Handleiding weigerende verdachten
Indicatiestelling weigerende verdachten Inleiding Per 1 mei 2010 heeft het Pieter Baan Centrum (PBC) een nieuw beleid Moeilijk Onderzoekbaren geformuleerd waarbij er aan de hand van een intern ontwikkelde vragenlijst specifieker en daardoor kritischer kan worden beoordeeld of klinische rapportage van een weigerende observandus zinvol is en waarbij ook de verblijfsduur van een harde weigeraar in het PBC kan variëren. Een van de aspecten van dit beleid betreft de aanscherping van de indicatiestelling in de beginfase van het strafproces. In de praktijk blijkt met enige regelmaat dat verdachten vooral op basis van hun weigerende houding naar het PBC worden verwezen, zonder dat daarbij een concrete inschatting wordt gemaakt van de haalbaarheid van een dergelijk onderzoek. In veel van deze gevallen leidt dit niet tot een succesvol onderzoek met een volledige beantwoording van de door de rechter gestelde vragen. In geval van een weigering is het dan ook van belang om goed af te wegen hoe groot de noodzaak is voor klinische rapportage en of een gedwongen observatie in het PBC voldoende op kan leveren - om zo onnodige kosten en lange doorlooptijden te voorkomen. In dit informatiebulletin wordt beschreven welke wijzigingen voor u van belang kunnen zijn. Criteria opname PBC Uitgangspunt voor opname in het PBC is dat er sprake moet zijn van een voldoende ernstig feit, een ernstig vermoeden van een stoornis en/of van complexe diagnostiek. Een weigerende opstelling van de verdachte vormt dus als zodanig geen indicatie voor opname in het PBC. Consultatie NIFP Om goed te kunnen beoordelen of er sprake is van voldoende inhoudelijke indicatie voor een klinisch onderzoek zal door het NIFP bij weigerende verdachten (waarbij gedacht wordt aan een PBC-onderzoek) een trajectconsult verzorgd worden waarbij de psychiater de meerwaarde van een klinische observatie zal beoordelen en daarover zal adviseren. Pas als uit het trajectconsult of een ambulant PJ onderzoek blijkt dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor of dat er sprake is van psychopathologie of gedragsstoornissen, kan opname in het PBC zinvol zijn.het is dus van belang dat, indien er een PBC-opname overwogen wordt, te allen tijde een trajectconsult aangevraagd wordt bij de lokale NIFP vestiging. Handleiding In deze folder hebben wij het traject voorafgaande aan de PBC-opname in negen stappen weergegeven. Niet alle stappen zijn voor iedereen van toepassing, maar het is wel goed om te weten wat deze zijn gedurende het proces. Vandaar dat we drie identieke handleidingen hebben gemaakt waarin de relevante stappen uitgelicht zijn per specifieke beroepsgroep. In de bijlage treft u vervolgens de lijst van criteria voor opname in het PBC en een exemplaar van het formulier aan dat ondersteuning biedt in de Beslissing Observatie en Onderzoek bij Moeilijk Onderzoekbaren (afgekort BOOM). Voor vragen over de opname PBC en het beleid Moeilijk Onderzoekbaren kunt u ook terecht bij het hoofd van dienst van de individuele NIFP locaties.
Handleiding voor Officier van justitie & Rechter-commissaris Stap 1 De officier van justitie of rechter-commissaris vormt zich (met behulp van BOOG) een oordeel over de wenselijkheid van een multidisciplinaire onderzoeksvariant en overweegt daarbij een klinische observatie of een tripple rapportage. Stap 2 De officier van justitie of rechter-commissaris vraagt een NIFP trajectconsult aan bij de locale NIFP vestiging. Stap 3 De NIFP-psychiater neemt kennis van de stukken en spreekt betrokkene voorafgaand aan de voorgeleiding aan de RC of in het huis van bewaring waar betrokkene verblijft. De lijst van criteria voor opname in het PBC staat in de bijlage. Bij een weigerende verdachte wordt het BOOM-formulier ingevuld (zie bijlage) Een weigering om deel te nemen aan het onderzoek is geen zelfstandige indicatie voor een PBC-opname Stap 4 De NIFP-psychiater vormt zich (eventueel met behulp van BOOG/BOOM) een mening en pleegt zo nodig overleg met het hoofd van de locale NIFP-vestiging en/of een leidinggevende van het PBC over de wenselijkheid van een klinische observatie. Stap 5 De officier van justitie of rechter-commissaris vordert op basis van de uitslag van het consult al dan niet een PJ-onderzoek ambulant (enkel, dubbel of tripple) of klinisch met bevel tot plaatsing van de rechter-commissaris. Stap 6 De ambulante rapporteur kan tijdens de uitvoering van een al opgedragen PJ-onderzoek tot de conclusie komen dat -in verband met een weigerende houding van de verdachte- opname in het PBC mogelijk alsnog geëigend is in deze specifieke zaak. De rapporteur neemt dan te allen tijde contact op met het hoofd RVE van de locale NIFP-vestiging om de noodzaak en haalbaarheid van een klinisch onderzoek te bespreken voorafgaand aan advies aan de opdrachtgever. Stap 7 Het hoofd RVE toets naar aanleiding van het overleg met de rapporteur of alsnog een klinische opname geïndiceerd is en neemt zo nodig contact op met de RVE hoofden van het PBC. Stap 8 De ambulante rapporteur adviseert na overleg met het hoofd RVE de opdrachtgever over al dan niet alsnog een klinische opname in het PBC. Stap 9 De rechter-commissaris, dan wel de rechtbank neemt op basis van de aangeleverde informatie een beslissing over een mogelijk gedwongen klinische opname van de verdachte. Handleiding voor Officier van justitie & Rechter-commissaris
Handleiding voor hoofd RVE NIFP & NIFP psychiater Stap 1 De officier van justitie of rechter-commissaris vormt zich (met behulp van BOOG) een oordeel over de wenselijkheid van een multidisciplinaire onderzoeksvariant en overweegt daarbij een klinische observatie of een tripple rapportage. Stap 2 De officier van justitie of rechter-commissaris vraagt een NIFP trajectconsult aan bij de locale NIFP vestiging. Stap 3 De NIFP-psychiater neemt kennis van de stukken en spreekt betrokkene voorafgaand aan de voorgeleiding aan de RC of in het huis van bewaring waar betrokkene verblijft. De lijst van criteria voor opname in het PBC staat in de bijlage. Bij een weigerende verdachte wordt het BOOM-formulier ingevuld (zie bijlage) Een weigering om deel te nemen aan het onderzoek is geen zelfstandige indicatie voor een PBC-opname Stap 4 De NIFP-psychiater vormt zich (eventueel met behulp van BOOG/BOOM) een mening en pleegt zo nodig overleg met het hoofd van de locale NIFP-vestiging en/of een leidinggevende van het PBC over de wenselijkheid van een klinische observatie. Stap 5 De officier van justitie of rechter-commissaris vordert op basis van de uitslag van het consult al dan niet een PJ-onderzoek ambulant (enkel, dubbel of tripple) of klinisch met bevel tot plaatsing van de rechter-commissaris. Stap 6 De ambulante rapporteur kan tijdens de uitvoering van een al opgedragen PJ-onderzoek tot de conclusie komen dat -in verband met een weigerende houding van de verdachte- opname in het PBC mogelijk alsnog geëigend is in deze specifieke zaak. De rapporteur neemt dan te allen tijde contact op met het hoofd RVE van de locale NIFP-vestiging om de noodzaak en haalbaarheid van een klinisch onderzoek te bespreken voorafgaand aan advies aan de opdrachtgever. Stap 7 Het hoofd RVE toets naar aanleiding van het overleg met de rapporteur of alsnog een klinische opname geïndiceerd is en neemt zo nodig contact op met de RVE hoofden van het PBC. Stap 8 De ambulante rapporteur adviseert na overleg met het hoofd RVE de opdrachtgever over al dan niet alsnog een klinische opname in het PBC. Stap 9 De rechter-commissaris, dan wel de rechtbank neemt op basis van de aangeleverde informatie een beslissing over een mogelijk gedwongen klinische opname van de verdachte. Handleiding voor hoofd RVE NIFP & NIFP psychiater
Handleiding voor ambulante rapporteur Stap 1 De officier van justitie of rechter-commissaris vormt zich (met behulp van BOOG) een oordeel over de wenselijkheid van een multidisciplinaire onderzoeksvariant en overweegt daarbij een klinische observatie of een tripple rapportage. Stap 2 De officier van justitie of rechter-commissaris vraagt een NIFP trajectconsult aan bij de locale NIFP vestiging. Stap 3 De NIFP-psychiater neemt kennis van de stukken en spreekt betrokkene voorafgaand aan de voorgeleiding aan de RC of in het huis van bewaring waar betrokkene verblijft. De lijst van criteria voor opname in het PBC staat in de bijlage. Bij een weigerende verdachte wordt het BOOM-formulier ingevuld (zie bijlage) Een weigering om deel te nemen aan het onderzoek is geen zelfstandige indicatie voor een PBC-opname Stap 4 De NIFP-psychiater vormt zich (eventueel met behulp van BOOG/BOOM) een mening en pleegt zo nodig overleg met het hoofd van de locale NIFP-vestiging en/of een leidinggevende van het PBC over de wenselijkheid van een klinische observatie. Stap 5 De officier van justitie of rechter-commissaris vordert op basis van de uitslag van het consult al dan niet een PJ-onderzoek ambulant (enkel, dubbel of tripple) of klinisch met bevel tot plaatsing van de rechter-commissaris. Stap 6 De ambulante rapporteur kan tijdens de uitvoering van een al opgedragen PJ-onderzoek tot de conclusie komen dat -in verband met een weigerende houding van de verdachte- opname in het PBC mogelijk alsnog geëigend is in deze specifieke zaak. De rapporteur neemt dan te allen tijde contact op met het hoofd RVE van de locale NIFP-vestiging om de noodzaak en haalbaarheid van een klinisch onderzoek te bespreken voorafgaand aan advies aan de opdrachtgever. Stap 7 Het hoofd RVE toets naar aanleiding van het overleg met de rapporteur of alsnog een klinische opname geïndiceerd is en neemt zo nodig contact op met de RVE hoofden van het PBC. Stap 8 De ambulante rapporteur adviseert na overleg met het hoofd RVE de opdrachtgever over al dan niet alsnog een klinische opname in het PBC. Stap 9 De rechter-commissaris, dan wel de rechtbank neemt op basis van de aangeleverde informatie een beslissing over een mogelijk gedwongen klinische opname van de verdachte. Handleiding voor ambulante rapporteur
B O O M - T R A J E C T
BOOM-traject Beslissing Observatie en Onderzoek bij Moeilijk onderzoekbaren Naam: Psychiater: Nummer: Datum: ZOU U BIJ DEZE VERDACHTE, WANNEER HIJ/ZIJ ZOU MEEWERKEN, Nee Ja EEN KLINISCHE OBSERVATIE OVERWEGEN CONFORM DE GELDENDE INDICATIECRITERA? A Bij Nee: Géén klinische observatie. Dit formulier niet verder invullen Bij Ja: Ga verder met dit formulier 1 Weigering op pathologische gronden of vanuit irrationeel wantrouwen 2 Twijfelzuchtige/ambivalente houding tijdens gesprekscontacten 3 Weigering op eigen initiatief (niet op advies van advocaat) 4 Verdachte is contactbehoeftig B 5 Verdachte lijkt niet goed geïnformeerd of er is vermoeden van zwakbegaafdheid 6 Meegewerkt bij gedragskundig onderzoek in oude strafzaken 1 Observatie heeft reeds aanknopingspunten opgeleverd 2 Vermoedens van psychotisch ziektebeeld 3 Vermoedens van psychopathologie die leiden tot toetsbare hypothesen voor de observatie 4 Recente observaties tonen ernstige impulsiviteit, gedragsexpressie staat op de voorgrond 5 Recente (agressieve) incidenten anders dan het ten laste gelegde delict 6 Op basis van uw indruk, verwacht u dat de verdachte aan groepsactiviteiten zal deelnemen? 7 Observatie belangrijk voor andere onderzoeken (meermanszaak) C 1 Aard en ernst van het delict is reden tot vermoeden van pathologie of gedragskundige uitleg 2 Beschikbaarheid van primaire/secundaire referenten verwacht 3 Uitgebreid forensisch relevant strafrechtelijk verleden, méér dan alleen antisociaal gedrag 4 Uitgebreid GGZ verleden, TBS-dossier, beschikbare eerdere (pj)rapportages/correspondentie + - OORDEEL: Is er sprake van een ambivalente weigering? + - OORDEEL: Is er sprake van meerwaarde van de observatie? + - OORDEEL: Is er sprake van uitgebreide collaterale informatie? BESLISSING VOLGENS BOOM: A, B, én C negatief (3 keer negatief ) géén klinische observatie INSTRUCTIE Z.o.z. voor verdere toelichting van de onderdelen. Beantwoord eerst vraag 1. Alleen bij een positief antwoord de overige blokken invullen. Geef bij elk item aan of betreffend aspect aanwezig of afwezig is (middels een + of teken of nvt). Geef bij ieder OORDEEL een totaaloordeel (weging) van de daarboven genoemde items middels een + of een -. Er is geen sprake van rechtlijnige optelling, maar van een (individuele) weging. Sommige items kunnen in de ene casus van grotere waarde of doorslaggevende betekenis zijn dan in de andere casus. Op basis van deze oordelen doet BOOM een uitspraak over de contra-indicatie voor een klinische observatie bij weigeraars. Voeg het ingevulde BOOM-traject formulier als bijlage toe aan de trajectconsultbrief.
BOOM toelichting BOOM (Beslissing Observatie en Onderzoek bij Moeilijk onderzoekbaren) is een checklist die in een drietal blokken van gerelateerde criteria vraagt naar 1) de ambivalentie van de weigering, 2) de meerwaarde van de observatie en 3) de aanwezigheid van uitgebreide collaterale informatie. Het instrument is bedoeld voor de indicatie van een klinische observatie in zaken waarin verdachte niet wil meewerken aan het onderzoek. Toelichting onderdelen BOOM is alleen van toepassing bij verdachten die los van de weigering al in aanmerking komen voor een klinische observatie. Hiervoor gelden de reguliere indicatiecriteria voor een klinisch onderzoek in het Pieter Baan Centrum. Voldoet de verdachte, ook wanneer deze zou meewerken, niet aan de criteria, dan geldt dit ook bij een weigering en is geen klinische observatie geïndiceerd. Met andere woorden, de weigering an sich is geen reden voor klinische observatie. BLOK A Ambivalentie van de weigering is een belangrijk criterium voor een succesvolle observatie. Met name verdachten die weigeren vanuit een irrationeel wantrouwen of op pathologische gronden zijn dusdanig ambivalent in hun weigering dat onderzoek in de regel loont. Dit geldt ook voor contactbehoeftige of slecht geïnformeerde en in attitude nogal wisselende verdachten. De kans dat een weigeraar om gaat is bij deze groep relatief groot, en ook wanneer deze niet om gaat, laat deze doorgaans vrij veel gedrag zien op de afdeling. BLOK B Meerwaarde van de observatie is moeilijk te voorspellen. U dient in dit blok zo goed mogelijk een inschatting te maken of het observeren van de verdachte, zonder verdere inhoudelijke gesprekken, aanknopingspunten zal opleveren. Voorbeelden van aanwijzingen voor een meerwaarde zijn een (vermoeden van) psychotisch ziektebeeld of recente (agressieve) incidenten. In die gevallen wordt de kans laag geschat dat de verdachte het zeven weken volhoudt soortgelijk gedrag niet te laten zien. De (verwachte) aanwezigheid van concrete middels observatie toetsbare hypothesen over pathologie kan ook een reden zijn voor klinische observatie, ondanks weigeren. Het te onderzoeken symptoomgedrag moet geformuleerd kunnen worden in observeerbare gedragingen op de afdeling. Ook meermanszaken kunnen een reden zijn een weigerende verdachte klinisch te onderzoeken aangezien de aanwezigheid van de ene verdachte relevante observaties voor de andere verdachte kunnen opleveren en vice versa. Alleen meedoen aan arbeid, sport of afdelingsactiviteiten wordt als onvoldoende gezien om van een meerwaarde te kunnen spreken, maar vormen wel een mogelijke bron van informatie. Er wordt nogmaals opgemerkt dat alle genoemde criteria in geïsoleerde vorm noch voldoende, noch noodzakelijk zijn om van een meerwaarde te kunnen spreken: het gaat om een weging van het totaal van de criteria. BLOK C De aanwezigheid van uitgebreide collaterale informatie kan reden zijn om een klinische observatie ook bij weigeraars in te zetten. Onder collaterale informatie wordt alle informatie verstaan die niet direct verkregen is van de verdachte door één van de teamleden. Hieronder valt o.a. de (primaire en secundaire) referenten, het PEN-dossier, eerdere pj-rapportages, correspondentie uit de GGZ en het strafdossier. Uiteraard valt hier ook het milieuonderzoek onder. De aard van het ten laste gelegde kan in sommige gevallen ook vermoedens opleveren over pathologie, bijvoorbeeld in geval van buitenproportioneel geweld, verminking van het lichaam, zeden m.m.g., brandstichting m.m.g. etc. Dit geld ook voor het strafrechtelijk verleden, mits dat meer is dan alleen antisociaal gedrag én forensisch relevant is, zoals geweld, zeden, levensdelicten, brandstichting of vreemde/bizarre varianten daarvan.
Indicatiestelling multidisciplinair onderzoek Assen Indicaties Dubbel Triple Klinisch GGZ Klinisch PBC Delict Ernstdrempel Meerdere verdachten contra Relationeel delict Gewichtig dossier Complex/vreemd delict Impact delict bemoeilijkt onderzoek Persoon Recidive na PIJ Lange justitiele voorgeschiedenis Onduidelijke comorbiditeit Complexe pathologie Complexe pathologie As-I en dd Onderzoekbaarheid en proceshouding Onderzoekbaarheid en weigering alleen in combinatie met inhoudelijke indicaties contra Onderzoekbaarheid en oninvoelbaarheid contra Onderzoekbaarheid en draagkracht Gladde mensen waar moeilijk tot door te dringen valt Complexe beheersbaarheid contra contra Diagnostiek (Groeps)observatie nodig Specialismen met integratie Behandelingsgericht (medicatie) Behandelingsgericht (responsiviteit) Snelle psychiatrische zorg geïndiceerd Milieuonderzoek tegen wens Objectiveren door milieuonderzoek Risicoanalyse sociaal systeem
Telefoonlijst NIFP locaties NIFP, Locatie Alkmaar Tel. (088) 07 10160 NIFP, Locatie Almelo Tel. (088) 07 10180 NIFP, Locatie Amsterdam Tel. (088) 07 10200 NIFP, Locatie Arnhem Tel. (088) 07 10260 NIFP, Locatie Noord (Assen, Leeuwarden, Groningen) Tel. (088) 07 10420 NIFP, Locatie Breda/Middelburg Tel. (088) 07 10300 NIFP, Locatie Den Haag Tel. (088) 07 10360 NIFP, Locatie Haarlem Tel. (088) 07 10460 NIFP, Locatie s-hertogenbosch Tel. (088) 07 10320 NIFP, Locatie Lelystad/Flevoland Tel. (088) 07 10400 NIFP, Locatie Limburg (Maastricht) Tel. (088) 07 10480 NIFP, Locatie Limburg (Roermond) Tel. (088) 07 10500 NIFP, Locatie Rotterdam/Dordrecht Tel. (088) 07 10520 NIFP, Locatie Utrecht Tel. (088) 07 10550 NIFP, Locatie Pieter Baan Centrum Tel. (088) 07 10700 NIFP, Locatie Zutphen Tel. (088) 07 10580 NIFP, Locatie Zwolle Tel. (088) 07 10600 NIFP Graadt van Roggenweg 348-350 3531 AH Utrecht Telefoon: 088-0710140 Fax: 088-0710153 nifp@dji.minjus.nl www.nifpnet.nl
Deze brochure is een uitgave van: NIFP / DJI Postbus 13369 / 3507 LJ Utrecht Tel: 088-0710 140 Oktober 2010