Wonen palmt ruimte in Groei van stad tot stadsgewest Stedelijke kiem Alle steden hebben een of meer sites Tot het begin van de negentiende eeuw werd de grote meerderheid van onze huidige steden gekenmerkt door een vrij scherpe begrenzing van de stad t.o.v. het ommeland. De middeleeuwse omwalling zorgde voor een echt keurslijf (landschappelijke begrenzing) waarbij aan de stadspoorten zelfs tol moest worden betaald (economische begrenzing). De stad Naarden heeft nog het volledige verdegignssysteem uit de 16-17 de eeuw Stadsuitbreiding = urbanisatie De economische en maatschappelijke veranderingen die voortkwamen uit de industriële revolutie leidden tot een geweldige verdichting van de bebouwing binnen de stadsomwalling. De open ruimten werden volgebouwd (beluiken, cités, fortjes, gangen) en meergezinshuizen deden de stad in de hoogte groeien (nog geen echte hoogbouw). Vanaf het tweede deel van de negentiende eeuw groeiden de bevolking en de dichte bewoning ook aan buiten de binnenstad, in de zgn. stadsrand. In het begin bleef de bewoning beperkt tegen de omwallingen, maar door de invoering en het goedkoper worden van het openbaar vervoer breidde laatstgenoemde woonzone zich ook uit tot de nabijgelegen dorpen die aldus een verstedelijkt karakter kregen. De tram zorgde aan de steenwegen voor lintbebouwing. Meestal ligt het spoorwegstation aan de stadsrand, zo ontstond een stationswijk Vanaf de jaren 20 nam de bouwdichtheid af. Tuinwijken en villawijken kregen meer groen en geleidelijk evolueerde men van rijwoning naar halfopen en open bebouwing. Zo groeide dit gedeelte van de stedelijke agglomeratie door inwijking van stedelijke en nietstedelijke bevolking (uitstoting van het platteland). De schaalvergroting: suburbanisatie Na de Tweede Wereldoorlog begint het stedelijke geheel uit elkaar te groeien. In de stad verschijnen de eerste torenflats en verderop ontstaan en groeien meerdere woonkernen fel aan, dit door de stijgende welvaart met privévervoer, modern wooncomfort (aansluiting
nutsvoorzieningen), promotie van goedkope bouwgronden e.d. De stedelingen verlaten nu ook de agglomeratie om zich in de banlieu te vestigen. Dit proces van suburbanisatie gaat gepaard met leegstand en verkrotting van de binnenstad, tenzij kantoren en winkels komen op de plaatsen waar vroeger mensen woonden. Ook de industrie verlaat de agglomeratie en wijkt uit naar industrieterreinen. Distributieketens vestigen zich aan de invalswegen. Op die manier ontstaat het geheel van een stadsgewest. Rurbanisatie Deze werkgelegenheid in het stadsgewest trekt ook werknemers aan van de omliggende forenzenwoonzone. Daar wonen de allochtone pendelaars: mensen die in hun eigen streek op het platteland blijven wonen maar in het stadsgewest werken. Dit verschijnsel rurbanisatie doet het platteland verstedelijken door nieuwe verkavelingen gekoppeld aan nieuwe wegen.
Steden opnieuw in trek? Sinds enige tijd verschijnen berichten met meer positieve geluiden over de stadsvlucht. Spreken van een echte trendbreuk is nog voorbarig. Over de periode 1992-2001 werd een grootschalig onderzoek verricht naar de migratiebewegingen in ons land. Opmerkelijke vaststelling: in Vlaanderen verlaten sinds begin jaren 90 minder mensen de stad. In Gent arriveerden in 2001 zelfs meer bewoners dan er vertrokken. Ook in de meeste gemeenten van het Brusselse Gewest daalde het verlies aan inwoners, zij het minder uitgesproken vanaf medio jaren 90. In Luik en Charleroi echter houdt de leegloop tot eind jaren 90 aan. Pas de laatste twee jaar lijkt die trend te keren. Dit beeld is echter genuanceerder als we de binnenlandse en buitenlandse migraties apart bekijken. De positieve migratiesaldo s, die ervoor zorgden dat de steden de laatste jaren geen inwoners meer verloren, zijn namelijk voor een belangrijk deel te wijten aan de instroom van migranten uit het buitenland, die de negatieve binnenlandse migratiesaldo s compenseren.
Verstedelijkt landelijk wonen Van natuur- tot cultuurlandschap Tot het begin van de negentiende eeuw waren de enige belangrijke activiteiten op het platteland de landbouw en de bosbouw met de daaraan gekoppelde woonfunctie in hoeven en dorpen. Meestal werd rondom het dorp het bos gerooid, om plaats te maken voor kouters' en weiland. Het centrale plein of dries' deed dienst als dorpsplein waar het vee verzameld werd. Streekverschillen ontstonden door vorm en grootte van de percelen. De smalle percelen afgezoomd met bomenrijen bepaalden het landschap van het Meetjesland. De blokvormige percelen en bolle akkers begrensd door populieren domineerden het coulissen landschap van het Waasland. Op andere plaatsen degenereerde het bos tot een heidelandschap (Kempen). Zo kregen we in het natuurlandschap her en der verschillende cultuurlandschappen. Dit oorspronkelijke patroon - nadien nog flink gewijzigd - blijft tot op onze dagen nawerken in de structuur van de open ruimte. De eerste golf De ontwikkeling van het spoorwegnet omstreeks 1850 creëerde nieuwe vormen in het oude cultuurlandschap. Het kavel- en het bewoningspatroon rondom het dorp bleven grotendeels onveranderd. Op een aantal plaatsen werden bedrijven gevestigd die vooral landbouwproducten als grondstof nodig hadden (textiel, conserven). Het zijn vooral sociaal-economische veranderingen. In de dorpskern worden hoeven vervangen door huizen met een commerciële of een ambachtelijke functie. De metamorfose Na de Tweede Wereldoorlog werd ook het platteland aangepakt: verkavelingen met het oog op woningbouw op de oorspronkelijke kouters, industrievestiging en lintbebouwing aan de verbindingswegen naar de stadsgewesten. Ook de uitbouw van het verkeersnet veranderde grondig de landelijke kernen. Ze krijgen
een belangrijke verzorgende functie of evolueren naar een forenzenwoonzone. Door schaalvergroting in de landbouw - o.a. via ruilverkaveling - verdwijnen de laatste resten van het historische cultuurlandschap. Einde van het platteland? Het verstedelijkingsproces dat onze landelijke gebieden momenteel ondergaan, heeft zowel een morfologisch als een functioneel aspect. De oppervlakte bestemd voor land- en bosbouw neemt voortdurend af ten voordele van bewoning, industrie, commerciële centra en recreatieparken. In sommige streken schiet er van de landbouw nog maar weinig over en de meeste bewoners zijn inwijkelingen, waardoor de vroegere samenstelling van de dorpsbevolking totaal is veranderd. De historisch gegroeide typische kenmerken van de landelijke gebieden, hoe waardevol ook, vervagen daardoor in een versneld tempo. Door onze economie verder af te stemmen op Europa en op de rest van de wereld, wordt het moeilijk ons landelijk patrimonium te verdedigen. Zo komen we tot een volledige banalisering van het landschap en wordt een doeltreffend ruimtelijk beleid een noodzaak.