groep 7 8 Inhoud 1 Problemen kunnen oplossen De De leerlingen leren het oplossen van problemen aan de hand van elf stappen. In groep 6 hebben zij de eerste vijf stappen geleerd. Deze is een herhaling van die eerste vijf stappen. Door nog een keer te oefenen, kunnen de leerlingen de stappen beter vasthouden. Meer over de achtergrond en het toepassen van het probleemoplossen en de probleemoploskaart vindt u op bladzijde 36 van de docentenhandleiding. Doel De leerlingen kunnen de eerste vijf stappen toepassen die nodig zijn voor het oplossen van problemen. Materiaal De probleemoploskaart (kopie voorbeeld docentenhandleiding op bladzijde 41, 42 en 43) Vijf strookjes met de eerste vijf stappen voor de probleemoploskaart (kopievoorbeeld docentenhandleiding op bladzijde 44) Lesblad 1a en 1b Schoolbord en krijt Tekenmateriaal: kleurpotloden, viltstiften of waskrijt Introductie Dit zijn de elf stappen waarmee de leerlingen leren problemen op te lossen: 1 Word rustig en denk na 7 Kies de beste oplossing! 2 Wat is het probleem? 8 Maak een plan 3 Welke gevoelens spelen een rol? 9 Voer het plan uit 4 Wat is het doel? 10 Werkt mijn plan? 5 Welke oplossingen zijn er? 11 Andere oplossingen proberen 6 Wat zijn de gevolgen? In deze loopt u samen met de leerlingen de eerste vijf stappen nog eens langs. Bij elke stap krijgen de leerlingen de opdracht om de stap te benoemen. Begin de met de uitleg dat oefenen bij leren hoort. Net als bij fietsen, voetballen en streetdance, moet je met het oplossen van problemen vaak oefenen in de praktijk. Dan pas krijg je het goed onder de knie. Deze is speciaal bedoeld voor dat oefenen. Aan de slag OPDRACHT 1 De eerste vijf stappen van het probleemoplossen Hang de probleemoploskaart voor alle leerlingen zichtbaar op. Zorg dat u de strookjes met de eerste vijf stappen bij de hand heeft. Laat het PAD-kind van de dag blad 1a en eventueel het tekenmateriaal uitdelen. 1 Laat de leerlingen eerst de situatie op plaatje 1 op het blad kort benoemen. Ga er niet te diep op in; dit gebeurt pas bij onderdeel 4. Wat is er aan de hand? Daniëlle en Loes hebben veel plezier met elkaar op het schoolplein. Ruth staat in haar eentje verderop. Ze wordt buitengesloten. 2 Stap 1. Vraag uw leerlingen of ze nog weten wat de eerste stap is voor het oplossen van problemen. Antwoord: word rustig en denk na. Probeer dit antwoord uit te lokken. Schuif het strookje met stap 1 in de probleemoploskaart en laat de leerlingen de stap invullen op blad 1a. 3 Vraag de leerlingen of ze nog weten wat stap 2 is. Antwoord: Wat is het probleem? Schuif het strookje met stap 2 in de kaart en laat de leerlingen de stap invullen op hun blad 1a. 4 Leg hen dan de volgende vraag voor: Stel jij bent Ruth. Wat is dan jouw probleem? Kijk goed naar het plaatje. Lok zoveel mogelijk antwoorden uit. Gaat het moeizaam? Stel dan de vragen die horen bij het vaststellen van een probleem, zoals wie, wat en waarom. Laat de leerlingen hun antwoord opschrijven op blad 1a. Eventueel kunt u de verschillende antwoorden eerst inventariseren op het bord.
1 1 groep 7 9 Daniëlle Loes Stap 1 Stap 2 Wat is volgens jou Ruth s probleem? Stap 3 Ruth Welke gevoelens spelen een rol bij Daniëlle, Loes en Ruth? Teken hun gezichtjes en beschrijf hun gevoelens. blad 1a Daniëlle s gevoelens Ruth s gevoelens Loes gevoelens Stap 4: Wat is het doel? Ruth s doel is
groep 7 10 Tip Zijn er problemen in de klas of komt een leerling bij u voor hulp? Gebruik dan eens de stappen van het probleemoplossen. Vraag wat het probleem is, wat de leerling voelt en wat hij wil. U kunt samen nagaan welke oplossingen er te bedenken zijn. U kunt de leerlingen ook vragen om problemen die zij hebben op te schrijven en in de Vraag en Antwoord-bus te doen. Kijk voor meer informatie op bladzijde 5 van deze map. Noteer eventueel zelf iets wat u tijdens de, in de klas of op het schoolplein heeft gesignaleerd. Bespreek de inhoud van de bus met de klas op een vast tijdstip in de week. Belangrijk In elke PAD- wordt een PADkind van de dag gekozen. Aan het eind van de worden aan het PAD-kind complimenten gegeven. Kijk op bladzijde 23 van de docentenhandleiding voor meer informatie en achtergrond over deze werkwijze. 1 5 Kijk of de leerlingen nog weten wat stap 3 is. Antwoord: Welke gevoelens spelen een rol? Schuif het strookje met stap 3 in de kaart en laat ze de stap invullen op blad 1a. Geef de leerlingen de gelegenheid om de gevoelens uit te beelden. Laat ze op blad 1a de gezichten van Ruth, Daniëlle en Loes tekenen, zodat duidelijk blijkt hoe elk van de drie meisjes zich voelt. 6 Vraag nu de klas wat stap 4 is. Antwoord: Wat is het doel? Schuif het strookje met stap 4 in de probleemoploskaart en laat ze de stap invullen op hun blad. Vraag de leerlingen weer om in de huid van Ruth te kruipen. Wat zou dan Ruth s doel kunnen zijn? Hoe hoopt zij dat het zal aflopen met haar probleem? Lok zoveel mogelijk antwoorden uit. Laat de leerlingen hun idee over het doel opschrijven op blad 1a. Help ze daar eventueel bij. Eventueel kunt u de leerlingen op de achterkant van het blad een tekening laten maken over hoe Ruth hoopt dat het probleem afloopt. Als ze de tekeningen vervolgens aan elkaar laten zien, kunnen ze vertellen wat volgens hen Ruth s doel zou kunnen zijn. 7 Vraag aan de leerlingen of zij nog weten wat stap vijf is. Antwoord: Welke oplossingen zijn er? Schuif het strookje met stap 5 in de probleemoploskaart. Ga na of de leerlingen nog weten waarom het zinvol is meerdere oplossingen te bedenken. Antwoord: het is belangrijk om eerst meerdere oplossingen te bedenken,omdat je er zo achter kunt komen welke oplossing de beste is. Lok daarover eventueel een discussie uit. OPDRACHT 2 Een helpende hand voor Ruth Het is de hoogste tijd om Ruth te helpen haar probleem op te lossen. 1 Het PAD-kind deelt blad 1b uit. De leerlingen schrijven drie verschillende oplossingen op blad 1b. 2 Is iedereen klaar? Laat een paar vrijwilligers naar voren komen om te vertellen wat ze hebben bedacht. Wat was volgens hen het probleem, hoe hebben ze de gevoelens en het doel geformuleerd en aan welke oplossingen hebben ze gedacht? Vat iedere keer het verhaal van de leerling samen en attendeer de klas op de overeenkomsten en verschillen met de anderen. 3 Sluit de opdracht af. Complimenteer de leerlingen voor hun inzet. Als klas hebben ze veel verschillende oplossingen weten te bedenken. En dat is erg handig om straks te kunnen bedenken wat de beste oplossing is. Dat gaan we doen in de volgende.
Stap 5: Welke oplossingen zijn er? Verzin drie oplossingen voor Ruth. Oplossing 1 1 groep 7 11 Oplossing 2 Oplossing 3 blad 1b
groep 7 12 Inhoud 2 Gevolgen De De leerlingen hebben in 1 de vijf stappen van het probleemoplossen herhaald die ze in groep 6 hebben geleerd. In deze leren de leerlingen de zesde stap: wat zijn de gevolgen? De leerlingen denken na over de gevolgen van een gekozen oplossing. De klas maakt in deze gebruik van het voorbeeld uit 1. Doel De leerlingen kunnen bedenken welke gevolgen een gekozen oplossing kan hebben. Materiaal Schoolbord met krijt of eventueel een flip-over Ingevuld blad 1a en 1b Lesblad 2a De probleemoploskaart Strookje 6 voor de probleemoploskaart: Wat zijn de gevolgen? Leesboek Meester Jaap en het spekkiemysterie van Jacques Vriens Introductie Deze gaat over de zesde stap die nodig is om problemen op te lossen: Wat zijn de gevolgen? Begin de door de vijfde stap nog even te repeteren. Vraag waarom het ook al weer zo belangrijk is om voor een probleem meerdere oplossingen te bedenken. Dan introduceert u stap 6. Misschien kunnen de leerlingen zelf bedenken wat die stap kan zijn. Laat vervolgens strookje 6 zien: Wat zijn de gevolgen? Schuif het in de probleemoploskaart. U kunt deze stap op de volgende manier toelichten: In stap 5 hebben we veel verschillende oplossingen bedacht. Hoe kom je nu te weten welke oplossing je moet kiezen? Dat kan door eerst te bedenken wat er zou gebeuren als je die oplossing zou uitvoeren. We denken dan na over de GEVOLGEN. Controleer voor de zekerheid of alle leerlingen dit woord kennen en sta daar zo nodig uitgebreider bij stil. Natuurlijk kun je nooit zeker weten wat er gebeurt als je een van de oplossingen uitprobeert. Maar je kunt er wel vooraf over nadenken en de gevolgen op die manier een beetje inschatten. Dat gaan we doen in deze. Aan de slag OPDRACHT 1 Hoe was het ook al weer? Bij deze opdracht zet de klas met u stap 2 tot en met 5 nog een keer op een rij. Dit gebeurt door op basis van het probleem van Ruth een voorbeeld uit te werken op het bord. 1 Laat de leerlingen de ingevulde bladen 1a en 1b van de vorige voor zich nemen. 2 Werk vervolgens een voorbeeld uit op het bord. NB: het verhaal van Ruth komt ook in de volgende terug. Het is handig om het voorbeeld dat u met de klas uitwerkt te bewaren. Laat, als het even kan, de aantekeningen op het bord staan of schrijf deze over. Of overweeg om bij deze opdracht gebruik te maken van de flip-over, waarvan u de bladen immers makkelijk kunt bewaren. 3 Schrijf de volgende kopjes op het bord: probleem gevoelens doel oplossingen gevolgen 4 Vraag de leerlingen wat ze op blad 1a en 1b van de vorige hebben genoteerd. Wat was ook alweer het probleem? Welke gevoelens hebben Ruth, Daniëlle en Loes volgens hen? Welk doel hebben de leerlingen bepaald? En welke oplossingen hebben ze verzonnen? Laat een paar leerlingen vertellen wat zij hebben opgeschreven. Kies nu één voorbeeld om met de klas samen uit te werken. Schrijf probleem, gevoelens, doel en oplossingen op het bord of op de flip-over.
Schrijf hieronder twee oplossingen op die je hebt bedacht voor Ruth (kijk op blad 1b). Schrijf in elk geval drie mogelijke gevolgen van elke oplossing op. Daarna ga je de gevolgen beoordelen. Dat doe je door sterretjes te zetten in het lege vakje: *** dit is het gevolg waarvan je denkt dat dit bijna zeker gebeurt ** dit is het gevolg dat misschien ook kan gebeuren * dit is het gevolg dat waarschijnlijk niet zal gebeuren 2 groep 7 13 Oplossing 1 gevolg van deze oplossing kan zijn: gevolg van deze oplossing kan zijn: gevolg van deze oplossing kan zijn: Oplossing 2 gevolg van deze oplossing kan zijn: blad 2a gevolg van deze oplossing kan zijn: gevolg van deze oplossing kan zijn:
groep 7 14 Tip 2 OPDRACHT 2 Een blik in de toekomst Bij deze opdracht bedenkt de klas wat de gevolgen zijn van de oplossingen die voor Ruth zijn bedacht tijdens de vorige. 1 Nodig de klas nadrukkelijk uit om bij het voorbeeld dat op het bord staat zoveel mogelijk gevolgen te bedenken van elke oplossing die genoemd is. Om de leerlingen op gedachten te brengen kunt u gebruikmaken van de volgende vragen: - Als Ruth deze oplossing kiest, welke gevolgen zou dat kunnen hebben? - Als Ruth deze oplossing kiest, hoe zou Loes zich dan voelen? En Daniëlle? Zijn er problemen in de klas of komt een leerling bij u voor hulp? Gebruik dan eens de stappen van het probleemoplossen. Vraag wat het probleem is, wat de leerling voelt en wat hij voor doel heeft. U kunt samen nagaan welke oplossingen er te bedenken zijn. U kunt de leerlingen tijdens en aan het einde van de een keer het emotiegezichtje (dat hun eigen gevoel weergeeft) in hun emotieblok laten zetten. Probeer de leerlingen niet alleen te laten nadenken over de gevolgen op de korte termijn, maar ook op de lange termijn. Dat kan met vragen als: - Wat zou er later kunnen gebeuren? - Hoe zouden Ruth, Daniëlle en Loes zich later voelen? - Wat zou Ruth later kunnen doen? 2 Deel blad 2a uit. Geef de leerlingen de opdracht om nu zelf van twee van de oplossingen die ze de vorige hebben bedacht ten minste drie mogelijke gevolgen te beschrijven. OPDRACHT 3 Kansen inschatten Bij deze opdracht gaan de leerlingen bij hun oplossingen inschatten welke gevolgen volgens hen het meest waarschijnlijk zijn. Ook nu kunt u samen met de klas eerst een voorbeeld op het bord uitwerken. Zeg dat deze opdracht belangrijk is voor de volgende. Dan gaan de leerlingen namelijk kiezen welke oplossing de beste is. 1 Laat de leerlingen nadenken over de mogelijke gevolgen van twee oplossingen die zij op blad 1b hebben opgeschreven. 2 Vervolgens gaan zij de gevolgen beoordelen. Ze doen dit met sterretjes: *** dit is het gevolg waarvan ze denken dat dit bijna zeker gebeurt ** dit is het gevolg dat misschien ook kan gebeuren * dit is het gevolg dat waarschijnlijk niet zal gebeuren OPDRACHT 4 Wie heeft die spekkies gestolen? Deze opdracht kunt u doen als u over het boek Meester Jaap en het spekkiesmysterie beschikt. De opdracht gaat over probleemoplossen. De leerlingen bespreken dit aan de hand van een verhaal. 1 Kies een verhaal waarin een probleem voorkomt, bijvoorbeeld het volgende fragment uit Meester Jaap en het spekkiemysterie van Jacques Vriens (blz. 34-35): Sinds een paar dagen verdwijnen er spekkies uit de klas van meester Jaap. ( ) Als we elkaar niet meer kunnen vertrouwen, dan ga ik net zo lief naar huis.
2 Behandel met de leerlingen stap 1 tot en met stap 4 van het probleemoplossen. Stap 1: Word rustig en denk na. Stap 2: Wat is het probleem? Antwoord: Uit de la van meester Jaap verdwijnen steeds spekkies. Wie zou daar achter kunnen zitten? Stap 3: Welke gevoelens spelen een rol? Rolf en Jeroen: nieuwsgierig Benjamin: boos, geïrriteerd Johan en Freek uit groep 8: verbaasd Lieke en Eva: woedend Meester Jaap: teleurgesteld, boos Stap 4: Wat is het doel voor meester Jaap? Antwoord: Erachter komen hoe de spekkies kunnen verdwijnen, maar op zo n manier dat niemand heel boos wordt omdat de meester hem of haar verdenkt van diefstal. 2 groep 7 15 OPDRACHT 5 Hoe loopt het verhaal af? Deze opdracht kunt u doen als u over het boek Meester Jaap en het spekkiesmysterie beschikt. 1 Laat de leerlingen eerst op een kladpapiertje zoveel mogelijk oplossingen voor het spekkiesprobleem opschrijven (Stap 5 van het probleemoplossen). 2 Laat ze vervolgens één oplossing uitkiezen. Met deze oplossing schrijven ze zelf een eind aan het verhaal over het spekkiemysterie. 3 Wat gebeurt er in het verhaal als ze deze oplossing kiezen, met andere woorden: wat zijn de gevolgen? (Stap 6 van het probleemoplossen). Hoe loopt hun verhaal nu af? 4 Laat een paar leerlingen hun verhaal aan de anderen voorlezen. De leerlingen zullen dan merken dat anderen stap 5 en 6 steeds op een andere manier zetten. Wijs er eventueel op dat verschillende oplossingen verschillende gevolgen kunnen hebben.
groep 7 16 Inhoud 3 De beste oplossing kiezen Beoordelen (1) De De leerlingen hebben in de vorige twee sen verschillende oplossingen bedacht en stilgestaan bij de gevolgen van deze oplossingen. In deze leren ze verschillende alternatieven af te wegen. De leerlingen oefenen nog eens in het nadenken over gevolgen, ze beoordelen deze en zetten dan de zevende stap: het kiezen van de beste oplossing. Doel De leerlingen kunnen uit verschillende alternatieven de beste oplossing kiezen. Materiaal Schoolbord met krijt of eventueel een flip-over Ingevuld blad 2a Lesblad 3a en 3b De probleemoploskaart Strookjes met de zesde en zevende stap van het probleemoplossen Introductie In deze leren de leerlingen uit verschillende alternatieven de beste oplossing te kiezen. Introduceer dit thema door de zesde stap van probleemoplossen te herhalen. Vraag wie er nog weet welke stap dat is. Lok antwoorden uit. Schuif stap 6 in de kaart: Wat zijn de gevolgen? Schuif nu stap 7 in de kaart: Kies de beste oplossing. Gebruik de volgende uitleg: Het is verstandig om vooraf na te denken over de gevolgen van een oplossing. Je gaat daarvoor eerst de verschillende oplossingen BEOORDELEN. Dat betekent dat je van elke oplossing zegt of die goed of minder goed is. De verstandigste oplossing is de oplossing met de beste gevolgen. Aan de slag OPDRACHT 1 Hoe kies je de beste oplossing? In deze opdracht beoordeelt de klas verschillende oplossingen die in 2 bedacht zijn. 1 Laat de leerlingen blad 2a van de vorige voor zich nemen, of deel deze uit. 2 Vraag de leerlingen welke oplossingen zij hadden opgeschreven en welke gevolgen ze daarbij hadden bedacht. Bij welke gevolgen hadden zij drie sterretjes gezet? Ofwel: Welke gevolgen vonden zij het meest waarschijnlijk? 3 Vertel dat we de verschillende oplossingen gaan beoordelen. Neem als voorbeeld een oplossing die op het bord staat. Benoem nog eens het probleem, de gevoelens, het doel, de oplossingen en het meest waarschijnlijke gevolg (met drie sterretjes). 4 Bij alle oplossingen kun je deze zin invullen: als Ruth zou doen, dan zou waarschijnlijk gebeuren. Vraag of de leerlingen denken of Ruth zich ongelukkig of onprettig voelt als dat gebeurt? Of wordt ze er juist blij van? Bereikt Ruth met deze oplossing haar doel? Lok antwoorden uit. 5 Vertel de leerlingen dat ze met hun antwoorden een BEOORDELING hebben gegeven van de gevolgen van de oplossing. Zo n beoordeling helpt je bij het kiezen voor de beste oplossing. Is deze oplossing bijvoorbeeld een goede keuze? Lok antwoorden uit. 6 Beoordeel samen nog minstens twee oplossingen op het bord (kies er bijvoorbeeld twee die leerlingen op hun blad 2a hebben geschreven) en geef een waardering bij elke oplossing: een plusje voor een goede keuze, een rondje voor een middelmatige keuze of een minnetje voor een slechte keuze.
Kijk naar de gevolgen die je op blad 2a hebt opgeschreven. Beoordeel nu de gevolgen die je drie sterretjes hebt gegeven. Bereikt Ruth met de oplossing haar doel? Is deze oplossing dus goed, middelmatig of slecht? Geef aan wat je van elke oplossing vindt: zet een plusje voor een goede keuze, een rondje voor een middelmatige keuze of een minnetje voor een slechte keuze. Zet een uitroepteken bij de beste keuze. + voor goed voor middelmatig o voor slecht! voor de beste keuze 3 groep 7 17 Oplossing 1 Bereikt Ruth met de oplossing haar doel? Is deze oplossing dus goed, middelmatig of slecht? Zet een plusje, een rondje of een minnetje: Oplossing 2 blad 3a Bereikt Ruth met de oplossing haar doel? Is deze oplossing dus goed, middelmatig of slecht? Zet een plusje, een rondje of een minnetje:
groep 7 18 Tip Probeer de stappen van het probleemoplossen die de leerlingen tot nu toe geleerd hebben toe te passen bij andere schoolactiviteiten, bijvoorbeeld bij rekenen, taal en actuele gebeurtenissen. Geef zelf het voorbeeld door de stappen toe te passen bij een probleem dat u signaleert in de klas. U kunt als verkorte vorm de stoplichtmethode inzetten. Kijk voor meer informatie over deze methode op bladzijde 36 van de docentenhandleiding. U kunt de leerlingen ook vragen om problemen die zij hebben op te schrijven en in de Vraag en Antwoord-bus te doen. Noteer eventueel zelf iets wat u tijdens de, in de klas of op het schoolplein heeft gesignaleerd. Bespreek de inhoud van de bus met de klas op een vast tijdstip in de week. 3 OPDRACHT 2 Zelf kiezen voor de beste oplossing Nu de klas de verschillende oplossingen heeft beoordeeld, is het tijd voor stap 7: kiezen voor de beste oplossing voor Ruth s probleem. 1 Praat met de klas over de vraag: Wat is de beste oplossing voor Ruth s probleem? Lok antwoorden uit, schrijf deze op het bord en laat de leerlingen praten over hun verschillen van mening. Vertel dat niet iedereen in dezelfde situatie dezelfde oplossing hoeft te kiezen. Er kunnen immers verschillende goede manieren zijn om een probleem op te lossen. 2 Zet een uitroepteken bij de oplossing die de meeste leerlingen als goed beoordelen. Dat is volgens de klas de beste oplossing voor Ruth s probleem. 3 Deel blad 3a uit. Laat de leerlingen de gevolgen die zij drie sterretjes hadden gegeven beoordelen zoals dat net in de klas is gebeurd. Welke van hun eigen oplossingen vinden zij goed, middelmatig, of slecht? Laat ze elke oplossing waarderen: een plusje voor een goede keuze, een rondje voor een middelmatige keuze of een minnetje voor een slechte keuze. 4 Laat ze een uitroepteken plaatsen bij de oplossing die ze het beste vinden. Vraag een paar leerlingen hun keuze toe te lichten aan de klas. OPDRACHT 3 Maak een slogan 1 Leg uit wat een slogan is. 2 Het PAD-kind deelt blad 3b uit. 3 De leerlingen bedenken eerst zoveel mogelijk slogans die zelf kiezen voor de beste oplossingen betekenen, maar dan in hun eigen populaire taal. 4 Ze tekenen en schrijven de leukste slogan op blad 3b.
Maak een slogan 3 groep 7 19 Mijn slogan............ blad 3b