Hoogspringen De leerling mag zelf de techniek kiezen waarmee hij/zij over het lint gaat. De leerling mag zelf kiezen vanaf welke kant hij/zij aanloopt. De aanloop start bij de pion. Wanneer het lint wordt geraakt, is de sprong ongeldig. Per hoogte krijgt iedere leerling 2 pogingen. De starthoogte is: o Klas 1: 90 cm o Klas 2: 100cm o Klas 3: 110cm Wanneer de aanvangshoogte niet wordt gehaald, is de score 10 cm lager, dus 80, 90 respectievelijk 100 cm. Het lint gaat steeds met 10 cm omhoog. Dit onderdeel kost relatief veel tijd. Op tempo werken is daarom belangrijk. Na een half uur, moet de klas stoppen. De juiste aanvangshoogte instellen. Leerlingen hun uitslag zelf laten doorgeven aan mentor/leerling, deze noteert dit op het scoreformulier. Zorgen dat het tempo hoog blijft!
Balwerpen De leerling mag zelf de techniek kiezen waarmee hij/zij de bal werpt. De plek waar de bal de grond raakt, geldt als de geworpen afstand. De afstand wordt afgerond op hele meters. Bij het werpen mag de leerling niet over de werplijn stappen. Gebeurt dit wel, dan is de worp ongeldig. Iedere leerling werpt minimaal 2x. Wanneer de tijd het toelaat, kunnen leerlingen vrijwillig vaker werpen. De beste worp telt. De afstand bepalen die de leerling die geworpen heeft. Deze afstand aan de mentor/leerling doorgeven, deze noteert dit op het scoreformulier. Zorgen dat het tempo hoog blijft door de ballen vlot te laten halen. Een systeem waarbij andere leerlingen ballen terugrollen of terugbrengen kan. Veiligheid waarborgen.
VERSPRINGEN De leerling mag zelf de lengte van de aanloop bepalen De afdruk in het zand die het dichtst bij de afzetbalk ligt, is het punt waar vandaan gemeten moet worden. Valt een leerling terug, dan geldt dus de plek waar bijvoorbeeld zijn hand terechtkomt. Bij het springen mag de leerling niet met de afzetvoet over de afzetbalk. Gebeurt dit wel, dan is de sprong ongeldig. Iedere leerling springt minimaal 2x. Wanneer de tijd het toelaat, kunnen leerlingen vrijwillig vaker. De beste sprong telt. De afstanden bepalen en deze aan de mentor/leerling doorgeven. Deze zal dit op het scoreformulier noteren. De leerlingen vlot achter elkaar laten springen. Regelmatig (liefst na iedere sprong) de bak (laten) aanharken. Dit voorkomt kuilen en verkleint de kans op blessures.
KOGELSTOTEN Bij het stoten van de kogel moet de elleboog achter de bal blijven. (Dit is het grote verschil met werpen) De leerling mag niet over de rand/lijn stappen. Gebeurt dit wel, dan is de stoot ongeldig. Leerlingen stoten minimaal 2 keer. Wanneer de tijd het toelaat, kunnen leerlingen vrijwillig vaker. De afstand wordt gemeten op de plek waar de kogel de grond raakt, afgerond op een 0,5 meter nauwkeurig. De beste stoot telt. Zorgen dat de leerlingen zelf hun kogel ophalen na het stoten. Deze afstand aan de mentor/leerling doorgeven, deze noteert dit op het scoreformulier. Zorgen dat het tempo hoog blijft door de ballen vlot te laten halen. Een systeem waarbij andere leerlingen ballen terugrollen of terugbrengen kan ook. Veiligheid waarborgen (leerlingen mogen zich niet in de werpzone bevinden).
100 METER SPRINT Leerlingen mogen de start techniek gebruiken die zij zelf willen. Er starten 4 leerlingen tegelijk. Ieder moet daarbij in zijn/haar eigen baan blijven. De alfabetische volgorde van de klassenlijst bepaalt wie tegen elkaar lopen. De leerlingen krijgen allemaal minimaal 1 kans. Wanneer de tijd het toelaat, kunnen leerlingen vrijwillig herkansen. De beste tijd telt. De 2 snelste meisjes en jongens lopen ook mee in de 4x 100m estafette. 1 begeleider bij de start. Hij/zij geeft de commando s klaar (arm omhoog). start (arm omlaag) 1 begeleider bij de finish. Hij/zij helpt met timen, of geeft instructies aan de leerlingen over het timen. Op het moment dat de starter de arm omlaag doet, worden de stopwatches bij de finish gestart. Twee per timer, in elke hand één. De eerste timer klokt baan 1 en 2 door zich zo op te stellen dat de lopers uit die banen links en rechts passeren. De tweede timer doet baan 3 en 4. De leerling loopt terug naar de finish en vraagt zijn/haar tijd. De leerling geeft de eindtijd door aan de mentor/leerling die deze op het scoreformulier noteert.
60 METER HORDEN Leerlingen mogen de start techniek gebruiken die zij zelf willen. Er starten 4 leerlingen tegelijk. Ieder moet daarbij in zijn/haar eigen baan blijven. De alfabetische volgorde van de klassenlijst bepaalt wie tegen elkaar lopen. De leerlingen krijgen allemaal minimaal 1 kans. Wanneer de tijd het toelaat, kunnen leerlingen vrijwillig herkansen. De beste tijd telt. Bij 3 of meer omgestoten horden, is de tijd ongeldig. De leerling moet dan opnieuw lopen. s 1 begeleider bij de start. Hij/zij geeft de commando s klaar (arm omhoog). start (arm omlaag) 1 begeleider bij de finish. Hij/zij helpt met timen, of geeft instructies aan de leerlingen over het timen. Op het moment dat de starter de arm omlaag doet, worden de stopwatches bij de finish gestart. Twee per timer, in elke hand één. De eerste timer klokt baan 1 en 2 door zich zo op te stellen dat de lopers uit die banen links en rechts passeren. De tweede timer doet baan 3 en 4. De leerling loopt terug naar de finish en vraagt zijn/haar tijd. De leerling geeft de eindtijd door aan de mentor/leerling die deze op het scoreformulier noteert.
400 METER Leerlingen mogen de starttechniek gebruiken die zij zelf willen. Er starten meerder leerlingen tegelijk. Ieder mag daarbij in de 1e baan blijven. De alfabetische volgorde van de klassenlijst bepaalt wie tegen elkaar lopen. De leerlingen krijgen allemaal minimaal 1 kans. Wanneer de tijd het toelaat, kunnen leerlingen vrijwillig herkansen. De beste tijd telt. Bepalen hoeveel leerlingen tegelijk starten. Tien tegelijk is mogelijk, maar minder mag ook. Zorgen dat iedere loper een maatje bij de finish heeft die de eindtijd onthoudt. Het geven van de commando s klaar (arm omhoog). start (arm omlaag en indrukken stopwatch ) Bij binnenkomst van de lopers noem je de tijden hardop. Bij veel lopers vlak na elkaar tel je hardop door. Het maatje van de loper geeft de tijd in minuten en hele secondes door aan de mentor/leerling die deze op het scoreformulier noteert.
4x 100m Klassenestafette Deze estafette wordt gelopen door de 2 snelste meisjes en jongens per klas. Er lopen dus 4 leerlingen per klas. Er wordt gestreden tegen elkaar per leerjaar. We zullen starten met de eerste klas, vervolgens tweede en daarna de derde klas. De 4 lopers stellen zich in willekeurige volgorde op in de start en wisselzones die aangegeven staan op de afbeelding. De eerste loper houdt het stokje vast en mag vertrekken na het startsignaal. De loper geeft het stokje uitsluitend door aan de volgende loper in de wisselzone (gemarkeerd met hoedjes). De loper die het stokje ontvangt mag al in beweging zijn tijdens de wissel. Echter mag hij zich niet buiten de wisselzone begeven. Alle lopers moeten in hun eigen baan blijven. Het snelste team wint. s Zorg ervoor dat de leerlingen op de juiste plekken klaar staan. Geef een startsignaal. Controleer of er juist gewisseld wordt. Moedig de klassen aan!!!!