Burgerlijk procesrecht

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Burgerlijk procesrecht"

Transcriptie

1 Burgerlijk procesrecht 1. INLEIDING... 5 A. AARD EN FUNCTIE VAN HET GERECHTELIJKE RECHT... 5 B. BRONNEN... 5 C. KARAKTERTREKKEN... 5 D. TOEPASSINGSGEBIED Ratione personae Ratione materiae Ratione temporis Ratione loci... 7 E. RECHTSVINDINGSMETHODES... 7 F. ALGEMENE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJKE PROCESVOERING Recht op toegang tot de rechter Hoor en wederhoor Onpartijdigheid Onafhankelijkheid Motiveringsverplichting Redelijke termijn Partijautonomie en beschikkingsbeginsel... 8 G. MISBRUIK VAN PROCESRECHT DE ACTOREN VAN JUSTITIE...10 A. DE RECHTER De complexe structuur van de gerechtelijke organisatie De rechtscolleges Algemene vergadering werkingsverslag Toegang tot en loopbaan binnen de magistratuur Werklastmeting Tuchtrecht...12 B. REFERENDARISSEN BIJ HET HOF VAN CASSATIE REFERENDARISSEN EN PARKETJURISTEN Referendarissen bij het hof van cassatie Referendarissen en parketjuristen...13 C. OPENBAAR MINISTERIE Statuut Kenmerken Taak van het O.M. in burgerlijke zaken...13 D. HOGE RAAD VOOR DE JUSTITIE Situering en samenstelling Bevoegdheden...14 E. ADVIESRAAD VOOR DE MAGISTRATUUR...14 F. DE ADVOCAAT Taak Rechten en plichten De verhouding advocaat-cliënt Voorwaarden om advocaat te worden Organisatie van de balie Advocaten bij het Hof van Cassatie Orde van Vlaamse balies en ordre des barreaux francophones et germanophone...15 G. GRIFFIER...15 H. DE GERECHTSDEURWAARDER BEVOEGDHEID...17 A. ALGEMENE BEGRIPPEN...17 B. MATERIËLE BEVOEGDHEID Algemene beginselen...17 Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 1

2 2 Onderzoek van de componenten...17 C. DE TERRITORIALE BEVOEGDHEID Begrip, functie, aard Bevoegdheidsovereenkomsten Verstek van de verweerder...19 D. BEVOEGDHEIDSVERDELING De rechtscolleges en hun materiële bevoegdheid Materiële bevoegdheid tussenvordering Territoriale bevoegdheid hoofdvordering Territoriale bevoegdheid tussenvorderingen, aanhangigheid en samenhang...23 E. REGELING VAN BEVOEGDHEIDSINCIDENTEN In eerste aanleg In hoger beroep In Cassatie Aanhangigheid en samenhang Incidenten in de schoot van een rechtscollege Regeling van rechtsgebied HET GEDING...25 A. BASISBEGRIPPEN Geschil Rechtsvordering Eis en verweer Partij...26 B. HET NORMALE VERLOOP VAN HET GEDING Schematisch overzicht Overzicht van de inleiding De dagvaarding Rolstelling Dossier van rechtspleging Inleidende zitting Het in staat stellen van de zaak Pleitzitting Sluiting van de debatten Advies van het O.M Beraad Heropening van de debatten Het vonnis...32 C. SANCTIES IN HET PROCESRECHT Basisbegrippen Formalisme Nietigheid Niet-ontvankelijkheid (niet-toelaatbaarheid) Termijnen en hun sanctieregeling...36 D. VERSTEK Situering De gevallen waarin en de wijze waarop verstek kan worden gevorderd Taak van de rechter bij verstek Het verstekvonnis...38 E. TUSSENGESCHILLEN Cumulatie en splitsing van vorderingen Tussenvorderingen Hervatting van het geding Afstand Doorhaling en weglating van de rol Onttrekking van de zaak aan de rechter Wraking Ontkentenis van proceshandelingen Opschorting van het geding Samenstelling van de zetel...40 Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 2

3 F. UITGAVEN EN KOSTEN Omschrijving Verwijzing in de kosten Vereffening van de kosten RECHTSMIDDELEN...42 A. ALGEMENE BEGINSELEN...42 B. HET VERZET Begrip Voor verzet vatbare vonnissen Rechtspleging gevolgen...42 C. HET HOGER BEROEP Begrip Toelaatbaarheidsvereisten Rechtspleging in hoger beroep Gevolgen van het hoger beroep...46 D. VOORZIENING IN CASSATIE Begrip Tegen welke beslissingen kan cassatie worden aangetekend? Welke partijen kunnen cassatie aantekenen? Procedure...47 E. DERDENVERZET Begrip Voorwaarden Termijn Procedure Gevolgen KORT GEDING EENZIJDIG VERZOEKSCHRIFT SUMMIERE RECHTSPLEGING OM BETALING TE BEVELEN...49 A. KORT GEDING Omschrijving De spoedvereiste Voorziening bij voorraad De zaak mag niet aan de rechterlijke macht onttrokken zijn Afwijkende procedureregelen Zoals in kort geding...51 B. DE RECHTSPLEGING OP EENZIJDIG VERZOEKSCHRIFT Afbakening Begrip Vereiste van volstrekte noodzakelijkheid Bevoegde rechter Procedure Rechtsmiddelen...52 C. SUMMIERE RECHTSPLEGING OM BETALING TE BEVELEN Situering Voorwaarden Procedure RECHTSHULP...54 A. ALGEMEEN...54 B. RECHTSBIJSTAND Omschrijving en situering Toekenningsvoorwaarden...54 C. JURIDISCHE BIJSTAND Situering Commissie voor juridische bijstand Juridische eerstelijnsbijstand Juridische tweedelijnsbijstand...55 Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 3

4 8. BEZWARENDE MAATREGELEN, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING...56 A. BASISBEGRIPPEN Verbod van eigenrichting Executierecht: van openbare orde maar teleologische interpretatie Parate executie Reële executie Dwangsom Andere begrippen...57 B. BESLAG: ALGEMEEN Begrip Voorwerp Publiciteit Beslagrechter Samenloop...61 C. BEZWAREND BESLAG Begrip Gevolgen Geldigheidsduur Voorwaarden Procedure Bezwarend beslag op roerend goed Bezwarend beslag op onroerend goed Kantonnement Omzetting naar uitvoerend beslag...64 D. UITVOEREND BESLAG Voorwaarden Kantonnement Procedure bij beslag op roerende goederen De uithuiszetting Hinderpalen bij de tenuitvoerlegging...66 E. BESLAG ONDER DERDEN Verschil met beslag bij derden Gevolgen Procedure...67 Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 4

5 1. Inleiding A. Aard en functie van het gerechtelijke recht Het burgerlijk procesrecht heeft als doel om de subjectieve rechten afdwingbaar te maken. Anders zouden deze niet operationeel zijn. Het burgerlijk procesrecht wil dus een einde maken aan een toestand van onzekerheid door recht te spreken. De overgang van een onzekere naar een zekere toestand, in een aan regels onderworpen geding, heet een proces. Dit is de rechtsprekende handeling, die aan een aantal criteria is onderworpen: Formeel criterium: de handeling moet omgeven zijn door procedure waarborgen Organiek criterium: de handeling moet uitgaan van een jurisdictioneel orgaan Materieel criterium: het rechtspreken moet gebeuren o.b.v. het materiële recht Het criterium van gezag van gewijsde: een handeling is van rechtsprekende aard als zij gezag van gewijsde heeft De regels waaraan het geding is onderworpen, vormen het voorwerp van het burgerlijk procesrecht. Bovendien bevat het de middelen om een uitspraak operationeel te maken. Het komt immers niet toe aan de burger om zelf het recht in handen te nemen: er is een verbod van eigenrichting. Van de kant van de overheid bestaat dan weer de verplichting van de rechter om recht te spreken (verbod van rechtsweigering; art. 5 Ger. W.), zoniet is er verhaal op de rechter mogelijk (art. 1140, 4 Ger. W.). B. Bronnen De Grondwet bevat de fundamentele regelen betreffende de gerechtelijke organisatie en de belangrijkste beginselen betreffende rechtspleging. De rechterlijke macht wordt erkend als een derde macht. De belangrijkste bron is het gerechtelijk wetboek, dat in de jaren 60 werd opgesteld om enerzijds het versnipperde procesrecht een te maken, anderzijds om tot een snellere procedure te komen. Het tweede objectief werd niet gehaald, het tweede wel, althans tijdelijk: sinds de invoering van het wetboek heeft de wetgever tal van bijzondere wetten goedgekeurd. Vaak voegt hij procedure-elementen toe aan een wet met een specifiek thema zoals consumentenbescherming. Dit draagt allesbehalve bij tot de duidelijkheid. Algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn fundamentele normen die impliciet in het rechtssysteem verweven zitten en er door de rechter gevonden worden (op deze manier zijn ze niet in strijd met art. 6 Ger. W.). Hoewel België de iure geen precedentenwerking kent (art. 6 Ger. W.), hebben de arresten van het Hof van Cassatie wel moreel gezag (ook omdat een vonnis dat hen niet volgt, kans maakt om verbroken te worden). Ook lagere rechtbanken kunnen een vernieuwende uitspraak doen, die dan navolging krijgt. Ook de rechtsleer speelt een rol, zij het indirect (via wetgeving en rechtspraak). De internationale verdragen, vooral de Europese zijn belangrijk, enerzijds door de mensenrechtelijke controle die ze uitoefenen, anderzijds omdat vaak een prejudiciële vraag moet gesteld worden. De praktijk wijst ten slotte uit dat veel rechtbanken hun eigen gewoontes hebben, die niet neergeschreven zijn, soms tegen de wet ingaan en dus voor buitenstaanders een bron van frustratie zijn. C. Karaktertrekken Traditioneel wordt procesrecht gezien als nationaal recht, maar dit moet worden genuanceerd. Eerst en vooral is ons procesrecht Frans van oorsprong. Anderzijds worden rechtsvergelijking en internationalisering steeds belangrijker. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 5

6 Het burgerlijk procesrecht heeft zowel publieke (bepaalt organisatie van een openbare dienst) als private kenmerken (beschermt private belangen). Om deze redenen zijn er bv. boetes voor roekeloos beroep. Er is een belangrijke ethische dimensie. De kern van het procesrecht is dat het rechtvaardigheid moet nastreven en aldus moet geconcipieerd worden. Het burgerlijk procesrecht heeft een dynamisch karakter. Het wordt op macroniveau beïnvloed door maatschappelijke evoluties, terwijl een proces op microniveau ook beïnvloed wordt door de evolutie van het voorwerp van het geding. Toch is het procesrecht ook verstard. Veel elementen horen niet wellicht niet meer thuis in de hedendaagse maatschappij. Het burgerlijk procesrecht heeft een formalistisch karakter. Dit komt enerzijds voort uit de rechtszekerheid: de rechtszoekende moet weten wat hem te wachten staat en wat van hem verwacht wordt. De sancties voor de overtreding van de regels werden vroeger grotendeels door de rechter bepaald (open systeem), maar worden tegenwoordig steeds meer vastgelegd door de wetgever. Hier moet het formalistische karakter wel genuanceerd worden: de rechter moet steeds meer aandacht hebben voor de doelgerichtheid van de regel. Als een vormvereiste niet is nageleefd maar het doel toch bereikt is, is een sanctie overbodig. Het procesrecht heeft ten slotte een dienend karakter. Het moet de subjectieve rechten operationeel maken. Vooral door de grote gerechtelijke achterstand schiet het procesrecht hier zijn doel voorbij. Vooral dit element zorgt voor een negatief imago van het gerechtelijk apparaat. Initiatieven als de justitiehuizen en phenix (informatisering justitie) haalden voorlopig weinig uit. D. Toepassingsgebied 1 Ratione personae Het burgerlijk procesrecht is van toepassing op ieder rechtssubject, met uitzondering van de koning (art. 41 Ger. W.) en, vanuit het internationale recht, personen onder diplomatieke bescherming en vreemde Staten. 2 Ratione materiae Uit art. 2 Ger. W. volgt dat het gerechtelijk wetboek een soort suppletief procesrecht is. In beginsel is het van toepassing op alle rechtsplegingen, tenzij er bijzondere wetten (vb. Raad v. State) of afwijkende rechtsbeginselen zijn. Deze uitzondering wordt zeer extensief geïnterpreteerd. Desondanks is de toepassing ervan bovendien vaak niet eenduidig. In grove lijnen kunnen we evenwel stellen dat de hoven en rechtbanken oordelen over het subjectief contentieux (artt GW), al zijn er talrijke uitzonderingen, zowel uitbreidende als beperkende. 3 Ratione temporis Krachtens art. 3 Ger. W. komt aan nieuwe procedureregelen (inzake rechterlijke organisatie, bevoegdheid en rechtspleging) in beginsel onmiddellijke toepassingskracht toe. Dit kan evenwel nooit tot gevolg hebben dat een hangende zaak aan een rechtbank kan worden onttrokken. De vraag stelt zich dan ook wanneer een zaak hangend is. Wanneer de zaak wordt ingeleid per deurwaardersexploot, is een zaak aanhangig vanaf de betekening van het dagvaardingsexploot. Gebeurt de dagvaarding via een verzoekschrift op tegenspraak, dan is de zaak aanhangig op het moment dat ze op de rol wordt ingeschreven (in de regel zelfs voor de andere partij er weet van heeft). Bovendien is voor de toepassing van art. 3 Ger. W. vereist dat de zaak op regelmatige wijze is ingeleid. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 6

7 Een bijzonder probleem stelt zich indien door een nieuwe wet de rechtbank waarvoor de zaak aanhangig is in de nieuwe wet ook de beroepsinstantie is. Het lijkt aangewezen de oude hiërarchie te blijven behouden. Ook de wet van 26 april 2007 stelt problemen, omdat ze afwijkt van bovengenoemde principes. Bovendien bevat ook die afwijking nog een uitzondering. 4 Ratione loci In beginsel is het gerechtelijk gerecht van toepassing op het Belgische grondgebied. Een uitzondering hierop zijn de regelen van het internationaal procesrecht. Een bijzonder probleem stelt zich bij een positief jurisdictieconflict: naast de Belgische rechtbank is dan ook nog een buitenlandse rechtbank bevoegd. E. Rechtsvindingsmethodes De rechtsvindingsmethodes zijn een aantal principes die als leidraad dienen om het gerechtelijk recht te interpreteren. Het gerechtelijk recht moet doelgericht geïnterpreteerd worden (=proceseconomie). Het doel is de overgang van een onzekere naar een zekere situatie en regels mogen niet gebruikt worden om dit tegen te werken of om andere doeleinden te bereiken. Centraal staat dus een zuinig gebruik van middelen en een efficiënt en eerlijk proces. Het gerechtelijk recht moet de rechtszekerheid dienen. Het moet zo geïnterpreteerd worden dat de rechtszoekende weet wat hem te wachten staat. Daarvoor is ook transparante regelgeving nodig. Iedereen, ondanks feitelijke gelijkheden, moet gelijk behandeld worden door de rechtbank. Dit is het principe van processuele gelijkheid (art. 4 Ger. W.). F. Algemene beginselen van behoorlijke procesvoering 1 Recht op toegang tot de rechter Art. 6 EVRM waarborgt dat elk burgerlijk geschil aan een rechter moet kunnen worden voorgelegd. Er mogen geen feitelijke of juridische belemmeringen zijn. Dit is evenwel een relatief recht. 2 Hoor en wederhoor Dit beginsel audiatur et altera pars vloeit voort uit het beginsel van de wapengelijkheid, dat inhoudt dat partijen gelijke kansen moeten krijgen om hun zaak naar voor te brengen. Het beginsel van hoor en wederhoor houdt op zijn beurt in dat alle partijen de kans moeten hebben om hun argumenten naar voor te hebben en om te antwoorden op de argumenten van de andere partij. Dit is van essentieel belang. 3 Onpartijdigheid Het beginsel van de onpartijdigheid houdt in dat de rechter onbevooroordeeld en zonder druk buitenaf moet kunnen oordelen. Ook een schijn van partijdigheid moet worden vermeden (justice must not only be done, it must also seen to be done). We onderscheiden subjectieve en objectieve partijdigheid. Subjectieve partijdigheid betekent dat een specifieke rechter bevoordeeld kan zijn, terwijl objectieve partijdigheid dat elke rechter in dezelfde situatie bevoordeeld zou kunnen zijn (vb. art. 292, lid 2 Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 7

8 4 Onafhankelijkheid Om tot onpartijdigheid te komen, is vereist dat de rechter zonder beïnvloeding van buitenaf kan oordelen. Hij mag geen verantwoording verschuldigd zijn aan iemand anders (art. 151, 1 GW). Dit wordt bv. gewaarborgd door de benoeming voor het leven. Ook het openbaar ministerie moet onafhankelijk opereren. Art. 151, 1 GW vermeldt echter geen organieke onafhankelijkheid, die nochtans een belangrijke voorwaarde voor een onafhankelijke rechtspraak is. 5 Motiveringsverplichting Art. 149 GW bepaalt dat alle rechterlijke uitspraken gemotiveerd moeten zijn. Dit maakt controle mogelijk. Het Hof van Cassatie interpreteert art. 149 GW evenwel zo dat het zou gaan om formele motivering. Hoe gemotiveerd wordt is irrelevant, al is de rechter wel verplicht om op alle middelen van de partijen te antwoorden (art. 1138, 3 Ger. W.). 6 Redelijke termijn Art. 6 EVRM waarborgt dat ieder geschil binnen een redelijke termijn moet zijn opgelost. Wat redelijk is, wordt evenwel in concreto bepaald. Een geschil loopt van de vordering tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. Gezien de gerechtelijke achterstand, is dit een belangrijk gegeven. 7 Partijautonomie en beschikkingsbeginsel Het burgerlijk proces is een accusatoir proces. Dit houdt niet in dat de rechter een louter lijdelijk figuur is, wel dat het aan de partijen toekomt om het initiatief te nemen om te procederen, en dat zij bovendien de grenzen van het beding bepalen. De eiser bepaalt welke partijen in het geding betrokken worden (art. 811 Ger. W.), wat het voorwerp is van de vordering (het is de rechter verboden extra of ultra petita uitspraak te doen; art, 1138, 2 Ger. W.) en wat de oorzaak van de vordering is. Dit is het geheel aan feiten en handelingen die de vordering moeten staven. De eiser moet dus in principe niet (om de toegang tot het gerecht laagdrempelig te houden) aangeven wat het toepasselijke recht is (iura novit curia). De rechtbank is verplicht om ambtshalve het toepasselijke recht te vinden (da mihi factum, dabo tibi ius). Daarbij mag de rechter evenwel niet het voorwerp of de oorzaak van de vordering wijzigen. De verweerder kan vervolgens het geschil verruimen door andere geschilpunten aan te halen. Hij kan ook excepties oproepen of een tegeneis instellen. De rechter moet rekening houden met dit dynamische karakter van het proces. Hoewel de partijen dus grotendeels meester zijn van het geding (beschikkingsbeginsel), heeft de rechter ook een belangrijke taak. Hij heeft de leiding over het geding en waakt erover dat de regels worden nageleefd en er een redelijke termijn wordt nageleefd. Hij heeft ook de leiding over de bewijsvoering. Hoewel hij feiten waarover geen betwisting bestaat moet aanvaarden (tenzij algemeen gekend is dat ze fout zijn), kan hij de nodige onderzoeksmaatregelen bevelen of oordelen vanuit zijn eigen ervaring. Ten derde is de rechter ertoe gehouden excepties van openbare orde ambtshalve op te roepen. Ten slotte mag de rechter de opgeworpen rechtsgronden ambtshalve aanvullen. De rechter moet echter steeds de rechten van de verdediging respecteren. Zo moet het beginsel van hoor en wederhoor worden gerespecteerd bij het aanvullen van de rechtsgronden. Desgevallend kunnen de debatten daartoe opnieuw worden geopend. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 8

9 G. Misbruik van procesrecht Procesrechtsmisbruik is het zonder redelijk belang gebruiken van de regels van het procesrecht voor een ander doel dan datgene waarvoor die regels bedoeld waren, of het gebruik ervan op een wijze die niet strookt met de proceseconomie. Traditioneel werd dit geschoeid op de figuur van het rechtsmisbruik (ex art BW), maar dit lijkt ontoereikend, omdat de bewijslast groot is en niet aangepast aan een van de doelen: het belang van de rechterlijke macht en het terugdringen van de gerechtelijke achterstand. Daarom lijkt een grondslag in de soort objectieve goede trouw ( betamelijke procesvoering ) meer geschikt. Dit kan worden bestreden met bijzondere sancties (vb. sinds 2007: een civiele boete ex art. 780bis Ger. W.) of door de mogelijkheden die het wetboek biedt om loyaal procederen verplicht te stellen, zo veel mogelijk uit te putten. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 9

10 2. De actoren van justitie A. De rechter 1 De complexe structuur van de gerechtelijke organisatie De structuur van de Belgische justitie is erg complex. Ten eerste is er een dubbele spreiding: zowel inhoudelijk als territoriaal. Bovendien geldt de regel van de dubbele aanleg: elk vonnis in eerste aanleg is in beginsel vatbaar voor hoger beroep. Ten slotte is elk vonnis in laatste aanleg voor cassatietoezicht. Elke rechtbank heeft een vaste zetel (art. 186 Ger. W.). Ook de magistraten zijn, op enkele uitzonderingen na (art en 113bis Ger. W.), verbonden aan een of meer vaste zetels. Om tekorten bij bepaalde rechtbanken op te vangen, kan de koning tijdelijk gebruik maken van toegevoegde rechters (art. 86bis Ger. W.). Rechtscolleges zetelen met 1, 3, 5, 9 of 11+ magistraten. Hoe hoger een college in gerechtelijke piramide staat, hoe meer magistraten. 2 De rechtscolleges Zie deel 3. 3 Algemene vergadering werkingsverslag Per rechtsgebied van het hof van beroep wordt een algemene vergadering ingesteld voor de vrederechters, politierechters en de bijhorende toegevoegde rechters. Voor hogere rechtbanken is er een algemene vergadering per rechtbank of hof (art. 340, 1 Ger. W.). Deze vergadering stelt onder andere het jaarlijks werkingsverslag op (art. 340, 2, 2 en 3 Ger. W.), dat organisatorische en praktische gegevens bevat. 4 Toegang tot en loopbaan binnen de magistratuur (1) Algemene begrippen Art. 58bis Ger. W. maakt een onderscheid tussen enerzijds benoemingen, dit zijn ambten waarin iemand voor het leven benoemd wordt, en anderzijds mandaten, dit zijn tijdelijke functies waartoe iemand aangewezen wordt. Wat de benoemingen betreft, moeten we een verder onderscheid maken tussen basisbenoemingen (eerste stap in de magistratuur) en bevorderingsbenoemingen (in beginsel enkel toegankelijk voor wie al magistraat is). Een variant op de basisbenoemingen zijn de benoemingen tot plaatsvervangend rechter, waarbij de persoon in kwestie geen beroepsmagistraat wordt. (2) Basisbenoeming De wetgever heeft geprobeerd om een zo objectief mogelijk benoemingsbeleid te voorzien. Om magistraat te worden, moet aan twee soorten voorwaarden voldaan zijn (art. 187 e.v. Ger. W.). Enerzijds zijn moet een kandidaat aan bepaalde voorwaarden voldoen (diploma rechten, soms leeftijdsvereiste) en een examen afleggen, waartoe hij pas toegang krijgt na het doorlopen van een gerechtelijke stage (3 jaar) of na 7 jaar relevante beroepservaring. Een derde weg tot benoeming is een mondeling evaluatie-examen. De beroepservaringsvereisten zijn wel strenger (art. 187bis, art. 191bis en 194bis Ger. W.). Na bekendmaking in het staatsblad (art. 287, lid 4 Ger. W.) kunnen gegadigden (die al geslaagd zijn voor het examen) zich kandidaat stellen. De koning wint een reeks adviezen Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 10

11 (art. 259ter, 1 Ger. W.) in en maakt een dossier op (art. 259ter, 2, lid 5 Ger. W.). Dit dossier wordt overgemaakt aan de Hoge Raad voor Justitie (benoemings- en aanwijzingscommissie) (art 258ter, 4, lid 1 Ger. W.). Na een mondelinge bevraging (art. 259ter, 4, lid 4 Ger. W.) draagt de BAC één kandidaat voor (art. 259, 4, lid 1 Ger. W.). De koning beschikt vervolgens over zestig dagen om de kandidaat te benoemen of te weigeren (art. 259ter, 5 Ger. W.). Wordt een kandidaat geweigerd, gaat het dossier terug naar de BAC die dezelfde kandidaat kan voordragen of een nieuwe kiezen. Wordt een kandidaat twee keer geweigerd, kan hij niet meer worden voorgedragen. De beslissing om al dan niet te benoemen is een administratieve rechtshandeling in de zin van art. 14, 1 R.v.St.-wet. Tot slot legt de nieuwbakken magistraat de eed af (art. 288 e.v. Ger. W.). Examen Vacature en kandidatuurstelling Opmaken dossier Mondelinge bevraging door BAC Voordragen kandidaat Afwijzing of goedkeuring koning Installatie (3) Bevordering Bij een bevordering wordt een magistraat gepromoveerd naar een hoger rechtscollege. Ook hier gelden bepaalde ervaringsvereisten (art. 207, 3 en art. 254, 3 Ger. W.). De procedure is gelijklopend aan de benoeming (art. 259ter, 3 Ger. W.) (4) Korpschefs Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 11

12 Korpschefs (art. 58bis, 2 Ger. W.) worden door de koning aangewezen op voordracht van de BAC (art. 259quater, 1 Ger. W.). (5) Adjunct-mandaten Adjunct-mandaten (art. 58bis, 3 Ger. W.) worden aangewezen door de algemene vergadering of, in kleine rechtbanken, door de korpschef (art. 259quinquies, 1, 1 Ger. W.). De koning wijst de adjunct-mandaten bij de parketten aan (art. 259quinquies, 1, 2 Ger. W.). (6) Bijzondere mandaten De benoeming voor bijzondere mandaten (art. 58bis, 4 Ger. W.) vindt plaats volgens de procedure in art. 259sexies Ger. W. Er moet hierbij een onderscheid gemaakt worden tussen staande en zittende magistratuur. (7) Evaluatie Art. 151, 6 GW voorziet een systeem van evaluatie voor de magistraten (cf. ook art. 259nonies Ger. W.). Enerzijds worden werkende beroepsmagistraten periodiek geëvalueerd (art. 259decies Ger. W.). Bij een onvoldoende wordt het loon verminderd tot de evaluatie beter is. Anderzijds worden uitoefenaars van een mandaat bij het beëindigen ervan ook geëvalueerd, met het oog op een nieuwe of een vaste benoeming (art. 259decies Ger. W.). (8) Vlakke loopbaan De verloning van de magistraten stijgt de facto nauwelijks naarmate de functie die ze bekleden. Op deze manier wilde de wetgever de mobiliteit van de in verhouding weinig betaalde magistraat te beperken. 5 Werklastmeting Art. 352bis Ger. W. stelt een werklastmeting in het vooruitzicht, maar dit artikel is nog niet uitgevoerd. 6 Tuchtrecht Art. 404 voorziet in twee gevallen in de mogelijk om een tuchtstraf in te stellen: bij het niet nakomen van ambtsverplichtingen of bij onbetamelijk gedrag en bij het verwaarlozen van de taken die bij het ambt horen. Er zijn lichte (art. 405, 1 Ger. W.) en zware (art. 405, 2 Ger. W.) tuchtstraffen. Art. 410 bepaalt welke instanties een licht tuchtstraf kunnen opleggen. Zware tuchtstraffen worden door de overheden in art. 421 Ger. W. opgelegd, na advies van de Nationale Tuchtraad (art. 409 Ger. W.). Er is beroep mogelijk bij verscheidende instanties (art. 415 Ger. W.). B. Referendarissen bij het hof van cassatie referendarissen en parketjuristen 1 Referendarissen bij het hof van cassatie Het Hof van Cassatie wordt bijgestaan door referendarissen (art. 135bis Ger. W.). Ze worden na een vergelijkend examen (art. 259duodecies Ger. W.) door de koning benoemd voor een stage van drie jaar. Daarna kunnen ze definitief benoemd worden (art. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 12

13 259terdecies Ger. W.). Hoewel ze niet het statuut van magistraat hebben, worden ze toch geëvalueerd (art. 259nonies en 259decies Ger. W.). 2 Referendarissen en parketjuristen Referendarissen staan de hoven van beroep en de rechtbanken van eerste aanleg bij. Parketjuristen doen hetzelfde voor het respectievelijke openbare ministerie (art.156ter Ger. W.). Hun benoeming en statuut is gelijkaardig aan die van de referendarissen bij het Hof van Cassatie (art. 206bis en 206ter Ger. W.). C. Openbaar ministerie 1 Statuut Het openbaar ministerie (art. 153 GW) maakt deel uit van de rechterlijke macht, maar vertegenwoordigt daar de uitvoerende macht. Ze staan dus voor een belangrijk deel hiërarchisch onder de minister van Justitie. Om die reden zijn ze ook afzetbaar. In burgerlijke zaken waken zij erover dat de wet juist toegepast wordt en treden op als de openbare orde of de goede rechtsbedeling in het geding komt. De organisatie van het openbaar ministerie (de zogenaamde staande magistratuur) wordt geregeld in de art Ger. W. 2 Kenmerken Het O.M. is een eenheid. Elk lid ervan wordt geacht op te treden namens het gehele O.M. De eenheid komt ook structureel tot uiting. De minister van Justitie heeft een bindend gezag, maar ook de hiërarchische organisatie moet de integratie tot uiting brengen. Het O.M. is in beginsel een onafhankelijk instituut. Hoewel de minister van Justitie het beleid en de richtlijnen bepaalt en positieve juncties kan geven (art. 151, 1 GW), kan hij voor het overige het O.M. niet belemmeren. Vanuit de scheiding der machten is het O.M. ook onafhankelijk van de rechter. De rechter kan in beginsel geen bevelen geven. Ten slotte is het O.M. ook onafhankelijk tegenover de partijen en is het dus onderworpen aan onverenigbaarheden (art. 292 e.v. Ger. W.). De leden van O.M. staan onder hiërarchisch van hun meerderen, maar mogen desalniettemin hun eigen oordeel steeds te kennen geven. 3 Taak van het O.M. in burgerlijke zaken Artikel 138bis Ger. W. omschrijft de taak van het O.M. Vooreerst kan O.M. optreden bij wijze van (rechts)vordering. Het O.M. treedt op als partij en kan een rechtsvordering instellen, rechtsmiddelen aanwenden of bepaalde maatregelen vorderen. Optreden is mogelijk als de wet het voorschrijft en zelfs verplicht als de openbare orde in gevaar komt (ook al laat de wet het louter toe). Als een zaak de openbare raakt, is het O.M. bovendien verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak. Het O.M. kan (en moet soms) ook een niet-bindend advies verstrekken. In bepaalde gevallen (vnl. art Ger. W.) moeten daartoe bepaalde zaken aan het O.M. worden meegedeeld. Naast deze middelen kan het O.M. bepaalde inlichtingen inwinnen bij de overheid. Dit is mogelijk als het O.M. als partij optreedt en wanneer de wet dit voorziet. Voor sociale zaken geldt een specifieke regeling (art. 138ter Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 13

14 D. Hoge raad voor de justitie 1 Situering en samenstelling In de nasleep van de affaire Dutroux werd gezocht naar een manier om de politisering van de rechterlijke macht tegen te gaan. In art. 151 GW werd daarom voorzien in de oprichting van een Hoge Raad voor de Justitie. De Hoge raad bestaat uit twee colleges (Nederlands- en Franstalig), die samengesteld zijn uit evenveel magistraten (verkozen door hun collega s) als niet-magistraten (verkozen door de senaat). Elk college bestaat uit een Benoemings- en aanwijzingscommissie en een Advies- en onderzoekscommissie. Uit zijn midden kiest de Hoge Raad in algemene vergadering een bureau, dat belast is met de dagelijkse werkzaamheden. De leden van de Hoge Raad worden verkozen voor een periode van vier jaar. Slechts iets meer dan de helft van alle leden is herverkiesbaar. Er zijn ook een aantal onverenigbaarheden (art. 259bis-3, 2 Ger. W.). 2 Bevoegdheden Art. 151, 3 GW bevat de bevoegdheden van de raad. Deze hebben betrekking op de loopbaan en de vorming van de magistratuur en de werking van de rechterlijke macht, al is er soms overlapping met het ministerie van justitie. E. Adviesraad voor de magistratuur Deze raad zou adviezen moeten verstrekken over de positie van de magistratuur, maar is nog niet geïnstalleerd. F. De advocaat 1 Taak De advocaat staat de particulier bij, die meestal onvoldoende juridische kennis heeft om zijn rechten juridisch af te dwingen. Behoudens enkele uitzonderingen (art ) is dit evenwel niet verplicht (art. 728 en 758 Ger. W.). De advocaat zal vooreerst juridische adviezen verstrekken. In geschillen zal hij eerst proberen om tot een minnelijke schikking te komen, en als dat niet lukt de procedure inleiden. Daarnaast wordt vaak op de advocaat een beroep gedaan voor het vervullen van gerechtelijke opdrachten allerlei. 2 Rechten en plichten De toegang het beroep van advocaat is beperkt en vereist o.a. een stage (art. 434 Ger. W.). De advocaat is onderworpen aan deontologische regels (o.a. een aantal onverenigbaarheden), waarvan de belangrijkste het beroepsgeheim is. De advocaat die is ingeschreven aan de balie, mag in principe overal pleiten (met uitzondering van het Hof van Cassatie) (art. 439 Ger. W.). In een aantal gevallen kan een partij kan zich echter ook laten bijstaan door andere personen (art. 440, lid 2 Ger. W.). De advocaat wordt in beginsel vermoed de gevolmachtigde van de partij te zijn (art. 440, lid 2 Ger. W.) en kan alle proceshandelingen stellen die noodzakelijk zijn. Fouten van de advocaat worden bijgevolg aan de partij toegerekend. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 14

15 3 De verhouding advocaat-cliënt De verhouding advocaat-cliënt wordt doorgaans beheerst door het contractenrecht. Uitzonderingen zijn de gevallen waarin van hogerhand een advocaat wordt toegewezen. Behalve bij pro-deo-advocaten ontvangt de advocaat een honorarium, dat per zaak of per abonnement kan worden geregeld. Het ereloon moet worden berekend met enige bescheidenheid en mag niet afhangen van de uitslag van het geschil (art. 446ter Ger. W.). Wel spelen andere zaken mee, zoals het belang van de zaak of de reputatie van de advocaat. Een beperkt deel van het ereloon kan worden teruggekregen via de rechtsplegingsvergoeding (cf. supra). 4 Voorwaarden om advocaat te worden Deze voorwaarden zijn vervat in art Ger. W. Vereist is bovendien dat de advocaat onder alle geval een zelfstandige blijft en dat hij lid is van de balie. 5 Organisatie van de balie De balie is van de 28 Ordes van Advocaten (één per gerechtelijk arrondissement, twee in Brussel), die rechtspersoonlijkheid hebben (art. 431 Ger. W.). Een Orde wordt voorgezeten door een stafhouder (art. 447 Ger. W.). De Raad van de orde oefent een tuchtbevoegdheid uit (art. 469 Ger. W.), naast een reeks praktische taken. 6 Advocaten bij het Hof van Cassatie De advocaten bij het Hof van Cassatie zijn ambtenaren-advocaten wiens bijstand verplicht is in burgerlijke zaken (art. 478 Ger. W.). Hun kunde moet de hoogstaande werking van het Hof garanderen. Ze zijn niet exclusief aan het Hof verbonden. De 20 advocaten bij het Hof van Cassatie vormen een eigen orde, die o.a. de reglementen vaststelt (art. 484bis Ger. W.) en de tuchtbevoegdheid uitoefent. 7 Orde van Vlaamse balies en ordre des barreaux francophones et germanophone Er is geen gemeenschappelijke Orde van Balies (art. 488 Ger. W.), maar toch zijn er connecties via overleg- en arbitrageorganen (art. 503 Ger. W.). Elke orde bestaat uit een algemene vergadering en een raad van bestuur (art. 489 en Ger. W.). De orde stelt gemeenschappelijke reglementen op, vertegenwoordigt de advocaten en neemt nuttige maatregelen (art Ger. W.). Na publicatie in het Staatsblad (art. 497 Ger. W.) zijn de reglementen vatbaar voor nietigheid na een vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, een advocaat of elke belanghebbende (art. 611 Ger. W. jo. art. 501 Ger. W.). G. Griffier De griffie is het secretariaat van een rechtscollege. Het is o.a. verantwoordelijk voor de opvolging van het gedingverloop en de plaats waar gerechtelijke stukken worden neergelegd en bewaard (art. 173 Ger. W.). Een griffier is geen magistraat, maar maakt wel deel uit van de rechterlijke orde (art. 171, lid 3 Ger. W.). De griffie staat onder leiding van de hoofdgriffier (art. 171, lid 2 Ger. W.). De taken van de griffie zijn veelvuldig. Belangrijk is dat elke rechter wordt bijbestaan door een griffier (art. 173, lid 2 Ger. W.). Hij is daarbij ook een onafhankelijk orgaan, dat een controle uitoefent op rechtsgebeuren. Het O.M. oefent de controle over de goede werking en de tucht uit (art. 140 Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 15

16 H. De gerechtsdeurwaarder De gerechtsdeurwaarder is een openbaar ambtenaar die binnen een arrondissement (art. 513 Ger. W.) een aantal gerechtelijke taken uitvoert (art. 516 Ger. W.). Hij is daartoe, binnen de grenzen van de wet, verplicht (art. 517 Ger. W.). Toch is hij ook lasthebber van de schuldeiser die hem aanspreekt, wat tot stond komt door de afgifte van de grosse en de betaling van een tarief (art. 519 Ger. W.). Dit alles maakt de positie van de gerechtsdeurwaarder ambivalent. Er bestaat een arrondissementskamer (art. 535 Ger. W.) en nationale kamer (art. 549 Ger. W.) van gerechtsdeurwaarders, die o.a. de tucht uitoefenen. Zware straffen worden opgelegd door de rechtbank van eerste aanleg (art. 532 Ger. W.). Bovendien is de gerechtsdeurwaarder zowel contractueel (tegenover opdrachtgever) als buitencontractueel (tegenover derden) aansprakelijk. De toegang tot het beroep is beperkt (art Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 16

17 3. Bevoegdheid A. Algemene begrippen Het begrip bevoegdheid moet onderscheiden worden van het begrip rechtsmacht. Rechtsmacht slaat op de uitoefening van de rechterlijke macht als geheel (art. 40 GW). Zo behoren bestuursrechtelijke geschillen niet tot die rechterlijke macht. Rechtsmacht is ook de bevoegdheid die een rechter heeft in een concreet geschil (cf. infra). Bevoegdheid is de rechtsmacht die de wet aan een bepaalde rechter concreet heeft toebedeeld (art. 8 Ger. W.). Deze bevoegdheid kan materieel (art. 9 Ger. W.) of territoriaal gedefinieerd (art. 10 Ger. W.) worden. Wordt de rechtsmacht niet gerespecteerd, is er sprake van machtsoverschrijding. Wordt de bevoegdheid overschreden, is er onbevoegdheid. Een rechter mag zijn beslechtingsmacht niet overdragen (art. 11, lid 1 Ger. W.). Hij mag ook geen bevelen geven aan andere rechters of aan vreemde gerechtelijke overheden (art. 11, lid 2 Ger. W. jo. art Ger. W). B. Materiële bevoegdheid 1 Algemene beginselen Art. 9 Ger. W. somt de vier componenten op waarrond de materiële bevoegdheid opgebouwd is (aard/waarde/urgentie geschil+hoedanigheid partijen). De algemene bevoegdheid is het geheel van de normale materiële bevoegdheden en wordt bepaald door de waarde. Bijzondere bevoegdheden worden door de wetgever uitdrukkelijk opgesomd en toegewezen aan een rechtscollege. De waarde speelt geen rol. Exclusieve bevoegdheden worden door de wetgever uitsluitend aan één rechtscollege toegewezen, bij uitsluiting van alle andere. Het doel van de materiële bevoegdheidsverdeling is een rationele inhoudelijke taakverdeling. Hierbij wordt soms wel eens wat arbitrair te werk gegaan. De materiële bevoegdheid raakt de openbare orde. Dit impliceert o.m. dat er geen overeenkomsten kunnen worden gesloten hierover. De materiële bevoegdheid wordt bepaald op het moment dat het geding wordt ingeleid. Een exceptie van materiële onbevoegdheid kan altijd worden ingeroepen (art. 854 Ger. W.). 2 Onderzoek van de componenten (1) Voorwerp van de eis De rechter moet zijn bevoegdheid beoordelen op basis van het voorliggende geschil, zoals dat blijkt uit de gedinginleidende akte. Dit is niet zonder kritiek, omdat partijen op die manier een bevoegdheid kunnen omzeilen. Aan de rechtbank van eerste aanleg werd een volheid van bevoegdheid toegekend (art 568, lid 1 Ger. W.), maar die is voorwaardelijk: vereist is dat de verweerder akkoord gaat (art. 568, lid 2 Ger. W.) en dat vordering niet rechtstreeks voor het Hof van Beroep of Cassatie had moeten komen. (2) Waarde van de eis Wat de waarde van eis betreft, moet een onderscheid gemaakt worden tussen eisen die in geld zijn uitgedrukt, eisen die waardeerbaar zijn en de andere eisen. Als de bevoegdheid ratione summae wordt bepaald door het bedrag van de eis, omvat het gevorderde bedrag en de eventuele interesten, zoals bepaald in de gedinginleidende akte (art. 557 Ger. W. en 1385nonies). Bestaat het uit meerdere Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 17

18 elementen, moet het bedrag worden bepaald volgens de art Ger. W. Het gevorderde bedrag mag niet gemanipuleerd worden om onder een bepaalde bevoegdheid te vallen. Is de eis niet uitgedrukt in geld, dan moet eerst gekeken naar de bijzondere bevoegdheden. Behoort de eis niet tot de uitsluitende bevoegdheid van een rechtbank, dan heeft de eiser de keuze om de vordering voor de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel of de vrederechter te brengen (art. 592, lid 1 Ger. W.). Op verzoek van de verweerder (niet ex officio) kan de rechter de waarde onderzoeken en de eis naar de bevoegde rechter verwijzen (art. 592, lid 2 en 3 Ger. W.). In deze hypothese wordt het geschil steeds in eerste aanleg beslecht (art. 619 Ger. W.). Bij alle overige vorderingen wordt de bevoegdheid bepaald door het voorwerp van de eis. (3) Urgentie Het spoedeisend karakter van de zaak is determinerend om te bepalen of een zaak in kort geding kan worden behandeld. Dit wordt evenwel pas beoordeeld op het moment van de uitspraak. (4) Hoedanigheid van de partijen In principe is de hoedanigheid van de partijen enkel belangrijk bij de rechtbank van koophandel (art. 573, lid 1 Ger. W.), maar ook daar wordt afbreuk aan gedaan (art. 573, laatste lid Ger. W.). Vereist is bovendien slechts dat de partij de vereiste hoedanigheid bezat op het moment dat de betwiste (rechts)handeling werd gepleegd. C. De territoriale bevoegdheid 1 Begrip, functie, aard De territoriale bevoegdheid is de rechtsmacht die de rechter toebehoort in een bepaald rechtsgebied (art. 10 en 622 Ger. W.). Dit beoogt een verdere werklastverdeling, zorgt dat er rechtbanken in de nabijheid zijn en wil voorkomen dat een verweerder voor eender welke rechtbank gedagvaard kan worden. De territoriale bevoegdheid raakt in beginsel niet aan de openbare orde. Art. 624 Ger. W. bevat de gevallen die van suppletief recht zijn. De partijen kunnen er zowel voor als na het ontstaan van het geschil conventioneel afwijken. Art bevatten de regels die van louter dwingend recht zijn. De partijen kunnen slechts na het geschil afwijken (art. 630 Ger. W.). Art ten slotte bevatten regels die van openbare orde zijn. De territoriale bevoegdheid moet worden beoordeeld worden aan de hand van de gedinginleidende akte. Wil de andere partij een exceptie van onbevoegdheid opwerpen, moet dat in limine litis (voor de zaak ten gronde wordt behandeld; in het begin) gebeuren, tenzij het gaat om een regel van openbare orde (art. 854 Ger. W.). 2 Bevoegdheidsovereenkomsten Een bevoegdheidsovereenkomst is een overeenkomst waarmee partijen overeenkomen bepaalde geschillen uit een rechtsverhouding aan een bepaalde rechtbank te onttrekken of toe te wijzen. Deze wordt beheerst door het verbintenissenrecht. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 18

19 3 Verstek van de verweerder Als de verweerder verstek laat, wordt vermoed dat hij de bevoegdheid afwijst (art. 630, lid 2. Ger. W.). De rechter moet zijn bevoegdheid onderzoeken en desgevallend de zaak naar de arrondissementsrechtbank verwijzen (art. 640 Ger. W.). D. Bevoegdheidsverdeling 1 De rechtscolleges en hun materiële bevoegdheid (1) Vrederechter Er is één vredegerecht per kanton (art. 59 Ger. W.), waarvan er 187 zijn. De vrederechter zetelt alleen en wordt zoals alle rechters bijgestaan door een griffier (art. 170 Ger. W.). Er kunnen plaatsvervangende (art. 64 Ger. W.) en toegevoegde rechters (art. 69, lid 1 Ger. W.) worden benoemd. Er is geen O.M. De algemene bevoegdheid van de vrederechter zijn geschillen waarvan de waarde 1860 niet te boven gaat en die niet aan zijn rechtsmacht onttrokken zijn door de wet (art. 59à Ger W.). De bijzondere bevoegdheid (dus los van de waarde) wordt opgedeeld in de procedures op tegenspraak (art. 591 Ger. W.), de eenzijdige rechtspleging (art. 594 Ger. W.) en ondergeschikte vorderingen daarbij (art. 593 Ger. W.). De vrederechter is exclusief bevoegdheid voor o.m. voogdij en onteigening (art Ger. W.) Hij heeft ook aantal niet-jurisdictionele taken (art Ger. W.). (2) Politierechtbank Per gerechtelijk arrondissement (27 stuks) is er een politierechtbank (art. 60, lid 1 Ger. W.), die uit een of meerdere kamers bestaat (art. 60, lid 3 Ger. W.). Er kunnen plaatsvervangende (art. 64 Ger. W.) en toegevoegde rechters (art. 69, lid 1 Ger. W.) worden benoemd. Het O.M. wordt waargenomen door de procureur des konings. De politierechtbank is (op burgerrechtelijk vlak) bevoegd om kennis te nemen van alle vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval (art. 601bis Ger. W.). De politierechtbank neemt ook kennis van het beroep tegen bepaalde administratieve sancties (art. 601ter Ger. W.). (3) Rechtbank van eerste aanleg In elk gerechtelijk arrondissement is er een rechtbank van eerste aanleg (art. 73 Ger. W.). Meerdere afdelingen kunnen opgericht worden (art. 186, lid 2 Ger. W.). De rechtbank van eerste aanleg bestaat uit een plethora van kamers en rechters met een bepaalde specialiteit (art. 76 en 79 Ger. W.). Er is een voorzitter (art. 77 Ger. W.) en er kunnen toegevoegde (art. 86bis Ger. W.), plaatsvervangende (art. 87 Ger. W.) en geassumeerde rechters (art. 322 en 442 Ger. W.) worden benoemd. In principe zetelt de rechter alleen, tenzij een partij verzoekt om de zaak door drie rechters te laten berechten (art. 91, lid 1 Ger. W.). Het O.M. wordt waargenomen door de procureur des konings (art. 150 Ger. W.). De rechtbank van eerste aanleg heeft een voorwaardelijke volheid van bevoegdheid (art. 568, lid 1 Ger. W.). Ze neemt kennis van alle vorderingen, behalve als de vordering tot de exclusieve bevoegdheid van een andere rechtbank behoort, als de zaak rechtstreeks voor het Hof van Beroep of het Hof van Cassatie moet komen of als de verweerder de vordert de zaak voor het wettelijke uitzonderingsgerecht wordt beslecht. De exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg staat opgesomd in de art Ger. W. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 19

20 De rechtbank van eerste aanleg neemt als appelrechter kennis van hogere beroepen tegen vonnissen van de vrederechter (art. 577, lid 1 Ger. W.), tenzij de rechtbank van koophandel bevoegd is (art. 577, lid 2 Ger. W.). Soms is de rechtbank ook appelrechter tegen vonnissen van de politierechtbank (art. 601bis Ger. W.). Tot slot heeft de rechtbank van eerste aanleg een aantal tuchtrechtelijke en nietjurisdictionele bevoegdheden (art. 571 en 572 Ger. W.). Zoals al aangegeven zijn er een aantal specifieke kamers (beslagrechter, strafuitvoeringsrechtbank, jeugdrechtbank). De voorzitter doet uitspraak in kort geding (art. 584, lid 1 Ger. W.) en in een aantal gevallen zoals in kort geding (o.m. art. 587 Ger. W.). Hij doet uitspraak over verdelingsincidenten (zie verder) en heeft een aantal specifieke bevoegdheden (art. 585 en 586 Ger. W.). (4) Arbeidsrechtbank In elk gerechtelijk arrondissement is er een arbeidsrechtbank (art. 73 Ger. W.). De rechtbank bestaat uit beroepsmagistraten (rechters in de arbeidsrechtbank) en lekenmagistraten (rechters in sociale zaken) (art. 81 lid 1 en 2 Ger. W.). De samenstelling wisselt naar het gelang het soort geschil en naar gelang het gaat om een gewone zaak of om kort geding. Het O.M. wordt waargenomen door het arbeidsauditoraat (art. 152 Ger. W.). De arbeidsrechtbank neemt ongeacht het bedrag van de eis kennis van alle geschillen die betrekking hebben op het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht (art. 590, lid 1 in fine Ger. W. jo. art Ger. W.). Dit is geen algemene bevoegdheid. De bevoegdheid van de arbeidsrechtbank is beperkt tot de gevallen in de wet beschreven. De arbeidsrechtbank heeft ook een exclusieve bevoegdheid: de toepassing van administratieve sancties in het kader van bepaalde sociale wetten (art. 583, lid 1 Ger. W.). De voorzitter heeft dezelfde algemene bevoegdheden als de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg (art. 584 Ger. W.) kort geding, zoals in kort geding en eenzijdig verzoekschrift. (5) Rechtbank van koophandel Per arrondissement is er een rechtbank van koophandel (art. 73 Ger. W.). Deze bestaat eveneens uit beroepsmagistraten en lekenrechters. Een kamer zetelt met één beroepsmagistraat en twee lekenrechters (art. 84, lid 2 Ger. W.). Er is een voorzitter (art. 77 Ger. W.) en er kunnen toegevoegde (art. 86bis Ger. W.), plaatsvervangende (art. 87 Ger. W.) en geassumeerde rechters (art. 322 en 442 Ger. W.) worden benoemd. Het O.M. wordt waargenomen door de procureur des koning (art. 150 Ger. W.). De rechtbank van koophandel is bevoegd voor geschillen tussen kooplui betreffende daden van koophandel (art. 573, lid 1, 1 Ger. W.) (cf. ook supra), voor zover deze niet onder de bevoegdheid van de vrederechter of politierechter vallen. Het volstaat dat de verweerder op het moment van de litigieuze handeling de hoedanigheid van koopman had (art. 573, lid 2 Ger. W.). Wat wisselbriefjes en ordebriefjes betreft, is de rechtbank van koophandel altijd bevoegd (art. 573, lid 1, 2 Ger. W.) (is eigenlijk een bijzondere bevoegdheid, domme wetgever). De bijzondere bevoegdheden van de rechtbank van koophandel staan opgesomd in art. 574 Ger. W. Art. 574, 2 is daarbij een uitsluitende bevoegdheid. De rechtbank van eerste aanleg is appelrechter in de zaken die voor vrederechter verschenen zijn en onder de beschrijving in art. 573, lid 1, 1 zouden vallen (art. 577, lid 1 Ger. W.). Zowel eiser als verweerder moeten handelaar zijn. Deze regels zijn van openbare orde. De rechtbank van koophandel heeft ook enkele niet-jurisdictionele bevoegdheden (art. 576 Ger. W.). De voorzitter heeft dezelfde bevoegdheden als die van de rechtbank van de arbeidsrechtbank (at. 584 en 588 Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 20

21 (6) Arrondissementsrechtbank In ieder arrondissement is er een arrondissementsrechtbank (art. 73 Ger. W.). Deze bestaat uit de voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel (art. 74 Ger. W.). De procureur des konings neemt het O.M. waar (art. 150 Ger. W.). Zij moet oordelen over bevoegdheidsconflicten, zowel materieel als territoriaal. (7) Hof van Beroep Er zijn vijf hoven van beroep, maar territoriale afdelingen kunnen worden opgericht (art. 186 Ger. W.). Het hof van beroep bestaat uit kamers voor burgerlijke zaken, strafzaken en jeugdzaken (art. 101, lid 1 Ger. W.). Er zijn enkele aanvullende kamers. Behalve de jeugdkamer (één raadsheer) zetelen drie raadsheren (art. 109bis Ger. W.). Er is een voorzitter voor het hof en een voorzitter per kamer (art. 101, lid 4 Ger. W.). Er zijn ook plaatsvervangende raadsheren (art. 102 Ger. W.). Het O.M. wordt waargenomen door de procureur-generaal bij het hof van beroep (art. 143, 1 Ger. W.). Het hof van beroep neemt als appelrechter kennis van vonnissen en beschikkingen van de rechtbank van eerste aanleg en van koophandel (art. 602, 1 en 2 Ger. W.) binnen zijn rechtsgebied (algemene bevoegdheid). Dit is een regel van openbare orde. De bijzondere bevoegdheid (als appelrechter) staat opgesomd in art. 602, Ger. W.). Ook bepaalt de GW dat het hof bevoegd is voor de berechting van misdrijven van ministers. (8) Arbeidshof Er zijn vijf arbeidshoven (art. 103, lid 1 Ger. W.). Een arbeidshof bestaat uit een voorzitter, kamervoorzitters, raadsheren en lekenmagistraten (art. 103, lid 2 Ger. W.). Een kamer zetelt met één beroepsmagistraat en twee lekenmagistraten (art. 104 Ger. W.). Het O.M. wordt vertegenwoordigd door het arbeidsauditoraat-generaal (art. 145 Ger. W.). Het arbeidshof is de appelrechter voor vonnissen en beschikkingen van de arbeidsrechtbanken binnen zijn rechtsgebied (art. 607 Ger. W.). (9) Hof van Cassatie Er is één Hof van Cassatie voor heel België. Het bestaat uit een eerste voorzitter, een voorzitter, afdelingsvoorzitters en raadsheren in het Hof van Cassatie (art. 129 Ger. W.). er zijn drie kamers, voor respectievelijk burgerlijke zaken, strafzaken en sociale zaken (art. 133 Ger. W.). Elke kamer bestaat uit een Nederlandstalige en Franstalige afdeling (art. 128, lid 2 Ger. W.). De procureur-generaal neemt het O.M. waar samen met advocaten-generaal (art. 142 Ger. W.). Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het Hof zijn gebracht omwille van overtreding van de wet of op straffe van nietigheid voorgeschreven of substantiële vormvereisten (at. 608 Ger. W.). Het Hof treedt niet in de feiten. Het Hof heeft enkele bijzondere bevoegdheden (art Ger. W.) en enkele bevoegdheden in het tuchtrecht (art Ger. W.). 2 Materiële bevoegdheid tussenvordering (1) Principe De bevoegdheid wordt in beginsel slechts bepaald aan de hand van de gedinginleidende akte. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 21

22 (2) Tussengeschillen m.b.t. tot de eis Tussengeschillen met betrekking tot de eis hebben geen invloed op de bevoegdheid. De eis kan dus aangevuld worden of gewijzigd. (3) Tussengeschillen m.b.t. het verweer, tegeneis, tussenvordering, samenhang en aanhangigheid Verweermiddelen hebben in beginsel geen weerslag op de bevoegdheid. Dit is ook het geval als een verweermiddel betrekking heeft op de staat van de persoon, ook al is de rechtbank van eerste aanleg daarvoor uitsluitend bevoegd. Bovendien moet de rechter verweermiddelen die aanleiding geven tot een prejudiciële vraag, doorverwijzen naar het bevoegde rechtscollege (Grondwettelijk Hof, Benelux-gerechtshof, Hof van Justitie, Hof van Cassatie (mededinging). Hetzelfde geldt voor exceptie, met uitzondering van de exceptie van onbevoegdheid, die aan specifieke procedure onderworpen is (art. 88, 2, , Ger. W. Cf. ook infra). Tegeneisen moeten voor de rechtbank van eerste aanleg worden beoordeeld zoals een normale eis (art. 563, lid 1 Ger. W.). Voor de overige lage rechtbanken geldt dat zij tegeneisen die gegrond zijn op de hoofdeis (ex eadem causa), altijd moeten aanvaarden (art. 563, lid 1 Ger. W.). Andere tegeneisen (ex dispari causa) worden volgens de normale bevoegdheidsregeling beoordeeld. Een eis in verband met procesrechtsmisbruik kan voor elke rechter worden gebracht (art. 563, lid 3 Ger. W.). Eisen in tussenkomst worden beoordeeld door de rechter waarvoor de hoofdeis aanhangig is (art. 564 Ger. W.), tenzij een andere rechtbank over de exclusieve bevoegdheid beschikt. Als twee zaken een zekere samenhang vertonen, kan het wenselijk zijn ze samen te behandelen (art. 30 Ger. W.). Samenhang kan maar worden bevolen op verzoek van een partij (art. 856 jo. art. 854 Ger. W.). Art. 565, 2-5 bevat de voorrangsregels die moeten gerespecteerd worden. De rechter beoordeelt de samenhang soeverein. Verzoeken twee rechtbanken van dezelfde graad om samenhang, geldt First come, First served. Samenhang kan niet gebruikt worden om een exclusieve bevoegdheid te miskennen, maar de bijzondere bevoegdheid is van geen tel. Als de partijen van de verschillende vorderingen niet dezelfde zijn en al een tussenvonnis gewezen werd, kunnen de partijen die daar niet bij betrokken waren (vanuit de rechten van de verdediging) zich tegen de verwijzing naar die rechtbank verzetten (art. 566, lid 2 Ger. W.). Aanhangigheid doet zich voor als dezelfde partijen eenzelfde zaak aanhangig maken voor verschillende rechtbanken (art. 30 Ger. W.). De zaken kunnen ambtshalve worden samengevoegd volgens de voorrangsregels in art. 565, lid 2 Ger. W. De bijzondere bevoegdheid geeft hier wel aanleiding tot voorrang (art. 565, lid 3 Ger. W.), tenzij beide rechtbanken een bijzondere bevoegdheid hebben (art. 565, lid 4 Ger. W.). Hetzelfde geldt uiteraard voor uitsluitende bevoegdheid. 3 Territoriale bevoegdheid hoofdvordering (1) Algemene regel Onverminderd de regels van het kort geding, mag de eiser de plaats kiezen waar hij de vordering aanhangig maakt, volgens de regels in art. 624 Ger. W. (2) Bijzondere regels Art. 626 Ger. W. bevat een vijfde keuzemogelijkheid. Er zijn drie artikels van louter dwingend recht: art. 627 (plaats feit of handeling), 628 (woonplaats partij) en 629 (plaats Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 22

23 goed) Ger. W. De regels in art quinquies Ger. W. overstijgen de private belangen van de partijen en zijn van openbare orde. 4 Territoriale bevoegdheid tussenvorderingen, aanhangigheid en samenhang Dezelfde regels als voor de materiële bevoegdheid gelden (art. 634 Ger. W.). E. Regeling van bevoegdheidsincidenten 1 In eerste aanleg (1) Exceptie van onbevoegdheid (art. 639 Ger. W.) De verweerder kan in limine litis een exceptie van onbevoegdheid opwerpen (art. 854 Ger. W.). Ze moet aangeven welke rechter dan wel bevoegd is (art. 855 Ger. W.). De eiser kan daarop de verwijzing naar arrondissementsrechtbank vorderen (art. 639, lid 2 Ger. W.). De rechter moet dit inwilligen. De eiser kan ook volharden in zijn keuze. In dat geval doet de aangezochte rechter uitspraak over zijn bevoegdheid (art. 639, lid 3 Ger. W.). Hij doet zelf uitspraak of verwijst de zaak naar rechtbank die hij bevoegd acht (art. 660 Ger. W.). Deze uitspraak bindt de andere rechter. Beroep is niet meteen mogelijk (art Ger. W.). Als de eiser niet reageert, wordt hij geacht in zijn keuze te volharden. Als de eiser akkoord gaat met de exceptie, wordt een akkoordvonnis opgesteld (art Ger. W.) en wordt de zaak verzonden naar de aangewezen rechter, die gebonden is (art. 660 Ger. W.). De betwiste bevoegdheid mag de openbare orde evenwel niet raken. (2) Middel van onbevoegdheid (art. 640 Ger. W.) Als een bevoegdheidsregeling de openbare orde raakt, moet de rechter ambtshalve zijn onbevoegdheid opwerpen in een middel van exceptie. Dit kan slechts als de verweerder geen exceptie voordraagt. Het opwerpen gebeurt in het eerste vonnis dat de rechter velt. Acht de rechter zich onbevoegd, verwijst hij de zaak naar de arrondissementsrechtbank. Hiertegen staat geen beroep open, want is het een maatregel van inwendige aard (art Ger. W.). (3) Rechtspleging voor de arrondissementsrechtbank Nadat het dossier van rechtspleging is overgezonden, bepaalt de voorzitter een rechtsdag. Er kon worden gepleit, maar dat is geen vereiste (art. 641 Ger. W.). De arrondissementsrechtbank verwijst de zaak naar de rechter die zij bevoegd acht (art. 660, lid 1 Ger. W.). De rechter die zaak toegewezen krijgt is hierdoor gebonden. Tegen een beslissing van de arrondissementsrechtbank staan geen rechtsmiddelen open. Het O.M. kan wel een vordering instellen bij het Hof van Cassatie, dat een andere rechter kan aanwijzen (art. 642 Ger. W.). 2 In hoger beroep (1) Bevoegdheidsincident in hoger beroep Als de bevoegdheid van een rechter in hoger beroep door een partij betwist wordt of als een partij in beroep de bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg betwist, doet de appelrechter zelf uitspraak en verwijst de zaak naar de bevoegde rechter in hoger beroep (art. 643 jo Ger. W.). Als de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 23

24 koophandel als appelrechters optreden, verwijzen zij bij betwisting van bevoegdheid de zaak naar de arrondissementsrechtbank (art. 639, lid 4 Ger. W.). Als eender welke appelrechter ex officio een middel van onbevoegdheid opwerpt, verwijst hij de zaak naar de arrondissementsrechtbank. (2) Hoger beroep tegen de een vonnis waarin uitspraak werd gedaan over de bevoegdheid Tegen een beslissing over de bevoegdheid kan slechts samen met het hoofdvonnis (in de zin van art. 19, lid 1 Ger. W.) beroep worden aangetekend (art. 1050, lid 2 Ger. W.). Dit vereist dan ook dat het hoofdvonnis appelabel is (cf. ook art. 621 Ger. W.). Als de rechter in eerste aanleg zich bevoegd verklaarde en de appelrechter hem daarin volgt, wordt de zaak bij de appelrechter aanhangig gemaakt (art. 1068, lid 1 Ger. W.). Als de rechter in eerste aanleg zich volgens de appelrechter onterecht bevoegd verklaarde, controleert de rechter of, in de hypothese dat de bevoegdheid correct was beoordeeld, hij nog steeds de appelrechter zou geweest zijn. In dat geval houdt hij de zaak aan zich (art. 643 Ger. W.), anders verwijst hij naar het toepasselijke appelgerecht. Verklaarde de rechter in eerste aanleg zich onbevoegd, verwijst de appelrechter de zaak zo nodig eveneens naar de correcte appelrechter (art. 643 en 660 Ger. W.). Als een rechtbank van eerste aanleg (of van koophandel) als appelrechter besluit dat zij de zaak in eerste aanleg had moeten behandelen, dan behandelt zij de zaak opnieuw in eerste aanleg (art Ger. W.). Beroep staat dus opnieuw open. 3 In Cassatie Als het Hof van Cassatie tot de conclusie komt dat een vonnis betreffende de bevoegdheid vernietigd moet worden, verwijst het de zaak meteen door naar het juiste Hof (cf. art. 660 Ger. W.). Dit geldt niet voor vonnissen van de arrondissementsrechtbank. 4 Aanhangigheid en samenhang Aanhangigheid en samenhang binden de ontvangende rechter niet (art. 644 Ger. W. is een uitzondering op art. 660, lid 2 Ger. W.). Hij kan de art Ger. W. toepassen. 5 Incidenten in de schoot van een rechtscollege Verdelingsincidenten inzake bevoegdheid betreffen de interne verdeling van burgerlijke zaken in een rechtbank van eerste aanleg. Ze worden geregeld overeenkomstig art. 88, 2 Ger. W. Ook tussen afdelingen van eenzelfde rechtscollege kunnen bevoegdheidsconflicten bestaan. De afdeling die zich onbevoegd acht verwijst de zaak door overeenkomstig art. 660 Ger. W. Verdelingsincidenten inzake dienst betreffen de toewijzing van een zaak een kamer met één dan wel meerdere magistraten (cf. art. 81, 1 art. 90 en 91 Ger. W.). Deze worden door de voorzitter geregeld (art. 726 Ger. W.). Voor de arbeidsrechtbanken en hoven geldt een specifieke regeling (art. 81, lid 4 Ger. W.). 6 Regeling van rechtsgebied In het uitzonderlijke geval dat twee rechtscolleges uitspraak hebben gedaan, lost het Hof van Cassatie dit op volgens de art Ger. W. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 24

25 4. Het geding A. Basisbegrippen 1 Geschil (1) Algemeen Een geding impliceert dat er een geschil, een betwisting over een subjectief recht, aanwezig is. Het is echter mogelijk om dit geschil via andere dan processuele wegen op te lossen. (2) Geschiloplossing buiten de rechter om Kwijtschelding van schuld is een gewone overeenkomst (art e.v. BW) Bij dading (art e.v. BW) sluiten de partijen een compromis in een contract. Bij een partijbeslissing stelt één partij, onder voorbehoud van rechterlijke toetsing, de onderlinge rechtsverhouding vast. Bij een minnelijke schikking (art Ger. W.) wordt een verzoeningspoging ondernomen in de hoop een proces te vermijden. Hiertoe wordt een rechter aangezocht, die hier geen beslissingsmacht heeft. Het resultaat wordt in een proces-verbaal vastgesteld en als het tot een schikking komt, bindt dit resultaat de partijen. Soms is een verzoeningspoging verplicht (vb. voor echtscheidingen), al zijn die bepalingen niet van openbare orde. Dit gebeurt door de rechter die, bij het mislukken van de verzoening, ook het geding zal leiden. Bij een bindende derdenbeslissing komen partijen overeen dat een derde ten aanzien van hun overeenkomst bindende beslissingen mag nemen. Bij Arbitrage (deel VI Ger. W.) komen de partijen overeen (in de overeenkomst of na het geschil art Ger. W.) dat een oneven aantal (private) arbiters (art. 1681, 1., lid 1 Ger. W.) het geschil oplost. De arbitrage-uitspraak bindt de partijen en de rechter (die zich voor het betreffende geschil onbevoegd moet verklaren (art. 1679, 1. Ger. W.), maar heeft an sich geen uitvoerbare kracht. Daarvoor is een rechterlijke akte nodig (art. 1710, 1. Ger. W.). Onder bepaalde voorwaarden is de arbitrage-uitspraak niet vatbaar voor vernietiging (art Ger. W.). Bemiddeling (deel VII Ger. W.) is een vrijwillig overleg tussen partijen, dat geleid wordt door een onafhankelijke derde. Een bemiddelaar legt dus geen beslissing op. Voor de rest zijn de details gelijkaardig aan die van de arbitrage. Een bemiddelaar moet wel erkend worden door de federale bemiddelingscommissie (art. 1726, 1 Ger. W.). 2 Rechtsvordering De rechtsvordering is de wettelijke bevoegdheid dankzij dewelke een beroep kan worden gedaan op het gerecht, teneinde een recht, waarvan men beweert titularis te zijn, te doen afdwingen. Belangrijk is dus dat een rechtsvordering moet onderscheiden worden van het subjectief recht dat aan de basis ervan ligt. Een subjectief recht zonder mogelijke rechtsvordering is mogelijk, terwijl een rechtsvordering ook niet hoeft gestoeld te zijn op een bestaand subjectief recht. Ook is een rechtsvordering geen eis. De eis is de concrete uitoefening van de rechtsvordering (cf. ook verder). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 25

26 3 Eis en verweer (1) Eis De eis (of vordering) is de proceshandeling waarmee een partij haar vorderingsrecht uitoefent (art. 12 Ger. W.). Door de vordering ontstaat een processuele verhouding tussen eiser en verweerder. Omdat ze voor een rechtbank gebeurt, wordt ook de rechter als derde actor bij het geding betrokken. Een aanvullende eis (art. 13 Ger. W.) wordt door de eiser in de loop van het geding geformuleerd, terwijl een tegeneis (art. 14 Ger. W.) een eis van de oorspronkelijke verweerder is. De toelaatbaarheid van een eis (formele voorwaarden voldaan?) moet onderscheiden worden van de gegrondheid ervan (is het gevorderde gegrond op basis van het materieel recht?). Op te merken valt dat het Ger. W. op dit vlak allesbehalve consequent is wat de terminologie betreft. (2) Verweer Tegenover de eis kan de verweerder verschillende zaken ondernemen. Hierbij onderscheiden we een positief verweer (tegeneis) van een negatief verweer (bestrijden van eis tegenstander). Bij een verweer ten gronde betwist de verweerder het subjectieve recht waarop de eiser zich beroept, door het ontkennen van de feiten of het toepasselijke recht. Als iemand beroep doet op een exceptie, hoopt hij het onderzoek door de feitenrechter uit te stellen, op grond van elementen die losstaan van de gegrondheid of toelaatbaarheid van de vordering. De geldigheid van de vordering zelf is dus niet aangetast. Een exceptie moet in limine litis worden opgeworpen, tenzij ze aan de openbare orde raakt. Sommige excepties primeren (art Ger. W.). De excepties staan opgesomd in art Ger. W. Middelen van niet-toelaatbaarheid betwisten de toelaatbaarheid van de rechtsvordering (bv. verjaring). Het gevolg is meestal dat het vorderingsrecht vervalt. Bij een tegeneis vordert de verweerder tijdens het geding op zijn beurt de veroordeling van de eiser. Beide eisen staan los van elkaar. EISER Materieel recht VERWEERDER Verweer ten gronde, tegeneis Rechtsvordering Middel van niet-toelaatbaarheid Eis Excepties (nietigheid, onbevoegdheid) 4 Partij (1) Begrip Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 26

27 Een partij is iedereen die zich tot de rechter wendt of door hem wordt opgeroepen. In formele betekenis is een partij ieder persoon die deelneemt aan het rechtspraakgebeuren. In materiële betekenis is een partij de persoon wiens materiële rechten in het geding zijn. Partijen kunnen zich laten vertegenwoordigen. (2) Vereisten om partij te kunnen zijn Vooreerst is vereist dat iemand juridische persoonlijkheid heeft om hem als partij te beschouwen. Een feitelijke vereniging kan in beginsel niet worden aangesproken. Een partij moet ook rechtsbekwaam (bekwaam zijn om toegang tot de rechtbank te krijgen) en (proces)handelingsbekwaam (bevoegdheid om de rechtsvordering daadwerkelijk uit te oefenen). De rechtsbekwaamheid en handelingsbekwaamheid vallen samen met de regelingen uit het personenrecht. Daarnaast zijn er een aantal toelaatbaarheidsvereisten. Naast een aantal bijzondere (vb. art. 1675/2 Ger. W.) zijn er ook algemene: belang en hoedanigheid (art. 17 Ger. W.). Deze vereisten kunnen van materiële (vb. verjaring) of processuele aard zijn. Niemand kan partij zijn als hij niet een materieel of moreel belang heeft bij de vordering. Het gaat evenwel enkel om het procesrechtelijk belang. Het materieelrechtelijk belang, het belang dat een partij heeft bij het voorwerp van de vordering, is irrelevant. Belangrijk is enkel dat de partij belang heeft bij de procedure en de rechterlijke beslissing op zich. Het belang moet reeds verkregen en dadelijk zijn (art. 18, lid 1 Ger. W.). Is een belang hypothetisch, is er eigenlijk geen geschil waarover de rechter uitspraak kan doen. Een uitzondering is de actio ad futurum (art. 18, lid 2 Ger. W.), die tot doel heeft een dreigende ernstige schending van een recht te voorkomen door een vonnis waarin een subjectief recht bevestigd wordt. Het belang moet ook rechtstreeks en persoonlijk zijn op het moment dat de vordering wordt ingesteld. Het algemeen belang of het belang van derden volstaan niet. Dit geeft problemen voor organisaties die het algemeen belang behartigen. Een omvattende oplossing bestaat nog niet, maar de wetgever voorziet enkele uitzonderingen. Of het belang legitiem is, is geen ontvankelijkheidsvoorwaarde. Dit is niet alleen hetzelfde als een subjectief recht, maar de legitimiteit maakt net het voorwerp uit van het onderzoek ten gronde. Een partij moet ook hoedanigheid hebben. Dit veronderstelt dat er een zekere band is tussen de persoon die de vordering instelt en het voorwerp van de vordering. Dit is vooral belangrijk als de formele en de materiële procespartij niet dezelfde persoon zijn. De formele rechtspersoon zal omstandig moeten aantonen dat hij gevolmacht is om het proces te voeren. De naam van de materiële procespartij moet op alle stukken vermeld zijn ( nul ne plaide par procureur ). B. Het normale verloop van het geding 1 Schematisch overzicht Het burgerlijk proces bestaat schematisch gezien uit 3 fasen, die worden gescheiden door twee scharniermomenten: Voorbereiden en inleiden geding Instaatstelling van de zaak Advies O.M., beraad en uitspraak Inleidende zitting Pleitzitting Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 27

28 2 Overzicht van de inleiding De inleiding bestaat uit vier fases: De voorbereiding van de zaak (o.a. verzamelen van de stukken). De dagvaarding (oproepen verwerende partij) De rolstelling Het aanleggen van het dossier van rechtspleging 3 De dagvaarding (1) Algemeen De dagvaarding is de normale wijze om een vordering voor de rechter te brengen (art. 700 Ger. W.), onverminderd de vrijwillige verschijning en de rechtspleging op tegenspraak. Deze regel is behept met nietigheid. (2) Dagvaarding via deurwaardersexploot Door de band wordt een dagvaarding via deurwaardersexploot gedaan. Dit exploot is op straffe van nietigheid onderworpen aan een rits formele vereisten (art. 43, 45 en 702 Ger. W.). De betekening moet gebeuren in de volgens de wet bepaalde hiërarchische regeling (art Ger. W.): Indien mogelijk aan persoon zelf of aan een bevoegd orgaan van de rechtspersoon (art Ger. W.; zie ook art Ger. W.). Anders aan iemand op de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde (art. 35 Ger. W.). Anders door het achterlaten onder omslag van het afschrift (art. 38, 1 en 44, lid 1 Ger. W.). Het achtergelaten afschrift moet door de gerechtsdeurwaarder worden bevestigd via aangetekende brief (art. 38, 1 lid 3 Ger. W.). Als dat niet mogelijk, door terhandstelling aan de procureur des Konings (art. 38, 2 Ger. W.). Deze is ook de persoon aan wie betekend wordt als er geen verblijfplaats bekend is (art. 40, lid 2 Ger. W.). Art. 40 Ger. W. voorziet een betekening in het buitenland. Voor openbare (rechts)personen voorziet art. 42, 1-3 Ger. W. in een speciale regeling. Een partij mag in een processtuk een bindende keuze van woonplaats doen (art. 39 Ger. W.). Wordt deze niet geëerbiedigd, is de betekening ongedaan (art. 40, laatste lid Ger. W.). De deurwaarder moedigt de woonstkeuze vaak aan. Er mag betekend worden op werkdagen van 6u-21u. De deurwaarder moet ook zijn territoriale bevoegdheid respecteren. (3) Andere vormen van dagvaarding In de gevallen waarin de wet het toelaat of voorschrijft, kan een dagvaarding bij verzoekschrift op tegenspraak gebeuren (art. 1034bis-1034sexies Ger. W.). Als de wet dit voorziet, kan een dagvaarding per aangetekende brief gebeuren (art. 459, 1, lid 2 Ger. W. en art. 534 Ger. W.). Soms kan een dagvaarding ook mondeling (vb. art. 675 Ger. W.) of door verwijzing (vb. art. 1219, 2, lid 2 Ger. W.) gebeuren. (4) Termijnen van dagvaarding Om de verdediging de kans te geven zijn verdediging voor te bereiden, is er een dagvaardingstermijn van 8 dagen (art. 707 Ger. W.). Pas daarna moet de verweerder voor de rechter verschijnen. Omdat dit de essentiële rechten van de verdediging waarborgt, is Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 28

29 deze regel behept met absolute nietigheid (art. 710 Ger. W. jo. art. 860 Ger. W. jo. art. 862, 1, 1 Ger. W.). Art. 867 Ger. W. is wel van toepassing. De termijn (cf. ook infra) wordt berekend volgens de methode in de art. 51, 52, 53, 53bis en 55 Ger. W. De termijn loopt van middernacht tot middernacht. De dies a quo wordt niet meegeteld, de dies ad quem wel. Is de dies ad quem geen werkdag, wordt de termijn verlengd tot de volgende werkdag. Bij een dagvaarding bij deurwaardersexploot is de dies a quo de dag van de betekening, bij het verzoekschrift op tegenspraak is de regel dat er 8 dagen tussen oproeping van de verweerder moeten zitten, waarbij de oproeping de dag is waarop de waarop de brief aan de postdiensten wordt afgegeven. Dit systeem is evenwel ongrondwettelijk bevonden door het Grondwettelijk Hof. (5) Gevolgen van de dagvaarding Op materieelrechtelijke vlak geldt de dagvaarding als een ingebrekestelling, die evenwel nietig is als de dagvaarding dat ook is. Daarnaast beschrijft de dagvaarding de inhoud van het geschil, zodat de verweerder zich kan voorbereiden. (6) Vrijwillige verschijning Als partijen dat overeenkomen, kunnen zij zonder dagvaarding verschijnen voor de lagere rechtbanken (art. 706 Ger. W.). Zij leggen een ontwerp-pv van vrijwillige verschijning neer. 4 Rolstelling Een zaak is maar voor de rechter gebracht als zij ingeschreven is op de algemene rol (art. 711 en Ger. W.). Op deze rol wordt elke zaak van een gerecht in volgorde opgeschreven. De bijzondere rol (art. 714, lid 1 Ger. W.) bevat de zaken die zijn toegewezen aan één kamer, de zittingsrol (art. 714, lid 2 Ger. W.) alle zaken die voor een bepaalde dag zijn vastgesteld (art Ger. W.). Er is een rolrecht verschuldigd. De rolstelling is belangrijk bij het verzoekschrift: daar wordt de rechter geacht gevat te zijn op het moment dat de zaak op de rol wordt ingeschreven. Bij een deurwaardersexploot is dit het ogenblik van betekening. 5 Dossier van rechtspleging Voor elke zaak wordt een dossier aangelegd (art. 720 Ger. W.), dat de stukken vermeld in art. 721 Ger. W. bevat. 6 Inleidende zitting (1) Verschijning Op de datum bepaald op de dagvaarding verschijnen de partijen op de inleidingszitting. Ze moeten in beginsel persoonlijk of bij advocaat verschijnen (art. 728, 1 Ger. W.). Zaakwaarnemers zijn verboden (art. 728, 4 Ger. W.). De zaken worden afgeroepen in de volgorde van de algemene rol (art. 727 Ger. W.). De griffier houdt alle praktische informatie bij. De advocaten van de partijen kunnen overkomen om schriftelijk te verschijnen (art. 729 Ger. W.). Ze kunnen daarbij ook informatie geven over de instaatstelling. (2) Behandeling ter inleidende zitting korte debatten Als een partij daar gemotiveerd om verzoekt of als de partijen een akkoord sluiten, zelfs ongemotiveerd (art. 735, 2, lid 1 Ger. W.), kunnen zaken van lage complexiteit op de Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 29

30 inleidende zitting behandeld worden (art. 735, 1 Ger. W.). In een aantal gevallen is dit zelfs verplicht (art. 735, 2, lid 2 Ger. W.). Dit is geen methode voor dringende zaken of zaken van gering geldelijk belang. De procedure verloopt grotendeels mondeling (cf. art. 735, 3 Ger. W.). 7 Het in staat stellen van de zaak (1) Algemeen De instaatstelling is de praktische planning van de zaak. In deze fase worden de conclusietermijnen en de rechtsdag bepaald. Art. 747 Ger. W. voorziet in drie mogelijke routes om de zaak in staat te stellen. (2) De minnelijke route (art. 747, 1 Ger. W.) Bij de minnelijke route bepalen de partijen de conclusietermijnen in onderling overleg. De rechter informeert hen daarbij over de vroegst mogelijke rechtsdag. Als de partijen een kalender zijn overeengekomen, bepaalt de rechter de rechtsdag en bekrachtigt de kalender. De conclusietermijnen zijn bindend voor de partijen. Tenzij de andere partij verdaging toestaat, kunnen laattijdige conclusies uit de debatten worden geweerd (naar analogie met art. 747, 2, lid 6 Ger. W. jo. art. 748, 1, lid 2 Ger. W.). (3) De rechterlijke route (art. 747, 2 Ger. W.) Komen de partijen niet tot overeenkomst, moest de rechter vroeger afwachten. Sinds 2007 is de rechter echter verplicht om (ten laatste zes weken na de inleidingszitting) zelf een conclusiekalender op te stellen. Om deze reden moeten partijen hun opmerkingen over de instaatstelling meedelen (cf. ook infra). Hierbij is wel bepaald dat de rechtsdag uiterlijk drie maanden na de laatste conclusietermijn moet plaatsvinden. De stukken moeten vijftien dagen voor de rechtsdag worden neergelegd. Wordt een termijn niet gerespecteerd, wordt een conclusie ambtshalve uit de debatten geweerd. (4) De vrije route (art. 747, 2, lid 2 Ger. W.) De partijen kunnen in onderlinge overeenstemming afwijken van de instaatstelling. Ze kunnen vragen om de verwijzing naar de rol (in dat geval wordt de zaak weer opgestart d.m.v. art. 750 Ger. W. of indien nodig art. 747, 2, lid 5 Ger. W.) of om een andere rechtsdag. In dat tweede geval zijn de conclusietermijnen vrij. (5) Mededeling van de stukken Het in staat stellen van de zaak vangt aan met de mededeling van de stukken (art. 736, lid 1 Ger. W.). Omdat dit essentiële rechten van de verdediging waarborgt, moet de rechter stukken die niet of te laat zijn meegedeeld, ambtshalve uit de debatten weren. Hierbij moeten de partijen samenwerken en meewerken met de rechter (art. 877 Ger. W.). In de praktijk worden de stukken toegestuurd per post en niet via het dossier van rechtspleging zoals voorzien in art. 737 Ger. W. (6) Het nemen van conclusies Een conclusie bevat de middelen in feite en rechte waarop een partij zich steunt (art. 744, lid 2 Ger. W.). Een conclusie is onderworpen aan de vormvereisten in art. 743, 744 en 748bis. Ze moeten binnen een bepaalde termijn (zie eerder) neergelegd worden op de Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 30

31 griffie (art. 742 Ger. W.) en tegelijkertijd een kopie zenden naar de tegenpartij (art. 745, lid 1 Ger. W.). Conclusies die worden neergelegd na een gezamenlijk verzoek om rechtsdag (bij de vrije route), worden in beginsel ambtshalve uit de debatten geweerd (art. 748, 1 Ger. W.). Dit geldt eveneens voor conclusies die de conclusiekalender (rechterlijke of minnelijke route) niet respecteren. Als een partij een cruciaal nieuw feit ontdekt, kan hij om een nieuwe conclusietermijn verzoeken (art. 748, 2 Ger. W.). Tot slot kan de rechter elke conclusie weren uit het debat als hij van mening is dat de rechten van de verdediging geschonden zijn. Partijen moeten zich loyaal gedragen. Dit houdt in dat aanvullende conclusies niet mogen misbruikt worden en dat hoofdconclusies ook niet pro forma mogen ingediend worden. Een speciale vorm is de syntheseconclusie (art. 748bis Ger. W.). De laatste conclusie moet (meestal) alle vorige argumenten op een logische manier samenvatten en vervangt alle voorgaande conclusies. In de kortedebattenregeling geldt geen verplichting tot concluderen (art. 735, 3 Ger. W.). Worden die toch gemaakt, moeten ze voor het sluiten van de debatten aan de rechter en de tegenpartij worden overhandigd. (7) Neerlegging van de stukken Uiterlijk vijftien dagen voor de rechtsdag moeten de partijen hun stukken neerleggen, maar dit is slechts een termijn van orde (art. 756 Ger. W.). 8 Pleitzitting (1) Pleidooi Elke advocaat (en in principe ook partij) heeft het recht om op de terechtzitting te pleiten (art. 440 Ger. W.). Dat conclusies uit de debatten zijn geweerd, heeft geen invloed op het pleitrecht (art. 756bis, lid 1 Ger. W.). De andere partij behoudt evenwel het recht om in een conclusie op het pleidooi te antwoorden (art. 756bis, lid 2 Ger. W.). (2) Alternatieven De raadslieden kunnen onderling overeenkomen niet te pleiten en gewoon hun bundels neer te leggen. Art. 756ter Ger. W. bepaalt dat het pleidooi met akkoord en op initiatief van de rechter kan vervangen worden door een interactief debat dat geleid wordt door de rechter. De partijen kunnen overeenkomen om de zaak schriftelijk te behandelen. Zij leggen hun bundels neer op de griffie. De rechter kan wel mondeling om uitleg vragen (art. 755 Ger. W.) door de bepaling van een rechtsdag. (3) Uitstel, verwijzing en voortzetting Het is op de pleitzitting ook mogelijk dat de zaak wordt uitgesteld, naar de rol verwezen (art. 730, 2, b) Ger. W.) of meerdere zittingen vraagt (zie art. 779 Ger. W.). 9 Sluiting van de debatten De debatten worden gesloten na de pleidooien (art. 769, lid 1 Ger. W.). In principe moeten de stukken uiterlijk nu neergelegd zijn, maar als dat nog niet gebeurd is, kan de rechter een termijn toestaan waarbinnen de dossiers nog kunnen worden neergelegd (art. 769, lid 2 Ger. W.). Hierna kunnen partijen in beginsel geen toelichting meer geven of stukken toevoegen (art. 771 Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 31

32 10 Advies van het O.M. In sommige gevallen geeft het O.M. een niet-bindend advies over de uitspraak. Het O.M. neemt niet deel aan het beraad (art. 768 Ger. W.). Soms is het advies verplicht (art. 764, lid 1 Ger. W.) en leidt het niet-inwinnen ervan tot nietigheid van het vonnis. Deze nietigheid is absoluut (cf. art. 20 Ger. W.). Het O.M. krijgt daarnaast mededeling van alle zaken en kan zelf beslissen om tussen te komen (art. 764, lid 2 Ger. W.). Daarnaast kan de rechter ex officio de tussenkomst van het O.M. bevelen. De mededeling aan het O.M. gebeurt op het moment dat de debatten gesloten worden. Het advies van het O.M. wordt in beginsel schriftelijk gegeven, maar uitzonderlijk is een mondeling advies ook mogelijk (art. 766, lid 2 Ger. W.). De partijen kunnen telkens mondeling of (uitzonderlijk) schriftelijk reageren (art. 767, 1 en 3, lid 2 Ger. W.). 11 Beraad Hierna houdt de rechter de zaak in beraad. De zaken worden door de voorzitter van de kamer verdeeld onder de rechters (art Ger. W.) voor bespreking. Dit hoeft niet zo te zijn voor alleenzetelende rechters. Het vonnis moet worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters (art. 779 Ger. W.) De rechter stelt een dag voor de uitspraak vast, die binnen een maand na het sluiten van de debatten moet liggen (art. 770, 1, lid 1 Ger. W.). Heeft een rechter meer tijd nodig, wordt de oorzaak daarvan op het zittingsblad vermeld (art. 770, 1, lid 3). Is er na drie maand geen uitspraak, wordt de zaak opgelijst (art. 770, 2 Ger. W.). Is er meer dan twee maand uitstel, moet de korpschef worden verwittigd (art. 770, 3 Ger. W.) en is er opnieuw een speciale procedure (art. 770, 4 Ger. W.). Als er na 6 maanden geen uitspraak is, kan de zaak aan de rechter worden onttrokken (art. 652 Ger. W.). 12 Heropening van de debatten Als een verschenen partij (art. 773 Ger. W.) een belangrijk nieuw feit of stuk ontdekt, kan hij de heropening van de debatten vragen (art. 772 Ger. W.). De rechter kan dit ook ambtshalve bevelen (art. 774, lid 1 Ger. W.) en is hiertoe verplicht als de vordering zou moeten worden afgewezen wegens een niet-opgeworpen exceptie (art. 774, lid 2 Ger. W.). Meer algemeen wordt aanvaard dat de rechter hiertoe telkens verplicht is als hij zijn uitspraak wil baseren op een middel dat de partijen niet hadden ingeroepen. Tegen deze ambtshalve heropening staat hoger beroep open, tegen het inwilligen van een aanvraag niet (art. 776 Ger. W.). Art. 779 Ger. W. heeft tot gevolg dat dezelfde rechters moeten zetelen. De rechter stelt een nieuwe conclusiekalender op, en bepaalt desnoods een nieuwe pleitzitting (art. 775, lid 1 Ger. W.). Enkel over het nieuwe middel kan worden gedebatteerd. 13 Het vonnis (1) Terminologie Een vonnis is een beslissing van een rechtbank, een arrest een beslissing van de hoven (art. 22 Ger. W.). Een beschikking (bevelschrift) is een uitspraak in kort geding of op eenzijdig verzoekschrift. Een vonnis in eerste aanleg is vatbaar voor beroep, een vonnis in laatste aanleg niet meer. Soms is een vonnis in eerste en laatste aanleg gewezen. Een vonnis bij verstek is een vonnis waarbij een partij niet verschenen is, wat wel het geval is bij een vonnis op tegenspraak. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 32

33 Een akkoordvonnis neemt akte van een akkoord van de partijen. Een eindbeslissing (art. 19 Ger. W. heeft het over eindvonnis ) is een beslissing waarmee een rechter zijn rechtsmacht uitput voor een geschilpunt. Als alle eindbeslissingen genomen zijn, is er sprake van een eindvonnis. Dit valt te onderscheiden van een beslissing alvorens recht te doen, waarmee een rechter een voorgaande maatregel neemt, bv. om een onderzoek te bevelen. In de praktijk bevatten vonnissen vaak zowel eindbeslissingen als beslissingen alvorens recht te den (gemengde uitspraken). Een maatregel van inwendige aard is een handeling van de rechter die eerder van administratieve aard is. (2) Formele aspecten De formele aspecten waaraan een vonnis moet voldoen staan vermeld in art en Ger. W. Belangrijk is dat het vonnis bestaat uit een overwegend gedeelte (antwoord op de middelen van de partijen) en het dispositief (uiteindelijke uitspraak) (art. 780, 3 Ger. W.). Het vonnis moet geschreven worden in de taal van de rechtspleging en steeds naar de taalwetgeving verwijzen. De rechter moet een aantal dingen sowieso onderzocht hebben: zijn bevoegdheid, de toelaatbaarheid van de vordering en het al dan niet aanwezig zijn van een absolute nietigheid. De uitspraak is in principe openbaar (art. 148 GW) en gebeurt door de voorzitter van de kamer (art. 782bis, lid 1 Ger. W.), tenzij die verhinderd is (art. 782bis, lid 2 Ger. W.). De uitspraak moet steeds gemotiveerd zijn (art. 149 GW). Als het vonnis gebreken heeft, kan het slechts vernietigd worden als de wet dat uitdrukkelijk voorziet. De gewone nietigheidsregelen zijn niet van toepassing (art. 20 Ger. W.). (3) Afschriften Het originele vonnis de minuut verlaat de griffie nooit. Partijen kunnen tegen betaling een afschrift verkrijgen. De griffie zendt sowieso kosteloos een niet-ondertekend afschrift van het vonnis aan de partijen (art. 792, lid 1 Ger. W.). Dit geldt enkel als inlichting (=kennisgeving). Tegen betaling kunnen de partijen een afschrift krijgen dat ondertekend is door de griffier. Deze heeft principieel bewijswaarde, al is betwisting van de inhoud mogelijk. Een uitvoerbaar afschrift (grosse) is een ondertekend afschrift waarop het formulier van tenuitvoerlegging is aangebracht. Dit vonnis kan ten uitvoer gelegd worden. In principe heeft elke partij recht op één grosse (art Ger. W.), al kan soms een tweede worden verkregen (art Ger. W.). (4) Werking Dat een vonnis rechtsgevolgen heeft is uiteraard nooit betwist, maar wat die gevolgen precies zijn is voor meer discussie vatbaar. Inter partes moeten een aantal rechtsgevolgen duidelijk van elkaar worden onderscheiden: De bindende kracht van het vonnis houdt in dat partijen het vonnis moeten naleven. De uitputting van de rechtsmacht houdt in dat de rechter slechts eenmaal uitspraak mag doen over het voorgelegde geschil (art. 19 Ger. W.). Dit is een regel van openbare orde. Dit sluit niet uit dat de rechter verschillende geschilpunten apart beslecht. Het gezag van gewijsde (art Ger. W. jo. art BW) moet garanderen dat de partijen de bindende werking ook respecteren. Het maakt het gebruik van Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 33

34 dwangmiddelen mogelijk. Het is ook de basis voor het non bis in idem-beginsel, maar sluit het aanwenden rechtsmiddelen natuurlijk niet uit. Het moet m.a.w. de rechtszekerheid waarborgen door de onveranderlijkheid van een vonnis te verzekeren. Het gezag van gewijsde heeft een negatieve en positieve werking, hoewel deze hetzelfde doel beogen. Het werkt negatief als een vordering niettoelaatbaar is door een exceptie van gewijsde, maar positief als een magistraat het reeds gevelde oordeel van het vonnis moet overnemen en zich slechts kan uitspreken over wat nog niet beslecht is. Het gezag van gewijsde komt enkel toe aan eindvonnissen (art. 19, lid 1 Ger. W.). Het raakt de openbare orde, waardoor de rechter het niet ambtshalve mag opwerpen (art. 27 Ger. W.). Het mag ook niet voor het eerst voor Cassatie worden opgeworpen. Het gezag van gewijsde hoeft niet altijd samen te hangen met de bindende kracht. Uitspraken alvorens recht te doen zijn bindend, maar hebben geen gezag van gewijsde. Het gezag van gewijsde moet ook onderscheiden worden van de uitputting van de rechtsmacht. Het gezag van gewijsde is in de eerste plaats naar de partijen gericht, en kan ook voor andere magistraten worden ingeroepen. De kracht van gewijsde (art. 28 Ger. W.) heeft niets te maken met het gezag van gewijsde. Gewijsde slaat hier immers niet op de uitspraak, maar op de akte. Deze ten volle uitvoerbaar en kan niet meer met de gewone rechtsmiddelen (wel nog met de buitengewone) worden bestreden. De uitvoerbare kracht laat een partij toe de beslissing van de rechter af te dwingen. Het onderscheid met het gezag van gewijsde is theoretisch. De derdenwerking van een vonnis werd lange tijd niet aanvaard. Sinds de jaren 60 wordt evenwel traditioneel aanvaard dat een vonnis tegenover derden kan worden ingeroepen. Het maakt tegenover een weerlegbaar vermoeden met wettelijke bewijswaarde uit, onder voorbehoud van rechtsmiddelen. Tegenbewijs is mogelijk, maar slechts nadat derdenverzet is aangetekend. Deze traditionele visie is evenwel omstreden. Ze is in strijd met de art. 23 en 1124 Ger. W. en met het beginsel van de wapengelijkheid. Het is niet redelijk om van een derde te eisen dat hij derdenverzet aantekent tegen iets dat buiten hem om is beslist. We moeten de derdenwerking dan ook anders omschrijven. Er komt een heel spectrum van werkingen aan toe, van een bindende werking tot de verplichting om de werking inter partes te respecteren. Twee ervan zijn belangrijk: de tegenwerpelijkheid van de uitspraak en de bewijsrechtelijke betekenis van een gerechtelijke beslissing in een later geding. Door de tegenwerpelijkheid krijgt een rechtshandeling gevolgen boven de hoofden van de partijen uit. De derde moet het bestaan van het vonnis erkennen en de gevolgen inter partes respecteren. Hij kan wel derdenverzet aantekenen. De bewijswaarde in een later geding strekte zich klassiek slechts uit tot het instrumentum (de akte zelf) en niet het negotium (de rechtsprekende handeling). Deze opvatting is verouderd. Zoals gezegd maakt het vonnis een weerlegbaar vermoeden uit. Dit is een feitelijk vermoeden en wordt dus geapprecieerd door de rechter. Het is in beginsel niet vereist dat een derde derdenverzet aantekent opdat hij zich op een vonnis kan beroepen. Tussen partijen is deze bewijswaarde vaak onnodig, omdat het gaat om het gezag van gewijsde. (5) Beëindiging na vonnis Een vonnis wordt definitief door berusting of betekening. Berusting houdt in dat een partij aan haar recht verzaakt om rechtsmiddelen aan te wenden of verzaakt aan een aangewend rechtsmiddel (art. 1044, lid 1 Ger. W.). Dit kan voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn (art. 1044, lid 2 Ger. W.). Bij de betekening van het vonnis bezorgt de deurwaarder een afschrift van het vonnis aan de tegenpartij (art. 790 Ger. W.). Dit doet de termijn lopen waarbinnen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (art Ger. W.) en is vereist voor de tenuitvoerlegging (art jo. 1495, lid 1 Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 34

35 (6) Verbetering en uitlegging van vonnissen In een uitlegvonnis verduidelijkt een rechter een onduidelijk vonnis dat hij eerder velde. Dit mag geen afbreuk doen aan de rechten van partijen (art. 793 Ger. W.). Bij een verbeteringsvonnis zet een rechter een materiële vergissing recht (art. 794 Ger. W.). De uitlegging en de verbetering moeten gevorderd worden (art. 797 Ger. W.). Als er een nog een rechtsmiddel openstaat, kan de andere partij vragen dat dit eerst wordt aangewend (art. 798 Ger. W.). C. Sancties in het procesrecht 1 Basisbegrippen Een processuele sanctie is een uitspraak waardoor de rechter niet toekomt aan de beoordeling van het materieel recht (de gegrondheid). Nietigheid is de processuele sanctie waarbij de rechter een processtuk nietig verklaart, waardoor dit stuk voor onbestaand wordt gehouden. Niet-toelaatbaarheid is de processuele sanctie waarbij de rechter vaststelt dat een partij niet de bevoegdheid had om een bepaalde proceshandeling te stellen. Onbevoegdheid is de processuele sanctie waarbij de rechter vaststelt dat hij niet bevoegd is om de zaak te behandelen( zie eerder). 2 Formalisme Wanneer in een rechtsbetrekking een juridische oplossing wordt aangereikt die niet wordt ingegeven door de inhoud, maar louter door vormelijke elementen, is er sprake van formalisme. Dit is een belangrijk gegeven in het procesrecht. Een voorbeeld is de exceptie van nietigheid. Het formalisme kan tot gevolg hebben dat er tijdelijke hinder is (omdat een handeling opnieuw moet worden ondernomen) maar zelfs dat het materiële recht definitief verloren gaat. Soms valt de vorm samen met de norm. Een testament bestaat slechts als het geschreven is. Bij het procesrecht valt de regel (vorm) niet altijd samen met de norm, het doel van de regel. Een regel kan worden gebruikt om het normdoel tegen te werken. Dit is meteen het belangrijkste probleem met het formalisme. De toepassing van een regel moet daarom altijd worden afgewogen tegen het doel. Het voordeel van het formalisme is dat partijen weten wat ze van de andere partij kunnen verwachten. Immers, die is verplicht zo te handelen. 3 Nietigheid (1) Begrip De controle van de rechter op de geldigheid van gerechtshandelingen wordt in Ger. W. negatief benaderd. Er is slechts sprake van de nietigheid van een handeling, en niet over de geldigheid ervan. De nietigheid is onderworpen aan vier basisregels. (2) Geen nietigheid zonder uitdrukkelijke wettekst Opdat een handeling vernietigd kan worden, is vereist dat de wet dit uitdrukkelijk voorschrijft (art. 860 Ger. W.). Desondanks moet het woord nietig niet letterlijk voorkomen. Van generlei waarde volstaat bijvoorbeeld ook. Is er geen nietigheid voorgeschreven, kan het zijn dat de handeling onder een andere, fundamentelere categorie valt (bv. gebreken betreffende rechtsvordering) of dat er een andere, praetoriaanse sanctie wordt opgelegd. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 35

36 (3) Geen nietigheid zonder belangenschade uitzondering ex art. 862 Ger. W. De rechter kan bovendien enkel de nietigheid uitspreken als de belangen geschonden zijn van de partij die de exceptie van nietigheid opwerpt (art. 860 Ger. W.). Dit zijn relatieve nietigheden, die de openbare orde niet raken. De partij moet hiervoor de bewijzen leveren. Deze regel is een vorm van deformalisering, omdat er een subjectief element wordt toegevoegd aan de objectieve regel in art 860 Ger. W. Art. 862 Ger. W. bevat een aantal uitzonderingen. De gevallen die hier opgesomd staan, zijn absoluut nietig. De rechter kan deze zelfs ambtshalve uitspreken. (4) Geen wettelijke nietigheid met belangenschade indien normdoel bereikt is Er is daarenboven geen nietigheid als het doel van wet bereikt is of als blijkt dat de nietvermelde vorm toch in acht is genomen (art. 867 Ger. W.). Dit normdoel gaat verder dan de rechten van de verdediging, maar mag niet zo ruim geïnterpreteerd worden dat het de art Ger. W. buiten spel zou zetten. Er is ook geen nietigheid als een vorm niet vermeld is, maar wel blijkt dat de vorm desalniettemin op een andere manier in acht is genomen. Een afschrift dat niet ondertekend is, zal niet nietig zijn als de akte op een andere manier ondertekend is (vb. op het origineel). (5) Dekking van nietigheid De nietigheid ex. art. 861 Ger. W. kan maar worden uitgesproken als de exceptie in limine litis is opgeworpen (art. 864, lid 1 Ger. W.). De nietigheid ex. Art. 862 Ger. W. kan maar worden uitgesproken als de exceptie is opgeworpen voor het eerste vonnis op tegenspraak (art. 864, lid 2 Ger.W.). (6) De kosten van de nietigheid De kosten die voortvloeien uit de nietigheid worden geregeld volgens het aansprakelijkheidsrecht, tenzij het gaat om een ministeriële ambtenaar (art. 866 Ger. W.). (7) Toepassing De nietigheid is van toepassing op onregelmatigheden of verzuim betreffende concrete proceshandelingen. Zo vallen vonnissen er niet onder (art. 20 Ger. W.). Ook een louter materiële vergissing is niet voor nietigheid vatbaar. Deze kan door de rechter eenvoudig verbeterd worden. De taalwetgeving heeft het bovendien vaak over absolute nietigheden voor het miskennen van de taalvoorschriften in verband met het vonnis en de rechtspleging. De wet op het taalgebruik in rechtszaken moet steeds vermeld worden op hetv vonnis. 4 Niet-ontvankelijkheid (niet-toelaatbaarheid) Nietigheid moet onderscheiden worden van de niet-toelaatbaarheid. Dit is de sanctionering van de proceshoedanigheid. De niet-toelaatbaarheid onderzoekt of een rechtsvordering op zich toelaatbaar is. De rechter heeft veel vrijheid. Het gaat om een aantal voorwaarden zoals de termijnen voor het aanwenden van rechtsmiddelen, de vereisten om partij te kunnen zijn, 5 Termijnen en hun sanctieregeling (1) Soorten termijnen Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 36

37 De termijnen uit het materiële recht (verjaring) hebben een invloed op de toelaatbaarheid van de vordering. Verjaringstermijnen beïnvloeden de eisbaarheid van de schuld. Vervaltermijnen beïnvloeden het vorderingsrecht. Belangrijk zijn echter de procestermijnen, die gekoppeld zijn aan de notie proceshandeling (art. 48 Ger. W. Cf. ook art. 860, lid 1 Ger. W.). Binnen de procestermijnen onderscheiden we twee groepen: Een wachtermijn stelt een termijn waarbinnen een partij (meestal de eiser) iets niet mag doen. Een vervaltermijn is een termijn waarbinnen iets moet gedaan zijn. (2) Vaststelling, berekening, verlenging, verkorting en overmacht De termijnen worden vastgesteld door de wet. De rechter kan dit enkel doen als de wet het hem toestaat (art. 49 Ger. W.). Heel soms bepalen partijen een termijn (art Ger. W.). Ze worden berekend volgens de methode in de artikelen 52-55bis Ger. W. (cf. infra), tenzij de wet anders bepaalt (art. 57 Ger. W.). De termijnen die voorgeschreven zijn op straffe van verval mogen onder geen beding worden verkort of verlengd (art. 50, lid 1 Ger. W.). Soms voorziet de wet zelf in een verlenging van de termijn (art. 50, lid 2 Ger. W.). De overige termijnen mogen door de rechter gewijzigd worden (art. 51 Ger. W.). De termijn om een rechtsmiddel in te zetten begint bij de betekening van het vonnis (art. 57, lid 1 Ger. W.), tenzij de wet anders bepaalt. Het probleem is dat tenzij de wet anders bepaalt ruim wordt geïnterpreteerd. Het volstaat dat de afwijking uit de regels kan worden afgeleid. De termijn wordt geschorst als de partij overlijdt (art. 56 Ger. W.), tot er een nieuw vonnis is betekend. Een termijn wordt geschorst bij overmacht. Dit is een onoverkomelijk en ongewild beletsel dat niet had kunnen vermeden worden. (3) Termijnen voorgeschreven op straffe van nietigheid Als de wet de nietigheid voorschrijft, moet de rechter steeds ambtshalve de nietigheid uitspreken (art. 862, 1, 1 en 2 Ger. W.), tenzij art. 864 of 867 Ger. W. van toepassing zijn. (4) Termijnen voorgeschreven op straffe van verval Termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden zijn voorgeschreven op straffe van verval (art. 860, lid 2 Ger. W.). Daarnaast zijn er nog een aantal andere vervaltermijnen (art. 860, lid 3 Ger. W.). Art. 861 Ger. W. is niet van toepassing en de absolute nietigheid is voorgeschreven (art. 862, 1, 1 Ger. W.). Art. 864, lid 2 en art. 867 Ger. W. zijn van toepassing, behalve wat de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden betreft (art. 865 Ger. W.). (5) Termijnen zonder specifieke sanctie Soms zijn er termijnen zonder sanctie of termijnen die voorgeschreven worden op straffe van een andere sanctie. De vraag stelt zich of art. 867 Ger. W. van toepassing is op deze sancties. Een restrictieve interpretatie biedt het voordeel van duidelijkheid, een extensieve interpretatie is voordeliger voor de partijen. D. Verstek 1 Situering Als een van de partijen niet opdaagt op de procedure op tegenspraak en ook niet concludeert, kan toch een verstekvonnis worden gewezen. Zowel tegen de eiser als de Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 37

38 verweerder kan verstek worden gevorderd. De versteklater kan verzet aantekenen (cf. infra). Er is in ons burgerlijk procesrecht een recht op verstek en een recht op verzet. 2 De gevallen waarin en de wijze waarop verstek kan worden gevorderd Het aantal gevallen waarin verstek kan gevorderd worden, is eerder beperkt geworden. Verschijnt een partij niet op de inleidingszitting, kan op die zitting verstek en een verstekvonnis worden gevorderd (art. 802 en 805 Ger. W.). Dit wordt uitgesproken op het einde van de zitting. Wordt op de inleidingszitting geen verstek gevorderd, wordt de andere partij opnieuw opgeroepen. Op de volgende zitting kan weer verstek worden gevorderd (art. 803 Ger. W.). De verhouding met de bepaling dat de rechter binnen de zes weken na de inleidingszitting een conclusiekalender moet vaststellen (art. 742, 2, lid 3 Ger. W.) is wellicht dat slechts de diligente partij hier voor een uitzondering kan zorgen. Wordt verstek maar geen verstekvonnis gevorderd, kan op de volgende zitting wel een verstekvonnis worden gevorderd (art. 804, lid 1 Ger. W.). Verschijnt een partij wel op de inleidende zitting maar niet op een latere zitting, kan een verstekvonnis slechts worden gevorderd als de versteklatende partij nog niet geconcludeerd heeft (art. 804 Ger. W.). Heeft die wel geconcludeerd, wordt een vonnis op tegenspraak geveld (art. 804, lid 2 Ger. W.). Gebeurde de bepaling van de rechtsdag op basis van een minnelijke of rechtelijke conclusiekalender of werd ze verdaagd op basis van art. 748, 2 Ger. W., dan wordt steeds een vonnis op tegenspraak uitgesproken op verzoek van de diligente partij, ook al zijn er geen conclusies neergelegd (art. 747, 2, lid 6 en art. 748, 2, lid 6 Ger. W.). 3 Taak van de rechter bij verstek Als de verweerder niet verschijnt, moet de rechter volgens de meerderheidsopvatting niet alleen zijn bevoegdheid, de regels van openbare orde en de toelaatbaarheid van de vordering toetsen, maar ook de gegrondheid van de eis onderzoeken. Een minderheid vindt het onlogisch dat een versteklatende op deze manier in principe beter beschermd is dan een verschijnende partij (want niet alleen de middelen van de verweerder worden onderzocht, maar alles wat de rechter nodig acht). De rechter moet volgens hen louter processueel toezicht houden. Als de eiser niet verschijnt, kan de verweerder louter verstek vorderen. De rechter wijst de vordering dan af. Wil de verweerder toch middelen aanvoeren, moet de rechter deze onderzoeken. Zijn de middelen gegrond, wordt de vordering als ongegrond afgewezen, anders wordt ze gewoon afgewezen. 4 Het verstekvonnis Een verstekvonnis moet binnen het jaar worden betekend (art. 806 Ger. W.). Hoewel het nut betwist wordt, kan de versteklater bij miskenning van die regel vorderen dat het vonnis voor onbestaande wordt gehouden en desnoods de procedure verder zetten. E. Tussengeschillen 1 Cumulatie en splitsing van vorderingen Cumulatie van vorderingen kan zich reeds bij het begin van het geding voordoen: als de gedinginleidende akte meerdere vorderingen bevat. Cumulatie kan ook optreden in de dynamiek van het proces (uitbreiden eis, tegeneis, ). Objectieve cumulatie doet zich voor als één eiser meerdere vorderingen instelt tegen één verweerder. Subjectieve cumulatie doet zich voor wanneer er meerdere vorderingen van zijn van meerdere eisers tegen een Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 38

39 verweerder, van een eiser tegen meerdere verweerders of van meerdere eisers tegen meerdere verweerders. De beide figuren overlappen. Op basis van art. 701 Ger. W. kunnen samenhangende eisen door eenzelfde akte worden ingeleid, als zij een zekere samenhang vertonen (art. 30 Ger. W.) (cf. infra). De rechter beoordeelt de samenhang soeverein. Desnoods kan hij de vorderingen splitsen. Op te merken valt dat het hier gaat om meerdere vorderingen die bij dezelfde rechtbank worden ingeleid, waar het eerder ging over samenhang tussen zaken die bij meerdere rechtbanken aanhangig waren. Cumulatie is nooit problematisch als de vorderingen eenzelfde oorzaak hebben. Is dit niet het geval, is de rechtspraak een stuk terughoudender. Vraag is dan of er wel sprake is van samenhang. 2 Tussenvorderingen (1) Aanvullende en vernieuwende eisen Partijen kunnen gedurende het geding aanvullende (art. 808 Ger. W.) en vernieuwde eisen (art. 807) lanceren. Bij de aanvullende eisen moet het gaan om accessoria (zoals interesten), niet om nieuwe eisen. Wil een partij de oorspronkelijke eis aanpassen of zelfs een volledig nieuwe vordering instellen, moet zij een vernieuwde eis instellen. Hij mag zich wel niet tot de gedaagde in een andere hoedanigheid richten. Hierin kan zelfs de rechtsgrond worden gewijzigd. Deze bepalingen zijn niet van openbare orde, zodat een partij erin kan berusten. (2) Tegenvorderingen Tegenvorderingen (art. 14 Ger. W.) worden door de verweerder tegenover de eiser gesteld. Als dat wenselijk is worden ze apart behandeld (art. 810 Ger. W.). (3) Tussenkomst De tussenkomst is een proceshandeling waarbij een derde partij wordt. Elke derde kan in principe tussenkomen, maar het initiatief kan enkel uitgaan van de partijen (gedwongen tussenkomst art. 813, lid 2 Ger. W.) of van derde (vrijwillige tussenkomst) (art. 811 Ger. W. art. 813 lid 1 Ger. W.). Tussenkomst kan gebeuren om een veroordeling te bekomen (art. 812, lid 2 Ger. W.), om rechten te vrijwaren (art Ger. W.) of voor een loutere gemeenverklaring, maar mag de berechting van de hoofdeis niet vertragen (art. 814 Ger. W.). 3 Hervatting van het geding In de gevallen bepaald in art. 815 Ger. W. (overlijden, tenzij de rechtsvordering vervalt en wijziging staat of hoedanigheid partij (niet: meerderjarigheid)) wordt de loop van het geding onderbroken en wordt het later hervat. De hervatting kan vrijwillig (art. 816, lid 1 Ger. W.) of gedwongen gebeuren (art. 816, lid 2 Ger. W.). 4 Afstand Bij afstand van geding doet de eiser afstand van de vordering en de andere partijen desgevallend van hun vorderingen (art. 820 Ger. W.). Er wordt geacht nooit een geding geweest te zijn (art. 826 Ger. W.). De aanvaarding van de tegenpartij is vereist als die al geconcludeerd heeft (art. 825 Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 39

40 Bij een afstand van rechtsvordering geeft de partij het materieel recht in kwestie prijs (art. 821 Ger. W.). Vereist is natuurlijk dat de partij kan beschikken over het recht (art. 823, lid 1 Ger. W.). De afstand van proceshandeling doet een bepaalde proceshandeling teniet (art. 822 Ger. W.). Art. 824 en 827 Ger. W. bevatten gemeenschappelijke voorwaarden. 5 Doorhaling en weglating van de rol De doorhaling van de rol is de beslissing van de rechter om met instemming van de partijen een geding te laten vervallen (art. 730, 1 en 2 Ger. W.). Bij de weglating van de algemene rol (art. 730, 2 Ger; W.) wordt jaarlijks gekeken welke zaken na drie jaar nog steeds niet aangevangen zijn. Na aanplakking verstrijkt een maand, waarna de zaken waarover niet gereageerd is, van de rol verdwijnen. Zaken die lang aanslepen, kunnen ook ex officio van de zittingsrol worden verwijderd. 6 Onttrekking van de zaak aan de rechter In de gevallen in art. 648 Ger. W. kan een zaak aan de rechter worden ontnomen door middel van een Cassatiearrest. De procedure staat vermeld in art Ger. W. In principe wordt de zaak aan de hele rechtbank onttrokken en verwijzen naar een andere. Cassatie kan ook bepaalde handelingen van vóór de uitspraak vernietigen. 7 Wraking Rechters, leden van het O.M. en deskundigen kunnen gewraakt worden om de redenen in art Ger. W. Art. 828, 1 Ger. W. is een restcategorie, die alle vormen van schijn van partijdigheid bevat. In principe moet de rechter zich spontaan onthouden (art. 831 Ger. W.), anders verzoekt een partij hierom. De wraking wordt beoordeeld door een hoger rechtscollege (art. 838 Ger. W.). Roekeloos gebruik of manifest ongegronde weigering van de rechter kan tot schadevergoeding aanleiding geven (art. 840 en 841 Ger. W.). 8 Ontkentenis van proceshandelingen Advocaten worden geacht de proceshandelingen voor hun cliënten te stellen (art. 440, lid 2 Ger. W.). Dit is ook zo voor gerechtsdeurwaarders. De procedure van ontkentenis van proceshandelingen is erop gericht de toerekening van een actie ongedaan te maken (art. 848, lid 2 Ger. W.). De procedure verschilt naargelang de fase in het geding. Een partij kan ook de rechter vragen geen rekening te houden met een stuk (art. 850 Ger. W.). 9 Opschorting van het geding Het geding wordt opgeschort: Omwille van de regel le criminel tient le civil en état. Omwille van prejudiciële vragen die gesteld zijn. Omwille van opschortende excepties; zoals de exceptie van onbevoegdheid (cf. ook art en Ger. W.). Deze excepties moeten tegelijk en in limine litis worden opgeworpen (art. 868, lid 1 Ger. W.). 10 Samenstelling van de zetel De samenstelling is al hoger besproken. We bespreken enkele bijzonderheden. De rechtbank van eerste aanleg zetelt in principe met één rechter. Op verzoek van een partij Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 40

41 behandelt hij de zaak met drie rechters (art. 91 Ger. W.). Soms is deze behandeling verplicht (art. 92 Ger. W.). Het Hof van Beroep zetelt in principe met drie raadsheren, maar kan in een (voor de praktijk belangrijke) aantal uitzonderingen zetelen met één raadsheer (art. 109bis Ger. W.). Er kan wel door de partijen om een verwijzing naar een kamer van drie raadsheren worden verzocht. F. Uitgaven en kosten 1 Omschrijving Gerechtskosten zijn de door de wet erkende uitgaven die nodig zijn voor het voeren van een procedure. Ze worden niet-limitatief opgesomd in art en 1024 Ger. W. Deze gerechtskosten omvatten ook een forfaitaire tussenkomst in de erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art Ger. W.). Deze vergoeding komt toe aan de partij zelf. Het KB dat deze bepaling uitvoert, bepaalt een basisbedrag, maar de rechter kan op basis van een aantal criteria (art. 1022, lid 3 Ger. W.) het verdrag vermeerderen of verminderen tot respectievelijk een maximum- en minimumbedrag. Verhogingsbedingen, die ertoe strekken de schuldvordering te verhogen als die voor de rechtbank wordt geëist (bv. door de erelonen erbij te tellen), worden steeds voor niet geschreven gehouden (art Ger. W.). Dit vrijwaart de toegang tot de rechter. 2 Verwijzing in de kosten In ieder eindvonnis verwijst de rechter ambtshalve de in het ongelijk gestelde partij in de kosten (art. 1017, lid 1 Ger. W.). Er zijn een aantal uitzonderingen (art. 1017, lid 3-4 Ger. W.). Socialezekerheidsinstellingen dragen de kosten steeds zelfs en tussen bloedverwanten of partijen die elk gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld, heeft de rechter de vrijheid om de kosten naar billijkheid te verdelen. Roekeloze kosten kunnen verhaald worden via bv. art BW. 3 Vereffening van de kosten Bij vereffening van de kosten wordt het juiste bedrag ervan bepaald. Partijen moeten in beginsel hun kosten opsommen in de procesakten (art. 1021, lid 1 Ger. W.). Dit wordt dan vereffend in het vonnis. Als de rechter slechts gedeeltelijk of niet gebeurde of kon gebeuren, kunnen de partijen toch nog de vereffening vragen (art Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 41

42 5. Rechtsmiddelen A. Algemene beginselen Rechtsmiddelen zijn middelen die de wet openstelt voor partijen of derden om een nieuwe beslissing in een reeds beslecht geding af te dwingen. Dit heeft niet alleen tot doel de fouten van de rechter recht te zetten, maar ook die van de partijen. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen gewone en buitengewone rechtsmiddelen (art. 21 Ger. W.). Gewone rechtsmiddelen Buitengewone rechtsmiddelen Verzet en hoger beroep Voorziening in cassatie, derdenverzet, herroeping van gewijsde, verhaal op de rechter, intrekking Enkel voor partijen Soms ook voor derden Geen regels voor toelaatbaarheid In de bij wet bepaalde gevallen Schorsing tenuitvoerlegging Schorsen tenuitvoerlegging niet Cumulatie van hoger beroep en verzet is, behoudens voor kort geding (art. 1039, lid 2 Ger. W.), toegestaan, op voorwaarde dat het hoger beroep subsidiair is. Het wordt verdaagd tot over het verstek uitspraak is gedaan. De procedure gebeurt volgens de normale procesgang, behoudens de bijzondere regels in het Ger. W. (art Ger. W.). De termijnen zijn (soms absoluut, art. 862, 1, 1 en 2 Ger. W.) voorgeschreven op straffe van verval (art. 860, lid 2 Ger. W.). Art. 57 Ger. W. bepaalt dat de termijnen in beginsel lopen vanaf de betekening, tenzij de wet anders bepaalt. Tenzij de wet anders bepaalt omvat ook impliciete afwijkingen. In principe zijn alle rechterlijke uitspraken vatbaar voor de aanwending van een rechtsmiddel, tenzij het gaat om akkoordvonnissen, berusting of om maatregelen waarin geen recht wordt gesproken (art Ger. W.). Welk rechtsmiddel kan worden aangewend, hangt af van de aard van het vonnis. Dit wordt door rechter die uitspraak moet doen over het rechtsmiddel beoordeeld, rekening houdend met de aard van de uitspraak en niet met de kwalificatie door de vorige rechter. B. Het verzet 1 Begrip Het verzet is een gewoon rechtsmiddel waardoor een bij verstek veroordeelde partij kan een vragen dat de zaak door dezelfde rechter opnieuw behandeld wordt. In principe heeft iedereen recht op verstek. Er zijn wel een aantal beperkingen, waaronder de belangrijkste inhoudt dat slechts éénmaal verzet kan worden aangetekend (art Ger. W.). 2 Voor verzet vatbare vonnissen In principe is elk verstekvonnis vatbaar voor verzet, met uitzondering van o.m. de arresten van het Hof van Cassatie. 3 Rechtspleging gevolgen (1) Terminologie De partij die verzet aantekent is eiser op verzet, de andere verweerder op verzet. Toch behouden ze hun oorspronkelijke proceshoedanigheid. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 42

43 (2) Wijze van rechtsingang Het verzet wordt in beginsel ingeleid per dagvaarding (art. 1047, lid 2 Ger. W.), tenzij de partijen kiezen voor de vrijwillige verschijning (art. 1047, lid 3 Ger. W.). In principe is het tijdstip van rolstelling bepalend voor het tijdstip waarop de rechter gevat wordt, maar om termijnproblemen te vermijden, is het raadzaam dat partijen het PV van vrijwillige verschijning ondertekenen. Uitzonderlijk is een verzoekschrift mogelijk (art. 1253quater, 1343, 3 en 704, 4 Ger. W.). (3) Bevoegde rechter De rechtbank die het verstekvonnis uitspraak heeft een exclusieve bevoegdheid om kennis te nemen van het verzet (art. 1047, lid 2 Ger W.). Eventueel kan de eiser op verzet wel een exceptie van onbevoegdheid opwerpen. (4) Motiveringsplicht De verzetsakte moet op straffe van nietigheid gemotiveerd zijn (art. 1047, lid 4 Ger. W.). Deze motieven zijn belangrijk in het kader van art. 861 Ger. W., maar worden pas onderzocht bij de gegrondheid van het verzet. (5) Register van verzetsakten De verzetsakten worden bijgehouden in een register op de griffie. (6) Termijnen In principe moet het verzet worden aangetekend binnen de maand na het de betekening van het verstekvonnis (art. 1048, lid 1 Ger. W.; zie ook art. 53bis) hoewel verlenging soms mogelijk is (art. 1048, lid 2 Ger. W. jo. art. 55 Ger. W.). In de gevallen in art. 792 Ger. W. begint de termijn te lopen vanaf de kennisgeving per gerechtsbrief (art. 1048, lid 1 Ger. W.). Art. 792 Ger. W. voorziet ook een aantal kwaliteitscriteria. (7) Gevolgen van het verzet Schorsende werking: het verzet schort de tenuitvoerlegging op (1397 Ger. W.), tenzij de wet anders bepaalt (o.m. art Ger. W. en art Ger. W.). Devolutieve werking: de zaak wordt in principe volledig opnieuw behandeld, tenzij de eiser in verstek dit beperkt. Relatieve werking: het verzet kan de uitgesproken veroordelingen niet verzwaren, maar een uitbreiding van de oorspronkelijke eis is wel mogelijk. (8) Behandeling en verloop van de procedure op verzet Zoals een gewoon geding. C. Het hoger beroep 1 Begrip (1) Algemeen Het hoger beroep is een gewoon rechtsmiddel dat de wet ter beschikking stelt van de procespartijen, om een vonnis in eerste aanleg aan te vechten voor een hogere rechter. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 43

44 Een vonnis staat niet steeds open voor een tweede aanleg. Dit hangt af van de waarde van de vordering. Het doel van de van het hoger beroep is enerzijds de hervorming, het corrigeren van fouten door de rechter of de partijen, en anderzijds de vernietiging, die het gevolg is van formele gebreken. De rechter zal de zaak daarna opnieuw ten gronde behandelen. Het hoger beroep leidt dus geen nieuw geding in. (2) Hoger beroep vs. incidenteel beroep Hoofdberoep gaat uit van een partij tegen wie nog geen hoofdberoep is ingesteld. De geïntimeerde partij kan daarop incidenteel beroep indienen. Dit is niet afhankelijk van een termijn (zolang de rechten van verdediging niet worden geschonden) of van het al dan niet berusten, en kan gericht zijn tegen alle beschikkingen van de bestreden uitspraak (art Ger. W.). Het incidenteel beroep is wel maar toelaatbaar als het hoofdberoep niet nietig of laattijdig is (het al dan niet aanwezig zijn van belang is niet relevant). Eventueel kan het incidenteel beroep dan wel als hoofdberoep worden aanzien, maar dan moet het binnen de beroepstermijn zijn aangetekend. Daarop is dan toch weer incidenteel beroep mogelijk van de tegenpartij. Enkel partijen tegen wie effectief iets gevorderd wordt, zowel via hoofdberoep als via incidenteel beroep, kunnen geïntimeerde partij zijn. Andere partijen kunnen dus geen incidenteel beroep aantekenen. Navolgende beroepen, beroepen die binnen de beroepstermijn worden ingesteld in navolging van het hoofdberoep, zijn de facto steeds een incidenteel beroep of hoofdberoep, maar er vallen enkele praktische verschillen aan te stippen (cf. o.m Ger. W.) 2 Toelaatbaarheidsvereisten (1) Openbare orde De toelaatbaarheidsvereisten voor een hoger beroep raken de openbare orde. (2) Vonnissen vatbaar voor hoger beroep In beginsel kan tegen ieder vonnis (op tegenspraak of niet, eind- of tussenvonnis, ) hoger beroep worden aangetekend (art. 616 Ger. W.). Dit impliceert dat een partij niet meteen naar de appelrechter kan stappen, maar eerst een bodemvonnis moet verkrijgen. Zoals al aangegeven zijn sommige vonnissen niet vatbaar voor een gewoon rechtsmiddel, en dus ook niet voor hoger beroep. Vonnissen alvorens recht te doen zijn (om tijdverlies te voorkomen) onmiddellijk vatbaar voor beroep, maar er kan ook samen met het eindberoep beroep tegen worden ingesteld (art Ger. W.). Niettegenstaande art Ger. W. kan tegen beslissingen over bevoegdheid slechts samen met het eindvonnis beroep worden ingesteld (art. 1050, lid 2 Ger. W.). Dit impliceert dat het eindvonnis appelabel moet zijn. (3) Geschil vatbaar voor hoger beroep In principe zijn alle zaken vatbaar voor hoger beroep (art Ger. W.). De belangrijkste uitzondering hierop is de aanleggrens. Art. 617 Ger. W. vermeldt welke waarde een geschil moet hebben om voor beroep vatbaar te zijn. Deze waarde wordt berekend volgens de art Ger. W.(art. 618 Ger. W.). Is een vonnis niet in geld uitgedrukt, is in beginsel steeds beroep mogelijk (art. 619 Ger. W.). Vonnissen op tussengeschil en onderzoeksvonnissen zijn appelabel als de uitspraak over de hoofdvordering dat ook is (art. 621 Ger. W.). Voor tegenvorderingen en vorderingen tot tussenkomst geldt daarentegen dat de waarde van het tussengeschil moet opgeteld worden bij die van het hoofdgeschil (art. 620 Ger. W.). Dit mag geen aanleiding geven tot Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 44

45 procesrechtsmisbruik. Volgens rechtspraak van het Grondwettelijk Hof schenden de art. 620 en 621 Ger. W. het gelijkheidsbeginsel, omdat het niet te verdedigen valt dat in sommige gevallen de waarde van de tussenvordering niet bij de hoofdvordering wordt geteld, terwijl ze de facto gelijkennissen vertoond met een tegenvordering. (4) Partijen Slechts de personen die partij waren in eerste aanleg, kunnen beroep aantekenen. Derden met uitzondering van het O.M. (art Ger. W.) kunnen slechts derdenverzet aantekenen. Ze kunnen ook tussenkomen in hoger beroep, maar dat mag niet zijn om voor het eerst een veroordeling te verkrijgen (art. 812 Ger. W.). Omgekeerd kan het hoger beroep ook enkel worden gebruikt tegen de partijen uit eerste aanleg. (5) Termijn Zodra de uitspraak gedaan is, kan door beide partijen beroep worden aangetekend, tot maximum één maand na de betekening (art. 1051, lid 1 en 2 Ger. W.), tenzij de termijn ex art. 792 loopt vanaf de kennisgeving. Dezelfde uitzonderingen als voor het verzet gelden. De termijn van verschijning bedraagt 15 dagen (art Ger. W.). Deze termijnen zijn van openbare orde. Opnieuw moet rekening worden gehouden met art. 53bis Ger. W. (6) Belang De appellant moet blijk geven van belang. Dat houdt in dat de rechter hem op een of meerdere punten ongelijk gegeven heeft, of dat de partij zelf een fout heeft gemaakt. Bovendien is vereist dat er een rechtsband bestaat tussen appellant en geïntimeerde. Dat geldt dan weer niet voor onsplitsbare geschillen. 3 Rechtspleging in hoger beroep (1) Algemeen De rechtspleging in hoger beroep loopt grotendeels gelijk met die uit eerste aanleg, met een aantal uitzonderingen (art Ger. W.). Het is mogelijk om, binnen de grenzen van art. 807 Ger. W., nieuwe eisen te formuleren. (2) Vorm van de inleidingsakte Het hoger beroep wordt in de regel ingeleid door een verzoekschrift. De tegenpartij ontvang een afschrift (art. 1056, 2 Ger. W.). Ook mogelijk is een deurwaardersexploot (art. 1056, 1 Ger. W.), of, in de gevallen bij de wet bepaald, een aangetekende brief (art. 1056, 3 Ger. W.). Incidenteel en navolgend beroep kunnen tot slot ook per conclusie worden aangetekend (art. 1056, 4 Ger. W.). Behalve voor die laatste vorm (zie evenwel art Ger. W.) zijn er vormvereisten (art Ger. W.). (3) Inschrijving op de rol De partij die beroep aantekent moet de zaak laten inschrijven op de rol. Zo niet heeft het beroep geen gevolg. (art Ger. W.). (4) De behandeling van de zaak De behandeling van de zaak loopt grotendeels gelijk met de eerste aanleg (art Ger. W.). Soms is het echter verplicht om de kortedebattenregeling te volgen (art. 1066, lid 2 Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 45

46 Ger. W.). Voor andere zaken moet dit gevraagd worden (art. 735 jo. art Ger. W.). De afwijkende regels omvatten vooral termijnen (art Ger. W.). Verzet kan logischerwijze ook worden ingesteld (art Ger. W.). De rechter beoordeelt eerst de toelaatbaarheid van het beroep en kan daarna het vonnis bevestigen of geheel of ten dele wijzigen. 4 Gevolgen van het hoger beroep (1) Schorsende werking Behoudens de eventuele voorlopige tenuitvoerlegging (tenuitvoerlegging bij voorraad), heeft het hoger beroep een schorsende werking (art Ger. W.). (2) Devolutieve werking De devolutieve werking houdt in dat een hoger beroep tegen een hoofdvonnis of een vonnis alvorens recht te doen, het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep (art Ger. W.). We moeten daarbij een onderscheid maken tussen de gewone en de verruimde devolutieve werking. De gewone devolutieve werking doet zich voor als de rechter zich al over alle geschilpunten heeft uitgesproken (ergo, eindvonnis). Dan kan een partij beroep aantekenen tegen één of meerdere geschilpunten. Die keuze bindt de rechter (tantum devolutum, quantum appellatum) vanuit het beschikkingsbeginsel. De verruimde devolutieve werking houdt in dat een hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen of een eindvonnis op tussengeschil, ervoor zorgt dat het hele geschil naar de hogere rechter wordt overgeheveld. Dit is een regel van openbare orde, die moet voorkomen dat een geding vertraagd wordt door nutteloze hogere beroepen. Op het principe van de verruimde devolutieve werking bestaan uitzonderingen. Vooreerst bepaalt art. 1062, lid 2 Ger. W. dat de appelrechter de zaak moet terugzenden naar de rechter in eerste aanleg, als hij een onderzoeksmaatregel gedeeltelijk of volledig bevestigd. Dat een rechter dezelfde onderzoeksmaatregel beveelt, houdt geen bevestiging in. Een tweede uitzondering is vervat in art Ger. W. (cf. infra). D. Voorziening in cassatie 1 Begrip De voorziening in cassatie is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor vonnissen, arresten en sommige akten op hun regelmatig getoetst worden door het hoogste rechtscollege. Daarbij is het Hof van Cassatie geen derde aanleg, omdat het geen feiten onderzoekt en niet in de beoordeling van de zaken treedt (art. 147 Ger. W.). De tenuitvoerlegging wordt niet geschorst door het aantekenen van cassatieberoep. 2 Tegen welke beslissingen kan cassatie worden aangetekend? Alle vonnissen en arresten die in laatste aanleg zijn gewezen zijn vatbaar voor cassatie, omwille van een overtreding van de wet (inc. substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvormen) (art. 608 Ger. W.). Cassatie staat enkel open voor eindbeslissingen, niet voor beslissingen alvorens recht te doen of maatregelen van inwendige aard. Eenzelfde partij kan over eenzelfde zaak maar één keer voorziening in cassatie vragen, tenzij hij binnen de termijn voor een cassatievoorziening afstand doet van zijn eerste voorziening. Als de beslissing van de rechter waarnaar de zaak verwezen is, niet Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 46

47 overeenstemt met de beslissing in Cassatie, staat wel een tweede voorziening open (art. 1119, lid 2 Ger.W.). Tot slot heeft het Hof nog enkele andere bevoegdheden (art Ger. W.). 3 Welke partijen kunnen cassatie aantekenen? In beginsel kunnen enkel de partijen bij de bestreden beslissing cassatie aanteken, als ze belang hebben (cf. infra) en bekwaam zijn op het moment van het aantekenen. Beide partijen moeten in leven zijn. Bij een onsplitsbaar geding wordt de voorziening gericht naar alle partijen, die desnoods moeten worden opgeroepen (at Ger. W.). Ook het O.M. kan soms cassatie aantekenen (cf. o.m. art. 642 en Ger. W.). 4 Procedure De procedure verloopt schriftelijk. Er wordt niet gepleit. E. Derdenverzet 1 Begrip Derdenverzet is een facultatief rechtsmiddel waarmee derden de vernietiging van een voor hen nadelig vonnis kunnen bekomen. Het niet-aanwenden van dit rechtsmiddel houdt geen verlies van rechten in (art Ger. W.). 2 Voorwaarden Het instellen van het derdenverzet is onderworpen aan twee voorwaarden. De derde mag geen partij geweest zijn. Betalen wie derde is, is daarbij niet altijd evident (cf. art. 1122, lid 2 Ger W.). De derde moet ook belang hebben: de aangevochten rechterlijke beslissing moet hem een nadeel bezorgen. De aard van de rechterlijke beslissing is niet relevant, maar arresten van het Hof van Cassatie staan niet open voor derdenverzet (art Ger. W.). 3 Termijn In principe verjaart het derdenverzet na 30 jaar (art. 1128, lid 1 Ger. W.), maar aangezien ze maar kan worden ingesteld zolang het recht om het vonnis uit te voeren niet verjaard is (art. 1128, lid 2 Ger. W.), verjaart ze de facto na 10 jaar (art. 2262bis BW). Is het vonnis aan de derde betekend, is de termijn drie maanden (art Ger. W.). 4 Procedure Het derdenverzet kan als hoofdvordering worden ingesteld. De partijen worden door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot gedagvaard de rechter die de bestreden uitspraak deed (art. 1125, lid 1 Ger. W.). Soms kan derdenverzet ook incidenteel zijn. Het wordt dan ingeleid per conclusie (art. 1125, lid 2 Ger. W.) en samen met of afzonderlijk met de hoofdzaak behandeld (art Ger. W.). Vereist is dat de derde partij is en tegen hem een vonnis wordt ingeroepen waarbij geen partij is. Alle partijen moet daarbij in het geding betrokken zijn. De rechter mag geen lagere rechter zijn dan de rechter die de uitspraak deed. 5 Gevolgen In principe heeft het derdenverzet geen schorsende werking (uitz: art Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 47

48 Wordt het derdenverzet ingewilligd, wordt het vonnis ten aanzien van de derde geheel of gedeeltelijk vernietigd (art. 1130, lid 1 Ger. W.). Tegenover de andere partijen kan het vonnis maar worden ten uitvoer gelegd als dat niet in tegenspraak is met de rechten van de derde (art. 1130, lid 2 Ger. W.). Tegen de beslissing waarbij derdenverzet werd toegekend, staan de normale rechtsmiddelen open, waarbij hoger beroep enkel mogelijk is als de zaak niet al in hoger beroep werd behandeld (art Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 48

49 6. Kort geding eenzijdig verzoekschrift summiere rechtspleging om betaling te bevelen A. Kort geding 1 Omschrijving Het kort geding is een snelle procedure die als doel heeft een beslissing tot een voorlopige maatregel te verkrijgen. Het is een autonome procedure: het kort geding kan een bodemprocedure vooraf gaan, en soms zelfs tijdens een bodemprocedure worden opgestart. Het kort geding is maar mogelijk als aan drie voorwaarden voldaan is (art. 584, lid 1 Ger. W.): de spoedvereiste, het feit dat de uitspraak bij voorraad gedaan wordt, en dat de te berechten zaak niet aan de rechterlijke macht onttrokken is. 2 De spoedvereiste (1) Begrip Spoed is aanwezig als een onmiddellijke beslissing wenselijk is om een imminente schade te voorkomen. Hierbij hoeft de rechter geen belangenafweging te maken. Hij moet nagaan of de maatregel in de concrete omstandigheden effectief is. Die concrete omstandigheden omvatten o.a. het gedrag van de eiser. Als die nalatig is en te lang talmt, kan de kortgedingrechter oordelen dat een geval niet spoedeisend is. Dat een bodemrechter al werd aangezocht, is daarentegen niet van lang. Spoedeisendheid wordt mee bepaald door de belasting van de rechtbank in kwestie. Het bestaat wanneer de gewone rechtspleging niet in staat is het geding tijdig op te lossen, wat gezien de rechterlijke achterstand steeds vaker het geval is. De rollen raken daardoor nog meer verzadigd. (2) Beoordelingsmomenten toetsingsogenblik De spoedvereiste moet beoordeeld worden vanaf het moment de zaal wordt ingeleid tot op het moment van de uitspraak. Een achterhaalde spoed kan leiden tot een afwijzing van het vonnis, of omgekeerd. (3) Toelaatbaarheids- of bevoegdheidsvereiste? Raakt spoed de grond van de zaak? In de rechtsleer bestaat discussie of de spoedvereiste de toelaatbaarheid van de vordering betreft, dan wel raakt aan de bevoegdheid van de kortgedingrechter. Cassatie kiest duidelijk voor de tweede optie. De rechter moet nagaan of de eiser spoed aanvoert of hij bevoegd is (cf. ook art. 9 Ger. W.). Bovendien raakt, zelfs in de visie Cassatie, de urgentie aan de grond van de zaak. Is de aangevoerde spoed niet aanwezig, moet de vordering als ongegrond worden afgewezen. (4) Art. 19, lid 2 Ger. W. Art. 19, lid 2 Ger. W. is ook van toepassing op de kortgedingprocedure. 3 Voorziening bij voorraad (1) Begrip draagwijdte Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 49

50 In principe mag het kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf (art Ger. W.). Dit is de draagwijdte van de uitspraak op voorraad (art. 584 Ger. W.). Dit betekent niet dat de voorzitter de (schijnbare) rechten van de partijen niet mag onderzoeken, wel dat de bodemrechter hier niet door gebonden is. De voorzitter moet alle relevante rechtsnormen hierin betrekken. De rechtsregels die hij kiest, moeten de vordering redelijkerwijs schragen. Het Hof van Cassatie kan de beschikking eventueel vernietigen op basis van het redelijkheidscriterium. De rechter mag bovendien geen definitieve wijzigingen in de rechtspositie van de partijen teweegbrengen. De weerslag op de feitelijke positie is hierbij irrelevant. De voorzitter moet daarbij opletten dat hij een partij niet in een betere onderhandelings- of processuele positie brengt. Zijn de gevorderde maatregelen van die aard dat ze definitieve gevolgen kunnen hebben, moet de voorzitter de vordering als ongegrond afwijzen ofwel de vordering afzwakken tot de maatregelen een voorlopig karakter hebben. Het voorlopig karakter laat toe dat de voorzitter de maatregelen op verzoek van de meest gerede partij- eventueel wijzigen of intrekken als er nieuwe omstandigheden zijn. (2) Welke maatregelen kan de voorzitter bevelen? Een aantal maatregelen staan opgesomd in art. 584, lid 4 Ger. W. Daarnaast zijn er evenwel nog een massa maatregelen, van conservatoire of constitutieve aard. De kortgedingrechter mag evenwel geen maatregelen opleggen die de bodemrechter ook niet zou kunnen opleen. Ook op strafrechtelijk vlak kan de voorzitter enkele maatregelen treffen. 4 De zaak mag niet aan de rechterlijke macht onttrokken zijn Een voorzitter kan geen uitspraak doen in zaken die aan de rechterlijke macht onttrokken zijn. In principe doet de voorzitter over alle vorderingen binnen het subjectief contentieux, terwijl de kortgedingprocedure van de Raad van State geldt voor het objectief contentieux. Het Hof van Cassatie oordeelde evenwel (weinig verrassend) dat de voorzitter bevoegd blijft om een overheidshandeling te schorsen, als dit als doel heeft de schending van een subjectief recht te vrijwaren. Er is dus soms sprake van een parallelle bevoegdheid. Non bis in idem geldt ook hier. Deze onduidelijkheid is er ook omdat het Hof van Cassatie als criterium het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van de vordering neemt. Sommige auteurs gebruiken de aard van de overheidshandeling als voorwerp. Gaat het om een plicht van de overheid die een subjectief recht voor de burger inhoudt, is de burgerlijke rechter bevoegd, in de andere gevallen de Raad van State. Andere auteurs menen dat de aard van de vordering bepalend is: wordt de schorsing of vernietiging gevorderd, is de Raad van State bevoegd. Strekt tot de vorderingen tot het vrijwaren van subjectieve rechter, is de burgerlijke rechter bevoegd. 5 Afwijkende procedureregelen (1) Bevoegdheid De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg heeft een voorwaardelijke materiële volheid van bevoegdheid. De partijen kunnen in limine litis zijn onbevoegdheid opwerpen. De territoriale bevoegdheid van de voorzitter loopt gelijk met die van de bodemrechter, tenzij de grondvereisten van het kort geding een afwijking rechtvaardigen. Zo is de plaats waar onderzoeksmaatregelen moeten plaatsvinden, bepalend voor de bevoegdheid van de rechter die ze beveelt. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 50

51 (2) Termijnen In beginsel bedraagt de dagvaardingstermijn in kort geding twee dagen (art Ger. W.), al kan die verminderd worden (art Ger. W.). Indien nodig, kan de terechtzitting bij de rechter thuis plaatsvinden (art Ger. W.). Art. 53 Ger. W. vindt toepassing en voor verzet geldt eenzelfde termijn. Over de vraag of er conclusietermijnen bestaan, is er grote onenigheid. Volgens auteurs zijn de art Ger. W. van toepassing (aangezien er geen verplichting tot concluderen is), andere wijzen op het feit dat de voorzitter moet zorgen dat de zaak niet vertraagd wordt door de conclusies. Ook de rechtspraak is verdeeld. (3) Motiveringsplicht Bij het oordelen over de ogenschijnlijke rechten van de partijen mag de rechter de rechtsregelen die de rechtsverhouding tussen de partijen regelen, niet schenden. De rechter moet maar oppervlakkig motiveren, maar hoe dieper hij graaft, hoe meer hij moet motiveren. Hij moet niet nalaten om de rechtsgrond in de procedure te betrekken. Als hij dat doet, kan zijn beslissing vernietigd worden als zijn rechtsopvatting onjuist is. (4) Hoger beroep De vraagt stelt zich of de kortgedingrechter nog bevoegd is als een hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking in kort geding. Tegenwoordig wordt aanvaard dat dit inderdaad het geval is, als de gevorderde maatregelen in hoger beroep niet of niet tijdig zouden kunnen worden opgelegd. Ze moeten bijzonder hoogdringend zijn. In zo n geval kan de kortgedingrechter zijn beschikking wijzigen. (5) Arbitrage In principe is een overeenkomst tot arbitrage (en een arbitrage-beslissing) verenigbaar met de mogelijkheid om kort geding aan te wenden (art. 1679, lid 2 Ger. W.). Van deze regel kan wel conventioneel worden afgeweken. (6) Buitenlandsrecht De rechter moet steeds het buitenlands recht onderzoeken als dit wordt ingeroepen (art. 15, 1 en 2, lid 1 WIPR), ook in kort geding. Is dit niet tijdig mogelijk, past hij het Belgische recht toe (art. 15, 2, lid 2 WIPR). 6 Zoals in kort geding In een aantal gevallen bepaalt de wet dat een procedure wordt behandeld zoals in kort geding. Behalve de procedure hebben deze gevallen niets met kort geding te maken. Spoed wordt steeds vermoed en de voorzitter mag de zaak ten gronde onderzoeken. B. De rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift 1 Afbakening De term verzoekschrift komt in het Ger. W. op verscheidene plaatsen in verschillende betekenissen voor. Als er een tegenpartij moet worden opgeroepen én bovendien het om de inleiding van een hoofdvordering gaat, gaat het om een verzoekschrift op tegenspraak (art. 1034bis Ger. W.). In het andere geval gaat het om een eenzijdig verzoekschrift (art Ger. W.). Een andere methode is om na te aan of een bepaling al dan niet van na 1992 stamt (toen het verzoekschrift op tegenspraak werd ingevoerd). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 51

52 2 Begrip De eenzijdige procedure (art Ger. W.) is een rechtspleging waarbij de zaak gevoerd wordt zonder dat een tegenpartij in het beding wordt betrokken. Dit wordt slechts uitzonderlijk toegepast, omdat het een uitzondering is op het principe van hoor en wederhoor. 3 Vereiste van volstrekte noodzakelijkheid In geval van uitdrukkelijke noodzakelijkheid kan de voorzitter gevat worden op eenzijdig verzoekschrift (art. 584, lid 3 Ger. W.). De rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift staat los van het kort geding en is er geen bijzondere vorm van, ook al vertonen beide figuren een zekere gelijkenis. Zo kan de voorzitter in een rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift niet bepalen dat een kort geding moet worden ingesteld. De uitdrukkelijke noodzakelijkheid houdt in dat de rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift is subsidiair is aan het kort geding. Slechts in de (zeldzame) gevallen waarin zelfs het kort geding te traag zou werken, kan een beroep worden gedaan op de eenzijdige rechtspleging. Ook als de aard van de gevorderde maatregel met zich meebrengt dat een tegensprekelijke procedure niet doeltreffend zou zijn, kan een beroep worden gedaan op het eenzijdige verzoekschrift. Dit is bijvoorbeeld het geval als de tegenpartij niet gekend is (zoals krakers). Tot slot is het gebruik van het eenzijdig verzoekschrift mogelijk telkens de wet dit voorschrijft (vb. art Ger. W.). 4 Bevoegde rechter In gevallen van hoogdringendheid is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel of de arbeidsrechtbank bevoegd (art. 584, lid 3 Ger. W.). In de gevallen waarin het eenzijdig verzoekschrift is voorgeschreven door de wet, moet de gewone bevoegdheidsverdeling worden gevolgd. 5 Procedure De procedure wordt ingeleid per eenzijdig verzoekschrift, dat aan een aantal vormvereisten moet voldoen (art en 1027 Ger. W.). De rechter onderzoekt vervolgens de vordering (art. 1028, lid 1 Ger. W.) en doet uitspraak in de raadkamer (art Ger. W.). Pas daarna wordt de verweerder op de hoogte gebracht (art. 1028, lid 3 Ger. W.). De beslissing wordt aan de verzoeker toegestuurd (at Ger. W.). 6 Rechtsmiddelen De verzoeker kan om de intrekking verzoeken als er gewijzigde omstandigheden zijn (art Ger. W.). Wordt zijn initiële verzoek afgewezen, kan hij binnen de maand beroep aantekenen (enkel nuttig in bepaalde procedures). Eventueel kan hij naar Cassatie trekken. Binnen de maand (art Ger. W.) kunnen derden verzet (sui generis) aantekenen volgens de procedure van het derdenverzet (art e.v. Ger. W.) C. Summiere rechtspleging om betaling te bevelen 1 Situering Om voor kleine sommen een snelle inning mogelijk te maken, wou de wetgever een snelle procedure invoeren (art Ger. W.). Deze is evenwel geen succes. Ze wordt zelden gebruikt, vooral door de strenge voorwaarden, die daarenboven door de rechters Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 52

53 stringent worden toegepast. Ze wordt bovendien al overschaduwd door een nieuwe Europese procedure: De Europese betalingsbevelprocedure, die sneller en handiger is. 2 Voorwaarden Art en 1344 Ger. W. sommen een aantal voorwaarden op waaraan cumulatief moet voldoen zijn om op deze rechtspleging een beroep te kunnen doen. De belangrijkste is dat de vordering moet behoren tot de bevoegdheid van de vrederechter (en politierechter) en bijgevolg de 1860 niet te boven mag gaan (art. 1338, lid 1 Ger. W.). 3 Procedure De schuldenaar moet eerst nogmaals worden aangemaand per aangetekende brief of per deurwaardersexploot (art Ger. W.). Daarna moet binnen de 15 dagen een eenzijdig verzoekschrift worden overgemaakt aan de bevoegde rechter (art.1340 Ger. W.). De verweerder kan zijn opmerkingen schriftelijk meedelen (art Ger. W.). Hierna doet de rechter binnen de vijftien dagen meestal op basis van de stukken uitspraak over de vordering (art Ger. W.). De gevolgen van een ingewilligde vordering zijn die van het verstekvonnis (art. 1343, 1 Ger. W.). Het moet worden betekend binnen het jaar (art. 806 Ger. W.). De schuldeiser kan zijn (ten dele) afgewezen vordering via gewone weg voortzetten. De schuldenaar kan verzet of hoger beroep aantekenen (art. 1343, 3 Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 53

54 7. Rechtshulp A. Algemeen De rechtshulp omvat twee luiken: de bijstand in pecunio (rechtsbijstand) en de bijstand in iure (juridische bijstand). B. Rechtsbijstand 1 Omschrijving en situering Rechtsbijstand heeft als doel de personen die niet over het vereiste inkomen (!) beschikken, de middelen te verschaffen om toch een gerechtelijke procedure te voeren (art. 664 Ger. W.). Dit is een recht dat zowel in art. 23 GW als in art. 6 EVRM gewaarborgd wordt. Het kan toegekend worden in de gevallen ex art. 665 Ger W. Het gaat om noodzakelijke kosten. 2 Toekenningsvoorwaarden (1) Rechtmatigheidscriterium Bij het beoordelen van de toekenningsaanvraag, zal het bureau van rechtsbijstand marginaal toetsen of de aanspraak van de verzoeker gegrond is (art. 667 Ger. W.). Dat houdt in dat bij een kort geding wordt nagegaan of er spoedeisendheid is. (2) Draaglastcriterium De aanvrager moet aantonen dat zijn inkomen (niet vermogen) ontoereikend is om de kosten van het geding te dragen. Van zodra iemand juridische tweedelijnsbijstand verkrijgt, moet hij dit niet meer aantonen. C. Juridische bijstand 1 Situering Juridische bijstand is het recht van de rechtszoekende om zich te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze. Het wordt gewaarborgd ex art. 23 GW en art. 6 EVRM. De regeling werd in 2006 hervormd. Er kwam een beroepsmogelijkheid en er werd een poging ondernomen om de juridische bijstand gelijk te schakelen met de rechtsbijstand. 2 Commissie en bureaus voor juridische bijstand Er is een commissie voor juridische bijstand in ieder arrondissement (art. 508/2, 1, lid 1 Ger. W.). Zij heeft een vierledige taak (art. 508/3 Ger. W.), die de praktische kant van de juridische bijstand omvat. De bureaus voor juridische bijstand zijn verbonden aan de Orde van Advocaten. Zij verstrekken de juridische tweedelijnsbijstand. 3 Juridische eerstelijnsbijstand Juridische eerstelijnsbijstand (juridische basisdiensten buiten het geding om - art. 508/1, 1 Ger. W.) is geen louter monopolie van de gespecialiseerde organisaties voor juridische Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 54

55 bijstand. Ook de advocatuur kan eerstelijnsbijstand verlenen (art. 446bis jo. Art. 508/5 Ger. W.). Zij worden hiervoor niet vergoed. 4 Juridische tweedelijnsbijstand Juridische tweelijnsbijstand omvat de omvattende juridische adviezen en de bijstand in het kader van een procedure (art. 508/1, 2 Ger.W.). De personen in kwestie richten zich rechtstreeks tot de advocaat of worden doorverwezen door de verstrekker van juridische eerstelijnsbestand (art. 508/9 Ger. W.). Het is immers in beginsel verboden voor de verstrekker van eerstelijnsbijstand om ook de tweedelijnsbestand te verstrekken (art. 508/12 Ger. W.). De toekenningsvoorwaarden zijn gelijkgeschakeld met die van de rechtsbijstand (art. 508/13 Ger. W.) en worden nader uitgewerkt in een KB. Eventueel kan de bijstand beëindigd worden als aan die voorwaarden niet meer voldaan is (art. 508/18 Ger. W.). In een aantal gevallen kan de vergoeding zelfs worden teruggevorderd (art. 508/20 Ger. W.). De advocaten worden afhankelijk van het type zaak meer of minder vergoed voor het werk dat zij verrichten (art. 5098/19 Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 55

56 8. Bezwarende maatregelen, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling A. Basisbegrippen 1 Verbod van eigenrichting De gedwongen tenuitvoerlegging is een exclusieve taak van de overheid. De SE mag niet zelf tot de tenuitvoerlegging overgaan, maar moet een beroep doen op de overheid. Deze controleert de tenuitvoerlegging via de gerechtsdeurwaarder 2 Executierecht: van openbare orde maar teleologische interpretatie Het executierecht is het geheel van rechtsregels die betrekking hebben op het realiseren van de aanspraken van een schuldeiser door middel van de door de overheid ter beschikking gestelde middelen. Immers, een vonnis is zonder waarde als het niet kan uitgevoerd worden. Dit wordt ook gewaarborgd door art. 6 EVRM. Het executierecht raakt aan de openbare orde, maar moet doelgericht geïnterpreteerd worden. Het doel is een rechtvaardige uitvoering. 3 Parate executie Parate executie is de dadelijke uitwinning van de schuldenaar. De schuldeiser mag zonder uitvoerbare titel raken aan de goederen van de debiteur. Parate executie is in ons recht verboden (art Ger. W.). Voor de tenuitvoerlegging is steeds een uitvoerbare titel nodig. 4 Reële executie Bij reële executie wordt de debiteur gedwongen om de prestatie waartoe hij veroordeeld is, uit te voeren. In principe moet dat in natura gebeuren. Daarbij is het verboden om directe dwang op de persoon van de debiteur worden uitgeoefend (opsluiting, geweld, ). Er moet op andere middelen een beroep worden gedaan (zoals de dwangsom). Is de uitvoering in natura niet mogelijk, kan de prestatie ook door een derde worden uitgevoerd - op kosten van de debiteur (art BW). Ook uitvoering bij equivalent is mogelijk. Hierbij wordt voorzien in een vervangende schadevergoeding. Deze materie is dan ook zowat volledig geregeld in het BW. 5 Dwangsom (1) Begrip De dwangsom is een bijkomende veroordeling van de SA om aan de SE een geldsom te betalen, zonder enig verband met de schade die de SE ondergaat, teneinde op de SA druk uit oefenen opdat hij de hoofdveroordeling zou uitvoeren. De dwangsom is een vorm van indirecte reële executie, omdat de SE langs indirecte weg verschaft krijgt wat hem toekomt. (2) Voorwaarden De dwangsom kan niet worden opgelegd: Bij de betaling van een geldsom. Hier is immers directe executie mogelijk. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 56

57 Bij het afdwingen van een arbeidsovereenkomst (art. 1385bis Ger. W.) Als ze ingaan tegen de menselijke waardigheid of als de uitspraak geen bevel inhoudt De dwangsom kan in principe tegen elke veroordeelde partij uitgesproken worden door elke rechter (en zelfs door arbiters (art. 1709bis Ger. W.), maar ze moet door een partij gevorderd worden. De rechter bepaalt wel het bedrag en de modaliteiten. Zo kan één soms opleggen, of een bedrag per tijdseenheid of per overtreding, of een combinatie van de beide (art. 1385bis Ger. W.). Het komt enkel aan deze rechter toe om de dwangsom aan te passen of op te schorten. (3) Verbeuren van de dwangsom De dwangsom kan slechts verbeurd worden (d.w.z., ze wordt opeisbaar) na de betekening van het vonnis (art. 1385bis, lid 3 Ger. W.). De rechter kan uitstel toestaan (art. 1385bis, lid 4 Ger. W.), maar kan de termijn niet inkorten. De verbeurte van de dwangsom vereist bovendien een effectief uitvoerbare uitspraak. Dit impliceert dat een rechtsmiddel de verbeurte kan schorsen, als de uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad is. Wordt het vonnis dat de dwangsom oplegde, teniet gedaan, vervalt de dwangsom retroactief. (4) Executie Eenmaal de dwangsom verbeurd is, kan de schuldeiser overgaan tot de executie op basis van de titel waarin de dwangsom werd opgelegd (art. 1385quater Ger. W.). (5) Vaststellen van de overtreding Het komt aan de beslagrechter toe om te oordelen of een handelswijze een inbreuk uitmaakt op de opgelegde verplichting. Daarbij moet het vonnis restrictief interpreteren. Er is maar sprake van een inbreuk als de handeling zonder redelijke discussie een inbreuk uitmaakt, tenzij er sprake is van overmacht. (6) Verjaring en overlijden debiteur De dwangsom verjaart na zes maanden na de verbeurte (art. 185octies Ger. W.). Op deze manier wou de wetgever voorkomen dat er een onevenredige hoge dwangsom zou ontstaan. Deze termijn kan gestuit of geschorst worden. Een dagvaardig stuit de verjaring, het faillissement van debiteur schorst de verjaring. De verjaring loopt ook niet als de debiteur niet op de hoogte is van het faillissement. Als de debiteur overlijdt, wordt de dwangsom (per tijdseenheid) niet langer verbeurd. De rechter moet ze opnieuw opleggen aan de erfgenamen. Wat al verschuldigd was, blijft dat evenwel ook (art. 1385septies, lid 1 Ger. W.). Dat is in principe ook zo voor andere dwangsommen, tenzij de rechter een uitzondering voorziet (art. 1385septies, lid 2 Ger. W.). 6 Andere begrippen De tenuitvoerlegging is het feitelijk realiseren van een rechterlijke uitspraak o Kan vrijwillig (medewerking veroordeelde vereist) of gedwongen (geen medewerking) zijn.. o Kan definitief (uitspraak in kracht van gewijsde) of voorlopig (latente uitvoerbare kracht) zijn. o Kan rechtstreeks (rechtstreekse realisering aanspraken) of onrechtstreeks (middelen om SA tot uitvoeren aan te zetten) zijn o Kan op grosse of op minuut zijn. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 57

58 o In natura of bij equivalent Dare: in natura voor soortzaak, anders bij equivalent Facere: in natura slechts via dwangmiddelen Non facere: bij equivalent De uitvoerbaarheid is de hoedanigheid waardoor een titel ten uitvoer kan gelegd worden (uitspraken, notariële akten, andere openbare ambtenaren). o Inter partes geldt de uitvoerbaarheid (latente uitvoerbare kracht) vanaf de betekening, maar wordt geschorst bij het aanwenden van een rechtsmiddel, tenzij de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard is (art Ger. W.). o Erga omnes moet de uitspraak in kracht van gewijsde zijn getreden, tenzij de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is. Behalve de dwangsom zijn ook een schadevergoeding of diverse interesten mogelijk. B. Beslag: algemeen 1 Begrip Het beslag is de ambtshandeling van de gerechtsdeurwaarder waarmee hij aanwijst welke vermogensbestanddelen zullen dienen tot delging van de schuld. Het gevolg is dat de beslagene de beschikkingsbevoegdheid verlies. Het beslag is geen zakelijk recht, maar een recht met zakelijke gevolgen. In beginsel heeft de SE keuze waarop hij beslag legt. Dit wordt door allerlei bepalingen beperkt. Hij mag zijn beslagrecht uiteraard niet misbruiken. 2 Voorwerp (1) Algemeen In principe staat een debiteur met heel zijn actuele vermogen in als onderpand voor zijn schuldeisers (art. 7-8 Hyp. W), ongeacht waar de goederen zich bevinden (art. 1408, 2 Ger. W.). Uitzonderingen kunnen slechts voortvloeien uit wet, uit de aard van het goed, of uit de exclusieve band met de persoon van de beslagene. Daarom zijn waardeloze of strikt persoonlijke goederen niet voor beslag vatbaar. Art. 1408, 1 Ger. W. bevat bovendien een reeks goederen die niet voor beslag vatbaar zijn. Deze goederen zijn nodig om een menswaardig bestaan te verzekeren. Ook een aantal bijzondere wetten voorziet in uitzonderingen. Bij betwistingen omtrent de vraag of goederen vatbaar zijn voor beslag, voorziet art. 1408, 3 Ger. W. in een snelle procedure voor de beslagrechter. Deze doet in eerste en laatste aanleg uitspraak boven alle andere zaken. Een debiteur mag zichzelf niet onvermogend maken om aan het beslag te ontsnappen. Dit wordt strafrechtelijk gesanctioneerd (art. 490bis Sw.). De SE wordt ten dele beschermd via de pauliaanse vordering (art Ger. W.). (2) Omvang Het beslag strekt zich uit de volledige zaak waar beslag op wordt gelegd, ook al is de waarde daarvan groter dan de schuldvordering. (3) Bijzonderheden Ook toekomstige zaken waarvan zeker is dat ze in het vermogen van de SA zullen komen, zijn vatbaar voor beslag. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 58

59 Beslag kan ook gelegd worden op vruchten. Zijn deze vergankelijk, worden ze met toestemming van de beslagrechter verkocht en wordt de opbrengst in de Depositoen Consignatiekas gestort (art Ger. W.) Gaat een zaak verloren, moet de SA in een gelijkaardige zaak voorzien of de waarde van de zaak ter beschikking stellen. Loon en soortgelijke vorderingen zijn maar in beperkte mate vatbaar voor beslag. De schuldenaar moet een levenswaardig bestaan kunnen leiden en zijn gezin kunnen onderhouden. Diezelfde redenering wordt evenwel omgedraaid wat alimentatievorderingen betreft. Er moet een drievoudig onderscheid worden gemaakt. o Loon en gelijkgestelde inkomsten (art. 1409, 1, lid 1 Ger. W.) zijn in beperkte mate vatbaar voor beslag. Dat deel (art. 1409, 1, lid 2 Ger. W.) wordt aangepast per KB. o Inkomsten uit andere activiteiten (art. 1409, 1bis Ger. W.) en vervangingsinkomens (art. 1410, 1 Ger. W.) zijn aan een gelijkaardig systeem onderworpen. o Art. 1409bis Ger. W. beschermt de overige inkomsten (zoals huuropbrengsten). Deze bescherming moet worden aangevraagd bij de beslagrechter (art. 1408, 3 Ger. W.). Het beslagbare gedeelte wordt berekend zoals bij loonvorderingen. o Bepaalde inkomsten (zoals kinderbijslag) zijn volledig onvatbaar voor beslag (art. 1410, 2 Ger. W.). Voor kinderen ten laste worden de drempels verhoogd (art. 1409, 1, lid 4 en 1bis, lid 4 jo. Art. 1409ter en 1409quater Ger. W.). o Zijn deze bedragen gecrediteerd op een zichtrekening, geldt een vermoeden van onbeslagbaarheid tot bewijs van het tegendeel (art Ger. W.). Er werd wel een systeem uitgewerkt om de herkomst van de bedragen te markeren. o Alimentatievorderingen hebben een supervoorrecht (art Ger. W.). Ze hebben voorrang bij samenloop met andere schuldeisers en de beperkingen op inkomsten zijn van geen tel. De hoofdverblijfplaats kan ook buiten het beslagrecht worden geplaatst Cultuurgoederen van vreemde mogendheden zijn vatbaar voor beslag (art. 1412ter, 1 Ger. W.). (4) Goederen van publiekrechtelijke rechtspersonen In beginsel zijn goederen van het openbaar domein niet vatbaar voor beslag (art. 1412bis Ger. W.). Goederen van het privaat domein zijn dat wel. De overheid kan een lijst aanleggen met beslagbare goederen, die primeert. De facto zijn die lijsten echter redelijk waardeloos. Betwisten komen voor de beslagrechter en hebben schorsende werking. 3 Publiciteit (1) Algemeen Bij beslag is publiciteit nodig om de gelijkheid van schuldeisers te vrijwaren. Het laat toe dat, bij samenloop van schuldvorderingen, andere SE ers zich aansluiten bij beslag. Het gevolg daarvan is dat de opbrengsten van het beslag evenredig verdeeld worden. Pas nadat aan het beslag publiciteit is verleend, is het tegenwerpelijk aan derden. (2) Huidige wetgeving Als de gerechtsdeurwaarder beslag legt, moet bij een bericht van beslag neerleggen op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats van het beslag, of van de Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 59

60 woonplaats van de schuldenaar als het beslag in een ander arrondissement plaatsvond (belangrijk bij beslag onder derden) (art. 1390, lid 1 Ger. W.). Deze beslagberichten worden bijgehouden in een manueel steekkaartensysteem. Verhuist een beslagene, dan is t dikke miserie. Enkel gerechtsdeurwaarders, advocaten en notarissen hebben het recht en zelfs de plicht (gerechtsdeurwaarders en notarissen) om de kaarten te consulteren. Ze kunnen maar overgaan tot uitvoerend beslag nadat ze de steekkaarten hebben geconsulteerd (art Ger. W.). Het doel van die verplichting is voorkomen dat goederen twee keer beslagen worden (cf. infra). (3) Komende wetgeving? Al een gedurende een paar jaar is gepland om een centrale gegevensbank van beslagberichten op te richten, die voortdurend zou moeten aangepast worden (art. 1389bis/10, 1, 1 Ger. W.). De uitvoering laat echter op zich wachten. Meer personen zouden toegang hebben (art Ger. W.) en de plicht voor notarissen en gerechtsdeurwaarders blijft bestaan. 4 Beslagrechter (1) Algemeen De specificiteit van het beslagrecht rechtvaardigt dat deze materie gecentraliseerd wordt in handen van één magistraat. Deze magistraten worden voor een bepaalde periode gekozen uit de rechters van de rechtbank van eerste aanleg (art. 79, lid 1 Ger. W.). In hoger beroep zetelt een gewone raadsheer van het Hof van Beroep. (2) Materiële bevoegdheid In principe heeft de beslagrechter, die immers deel uitmaakt van de rechtbank van eerste aanleg, volheid van bevoegdheid. Dit is telkens het geval als noch hijzelf ambtshalve (bij exclusieve bevoegdheid van een andere rechtbank) noch de partijen in limine litis de bevoegdheid opwerpen. De beslagrechter is specifiek bevoegd voor alle vorderingen in verband met bezwarende maatregelen en middelen tot tenuitvoerlegging, met uitzondering van de collectieve schuldenregeling (art Ger. W.). De beslagrechter mag daarbij in beginsel (zie o.m. revindicatie) niet ingrijpen in de materieelrechtelijke relatie van de partijen (art. 1489, lid 2 Ger. W.). Hij onderzoekt slechts de recht- en regelmatigheid van de tenuitvoerlegging (art. 1489, lid 1 Ger. W.). Dit impliceert dat hij geen onduidelijke uitspraken mag interpreteren. De beslagrechter mag de tenuitvoerlegging in principe niet schorsen (art. 1498, lid 1 Ger. W.). Hierop bestaan uitzonderingen, omwille van derdenverzet, misbruik van beslagrecht of wanneer de titel niet actueel of doeltreffend is of de geldigheid ernstig betwist wordt. Hij kan ook uitstel verlenen, maar enkel als de tenuitvoerlegging niet op basis van een rechterlijke uitspraak gevorderd wordt (art Ger. W.). Enkel de bodemrechter kan uitstel van betaling verlenen na een vonnis (art. 1244, lid 2 Ger. W.). De beslagrechter moet ook controle uitoefenen op de ambtenaren die bij de tenuitvoerlegging betrokken zijn (art Ger. W.). (3) Territoriale bevoegdheid De bevoegde rechter is in beginsel deze van de plaats waar het beslag gelegd wordt (art. 633, lid 1 Ger. W.). Bij beslag onder derden geldt de woonplaats van de beslagene. Heeft die geen woonplaats in België, is de rechter bevoegd van de plaats waar het beslag wordt uitgevoerd (art. 633, lid 2 Ger. W.). Art. 633 Ger. W. raakt de openbare orde. Zijn er meerdere aanknopingspunten, is samenhang mogelijk. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 60

61 (4) Rechtspleging De rechtspleging voor de beslagrechter vindt plaats zoals in kort geding (art. 1395, lid 2 Ger. W.). In de gevallen die de wet bepaald, vindt de rechtsingang plaats bij eenzijdig verzoekschrift. Dit is o.m. het geval bij hoogdringendheid. De beschikkingen van de beslagrechter zijn van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad (art. 1039, lid 1 Ger. W.) en zijn vatbaar voor vatbaar voor wijziging of intrekking door de rechter zelf (bij gewijzigde omstandigheden). Behalve een paar uitzonderingen, zijn ze steeds vatbaar voor de gewone rechtsmiddelen. 5 Samenloop (1) Van schuldvorderingen Samenloop doet zich voor van zodra meerdere SE ers moeten betaald worden uit de opbrengst van het beslag. Het beslag op zich is geen voorrecht of zekerheid, die slechts uit de wet kunnen voortvloeien. Hoewel andere SE ers zich niet kunnen verzetten tegen het beslag, kunnen ze wel hun deel van de opbrengst van de verkoop opeisen. Dit is de procedure van de evenredige verdeling (art Ger. W.). Hoewel het beslag op zich een individuele handeling is, krijgt het een collectief karakter als meerdere SE ers aanspraak maken op de opbrengst. (2) Van beslagen Het is mogelijk dat twee SE ers proberen om beslag te laten leggen op hetzelfde goed. Dit is voor onroerende goederen bij uitvoerend beslag niet mogelijk (saisie sur saisie ne vaut). De tweede beslaglegger moet de kosten dragen. Alle andere soorten beslag sluiten elkaar niet uit, wat voor de SA een dure zaak kan worden. C. Bezwarend beslag 1 Begrip Bezwarend beslag is de proceshandeling waarbij degene die beweert SE te zijn, de goederen van zijn vermeende SA onder de hand van het gerecht laat plaatsen, zodat hij ze niet kan verbergen wanneer naderhand de schuld wordt vastgesteld. Het beslag gebeurt volledig op risico van de beslaglegger. 2 Gevolgen Het bezwarend beslag raakt dus niet aan de grond van het recht. Het eigendomsrecht verdwijnt maar bij een eventuele openbare verkoop. Het bezwarend beslag leidt slechts tot relatieve beschikkingsonbevoegdheid. De beslagene mag de goederen niet meer vervreemden of bezwaren (art Ger. W.). Doet hij dat wel, zijn deze rechtshandelingen niet tegenwerpelijk aan de beslaglegger (cf. art Ger. W.). Dit geldt enkel t.o.v. de beslaglegger, waardoor we van een relatieve beschikkingsonbevoegdheid spreken. Bovendien kan het miskennen van het bezwarend beslag aanleiding geven tot strafrechtelijke sancties (art. 507 Sw.). Het bezwarend beslag verschaft geen voorrang op andere schuldeisers. Voorrechten kunnen immers enkel uit de wet voortvloeien. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 61

62 3 Geldigheidsduur (1) Duur Het bezwarend beslag geldt in principe voor 3 jaar (art jo Ger. W. voor roerende goederen; art Ger W. voor onroerende goederen). De rechter kan de termijn inkorten (art lid 2 Ger W.). De termijn kan om gegronde redenen van hoogdringendheid vernieuwd worden (art. 1426, 1437 en 1459 Ger. W.). Bij onroerende goederen bepaalt de rechter de termijn, bij onroerende goederen bedraagt ze drie jaar (art Ger. W.). De geldigheidsduur wordt geschorst zolang de zaak vatbaar is voor gewone rechtsmiddelen (art Ger. W.). (2) Schorsing Een procedure voor de bodemrechter schorst de geldigheidsduur (art. 1493, lid 1 Ger. W.). Voor onroerende goederen moet dit gekantmeld worden (art. 1493, lid 2 Ger. W.). 4 Voorwaarden (1) Urgentie Bezwarend beslag mag slechts gelegd worden in het geval van hoogdringendheid (art Ger. W.), die moet zowel bestaan op het moment van het beslag als op het moment van de beoordeling ervan door de beslagrechter. Dat betekent dat het (in theorie) niet mag worden aangewend als louter pressiemiddel. Vereist is dat door objectieve maatstaven blijkt dat de solvabiliteit van de debiteur in het gedrang komt. Vage geruchten volstaan niet. De bewijslast ligt daarbij bij de beslaglegger. Het vereiste van urgentie strekt zich uit tot alle vormen van bezwarend beslag, los van de basis waarop het gelegd wordt (art Ger. W.). (2) Bestaan en kwaliteiten schuldvordering De schuldvordering moet niet alleen bestaan (los van de aard), ze moet ook een aantal vereisten voldoen (art Ger. W.). De schuldvordering moet vooreerst zeker zijn. Bij de beoordeling daarvan mag de beslagrechter wel maar marginaal toetsen (prima facie zeker). Hij mag de rechtspositie van de partijen immers niet wijzigen. De schuldvordering moet eisbaar zijn. De schuldeiser moet gerechtigd zijn om de nakoming te vorderen. Een uitzondering hierop is vervat in art. 1415, lid 2 Ger. W.: een bezwarend beslag kan dienen tot zekerheid voor periodieke schulden waarvan gevreesd wordt dat ze niet meer betaald zullen worden. Termijnen van betalingsrespijt sluiten ook niet uit dat er bezwarend beslag wordt gelegd (art Ger. W.). De schuldvordering moet tot slot vaststaand zijn. Het moet bepaald zijn of geraamd kunnen worden. (3) Bekwaamheid Het leggen van bezwarend beslag is een beheersdaad. De onbekwaamheid van de debiteur speelt geen rol. (4) Tijdstip van beoordeling Deze vereisten worden beoordeeld op het moment dat het beslag wordt verzocht bij de beslagrechter of anders op het tijdstip van het beslag. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 62

63 (5) Rechterlijk vonnis, machtiging of authentieke akte In beginsel is voor het leggen van bezwarend beslag een machtiging van de beslagrechter vereist (art Ger. W.). Op dit principe bestaan uitzonderingen. Elk betekend vonnis is een basis voor bezwarend beslag (art Ger. W.), al kan de SE nog steeds machtiging van de beslagrechter vragen. Het vonnis moet wel voldoen aan de kwaliteitsvoorwaarden voor bezwarend beslag. Als de rechter het uitsluit, is geen bezwarend beslag mogelijk. Dat geldt soms ook voor buitenlandse vonnissen. Soms kan zelfs een authentieke akte basis zijn voor bezwarend beslag. Belangrijk is ook dat beslag onder derden zelfs kan gelegd worden met onderhandse stukken (art Ger. W.). 5 Procedure (1) Toestemming van de beslagrechter De machtiging van de beslagrechter wordt in principe verzocht bij eenzijdig verzoekschrift (art Ger. W.), maar kan ook in een conclusie worden gevraagd. De beslagrechter verleent zijn beschikking binnen de acht dagen (art Ger. W.). Hij moet het bedrag vermelden waarvoor beslag is toegelaten (art Ger. W.). (2) Rechtsmiddelen Tegen een beschikking die de toelating weigert, staat (een eenzijdig) hoger beroep open (art. 1419, lid 1 Ger. W.). In geval van gewijzigde omstandigheden, kan de SE ook gewoon een nieuw verzoekschrift indienen. Als bezwarend beslag wordt gelegd zonder machtiging van de rechter, kan de beslagene zoals in kort geding (art. 1395, lid 2 Ger. W.) vorderen dat het beslag wordt opgegeven (art Ger. W.). Tegen een beschikking die een machtiging toestaat, kan iedere belanghebbende derdenverzet aantekenen (art Ger. W.). Het derdenverzet wordt (binnen de maand) ingeleid per gerechtsdeurwaardersexploot (art. 1125, jo. art jo Ger. W.). Het heeft geen schorsende werking, tenzij de beslagrechter dat toestaat (art Ger. W.). (3) Wijziging of intrekking wegens veranderde omstandigheden Na de termijn van het derdenverzet kan de beslagene enkel nog de intrekking vorderen door alle partijen te dagvaarden (art. 1419, lid 2 Ger. W.). Dit is pas mogelijk als er gewijzigde omstandigheden die een herziening rechtvaardigen. De beslaglegger kan ook de wijziging (of intrekking) verzoeken per eenzijdig verzoekschrift (art Ger. W.). (4) Dagvaardigingstermijn Aangezien de procedure zoals in kort geding wordt gevoerd (art. 1395, lid 2 Ger. W.), geldt een dagvaardingstermijn van twee dagen. (5) Opheffing wegens afwijzing van de eis ten gronde De afwijzing van de eis ten gronde zorgt er niet voor dat het bezwarend beslag van rechtswege vervalt. De opheffing (of intrekking wegens gewijzigde omstandigheden) moet dus expliciet door de beslagrechter worden uitgesproken, op vraag van de partij. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 63

64 6 Bezwarend beslag op roerend goed Het bezwarend beslag wordt geregeld in de art Ger. W. De procedure is hetzelfde als die bij het uitvoerende beslag op roerend goed. 7 Bezwarend beslag op onroerend goed Het bezwarend beslag wordt geregeld in de art Ger. W. De procedure is voor het rest gelijk aan het uitvoerend beslag op onroerende goederen. 8 Kantonnement (1) Van het oorzaak van het beslag (voor welke SV beslag?) Bij deze soort kantonnement stelt de SA een bedrag ter beschikking aan de Deposito- of Consignatiekas of aan een ander erkend sekwester. Dit bedrag moet toelaten als waaborg te stellen voor de vermeende schuld. Als dit gebeurt, is de beslagene bevrijdt van het beslag (art Ger. W.). Dat is nuttig, omdat het beslag onder meer tot onaangenaam gevolg heeft dat het hele goed onbeschikbaar wordt. Het kantonnement is geen zekerheid en geldt ook niet als een voorwaardelijke betaling. (2) Van het voorwerp van het beslag (op welke SV beslag?) Bevinden de beslagen goederen zich bij een derde (beslag onder derden of bij derderen), kan de derde, de beslaglegger of de beslagene het kantonnement vragen. Dit heeft louter tot gevolg dat de goederen verplaatst worden. (3) Minnelijke kantonnement In de praktijk gebeurt het kantonnement vaak via een bankgarantie of via aparte private rekening, die vaak wordt geopend door de raadslieden. Vereist is wel dat de SA effectief niet meer kan beschikken over het bedrag. 9 Omzetting naar uitvoerend beslag Voor een uitvoerend beslag is geen nieuw beslag vereist (art. 1497, lid 1 Ger. W.). Procedureel is slechts vereist dat de uitvoerbare titel (het vonnis meestal) wordt betekend samen met een bevel tot betaling. Beslag onder derden wordt op dezelfde manier geregeld. Voor beslag op onroerende goederen zijn bijkomende formaliteiten vereist (art. 1497, lid 2 Ger. W.). Vereist is wel dat het beslag formeel geldig is, en dat er dus geen betwisting is over de regelmatigheid (de formele vereisten) of de rechtmatigheid (de voorwaarden). D. Uitvoerend beslag 1 Voorwaarden De uitvoering mag maar gebeuren door de SE van de beslagene, op basis van een uitvoerbare akte (art Ger. W.). De uitvoerbare akte moet voorzien zijn van het formulier van tenuitvoerlegging (art Ger. W.). De schuldvordering moet daarenboven zeker, vaststaand en opeisbaar zijn. Een vordering is vaststaand als duidelijk is hoeveel verschuldigd is. De schuldvordering moet ook actueel zijn. Is ze niet meer afdwingbaar, bijvoorbeeld door betaling, dan is uitvoerend beslag niet meer mogelijk. Betwistingen hierover komen voor Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 64

65 de beslagrechter, die evenwel geen afbreuk mag doen aan de beslissing van de bodemrechter (art Ger. W.). De tenuitvoerlegging mag enkel door een gerechtsdeurwaarder gebeuren. 2 Kantonnement (1) Van de oorzaak van het beslag Kantonnement komt toe aan de SA die veroordeeld is oor een uitvoerbare rechterlijke beslissing, waartegen een rechtsmiddel of schorsing is aangewend (art lid 1 Ger. W.), tenzij de wet of de rechter hem dat verbiedt. De uitwerking is dezelfde als die bij het kantonnement bij bezwarend verslag, met dat verschil dat het kantonnement bij uitvoerend beslag geldt als een voorwaardelijke betaling. (2) Van het voorwerp van het beslag Deze is gelijkaardig aan het kantonnement bij bezwarend beslag. 3 Procedure bij beslag op roerende goederen (1) Betekening Het is steeds vereist dat de titel aan de beslagene wordt betekend (art. 1495, lid 1 Ger. W.). Dit geldt niet voor notariële aktes. Behalve voor de veroordeling van een geldsom kan de tenuitvoerlegging de iure gebeuren vanaf de betekening (art. 1495, lid 2 Ger. W.). (2) Bevel Het bevel is het gerechtsdeurwaarderexploot waarbij de SA een laatste keer wordt aangemaand te betalen. Dit is een vereiste om tot uitvoerend beslag over te gaan (art Ger. W.). Het bevel kan in dezelfde akte als de betekening worden geplaatst. Het heeft een geldigheidsduur van 10 jaar (gemeenrechtelijke termijn). (3) Beslag: geen verplaatsing van de goederen Het uitvoerend beslag houdt geen verplaatsing van de goederen in. De beslagene verliest enkel het beschikkingsrecht. De gerechtsdeurwaarder maakt slechts een nauwkeurige en omstandige omschrijving van de beslagen goederen op (art Ger. W.). Het is ook mogelijk om beslag te leggen op goederen van de SA bij derden (art Ger. W.). (4) Verkoop Ten vroegste één maand na het uitvoerend beslag wordt overgegaan tot de verkoop van de goederen (art Ger. W.). Na de nodige publiciteit (art Ger. W.) vindt een openbare verkoop plaats. Omdat dit nogal verregaande sociale gevolgen kan hebben voor de debiteur, is ook een onderhandse verkoop mogelijk bij roerende goederen (art. 1526bis Ger. W.). Er wordt maar zoveel verkocht als nodig is om aan de schuld te voldoen (art 1527 Ger. W.). (5) Incidenten De beslagene kan verzet aantekenen bij de beslagrechter, maar dit heeft geen schorsende werking. Derden kunnen hun eigendom aantonen en een revindicatie instellen (art Ger. W.). Andere SE ers kunnen zich niet verzetten tegen de tenuitvoerlegging of de verkoop, maar wel tegen de afgifte van de verkoopprijs. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 65

66 Het is ook mogelijk dat de titel bestreden wordt via gebreken of dat er uitstel van betaling verleend is. In dat geval zal het beslag ook gebrekkig zijn. 4 De uithuiszetting Soms is voor de uitvoering van het vonnis vereist dat een fysiek persoon uit een huis wordt gezet. Dit wordt in het Ger. W. geregeld voor enerzijds huurovereenkomsten, anderzijds voor andere overeenkomsten. Voor vervallen huurovereenkomsten (art ter-1344quinquies Ger. W.) is steeds vereist dat er een vonnis is (naast enkele andere formaliteiten) en dat aan de uitgewezen genoeg mogelijkheid wordt gelaten om spontaan het pand te verlaten. Voor andere aangelegenheden (art. 1344sexies Ger. W.) volstaat een gewone brief en een paar andere lichte formaliteiten. 5 Hinderpalen bij de tenuitvoerlegging (1) Schorsing van de uitvoerbaarheid van de akte Dit kan gebeuren door het aanwenden van een rechtsmiddel, als de uitspraak niet uitvoerbaar was bij voorraad (art Ger. W.). De uitvoerbaarheid vervalt na verjaring (tien jaar). (2) Schorsing en opheffing van de tenuitvoerlegging De rechter kan op vraag van een derde de tenuitvoerlegging schorsen (art Ger. W.). Ook art Ger. W. bevat een schorsingsmogelijheid. De beslagrechter kan elke tenuitvoerlegging opheffen als ze niet regelmatig gebeurt (art. 1498, lid 2 Ger. W.). (3) Andere hinderpalen De voldoening van de schuld, het onvermogen van de debiteur, het kantonnement en enkele gebeurtenissen zijn een hinderpaal voor het beslag. E. Beslag onder derden 1 Verschil met beslag bij derden Het beslag onder derden (beslag op hetgeen de SA van de SA moest betalen) impliceert een teruggaverplichting van goederen ten gunste van de debiteur en zo ten gunste van de SE. Het verslag bij derden (art Ger. W.) is beslag op goederen van de SA die zich bij een derde bevinden. 2 Gevolgen De derde-beslagene mag het goed niet meer uit handen geven (art Ger. W.) en moet binnen de vijf dagen een verklaring van derde-beslagene afleggen (art Ger. W.). Doet hij dat niet, kan hij gedeeltelijk of zelfs geheel tot SA van de beslaglegger verklaard worden (art. 1456, lid 1 Ger. W.). De derde-beslagene kan niet meer bevrijdend betalen tegenover de debiteur (art BW). Deze onbeschikbaarheid treft de volledige beslagen schuldvordering, los van wat de debiteur effectief moest betalen aan de beslaglegger. Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 66

67 3 Procedure De procedure voor derden-beslag loopt grotendeels gelijk met die van het bezwarend en uitvoerend beslag (art en 1447 Ger. W.). Academiejaar samenvatting burgerlijk procesrecht Jeroen De Mets 67

Organisatie van de rechtspraak - België

Organisatie van de rechtspraak - België Organisatie van de rechtspraak - België c) Nadere bijzonderheden over de rechterlijke instanties 1. Vredegerecht De vrederechter is de rechter die het dichtst bij de burgers staat. Hij wordt overeenkomstig

Nadere informatie

Gerechtelijk Privaatrecht

Gerechtelijk Privaatrecht Marc Castermans Gerechtelijk Privaatrecht algemene beginselen, bevoegdheid en burgerlijke rechtspleging ACADEMU PRESS INHOUD Inhoud BOEKDKEL I: AEGEMENE BECINSEEEN 1 1. Toepassingsgebied van het Gerechtelijk

Nadere informatie

Inhoud. WOORD VOORAF... v DEEL I DE WEG NAAR HET BURGERLIJK PROCESRECHT HOOFDSTUK 1. DE WEG NAAR HET GERECHTELIJK RECHT... 3

Inhoud. WOORD VOORAF... v DEEL I DE WEG NAAR HET BURGERLIJK PROCESRECHT HOOFDSTUK 1. DE WEG NAAR HET GERECHTELIJK RECHT... 3 WOORD VOORAF.......................................................... v DEEL I DE WEG NAAR HET BURGERLIJK PROCESRECHT HOOFDSTUK 1. DE WEG NAAR HET GERECHTELIJK RECHT..................................

Nadere informatie

INHOUD. Hoofdstuk 1 Toepassingsgebied van het Gerechtelijk Wetboek 3

INHOUD. Hoofdstuk 1 Toepassingsgebied van het Gerechtelijk Wetboek 3 INHOUD BOEKDEEL 1: Algemene beginselen 1 Hoofdstuk 1 Toepassingsgebied van het Gerechtelijk Wetboek 3 Afdeling 1: Algemeen 3 Afdeling 2: artikel 2 Ger.Wb. en straf-, tuchtprocedures en het administratief

Nadere informatie

Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten

Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten Bron : Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten (Belgisch Staatsblad,

Nadere informatie

Samenvattingen Afdeling IV

Samenvattingen Afdeling IV Samenvattingen Afdeling IV Hoofdstuk 1 De rechterlijke macht word uitgeoefend door hoven en rechtbanken: a) Rechtbanken: Bevinden zich op het niveau van arrondissementen en kantons Er zetelen rechters

Nadere informatie

Burgerlijk Procesrecht

Burgerlijk Procesrecht Burgerlijk Procesrecht 1 Burgerlijk Procesrecht Nota s 2007-2008, Pieter Nobels DEEL I. INLEIDING...11 HOOFDSTUK I. AARD EN FUNCTIE VAN HET GERECHTELIJK RECHT... 11 HOOFDSTUK II. KARAKTERTREKKEN... 12

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 3 MAART 2008 C.05.0476.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.05.0476.F CLINIQUES UNIVERSITAIRES SAINT-LUC, vereniging zonder winstoogmerk, Mr. François T Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

Nadere informatie

A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen.

A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Rolnummer 2268 Arrest nr. 29/2002 van 30 januari 2002 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Het Arbitragehof,

Nadere informatie

Publicatie : Numac :

Publicatie : Numac : pagina 1 van 5 NL einde FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE Publicatie : 2017-01-30 Numac : 2017010289 Rechtbank van eerste aanleg Leuven. - Kabinet van de voorzitter Beschikking tot vaststelling van het

Nadere informatie

BIJZONDER REGLEMENT RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG

BIJZONDER REGLEMENT RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG BIJZONDER REGLEMENT RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG 1 Nr. : 75/2014 Rep. : 1855 BESCHIKKING Wij, T. HEEREN, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, bijgestaan door dhr. Y. KIELICH,

Nadere informatie

BURGERLIJK PROCESRECHT

BURGERLIJK PROCESRECHT BURGERLIJK PROCESRECHT BURGERLIJK PROCESRECHT Basis met schema s PAUL DAUW Tweede editie Antwerpen Cambridge Burgerlijk procesrecht. Basis met schema s. Tweede editie Paul Dauw 2014 Antwerpen Cambridge

Nadere informatie

Rolnummer 4792. Arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 A R R E S T

Rolnummer 4792. Arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 A R R E S T Rolnummer 4792 Arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 4, 2, en 6, 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Nadere informatie

Rolnummer 4045. Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T

Rolnummer 4045. Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T Rolnummer 4045 Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 468, 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 21

Nadere informatie

BURGERLIJK PROCESRECHT

BURGERLIJK PROCESRECHT BURGERLIJK PROCESRECHT BURGERLIJK PROCESRECHT Basis met schema s PAUL DAUW Derde editie Antwerpen Cambridge Burgerlijk procesrecht. Basis met schema s. Derde editie Paul Dauw 2016 Antwerpen Cambridge www.intersentia.be

Nadere informatie

E-BOX WOONPLAATSKEUZE ADVOCAAT. Potpourri I - Dirk Scheers & Pierre Thiriar 1. POTPOURRI I Gerechtelijk recht

E-BOX WOONPLAATSKEUZE ADVOCAAT. Potpourri I - Dirk Scheers & Pierre Thiriar 1. POTPOURRI I Gerechtelijk recht POTPOURRI I Gerechtelijk recht Dirk Scheers vrederechter achtste kanton Antwerpen lector Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen Pierre Thiriar raadsheer hof van beroep Antwerpen vrijwillig wetenschappelijk

Nadere informatie

POLITIERECHTBANK LE TRIBUNAL DE POLICE alleenzetelende politierechter = beroepsmagistraat. bijstand door griffier

POLITIERECHTBANK LE TRIBUNAL DE POLICE alleenzetelende politierechter = beroepsmagistraat. bijstand door griffier A. VREDEGERECHT JUSTICE DE PAIX SAMENSTELLING vrederechter = alleenzetelende beroepsrechter bijstand door griffier plaatsvervangende magistraten (art. 64 Ger. W.) maximaal 6 géén beroepsmagistraten toegevoegde

Nadere informatie

2. Soorten en verband

2. Soorten en verband Bij dit alles moet de rechter de rechten van verdediging eerbiedigen. Dit betekent dat hij, wanneer hij de rechtsgrond wenst te wijzigen en aan te passen, de debatten dient te heropenen om partijen toe

Nadere informatie

Arresten en documenten Gerechtelijk recht

Arresten en documenten Gerechtelijk recht Paul Lemmens en Stefaan Raes Arresten en documenten Gerechtelijk recht Acco Leuven / Amersfoort INHOUD WOORD VOORAF A. GERECHTELIJK RECHT - ALGEMEEN 15 1. Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter

Nadere informatie

STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS. Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1

STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS. Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1 STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1 TITEL I TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 Deze wet regelt een

Nadere informatie

BIJLAGE 4. DEONTOLOGISCHE REGELEN EN HUISHOUDELIJK REGLEMENT VAN DE NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE BALIE TE BRUSSEL

BIJLAGE 4. DEONTOLOGISCHE REGELEN EN HUISHOUDELIJK REGLEMENT VAN DE NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE BALIE TE BRUSSEL BIJLAGE 4. DEONTOLOGISCHE REGELEN EN HUISHOUDELIJK REGLEMENT VAN DE NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE BALIE TE BRUSSEL Toelichting: Zie artikel 459 Ger.W. Onderafdeling 5. Ereloongeschillen 1. Algemene

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 27 JANUARI 2006 C.04.0201.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.04.0201.N V. A., Mr. Cécile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen D. P. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep

Nadere informatie

INHOUD. Voorwoord... v Beknopte inhoud... xvii BOEK I. RECHTSFENOMEEN. Hoofdstuk I. Concepten van recht... 3

INHOUD. Voorwoord... v Beknopte inhoud... xvii BOEK I. RECHTSFENOMEEN. Hoofdstuk I. Concepten van recht... 3 INHOUD Voorwoord.......................................................... v Beknopte inhoud................................................... xvii BOEK I. RECHTSFENOMEEN Hoofdstuk I. Concepten van recht.......................................

Nadere informatie

OVERZICHT VAN HET BURGERLIJK RECHT. Prof. dr. Rogier de Corte

OVERZICHT VAN HET BURGERLIJK RECHT. Prof. dr. Rogier de Corte OVERZICHT VAN HET BURGERLIJK RECHT Prof. dr. Rogier de Corte BOEK IV. PROCES & BEWIJS TITEL I. PROCESRECHT HOOFDSTUK I. Begrip 587. Men kan stellen dat elk materieel recht zijn geëigend formeel recht heeft.

Nadere informatie

JUSTITIEPLAN EEN EFFICIËNTE JUSTITIE VOOR MEER

JUSTITIEPLAN EEN EFFICIËNTE JUSTITIE VOOR MEER JUSTITIEPLAN EEN EFFICIËNTE JUSTITIE VOOR MEER RECHTVAARDIGHEID Wetsontwerp Burgerlijk procesrecht Koen Geens Minister van Justitie 8 mei 2015 Plan-methode op maat van uitdaging» 9 december 2014 (budget

Nadere informatie

Hieronder volgt dus de beknopte verklaring van enkele termen die in de arresten van het Hof worden gebruikt.

Hieronder volgt dus de beknopte verklaring van enkele termen die in de arresten van het Hof worden gebruikt. Kort lexicon tot nut van de rechtzoekende, waarin enige uitleg wordt gegeven van de meest gangbare geschreven rechtstaal van het Hof van Cassatie en van het parket bij dit Hof ( 1 ). Dit korte lexicon

Nadere informatie

Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T

Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T Rolnummer 2485 Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 28 OKTOBER 2008 P.08.0706.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.08.0706.N I H T V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, ter rechtszitting bijgestaan

Nadere informatie

Hof van Cassatie LIBERCAS

Hof van Cassatie LIBERCAS Hof van Cassatie LIBERCAS 5-2018 AFSTAND (RECHTSPLEGING) ALGEMEEN Algemeen - Afstand van geding - Afstand doende partij - Veroordeling in de kosten - Rechtsplegingsvergoeding - Toepassing Algemeen - Afstand

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 29 JANUARI 2019 P.18.0422.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr P.18.0422.N A M G M M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR

Nadere informatie

Rolnummer 4499. Arrest nr. 106/2009 van 9 juli 2009 A R R E S T

Rolnummer 4499. Arrest nr. 106/2009 van 9 juli 2009 A R R E S T Rolnummer 4499 Arrest nr. 106/2009 van 9 juli 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 14, 1, eerste lid, 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals dat artikel

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 5 NOVEMBER 2013 P.12.1784.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.12.1784.N R A C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Henry Van Burm, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Nadere informatie

Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs (B.S. 20.1.2003)

Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs (B.S. 20.1.2003) Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs (B.S. 20.1.2003) Artikel 1.- Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Hoofdstuk 1.- Toepassingsgebied,

Nadere informatie

Instantie. Onderwerp. Datum

Instantie. Onderwerp. Datum Instantie Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen Onderwerp Schatting van aandelen. Controleschatting. Vonnis. Exceptie van gewijsde Datum 27 juni 2007 Copyright and disclaimer Gelieve er nota van te

Nadere informatie

Rolnummer 5678. Arrest nr. 108/2014 van 17 juli 2014 A R R E S T

Rolnummer 5678. Arrest nr. 108/2014 van 17 juli 2014 A R R E S T Rolnummer 5678 Arrest nr. 108/2014 van 17 juli 2014 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie.

Nadere informatie

Rolnummer 4560. Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T

Rolnummer 4560. Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T Rolnummer 4560 Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten

Nadere informatie

Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt Provincie Oost-Vlaanderen

Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt Provincie Oost-Vlaanderen Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt Provincie Oost-Vlaanderen REGLEMENT VAN INWENDIGE ORDE BETREFFENDE DE BIJSTANDSREGELING Art. 1. Het VSOA - Politie, hierna de organisatie genoemd, verdedigt de belangen

Nadere informatie

HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen

HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen GERECHTELIJK WETBOEK - Deel IV : BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen Afdeling II. Echtscheiding door onderlinge toestemming. Art.

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 10 MEI 2012 C.11.0132.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.11.0132.N GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, met zetel te 1210 Brussel, Liefdadigheidsstraat 33/1, eiser, vertegenwoordigd door mr.

Nadere informatie

Examenprogramma Burgerlijk Procesrecht 1

Examenprogramma Burgerlijk Procesrecht 1 Diplomalijn Examen Niveau Juridisch Burgerlijk Procesrecht hbo Versie 1.0 Geldig vanaf 01-01-2013 Vastgesteld op 28-08-2012 Vastgesteld door Veronderstelde voorkennis Bestuur Nederlandse Associatie voor

Nadere informatie

in de school Adv ocaat

in de school Adv ocaat Advocaat in de school LAGER ONDERWIJS Wat is het recht? Scheiding der machten Iemand pesten is niet tof, door het rode licht fietsen of lopen is gevaarlijk, met mes en vork eten is beleefd, roepen in de

Nadere informatie

Actualia gerechtelijk recht en evaluatie Potpourri I

Actualia gerechtelijk recht en evaluatie Potpourri I Actualia gerechtelijk recht en evaluatie Potpourri I FORUM ADVOCATEN BVBA Nassaustraat 37-41 2000 Antwerpen T 03 369 95 65 F 03 369 95 66 E [email protected] W www.forumadvocaten.be 1 Inhoud 1. Elektronische

Nadere informatie

Rolnummer 5606. Arrest nr. 43/2014 van 13 maart 2014 A R R E S T

Rolnummer 5606. Arrest nr. 43/2014 van 13 maart 2014 A R R E S T Rolnummer 5606 Arrest nr. 43/2014 van 13 maart 2014 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (vóór de wijziging ervan bij de wet van

Nadere informatie

Deel I. Algemene beginselen.. 1. Deel II. Rechterlijke organisatie. Eerste boek. Organen van de rechterlijke macht... 8

Deel I. Algemene beginselen.. 1. Deel II. Rechterlijke organisatie. Eerste boek. Organen van de rechterlijke macht... 8 Deel I. Algemene beginselen.. 1 Eerste hoofdstuk. Voorafgaande bepalingen............................. 1 Hoofdstuk II. Voorwaarden van de rechtsvordering......................... 1 Hoofdstuk III. Vonnissen

Nadere informatie

Gerechtelijk Wetboek. Deel I. Algemene beginselen... 3 Hoofdstuk I. Voorafgaande bepalingen... 3 Hoofdstuk II. Voorwaarden van de rechtsvordering

Gerechtelijk Wetboek. Deel I. Algemene beginselen... 3 Hoofdstuk I. Voorafgaande bepalingen... 3 Hoofdstuk II. Voorwaarden van de rechtsvordering Gerechtelijk Wetboek Deel I. Algemene beginselen... 3 Hoofdstuk I. Voorafgaande bepalingen... 3 Hoofdstuk II. Voorwaarden van de rechtsvordering... 3 Hoofdstuk III. Vonnissen en arresten... 3 Hoofdstuk

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 7 NOVEMBER 2014 C.14.0122.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.14.0122.N 1. M. H., 2. A. D. K., eisers, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 6 januari 2014 (nr. G.13.0163.N) vertegenwoordigd

Nadere informatie

Arbeidshof te Brussel

Arbeidshof te Brussel Repertoriumnummer Uitgifte Uitgereikt aan 2014 / Datum van uitspraak 19 december 2014 Rolnummer op JGR 2014/AB/890 Arbeidshof te Brussel vijfde kamer Arrest Arbeidshof te Brussel 2014/AB/890 p. 2 ARBEIDSRECHT

Nadere informatie

Behalve de vermeldingen in artikel 43 voorgeschreven, bevat het beslagexploot op straffe van nietigheid:

Behalve de vermeldingen in artikel 43 voorgeschreven, bevat het beslagexploot op straffe van nietigheid: Uittreksel Gerechtelijk Wetboek-beslag Art. 1386 Vonnissen en akten kunnen alleen ten uitvoer worden gelegd op overlegging van de uitgifte of van de minuut, voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 1 JULI 2014 P.14.0969.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.14.0969.N B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING

Nadere informatie

1 MAART 2000. - Wet tot oprichting van een Instituut voor bedrijfsjuristen.

1 MAART 2000. - Wet tot oprichting van een Instituut voor bedrijfsjuristen. 1 MAART 2000. - Wet tot oprichting van een Instituut voor bedrijfsjuristen. ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 3 OKTOBER 2014 C.13.0164.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.13.0164.N BESTLEASE bvba, met zetel te 8670 Koksijde, Goudbloemstraat 8, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat

Nadere informatie

in de school Adv ocaat

in de school Adv ocaat Advocaat in de school SECUNDAIR ONDERWIJS Wat is het recht? Pesten kan niet, een rood licht negeren is levensgevaarlijk, met mes en vork eten is beleefd, roken in de klas kan niet,... Er bestaan regels

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 20 SEPTEMBER 2010 S.09.0039.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.09.0039.N D.A., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel,

Nadere informatie

(4-606) 1. Huidige benoemingsregeling voor de referendarissen bij het Hof van Cassatie en mogelijke overstap naar de magistratuur

(4-606) 1. Huidige benoemingsregeling voor de referendarissen bij het Hof van Cassatie en mogelijke overstap naar de magistratuur Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 187bis, 191bis en 194bis Ger. W. met betrekking tot het statuut van de referendarissen bij het Hof van Cassatie (4-606) Inleiding Het wetsvoorstel tot wijziging

Nadere informatie

ACTUALIA BURGERLIJK PROCESRECHT 9 FEBRUARI 2017 KRIS WAGNER, ADVOCAAT

ACTUALIA BURGERLIJK PROCESRECHT 9 FEBRUARI 2017 KRIS WAGNER, ADVOCAAT ACTUALIA BURGERLIJK PROCESRECHT 9 FEBRUARI 2017 KRIS WAGNER, ADVOCAAT 1 ARTIKEL 91 GER.W. In burgerlijke en strafzaken worden de vorderingen toegewezen aan kamers met één rechter, behalve in de gevallen

Nadere informatie

Gerechtelijk wetboek... 1

Gerechtelijk wetboek... 1 Gerechtelijk wetboek............ 1 Deel I. Algemene beginselen......... 1 Hoofdstuk I. Voorafgaande bepalingen 1 Hoofdstuk II. Voorwaarden van de rechtsvordering................... 1 Hoofdstuk III. Vonnissen

Nadere informatie

Rolnummer 4413. Arrest nr. 18/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T

Rolnummer 4413. Arrest nr. 18/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T Rolnummer 4413 Arrest nr. 18/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 6 MAART 2015 F.14.0021.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. F.14.0021.N RENT AND VENDING nv, met zetel te 9930 Zomergem, Oude Staatsbaan 10/A, eiseres, met als raadsman mr. Bart Coopman, advocaat

Nadere informatie

Wetboek van 30 november 1939 der registratie-, hypotheek- en griffierechten (Vlaams Gewest)

Wetboek van 30 november 1939 der registratie-, hypotheek- en griffierechten (Vlaams Gewest) Wetboek van 30 november 1939 der registratie-, hypotheek- en griffierechten (Vlaams Gewest) Griffierechten (rolrechten, expeditierechten en opstelrechten). Griffierechten is een algemene beaming die wordt

Nadere informatie

EERSTE DEEL: ALGEMENE BEGINSELEN

EERSTE DEEL: ALGEMENE BEGINSELEN Inhoud Artikelen EERSTE DEEL: ALGEMENE BEGINSELEN Hoofdstuk I: Voorafgaande bepalingen 1-16 Hoofdstuk II: Voorwaarden van de rechtsvordering 17-18 Hoofdstuk III: Vonnissen en arresten 19-22 Hoofdstuk IV:

Nadere informatie

Parketjurist. Parketjurist bij de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg.

Parketjurist. Parketjurist bij de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg. Parketjurist Een enthousiast beginnend jurist met een analytisch en synthetisch denkvermogen en goede redactionele capaciteiten. Hij/zij werkt resultaatgericht, zowel zelfstandig als in team, en heeft

Nadere informatie

HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen

HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen GERECHTELIJK WETBOEK - Deel IV : BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen Afdeling I. De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting

Nadere informatie

Gerechtelijk Wetboek

Gerechtelijk Wetboek Bron: Belgische wetgeving - FOD Justitie Gerechtelijk Wetboek HOOFDSTUK Vquater De gerechtelijke stage Art. 259octies. 1. De Koning

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 14 DECEMBER 2012 C.12.0018.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.12.0018.N JACKY AUSSEMS nv, met zetel te 3740 Bilzen, Natveld 11, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 10 SEPTEMBER 2007 S.07.0003.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.07.0003.F A. T., Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LUIK.

Nadere informatie

Artikel 508/19-1. De advocaat int de aan de

Artikel 508/19-1. De advocaat int de aan de WET VAN 21 APRIL 2007 BETREFFENDE DE VERHAALBAARHEID VAN DE ERELONEN EN KOSTEN VERBONDEN AAN DE BIJSTAND VAN EEN ADVOCAAT (B.S. 31 MEI 2007, TWEEDE EDITIE): GECOÖRDINEERDE TEKST OUDE TEKST NIEUWE TEKST

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 5 MEI 2008 C.05.0223.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.05.0223.F AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. B. P., 2. AXA BELGIUM, naamloze

Nadere informatie

10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK

10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK 10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK - Deel IV : BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385undecies) hier : art. 1042-1121 (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-06-1985 en tekstbijwerking

Nadere informatie