leerjaar doelenkatern



Vergelijkbare documenten
5 5d o e l e n k a t e r n

doelenkatern leerjaar Blok Pagina Blok 1 2 tot 11 Blok 2 12 tot 20 Blok 3 21 tot 29 Blok 4 30 tot 37 Blok 5 38 tot 44 Blok 6 45 tot 53

leerjaar doelenkatern

Op stap naar 1 B Minimumdoelen wiskunde

Onthoudboekje rekenen

leerjaar WISo wijsen wiskunde onderwijs leerjaar doelenkatern reken- en wiskundemethode voor het lager onderwijs

Wiskunde - getallenkennis

leerjaar WISo wijsen wiskunde onderwijs leerjaar doelenkatern reken- en wiskundemethode voor het lager onderwijs

Leerlijnen groep 6 Wereld in Getallen

4 Jaarplan. 1 Leerplan

aantal evaluatielessen

aantal evaluatielessen

0,6 = 6 / 10 0,36 = 36 / 100 0,05 = 5 /100 2,02 = 2 gehelen en 2 / 100

toetswijzer wiskunde curriculumdifferentiatie 6de leerjaar *De waarde van natuurlijke getallen en kommagetallen, bv = 8 D + 5 H + 6 T + 0 E

Leerlijnopbouw Nieuwe Pluspunt 4

Kennis van de telrij De kinderen kunnen tellen en terugtellen tot 10 met sprongen van 1 en van 2.

A 1 RS+ 1. Rekensprong Plus 1 (c) Van In, lesnr domein lesonderwerp lesnr domein lesonderwerp lesnr domein lesonderwerp

Deel 1: Getallenkennis

Eindtermen wiskunde. 1. Getallen. Nr. Eindterm B MB NB Opm. B = behaald MB = meer behaald NB = niet behaald Opm. = opmerking

DE basis WISKUNDE VOOR DE LAGERE SCHOOL

Groep 3. Getalbegrip hele getallen. Optellen en aftrekken. Geld

Deel 1: Getallenkennis

aantal evaluatielessen

Deel 3 t.e.m. 11 van De Wiskanjers Zorg: Rekenmonsters

Leerstofoverzicht groep 6

Deel 1: Getallenkennis

DE basis. Wiskunde voor de lagere school. Jeroen Van Hijfte en Nathalie Vermeersch. Leuven / Den Haag

Toetswijzer examen Cool 2.1

Deel 12 en 13 van De Wiskanjers Zorg: Curriculumdifferentiatie

Les 20: gelijknamige breuken, gelijkwaardige breuken en breuken vereenvoudigen

Begin situatie Wiskunde/Rekenen. VMBO BB leerling

aantal evaluatielessen

Leerstofoverzicht groep 3

Rekensprong 5 boek A. Getallenkennis boek A sprong 1, 2 en 3

JAARPLANNING ZO GEZEGD, ZO GEREKEND - 5 leerjaar pag. 1 / 10

PARATE KENNIS & VAARDIGHEDEN WISKUNDE 1 STE JAAR 1. TAALVAARDIGHEID BINNEN WISKUNDE. a) Begrippen uit de getallenleer ...

Leerlijnen groep 7 Wereld in Getallen

Hieronder ziet u per 2 blokken wat er getoetst wordt in groep 4

Blok 1 GB les 2 K1: cijfers 2 en 3 overtrekken en zelf schrijven

Onthoudboekje rekenen

Wim De Grieve Page 1. Blok Les H/N Lesdoelen Socles Calculer Calculer & 3.4 Traitement de données

Onthoudboekje rekenen

Niveauproef wiskunde voor AAV

Leerlijnen rekenen: De wereld in getallen

Leerlijnen voor groep 3-8

Start u met zwiso in verschillende leerjaren tegelijkertijd?

Scoreblad bewis 01. naam cursist: naam afnemer: werkpunt. niet goed. tellen. getalbegrip. algemeen bewerking en. optellen en.

Wim De Grieve Page 1. Blok Les H/N Lesdoelen Socles Calculer Calculer Calculer

Domein A: Inzicht en handelen

Lesnr Code Onderwerp Lesdoelen Leerplan Wiskunde GO! Leerplan Wiskunde OVSG Leerplan Wiskunde VVKBaO

GETALLEN Onderdeel: Getalbegrip Doel: Je bewust zijn dat getallen verschillende betekenissen hebben.

Hoofdstuk 2 : VLAKKE FIGUREN

Tussendoelen wiskunde onderbouw vo vmbo

Naam:... Nr... 5,20 5,21 5,24 5,27 5,28 5,30 5,270 5,271 5,274 5,278 5,280 1,555 1,505 6,250 6,025 0,07 0,007

LEERPLANDOELEN METEN EN METEND REKENEN 6 E LEERJAAR

opérations dans des situations variées avec des petits nombres. Wim De Grieve Page 1 Blok Les H/N Lesdoelen Socles Comparer, mesurer 4 5

Aandachtspunten. blok 1, les 1 blok 1, les 6 blok 2, les 1 blok 3, les 8. blok 1, les 3 blok 1, les 11 blok 3, les 1

INHOUDSTAFEL. inhoudstafel... 2

Tussendoelen rekenen-wiskunde voor eind groep 5

RekenTrapperS Cool 1.1

Leerlijnenmatrix De wereld in getallen 4 e editie

Leerlijnenoverzicht groep 3 t/m 8

Jaarplanning Wereldoriëntatie de leerjaar

Aanbod rekenstof augustus t/m februari. Groep 3

Inhoud kaartenbak groep 8

2A LEERLIJN. leerjaar 1. tellen. optellen en aftrekken GROEPEREN VERMENIGVULDIGEN EN DELEN. plaats en waarde. handig rekenen 1 ORDENEN EN UITSPREKEN

WISKUNDE: HERHALINGSOEFENINGEN EINDE ZESDE LEERJAAR

Taakanalytisch Leerlingvolgsysteem. Wiskunde. Eerste tot en met vijfde leerjaar van het lager onderwijs. Gompel&Svacina. Toetsen

Doorstroming BaO-SO Getallenleer BaO - zesde leerjaar

LEERLIJNEN VIERDE LEERJAAR

Afspraken hoofdrekenen eerste tot zesde leerjaar

aantal evaluatielessen

Leerlijnenpakket STAP incl. WIG. Rekenen Rekenen. Datum: Schooltype BAO (Regulier) Herkomst Landelijk Periode DL -20 t/m 200

Wiskunde. Eenvoudige kommagetallen optellen (bijv. 0,5 + 2,25 = 2,75). 7,8 + 0,51 = 8,31. Vl. Goed 86,62 Fout 12,21 Geen antwoord 0,69

Aandachtspunten. blok 8, les 3 blok 8, les 11. blok 8, les 3 blok 9, les 6 blok 9, les 11. blok 7, les 3 blok 7, les 8 blok 9, les 6

NIEUWE PLUSPUNT 5: DOELEN

BRUGPAKKET 8: VLAKKE FIGUREN

Herhalingsles 1 Getallenkennis en bewerkingen 1 Weeroefeningen

pagina 1 van 12 VAN IN

Groep 5 Leerroute 3< 1F Leerroute 2= 1F (maatschrift) Leerroute 1 = 1S Periode 1

MNEMOTECHNISCHE MIDDELTJES WISKUNDE. 2de 3de graad

LEERPLANDOELEN METEN EN METEND REKENEN 3E LEERJAAR

Herhalingsles 5 Meetkunde Weeroefeningen

Proefwerken juni 2017

pagina 1 van 10 VAN IN

i TiPDenk aan de rechthoeksstrategie!

1BK2 1BK6 1BK7 1BK9 2BK1

BASISEDUCATIE LEERGEBIED WISKUNDE

Examenplanning 5 de leerjaar Juni 2016

Bijlage 11 - Toetsenmateriaal

BEWERKINGEN HOOFDREKENEN 40 NATUURLIJKE GETALLEN OPTELLEN

6 NEUZE-NEUZEBOEK REKENSPRONG. leerlijnen: Eric De Witte. Raf Lemmens. Paul Nijs. Hilde Van Iseghem. Viv Vingerhoets. Eric De Witte.

Verkorte versie van de SYLLABUS REKENEN 2F EN 3F (VO en MBO, versie mei 2015) Aanpassing van product van CvTE

LEERLIJNEN DERDE LEERJAAR

aantal evaluatielessen

5 NEUZE-NEUZEBOEK REKENSPRONG. René De Cock. Raf Lemmens. Paul Nijs. Eric De Witte. Eline Govaert. Hilde Van Iseghem. Martien Hendrix.

Passende Perspectieven. Bij Rekenrijk 3 e editie

handleiding pagina s 241 tot Handleiding 1.1 Kopieerbladen pagina 59: wandelplannen pagina 60: grondplannen constructies 2 Werkboek

Bijlage Wiskunde vmbo

Transcriptie:

Blok Pagina Blok 1 2 tot Blok 2 9 tot 18 Blok 3 19 tot 28 Blok 4 29 tot 37 Blok 5 38 tot 47 Blok 6 48 tot 59 Blok 7 60 tot 68 8 leerjaar 4 doelenkatern

Voorafgaande toelichting bij doelenkatern, leerjaar 4 leerjaar 4 Beste leerkracht, Voor je ligt de doelenkatern van zwiso voor leerjaar 4. Je vindt in deze bundel een overzicht van alle lesdoelen geordend per blok en per les. Er staat tevens bij of het om een hoofddoel () of een nevendoel (N) gaat. In de vier kolommen die volgen staan de verwijzingen naar de respectieve eindtermen, GO-doelen, OVSG-doelen en VVKBaO-doelen. Je vindt deze doelenkatern ook online op www.zwiso.be. Veel succes en plezier met zwiso! et auteursteam 1

Blok 1 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 2 1 1 De natuurlijke getallen uitbreiden tot 10 000 en de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.07 + 1.1.08 1.3.4 G11 Getallen tot 10 000 in het positieschema noteren. 1.1.08 1.3.5 G11 Getallen tot 10 000 lezen en schrijven. 1.5 1.1.08 + 2.1.07 1.2.2 G11d Zuivere duizendtallen positioneren op de getallenlijn en het interval bepalen. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Tellen met sprongen van 1000. 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 Tellen met sprongen van 100, 10 en 1 rond de zuivere duizendtallen. 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 Getallen rangschikken in stijgende en dalende volgorde. 1.5 1.1.07 1.4.6 G12 N Even en oneven getallen herkennen. 2.1.03 1.6.3 1 2 De som berekenen van 2 of 3 termen, de som is kleiner dan 1000. 1.13 1.1.30 1.11.1 B11c et verschil berekenen van 2 termen, het aftrektal is kleiner dan 1000. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B14c Bewerkingen voorstellen op de lege getallenlijn. 1.13 1.1.23 1.11.1 + 1.12.1 B2b N Toepassen van de commutatieve eigenschap van de optelling. 1.14 1.1.27 1.11.2 B4a N Gegevens van een (enkelvoudige) tabel aflezen. 1.18.10 G40a 1 3 et aantal dagen van elke maand kennen. WO tijd 2.4.6 MR66e Uitleggen wat een schrikkeljaar is. WO tijd 2.4.6 MR66f Een datum op verschillende manieren noteren. 2.2 WO tijd 2.4.11 MR67b Een tijdsduur in dagen (in dezelfde maand/niet in dezelfde maand) bepalen aan de hand van de kalender. 2.3 3.2.29 2.4.9 MR70b Verschillende kalenders begrijpen en gebruiken. 2.3 WO tijd 2.4.9 MR67b Een tijdsperiode van 100 jaar omschrijven als een eeuw. 3.2.28 MR66f N Gegevens lezen van een (kruis)tabel. 1.18.14 G40a 1 4 Oefenen van de maaltafels. 1.10 2.1.36 1.13.4 B17 Vermenigvuldigingen van het type E x T, E x, E x TE, E x E, E x T en E x TE oplossen, waarbij het product maximaal 1000 is. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 1 5 et hoekpunt en de benen van een hoek aanduiden en benoemen. 3.2a 2.3.17 3.1.7 MK13a De hoek noteren als hoek A of Â. 3.2a 3.1.7 MK13e oeken vergelijken en ordenen. 2.3.20 2.7.3 + 2.7.4 MR10 oeken benoemen als recht, scherp of stomp. 3.2a 2.3.20 3.1.7 MK13c oeken meten meten met een natuurlijke maateenheid. 2.2.29 2.7.3 MR7 Vaststellen dat hoe kleiner de maateenheid is waarmee gemeten wordt, hoe groter het maatgetal is. Ervaren dat de lengte van de benen geen invloed heeft op de grootte van de hoek. 2.1 2.2.05 2.2.7 MR27 2.2.28 2.7.3 MR3 1 6 De waarde van elk cijfer in een natuurlijk getal tot 10 000 bepalen. 1.5 2.1.04 1.3.4 G11 Getallen tot 10 000 schrijven. 1.5 2.1.07 1.2.2 G11d Tellen met sprongen en het interval bepalen. 1.1 1.1.17 1.1.3 G6 Optellingen en aftrekkingen tot 1000. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11c + B14c Vermenigvuldigingen van het type E x E, E x T en E x TE oplossen (het product is maximaal 1000). 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 Een rechte, stompe en scherpe hoek herkennen en benoemen. 3.2a 2.3.20 3.1.7 MK13c 1 7 Getallen tot 10 000 afronden tot het dichtstbij gelegen honderdtal. 1.15 2.1.04 1.8.3 G36 Getallen tot 10 000 positioneren op een getallenlijn met zuivere duizendtallen. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Getallen tot 10 000 vergelijken en ordenen. 1.5 + 1.6 1.1.07 1.4.6 +1.4.7 G12 Van een getallenreeks het interval bepalen en de reeks volgens het patroon aanvullen. 1.5 1.1.17 1.4.6 G39 De waarde van elk cijfer in een natuurlijk getal tot 10 000 bepalen. 1.5 1.1.08 1.3.4 G11 N De zakrekenmachine gebruiken. 3.1.36 1.25.6 B47 3 Blok 1

Blok 1 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 4 1 8 Strategieën ontdekken om ongestructureerde hoeveelheden te schatten. 1.17 2.1.37 1.8.2 B37 erhalen van schatprocedures bij optellen, aftrekken en vermenigvuldigen tot 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 1000. N Cijferend optellen, aftrekken en vermenigvuldigen. 1.24 2.1.40 + 2.1.41 1.20.1 + 1.21.1 + 1.22.1 B38 + B39 + B40 1 9 Opgaande delingen (deeltal < 100) buiten de deeltafels maken door de getallen 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22c te splitsen naar gelang van de deler. (De deler bestaat uit één cijfer.) Opgaande delingen, waarvan het deeltal een tienvoud is van een tafelproduct, 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a maken. De termen deeltal, deler, quotiënt en rest gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3c N erhalen van de deeltafels. 1.10 2.1.36 1.13.4 B21 1 10 Cijferend optellen en aftrekken tot 1000. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38a + B39a et resultaat van een optelling schatten. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 et resultaat van een bewerking controleren door de uitkomst te vergelijken met 1.16 2.1.37 1.19.4 + 1.19.5 B36 de schatting. et resultaat van een bewerking controleren met de zakrekenmachine. 1.27 3.1.36 1.25.6 B47 1 11 Opgaande delingen van de vorm TE : E maken door het deeltal zinvol te splitsen: het cijfer van de honderdtallen is een veelvoud van de deler; het cijfer van de honderdtallen is geen veelvoud van de deler en kleiner dan de deler; het cijfer van de honderdtallen is geen veelvoud van de deler en groter dan de deler. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 1 12 Getallen tot 10 000 vergelijken en ordenen. 1.5 + 1.6 1.1.07 1.4.6 + 1.4.7 G12 Van een getallenreeks het interval bepalen en de reeks volgens het patroon 1.12 1.1.17 1.7.2 G39 aanvullen. oofdrekenen: Opgaande delingen tot 1000 maken. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B21 Cijferen: Optellen en aftrekken tot 1000. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38a + B39a

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 1 13 Analoge en digitale klok lezen tot op 1 minuut nauwkeurig. 2.1 + 2.2 1.2.21 2.4.12 MR69a et tijdstip op een analoge en digitale klok aangeven als de tijd gegeven is. 2.2 1.2.21 2.4.12+ 2.4.13 MR69b De tijdsduur tussen twee gegeven tijdstippen bepalen (ook met overschrijden van het uur). 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70c Tijdstippen bepalen als de tijdsduur gegeven is. 2.3 2.2.26 + 1.2.21 2.4.17 MR70 N et tijdstip op een klok met Romeinse cijfers lezen. 1.7 + 2.3 3.1.07 1.2.5 + 2.4.17 G33 + MR69 1 14 Een breuk nemen van een grootheid. 1.1.19 1.14.3 B24 Vaststellen dat een geheel op verschillende manieren verdeeld kan worden. 1.4 1.1.18 1.5.6 G14a Een breuk nemen van een tafelproduct en van een tienvoud van tafelproducten. 1.1.19 1.14.3 B25 De termen breuk, teller, noemer en breukstreep gebruiken. 1.4 1.1.22 1.2.7 G15b 1 15 E x ()TE cijferend uitvoeren. 1.24 3.1.32 1.22.1 B40a De termen product, vermenigvuldiger, vermenigvuldigtal en factoren gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3c De schatprocedure bij vermenigvuldigingen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 et resultaat van een vermenigvuldiging controleren door de uitkomst te vergelijken met de schatting. 1.16 2.1.37 + 2.1.41 1.19.4 + 1.19.5 B36 1 16 et quotiënt en de rest van niet-opgaande delingen tot 100 binnen het tafelbereik bepalen. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B22b Vaststellen dat de rest steeds kleiner is dan de deler. 1.13 2.1.27 1.15.1 B22b De schatprocedure bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 De termen quotiënt, deeltal, deler en rest gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3c 5 Blok 1

Blok 1 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 6 1 17 TE : E cijferend uitvoeren (het quotiënt bestaat uit drie cijfers). 1.24 2.1.42 1.23.1 B42a De termen quotiënt, deeltal, deler en rest gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3c 1 18 Een breuk nemen van een tafelproduct en van een tienvoud van tafelproducten. 1.1.19 1.14.3 B25 Vermenigvuldigingen tot 1000 cijferend uitvoeren. 1.24 2.1.41 1.22.1 B40a Delingen met deeltal < 1000 cijferend uitvoeren (het quotiënt bestaat uit drie cijfers). 1.24 2.1.42 1.23.1 B42a Analoge en digitale klok lezen tot op 1 minuut nauwkeurig. 2.1 + 2.2 1.2.21 2.4.12 MR69a 1 19 Evenwijdige rechten herkennen en aangeven. 3.2a 2.3.08 3.1.7 MK29 Voorbeelden van evenwijdigheid in de omgeving aanwijzen. 3.2a 2.3.08 3.1.7 MK28a Evenwijdigheid controleren met de geodriehoek. 3.4 2.3.08 3.1.8 MK30 et symbool // gebruiken voor evenwijdigheid. 3.3 2.3.07 3.1.10 MK31 Evenwijdige rechten tekenen. 3.4 2.3.08 3.1.8 MK30 Loodrechte stand herkennen en aangeven. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK33 Voorbeelden van loodrechte stand in de omgeving aanwijzen. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK32a Loodrechte stand controleren met de geodriehoek. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK34 et symbool gebruiken voor loodrechte stand. 3.3 2.3.22 3.1.10 MK35 Snijdende (loodrechte) rechten tekenen. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK34 1 20 en 21 Getallen tot 10 000 schrijven en de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.07 + 1.1.08 1.3.4 G11 Getallen tot 10 000 positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Getallen rangschikken in stijgende en dalende volgorde. 1.5 1.1.07 1.4.6 G12 Getallenreeksen volgens een patroon aanvullen. 1.12 1.1.17 1.7.2 G39 Een breuk nemen van een grootheid. 1.1.19 1.14.3 B24 Een breuk nemen van een tafelproduct en van een tienvoud van tafelproducten. 1.1.19 1.14.3 B25 Optellen en aftrekken tot 1000. 1.13 2.1.40 1.11.1 + 1.12.1 B11c + B14c Vermenigvuldigingen van het type E x TE (elk cijfer kan nul zijn) maken. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 Opgaande delingen (deeltal minder dan 100), buiten de deeltafels, maken door 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a de getallen te splitsen naar gelang van de deler (bestaat uit één cijfer).

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 1 20 en 21 Opgaande delingen waarvan het deeltal een tienvoud is van een tafelproduct 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a maken. Niet-opgaande delingen tot 100 binnen het tafelbereik maken. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B22B Optellen en aftrekken tot 1000. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38a + B39a E x TE tot 1000. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40a TE : E tot 1000, het quotiënt bestaat uit drie cijfers. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B42 De digitale en analoge klok lezen/aanvullen tot op 1 minuut nauwkeurig. 2.1 + 2.2 1.2.21 2.4.12 MR69b De tijdsduur tussen twee gegeven tijdstippen bepalen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70c Rechte, scherpe en stompe hoeken herkennen en benoemen. 3.2a 2.3.20 3.1.7 MK13b Evenwijdige en loodrecht snijdende rechten herkennen en de symbolen // en lezen. 3.3 + 3.4 2.3.21 3.1.10 + 3.1.8 MK30 + MK34 1 22 Getallen tot 10 000 schrijven en de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.3.22 1.3.4 G11 Getallen tot 10 000 positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.07 + 1.1.08 1.4.6 G12 Getallen rangschikken in stijgende en dalende volgorde. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Getallenreeksen volgens een patroon aanvullen. 1.12 1.1.17 1.7.2 G39 oofdrekenen: Optellen en aftrekken tot 1000. 1.13 2.1.39 + 1.1.30 1.11.1 + 1.12.1 B11c + B14c Cijferen: Optellen en aftrekken tot 1000. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38a + B39a De digitale en analoge klok lezen/aanvullen tot op 1 minuut nauwkeurig. 2.1 + 2.2 1.2.21 2.4.12 MR69b De tijdsduur tussen twee gegeven tijdstippen bepalen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70c 7 Blok 1

Blok 1 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 8 1 23 Een breuk nemen van een grootheid. 1.1.19 1.14.3 B24 Een breuk nemen van een tafelproduct en van een tienvoud van tafelproducten. 1.1.19 1.14.3 B25 Vermenigvuldigingen van het type E x TE (elk cijfer kan nul zijn) maken. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 Opgaande delingen (deeltal minder dan 100), buiten de deeltafels, maken door de getallen te splitsen naar gelang van de deler (bestaat uit één cijfer). Opgaande delingen waarvan het deeltal een tienvoud is van een tafelproduct maken. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a E x TE tot 1000. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40a TE : E tot 1000, het quotiënt bestaat uit drie cijfers. 1.13 2.1.42 1.15.1 B42 1 24 Getallen tot 10 000 schrijven en de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.07 + 1.1.08 1.2.2 + 1.3.4 G11d Getallen tot 10 000 positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Getallen rangschikken in stijgende en dalende volgorde. 1.5 1.1.07 1.4.6 G12 Getallenreeksen volgens een patroon aanvullen. 1.12 1.1.17 1.7.2 G39 Een breuk nemen van een grootheid. 1.1.19 1.14.3 B24 Een breuk nemen van een tafelproduct en van een tienvoud van tafelproducten. 1.1.19 1.14.3 B25 Optellen en aftrekken tot 1000. 1.13 2.1.40 1.11.1 + 1.12.1 B11c + B14c Vermenigvuldigingen van het type E x TE (elk cijfer kan nul zijn) maken. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 Opgaande delingen (deeltal minder dan 100), buiten de deeltafels, maken door de getallen te splitsen naar gelang van de deler (bestaat uit één cijfer). Opgaande delingen waarvan het deeltal een tienvoud is van een tafelproduct maken. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a Optellen en aftrekken tot 1000. 2.1.40 B11 + B14 E x TE tot 1000. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40a TE : E tot 1000, het quotiënt bestaat uit drie cijfers. 1.13 2.1.42 1.15.1 B42 De digitale en analoge klok lezen/aanvullen tot op 1 minuut nauwkeurig. 2.1 + 2.2 1.2.21 2.4.12 MR69b De tijdsduur tussen twee gegeven tijdstippen bepalen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70c

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 2 1 Vanuit concrete situaties het begrip gemiddelde met eigen woorden invullen. 3.1.02 1.18.29 B57a Continue en discontinue materialen gelijk verdelen. OD 2.4 + 1.3 1.6.2 + 1.6.3 G14a Vaststellen dat het gemiddelde van een reeks gegevens tussen de hoogste en de laagste waarde ligt. 3.1.02 1.18.29 B57a Situaties aangeven waarin het gemiddelde wordt gebruikt. 3.1.02 + 2.1.45 1.18.29 B57a et gemiddelde in eenvoudige situaties berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57a 2 Optellingen van het type D + D, D +, D + D, D + D, D + en D + D zonder en met overschrijding van het duizendtal maken. Aftrekkingen van het type D - D, D -, D - D, D - D, D - en D - D zonder en met overschrijding van het duizendtal maken. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.3 B11d 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.12.3 B14d Bij het optellen de wisseleigenschap gebruiken. 1.14 1.1.23 1.11.2 B4a Getallen van het type D splitsen. 1.13 2.1.05 1.11.1 B11d N Getallen tot 10 000 lezen en ordenen. 1.5 2.1.07 + 1.1.07 1.2.2 + 1.4.6 G11d + G12d N Optellingen en aftrekkingen op de lege getallenlijn voorstellen. 1.13 1.1.23 1.11.1 + 1.12.1 B2 + B11 + B14 2 3 De som van twee getallen schatten. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 et verschil van twee getallen schatten. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 Optellingen met en zonder onthouden maken. 1.24 2.1.40 1.20.1 B38a Aftrekkingen met en zonder lenen maken. 1.24 2.1.40 1.21.1 B39a et resultaat van een bewerking controleren door de uitkomst te vergelijken met 1.16 2.1.37 1.19.4 + 1.19.5 B36 de schatting. Rekentaal gebruiken. 1.3 + 1.9 1.9.4 G41 N Tabellen gebruiken. 1.18.11 G40a 9 Blok 2

Blok 2 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 10 2 4 Invoeren van de millimeter en noteren als mm. 2.1 + 2.2 2.2.01 2.2.3.1 MR30e Lengten tot op 1 mm nauwkeurig meten, lezen en tekenen. 2.1 + 2.2 2.2.01 2.2.3.1 + 2.2.3.3 et verband tussen maateenheid en maatgetal inzien en verwoorden. 2.1 2.2.06 2.2.7 MR27 De termen maat, maatgetal en maateenheid correct gebruiken. 2.1 2.2.06 2.2.7 MR17b Eenvoudige herleidingen uitvoeren. 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.01 2.2.3.21 MR28 De rij van de gekende lengtematen opbouwen en uitbreiden met de millimeter. 2.1 + 2.2 2.2.04 2.2.3.1 MR30e Een lengte schatten. 2.3 + 2.8 2.2.03 2.2.3.18 MR20 Een referentiemaat voor mm hanteren. 2.3 + 2.8 2.2.01 2.2.3.18 MR18 MR31 2 5 et verband leggen tussen driedimensionele situaties en hun tweedimensionale voorstelling en omgekeerd. 2.3.03 3.5.5 MK7 Op een plan de plaats van de fotograaf aangeven. 3.7 2.3.03 + 1.3.03 3.5.4 MK6 Bij een bouwsel het verband leggen tussen je positie en wat je ziet. 3.7 2.3.01 3.5.4 MK6 Aan de hand van verschillende aanzichten een bouwsel maken. 2.3.04 3.3.1 MK7 Van een bouwsel een grondplan maken en de hoogtegetallen noteren en omgekeerd. 1.3.06 3.3.2 MK7 2 6 Optellingen van het type D + D, D +, D + D, D + D, D + en D + D zonder en met overschrijding van het duizendtal maken. Aftrekkingen van het type D - D, D -, D - D, D - D, D - en D - D zonder en met overschrijding van het duizendtal maken. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.3 B11d 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.12.3 B14d Bij het optellen de wisseleigenschap gebruiken. 1.14 2.1.04 + 1.1.23 1.11.2 B4a Rekentaal gebruiken. 1.3 + 1.9 1.9.4 G41 et resultaat van optellingen en aftrekkingen schatten. 1.16 2.1.37 1.19.4 + 1.19.5 B36 Optellingen en aftrekkingen maken. 1.13 2.1.40 1.11.1 + 1.12.1 B11c + B14c et resultaat van een bewerking controleren door de uitkomst te vergelijken met de schatting. 1.16 2.1.37 1.19.4 + 1.19.5 B36

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 2 7 In situaties rechtevenredigheid ontdekken. 1.21 2.4.03 1.17.3 G41 Vraagstukken met rechtevenredige grootheden oplossen door de gegevens voor te stellen in een verhoudingstabel. 1.21 2.4.03 1.17.3 B54a N Weten dat de vermenigvuldiger links wordt geschreven. 1.9 1.9.4 B16 2 8 et product berekenen van natuurlijke getallen waarbij een van de factoren 10, 1.13 3.1.28 + 2.1.39 1.14.4 B19 100 of 1000 is. Vermenigvuldigingen van de types T x T en T x TE maken. 1.13 2.1.36 1.14.4 B19 De wisseleigenschap ervaren en toepassen. 1.13 + 1.14 2.1.04 1.14.7 B6a N De maaltafels vlot reproduceren. 10.1 2.1.36 1.13.4 B17 N Weten dat de vermenigvuldiger links wordt geschreven. 1.9 1.9.4 B16 2 9 De rij van de gekende lengtematen opbouwen en daarbij de maateenheden en 2.1 + 2.2 2.2.04 + 2.2.01 2.2.3.1 MR30e hun symbolen lezen en gebruiken: mm, cm, dm, m en km. De lengtematen in stijgende en dalende volgorde rangschikken. 2.1 + 2.2 2.2.04 2.2.3.1 MR30e De verhouding tussen de lengtematen kennen en noteren als breuk of als natuurlijk getal. 2.1 + 2.2 + 2.6 + 2.7 2.2.04 + 1.1.19 2.2.3.19 + 2.2.3.21 Eenvoudige herleidingen uitvoeren. 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.01 2.2.3.21 MR28 et verband tussen maateenheid en maatgetal inzien en verwoorden. 2.1 2.2.06 2.2.7 MR27 Meetresultaten op verschillende manieren noteren. 2.2 + 2.6 + 2.7 2.2.01 2.2.3.21 MR28 MR30 11 2 10 Veelvouden van 10 < 10 000 delen door 10. 1.13 2.1.39 1.15.1 B23a Veelvouden van 100 < 10 000 delen door 10 en 100. 1.13 2.1.39 1.15.1 B23a et quotiënt berekenen van opgaande delingen van het type D : E naar analogie met de tafels. et quotiënt berekenen van opgaande delingen van de vorm TE : E door het deeltal zinvol te splitsen. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a N De deeltafels toepassen. 1.10 2.1.36 1.13.4 B21 Blok 2

Blok 2 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 12 2 11 Vlakke figuren herkennen aan allerlei voorwerpen. 3.2a 1.3.10 3.1.7 MK14 Vlakke figuren onderverdelen in veelhoeken en niet-veelhoeken. 3.2 1.3.13 3.1.11 MK15 Veelhoeken benoemen volgens het aantal hoeken en zijden. 3.2 1.3.15 3.1.11 MK16 De eigenschappen (van zijden en hoeken) van een rechthoek en een vierkant ontdekken en verwoorden. 3.4 2.3.23 + 2.3.24 3.2.2 MK19a Vierkanten en rechthoeken construeren. 2.3.23 + 2.3.24 3.3.7 MK17a Bij het tekenen van een rechthoek en een vierkant de juiste hulpmiddelen kiezen en gebruiken. 3.4 2.3.08 + 2.3.21 3.1.8 + 3.3.7 MK48 De termen overstaande/tegenoverliggende zijden en hoeken correct gebruiken. 3.4 2.3.11 + 2.3.12 3.2.2 MK16 N Een geodriehoek gebruiken om rechte hoeken en de evenwijdigheid van zijden te controleren. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK30 2 12 Vraagstukken met rechtevenredige grootheden oplossen door de gegevens voor te stellen in een verhoudingstabel. 1.21 2.4.03 1.17.3 B54a et product berekenen van natuurlijke getallen waarbij een van de factoren 10, 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.4 B19 100 of 1000 is. Vermenigvuldigingen van de types T x T en T x TE maken. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 Veelvouden van 100 < 10 000 delen door 10 en 100. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23a et quotiënt berekenen van opgaande delingen van het type D : E naar analogie met de tafels. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 2 13 Breuken lezen en de begrippen breuk, teller, noemer en breukstreep gebruiken. 1.4 1.1.22 1.2.7 B15b Een breuk nemen van een grootheid en van een getal. 1.1.19 1.14.3 B24 + B25 Een deel van een geheel noteren als een breuk. 1.4 1.1.20 1.2.7 G14 Een breuk met teller 1 benoemen als een stambreuk. 1.4 3.1.16 1.2.7 G15c Stambreuken vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.5 G16a Breuken met dezelfde noemer vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.10 G16b N De deeltafels vlot reproduceren. 1.10 2.1.36 1.13.4 B21

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 2 14 Vermengvuldigingen van het type: TE x TE, T x TE en TE x TE (waarbij T of E nul is) maken. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.7 B18 De schatprocedure bij vermenigvuldigingen van het type TE x TE uitvoeren. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 N et stappenplan bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 2 15 Vermenigvuldigingen van het type E x TE (product < 10 000) cijferend berekenen. 1.24 3.1.33 1.22.1 B40a et cijferalgoritme uitbreiden in het type TE x TE (product < 10 000). 1.24 3.1.33 1.22.1 B40b 2 16 et quotiënt van opgaande delingen van het type (D)TE : E berekenen door het deeltal te splitsen in termen die gemakkelijk deelbaar zijn door de deler. et quotiënt van opgaande delingen van het type (D)TE : E buiten de tafels berekenen door het deeltal te splitsen in twee of meer getallen die deelbaar zijn door de deler. et quotiënt van opgaande delingen van het type (D)TE : E berekenen naar analogie met de tafels. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a N De deeltafels vlot reproduceren. 1.10 2.1.36 1.13.4 B21 N De producten van de tafels herkennen in een getal van het type (D)TE. 1.13 + 1.14 2.1.39 1.15.4 B22a 13 2 17 In een reeks vlakke figuren de driehoeken herkennen en aangeven. 1.3.15 3.1.4 MK15 De hoeken van driehoeken onderzoeken. 3.4 2.3.20 3.2.1 MK20 Driehoeken classificeren en benoemen als scherphoekige, rechthoekige en stomphoekige driehoeken. Vaststellen dat elke driehoek minstens 2 scherpe hoeken heeft en dat de derde hoek bepalend is voor de naamgeving. Op ruitjespapier een rechthoekige, stomphoekige en scherphoekige driehoek tekenen. 3.4 2.3.30 3.2.1 MK22b 3.4 2.3.30 3.2.1 MK20 2.3.30 3.3.7 MK21 N De geodriehoek gebruiken om hoeken te controleren. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK30 Blok 2

Blok 2 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 14 2 18 Een breuk nemen van een grootheid en van een getal. 1.1.19 1.14.3 B24+25 Een breuk met teller 1 benoemen als een stambreuk. 1.4 3.1.16 1.2.7 G15c Stambreuken vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.9 G16a Breuken met dezelfde noemer (gelijknamige breuken) vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.10 G16b Vermenigvuldigingen en delingen van de gekende types hoofdrekenend oplossen. 1.13 2.1.39 1.14.1 + 1.15.1 B18 + B21 Vermenigvuldigingen van het type TE x TE cijferend oplossen. 1.24 3.1.33 1.22.1 B40b et quotiënt van opgaande delingen van het type (D)TE : E buiten de tafels berekenen door het deeltal te splitsen in twee of meer getallen die deelbaar zijn door de deler. et quotiënt van opgaande delingen van het type (D)TE : E berekenen naar analogie met de tafels. Driehoeken classificeren en benoemen als scherphoekig, rechthoekig en stomphoekig. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 3.4 2.3.30 3.2.1 MK22b 2 19 et quotiënt berekenen van delingen van het type TE : E waarbij het quotiënt bestaat uit twee cijfers ( < deler). 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23a et quotiënt berekenen van delingen van het type DTE : E. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23a De schatprocedure bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 De termen quotiënt, deeltal, deler en rest gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3c N Niet-opgaande delingen binnen het tafelbereik uitvoeren. 1.14 2.1.36 1.15.4 B22b 2 20 In aangeboden situaties een vermenigvuldiging herkennen. 1.6 2.4.02 1.9.5 B1 De verhoudingstabel gebruiken om vraagstukken op te lossen. 2.4.03 1.17.2 B54a In een context de gegevens onderscheiden die nodig zijn om het vraagstuk op te lossen en de overbodige gegevens elimineren. Afhankelijk van de complexiteit van de getallen bij het zoeken van het product kiezen voor hoofdrekenen of cijferen. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO2 2.1.38 1.24.5 B52 Bij een gegeven vraagstuk een vraag formuleren. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 + DO2 N De pictogrammen van het stappenplan bij vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 2 21 De zijden van driehoeken onderzoeken. 3.4 2.3.25 + 2.3.26 + 2.3.28 3.2.1 MK20 Driehoeken classificeren en benoemen als gelijkzijdige, ongelijkbenige (ongelijkzijdige driehoek voor OVSG en GO) en gelijkbenige driehoek. Met gegeven lengten gelijkzijdige, gelijkbenige en ongelijkbenige driehoeken vormen. 3.4 2.3.25 + 2.3.26 + 2.3.28 2.3.25 + 2.3.26 + 2.3.28 3.2.1 MK20 3.3.7 MK21 N De geodriehoek gebruiken om hoeken te controleren. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK30 N Lijnstukken meten tot op één centimeter nauwkeurig. 2.2.01 2.2.3.2 MR31 N Driehoeken benoemen als scherphoekige, rechthoekige en stomphoekige driehoek. 3.4 2.3.30 3.2.1 MK20 2 22 In situaties rechtevenredigheid ontdekken. 1.21 2.4.03 1.17.3 G41 Vraagstukken met rechtevenredige grootheden oplossen door de gegevens voor 1.21 2.4.03 1.17.3 B54a te stellen in een verhoudingstabel. 2 23 Bij optellen en aftrekken een doelmatige oplossingswijze kiezen op basis van de aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerking. 1.13 + 1.14 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 15 Blok 2

Blok 2 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 16 2 24 Cijferen: et quotiënt berekenen van delingen van het type TE : E waarbij het 1.13 2.1.42 1.15.1 B42a quotiënt bestaat uit twee cijfers ( < d). Cijferen: et quotiënt berekenen van delingen van het type DTE : E. 1.13 2.1.42 1.15.1 B42a In situaties rechtevenredigheid ontdekken. 1.21 2.4.03 1.17.3 G41 Vraagstukken met rechtevenredige grootheden oplossen door de gegevens voor 1.21 2.4.03 1.17.3 B54a te stellen in een verhoudingstabel. Bij optellen en aftrekken een oplossingswijze kiezen op basis van de aard van de 1.13 + 1.14 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 getallen en de eigenschappen van de bewerkingen. oofdrekenen: et quotiënt van opgaande delingen van het type (D)TE : E 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a buiten de tafels berekenen door het deeltal te splitsen in twee of meer getallen die deelbaar zijn door de deler. oofdrekenen: et quotiënt van opgaande delingen van het type (D)TE : E 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a berekenen naar analogie van de tafels. N et cijferalgoritme voor de deling correct toepassen. 1.13 2.1.42 1.15.1 B45 N De deeltafels vlot reproduceren. 1.10 2.1.36 1.13.4 B21 N Tafelproducten herkennen in getallen van het type DTE en TE. 1.10 2.1.39 1.13.4 B18 2 25 et gemiddelde in eenvoudige situaties berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57a In aangeboden situaties de bewerking herkennen. 2.4.02 1.18.29 B57a Optellingen en aftrekkingen van de gekende types maken en de oplossingswijze 1.13 + 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 kiezen op basis van de aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerkingen. Vermenigvuldigingen van het type E x en E x D en T x T maken. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 + 1.14.4 B18 Veelvouden van 100 < 10 000 delen door 100. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23a Afhankelijk van de complexiteit van de getallen bij het zoeken van de uitkomst 2.1.38 1.24.5 B52 kiezen voor hoofdrekenen of cijferen. Vermenigvuldigingen van het type T(E) x TE maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40b Optellingen met drie termen maken. 1.24 1.1.30 + 2.1.39 1.20.1 B38a Eenvoudige herleidingen uitvoeren. 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.01 2.2.3.21 MR28 N De pictogrammen van het stappenplan bij vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 2 26 en 27 et gemiddelde in eenvoudige situaties berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57a Stambreuken en breuken met eenzelfde noemer vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.9 + 1.4.10 G16a + G16b Vermenigvuldigingen van het type x E, x T, E x T, T x T, T x TE en TE x TE 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 + 1.14.4 B18 maken. Veelvouden van 100 < 10 000 delen door 10 en 100. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23a et quotiënt van opgaande delingen van het type TE : E berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a deeltal zinvol te splitsen. Optellingen en aftrekkingen van de gekende types maken. 1.24 1.1.30 + 2.1.39 1.20.1 + 1.21.1 B38a + B39a Bij optellen en aftrekken een doelmatige oplossingswijze kiezen op basis van de 1.13 + 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerking. Bij vraagstukken de bewerking noteren en een antwoordzin formuleren. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 Vraagstukken met rechtevenredige grootheden oplossen door de gegevens voor 1.21 2.4.03 1.17.3 B54a te stellen in een verhoudingstabel. Optellingen/aftrekkingen met onthouden/lenen maken. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38a + B39a Vermenigvuldigingen van het type E x TE en TE x TE maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40a + B40b et quotiënt berekenen van delingen van het type DTE : E. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B42a Een juiste maateenheid gebruiken. 2.1 + 2.2 2.2.02 2.2.3.1 MR26 Eenvoudige herleidingen uitvoeren. 2.2 + 2.6 + 2.7 2.2.03 2.2.3.21 MR28 Een vierkant, een rechthoek en een stomphoekige driehoek tekenen op ruitjespapier. 2.3.23 + 2.3.24 + 3.3.09 3.3.7 MK17 + MK21 Scherphoekige, stomphoekige, rechthoekige, gelijkbenige, gelijkzijdige en ongelijkbenige/ongelijkzijdige driehoeken herkennen. 3.4 2.3.26 + 2.3.28 + 2.3.30 + 2.3.25 3.2.1 MK20 De eigenschappen van een rechthoek (zijden en hoeken) kennen. 3.4 2.3.23 3.2.2 MK16a Bij een bouwsel het verband leggen tussen je positie en wat je ziet. 3.7 2.3.01 3.5.4 MK6 Van een bouwsel een grondplan maken en de hoogtegetallen noteren. 1.3.06 3.3.2 MK7 17 2 28 et gemiddelde in eenvoudige situaties berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57a Stambreuken en breuken met eenzelfde noemer vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.9 + 1.4.10 G16a + G16b Optellingen/aftrekkingen met onthouden/lenen uitvoeren. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38a + B39a Vermenigvuldigingen van het type E x TE en TE x TE uitvoeren. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40a + B40b et quotiënt berekenen van delingen van het type DTE : E. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B42a Blok 2

Blok 2 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 18 2 29 Optellingen en aftrekkingen van de gekende types maken. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B2 + B11 + B14 Bij optellen en aftrekken een doelmatige oplossingswijze kiezen op basis van de 1.13 + 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerking. Vermenigvuldigingen van het type x TE, T x T, T x TE, TE x TE maken. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 + 1.14.4 B18 Veelvouden van 100 < 10 000 delen door 10 en 100. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23a et quotiënt van opgaande delingen van het type TE : E berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a deeltal zinvol te splitsen. Bij vraagstukken de bewerking noteren en een antwoordzin formuleren. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 2 30 et gemiddelde in eenvoudige situaties berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57a Stambreuken en breuken met eenzelfde noemer vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.9 + 1.4.10 G16a + G16b Vermenigvuldigingen van het type x E, x T, E x T, T x T, T x TE en TE x TE 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 + 1.14.4 B18 maken. Veelvouden van 100 < 10 000 delen door 10 en 100. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23a et quotiënt van opgaande delingen van het type TE : E berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a deeltal zinvol te splitsen. Optellingen en aftrekkingen van de gekende types maken. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B2 + B11 + B14 Bij optellen en aftrekken een doelmatige oplossingswijze kiezen op basis van de 1.13 + 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerking. Bij vraagstukken de bewerking noteren en een antwoordzin formuleren. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 Optellingen/aftrekkingen met onthouden/lenen maken. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38a + B39a Vermenigvuldigingen van het type E x TE en TE x TE maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40a + B40b et quotiënt berekenen van delingen van het type DTE : E. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B42a

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 3 1 Temperatuur aflezen, noteren en aangeven in graden Celsius op verschillende soorten thermometers. 2.1 + 2.2 1.2.25 2.6.4 MR74 Temperaturen vergelijken en rangschikken. 2.1 + 2.2 1.1.06 + 1.1.07 2.6.6 MR21 et verschil bepalen tussen 2 temperaturen. 2.1 + 2.2 1.1.06 + 1.1.30 2.6.6 MR21 Negatieve getallen in concrete situaties lezen en noteren. 1.1.06 1.2.3 G29 Negatieve getallen in concrete situaties vergelijken en rangschikken. 1.1.06 1.2.3 G29 Positieve en negatieve getallen op een getallenlijn plaatsen. 1.5 1.1.13 + 1.1.06 1.4.6 G12 N Tabellen lezen en invullen. 2.2.27 1.18.10 G40a 3 2 De gegevens van een staafdiagram en lijngrafiek lezen en interpreteren. 1.8 + 5.2 2.2.27 1.18.19 + 1.18.25 In een staafdiagram en lijngrafiek de betekenis van de twee assen afleiden. 1.8 2.2.27 1.18.15 + 1.18.21 Een staafdiagram in een lijngrafiek omzetten. 1.8 2.2.27 1.18.18 + 1.18.23 Aan de hand van gegevens een lijngrafiek opbouwen. 1.8 2.2.27 1.18.23 G40b Gegevens van een tabel lezen en verwerken in een lijngrafiek of een 1.8 2.2.27 1.18.17 + G40 staafdiagram. 1.18.22 N Kennismaken met verschillende diagrammen en grafieken. 1.8 2.2.27 1.18.10 + 1.18.15 + 1.18.22 G40a N Ervaren dat de gegevens in een diagram/grafiek overzichtelijk voorgesteld worden. 1.8 2.2.27 1.18.10 + 1.18.15 + 1.18.22 N et gemiddelde berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57a G40a G40a G40b G40a 19 Blok 3

Blok 3 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 20 3 3 een en terug tellen met sprongen van 1, 10 en 100 rond een zuiver D en D. 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 Aanvullen tot het volgende duizendtal. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B11d Optellingen van de types DT + T = D en DT + T = D uitvoeren. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B11d Aftrekkingen van de types D - T, D - T en D - E uitvoeren. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B14c Bij optellen en aftrekken van verschillende termen een doelmatige oplossingswijze kiezen op basis van de aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerkingen. 1.13 + 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 N Getallen tot 10 000 lezen. 2.1.07 1.3.5 G11 3 4 Kennismaken met de breukendoos. 1.5 1.1.19 1.2.7 + 1.3.7 G40a Gelijknamige breuken met behulp van de breukendoos vergelijken. 1.5 1.1.21 1.1.10 G16b Stambreuken met behulp van de breukendoos vergelijken. 1.5 1.1.21 1.1.9 G16a Ongelijknamige breuken met behulp van de breukendoos vergelijken. 1.5 1.1.21 1.1.10 G16c 3 5 De schatprocedure bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 Cijferen: DTE : E waarbij het cijfer van de duizendtallen kleiner is dan de deler. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.23.1 B42a De termen quotiënt, deeltal, deler en rest gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3c

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 3 6 Temperatuur aflezen, noteren en aangeven in graden Celsius. 2.1 + 2.2 1.2.25 2.6.4 MR74 Temperaturen vergelijken en rangschikken. 2.1+ 2.2 1.1.06 + 1.1.07 2.6.6 MR21 Positieve en negatieve getallen op een getallenlijn plaatsen. 1.5 1.1.06 + 1.1.13 1.4.6 G12 Aanvullen tot het volgende duizendtal. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B11d Optellingen van de types DT + T = D en DT + T = D uitvoeren. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B11d Aftrekkingen van de types D - T, D - T en D - E uitvoeren. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B14c Bij optellen en aftrekken van verschillende termen een doelmatige oplossingswijze 1.13 + 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 kiezen op basis van de aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerkingen. De schatprocedure bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 Cijferen: DTE : E. 1.24 2.1.42 1.23.1 B42a Opgaande delingen van het type TE : E uitvoeren naar analogie met de tafels. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 3 7 Aan de hand van een aantal gegevens een staafdiagram opbouwen. 1.8 1.18.18 G40b Een staafdiagram opbouwen met bijzondere aandacht voor de gegevens op de 1.8 1.18.18 G40b horizontale as. Een staafdiagram lezen en interpreteren. 1.8 1.18.9 G40a 3 8 Een tijdsduur uitgedrukt in seconden ervaren. 2.2.26 2.4.4 + 2.4.15 MR68d Een tijdstip uitdrukken in uren, minuten en seconden. 2.3 2.2.26 2.4.17 MR68d Een tijdsduur uitdrukken in uren, minuten en seconden. 2.12 2.2.26 2.4.21 MR70c De term seconde en de afkorting sec. lezen en gebruiken. 2.2 2.2.26 2.4.16 MR68d De tijd lezen en noteren tot op één seconde nauwkeurig. 2.2.26 bij OVSG tot MR69b op 1 minuut De passendste maateenheid voor tijd kiezen. 2.3 2.2.26 2.4.20 MR26 et verband tussen minuut en seconden kennen. 2.4 2.2.26 2.4.18 MR68 21 Blok 3

Blok 3 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 22 3 9 Veelvouden van 10 < 10 000 op een handige manier delen door 5. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b Veelvouden van 100 < 10 000 op een handige manier delen door 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b Opgaande delingen van het type DTE : E uitvoeren door het deeltal zinvol te 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a splitsen. N Veelvouden van 10 < 10 000 delen door 10. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23a N Veelvouden van 100 < 10 000 delen door 100. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23a N Opgaande delingen van het type D : E naar analogie met de tafels uitvoeren. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a 3 10 De eigenschappen van de hoeken en zijden bij vierhoeken onderzoeken en verwoorden. Classificeren van vierhoeken volgens de evenwijdigheid van zijden, de gelijkheid van zijden en het aantal rechte hoeken. N De eigenschappen van zijden en hoeken van een rechthoek en een vierkant verwoorden. 3.4 2.3.14 + 2.3.18 3.2.2 MK16 3.4 2.3.14 + 2.3.18 3.2.2 MK19 + 2.3.06 3.4 2.3.23 + 2.3.24 3.2.2 MK19a 3 11 De term milliliter en de afkorting ml kennen en gebruiken als maateenheid. 2.1 + 2.2 3.2.08 2.2.3.1 MR30e Inhouden tot op 1 ml nauwkeurig meten, lezen en noteren. 2.1 + 2.2 3.2.08 2.2.3.1 MR51c et verband tussen maateenheid en maatgetal inzien en verwoorden. 2.1 2.2.13 2.2.7 MR27 Relaties tussen de verschillende maateenheden (l, dl, cl en ml) kennen. 2.1 2.2.12 2.2.7 MR51c Eenvoudige herleidingen uitvoeren. 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.09 2.2.3.21 MR28 Bij inhoudsmaten elk cijfer van het maatgetal de juiste maateenheid toekennen. 2.1 + 2.2 3.2.09 2.2.3.1 MR51c 3 12 Tijd lezen en noteren tot op een seconde nauwkeurig. 2.2.26 bij OVSG tot MR69b op 1 minuut DTE delen door 5 en 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23 Opgaande delingen van de vorm DTE : E maken. 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a Een lijngrafiek lezen en interpreteren. 5.2 2.2.27 1.18.25 G40a N Gegevens uit een tabel lezen. 2.2.27 1.18.10 G40a

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 3 13 Optellingen met overschrijden van het duizendtal oplossen door aan te vullen 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B11d tot het volgende duizendtal of door de tweede term te splitsen en, T en E (doortellen). Aftrekkingen met overschrijden van het duizendtal oplossen door af te trekken tot 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B14d het vorige duizendtal of de tweede term splitsen in, T en E. Bij optellen en aftrekken een doelmatige oplossingswijze kiezen op basis van de 1.13 + 1.14 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerking. N Tellen met sprongen rond zuivere D en D. 1.1 1.1.30 + 2.1.39 1.1.3 G6 N et stappenplan voor vraagstukken toepassen. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 3 14 Kennismaking met het begrip schaal (verkleining en vergroting) in een concrete 2.4 3.2.02 2.3.1 + 2.3.2 MR85 situatie. et verband zien tussen de schaal en de mate van de verkleining. 2.4 3.2.02 2.3.1 + 2.3.2 MR85 De werkelijke afmeting berekenen als de schaal en de tekening gegeven zijn. 3.2.05 2.3.3 MR85 N Gelijkvormigheid en vervormingen herkennen. 3.6 2.2.07 3.4.2 MK41 3 15 De omtrek van veelhoeken berekenen. 2.9 2.2.08 2.2.3.4 MR33 Bij het berekenen van de omtrek gebruik maken van de eigenschappen van de 2.9 2.2.08 2.2.3.4 MR33 zijden van een figuur. Meten tot op 1 cm nauwkeurig. 2.2.01 2.2.3.2 MR31 Vierkanten en rechthoeken met een gegeven omtrek tekenen. 2.2.09 3.3.7 MK17a 3 16 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a + B27a Ongelijknamige breuken vergelijken. 1.5 1.1.21 1.1.10 G16c N Werken met de breukendoos. 1.5 1.1.19 + 3.1.20 1.1.10 G16 23 Blok 3

Blok 3 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 24 3 17 Bij vermenigvuldigingen van het type TE x TE kiezen tussen hoofdrekenen en 1.28 2.1.38 1.14.1 + 1.22.1 B52 cijferen. oofdrekenen: Vermenigvuldigingen van ronde getallen maken. 1.13 + 1.14 2.1.39 1.14.1 + 1.14.4 B18 oofdrekenen: Vermenigvuldigingen van het type TE x ()TE (ook handig rekenen). 1.13 + 1.14 2.1.39 1.14.1 + 1.14.4 +1.14.7 Cijferen: Vermenigvuldigingen van het type TE x TE (T of E is nul) berekenen. 1.24 2.1.41 1.22.1 B40B et product schatten. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 B18 3 18 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a + B27a Ongelijknamige breuken vergelijken. 1.5 1.1.21 1.1.10 G16c Optellingen met overschrijden van het duizendtal oplossen door aan te vullen tot 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B11d het volgende duizendtal of door de tweede term te splitsen en, T en E. Aftrekkingen met overschrijden van het duizendtal oplossen door af te trekken tot 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.12.2 B14d het vorige duizendtal of de tweede term splitsen in, T en E. Bij optellen en aftrekken een doelmatige oplossingswijze kiezen op basis van de 1.13 + 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerking. Vermenigvuldigingen van het type E x TE uit het hoofd berekenen door middel 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.7 B18 van handig rekenen. Vermenigvuldigingen van het type TE x TE cijferend berekenen. 1.24 2.1.41 1.22.1 B40b Bij vermenigvuldigingen van het type TE x TE kiezen tussen hoofdrekenen en 1.28 2.1.38 1.14.1 + 1.22.1 B52 cijferen. et product schatten. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 De omtrek van vierhoeken meten en berekenen. 2.9 2.2.08 2.2.3.4 MR33 3 19 Een bedrag in euro en eurocent gepast betalen. 2.11 2.2.24 2.8.5 + 2.8.6 MR72 Teruggeven op een bedrag door aanvullend tellen. 2.11 2.2.24 2.8.5 + 2.8.6 MR72 Geldwaarden noteren als kommagetal en lezen als euro en eurocent. 2.11 1.2.16 2.8.8 MR71c et verband leggen tussen 1 euro en 1, 10, 20 en 50 eurocent. 2.11 1.2.16 2.8.8 MR71c De prijs van verschillende producten bepalen. 2.11 2.8.8 MR71c

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 3 20 Omtrek en oppervlak van vlakke figuren aangeven. 2.9 1.2.07 2.2.3.4 + 2.2.3.7 De begrippen oppervlak en oppervlakte correct gebruiken. 2.9 2.2.3.7 MR33 + MR42 Oppervlakten vergelijken door figuren op elkaar te leggen. OD 2.1 2.2.17 2.2.1.1 MR1 + MR2 Oppervlakten meten met natuurlijke maateenheden. OD 2.6 2.2.17 2.2.2.2 MR7 et verband tussen maatgetal en maateenheid inzien en verwoorden. 2.1 2.2.13 2.2.7 MR27 Verwoorden dat figuren met dezelfde oppervlakte een verschillende vorm kunnen hebben. Verwoorden dat figuren met dezelfde oppervlakte een verschillende omtrek kunnen hebben. 2.6 2.2.16 2.2.3.23 MR39 2.6 2.2.16 2.2.3.23 MR40 3 21 Optellen en aftrekken van gekende types oefenen. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11c + B14c Vermenigvuldigen en delen met ronde getallen. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 N Bij optellen en aftrekken een doelmatige oplossingswijze kiezen op basis van de aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerking. 1.13 + 1.14 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 3 22 Bij staafdiagrammen en lijngrafieken de twee assen aanvullen. 1.8 1.18.15 + 1.18.21 Van staafdiagrammen, lijngrafieken en cirkeldiagrammen gegevens aflezen en hiermee eenvoudige berekeningen uitvoeren. 1.8 1.18.17 + 1.18.22 + 1.18.27 Een staafdiagram opstellen. 1.8 1.18.18 G40b N et gemiddelde berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57a G40b G40a 25 3 23 Vierhoeken benoemen als trapezium, parallellogram of ruit. 3.4 2.3.15 + 2.3.16 3.2.2 MK16b + 2.3.09 De eigenschappen van de hoeken en zijden van een ruit en een parallellogram 3.4 2.3.15 + 2.3.16 3.2.2 MK19 onderzoeken en verwoorden. Vierhoeken met opgegeven eigenschappen vormen. 3.3.04 3.3.7 MK14 Blok 3

Blok 3 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 26 3 24 Optellingen en aftrekkingen van gekende types oefenen. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11c + B14c Een bedrag in euro en eurocent gepast betalen. 2.11 2.2.24 2.8.5 + 2.8.6 MR72 Teruggeven op een bedrag door aanvullend tellen. 2.11 2.2.24 2.8.5 + 2.8.6 MR72 Geldwaarden noteren als kommagetal en lezen als euro en eurocent. 2.11 1.2.16 2.8.5 MR71c De prijs van verschillende producten bepalen. 2.11 2.2.24 2.8.5 MR71c 3 25 Bij een optelling, een aftrekking, een vermenigvuldiging en een deling een 1.16 2.1.37 1.19.4 + 1.19.5 B36 schatting maken. Cijferend optellen en aftrekken tot 10 000. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38a + B39a Vermenigvuldigingen van het type (T)E x TE cijferend uitvoeren. 1.24 2.1.41 1.22.1 B40b Delingen tot 10 000 (deler is minder dan 10) cijferend uitvoeren. 1.24 2.1.42 1.23.1 B42a De tijdsduur berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70c De verhouding tussen liter en milliliter kennen. 2.6 2.2.12 2.2.3.21 MR28 N De uitkomsten controleren met de zakrekenmachine. 3.1.36 1.25.6 B47 N De betekenis van de getallen verwoorden uit de context van een krantenartikel. 1.2 2.1.45 1.5.5 G9 3 26 en 27 Aan de hand van een aantal gegegevens (in een tabel) een staafdiagram 1.8 1.18.18 G40b opbouwen. Een tabel en een staafdiagram lezen en interpreteren. 1.8 1.18.17 G40a Stambreuken, gelijknamige en ongelijknamige breuken vergelijken. 1.5 2.1.19 1.1.9 + 1.1.10 G16 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a + B27a Optellingen en aftrekkingen van alle gekende types maken. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11c + B14c Bij optellen en aftrekken van verschillende termen een doelmatige oplossingswijze 1.13 + 1.14 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 kiezen op basis van de aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerkingen. Opgaande delingen maken van het type DTE : E door het deeltal zinvol te 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a splitsen. Veelvouden van 10 of 100 delen door 5 of 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b Vermenigvuldigingen van het type TE x TE maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40b Optellen en aftrekken tot 10 000. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11d + B14d De schatprocedue bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 3 26 en Delingen van het type DTE : E maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.23.1 B42a 27 Temperatuur lezen, noteren en aangeven in graden Celsius. 2.1 + 2.2 1.2.25 2.6.4 MR74 Positieve en negatieve temperaturen op een getallenlijn plaatsen. 1.5 1.2.25 1.4.6 G12 De tijd lezen tot op een seconde nauwkeurig. 1.2.21 + 2.2.26 bij OVSG tot op 1 minuut De relatie tussen maateenheden van tijd kennen. 2.12 2.2.26 2.4.18 MR68 et verband tussen maateenheid en maatgetal inzien. 2.1 2.2.05 2.2.7 MR27 Eenvoudige herleidingen uitvoeren. 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.01 2.2.3.21 MR28 De werkelijke afmeting berekenen als de schaal en de tekening gegeven zijn. 3.2.05 2.3.3 MR85 De omtrek van een vlakke figuur berekenen. 2.9 2.2.08 2.2.3.4 MR33 De oppervlakte meten met een natuurlijke maateenheid. 2.2.17 MR7 Omtrek en oppervlak van vlakke figuren aangeven. 2.9 1.2.07 + 2.2.17 2.2.3.4 + 2.2.3.7 De eigenschappen van vierhoeken onderzoeken. 3.4 3.3.04 3.2.2 MK19 Vierhoeken met opgegeven eigenschappen tekenen. 3.3.04 3.3.7 MK17 MR69b MR33 + MR42 3 28 Vermenigvuldigingen van het type T(E) x TE maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40b Optellen en aftrekken tot 10 000. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11d + B14d De schatprocedure bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 Delingen van het type DTE : E maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.23.1 B42a 27 3 29 Optellingen en aftrekkingen van alle gekende types maken. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11d + B14d Bij optellen en aftrekken van verschillende termen een doelmatige oplossingswijze 1.13 + 1.14 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 kiezen op basis van de aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerkingen. Opgaande delingen maken van het type DTE : E door het deeltal zinvol te 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a splitsen. Veelvouden van 10 of 100 delen door 5 of 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b Eenvoudige herleidingen uitvoeren. 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.01 2.2.3.21 MR28 et verband tussen maateenheid en maatgetal inzien. 2.1 2.2.13 2.2.7 MR27 Blok 3

Blok 3 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 28 3 30 Optellingen en aftrekkingen van alle gekende types maken. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11d + B14d Bij optellen en aftrekken van verschillende termen een doelmatige oplossingswijze kiezen op basis van de aard van de getallen en de eigenschappen van de bewerkingen. 1.13 + 1.14 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B11 + B14 Opgaande delingen maken van het type DTE : E door het deeltal zinvol te 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22a splitsen. Veelvouden van 10 of 100 delen door 5 of 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b Vermenigvuldigingen van het type TE x TE maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.1 B40b Optellen en aftrekken tot 10 000. 1.13 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11d + B14d De schatprocedure bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 Delingen van het type DTE : E maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.23.1 B42a Eenvoudige herleidingen uitvoeren. 2.2 + 2.6 + 2.7 2.2.12 + 3.2.09 2.2.3.21 MR28 et verband tussen maateenheid en maatgetal inzien. 2.1 2.2.13 2.2.7

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 4 1 Betekenis geven aan getallen tot 100 000. 1.5 2.1.07 1.2.2 G11 Getallen tot 100 000 lezen en noteren. 1.5 2.1.07 1.2.2 G11 Getallen tot 100 000 in het positieschema noteren. 1.1.08 1.3.5 G11 Tellen met sprongen van 500, 1000 en 10 000. 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 Getallen tot 100 000 rangschikken. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Getallen tot 100 000 vormen als de waarde van elk cijfer gegeven is. 1.5 2.1.08 + 1.1.08 1.3.4 + 1.3.6 G11 Getallen tot 100 000 positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Getallen tot 100 000 afronden naar een vorig en volgend tienduizendtal. 1.15 2.1.04 1.8.3 G10 4 2 Getallen tot 100 000 rangschikken. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 De waarde van elk cijfer bepalen in getallen tot 100 000. 1.5 1.1.08 1.3.4 G10 Getallen tot 100 000 vormen als de waarde van elk cijfer gegeven is. 1.5 2.1.08 + 1.1.08 1.3.4 + 1.3.6 G10 Een zuiver tienduizendtal splitsen (bijvoorbeeld 60 000 = 20 000 +. en 60 000 = 1.13 2.1.05 1.11.1 G13 24 000 +.). Tellen met sprongen van 1, 10, 100 en 1000. 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 Getallen tot 100 000 positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 4 3 Optellingen met ronde getallen tot 100 000 van de volgende types maken: 1.15 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B11 34 000 + 21 000, 34 000 + 5000, 34 000 + 6000, 34 000 + 7000, 34 000 + 27 000, 34 000 + 8600, 34 000 28 600 en 34 700 + 400. Aftrekkingen met ronde getallen tot 100 000 van de volgende types maken: 1.15 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B14 54 000-21 000, 54 000-3000, 20 000-3000, 54 000-8000, 54 000-28 000, 54 000-600, 54 000-60, 54 000-8600, 54 000-28 600 en 54 100-400. De lege getallenlijn gebruiken bij het oplossen van bewerkingen. 1.15 1.1.23 1.11.1 + 1.12.1 B2b N Optellen en aftrekken tot 100. 1.15 1.1.30 1.11.1 + 1.12.1 B10 + B13 29 4 4 Optellingen tot 100 000 met onthouden maken. 1.24 2.1.40 1.20.1 B38 Aftrekkingen tot 100 000 met lenen maken. 1.24 2.1.40 1.21.1 B39 Blok 4

Blok 4 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 30 4 5 et lijnstuk dat de overstaande hoeken in een vierhoek verbindt, benoemen als 3.2a 3.3.05 3.1.7 MK11b diagonaal. De diagonalen in vierhoeken tekenen. 3.2a 3.3.05 3.1.7 MK18 De eigenschappen van de diagonalen van vierkanten/rechthoeken ontdekken. 3.3.06 3.2.4 MK18 et symbool voor loodrechte stand gebruiken. 3.3 2.3.22 3.1.7 MK35 De diagonalen van andere vierhoeken onderzoeken en hun eigenschappen verwoorden. 3.3.06 3.2.4 MK18 4 6 Getallen tot 100 000 rangschikken. 1.5 2.1.08 1.4.6 G10 + G11 Getallen tot 100 000 vormen als de waarde van elk cijfer gegeven is. 1.5 2.1.08 + 1.1.08 1.3.4 + 1.3.6 G11 De waarde van elk cijfer in getallen tot 100 000 bepalen. 2.1.04 1.3.4 G11 Een zuiver tienduizendtal splitsen. 1.13 2.1.05 1.11.1 G13 Getallen tot 100 000 afronden naar een vorig en volgend duizendtal. 1.15 2.1.01 1.8.3 G36 Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 100 000 maken. 1.15 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11 + B14 Optellingen tot 100 000 met onthouden maken. 1.24 2.1.40 1.20.1 B38 Aftrekkingen tot 100 000 met lenen maken. 1.24 2.1.40 1.21.1 B39 4 7 Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 100 000 waarvan een van de 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 factoren bestaat uit één cijfer maken. Vaststellen dat als een van de factoren vermenigvuldigd wordt met 10, 100 of 1.13 3.1.28 1.14.4 B19 1000, het product ook vermenigvuldigd wordt met 10, 100 of 1000. Opgaande delingen waarvan het deeltal een 10-, 100- of 1000-voud is van een 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B22 tafelproduct maken. Vaststellen dat als het deeltal vermenigvuldigd wordt met 10, 100 of 1000, het 1.11 3.1.28 1.15.4 B7d quotiënt ook vermenigvuldigd wordt met 10, 100 of 1000. Opgaande delingen waarbij de deler bestaat uit één cijfer berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B22 deeltal zinvol te splitsen. N De maal- en deeltafels toepassen. 1.13 2.1.36 1.15.1 B17 + B21

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 4 8 Vermenigvuldigingen tot 100 000 cijferend uitvoeren. (De vermenigvuldiger bestaat uit maximaal 2 cijfers.) 1.24 2.1.41 1.22.1 B40b Delingen waarvan het deeltal maximaal 100 000 is cijferend uitvoeren (deler < 1.24 2.1.42 1.23.1 B42a 10). N Rekentaal voor de vermenigvuldiging en de deling gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 4 9 De schatprocedure toepassen bij optellingen en aftrekkingen tot 100 000, waarbij 1.16 2.1.37 1.19.2 B36 het verschil in rang van de termen hoogstens 1 is. (Minstens een van de termen is > 10 000.) De zakrekenmachine gebruiken om het resultaat van een bewerking te 1.26 3.1.36 1.25.6 B47 berekenen. N Optellen en aftrekken tot 100. 1.13 1.1.30 1.11.1 + 1.12.1 B10 + B13 4 10 De noodzaak van een vaste maat voor het bepalen van oppervlakte inzien. 2.1 2.2.16 2.2.7 MR16 De vierkante decimeter benoemen als een maateenheid voor oppervlakte. 2.1 + 2.2 2.2.19 2.2.3.1 MR17 + MR37 et symbool voor vierkante decimeter (dm²) gebruiken. 2.1 + 2.2 3.2.13 2.2.3.1 MR17 + MR37 Een vierkant met een oppervlakte van 1 dm² tekenen. 2.1 + 2.2 2.2.3.1 MR17 + MR37 De oppervlakte van voorwerpen bepalen door ze te bedekken met vierkante 2.2.20 2.2.3.7 MR41 decimeters. Ervaren dat andere figuren dan een vierkant met zijde 1 dm een oppervlakte van 2.1 + 2.2 2.2.19 + 2.2.20 2.2.3.1 MR39 1 dm² kunnen hebben. Een referentiemaat voor dm² hanteren. 2.3 + 2.8 2.2.20 2.2.3.18 MR18 31 4 11 Verschillende breuken nemen van dezelfde grootheid en vaststellen dat het 1.4 2.1.18 1.5.6 B24 resultaat hetzelfde kan zijn. et begrip gelijkwaardige breuken gebruiken. 1.4 3.1.16 1.4.12 G16d Gelijkwaardige breuken ontdekken met behulp van de breukendoos. 1.22 2.1.18 1.4.13 G16 Gelijkwaardige breuken nemen van dezelfde hoeveelheid en vaststellen dat het resultaat hetzelfde is. 1.4 2.1.18 1.4.12 G16 Blok 4

Blok 4 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 32 4 12 Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 100 000 waarvan een van de 1.13 2.1.36 + 2.1.41 1.14.1 B18 factoren bestaat uit één cijfer maken. Opgaande delingen waarbij de deler bestaat uit één cijfer berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.42 1.15.4 B22 deeltal zinvol te splitsen. De schatprocedure toepassen bij optellingen en aftrekkingen tot 100 000, waarbij 1.16 2.1.37 1.19.2 het verschil in rang van de termen hoogstens 1 is. (Minstens een van de termen is > 10 000.) Vermenigvuldigingen tot 100 000 cijferend uitvoeren. 1.24 2.1.41 1.22.1 B40b Delingen waarvan het deeltal maximaal 100 000 is cijferend uitvoeren (deler < 1.24 2.1.42 1.23.1 B42a 10). N Optellen en aftrekken tot 100. 1.15 1.1.30 1.11.1 + 1.12.1 B10 + B13 4 13 en 14a Kommagetallen (met één decimaal) lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen voorstellen met schijven en t-kaartjes. 2.1.20 1.3.6 G21 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G22 Kommagetallen omzetten in een breuk met noemer 10 en omgekeerd. 1.18 2.1.25 + 2.1.24 1.4.14 G23 Kommagetallen op de getallenlijn plaatsen en lezen als tiende. 1.5 2.1.23 + 2.1.21 1.4.6 G22 et symbool t gebruiken. 2.1.20 1.3.5 G21 4 14b en 15 Kommagetallen (tot twee decimalen) lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen voorstellen met schijven en t- en h-kaartjes. 2.1.20 1.3.6 G21 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G22 Kommagetallen omzetten in een breuk met noemer 10 of 100 en omgekeerd. 1.18 2.1.25 + 2.1.24 1.4.14 G23 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 + 1.3.6 G21 et symbool h gebruiken. 2.1.20 1.3.5 G21 et positiestelsel uitbreiden met tienden en honderdsten. 2.1.20 1.3.5 G20 Vaststellen dat 1t = 10h. 1.5 2.1.20 1.4.6 G21

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 4 16 Een kommagetal situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G21 Een kommagetal met één of twee decimalen aanvullen/verminderen tot het 1.14 2.1.20 1.11.2 + 1.12.2 G21 volgende/vorige gehele getal. In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 + 1.3.6 G21 De gelijkheid 1 = 100h vaststellen. 1.5 2.1.20 1.4.6 G21 Kommagetallen rangschikken. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 Kommagetallen positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Kommagetallen in het positieschema noteren. 2.1.20 1.3.5 G20 4 17 De noodzaak ervaren voor het invoeren van een kleinere oppervlaktemaat en die benoemen als vierkante cm (cm²). De noodzaak ervaren voor het invoeren van een grotere oppervlaktemaat en die benoemen als vierkante m (m²). 2.1 + 2.2 2.2.17 2.2.3.1 MR16 + MR37a 2.1 + 2.2 2.2.17 2.2.3.1 MR16 + MR37a Een vierkant met een oppervlakte van 1 cm² tekenen. 2.1 2.2.3.1 MR37a Een vierkant met een oppervlakte van 1 m² tekenen. 2.1 2.2.3.1 MR37a Oppervlakten schatten en meten door bedekken (cm², dm² en m²). 2.8 2.2.20 2.2.3.7 + MR20 + MR41 2.2.3.18 Ervaren dat andere figuren dan een vierkant met zijde 1 cm/1m een oppervlakte 2.1 + 2.2 2.2.19 + 2.2.20 2.2.3.1 MR39 van 1 cm²/1m² kunnen hebben. Een referentiemaat voor cm²/m² gebruiken. 2.3 + 2.8 2.2.20 2.2.3.18 MR18 33 4 18 Kommagetallen (met één en twee decimalen) lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G22 Kommagetallen positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Kommagetallen rangschikken van klein naar groot. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 + 1.3.6 G21 Kommagetallen noteren in het positieschema. 2.1.20 1.3.5 G20 De diagonalen in vierhoeken tekenen. 3.2a 3.3.05 3.1.7 MK18 De diagonalen van vierhoeken onderzoeken en hun eigenschappen vaststellen. 3.3.06 3.2.4 MK18 Blok 4

Blok 4 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 34 4 19 Optellen van twee kommagetallen met hoogstens twee decimalen, de som is kleiner dan 1. Aftrekken van twee kommagetallen met hoogstens twee decimalen, het aftrektal is kleiner dan 1. 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B30 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B31 4 20 Optellen van een natuurlijk getal en een kommagetal met hoogstens twee 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B30 decimalen. Optellen van twee kommagetallen met hoogstens twee decimalen (zonder 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B30 overschrijden van de eenheden). Een natuurlijk getal aftrekken van een kommagetal met hoogstens twee 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B31 decimalen. Aftrekken van twee kommagetallen met hoogstens twee decimalen (zonder 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B31 overschrijven van de eenheden). Kommagetallen aanvullen/verminderen tot het volgende/vorige gehele getal. 1.14 2.1.20 1.11.2 + 1.12.2 B30 + B31 4 21 De verhouding tussen de oppervlaktematen m² en dm² enerzijds en dm² en cm² 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.14 2.2.3.21 MR37a anderzijds kennen. Oppervlakten meten door ze te bedekken en te noteren in cm², dm² of m². 2.2.20 2.2.3.7 MR41 4 22 Kommagetallen aanvullen/verminderen tot het volgende/vorige gehele getal. 1.14 2.1.20 1.11.2 + 1.12.2 B30 + B31 Optellen en aftrekken van twee kommagetallen met hoogstens twee decimalen 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B30 + B31 (alle types). N De verbanden 1 = 10t en 1 = 100h vaststellen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.4.6 G21 4 23 Spiegelbeelden ontdekken door gebruik van een spiegel. 3.6 3.3.28 3.4.4 + 3.4.5 MK36b Bij spiegelingen de termen spiegelbeeld, spiegeling en spiegelas gebruiken. 3.6 3.3.27 3.4.4 + 3.4.5 MK36 Bij spiegelingen vaststellen dat het voorwerp en het spiegelbeeld dezelfde vorm 3.3.31 MK36 hebben; het voorwerp en het spiegelbeeld even groot zijn; het voorwerp en het spiegelbeeld symmetrisch t.o.v. de spiegelas liggen; het voorwerp en het spiegelbeeld een andere oriëntatie (wijzerzin/tegenwijzerzin) hebben. De spiegelas tekenen tussen figuur en spiegelbeeld. 3.6 3.4.4 + 3.4.5 MK36

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 4 24 Kommagetallen (met één en twee decimalen) lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G22 Kommagetallen positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Kommagetallen rangschikken van klein naar groot. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 + 1.3.6 G21 Kommagetallen aanvullen/verminderen tot het volgende/vorige gehele getal. 1.14 2.1.20 1.11.2 + 1.12.2 G10 Optellen en aftrekken van twee kommagetallen met hoogstens twee decimalen. 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 B30 + B31 Optellen van een natuurlijk getal en een kommagetal met hoogstens twee decimalen. 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.11.2 B30 Een kommagetal aftrekken van een natuurlijk getal. 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B30 + B31 Een natuurlijk getal aftrekken van een kommagetal. 1.14 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B30 + B31 4 25 Optellingen en aftrekkingen tot 100 000 maken. 1.15 2.1.40 1.11.1 + 1.12.1 B11 + B14 Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 100 000 waarvan een van de 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 factoren bestaat uit één cijfer maken. Delingen van het type DTE : E maken. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.23.1 B22 Optellingen en aftrekkingen tot 100 000 cijferend oplossen. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38 + B39 Vermenigvuldigingen tot 100 000 cijferend oplossen. 1.24 2.1.41 1.22.1 B40b Delingen waarvan het deeltal maximaal 100 000 is cijferend uitvoeren (deler < 10). 1.24 2.1.42 1.23.1 B42a 35 Blok 4

Blok 4 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 36 4 26 en 27 Getallen tot 100 000 lezen en noteren in het positieschema. 1.5 1.1.08 1.2.2 + 1.3.5 G10 Getallen tot 100 000 positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Getallen tot 100 000 rangschikken. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 In getallen tot 100 000 de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 1.1.08 1.3.4 + 1.3.6 G11 Rekentaal gebruiken. 1.3 + 1.9 1.9.4 G11 Kommagetallen voorstellen met schijven en met t- en h-kaartjes. 2.1.20 + 2.1.21 1.3.6 G20 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.2.21 1.3.4 + 1.3.6 G20 Kommagetallen noteren in het positieschema. 2.1.20 1.3.5 G20 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.22 + 2.1.20 1.8.4 G22 Kommagetallen aanvullen tot het volgende gehele getal. 1.14 2.1.20 1.11.2 + 1.12.2 G20 Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 100 000 maken. 1.15 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11 + B14 Optellen en aftrekken van twee kommagetallen met hoogstens twee decimalen. 1.12 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.2 B30 + B31 Optellingen en aftrekkingen tot 100 000 cijferend oplossen. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38 + B39 Vermenigvuldigingen tot 100 000 cijferend oplossen. 1.24 2.1.41 1.22.1 B40b Delingen waarvan het deeltal maximaal 100 000 is cijferend uitvoeren (deler < 1.24 2.1.42 1.23.1 B42a 10). Een passende maateenheid voor oppervlakte kiezen. 2.2.20 2.2.3.3 MR26 Een vierhoek met een gegeven opppervlakte tekenen en de omtrek berekenen. 2.9 2.2.3.9 MK44 De diagonalen in een vierhoek herkennen. 3.2a 3.3.05 3.1.7 MK18 De diagonalen van vierhoeken onderzoeken en hun eigenschappen verwoorden. 3.3.06 3.2.4 MK18 De spiegelas herkennen. 3.3.27 3.2.4 MK36 4 28 Getallen tot 100 000 lezen en noteren in het positieschema. 1.5 1.1.08 1.2.2 + 1.3.5 G11 Getallen tot 100 000 positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Getallen tot 100 000 rangschikken. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 In getallen tot 100 000 de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 1.1.08 1.3.4 + 1.3.6 G11 Getallen tot 100 000 afronden naar een vorig en volgend tienduizendtal. 1.15 2.1.04 1.8.3 G10 Rekentaal gebruiken. 1.3 + 1.9 1.9.4 G11 Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 100 000 maken. 1.15 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11 + B14

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 4 29 Kommagetallen lezen en schrijven. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen voorstellen met schijven en met t- en h-kaartjes. 2.1.20 + 2.1.21 1.3.6 G21 Kommagetallen noteren in het positieschema. 2.1.20 1.3.5 G20 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 + 1.3.6 G21 Kommagetallen positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G22 Kommagetallen rangschikken. 1.5 2.1.22 1.4.6 G22 Kommagetallen aanvullen tot het volgende gehele getal. 1.14 2.1.20 1.11.2 + 1.12.2 G22 Optellen en aftrekken van kommagetallen met hoogstens twee decimalen. 1.12 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.2 B30 + B31 Optellen van een natuurlijk getal en een kommagetal met hoogstens twee decimalen. Een natuurlijk getal aftrekken van een kommagetal met hoogstens twee decimalen. 1.12 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 B30 + B31 1.12 1.1.30 + 2.1.39 1.12.1 B31 4 30 Getallen tot 100 000 lezen en noteren in het positieschema. 1.1.08 1.3.5 G11 Getallen tot 100 000 positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Getallen tot 100 000 rangschikken. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 In getallen tot 100 000 de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 1.1.08 1.3.4 + 1.3.6 G11 Rekentaal gebruiken. 1.3 + 1.9 1.9.4 G10 Kommagetallen voorstellen met schijven en met t- en h-kaartjes. 2.1.20 + 2.1.21 1.3.6 G21 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 + 1.3.6 G21 Kommagetallen noteren in het positieschema. 2.1.20 1.3.5 G20 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G22 Kommagetallen aanvullen tot het volgende gehele getal. 1.14 2.1.20 1.11.2 + 1.12.2 G22 Optellingen en aftrekkingen met ronde getallen tot 100 000 maken. 1.15 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 B11 + B14 Optellen en aftrekken van kommagetallen met hoogstens twee decimalen. 1.12 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.2 B30 + B31 37 Blok 4

Blok 5 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 38 5 1 Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 100 000 waarbij een van de factoren 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 kleiner is dan 100 maken. Opgaande delingen waarbij het deeltal een 1000-voud is van een tafelproduct 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B6b + B22 maken. Opgaande delingen waarbij de deler bestaat uit één cijfer berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B6b + B22 deeltal zinvol te splitsen. N Tellen met sprongen (veelvouden van 1000). 1.1 2.1.02 1.1.3 G6 N Bij vermenigvuldigingen de wisseleigenschap toepassen. 1.13 + 1.14 1.1.27 1.14.1 B4c 5 2 Kommagetallen tot drie decimalen lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen voorstellen met t-, h- en d-kaartjes. 2.1.20 1.3.6 G21 et symbool d gebruiken. 2.1.20 1.3.5 G21 et positiestelsel uitbreiden met duizendsten. 2.1.20 + 2.1.21 1.3.5 G20 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 + 1.3.6 G21 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.21 1.8.4 G22 Kommagetallen met hoogstens twee decimalen positioneren tussen twee 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.4.6 G22 opeenvolgende tienden. Vaststellen dat 1h = 10d. 1.5 2.1.20 1.4.6 G21 5 3 Kommagetallen met drie decimalen situeren tussen twee opeenvolgende 1.15 2.1.20 + 2.1.21 1.8.4 G22 honderdsten. Kommagetallen met hoogstens drie decimalen positioneren op de getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Tellen met sprongen van 0,1; 0,01 en 0,001. 1.5 2.1.20 1.4.6 G21 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen vergelijken en de symbolen <, > en 1.5 + 1.6 2.1.22 + 1.1.07 1.4.6 + 1.4.7 G22 = gebruiken. Kommagetallen intoetsen op de zakrekenmachine. 1.26 3.1.38 1.25.5 B48

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 5 4 De tijd op een analoge en digitale klok tot op 1 minuut nauwkeurig lezen. 2.1 + 2.2 1.2.21 2.4.12 + 2.4.13 MR69b Een tijdstip in uren, minuten en seconden noteren. 2.2 2.2.26 + 1.2.21 2.4.16 MR69b De tijdsduur in uren, minuten en seconden berekenen. 2.12 2.2.26 2.4.21 MR70c Als begintijd/eindtijd en tijdsduur gegeven zijn, de eindtijd/begintijd bepalen. 2.3 3.2.29 2.4.17 MR70c Uurtabellen lezen en interpreteren. 2.3 WO 2.4.17 MR82 N Samenhang tussen maateenheden uur en minuut hanteren. 2.12 2.2.26 2.4.18 MR28 5 5 Optellingen/vermenigvuldigingen waarbij de som/het product 100 000 is 1.24 2.1.40 + 2.1.42 1.20.1 + 1.22.1 B39 + B42 cijferend uitvoeren. Aftrekkingen/delingen waarbij het aftrektal/deeltal 100 000 is cijferend 1.24 2.1.40 + 2.1.42 1.21.1 + 1.23.1 B39 + B42 uitvoeren. De schatprocedure bij vermenigvuldigingen waarbij een factor uit 2 cijfers bestaat 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a toepassen. De gekende schatprocedures bij optellen, aftrekken en delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a 39 5 6 Kommagetallen tot drie decimalen lezen. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 + 1.3.6 G21 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen op een getallenlijn positioneren. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 100 000 waarbij een van de factoren 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 kleiner is dan 100 maken. Opgaande delingen waarbij de deler bestaat uit één cijfer berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B6b + B22 deeltal zinvol te splitsen. Opgaande delingen waarbij de deler bestaat uit één cijfer berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B6b + B22 deeltal te herleiden tot een tafelproduct. Optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen tot 100 000 cijferend 1.14 2.1.40 + 2.1.41 1.20.1 + 1.20.2 + B38 + B40 oplossen. + 2.1.42 1.20.3 + 1.20.4 De tijd op een analoge en digitale klok tot op 1 minuut nauwkeurig lezen. 2.1 + 2.2 1.2.21 2.4.12 + 2.4.13 MR69b Een tijdstip in uren, minuten en seconden noteren. 2.2 2.2.26 + 1.2.21 2.4.16 MR69b De tijdsduur in uren, minuten en seconden berekenen. 2.12 2.2.26 2.4.21 MR69b Als begintijd/eindtijd en tijdsduur gegeven zijn, de eindtijd/begintijd bepalen. 2.3 3.2.29 2.4.17 MR70c Uurtabellen lezen en interpreteren. 2.3 WO 2.4.17 MR82 N Weten dat 1 maand ongeveer 4 weken is. 2.12 WO 2.4.18 MR66e Blok 5

Blok 5 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 40 5 7 Kommagetallen (< 1) vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen (> 1) vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen vermenigvuldigen met 10. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.6 B32a 5 8 Cirkels herkennen en benoemen. 3.3.17 3.2.7 MK23 et middelpunt, de middellijn (diameter) en de straal van een cirkel herkennen en benoemen. 3.2a 3.3.17 3.1.7 MK23 De eigenschap 'alle punten liggen even ver van het middelpunt' onderzoeken en 3.2.7 MK23 verwoorden. Een cirkel met een gegeven straal tekenen met een passer. 3.5 3.3.18 3.3.8 MK23 5 9 Optellingen en aftrekkingen met kommagetallen cijferend oplossen. 1.24 2.1.40 1.20.2 + 1.21.2 B38b + B39b De schatprocedure bij optellingen en aftrekkingen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a et resultaat van een bewerking met de schatting vergelijken om de plaats van de 1.16 1.1.30 + 2.1.37 1.19.4 B36a komma te controleren. et resultaat van een bewerking controleren met de zakrekenmachine. 3.1.36 1.25.6 B36b N Kommagetallen correct schrijven. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 N Gegevens lezen van een (kruis)tabel. 1.8 2.2.27 1.18.13 G40a 5 10 De zijden van een rechthoek benoemen als lengte en breedte of als basis en 3.2a 2.2.22 3.1.7 MR42 hoogte. De symbolen l en b gebruiken voor lengte en breedte. (OVSG en GO) 3.2a 2.2.22 3.1.7 De symbolen b en h gebruiken voor basis en hoogte. (VVKBaO) MR42 De oppervlakte van een rechthoek of een vierkant bepalen door te bedekken. 2.2.21 2.2.3.7 MR41 De formule l x b of b x h voor de oppervlakteberekening van een rechthoek en 2.9 2.2.23 2.2.3.9 MR42 een vierkant ontdekken. De formule om de oppervlakte van een rechthoek of een vierkant te berekenen toepassen. 2.9 2.2.23 2.2.3.9 MR42

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 5 11 Ervaren dat het quotiënt van een deling gelijk blijft als beide factoren met 1.14 2.1.35 1.15.4 B7d hetzelfde getal vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. Rekentaal voor de deling gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 Veelvouden van 5 delen door 5. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b Veelvouden van 50 delen door 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b 5 12 Kommagetallen vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Optellingen en aftrekkingen met kommagetallen cijferend oplossen. 1.24 2.1.40 1.20.2 + 1.21.2 B38b + B39b De schatprocedure bij optellen en aftrekken toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a De oppervlakte van een rechthoek berekenen. 2.9 2.2.23 2.2.3.9 MR42 et begrip straal gebruiken. 3.2a 3.3.17 3.1.7 MK23 Een cirkel met een gegeven straal tekenen met een passer. 3.5 3.3.18 3.3.8 MK23 5 13 Gelijknamige breuken op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 Gelijkwaardige breuken ontdekken. 1.22 2.1.18 1.4.13 G16 Gelijkwaardige breuken op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 De gelijkheid tussen breuken en decimale getallen vaststellen. 1.18 2.1.24 1.4.14 + 1.4.15 G23 N et begrip gelijkwaardige breuken correct gebruiken. 1.4 3.1.16 1.4.12 G16 5 14 Kommagetallen vermenigvuldigen met 100. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.6 B32a N Kommagetallen vermenigvuldigen met een natuurlijk getal 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a 41 5 15 Van een bouwsel een grondplan maken en de hoogtegetallen noteren en 1.3.06 3.3.2 MK7 + MK44 omgekeerd. Tweedimensionale aanzichten met het corresponderende bouwsel verbinden. 3.1 2.3.03 3.5.2 MK7 + MK44 Van een bouwsel voor- en zijaanzichten tekenen. 2.3.03 3.3.1 MK7 + MK44 Blok 5

Blok 5 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 42 5 16 Een kommagetal met een natuurlijk getal < 100 vermenigvuldigen. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.2 B32a De schatprocedure bij vermenigvuldigen toepassen. 1.16 2.1.37 + 2.1.36 1.19.2 B36a De komma correct plaatsen door het resultaat te vergelijken met de schatting. 1.16 2.1.37 1.19.4 B36a Rekentaal in verband met de vermenigvuldiging gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 et resultaat van een bewerking met de schatting vergelijken om de plaats van de komma te controleren. 1.16 3.1.37 + 2.1.20 1.19.4 B36a 5 17 et quotiënt en de rest van niet-opgaande delingen buiten het tafelbereik bepalen (deler 10). 1.13 2.1.27 + 2.1.42 1.15.1 + 1.23.3 B22c et quotiënt afhankelijk van de context zinvol afronden. 1.13 2.1.39 1.15.1 + 1.23.3 G36 N Rekentaal in verband met delen gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 N Vaststellen dat de rest steeds kleiner is dan de deler. 1.13 1.15.1 + 1.23.3 5 18 Breuken op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 Breuken vergelijken. 1.5 1.1.21 1.4.10 G16 Gelijkwaardige breuken ontdekken. 1.22 2.1.18 1.4.13 G16 Kommagetallen vermenigvuldigen met 100. 1.13 2.1.20 + 2.1.39 1.14.6 B32a Kommagetallen vermenigvuldigen met een natuurlijk getal 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a et quotiënt en de rest van niet-opgaande delingen buiten het tafelbereik bepalen (deler 10). 1.13 2.1.42 + 2.1.39 1.15.1 + 1.23.3 B22c Een kommagetal vermenigvuldigen met een natuurlijk getal < 100. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a De schatprocedure bij vermenigvuldigingen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a et resultaat van een bewerking met de schatting vergelijken om de plaats van de 1.16 2.1.37 + 2.1.20 1.19.4 B36a komma te controleren. Rekentaal in verband met vermenigvuldigingen gebruiken. 1.3 + 1.9 2.1.27 1.9.4 B3 Tweedimensionale aanzichten met het corresponderende bouwsel verbinden. 3.1 2.3.03 3.5.2 MK7 + MK44 Van een bouwsel voor- en zijaanzichten tekenen. 2.3.03 3.3.1 MK37

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 5 19 De gelijkheid tussen kommagetallen en decimale breuken ontdekken bij getallen kleiner dan 1. 1.18 2.1.24 1.4.14 + 1.4.15 G23 Een kommagetal omzetten in een decimale breuk en omgekeerd. 1.18 2.1.24 + 3.1.22 1.4.14 + 1.4.15 G23 Eenvoudige breuken omzetten in een decimale breuk/kommagetal. 1.18 3.1.22 1.4.14 + 1.4.15 G23 Kommagetallen op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Tellen met sprongen van tienden/honderdsten vanaf een gegeven getal. 1.5 2.1.20 1.4.6 G21 N Met de zakrekenmachine ontdekken dat een breuk een deling is. 1.4 3.1.38 1.5.6 B48 5 20 Vraagstukken oplossen over: 2.4.01 B50c Kommagetallen cijferend optellen en aftrekken; 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.20.2 B38b + B39b een kommagetal met een natuurlijk getal < 100 vermenigvuldigen. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.2 B32a De schatprocedure bij optellen, aftrekken en vermenigvuldigen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a N et algemeen stappenplan bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 5 21 Betekenis geven aan het begrip ton. 2.1 + 2.3 3.2.10 2.2.3.1 + 2.2.3.18 De juiste maateenheid kiezen om een gewicht uit te drukken. 3.2.10 2.2.3.3 MR26 De relatie 1 ton = 1000 kg en 1/10 ton (0,1 ton) = 100 kg kennen en gebruiken. 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.11 2.2.3.21 MR28 + MR27 N Breuk als operator gebruiken. 1.5.6 B24 N et algemeen stappenplan bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 MR62c 5 22 Een kommagetal met een natuurlijk getal 10 vermenigvuldigen. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen optellen en aftrekken. 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.2 B30 + B31 43 Blok 5

Blok 5 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 44 5 23 Symmetrie ontdekken door een spiegel te gebruiken. 3.6 3.3.28 3.4.4 MK37 Symmetrie ontdekken door te vouwen. 3.6 3.3.29 3.4.5 MK37 Bij symmetrische figuren de plaats van de spiegel of de vouwlijn benoemen als 3.3.33 MK37 symmetrieas. (niet voor OVSG) Een symmetrieas herkennen en tekenen. 3.6 3.3.33 3.4.5 MK23 5 24 Een kommagetal omzetten in een decimale breuk en omgekeerd. 1.18 2.1.25 + 3.1.22 1.4.14 + 1.4.15 G23 Kommagetallen optellen en aftrekken. 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.2 B30 + B31 Een kommagetal met een natuurlijk getal 10 vermenigvuldigen. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Optellingen en aftrekkingen met kommagetallen cijferend oplossen. 1.24 2.1.40 1.20.2 + 1.21.2 B38b + B39b Vermenigvuldigingen van een kommagetal met een natuurlijk getal kleiner dan 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.22.2 B41 100 cijferend oplossen. De relatie 1 ton = 1000 kg en 1/10 ton (0,1 ton) = 100 kg kennen en gebruiken. 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.11 2.2.3.21 MR28 + MR27 N De schatprocedure bij optellen, aftrekken en vermenigvuldigen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a 5 25 In gegeven situaties de bewerking herkennen en bij het berekenen kiezen voor hoofdrekenen of cijferen. Bewerkingen met natuurlijke getallen en kommagetallen maken. 1.13 + 1.23 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.29 2.4.02 SV 1.1 B52 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 et quotiënt afhankelijk van de context zinvol afronden. 1.13 2.1.39 1.15.1 + 1.23.3 G36 De oppervlakte van een rechthoek berekenen. 2.9 2.2.23 2.2.3.9 MR42 N et algemeen stappenplan bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 5 26 en 27 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen en omgekeerd. 1.5 2.1.20 + 2.1.21 1.3.4 + 1.3.6 G21 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen positioneren op een getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G22 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen vergelijken en de symbolen <, > en = gebruiken. 1.5 1.1.07 + 2.1.22 1.4.6 + 1.4.7 G22

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 45 5 26 en Decimale breuken positioneren op een getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 27 Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 100 000 waarbij een van de factoren 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 kleiner is dan 100 maken. Weten dat het quotiënt van een deling gelijk blijft als beide factoren met 1.14 2.1.35 1.15.4 B7d hetzelfde getal vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. Opgaande delingen waarbij de deler bestaat uit één cijfer berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B6b + B22 deeltal zinvol te splitsen. Veelvouden van 5 delen door 5. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b Veelvouden van 50 delen door 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b In een situatie het quotiënt van niet-opgaande delingen bepalen (deler 10). 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 + 1.23.3 B22c Kommagetallen (< 1) vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen (> 1) vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen vermenigvuldigen met 10 en met 100. 1.13 2.1.20 + 2.1.39 1.14.6 B32a Kommagetallen optellen en aftrekken. 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.2 B30 + B31 Cijferend optellen/vermenigvuldigen waarbij de som/het product 100 000 is. 1.24 2.1.40 + 2.1.41 1.20.2 + 1.22.2 B38 + B39 + B41 Cijferend aftrekken/delen waarbij het aftrektal/deeltal 100 000 is. 1.24 2.1.40 + 2.1.42 1.21.2 + 1.23.1 B39 + B42 De gekende schatprocedures bij optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a toepassen. Cijferend optellen, aftrekken en vermenigvuldigen met kommagetallen. 1.24 2.1.40 + 2.1.41 1.20.2 + 1.21.2 B38 + B40 + 1.22.1 De tijd op een analoge en digitale klok tot op 1 minuut nauwkeurig lezen. 2.1 + 2.2 1.2.21 2.4.12 + 2.4.13 MR69b Een tijdstip noteren. 2.2 2.2.26 + 1.2.21 2.4.16 MR69b De tijdsduur berekenen. 2.12 2.2.26 2.4.21 MR70c Uurtabellen lezen en interpreteren. 2.3 WO 2.4.17 MR82 De relatie 1 ton = 1000 kg en 1/10 ton (0,1 ton) = 100 kg kennen en gebruiken. 2.2 + 2.6 + 2.7 3.2.11 2.2.3.21 MR62c De formule om de oppervlakte van een rechthoek of een vierkant te berekenen 2.9 2.2.23 2.2.3.9 MR42 toepassen. Een cirkel met een gegeven straal tekenen met een passer. 3.5 3.3.18 3.3.8 MK23 De middellijn (diameter) en de straal van een cirkel herkennen. 3.2a 3.3.17 3.1.7 MK7 + MK44 Van een bouwsel een grondplan maken en de hoogtegetallen noteren. 1.3.06 3.3.2 MK7 + MK44 Van een bouwsel voor- en zijaanzichten tekenen. 1.3.06 3.3.1 MK7 + MK44 In een figuur de symmetrieassen tekenen. 3.6 3.3.33 3.4.5 MK37 Blok 5

Blok 5 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 46 5 28 Kommagetallen (tot drie decimalen) lezen en noteren. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen voorstellen met t-, h- en d-kaartjes. 2.1.20 1.3.6 G21 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen en omgekeerd. 1.5 2.1.20 1.3.4 + 1.3.6 G21 Kommagetallen omzetten in een breuk met noemer 10, 100 of 1000 en 1.18 2.1.24 + 3.1.22 1.4.14 G23 omgekeerd. Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G22 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen positioneren op een getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen vergelijken en de symbolen <, > en 1.5 1.1.07 + 2.1.22 1.4.6 + 1.4.7 G22 = gebruiken. Decimale breuken schrijven als een kommagetal of omgekeerd. 1.18 2.1.24 + 3.1.22 1.4.14 + 1.4.15 G23 Kommagetallen (< 1) vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen (> 1) vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen vermenigvuldigen met 10 en met 100. 1.13 2.1.20 + 2.1.39 1.14.6 B32a Kommagetallen optellen en aftrekken. 1.23 1.1.30 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.2 B30 + B31 5 29 Weten dat het quotiënt van een deling gelijk blijft als beide factoren met 1.14 2.1.35 1.15.4 B7d hetzelfde getal vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. Opgaande delingen waarbij de deler bestaat uit één cijfer berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B6b + B22 deeltal zinvol te splitsen. Veelvouden van 5 delen door 5. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b Veelvouden van 50 delen door 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b et quotiënt en de rest van niet-opgaande delingen buiten het tafelbereik bepalen (deler 10). 1.13 2.1.42 + 2.1.39 1.15.1 + 1.23.3 B22c et quotiënt afhankelijk van de context zinvol afronden. 1.13 2.1.39 1.15.1 + 1.23.3 G36 De tijd op een analoge en digitale klok tot op 1 minuut nauwkeurig lezen. 2.1 + 2.2 1.2.21 2.4.12 + 2.4.13 MR69b Uurtabellen lezen en interpreteren. 2.3 WO 2.4.17 MR82 De tijdsduur bepalen. 2.12 2.2.26 2.4.21 MR70c

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 5 30 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen en omgekeerd. 1.5 2.1.20 1.3.4 + 1.3.6 G21 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen positioneren op een getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Kommagetallen situeren tussen twee opeenvolgende gehele getallen. 1.15 2.1.20 + 2.1.22 1.8.4 G22 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen vergelijken en de symbolen <, > en 1.5 1.1.07 + 2.1.22 1.4.6 + 1.4.7 G22 = gebruiken. Decimale breuken positioneren op een getallenlijn. 1.5 2.1.19 1.4.6 G22 Vermenigvuldigingen met ronde getallen tot 100 000 waarbij een van de factoren 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B18 kleiner is dan 100 maken. Weten dat het quotiënt van een deling gelijk blijft als beide factoren met 1.14 2.1.35 1.15.4 B7d hetzelfde getal vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. Opgaande delingen waarbij de deler bestaat uit één cijfer berekenen door het 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.15.4 B6b + B22 deeltal zinvol te splitsen. Veelvouden van 5 delen door 5. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b Veelvouden van 50 delen door 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B23b In een situatie het quotiënt van niet-opgaande delingen bepalen (deler 10). 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 + 1.23.3 B22c Kommagetallen (< 1) vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen (> 1) vermenigvuldigen met een natuurlijk getal kleiner dan 10. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen vermenigvuldigen met 10 en met 100. 1.13 2.1.20 + 2.1.39 1.14.6 B32a Kommagetallen optellen en aftrekken. 1.1.30 + 2.1.39 B30 + B31 47 Blok 5

Blok 6 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 48 6 1 Natuurlijke getallen tot 100 000 rangschikken. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Natuurlijke getallen tot 100 000 positioneren op een getallenlijn. 1.5 2.1.08 1.4.6 G12 Natuurlijke getallen tot 100 000 herstructureren. 1.11 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.16.1 + 1.16.2 G13 In een rij getallen het patroon zoeken en de getallenrij aanvullen. 1.12 1.1.17 1.7.2 G39 Rekentaal gebruiken. 1.3 1.9.4 B3 6 2 De schaal afleiden door de reële afmetingen te vergelijken met de afmetingen op 2.4 2.2.07 2.3.1 MR85 een tekening. De verhouding tussen de lengte van 2 getekende voorwerpen bepalen. 2.4 2.2.02 2.3.1 MR85 De schaal verwoorden en noteren als breuk en als verhouding. 2.4 3.2.04 2.3.2 MR85 De werkelijke afmeting van voorwerpen bepalen door de vastgestelde verhouding toe te passen. 2.4 3.2.05 2.3.3 MR85 6 3 Vaststellen dat er breuken bestaan waarvan de teller groter dan of gelijk aan de 1.1.22 1.4.11 G18 noemer is. Breuken > 1 herstructureren. 3.1.40 1.4.11 G18 Breuken op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 Vaststellen dat breuken waarvan de teller gelijk is aan de noemer gelijk zijn aan 1. 1.5 1.1.19 1.4.10 G18 N Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a 6 4 Optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen met ronde getallen tot 100 000 maken. Bij vermenigvuldigingen en delingen een doelmatige oplossingsmethode gebruiken. 1.23 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.11 + 1.13 + 1.14 1.11.1 + 1.12.1 + 1.13.1 + 1.14.1 B11 + B14 + B18 + B22 2.1.36 + 2.1.39 1.14.7 + 1.15.4 B18 + B22 N et begrip gemiddelde in eigen woorden uitleggen. 3.1.02 1.18.29 B57 N De producten van de tafels herkennen in een getal < 100 000. 1.14 2.1.39 + 2.1.36 1.15.4 B18

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 6 5 Een digitale tijdsaanduiding tot op 1 seconde nauwkeurig lezen. 2.2 2.4.13 MR69b Een tijdsduur in minuten berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70c Tijdtabellen lezen en interpreteren. 2.3 WO 2.4.17 MR82 Een tijdtabel maken. 2.3 2.4.17 MR82 N Een tijdsduur uitgedrukt in seconden ervaren. 2.2.26 2.4.4 MR70c N Weten dat 1 minuut 60 seconden is. 2.12 2.2.26 2.4.18 MR28 6 6 Natuurlijke getallen tot 100 000 herstructureren. 1.11 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.16.1 + 1.16.2 G13 In een rij getallen het patroon zoeken en de getallenrij aanvullen. 1.12 1.1.17 1.7.2 G39 Rekentaal gebruiken. 1.3 1.9.4 B3 Breuken op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 Breuken > 1 herstructureren. 3.1.40 1.4.11 G18 Optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen met ronde getallen tot 100 000 maken. Bij vermenigvuldigingen en delingen een doelmatige oplossingsmethode gebruiken. 1.23 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.11 + 1.13 + 1.14 1.11.1 + 1.12.1 + 1.13.1 + 1.14.1 B11 + B14 + B18 + B22 2.1.36 + 2.1.39 1.14.7 + 1.15.4 B18 + B22 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a Een digitale tijdsaanduiding tot op 1 minuut nauwkeurig lezen. 2.2 1.2.21 2.4.13 MR69b Een tijdsduur in minuten berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70c Een tijdtabel lezen en interpreteren. 2.3 WO 2.4.17 MR82 De werkelijke afmeting van voorwerpen bepalen als de schaal en de tekening gegeven zijn. 2.4 3.2.05 2.3.3 MR85 49 6 7 Ervaren dat het product gelijk blijft als een van de factoren vermenigvuldigd wordt 1.14 2.1.35 1.14.7 B7c met en de andere gedeeld wordt door hetzelfde getal. Ervaren dat het quotiënt gelijk blijft als deeltal en deler met hetzelfde getal 1.14 2.1.35 1.15.4 B7d vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. Rekentaal voor de vermenigvuldiging en de deling gebruiken. 1.3 2.1.27 1.9.4 B3c Blok 6

Blok 6 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 50 6 8 In concrete situaties de relatie (rechtevenredigheid) vaststellen tussen: MR89c het aantal handelingen en de duur; 2.5.4 MR89c de snelheid van handelen en het aantal handelingen. 3.2.35 2.5.4 MR89c In concrete situaties de relatie tussen snelheid en afstand vaststellen. 3.2.35 2.5.4 MR89c In concrete situaties de relatie tussen afstand en tijd vaststellen. 3.2.35 2.5.4 MR89c N De tijd lezen en aangeven tot op 1 seconde nauwkeurig. 2.2 2.4.13 MR69b N Werken met een chronometer. 2.3 3.2.29 2.4.20 MR23 6 9 et verband tussen t, h en d toepassen. 1.5 2.1.20 1.4.6 G21 Kommagetallen op verschillende manieren lezen. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen herstructureren. 1.14 3.1.40 1.11.12 + G24 1.12.2 In een rij kommagetallen het patroon zoeken en de getallenrij aanvullen. 1.12 1.1.17 1.7.2 G39 N Kommagetallen situeren op een getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 6 10 Ervaren dat de schaduw van een voorwerp verschillende vormen kan hebben naar gelang van de positie van een voorwerp t.o.v. de lichtbron (zon of lamp). et verband leggen tussen de schaduw en de plaats van de lichtbron (zon of lamp). et verband leggen tussen het tijdstip van de dag en de plaats en de vorm van de schaduw (zon als lichtbron). 3.7.1 MK46 3.7.1 MK46 WO 3.7.3 MK46 6 11 Kommagetallen < 1 delen door een natuurlijk getal < 10 (het kommagetal is te herleiden tot een tafelproduct). Kommagetallen > 1 delen door een natuurlijk getal < 10 (het kommagetal is te herleiden tot een tafelproduct). N Optellen, aftrekken en vermenigvuldigingen met kommagetallen. 1.13 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B33A 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B33A 1.11.1 + 1.12.1 + 1.13.1 B11 + B14 + B18

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 6 12 et verband tussen t, h en d toepassen. 1.5 2.1.20 1.4.6 G21 Kommagetallen op verschillende manieren lezen. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen herstructureren. 1.14 3.1.40 1.11.12 + 1.12.2 Kommagetallen positioneren op een getallenlijn. 1.5 2.1.23 1.4.6 G22 Weten dat het product gelijk blijft als een van de factoren vermenigvuldigd wordt 1.14 2.1.35 1.14.7 B7c met en de andere gedeeld wordt door hetzelfde getal. Weten dat het quotiënt gelijk blijft als deeltal en deler met hetzelfde getal 1.14 2.1.35 1.15.4 B7d vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. Kommagetallen delen door een natuurlijk getal < 10 (het kommagetal is te 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B43A herleiden tot een tafelproduct). et verband leggen tussen het tijdstip van de dag en de plaats en de vorm van de schaduw (zon als lichtbron). WO 3.7.3 MK46 G24 6 13 De formule voor de oppervlakteberekening van rechthoeken en vierkanten toepassen. De oppervlakte van veelhoeken in aantal hokjes bepalen door de figuur te verdelen in rechthoeken. Een rechthoekige driehoek aanvullen tot een rechthoek met dezelfde basis en hoogte. De oppervlakte van een rechthoekige driehoek in aantal hokjes bepalen door de helft te nemen van de oppervlakte van de rechthoek met dezelfde basis en hoogte. De oppervlakte van veelhoeken in aantal hokjes bepalen door de figuur te verdelen in rechthoeken en driehoeken. N Ervaren en inzien dat figuren met een verschillende vorm dezelfde oppervlakte kunnen hebben. 2.9 2.2.23 2.2.3.8 MR42 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MR41 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MR44 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MR44 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MR45 2.9 2.2.16 2.2.3.10 MR39 51 6 14 Gelijkwaardige breuken noteren. 1.22 2.1.18 1.4.13 G16 Breuken op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.21 1.4.13 G16 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a Breuken herstructureren. 3.1.40 1.4.11 G18 Blok 6

Blok 6 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 52 6 15 Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal < 10, het quotiënt is een kommagetal. Kommagetallen delen door een natuurlijk getal < 10 door het kommagetal te splitsen in tafelproducten. Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 10, het quotiënt is een kommagetal. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B34A 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B33A 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B33 + B34 6 16 De schatprocedure bij optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen toepassen. 1.23 2.1.37 1.11.1 + 1.12.1 + 1.13.1 + 1.14.1 Cijferend optellen en aftrekken tot 100 000. 1.24 2.1.40 1.20.1 + 1.21.1 B38 + B39 Vermenigvuldigingen waarbij het product < 100 000 cijferend uitvoeren 1.24 2.1.41 1.22.1 B40 (vermenigvuldiger < 100). Delingen waarbij het deeltal 100 000 is cijferend uitvoeren (deler < 10). 1.24 2.1.42 1.23.1 B42 et resultaat van een aftrekking en een deling controleren door de omgekeerde 2.1.36 + 1.1.30 1.24. B8 bewerking te maken. + 2.1.37 Een tabel lezen en interpreteren. 1.8 WO 1.18.11 G40 N et gemiddelde berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57 N et resultaat van een optelling en een vermenigvuldiging controleren met de 2.1.37 1.24.2 B47 zakrekenmachine. N Bij vermenigvuldigingen de wisseleigenschap toepassen. 1.14 1.1.27 1.22.4 B4C N et algemeen stappenplan bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 B36 6 17 Betekenis geven aan een maat waarvan het maatgetal een kommagetal is. 2.7 2.2.12 + 2.2.04 2.2.3.21 MR19c + 2.2.15 Een maat, uitgedrukt in verschillende maateenheden, noteren als kommagetal. 2.7 2.2.12 + 2.2.04 2.2.3.21 MR19c + 2.2.15 De relatie tussen maatgetal en maateenheid verwoorden. 2.1 2.2.12 + 2.2.04 2.2.3.19 MR27 + 2.2.15 Met gekende maateenheden herleidingen maken. 2.7 3.2.01 + 3.2.11 2.2.3.21 MR28 + 3.2.09 N Kommagetallen in het positieschema noteren. 2.1.20 1.3.5 MR28

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 6 18 Gelijkwaardige breuken noteren. 1.22 2.1.18 1.4.13 G16 Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.27 1.4.13 G16 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal < 10, het quotiënt is < 1. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B34A Kommagetallen delen door een natuurlijk getal < 10 door het kommagetal te 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B33A splitsen in tafelproducten. Natuurlijke getallen en kommagetallen delen door 10, het quotiënt is een 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B33 + B34 kommagetal. De oppervlakte van veelhoeken in aantal hokjes bepalen door de figuur te 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MR45 verdelen in rechthoeken en driehoeken. Betekenis geven aan een maat waarvan het maatgetal een kommagetal is. 2.7 3.1.40 2.2.3.21 MR19c Met gekende maateenheden herleidingen maken. 2.7 3.2.01 + 3.2.11 + 3.2.09 2.2.3.21 MR28 6 19 In een context de betekenis van het begrip snelheid verwoorden. 2.1 3.2.35 2.5.6 MR89c Bij een constante snelheid de afstand berekenen die afgelegd wordt in een 3.2.35 2.5.9 MR89c bepaalde tijd. Bij een constante snelheid de tijd berekenen die nodig is om een bepaalde afstand af te leggen. 3.2.35 2.5.9 MR89c 6 20 Kommagetallen handig vermenigvuldigen met 5 en 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.7 B32a N Kommagetallen vermenigvuldigen met een getal < 10. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a N Kommagetallen vermenigvuldigen met 10 en met 100. 1.23 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a 53 Blok 6

Blok 6 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 54 6 21 Veelhoeken verdelen in rechthoeken en driehoeken. 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MK25 De oppervlakte van veelhoeken bepalen door de figuur te verdelen in rechthoeken 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MR45c en driehoeken. De formule voor de oppervlakteberekening van rechthoeken en vierkanten 2.9 2.2.23 2.2.3.8 MR42b toepassen. Veelhoeken met een gegeven oppervlakte tekenen. 2.9 2.2.3.10 MR45c N Veelhoeken benoemen op grond van het aantal hoeken (of zijden). 3.2 1.3.15 3.1.11 MK24 N Ervaren en inzien dat figuren met een verschillende vorm dezelfde oppervlakte kunnen hebben. 2.9 2.2.16 2.2.3.10 MR39 6 22 De schatprocedure bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a Kommagetallen cijferend delen door een natuurlijk getal < 10. 1.24 2.1.40 1.23.1 B43a Natuurlijke getallen delen door een natuurlijk getal < 10 tot op 1t of 1h 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.23.1 B42b nauwkeurig. De waarde van de rest bepalen. 1.13 2.1.18 1.15.1 B44 et resultaat van een deling met de schatting vergelijken om de plaats van de 1.16 2.1.37 + 2.1.36 1.19.4 B36 komma te controleren. N Rekentaal in verband met met de deling gebruiken. 1.3 2.1.27 1.9.4 B3c 6 23 Met vierkanten verschillende figuren vormen. 1.3.15 3.3.4 MK14 Een rechthoek bedekken met gegeven pentominovormen. 3.3.4 MK14 Oplossingen voor een ruimtelijk probleem (puzzel) bedenken. 3.3.4 MK45 Bij figuren gelijkvormigheid ontdekken. 3.6 2.2.07 3.4.2 MK41

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 6 24 Kommagetallen vermenigvuldigen met een natuurlijk getal < 10. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen vermenigvuldigen met 10 en met 100. 1.23 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen delen door een natuurlijk getal 10. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B43a De schatprocedure bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a Kommagetallen cijferend delen door een natuurlijk getal < 10. 1.24 2.1.42 1.23.1 B43a Natuurlijke getallen delen door een natuurlijk getal < 10 tot op 1h nauwkeurig. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.23.1 B42b De waarde van de rest bepalen. 1.13 2.1.18 1.15.1 B44 et resultaat van een bewerking met de schatting vergelijken om de plaats van de komma te controleren. 1.16 2.1.37 + 2.1.36 1.19.4 B36 Bij een constante snelheid de tijd berekenen die nodig is om een bepaalde afstand 3.2.35 2.5.9 MR89c af te leggen. N Een positie in een rooster aangeven met coördinaten. WO 3.5.6 MK7 6 25 In gegeven situaties de bewerking herkennen en bij het berekenen hoofdrekenen of cijferen kiezen. Bewerkingen met natuurlijke getallen en kommagetallen maken. 1.13 + 1.24 2.1.36 + 1.1.30 + 2.1.37 1.29 2.1.38 SV 1.1 B52 1.11.1 + 1.12.2 + 1.14.1 + 1.15.1 + 1.20.1 + 1.21.1 + 1.22.1 + 1.23.1 et gemiddelde in eenvoudige situaties berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57 Met gekende maateenheden herleidingen maken. 2.7 3.2.01 + 3.2.11 2.2.3.21 MR28 + 3.2.09 N et algemeen stappenplan bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 N Gegevens van een tabel lezen. 1.8 WO 1.18.11 G40 B49 + B50 55 Blok 6

Blok 6 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 56 6 26 en 27 Natuurlijke getallen tot 100 000 herstructureren. 1.11 + 1.14 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 + 1.14.7 + 1.15.4 Kommagetallen op verschillende manieren lezen. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen herstructureren. 1.11 + 1.14 3.1.40 1.11.2 + 1.12.2 + 1.14.7 + 1.15.4 Breuken > 1 herstructureren. 3.1.40 1.4.11 G18 Breuken op de getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 Breuken rubriceren volgens minder dan 1, 1 of meer dan 1. 1.5 2.1.19 1.4.10 + 1.4.11 G16 Breuken vereenvoudigen. 1.22 1.4.13 G16 Gelijkwaardige breuken herkennen. 1.22 2.1.18 1.4.13 G16 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a Optellen, aftrekken en vermenigvuldigingen met natuurlijke getallen tot 100 000. 1.13 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 + 1.13.1 G13 G24 B11 + B14 + B18 Bij vermenigvuldigen en delen een doelmatige oplossingsmethode gebruiken. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.7 + 1.15.4 B18 + B22 Weten dat het product gelijk blijft als een van de factoren vermenigvuldigd wordt 1.14 2.1.35 1.14.7 B7c met en de andere gedeeld wordt door hetzelfde getal. Weten dat het quotiënt gelijk blijft als deeltal en deler met hetzelfde getal 1.14 2.1.35 1.15.4 B7d vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. Kommagetallen delen door een natuurlijk getal 10 door het kommagetal te 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B33a splitsen in tafelproducten. Kommagetallen vermenigvuldigingen met een natuurlijk getal 10. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Kommagetallen handig vermenigvuldigen met 5 en 50. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.7 B32a Optellen en aftrekken met kommagetallen. 1.24 1.1.30 + 2.1.39 1.20.3 + 1.21.3 B11 + B14 Cijferend optellen/vermenigvuldigen waarbij de som/het product 100 000 is. 1.24 2.1.40 + 2.1.41 1.20.3 + 1.22.2 B38 + B40 De schatprocedure bij delen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 B36a Kommagetallen cijferend delen door een natuurlijk getal < 10. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.23.1 B43a Natuurlijke getallen delen door een natuurlijk getal < 10 tot op 1h nauwkeurig. 1.24 2.1.36 + 2.1.39 1.23.1 B42b De waarde van de rest bepalen. 1.13 2.1.18 1.15.1 B44 et resultaat van een bewerking met de schatting vergelijken om de plaats van de komma te controleren. 1.16 2.1.37 + 2.1.36 1.19.4 B36

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 6 26 en 27 De werkelijke afmeting van voorwerpen berekenen als de schaal en de tekening gegeven zijn. 2.4 3.2.05 2.3.3 MR85 Bij een constante snelheid de afstand berekenen die afgelegd wordt in een 3.2.35 2.5.9 MR89c bepaalde tijd. Bij een constante snelheid de tijd berekenen die nodig is om een bepaalde afstand 3.2.35 2.5.9 MR89c af te leggen. Met gekende maateenheden herleidingen maken. 2.7 3.2.01 + 3.2.11 2.2.3.21 MR28 + 3.2.09 Een tabel met openingsuren correct lezen en interpreteren. 2.3 WO 2.4.17 MR82 Veelhoeken verdelen in rechthoeken en driehoeken. 2.9 1.3.15 2.2.3.10 MK25 De oppervlakte van veelhoeken bepalen door omstructureren. 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MR45c De formule voor de oppervlakteberekening van rechthoeken toepassen. 2.9 2.2.23 2.2.3.8 MR42b Veelhoeken met een gegeven oppervlakte tekenen. 2.9 2.2.3.10 MR45c 6 28 In een kommagetal de waarde van elk cijfer bepalen. 2.1.20 1.3.6 G21 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen vergelijken en ordenen. 1.5 2.1.22 1.4.6 G21 Kommagetallen delen door een natuurlijk getal 10 door het kommagetal te 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B33a splitsen in tafelproducten. Kommagetallen vermenigvuldigen met een natuurlijk getal 10. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Optellen en aftrekken met kommagetallen. 1.24 1.1.30 + 2.1.39 1.20.3 + 1.21.3 B11 + B14 Rekentaal gebruiken. 1.3 1.9.4 B3 Met gekende maateenheden herleidingen maken. 2.7 3.1.40 2.2.3.21 MR28 57 Blok 6

Blok 6 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 58 6 29 Breuken > 1 herstructureren. 3.1.40 1.4.11 G18 Breuken op de getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 Breuken rubriceren volgens minder dan 1, 1 of meer dan 1. 1.5 2.1.19 1.4.10 + 1.4.11 G16 Breuken vereenvoudigen. 1.22 1.4.13 G16 Gelijkwaardige breuken herkennen. 1.22 2.1.18 1.4.13 G16 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met natuurlijke getallen tot 100 000. 1.13 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 + 1.13.1 B11 + B14 + B18 + B22 Bij vermenigvuldigen en delen een doelmatige oplossingsmethode hanteren. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.7 + 1.15.4 B18 + B22 Weten dat het product gelijk blijft als een van de factoren vermenigvuldigd wordt 1.14 2.1.35 1.14.7 B7c met en de andere gedeeld wordt door hetzelfde getal. Weten dat het quotiënt gelijk blijft als deeltal en deler met hetzelfde getal vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. 1.14 2.1.35 1.15.4 B7d

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 6 30 Natuurlijke getallen tot 100 000 herstructureren. 1.11 + 1.14 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.11.2 + 1.12.2 + 1.14.7 + 1.15.4 Kommagetallen op verschillende manieren lezen. 1.5 2.1.21 1.2.2 G21 Kommagetallen herstructureren. 1.11 + 1.14 3.1.40 1.11.2 + 1.12.2 + 1.14.7 + 1.15.4 Breuken > 1 herstructureren. 3.1.40 1.4.11 G18 Breuken op de getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 Breuken rubriceren volgens minder dan 1, 1 of meer dan 1. 1.5 2.1.19 1.4.10 + 1.4.11 G16 Breuken vereenvoudigen. 1.22 1.4.13 G16 Gelijkwaardige breuken herkennen. 1.22 2.1.18 1.4.13 G16 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 B26a Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met natuurlijke getallen tot 100 000. 1.13 1.1.30 + 2.1.36 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 + 1.13.1 G13 G24 B11 + B14 + B18 + B22 Bij vermenigvuldigen en delen een doelmatige oplossingsmethode hanteren. 1.13 + 1.14 2.1.36 + 2.1.39 1.14.7 + 1.15.4 B18 + B22 Weten dat het product gelijk blijft als een van de factoren vermenigvuldigd wordt 1.14 2.1.35 1.14.7 B7c met en de andere gedeeld wordt door hetzelfde getal. Weten dat het quotiënt gelijk blijft als deeltal en deler met hetzelfde getal 1.14 2.1.35 1.15.4 B7d vermenigvuldigd of door hetzelfde getal gedeeld worden. Kommagetallen delen door een natuurlijk getal 10 door het kommagetal te 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.15.1 B33a splitsen in tafelproducten. Kommagetallen vermenigvuldigen met een natuurlijk getal 10. 1.13 2.1.36 + 2.1.39 1.14.1 B32a Optellen en aftrekken met kommagetallen. 1.24 1.1.30 + 2.1.39 1.20.3 + 1.21.3 B11 + B14 Met gekende maateenheden herleidingen maken. 2.7 3.2.01 + 3.2.11 + 3.2.09 2.2.3.21 MR28 59 Blok 6

Blok 7 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 60 7 1 De betekenis van de begrippen inkoopprijs, verkoopprijs, winst en verlies in concrete situaties ervaren. De begrippen inkoopprijs, verkoopprijs, winst en verlies in concrete situaties gebruiken. 2.11 2.2.25 2.8.2 MR89b 2.11 2.2.25 2.8.2 MR89b et verschil tussen inkoopprijs en verkoopprijs benoemen als winst of verlies. 2.11 2.2.25 2.8.2 MR89b 7 2 Ervaren en toepassen dat de som van 2 getallen gelijk blijft als bij één term een getal opgeteld wordt en van de andere term hetzelfde getal afgetrokken wordt. 1.14 1.1.29 1.11.2 B7a Ervaren en toepassen dat het verschil van 2 getallen gelijk blijft als bij 1.14 1.1.29 1.12.2 B7b beide termen hetzelfde getal opgeteld of van beide termen hetzelfde getal afgetrokken wordt. De verhoudingstabel bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.21 2.4.03 1.17.3 B54 et algemeen stappenplan bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 Rekentaal gebruiken. 1.3 2.1.27 1.9.4 B3 N De omtrek en de oppervlakte van een rechthoek bepalen. 2.9 2.2.08 + 2.2.23 2.2.3.4 + 2.2.3.9 MR42a + MR33 7 3 Door een punt buiten een rechte een evenwijdige rechte aan die rechte 3.4 2.3.08 3.1.8 MK30b tekenen. Door een punt van een rechte een loodlijn op die rechte tekenen. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK34c Door een punt buiten een rechte een loodlijn op die rechte tekenen. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK34b N De symbolen voor evenwijdigheid en loodrechte stand lezen en noteren. 3.3 2.3.07 + 3.1.10 MK31 + MK35 2.3.22 N De terminologie i.v.m. evenwijdigheid en loodrechte stand gebruiken. 3.2a 2.3.06 3.1.7 MK31 + MK35 7 4 Breuken op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 Breuken > 1 herstructureren. 3.1.40 1.4.11 G18 Breuken (< en > 1) vergelijken met het geheel. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 N De betekenis van de begrippen teller en noemer toepassen. 1.4 1.1.22 1.2.7 G15 N Breuken vergelijken. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 7 5 De begrippen inkoopprijs, verkoopprijs, winst en verlies in gegeven situaties 2.11 2.2.25 2.8.2 MR89b herkennen. In vraagstukken de winst of het verlies berekenen. 2.11 2.4.01 + 2.8.2 MR89b 2.2.25 In vraagstukken de verkoopprijs/inkoopprijs berekenen. 2.11 2.4.01 + 2.2.25 2.8.2 MR89b 7 6 Breuken op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 In vraagstukken de winst of het verlies berekenen. 2.11 2.4.01 + 2.8.2 MR89b 2.2.25 In vraagstukken de verkoopprijs/inkoopprijs berekenen. 2.11 2.4.01 + 2.8.2 MR89b 2.2.25 De verhoudingstabel bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.21 2.4.03 1.17.3 B54 Loodlijnen en evenwijdige rechten tekenen met behulp van een geodriehoek. 3.4 2.3.21 + 3.1.8 MK30 + MK34 2.3.08 N De betekenis van de begrippen teller en noemer toepassen. 1.4 1.1.22 1.2.7 G15 7 7 Tijdsduur berekenen in dagen en weken. 2.12 WO tijd 2.4.21 MR70 De begrippen trimester, kwartaal en semester gebruiken (kwartaal niet voor 2.1 3.2.28 WO T 28 MR66g OVSG en GO). De begrippen jaar, schrikkeljaar en eeuw kennen. 2.1 WO tijd WO T 28 MR66f Een datum lezen en op verschillende manieren noteren. 2.2 WO tijd 2.4.11 MR67b 61 Blok 7

Blok 7 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 62 7 8 Cijferend optellen van verschillende termen tot 100 000. 1.24 2.1.40 1.20.1 B38 Cijferend aftrekken, vermenigvuldigen en delen tot 100 000. 1.24 2.1.40 + 2.1.41 + 2.1.42 1.21.1 + 1.22.2 + 1.23.1 B39 + B40 + B42 + B43 De schatprocedure bij optellingen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 + B46a 1.19.5 + 1.19.6 N et gemiddelde berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57 N De zakrekenmachine gebruiken. 1.26 3.1.36 1.25.6 B47 N Gegevens van een tabel lezen. 1.8 WO 1.18.11 G40 N De begrippen kwartaal en semester gebruiken. 2.1 3.2.28 WO T 28 MR66g 7 9 De oppervlakte van willekeurige veelhoeken bepalen door de figuur te verdelen 2.9 3.2.17 2.2.3.10 MR45 in rechthoeken en driehoeken. De omtrek van veelhoeken bepalen. 2.9 2.2.08 2.2.3.4 MR33 N et begrip schaal gebruiken. 2.4 3.2.02 2.3.2 MR85 N Bij figuren gelijkvormigheid vaststellen. 3.6 2.2.07 3.4.2 MK41 7 10 Vraagstukken met kommagetallen oplossen (hoofdrekenen of cijferen). 4.2 2.4.01 SV 1.5 B49 + B50 et algemeen stappenplan bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 N De schatprocedure bij bewerkingen toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 + 1.19.5 + 1.19.6 B46a 7 11 Ruimtefiguren onderzoeken. 3.2 1.3.04 3.1.7 + 3.2.8 MK26 Aan ruimtefiguren vlakke figuren herkennen en benoemen. 3.2 1.3.10 3.1.7 + 3.2.8 MK26 N Begrippen als plat, gebogen, rond, recht, gebruiken. 3.2 1.3.01 3.1.7 MK26 N Vlakke figuren (vierkant, rechthoek, driehoek en cirkel) correct benoemen. 3.4 1.3.10 3.2.2 MK15

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 7 12 Cijferend optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen tot 100 000 (natuurlijke getallen en kommagetallen). De schatprocedure bij optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen toepassen. 1.24 2.1.40 + 2.1.41 + 2.1.42 1.20.2 + 1.21.3 + 1.22.2 + 1.23.1 1.16 2.1.37 1.19.2 + 1.19.5 + 1.19.6 B38 + B39 + B40 + B41 + B42 + B43 + B44 + B45 B46a Tijdsduur berekenen in dagen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70 De begrippen semester en kwartaal gebruiken. 2.1 3.2.28 WO T 28 MR66g De oppervlakte van willekeurige veelhoeken bepalen door de figuur te verdelen 2.9 3.2.17 2.2.3.10 MR45 in rechthoeken en driehoeken. De omtrek van veelhoeken bepalen. 2.9 2.2.08 2.2.3.4 MR33 7 13 De betekenis van de begrippen bruto, netto en tarra in concrete situaties 4.2 3.2.12 B59 ervaren. De begrippen bruto, netto en tarra in concrete situaties gebruiken. 4.2 3.2.12 SV 1.5 B59 De relatie tussen bruto, netto en tarra ontdekken en toepassen. 4.2 3.2.12 SV 1.5 B59 N Voorwerpen wegen met een weegschaal. 2.2 1.2.15 2.2.3.1 + 2.2.3.3 MR23 7 14 Gegevens van een tabel lezen en verwerken in een staafdiagram of een lijngrafiek. Van een staafdiagram of lijngrafiek gegevens aflezen en hiermee eenvoudige bewerkingen uitvoeren. 1.8 1.18.11 + 1.18.16 + 1.18.21 1.8 2.1.45 1.18.17 + 1.18.22 N et gemiddelde berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57 MR83 G40 63 Blok 7

Blok 7 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 64 7 15 Kommagetallen optellen en aftrekken. 1.23 1.1.30 + 2.1.39 Kommagetallen vermenigvuldigen met een natuurlijk getal < 10. 1.23 2.1.36 + 2.1.39 Kommagetallen delen door een natuurlijk getal < 10. 1.23 2.1.36 + 2.1.39 1.11.1 + B30 + B31 1.12.1 1.14.1 B32a 1.15.1 B33a 7 16 Met gekende maateenheden herleidingen maken. 2.6 + 2.7 3.2.01 + 2.2.3.21 MR28 3.2.09 + 3.2.11 Vraagstukken in verband met lengte, inhoud, gewicht en geld oplossen. 4.2 2.4.02 SV 1.5 MR88 et algemeen stappenplan bij het oplossen van vraagstukken gebruiken. 1.29 2.4.03 SV 1.1 DO1 7 17 orizontale en verticale lijnen herkennen en tekenen. 3.2 3.1.7 3.1.8 MK9e De termen horizontaal en verticaal gebruiken. 3.2 3.1.7 MK9e Ontdekken dat alle horizontale/verticale lijnen evenwijdig zijn. 3.2 3.1.7 MK29 Ontdekken dat een horizontale en een verticale lijn loodrecht op elkaar staan. 3.2 3.1.7 MK29 Constructies maken die aan gegeven voorwaarden voldoen. 3.2 3.1.7 3.1.8 MK29 N Evenwijdige rechten en loodlijnen herkennen en tekenen. 3.4 2.3.08 + 3.1.8 MK30 + MK34 2.3.21 N De symbolen // en gebruiken. 3.3 2.3.22 + 3.1.10 MK31 + MK35 2.3.07 N De geodriehoek correct hanteren. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK48

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 7 18 Gegevens van een tabel lezen en verwerken in een lijngrafiek. 1.8 1.18.11 + 1.18.16 + 1.18.21 Van een lijngrafiek gegevens aflezen en hiermee eenvoudige bewerkingen uitvoeren. 1.8 2.1.45 1.18.17 + 1.18.22 Kommagetallen optellen en aftrekken. 1.23 1.1.30 + 2.1.39 Kommagetallen vermenigvuldigen met een natuurlijk getal < 10. 1.23 2.1.36 + 2.1.39 Kommagetallen delen door een natuurlijk getal < 10. 1.23 2.1.36 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 MR83 G40 1.14.1 B32a 1.15.1 B33a De begrippen bruto, netto en tarra in concrete situaties gebruiken. 4.2 3.2.12 SV 1.5 B59 De relatie tussen bruto, netto en tarra toepassen. 4.2 3.2.12 SV 1.5 B59 In betekenisvolle situaties herleidingen uitvoeren. 2.6 + 2.7 3.2.01 + 3.2.09 + 3.2.11 B30 + B31 2.2.3.21 MR28 7 19 Een breuk nemen van een getal. 1.1.19 1.14.3 B25 et geheel bepalen als een deel in breukvorm gegeven is. 2.1.17 1.14.3 B25 Bij een verdeling het resterende deel als breuk benoemen. 1.4 1.1.19 1.5.6 G14 N Breuken > 1 herstructureren. 3.1.40 1.4.11 G18 N Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + 1.12.1 N Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.21 1.4.13 G16 B26a + B27a 65 Blok 7

Blok 7 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 66 7 20 In aangeboden situaties de bewerking herkennen. 4.2 2.4.01 SV 1.5 B2 Bewerkingen met kommagetallen maken (cijferen, hoofdrekenen en ZRM). 1.10 + 1.24 + 1.26 2.1.40 + 2.1.41 + 2.1.42 + 2.1.36 + 2.1.39 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 +1.20.3 + 1.21.3 + 1.24.1 + 1.25.1 B30 + B31 + B32 + B33 + B38b + B39 + B41a + B43 + B47 N Op het internet informatie opzoeken. LL 3 SV 1.3 N De begrippen inkoopprijs, verkoopprijs, winst en verlies herkennen in een 2.11 2.2.25 2.8.2 MR89b gegeven situatie. N Een keuze maken tussen hoofdrekenen en cijferen. 1.28 2.1.38 S.V. 1.1 B52 N Verkregen resultaten zinvol afronden. 1.15 2.1.45 1.8.4 G36 7 21& Breuken op een getallenlijn plaatsen. 1.5 2.1.19 1.4.10 G16 22 Breuken vereenvoudigen. 1.22 3.1.21 1.4.13 G16 Een breuk nemen van een getal. 1.1.19 1.14.3 B25 Bij een verdeling het resterende deel als breuk benoemen. 1.4 1.1.19 1.5.6 G14 De verhoudingstabel gebruiken bij het oplossen van vraagstukken. 1.21 2.4.03 1.17.3 B54 Van een staafdiagram gegevens aflezen en hiermee eenvoudige bewerkingen 1.8 2.1.45 1.18.17 MR82 uitvoeren. et gemiddelde berekenen. 3.1.02 1.18.29 B57 Gelijknamige breuken optellen en aftrekken. 1.23 2.1.44 1.11.1 + B26a + B27a 1.12.1 Optellingen, aftrekkingen, vermenigvuldigingen en delingen met kommagetallen maken. B30 + B31 + B32a + B33a Toepassen dat de som van 2 getallen gelijk blijft als bij één term een getal opgeteld en van de andere term hetzelfde getal afgetrokken wordt. Toepassen dat het verschil van 2 getallen gelijk blijft als bij beide termen hetzelfde getal opgeteld of van beide termen hetzelfde getal afgetrokken wordt. 1.23 2.1.39 + 2.1.40 + 2.1.41 + 2.1.42 1.11.1 + 1.12.1 + 1.14.1 + 1.15.1 1.14 1.1.29 1.11.2 B7a 1.14 1.1.29 1.11.2 B7b

Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 7 21 & Cijferend optellen van verschillende termen tot 100 000. 1.24 2.1.40 1.20.1 B38 22 Cijferend aftrekken, vermenigvuldigen en delen tot 100 000. 1.24 2.1.40 + 2.1.41 + 2.1.42 1.21.1 + 1.22.2 + 1.23.1 B39 + B40 + B42 + B43 De schatprocedure toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 + B46a 1.19.5 + 1.19.6 De begrippen inkoopprijs, verkoopprijs, winst en verlies in gegeven situaties 2.11 2.2.25 2.8.2 MR89b herkennen. In vraagstukken de winst of het verlies berekenen. 2.11 2.4.01 + 2.8.2 MR89b 2.2.25 De relatie tussen bruto, netto en tarra toepassen. 4.2 3.2.12 SV 1.5 B59 Vraagstukken in verband met geld oplossen. 2.11 2.4.02 + 2.8.8 MR88 2.4.01 In betekenisvolle situaties herleidingen maken. 2.6 + 2.7 3.2.01 + 3.2.09 + 3.2.11 2.2.3.21 MR28 De omtrek en de oppervlakte van een veelhoek berekenen door de figuur te verdelen in rechthoeken en driehoeken. 2.9 2.2.08 + 3.2.16 2.2.3.4 + 2.2.3.10 Tijdsduur berekenen. 2.12 3.2.29 2.4.21 MR70 et begrip kwartaal gebruiken. 2.1 WO T 28 MR66g Door een punt buiten een rechte een evenwijdige rechte aan die rechte 3.4 2.3.08 3.1.8 MK30b tekenen. Door een punt buiten een rechte een loodlijn op die rechte tekenen. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK34b De symbolen voor evenwijdigheid en loodrechte stand lezen en noteren. 3.3 2.3.07 + 2.3.22 3.1.10 MK31 + MK35 MR45 67 Blok 7

Blok 7 Blok Les /N Lesdoelen Eindterm GO OVSG VVKBaO 68 7 23 Cijferend optellen van verschillende termen tot 100 000. 1.24 2.1.40 1.20.1 B38 Cijferend aftrekken, vermenigvuldigen en delen tot 100 000. 1.24 2.1.40 + 2.1.41 + 2.1.42 1.21.1 + 1.22.2 + 1.23.1 De schatprocedure toepassen. 1.16 2.1.37 1.19.2 + B46a 1.19.5 + 1.19.6 Rekentaal hanteren. 1.3 2.1.27 1.9.4 B3 B39 + B40 + B42 + B43 7 24 De oppervlakte van willekeurige veelhoeken bepalen door de figuur te verdelen 2.9 3.2.16 2.2.3.10 MR45 in figuren waarvan de oppervlakte kan berekend worden. De omtrek van vlakke figuren bepalen. 2.9 2.2.08 2.2.3.4 MR33 Evenwijdige rechten en loodlijnen herkennen en tekenen. 3.4 2.3.08 3.1.8 MK30 + MK34 De symbolen // en gebruiken. 3.3 2.3.07 + 3.1.10 MK31 + MK35 2.3.22 De geodriehoek correct hanteren. 3.4 2.3.21 3.1.8 MK48