BURGERLIJK PROCESRECHT
BURGERLIJK PROCESRECHT Basis met schema s PAUL DAUW Tweede editie Antwerpen Cambridge
Burgerlijk procesrecht. Basis met schema s. Tweede editie Paul Dauw 2014 Antwerpen Cambridge www.intersentia-educatief.be ISBN 978-94-000-0516-7 D/2014/7849/146 NUR 822 / 163 Alle rechten voorbehouden. Behoudens uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de uitgever.
Woord vooraf De opzet van het voorliggende boek is de lezer op een heldere wijze doorheen de regels van het burgerlijk procesrecht te loodsen. De vele schema s zijn doorzichtige patronen, waardoor stelsels en procedures worden opengelegd en gevisualiseerd. Dit boek is eerst en vooral een werkinstrument voor de studenten rechtspraktijk. Het is in hoofdzaak voor hen geschreven. Het wil comfort bieden bij het verwerven van inzicht en bij het instuderen van de stof. Van deze studenten wordt verwacht dat zij na het behalen van hun professionele bachelor onmiddellijk inzetbaar zijn in hun eerste werkomgeving. Wetenschappelijke en rechtstheoretische beschouwingen zijn in dit boek niet terug te vinden. Het accent ligt op een technische, praktische en overzichtelijke analyse van de basisregels. Het boek is ook nuttig voor de jonge en meer ervaren praktijkjurist. Op een toegankelijke wijze wordt het globaal overzicht opnieuw voor de ogen gebracht. Het boek, en vooral zijn schema s, laten de meer ervaren jurist die de procesrechtelijke weg even moet zoeken, toe zijn vraag te positioneren. De weg naar de oplossing wordt hem aangereikt. De bestaande handboeken bieden meer nuances en ruime verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer die, precies om trouw te blijven aan zijn doelstelling, niet worden aangetroffen in dit boek. Het boek heeft niet dezelfde ambities. Het wil complementair zijn aan deze werken, die andere doelstellingen en benaderingswijzen hebben. De hervorming van het gerechtelijk landschap en de talrijke andere wetten die sinds april 2009 en in het bijzonder in 2014 in werking traden, vereisten een grondige herwerking van dit handboek en werden in deze tweede editie verwerkt. De stof werd bijgehouden tot 30 juni 2014. Brugge, 1 september 2014 Paul Dauw v
Woord vooraf............................................................. v DEEL I DE WEG NAAR HET BURGERLIJK PROCESRECHT Hoofdstuk 1. De weg naar het gerechtelijk recht......................................... 3 1. Sein en sollen.................................................. 3 2. Rechtsregel....................................................... 4 3. Rechtsstaat....................................................... 4 A. Begrip......................................................... 5 B. Principes van de rechtsstatelijke wet en van de rechtsstaat.......... 5 1. Algemene gelding van de wet.................................. 5 2. Drie machten een onafhankelijke rechterlijke macht............ 5 C. Classificatie van de wetten in de rechtsstaat....................... 6 Hoofdstuk 2. Gerechtelijk recht......................................................... 7 1. Gerechtelijk recht formeel recht handhavingsrecht................. 8 A. Materieel recht................................................. 8 B. Gerechtelijk recht............................................... 8 2. Doel van het gerechtelijk recht....................................... 9 A. Uitsluiten van eigenrichting...................................... 9 B. Restanten van eigenrichting...................................... 9 1. Exceptie van niet-nakoming.................................. 10 2. Retentierecht............................................... 10 3. Indeling van het gerechtelijk recht................................... 10 Hoofdstuk 3. Burgerlijk procesrecht................................................... 11 1. Begrip........................................................... 11 2. Takken van het burgerlijk procesrecht............................... 12 vii
3. Onderdelen....................................................... 12 4. Gerechtelijk privaatrecht = burgerlijk procesrecht.................... 12 DEEL II HET HUIS VAN HET BURGERLIJK PROCESRECHT Hoofdstuk 1. Bronnen van het burgerlijk procesrecht.................................... 17 1. Grondwet........................................................ 18 2. Gerechtelijk Wetboek.............................................. 19 3. Andere wetboeken, bijzondere wetten en decreten.................... 20 4. Rechtspraak...................................................... 20 5. Rechtsleer....................................................... 21 6. Internationale verdragen........................................... 21 7. Algemene rechtsbeginselen........................................ 22 A. Begrip........................................................ 22 B. Erkend als algemeen rechtsbeginsel............................. 23 C. Niet erkend als algemeen rechtsbeginsel......................... 23 8. Gebruiken........................................................ 23 Hoofdstuk 2. Karakter van het burgerlijk procesrecht................................... 25 1. Nationaal recht................................................... 26 2. Publiekrecht en privaatrecht....................................... 26 3. Dynamisch karakter............................................... 26 4. Dienende functie.................................................. 26 5. Formalistisch karakter............................................ 27 6. Autonoom........................................................ 28 7. Gebiedende aard en gradaties...................................... 28 A. Bepalingen van aanvullend recht................................. 29 B. Bepalingen van dwingend recht niet van openbare orde........... 29 C. Bepalingen van dwingend recht van openbare orde............... 29 8 Accusatoir karakter partijautonomie en beschikkingsbeginsel........ 30 A. Begrip........................................................ 30 B. De partijen.................................................... 32 C. De taak van de rechter.......................................... 32 1. De rechter behoort het geding te leiden en te zorgen voor een goed procesverloop......................................... 32 2. De rechter kan ambtshalve onderzoeksmaatregelen bevelen.... 32 viii
3. Wat mag en moet de rechter verder doen?..................... 33 3.1. De rechter mag ambtshalve tussenkomen in het debat..... 33 3.2 De rechter moet de van toepassing zijnde rechtsregels toepassen: Da mihi factum, dabo tibi jus................. 34 9. Ethisch en sociaal................................................. 34 Hoofdstuk 3. Toepassingsgebied....................................................... 35 1. Ratione personae................................................. 35 2. Ratione materiae.................................................. 35 A. Geschillen over subjectieve rechten.............................. 36 1. Subjectief contentieux....................................... 36 2. Objectief contentieux........................................ 36 B. De poort: artikel 2 Ger.W......................................... 37 3. Ratione temporis.................................................. 38 A. Inwerkingtreding............................................... 38 B. Artikel 3 Ger.W................................................. 38 C. Artikel 7 Ger.W................................................. 39 4. Ratione loci....................................................... 40 Hoofdstuk 4. Basics.................................................................. 41 1. Recht op toegang tot de rechter..................................... 41 A. Artikel 6 EVRM verbod eigenrichting rechtsweigering wettelijke bepalingen beperkingen toegang.................... 42 B. Zorg voor effectieve toegang door de overheid..................... 42 1. Juridische bijstand (art. 508/1-508/23 Ger.W.).................. 43 1.1. Eigenlijke juridische (eerste- en tweedelijns)bijstand....... 43 1.2. Ambtshalve toevoeging van een advocaat (art. 508/21-23 Ger.W.)................................................ 44 1.3. Grensoverschrijdende geschillen........................ 44 2. Rechtsbijstand (art. 664-669ter Ger.W.)........................ 45 2. Onpartijdige rechter............................................... 46 A. Subjectieve onpartijdigheid...................................... 46 B. Objectieve onpartijdigheid....................................... 46 3. Onafhankelijke rechter............................................. 47 4. Eerlijk en openbaar proces......................................... 47 A. Bron en principes.............................................. 47 B. Verdere afleidingen............................................. 48 1. Tegenspraak en procesgelijkheid............................. 48 2. Partijautonomie en beschikkingsbeginsel...................... 48 ix
DEEL III ORGANISATIE EN WERKING VAN HET GERECHT Hoofdstuk 1. Organen van de rechterlijke macht en de magistraten....................... 53 1. Hoven en rechtbanken............................................. 54 2. Openbaar Ministerie............................................... 55 A. Algemeen..................................................... 56 B. Kenmerken.................................................... 57 C. Het Openbaar Ministerie in privaatrechtelijke zaken................ 58 1. Rechtsvordering............................................ 58 2. Vordering.................................................. 59 3. Advies..................................................... 59 3. Structuur van hoven en rechtbanken................................ 60 A. Krachtlijnen van de structuur van de hoven en rechtbanken......... 60 1. Piramidale hiërarchische structuur........................... 60 2. De geografische structuur................................... 61 2.1. Het grondgebied van het Rijk............................ 62 2.2. De vijf rechtsgebieden of ressorten....................... 62 2.3. De twaalf gerechtelijke arrondissementen................ 62 2.4. De 187 kantons......................................... 62 3. Geografische organisatie van de rechtscolleges................ 63 3.1. Het Hof van Cassatie.................................... 63 3.2. De hoven van beroep en de arbeidshoven................. 63 3.3. De hoven van assisen................................... 64 3.4. De rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbanken................................................ 64 3.5. De rechtbanken van koophandel en de arbeidsrechtbanken................................................ 64 3.6. De arrondissementsrechtbanken........................ 64 3.7. De vredegerechten..................................... 65 3.8. De afdelingen.......................................... 65 4. De leiding van de rechtscolleges en van de parketten............ 66 5. De specifieke situaties Eupen, Brussel en Bergen............... 66 5.1. Eupen................................................. 67 5.2. Brussel............................................... 67 5.3. Bergen................................................ 68 6. Mobiliteit................................................... 68 6.1. Interne mobiliteit....................................... 69 6.2. Externe mobiliteit...................................... 69 7. Andere rechtscolleges....................................... 70 x
B. De rechtscolleges van de rechterlijke macht...................... 71 1. Vredegerecht............................................... 72 1.1. Territoriale organisatie.................................. 72 1.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 72 1.3. Afdelingen secties kamers........................... 72 2. Politierechtbank............................................ 72 2.1. Territoriale organisatie.................................. 72 2.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 73 2.3. Afdelingen secties kamers........................... 73 3. Rechtbank van eerste aanleg................................. 73 3.1. Territoriale organisatie.................................. 73 3.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 73 3.3. Afdelingen secties kamers........................... 74 4. Arbeidsrechtbank........................................... 75 4.1. Territoriale organisatie.................................. 75 4.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 75 4.3. Afdelingen secties kamers........................... 76 5. Rechtbank van koophandel................................... 76 5.1. Territoriale organisatie.................................. 76 5.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 76 5.3. Afdelingen secties kamers........................... 77 6. Arrondissementsrechtbank.................................. 77 6.1. Territoriale organisatie.................................. 77 6.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 78 6.3. Afdelingen secties kamers........................... 78 7. Hof van beroep.............................................. 78 7.1. Territoriale organisatie.................................. 78 7.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 78 7.3. Afdelingen secties kamers........................... 79 8. Arbeidshof................................................. 80 8.1. Territoriale organisatie.................................. 80 8.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 80 8.3. Afdelingen secties kamers........................... 80 9. Hof van assisen............................................. 81 9.1. Territoriale organisatie.................................. 81 9.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 81 9.3. Afdelingen secties kamers........................... 81 10. Hof van Cassatie............................................ 82 10.1. Territoriale organisatie.................................. 82 10.2. Samenstelling van de zetel en van het Openbaar Ministerie.. 82 10.3. Afdelingen secties kamers........................... 82 xi
4. Het verzelfstandigd beheer van de rechterlijke organisatie............. 83 5. Benoeming, bevordering en aanwijzing van magistraten............... 85 A. Onderscheid: benoemingen en aanwijzingen in mandaten........... 85 B. Toegang tot de magistratuur..................................... 85 1. De eerste weg: vergelijkend examen en gerechtelijke stage...... 86 2. De tweede weg: examen beroepsbekwaamheid en ruimere beroepservaring............................................ 86 3. De derde weg: twintig jaar ervaring en mondeling evaluatieexamen.................................................... 86 C. Benoemingen.................................................. 87 D. Aanwijzingen.................................................. 87 1. Korpschefs................................................. 87 2. Adjunct-mandaten.......................................... 87 3. Bijzondere mandaten........................................ 87 6. Evaluatie......................................................... 88 7. Tucht (art. 398-423 Ger.W.)......................................... 88 Hoofdstuk 2. Hoge Raad voor de Justitie................................................ 91 Hoofdstuk 3. Adviesraad van de magistratuur.......................................... 93 Hoofdstuk 4. Het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO)............................. 95 Hoofdstuk 5. Leden van de griffie Leden van het parketsecretariaat De steundiensten... 97 1. De leden van de griffie............................................. 97 2. Leden van het parketsecretariaat................................... 99 3. De steundiensten................................................ 100 Hoofdstuk 6. Referendarissen en parketjuristen....................................... 101 xii
Hoofdstuk 7. Balie................................................................... 103 1. Advocaat........................................................ 103 2. Taken van de advocaat............................................ 105 3. Rechten van de advocaat.......................................... 106 A. Pleitrecht.................................................... 106 B. Procesvertegenwoordiging..................................... 106 4. Plichten van de advocaat.......................................... 107 5. Organisatie van het beroep........................................ 107 A. Orde van Advocaten (art. 447-477 Ger.W.)........................ 108 B. Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie (art. 478-487 Ger.W.)... 108 C. Orde van Vlaamse Balies en Ordre des barreaux francophones et germanophone (art. 488-502 Ger.W.)............................ 109 D. Federale Raad van de balies (art. 503-505 Ger.W.)................. 110 Hoofdstuk 8. Gerechtsdeurwaarders................................................. 111 A. Benoeming................................................... 111 B. Openbaar ambt............................................... 112 C. Hulporgaan van de rechterlijke en uitvoerende macht............. 112 D. Bevoegdheden................................................ 112 1. Exclusief bevoegd met ministerieplicht....................... 112 2. Residuaire bevoegdheden, zonder ministerieplicht............. 113 3. Algemene informatieplicht.................................. 114 E. Organisatie................................................... 114 Hoofdstuk 9. Juridische eerste- en tweedelijnsbijstand................................. 117 DEEL IV RECHTSVORDERING EN EIS OF VORDERING (IN RECHTE) Hoofdstuk 1. Geschillenbeslechting in drie niveaus..................................... 121 1. Materieel recht.................................................. 122 2. Rechtsvordering of ius agendi..................................... 124 3. Eis of vordering (in rechte)......................................... 125 A. Algemeen en eis of vordering (in rechte)......................... 126 B. Processuele sanctie en verweer................................ 126 xiii
Hoofdstuk 2. Rechtsvordering........................................................ 129 1. Begrip afstand misbruik....................................... 130 A. Begrip....................................................... 130 B. Afstand...................................................... 130 C. Misbruik..................................................... 131 2. Algemene toelaatbaarheidsvoorwaarden........................... 131 A. Bestaan, rechtspersoonlijkheid en handelingsbekwaamheid....... 132 B. Artikelen 17 en 18 Ger.W.: belang en hoedanigheid................ 133 1. Hoedanigheid (art. 17 Ger.W.)................................ 133 2. Belang (art. 17 en 18 Ger.W.)................................. 134 3. Middelen van ontoelaatbaarheid................................... 135 A. Kenmerken................................................... 135 B. Indeling...................................................... 136 1. Middelen ratione personae................................... 136 2. Middelen ratione temporis................................... 137 2.1. Verjaringstermijnen................................... 137 2.2. Vervaltermijnen....................................... 138 2.3. Proceduretermijnen................................... 139 3. Middelen ratione materiae................................... 139 Hoofdstuk 3. Eis in rechte............................................................ 141 1. Partijen handelingen betekening en kennisgeving................. 142 A. Partijen...................................................... 142 1. Persoon van de partij....................................... 143 2. Vordering van de partij...................................... 144 B. Handelingen: proceshandelingen en rechtsprekende handelingen.. 144 1. Proceshandelingen......................................... 145 2. Rechtsprekende handelingen................................ 145 3. Onderscheid............................................... 146 C. Betekening en kennisgeving.................................... 147 1. Betekening................................................ 148 1.1. Begrip............................................... 148 1.2. Verplichte vermeldingen en vormen van de akte.......... 148 1.3. Tijdstip van de betekening.............................. 148 1.4. Wijze van betekening.................................. 149 2. Kennisgeving.............................................. 153 2.1. Begrip............................................... 153 2.2. Wijze................................................. 153 xiv
2. Eis (= vordering) en verweer....................................... 154 A. Eis (= vordering)............................................... 154 1. Drie componenten en taak van de rechter..................... 154 1.1. Drie componenten..................................... 154 1.2. Taak van de rechter en van de partijen grenzen van het geschil............................................... 155 2. Soorten en verband........................................ 155 2.1. Soorten vorderingen................................... 155 2.2. Verband tussen de vorderingen......................... 160 3. Afstand van geding......................................... 162 B. Verweer...................................................... 163 1. Eigenlijk verweer.......................................... 164 1.1. Verweer ten gronde................................... 164 1.2. Exceptief verweer..................................... 164 2. Tegenvordering............................................ 164 3. Sanctieregeling.................................................. 164 A. Effect........................................................ 166 1. Opschortende of dilatoire excepties.......................... 166 2. Afdoende of peremptoire excepties........................... 168 B. Aard......................................................... 168 1. Proceshandelingen en het stelsel van de nietigheden........... 169 1.1. Miskenning van termijnen.............................. 172 1.2. Andere dan miskenning van termijnen................... 181 2. Werking van het gerecht.................................... 185 2.1. Geen proceshandeling corpus niet toepasselijk.......... 186 2.2. Indeling.............................................. 187 DEEL V WELKOM BIJ DE RECHTER Hoofdstuk 1. Inleiding en algemene begrippen......................................... 191 1. Nationale en internationale bevoegdheidsregels..................... 191 2. Rechtsmacht rechtsmacht versus bevoegd heid bevoegdheid versus verdelingsincident......................................... 192 A. Rechtsmacht................................................. 192 B. Bevoegdheid.................................................. 193 C. Verdelingsincident............................................ 193 D. (Rechts)macht om te oordelen.................................. 194 xv
3. Algemene regels en begrippen in verband met de bevoegdheid........ 195 A. Ratione materiae ratione loci.................................. 196 1. Ratione materiae........................................... 196 2. Ratione loci................................................ 196 B. Algemene bevoegdheid, voorwaardelijke volheid van bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, uitsluitende bevoegdheid en bijzondere bevoegdheid................................. 197 1. Algemene bevoegdheid..................................... 197 2. Voorwaardelijke volheid van bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg en uitsluitende bevoegdheid................ 197 3. Bijzondere bevoegdheid..................................... 198 C. Aanvullend recht, dwingend recht en openbare orde.............. 199 Hoofdstuk 2. Bevoegdheid ratione materiae............................................ 201 1. Principes........................................................ 201 A. Openbare orde................................................ 202 1. Materiële bevoegdheid raakt de openbare orde................ 202 2. Uitzonderingen op het openbare-orde-karakter............... 203 B. Bevoegdheidscriteria.......................................... 203 1. Onderwerp van de vordering................................ 204 2. Waarde van de vordering.................................... 204 3. Spoedeisend karakter...................................... 206 4. Hoedanigheid van de partijen................................ 206 C. Tijdstip van de beoordeling..................................... 206 1. Regel..................................................... 207 2. Uitzondering............................................... 207 3. Kort geding en urgentie..................................... 207 2. Materiële bevoegdheidsverdeling.................................. 208 A. Materiële bevoegdheidsverdeling: hoofdvordering................ 209 1. Vrederechter (art. 590-601 Ger.W.)........................... 210 1.1. Algemene bevoegdheid................................ 211 1.2. Bijzondere bevoegdheid................................ 211 1.3. Uitsluitende bevoegdheid............................... 212 1.4. Bestuurlijke bevoegdheid.............................. 212 2. Politierechtbank (art. 601bis en 601ter Ger.W.)................. 212 2.1. Verkeer.............................................. 212 2.2. Administratieve geldboeten en sancties.................. 213 xvi
3. Rechtbank van eerste aanleg (art. 568-572 en 577 Ger.W.)....... 213 3.1. Algemene bevoegdheid = voorwaardelijke volheid van bevoegdheid (art. 568 Ger.W.)........................... 214 3.2. Uitsluitende bevoegdheden............................. 214 3.3. Bevoegdheid als appelrechter.......................... 215 3.4. Bestuurlijke bevoegdheid.............................. 215 3.5. Tuchtrechtelijke bevoegdheid........................... 216 4. Rechtbank van koophandel (art. 573-576 Ger.W.)............... 216 4.1. Algemene bevoegdheid................................ 216 4.2. Bijzondere bevoegdheid................................ 217 4.3. Uitsluitende bevoegdheid............................... 217 4.4. Bestuurlijke bevoegdheid (art. 576 Ger.W.)................ 219 5. Arbeidsrechtbank (art. 578-583 Ger.W.)....................... 219 6. Voorzitters (art. 584-589bis Ger.W.)........................... 220 6.1. Kort geding........................................... 221 6.2. Rechtsmacht ten gronde............................... 223 6.3. Procedure............................................ 223 7. Arrondissementsrechtbank (art. 639-640 Ger.W.).............. 223 8. Hof van beroep (art. 602-606 Ger.W.).......................... 224 8.1. Algemene bevoegdheid................................ 224 8.2. Bijzondere bevoegdheid................................ 224 9. Arbeidshof (art. 607 Ger.W.)................................. 224 10. Hof van Cassatie (art. 608-615 Ger.W.)........................ 225 10.1. Algemene bevoegdheid................................ 225 10.2. Bijzondere bevoegdheden en bevoegdheid als vonnisgerecht.............................................. 226 B. Materiële bevoegdheidsverdeling: verweer tussenvordering tegenvordering samenhang en aanhangigheid.................. 226 1. Verweer................................................... 227 1.1. Verweer ten gronde................................... 227 1.2. Processueel ( exceptief ) verweer....................... 228 2. Tussenvorderingen en tegenvorderingen..................... 229 2.1. Uitbreiding of wijziging van de hoofdvordering............ 230 2.2. Tussenvorderingen die geen tegenvorderingen zijn........ 230 2.3. Tegenvordering....................................... 230 3. Samenhang............................................... 232 3.1. Algemeen............................................ 232 3.2. Mogelijkheden: één of meer rechters één of meer gedinginleidende akten................................ 234 4. Aanhangigheid............................................. 236 xvii
Hoofdstuk 3. Ratione loci............................................................. 239 1. Bevoegdheidsverdeling ratione loci aanvullend recht................ 240 2. Bevoegdheidsverdeling ratione loci dwingend recht................. 242 3. Bevoegdheidsverdeling ratione loci openbare orde............... 245 Hoofdstuk 4. Bevoegdheidsgeschillen................................................. 247 1. Algemeen....................................................... 247 2. Regeling geschillen van bevoegdheid in eerste aanleg................ 249 A. Ontstaan van het bevoegdheidsincident: twee wijzen.............. 249 B. Betwisting door verweerder.................................... 249 1. Verplichtingen van de verweerder............................ 249 2. Verder verloop van de beslechting............................ 250 2.1. Rechter beslist zelf over het bevoegdheidsgeschil......... 250 2.2. Arrondissementsrechtbank beslist (art. 639, eerste en tweede lid Ger.W.)..................................... 250 C. Ambtshalve middel van onbevoegdheid (art. 640 Ger.W.)........... 251 3. Regeling van geschillen van bevoegdheid in hoger beroep............. 252 A. Twee mogelijkheden........................................... 252 B. Regeling..................................................... 253 1. Uitzondering: verwijzing naar de arrondissementsrechtbank.... 253 1.1. Betwisting door geïntimeerde en gevorderde verwijzing door appellant (art. 639, eerste en vierde lid Ger.W.)....... 253 1.2. Ambtshalve middel.................................... 253 2. Regel: de rechter in hoger beroep beslist zelf (art. 643 Ger.W.)... 253 2.1. Bevoegdheid appelgerecht betwist...................... 253 2.2. Hoger beroep tegen vonnis inzake bevoegdheid........... 254 C. Bijzonder geval: artikel 1070 Ger.W.............................. 255 4. Regeling van rechtsgebied (art. 645-647 Ger.W.)..................... 255 5. Onttrekking van de zaak aan de rechter (art. 648-659 Ger.W.).......... 256 DEEL VI DE WEG NAAR HET VONNIS Vooraf: rechtsbijstand................................................... 261 xviii
Hoofdstuk 1. Tegensprekelijke procedure versus eenzijdig verzoekschrift................ 263 1. Tegensprekelijke procedure....................................... 263 2. Procedure op eenzijdig verzoekschrift.............................. 264 Hoofdstuk 2. Poging tot minnelijke schikking.......................................... 265 1. Voorwaarden.................................................... 265 2. Procedure....................................................... 265 3. Facultatief verplicht............................................. 266 4. Familiezaken.................................................... 266 5. Arbeidsrechtbank................................................ 268 Hoofdstuk 3. Wijze van rechtsingang.................................................. 269 1. Algemeen....................................................... 269 A. Artikel 700 Ger.W.............................................. 269 B. Begrip dagvaarding in artikel 700 Ger.W.......................... 269 C. Hoofdvordering............................................... 270 D. Regels gesteld door artikel 700 Ger.W............................ 270 E. Bijzondere bepalingen: andere wijzen van rechtsingang........... 271 2. Vrijwillige verschijning (art. 706 Ger.W.)............................. 272 3. Dagvaarding..................................................... 273 A. Begrip....................................................... 273 B. Verplichte vermeldingen....................................... 273 C. Termijn van dagvaarding....................................... 274 D. Gevolg: aanmaning en stuiting.................................. 274 4. Verzoekschrift op tegenspraak (art. 1034bis-1034sexies Ger.W.)....... 275 Hoofdstuk 4. Rol en dossier van de rechtspleging...................................... 277 1. Algemene rol (art. 716-719 Ger.W.)................................. 277 2. Bijzondere rol.................................................... 278 3. Zittingsrol....................................................... 278 4. Dossier van de rechtspleging (art. 720-725bis Ger.W.)................ 279 5. Het familiedossier (art. 725bis Ger.W.).............................. 279 xix
Hoofdstuk 5. Verschijning van partijen op de inleidende zitting.......................... 281 1. Partijen verschijnen.............................................. 282 A. Verschijning ter zitting (art. 728 Ger.W.).......................... 282 1. Verschijning in persoon..................................... 282 2. Vertegenwoordigd.......................................... 282 B. Schriftelijke verschijning....................................... 282 2. Er verschijnt niemand............................................ 283 Hoofdstuk 6. Korte debatten......................................................... 285 1. Korte debatten en in staat stellen.................................. 285 2. Korte debatten................................................... 286 A. Welke gevallen?............................................... 286 B. Behandeling en procedure..................................... 287 C. Verstek en onsplitsbaarheid.................................... 287 Hoofdstuk 7. Instaatstelling.......................................................... 289 1. Mededeling van stukken.......................................... 290 2. Nemen van conclusies, bepalen van een rechtsdag en schriftelijke procedure....................................................... 291 A. Begrip verwijzingsconclusie syntheseconclusie................ 291 1. Begrip.................................................... 291 2. Verwijzingsconclusie (art. 744, tweede lid Ger.W.).............. 292 3. Syntheseconclusie (art. 748bis Ger.W.)........................ 292 B. Neerlegging en mededeling.................................... 293 C. Conclusietermijnen en rechtsdag............................... 293 1. Drie routes................................................ 293 1.1. Minnelijke route (art. 747, 1 Ger.W.)..................... 294 1.2. Rechterlijke route (art. 747, 2 Ger.W.)................... 298 1.3. Handsfree -route (art. 747, 2, tweede lid en art. 750 Ger.W.)............................................... 301 2. Sanctionering.............................................. 303 2.1. In de drie routes: wering ambtshalve................... 303 2.2. Toezenden en neerleggen binnen termijn of voor verzoek.. 304 3. Onsplitsbaar geschil en verstek: rechterlijke kalender.......... 305 4. Nieuwe conclusietermijnen en nieuwe rechtsdag.............. 306 4.1. Termijn.............................................. 306 4.2. Twee voorwaarden.................................... 306 xx
4.3. Procedure............................................ 307 4.4. Sancties.............................................. 307 D. Schriftelijke procedure (art. 755 Ger.W.).......................... 307 Hoofdstuk 8. Tussengeschillen....................................................... 309 1. Tussenvorderingen (art. 807-814 Ger.W.)............................ 310 2. Hervatting van geding (art. 815-819 Ger.W.).......................... 310 A. Gevallen..................................................... 311 B. Voorwaarde.................................................. 311 C. Wijze........................................................ 311 3. Afstand van geding (art. 820-827 Ger.W.)............................ 311 4. Wraking en verschoning (art. 828-842 Ger.W.)....................... 312 5. Ontkentenis van proceshandeling (art. 848-850 Ger.W.)............... 314 Hoofdstuk 9. Terechtzitting........................................................... 315 1. Openbaarheid................................................... 315 2. Openbare orde................................................... 316 3. Verschijning van de partijen....................................... 316 4. Het pleidooi en de onwillige procespartij (art. 756bis)................. 316 A. Geen verbod tot pleiten........................................ 316 B. Antwoordconclusie voortzetting geen pleidooi................. 317 5. Interactief debat................................................. 317 Hoofdstuk 10. Uitstel, verwijzing en voortzetting........................................ 319 1. Uitstel op vaste datum............................................ 319 2. Verwijzing naar de rol............................................. 319 3. Voortzetting..................................................... 319 Hoofdstuk 11. Sluiting van de debatten................................................. 321 1. Verschillende wijzen.............................................. 321 2. Geen verzet of hoger beroep....................................... 322 3. Twee mogelijkheden.............................................. 322 xxi
Hoofdstuk 12. Advies van het Openbaar Ministerie....................................... 323 1. Begrip.......................................................... 323 2. Verplicht facultatief............................................. 323 3. Vrederechter.................................................... 324 4. Familierechtbank................................................ 325 5. Schriftelijk mondeling........................................... 325 Hoofdstuk 13. Heropening van de debatten............................................. 327 1. Twee mogelijkheden.............................................. 328 A. Op verzoek van partijen (art. 772 Ger.W.)......................... 328 B. Ambtshalve door de rechter (art. 774 Ger.W.)..................... 328 2. Verder verloop van de procedure................................... 329 Hoofdstuk 14. Beraad................................................................. 331 1. Termijn (art. 770, 1 Ger.W.)....................................... 331 2. Overschrijding van de termijnen................................... 332 A. Opvolging.................................................... 332 1. Beraad langer dan één maand............................... 332 2. Beraad langer dan drie maanden............................ 332 B. Oproepen en horen van de magistraat........................... 333 1. Oproepen en horen......................................... 333 2. Oplossing................................................. 333 3. Sancties.................................................. 333 Hoofdstuk 15. Vonnis................................................................. 335 1. Soorten vonnissen............................................... 335 A. Vonnis arrest beschikking................................... 336 B. Bij verstek op tegenspraak.................................... 336 C. Eerste aanleg laatste aanleg.................................. 336 D. Eindvonnis (beslissing) (art. 19, eerste lid Ger.W.) vonnis alvorens recht te doen (art. 19, derde lid Ger.W.) gemengde vonnissen. 336 1. Eindvonnis (art. 19, eerste lid Ger.W.)......................... 336 2. Vonnis alvorens recht te doen (art. 19, derde lid Ger.W.)......... 337 3. Gemengde vonnissen....................................... 338 E. Beslissingen of maatregelen van inwendige aard (art. 1046 Ger.W.). 338 xxii
2. Totstandkoming en vorm van het vonnis............................ 339 A. Rechters ondertekening uitspraak........................... 339 B. Zittingsblad minuut uitgifte afschrift........................ 340 C. Vermeldingen op straffe van nietigheid en stramien............... 340 1. Vermeldingen op straffe van nietigheid voorgeschreven........ 341 2. Stramien en onderdelen van het vonnis....................... 342 3. Motiveringsverplichting........................................... 342 4. Gerechtskosten.................................................. 344 A. Algemeen.................................................... 345 B. Rechtsplegingsvergoeding..................................... 345 1. Algemeen: forfaitair bedrag................................. 345 2. Bedragen: bepaald door de Koning........................... 346 3. Verhoging of vermindering.................................. 348 4. Juridische tweedelijnsbijstand............................... 348 5. Meerdere partijen.......................................... 348 6. Geen rechtsvordering voor hoger bedrag..................... 349 C. Artikel 1023 Ger.W.: beding van verhoging........................ 349 D. Kosten van uitvoering.......................................... 349 5. Gevolgen van het vonnis........................................... 349 A. Bindende kracht van het vonnis................................. 350 B. Uitputting van rechtsmacht..................................... 350 C. Gezag van het rechterlijk gewijsde (art. 23-27 Ger.W.)............. 351 1. Begrip.................................................... 351 1.1. Belangrijkste gevolg van het vonnis: het rechterlijk gewijsde............................................. 351 1.2. Vanaf uitspraak tot tenietdoen.......................... 352 2. Waarvoor geldt het gezag van het rechterlijk gewijsde?......... 352 2.1. Welke vonnissen?..................................... 352 2.2. Inhoud van het vonnis.................................. 352 3. Toepassingsvoorwaarden en positieve en negatieve werking.... 352 3.1. Toepassingsvoorwaarden.............................. 352 3.2. Positieve en negatieve werking.......................... 353 D. Kracht van het rechterlijk gewijsde (art. 28 Ger.W.)................ 354 E. Uitvoerbare kracht van een rechterlijke beslissing................ 354 F. Bewijskracht en bewijswaarde van het vonnis.................... 355 1. Bewijskracht.............................................. 355 2. Bewijswaarde............................................. 355 Hoofdstuk 16. Uitlegging en verbetering van een vonnis.................................. 357 xxiii
Hoofdstuk 17. Rechtspleging bij verstek................................................ 361 1. Inleiding......................................................... 361 2. Gevallen waarin verstek mogelijk is................................ 362 A. Mogelijk...................................................... 362 B. Uitzonderingen: geen verstek maar wel tegensprekelijk vonnis..... 362 3. Verstekvonnis................................................... 362 Hoofdstuk 18. Kort geding............................................................. 365 1. Rechtspleging................................................... 365 A. Rechtsingang................................................. 366 B. Termijn van dagvaarding....................................... 366 C. Regels in verband met de instaatstelling......................... 366 D. Familierechtbank............................................. 366 2. Gezag en uitvoerbaarheid......................................... 366 Hoofdstuk 19. Vordering op eenzijdig verzoekschrift..................................... 369 1. Algemeen....................................................... 370 2. Rechtspleging................................................... 370 3. Rechtsmiddelen................................................. 371 A. Hoger beroep................................................. 371 B. Intrekking of wijziging......................................... 371 C. Verzet........................................................ 371 DEEL VII BEWIJSRECHT Hoofdstuk 1. Drie aspecten........................................................... 375 Hoofdstuk 2. Bewijslast.............................................................. 377 1. Objectieve bewijslast............................................. 377 2. Subjectieve bewijslast............................................ 378 A. Bewijslastovereenkomst tussen partijen......................... 378 xxiv
B. Wettelijke bewijslastregeling (art. 870-872 Ger.W.)................ 378 1. Verdeling van de bewijslast onder de partijen.................. 378 2. Medewerking van het Openbaar Ministerie.................... 379 3. Rol van de rechter.......................................... 379 4. Derden................................................... 379 Hoofdstuk 3. Bewijsmiddelen........................................................ 381 1. Bewijsregels volgens de aard van het geschil........................ 381 2. Bewijsmiddelen en bewijswaardering in handelsrechtelijke zaken..... 381 3. Bewijsmiddelen volgens het Burgerlijk Wetboek..................... 382 Hoofdstuk 4. Bewijsregels van het Gerechtelijk Wetboek............................... 383 1. Overlegging van stukken.......................................... 384 2. Schriftonderzoek................................................. 385 3. Valsheidsprocedure.............................................. 386 4. Getuigenverhoor................................................. 387 5. Overlegging van schriftelijke verklaringen.......................... 390 6. Deskundigenonderzoek........................................... 391 7. Verhoor van partijen.............................................. 393 8. Horen van minderjarige........................................... 394 9. Eedaflegging.................................................... 395 10. Plaatsopneming................................................. 396 11. Vaststelling van overspel bij gerechtsdeurwaarder................... 397 DEEL VIII RECHTSMIDDELEN Hoofdstuk 1. Begrip en soorten....................................................... 403 Hoofdstuk 2. Gewone rechtsmiddelen................................................. 405 1. Begrip.......................................................... 405 2. Toepassing...................................................... 406 A. Akkoordvonnis................................................ 406 B. Maatregel of beslissing van inwendige aard (art. 1046 Ger.W.)...... 407 xxv
C. Berusting.................................................... 407 D. Wettelijke uitzonderingen van verzet en hoger beroep............. 407 3. Verzet........................................................... 408 A. Begrip....................................................... 409 B. Recht op verzet............................................... 409 C. Tegen welke vonnissen?........................................ 409 D. Termijnen van verzet.......................................... 409 E. Wijze van rechtsingang........................................ 409 F. Gevolgen van het verzet........................................ 410 1. Schorsende werking van het instellen van het verzet........... 410 2. Devolutieve werking van het verzet........................... 410 3. Relatieve werking van het verzet............................. 410 4. Hoger beroep.................................................... 411 A. Begrip....................................................... 411 B. Toelaatbaarheidsvereisten..................................... 412 1. Partijen in hoger beroep.................................... 413 1.1. Eiser in hoger beroep.................................. 413 1.2. Verweerder in hoger beroep............................ 414 2. Voor hoger beroep vatbare vonnissen......................... 415 2.1. Regel................................................ 415 2.2. Bijzondere regels..................................... 415 3. Geschil vatbaar voor hoger beroep de aanleggrens (art. 617-621 Ger.W.)........................................ 416 4. Termijn................................................... 417 C. Hoofdberoep................................................. 418 1. Begrip.................................................... 418 2. Vorm..................................................... 419 3. Akte van hoger beroep...................................... 419 4. Termijn................................................... 420 D. Incidenteel beroep............................................ 420 E. Rechtspleging in hoger beroep.................................. 421 F. Gevolgen van het hoger beroep................................. 422 1. Schorsende werking....................................... 422 2. De devolutieve werking..................................... 422 2.1. Algemeen............................................ 422 2.2. De gewone devolutieve werking......................... 423 2.3. De verruimde devolutieve werking...................... 423 2.4. Uitzonderingen........................................ 424 xxvi
Hoofdstuk 3. Buitengewone rechtsmiddelen........................................... 425 1. Opsomming en kenmerken........................................ 425 2. Voorziening in cassatie............................................ 426 A. Taak van het Hof van Cassatie.................................. 427 B. Tegen welke beslissingen kan een voorziening in cassatie worden ingesteld?.................................................... 427 C. Partijen voor het Hof van Cassatie............................... 428 1. Eiser in cassatie........................................... 428 2. Verweerder in cassatie..................................... 429 3. Openbaar Ministerie........................................ 429 D. Termijn...................................................... 429 E. Instellen van de voorziening in cassatie.......................... 430 F. Gevolgen van de voorziening in cassatie......................... 430 G. Rechtspleging voor het Hof van Cassatie......................... 431 H. Arrest van het Hof van Cassatie................................. 432 1. Geen verstek mogelijk...................................... 432 2. Verwerpingsarrest......................................... 432 3. Vernietigingsarrest......................................... 432 I. Rechtsmiddelen tegen een cassatiearrest....................... 433 3. Derdenverzet.................................................... 434 1. Begrip voorwaarden geen verplichtend karakter............ 434 2. Tegen welke beslissingen?.................................. 435 3. Termijn................................................... 436 4. Rechtspleging............................................. 436 4.1. Principaal derdenverzet (art. 1125, eerste lid Ger.W.)...... 436 4.2. Incidenteel derdenverzet (art. 1125, tweede lid Ger.W.)..... 436 5. Gevolgen van het derdenverzet en van de beslissing op derdenverzet.............................................. 436 5.1. Geen schorsende werking van het derdenverzet.......... 436 5.2. Relatieve werking van de beslissing op derdenverzet...... 437 6. Rechtsmiddelen........................................... 437 4. Herroeping van het gewijsde...................................... 437 A. Begrip....................................................... 438 B. Gronden voor herroeping van het gewijsde....................... 439 1. Gronden voor herroeping................................... 439 2. Geen gronden voor herroeping.............................. 440 C. Termijn...................................................... 440 D. Procedure.................................................... 441 E. Gevolgen..................................................... 442 xxvii
5. Verhaal op de rechter............................................. 443 A. Begrip: rechtsmiddel en aansprakelijkheidsvordering............. 444 1. Rechtsmiddel.............................................. 444 2. Aansprakelijkheidsvordering................................ 444 B. Termijn...................................................... 445 C. Rechtspleging................................................ 445 D. Gevolgen..................................................... 445 1. Gevolgen van het instellen van het verhaal.................... 445 2. Gevolgen van het arrest..................................... 446 2.1. Afwijzing............................................. 446 2.2. Toekenning........................................... 446 6. Vordering tot intrekking........................................... 446 DEEL IX BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN DEEL X BESLAG EXECUTIE COLLECTIEVE SCHULDENREGELING Hoofdstuk 1. Algemeen.............................................................. 453 1. Executierecht.................................................... 453 2. Twee categorieën van executie..................................... 454 A. Reële executie................................................ 454 1. Begrip.................................................... 455 2. Geen dwang............................................... 455 3. Mogelijkheden en indirecte reële executie..................... 455 3.1. Toch mogelijk......................................... 455 3.2. Indirecte reële executie................................ 456 4. Procedure en vereisten voor reële executie................... 461 4.1. Uitvoerbare titel....................................... 462 4.2. Voorafgaande betekening.............................. 463 4.3. Gerechtsdeurwaarder................................. 464 B. Beslag....................................................... 464 1. Wanneer geschiedt de executie door het leggen van beslag?.... 464 2. Begrip gevolgen soorten................................. 465 2.1. Begrip............................................... 465 2.2. Voornaamste gevolgen................................. 465 2.3. Soorten.............................................. 466 3. Gerechtsdeurwaarder...................................... 466 4. Openbaarmaking........................................... 467 xxviii
5. Beslagbaarheid............................................ 467 5.1. Goederen van de schuldenaar.......................... 468 5.2. Invloed van bepaalde omstandigheden of factoren........ 468 5.3. Beperkingen op de beslagbaarheid van de goederen van de schuldenaar....................................... 469 3. De beslagrechter................................................. 472 A. Bevoegdheid van de beslagrechter.............................. 472 1. Materiële bevoegdheid...................................... 473 1.1. Bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging (art. 1395, eerste lid Ger.W.)............................ 473 1.2. Andere bevoegdheden................................. 473 2. Territoriale bevoegdheid.................................... 475 B. Rechtsmacht................................................. 476 C. Rechtspleging: zoals in kort geding (art. 1395, tweede lid Ger.W.)... 477 Hoofdstuk 2. Bewarend beslag....................................................... 479 1. Begrip.......................................................... 479 2. Voorwaarden.................................................... 480 A. Hoogdringendheid............................................ 480 B. Schuldvordering.............................................. 480 1. Artikel 1415, eerste lid Ger.W.: algemene regel................. 480 2. Artikel 1415, tweede lid Ger.W.: te vervallen periodieke inkomsten................................................. 481 3. Artikel 1414 Ger.W.: vonnis.................................. 481 C. Procedurele vereiste: rechterlijke machtiging.................... 481 3. Geldigheidsduur................................................. 481 4. Soorten bewarend beslag......................................... 482 A. Bewarend beslag op roerend goed.............................. 482 1. Op welke goederen?........................................ 482 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1422-1428 Ger.W............... 483 3. Bepaalde aspecten......................................... 483 B. Bewarend beslag op onroerend goed............................ 483 1. Op welke goederen?........................................ 483 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1429-1444 Ger.W.............. 483 3. Bepaalde aspecten......................................... 483 C. Bewarend beslag onder derden................................. 484 1. Op welke goederen?........................................ 484 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1445-1460 Ger.W.............. 484 3. Bepaalde aspecten......................................... 484 xxix
D. Pandbeslag (art. 1461 Ger.W.)................................... 485 1. Op welke goederen?........................................ 485 2. Wettelijke bepaling: artikel 1461 Ger.W........................ 485 3. Bepaalde aspecten......................................... 485 E. Beslag tot terugvordering...................................... 486 1. Op welke goederen?........................................ 486 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1462-1466 Ger.W............... 486 3. Bepaalde aspecten......................................... 486 F. Beslag op zeeschepen en binnenschepen........................ 486 1. Op welke goederen?........................................ 486 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1467-1480 Ger.W............... 486 3. Bepaalde aspecten......................................... 486 G. Beslag inzake namaak......................................... 487 1. Op welke goederen?........................................ 487 2. Wettelijke bepalingen: artikel 1369bis, 1 tot 10 en 1369ter Ger.W.. 487 3. Bepaalde aspecten......................................... 487 5. Kantonnement bij bewarend beslag................................ 487 A. Kantonnement van de oorzaken van het beslag (art. 1403 Ger.W.)... 487 B. Kantonnement van het voorwerp van het beslag (art. 1407 Ger.W.).. 488 6. Rechtsmiddelen wijziging intrekking opheffing.................. 488 A. Beslag gelegd krachtens een beschikking (art. 1419, eerste en tweede lid Ger.W.)............................................. 488 B. Beslag gelegd zonder voorafgaande beschikking: opheffing (art. 1420 Ger.W.).............................................. 489 7. Omzetting van bewarend beslag in uitvoerend beslag................ 489 Hoofdstuk 3. Uitvoerend beslag...................................................... 491 1. Begrip.......................................................... 491 2. Voorwaarden.................................................... 491 A. Uitvoerbare titel.............................................. 492 B. Schuldvordering.............................................. 492 1. Schuldvordering van de schuldeiser op de schuldenaar......... 492 2. Schuldvordering met bepaalde kwaliteiten.................... 492 2.1. Vaststaand en zeker................................... 492 2.2. Opeisbaar............................................ 493 3. Actualiteit: een nog bestaande schuldvordering............... 493 3. Algemene procedurele vereisten................................... 494 A. Betekening van de titel......................................... 494 B. Bevel........................................................ 494 xxx
1. Begrip.................................................... 494 2. Gevallen.................................................. 495 4. Soorten......................................................... 495 A. Beslag op roerend goed........................................ 496 1. Op welke goederen?........................................ 496 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1499-1528 en 1627-1638 Ger.W.. 496 3. Bepaalde aspecten......................................... 496 B. Beslag op tak- en wortelvaste vruchten.......................... 497 1. Op welke goederen?........................................ 497 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1529-1538 en 1627-1638 Ger.W.. 497 3. Bepaalde aspecten......................................... 497 C. Beslag onder derden.......................................... 498 1. Op welke goederen?........................................ 498 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1539-1544 en 1627-1638 Ger.W.. 499 3. Bepaalde aspecten......................................... 499 D. Beslag op zee- en binnenschepen............................... 499 1. Op welke goederen?........................................ 499 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1545-1559 en 1655-1675 Ger.W.. 499 3. Bepaalde aspecten......................................... 499 E. Beslag op onroerend goed..................................... 500 1. Op welke goederen?........................................ 500 2. Wettelijke bepalingen: artikelen 1560-1638 en 1639-1664 Ger.W.. 500 3. Bepaalde aspecten......................................... 500 4. Kantonnement................................................... 501 A. Kantonnement van de oorzaken van het beslag................... 502 B. Kantonnement van het voorwerp van het beslag.................. 502 Hoofdstuk 4. Collectieve schuldenregeling............................................ 503 1. Begrip en doelstelling toepassingsgebied......................... 503 A. Begrip en doelstelling (art. 1675/3, derde lid Ger.W.)............... 503 B. Toepassingsgebied (art. 1675/2 Ger.W.).......................... 504 2. Inleiding van de procedure en aanvang (art. 1675/4 1675/9 Ger.W.).... 505 A. Neerlegging verzoekschrift.................................... 506 B. Gevolgen van de neerlegging................................... 506 C. Beschikking (art. 1675/6 Ger.W.)................................. 506 D. Gevolgen van de beschikking................................... 506 E. Verschaffen van inlichtingen (art. 1675/8 Ger.W.).................. 507 F. Kennisgeving................................................. 507 G. Indienen schuldvorderingen.................................... 508 H. Leefgeld..................................................... 508 xxxi
3. Minnelijke aanzuiveringsregeling (art. 1675/10 Ger.W.)................ 508 4. Gerechtelijke aanzuiveringsregeling (art. 1675/11-1675/13 Ger.W.) en totale kwijtschelding van schulden (art. 1675/13bis Ger.W.)............ 510 A. Proces-verbaal............................................... 511 B. Artikel 1675/12 Ger.W.......................................... 511 C. Artikel 1675/13 Ger.W.......................................... 512 D. Artikel 1675/13bis Ger.W........................................ 512 5. Herziening (art. 1675/14, 2 Ger.W.)................................ 513 6. Verkoop roerende en onroerende goederen (art. 1675/14bis Ger.W.).... 513 7. Herroeping en beëindiging (art. 1675/15 Ger.W.)...................... 514 8. Kosteloze en persoonlijke zekerheidstellers (art. 1675/16bis Ger.W.).... 514 9. De schuldbemiddelaar (art. 1675/17-19 Ger.W.)....................... 514 10. Uitvoerbaarheid en rechtsmiddelen (art. 1675/16, 4 Ger.W.).......... 515 DEEL XI ARBITRAGE Deel XII BEMIDDELING 1. Voor bemiddeling vatbare geschillen (art. 1724 Ger.W.)................ 525 2. Bemiddelingsbeding (art. 1725 Ger.W.).............................. 525 3. Federale bemiddelingscommissie (art. 1727 Ger.W.) en bemiddelaars (art. 1726 Ger.W.)............................................ 525 4. Geheimhouding en vertrouwelijkheid (art. 1728 Ger.W.)............... 526 5. Beëindiging (art. 1729 Ger.W.)...................................... 526 6. Vrijwillige bemiddeling (art. 1730-1733 Ger.W.)....................... 526 7. Gerechtelijke bemiddeling (art. 1734-1737 Ger.W.).................... 527 xxxii