuit zien we een grote verscheidenheid aan clubs en disco s waarvan sommigen gratis zijn en anderen hoge toegangsprijzen vragen. Hoe kunnen we dit verklaren? Ronald Wolthoff, Fabien Postel-Vinay en ik zijn momenteel bezig met een economisch model dat dit kan verklaren. Het bijzondere aan clubs en scholen is dat de bezoekers en studenten die moeten beslissen waar ze heengaan niet alleen naar de entree of het collegegeld kijken maar ook naar de verwachte samenstelling van de groep. Johnny Depp zou, als hij single was, bereid zijn om relatief veel te betalen om bij een club terecht te komen waar alleen mooie actrices en topmodellen komen. Hetzelfde geldt echter voor de rest van zijn segment maar het geldt niet voor iedereen. Er zijn namelijk veel mannen die wel met Scarlett Johansson willen trouwen maar waarmee Scarlett Johansson niet wil trouwen. Het enige wat clubeigenaren hoeven te doen is de entreekosten voldoende hoog te maken zodat vanzelf alleen de meest aantrekkelijke singles bereid zijn om te komen wetende dat de hoge prijs de minder aantrekkelijke singles buiten de deur houdt. Voor universiteiten geldt ook dat als studenten het meest profiteren van slimme studiegenoten, ze bereid zijn om relatief veel te betalen om vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

tussen andere bollebozen terecht te komen. Als studenten niet gemakkelijk kunnen lenen kan dit sorting proces verstoord worden. Je kunt je tot slot afvragen of het feit dat gehuwden en samenwonenden een grotere kans hebben om de stad te verlaten iets met commitment te maken kan hebben. Er bestaat onderzoek waaruit blijkt dat het huwelijk tot een gewichtstoename leidt. Het idee is dat er veel relatie-specifieke investeringen (zoekkosten, kinderen, huis) gemaakt worden in een huwelijk. Beide partners hebben er daarom belang bij dat er niet wordt doorgezocht. Gewichtstoename kan dan opgevat worden als een commitment in de zin dat men minder aantrekkelijk wordt voor potentiële nieuwe partners. Dit is echter wel een inefficiënt commitment mechanisme omdat het met direct welvaartsverlies gepaard gaat. Het is efficiënter om de stad te verlaten en je te vestigen in een gebied waar je minder potentiële partners tegenkomt. Voor Denemarken vinden we ook dat de scheidingskans voor koppels die in de stad getrouwd zijn geringer is op het platteland dan in de stad. Van iedereen die in Kopenhagen getrouwd is blijken degenen die in de stad blijven een significant grotere scheidingskans te hebben dan degenen die naar het platteland trokken terwijl van de populatie die op het platteland trouwde, degenen die naar de stad trokken, significant vaker scheidden dan degenen die op het platteland bleven. Voor een deel wordt dit echter veroorzaakt doordat vooral de goede huwelijken naar het platteland trekken. Om een onderscheid te maken tussen het causale effect van de stad op echtscheidingen maken we gebruiken van een methode die door de VU economen Abbring en van den Berg ontwikkeld is. In deze methode is de snelheid waarmee koppels naar de stad verhuizen (bijvoorbeeld omdat daar banen zijn) en de interactie tussen hoe snel ze naar de stad trekken en hoe snel ze scheiden informatief over de kwaliteit van hun relatie. We betoogden hierboven dat steden een belangrijke economische functie vervullen doordat ze zoekfricties verkleinen. Deze voordelen zijn voor sommige groepen zoals alleenstaanden belangrijker dan voor andere groepen. Om optimaal gebruik te kunnen maken van de voordelen die de stad biedt dient de woningmarkt goed te functioneren. Directe of indirecte subsidies voor bepaalde woningen kan immobiliteit tot gevolg hebben waardoor de steden niet optimaal benut worden. Voor beleidsmakers is het daarom belangrijk te onderkennen dat verstoringen op de woningmarkt door kunnen werken op andere markten zoals de huwelijks- en de arbeidsmarkt. vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

LUSTRUM/ Ondanks de vele theoretische en empirische kritieken op het bruto nationaal product (BNP) als maatstaf van maatschappelijke welvaart en vooruitgang is de invloed van BNP-informatie niet veranderd in de loop der tijd. Politici en veel macroeconomen worden nog steeds nerveus als het BNP niet of weinig groeit. Ten onrechte. Informatie over BNP-groei heeft een grote invloed op de keuzes van consumenten, bedrijven en overheden en aangezien het BNP verre van een goede welvaartsindicator is moet het gebruik ervan worden opgevat als een serieuze vorm van informatiefalen. Per definitie valt dan de collectieve welvaart lager uit dan mogelijk is. Teneinde politici hiervan te overtuigen zouden economen dienen te erkennen dat het gangbare gebruik van BNP een slechte gewoonte is die moet worden afgeleerd. 10 vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

De BNP paradox Jeroen van den Bergh 1 Veel journalisten en politici, ongeacht hun politieke voorkeur, laten zich kritiekloos uit over het BNP Inleiding In 2005 schreef ik een artikel met deze teneur in de Economisch-Statistische Berichten (ESB), een belangrijk communicatie-platform voor academisch economen in Nederland (Van den Bergh, 2005) 2. Dat riep enorm veel reacties op, variërend van zeer positief tot zeer negatief. Ik heb in de periode erna erg veel discussies gevoerd, waarvan er een aantal zijn gepubliceerd (bv. een debat in ESB 91(4481): 116-117). Dit artikel geeft kort mijn ervaringen en aangepaste visie weer. Mijn zorg was dat het misschien niet erg origineel is om kritiek te leveren op het BNP als indicator voor welvaart of vooruitgang hoewel dergelijke kritiek in de loop der tijd is verfijnd op grond van economisch en psychologisch onderzoek naar gedrag en geluk van mensen maar dat het nodig blijkt te zijn om de kritiek te herhalen aangezien zij onvoldoende doordringt tot economen in de praktijk, het onderwijs, beleidsmakers, politici en journalisten. Voor de hand liggende conclusies en beleidsimplicaties worden daarom niet opgepikt. Überhaupt wordt onnauwkeurig met BNP-informatie omgegaan er wordt bv. niet altijd helder onderscheid gemaakt tussen BNP, BNP per capita, BNP per gewerkt uur, etc. Het enige dat lijkt te tellen is dat, wat het ook is, groeit. Veel journalisten en politici, ongeacht hun politieke voorkeur, laten zich kritiekloos uit over het BNP. Zelfs in een kwaliteitskrant als NRC Handelsblad ziet men regelmatig in redactionele commentaren afwisselend gebruik van de termen welvaart en BNP (groei), als waren het synoniemen. Toegegeven, een kleine groep economen erkent de tekortkomingen van het BNP en gaat er voorzichtig mee om. Maar de overgrote meerderheid lijkt de rol van BNP als welvaartsmaat klakkeloos te accepteren. Dit is niet slechts een paradox, maar onwenselijk bezien vanuit het streven naar een solide empirische informatiebasis voor publiek 1 Jeroen van den Bergh is hoogleraar Milieueconomie en werkzaam bij ICREA, Department of Economics and Economic History & Institute for Environmental Science and Technology, Autonomous University of Barcelona, Spanje en bij de afdeling Ruimtelijke Economie & het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit, jeroen.bergh@uab.es; jbergh@feweb.vu.nl, de Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam 2 J.C.J.M. van den Bergh (2005). BNP, weg ermee! Economisch-Statistische Berichten 90(4475): 502-505. vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4 11

beleid en economische ontwikkeling. Mijn originele artikel beoogde een helderdere beleidsconclusie te formuleren over wat te doen met het BNP dan eerdere studies. BNP kritieken De belangrijkste tekortkomingen van het BNP als welvaartsmaat zijn als volgt. Allereerst suggereert empirisch onderzoek dat in de meeste westerse (OESO) landen ergens in de periode tussen 1950 en 1970 de toename van welvaart of geluk is gestokt of zelfs is omgeslagen in een negatieve trend, ondanks een gestage groei van het BNP. Subjectieve welvaartstudies en psychologisch onderzoek tonen tevens dat individuen snel gewend raken aan nieuwe omstandigheden, zodanig dat hun subjectief gevoelde welvaart niet toeneemt. Voorts richt de BNP per capita indicator zich op gemiddelde inkomens en negeert de inkomensverdeling. Welvaart wordt echter gekenmerkt door een vergelijking met anderen en Allerlei tekenen wijzen op een belangrijke invloed van BNP op de economie rivaliteit, hetgeen zich uit in het streven naar opzichtige consumptie en statusgoederen. Status is echter absoluut schaars: als de een het heeft ontbeert de ander het. Het is wat speltheoretici wel een nulsomspel noemen. Economische groei helpt niet deze absolute schaarste te verminderen. Het BNP omvat slechts activiteiten en transacties die een prijs hebben en negeert dus informele transacties tussen mensen, buiten de markt om. Hiermee hangt samen dat BNP-groei vaak neerkomt op het overhevelen van bestaande informele activiteiten naar de formele markt, zowel in arme als rijke landen. Dit betekent dat de baten reeds werden genoten maar dat de marktkosten nog niet werden meegenomen in het BNP. Economen pleiten graag, en in toenemende mate, voor een afweging van kosten en baten in beleidsevaluatie. Maar voor wat de richting van de economie als geheel betreft blijken zij ineens tevreden met pure kosten, namelijk BNP-informatie. Een bijzondere categorie van ongeprijsde effecten omvat schade aan natuurlijk milieu en uitputting van grondstofvoorraden. Hieraan gerelateerde kapitaalafschrijvingen ontbreken in de BNP-berekening. We rekenen onszelf daardoor rijker dan we werkelijk zijn. Substitutie van basisvoorwaarden als ruimte, rust, directe toegang tot natuur en hechte lokale samenlevingen door marktgoederen zoals grote huizen, opzichtige auto s en vakanties in exotische oorden wordt dus onnodig gestimuleerd onnodig omdat het geen garantie biedt voor welvaartsverbetering. Tot slot, indien men bij wijze van gedachtenexperiment een tempo van 2% gemiddelde jaarlijkse BNP-groei extrapoleert komt men na 1000 jaar groei uit op een BNP dat (1.02)1000 400 miljoen keer zo hoog is als het huidige BNP. Niemand zal toch willen geloven dat individuele en maatschappelijke welvaart in deze mate zouden kunnen toenemen. Dit illustreert dat op lange termijn het BNP geen goede indicator, of zelfs maar ruwe benadering, van welvaart kan opleveren. De paradox verklaard Om de paradox te verklaren dat ondanks alle kritiek op BNP het gebruik ervan niet is veranderd dient men de ambivalentie te erkennen waarmee veel economen de kritiek op het BNP tegemoet treden: ze accepteren deze maar ontkennen de relevantie ervan. Deze ontkenning kent twee vormen: (1) een geloof dat de omvang van de invloed van BNP-informatie op de economische werkelijkheid bescheiden is (in dat geval kan men echter niet veel bezwaar hebben tegen het negeren van BNP-informatie in de publieke sfeer); en (2) een geloof dat ondanks alle kritiek het BNP toch nog nuttige informatie verschaft. Hier beschouwen we kort beide visies. Allerlei tekenen wijzen op een belangrijke invloed van BNP op de economie. Er wordt structureel geïnvesteerd in het berekenen en voorspellen van BNP. Banken en financiële markten hebben de voorspelling van BNP tot een kernindicator gemaakt van hun financiële spel. Bedrijven zien BNP-groeiverwachtingen als een belangrijk aspect van het algemene investeringsklimaat. En zelfs het vertrouwen van consumenten blijkt zich te laten beïnvloeden door BNP-groeiverwachtingen. Maar vooral politici zijn bezorgd over lage BNP-groei, waarschijnlijk uit vrees hierop negatief te worden afgerekend. Bovendien maakt BNP-groei een stijgende belastingopbrengst mogelijk waardoor publieke uitgaven kunnen toenemen een prettig vooruitzicht voor politici 12 vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

aan de macht. De conclusie is dat de invloed van het BNP niet mag worden onderschat en verloopt via vele kanalen. De invloed wordt versterkt doordat onderzoeksinstituten en adviserende organen als CBS en CPB veel aandacht geven aan BNP-informatie en internationale organisaties als de OESO en met name IMF veel waarde hechten aan BNP-groei. Het gevolg is een groot effect van BNP informatie op consumptie-, spaar- en investeringsbeslissingen en in het verlengde hiervan de ontwikkeling van de economische structuur en indirect de sociale en natuurlijke omgeving. Tevens heeft BNP een pro-cyclisch effect: als iedereen namelijk gelooft dat het BNP een belangrijke invloed heeft op de werkelijkheid dan zullen door pessimistische/optimististische reacties op negatieve/positieve groeiverwachtingen deze veelal zelfvervullend zijn (een zgn. self-fullilling prophecy ). Zijn er voordelen die opwegen tegen de besproken nadelen of tekortkomingen van BNP-informatie? Een mogelijk voordeel zou kunnen zijn dat BNP-groei vertrouwen en economische stabiliteit schept. Maar uit de voorgaande discussie volgt dat de keerzijde van economische stabiliteit op basis van BNP-groeiverwachtingen is dat instabiliteit volgt uit negatieve verwachtingen. Een veelgenoemd voordeel in discussies met collega s is dat BNP een rol als macromodelvariabele kan spelen (hoewel dit indruist tegen het moderne streven naar microfoundations ). Sommige collega s beargumenteren bijvoorbeeld dat BNP-informatie gebruikt kan worden om te voorspellen welke inkomsten, uitgaven en staatsschuld de overheid kan verwachten. Maar schattingen gebaseerd op gedesaggregeerde informatie (bv. over toegevoegde waarde) zullen veelal betrouwbaarder zijn. BNP per capita wordt verder door velen gezien als nuttig om productiviteit te meten. Uiteraard is de minder vaak gerapporteerde BBP per gewerkt uur een accuratere indicator voor (gemiddelde nationale) productiviteit. Verhoging van arbeidsproductiviteit is echter geen ultiem doel. Velen wijzen daarnaast op het belang van economische groei voor ontwikkelingslanden. Inderdaad zou men verwachten dat welvaartsgroei hier een hogere correlatie vertoont met BNPgroei dan in rijke landen. Volgens empirische studies valt deze correlatie tegen, ofwel groei levert niet automatisch een hogere welvaart op. Er is daarom behoefte aan specifieke welvaartsindicatoren, juist voor arme landen waar ontwikkeling gericht op welvaartsgroei een complex vraagstuk is. Tot slot noemen veel macroeconomen dat de internationale standaard voor nationale rekeningen en BNP een garantie biedt voor uniformiteit van data over BNP, hetgeen bijdraagt aan een heldere vergelijking van landen. Dit is echter weliswaar een noodzakelijke, maar zeker geen voldoende voorwaarde voor zinvolle internationale vergelijkingen. Men kan een kwijtgeraakte sleutel zoeken in het licht van de lantaarnpaal (lees: gebruikmakend van BNP-informatie), maar als de sleutel elders ligt is de enige effectieve strategie om in het donker (zonder BNP) te zoeken. Een bijkomend nadeel van de internationale BNP-standaard is dat het niet eenvoudig zal zijn om verbeteringen door te voeren in de berekenwijze teneinde specifieke tekortkomingen te neutraliseren. Een reden is dat dit weerstand kan oproepen, bv. wanneer een nationale financiële bijdrage aan het budget van een supranationale orgaan (zoals de EU) gebaseerd is op de vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4 13

omvang van het nationale BNP. Afsluitend kan worden gesteld dat de argumenten ter verdediging van de BNP-indicator niet overtuigend zijn. Conclusies Het is bekend dat het BNP nooit is ontwikkeld met het doel om welvaart te meten. Bij gebrek aan beter is het die rol gaan spelen. Iedere goede econoom moet warm voorstander zijn van het verwijderen van foute, misleidende informatie uit de economische werkelijkheid, vooral indien dergelijke informatie op structurele basis wordt gegenereerd. De traditionele economische wetenschap zegt namelijk dat we hier te maken hebben met een ernstige vorm van marktfalen, die de economische ontwikkeling op lange termijn in een ongewenste richting kan sturen. Ondanks het feit dat de uitgebreide kritiek op BNP als welvaartsindicator bekend verondersteld mag worden, maakt de meerderheid van van negatieve BNP-groeiverwachtingen verdwijnt. Voorts betekent een gereduceerde rol voor BNP niet een pleidooi tegen groei. Zonder BNP wordt groei immers niet langer gemeten. Men kan dan slechts neutraal staan tegenover groei: noch pro noch anti. Tot slot mag het afwijzen van BNP informatie in de publieke sfeer niet worden opgevat als een pleidooi tegen nationale rekeningen of innovatie. Integendeel, innovatie moet niet worden beïnvloed door de zucht naar BNP-groei maar door het streven naar geluksvermeerdering. Dit suggereert een rol voor (economisch) psychologen in macroeconomische beleidsadvisering. Tot slot zou ik nog een opmerking willen maken over de teneur van de reacties van mijn collega s. Het viel me op dat met name macroeconomen afhoudend reageerden en bijna instinctief onvoorwaardelijke, loyale steun betuigden aan het BNP. Mijn indruk is dat BNP-informatie zo centraal Het is bekend dat het BNP nooit is ontwikkeld met het doel om welvaart te meten de economen, journalisten, investeerders, ambtenaren en politici zich in het geheel niet druk over de tekortkomingen van BNP. Argumenten zijn dus blijkbaar niet relevant; de steun voor de BNP-indicator is een slechte gewoonte of zelfs dogmatisch van aard. Een wijdverspreid standpunt onder economen is dat we BNP niet moeten afserveren zolang er geen goede alternatieve macroindicator beschikbaar is. Daartegen pleit dat ondanks decennia van onderzoek alle beschikbare alternatieven serieuze tekortkomingen kennen. De historie laat voorts zien dat met de BNP-indicator structureel groeistreven niet slechts op de loer ligt maar onvermijdelijk is. De verleiding is blijkbaar te groot. Via BNP groeidwang (= onvoorwaardelijk of altijd maar willen groeien) leggen we onszelf echter een onnodige beperking op in het zoeken naar welvaartsverbetering. Het is daarom een zinvolle strategie om BNP te negeren in de publieke sfeer. Een aantal mogelijke bezwaren wil ik graag op voorhand weerleggen. Allereerst is het goed te beseffen dat geen enkele studie aantoont dat een economie zonder BNP-informatie in een permanente recessie zou geraken. De kans op recessies is mogelijk juist geringer omdat de self-fulfilling prophecy staat in hun opleiding en empirische studies dat het emotioneel lastig kan zijn om er kritisch op te zijn en afstand van te nemen. Daarmee zou je in feite de relevantie van je onderzoekveld alsmede van je eigen studies en publicaties in het verleden in twijfel trekken. Dit kun je in alle redelijkheid niet van mensen, zelfs wetenschappers verwachten. Ik zou macroeconomen ter overweging willen meegeven dat macroeconomische theorieën geen enkele normatieve rol toekennen aan BNP-informatie of BNP-groei maar conform de microeconomie uitgaan van sociale welvaart. De meeste overige economen en vrijwel alle niet-economen van wie ik enige reactie heb mogen ontvangen bleken veel minder moeite te hebben om het BNP af te wijzen op basis van mijn argumenten. Voer voor psychologen! Een langere, Engelstalige versie van dit artikel met uitgebreide literatuurverwijzingen is verkrijgbaar via http://www.icrea.cat/web/scientificform.aspx?key=424 of bij de auteur. 14 vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

De gemeentelijke lokale lasten Tom Groot 1 Al lange tijd maken burgers zich zorgen over de stijging van de lokale lasten en over de grote verschillen in lokale lasten die er tussen gemeenten bestaan. Gemeenten krijgen hun inkomsten uit drie bronnen: rechtstreeks van de overheid als uitkering uit het gemeentefonds, uit eigen gemeentelijke belastingen en uit heffingen voor diensten (ook wel rechten genoemd). De eigen gemeentelijke belastingen bestaan uit de bekende OZB-belasting en overige lokale belastingen, zoals toeristenbelasting, parkeerbelasting en precariobelasting. De heffingen voor diensten maken slechts een kleine 20% van de gemeentelijke begrotingen uit, maar geven wel aanleiding tot veel discussie. Het gaat hier om vergoedingen voor diensten die de gemeente levert, zoals voor het beheer van bibliotheken, het uitgeven van paspoorten, het verzorgen van riool- en reinigingsdiensten, het ophalen van huisvuil, het afsluiten van huwelijken en het uitgeven van vergunningen (bijvoorbeeld voor bouw en verbouw). De gemeentelijke tarieven voor deze diensten stijgen de laatste jaren met een aanmerkelijk hoger percentage dan de inflatie en de tarieven verschillen sterk tussen de gemeenten: het sluiten van een huwelijk kost in de ene gemeente 45 en in de andere 265, terwijl de goedkoopste gemeente voor de vuilophaling 29 rekent en de duurste 218. Zulke grote verschillen roepen vraagtekens op: hoe komen de tarieven eigenlijk tot stand? En hebben ze wel een relatie tot de waarde van de diensten waarvoor ze in rekening worden gebracht? 1 Tom Groot is hoogleraar Management Accounting bij de afdeling Accounting, de Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam, tgroot@feweb.vu.nl vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4 15

De gemeentewet heeft een eenvoudige bepaling voor de vaststelling van heffingen voor diensten opgenomen in artikel 229: dit artikel bepaalt dat de tarieven niet hoger mogen uitvallen dan de totale kosten voor deze dienstverlening. Met andere woorden: het is niet de bedoeling dat de gemeente met de verkoop van deze diensten winst maakt. Deze bepaling legt eigenlijk al een grote beperking op aan de tariefstelling, en dus wordt de vraag extra interessant waarom er desondanks toch zulke grote verschillen tussen gemeenten bestaan. Hier zijn verschillende verklaringen denkbaar: (a) er zijn kostenverschillen tussen gemeenten: het ophalen van huisvuil in gemeenten met grote afstanden tussen de woningen zal duurder uitvallen dan het ophalen van huisvuil in dichtbevolkte gemeenten; (b) er zijn efficiëntieverschillen tussen gemeenten: sommige gemeenten hebben wellicht hun dienstverlening slimmer georganiseerd dan andere; (c) er zijn kwaliteitsverschillen tussen gemeenten: van de mogelijkheden die de wet hier biedt. Eén van de financiële ambtenaren verwoordde het als volgt: Vorig jaar had mijn wethouder een serieus probleem omdat hij de begroting niet sluitend kreeg. Dan komt al snel de vraag op tafel of we iets aan de tariefstelling kunnen doen. Ik heb daarop nog eens goed gekeken naar de kosten die we maken. Daarbij bleek dat er nog additionele kosten aan de dienstverlening kunnen worden toegerekend. Dit leidde tot een hogere kostprijs en dus tot de mogelijkheid de tarieven navenant te verhogen. Een andere gesprekspartner voegde hier nog aan toe: Het is heel mooi om je wethouder op deze manier te kunnen helpen: met een nieuwe berekening los je in korte tijd een serieus politiek probleem op. Naast discussies welke kosten tot de kosten van de dienstverlening kunnen worden gerekend, gebruiken de gemeenten ook sterk verschillende methoden van toerekening naar de diensten. Sommigen gebruiken als basis het aantal personeelsleden in dienst Het is niet de bedoeling dat de gemeente met de verkoop van deze diensten winst maakt het rioleringsstelsel kan beter zijn onderhouden; en (d) er zijn verschillen in de wijze van tariefbepaling tussen gemeenten. Hierbij gaat het om de vraag: wat zijn eigenlijk totale kosten en hoe worden ze aan producten en diensten toegerekend? Dit is typisch een onderwerp dat tot het vakgebied van de accounting behoort. Ons onderzoek heeft zich dan ook voornamelijk op de laatste verklaringsmogelijkheid gericht. Het eerste deel van ons onderzoek betrof een serie veldstudies waarin we gemeenten bezochten en met verantwoordelijke ambtenaren en wethouders het proces van tariefstelling nader hebben bekeken. Een aantal problemen dook al snel op: zo was het niet duidelijk wat de wetgever nu precies onder totale kosten verstaat. Sommige gemeenten gebruikten daarvoor de kosten van de afdeling die de dienstverlening voortbrengt. Andere echter meenden dat daar ook de kosten van de centrale directie, personeelszaken, financiën en huisvesting bij mochten worden opgeteld. In sommige gevallen werd ook een deel van de kosten van de gemeentelijke basisadministratie, dit is het informatiesysteem waarin de persoonsgegevens van burgers is opgeslagen, bij de kosten van dienstverlening opgeteld. Hierbij gold dan de redenering dat voor het plannen van bijvoorbeeld het ophalen van het huisvuil ook gebruik wordt gemaakt van de basisadministratie. Enkelen van onze gesprekpartners waren zich goed bewust van de producerende afdeling, anderen de personeelslast of het aantal pc s, weer anderen hanteren het aantal vierkante meters of de totale exploitatiekosten. Verschillende toerekeningsmethoden leiden ook tot verschillende uitkomsten en dus tot verschillende totale kostprijzen. In een tweede project hebben we geprobeerd om het beeld dat in de veldstudies naar voren kwam bij een groot aantal gemeenten te toetsen. Het belangrijke doel daarbij is na te gaan of we organisatiekenmerken kunnen vinden die verschillen in kostendekkendheid en de wijze van kostenberekening kunnen verklaren. Daartoe is een vragenlijstonderzoek uitgevoerd onder 114 van de 572 Nederlandse gemeenten. In dit onderzoek staan twee producten centraal: het ophalen van huisvuil en het afsluiten van huwelijken. Het eerste product is vooral technisch van aard, het is derhalve goed analyseerbaar en planbaar. Het tweede product heeft meer artistieke en minder grijpbare kanten. Wellicht bestaat er meer consensus over kostenbepaling bij het eerste product en minder bij het tweede. Daarnaast verwachten we een invloed van de organisatiestructuur: meer gedecentraliseerde gemeenten leggen meer verantwoordelijkheden bij de uitvoerende diensten. Managers van die diensten zouden zich wel eens beter tegen de consequenties van deze grotere 16 vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

verantwoordelijkheid kunnen indekken door zo goed mogelijk de kosten zichtbaar te maken en zoveel mogelijk van deze kosten mee te nemen in de tariefstelling. Wellicht stimuleert de wijze waarop de gemeentelijke begroting wordt opgesteld ook dit gedrag: gemeenten met een productbegroting proberen de kosten en opbrengsten van elk product beter zichtbaar te krijgen en onder dit regime zal er ook meer werk worden gemaakt van de kostenbepaling van de dienstverlening. Dit geldt uiteraard in mindere mate voor de traditionele begroting die is ingedeeld naar kostensoorten. We verwachten dat grote gemeenten meer middelen ter beschikking hebben om een nauwkeurige integrale kostprijs te berekenen dan kleine gemeenten. Ten slotte zal misschien ook de financiële positie een verklaring kunnen geven: gemeenten met een krimpende begroting zullen eerder op de kleintjes letten, een hogere kostendekkendheid nastreven en dus een meer integrale kostprijs berekenen. De uitkomsten van ons onderzoek zijn veelzeggend. De aard van het product bepaalt in grote mate in hoeverre gemeenten op de hoogte zijn van de mate van kostendekkendheid van de tarieven. Alle gemeenten in ons onderzoek weten exact wat de kostendekkendheid van vuilophaling is, echter van de huwelijksvoltrekking is ruim 25% van de gemeenten niet bekend met de kostendekkendheid van de gehanteerde tarieven. Deze gemeenten hebben in het algemeen ook een meer gecentraliseerde organisatie en een groeiend budget. Een ruime meerderheid van de gemeenten streeft 100% kostendekkendheid na, en dit geldt vooral voor gemeenten met een gedecentraliseerde structuur en een afnemend budget. Dus bezuinigingen en decentralisatie leiden ertoe dat gemeenten op de kleintjes gaan letten. Hoe meer de bevoegdheden in gemeenten zijn gedecentraliseerd, des te meer overheadkosten men bij de kostprijsberekening betrekt en des te meer men gebruik maakt van tijdschrijven in de eigen afdeling. Afdelingsmanagers doen er dus alles aan om zich in te dekken tegen de financiële risico s die zij in een gedecentraliseerde organisatie lopen. De systemen van kostprijsberekening kunnen daarbij redelijk complex worden doordat men verschillende soorten toerekeningsgrondslagen (ook wel cost drivers genoemd) tegelijk hanteert. De kostenberekening blijkt vooral complex te zijn in gemeenten die een productbegroting hanteren. We weten nu dat omvang van de gemeente, mate van decentralisatie, gebruik van de productbegroting en financiële ontwikkeling een invloed hebben op de wijze van kostprijsberekening en tariefstelling. Blijft over de vraag of deze vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4 17

Bezuinigingen en decentralisatie leiden er dus toe dat gemeenten op de kleintjes gaan letten elementen ook een directe invloed hebben op de absolute hoogte van de uiteindelijke tarieven. Dit blijkt alleen bij de tarieven voor huwelijken het geval te zijn. Gemeenten hebben kennelijk geen andere ijkpunten in de tariefstelling dan hun eigen kostenberekeningen. Bij de vuilophaling ligt dit duidelijk anders: veel gemeenten vergelijken hun uitkomsten met de tarieven van andere gemeenten, in toenemende mate werken gemeenten op dit vlak samen in gemeenschappelijke regelingen of zijn ze bezig met het uitbesteden van deze werkzaamheden. Het lijkt erop dat deze activiteiten ook hun invloed hebben op de uiteindelijke vaststelling van de tarieven voor vuilophaling. Het delen van kosteninformatie leidt er kennelijk toe dat tariefsverschillen tussen gemeenten minder afhankelijk zijn van eigen keuzen in de systematiek van kostprijsbepaling en tariefstelling, en meer afhankelijk van onderlinge vergelijkingen van kosten en tarieven. Ons onderzoek heeft nogal wat beroering veroorzaakt, vooral omdat de grote variëteit aan praktijken van kostprijsen tariefbepaling die we hadden aangetroffen de indruk geeft dat gemeenten maar wat aanrommelen. Dit lijkt ons niet terecht: het tweede gedeelte van ons onderzoek laat zien dat de variatie in aanpak veelal samenhangt met verschillen in omstandigheden. In die zin reageren gemeenten redelijk voorspelbaar en rationeel op de verschillende uitdagingen waar ze zich voor gesteld zien. Toch konden maatschappelijke reacties op ons onderzoek niet uitblijven. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft direct na het verschijnen van onze resultaten discussies tussen gemeenten tot stand gebracht om te zien of er niet meer eenduidigheid in de kostprijsberekening en tariefstelling kan worden bereikt. Dit initiatief is vervolgens door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondersteund door de publicatie van de Handreiking kostentoerekening Leges en Tarieven. Deze uitgave wordt regelmatig bijgewerkt en geactualiseerd. De minister hoopt hiermee te bereiken dat de relatie tussen tarief en kosten beter inzichtelijk wordt gemaakt, opdat in de tariefstelling het profijtbeginsel en het kostenveroorzakersbeginsel beter tot hun recht komen. Het werkingsgebied van dit document is niet beperkt tot de gemeenten, maar betreft nu ook de tariefstelling in rijksoverheden, provincies, waterschappen en zelfstandige bestuursorganen. Ons project en de daarop volgende inspanningen van de VNG en het ministerie van BZK hebben een duidelijke bijdrage geleverd aan het meer transparant maken van de overheid. Daarmee is allerminst gezegd dat alle problemen rond kostenberekening en prijsstelling zijn opgelost, maar een klein stapje in de goede richting is het zeker. 18 vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4

INTERVIEW/Alumnus Het echte werk begint als iedereen naar huis gaat Een interview met Wim Kuijken Een dag nadat oud-minister Veerman het rapport van de Deltacommissie presenteerde gingen wij voor deze editie van Vuurwerk op bezoek bij de heer Wim Kuijken, topambtenaar bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat en tevens alumnus van onze faculteit. Jordi Dumans en Anne van Rossum Kuijken is een geboren en getogen Amsterdammer. Hij woonde er 40 jaar en genoot zijn opleiding Regionale en Vervoerseconomie aan de VU. Het groene VU-busje stond vroeger ook bij hem in de boekenkast. Ik heb niet zo heel hard gestudeerd, maar wel effectief. Hij deed zeven jaar over zijn studie, mede doordat hij er veel activiteiten naast deed. Van deze nevenactiviteiten heeft hij veel geleerd en genoten. Hoewel Kuijken niet uit een ambtelijke omgeving komt, werkt hij tot op de dag van vandaag met veel plezier en passie bij de overheid. Kuijken heeft een gezin met twee kinderen van 6 en 9 jaar. Secretaris Generaal Een geijkte dag als secretaris generaal (SG) bestond eigenlijk niet, omdat er altijd een verrassing was ingebakken. Als SG bij Algemene Zaken, waar hij zeven jaar heeft gewerkt onder Wim Kok en Jan Peter Balkenende, was bijna niets voorspelbaar. Zijn dagen waren eigenlijk gevuld met taken die essentieel zijn in het vak van SG: communiceren met de bewindslieden, met de top van het departement en vaak ook nog dieper in de organisatie. Deze communicatie was belangrijk om te weten wat er speelde en of er resultaat behaald kon worden dat door de bewindslieden was gewenst. Daarnaast zorgde Kuijken er voor dat de organisatie functioneerde in al zijn facetten. Ook was Kuijken voorzitter van de SG s. Dit hield in dat hij de 13 verzamelde SG s leidde. Zelfs Kuijkens werktijden waren niet standaard: zijn dagen begonnen tussen half acht en tien uur en eindigden tussen half zeven en twaalf uur. Zijn dag bestond voornamelijk uit telefoneren, presenteren en overleggen. Eén dag per week ging hij het land in om op bezoek te gaan bij Rijkswaterstaat, de NS, Schiphol of bijvoorbeeld bij sluiswachters. Studie Kuijken vond de sfeer op de VU en op de faculteit altijd erg prettig. Het contact met docenten en medestudenten en de combinatie van uitpuilende colleges bij bijvoorbeeld professor van Muiswinkel en kleine werkgroepen bevielen hem goed. In zijn studietijd heeft hij het meeste geleerd van Peter Nijkamp en Piet Rietveld. Grappig is dat hij nu met beiden weer contact heeft vanuit zijn huidige functie en dat de discussies van toen nog steeds actueel zijn. Hij vindt het leuk om weer bezig te zijn met zijn oude vak en om met deze mensen nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Kuijken leert nog steeds van zijn ouddocenten, maar inmiddels leren ze ook veel van hem. Kuijken heeft nog veel contact met de studiegenoot waarmee hij zijn scriptie schreef en komt zo af en toe ook nog wel eens andere oud-studiegenoten tegen. Dan gaat het zo van Hé, weet je nog van toen? Bestuurlijk werk Naast zijn studie heeft Kuijken veel gebruik gemaakt van de kansen om bestuurlijk werk te doen. Zo zat Kuijken in de Raad Studentenaangelegenheden, was hij voorzitter van de basketbalvereniging bij de ASVU en was hij gedurende een jaar praeses bij het VU Corps. Bij ASVU haalde hij de eerste Amerikanen binnen, waardoor ze eredivisie gingen spelen en was hij betrokken bij de komst van wodkafabrikant Smirnoff als sponsor. Het ging Kuijken er niet vuurwerk #8 oktober 2008 jaargang 4 19