Thema Fijnzadige groenten inzaaien na niet-kerende bodembewerking: niet altijd vanzelfsprekend Niet-kerende bodembewerking is één van de maatregelen binnen de randvoorwaarden erosie. Inagro legde in 2015 een proef aan om de knelpunten te identificeren die kunnen optreden wanneer fijnzadige groenteteelten worden ingezaaid na niet-kerende bodembewerking op een perceel waar veel organisch materiaal aanwezig is aan de oppervlakte. Niet alleen verschillende types zaaibedbereiding maar ook twee zaaimachines werden met elkaar vergeleken. In 2015 werden de randvoorwaarden voor erosie verscherpt. Onder andere voor fijnzadige groenten werd het verplicht om in te zaaien na niet-kerende bodembewerking. Ondertussen werden deze randvoorwaarden herzien en werden een basispakket en drie keuzepakketten opgenomen om de teler flexibiliteit te bieden. Binnen het keuzepakket teelttechnische maatregelen blijft het toepassen van een niet-kerende bodembewerking wel één van de maatregelen. In het basispakket zijn bovendien een aantal maatregelen opgenomen zoals het inzaaien van een groenbedekker of het aan de oppervlakte laten liggen van de oogstresten van spruitkool, koolresten, korrelmaïs die leiden tot een ophoping van organisch materiaal aan de oppervlakte. In een aantal gevallen kan de teler kiezen om het basispakket te combineren met het pakket teelttechnische maatregelen. Een overzicht van de huidige randvoorwaarden erosie werd opgesteld in het kader van het GOMEROS-project (Groenten en maïs op erosiegevoelige percelen) en kan je terugvinden op https://leden. inagro.be/gomeros/wetgeving-erosie. Door de afdeling tuinbouw openlucht van Inagro werd in 2015 een teelttechnische proef aangelegd met als voornaamste doelstelling het identificeren van de knelpunten die kunnen optreden wanneer fijnzadige groenteteelten worden ingezaaid na niet-kerende bodembewerking op een perceel waar aan de oppervlakte veel organisch materiaal aanwezig is. Om het effect van de zaaitechniek maximaal weerspiegeld te zien in de opbrengst- en kwaliteitscijfers werden babyworteltjes ingezaaid, een teelt die moeilijk kiemt en een perfect zaaibed vereist. Er werden drie types zaaibedbereiding met elkaar vergeleken. Op elk zaaibed werden daarnaast nog eens twee zaaimachines met elkaar vergeleken. Deze proef werd aangelegd in het kader van het demonstratieproject Evaluatie van de mogelijkheden en demonstratie van nuttige erosiebestrijding in fijnzadige teelten en andere groenten, met financiële steun van de Vlaamse overheid en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling. Foto 1. - Zaaibed bij aanvang van de proef (vóór zaaibedbereiding) 42 Proeftuinnieuws 5 4 maart 2016
Foto 2. - Zaaibed na passage met een overtopfrees Proefopzet Er werd vertrokken van een stoppel van snijrogge. Om de vergelijking te kunnen maken met een situatie waar wordt ingezaaid na een goed ontwikkelde groenbedekker werd bovenop de stoppel nog 2 ton/ha tarwestro toegediend en op uniforme wijze verspreid over het proefveld. Dat stro werd verkleind en oppervlakkig ingewerkt door een oppervlakkige passage met een frees. Foto 1 geeft een beeld van de ruwheid van het zaaibed bij aanvang van de proef. Om verdichte lagen in de bouwvoor te vermijden werd op het volledige perceel een diepe bodembewerking uitgevoerd met een Dent-Michel-decompactor. Drie types zaaibedbereiding Drie zaaibedbereidingen werden met elkaar vergeleken. Een eerste strook werd geploegd onmiddellijk voor inzaai. Een tweede strook werd oppervlakkig behandeld met een overtopfrees. Dat is een frees waarvan de as tegen- gesteld aan de rijrichting draait. Boven de frees is een grove zeef geïnstalleerd. Bij passage met een overtopfrees wordt de bovenste 10 cm van de bodem door de frees de lucht in gekatapulteerd. Grove kluiten (en stro in ons geval) worden tegengehouden door de zeef en vallen terug naar beneden. De fijne aarde valt erbovenop en zorgt voor een fijn zaaibed. Op Foto 2 wordt de zaaibedbereiding met deze overtopfrees weergegeven. De derde zaaibedbereiding bestond enkel uit een passage met de rotoreg die vóór de zaaimachine gemonteerd was (zaaibed zoals getoond op Foto 1). Twee zaaimachines Om een goede kieming te krijgen moet het zaad bij afleg stevig worden aangedrukt. In een situatie met veel organisch materiaal in de bovenste bodemlaag kan het zaai-element verstopt geraken waardoor het zaad minder goed wordt aangedrukt. Een zaaikouter uitgerust met snijschijven kan verstopping voorkomen. Daarnaast is het zeer belangrijk om een gelijkmatige opkomst te krijgen. Hiervoor moet het zaad op een gelijkmatige diepte worden afgelegd. Een wiel voor de zaaikouter staat in voor de diepteregeling. Bij aanvang van de proef werd gezocht naar een precisiezaaimachine uitgerust met een schijvenkouter en diepteregeling. Een zevental loonwerkers uit de regio rond Beitem werden gecontacteerd of bezocht maar een precisiezaaimachine werd niet gevonden. Uiteindelijk werd ervoor gekozen om een pneumatische schijvenzaaimachine zonder diepteregeling of precisiezaai (Kverneland Accord S-drill, voornamelijk gebruikt bij schorseneren) te vergelijken met een gewone precisiezaaimachine (Kverneland Accord Miniair) (Foto 3). De insteek was voornamelijk gericht op het vergelijken van de gewone zaaikouter met de schijvenkouter van de pneumatische zaaimachine bij inzaai in een heterogeen zaaibed. De pneumatische zaaimachine had dus geen diepteregeling, het zaad werd op ongelijke diepte afgelegd. Bovendien had de pneuma- Foto 3. - Twee zaaimachines: links een gewone zaaikouter met ervoor een wiel dat de zaaidiepte regelt, en rechts een schijvenkouter waarbij het zaad tussen de snijschijven wordt afgelegd. Proeftuinnieuws 5 4 maart 2016 43
Foto 4. - Stro meegesleurd door de tanden voor en achter het aandrukwiel bij de precisiezaaimachine en zaaibed na de inzaai. (object 5: rechtstreekse inzaai zonder ploegen of overtopfrees) Tabel 1. - Overzicht van de aangelegde behandelingen Object Organisch materiaal Diepe bewerking Zaaikouter Zaaidichtheid (zaden/m²) Rijafstand 1 2 ton stro/ha Dent-Michel + ploegen rotoreg gewoon 135 37 2 2 ton stro/ha Dent-Michel + ploegen rotoreg schijven 560 30 3 2 ton stro/ha Dent-Michel rotoreg + overtopfrees gewoon 135 37 4 2 ton stro/ha Dent-Michel rotoreg + overtopfrees schijven 560 30 5 2 ton stro/ha Dent-Michel rotoreg gewoon 135 37 6 2 ton stro/ha Dent-Michel rotoreg schijven 560 30 tische zaaimachine een open aandrukrol. Om te voorkomen dat de aandrukrol achter het zaai-element gewasresten zou oprapen werd ze opgetild. Hierdoor was de laag losse aarde die bovenop het zaad werd gelegd niet overal even dik. Bij fijn zaad zoals wortelzaad geeft dit (in combinatie met de gebrekkige diepteregeling) een ongelijke opkomst. Het was voor de twee machines ook niet mogelijk om in te zaaien aan dezelfde zaaidichtheid. Een overzicht van de zes behandelingen die werden aangelegd in de proef wordt gegeven in Tabel 1. Knelpunten bij de inzaai Op het moment van inzaaien werd heel wat ervaring opgedaan op het vlak van de zaaitechniek. In eerste instantie werd gekeken naar de zaadafleg door beide zaaikouters. Ook het ophopen van organisch materiaal vóór de kouter en op andere plaatsen op het zaai-element werd bekeken. De meeste problemen werden waargenomen bij de precisiezaaimachine zonder schijvenkouter en werden veroorzaakt door de tanden die losse aarde bovenop het zaad wierpen. Na de zaaikouter waren twee wielen geïnstalleerd: een wiel om het zaad zelf aan te drukken en een wiel om de losse aarde die bovenop het zaad werd geworpen aan te drukken. De tanden die de aarde voor het wiel wierpen sleurden veel stroresten mee en veroorzaakten dikwijls verstopping. Ook na het aandrukwiel waren er nog twee tanden gemonteerd die stroresten meesleepten. Op Foto 4 zie je het zaaielement dat stroresten meesleept en het resultaat van het zaaibed na inzaaien. Ook de zaaikouter zelf sleepte in mindere mate stro mee, maar niet in die mate dat de zaadafleg hierdoor werd verhinderd. Tabel 2. - Resultaten van de opkomsttelling per object. Gemiddelden gevolgd door eenzelfde letter zijn Object Zaaidichtheid Gemiddelde opkomst Bladstadium Bodemvochtgehalte (%) (zaden/m²) planten/m² % 1 135 116 b 85,75 a 3-4 15,65 2 560 304 a 54,50 b 3 15,08 3 135 85 bc 62,75 b 1 12,72 4 560 109 bc 19,25 d 1-3 13,29 5 135 80 c 59,00 b 1 13,49 6 560 111 bc 31,75 c 1-3 13,32 Gemiddelde 134 52,17 De zaaimachine met schijvenkouter was niet voorzien van diepteregeling. Bovendien was de aandrukrol achter de zaaikouter een open metalen rol die makkelijk stroresten meenam (Foto 5). Om een vlotte inzaai mogelijk te maken moest deze rol worden opgetild. Het vervangen van deze rol door een volle metalen of rubberen rol zou veel problemen hebben opgelost. De tanden die losse aarde bovenop het zaad moesten werpen waren op deze tweede machine anders geplaatst en sleepten nauwelijks stro mee. Door de gebrekkige diepteregeling en het niet gelijkmatig aandrukken van de losse aarde bovenop het zaad was de opkomst van de wortels hier vrij onregelmatig. Dit leidde tot een onregelmatige gewasstand tijdens de teelt. Een ander probleem dat waargenomen werd was dat voornamelijk op het zaaibed klaargelegd met de overtopfrees de sporenbrekers achter de wielen van de trekker moesten worden opgeheven om te vermijden dat ondergewerkt stro werd meegesleept. Opkomst na zaai De ingezaaide babywortelen waren van het ras Solo (Holland Select). Er werd ingezaaid in droge omstandigheden op 10 juli 2015. De uitzonderlijk droge julimaand liet niet toe in vochtige omstandigheden te zaaien. Kort voor inzaai, Tabel 3. - Resultaten van de opkomsttelling, factoriële vergelijking. Gemiddelden gevolgd door eenzelfde letter zijn Factor Opkomst planten/m² % Ploegen 210 a 70,04 a Overtopfrees 97 b 41,12 b Niet-kerende bodembewerking 96 b 45,43 b Gewone kouter 93 b 69,20 a Schijvenkouter 175 a 35,19 b 44 Proeftuinnieuws 5 4 maart 2016
Foto 5. - met schijvenkouter in actie en zaaibed na inzaai (object 6: rechtstreekse inzaai zonder ploegen of overtopfrees) op 8 juli viel er 2,35 mm neerslag. De dagen na inzaai werd ook (lichte) neerslag voorspeld waardoor besloten werd om in te zaaien. Tussen 11 juli en 14 juli viel er in totaal 2,48 mm neerslag. Te weinig voor een goede kieming, maar we konden niet langer wachten met inzaaien. Onmiddellijk na inzaaien werd in elke strook een staal genomen van de bovenste 10 cm van de bodem. Op deze stalen werd het bodemvochtgehalte bepaald. De resultaten hiervan worden weergegeven in Tabel 2. Op 11 augustus werd een opkomsttelling uitgevoerd. In elke strook werden ad random vier vlakken van 1 m² afgebakend. Binnen deze vakken werd het aantal planten geteld. De resultaten van de opkomsttelling worden gegeven in Tabel 2. De resultaten van een factoriële analyse (effect zaaibed versus effect zaaikouter) op de opkomsttelling worden weergegeven in Tabel 3. De telling toont een beduidend hogere opkomst na ploegen. De vochtige grond die door het ploegen opnieuw naar de oppervlakte wordt gebracht bevorderde de kieming. Daarnaast is er ook een merkbaar effect van de zaaimachine. Procentueel gezien kiemen meer zaden wanneer gebruik wordt gemaakt van een precisiezaaimachine. De zaaidichtheid ligt hier wel een stuk lager. De lagere opkomst bij de pneumatische schijvenkouter heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met de onregelmatige zaaidiepte. De wortelzaden gezaaid na ploegen kiemden ook duidelijk vroeger dan waar niet werd geploegd. Bij de telling op 11 augustus waren de wortelplantjes in object 1 en 2 duidelijk beter ontwikkeld. Opbrengst en kwaliteit Een overzicht van de belangrijkste opbrengstcijfers wordt gegeven in Tabellen 4 en 5. De hoogste bruto-opbrengst werd behaald in object 2, waar na ploegen ingezaaid werd met de schijvenkouter aan 560 zaden/m². De opkomst was hier ook het best (in absolute aantallen). Wat ook opvalt in Tabel 4 is de lage marktbare Tabel 4. - Opbrengstgegevens per object. Gemiddelden gevolgd door eenzelfde letter zijn niet significant verschillend. Object Bruto-opbrengst Totaal Gekloven wortels + gekloven 1 34.417 abc 15.289 c 609.730 bc 533.514 c 15.332,2 a 30.621,2 ab 2 39.740 a 28.541 a 1.458.667 a 1.111.333 a 6.012,6 b 34.554,2 a 3 28.832 bc 17.833 c 566.487 c 500.000 c 7.734,6 b 25.568,0 b 4 36.255 ab 26.717 ab 891.333 b 840.667 b 7.850,6 b 34.568,0 a 5 31.722 abc 19.727 bc 544.865 c 475.676 c 7.934,6 b 27.661,4 ab 6 26.767 c 21.381 abc 653.333 bc 606.000 bc 3.788,4 b 25.170,0 b Gemiddelde 32.955 21.582 787.402 677.864 8.108,83 29.690,5 Tabel 5. - Opbrengstgegevens, factoriële vergelijking. Gemiddelden gevolgd door eenzelfde letter zijn Factor Bruto-opbrengst Totaal Gekloven wortels +gekloven Gewone kouter 31.657 a 17.616 b 573.694 b 357.838 b 10.334 a 27.950 a Schijvenkouter 34.254 a 25.547 a 1.001.111 a 748.667 a 5.884 b 31.431 a Ploegen 37.078 a 21.915 a 1.034.198 a 656.640 a 10.672 a 32.588 a Overtopfrees 32.544 ab 22.275 a 728.910 b 550.207 ab 7.793 ab 30.068 ab Niet-kerende bodembewerking 29.245 b 20.554 a 599.099 b 452.910 b 5.862 b 26.416 b opbrengst en het grote aantal gekloven wortels in object 1. Door ploegen was de toplaag van de bodem vochtiger in objecten 1 en 2. Hierdoor kiemde het wortelzaad vlugger en vlotter. De zaaidichtheid in object 1 was bovendien laag (babywortels worden normaal gezien gezaaid aan 8-12 miljoen zaden/ha) waardoor de planten veel ruimte kregen en veel blad konden vormen. Vanaf eind juli werden de omstandigheden iets vochtiger en de temperaturen bleven hoog. De minerale N-beschikbaarheid op het perceel was bovendien vrij hoog. Ideale omstandigheden voor een (te) snelle groei. Omdat objecten 1 en 2 een voorsprong vertoonden ten opzichte van de andere objecten werden ze ook iets te laat geoogst. Voornamelijk in object 1 leidde dit, door de te lage standdichtheid, tot een zeer groot aantal gekloven wortels (niet te verwarren met vertakte wortels). Wanneer de som van de marktbare en de gekloven wortels wordt vergeleken in de verschillende objecten dan is de opbrengst van object 1 vergelijkbaar of beter dan die van objecten 3 tot 6, waar geen kerende bodembewerking werd uitgevoerd. In Tabel 5 wordt een factoriële analyse gemaakt. Het effect van de zaaimachine of de zaaibedbereiding wordt vergeleken over alle behandelingen heen. Hier valt direct op dat de bruto-opbrengst niet significant verschilt voor het type zaaimachine maar dat de zaaibedbereiding wel van belang is. Een fijn en vochtig zaaibed geeft een significant betere opbrengst dan een directe inzaai met alleen een passage met de rotoreg (op de zaaimachine) als zaaibedbereiding. De zaaibedbereiding Proeftuinnieuws 5 4 maart 2016 45
Tabel 6. - Sortering en kwaliteit per object. Gemiddelden gevolgd door eenzelfde letter zijn niet significant verschillend. Object Sortering Vertakte wortels diameter 10-20 cm diameter 20-30 cm Te kleine wortels Gemiddelde wortellengte 1 7.778 bc 7.510 bc 3.453 ab 342 b 16,24 a 2 22.411 a 6.131 c 3.221 abc 1.965 a 13,16 c 3 6.115 c 11.718 ab 3.196 abc 68 c 15,22 a 4 11.685 b 15.032 a 1.560 bc 127 bc 13,78 bc 5 5.121 c 14.606 a 4.037 a 23 c 15,62 a 6 8.635 bc 12.747 a 1.500 c 97 bc 15,00 ab Gemiddelde 10.291 11.291 2.828 437 14,84 Tabel 7. - Opbrengstgegevens, factoriële vergelijking. Gemiddelden gevolgd door eenzelfde letter zijn Factor Sortering Vertakte wortels diameter 10-20 cm diameter 20-30 cm Te kleine wortels Gemiddelde wortellengte Gewone kouter 6.338 b 11.278 a 3.562 a 144 b 15,69 a Schijvenkouter 14.244 a 11.303 a 2.094 b 730 a 13,98 b Ploegen 15.095 a 6.821 b 3.337 a 1.153 a 14,70 a Overtopfrees 8.900 b 13.375 a 2.378 a 98 b 14,50 a Niet-kerende bodembewerking 6.878 b 13.676 a 2.769 a 60 b 15,31 a met de overtopfrees geeft een opbrengst die gemiddeld is en niet significant beter of slechter is dan de andere zaaibedbereidingen. De hoeveelheid marktbare wortelen ligt lager bij inzaai met de precisiezaaimachine (vanwege de lagere zaaidichtheid). Over de verschillende zaaibedbereidingen heen zijn er geen verschillen waarneembaar. Dit kan worden verklaard door het grote aantal gekloven wortels in object 1. Wanneer we de som van de marktbare wortels en de gekloven wortels vergelijken zien we dezelfde trend als bij de bruto-opbrengst. De sortering van de wortels in verschillende klassen wordt gegeven in Tabellen 6 en 7. Objecten 2 en 4 (en in mindere mate ook object 6) geven meer wortels in de kleinste diameterklasse. Logisch aangezien de zaaidichtheid hier hoger lag. Objecten 1 en 2 geven minder wortels in de hoogste diameterklasse. Voor object 1 is dat te verklaren door het grote aantal gekloven wortels. In object 2 moet de verklaring wellicht gezocht worden bij de hoge opkomst. Er kwamen beduidend meer wortels op en er werden ook beduidend meer wortels geoogst in object 2 (Tabel 4). Het is dan vrij logisch dat de wortels gemiddeld gezien iets minder groot zijn. Een vergelijking tussen de verschillende zaaibedbereidingen en voor de beide zaaimachines over de verschillende behandelingen heen toont een hoger volume wortels in de kleinste diameterklasse en een kleiner volume in de hoogste diameterklasse waar geploegd werd. Dit kan verklaard worden door het hoge aantal gekloven wortels in object 1. Opvallend is wel dat de hoeveelheid vertakte wortels al bij al beperkt is ondanks de grote hoeveelheid stro die oppervlakkig ingewerkt werd bij inzaaien. Het aantal vertakte wortels is eerder afhankelijk van het type zaaimachine (de zaaidichtheid), dan van de zaaibedbereiding en dus de hoeveelheid stro in de bovenste bodemlaag. Ook de wortellengte is afhankelijk van de zaaidichtheid. Wortels die meer ruimte kregen zijn over het algemeen langer dan wortels die dicht op elkaar werden gezaaid. Besluit Bij het inzaaien van de wortels kwamen een aantal knelpunten naar boven. Ondanks een relatief intensieve zoektocht (er werden zeven loonwerkers uit de regio Roeselare gecontacteerd of bezocht), bleek het moeilijk om een zaaimachine te vinden die uitgerust was met snijschijven, en die in staat was om zowel de afstand tussen de zaden in de rij, als de zaaidiepte te regelen. Er werd, om het effect van de zaaikouter te evalueren dan maar geopteerd voor een pneumatische schijvenzaaimachine voor schorseneer als alternatief voor de gangbare precisiezaaimachine. Deze had wel snijschijven, maar kon de zaaiafstand in de rij niet regelen (een homogeen mengsel van lucht en zaad werd in de zaaivoor geblazen) en had ook geen diepteregeling. Bij inzaaien werden vooral bij de gangbare precisiezaaimachine problemen waargenomen. Zowel de kouter zelf, als de tanden achter de kouter en het aandrukwiel nemen stro mee en veroorzaken een ongelijkmatige zaadafleg. Bij de pneumatische zaaimachine moest de aandrukrol worden opgetild. Met een volle rol was dit wellicht niet nodig geweest. Er was ook geen diepteregeling waardoor de opkomst hier onregelmatig was. De lengte van het proefveld was amper 40 m, problemen met meegesleurd stro nemen toe naarmate de lengte van het perceel toeneemt. De opkomst en opbrengst was duidelijk beter na ploegen. Dat komt door het hogere vochtgehalte in de bovenste bodemlaag, maar ook de betere en meer gelijkmatige zaadafleg (geen meegesleept stro) speelt een rol. Zonder kerende bodembewerking werden bij inzaai minder problemen waargenomen indien er eerst werd gepasseerd met een overtopfrees. Er werd wel niet nagegaan in hoeverre een passage met een overtopfrees een erosiebeperkend effect heeft ten opzichte van ploegen. T. Van de Sande & M. Vanheule Inagro, Rumbeke-Beitem 46 Proeftuinnieuws 5 4 maart 2016