Burgerlijk Procesrecht
|
|
|
- Elisabeth Gerritsen
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Burgerlijk Procesrecht 1 Burgerlijk Procesrecht Nota s , Pieter Nobels DEEL I. INLEIDING...11 HOOFDSTUK I. AARD EN FUNCTIE VAN HET GERECHTELIJK RECHT HOOFDSTUK II. KARAKTERTREKKEN Afdeling I. Nationaal recht Afdeling II. Gemengd publiek/privaat karakter Afdeling III. Ethische dimensie Afdeling IV. Dynamisch karakter Afdeling V. Formalistisch karakter Afdeling VI. Dienende functie HOOFDSTUK III. TOEPASSINGSGEBIED Afdeling I. Personeel toepassingsgebied Afdeling II. Materieel toepassingsgebied Art. 2 Ger. W.: Ger. W. als gemeen recht Subjectief contentieux...13 Afdeling III. Toepassing in de tijd Beginselen Toepassingsvoorwaarden Uitwerking...14 Afdeling IV. Toepassing in de ruimte HOOFDSTUK IV. ALGEMENE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJKE PROCESVOERING Afdeling I. Recht van toegang tot de rechter Afdeling II. Hoor en wederhoor (audiatur et altera pars) Afdeling III. Onpartijdigheid van de rechter Begrip Subjectieve onpartijdigheid Objectieve onpartijdigheid (art. 292 Ger. W.)...16 Afdeling IV. Onafhankelijkheid van de rechter (art. 151, 1 GW) Afdeling V. Motiveringsverplichting (art. 149 GW) Afdeling VI. Redelijke termijn (art. 6 EVRM) Afdeling VII. Partijautonomie Beschikkingsbeginsel Begrip Taak van de rechter...17 HOOFDSTUK V. MISBRUIK VAN PROCESRECHT Afdeling I. Begrip Afdeling II. Traditionele grondslag: rechtsmisbruik Afdeling III. Naar een nieuwe grondslag? De objectieve goede trouw Afdeling IV. Bestrijding van procesrechtmisbruik DEEL II. ACTOREN VAN JUSTITIE...19 HOOFDSTUK I. DE RECHTER Afdeling I. Complexe structuur van de gerechtelijke organisatie... 19
2 Burgerlijk Procesrecht 2 1. Verklaring Krachtlijnen van de algemene structuur...19 Afdeling II. Rechtscolleges Afdeling III. Algemene vergadering werkingsverslag Afdeling IV. Toegang tot en loopbaan binnen de magistratuur Begrippenapparaat Basisbenoeming Benoemingsprocedure Bevordering Korpschefs Adjunct-mandaten Bijzondere mandaten Evaluatie Vlakke loopbaan...25 Afdeling V. Werklastmeting Afdeling VI. Tuchtrecht HOOFDSTUK II. REFERENDARISSEN BIJ HET HOF VAN CASSATIE REFERENDARISSEN EN PRAKTIJKJURISTEN Afdeling I. Referendarissen bij het Hof van Cassatie Afdeling II. Referendarissen en parketjuristen HOOFDSTUK III. OPENBAAR MINISTERIE Afdeling I. Statuut Afdeling II. Kenmerken Afdeling III. Taak van het O.M. in burgerlijke zaken (art. 138bis) Tussenkomst...27 A. Algemeen...27 B. Wanneer Inwinnen van bestuurlijke inlichtingen Tenuitvoerlegging...27 HOOFDSTUK IV. HOGE RAAD VOOR DE JUSTITIE Afdeling I. Situering Afdeling II. Oprichting Afdeling III. Samenstelling Hoge Raad voor de Justitie Statuut van de leden van de Hoge Raad voor de Justitie Personeel...28 Afdeling IV. Bevoegdheden HOOFDSTUK V. ADVIESRAAD VOOR DE MAGISTRATUUR HOOFDSTUK VI. DE PARTIJ Afdeling I. Begrip Afdeling II. Vereisten om een partij te kunnen zijn Rechtspersoonlijkheid Belang (art. 17 Ger. W.)...30 A. Begrip...30 B. Vereisten gesteld aan het belang Hoedanigheid Bekwaamheid...31 HOOFDSTUK VII. DE ADVOCAAT Afdeling I. Situering Afdeling II. Taak van de advocaat Afdeling III. Verplichtingen van de advocaat... 32
3 Burgerlijk Procesrecht 3 Afdeling IV. Rechten van de advocaat Pleitrecht, geen pleitmonopolie Procesvertegenwoordiger...32 Afdeling V. Juridische aard van de verhouding advocaat-cliënt Al dan niet een overeenkomst Vergoeding...33 Afdeling VI. Voorwaarden om het beroep van advocaat uit te oefenen Afdeling VII. Organisatie van de balie Afdeling VIII. Advocaten bij het Hof van Cassatie Afdeling IX. Orde van Vlaamse balies en Ordre des Barreaux Francophones et Germanophones HOOFDSTUK VIII. GRIFFIER Afdeling I. Griffie en de griffier Afdeling II. Taak van de griffier Bijstand aan de rechter (art Ger. W.) Bewaarder van dossiers, akten, waarden (art. 168, 6 de lid) Fiscale opdracht...35 Afdeling III. Toezicht HOOFDSTUK IX. DE GERECHTSDEURWAARDER Afdeling I. Statuut en bevoegdheden Afdeling II. Organisatie van het beroep Afdeling III. Tucht DEEL III. BEVOEGDHEID...36 HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEGRIPPEN Afdeling I. Rechtsmacht vs. bevoegdheid Afdeling II. Machtsoverschrijding en onbevoegdheid Afdeling III. Verbod overdracht van rechtsmacht (art. 11) Afdeling IV. Rechtsmacht beperkt tot het rechtsgebied Afdeling V. Vindplaats in Ger. W HOOFDSTUK II. MATERIËLE BEVOEGDHEID Afdeling I. Algemene beginselen Soorten bevoegdheden Kenmerken...37 Afdeling II. Onderzoek van de componenten Voorwerp van de eis Waarde van de eis...37 A. Wanneer de eis in geld uitgedrukt is (art )...37 B. Eis niet in geld uitgedrukt maar wel waardeerbaar (art. 592)...38 C. Eis is niet in geld uitgedrukt en niet waardeerbaar Urgentie Hoedanigheid van de partijen: de handelaar...38 HOOFDSTUK III. DE TERRITORIALE BEVOEGDHEID Afdeling I. Begrip, functie en aard Afdeling II. Bevoegdheidsovereenkomsten Afdeling III. Verstek van de verweerder (art. 630, laatste lid) HOOFDSTUK IV. BEVOEGDHEIDSREGELING Afdeling I. Materiële bevoegdheid hoofdvordering Vrederechter Politierechtbank Rechtbank van eerste aanleg...40
4 Burgerlijk Procesrecht 4 A. In eerste aanleg...40 B. Als appelrechter...40 C. Tuchtrechtelijke en niet-jurisdictionele bevoegdheid...40 D. Interne bevoegdheidsverdeling...40 E. Beslagrechter...40 F. Voorzitter van de rechtbank Arbeidsrechtbank...41 A. Geen algemene bevoegdheid...41 B. Bijzondere bevoegdheid: geschillen betreffende arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht...41 C. Exclusieve bevoegdheid...41 D. Voorzitter van de arbeidsrechtbank Rechtbank van koophandel...41 A. In eerste aanleg...41 B. Als appelrechter...42 C. Niet-jurisdictionele bevoegdheid...42 D. Voorzitter van de rechtbank van koophandel Arrondissementsrechtbank Hof van beroep Arbeidshof Hof van cassatie...42 Afdeling II. Materiële bevoegdheid tussenvordering Tussengeschillen m.b.t. de eis Tussengeschillen m.b.t. verweer, tegeneis, tussenvordering, samenhang en aanhandigheid...43 A. Verweer ten gronde...43 B. Verweer ten gronde...43 C. Tegeneis...43 D. Eis in tussenkomst...44 E. Samenhang...44 F. Aanhangigheid...44 Afdeling III. Territoriale bevoegdheid Hoofdvordering Tussenvorderingen, aanhangigheid en samenhang...44 HOOFDSTUK V. REGELING VAN BEVOEGDHEIDSINCIDENTEN Afdeling I. In eerste aanleg Exceptie van onbevoegdheid...45 A. Toelaatbaarheidsvereisten...45 B. Actiemogelijkheden van de eisende partij Middel van onbevoegdheid (art. 640) Rechtspleging voor de arrondissementsrechtbank...45 Afdeling II. In hoger beroep Bevoegdheidsincident in hoger beroep Hoger beroep tegen een vonnis waarin uitspraak werd gedaan over de bevoegdheid door de oorspronkelijk aanzochte rechter...46 A. Wanneer kan men beroep instellen tegen een beslissing inzake bevoegdheid?...46 B. Verdere behandeling...46 Afdeling III. In cassatie Afdeling IV. Aanhangigheid en samenhang Afdeling V. Incidenten in de schoot van een rechtscollege Afdeling VI. Regeling van rechtsgebied DEEL IV. HET GEDING...47 HOOFDSTUK I. KERNBEGRIPPEN... 47
5 Burgerlijk Procesrecht 5 Afdeling I. Geschil Afdeling II. Geschiloplossing (of beslechting) buiten de rechter om Kwijtschelding (art BW) Dading (art BW) Partijbeslissing Minnelijke schikking verzoening (art ) Bindende derdenbeslissing Arbitrage Bemiddeling...49 Afdeling III. Rechtsvordering Afdeling IV. Eis en verweer Eis...50 A. Terminologische verwarring met rechtsvordering en materieel recht...50 B. Begrip en soorten Verweer...51 HOOFDSTUK II. HET NORMALE VERLOOP VAN HET GEDING Afdeling I. Dagvaarding Begrip: meer dan één betekenis Verschillende vormen van dagvaarding...52 A. Dagvaarding bij gerechtsdeurwaarderexploot (art. 700)...52 B. Dagvaarding bij verzoekschrift op tegenspraak...53 C. Dagvaarding bij aangetekende brief...53 D. Mondelinge dagvaarding...54 E. Dagvaarding door verwijzing Termijnen van dagvaarding...54 A. De dagvaardingstermijn (wachttermijn)...54 B. Aanvangspunt Gevolgen van de dagvaarding...54 Afdeling II. Vrijwillige verschijning Afdeling III. Rolstelling en dossier van rechtspleging Algemene rol Bijzondere rol Zittingsrol Dossier van rechtspleging...56 Afdeling IV. Inleidende zitting Verschijning van de partijen Schriftelijke verschijning (art. 729) Behandeling ter inleidende zitting korte debattenrechtspleging...56 A. Begrip...56 B. Rechtspleging...56 Afdeling V. Het in staat stellen van de zaak de normale procesgang Mededeling van de stukken...57 A. Begrip en achtergrond...57 B. Praktijk Nemen van conclusies...58 A. Algemeen...58 B. Binnen de korte debatten-rechtspleging...59 C. Binnen de lange debatten-rechtspleging Bepaling van een rechtsdag...59 Afdeling VI. De terechtzitting Neerlegging stukken vóór de zitting (art. 756) Pleidooi...59
6 Burgerlijk Procesrecht 6 3. Schriftelijke behandeling (art. 755) Uitstel, verwijzing en voortzetting...59 Afdeling VII. Sluiting van de debatten Afdeling VIII. Advies van het O.M. (art. 138bis, ) Drie vormen van mededeling...60 A. Verplichte mededeling (art. 764, 1 ste lid)...60 B. Facultatieve mededeling (art. 764, 2 de lid)...61 C. Mededeling op initiatief van de rechter (art. 764, 2 de lid, in fine) Sanctieregeling Procedureverloop...61 Afdeling IX. Heropening van de debatten Mogelijke oorzaken Geen rechtsmiddel Gevolgen (art. 775)...62 Afdeling X. Het beraad HOOFDSTUK III. HET VONNIS Afdeling I. Soorten Afdeling II. Inhoud Afdeling III. Andere formele aspecten Openbaar en gemotiveerd Soorten afschriften...63 Afdeling IV. Werking Werking van de uitspraak tussen de gedingvoerende partijen...63 A. Bindende kracht...63 B. Uitputting van rechtsmacht...64 C. Gezag van rechterlijk gewijsde (art )...64 D. Kracht van gewijsde (art. 28)...65 E. Uitvoerbare kracht Werking van de uitspraak jegens derden...65 A. Traditionele visie...65 B. Huidige visie...65 Afdeling V. Beëindiging na vonnis Berusting (art. 1044) Betekening...67 HOOFDSTUK IV. UITLEGGING, VERBETERING EN NIETIGHEID VAN VONNISSEN Afdeling I. Verbetering en uitlegging van vonnissen Afdeling II. Nietigheid van een vonnis HOOFDSTUK V. SANCTIES IN HET PROCESRECHT Afdeling I. Sanctieregeling van proceshandelingen Objectieve nietigheid: geen nietigheid zonder uitdrukkelijke wettekst (art. 860) Belangenschade...68 A. Subjectieve nietigheid...68 B. Uitzondering: absolute nietigheden Geen nietigheid indien normdoel bereikt (art. 867) Dekking van de nietigheid (art. 864) Toepassingsgebied Kosten van nietige akten...69 Afdeling II. Termijnen en hun sanctieregeling (art ) Termijnen Vaststelling, berekening, verlenging, verkorting en overmacht...70 A. Vaststelling en berekening...70
7 Burgerlijk Procesrecht 7 B. Verlenging en verkorting van de termijnen...70 C. Op straffe van verval voorgeschreven termijn om rechtsmiddel aan te wenden...70 D. Overmacht Termijnen voorgeschreven op straffe van nietigheid Termijnen voorgeschreven op straffe van verval Termijnen zonder specifieke sanctie...71 HOOFDSTUK VI. DE ONWILLIGE PROCESPARTIJ INSTAATSTELLING Afdeling I. Instaatstelling: drie routes Minnelijke instaatstelling (art. 747, 1) Rechterlijke instaatstelling (art. 747, 2) Vrije instaatstelling (art. 747, 2, 2 de lid)...72 A. De zaak werd verwezen naar de rol...72 B. De zaak werd verdaagd op vaste datum...72 Afdeling II. Bijzonderheden Laattijdige conclusies (art. 748)...73 A. Regel en uitzonderingen...73 B. Behoorlijk procesgedrag Aanvullende conclusies zonder hoofdconclusies...73 A. Probleemstelling...73 B. Hof van Cassatie...73 Afdeling III. Verstek (art ) Situering Gevallen en de wijze waarop verstek kan worden gevorderd...74 A. Verstek door de eiser...74 B. Niet verschijnen op de inleidingszitting...74 C. Wel verschenen op inleidingszitting, maar niet verschijnen op een latere zitting Taak van de rechter bij verstek Het verstekvonnis (art. 806)...75 HOOFDSTUK VII. TUSSENGESCHILLEN Afdeling I. Cumulatie en splitsing van vorderingen Meerdere betekenissen Objectieve en subjectieve cumulatie Wettelijke grondslag Geoorloofdheid Impact op de bevoegdheid...76 Afdeling II. Tussenvorderingen Aanvullende en vernieuwde eis (art )...76 A. Aanvullende eis (art. 808)...76 B. Vernieuwde eis (art. 807) Tegenvorderingen (art. 14) Tussenkomst...77 Afdeling III. Hervatting van het geding Afdeling IV. Afstand (art ) Drieledige indeling Gemeenschappelijke vereisten en gevolgen...78 Afdeling V. Doorhaling en weglating van de rol (art. 730) Afdeling VI. Onttrekking van de zaak aan de rechter Afdeling VII. Wraking en verschoning Afdeling VIII. Ontkentenis van proceshandeling (art. 848) Afdeling IX. Opschorting van het geding Afdeling X. Samenstelling van de zetel... 80
8 Burgerlijk Procesrecht 8 1. Rechtbank van eerste aanleg Hof van beroep...80 HOOFDSTUK VIII. UITGAVEN EN KOSTEN Afdeling I. Omschrijving Afdeling II. Verwijzing in de kosten (art. 1017) Uitgangspunt en beginsel Uitzonderingen...81 Afdeling III. Vereffening van de kosten DEEL V. RECHTSMIDDELEN...81 HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEGINSELEN Afdeling I. Begrip Afdeling II. Uitspraken vatbaar voor aanwending van een rechtsmiddel Afdeling III. Cumulatie van verzet en hoger beroep HOOFDSTUK II. VERZET Afdeling I. Begrip Afdeling II. Voor verzet vatbare vonnissen Afdeling III. Rechtspleging gevolgen Terminologie Wijze van rechtsingang Bevoegde rechter Motiveringsplicht (art. 1047) Register van verzetsakten Termijnen Gevolgen van het verzet...83 HOOFDSTUK III. HOGER BEROEP Afdeling I. Begrip Afdeling II. Toelaatbaarheidsvereisten Vonnissen vatbaar voor hoger beroep Geschillen vatbaar voor hoger beroep Partijen in hoger beroep Beroepstermijn Belang...85 Afdeling III. Incidenteel beroep Afdeling IV. Rechtspleging Wijze van rechtsingang van het hoger beroep Inhoud van de akte van hoger beroep De inschrijving van het hoger beroep en de rolstelling Behandeling van de zaak in hoger beroep Uitspraak...86 Afdeling V. Gevolgen van het hoger beroep Schorsende werking (Gewone) devolutieve werking Verruimde devolutieve werking...87 HOOFDSTUK IV. VOORZIENING IN CASSATIE Afdeling I. Begrip Afdeling II. Tegen welke beslissingen kan cassatie worden aangetekend? Afdeling III. Welke partijen kunnen cassatie aantekenen? HOOFDSTUK V. DERDENVERZET Afdeling I. Begrip... 88
9 Burgerlijk Procesrecht 9 Afdeling II. Voorwaarden voor Derdenverzet Afdeling III. Termijn Afdeling IV. Procedure Afdeling V. Gevolgen DEEL VI. KORT GEDING EENZIJDIG VERZOEKSCHRIFT SUMMIERE RECHTSPLEGING OM BETALING TE BEVELEN...89 HOOFDSTUK I. KORT GEDING Afdeling I. Voorwaarden Spoedvereiste...89 A. Begrip...89 B. Toetsingsogenblik...89 C. Kwalificatie van het vereiste...89 D. Art. 19, 2 de lid: ook toepasselijk in kort geding Moet gaan om een beslissing bij voorraad...90 A. Begrip draagwijdte...90 B. Welke maatregelen kan de rechter in kort geding bevelen? Niet onttrokken aan de rechterlijke macht...90 Afdeling II. Objectiviteit en onpartijdigheid Afdeling III. Afwijkende procedureregelen Bevoegdheid Dagvaardingstermijn Conclusietermijnen Motiveringsplicht Devolutieve werking van het hoger beroep Kort geding en arbitraal beding Buitenlands recht in kort geding...92 HOOFDSTUK II. EENZIJDIG VERZOEKSCHRIFT (ART ) Afdeling I. Begrip en afbakening Afdeling II. Inleiding van de vordering Afdeling III. Eenzijdige rechtspleging in geval van volstrekte noodzakelijkheid HOOFDSTUK III. SUMMIERE RECHTSPLEGING OM BETALING TE BEVELEN Afdeling I. Situering Afdeling II. Procedure DEEL VII. RECHTSHULP...93 HOOFDSTUK I. RECHTSBIJSTAND (ART TER) Afdeling I. Omschrijving en situering Afdeling II. Toekenningsvoorwaarden Rechtmatigheidscriterium Draaglastcriterium...94 HOOFDSTUK II. JURIDISCHE BIJSTAND Afdeling I. Situering Afdeling II. Commissie voor juridische bijstand Afdeling III. Juridische eerstelijnsbijstand Afdeling IV. Juridische tweedelijnsbijstand DEEL VIII. BEWARENDE MAATREGELEN, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING...95 HOOFDSTUK I. GESCHILLENBESLECHTING M.B.T. BEWARENDE BESLAGEN, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING... 95
10 Burgerlijk Procesrecht 10 Afdeling I. Algemeen Afdeling II. Materiële bevoegdheid Afdeling III. Territoriale bevoegdheid Afdeling IV. Rechtspleging HOOFDSTUK II. HUMANISERING VAN HET BESLAGRECHT Afdeling I. Voor beslag vatbare goederen Afdeling II. Uithuiszetting (art. 1344ter-1344sexies) Uithuiszetting na beëindiging van een huurovereenkomst (art. 1344ter-1344quinquies) Uithuiszetting na betekening van een gerechtelijke uitspraak in andere dan huuraangelegenheden (art. 1344sexies) Collectieve schuldenregeling (art. 1675/2-1675/16bis)...97 HOOFDSTUK III. PUBLICITEITSREGELING IN HET BESLAGRECHT Afdeling I. Algemeen Afdeling II. Huidige wetgeving: steekkaartensysteem (art quinquies) Afdeling III. Komend recht: het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling HOOFDSTUK IV. BEWARENDE MAATREGELEN Afdeling I. Aard van de bewarende maatregelen Afdeling II. Bewarend beslag Begrip Gevolgen Geldigheidsduur Voorwaarden...99 A. Urgentie (art. 1413)...99 B. Bestaan en kwaliteitsvereisten van de schuldvordering...99 C. Bekwaamheid D. Tijdstip van de beoordeling E. Rechterlijke machtiging Procedure A. Toestemming van de beslagrechter B. Rechtsmiddelen C. Wijziging of intrekking wegens veranderde omstandigheden D. Dagvaardingstermijn E. Geen automatisch opheffing wegens afwijzing van de eis ten gronde Uitvoering Soorten A. Bewarend beslag op roerend goed (art ) B. Bewarend beslag op onroerend goed (art ) C. Bewarend beslag onder derden Kantonnement A. Van de oorzaak van het beslag (art. 1403) B. Van het voorwerp van het beslag bij derdenbeslag (art. 1407) HOOFDSTUK V. EXECUTIE Afdeling I. Algemene begrippen Basisprincipe: verbod van eigenrichting Tenuitvoerlegging en uitvoerbaarheid Soorten tenuitvoerlegging A. Vrijwillige en gedwongen tenuitvoerlegging B. Definitieve en voorlopige tenuitvoerlegging C. Rechtstreekse en onrechtstreekse tenuitvoerlegging D. Borgstelling...105
11 Burgerlijk Procesrecht 11 E. Tenuitvoerlegging op de grosse en op de minuut F. Uitvoering in natura (reële executie) en bij equivalent Afdeling II. Dwangmiddelen Dwangsom (art. 1385bis 1385nonies) A. Begrip B. Toepassingsgebied C. Uitvoering (verbeurte) D. Aanpassen: opheffen, verminderen, opschorten E. Verjaring (art. 1385octies) F. Overlijden debiteur (art. 1385septies) Interesten en verhogingen als dwangmiddel Afdeling III. Gedwongen tenuitvoerlegging (Deel V, Titel III) Voorwaarden A. Uitvoerbaarheid van de akte B. Bezit van de grosse C. Betekening van de grosse en bevel aan de schuldenaar D. Uitvoering tegen een partij tegen wie men mag uitvoeren E. Uitvoering door een partij die mag uitvoeren F. Schuld waarvoor mag uitgevoerd worden G. Op goederen vatbaar voor uitvoering H. Door een ambtenaar die de wettelijke bevoegdheid heeft Uitvoerend beslag op roerend goed (art ) A. Voorafgaand bevel (art. 1499) B. Beslagprocedure en publicitiet C. Eenheid van beslag D. Gevolgen E. Incidenten F. Verkoop G. Evenredige verdeling (art ) Uitvoerend beslag onder derden (art ) Omzetting van bewarend beslag in uitvoerend beslag A. Op roerend goed B. Onder derden Kantonnement A. Van de oorzaak van het beslag B. Het voorwerp van het beslag (art. 1407) C. Minnelijk kantonnement Afdeling IV. Hinderpaling bij de tenuitvoerlegging Schorsing van de uitvoerbaarheid van de akte Schorsing van de tenuitvoerlegging Opheffing van de tenuitvoerlegging Betaling Onvermogen als feitelijke hinderpaal Andere hinderpalen Deel I. Inleiding Hoofdstuk I. Aard en functie van het Gerechtelijk Recht begripsomschrijving: middelen tot handhaving van het materieel recht
12 Burgerlijk Procesrecht 12 onder te verdelen in burgerlijk procesrecht (bevat burgerrechtelijke, sociaalrechtelijke en handelsrechtelijke betwistingen), strafprocesrecht, administratief procesrecht, fiscaal procesrecht, tuchtprocesrecht en volkenrechtelijk procesrecht doel: aan de onzekerheid en strijd omtrent een feitelijke en rechtstoestand een einde stellen, via een vonnis van de rechter dat de partijen bindt 'proces': voortschrijden van een onzekere/omstreden tot een zekere en onbetwistbare rechtstoestand door een aan regels onderworpen rechtsstrijd of geding, gevoerd voor een orgaan dat tot beslissing in dit geding bevoegd is essentiële kenmerken van rechtsprekende handeling: formeel criterium: aantal procedurele waarborgen (tegenspraak, motivering,...) organiek criterium: uitgaande van een jurisdictioneel orgaan (onafhankelijk en onpartijdig) materieel criterium: geschil moet opgelost worden o.g.v. rechtsregels gezag van gewijsde (wezenskenmerk of gevolg van rechtsprekende handeling?) verbod van eigenrichting erkend als algemeen rechtsbeginsel door HvC, waaruit art. 5 Ger. W. (verbod van rechtweigering) volgt Hoofdstuk II. Karaktertrekken Afdeling I. Nationaal recht relativering: mondiale invloed van Romano-canonieke procedure Code de procédure civile van Napoleon pas vervangen door een eigen wetboek in 1967, wat niet meteen wijst op het nationaal belang van deze rechtstak buitenlandse invloeden (vb. kort geding uit Nederland) stemmen in de richting van een Europees uniform procedurewetboek Afdeling II. Gemengd publiek/privaat karakter publiekrecht: o.m. inrichting van de openbare dienst van het gerecht privaatrecht: effectuering van de materiële belangen van private personen regelen zijn slechts van openbare orde voor zover ze essentieel zijn voor een goede rechtsbedeling in een rechtsstaat Afdeling III. Ethische dimensie rechtspraak moet aansluiten bij gerechtigheid en billijkheid Rechtsstaat vereist rechtstrijd met equal arms: voorprocessuele maatschappelijke ongelijkheid tussen partijen moet gecorrigeerd worden tijdens het geding (basis voor rechtsbijstand) Afdeling IV. Dynamisch karakter macroprocessueel: procesrecht ondergaat wijzigende maatschappelijke opvattingen microprocessueel: evolutie onzekere rechtstoestand naar een eindpunt
13 Burgerlijk Procesrecht 13 Afdeling V. Formalistisch karakter vereiste van formalisme: behoorlijk functioneren van het gerecht als openbare dienst voorspelbare werking voor de rechtsonderhorige van de procesregelen waardoor hij weet welke pleegvormen hij n.a.v. het instellen van de eis en tijdens het geding moet respecteren het formalisme deed het gerechtelijk recht evolueren naar een gesloten systeem: enkel de wetgever bepaalt de sanctie bij het niet-naleven van vormvoorschriften (nietigheidsleer) moet positief begrepen worden: steeds toepassen met normdoel in het achterhoofd een sanctie moet bij wet voorzien (legaliteit), proportioneel en effectief zijn leidt tot deformalisering: minder formalistische uitleg en toepassing van regelen Afdeling VI. Dienende functie procesrecht dient het materieel recht door het te verwerkelijken spaak lopend procesrecht (gerechtelijke achterstand, hoge kosten) leidt tot wantrouwen in jusitie Hoofdstuk III. Toepassingsgebied Afdeling I. Personeel toepassingsgebied in principe elk rechtssubject uitzondering: personen die immuniteit van rechtsmacht genieten (Koning, diplomaten, vreemde staten onder bepaalde voorwaarden) Afdeling II. Materieel toepassingsgebied 1. Art. 2 Ger. W.: Ger. W. als gemeen recht De in dit wetboek gestelde regels zijn van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door: niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. zeer strikt geïnterpreteerd: bijzondere procedures hebben vaak een eigenheid die toepassing Ger. W. in de weg staat men moet telkens nagaan of in de betrokken materie geen rechtsbeginsel voorhanden is dat zich tegen de toepassing van het Ger. W. verzet (loutere afwezigheid van bijzondere procedureregelen is onvoldoende) hieruit volgt dat het Ger. W. een uiterst beperkte invloed heeft op het strafprocesrect en het administratief en fiscaal procesrecht 2. Subjectief contentieux opdracht van judiciële hoven en rechtbanken is beperkt tot de subjectieve rechten (burgerlijke en politieke rechten) (art. 144 GW)
14 Burgerlijk Procesrecht 14 de derde t.a.v. wie het rechtssubject een subjectief recht afdwingt kan ook een overheid zijn, tenzij in de uitoefeningen van haar discretionaire bevoegdheden (vb. al dan niet verlenen van een vergunning), wat tot het objectief contentieux behoort Afdeling III. Toepassing in de tijd 1. Beginselen art. 3 Ger. W.: onmiddellijke werking (meteen van toepassing op hangende rechtsgedingen) matiging: geldig ingeleide zaken worden niet onttrokken aan het gerecht door een nieuwe wet in de praktijk maakt de wetgever vaak gebruik van haar mogelijk om van deze beginselen af te wijken d.m.v. overgangsbepalingen in beginsel komt geen retroactieve werking toe aan nieuwe wetten reeds uitgesproken vonnis wordt beheerst door de wet die van toepassing was op de datum van de uitspraak (hieruit volgt dat de beoordeling van het openstaan van rechtsmiddelen moet gebeuren in het licht van de toen geldende wetgeving) 2. Toepassingsvoorwaarden geding moet hangende zijn voor een rechtbank, dit is vanaf: ogenblik van de betekening van het gedinginleidend exploot (dagvaardingsexploot) moment van inschrijving op de rol bij een verzoekschrift op tegenspraak rechtsgeldige inleiding van het geding: indien de regelen voor de dagvaarding of het verzoekschrift op het tijdstip van de betekenis resp. de neerlegging ervan geëerbiedigd zijn 3. Uitwerking regelen van rechterlijke organisatie bevoegdheid (mits inachtneming van de matiging i.v.m. niet-onttrekken, cf. supra) bijzonder probleem: welke jurisdictie is bevoegd om kennis te nemen van hoger beroep ingesteld tegen een beslissing die werd gewezen in een aangelegenheid die voortaan tot de bevoegdheid van een hiërarchisch lagere rechtbank behoort vb.: vonnis van rechtbank van eerste aanleg, ondertussen zou vredegerecht bevoegd zijn twee stellingen: beroep instellen bij de rechtbank die volgens de nieuwe wet bevoegd is (in het voorbeeld opnieuw de rechtbank van eerste aanleg) beroep instellen bij de rechtbank die volgens de oude wet bevoegd is (in het voorbeeld het Hof van Beroep), dit strookt eerder met de idee van het hoger beroep en het rechtsgevoel (gestaafd door art. 577 en 602 Ger. W.) rechtspleging op het niveau van het geding, op het niveau van individuele handelingen moet gekeken worden naar de wet ten tijde van het stellen van het geding reeds gestelde geldige proceshandelingen kunnen niet ongeldig worden ongeldige gestelde proceshandelingen kunnen niet geldig worden
15 Burgerlijk Procesrecht 15 Afdeling IV. Toepassing in de ruimte gerechtelijk recht geldt in beginsel enkel op het Belgisch grondgebied internationaal procesrecht: nationaalprocesrecht met een buitelands element twee categorieën van regels: internationale rechtsmacht of bevoegdheid van onze Belgische rechters erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde, uitvoerbare beslissingen geen procesregelen sensu stricto (mits uitzonderingen) bron in de lex fori: het recht van de rechter die aangezocht wordt (voor Belgische rechters het Wetboek van internationaal privaatrecht) overlappingen van bevoegdheid tussen verschillende rechters zijn niet uitgesloten: zowel een Belgische als een buitenlandse rechter kunnen rechtsmacht hebben Hoofdstuk IV. Algemene beginselen van behoorlijke procesvoering Afdeling I. Recht van toegang tot de rechter EHRM: aantal beginselen vervat in art. 6 EVRM (eerlijk proces): recht van toegang tot de rechter, impliceert rechtsbijstand verbod van rechtweigering volle rechtsmacht (bevoegdheid om te beslissen over de feiten én het recht) beperkingen zijn mogelijk, mits wettig oogmerk en proportionaliteit Afdeling II. Hoor en wederhoor (audiatur et altera pars) degene tegen wie een eis wordt geformuleerd, heeft het recht zich te verdedigen eiser heeft het recht zich te verweren tegen de verdediging beide partijen hebben het recht in gelijke mate door te rechter te worden gehoord, zich op feiten te beroepen, bewijs te leveren elke partij heeft het recht kennis te nemen van elk stuk en elke opmerking die aan de rechter wordt overgemaakt om zijn beslissing te beïnvloeden en kan die elementen betwisten procespartijen nemen een gelijkwaardige positie in het proces in en moeten gelijkwaardig worden behandeld (preprocessuele ongelijkheid wegwerken) Afdeling III. Onpartijdigheid van de rechter 1. Begrip de rechter moet onbevooroordeeld en onbevangen tegenover de partijen en het geschil staan ook schijn van partijdigheid moet vermeden worden (justice must also be seen to be done) zodra de onpartijdigheid in gevaar kan komen of daarover twijfel kan rijzen, moet de rechter zich van de zaak onthouden (zich verschonen), zoniet kan hij gewraakt worden erkend door het HvC als algemeen rechtsbeginsel
16 Burgerlijk Procesrecht Subjectieve onpartijdigheid - een persoonlijke vooringenomenheid t.a.v. een procespartij of belangenvermenging - steeds een occasioneel incident, specifiek voor een bepaalde rechter - persoonlijke onpartijdigheid wordt vermoed - voorbeelden van subjectieve partijdigheid: o rechter die zich voor de opening van de debatten over de oplossing uitspreekt o rechter die voor nog voor hij het rechtscollege voorzit t.a.v. de pers verklaart dat een ongunstige uitspraak zou volgen - geen subjectieve onpartijdigheid: o appelrechter die mening geeft over de redenering van de eerste rechter o rechter die een voorkeur laten blijken voor de stelling van één der partijen 3. Objectieve onpartijdigheid (art. 292 Ger. W.) - onpersoonlijk karakter: iedereen in deze situatie wekt een schijn van partijdigheid op - doel: elke gewettigde twijfel aangaande onpartijdigheid uitsluiten - raakt de openbare orde (kan voor het eerst in cassatie opgeworpen worden) - vuistregel: objectief partijdig is hij die moet oordelen over een zaak die reeds over het geschil in een andere hoedanigheid intensief kennis heeft genomen Afdeling IV. Onafhankelijkheid van de rechter (art. 151, 1 GW) - rechter beslist volgens eigen geweten, los van externe druk (overheid, machtsgroepen, partijen) - o.m. gewaarborgd via benoeming voor het leven, onverenigbaarheden, optreden als korps, - impliceert een zekere organieke onafhankelijk, maar externe controle blijft mogelijk Afdeling V. Motiveringsverplichting (art. 149 GW) - doel: willekeur vermijden door toezicht door een hoger rechtscollege mogelijk te maken - dient ook een algemeen belang: rechtsvormen en rechtsontwikkeling - Cassatie kwalificeert de motiveringsverplichting als een vormvereiste los van de waarde van de motivering waarop de rechter zijn beslissing steunt o beperkte kwalitatieve vereisten, maar wettigheidstoezicht door HvC moet mogelijk zijn o voldaan zelfs al is de motivering onjuist, tegenstrijdig of onlogisch o de rechter is niet verplicht de wettelijke grondslag van zijn beslissing aan te duiden - wél vereist is dat de rechter op alle middelen en excepties antwoordt - EHRM hecht minder belang aan antwoorden op alle middelen en de vorm, maar wel aan een inhoudelijk deugdelijke motivering (recht op eerlijk proces) Afdeling VI. Redelijke termijn (art. 6 EVRM) - belangenafweging: snelle beslissing voor de rechtzoekende vs. behoorlijke rechtsgang
17 Burgerlijk Procesrecht 17 - berekening van de duur van het geding: o begin: bij het instellen van de vordering o einde: de tenuitvoerlegging van de beslissing (en niet langer de beslissing zelf) - geen vaste termijnen, moet geval per geval beoordeeld worden - postulaat dat partijen meester zijn van het geding doet hieraan geen afbreuk Afdeling VII. Partijautonomie Beschikkingsbeginsel 1. Begrip - civielrechtelijk procedure is accusatoir (i.t.t. strafrechtelijke inquisitoire procedure) o achterhaalde opvatting: rechter is een lijdelijk figuur die het geding ondergaat o betreft vandaag enkel het initiatief tot het aanhangig maken van de zaak - de grenzen van het geding worden bepaald door: o wie partij is in het geding: de eiser bepaalt wie betrokken wordt in het geding, de rechtbank mag principieel geen deden in het geding betrekken (art. 811 Ger. W.) o voorwerp van de eis: wat de eiser vraagt geen extra-petitia (uitspraak over niet gevorderde zaken) of ultra-petitia (meer toekennen dan gevorderd) oordelen rechter moet uitspraak doen over alles wat gevorderd wordt o oorzaak van de eis: eerste opvatting: de rechtsregel waarop de vordering gesteund is recente opvatting: geheel van feiten/handelingen waarop de vordering gegrond is, deze geniet de voorkeur, gezien het recht vinden en toepassen de taak van de rechter is - de verweerder kan de grenzen van het geding verruimen (excepties, tegeneis, ) indien hij de vordering betwist 2. Taak van de rechter - de rechter dient op vier vlakken actief op te treden o rechter leidt het geding: verantwoordelijk voor het vlot verloop van de procedure (overeenkomstig de regelen van de rechtspleging en binnen een redelijke tijdspanne) o bewijsvoering: moet onderzoeksmaatregelen bevelen indien de bewijsvoering onvoldoende is feiten waarover partijen het eens zijn moet de rechter evenwel als vaststaand feit zien rechter mag niet steunen op persoonlijke kennis van de feiten, of gegevens waarvan hij buiten de terechtzitting kennis heeft gekregen algemeen bekende feiten of feiten van algemene ervaring of bekendheid mogen wel o moet het verweer nagaan en ambtshalve excepties van openbare orde opwerpen o de door de partijen aangevoerde redenen om de vorderingen toe of af te wijzen aanvullen domeinen die de rechter kan aanvullen:
18 Burgerlijk Procesrecht 18 beoordeling van de feiten kwalificatie van de feiten toepassing van de rechtsregel voorwaarden volgens HvC: betwisting mag niet uitgesloten zijn in de conclusies van de partijen enkel steunend op regelmatig voorgelegde feiten of stukken zonder het voorwerp of oorzaak te wijzigen rechten van de verdediging: partijen moet hierover tegenspraak kunnen voeren (de rechter moet hiervoor zelfs de debatten heropenen indien nodig, cf. art. 774 Ger. W.) Hoofdstuk V. Misbruik van procesrecht Afdeling I. Begrip - zonder enig redelijk belang, gebruik maken van de regelen van het procesrecht o voor een ander doel dan datgene waarvoor het bestemd werd en/of o op een wijze die naar omstandigheden niet strookt met de proceseconomie - twee verschijningsvormen: o het feit dat men procedeert o de wijze waarop men procedeert - veel bevoegdheden in het procesrecht zijn doelgebonden, het gebruik ervan is begrensd door het doel (vb. het recht op toegang tot de rechter) Afdeling II. Traditionele grondslag: rechtsmisbruik - rechtsmisbruik: de uitoefening van een recht o met de enkele bedoeling te schaden, of o op een wijze die de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dit recht door een voorzichtig en bedachtzaam mens - deze wordt afgedwongen via art BW - verliezen van een geding betekent niet dat de eiser een fout gemaakt heeft - ook de winnende partij kan zich schuldig gemaakt hebben aan procesrechtmisbruik Afdeling III. Naar een nieuwe grondslag? De objectieve goede trouw. - ook het belang van de rechterlijke macht moet in acht genomen worden, dit is waar het rechtsmisbruik tekort schiet door het moeilijke bewijs van fout/schade/causaal verband - objectieve goede trouw: verplichting te handelen in overeenstemming met de objectieve, in de samenleving geldende maatstaven van redelijkheid en billijkheid, met in acht name van de bijzondere omstandigheden in ieder concreet geval - ook Cassatie erkende de belemmerende werking van procesrechtmisbruik t.a.v. de functionele openbare dienst die het Gerecht is
19 Burgerlijk Procesrecht 19 Afdeling IV. Bestrijding van procesrechtmisbruik - via bijzondere normen o eerste stap in 1992: mogelijkheid om de appellant onafhankelijk van een schade-eis van de geïntimeerde te veroordelen tot een geldboete (doorbreekt lijdelijkheid van de rechter en de partijautonomie) o uitgebreid in 2001 naar meerdere gevallen o 2007: generieke bepaling vervangt de voorgaande specifieke normen: partij die rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden sanctie: geldboete van 15 tot 2500 euro onafhankelijk van een eventuele schade-eis om deze redenen door een partij - via het creatief hanteren van de regels in het wetboek om dit misbruik tegen te gaan Deel II. Actoren van justitie Hoofdstuk I. De rechter Afdeling I. Complexe structuur van de gerechtelijke organisatie 1. Verklaring - territoriale spreiding om de gerechtelijke dienst zo dicht mogelijk bij rechtszoekende te brengen - inhoudelijke werkverdeling om specialisering toe te laten - regel van de dubbele aanleg - cassatietoezicht 2. Krachtlijnen van de algemene structuur - geen onderscheid gewone/buitengewone rechtscolleges meer (bevoegdheid van gewone rechtscolleges rechtbank van eerste aanleg en hof van beroep moest niet bewezen worden) - dubbele aanleg - evolutie collegialiteit unus iudex (alleenzetelende rechter met meer verantwoordelijkheid) - vaste zetel vs. mobiliteit: in principe heeft elk rechtscollege een vaste zetel en heeft elke magistraat een of meer vaste zetels - toegevoegde rechters (art. 86bis Ger. W.) om tekorten aan magistraten in de rechtbank van eerste aanleg, rechtbank van koophandel en de arbeidsrechtbank op te vangen (benoemd door Koning) Afdeling II. Rechtscolleges
20 Burgerlijk Procesrecht 20 Vredegerecht (art Ger. W.) Politierechtbank (art Ger. W.) Rechtbank van eerste aanleg (art. 73, en Ger. W.) Arbeidsrechtbank Organisatie Samenstelling O.M. Dienst - kantonnaal - kunnen niet in afdelingen worden gesplitst - meerdere zetels mogelijk - arrondissementeel - kan bestaan uit verschillende kamers - arrondissementeel - kan gesplitst worden in territoriale afdelingen - verdeling van de zaken: art arrondissementeel - kan gesplitst worden in territoriale afdelingen (art. - alleenzetelend - in principe bijgestaan door griffier - max. zes plaatsvervangende rechters (art. 64) - toegevoegde rechters mogelijk (art. 69, 1 ste lid) - alleenzetelend - leiding en verdeling van dienst: oudst benoemde - plaatsvervangende en toegevoegde rechters mogelijk - in principe alleenzetelend, maar kan ook met 3 of 5 rechters - effectieve/werkende magistraten: voorzitter, één of meer ondervoorzitters, rechters - plaatsvervangende rechters (art. 87 jo. 156bis) - toegevoegde rechters (art. 86bis) - geassumeerde rechters (art. 322 en 442) - bijstand: zie art. 156ter - twee soorten magistraten: o beroepsmagistraten (rechters in de arbeidsrechtbank): de Geen O.M. - art. 66 Ger. W. - procureur des Konings Art. 66 Ger. W. - procureur des Konings en zijn substituten - Arbeidsauditoraat (art. 152) - kan bijgestaan worden door: - aantal kamers, uur en zitting bepaald door de Koning (art. 88, 1) - tijdelijke kamers: art vakantiekamers: art art. 88, 1 - tijdelijke kamers: art. 89
21 Burgerlijk Procesrecht 21 Rechtbank van Koophandel (art. 73, en Ger. W.) Organisatie Samenstelling O.M. Dienst 186) voorzitter, ondervoorzitters en rechters - arrondissementeel - kan gesplitst worden in territoriale afdelingen (art. 186) o lekenmagistraten (rechters in sociale zaken), zijnde werkgevers, werknemers of zelfstandigen - plaatsvervangende rechters (voor beide soorten magistraten) - toegevoegde rechters mogelijk - uitzonderlijk geassumeerde rechters mogelijk - gewone kamers: in de regel 3 magistraten (1 beroepsrechter (voorzitter) + 2 lekenrechters) - bureau voor rechtsbijstand en het kort geding: enkel beroepsrechters - twee soorten rechters: o beroepsmagistraten: rechters in de rechtbank van koophandel o lekenrechters (consulaire rechters): rechters in handelszaken - plaatsvervangende, toegevoegde en (uitzonderlijk) geassumeerde o substituut-arbeidsauditeurs, rechtstreeks onder zijn toezicht en leiding o toegevoegde substituten (art. 326) - substituut-arbeidsauditeur kan auditeur bijstaan in leiding van het auditoraat - Procureur des Konings en zijn substituten - Per gerechtelijk arrondissement een substituut-procureur des Konings, gespecialiseerd in handelsaangelegenheden (art. 151, lid 1) - vakantiekamers: art Idem supra
22 Burgerlijk Procesrecht 22 Arrondissementsrechtbank (art. 73, Ger. W.) Hof van Beroep (art. 101, 102, 105 en bis Ger. W.) Organisatie Samenstelling O.M. Dienst rechters zijn mogelijk - gewone kamers bestaan in de regel uit drie magistraten o voorzitter: beroepsrechter o 2 lekenrechters - Arrondissementeel - Art. 74: Drie magistraten: voorzitters van - vijf hoven van Beroep - territoriale afdelingen kunnen worden opgericht - kamers: o burgerlijke zaken o strafzaken o jeugdzaken o aanvullende kamers - aantal raadsheren: zie art. 109bis (alleenzetelende eerste aanleg: alleenzetelend beroep, subsidiair drie raadsheren) o Rechtbank van eerste aanleg o Arbeidsrechtbank o Rechtbank van koophandel - Art. 75: voorzitterschap om beurt - allen professionelen - plaatsvervangende raadsheren (art. 102 jo 156bis) - bijstand: o raadsheren referendarissen o magistraten O.M. bij parketten van het Hof van Beroep parketjuristen - Procureur des Konings en zijn subtituten van het Parket bij de rechtbank van eerste aanleg - Procureur-generaal bij het hof van beroep - leden van zijn parket-generaal o eerste advocaat-generaal o advocaten-generaal o substituten-procureurgeneraal - Komt slechts bijeen wanneer er bevoegdheidsgeschillen dienen beslecht te worden - art vakantiekamers: art. 335
23 Burgerlijk Procesrecht 23 Arbeidshof (art , , 112 en 113bis Ger. W.) Hof van Cassatie (art Ger. W.) Organisatie Samenstelling O.M. Dienst - vijf arbeidshoven (art. 130 Ger. W. jo. art. 156 GW) - art. 186: territoriale afdelingen - art. 103, tweede lid - gewone kamers: 3 raadsheren - samenstelling bijzitters: art één Hof te Brussel - het Hof bestaat uit drie kamers o elk gesplitst in een Nederlands- en Franstalige afdeling (art. 128) o kamers: art magistraten per afdeling (uitz.: art. 131) - duidelijke zaken 3 raadsheren (art. 128 jo. 1105bis) - arbeidsauditoraat-generaal (art. 145) - procureur-generaal bij Hof van Cassatie (art. 142) - art vakantiekamers: art art. 132
24 Burgerlijk Procesrecht 24 Afdeling III. Algemene vergadering werkingsverslag - algemene vergadering geregeld in art. 340, 1 Ger. W. - werkingsverslagen worden opgesteld door de AV en opgestuurd naar de minister van Justitie (art. 340, 1 Ger. W.) Afdeling IV. Toegang tot en loopbaan binnen de magistratuur 1. Begrippenapparaat - benoeming: bij ambten waarvoor men voor het leven benoemd wordt - aanwijzing: bij mandaten waarvoor men tijdelijk aangewezen wordt - basisbenoeming: gerechtelijke ambten die een eerste toegang tot de magistratuur vormen - bevorderingsbenoeming: sommigen staan niet open voor niet-magistraten, of onder voorwaarden - voor bepaalde ambten (vb. plaatsvervangend rechter) wordt men geen beroepsmagistraat - art. 216bis: beperkingen voor jobhoppers 2. Basisbenoeming - drie sporen: o slagen in examen inzake beroepsbekwaamheid én juridische ervaring (art. 186bis-206 en art. 259bis-9) o slagen in examen voor gerechtelijk stagiar en gerechtelijke stage hebben doorgemaakt o mondeling evaluatie-examen voor eenieder die ten minste twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend (art. 187bis, 191bis en 194bis) - benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad van de Justitie objectiveert de toegang tot de justitie verder (art. 151, 2-3) 3. Benoemingsprocedure - art. 287, 4 de lid: bekendmaking in B.S. - art. 287, 1 ste lid: indiening kandidaturen (bijz. regel voor gerechtelijk stagiairs: art. 259ter, 4) - art. 259ter, 1-2: inwinning adviezen - voordracht van het dossier aan de Benoemings- en Aanwijzingscommissie (BAC), die één kandidaat voordraagt aan de Minister van Justitie (art. 259ter, 4, 1 ste lid) - benoeming door de Koning zestig dagen na ontvangst van de voordracht, tenzij hij gemotiveerd weigert, waarop het dossier teruggaat naar de BAC (art. 259ter, 4, derde laatste lid) - eedaflegging conform art Bevordering - een magistraat die kandideert naar een rechterlijke functie in een hoger rechtscollege - vereisten uiteengezet in art. 207, 3)
25 Burgerlijk Procesrecht 25 - procedure gelijklopend met basisbenoeming (art. 259ter, 3) 5. Korpschefs - omschreven in art. 58bis, 2 - door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar (art. 259quater, 1) 6. Adjunct-mandaten - omschreven in art. 58bis, 3 - aanwijzing binnen het rechtscollege (art. 151, 5, 4 de lid GW) - aangewezen voor in principe drie jaar (art. 259quinquies, 2, 1 ste lid; art. 259undecies, 2, 1 ste lid) 7. Bijzondere mandaten - omschreven in art. 58bis, 4 - aanwijzing volgens art. 259sexies 8. Evaluatie - art. 151, 6 GW: controle van bepaalde magistraten - twee soorten evaluatie die niet gelijktijdig op dezelfde magistraat van toepassing kunnen zijn:. o periodieke evaluatie (art. 259decies) voor de werkende beroepsmagistraten (sanctie: verlaagde wedde ex. art. 360ter) o evaluatie van mandaten (art. 259undecies) voor titularissen van een adjunct-mandaat of van een bijzonder mandaat die de hernieuwing van hun mandaat met een bepaalde termijn beogen titularissen van een adjunct-mandaat, die na negen jaar vast willen aangewezen worden 9. Vlakke loopbaan - er wordt bijna geen verschil gehandhaafd in wedde van magistraten naargelang de functie - startwedden verschillen, maar de wedden van lagere rechters stijgen sneller Afdeling V. Werklastmeting - art. 359bis voorziet werklastmeting, maar nog niet van kracht - in het kader van bestrijden gerechtelijke achter bij de hoven van beroep Afdeling VI. Tuchtrecht - art. 404 voorziet in de mogelijkheid van tuchtstraffen - art. 405 voorziet de mogelijke straffen en hun indeling - art. 409: Nationale Tuchtraad voor feiten die in aanmerking komen voor zware tuchtstraf - art. 410: overheden die een tuchtprocedure kunnen instellen om lage tuchtstraffen kunnen opleggen
26 Burgerlijk Procesrecht 26 - art. 412: overheden die zware tuchtstraffen kunnen opleggen - art. 415: beroepsmogelijkheid - art. 427: gegevensbank i.v.m. tuchtrechtelijke beslissingen Hoofdstuk II. Referendarissen bij het Hof van Cassatie referendarissen en praktijkjuristen Afdeling I. Referendarissen bij het Hof van Cassatie - functie omschreven in art. 135bis - benoemingsvoorwaarden in art. 259duodecies - benoeming: art. 259terdecies-259quaterdecies Afdeling II. Referendarissen en parketjuristen - functie omschreven in art. 156ter - benoemingsvoorwaarden: art. 206bis en art. 285bis - benoeming: 206ter - hebben niet het statuut van magistraat, maar zijn toch onderworpen aan evaluatie (art. 259nonies en art. 259decies) Hoofdstuk III. Openbaar ministerie Afdeling I. Statuut - staande magistratuur omdat ze rechtstaan als ze spreken - door de Grondwet tot de Rechterlijke Macht gerekend - hebben geen rechtsprekende bevoegdheid - taak: o juiste toepassing van de wet vorderen o vereisten van de openbare en het belang van de goede rechtsbedeling verdedigen - statuut en organisatie: art. 153 GW jo. art. 143, 2-3 en art. 144bis, art. 27 Sv. - niet voor het leven benoemd (art. 152 GW), en afzetbaar (art. 153 GW) - wedden worden wel door de wet vastgesteld (art. 154 GW) Afdeling II. Kenmerken - eenheid, voortvloeiend uit de eenheid van zijn opdracht en het gezag van de Minister van Justitie - ondeelbaar: elk lid wordt geacht op te treden namens het ganse O.M., een lid van het O.M. kan in een rechtszaak telkens vervangen worden door een collega me dezelfde bevoegdheden - onafhankelijkheid t.a.v. de uitvoerende macht: o minister van Justitie legt richtlijnen vast en kan positieve injuncties geven (bevel geven een vordering of vervolging in te stellen) (art. 151, 1 GW)
27 Burgerlijk Procesrecht 27 o kan geen negatieve injuncties geven: niet verbieden een ambtsplicht na te leven - onafhankelijkheid t.a.v. de rechter en de partijen - vrijheid ter terechtzitting: leden hebben de plicht hun eigen oordeel kenbaar te maken op de terechtzitting, niettegenstaande hun hiërarchische banden Afdeling III. Taak van het O.M. in burgerlijke zaken (art. 138bis) 1. Tussenkomst A. Algemeen - rechtsvordering: op initiatief van het O.M. wordt een procedure op gang gebracht - vordering: in de loop van een procedure eist het O.M. bepaalde maatregelen - O.M. treedt op als partij en rechter moet antwoorden op haar conclusies - niet-bindend advies na het sluiten van de debatten (art. 766) waarop de rechter niet moet antwoorden en dat het O.M. niet tot partij maakt - in bepaalde gevallen schrijft de wet het optreden expliciet voor B. Wanneer - in de bij wet bepaalde gevallen - wanneer de openbare orde in gevaar is gebracht door een toestand die verholpen moet worden (loutere schending regel van openbare orde volstaat dus niet) o ook wanneer een specifieke wet spreekt van advies, kan het O.M. optreden bij wege van rechtsvordering of vordering indien de openbare orde in het gedrang is (art. 764) o kan ook hoger beroep instellen wanneer het in eerste aanleg slechts advies gegeven heeft - art schrijven voor welke zaken aan het O.M. meegedeeld worden voor advies 2. Inwinnen van bestuurlijke inlichtingen - kan bestuurlijke inlichtingen inwinnen ter uitvoering van haar taken - vb. inlichtingen inwinnen bij fiscale administraties - het O.M. mag deze inlichtingen aanwenden wanneer het optreedt als partij - bijzondere bevoegdheid inzake sociale zaken ex. art. 138ter voor geschillen art Tenuitvoerlegging - O.M. draagt ambtshalve alleen maar zorg voor tenuitvoerlegging van beslissingen die de openbare orde raken (wanneer het als partij is opgetreden) - O.M. kan optreden wanneer gerechtsdeurwaarders of politiediensten weigeren uit te voeren Hoofdstuk IV. Hoge Raad voor de Justitie Afdeling I. Situering - sinds de kritiek op de gerechtelijke diensten sinds de zomer van 96 zijn enkele grondige
28 Burgerlijk Procesrecht 28 hervormingen doorgevoerd, in het bijzonder voor wat de magistratuur betreft voor uitschakeling politieke benoemingen en het invoeren van externe controle - Octopusakkoord: totale hervorming van justitie en politie die een antwoord diende te vormen op het grievenboek van de bevolking, in drie grote delen: o wijziging van art. 151 GW o oprichting Hoge Raad voor de Justitie en integratie van de politiediensten o aantal nieuwe principes betreffende de rechterlijke organisatie Afdeling II. Oprichting - maakt geen deel uit van de rechterlijke macht en heeft geen rechtsprekende functie, het is dus geen rechtscollege in de zin van art. 40 GW - maakt geen deel uit van de andere staatsmachten: het is een orgaan sui generis dat een brugfunctie moet vervullen tussen de rechterlijke macht enerzijds en de wetgevende en uitvoerende macht anderzijds - kredieten worden uitgetrokken op de begroting van de dotaties om de materiële onafhankelijkheid te garanderen Afdeling III. Samenstelling 1. Hoge Raad voor de Justitie - samenstelling volgens art. 151, 2: Franstalig en Nederlandstalig college - binnen elk college worden twee commissies samengesteld: o Benoemings- en Aanwijzingscommissie (BAC) o Advies- en Onderzoekscommissie (AOC) 2. Statuut van de leden van de Hoge Raad voor de Justitie - zitting voor een periode van vier jaar, één maal hernieuwbaar (art. 259bis-3, 1) - deeltijdse functie, behalve voor de bureauleden - onverenigbaarheden in art. 259bis-3, 2 - art. 259bis-3, 4: mandaat kan wegens ernstige redenen worden opgeheven - art. 259bis-19, 1: soms dient men zich te onthouden van beraadslaging of beslissing - presentiegeld (art. 259bis-21, 2) en vergoeding voor reis- en verblijfkosten (art. 259bis-21, 3) - tuchtprocedure ex. art. 259bis-19, 2bis 3. Personeel - art. 256bis-6, 2: HRJ beschikt over eigen personeel voor de ondersteuning van de werkzaamheden en de organisatie van de verkiezingen Afdeling IV. Bevoegdheden - niet-limitatieve opsomming in art. 151, 3 GW (uitbreidbaar ex. art. 151, 3, laatste lid GW)
29 Burgerlijk Procesrecht 29 - drie categorieën van bevoegdheden: o benoeming, bevordering en toegang tot de magistratuur o toegang tot het ambt en op de vorming van magistraten o werking van de rechterlijke organisatie, waarop de Hoge Raad controle zal uitoefenen, m.i.v. doorlichting ervan, zonder te kunnen tussenkomen in concrete dossiers - deze bevoegdheden zijn niet exclusief Hoofdstuk V. Adviesraad voor de Magistratuur - doel: representatief orgaan voor de magistratuur - opdracht: op eigen initiatief of op verzoek van de Minister van Justitie of van de Wetgevende Kamers adviezen verstrekken en overleg plegen over al hetgeen betrekking heeft op het statuut, de rechten en de werkomstandigheden van de rechters en de ambtenaren van het O.M. - adviezen hebben bindende noch opschortende werking - tot op heden niet geïnstalleerd Hoofdstuk VI. De Partij Afdeling I. Begrip - partij: zij die zich tot de rechter wenden of voor hem opgeroepen worden met het oog op vaststelling en sanctionering van hun rechten - formele procespartij: personen die deelnemen aan de rechtsstrijd (zelfs zonder titularis te zijn van de rechten waarvan hij de bekrachtiging vraagt, zoals een curator) - materiële procespartij: de persoon over wiens rechten het gaat, zelfs indien hij niet zelf voor de rechter staat (vb. minderjarigen wiens ouders zijn rechten verdedigen) - vertegenwoordiging is mogelijk in ons rechtssysteem o contractueel, wettelijk of gerechtelijk o HvC: verborgen vertegenwoordiging d.m.v. een naamleningsovereenkomst is mogelijk tenzij ze nadelig is voor de rechten van de tegenpartij of wetsontduiking verbergt o niet te verwarren met bijstand in rechte waarbij de advocaat zijn cliënt vertegenwoordigt - aantal partijen: o vader en moeder als vertegenwoordiger van kind vormen één partij o schuldenaar en borg gedagvaard door de schuldeiser vormen twee partijen Afdeling II. Vereisten om een partij te kunnen zijn 1. Rechtspersoonlijkheid - absolute vereiste om als partij te kunnen beschouwd worden - niet toelaatbaar zijn rechtsvorderingen tegen: o overledenen
30 Burgerlijk Procesrecht 30 o feitelijke verenigingen o een VZW die niet aan de in de VZW-wet voorziene publicatieverplichtingen heeft voldaan - uitzonderlijk wel voor bepaalde organisaties (vakorganisaties in bepaalde sociale geschillen) - een veroordeling tegen een feitelijke vereniging kan met een rechtsmiddel door die feitelijke vereniging bestreden worden 2. Belang (art. 17 Ger. W.) A. Begrip - elk materieel of moreel voordeel dat door de persoon die een vordering instelt, mag verwacht worden en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd zou kunnen worden - procesrechtelijk vs. materieelrechtelijk belang: o procesrechtelijk belang: de mogelijkheid om enig voordeel te halen uit een veroordeling o materieelrechtelijk belang: het belang dat de partij heeft bij het vastleggen van de situatie zelf, bij het voorwerp of de uitvoering van de veroordeling of verklaring van recht o enkel het procesrechtelijk belang is relevant: iedereen wiens subjectief recht geschonden wordt moet toegang krijgen tot de rechter, ongeacht de concrete consequenties o materieelrechtelijk belang speelt enkel een rol bij de beoordeling van de vordering, niet bij de beoordeling van de ontvankelijkheid B. Vereisten gesteld aan het belang 1. Reeds verkregen en dadelijk belang (art. 18 Ger. W.) - het moet vaststaan dat de eiser een voordeel zal putten uit een positief oordeel - eventueel of hypothetisch voordeel volstaat niet - ratio legis: vermijden dat rechter juridische consultaties moet geven (men kan pas naar de rechter gaan als er al een geschil is en de eiser dus effectief voordeel kan halen) - uitz. art. 18, 2 de lid Ger. W.: actio ad futurum o zal enkel kunnen leiden tot een rechtsverklarend vonnis (zonder dwangmaatregelen) o strikte voorwaarden om juridische consultaties te vermijden: ernstige dreiging van een concreet aanwijsbare schade moet een welbepaald reëel nut hebben 2. Rechtstreeks en persoonlijk belang (praetoriaans) - dus niet het algemeen belang, het belang van derden of geschonden wettelijkheid - geeft problemen bij vorderingen ingesteld door verenigingen o HvC: de eiser in een privaatrechtelijk geschil moet een subjectief recht kunnen aanvoeren o algemeen belang maakt geen eigen subjectief recht uit, en dus geen belang o enkel optreden ter bevordering van statutair doel levert geen belang op - de wetgever heeft in een aantal bijzondere wetten van deze vereiste afgeweken - beoordelingstijdstip: op het ogenblik waarop de vordering ingesteld wordt
31 Burgerlijk Procesrecht 31 - het belang moet in hoofde van de materiële procespartij aangetoond worden 3. Legitiem belang? - juridisch beschermd belang is eigenlijk het subjectief recht, dat reeds vereist wordt door de hoedanigheidsvereiste - een legitiem subjectief recht is de grond van de vordering, niet de ontvankelijkheid 3. Hoedanigheid - de bevoegdheid, de macht dankzij dewelke een persoon een rechtsvordering kan instellen - gevallen van bevoegdheid: o titularis van een recht o schuldeisers kunnen de rechten van hun schuldenaars uitoefenen (art BW) o personen in andermans rechten gesubrogeerd (art BW) o vertegenwoordiging van de materiële procespartij door iemand anders formele procespartij zijn bevoegdheid moeten bewijzen nul ne plaide par procureur: de naam van de lastgever in alle procedurestukken vermelden o personen die optreden als vertegenwoordiger van rechtspersonen (cf. art. 703 Ger. W.) 4. Bekwaamheid - onderscheid: o rechtsbekwaamheid: toegang tot de rechtbank in principe ontzegd aan groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid geen onderscheid tussen Belgen en vreemdelingen, maar de verweerder kan weigeren ten gronde te pleiten zolang de vreemdeling geen borgsom heeft gestort (art. 16 BW en art. 851 Ger. W.), maar weinig praktisch nut door art. 852 Ger. W. o handelingsbekwaamheid: bekwaamheid om de vordering daadwerkelijk uit te oefenen, in principe gelijklopend met de handelingsbekwaamheid om rechten uit te oefenen Hoofdstuk VII. De advocaat Afdeling I. Situering - door complex recht is een advocaat omzeggens vereist om het te laten bekrachtigen - in principe het een volledig vrij beroep, de advocaat vormt geen onderdeel van staatsmacht - door sterke verbondenheid met het gerecht (vb. plaatsvervangende rechters) zijn een aantal elementaire rechten en plichten opgenomen in de wet Afdeling II. Taak van de advocaat - de advocaat is de persoon die beroepshalve de verdediging van de particuliere belangen op zich neemt, hij staat te allen tijde en in elke omstandigheid ten dienste van de verzoeker - taakomschrijving impliceert:
32 Burgerlijk Procesrecht 32 o juridisch advies o bij een geschil minnelijk schikken of een procedure inleiden (pleitmonopolie) o optreden als aanvullende of plaatsvervangend rechter o optreden als bemiddelaar o mogelijkheid om geroepen te worden voor gerechtelijke opdrachten (curator, ) Afdeling III. Verplichtingen van de advocaat - verplichte stage van minimum drie jaar (art. 434 Ger. W.), na eedaflegging voor HvB - deontologie naleven - beroepsgeheim respecteren - onverenigbaarheden (art. 437 Ger. W.) respecteren - geassumeerd rechter (art. 322 en 442 Ger. W.) Afdeling IV. Rechten van de advocaat 1. Pleitrecht, geen pleitmonopolie - pleitrecht in art. 439 Ger. W., quasi-pleitmonopolie in art. 440 Ger. W. - in een aantal gevallen mogen anderen een partij bijstaan en vertegenwoordigen (art. 728 Ger. W.) 2. Procesvertegenwoordiger - art. 440, 2 de lid Ger. W.: advocaat heeft het recht om namens zijn cliënt proceshandelingen te stellen en om hem te vertegenwoordigen (mandaat ad litem) - de advocaat wordt vermoed de partij te vertegenwoordigen (moet geen volmacht bewijzen), maar dit is weerlegbaar d.m.v. de ontkenning van proceshandelingen (art Ger. W.) - in een aantal gevallen is een bijzondere volmacht wel vereist, vb.: o dading o afstand van rechtsvordering/geding (art. 824 Ger. W.) o in een vonnis of arrest berusten (art Ger. W.) o bekentenis - fouten of nalatigheden van de advocaat (vertegenwoordiger) worden aan de partij toegerekend Afdeling V. Juridische aard van de verhouding advocaat-cliënt 1. Al dan niet een overeenkomst - als de cliënt volledig vrij bij de advocaat komt contract van onderneming intuitu peronae o in beginsel slechts een middelenverbintenis o kan op elk moment door de cliënt opgezegd worden zonder schadevergoeding - in bepaalde gevallen is de keuze niet vrij, er is dan geen overeenkomst; vb.: o aanduiding door het bureau voor juridische bijstand
33 Burgerlijk Procesrecht 33 o ambtshalve aanduiding (art. 446 Ger. W.) o aanduiding door de stafhouder (art. 446 Ger. W.) o aanduiding in cassatie o niet de advocaat aangeduid door de verzekeraar voor een verzekerde o.g.v. een polis 2. Vergoeding - uitgezonderd pro deo wordt de advocaat door de cliënt vergoed d.m.v. een ereloon en de kosten die de advocaat voorgeschoten heeft - het ereloon en de kosten zijn verhaalbaar via de zgn. rechtsplegingsvergoeding - ereloon kan bij abonnement of per zaak (forfaitair of niet forfaitair) zijn - vergoeding voor tweedelijns juridische bijstand: art. 446bis jo. 508/19 Ger. W. - de begroting van het ereloon wordt geregeld in art. 446ter Ger. W. - verbod van pactum de quota litis (ereloon verbinden aan uitkomst van het geschil) o moet eng geïnterpreteerd worden, vereist zijn: bestaan van het ereloon zelf moet afhangen van het geding bij een goede uitslag wordt het ereloon uitsluitend berekend om de omvang van de behaalde vergoeding o ratio legis: onafhankelijkheid van de advocaat bevorderen (geen persoonlijk belang) Afdeling VI. Voorwaarden om het beroep van advocaat uit te oefenen - terug te vinden in art Ger. W. - advocaat voert een zelfstandige beroepsactiviteit uit, ondergeschiktheid wordt uitgesloten door een reglement van de Order van Vlaamse Balies van 8 juni 2005 Afdeling VII. Organisatie van de balie - elke advocaat moet lid zijn van een Orde van Advocaten - per arrondissement is er een Orde (twee in Brussel, Franstalig en Nederlandstalig) - Orde van Advocaten heeft rechtspersoonlijkheid - organisatie: kiest jaarlijks een Raad (art. 448) en een stafhouder (art. 447) - opdrachten: juridische bijstand, tableau en de lijst van stagiairs, erelonen, - Raad van de Orde vormt de tuchtraad (zie art. 457) o mogelijke sancties: art. 460 o tuchtraad in hoger beroep in iedere zetel van het hof van beroep (art ) Afdeling VIII. Advocaten bij het Hof van Cassatie - door de Koning benoemde ministeriële ambtenaren wiens bijstand verplicht is in burgerlijke zaken voor het Hof van Cassatie - moeten controle uitoefenen op het inleiden van cassatieberoepen - waarborgen een hoog niveau van de middelen die worpen opgeworpen - hebben het recht om te pleiten voor alle gerechten van het Rijk
34 Burgerlijk Procesrecht 34 - toepasselijke reglementen: art. 484bis - organisatie: advocaten vormen de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie - tucht: kleine tucht door de tuchtraad, hogere tuchtstraffen door de Koning (art. 485) Afdeling IX. Orde van Vlaamse balies en Ordre des Barreaux Francophones et Germanophones - krachtlijnen: compromis tussen naar autonomie strevende Vlaamse balies en het verlangen van Franse balies zoveel mogelijk gemeenschappelijk te houden: o een Vlaamse en een Frans-/Duitstalige Orde o Federale Raad van de balies (overlegorgaan met een procedure op tegenspraak die nietbindende adviezen uitvaardigt), uitgewerkt in art o scheidsgerecht (kan reglementen v/e Orde op verzoek van de andere vernietigen, art. 502) - uitgewerkt in art Ger. W. - art. 501: reglementen kunnen ook vernietigd worden via het Hof van Cassatie Hoofdstuk VIII. Griffier Afdeling I. Griffie en de griffier - autonome dienst geïntegreerd in de schoot van ieder rechtscollege - secretariaat van het rechtscollege: doorlopende opvolging van gedingverloop en bewaarplaats voor gerechtelijke akten - organisatie van de griffies in artt , , en de griffiers behoren tot de rechterlijke orde (art. 171, derde lid) Afdeling II. Taak van de griffier 1. Bijstand aan de rechter (art Ger. W.) - opsomming van taken in art Ger. W. - de griffier is een neutrale getuige, zijn aanwezigheid is bedoeld als een controlemiddel over de regelmatigheid de gerechtelijke verrichtingen - verleent ambtshalve akte van de feiten en verklaringen die moeten worden vastgesteld o rechter, O.M. en partijen kunnen griffier verzoeken feiten en verklaringen te akteren o niemand kan de griffier beletten dit te doen of hem ontslaan van deze bevoegdheid o elke formaliteit waarvan niet is vastgesteld door de griffier dat zij werd vervuld, wordt geacht niet te zijn nageleefd o de griffier notuleert op het zittingsblad, waarin de rechter niet kan schrappen/aanpassen (wel voetnoten aanbrengen)
35 Burgerlijk Procesrecht Bewaarder van dossiers, akten, waarden (art. 168, 6 de lid) - griffier schrijft tijdig neergelegde dagvaardingen en verzoekschriften in op d rol - uitsluitend griffier is belast met samenstelling en bewaring van rechtsplegingsdossiers 3. Fiscale opdracht - bijzondere opdracht in het kader van fiscaal recht (cf. KB 13 december 1968) Afdeling III. Toezicht - O.M. heeft toezicht over de griffie (art. 140): o handhaving van de tucht (art. 410, 1, 7 en art. 412, 2, 6 ) o controle a posteriori van de regelmatige uitoefening van de dienst en de naleving van de wetten, besluiten en verorderingen (kan evenwel geen bevelen geven) Hoofdstuk IX. De gerechtsdeurwaarder Afdeling I. Statuut en bevoegdheden - ministeriële ambtenaar door de Koning benoemd met een arrondissementele bevoegdheid - voorwaarden om gerechtsdeurwaarder te worden: art Ger. W. - bevoegdheden in art. 516 en 1016bis (vaststelling overspel) - akten van de gerechtsdeurwaarder hebben een authentieke bewijswaarde (uitz.: vaststellingen) - tarief: art jo. KB 30 november 1976 Afdeling II. Organisatie van het beroep - arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders bestaande uit alle gerechtsdeurwaarders van het arrondissement, voorgezeten oor een syndicus (art ) - Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders (rechtspersoon) beheerd door een vaste raad (art. 549), samengesteld uit door de arrondissementskamers gekozen leden o vaste raad verkiest een directiecomité (art ) Afdeling III. Tucht - lichte tuchtstraffen kunnen opgelegd worden door de Raad van de arrondissementskamer (art. 531), beroepsmogelijkheid in art. 531bis - zware tuchtstraffen worden uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van de procureur des Konings met beroepsmogelijkheid bij het Hof van Beroep (art. 532)
36 Burgerlijk Procesrecht 36 Deel III. Bevoegdheid Hoofdstuk I. Algemene begrippen Afdeling I. Rechtsmacht vs. bevoegdheid - dubbele betekenis van begrip rechtsmacht: o ruime betekenis: de macht van de rechterlijke macht om geschillen te beslechten waarbij subjectieve rechten betrokken zijn (art GW) betwisting omtrent de rechtsmacht komt voor in drie gevallen: geschil heeft geen betrekking op een subjectief recht een buitenlandse rechter of een arbiter (art. 1679) moet kennis nemen van het geschil de rechter onderzoekt ambtshalve of het geschil betrekking heeft op een subjectief recht a.d.h.v. het voorwerp van de eis zoals omschreven in de gedinginleidende akte een partij kan in limine litis de exceptie van gebrek aan rechtsmacht opwerpen, de rechter kan dit niet ambtshalve o engere betekenis: de macht om het geschil te beslechten die de rechter verwerft nadat de zaak bij hem aanhangig gemaakt wordt; de rechter put zijn rechtsmacht uit door over een concrete zaak te oordelen (art. 19, eerste lid) - bevoegdheid: de rechtsmacht die de wetgever aan een bepaalde rechter concreet heeft toebedeeld o de rechter moet wel rechtsmacht hebben: vooraleer zich uit te spreken over d bevoegdheidsvraag, zal hij dus zijn rechtsmacht moeten nagaan o bevoegdheid is zowel attributief (materiële bevoegdheid) en distributief (territoriale) Afdeling II. Machtsoverschrijding en onbevoegdheid - machtsoverschrijding wanneer: o rechter een macht toe-eigent waarover geen enkele rechter beschikt o rechter uitspraak doet over een zaak waarvan hij zijn rechtsmacht reeds had uitgeput - onbevoegdheid wanneer voor de rechter een geschil wordt aangebracht, waarvan de wet d kennisname opdraagt aan een andere rechter Afdeling III. Verbod overdracht van rechtsmacht (art. 11) - deskundige mag vaststellingen doen of technisch advies geven, maar geen advies geven over de gegrondheid van de vordering zelf - rechter kan wel een rogatoire commissie instellen (art. 11, tweede lid jo ) Afdeling IV. Rechtsmacht beperkt tot het rechtsgebied - rechter heeft enkel de macht recht te spreken binnen het hem door de (Grond)wet toegekende gebiedsomschrijving (zie art. 156 GW, 10, 11, 103, 186 en 622 Ger. W. en het bijvoegsel bij het Ger.W. gebiedomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken)
37 Burgerlijk Procesrecht 37 - een uitspraak kan wel over het ganse grondgebied uitgevoerd worden Afdeling V. Vindplaats in Ger. W. - algemene beginselen: art aanhangigheid en samenhang: art verdeling binnen de rechtbank van eerste aanleg: art. 88, 2 - bevoegdheid: Deel III Ger. W. (art ) - taak beslagrechter: art Hoofdstuk II. Materiële bevoegdheid Afdeling I. Algemene beginselen - componenten aan de hand waarvan bevoegdheid wordt bepaald staan opgesomd in art. 9 - materiële bevoegdheid wordt bepaald op het ogenblik van de rechtsingang 1. Soorten bevoegdheden - algemene bevoegdheid: het geheel van de gewone normale materiële bevoegdheden van de betrokken jurisdictie (doorslaggevende component is de waarde van de eis) - bijzondere bevoegdheid: uitdrukkelijk door de wetgever aan een rechtscollege toegewezen (voorwerp van het geding en hoedanigheid van de partijen doorslaggevende criteria) - uitsluitende of exclusieve bevoegdheid: bevoegdheden door de wetgever voorbehouden aan een bepaalde rechtscollege ( verkeerde rechter moet zich ambtshalve onbevoegd verklaren) 2. Kenmerken - functionaliteit: inhoudelijke taakverdeling met het oog op een behoorlijke rechtspleging - rationalisatie en specialisatie (hoewel in de praktijk vaak arbitraire bevoegdheden) - raakt de openbare orde Afdeling II. Onderzoek van de componenten 1. Voorwerp van de eis - HvC: te bepalen a.d.h.v. de gedinginleidende akte - geen prejudicieel onderzoek door de rechter naar het werkelijk voorwerp nodig - bij vaststelling dat de vordering een andere grondslag zou kunnen hebben, moet de rechter zich onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen naar de bevoegde rechter 2. Waarde van de eis A. Wanneer de eis in geld uitgedrukt is (art ) - basisregel: geëiste som + de geëiste vervallen vergoedende en verwijlintresten o niet: dwangsom, gerechtskosten en gerechtelijke intresten
38 Burgerlijk Procesrecht 38 o latere aanpassingen zijn irrelevant (beoordeling op ogenblik van rechtsingang) - bijzondere regels in art i.v.m. meerdere punten, meerdere partijen en in bepaalde gevallen van in geld waardeerbare zaken - wanneer een eiser het geëiste bedrag doelbewust vaststelt om bevoegdheidsregelen te ontwijken moet de rechter zich onbevoegd verklaren B. Eis niet in geld uitgedrukt maar wel waardeerbaar (art. 592) - eiser mag kiezen voor welke rechtbank hij de zaak brengt - voorwaarden: o waarde is niet bepaald o eis behoort niet tot de uitsluitende bevoegdheid van een andere rechtbank - niet van openbare orde: rechter mag de keuze niet ambtshalve onderzoeken, zelfs bij verstek - geschil wordt in deze hypothese steeds in eerste aanleg beslecht (art. 619) C. Eis is niet in geld uitgedrukt en niet waardeerbaar Materiële bevoegdheid wordt bepaald door het voorwerp van de eis, met inachtneming van de algemene, bijzondere en uitsluitende bevoegdheden. 3. Urgentie - rechter moet bevoegdheid bepalen a.d.h.v. gedinginleidende akte als eiser in deze akte stelt dat eis spoedeisend is moet de rechter ze behandelen - als rechter bij de uitspraak oordeelt dat ze niet urgent is, moet hij de zaak ongegrond verklaren (i.p.v. zich onbevoegd te verklaren, hij moet de zaak dus niet verwijzen) 4. Hoedanigheid van de partijen: de handelaar - in de praktijk enkel van toepassing op bevoegdheid van rechtbank van koophandel - vorderingen die daden van koophandel betreffen en niet onder de algemene bevoegdheid van de vrederechter vallen onder de bevoegdheid van de kamer van koophandel (art. 573) - uitzondering op het ogenblik van beoordeling: de verweerder moest op het ogenblik van het stellen van de litigieuze handeling de hoedanigheid van koopman bezitten, niet noodzakelijk op het ogenblik van de rechtsingang Hoofdstuk III. De territoriale bevoegdheid Afdeling I. Begrip, functie en aard - begrip: de rechtsmacht die aan de rechter toebehoort in een rechtsgebied (art. 10) - functie: territoriale spreiding - aard: in de regel vreemd aan de openbare orde (werd geacht private belangen te dienen) o gevolg: in beginsel vrije keuze door de eiser, a.d.h.v. art. 624 o uitzonderingen: art (dwingend recht) art (openbare orde) - de rechter moet geen prejudicieel onderzoek doen naar de territoriale bevoegdheid
39 Burgerlijk Procesrecht 39 Afdeling II. Bevoegdheidsovereenkomsten - begrip: een procesrechtelijke overeenkomst waarbij de partijen zich ertoe verbinden elk geschil van privaatrechtelijke aard is of kan ontstaan, uitsluitend aan een bepaald gerecht of gerechten ter beslechting in eerste aanleg voor te leggen of te onttrekken - draagwijdte: regels van algemeen verbintenissenrecht van toepassing o consumentencontracten: art. 32, 20 WHPC: onrechtmatig is het beding dat de eiser o.g.v. een contractueel bedongen keuze van woonplaats toelaat een vordering in te stellen voor een andere rechter dan deze in art. 624, 1, 2 en 4 Ger. W. Afdeling III. Verstek van de verweerder (art. 630, laatste lid) - bij verstek wordt de verweerder geacht de territoriale bevoegdheid te betwisten - onduidelijkheid of de rechter zijn bevoegdheid enkel moest onderzoeken als deze van imperatieve aard is, of ook indien deze van suppletieve aard (vb. art. 624) is - HvC: art. 630, tweede lid duidt enkel in de in art. 630, eerste lid bedoelde gevallen (art ), maar de rechter moet toch zijn bevoegdheid uit suppletief recht nagaan - HvC: wanneer de rechter zich in dit kader onbevoegd verklaart, moet hij de zaak verwijzen naar de arrondissementsrechtbank (en niet naar de rechtbank die hij bevoegd acht) Hoofdstuk IV. Bevoegdheidsregeling Afdeling I. Materiële bevoegdheid hoofdvordering 1. Vrederechter - algemene bevoegdheid voor vorderingen < 1860 euro, uitgezonderd bijzondere en exclusieve bevoegdheden van andere rechtbanken (art. 590) - bijzondere bevoegdheid: o rechtspleging op tegenspraak (vooral opgesomd in art. 591) o eenzijdige rechtspleging (art. 594) o uitbreiding in art. 593 naar geschillen over de titel ( rechtsbron ) die in ondergeschikt verband staan met de vorderingen die op geldige wijze voor hem aanhangig zijn gemaakt vb.: vrederechter bij wie een vordering tot afpaling aanhangig is gemaakt, is bevoegd om kennis te nemen van het tussengeschil over de eigendom van de kwestieuze erven - exclusieve bevoegdheid (art en art. 1337bis) - niet-jurisdictionele bevoegdheden (art ) 2. Politierechtbank - exclusieve bevoegdheid: schade uit verkeersongevallen (art. 601bis) o niet: ongevallen uit trein-, lucht- of waterverkeer o wel: regresvorderingen van de verzekeraar van de schadelijder - beroep tegen administratieve sancties (art. 601ter)
40 Burgerlijk Procesrecht Rechtbank van eerste aanleg A. In eerste aanleg - volheid van bevoegdheid (art. 568) o verweerder kan in limine litis vorderen dat de zaak beslecht zou worden door het uitzonderingsgerecht dat in beginsel krachtens de wet van dergelijke betwisting kennis neemt (dit is geen klassieke exceptie van onbevoegdheid, aangezien de rechtbank van eerste aanleg wel bevoegd is) o gevolg: de rechter kan zich niet ambtshalve onbevoegd verklaren (tenzij wanneer het exclusieve bevoegdheden van een uitzonderingsgerecht betreft) o art. 586 is van dwingend recht - exclusieve bevoegdheid (art en aantal bepalingen i.v.m. bijzondere rechtsplegingen), zelfs als de waarde van de eis lager dan 1860 euro is B. Als appelrechter - art. 577, 1 ste lid: beroep tegen vonnissen van de vrederechter en in gevallen bepaald in art. 601bis van de politierechtbank - art. 577, 2 de lid: uitzonderlijk is de rechtbank van koophandel bevoegd o volheid van bevoegdheid speelt dus niet in graad van beroep o rechtbank in eerste aanleg zal in beroep altijd ambtshalve bevoegdheid moeten onderzoeken C. Tuchtrechtelijke en niet-jurisdictionele bevoegdheid - art. 571: bepaalde tuchtrechtelijke vorderingen tegen notarissen en gerechtsdeurwaarders - beëdigt alle personen vermeld in art. 572 D. Interne bevoegdheidsverdeling - burgerlijke rechtbank - correctionele rechtbank - jeugdrechtbank: bevoegdheid bepaald in W. 8 april 195 betreffende jeugdbescherming en in diverse bepalingen van het BW (in beginsel alle jeugdaangelegenheden) - strafuitvoeringsrechtbank: alle beslissingen betreffende de veroordeelden die gedetineerd zijn in de strafinrichtingen in het rechtsgebied van het Hof waarin de strafuitvoeringsrechtbank gevestigd is tot het moment van de definitieve invrijheidsstelling o kunnen zitting hebben in: elke Rechtbank van Eerste Aanleg gevestigd in het rechtgebied van het Hof van Beroep elke strafinrichting E. Beslagrechter - bevoegdheid bepaald in art bevoegdheden worden ook uitgeoefend m.b.t. de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten van andere rechtscolleges dan de rechtbank van eerste aanleg (incl. strafzaken) F. Voorzitter van de rechtbank - aantal bijzondere rechtsprekende bevoegdheden: o uitspraak bij voorraad in kort geding (art. 584, 1 ste lid)
41 Burgerlijk Procesrecht 41 o uitspraak bij voorraad op eenzijdig verzoekschrift (art. 584, 3 de lid) o bijzondere bevoegdheden in art o uitspraak zoals in kort geding (procedureregels van kort geding, maar i.t.t. kort geding uitspraak over de grond van de zaak) o verdelingsincidenten inzake bevoegdheid en inzake dienst (cf infra) 4. Arbeidsrechtbank A. Geen algemene bevoegdheid - art bevat limitatieve opsomming van bevoegdheden - geen algemene bevoegdheid inzake sociale geschillen B. Bijzondere bevoegdheid: geschillen betreffende arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht - geschillen voortvloeiende uit bepaalde soorten overeenkomsten (art. 578, 1, 2 en 5 ) o voorwerp van de eis zoals de eiser het aangeeft is doorslaggevend o als kwalificatie achteraf fout blijkt zal dit hoogstens leiden tot ongegrondheid - individuele geschillen n.a.v. een collectief geschil en de rechtmatigheid van het actiemiddelen ter beslechting van het collectief geschil - art. 579, 1 : vergoeding van schade voortkomende uit arbeidsongevallen e.d. - art : geschillen inzake sociale zekerheid (deze artikelen zijn slechts enuntiatief), behoudens uitzonderingen (vb. art. 594, 5-9 ) - verdere bevoegdheden: zie art C. Exclusieve bevoegdheid - art. 583, 1 ste lid: toepassing van administratieve sancties n.a.v. bepaalde sociale wetten D. Voorzitter van de arbeidsrechtbank - art. 584, 2 de -3 de lid: zetelt in kort geding en doet uitspraak op eenzijdig verzoekschrift - art. 578bis en art. 578ter: jurisdictionele bevoegdheid voor de voorzitter 5. Rechtbank van koophandel A. In eerste aanleg - alg. bevoegdheid: geschillen tussen kooplieden betreffende daden van koophandel (art. 573) o minstens de verweerder moet een handelaar zijn op het ogenblik van de litigeuze daad o moet gaan om handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt o mag niet vallen onder algemene bevoegdheid van de vrederechter of politierechter (de waarde van de eis moet dus groter dan 1860 euro zijn) - bijzondere bevoegdheid: o ongeacht de hoedanigheid van de partijen, maar wel enkel als de waarde van de eis > 1860 euro is, neemt de rechtbank kennis van geschillen betreffende orderbriefjes en wisselbrieven o ongeacht de hoedanigheid van de partijen én het bedrag van de eis: zie art exclusieve bevoegdheid: art. 574, 2 i.v.m. faillissementen en gerechtelijk akkoord
42 Burgerlijk Procesrecht 42 B. Als appelrechter - art. 577, 2 de lid: hoger beroep tegen de beslissingen, door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven o ook als het geschil tot de bijzondere bevoegdheid van de vrederechter behoorde o raakt de openbare orde (exclusieve bevoegdheid) o strikte interpretatie: zowel eiser als verweerder moeten handelaar zijn C. Niet-jurisdictionele bevoegdheid - art. 576: aanduiding en beëdiging van bepaalde ambten D. Voorzitter van de rechtbank van koophandel - art. 584, 2 de lid: zetelt in kort geding (art. 573: vereiste dat beide partijen handelaar zijn lijkt verlaten ruime belangstelling voor commercieel kort geding) - art. 584, 3 de lid: uitspraak op eenzijdig verzoekschrift in geval van volstrekte noodzakelijkheid in de zaken die onder de bevoegdheid van de rechtbank ressorteren en onder art uitspraak zoals in kort geding in vorderingen in art Arrondissementsrechtbank - bevoegdheidsincidenten oplossen en de bevoegde rechter aanwijzen - bevoegdheid niet omschreven in Ger. W., moet blijken uit parlementaire voorbereidingen - spreekt zich niet uit over de grond van de zaak, enkel over het bevoegdheidsincident - incidenten inzake rechtsmacht vallen buiten haar bevoegdheid 7. Hof van beroep - algemene bevoegdheid als appelrechter (art. 602, 1 en 2 ) o beperkt tot uitspraken gewezen binnen zijn ressort raakt openbare orde o bevoegdheid bepaald door aard van het gerecht dat de beslissing geveld heeft, niet door het voorwerp van de eis - bijzondere bevoegdheid o art. 602, 3-5 o in eerste en laatste aanleg ex. art. 603 o art. 103 GW: berechting van misdrijven gepleegd door ministers in de uitvoering van hun ambt, of buiten die uitoefeningen maar waarvoor ze berecht worden tijdens hun ambtstermijn o overige bijzondere bevoegdheden: art Arbeidshof Algemene bevoegdheid ex art Hof van cassatie - algemene bevoegdheid als cassatierechter (art. 608)
43 Burgerlijk Procesrecht 43 o geen derde aanleg, gezien het Hof niet over de feiten oordeelt o niet het geschil, maar het vonnis wordt aan haar toezicht onderworpen o art. 103 GW: cassatierechter tegen beslissingen van het hof van beroep inzake ministers - bijzondere bevoegdheden (art ) - bevoegdheden inzake tucht (art ) Afdeling II. Materiële bevoegdheid tussenvordering 1. Tussengeschillen m.b.t. de eis - in principe geen weerslag op de bevoegdheid van de aangezochte rechter - wijziging van de eis (uitbreiding/vermindering voorwerp) leidt niet tot onbevoegdheid (zelfs niet als de nieuwe waarde onder de bevoegdheid ratione summae van de rechter) aangezien bevoegdheid bij het inleiden van het geding bepaald wordt - wel toelaatbaarheid ex. art. 807 controleren - bijkomende eisen volgen als accesorium de hoofdeis 2. Tussengeschillen m.b.t. verweer, tegeneis, tussenvordering, samenhang en aanhandigheid A. Verweer ten gronde - in principe is de aangezochte rechtbank ook bevoegd voor de verweermiddelen - uitzonderingen: o staat van de persoon is in principe uitsluitende bevoegdheid van rechtbank van eerste aanleg, maar meerderheidsopvatting is dat aangezochte rechter bevoegd blijft o grondwettelijk hof: vraag over grondwettelijkheid moet beslecht worden door GWH o beneluxgerechtshof: bij een interpretatiemoeilijkheid van het Beneluxverdrag o Hof van Justitie: rechtscolleges waarvan de beslissingen niet vatbaar voor hoger beroep kunnen prejudiciële vragen stellen over interpretatie van Europese verdragen o Hof van Cassatie: prejudiciële vragen over interpretatie wet betreffende economische mededinging en wet tot oprichting van een Raad voor de mededinging B. Verweer ten gronde - beginsel: le juge de l action est le juge de l exception - uitzondering: exceptie van onbevoegdheid art. 88 2, , C. Tegeneis - tegeneis gesteund op procesrechtmisbruik kan altijd gebracht worden voor de rechter voor wie de eis aanhangig gemaakt is (art. 563, derde lid) - andere tegeneisen zijn afhankelijk van de rechtbank waarvoor de eis wordt geformuleerd: o rechtbank van eerste aanleg: volheid van bevoegdheid, uitgezonderd exclusieve bevoegdheden van andere rechtbanken (art. 563, 1 ste lid) o arbeidsrechtbank, rechtbank van koophandel, vrederechter (art. 563, 2 de lid) altijd bevoegd voor tegeneisen die onder hun materiële bevoegdheid vallen, ongeacht de
44 Burgerlijk Procesrecht 44 oorzaak van de tegeneis dezelfde is als die van de hoofdeis altijd bevoegd voor tegeneisen met dezelfde oorzaak als de hoofdeis, ongeacht de materiële bevoegdheid van de rechtbank D. Eis in tussenkomst - art. 564: de rechtbank waarvoor de hoofdzaak aanhangig gemaakt is, is bevoegd, uitzonderingen: o arbitrale bedingen die in de weg staan o exclusieve bevoegdheid van een andere rechter E. Samenhang - art. 30: nauw verwante zaken kunnen samen behandeld worden - samenhang is uitgesloten tussen: o zaken hangende voor de rechter in kort geding en de rechter ten gronde o zaken in eerste aanleg en zaken in hoger beroep - vb. vordering voor vergoeding o.g.v. arbeidsongevallenwetgeving samen behandelen met vordering tot het bekomen van bijkomende vergoeding o.g.v. verzekeringsovereenkomst - verzoek moet in limine litis geformuleerd worden conform art. 565, 2-5 (art. 566, 1 ste lid) - niet mogelijk in de gevallen beschreven in art. 565, 3 de lid en art. 566, 2 de lid F. Aanhangigheid - twee identieke vorderingen ingesteld voor verschillende rechtbanken (art. 29) - samenvoeging gebeurt ambtshalve of na een in limine litis opgeworpen verzoek (art. 565, 1 ste lid) Afdeling III. Territoriale bevoegdheid 1. Hoofdvordering - algemene regels bepaald in art. 624 Ger. W. o uitzondering voor korte gedingen: de eiser mag de vordering brengen voor de voorzitter die het meest aangewezen is, d.i. de voorzitter in wiens rechtsgebied het te bekomen bevel moet worden uitgevoerd - bijzondere regels o van suppletief recht: art. 626 betreffende vorderingen betreffende uitkeringen tot onderhoud o van dwingend recht (art ) o van openbare orde (art quinquies) 2. Tussenvorderingen, aanhangigheid en samenhang - art. 634: idem als de materiële bevoegdheid
45 Burgerlijk Procesrecht 45 Hoofdstuk V. Regeling van bevoegdheidsincidenten Afdeling I. In eerste aanleg 1. Exceptie van onbevoegdheid A. Toelaatbaarheidsvereisten - moet in limine litis opgeworpen worden, tenzij openbare orde (art. 854) - meedelen welke rechter volgens de afwijzende partij wel bevoegd is (art. 855) o moet niet noodzakelijk met officiële benaming o aanwijzing is niet bindend o moet niet noodzakelijk op het moment van het voordragen gebeurd zijn: een partij kan de mededeling later toevoegen aan de tijdig (in limine litis) voorgedragen exceptie B. Actiemogelijkheden van de eisende partij - verzending naar de arrondissementsrechtbank vorderen (art. 639, 1 ste en 2 de lid) - volharden in zijn keuze: rechter moet zelf uitspraak doen (art. 639, 3 de lid) o indien rechter zich bevoegd verklaart moet hij uitspraak doen over grond van de zaak o indien hij zich onbevoegd verklaart: zaak verwijzen naar bevoegde rechter (art. 660) beroep tegen deze beslissing is slechts mogelijk nadat een eindvonnis over de zaak zelf werd geveld (art. 1050) - akkoord gaan: rechter velt een akkoordvonnis (art. 1043) waarbij de zaak verzonden wordt naar de aangewezen rechter, die hierdoor gebonden is (art. 660, 2 de lid); mag openbare orde niet raken - niet reageren: het geschil wordt beslecht alsof de eiser volhardt in zijn keuze 2. Middel van onbevoegdheid (art. 640) - t.a.v. bevoegdheidsregels van openbare orde moet de rechter ambtshalve zijn bevoegdheid onderzoeken en eventueel een middel van onbevoegdheid opwerpen - mag nog geen exceptie opgeworpen zijn o.g.v. de bevoegdheidsregel waarop de rechter steunt - middel moet opgeworpen worden in het eerste vonnis dat de rechter velt - rechter moet zich beperken tot verwijzen naar de arrondissementsrechtbank via een vonnis (= maatregel van inwendige aard die niet openstaat voor een rechtsmiddel, art. 1046) - rechter moet de debatten niet heropenen vooraleer hij de zaak verwijst 3. Rechtspleging voor de arrondissementsrechtbank - verloop uiteengezet in art. 641 ( zonder verwijl : afwezigheid verhindert de uitspraak niet) - de arrondissementsrechtbank verwijst de zaak naar de bevoegde rechter (art ) - beslissing van de arrondissementsrechtbank bindt de bevoegde rechter (art. 660, 2 de lid): kan geen nieuwe betwisting van bevoegdheid dulden of opwerpen - rechtsmiddelen: geen beroep of verzet mogelijk, wel voorziening in cassatie door de procureur-
46 Burgerlijk Procesrecht 46 generaal bij het hof van beroep (art. 642) o bij vernietiging in cassatie door bevoegdheid verwijzing naar bevoegde rechter o bij vernietiging in cassatie om andere reden verwijzing naar andere arrondissementsrb. Afdeling II. In hoger beroep 1. Bevoegdheidsincident in hoger beroep - situaties: o appelrechter is onbevoegd om kennis te nemen van beroep o de initieel aangezochte rechter is onbevoegd (en dus ook de appelrechter) - in principe beslist de appelrechter zelf over de exceptie en verwijst indien nodig (art. 643) - uitzonderingen waarbij de arrondissementsrechtbank bevoegd is: o art. 639, 4 de lid: eiser kan verwijzing naar arrondissementsrechtbank vragen als hij bevoegdheid van rechtbank van eerste aanleg of rechtbank van koophandel als appelrechter betwist o art. 640: wanneer de appelrechter een middel van onbevoegdheid opwerpt 2. Hoger beroep tegen een vonnis waarin uitspraak werd gedaan over de bevoegdheid door de oorspronkelijk aanzochte rechter A. Wanneer kan men beroep instellen tegen een beslissing inzake bevoegdheid? - kan pas samen met het beroep tegen het eindvonnis (art. 1050, 2 de lid), zelfs al is het vonnis zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd (art. 1055) - het hoofdvonnis moet wel appelabel zijn (art. 621) - art geldt niet voor beslissingen inzake rechtsmacht, samenhang en aanhangigheid - discussie over begrip eindvonnis : moet worden begrepen in de zin van art. 19 als een vonnis waarin de rechter de vordering ontoelaatbaar verklaart of ten gronde uitspraak doet o gevolg: beslissing waarin de rechter zich enkel uitspreekt over de bevoegdheid (zonder ontoelaatbaar te verklaren), is niet appellabel - beroep moet ingesteld worden bij de normaal bevoegde rechter in beroep B. Verdere behandeling 1. Wanneer de oorspronkelijke rechter zich bevoegd verklaarde - indien de appelrechter oordeelt dat dit terecht was, wordt de zaak bij hem aanhangig gemaakt - indien hij vindt dat dit onterecht was, wordt art. 643 toegepast: verwijzing naar de appelrechter die wel bevoegd is (indien daartoe grond bestaat: indien een andere rechtbank in hoger beroep bevoegd is) 2. Wanneer de oorspronkelijke rechter zich onbevoegd verklaarde - art. 643 en 660: verwijzen naar de bevoegde rechtbank in hoger beroep - rechtbank van eerste aanleg of rechtbank van koophandel in tweede aanleg die vaststelt dat de vrederechter niet bevoegd was, doet opnieuw uitspraak in eerste aanleg waartegen beroep
47 Burgerlijk Procesrecht 47 mogelijk is (art. 1070) Afdeling III. In cassatie - normale toepassing van art. 660 (verwijzing naar bevoegde rechtscollege) - uitzondering: vernietiging vonnis arrondissementsrechtbank over de bevoegdheid, dat naar een andere arrondissementsrechtbank verwezen wordt Afdeling IV. Aanhangigheid en samenhang - art. 644: rechter kan nog altijd art toepassen - art. 660, 2 de lid geldt dus niet bij aanhangigheid of samenhang Afdeling V. Incidenten in de schoot van een rechtscollege - incidenten inzake bevoegdheid geregeld overeenkomstig art. 88, 2 - incidenten inzake dienst (1 of 3 rechters): tussenkomst van de voorzitter (art. 726), oorzaken: o behoeften van de dienst (art ) o bijzonder reglement van de rechtbank (art. 81, 1) o verplichte toewijzing aan een collegiaal samengestelde kamer (art. 92) o uitzondering voor arbeidsrechtbanken en hoven: art.? - incidenten tussen afdelingen (onbevoegdheid ratione loci): verwijzing naar bevoegde afdeling, zonder tussenkomst van arrondissementsrechtbank Afdeling VI. Regeling van rechtsgebied - twee rechtbanken kunnen uitspraak gedaan hebben over eenzelfde zaak die beiden kracht van gewijsde gekregen hebben; oplossing: art Deel IV. Het Geding Hoofdstuk I. Kernbegrippen Afdeling I. Geschil - een betwisting over een subjectief recht - moet niet noodzakelijk aanleiding geven tot een proces (kan vb. onderwerp van dading zijn) - kan ontstaan door onzekerheid of kwade trouw Afdeling II. Geschiloplossing (of beslechting) buiten de rechter om 1. Kwijtschelding (art BW) - tast het bestaan van een materieel recht aan
48 Burgerlijk Procesrecht Dading (art BW) - contract waarbij partijen een betwisting beëindigen of voorkomen met wederzijdse toegevingen - enkel geschillen vreemd aan de openbare orde kunnen hiervan het voorwerp uitmaken 3. Partijbeslissing - vaststellingsovereenkomst, waarbij één van de partijen de onderlinge rechtsverhouding tussen de partijen regelt - rechter heeft marginaal toetsingsrecht (kennelijke onredelijkheid en onbillijkheid sanctioneren) 4. Minnelijke schikking verzoening (art ) - art. 731, 1 ste lid: iedere inleidende hoofdvordering kan op verzoek van één partij vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is er in eerste aanleg kennis van te nemen o partijen moeten bekwaam zijn een dading aan te gaan o moet een zaak betreffen die voor dading vatbaar is - twee soorten: o voorafgaande verzoening (art ): rechter heeft geen rechtsmacht o verzoening in de loop van het geding in arbeidszaken (art. 734) - in de regel niet verplicht (afwezigheid leidt tot verwerping aanbod minnelijke schikking) - soms verplichte verzoeningspogingen in het Ger. W. en bijzondere wetten, maar vaak niet van openbare orde en soms zelfs niet gesanctioneerd - verschil met bemiddeling: verzoener geeft inhoudelijk advies - incidentele verzoening (verzoening hangende de procedure) via een accordandum (art jo. art ): persoonlijke verschijning van de partijen voor de rechter, waardoor hij actief tussenkomt en een accordandum probeert tot stand te brengen 5. Bindende derdenbeslissing - buitenwettelijk rechtsfiguur die het mogelijk maakt dat één of meerdere derden (die geen rechter of arbiter zijn) beslissingen nemen die partijen binden - levert geen uitvoerbare titel op, heeft slechts kracht van een overeenkomst - partij kan uitvoering vorderen via rechter, maar deze heeft een marginaal toetsingrecht 6. Arbitrage - begrip: partijen kunnen overeenkomen op één of meerdere arbiters beroep te doen om hun geschil over een bepaalde rechtsverhouding te laten beslechten via een arbitrale procedure o partijen moeten bekwaam zijn om een dading aan te gaan o arbiters moeten steeds een oneven aantal zijn - overeenkomst kan verschillende vormen aannemen: o aritraal of compromissoir beding, afgesloten voor het ontstaan van een geschil
49 Burgerlijk Procesrecht 49 o compromis, afgesloten na het ontstaan van het geschil - algemene regelen vervat in Deel VI Ger. W., maar partijen kunnen de procedure zelf beheersen - art. 1700: materiële wetgeving toepassen, tenzij anders bedongen - art. 1701: motivatieplicht en vereiste van handtekening van meerderheid arbiters - art. 1709bis: dwangsommen - overheidsrechter bij wie aan arbitrage onderworpen geschil aanhangig gemaakt wordt kan zich onbevoegd verklaren na een in limine litis opgeworpen exceptie (tenzij arbitrageovereenkomst niet bestaat of beëindigd is) - geen uitvoerbare kracht, partij kan wel een uitvoerbaarverklaring aanvragen bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg - geen hoger beroep, tenzij anders overeengekomen - limitatieve nietigheidsgronden van de beslissing in art Bemiddeling - geen omschrijving in de wet - werkdefinitie in parlementaire voorbereidingen: een proces van vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen, dat wordt geleid door een onafhankelijke derde die de communicatie vergemakkelijkt en poogt de partijen ertoe te brengen zelf tot een oplossing te komen - een bemiddelaar legt dus geen oplossing op, hij poogt de communicatie op gang te brengen - toepassingsgebied: elk conflict dat vatbaar is voor dading + specifieke situaties (art. 1724) - art. 1725, 1: mogelijkheid tot beding dat men eerst bemiddeling moet uitputten alvorens beroep te doen op elke andere vorm van geschillenbeslechting; wanneer het geschil toch aanhangig gemaakt wordt kan de verweerder in limine litis verzoeken het geding te schorsen - art. 1725, 3: voorlopige of bewarende maatregelen blijven wel altijd mogelijk - art. 1729: partij kan bemiddeling steeds stopzetten zonder dat dit in haar nadeel speelt - art. 1727: federale bemiddelingscommissie - art. 1726: minimumvoorwaarden en permanente vorming voor bemiddelaars - art. 1728: vertrouwelijkheid bemiddelingsdocumenten (mogen niet gebruikt worden in andere procedures) en beroepsgeheim van de bemiddelaar - art : vrijwillige bemiddeling voor, tijdens of na een rechtspleging - art : gerechtelijke bemiddeling wanneer de rechter op verzoek van de partijen of op eigen initiatief maar met instemming van de partijen de zaak naar bemiddeling verwijst - art en 1736: opstellen bemiddelingsprotocol - verjaring van het recht waarop aanspraak wordt gemaakt (art. 1731, 2-3 en art. 1731, 3-4) en de lopende proceduretermijnen (art. 1735, 5) worden in de loop van de bemiddeling geschorst - bij akkoord wordt een bemiddelingsakkoord opgesteld (art en 1736) o kan gehomologeerd worden door rechter, waardoor het uitvoerbaar wordt (art & 1736) - kosten worden in de regel gelijk verdeeld (art. 1731, 1 en 1736) en mindervermogenden kunnen beroep doen op de rechtsbijstandsregeling (art. 655, 5, 671, 692 en 696)
50 Burgerlijk Procesrecht 50 Afdeling III. Rechtsvordering - begrip: wettelijke bevoegdheid dankzij dewelke een beroep kan gedaan worden op het gerecht teneinde een recht, waarvan men beweert titularis te zijn, te doen sanctioneren - onderscheid met subjectief recht: o er bestaan subjectieve rechten zonder rechtsvordering vb. natuurlijke verbintenissen of de verbintenis onder tijdsbepaling of opschortende voorwaarde, waarvan de uitvoering niet onmiddellijk gevorderd kan worden een rechtsvordering kan verjaren terwijl het recht blijft bestaan o er bestaan rechtsvorderingen zonder subjectief recht eis kan toelaatbaar zijn (vorderingsrecht) maar ongegrond (geen subjectief recht) bezitsvordering: bezit is geen subjectief recht o niet-naleving van toelatingsvoorwaarden vorderingsrecht tast subjectief recht niet aan o rechtsvordering kan door iemand anders dan de titularis van subjectief recht ingesteld o subjectief recht en vorderingsrecht kunnen door verschillende wetten beheerst worden (vb. door internationaal privaatrecht en intertemporeel recht) o een subjectief recht kan via diverse rechtsvorderingen gesanctioneerd worden - onderscheid met eis: eis is de werkelijke uitoefeningen van de bevoegdheid die door de rechtsvordering verschaft wordt Afdeling IV. Eis en verweer 1. Eis A. Terminologische verwarring met rechtsvordering en materieel recht - de eis is de processuele handeling (door Ger. W. betiteld als vordering ) - gestoeld op de rechtsvordering (ius agendi): de bevoegdheid om deze daden te stellen - gestoeld op het onderliggende materieel recht B. Begrip en soorten - begrip: de processuele handeling waardoor een persoon een rechtbank vat, teneinde het recht waarvan die persoon beweert titularis te zijn, te doen sanctioneren of respecteren - te onderscheiden van de rechtsvordering, het voorwerp van de eis en de aanspraak - hoofdeis/inleidende eis: wanneer de eis het beginpunt is van een rechtsgeding - incidentele eis/tusseneis: eis die tijdens het geding wordt ingesteld o aanvullende eis: wanneer die door de eiser zelf gebeurt o tegeneis: wanneer het door de verweerder gebeurt o tussenkomt: een tusseneis door derden, onder te verdelen in vrijwillige en gedwongen (of eis in vrijwaring) tussenkomst - provisionele eis: wil de eiser een gedeelte van zijn totale (op dat ogenblik nog niet te begroten)
51 Burgerlijk Procesrecht 51 vordering toe te wijzen, betreft dus voorlopige maatregelen 2. Verweer - negatief verweer o verweer ten gronde: debat over de grond van het geschil door materieel recht te ontkennen bij een geslaagd verweer verdwijnt het vorderingsrecht ingevolge gezag van gewijsde kan in elke stand van het geding aangewend worden o exceptie: middel om debat over de grond van de zaak uit te stellen of een aanspraak doen verwerpen op gronden vreemd aan de gegrondheid ervan tast het vorderingsrecht zelf niet aan: eiser kan opnieuw beginnen moet in beginsel in limine litis opgeworpen worden, tenzij ze de openbare orde raakt volgorde van opwerpen: zie art o middelen van niet-toelaatbaarheid: vorderingsrecht van de eiser wordt ontkend succes leidt tot verlies van het vorderingsrecht vind veelal grond in materieel recht (vb. verjaring), maar soms ook in procesrecht (belang, hoedanigheid, bekwaamheid) geen algemene toelaatbaarheidsleer in Ger. W. kan in principe in elke stand van het geding opgeworpen worden - positief verweer: de tegenvordering: een incidentele eis van de verweerder, in antwoord op die van de eiser, waardoor hij op zijn beurt de veroordeling van de eiser vordert o onafhankelijk van hoofdeis: falen van hoofdeis stelt geen einde aan tegenvordering o kan in elke stand van de procedure worden ingesteld o voordelen: tijdsbesparing en oordeel over het volledige geschil mogelijk o nadelen: risico op misbruik, vertraging (oplossing in art. 810: splitsing), problemen met bevoegdheid en aanleg Hoofdstuk II. Het normale verloop van het geding Drie fases en twee scharnierpunten: - fase 1: inleiding van het geding - scharnierpunt 1: inleidende zitting - fase 2: instaatstelling - scharnierpunt 2: pleitzitting - fase 3: advies O.M., beraad en uitspraak Afdeling I. Dagvaarding 1. Begrip: meer dan één betekenis - twee betekenissen:
52 Burgerlijk Procesrecht 52 o proceshandeling waarmee de wederpartij wordt opgeroepen om voor de rechter te verschijnen o processtuk, dat doorgaans door de gerechtsdeurwaarder wordt opgesteld (ook mogelijk: de oproeping bij gerechtsbrief door de griffier, de aangetekende brief en de gewone brief) - in de praktijk wordt meestal het gerechtsdeurwaarderexploot bedoeld 2. Verschillende vormen van dagvaarding A. Dagvaarding bij gerechtsdeurwaarderexploot (art. 700) 1. Begrip en sanctie bij miskenning vormelijke authentieke akte waarmee de hoofdeis wordt ingesteld en het proces wordt ingeleid door op straffe van nietigheid op te nemen is de nietigheidsleer van toepassing gemaakt (art. 700 werd vroeger gezien als regel van rechterlijke organisatie waardoor ze niet van toepassing was, waardoor de zware gevolgen bij miskenning als onbillijk werden ervaren) art. 700, 2 de lid: stuitend karakter blijft behouden na nietigverklaring 2. Verplichte vermeldingen algemene verplichte vermeldingen voor gerechtsdeurwaardersexploten in art. 43 identiteit van de partij naam van de advocaat moet niet vermeld worden kosten van de akte vastgelegd in de tarievenlijst bij KB specifieke vermeldingen voor dagvaardingsexploten (art. 702) 3 het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bij gebreke kan de verweerder de exceptie obscuri libelli inroepen men bedoelt niet de rechtsregelen, maar de juridisch relevante feiten art. 45: voorwaarden voor afschriften op straffe van nietigheid 3. Wijze van betekening art. 40 bijzondere regeling voor betekening in het buitenland, maar in de praktijk vooral geregeld in internationale verdragen (vb. via een centrale autoriteit) tijdstip van betekening (art. 47): bepaalde tijdstippen uitgesloten, tenzij spoedeisend plaats van betekening: art. 33bis: gerechtsdeurwaarder kan slechts betekenen binnen het gerechtelijk arrondissement waarin hij bevoegd is bijzondere gevallen: rechtspersonen (art. 34, 35 1 ste lid, 42, 5-7 ) Koning (art. 41) publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 42, 1-3 ) openbare instellingen en instellingen van openbaar nut (art. 42, 4 ) art bepalen een hiërarchische volgorde niet wettelijk voorgeschreven om ze te volgen, maar Cassatie ziet er wel streng op toe gerechtsdeurwaarder moet alle stappen noteren
53 Burgerlijk Procesrecht 53 a. Betekening aan de persoon (art. 33) - 1 ste en 2 de lid: terhandstelling op de plaats waar de gerechtsdeurwaarder hem aantreft - 3 de lid: indien de geadresseerde weigert in ontvangst te nemen, wordt de betekening geacht te zijn gedaan aan de persoon - art de lid: hiermee gelijkgesteld: ter hand stellen aan de lasthebber in de gekozen woonplaats - art. 34: betekening aan rechtspersoon geschiedt door afgifte aan bevoegd orgaan of aangestelde b. Betekening aan de woonplaats (art. 35) definitie woon- en verblijfplaats: art. 36 rechtspersonen: de maatschappelijke of administratieve zetel referentieadres: adres waar met toestemming van degene die er ingeschreven is in het bevolkingsregister, een persoon zonder verblijfplaats is ingeschreven persoon verbindt zich ertoe alle post en administratieve documenten voor degene met het referentieadres te laten toekomen op het referentieadres c. Achterlaten afschrift exploot onder omslag (art. 38, 1) - vermelding van gegevens bepaald in art. 44, 1 ste lid - daarnaast moet nog een aangetekende brief verstuurd worden (art. 38, 1, 3 de lid) d. Betekening door terhandstelling aan de Procureur des Konings (art. 38, 2) - art. 38, 2: bij materiële onmogelijkheid van voorgaande mogelijkheden - art de lid: bij onbekende woonplaats (moet wel in redelijkheid aangetoond worden, maar zonder dat de partij die laat betekenen opzoekingen doet naar een adres in het buitenland) 4. Keuze van woonplaats (art. 39) - elke partij mag in de gedinginleidende akte of een later processtuk keuze van woonplaats doen - de gerechtsdeurwaarder moet dan op deze woonplaats betekenen, anders wordt de betekening ongedaan gemaakt (art. 40) (dus niet vernietigd, waarvoor belangenschade vereist zou zijn) B. Dagvaarding bij verzoekschrift op tegenspraak - verzoekschrift op tegenspraak: art. 1034bis 1034sexies - specifieke tegensprekelijke verzoekschriften (vb. art. 813: vrijwillige tussenkomst) - niet te verwarren met eenzijdig verzoekschrift, tegenspraak is essentieel element: de partij wordt uitgenodigd (gedagvaard) om voor de rechtbank te verschijnen - verplichte inhoudelijke vermeldingen in de bijzondere regelen moet aangevuld worden met algemene vermeldingen in art. 1034bis-1034sexies, maar eerstgenoemde hebben voorrang - kan enkel worden aangewend wanneer de wet dit toestaat of voorschrijft C. Dagvaarding bij aangetekende brief - enkel in de wettelijk voorziene gevallen (vnl. tuchtrecht, vb. art. 459, 1, 2 de lid) - verzoekschrift verstuurd bij aangetekende brief blijft dagvaarding bij verzoekschrift
54 Burgerlijk Procesrecht 54 D. Mondelinge dagvaarding - uitzonderlijk: mondelinge verklaring op grond waarvan de tegenpartij zal worden opgeroepen - vb. art. 675 inzake rechtsbijstand E. Dagvaarding door verwijzing vb. art. 1219, 2, 2 de lid 3. Termijnen van dagvaarding A. De dagvaardingstermijn (wachttermijn) - minimumtermijn tussen verwittiging van de tegenpartij (betekening dagvaarding) en de dag waarop deze voor de rechter moet verschijnen - ratio legis: tegenpartij moet tijd krijgen haar verdediging voor te bereiden - art. 707: minstens 8 dagen (art. 708: verkorting, art. 709: verlenging) - voorgeschreven op straffe van absolute nietigheid (art. 862, 1, 1 jo. art. 861: belangenschade is niet vereist) o remediëring (art. 867) is echter wel mogelijk: geen nietigheid als de verweerder toch opdaagt op de (te vroege) inleidende zitting B. Aanvangspunt - gerechtsdeurwaarderexploot: o aanvang de dag na de betekening o berekening volgens art o eventuele verlenging volgens art. 55 o art. 52: termijn omvat zaterdag, zondag en feestdagen o art. 53: vervaldag kan geen zaterdag, zondag of wettelijke feestdag zijn, in voorkomend geval wordt ze verplaatst naar de eerstkomende werkdag - verzoekschrift op tegenspraak: art. 53bis (verschil naargelang verstuurd per gerechtsbrief/aangetekende brief met ontvangstbewijs; en aangetekende brief of gewone brief) 4. Gevolgen van de dagvaarding - materieelrechtelijk: elke dagvaarding geldt als in mora stelling, zelfs als dit er niet expliciet instaat (indien dit er wel expliciet in staat blijft deze in mora stelling gelden wanneer het dagvaardingsexploot vernietigd wordt) - procesrechtelijk: initiële inhoud van het geschil wordt bepaald Afdeling II. Vrijwillige verschijning - vorm om een zaak voor de rechter te brengen zonder dagvaarding (art. 706) - beide partijen gaan akkoord om het geschil door de rechter te laten oplossen - verloop:
55 Burgerlijk Procesrecht 55 o neerlegging ondertekend ontwerp-proces-verbaal van vrijwillige verschijning ter griffie o kwijten van de rolrechten; meedeling datum waarop zij voor de rechter dienen te verschijnen o zitting: akkoord tussen partijen op het zittingsblad neergeschreven en ondertekend o rechter is gevat, rechtspleging verloopt zoals in een gewone procedure - vaak wordt gebruik gemaakt van art. 755 (schriftelijke rechtspleging) - enkel mogelijk voor rechtbanken bepaald in art. 706, 1 ste en 2 de lid - onderscheid met minnelijke schikking: rechter heeft wel degelijk rechtsmacht, i.t.t. slechts doel om een akkoord tussen partijen tot stand te brengen Afdeling III. Rolstelling en dossier van rechtspleging 1. Algemene rol - register dat door de griffier van een gerecht wordt gehouden en waarop iedere zaak in volgorde van binnenkomst wordt ingeschreven - zaken krijgen een algemeen rolnummer dat op ieder processtuk moet worden vermeld - art. 717: zaak kan pas voor de rechter worden gebracht indien zij voorafgaand op de algemene rol is ingeschreven - verschilt naargelang de wijze van rechtsingang: o gerechtsdeurwaarderexploot: wordt voor de rolstelling betekend aan de tegenpartij rechter wordt geacht gevat te zijn op de datum van betekening van het exploot in de praktijk laat de gerechtsdeurwaarder het betekende exploot op de rol inschrijven o verzoekschrift: inschrijving op de rol na betaling rolrecht rechter wordt gevat op het tijdstip van de rolstelling gedaagde partij wordt pas naderhand verwittigd - tijdstip: inschrijving gebeurt uiterlijk de dag voor de zitting (art. 716) o daarna in principe geen inschrijving meer (art. 716, 2 de lid), tenzij art. 716, 3 de lid - de algemene rol is openbaar 2. Bijzondere rol - geheel van zaken die, n.a.v. de regeling van de rol ex. art , werden toegewezen aan een bepaalde kamer van een rechtbank - geen bijzondere rol bij de vrederechter 3. Zittingsrol - lijst van zaken die voor behandeling door een pleitkamer op een bepaalde rechtsdag werden vastgelegd (zie art. 714, 2 de lid) - betreft de zaken die op het zittingsblad worden vermeld (art )
56 Burgerlijk Procesrecht Dossier van rechtspleging - art. 720: griffier legt dossier van rechtspleging aan na inschrijving op algemene rol - bevat alle procesakten m.b.t. de zaak, opgesomd in art art. 722: bij eventueel hoger beroep wordt deze overgemaakt aan de rechter in hoger beroep, na de uitspraak keert het dossier terug zodat de eerste rechter kan weten of zijn vonnis werd hervormd, in welke mate en waarom Afdeling IV. Inleidende zitting 1. Verschijning van de partijen - de partijen moeten verschijnen op de dag die vermeld is op de dagvaarding: de inleidingszitting - de griffier roept de zaken af in volgorde waarin ze op de algemene rol staan (art. 727) - partijen verschijnen in persoon of via een advocaat (niet verplicht, tenzij in Cassatie) o rechtspersonen via hun wettelijk of statutair orgaan o in de gevallen bepaald in art. 728, 2-3 kunnen partijen ook door een niet-advocaat worden vertegenwoordigd o zaakwaarnemers (iemand die al dan niet tegen bezoldiging de verzoeker vertegenwoordigt en voor hem spreekt, zonder advocaat te zijn) zijn in elk geval uitgesloten (art. 728, 4) 2. Schriftelijke verschijning (art. 729) - in onderlinge overeenstemming inleidingszitting vervangen door schriftelijke verschijning - komt enkel toe aan advocaten, partij zelf kan niet schriftelijk verschijnen 3. Behandeling ter inleidende zitting korte debattenrechtspleging A. Begrip - het gaat om eenvoudige zaken, waarvoor het in beginsel niet nodig is schriftelijk middelen aan te voeren en lang te pleiten: eis of verweer is redelijkerwijs niet voor ernstige betwisting vatbaar - houdt dus verband met de complexiteit van de zaak - dus geen synoniem voor dringende, kleine of financieel onbelangrijke zaken B. Rechtspleging - zaak wordt gepleit op de inleidingszitting of verdaagd naar een nabije datum - wanneer toepassen: o in eerste aanleg op verzoek van de partijen: gemotiveerd verzoek door eiser (in akte van rechtsingang) of verweerder (desnoods mondeling verzoek uiterlijk tot op de inleidingszitting) (art. 735, 1) op verzoek van alle partijen samen, zelfs ongemotiveerd (art. 735, 2, 1 ste lid) o zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in bepaalde wettelijk bepaalde gevallen: in eerste aanleg: art. 735, 2, 2 de lid
57 Burgerlijk Procesrecht 57 in hoger beroep: art. 1066, 2 de lid rechter moet dit indien nodig ambtshalve opwerpen partijen kunnen gezamenlijk besluiten hiervan af te zien (art. 735, 2, 2 de lid) o art. 735, 2: in onsplitsbare geschillen (zie art. 31) bij verstek - beslissing om korte debatten te houden is beslissing van gerechtelijke administratie (moet dus niet in een vonnis, arrest of bevelschrift) - voor afwijzing van verzoek tot korte debatten is een uitvoerig gemotiveerde beslissing nodig - art. 735, 6: geen rechtsmiddelen tegen beslissingen i.v.m. rechtspleging in korte debatten - behandeling verloopt in hoofdzaak mondeling (maar gebeurt ook schriftelijk, hoewel er geen verplichting tot concluderen bestaat: art. 735, 3, 1 ste lid) - kort debat impliceert kort beraad en uitspraak snel en binnen de in art. 770 bepaalde termijn Afdeling V. Het in staat stellen van de zaak de normale procesgang Overzicht van de instaatstelling: (details cf. infra) - art. 747, 1: de minnelijke route (partijen spreken onderling conclusietermijnen af, bij nietnaleving pleegt men contractsbreuk) - art. 747, 2: rechterlijke route o als de partijen de minnelijke route niet volgen, moet de rechter binnen zes weken een conclusie-agenda opstellen o 3 de lid: pleitzitting vindt ten laatste drie maanden na laatste conclusie plaats - art. 747, 2, 2 de lid: handsfree route: in onderling akkoord afwijken van de instaatstelling en om verwijzing naar de rol of een vaste datum verzoeken o voordeel: vermijden dat de zaak verjaart tijdens onderhandelingen zonder te moeten concluderen o back on track brengen: art. 750: partijen stellen de zaak volledig vrij en ongebonden in staat waarop de zaak wordt gepleit en in beraad genomen, het zij op de zitting naar dewelke ze werd verdaagd, hetzij op de op hun verzoek bepaalde rechtsdag art. 747, 2, 5 de lid: partijen verzoeken om instaatstelling en komen terug op de rechterlijke route 1. Mededeling van de stukken A. Begrip en achtergrond - verplichting aan elke partij om de stukken, die zij aan de rechter ter inzage zal geven om hem te overtuigen, aan de tegenpartij kenbaar te maken - bij niet naleven van deze formaliteit: o ambtshalve schorsing van de rechtspleging (art. 736, 1 ste lid) o niet of niet tijdig meegedeelde stukken, memories of nota s kunnen ambtshalve geweerd worden (art. 740) ter bescherming van de rechten van de verdediging
58 Burgerlijk Procesrecht 58 - in staat stellen van de zaak vangt aan met de mededeling van de stukken - fair proces vereist: o medewerkingsplicht: partijen werken mee aan bewijsvoering o mededelingsplicht: partijen mogen stukken waarover ze beschikken niet achterhouden (o.g.v. art. 877 kan rechter mededeling van een stuk bevelen) B. Praktijk - in theorie worden stukken meegedeeld door neerlegging in het dossier van rechtspleging, waar de tegenpartij ze kan inzien (art. 737, 1 ste lid) - in de praktijk worden de stukken toegezonden tussen advocaten via de post (art. 737, 2 de lid) - eiser: o art. 736, 2 de lid: meedeling ten laatste 8 dagen na inleidingszitting, tenzij art. 735 o art. 721, 2 : afschrift van brief van mededeling van de stukken moet verzonden worden aan de griffie om opgenomen te worden in het dossier van de rechtspleging o art. 743, 2 de lid: inventaris van de stukken wordt bij de conclusies gevoegd o art. 739: verweerder zendt stukken terug uiterlijk binnen conclusietermijn - verweerder: o art. 740: uiterlijk samen met conclusies (15 dagen voor rechtsdag 1 ) aan de eiser meegedeeld o art. 742, 2 de lid: inventaris wordt bij conclusies gevoegd - rechter mag beslissen steunen op elk stuk, zelfs indien het niet vermeld is in de conclusies 2. Nemen van conclusies A. Algemeen - conclusies zijn procedurestukken, uitgaande van de partijen, waarin zij hun aanspraken staven resp. hun verweer formuleren - verplichte vormvermeldingen: art. 743, 744, 748bis - neerlegging: o origineel verzenden of neerleggen ter griffie, eventueel tegen ontvangstbewijs (art. 742) o neerleggen van een conclusie geldt als betekening (art. 746) kan dus als ingebrekestelling in aanmerking genomen worden bijkomende vordering wordt geacht geformuleerd te zijn op datum van neerlegging van de conclusie dat de tegenvordering bevat - mededeling aan tegenpartij: op hetzelfde tijdstip als neerlegging ter griffie (art. 745, 1 ste lid) - inhoud: zie art. 744, 2 de lid - syntheseconclusie: laatste conclusie neemt vorm aan van syntheseconclusie en vervangt de gedinginleidende akte en alle voorgaande conclusies (art. 748bis) 1 Termijn geldt niet in korte debatten-rechtspleging (zie art. 756)
59 Burgerlijk Procesrecht 59 B. Binnen de korte debatten-rechtspleging - geen verplichting tot concluderen (art. 735, 3, 1 ste lid) - indien er toch conclusies zijn, moeten ze conform art. 735, 3, 2 de lid zijn o wordt gelijkgesteld met neerlegging ter griffie, zodat art. 746 van toepassing is o laattijdig neergelegde stukken (na sluiting debatten) ambtshalve geweerd (art. 740) - praktijk: vaak een conclusieagenda of conclusies op de inleidingszitting zelf C. Binnen de lange debatten-rechtspleging Zie hoofdstuk VI. 3. Bepaling van een rechtsdag - rechtsdag: de datum waarop de zaak door de partijen mondeling kan worden toegelicht - zie hoofdstuk VI Afdeling VI. De terechtzitting 1. Neerlegging stukken vóór de zitting (art. 756) - ten minste 15 dagen voor de rechtsdag, maar rechter kan hiervan afwijken - enkel in zaken die art. 747 of 750 gevolgd hebben (en dus niet bij korte debatten) - geen sanctie op deze regel, weren uit de debatten enkel mogelijk bij indienen na sluiten van de debatten (o.g.v. art. 771) 2. Pleidooi - mondeling uiteenzetten van de (essentie van) de zaak - in principe mogen enkel advocaten (art. 440) of de partijen zelf pleiten (art. 728/703 en 758) - onwillige procespartij: partij die niet tijdig concludeert, mag nog altijd pleiten (art. 756bis), maar dit pleidooi geldt niet als conclusie: de rechter moet er dus niet op antwoorden o art. 756bis, 2 de lid: diligente partij kan antwoordconclusie formuleren op pleidooi, maar de tegenpartij kan hier niet meer op antwoorden ( zonder nieuwe debatten ) - interactief debat: zie art. 735ter 3. Schriftelijke behandeling (art. 755) - memories, nota s, stukken en conclusies worden neergelegd ter griffie, zonder dat een zitting moet worden bepaald of afgewacht - rechter kan mondelinge opheldering vragen, hiertegen staat geen rechtsmiddel open (4 de lid) - art. 769, 3 de lid: sluiting van de debatten van rechtswege één maand na neerlegging dossiers of op de dag dat de gevraagde mondelinge opheldering verschaft is 4. Uitstel, verwijzing en voortzetting - uitstel op vaste datum: indien de zaak op de rechtsdag niet aan behandeling toekomt
60 Burgerlijk Procesrecht 60 o op verzoek van één of beide partijen of ambtshalve bevolen door de rechter - verwijzing naar de rol: indien de zaak niet in staat van wijzen (niet klaar om te worden behandeld) is, kan ze verwezen worden naar de rol (en dus van de zittingsrol gehaald worden) o meest gerede partij kan voorzitter van de kamer verzoeken de zaak opnieuw op de zittingsrol te brengen op een nieuwe rechtsdag (art. 730, 2, b) - voortzetting: wanneer een zaak niet in één zitting volledig behandeld kan worden, wordt ze later voortgezet door de rechtbank of het hof in dezelfde samenstelling op straffe van relatieve nietigheid van het vonnis (art. 779, 1 ste lid), tenzij de partijen hiervan afstand doen Afdeling VII. Sluiting van de debatten - art. 769, 1 ste lid: na de pleidooien en in voorkomend geval na wederantwoorden, beveelt de rechter de sluiting van de debatten - hiertegen staat geen rechtsmiddel open (art. 769, 4 de lid) - als de stukken nog niet zijn neergelegd, kan de rechter de partijen toestaan hun dossiers na de debatten ter griffie neer te leggen, waarna de debatten gesloten worden (art. 769, 2 de lid) - gevolgen: partijen kunnen geen nieuwe stukken, conclusies of toelichting geven (art. 771) - twee mogelijkheden: o advies van het O.M. indien nodig o meteen in beraad nemen van de zaak - vonnis moet binnen de maand uitgesproken worden na in beraad nemen van de zaak (art. 770, 1) o sancties in art. 770, 1-4 en art. 652 Afdeling VIII. Advies van het O.M. (art. 138bis, ) 1. Begrip en doel - een door de wet voorzien, niet-bindend advies in feite en in rechte, waarin de parketmagistraat zijn mening uit omtrent de wijze waarop het geding dient te worden opgelost - wordt niet uitgebracht wanneer het O.M. zelf partij is in het geding - doel: de openbare orde doen respecteren in burgerlijke zaken - O.M. mag evenwel niet deelnemen aan deliberatie (justice must be seen to be done), anders is de beslissing nietig (art. 768 jo. art. 20) 1. Drie vormen van mededeling A. Verplichte mededeling (art. 764, 1 ste lid) - bepaalde wettelijk verplichte vorderingen (art. 764, 1 ste lid en bijzondere wetten), tenzij het gaat om vorderingen ingesteld bij de vrederechter, de beslagrechter of een kort geding - art. 765: alle vorderingen ingesteld voor de jeugdrechtbank en de jeugdkamer van het hof van beroep (bevat eveneens regel m.b.t. samenstelling: O.M. maakt onderdeel uit van deze rechtbank) - steeds in de rechtspleging voor Hof van Cassatie (1105) en de arrondissementsrechtbank (641)
61 Burgerlijk Procesrecht 61 B. Facultatieve mededeling (art. 764, 2 de lid) - mededeling van alle andere zaken en houdt daarin zitting wanneer het O.M. dit dienstig acht - O.M. mag ook op andere gronden dan de openbare orde verkiezen zitting te houden - O.M. mag slechts advies geven als het aanwezig was bij de debatten, niet enkel o.g.v. stukken C. Mededeling op initiatief van de rechter (art. 764, 2 de lid, in fine) - O.M. moet dan inhoudelijk advies geven (mag zich niet gedragen naar de wijsheid van de rechtbank of vaststellen dat de zaak wettelijk niet dient te worden meegedeeld) 2. Sanctieregeling - miskennen verplichte mededeling: nietigheid - miskennen verplichte vermeldingen in het vonnis (art. 780, 1 en 4 ): nietigheid - betreft een organieke nietigheid en is dus niet onderworpen aan art (cf. inra) 3. Procedureverloop - rechter deelt zaak mee aan O.M. bij het sluiten van de debatten - kan mondeling of schriftelijk verlopen: o mondeling (art. 767, 1): partijen kunnen dan onmiddellijk opmerkingen kenbaar maken of de rechter verzoeken om dit schriftelijk te doen d.m.v. conclusie (maar enkel over de inhoud van de conclusie, geen heropening van de debatten) o schriftelijk (art. 767, 2): rechter bepaalt termijn van advies en termijn voor partijen om opmerkingen te concluderen (art. 766, 1 ste lid) rechter bepaalt zittingsdatum waarop O.M. advies voorleest, tenzij anders beslist neergelegd advies wordt opgenomen in dossier van de rechtspleging (art. 721, 6 ) na neerlegging geeft griffier kennis aan de partijen, waarop de termijn ingaat waarbinnen ze conclusies kunnen neerleggen m.b.t. het advies (art. 767, 3) Afdeling IX. Heropening van de debatten 1. Mogelijke oorzaken - nieuw stuk en feit van overwegend belang (art. 772) dat niet aan eigen nalatigheid te wijten is (procedure tot aanvraag in art. 773) - ambtshalve (art. 774) o in principe facultatief o verplicht indien: de eis geheel of gedeeltelijk zou worden afgewezen o.g.v. een exceptie die de partijen niet ingeroepen hadden (art. 774, 2 de lid) wanneer de rechten van de verdediging dit vereisen wanneer hij uitspraak wil doen o.g.v. een middel dat partijen niet hebben ingeroepen en
62 Burgerlijk Procesrecht 62 waarover zij niet de gelegenheid hebben gehad zich uit te laten 2. Geen rechtsmiddel Tegen de beslissingen m.b.t. sluiting en heropening van de debatten staan geen rechtsmiddelen open (art. 769, 4 de lid en art. 776), tenzij de rechter heropening ambtshalve beveelt 3. Gevolgen (art. 775) - rechter bepaalt conclusieagenda met zelfde hakbijlprincipe als in art indien hij dit nuttig acht bepaalt de rechter een rechtsdag om hierover te pleiten - partijen kunnen enkel debatteren over het door de rechter aangewezen onderwerp Afdeling X. Het beraad - in principe maximum 1 maand na sluiting van de debatten (art. 770, 1, 1 ste lid) - verloop van het beraad in art art. 779, 1 ste lid: rechters die uitspraak doen moeten alle zittingen hebben bijgewoond op straffe van nietigheid (volgens HvC een doelgebonden nietigheid: als de garantie op behoorlijke rechtsbedeling niet in het gedrang komt is er geen probleem)t Hoofdstuk III. Het vonnis Afdeling I. Soorten - begrippen: o vonnis/arrest: rechterlijke beslissingen van rechtbanken/hoven (onderscheid wordt niet gemaakt o.g.v. aanleg: rechtbank van eerste aanleg in beroep velt nog altijd een vonnis) o bevelschrift/beschikking: uitspraken in kort geding en op eenzijdig verzoekschrift o maatregelen van inwendige aard: rechter beslecht geen feitelijk of juridisch geschilpunt, ze kunnen dus voor geen enkele partij grievend zijn en staan dus niet open voor rechtsmiddelen - tegenspraak/verstek (kwalificatie door de rechter doet niets aan de ware aard van de beslissing) - in eerste aanleg/in laatste aanleg: afhankelijk of er nog beroep mogelijk is of niet - akkoordvonnis: vonnis dat akkoord gesloten tussen de partijen bevat nadat de zaak hangende is (geen rechtsmiddelen mogelijk, tenzij culpa in contrahendo of materiële vergissingen) - eindbeslissing vs. beslissing alvorens recht te doen (beter dan vonnis in art. 19) o eindbeslissing: beslissing van een rechter waarin deze één of meerdere geschilpunten die voor hem aanhangig zijn gemaakt definitief beslecht, zodat zijn rechtsmacht erover is uitgeput men moet aannemen dat de rechter in een eindbeslissing ook impliciet een eindbeslissing neemt over punten die niet betwist werden maar wel voor betwisting vatbaar waren (vb. bevoegdheid) en aldus zijn rechtsmacht hierover uitput o eindvonnis: vonnis met een eindbeslissing over alle aanhangig gemaakte geschilpunten o beslissing alvorens recht te doen: bevelen van een voorafgaande maatregel, zonder het desbetreffende geschilpunt te beslechten
63 Burgerlijk Procesrecht 63 o praktijk: in de praktijk zijn veel vonnissen van gemengde aard (complexe vonnissen): ze bevatten zowel eindbeslissingen en beslissingen alvorens recht te doen Afdeling II. Inhoud - formele vereisten: art art. 782: vonnis moet worden ondertekend door rechters en griffier - art : vonnis is authentieke akte, het origineel blijft op de griffie - elk vonnis omvat een overwegend en een beschikkend gedeelte o overwegend: uiteenzetting van het geschil en antwoorden op de middelen en conclusies o beschikkend: elke beslissing van een rechter betreffende een betwisting en de regeling van de kosten, ongeacht de vorm en de plaats ervan in het vonnis - geschreven in de taal van de rechtspleging - elk vonnis moet bevoegdheid, toelaatbaarheid, absolute nietigheden onderzoeken Afdeling III. Andere formele aspecten 1. Openbaar en gemotiveerd - in principe openbaar (art. 148 GW), maar vonnis voorlezen is in onbruik geraakt - rechter die het vonnis uitspreekt: art. 782bis 2. Soorten afschriften - minuut: het origineel van een vonnis, arrest of bevelschrift, verlaat nooit de griffie - partijen kunnen wel afschriften krijgen van de minuut: o niet-ondertekend afschrift: door de griffier automatisch 8 dagen na de uitspraak per gewone brief aan de partijen of hun advocaten meegedeeld, zonder bewijswaarde (art. 792, 1 ste lid) o ondertekend of eensluidend verklaard afschrift: kopie van het vonnis, ondertekend door de griffier, met principiële bewijswaarde, mag door partijen vergeleken worden met de minuut o uitvoerbaar afschrift of grosse (art. 1386): ondertekend afschrift met de volledige tekst van de uitspraak waarop het formulier van tenuitvoerlegging is aangebracht kan uitgegeven worden, zelfs als de uitspraak nog niet uitvoerbaar is elke partij heeft recht op één grosse (art. 1379) bijzondere procedure om meer dan één grosse te krijgen in art Afdeling IV. Werking 1. Werking van de uitspraak tussen de gedingvoerende partijen A. Bindende kracht - partijen moeten de beslissing respecteren en naleven - vloeit voort uit het gezag waarmee de rechter als één van de drie staatsmachten is bekleed
64 Burgerlijk Procesrecht 64 - onderscheid met gezag van gewijsde: gezag van gewijsde is wettelijk vermoeden van waarheid, maar rechterlijke beslissing kan ook zonder gezag van gewijsde zijn (vb. beslissing alvorens recht te doen), terwijl die wel bindend is B. Uitputting van rechtsmacht - de rechter mag over het voor hem aanhangig gemaakte geschil slechts éénmaal uitspraak doen - verhindert niet dat de rechter geschilpunten stapsgewijs mag beslechten - rechtsmacht is volledig uitgeput wanneer de rechter geen geschilpunten ter beslechting aanhoudt o irrelevant of er daadwerkelijk geen geschilpunten meer zijn o rechter kan resterende geschilpunten niet meer beslechten, eventueel wel Cassatie - doel: vermijden dat rechter terugkomt op vorig oordeel, om rechtszekerheid te garanderen - onderscheid met gezag van gewijsde: o uitputting van rechtsmacht richt zich (mede) tot de rechter, i.t.t. gezag van gewijsde o rechter kan ambtshalve uitputting van rechtsmacht opwerpen, i.t.t. gezag van gewijsde o uitputting van rechtsmacht kan enkel voor dezelfde rechter in dezelfde instantie worden ingeroepen; gezag van gewijsde kan ook in beroep of latere rechtspleging ingeroepen worden C. Gezag van rechterlijk gewijsde (art ) 1. Definitie - het voorwerp van een rechterlijke beslissing mag in hetzelfde geding of een navolgende procedure, niet opnieuw worden berecht - anders gezegd: van zodra de beslissing in een tweede vordering onverenigbaar kan zijn met een voorgaande vordering - onverminderd de gewone en buitengewone rechtsmiddelen - doel: beschermen van de bindende kracht van uitspraken voor de rechtszekerheid - komt enkel toe aan eindbeslissingen (zowel de beslissing als de motieven ten grondslag) - niet van openbare orde: rechter mag het niet ambtshalve opwerpen en partijen mogen het niet voor het eerst in Cassatie opwerpen 2. Dubbele werking - negatieve werking: partijen kunnen een exceptie van gewijsde inroepen om een vordering als niet-toelaatbaar te laten afwijzen wanneer hetzelfde voorwerp reeds beslecht is - positieve werking: rechter moet vorige oordeel overnemen (mag wel geschilpunten die nog niet beslecht waren, beslechten) 3. Omvang - objectieve omvang: gezag van gewijsde van een beslissing blijft bestaan tot op het ogenblik dat die beslissing ongedaan gemaakt wordt (art. 26) - subjectieve omvang: kan in de regel enkel worden opgeworpen tussen degenen die procespartij waren bij de eerste beslissing in dezelfde hoedanigheid (en gesubrogeerden)
65 Burgerlijk Procesrecht 65 D. Kracht van gewijsde (art. 28) - het verworven zijn door een (gerechtelijke) beslissing van de volle uitvoeringsmogelijkheid, zodat ze niet meer bestreden kan worden door o verzet of hoger beroep o buitengewone rechtsmiddelen die qua tenuitvoerlegging van rechtswege schorsende werking hebben - onderscheid met gezag van gewijsde: o gezag van gewijsde gaat over de gewijsde zaak, het voorwerp van het rechterlijk oordeel o kracht van gewijsde gaat over de akte waarin de uitspraak vervat is (dus eerder uitvoering) - is dus geen onvoorwaardelijk of super gezag van gewijsde: o beslissing kan nog worden hervormd o kan nog via buitengewone rechtsmiddelen worden bestreden o belet niet dat geschilpunten andermaal ter beslechting worden voorgelegd (valt onder het gezag van gewijsde) E. Uitvoerbare kracht - de eigenschap van een beslissing die een partij machtigt de beslissing te laten verwezenlijken, desgevallend met behulp van de openbare macht - beschermt de bindende werking van de beslissing - onderscheid met gezag van gewijsde o is niet eigen aan rechterlijke beslissingen: een formulier van tenuitvoerlegging is vereist o gewone en uitzonderlijk buitengewone rechtsmiddelen schorsen de uitvoerbare kracht o vereist de voorafgaande betekening van de uitvoerbare titel (art. 1495, 1 ste lid); gezag van gewijsde is aan geen enkele publiciteitsmaatregel gebonden o omstandigheden na de uitspraak kunnen afbreuk doen aan de uitvoerbare kracht; gezag van gewijsde geldt vanaf de uitspraak tot aan het ongedaan maken van de beslissing 2. Werking van de uitspraak jegens derden A. Traditionele visie - aanvankelijk oordeelde men dat een beslissing geen enkele werking t.a.v. derden had - HvC 1966: een beslissing van een rechter kan, in een navolgend geding, jegens personen die vreemd zijn gebleven aan deze uitspraak, als bewijsmiddel worden ingeroepen - gaat om een weerlegbaar vermoeden waaraan een wettelijke bewijswaarde toekomt, de rechter kan het dus niet in twijfel trekken (tegenpartij kan wel weerleggen) - tegenbewijs is alleen mogelijk door derdenverzet aan te tekenen - derden zijn de facto dus gebonden door hetgeen een rechter buiten hen om heeft beslist B. Huidige visie 1. Kritiek op de traditionele visie
66 Burgerlijk Procesrecht 66 - niet verenigbaar met art. 23, dat enkel de partijen onderling bindt - onverzoenbaar met de Waffengleichheit en beginsel van hoor en wederhoor - niet verenigbaar met art (geen negatieve gevolgen aan niet instellen derdenverzet) - derdenverzet verhindert niet dat er tegenstrijdige uitspraken tot stand komen omdat de bestreden beslissing niet wordt vernietigd (art. 1130) 2. Tegenwerpelijkheid van de uitspraak - derden moeten het bestaan van de beslissing en de gevolgen die deze tussen de partijen teweegbracht, moet erkennen - er komen dus geen verplichten te rusten op de derde door de tegenwerpelijkheid 3. Bewijswaarde van een gerechtelijke uitspraak in een navolgend geding a. Bewijswaarde van het instrumentum - instrumentum: het geschrift waarin de rechterlijke uitspraak is opgenomen - de eerdere uitspraak van een rechter (ongeacht de minuut zelf of een afschrift) is een authentieke akte zoals omschreven in art BW, waarvan het bewijs wettelijk geregeld is b. Bewijswaarde van het negotium - klassieke visie gaf geen enkele bewijswaarde aan het negotium omdat: o het ertoe zou leiden dat het dan krachtens art iedereen zou binden o men zich blind staarde op het betrekkelijke gezag van gewijsde, zonder aandacht te besteden aan een mogelijke bewijswaarde - onhoudbaar: getuigenverklaringen staan dan boven rechterlijke beslissingen - aangezien een rechter enkel rekening houdt met de gegevens en bewijsmiddelen die de partijen hem aandragen, kan slechts een vrije bewijswaarde (i.t.t. een dwingende zoals HvC poneert) toekomen aan rechterlijke beslissingen - m.a.w.: het gaat slechts om een feitelijk vermoeden waarvan de appreciatie aan de rechter overgelaten moet worden i.p.v. een wettelijk vermoeden - op deze bewijswaarde kan zowel door als tegen derden een beroep worden gedaan - derdenverzet is in deze visie dus niet vereist Afdeling V. Beëindiging na vonnis 1. Berusting (art. 1044) - een proceshandeling van een partij waarbij zij haar recht verzaakt om rechtsmiddelen aan te wenden tegen een bepaalde beslissing of afstand doet van een aangewend rechtsmiddel - kan eventueel voorwaardelijk zijn, maar moet dan worden aanvaard door de tegenpartij - kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn (art. 1045) - aantal uitzonderingen in hoger beroep: art
67 Burgerlijk Procesrecht Betekening - een proceshandeling gesteld door de gerechtsdeurwaarder waarbij hij, op verzoek van een partij, een afschrift van een uitgifte van het vonnis aan de tegenpartij betekent - uitzonderlijk kan men ook de minuut betekenen: art. 1386, 1495, 1 ste lid en 1041, 2 de lid - betekening is vereist: o om de termijnen van de gewone rechtsmiddelen te doen lopen voor beide partijen (art. 1051) o om te kunnen overgaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging (art jo. 1495, 1 ste lid) Hoofdstuk IV. Uitlegging, verbetering en nietigheid van vonnissen Afdeling I. Verbetering en uitlegging van vonnissen - uitleggingsvonnis: vonnis waarbij de rechter, die een onduidelijk of dubbelzinnig vonnis heeft geveld, dit uitlegt, zonder evenwel de rechten van de partijen te wijzigen (art. 793), anders miskent hij de uitgeputte rechtsmacht en het gezag van gewijsde o gebeurt op verzoek van een partij o pas mogelijk nadat geen rechtsmiddel meer openstaan, tenzij de partijen akkoord gaan - verbetingsvonnis: vonnis waarbij de rechter een materiële vergissing in een vroeger vonnis rechtzet (art. 794), zonder bevestigde rechten te veranderen o op verzoek van een partij, zelfs als er nog rechtsmiddelen openstaan o de beslissing mag nog niet bestreden zijn - kunnen nooit ambtshalve geschieden (art. 797) - via dagvaarding of vrijwillige verschijning (art. 796), bijzondere kostenregeling in art. 801 Afdeling II. Nietigheid van een vonnis - middelen van nietigheid kunnen nooit worden aangewend tegen een vonnis - vonnissen kunnen alleen vernietigd worden door bij wet voorziene rechtsmiddelen (art. 20) - vonnissen vallen niet onder de nietigheidsleer ex. art Hoofdstuk V. Sancties in het procesrecht Afdeling I. Sanctieregeling van proceshandelingen - objectieve nietigheid: geen sanctie zonder uitdrukkelijke wettekst (art. 860, 1 ste lid) - subjectieve nietigheid: belangenschade vereist (art. 861), als correctie op de objectieve nietigheid dat tot automatische toepassing zou leiden - exceptie van nietigheid: reactie op de miskenning van een vormvoorschrift - nietigheid: ongeldigheid, zonder rechtsgevolgen, vastgesteld en uitgesproken door rechter - algemene regels: o geen nietigheid zonder wettekst
68 Burgerlijk Procesrecht 68 o geen nietigheid zonder belangenschade o geen nietigheid wanneer het normdoel bereikt is o geen nietigheid wanneer de nietigheid gedekt is 1. Objectieve nietigheid: geen nietigheid zonder uitdrukkelijke wettekst (art. 860) - er moet een onregelmatigheid of verzuim, een miskenning van een regel zijn (een verschrijving die niet aan de aandacht van de tegenpartij is kunnen ontgaan en die duidelijk uit de stukken blijkt) - het moet gaan om een onregelmatigheid betreffende de vorm van proceshandelingen, de soepele nietigheidsleer is dus niet van toepassing op fundamentelere gebreken, zoals: o rechterlijke organisatie o gebrekkige rechtsvordering (belang en hoedanigheid) o ontoelaatbaarheid van rechtsmiddelen o miskenning van vormregelen die de openbare orde raken - nietigheden kunnen niet toegepast worden op vonnissen (cf. supra) - woordgebruik is niet bindend: mag ook gaan om van gener waarde of zonder gevolg - indien nietigheid niet voorgeschreven is, kunnen wel andere sancties opgeworpen worden (naar het oordeel van de rechter) 2. Belangenschade A. Subjectieve nietigheid - belangenschade is vereist, dit tempert het automatisme van objectieve nietigheid - de vorm wordt dus niet louter om de vorm gesanctioneerd (deformaliseringstendens) - deze nietigheden zijn relatieve nietigheden B. Uitzondering: absolute nietigheden - belangenschade niet vereist in bepaalde gevallen, rechter mag dan ook ambtshalve toepassen - gevallen limitatief opgesomd in art Geen nietigheid indien normdoel bereikt (art. 867) - geldt ook voor de absolute nietigheden - twee situaties in art. 867: o de onregelmatig gestelde handeling heeft het normdoel bereikt o de niet-vermelde vorm is wel in acht genomen, vb. de handtekening op een afschrift ontbreekt, maar op het origineel of een ander afschrift staat deze handtekening wel - voorbeelden: o onregelmatige betekening van dagvaarding, maar partij komt toch opdagen o betekening bevat verkeerde aanduiding van de hoedanigheid van de persoon door toedoen van
69 Burgerlijk Procesrecht 69 die persoon zelf, maar betekening heeft wel doel bereikt 4. Dekking van de nietigheid (art. 864) - relatieve nietigheden zijn gedekt indien ze niet in limine litis werden opgeworpen - absolute nietigheden zijn gedekt nadat een vonnis of arrest op tegenspraak, gewezen werd zonder dat de nietigheid werd uitgesproken 5. Toepassingsgebied - van toepassing op alle onregelmatigheden in alle proceshandelingen - uitzonderingen: o vonnissen (art. 20) o materiële vergissingen o rechtsvordering (sanctie is dan ontoelaatbaarheid) o taalwetgeving (Cassatie past soepel toe, vb. begrip manager mag wel gebruikt worden) 6. Kosten van nietige akten - indien nietigheid door toedoen van een ministerieel ambtenaar is, komen de kosten hiervan ten zijner laste; daarenboven is hij gemeenrechtelijk aansprakelijk (art. 866) - andere personen (vb. advocaten) zijn enkel gemeenrechtelijk aansprakelijk Afdeling II. Termijnen en hun sanctieregeling (art ) 1. Termijnen - toepassingsgebied: eigenlijke procestermijnen: termijnen voor het verrichten van proceshandelingen in de loop van het geding (art. 48) o proceshandeling: een handeling verricht in het kader van een proces of onder toezicht van het gerecht, door de partijen, hun gevolmachtigden of het hulppersoneel van de rechter o onderscheid met verjaringstermijnen: m.b.t. eisbaarheid van de schuld, maar tast de schuld zelf niet aan (na verjaring blijft schuld bestaan als een natuurlijke verbintenis) o onderscheid met vaste/vervaltermijnen: termijnen die een tijdsbeperking stellen aan het recht om een vordering uit te oefenen en die niet kunnen worden gestuit of geschorst, na deze termijn beschikt de eiser niet meer over de rechtsvordering - onderscheid binnen de procestermijnen: o wachttermijn: gunnen één van de partijen een minimumperiode waarin deze het recht heeft niet gestoord te worden vooraleer een proceshandeling moet worden verricht, ingegeven uit de rechten van de verdediging (vb. dagvardingstermijnen) o vervaltermijn: schrijft verrichten van een proceshandeling voor binnen de in de wet voorziene (maximum)tijdspanne (vb. termijn om een rechtsmiddel aan te wenden)
70 Burgerlijk Procesrecht Vaststelling, berekening, verlenging, verkorting en overmacht A. Vaststelling en berekening - art. 49: wet bepaalt de termijnen, rechter mag ze enkel vaststellen - uitzonderlijk kunnen de partijen zelf een termijn bepalen - berekening termijnen in art o art. 54: wanneer de dies a quo ( startdag ) een dag is die de volgende maand niet voorkomt (vb. termijn van 1 maand, ingaande op 31 maart 31 april bestaat niet), neemt men de laatste dag van die maand (30 april) o art. 53: dies ad quem (vervaldag/laatste dag van de termijn) wordt in de termijn inbegrepen, wordt verplaatst naar eerstvolgende werkdag indien zaterdag, zondag of feestdag vb.: dagvaardingstermijn, vervaldag is zaterdag wordt verplaatst naar maandag, eerste dag waarop gedagvaard kan worden is dinsdag - art. 53 geldt volgens HvC ook op wachttermijnen B. Verlenging en verkorting van de termijnen - art. 50, 1 ste lid: vervaltermijnen mogen niet verkort of verlengd worden - soms verkort (art. 708 en 1036) of verlengt (art. 50, 2 de lid) de wet zelf de termijnen - art. 55: verlengde termijnen t.a.v. personen in het buitenland (moet wettelijk bepaald zijn) - art. 51: andere dan vervaltermijnen mogen verlengd en ingekort worden, onder voorwaarden C. Op straffe van verval voorgeschreven termijn om rechtsmiddel aan te wenden - aanvang: vanaf betekening, afgifte of achterlaten afschrift (art. 57, 1 ste lid) o uitzondering voorzien in art. 792, 2 de en 3 de lid jo. art. 704, 1048, 1051 en 1073: termijn om rechtsmiddelen aan te wenden neemt aanvang bij de kennisgeving per gerechtsbrief, van die uitspraak aan de partijen o volgens Cassatie is geen uitdrukkelijk afwijkend voorschrift vereist - schorsing bij overlijden (art. 56) D. Overmacht - termijnen worden geschorst zodra en zolang er overmacht is - overmacht kan enkel voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de menselijke wil die door deze niet kan worden voorzien of vermeden - slechte werking van de postdiensten is geen overmacht indien een andere verzendingswijze mogelijk was - fouten of nalatigheden van een lasthebber (advocaat, gerechtsdeurwaarder) zijn geen overmacht, voor zover ze binnen de grenzen van de lastgeving zijn begaan 3. Termijnen voorgeschreven op straffe van nietigheid - het gaat om absolute nietigheid: belangenschade (art. 861) is niet vereist - nietigheidsleer (dekking van nietigheid en normdoel) is van toepassing
71 Burgerlijk Procesrecht Termijnen voorgeschreven op straffe van verval - verval: recht om de proceshandeling te stellen gaat verloren - art. 861 betreft enkel nietigheden en niet het verval (bevestigd in art. 862, 1, 1 ), belangenschade is dus niet vereist en de rechter mag ze ambtshalve opwerpen - kunnen in principe gedekt worden ex. art art. 865: regels van art. 864 en 867 n.v.t. op termijnen betreffende aanwenden rechtsmiddel 5. Termijnen zonder specifieke sanctie - vb. art. 747, 2 - wet kan andere sanctie dan verval of nietigheid voorschrijven - 2 mogelijke interpretaties wat betreft dekking door normdoel (art. 867): o restrictief: beperkt tot termijnen op straffe van verval of nietigheid o ruim: specifieke omschrijving sanctie is van geen belang voordeel: modulering sanctie, naargelang de omstandigheden van de zaak Hoofdstuk VI. De onwillige procespartij instaatstelling - instaatstelling: de route tussen de inleiding van de zaak en de pleitzitting, waarbinnen partijen hun argumenten op papier moeten zetten via conclusies - essentie van de nieuwe regeling: partijen moeten conclusieagenda overeenkomen, bij gebrek aan overeenstemming moet de rechter het verloop dirigeren, tenzij de partijen dit niet wensen door om de verwijzing naar de rol of een verdaging naar een bepaalde datum te verzoeken Afdeling I. Instaatstelling: drie routes 1. Minnelijke instaatstelling (art. 747, 1) - partijen komen op de inleidingszitting conclusietermijnen overeen die de rechter bekrachtigt - geniet volgens de wetgever de voorkeur boven rechterlijke instaatstelling - overeenkomst kan mondeling als schriftelijk worden vastgelegd - rechter heeft geen appreciatiebevoegdheid, partijen moeten dus duidelijk zijn - rechter neemt akte van de termijnen en bekrachtigt ze in een beschikking, en bepaalt rechtsdag (eventueel op voorstel van partijen, maar rechter beslist soeverein) o uiterlijk zes weken na de inleidingszitting o beschikking wordt vermeld in pv van de zitting o griffier brengt de beschikking ter kennis van de partijen en hun advocaten o tegen deze beschikking staan geen rechtsmiddelen open - aangenomen wordt dat art. 747, 2, 6 de lid van toepassing is op conclusies die te laat ingediend zijn: ambtshalve wering uit de debatten (tenzij akkoord partijen om conclusie te houden) - meest gerede partij die vonnis wil verkrijgen moet op de bepaalde rechtsdag een vonnis vorderen dat in ieder geval op tegenspraak wordt gewezen
72 Burgerlijk Procesrecht 72 - wetgever is hoger beroep volledig vergeten bij wetswijziging 2007, aangenomen wordt dat conform art. 1042, art buiten toepassing gelaten moet worden in het voordeel van de regelen opgenomen in art Rechterlijke instaatstelling (art. 747, 2) - na zes weken bepaalt rechter conclusietermijnen, met pleitzitting uiterlijk drie maanden na de mededeling van de laatste conclusie - partijen kunnen opmerkingen maken (geen vormvereisten) o kan al vóór de inleidingszitting tot één maand na de inleidingszitting o moeten aan elkaar meegedeeld worden (recht op tegenspraak) o rechter bepaalt conclusietermijnen en rechtsdag soeverein - beschikking: idem minnelijke route - conclusies neergelegd buiten de termijnen worden ambtshalve geweerd - afwijkende regels en termijnen voor procedures (zoals) in kort geding 3. Vrije instaatstelling (art. 747, 2, 2 de lid) - sluit de rechterlijke en minnelijke route af - akkoord van beide partijen is vereist A. De zaak werd verwezen naar de rol - partijen nemen conclusies binnen al dan niet expliciet overeengekomen tijdspannes - partijen vragen een rechtsdag in een verzoek aan de voorzitter van de kamer waaraan de zaak werd toegewezen overeenkomstig art. 750 (nadat de conclusies zijn neergelegd) - elke partij kan wel (eenzijdig) om instaatstelling verzoeken (art. 747, 2, 5 de lid) o griffier brengt verzoekschrift ter kennis o kennisgeving doet termijn van één maand voor het formuleren van opmerkingen lopen o termijn van zes weken waarbinnen de rechter beschikking met conclusietermijnen en rechtsdag moet uitgeven, begint te lopen vanaf neerlegging verzoekschrift o hierop wordt ook een beroep gedaan wanneer een partij weigert een rechtsdag te vragen overeenkomstig art. 750 B. De zaak werd verdaagd op vaste datum - partijen kunnen vrij concluderen tot op het laatste moment (geen conclusietermijnen) - vonnis zal niet in ieder geval op tegenspraak worden verleend verstekvonnis mogelijk - partijen kunnen om instaatstelling verzoeken d.m.v. art. 747, 2, 5 de lid (cf supra), de zitting naar waar de zaak verdaagd werd, wordt dan zonder voorwerp
73 Burgerlijk Procesrecht 73 Afdeling II. Bijzonderheden 1. Laattijdige conclusies (art. 748) A. Regel en uitzonderingen - conclusies toegezonden aan de tegenpartij of neergelegd na het verzoeken om bepaling van de rechtsdag, worden ambtshalve uit de debatten geweerd (art. 748, 1 en art. 747, 2, 6 de lid) - ambtshalve weren, maar rechter moet nog altijd rechten van verdediging erkennen - uitzonderingen (art. 748): o instemming van de andere partij o actualisering van de vordering ex. art. 808 (interesten, achterstallen, huur) o nieuw en ter zake dienend feit of stuk (art. 748, 2) vb.: pv van betrapping partij kan, ten laatste 30 dagen voor de vastgestelde rechtsdag, om een nieuwe conclusietermijn verzoeken (art. 748, 2, 1 ste lid) uitsluitend schriftelijke procedure, sterk geïnspireerd op heropening van debatten rechter kan conclusietermijn toestaan met of zonder verplaatsing rechtsdag - in de eerste twee uitzonderingen kan de rechtsdag niet verplaatst worden! B. Behoorlijk procesgedrag - wanneer de deloyale houding van een procespartij de rechten van de verdediging schaadt, moet de rechter de betreffende conclusies weren uit het debat (op verzoek van een partij) - vb.: partij zet argumenten of tegeneis pas in laatst conclusie uiteen, zodat de andere partij niet meer kan antwoorden 2. Aanvullende conclusies zonder hoofdconclusies A. Probleemstelling - soms het gebeurt het dat één van de procespartijen bewust nalaat gebruik te maken van de haar toegekende eerste conclusietermijn - vervolgens zet ze haar middelen, bijkomende stukken en gebeurlijk nieuwe eisen uiteen in een aanvullende conclusie, vaak op een moment dat de tegenpartij niet meer kan reageren - dit deloyaal gedrag wordt vooral in lagere rechtbanken en de rechtsleer op afkeuring onthaald B. Hof van Cassatie - recht van verdediging wordt geschonden wanneer een rechter zou oordelen dat een partij die afziet van haar eerste conclusietermijn, geen aanvullende conclusies zou mogen nemen - de doorslaggevende factor moet het deloyale karakter zijn - ook pro forma hoofdconclusies (zonder middelen, stukken of nieuwe eisen) kunnen gelijkgesteld worden met afzien van conclusietermijn
74 Burgerlijk Procesrecht 74 Afdeling III. Verstek (art ) 1. Situering - verstekprocedure is een tegensprekelijke procedure waar het contradictoir debat niet gerealiseerd kan worden door het afwezig zijn van één van de partijen - strikt te onderscheiden van de eenzijdige procedures - debat verloopt op tegenspraak indien alle partijen aan het geding meewerken: o partijen verschijnen op elke rechtszitting o partijen nemen conclusies o partijen pleiten (behoudens art. 755, schriftelijke behandeling) - thans wordt verstaan onder verstek: de procedurele situatie waarbij een partij, eiser, verweerder en/of tussenkomende partij, hoewel regelmatig opgeroepen, niet verschijnt én niet concludeert, zelfs niet pro forma - wetgever heeft d.m.v. ficties (alsof het wel op tegenspraak was) het recht op verzet ingeperkt 2. Gevallen en de wijze waarop verstek kan worden gevorderd A. Verstek door de eiser - eiser heeft verstek aan zichzelf te wijten rechter moet zijn belangen niet beschermen - rechter kan de zaak eenvoudig afwijzen zonder ze te onderzoeken - als de verweerder verweermiddelen opwerpt moet hij deze wel onderzoeken, maar de vordering sowieso ongegrond verklaren B. Niet verschijnen op de inleidingszitting - de verschenen partij kan tegen de afwezige partij verstek (art. 802) en een verstekvonnis (art. 805) vorderen o verstekvonnis mag niet worden uitgesproken voor het einde van de zitting o verstek kan gezuiverd worden indien de partijen dit samen verzoeken tijdens de zitting waarop het verstek is gevorderd, het geding gaat dan verder op tegenspraak - indien geen verstek gevorderd wordt op de inleidingszitting, kan dat alsnog op de zitting naar waar de zaak verdaagd is conform art de verdaging ex. art. 803 belet de rechterlijke instaatstelling ex. art. 747, 2 - indien wel verstek maar geen verstekvonnis gevorderd wordt kan tegen de niet verschenen partij vonnis bij verstek worden gevorderd, zonder dat nieuwe oproeping vereist is (art. 804) C. Wel verschenen op inleidingszitting, maar niet verschijnen op een latere zitting - partijen kunnen ook verschijnen op inleidingszitting via art onderscheid naargelang de partij reeds een conclusie heeft neergelegd: o geen conclusie alleen verstekvonnis is mogelijk (art. 804, 1 ste en 2 de lid) o wel conclusie vonnis wordt op tegenspraak gewezen (fictie)
75 Burgerlijk Procesrecht 75 - indien de vaststelling van rechtsdag via art. 747 (minnelijke of rechterlijke conclusiekalender) en/of werd deze rechtsdag verdaagd bij toepassing van art. 748, 2 steeds vonnis op tegenspraak, zelfs indien geen conclusies neergelegd werden (art. 747, 2, 6 de lid in fine en art. 748, 2, 6 de lid, in fine) 3. Taak van de rechter bij verstek - de rechter moet sowieso toetsen aan regelen van openbare orde - moet onderzoeken of hij rechtsmacht en bevoegdheid heeft en of de versteklatende partij behoorlijk werd opgeroepen - betwist wordt of de rechter de vordering ook vanuit andere regelen moet beoordelen o meerderheidsopvatting: rechter dient gegrondheid na te gaan (ook territoriale bevoegdheid en bevoegdheidsregelen die niet van dwingend recht zijn onderzoeken, HvC) o minderheidsopvatting: versteklatende partij moet niet beter beschermd worden dan verschijnende partij (waarbij de rechter niet ambtshalve regels buiten de openbare orde moet onderzoeken); een processuele bescherming volstaat 4. Het verstekvonnis (art. 806) - moet binnen het jaar worden betekend, anders wordt het als niet bestaande beschouwd - regel is niet van openbare orde - doel: versteklatende partij beschermen tegen een te lang uitgestelde uitvoering - de procedure blijft, zelfs na een jaar, evenwel bestaan: de partij die het verstekvonnis bekomen had, kan de procedure eenvoudig verder zetten door opnieuw een rechtsdag te vragen (zonder nieuwe dagvaarding) en een nieuw vonnis vorderen Hoofdstuk VII. Tussengeschillen Afdeling I. Cumulatie en splitsing van vorderingen 1. Meerdere betekenissen - opeenstapelingen van vorderingen bij het aanhangig maken van de zaak: er staan dus meerdere vorderingen in de gedinginleidende akte - kan het gevolg zijn van de dynamiek van het geding: nieuwe eis van de eiser, tegeneis, eis in tussenkomst (deze aspecten van cumulatie worden elders behandeld) 2. Objectieve en subjectieve cumulatie - objectieve cumulatie: instellen door één eiser van meer dan één vordering tegen een verweerder - subjectieve cumulatie: cumulatie van processubjecten of partijen: één of meerdere eisers treden op tegen één of meerdere verweerders o volgens bepaalde auteurs moeten ook meerdere zelfstandige vorderingen in het geding zijn (eisers die optreden namens één gezamenlijk recht zijn dan één procespartij, geen cumulatie)
76 Burgerlijk Procesrecht Wettelijke grondslag - art. 701: samenhangende vorderingen kunnen in één akte worden ingesteld - samenhang wordt verduidelijkt in art. 30, volgens HvC ter beoordeling van de rechter - voorrang ex. art. 565, 2 de lid, 2-5 moet in acht genomen worden 4. Geoorloofdheid - geoorloofdheid moet getoetst worden d.m.v. oorzaak-begrip: zolang de samengevoegde eisen uit eenzelfde, minstens een bijzonder nauw verwant geheel van rechtsfeiten en rechtshandelingen ontstaan, is cumulatie geoorloofd - sanctie: splitsing van de vorderingen 5. Impact op de bevoegdheid - cumulatie kan een impact hebben op de bevoegdheid - vb.: vordering 300 euro vrederechter bevoegd, cumulatie met 30 dezelfde vorderingen: 9000 euro waardoor rechtbank van eerste aanleg bevoegd is Afdeling II. Tussenvorderingen 1. Aanvullende en vernieuwde eis (art ) Deze artikels zijn niet van openbare orde. Als de tegenpartij akkoord gaat, kan de rechter ambtshalve geen exceptie opwerpen als de voorwaarden niet voldaan zijn. A. Aanvullende eis (art. 808) - de partijen kunnen in elke stand van het geding het voorwerp van de initiële eis uitbreiden met accessoria of uitvloeisels hiervan, waaronder: o sedertdien vervallen of verschuldigde interesten, rentetermijnen, huurgelden en toebehoren o later bewezen verhogingen of schadevergoedingen o geldsommen bij schuldvergelijking verschuldigd - zelfs bij verstek - zelfs na het verstrijken van de conclusietermijnen en het verzoek om/beslissing tot rechtsdag - toepassingen: o betaling van interest als het oorspronkelijke voorwerp betaling van uitkeringen was o voorlopige tenuitvoerlegging van vonnis vorderen o uitspreken van de gevorderde veroordeling onder verbeurte van een dwangsom - HvC: men mag het artikel niet gebruiken voor andere aanpassingen van vorderingen B. Vernieuwde eis (art. 807) - laat een uitbreiding of wijziging en zelfs een nieuwe vordering toe die de grenzen van de initiële vordering te buiten gaat, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: o aanpassing moet geschieden via een op tegenspraak genomen conclusie
77 Burgerlijk Procesrecht 77 o ze moet berusten (maar niet noodzakelijk uitsluitend) op een feit of akte die in de dagvaarding was aangevoerd o moet gericht zijn tegen de tegenpartij in dezelfde hoedanigheid - doel: vermijden dat om louter processuele redenen nieuwe vorderingen moeten ingesteld worden tussen partijen met de daaraan verbonden kosten en tijdverlies - vb.: vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding ten gevolge van ontslag kan uitgebreid worden met een vordering tot betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag - vb.: vordering betreffende huurachterstallen en onroerende voorheffing kon niet worden uitgebreid met vordering tot aanstellen deskundige om huurschade te laten vaststellen omdat deze niet zou steunen op een in de inleidende dagvaarding ingeroepen feit of akte - eiser kan de vermelde rechtsgrond wijzigen in de loop van het geding (vb. van een buitencontractuele vordering een contractuele vordering maken) - wijziging van de hoedanigheid of van de persoon van de gedaagde kan niet via art Tegenvorderingen (art. 14) - begrip: vorderingen door de verweerder gesteld tegen de eiser, ingesteld bij conclusie - indien zij de hoofdvordering zouden vertragen, kunnen zij afzonderlijk worden berecht (art. 810) - hoeven niet te worden getoetst aan de voorwaarden ex. art. 807, tenzij in hoger beroep (HvC) - tegenvordering moet niets te maken hebben met de hoofdvordering, enkel vereist is dat het om dezelfde partijen gaat - kan eventueel leiden tot bevoegdheidsproblemen met als gevolg opsplitsing van de tegeneis 3. Tussenkomst - de proceshandeling waarbij een derde vreemd aan het geding partij wordt - principieel elke belanghebbende met de vereiste hoedanigheid - kan niet ambtshalve door de rechter worden bevolen (art. 811) - vrijwillige en gedwongen tussenkomst: (art. 813) o vrijwillige tussenkomst: op initiatief van de derde zelf via een verzoekschrift op tegenspraak o gedwongen tussenkomst: op initiatief van de partijen via gerechtsdeurwaarderexploot, tenzij men een partij in het geding in een andere hoedanigheid wil doen tussenkomen, waarvoor een conclusie volstaat - potentiële redenen: o louter conservatoir: ter vrijwaring van rechten (eventueel via art ) o agressieve tussenkomst: om een veroordeling te bekomen (kan niet voor het eerst in hoger beroep, art. 812, 2 de lid) o strekken tot gemeenverklaring: de derde de mogelijkheid tot het aanwenden van derdenverzet ontnemen, omdat hij via de tussenkomst partij wordt in het geding - toelaatbaarheid: reeds bevolen onderzoeksverrichtingen mogen geen afbreuk doen aan de rechten van de verdediging van de derde
78 Burgerlijk Procesrecht 78 - berechting van de tussenkomst mag de hoofdvordering niet vertragen (art. 814) Afdeling III. Hervatting van het geding - loop van het geding kan onderbroken worden (art. 815): o indien een partij overlijdt o indien een partij haar staat verandert of hoedanigheid wijzigt waarin zij is opgetreden (maar niet bij de overgang van minderjarigheid naar meerderjarigheid) - toepassingsvoorwaarden: o omstandigheden doen zich voor, vóór het debat is gesloten o kennisgeving - het geding kan vrijwillig en gedwongen hervat worden o vrijwillig: bij conclusie neergelegd ter griffie (art. 816, 1 ste lid jo. art ) o gedwongen: meest gerede partij gaat over tot dagvaarding (art. 816, 2 de lid) tegenpartij zal alle middelen en nietigheden tegen deze dagvaarding kunnen tegenwerpen partij die verstek laat gaan, kan toelaatbaarheid en geldigheid van hervatting niet betwisten, de hervatting geschiedt dan van rechtswege (art. 818) - art. 817: O.M. kan gevraagd worden inlichtingen in te winnen m.b.t. identiteit van partij Afdeling IV. Afstand (art ) 1. Drieledige indeling - afstand van geding: proceshandeling waarbij ofwel de eiser afziet van de door hem ingestelde hoofdvordering of waarin de andere partij(en) afzien van de door haar/hen ingestelde tussenvorderingen o tast het materieel recht noch het vorderingsrecht aan o brengt de partijen in dezelfde stand alsof er geen geding was geweest o verjaring wordt geacht niet gestuit te zijn geweest, tenzij art. 826, 2 de lid o mogelijk in alle zaken o bijzondere voorwaarden in art afstand van rechtsvordering: eenzijdige proceshandeling van een partij waarbij deze haar materieel recht zelf prijsgeeft, zodat ook het vorderingsrecht teniet gaat en is enkel mogelijk over de zaken waarover de partijen mogen beschikken (art. 823, 1 ste lid) - afstand van proceshandeling: rechtshandeling van een partij gedurende het geding, waarbij zij een bepaalde door haar gestelde proceshandeling ongedaan maakt, alsmede de gevolgen die uti de proceshandeling voorkomen (vb. van een conclusie) 2. Gemeenschappelijke vereisten en gevolgen - afstand is uitdrukkelijk of stilzwijgend (art. 824) - elke afstand heeft tot gevolg dat de afstand doende partij gerechtskosten moet betalen (art. 827)
79 Burgerlijk Procesrecht 79 Afdeling V. Doorhaling en weglating van de rol (art. 730) - administratieve handelingen van de rechter, die al dan niet geschieden onder toezicht partijen - doorhaling van de rol: art. 730, 1 en 3 - weglating van de algemene rol (art. 730, 2, a en 3) - weglating van de zittingsrol (art. 730, 2, b en 3) Afdeling VI. Onttrekking van de zaak aan de rechter - incident waarbij een bevoegde rechter de zaak wordt ontnomen door een arrest van het Hof van Cassatie wegens een beperkt aantal, limitatief opgesomde redenen (art. 648 en 652) - procedure wordt geregeld in art in principe onttrokken aan de gehele rechtbank i.p.v. enkel de ene rechter, uitgezonderd in gevallen van art. 652 (art. 658) - HvC kan handelingen vernietigen die voor de uitspraak zijn verricht door de van de zaak onttrokken rechter (art. 658, 4 de lid) Afdeling VII. Wraking en verschoning - een bevoegde rechter wordt verzocht zich te onthouden uitspraak te doen wegens onvoldoende onafhankelijkheid, maar i.t.t. onttrekking blijft de zaak in principe bij hetzelfde rechtscollege - wie: rechters, deskundigen en leden van het O.M. kunnen gewraakt worden - redenen limitatief opgesomd in art o art. 828, 1 : wettelijke verdenking : restcategorie voor gevallen waarin de rechter niet in staat is of schijnt te zijn op een onafhankelijke/onpartijdige wijze recht te spreken (de rechter die hierover moet oordelen heeft een zekere appreciatievrijheid) - art. 831: rechter moet zich spontaan onthouden (verschonen), zoniet op verzoek van een partij - art. 838: een hogere rechtsinstantie doet uitspraak over de wraking - art. 840: rechter kan schadevergoeding vorderen indien hij zich onthouden heeft - art. 841: rechter die weigert zich te onthouden waarop wraking wordt toegelaten, wordt verwezen in de kosten Afdeling VIII. Ontkentenis van proceshandeling (art. 848) - wanneer mandatarissen ad litem (vb. advocaten) proceshandelingen stellen, worden deze geacht verricht te zijn in opdracht van de partij, tenzij een uitdrukkelijke volmacht vereist is - procedure van ontkentenis van proceshandeling strekt ertoe deze fictie te doorbreken - art. 850: partij kan vragen dat een de rechter geen rekening houdt met een proceshandeling die een aanbieding, erkenning of toestemming houdt, indien deze niet ondertekend is door de partij - procedure verschil naargelang stand van het geding: o hangende voor eerste rechter of appelrechter: via tussenkomst o niet meer hangend, maar rechtsmiddel staat nog open: verzoek samen met rechtsmiddel o andere gevallen: herroeping van gewijsde
80 Burgerlijk Procesrecht 80 - niet te verwarren met problemen van vertegenwoordiging (materieelrechtelijk) Afdeling IX. Opschorting van het geding - le criminel tient le civil en état (art. 4 V.T.Sv.), tenzij uitzonderingen (vb. art. 100 WHPC) - prejudiciële vragen - opschortende excepties: excepties met als doel de rechtspleging tijdelijk stop te zetten, meestal in afwachting van het vervullen van een bepaalde voorwaarde (vb. excepties van onbevoegdheid, samenhang, aanhangigheid, ontsplitsbaarheid) Afdeling X. Samenstelling van de zetel 1. Rechtbank van eerste aanleg - in de regel wordt een zaak gebracht voor een kamer met een alleenzetelend rechter - partij kan verzoeken om verwijzing naar een kamer met drie rechters (art. 91, voorlaatste lid) - art. 92: zaken die verplicht toebedeeld worden aan kamers met drie rechters - art. 92, 2: bij samenhang moeten alle zaken naar een collegiale kamer te verwijzen 2. Hof van beroep - in de regel toegekend aan een kamer met drie raadsheren - uitzonderingen in art. 109bis (komen vaak voor, vnl. door art. 109bis, 2, 1 en 1 bis) - in gevallen van 2, 1 en 1 bis zijn 2, twee laatste leden van toepassing - bij samenhang geldt een identieke regeling als in eerste aanleg (art. 109bis, 4) Hoofdstuk VIII. Uitgaven en kosten Afdeling I. Omschrijving - gerechtskosten zijn al dan niet reële uitgaven, die nodig zijn voor het voeren van een procedure en die door de wet als zodanig zijn erkend - worden niet limitatief opgesomd in art en vroeger werden enkel de een vergoeding voor het verrichten van materiële handelingen door een advocaat in acht genomen, niet het ereloon en de kosten van de advocaat - de nieuwe rechtsplegingsvergoeding steunt op drie pijlers: o forfaitaire tegemoetkoming (beoogt niet volledige recuperatie van kosten en erelonen) o komt toe aan de in het gelijk gestelde partij, niet aan de advocaat o enkel verschuldigd als een advocaat is tussengekomen o niet voor buitengerechtelijke tussenkomst van een advocaat (vb. onderhandelingen) - KB van 26 oktober 2007 voorziet in basisbedrag en minimum- en maximumbedrag, afhankelijk van de waarde van de vordering - partijen kunnen de rechter verzoeken het basisbedrag te verhogen of verlagen conform de
81 Burgerlijk Procesrecht 81 wettelijk bepaalde criteria in art. 1022, 3 de lid - art. 1022, 5 de lid: dubbele maximumvergoeding indien meerdere partijen de vergoeding genieten - art. 1023: een verhogingsbeding (verhoging van de schuldvordering ingeval deze in rechte zou worden geëist) wordt als niet geschreven gehouden Afdeling II. Verwijzing in de kosten (art. 1017) 1. Uitgangspunt en beginsel - art. 1017, 1 ste lid: ieder eindvonnis wijst desnoods ambtshalve de in het ongelijk gestelde partij in de kosten - rechtsgevolg van de veroordeling ten gronde, moet niet gemotiveerd worden tenzij een van de partijen daarover hebben geconcludeerd - bij beslissingen alvorens recht te doen of uitspraken in kort geding worden de kosten veelal aangehouden: zij zullen slechts beslecht worden bij de uitspraak te gronde 2. Uitzonderingen - art. 1017, 2 de lid: bepaalde geschillen inzake sociale zekerheid - art. 1017, 4 de lid: geschillen tussen echtgenoten, bloed- of aanverwanten - bijzondere wetten, zoals art ingeval van procesrechtsmisbruik (vb. exploot gebruiken terwijl goedkopere middelen voorhanden zijn, zoals een verzoekschrift) - indien partijen elk gedeeltelijk in het ongelijk gesteld worden, heeft de rechter een keuze: o één partij tot alle gedingkosten veroordelen o partijen samen naar een door hem raadzaam geachte verhouding veroordelen Afdeling III. Vereffening van de kosten - de bepaling van het juiste bedrag van de kosten (dit is niet vereist bij verwijzing in de kosten) - HvC: rechter kan enkel kosten vereffenen die door de partijen zijn vermeld in hun conclusies, andere kosten worden aangehouden - indien vereffening niet gebeurd is in het eindvonnis, kunnen partijen alsnog vragen om vereffening door een rechtsdag te verzoeken ex. art. 750 Deel V. Rechtsmiddelen Hoofdstuk I. Algemene beginselen Afdeling I. Begrip - middelen die de wet openstelt voor procespartijen of derden tot het bekomen van een nieuwe beslissing in een geding waarin een rechter reeds uitspraak heeft gedaan - om fouten van de rechter en de partijen te herstellen
82 Burgerlijk Procesrecht 82 Gewone rechtsmiddelen Verzet en hoger beroep In beginsel enkel voor procespartijen Geen beperkingen voor toelaatbaarheid Schorsende werking op tenuitvoerlegging Buitengewone rechtsmiddelen Cassatie, derdenverzet, herroeping van gewijsde, verhaal op de rechter en intrekking Soms ook voor derden Enkel in bij wet bepaalde gevallen Geen schorsende werking - rechtspleging in principe gelijk aan het geding (art ), soms bijzondere regelen in art termijnen zijn voorgeschreven op straffe van verval, desnoods ambtshalve op te werpen (art. 860) Afdeling II. Uitspraken vatbaar voor aanwending van een rechtsmiddel - in de regel zijn alle rechterlijke uitspraken vatbaar, uitzonderingen: o akkoordvonnissen (art. 1043): hoger beroep uitzonderlijk mogelijk indien het vonnis niet wettelijk tot stand gekomen zijn van de overeenkomst o uitspraken waarin berust werd (art ), kan ook stilzwijgend o maatregelen van inwendige aard (art. 1046) o aantal onderzoeksmaatregelen (art. 1046), art en art. 880, 2 de lid Afdeling III. Cumulatie van verzet en hoger beroep - uitdrukkelijk verboden in kort geding (art. 1039, 2 de lid) - mogelijk indien het hoger beroep een subsidiair en conservatoir karakter heeft t.a.v. verzet Hoofdstuk II. Verzet Afdeling I. Begrip - gewoon rechtsmiddel waarover een partij die bij verstek is veroordeeld beschikt, waardoor deze zaak opnieuw door dezelfde rechter (lees: zelfde rechtscollege) wordt onderzocht - elke partij heeft recht op verzet: verstek volstaat als grond voor verzet Afdeling II. Voor verzet vatbare vonnissen - elk bij verstek gewezen vonnis, arrest of beschikking is vatbaar voor verzet; uitzonderingen: o uitspraken op tegenspraak ex. art. 804 o vonnissen op tegenspraak gewezen ex. art. 747, 2 en art. 748, 2 o vonnissen van de arrondissementsrechtbank o arresten van het Hof van Cassatie o aantal uitspraken van de beslagrechter (art. 1563, 1572, 1582, 1613, 1621, )
83 Burgerlijk Procesrecht 83 o beslissingen inzake rechtsbijstand (art. 688) Afdeling III. Rechtspleging gevolgen 1. Terminologie - eiser op verzet, verzetdoende partij of opposant: partij die verzet aantekent - verweerder op verzet: partij tegen wie het rechtsmiddelen van verzet wordt gebruikt - partijen behouden evenwel hun hoedanigheid van eiser resp. verweerder 2. Wijze van rechtsingang - twee mogelijkheden: o dagvaardingsexploot (termijnen: art. 707, sanctionering: art. 860 jo. 862, 1, 1 en 2) o vrijwillige verschijning (art. 706); tijdstippen van vatten van de rechter is het tijdstip van de rolstelling, en niet bij het bepalen van de zittingsdatum - in bepaalde gevallen ook mogelijk bij verzoekschrift (art. 1253quater, 1343, 3, 704) 3. Bevoegde rechter - de rechterlijke instantie die de uitspraak bij verstek gewezen heeft - niet vereist dat het dezelfde kamer of magistraat zou zijn - uitsluitende bevoegdheid die de openbare orde raakt 4. Motiveringsplicht (art. 1047) - doel: louter dilatoir verzet vermijden - nietigheidsleer is hierop van toepassing 5. Register van verzetsakten - om mededeling ex. art mogelijk te maken werd een register ingevoerd - partij die het rechtsmiddel aanwendt heeft er alle belang bij de vermelding te laten opnemen, zodat de bestreden beslissing niet kan worden uitgevoerd 6. Termijnen - kan onmiddellijk na uitspraak, zelfs nog voor de betekening - verzet moet aangetekend worden binnen de maand na de betekening van het verstekvonnis, eventueel verlengbaar ex. art jo. art. 50, 2 de lid en art in uitzonderlijke gevallen (art. 792, 2 de lid) doet kennisgeving per gerechtsbrief de vervaltermijn lopen (art. 1048), in dat geval is art. 53bis van toepassing i.p.v. art Gevolgen van het verzet - schorst de tenuitvoerlegging (art. 1397), tenzij voorlopige tenuitvoerlegging (art. 1398) en beschikkingen die krachtens de wet uitvoerbaar zijn bij voorraad (art. 1039)
84 Burgerlijk Procesrecht 84 - devolutieve werking: de rechtbank die reeds bij verzet wordt geoordeeld, wordt opnieuw gevat om de zaak volledig te beoordelen (tenzij vertzetdoende partij aangeeft dat over bepaalde geschilpunten terecht werd geoordeeld) - relatieve werking Hoofdstuk III. Hoger beroep Afdeling I. Begrip - gewoon rechtsmiddel dat de wet ter beschikking stelt van de procespartijen, om een vonnis dat in eerste aanleg werd gewezen en waardoor die partij zich geschaad acht, aan te vechten voor een hogere rechter teneinde de hervorming of vernietiging van het vonnis te bekomen - mogelijke doelen: o hervorming van de uitspraak: herstel van inhoudelijke onjuistheden o vernietiging als gevolg van formele gebreken bij de totstandkoming van de uitspraak Afdeling II. Toelaatbaarheidsvereisten - niet uitdrukkelijk opgesomd in Ger. W. - raken de openbare orde (zie art. 616 en 1050) 1. Vonnissen vatbaar voor hoger beroep - art. 616: tegen ieder vonnis (in eerste aanleg gewezen), tenzij de wet anders bepaalt - zowel tegen eindvonnissen als tussenvonnissen, ongeacht of deze op tegenspraak, bij verstek, in kort geding dan wel op eenzijdig verzoekschrift werden gewezen - uitzonderingen: o maatregelen van inwendige aard o akkoordvonissen o pv van minnelijke schikkingen o verdelingsincident inzake bevoegdheid over diverse kamers/afdelingen (art. 88, 2) o beslissingen van de arrondissementsrechtbank inzake bevoegdheid (art. 642) - zie ook art Geschillen vatbaar voor hoger beroep - in geld uitgedrukte of in geld waardeerbare vorderingen: aanleggrens moet bereikt zijn (art. 617) - niet in geld uitgedrukte of waardeerbare vorderingen: altijd vatbaar voor hoger beroep (art. 619) - vonnissen op tussengeschillen zijn afhankelijk van de toelaatbaarheid van de hoofdeis (art. 621) o uitzondering geformuleerd in art. 620 o misbruik (overdreven tegeneisen/eisen in tussenkomst formuleren om hoger beroep mogelijk te maken) moet een halt toegeroepen worden volgens HvC
85 Burgerlijk Procesrecht Partijen in hoger beroep - recht komt toe aan allen die in eerste aanleg partij zijn geweest - de benadeelde derde kan geen hoger beroep instellen (enkel derdenverzet), uitz. art enkel in geval van een onsplitsbaar geschil moeten tegen alle andere partijen die in eerste aanleg betrokken waren ook beroep aangetekend worden (art. 1053) - tussenkomst van een derde mogelijk indien ze niet voor het eerst geschied met het oog op een veroordeling (art. 812, 2 de lid) 4. Beroepstermijn - kan onmiddellijk na uitspraak, zelfs zonder betekening (uitzondering art. 1050, 2 de lid) - kan tot één maand na betekening van de uitspraak (art. 1051), maar uitzonderlijk is het aanvangspunt de kennisgeving (vb. eenzijdig verzoekschrift, art. 1031) - vervaltermijn en raakt de openbare orde, ambtshalve uit te spreken zonder bewijs van geschade belangen (art. 860, 2 de lid jo. art. 862, 1, 1 en 2) 5. Belang - rechter heeft appellant geen gelijk gegeven op één of meerdere punten van zijn eis, om welke reden dan ook - kan ook strekken tot rechtzetting van een vergissing, zelfs al is beslissing conform conclusie Afdeling III. Incidenteel beroep - hoofdberoep: ingesteld door een partij tegen wie nog geen hoofdberoep werd ingesteld - incidenteel beroep: uitgaande van iemand die reeds verweerder in beroep is - kenmerken van incidenteel beroep: o gaat uit van een geïntimeerde in hoger beroep o kan worden ingesteld tegen alle beschikkingen van de bestreden uitspraak o kan te allen tijde, tot aan de sluiting der debatten, zelfs na het verstrijken van de beroepstermijn, op voorwaarde van vereiste van loyale procesvoering o kan worden ingesteld, zelfs al had de betrokken partij eerder berust in de uitspraak - toelaatbaarheid is afhankelijk van het hoofdberoep o tenzij het valt binnen de beroepstermijn waardoor het kan gelden als (navolgend) hoofdberoep o tenzij het hoofdberoep afgewezen wordt door gebrek aan belang - art. 1054: kan enkel ingesteld worden tegen een gedaagde in hoger beroep (iemand tegen wie effectief iets wordt gevorderd en niet louter betrokken is in de rechtspleging) - termijn: tot aan de sluiting van de debatten Afdeling IV. Rechtspleging Art. 1042: in de regel beheerst door bepalingen betreffende het geding, uitzonderingen:
86 Burgerlijk Procesrecht Wijze van rechtsingang van het hoger beroep - 3 mogelijkheden: o in principe per verzoekschrift dat door de appellant ter griffie wordt neergelegd art. 1034bis-1034sexies niet van toepassing, gezien het niet om een hoofdvordering gaat art. 1056, 2 : tegenpartij ontvangt bij gerechtsbrief hiervan een afschrift o art. 1056, 1 : kan ook bij gerechtsdeurwaarderexploot o in de gevallen bij wet bepaald ook bij ter post aangetekende brief o bij conclusie om incidenteel beroep in te stellen of nakomend hoofdberoep - dagvaardingstermijn bedraagt 15 dagen (art. 1062, sanctie art. 710 jo. art. 860 en 862) - art. 1061: verklaring van verschijning op de inleidingszitting 2. Inhoud van de akte van hoger beroep - art bevat verplichte vermeldingen - indien ingesteld bij conclusie geen andere geldigheidsvereisten dan die voor gewone conclusie 3. De inschrijving van het hoger beroep en de rolstelling - art. 1059, 3 de lid: inschrijving in register bij rechtbank die bestreden vonnis heeft geveld - art. 1060: rolstelling ten laatste dag voor inleidingszitting o verzoekschrift: bij het neerleggen ter griffie o dagvaardingsexploot: bij de afgifte van het betekende exploot aan de griffier o aangetekende brief: bij de ontvangst ervan 4. Behandeling van de zaak in hoger beroep - art. 1066, 2 de lid: gevallen waarin korte debatten verplicht zijn - wanneer de partijen erom verzoeken, dienen de stukken nogmaals meegedeeld worden - conclusietermijn ex. art. 1064, maar kunnen toepassing maken van art. 747, 2, 747, - art. 1065: partijen vragen een rechtsdag om te pleiten - debatten worden gesloten - O.M. geeft eventueel advies - art. 1067: regelen van verstek zijn eveneens van toepassing 5. Uitspraak - rechter dient de toelaatbaarheid te onderzoeken, bij gebrek aan vermelding hiervan in de uitspraak wordt het beroep toelaatbaar geacht - rechter kan het eerste vonnis bevestigen, of het geheel of gedeeltelijk wijzigen
87 Burgerlijk Procesrecht 87 Afdeling V. Gevolgen van het hoger beroep 1. Schorsende werking - art. 1397: schorsende werking, tenzij voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan 2. (Gewone) devolutieve werking - art. 1068: het geschil zelf wordt aanhangig gemaakt met alle feitelijke en rechtsvragen - taak van de appelrechter blijft beperkt tot geschilpunten die in eerste aanleg beslecht zijn - partijen kunnen zelf de grenzen van het hoger beroep aangeven (beschikkingsbeginsel) 3. Verruimde devolutieve werking - art. 1068, 1 ste lid: hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen of tegen het eindvonnis op tussengeschil maakt het volledige geschil zelf aanhangig - ook de geschilpunten die niet in eerste aanleg beslecht werden (dwingende aard) - reden: vermijden dat procesgang vertraagd zou worden door beroep tegen tussenvonnissen - uitzonderingen: o art. 1069: verwijzen naar de eerste rechter indien hij een onderzoeksmaatregel bevestigt niet wanneer de rechter in beroep zelf een onderzoeksmaatregel beveelt o art. 1070: volledige zaak aanhangig gemaakt, zonder dat het om een tussenvonnis gaat Hoofdstuk IV. Voorziening in Cassatie Afdeling I. Begrip - buitengewoon rechtsmiddel waardoor vonnissen, arresten en bepaalde akten op rechtmatigheid worden getoetst door het hoogste rechtscollege - onregelmatige arresten worden verbroken en verzonden naar een ander rechtscollege - geen derde aanleg aangezien het Hof niet in beoordeling van de zaken zelf treedt (art. 147 GW) - art. 1118: buitengewoon rechtsmiddel schorst tenuitvoerlegging niet Afdeling II. Tegen welke beslissingen kan cassatie worden aangetekend? - omschreven in art. 608, verder uitgewerkt in art en in principe enkel eindvonnissen, tenzij art maatregelen van inwendige aard zijn niet vatbaar voor cassatievoorziening ex. art. 806; 609, 1 - twee cassatievoorziening niet mogelijk ex. art. 1082, 2 de lid - art. 1119, 2 de lid: geen cassatie mogelijk tegen beslissingen van de verwijzingsrechter die overeenstemmen met het cassatie-arrest Afdeling III. Welke partijen kunnen cassatie aantekenen? - enkel degenen die partij waren in de aangevochten beslissing kunnen cassatie aantekenen
88 Burgerlijk Procesrecht 88 - geen incidenteel cassatieberoep beide partijen kunnen en eiser en verweerder in cassatie zijn, het Hof voegt de twee zaken dan ambtshalve samen (art. 1083) - de eiser moet belang hebben: hij moet veroordeeld zijn t.a.v. de verweerder - eiser en verweerder moeten in leven zijn - nieuw geding, waardoor ze opnieuw bekwaamheid moeten aantonen - art. 1084: bijzondere regeling i.v.m. onsplitsbare geschillen - O.M. kan in diverse gevallen optreden via voorziening in cassatie Hoofdstuk V. Derdenverzet Afdeling I. Begrip - rechtsmiddel waarbij personen die niet in het geding betrokken waren de vernietiging van een vonnis dat hun nadeel toebrengt kunnen bekomen - niet-uitoefening brengt geen verlies mee van rechten (art. 1124) - heeft aan belang gewonnen door de eenzijdige verzoekschriftprocedure Afdeling II. Voorwaarden voor Derdenverzet - twee cumulatieve voorwaarden: o men mag geen partij geweest zijn (wie derde en wie partij is, zie art. 1122, 2 de lid) o beslissing waardoor men nadeel lijdt: vereiste van belang - art. 1123: arresten van het Hof van Cassatie zijn niet vatbaar voor Derdenverzet Afdeling III. Termijn - art. 1128: rechtsmiddel verjaart na dertig jaar - de facto: verjaren met de termijn om vonnis uit te voeren (normaal 10 jaar) - art. 1129: betekend vonnis aan de derde moet het rechtsmiddel binnen de drie maand na de betekening aangewend worden Afdeling IV. Procedure - hoofdvordering door dagvaarding van de partijen voor de rechter die het vonnis geveld heeft - incidenteel derdenverzet: wanneer een vordering hangende is waarin een vonnis tegen een partij wordt ingeroepen die daar geen partij bij was, voorwaarden: o rechter voor wie de vordering hangende is, is gelijke of meerdere van rechter bestreden vonnis o alle partijen van de bestreden beslissing moeten in het hangende geding zijn o wordt dan ingeleid bij conclusie (art. 1125), waarop rechter het kan splitsen (art. 1126) Afdeling V. Gevolgen - geen schorsende werking (uitz.: art door de beslagrechter) - bij inwilliging van derdenverzet: beslissing wordt vernietigd t.a.v. de derde (art. 1130, 1 ste lid),
89 Burgerlijk Procesrecht 89 tenzij bij onsplitsbare geschillen waarbij het t.a.v. alle partijen wordt vernietigd - gewone rechtsmiddelen staan open tegen beslissing i.v.m. derdenverzet, tenzij het rechtscollege dat over het derdenverzet uitspraak deed zelf zetelde in hoger beroep (art. 1131) Deel VI. Kort geding eenzijdig verzoekschrift summiere rechtspleging om betaling te bevelen Hoofdstuk I. Kort geding Afdeling I. Voorwaarden 1. Spoedvereiste A. Begrip - wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen - belangenafweging is geen deel van het spoedvereiste - rechter zal rekening houden met gedrag van de eiser: geen spoed indien de eiser te lang gewacht heeft of deze toestand zelf in het leven geroepen heeft - vertraging is rechtmatig als dit te wijten is aan poging tot minnelijke schikking of nieuwe feiten - dat de bodemrechter reeds werd aanzocht doet niets af aan spoedvereiste, tenzij de maatregel even snel kan of kon bekomen worden bij de bodemrechter - bij zaken zoals in kort geding wordt spoed wettelijk vermoed - voorzitter oordeelt soeverein over dit vereiste, HvC kan slechts marginaal toetsen - het spoedvereiste moet aan de zaak eigen zijn, gerechtelijke achterstand kan geen reden zijn B. Toetsingsogenblik - dient beoordeeld te worden tot op het ogenblik waarop de rechter uitspraak doet - een door de feiten achterhaalde vordering kan dus afgewezen worden, terwijl een eis afgewezen in eerste aanleg in beroep toegewezen kan worden omdat ze spoedeisend geworden is o spoedeisend karakter dient voldaan te zijn bij: inleiden van de vordering, sluiten van de debatten en de uitspraak C. Kwalificatie van het vereiste - mogelijke kwalificaties: o materiële bevoegdheid van de kortgedingrechter (mening HvC) o toelaatbaarheidsvereiste van de vordering - indien de eiser stelt dat zijn eis spoedeisend is, moet de rechter de eis onderzoeken; als hij hierbij vaststelt dat ze niet urgent is, moet hij de eis als ongegrond verklaren zonder ze te verwijzen naar de bevoegde rechtbank - hieruit volgt dat het spoedvereiste ook de grond van het kort geding raakt
90 Burgerlijk Procesrecht 90 D. Art. 19, 2 de lid: ook toepasselijk in kort geding Ook de rechter in kort geding kan, alvorens recht te doen, een voorafgaande maatregel nemen. 2. Moet gaan om een beslissing bij voorraad A. Begrip draagwijdte - art. 584: uitspraak bij voorraad geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf (art. 1039) - de rechter mag de (schijnbare) rechten onderzoeken, de bodemrechter is hier niet door gebonden: kortgedingrechter en bodemrechter kunnen eigen appreciatie geven over grond van de zaak - onomkeerbare maatregelen vallen buiten de rechtsmacht van de kortgedingrechter o feitelijke verhoudingen die hierdoor veranderen zijn niet relevant o voorzitter moet wel opletten dat een partij geen misbruik maakt van kortgedingprocedure door ze uitsluitend aan te wenden om de feitelijke verhoudingen te wijzigen om een voordeel te krijgen bij onderhandelingen (vb. minnelijke schikking) over de grond van de zaak - indien een partij maatregelen vordert die onomkeerbaar zijn: o vordering ongegrond verklaren waarmee hij zijn rechtsmacht uitput, of o vordering matigen (voorwerp wijzigen) B. Welke maatregelen kan de rechter in kort geding bevelen? - art. 584, 4 de lid somt een aantal maatregelen op - conservatoire en constitutieve (vb. provisie in kort geding) maatregelen - geen maatregelen die de bodemrechter ook niet zou kunnen uitspreken 3. Niet onttrokken aan de rechterlijke macht - deze regel ontneemt op zichzelf niet de macht om uitspraak te doen in bestuursgeschillen: de rechter in kort geding kan bij voorraad de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de rechten van de particulieren te vrijwaren - kan dus een onrechtmatige overheidshandeling schorsen om de aantasting van een subjectief recht te voorkomen of te herstellen - als een identieke vordering (zelfde overheidshandeling, voorwerp, partijen en wettigheidsbezwaren) voor de Raad van State wordt afgewezen, moet dit ook gebeuren door de kortgedingrechter - verwarring omtrent criterium rechtstreeks en werkelijk voorwerp van de vordering gehanteerd door het Hof van Cassatie o sommigen menen dat de aard van de overheidshandeling doorslaggevend is: plicht van de overheid die subjectief recht voor burger inhoudt burgerlijke rechter andere gevallen Raad van State o anderen menen dat de aard van de vordering doorslaggevend is: vernietiging/schorsing Raad van State bescherming subjectief recht burgerlijke rechter
91 Burgerlijk Procesrecht 91 Afdeling II. Objectiviteit en onpartijdigheid - wat als de voorzitter in kort geding naderhand als bodemrechter moet treden? - doorslaggevend: heeft de voorzitter in kort geding impliciet een oordeel geveld over de grond van de zaak en over de werkelijke rechtsverhouding? - vb.: bevelen van bewarende maatregelen zullen onpartijdigheid niet in het gedrang brengen - vb.: steunen op (ogenschijnlijke) rechtsverhouding zullen wel terechte bedenkingen geuit worden Afdeling III. Afwijkende procedureregelen 1. Bevoegdheid - materiële bevoegdheid: wordt aangenomen onvoorwaardelijk te zijn, aangezien art. 584 niet uitdrukkelijk art. 568, 2 de lid herneemt, maar de partijen kunnen wel in limine litis een exceptie van onbevoegdheid opwerpen - territoriale bevoegdheid: in principe de voorzitter van de rechtbank die territoriaal bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, tenzij de grondvereisten van het kort geding zich hiertegen verzetten of gezien de aard van de bevolen maatregelen (vb. onderzoeksmaatregelen waarin de voorzitter zelf moet optreden) 2. Dagvaardingstermijn - principe: 2 dagen (art. 1035), uitzonderingen in art en art art. 53 is ook hier van toepassing - dagvaardingstermijn bij verzet tegen een bij verstek gewezen beschikking in kort geding volgens de meerderheidsopvatting ook 2 dagen, hoewel sommigen de gebruikelijke 8 kiezen 3. Conclusietermijnen - onenigheid over het bestaan van conclusietermijnen in kort geding - rechtsleer: sommigen beweren dat art toepassing vinden indien de partijen concluderen, anderen vinden dat de voorzitter erover moet waken dat de uitwisseling van conclusies het debat niet vertraagt - rechtspraak is zeer verdeeld, maar oordeelt wel dat als termijnen overeengekomen worden, deze nageleefd moeten worden en eventueel gesanctioneerd via art. 747, 2, 6 de lid 4. Motiveringsplicht - wanneer de rechter in kort geding zich niet uitspreekt over de werkelijk bestaande rechtsverhouding, maar de ogenschijnlijke rechten in aanmerking neemt, moet hij niet antwoorden op middelen die de grond van de rechtsverhouding treffen - sommige auteurs menen dat de motivatieverplichting even sterk moet spelen in kort geding als in het bodemgeschil, anderen vinden dat hij slechts summier moet antwoorden - de beslissing van de rechter die zijn beslissing steunt op een beoordeling van de werkelijke rechtsverhouding kan vernietigd worden als de rechtsopvatting onjuist blijkt te zijn
92 Burgerlijk Procesrecht Devolutieve werking van het hoger beroep - in principe wordt de zaak volledig onttrokken aan de oorspronkelijke rechter in kort geding wanneer een beroep ingesteld wordt tegen de beslissing in kort geding, zelfs indien nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen - de rechtspraak aanvaardt echter dat, in extreme en uitzonderlijk urgente omstandigheden (maatregelen zouden niet of niet tijdig opgelegd kunnen worden in hoger beroep), er toch maatregelen bevolen kunnen worden 6. Kort geding en arbitraal beding - art. 1679, 2 de lid: arbitrage-overeenkomst is niet onverenigbaar met kort geding - men kan wel conventioneel afwijken van deze mogelijkheid 7. Buitenlands recht in kort geding - art. 15, 1 WIPR: buitenlands recht wordt toegepast - art. 15, 2 WIPR: indien de rechter het buitenlands recht niet kan vaststellen: o beroep doen op hulp van de partijen o Belgisch recht toepassen indien hij inhoud niet tijdig kan vaststellen Hoofdstuk II. Eenzijdig verzoekschrift (art ) Afdeling I. Begrip en afbakening - rechtspleging die door één of meerdere verzoekers bij de rechter aanhangig wordt gemaakt en die verder gevoerd wordt zonder dat enige tegenpartij in het geding betrokken wordt - onduidelijk in Ger. W.: term verzoekschrift wordt door elkaar gebruikt - HvC: voorwerp van de vordering en de aard van de wettelijk te volgen procedure zijn bepalend om af te leiden of het een eenzijdige rechtspleging dan wel procedure op tegenspraak betreft o oproeping tegenpartij én strekt tot inleiden hoofdvordering verzoekschrift op tegenspraak o andere hypotheses: eenzijdig verzoekschrift Afdeling II. Inleiding van de vordering - verplichte vermeldingen op het eenzijdig verzoekschrift: art inschrijving: zie art bevoegde rechter: o hoogdringende aangelegenheden: voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank of rechtbank van koophandel o.g.v. art. 584, 3 de lid o de uitdrukkelijk aangewezen rechter in de gevallen waarin de wet de procedure voorschrijft - behandeling van het verzoekschrift: zie art de rechtsmiddelen staan in art , daarenboven is ook cassatie mogelijk
93 Burgerlijk Procesrecht 93 Afdeling III. Eenzijdige rechtspleging in geval van volstrekte noodzakelijkheid - niet te verwarren met kort geding (fundamenteel verschil inzake inleiding en behandeling) - gevallen die het gebruik van het eenzijdig verzoekschrift wettigen: o uitzonderlijke urgentie, wanneer zelfs mogelijkheden kort geding niet voldoende zijn o aard van de gevorderde maatregel, wanneer de verweerder tussen de dagvaarding en de verschijning maatregelen zou kunnen treffen die het nut van de vordering zou ontnemen o onbekende tegenpartij (vb. vordering tot ontruiming van een pand bezet door krakers) Hoofdstuk III. Summiere rechtspleging om betaling te bevelen Afdeling I. Situering - wetgever wilde een goedkope, snelle, eenvoudige rechtspleging aanbieden aan de schuldeiser die beschikt over een geschrift om zijn vordering te staven - in de praktijk weinig gebruikt, wegens stringente voorwaarden Afdeling II. Procedure - cumulatieve voorwaarden in art en voorafgaande aanmaning met aantal vereiste vermeldingen (art. 1339) - na de termijn van 15 dagen wordt een eenzijdig verzoekschrift overgemaakt (art. 1340) - inschrijving in het register en dossier van rechtspleging (art. 1341) - art. 1341: schuldenaar kan schriftelijk opmerkingen meedelen aan de rechter - art. 1342: uitspraak binnen 15 dagen na verzoekschrift o ingewilligd verzoekschrift krijgt gevolgen van verstekvonnis (betekening binnen 1 jaar, art. 806) o mag niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden (art. 1399) - art. 1343, 2: vereisten aan de betekening van het vonnis - art. 1343, 3: veroordeelde schuldenaar kan verzet of hoger beroep aantekenen Deel VII. Rechtshulp - bijstand in pecunio: rechtsbijstand - bijstand in iure: juridische eerste- en tweedelijnsbijstand Hoofdstuk I. Rechtsbijstand (art ter) Afdeling I. Omschrijving en situering - kosten van rechtspleging geheel of ten dele kwijtschelden ten behoeve van degenen die niet over de nodige inkomsten ( vermogen) beschikken - kosteloos tussenkomst van openbare en ministeriële ambtenaren en van een technisch adviseur bij
94 Burgerlijk Procesrecht 94 gerechtelijke deskundigenonderzoeken - gewaarborgd in art. 6 EVRM en art. 23 GW - moet worden toegekend in de gevallen ex. art. 665 Afdeling II. Toekenningsvoorwaarden 1. Rechtmatigheidscriterium - bondig onderzoek naar de schijn van de gegrondheid van de aanspraak o heeft de partij het vereiste belang en hoedanigheid om de vordering te formuleren o is de vordering niet kennelijk ongegrond (marginale toetsing) 2. Draaglastcriterium - aantonen dat inkomen ontoereikend is om kosten van concreet beoogde rechtspleging te dekken - is gelijkgeschakeld met juridische bijstand: van zodra men juridische tweedelijnsbijstand heeft komen, geldt dit als bewijs van ontoereikende inkomsten Hoofdstuk II. Juridische bijstand Afdeling I. Situering - recht van de rechtzoekende om zich te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze (erkend als aspect van recht op menswaardig leven ex. art. 23, 3 de lid, 2 GW) Afdeling II. Commissie voor juridische bijstand Omschreven in art. 508/2 508/4 Afdeling III. Juridische eerstelijnsbijstand - begrip omschreven in art. 508/1, 1 - ook de advocatuur kan juridische bijstand verlenen: art. 446bis jo. art. 508/5, 1 - art. 508/5, 3: doorverwijzing naar tweedelijnsbijstand indien nodig - advocaten worden niet vergoed (geen kosten of ereloon) Afdeling IV. Juridische tweedelijnsbijstand - omschreven in art. 508/1, 2 - organisatie door Bureau voor juridische bijstand (art. 508/7) - toekenningsvoorwaarden in art. 508/13-18, in spoedeisende gevallen kan voorlopig bijstand worden toegekend
95 Burgerlijk Procesrecht 95 Deel VIII. Bewarende maatregelen, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling Hoofdstuk I. Geschillenbeslechting m.b.t. bewarende beslagen, middelen tot tenuitvoerlegging Afdeling I. Algemeen - gecentraliseerd is een gespecialiseerd magistraat binnen de rechtbank van eerst aanleg - aanwijzingsprocedure in art. 259sexies, 1, 1 - in hoger beroep worden beslagzaken behandeld door een gewone kamer me een alleenzetelend rechter van het hof van beroep Afdeling II. Materiële bevoegdheid - bewarende beslagen, middelen tot tenuitvoerlegging (art ) - HvC: rechtmatigheid en regelmatigheid van tenuitvoerlegging, zonder uitspraak over grond van de zaak en zonder in te grijpen in de materieelrechtelijke verhouding tussen partijen - onbevoegd om onduidelijke rechterlijke uitspraken te interpreteren - kan de tenuitvoerlegging van een beslissing niet schorsen, tenzij: o art op verzoek van de partij die derdenverzet heeft gedaan o bij misbruik van beslagrecht ter herstel van de schade o de titel niet actueel of toeltreffend is - art. 1244, 2 de lid jo. art : uitstel voor de debiteur (enkel door de bodemrechter als de tenuitvoerlegging krachtens een vonnis plaatsvindt, andere authentieke akte kan ook de beslagrechter uitstel verlenen) - onbevoegd voor betwistingen i.v.m. uitvoerbare titels die aan de debiteur de verplichting opleggen iets te doen of iets niet te doen of die strekken tot afgifte van een bepaalde zaak - indien de partijen of de beslagrechter zelf evenwel de bevoegdheid van de beslagrechter niet betwisten (art. 88, 2) geniet hij van de volheid van bevoegdheid van rechtbank eerste aanleg Afdeling III. Territoriale bevoegdheid - territoriale bevoegdheid bepaalt in art. 633 (raakt de openbare orde) - wanneer goederen zich in verschillende arrondissementen bevinden of een grote mobiliteit vertonen, kan conform samenhang de beslagrechter van één arrondissement zijn bevoegdheid opnemen Afdeling IV. Rechtspleging - ingeleid en behandeld zoals in kort geding (art. 1395, 2 de lid), dus art dagvaardingstermijn: minimum 2 dagen, tenzij spoedeisende gevallen (art. 1035, 2 de lid) - enkel in de gevallen bij wet bepaald, vindt de rechtsingang plaats bij verzoekschrift
96 Burgerlijk Procesrecht 96 - beschikkingen zijn van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad (art. 1039, 1 ste lid), de beslagrechter kan hier niet van afzien - wel een aantal wettelijke gevallen waarin verzet of hoger beroep de uitvoering schorst - relatief gezag van gewijsde, intrekking/wijziging enkel bij gewijzigde omstandigheden - in beginsel staan de gewone rechtsmiddelen open Hoofdstuk II. Humanisering van het beslagrecht Afdeling I. Voor beslag vatbare goederen - art. 7-8 Hyp. W.: het vermogen van de debiteur vormt in zijn geheel het onderpand van zijn schuldeisers, uitzonderingen dienen beperkend te worden geïnterpreteerd - uitzonderingen: o uit hun aard: goederen die ten nauwste met de persoon verbonden zijn en daarom onvervreemdbaar zijn (vb. briefwisseling) o uit de wet: art o loon en soortgelijke vorderingsrechten (art. 1409) binnen bepaalde grenzen, met een bijzondere positie voor de alimentatieschuldeiser doel: minimuminkomen garanderen kredietmogelijkheden niet geheel uitputten zorgen dat gezinsbestemming gevrijwaard wordt (cf. alimentatie) noot: met inkomsten uit andere activiteiten (art. 1409, 1bis) wordt vervangingsinkomens (art. 1409, 1) bedoeld bescherming van andere inkomsten: geldt niet automatisch, moet aan de beslagrechter worden gevraagd overeenkomstig art. 1408, 3 o bedragen op zichtrekeningen: beperkingen op loon zijn tevens van toepassing indien ze gestort worden op zichtrekeningen; de banken moeten loon met een bepaalde code aanmerken zodat duidelijk is dat ze niet vatbaar zijn voor beslag o hoofdverblijfplaats van de zelfstandige, na afleggen van een verklaring voor een notaris o goederen van publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 1412bis) o cultuurgoederen (art. 1412ter, 1) - supervoorrecht voor onderhoudsgelden: o beperkingen ex. art gelden niet wanneer overdracht of beslag plaatsvindt voor alimentatieschulden o de alimentatieschuldeisers worden bij voorrang betaald - beslag doet geen voorrang ontstaan: verscheidene schuldeisers die beslag leggen op loon, moeten het loon pondspondsgewijze verdelen
97 Burgerlijk Procesrecht 97 Afdeling II. Uithuiszetting (art. 1344ter-1344sexies) 1. Uithuiszetting na beëindiging van een huurovereenkomst (art. 1344ter-1344quinquies) - toepassingsvoorwaarden: art. 1344ter, 1 - kennigsgeving aan O.C.M.W. conform art. 1344ter, verzet van de huurder via art. 1344ter, 4, 1 ste lid - mogelijkheid tot verzet moet expliciet in dagvaarding/verzoekschrift (art. 1344ter, 4, 2 de lid) - bijkomende informatieverplichting voor gerechtsdeurwaarder ex. art. 1344quater, 2 de lid en art. 1344quinquies 2. Uithuiszetting na betekening van een gerechtelijke uitspraak in andere dan huuraangelegenheden (art. 1344sexies) - beperkt tot mededeling bij gewone brief, door de zorgen van de gerechtsdeurwaarder en behoudens verzet van de bestemmeling van het exploot, van een afschrift van het betekende vonnis aan het OCMW van de plaats waar het goed gelegen is - geen wachttermijn voor de uithuiszetting, en geen mededelingsplicht 5 dagen voor uithuiszetting 3. Collectieve schuldenregeling (art. 1675/2-1675/16bis) - procedure die aan debiteuren die geen handelaar zijn de mogelijkheid biedt hun financiële toestand te saneren en tegelijk een menswaardig bestaan te blijven leven Hoofdstuk III. Publiciteitsregeling in het beslagrecht Afdeling I. Algemeen - vormen de veruitwendiging van de gelijkheid van schuldeisers, waardoor beslagleggers in samenloop kunnen komen met elkaar - zonder publiciteit zouden: o andere schuldeisers niet kunnen deelnemen aan de procedure van evenredige verdeling o schuldeisers onafhankelijk van elkaar op dezelfde goederen beslag kunnen leggen, waardoor nutteloze kosten ontstaan die gedragen moeten worden door de schuldeiser - gerechtsdeurwaarder of notaris is verplicht bij ieder uitvoerend beslag en bij iedere verdeling de berichten van beslag te controleren Afdeling II. Huidige wetgeving: steekkaartensysteem (art quinquies) - art. 1390, 1 ste lid: kennisgeving door gerechtsdeurwaarder aan rechtbank van eerste aanleg - art. 1390, 4 de lid: ook kennisgeving aan rechtbank van koophandel bij beslag ten laste van vennootschapen of personen ingeschreven in het handelsregister - berichten bestaan uit een steekkaartensysteem dat consulteerbaar is op de griffie van de
98 Burgerlijk Procesrecht 98 rechtbank van eerste aanleg dat manueel wordt bediend - toegang is voorbehouden aan gerechtsdeurwaarders, advocaten en notarissen Afdeling III. Komend recht: het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling - toegang wordt geregeld in art Hoofdstuk IV. Bewarende maatregelen Afdeling I. Aard van de bewarende maatregelen - doel: een schuldeiser beschermen tegen frauduleus optreden van zijn (beweerde) schuldenaar, welke laatste zich (vóór of hangende de procedure) onvermogend zou maken - frauduleus onvermogend maken is een strafbaar feit (art. 490bis) - Ger. W. voorziet hiertegen drie preventieve maatregelen: o leggen van de zegels (art ): lokalen waar de goederen zich bevinden worden door een magistraat gesloten en verzegeld zodat ze feitelijk onbeschikbaar zijn o inventariseren van de goederen (art ): bestaan van de geïnventariseerde massa wordt authentiek vastgelegd o bewarend beslag (art ): roerende en/of onroerende goederen van een eventuele schuldenaar worden onder de hand van het gerecht geplaatst; de schuldenaar kan, in de regel, de zaak blijven gebruiken maar mag ze niet wegmaken - omdat bewarende maatregelen feitelijk een groot nadeel toebrengen aan de vermeende schuldenaar, vereisen ze vaak de tussenkomst van de rechter - principe van tegenspraak moet vaak wijken in deze procedures, omdat het doel net vereist dat de tegenpartij niet op de hoogte is van de nakende maatregelen Afdeling II. Bewarend beslag 1. Begrip - definitie: proceshandeling waarbij degene die beweert schuldeiser te zijn laat de goederen van zijn (vermeende) schuldenaar onder de hand van het gerecht plaatsen, zodat hij ze niet kan verbergen wanneer naderhand de schuld wordt vastgesteld - raakt niet de grond van het materieel recht - op risico van degene die beslag laat leggen - grondslag: art. 7-8 Hyp. W.: vermogen vormt gemeenschappelijk onderpand voor SE s - de vruchten vallen niet onder het bewarend beslag 2. Gevolgen - beschikkingsonbevoegdheid, maar hij behoudt zijn bezits- en genotsrechten (grijpt in de regel dus niet in op de feitelijke macht van de beslagene), tenzij een sekwester gevorderd wordt
99 Burgerlijk Procesrecht 99 - stuiting: bewarend beslag stuit de verjaringstermijn (art. 2244) - de beslaglegger krijgt geen recht van voorrang 3. Geldigheidsduur - in principe drie jaar (art en 1458), vanaf: o roerend beslag: vanaf dagtekening van de beschikking of het exploot o onroerend beslag: vanaf de datum van de overschrijving van het beslag in de registers van de hypotheekbewaarder (art. 1436) - beslagrechter mag een kortere termijn bepalen of de termijn aan bepaalde voorwaarden verbinden - beslag en publiciteit houden van rechtswege op na de termijn - hernieuwbaar zolang de eerste termijn loopt indien de schuldeiser het bewijs levert van gegronde redenen en van hoogdringendheid (art. 1426, 1437 en 1459) o aanvraag bij eenzijdig verzoekschrift bij de beslagrechter, die de termijn bepaalt - procedure voor de bodemrechter schorst de termijn tot op de dag waarop de eindbeslissing niet meer vatbaar is voor gewone rechtsmiddelen (art. 1493) o onroerend beslag: kantmelding van de vordering ten gronde voor het verstrijken van de geldigheidsduur op de kant van de overschrijving van het beslagexploot vereist 4. Voorwaarden A. Urgentie (art. 1413) - de solvabiliteit van de debiteur moet in het gedrang komen, zodat latere uitwinning gevaar loopt - bewijslast ligt bij de beslaglegger: moet concrete gegevens ter zake aanbrengen o vage geruchten volstaan niet o beide procespartijen moeten evenwel meewerken aan de bewijsvoering: beslagene kan gevraagd worden toelichting te geven over bepaalde feitelijke omstandigheden - vereiste geldt ongeacht of het beslag gelegd wordt met machtiging van de beslagrechter dan wel op grond van een vonnis (art. 1414), niet bij een vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard B. Bestaan en kwaliteitsvereisten van de schuldvordering - bestaan van schuldvordering is vereist, ongeacht aard of bedrag - wordt getoetst op het moment van het aanbieden van het verzoekschrift aan de beslagrechter of het beslag indien dit zonder rechterlijke machtiging gebeurt - is ook mogelijk door de schuldeisers van de in verzuim blijvende schuldeiser ex. art BW - kwaliteitsvereisten: o zeker: een voldoende schijn van gegrondheid en niet voor redelijke betwisting vatbaar (beslagrechter mag niet over grond van de zaak oordelen) o eisbaar, maar wordt getemperd voor periodieke inkomsten ex. art en via dat artikel uitgebreid naar voorwaardelijke en eventuele schuldvorderingen o vaststaand: bedrag moet bepaald of vatbaar zijn voor voorlopige raming
100 Burgerlijk Procesrecht 100 C. Bekwaamheid - bewarend beslag is een loutere beheersdaad, procesbevoegdheid van de beslaglegger komt pas aan de orde na rechtspleging (vb. derdenverzet) waartoe zij aanleiding kan geven - onbekwaamheid van de debiteur belet niet dat lastens hem beslag gelegd wordt D. Tijdstip van de beoordeling - tijdstip waarop het verzoekschrift wordt neergelegd of - wanneer het beslag zonder rechterlijke machtiging wordt gelegd, op het tijdstip van het beslag E. Rechterlijke machtiging - in beginsel is rechterlijke machtiging vereist, maar hierop bestaan uitzonderingen: o vonnis: elk vonnis, ook al is het niet uitvoerbaar bij voorraad, geldt als titel voor het leggen van bewarend beslag indien hieruit het bestaan van een schuldvordering blijkt, tenzij: de bodemrechter dit uitdrukkelijk heeft uitgesloten (art. 1414, in fine) termijnen van respijt (zie art BW) werden toegestaan door de bodemrechter, tenzij bewarend beslag uitdrukkelijk werd toegestaan het vonnis niet meer actueel of doeltreffend is o notariële akte kan ook een titel tot bewarend beslag opleveren - uitzondering: bewarend beslag onder derden (art. 1445): iedere schuldeiser kan o.g.v. authentieke of onderhandse stukken bij gerechtsdeurwaarder onder een derde bewarend beslag leggen op de bedragen of zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd is 5. Procedure A. Toestemming van de beslagrechter - machtiging wordt in principe gevraagd bij eenzijdig verzoekschrift (art ) o men kan combineren in het verzoekschrift: meerdere schuldenaars kunnen machtiging vragen tegen meerdere schuldenaars voor meerdere vormen van beslag (uitgezonderd beslag op onroerend goed, dat steeds afzonderlijk moet worden gevraagd) - men kan ook bij conclusie een tussenvordering tot machtiging instellen bij de beslagrechter - art. 1418: beslagrechter moet binnen 8 dagen beschikking verlenen, met inachtneming art en samen betekend met het beslagexploot (art. 1423) B. Rechtsmiddelen 1. Tegen de beschikking die de machtiging weigert - beslaglegger kan hoger beroep aantekenen binnen één maand na de kennisgeving van de afwijzende beschikking (art. 1419, 1 ste lid jo. art. 1031) o indien het beslag wordt toegestaan in hoger beroep moet de beslagen debiteur die tegen het beslag wil opkomen zich wenden tot het hof van beroep - bij gewijzigde omstandigheden kan de SE een nieuw verzoekschrift aanbieden - weigering van hernieuwing van bewarend beslag is niet vatbaar voor beroep (tenzij dit gebeurt
101 Burgerlijk Procesrecht 101 n.a.v. een procedure op tegenspraak na een derdenverzet tegen een beschikking die de hernieuwing toestaat) 2. Tegen beslag zonder rechterlijk machtiging: opheffing van beslag (art. 1420) - ingeleid en behandeld zoals in kort geding (art. 1395, 2 de lid) - geen termijn bepaald waarbinnen uiterlijk de vordering dient te worden ingesteld 3. Tegen de beschikking die de machtiging toestaat: derdenverzet (art. 1419) - de beslagene en iedere belanghebbende partij kunnen derdenverzet aantekenen tegen de beschikking die de machtiging toestaat - ze kunnen geen beroep instellen aangezien ze geen partij waren - dient uitdrukkelijk te strekken tot intrekking van de beschikking, niet enkel opheffen beslag - beschikking tot intrekking geldt als opheffing van het beslag (art in fine) - procedure: o instellen één maand na betekening van de beschikking van de mchtiging (art jo. art en 1419) op straffe van verval (art. 860, 2 de lid) o derdenverzet door dagvaarding bij gerechtsdeurwaarderexploot voor de rechter die de machtiging toegestaan heeft (beslagrechter of hof van beroep) - geen schorsende werking, tenzij de beslagrechter dit krachtens art toestaat C. Wijziging of intrekking wegens veranderde omstandigheden 1. Door de beslagene - na verloop van de termijn van derdenverzet kan de beslagene enkel nog bij gewijzigde omstandigheden de wijziging of intrekking van de beschikking vorderen - procedure: dagvaarding van alle partijen voor de beslagrechter (art. 1419, 2 de lid) - veranderde omstandigheden: omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het verstrijken van de normale verzetstermijn of waarvan de beslagene pas nadien kennis krijgt - vb.: de afwijzing van de eis ten gronde 2. Door de beslaglegger - kan d.m.v. eenzijdig verzoekschrift D. Dagvaardingstermijn - meerderheidsopvatting: verkorte dagvaardingstermijn van twee dagen - art. 1395: vorderingen i.v.m. bewarende beslagen ingesteld en behandeld zoals in kort geding E. Geen automatisch opheffing wegens afwijzing van de eis ten gronde - opheffing moet expliciet door de bodemrechter worden uitgesproken en moet dus worden gevorderd (beginsel van partij-autonomie) - indien de schuldenaar dit heeft nagelaten, kan hij art. 1419, 2 de lid toepassen
102 Burgerlijk Procesrecht Uitvoering - geschiedt d.m.v. gerechtsdeurwaarderexploot met inachtneming art. 1424, 2 - verplichte vermeldingen: art. 43 en art Soorten A. Bewarend beslag op roerend goed (art ) - beslag op roerende lichamelijke goederen die eigendom zijn van de schuldenaar en die vatbaar zijn voor beslag, ongeacht de plaats waar ze zich bevinden - art wordt gelegd volgens de regels van uitvoerend beslag op roerend goed (art e.v.), met de uitzonderingen gesteld in art B. Bewarend beslag op onroerend goed (art ) - voor beslag vatbare goederen: art jo. art niet voor beslag vatbaar: zaken buiten de handel, zakelijke rechten die geen zelfstandig bestaan hebben (erfdienstbaarheden), zakelijke rechten die een persoonsgebonden karakter vertonen (recht van gebruik en bewoning), onroerende rechtsvorderingen en de als bijzaak bestemde onverdeelde goederen (art. 577/2, 9 BW) - art. 1561: onverdeelde goederen kunnen in beslag genomen worden voor het deel van de schuldenaar, maar uitwinning is slechts mogelijk na verdeling of veiling - geen voorafgaand bevel tot betalen (art. 1432, 1 ste lid) - formaliteiten i.v.m. beslagexploot in art. 1432, 1-4 en art beslagexploot moet overgeschreven worden op het hypotheekkantoor (art. 1433), onbeschikbaarheid treedt pas in vanaf de overschrijving (art. 1444) - een tweede beslag is mogelijk (art. 1435), saisie sur saisie ne vaut geldt enkel voor uitvoerend beslag op onroerend goed C. Bewarend beslag onder derden 1. Begrip - beslag gelegd in handen van een schuldenaar van de beslagene op hetgeen deze aan de beslagene moet betalen of afgeven - bedragen en zaken die de derde verschuldigd is, maken deel uit van het mogen van de beslagene en zijn dus onderpand van diens schuldeisers zodat beslag mogelijk is - onderscheid beslag bij een derde en beslag onder derden: o beslag bij een derde: beslag buiten de woonplaats van de schuldenaar op goederen van de schuldenaar; machtiging van de beslagrechter is steeds vereist (art. 1503), zelfs indien een vonnis van de bodemrechter voorhanden is o beslag onder derden: teruggaveverplichting in hoofde van de derde ten gunste van de (beslagen) debiteur - beslag in eigen hand: wanneer de beslaglegger en de derde-beslagene dezelfde zijn
103 Burgerlijk Procesrecht voorwerp/oorzaak van beslag: o voorwerp: de vordering van de beslagene op de derde-beslagene (schuldenaar) o oorzaak: de vordering van de beslaglegger op de debiteur (beslagene) 2. Gevolgen - verplichtingen in hoofde van de derde-beslagene: o afgifteverbod (art. 1451): mag de sommen of zaken niet meer uit handen geven, sanctie: strafrechtelijk: bedrieglijke vernieling of wegmaking van in beslag genomen goederen (art. 507 Sw.) schadevergoeding (art BW) gewoon schuldenaar worden verklaard van de oorzaak van het beslag (art. 1451) o verklaring van derde-beslagene (art ): omstandige verklaring afleggen van hetgeen hij aan de beslagene verschuldigd is binnen 15 dagen na het beslag o bij vermeerderingen van de bezittingen waarvan de derde-beslagene schuldenaar is, moet hij daarvan de beslaglegger en de beslagene op dezelfde manier in kennis stellen (art. 1455) - de vordering blijft in het vermogen van de beslagene, ze wordt niet overgedragen - onbeschikbaarheid: de schuldenaar en de derde mogen niets meer ondernemen waardoor de schuldvordering geheel of gedeeltelijk zou tenietgaan o art BW: betaling door de derde-beslagene is niet geldig t.a.v. de beslagleggende schuldeiser die hem kan dwingen opnieuw te betalen o heeft betrekking op de totale schuldvordering, ongeacht bedrag van eigen vordering van de beslaglegger op de beslagene (oorzaak van het beslag) o relatieve werking: enkel niet-tegenwerpelijk aan de beslagleggende schuldeiser 3. Procedure a. Zonder machtiging van de beslagrechter (art. 1445) - art. 1445: onderhandse of authentieke akte waaruit een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering blijkt volstaat voor derdenbeslag - beslag wordt gelegd bij gerechtsdeurwaarderexploot met inachtneming art. 1445, 3 de lid - art. 1457: beslaglegger moet de akte aanzeggen aan de beslagen debiteur b. Met machtiging van de beslagrechter - art. 1447: verzoekschrift bij verslagrechter om toelating te vragen - art. 1448: beschikking die beslag toestaat, vermeldt bedragen waarvoor beslag mogelijk is - beslag wordt niet noodzakelijk bij gerechtsdeurwaarderexploot (art. 1450) gelegd: gerechtsbrief verzonden ex. art is voldoende om beslag te voltrekken 8. Kantonnement A. Van de oorzaak van het beslag (art. 1403) - de schuldenaar geeft een bedrag in bewaring bij de Deposito- of Consignatiekas of in handen van
104 Burgerlijk Procesrecht 104 een erkende of aangestelde sekwester dat toereikend is om tot waarborg te strekken voor de schuld in hoofdsom, interest en kosten - dit bevrijdt het beslagene en heft de onbeschikbaarheid op, doordat de gekantonneerde bedragen in de plaats worden gesteld van het in beslag genomen goed - bewarend beslag geldt hier niet als een voorwaardelijke betaling (i.t.t. uitvoerend beslag), het gekantonneerd bedrag blijft eigendom van de schuldenaar - kan via de beslagrechter (art. 1403) of gerechtsdeurwaarder (art. 1405) B. Van het voorwerp van het beslag bij derdenbeslag (art. 1407) - derde-beslagene, beslagene en beslaglegger kunnen kantonnement vragen van de gelden of de goederen waarop het beslag betrekking heeft - gevolg is loutere verplaatsing van goederen, ze blijven onbeschikbaar Hoofdstuk V. Executie Afdeling I. Algemene begrippen 1. Basisprincipe: verbod van eigenrichting - de overheid moet de schuldeiser middelen ter beschikking stellen die hem toelaten zijn schuldenaar te dwingen tot naleving van zijn verbintenissen - executierecht: geheel van de rechtsregels die betrekking hebben op het realiseren van de aanspraken van een schuldeiser d.m.v. door de overheid ter beschikking gestelde machtsmiddelen - executierecht raakt de openbare orde - Ger. W. bevat enkel regels tot gedwongen executie van verbintenissen die strekken tot betaling van een geldsom, niet tot afgifte van een andere zaak of iets te doen of niet te doen - art. 7 Hyp. W.: vermogen van het persoon als onderpand voor zijn schulden - men kan geen dwang tegen de persoon zelf uitoefenen - in bepaalde gevallen is het niet uitvoeren van een rechterlijke beslissing tot strafrechtelijk misdrijf gemaakt (vb. zich bedrieglijk onvermogend maken: art. 490bis Sw.) 2. Tenuitvoerlegging en uitvoerbaarheid - uitvoerbare titels: o grossen van rechterlijke beslissingen en notariële akten o authentieke akten uitgaande van andere openbare ambtenaren die akten kunnen afgeven en die vereenvoudigd uitvoerbaar zijn o rechterlijke beslissingen en akten afkomstig van vreemde rechtsmachten en openbare overheden die slechts uitvoerbaar zijn nadat ze van een exequatur voorzien zijn - tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten verschilt naargelang: o tenuitvoerlegging inter partes: basisregel: uitvoerbaar tot 10 jaar (art. 2262bis, 1 BW) na de uitspraak (maar om effectief ten uitvoer gelegd te worden moet de grosse worden betekend, art. 1495, 1 ste lid)
105 Burgerlijk Procesrecht 105 uitzondering: veroordelingen tot betaling van een geldsom die pas uitvoerbaar zijn nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is getreden (art. 1495, 2 de lid) uitzondering: voorlopige tenuitvoerlegging schorsing van de uitvoerbaarheid inter partes: na de aanwending van een gewoon rechtsmiddel uitzondering: voorlopige tenuitvoerlegging o tenuitvoerlegging t.a.v. derden: regel: kracht van gewijsde vereist (art. 1388) uitzondering: uitvoerbaar verklaard bij voorraad 3. Soorten tenuitvoerlegging A. Vrijwillige en gedwongen tenuitvoerlegging - vrijwillig: brengt belangrijke gevolgen met zich mee: o doet vonnis definitief worden, zodat elk rechtsmiddel uitgesloten is (tenzij art. 1055) o betekening en bevel worden overbodig o uitvoering tegen derden is mogelijk zonder attest van niet-verhaal o geen exequatur vereist bij uitvoering van een arbitrage beslissing B. Definitieve en voorlopige tenuitvoerlegging - definitief: wanneer geen gewoon rechtsmiddel meer aangewend kan worden o beslagrechter kan geen uitstel verlenen voor de executie van rechterlijke beslissingen, enkel de bodemrechter kan dit (art. 1333) o beslagrechter kan wel uitstel verlenen voor de executie van een notariële akte (art. 1334) o beslagrechter kan de tenuitvoerlegging niet schorsen - voorlopig: executie van rechterlijke beslissingen die nog vatbaar zijn voor gewone rechtsmiddelen of bij executie van een in eerste aanleg bij voorraad uitvoerbaar verklaarde rechterlijke beslissing die bestreden wordt door een gewoon rechtsmiddel, zie art o doel: executie mag niet vertraagd worden door ingestelde rechtsmiddelen o kan van rechtswege of bij rechterlijke beslissing toegekend worden o risico ligt bij de partij die voorlopige tenuitvoerlegging gelast, art van toepassing C. Rechtstreekse en onrechtstreekse tenuitvoerlegging - rechtstreeks: voorwerp is rechtstreekse realisering van de aanspraken (vb. uitvoerend beslag op roerende en onroerende goederen bij een veroordeling tot geldsommen) - onrechtstreeks: middelen tegen de schuldenaar waarvan men hoopt dat ze hem zullen aanzetten tot uitvoering (vb. dwangsom en sommige strafsancties) D. Borgstelling - wanneer de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, kan hij deze afhankelijk
106 Burgerlijk Procesrecht 106 maken van het stellen van een zekerheid (art. 1400, 1) E. Tenuitvoerlegging op de grosse en op de minuut - een grosse is vereist voor tenuitvoerlegging (art. 1386) - uitzonderlijk kan deze ook geschiedenis op de minuut (art. 1401) F. Uitvoering in natura (reële executie) en bij equivalent - in natura: tenuitvoerlegging strekkende tot iets anders dan het betalen van een geldsom waardoor de schuldeiser, niettegenstaande het verzuim van de schuldenaar, hetzelfde resultaat bereikt waartoe vrijwillige nakoming zou hebben geleid (soms in strijd met verbod van dwang) - bij equivalent: indien uitvoering in natura niet mogelijk is vervangende schadevergoeding o verbintenis tot betalen van een geldsom uitvoerend beslag op goederen SA o verbintenis tot het geven van een bepaalde zaak individuele zaak: beslag ad ipsam rem en indien niet mogelijk, schadevergoeding soortzaak: beslag bij de schuldenaar of, indien niet mogelijk, levering door een derde op kosten van de schuldenaar (art BW), desnoods schadevergoeding o verbintenis om iets niet te doen: tenietdoen (art BW), publicaties of schadevergoeding o verbintenis tot het stellen van een bepaalde handeling: rechtshandeling kan vervangen worden door een uitvoerbare gerechtelijke beslissing die in de plaats van de wilsuiting van de debiteur komt schuldeiser kan gerechtigd worden op kosten van de SA de handeling door een derde te laten verrichten (art BW) schadevergoeding Afdeling II. Dwangmiddelen 1. Dwangsom (art. 1385bis 1385nonies) A. Begrip - bijkomende veroordeling van de schuldenaar om aan de schuldeiser een geldsom te betalen o zonder enig verband met de schade die de schuldeiser ondergaat of zal ondergaan bij nietexecutie van de hoofdveroordeling o doel: druk uitoefenen op de schuldenaar opdat hij de hoofdveroordeling zou nakomen - elke rechter kan deze opleggen, behalve de administratieve rechter - kan aan elke veroordeelde partij (incl. de overheid) worden opgelegd - de rechter kan de dwangsom niet ambtshalve opleggen, maar kan wel ambtshalve het bedrag en de modaliteiten bepalen nadat een dwangsom werd gevorderd - diverse modaliteiten zijn denkbaar, zie art. 1385ter B. Toepassingsgebied - niet bij veroordeling tot betaling van een geldsom (art. 1385, 1 ste lid), maar kan wel voor betaling
107 Burgerlijk Procesrecht 107 aan een derde en betaling binnen een bepaalde termijn - niet ter nakoming van een arbeidsovereenkomst (art. 1385, 1 ste lid), men kan een werknemer dus niet verplichten te arbeiden - mag de menselijke waardigheid niet in het gedrang brengen - uitspraak moet een bevel inhouden, louter vaststellen rechtspositie volstaat niet C. Uitvoering (verbeurte) - verbeurte is ten vroegste mogelijk vanaf de betekening van de uitspraak (art. 1385bis, 3 de lid) - er is geen specifiek bevel of aanmaning vereist voor het verbeuren - een uitvoerbare rechterlijke beslissing is vereist o indien niet uitvoerbaar bij voorraad dwangsom niet verbeurd gedurende de tijd dat wegens het instellen van het rechtsmiddel de gedwongen tenuitvoerlegging wordt geschorst o bestreden vonnis bevestigd in beroep verbeurte pas bij betekening uitspraak in beroep o voorlopig uitvoerbare veroordeling dwangsom verbeurd vanaf betekening o bestreden vonnis vernietigd in beroep reeds verbeurde dwangsommen gaan teniet - eenmaal verbeurd, is geen nieuwe titel nodig: de schuldeiser kan tot executie overgaan o.g.v. de titel waarvoor de dwangsom werd opgelegd (art. 1385quater) - indien verweerder verbeurte betwist, komt dit voor de beslagrechter o moet het gebod of verbod dat de dwangsom probeert af te dwingen restrictief interpreteren o gewraakte handelswijze moet klaarblijkelijk in strijd zijn met de opgelegde verplichting D. Aanpassen: opheffen, verminderen, opschorten - komt uitsluitend toe aan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd - beslagrechter kan wel oordelen dat niet-nakoming te wijten is aan overmacht E. Verjaring (art. 1385octies) - zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd - ratio: bezorgdheid dat de dwangsom tot een onevenredige hoogte zou oplopen door het stilzitten van een schuldeiser - dagvaarding, betekening van een bevel of een beslag stuiten de verjaring (art BW) F. Overlijden debiteur (art. 1385septies) - dwangsom die per tijdseenheid is vastgesteld wordt niet verder verbeurd o wordt pas opnieuw verbeurd nadat de rechter dit oplegt o voor het overlijden verschuldigde dwangsommen blijven verschuldigd - andere dwangsommen blijven verschuldigd, maar kunnen worden gewijzigd/opgeheven 2. Interesten en verhogingen als dwangmiddel - schadevergoeding: rechter kan nalatige partij tot schadevergoeding veroordelen voor het niet of laattijdig uitvoeren van een verbintenis (art e.v. BW)
108 Burgerlijk Procesrecht art BW: bij verbintenissen tot betaling van een geldsom bestaat schadevergoeding nooit uit iets anders dan wettelijke interest, tenzij in geval van opzet - partijen kunnen een verhogingsbeding voorzien (art BW), maar dit mag niet gebeuren in het geval een invordering via gerechtelijke weg wordt nagestreefd (art. 1023) - soorten interesten: o conventionele/bedongen interest: die welke door partijen wordt overeengekomen o wettelijke interest: de wettelijk bepaalde interest; en de interest die van rechtswege loopt en waarvoor geen ingebrekestelling vereist is o moratoire interest/verwijlinterest: interest verschuldigd wegens vertraging in uitvoering van verbintenis tot betalen van een geldsom o compensatoire of vergoedende interest: vorm van schadeloosstelling bij niet-nakomen van een verbintenis die geen geldsom tot voorwerp heeft, of ingevolge onrechtmatige daad o gerechtelijke interest: interest die de rechter vanaf de inleidende akte tot op het ogenblik van de betaling van de hoofdsom toekent Afdeling III. Gedwongen tenuitvoerlegging (Deel V, Titel III) 1. Voorwaarden A. Uitvoerbaarheid van de akte - zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering is vereist - beoordeling op het tijdstip van de uitvoeringshandeling B. Bezit van de grosse - grosse wordt afgeleverd door de griffier op verzoek van een partij - uitzondering: indien tenuitvoerlegging gebeurt op de minuut - er wordt slechts één grosse uitgegeven aan elke partij, tenzij art C. Betekening van de grosse en bevel aan de schuldenaar 1. Betekening van de grosse (art. 1495, 1 ste lid) - tenuitvoerlegging is niet geoorloofd indien de titel niet aan executieplichtige is betekend - notariële akte moet niet worden betekend - gevolg: o termijn voor het instellen van een rechtsmiddel begint te lopen o tenuitvoerlegging is mogelijk, tenzij het een veroordeling tot een geldsom betreft 2. Bevel - gerechtsdeurwaarderexploot waarbij de schuldeiser de schuldenaar nogmaals aanmaant de verplichting van het vonnis uit te voeren - gevolg:
109 Burgerlijk Procesrecht 109 o eerste uitvoeringshandeling, geldt als ingebrekestelling o betekening en bevel mogen in dezelfde akte geschieden o uitvoerend beslag pas mogelijk één (roerend) of vijftien (onroerend) dagen na bevel D. Uitvoering tegen een partij tegen wie men mag uitvoeren - principe: executie wordt gericht tegen de schuldenaar - problemen: o overlijden van de schuldenaar: uitvoerbare titels zijn uitvoerbaar tegen zijn ergenamen, maar een nieuwe betekening is vereist voor tenuitvoerlegging (art. 877) o hypothecaire schuldeisers kunnen ook tegen de derde-houder van het goed uitvoeren o uitvoering is niet mogelijk tegen een gefailleerde of persoon onder collectieve schuldenregeling o dwanguitvoering op de goederen van een onbekwame is niet toegelaten, de beslagprocedure moet gevolgd worden tegen zijn wettelijke vertegenwoordigers E. Uitvoering door een partij die mag uitvoeren - executant moet de hoedanigheid van schuldeiser bezitten tijdens de ganse uitvoering - ook algemene en bijzondere rechtsopvolgers (art BW) en lasthebbers (art BW) kunnen uitvoeren, maar zij moeten hun hoedanigheid samen met de titel betekenen aan de schuldenaar - aangezien uitvoerend beslag een beheersdaad is, moet de schuldeiser hiertoe bekwaam zijn F. Schuld waarvoor mag uitgevoerd worden - actualiteit van de schuldvordering: ze mag niet uit het vermogen van de schuldeiser verdwenen of uitgedoofd zijn - zekere en vaststaande schuldvordering: schuld en bedrag moet bepaald of bepaalbaar zijn - opeisbaar, maar kan ook voor nog te vervallen termijnen van periodieke schuldvorderingen (art. 1494, 2 de lid) G. Op goederen vatbaar voor uitvoering - bepaalde goederen zijn niet voor beslag vatbaar (cf. Voor beslag vatbare goederen, p. 96) - de goederen moeten ook eigendom zijn van de schuldenaar: o roerende goederen: bezit geldt als titel, maar partijen kunnen tegenbewijs leveren (dat vaste datum moet hebben gekregen voor het beslag, art BW) o onroerende goederen: natrekken op het hypotheekkantoor o onverdeelde goederen: geen principieel bezwaar tegen beslag, maar uitwinning pas mogelijk na verdeling of veiling - uitzondering: hypothecaire schuldeisers hebben een volgrecht H. Door een ambtenaar die de wettelijke bevoegdheid heeft Enkel de gerechtsdeurwaarder is bevoegd voor de tenuitvoerlegging.
110 Burgerlijk Procesrecht 110 Overhandiging van de grosse geldt als volmacht (art. 1393) Aansprakelijkheid: - jegens de schuldeiser ex. art BW - jegens derden ex. art e.v. 2. Uitvoerend beslag op roerend goed (art ) A. Voorafgaand bevel (art. 1499) - bevel moet minstens één dag voor het beslag worden gedaan en bevat betekening van de titel indien dit nog niet gebeurd is - bevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaarderexploot (vermeldingen: art. 43 en art. 1500) - geldigheidsduur: gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 10 jaar (art. 2262bis, 1, 1 ste lid BW) B. Beslagprocedure en publicitiet - beslagexploot moet betekend worden in aanwezigheid van een getuige (art. 1501) met vermeldingen ex. art. 43, 1389, 1501, 1502, 1506, art. 1503: beslag bij een derde: beslag buiten de woonplaats van de schuldenaar (art. 1503) o enkel mogelijk voor geïndividualiseerde goederen (soortgoederen: beslag onder derden) o kennisgeving aan de beslagene (niet de derde) in art indien de gerechtsdeurwaarder niet voldoende beslagbare goederen aantreft stelt hij een pv van niet-bevinding op C. Eenheid van beslag - een tweede schuldeiser kan beslag leggen op dezelfde goederen als de eerste - niet zinvol: kosten zijn niet bevoorrecht - andere mogelijkheden: o verzet in handen van de gerechtsdeurwaarder (art. 1515) o beslag bij vergelijking leggen (art. 1524): nagaan welke goederen nog niet in beslag genomen zijn om daarop beslag te leggen D. Gevolgen - rechten van de beslage worden beperkt: beschikkingsonbevoegdheid - behoudt bezit en gebruiksrecht en moet als een goede huisvader bewaren en instandhouden - geen verplaatsing van de goederen of eigendomsoverdracht E. Incidenten - verzet door de beslagene bij de beslagrechter, zonder schorsende werking (art. 1513) - revindicatie door derden die een eigendomsrecht kunnen aantonen (art. 1514) - verzet tegen de afgifte van de verkoopprijs (art. 1515) door andere schuldeisers van de beslagene door een verzoek aan de gerechtsdeurwaarder om hun aanspraken te respecteren
111 Burgerlijk Procesrecht 111 F. Verkoop - wachttermijn: minimum één maand tussen pv van beslag en de verkoop (art. 1520) - art. 1516: bekendmaking van de verkoop - art. 1522: plaats van de verkoop is in principe de veilingzaal van de gerechtsdeurwaarders - onderhandse (art. 1526bis) of openbare verkoop (art. 1526) - art. 1527: verkoop voortgezet tot opbrengst voldoende is om schuldvorderingen te voldoen G. Evenredige verdeling (art ) - opbrengst van de verkoop na uitvoerend beslag op roerend goed moet worden verdeeld onder de schuldeisers die hun aanspraak laten gelden - in principe wordt de opbrengst gelijk verdeeld, tenzij wettige redenen van voorrang bestaan - procedure in art o noot: art. 1628: komen in aanmerking voor verdeling (niet cumulatief): niet betwiste schuldvorderingen schuldvorderingen die vastgelegd zijn bij een titel, zelfs als ze betwist zijn betwisting zonder uitvoerbare titel bedrag in consignatie gegeven totdat de bodemrechter uitspraak doet over de betwisting indien reeds bwarend beslag gelegd werd voor de schuldvordering, kan het bedrag waarvoor dit werd toegestaan in consignatie gegeven worden 3. Uitvoerend beslag onder derden (art ) - rechtstreeks bij deurwaardersexploot, zonder voorafgaand bevel (art. 1539) - gerechtsdeurwaarderexploot wordt aangezegd bij beslagen schuldenaar binnen acht dagen (art. 1539, 1 ste lid) - art. 1541: verzet mogelijk binnen vijftien dagen na aanzegging door de beslagene - twee verplichtingen voor de derde-beslagene: afgifteverbod (art. 1540) en verklaring van derdebeslagene afleggen (art. 1542) - afgifte van het bedrag van het beslag in handen van de gerechtsdeurwaarder op overlegging van de aanzegging ten vroegste twee dagen na termijn van verzet (art. 1543) o bedrag van het beslag : volgens HvC de totale schuldvordering (voorwerp van beslag) - procedure van evenredige verdeling geldt na uitvoerend derdenbeslag 4. Omzetting van bewarend beslag in uitvoerend beslag A. Op roerend goed - art. 1490: dagvaarding ten gronde kan in zelfde exploot als beslagexploot gebeuren - art. 1491: vonnis over de zaak zelf vormt de uitvoerbare titel waarvan de betekening het bewarend beslag in roerend beslag doet overgaan (tenzij betwist, zie 3 de lid) - art. 1492: vonnis dat ten gronde de eis verwerpt heft bewarend beslag op van rechtswege
112 Burgerlijk Procesrecht art. 1493: geldigheidsduur van bewarend beslag wordt geschorst tot de zaak zelf niet meer vatbaar is voor gewone rechtsmiddelen (om nodeloze procedures tot vernieuwing te vermijden) B. Onder derden - niet uitdrukkelijk in de wet geregeld - algemeen aangenomen dat omzetting gebeurt door het bevel waarin de omzetting van het bewarend beslag wordt aangekondigd 5. Kantonnement A. Van de oorzaak van het beslag - een bedrag toereikend om tot waarborg te strekken van de schuld in hoofdsom, interest en kosten, wordt in bewaring gegeven in de Deposito- en Consignatiekas of een sekwester - procedure: o tussenkomst van de beslagrechter die de modaliteiten nader omschrijft (art. 1403) o rechtstreeks in handen van de gerechtsdeurwaarder (art. 1405) - voorw.: schuldenaar die veroordeeld is bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing waartegen verzet of hoger beroep is ingesteld en wanneer schorsing van deze vervolgingen is bevolen - geen vorderingen tot levensonderhoud - art. 1406: rechter kan kantonnement geheel of gedeeltelijk uitsluiten op verzoek van de SE indien hij aantoont dat hij het geld dringend nodig heeft - kantonnement geldt hier wél als voorwaardelijke betaling B. Het voorwerp van het beslag (art. 1407) - gevolg: voorwerp van het beslag wordt enkel verplaatst, ze blijven onbeschikbaar C. Minnelijk kantonnement - partijen kunnen overeenkomen het bedrag waarover betwisting bestaat op een gemeenschappelijke rekening van de raadslieden of op een rekening geopend door een overeengekomen derde te plaatsen, zonder enige rechterlijke tussenkomst - oorsprong: ontsnappen aan omslachtige procedure en lage rente van Deposito- en Consignatiekas - rechter moet a.d.h.v. bedoeling partijen nagaan of het ging om bewaargeving of kantonnement - gevolgen zijn dezelfde als wettelijk kantonnement en deze overeengekomen - vereisten: o overeengekomen dat bedrag als betaling geldt o geldsom wordt effectief buiten e macht van de schuldenaar geplaatst - ook mogelijk bij bewarend beslag (evenwel geen sprake van voorwaardelijke betaling)
113 Burgerlijk Procesrecht 113 Afdeling IV. Hinderpaling bij de tenuitvoerlegging 1. Schorsing van de uitvoerbaarheid van de akte 1. Schorsing - schorsing van de tenuitvoerlegging enkel mogelijk door aanwenden van een gewoon rechtsmiddel indien geen voorlopige tenuitvoerlegging was toegestaan (art. 1397) - art BW bij betichting van valsheid als hoofdvordering 2. Uitstel - bodemrechter kan uitstel verlenen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissingen (art BW) o enkel in het vonnis dat uitspraak doet over het geschil zelf (art. 1333, 1 ste lid) o kan niet na de uitspraak (art. 1333, 2 de lid) - beslag krachtens een andere authentieke akte dan een vonnis kan op elk moment uitgesteld worden door een dagvaarding voor de beslagrechter (art. 1344) - uitstel vervalt altijd in de gevallen bepaald in art Verjaring - art. 2262bis BW: verjaring na 10 jaar, zelfs indien het materieel recht ten grondslag van het vonnis onderworpen is aan een kortere verjaringstermijn 2. Schorsing van de tenuitvoerlegging - derdenverzet (art. 1127) 3. Opheffing van de tenuitvoerlegging - indien het niet regelmatig is geschied (art. 1498, 2 de lid) 4. Betaling - gewone betaling: art BW dienen te worden nageleefd - aanbod van betaling en consignatie: art BW en art Ger. W. 5. Onvermogen als feitelijke hinderpaal - zal bij uitvoerend beslag vastgesteld worden door een p.v. van niet-bevinding 6. Andere hinderpalen - onttrekking van een zaak aan het beslag - kantonnement - faillissement - toelating tot de collectieve schuldenregeling
Gerechtelijk Privaatrecht
Marc Castermans Gerechtelijk Privaatrecht algemene beginselen, bevoegdheid en burgerlijke rechtspleging ACADEMU PRESS INHOUD Inhoud BOEKDKEL I: AEGEMENE BECINSEEEN 1 1. Toepassingsgebied van het Gerechtelijk
INHOUD. Hoofdstuk 1 Toepassingsgebied van het Gerechtelijk Wetboek 3
INHOUD BOEKDEEL 1: Algemene beginselen 1 Hoofdstuk 1 Toepassingsgebied van het Gerechtelijk Wetboek 3 Afdeling 1: Algemeen 3 Afdeling 2: artikel 2 Ger.Wb. en straf-, tuchtprocedures en het administratief
Inhoud. WOORD VOORAF... v DEEL I DE WEG NAAR HET BURGERLIJK PROCESRECHT HOOFDSTUK 1. DE WEG NAAR HET GERECHTELIJK RECHT... 3
WOORD VOORAF.......................................................... v DEEL I DE WEG NAAR HET BURGERLIJK PROCESRECHT HOOFDSTUK 1. DE WEG NAAR HET GERECHTELIJK RECHT..................................
Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten
Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten Bron : Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten (Belgisch Staatsblad,
Organisatie van de rechtspraak - België
Organisatie van de rechtspraak - België c) Nadere bijzonderheden over de rechterlijke instanties 1. Vredegerecht De vrederechter is de rechter die het dichtst bij de burgers staat. Hij wordt overeenkomstig
Burgerlijk procesrecht
Burgerlijk procesrecht 1. INLEIDING... 5 A. AARD EN FUNCTIE VAN HET GERECHTELIJKE RECHT... 5 B. BRONNEN... 5 C. KARAKTERTREKKEN... 5 D. TOEPASSINGSGEBIED... 6 1 Ratione personae... 6 2 Ratione materiae...
INHOUD. Voorwoord... v Verkorte inhoudsopgave... vii Lijst van verkort geciteerde werken... xv DE CORRECTIONELE TERECHTZITTING
INHOUD Voorwoord............................................................ v Verkorte inhoudsopgave............................................... vii Lijst van verkort geciteerde werken......................................
2. Soorten en verband
Bij dit alles moet de rechter de rechten van verdediging eerbiedigen. Dit betekent dat hij, wanneer hij de rechtsgrond wenst te wijzigen en aan te passen, de debatten dient te heropenen om partijen toe
Arresten en documenten Gerechtelijk recht
Paul Lemmens en Stefaan Raes Arresten en documenten Gerechtelijk recht Acco Leuven / Amersfoort INHOUD WOORD VOORAF A. GERECHTELIJK RECHT - ALGEMEEN 15 1. Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter
JUSTITIEPLAN EEN EFFICIËNTE JUSTITIE VOOR MEER
JUSTITIEPLAN EEN EFFICIËNTE JUSTITIE VOOR MEER RECHTVAARDIGHEID Wetsontwerp Burgerlijk procesrecht Koen Geens Minister van Justitie 8 mei 2015 Plan-methode op maat van uitdaging» 9 december 2014 (budget
E-BOX WOONPLAATSKEUZE ADVOCAAT. Potpourri I - Dirk Scheers & Pierre Thiriar 1. POTPOURRI I Gerechtelijk recht
POTPOURRI I Gerechtelijk recht Dirk Scheers vrederechter achtste kanton Antwerpen lector Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen Pierre Thiriar raadsheer hof van beroep Antwerpen vrijwillig wetenschappelijk
Samenvattingen Afdeling IV
Samenvattingen Afdeling IV Hoofdstuk 1 De rechterlijke macht word uitgeoefend door hoven en rechtbanken: a) Rechtbanken: Bevinden zich op het niveau van arrondissementen en kantons Er zetelen rechters
Actualia gerechtelijk recht en evaluatie Potpourri I
Actualia gerechtelijk recht en evaluatie Potpourri I FORUM ADVOCATEN BVBA Nassaustraat 37-41 2000 Antwerpen T 03 369 95 65 F 03 369 95 66 E [email protected] W www.forumadvocaten.be 1 Inhoud 1. Elektronische
STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS. Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1
STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1 TITEL I TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 Deze wet regelt een
Hoofdstuk V. Het Grondwettelijk Hof, de voorkoming en de regeling van conflicten. 1. Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof
ALGEMENE INHOUD 1 Algemene inhoud Register Deel I. GRONDWET Titel III. De machten Hoofdstuk V. Het Grondwettelijk Hof, de voorkoming en de regeling van conflicten 141 143 Hoofdstuk VI. De rechterlijke
BURGERLIJK PROCESRECHT
BURGERLIJK PROCESRECHT BURGERLIJK PROCESRECHT Basis met schema s PAUL DAUW Derde editie Antwerpen Cambridge Burgerlijk procesrecht. Basis met schema s. Derde editie Paul Dauw 2016 Antwerpen Cambridge www.intersentia.be
A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen.
Rolnummer 2268 Arrest nr. 29/2002 van 30 januari 2002 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Het Arbitragehof,
Deel I. Algemene beginselen.. 1. Deel II. Rechterlijke organisatie. Eerste boek. Organen van de rechterlijke macht... 8
Deel I. Algemene beginselen.. 1 Eerste hoofdstuk. Voorafgaande bepalingen............................. 1 Hoofdstuk II. Voorwaarden van de rechtsvordering......................... 1 Hoofdstuk III. Vonnissen
Gerechtelijk Wetboek. Maklu-Uitgevers Antwerpen - Apeldoorn. Samengesteid door Henri BÖOÜQSET^ Advocaat te Antwerpen, :: >> <.X? *
Gerechtelijk Wetboek Samengesteid door Henri BÖOÜQSET^ Advocaat te Antwerpen, :: >>
Parketjurist. Parketjurist bij de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg.
Parketjurist Een enthousiast beginnend jurist met een analytisch en synthetisch denkvermogen en goede redactionele capaciteiten. Hij/zij werkt resultaatgericht, zowel zelfstandig als in team, en heeft
INHOUD. Voorwoord... v Beknopte inhoud... xvii BOEK I. RECHTSFENOMEEN. Hoofdstuk I. Concepten van recht... 3
INHOUD Voorwoord.......................................................... v Beknopte inhoud................................................... xvii BOEK I. RECHTSFENOMEEN Hoofdstuk I. Concepten van recht.......................................
Gerechtelijk Wetboek. Deel I. Algemene beginselen... 3 Hoofdstuk I. Voorafgaande bepalingen... 3 Hoofdstuk II. Voorwaarden van de rechtsvordering
Gerechtelijk Wetboek Deel I. Algemene beginselen... 3 Hoofdstuk I. Voorafgaande bepalingen... 3 Hoofdstuk II. Voorwaarden van de rechtsvordering... 3 Hoofdstuk III. Vonnissen en arresten... 3 Hoofdstuk
Gerechtelijk wetboek... 1
Gerechtelijk wetboek............ 1 Deel I. Algemene beginselen......... 1 Hoofdstuk I. Voorafgaande bepalingen 1 Hoofdstuk II. Voorwaarden van de rechtsvordering................... 1 Hoofdstuk III. Vonnissen
Invordering tegen particulieren
Invordering tegen particulieren Invordering tegen particulieren Aspecten van beslag en executie Invorderingsproblematiek en collectieve schuldenregeling: actualia 2010 Invordering tegen particulieren en
Hof van Cassatie van België
3 MAART 2008 C.05.0476.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.05.0476.F CLINIQUES UNIVERSITAIRES SAINT-LUC, vereniging zonder winstoogmerk, Mr. François T Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,
BURGERLIJK PROCESRECHT
BURGERLIJK PROCESRECHT BURGERLIJK PROCESRECHT Basis met schema s PAUL DAUW Tweede editie Antwerpen Cambridge Burgerlijk procesrecht. Basis met schema s. Tweede editie Paul Dauw 2014 Antwerpen Cambridge
Publicatie : Numac :
pagina 1 van 5 NL einde FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE Publicatie : 2017-01-30 Numac : 2017010289 Rechtbank van eerste aanleg Leuven. - Kabinet van de voorzitter Beschikking tot vaststelling van het
Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs (B.S. 20.1.2003)
Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs (B.S. 20.1.2003) Artikel 1.- Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Hoofdstuk 1.- Toepassingsgebied,
Hieronder volgt dus de beknopte verklaring van enkele termen die in de arresten van het Hof worden gebruikt.
Kort lexicon tot nut van de rechtzoekende, waarin enige uitleg wordt gegeven van de meest gangbare geschreven rechtstaal van het Hof van Cassatie en van het parket bij dit Hof ( 1 ). Dit korte lexicon
ALGEMENE PRAKTISCHE RECHTSVERZAMELING ONDERZOEKSGERECHTEN. Raoul DECLERCQ
ALGEMENE PRAKTISCHE RECHTSVERZAMELING ONDERZOEKSGERECHTEN Raoul DECLERCQ Emeritus Advocaat-Generaal in het Hof van Cassatie Emeritus buitengewoon hoogleraar aan de K.U. Leuven 1993 story sdentia E. Story-Scientia
Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand
Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand (Parl. St. Kamer 2006-2007, nr. 2811) INLEIDING 1. Op de zitting van de Kamercommissie
Behalve de vermeldingen in artikel 43 voorgeschreven, bevat het beslagexploot op straffe van nietigheid:
Uittreksel Gerechtelijk Wetboek-beslag Art. 1386 Vonnissen en akten kunnen alleen ten uitvoer worden gelegd op overlegging van de uitgifte of van de minuut, voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging
EERSTE DEEL: ALGEMENE BEGINSELEN
Inhoud Artikelen EERSTE DEEL: ALGEMENE BEGINSELEN Hoofdstuk I: Voorafgaande bepalingen 1-16 Hoofdstuk II: Voorwaarden van de rechtsvordering 17-18 Hoofdstuk III: Vonnissen en arresten 19-22 Hoofdstuk IV:
Verzet, verstek en hoger beroep na Potpourri V
Verzet, verstek en hoger beroep na Potpourri V FORUM ADVOCATEN BVBA Nassaustraat 37-41 2000 Antwerpen T 03 369 95 65 F 03 369 95 66 E [email protected] W www.forumadvocaten.be 1 Inhoud Wetgeving Begrip
De wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis: begrip, evolutie en toepassingsgebied (D. De Wolf)... 19
INHOUD INLEIDING... 19 De wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis: begrip, evolutie en toepassingsgebied (D. De Wolf)... 19 Inhoud... 19 Kernbibliografie... 19 Over wetten vóór 1990... 20 Over
Hof van Cassatie van België
5 MEI 2008 C.05.0223.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.05.0223.F AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. B. P., 2. AXA BELGIUM, naamloze
Inhoud. Inleiding Een handboek net op tijd Willy van Eeckhoutte...1. Hoofdstuk 1. Ontvankelijkheid van de voorziening in cassatie Hans Van Bavel...
Woord vooraf...v Inleiding Een handboek net op tijd Willy van Eeckhoutte...1 Hoofdstuk 1. Ontvankelijkheid van de voorziening in cassatie Hans Van Bavel...5 I. Beslissingen die door middel van een cassatieberoep
De wet op de marktpraktijken. Procedure en sancties. TALLON Advocaat. larcier
De wet op de marktpraktijken Procedure en sancties TALLON Advocaat larcier VII De Bibliotheek Handelsrecht Voorwoord bij de Reeks Mededinging, Handelspraktijken en Intellectuele Rechten Voor- en DEEL I.
Rolnummer 4792. Arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 A R R E S T
Rolnummer 4792 Arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 4, 2, en 6, 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen
GERECHTELIJK WETBOEK - Deel IV : BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen Afdeling II. Echtscheiding door onderlinge toestemming. Art.
10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK
10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK - Deel IV : BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385undecies) hier : art. 1042-1121 (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-06-1985 en tekstbijwerking
BIJZONDER REGLEMENT RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG
BIJZONDER REGLEMENT RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG 1 Nr. : 75/2014 Rep. : 1855 BESCHIKKING Wij, T. HEEREN, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, bijgestaan door dhr. Y. KIELICH,
ACTUALIA BURGERLIJK PROCESRECHT 9 FEBRUARI 2017 KRIS WAGNER, ADVOCAAT
ACTUALIA BURGERLIJK PROCESRECHT 9 FEBRUARI 2017 KRIS WAGNER, ADVOCAAT 1 ARTIKEL 91 GER.W. In burgerlijke en strafzaken worden de vorderingen toegewezen aan kamers met één rechter, behalve in de gevallen
Rolnummer 4045. Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T
Rolnummer 4045 Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 468, 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 21
Hof van Cassatie van België
27 JANUARI 2006 C.04.0201.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.04.0201.N V. A., Mr. Cécile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen D. P. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep
Arbeidshof te Brussel
Repertoriumnummer Uitgifte Uitgereikt aan 2014 / Datum van uitspraak 19 december 2014 Rolnummer op JGR 2014/AB/890 Arbeidshof te Brussel vijfde kamer Arrest Arbeidshof te Brussel 2014/AB/890 p. 2 ARBEIDSRECHT
Nederlands burgerlijk procesrecht. prof. mr. HJ. Snijders mr. M. Ynzonides mr. GJ. Meijer
Nederlands burgerlijk procesrecht prof. mr. HJ. Snijders mr. M. Ynzonides mr. GJ. Meijer W.EJ.TjeenkWillink ZwoUe 1993 INHOUDSOPGAVE Afkortmgen Verkort geciteerde Hteratuur XVIII 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Examenprogramma Burgerlijk Procesrecht 1
Diplomalijn Examen Niveau Juridisch Burgerlijk Procesrecht hbo Versie 1.0 Geldig vanaf 01-01-2013 Vastgesteld op 28-08-2012 Vastgesteld door Veronderstelde voorkennis Bestuur Nederlandse Associatie voor
HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen
GERECHTELIJK WETBOEK - Deel IV : BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. HOOFDSTUK XI. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en scheiding van goederen Afdeling I. De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting
Hof van Cassatie LIBERCAS
Hof van Cassatie LIBERCAS 5-2018 AFSTAND (RECHTSPLEGING) ALGEMEEN Algemeen - Afstand van geding - Afstand doende partij - Veroordeling in de kosten - Rechtsplegingsvergoeding - Toepassing Algemeen - Afstand
POLITIERECHTBANK LE TRIBUNAL DE POLICE alleenzetelende politierechter = beroepsmagistraat. bijstand door griffier
A. VREDEGERECHT JUSTICE DE PAIX SAMENSTELLING vrederechter = alleenzetelende beroepsrechter bijstand door griffier plaatsvervangende magistraten (art. 64 Ger. W.) maximaal 6 géén beroepsmagistraten toegevoegde
OVERZICHT VAN HET BURGERLIJK RECHT. Prof. dr. Rogier de Corte
OVERZICHT VAN HET BURGERLIJK RECHT Prof. dr. Rogier de Corte BOEK IV. PROCES & BEWIJS TITEL I. PROCESRECHT HOOFDSTUK I. Begrip 587. Men kan stellen dat elk materieel recht zijn geëigend formeel recht heeft.
DEEL I. ALIMENTATIE ALS (DRINGENDE) VOORLOPIGE MAAT- REGEL: TOEKENNING VAN HET ONDERHOUD TUSSEN ECHTGENOTEN Gerd Verschelden... 1
INHOUD VOORWOORD............................................ xv DEEL I. ALIMENTATIE ALS (DRINGENDE) VOORLOPIGE MAAT- REGEL: TOEKENNING VAN HET ONDERHOUD TUSSEN ECHTGENOTEN Gerd Verschelden.....................................
CIVIEL PROCESRECHT VANDAAG EN MORGEN
CIVIEL PROCESRECHT VANDAAG EN MORGEN Jachin VAN DONINCK Leo VAN DEN HOLE VLAAMS PLEITGENOOTSCHAP BIJ DE BALIE TE BRUSSEL (eds.) Antwerpen - Cambridge INHOUD Voorwoord Snelheid, eenheid, doelmatigheid.
A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie.
Rolnummer 2287 Arrest nr. 163/2001 van 19 december 2001 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof,
De nieuwe Belgische arbitragewet
Belgisch Nederlands Colloquim Zee en Vervoersrecht 25/09/2014 De nieuwe Belgische arbitragewet door Sigrid Van Rompaey 14/10/2014 1 I. Historiek II. België een UNCITRAL land III. Arbitreerbaarheid IV.
REGLEMENT GESCHILLENCOMMISSIE STICHTING PAARD 11 december 2013
REGLEMENT GESCHILLENCOMMISSIE STICHTING PAARD 11 december 2013 Inhoudsopgave Afdeling 1: Algemene Bepalingen Afdeling 2: Geschillenbeslechting Bindend Advies Afdeling 3: Slotbepalingen Reglement geschillencommissie
Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T
Rolnummer 2485 Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door
Rolnummer 4560. Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T
Rolnummer 4560 Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten
DE PROCEDUREGIDS. Stappenplan voor civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke geschillen. Frederic Eggermont Saskia Kerkhofs
DE PROCEDUREGIDS DE PROCEDUREGIDS Stappenplan voor civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke geschillen Frederic Eggermont Saskia Kerkhofs Antwerpen Cambridge De proceduregids. Stappenplan voor
Hof van Cassatie van België
29 MEI 2015 C.13.0615.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.13.0615.N Ch. V., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen,
Afdeling IX. Uitlegging en verbetering van het vonnis
(In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, ( 2), (alsook inzake adoptie) brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen. W
Hof van Cassatie van België
5 FEBRUARI 2019 P.18.0793.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0793.N B A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Inhoudstafel. 2. De impact van Potpourri II op het materieel strafrecht : een evaluatie in het licht van het voorontwerp van Strafwetboek...
I Inhoudstafel 1. Potpourri en de burgerlijke rechtspleging... 1 Piet Taelman I. Inleiding... 1 II. VAJA en enkele andere aspecten van de informatisering van justitie.. 2 III. Gezag van gewijsde... 7 IV.
Het verloop van een burgerlijk proces voor de vrederechter
VREDEGERECHTEN ARRONDISSEMENT LEUVEN Het verloop van een burgerlijk proces voor de vrederechter De meeste gewone burgerlijke processen verlopen zoals hieronder uiteengezet. Een aantal andere zaken kennen
Hof van Cassatie van België
10 SEPTEMBER 2007 S.07.0003.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.07.0003.F A. T., Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LUIK.
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 237 (R2054) Aanpassing van Rijkswetten in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van urgerlijke Rechtsvordering en
Hof van Cassatie van België
7 NOVEMBER 2014 C.14.0122.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.14.0122.N 1. M. H., 2. A. D. K., eisers, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 6 januari 2014 (nr. G.13.0163.N) vertegenwoordigd
Voorwoord... xv HOOFDSTUK II. DOELSTELLINGEN VAN DE HERVORMING... 5 HOOFDSTUK III. ARTIKEL 229 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK... 17
INHOUD Voorwoord............................................... xv DEEL I. DOELSTELLINGEN VAN DE HERVORMING. DE ECHTSCHEI- DING OP GROND VAN ONHERSTELBARE ONTWRICHTING VAN HET HUWELIJK Frederik Swennen.....................................
Hof van Cassatie van België
10 JANUARI 2014 F.12.0081.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. F.12.0081.F J. T., Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van
Hof van Cassatie van België
5 NOVEMBER 2013 P.12.1784.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.12.1784.N R A C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Henry Van Burm, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Gerechtelijk Wetboek. HOOFDSTUK Vquater. De gerechtelijke stage
Bron: Belgische wetgeving - FOD Justitie Gerechtelijk Wetboek HOOFDSTUK Vquater De gerechtelijke stage Art. 259octies. [1 1. De kandidaten die zich voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke
