Vooronderstellingen van NLP 1. De kaart is niet het gebied. 2. Lichaam en geest zijn een cybernetische (stuurkundige) eenheid. 3. In communicatie bestaat er geen mislukking, alleen feedback. 4. De betekenis van je communicatie is de reactie die je oproept. 5. Mensen hebben de hulpbronnen beschikbaar voor positieve verandering. 6. Als de één het kan, kan de ander het leren (modelleren). 7. Het onbewuste is minstens even belangrijk als het bewuste denken. 8. Ieder gedrag heeft een positieve bedoeling. IEP Nijmegen, 2014 1
Principes van NLP 1. Principe van vooronderstellingen Overtuiging bepaalt gedrag en overtuiging is een keuze. 6. Het principe van ecologie Positief voor de totale mens, lange termijn, grote geheel. 11. Innerlijke strategieën Een vermogen is een patroon van denkstappen. 2. Het principe van rapport Afstemmen tot je rapport hebt, dan pas gaan leiden. 7. Associatie en dissociatie Associatie geeft gevoel, dissociatie geeft ruimte. 12. Het principe van gedeelten Parallelle doelen scheppen gedeelten. 3. Het principe van doelen Het brein heeft een doel nodig. 8. Het principe van lichaamstaal Het lichaam geeft als eerste antwoord. 13. Betekenisreframing De feiten kunnen van alles betekenen. 4. Het principe van hindernissen Wat je tegenhoudt bepaalt wat je nodig hebt. 9. Principe van het metamodel Wat is de beleving achter die woorden? 14. Het principe van ankers Gelijktijdige belevingen raken gekoppeld. 5. Het principe van hulpbronnen 10. Principe van submodaliteiten Je latente vermogens Hoe je het weergeeft inzetbaar maken. bepaalt wat het je doet. IEP Nijmegen, 2014 2
Rapport Basishouding Balans Ik ben in evenwicht. Ruimte Ik ben hier met mijn aandacht. Sponsor zijn Alles wat er gebeurt, waardeer ik positief als informatie. Ik zie je potentieel! Contact Ik stel me voor je open. Afstemmingskanalen Criteria Stemtoon Spreekvolume, -ritme Sleutelwoorden Predikaten Ademhaling Lichaamshouding Bewegingsritme Gebaren Emotionele toestand Cultuur Predikaten Visuele predikaten Zoals ik het zie Nu gaat er een lichtje branden. Ik weet niet wat ik zie! Ik zie weer licht aan het eind van de tunnel! Auditieve predikaten Dan zeg ik tegen mezelf... Nu gaat er een belletje rinkelen. Ik heb er geen woorden voor! Er zit weer muziek in! Kinesthetisch Dan krijg ik het gevoel dat... Het dringt tot mij door. Ik sta aan de grond genageld. Wij zijn er doorheen! IEP Nijmegen, 2014 3
Het NLP-gesprek Metapositie Overzicht Huidige toestand Hoe is het nu (m.b.t. tot je doel)? Basishouding, rapport Goed contact maken Ecologie Wat zou hier tegen kunnen zijn? Hindernis Wat houdt je tegen? Doeltoestand Wat wil je bereiken? Wat wil je kunnen? White box Hulpbronnen activeren. Veranderingstechnieken Future Pace Hoe ga je dit inzetten? Vooronderstellingen IEP Nijmegen, 2014 4
Associatie en dissociatie Associatie Beleven Neem direct waar Zit in de situatie Praat in de tegenwoordige tijd Bewegingen passend bij situatie Dissociatie Beschouwen Afstand. Zie mezelf Praat in de tegenwoordige, verleden of toekomende tijd Ook bewegingen die niet bij situatie passen Instructie associatie Nu wil ik je vragen om helemaal terug te gaan naar [... ervaring in detail beschrijven...]. Voel weer je gevoelens van dat moment. [... pauze...]. Kijk naar wat je ziet [... pauze...]. Luister naar de geluiden... Beleef het weer helemaal opnieuw [... pauze...]. Je bent aan het... [... praat verder in de tegenwoordige tijd... ] En vertel maar wat je aan het doen bent, of wat er gebeurt. Instructie dissociatie Nu wil ik je vragen om afstand te nemen van [... ervaring globaal beschrijven...]. Wij staan hier [... raak ander aan...] en daar [... wijs naar hoge andere plek in de ruimte...] is een andere [... naam...] die dat meemaakt. [... pauze...]. Wat zie en hoor je hem/haar daar doen? [... ander laten beschrijven...]. Zorg dat z/hij in de derde persoon praat (hij, zij) en blijf naar die andere plek in de ruimte wijzen...]. IEP Nijmegen, 2014 5
Het Metamodel Moeten Wat gebeurt er als je het niet doet? Niet kunnen Wat houdt je tegen? Vaag zelfstandig naamwoord Welke... bedoel je precies? Vaag werkwoord Welke... bedoel je precies? Halve vergelijking... dan wat? Weglating Met wie? Waar over? Waar van? Etcetera. Nominalisatie Wat doen jullie (of mensen) dan wat jij... noemt? Alles of niets Absoluut, totaal, helemaal, 100 procent...? Gedachtenlezen Hoe weet je dat? Waar leid je dat uit af? Oorzaak-gevolg Hoe? Hoe wordt X door Y veroorzaakt? Eeuwige waarheid Wie vindt dat? Wie zegt dat? IEP Nijmegen, 2014 6
Structuur van de subjectieve ervaring IEP Nijmegen, 2014 7
Submodaliteiten Omvang Sterkte Plaats Locatie Beweging Dynamiek Karakter Eigenschappen Visueel Hoe groot is het beeld? B.v. omkaderd of panoramisch? Waar bevindt het beeld zich in de ruimte? Beweging in het beeld? Is het een film of een foto? Veel of weinig beweging? Wat valt verder op? B.v. meer rood of meer blauw? Zachte vormen of harde vormen? Auditief Hoe luid is het geluid? Waar komt het geluid vandaan? Wisselt het geluid of is het constant? Wat voor timbre? Meer harmonieus of meer staccato? Kinesthetisch Hoe sterk is het gevoel? Waar voel je het in je lichaam / om je heen? Wisselt het gevoel of is het constant? Zacht of hard? Warm of koud? IEP Nijmegen, 2014 8
Herkaderen (reframing) 1. Uitspraak die je wilt herkaderen Groot probleempotentieel - Vaak hoog logisch niveau. Check: Als ik dat ook geloofde, zou ik dat probleem ook hebben. 2. Scheid feiten en betekenis Feit = Controleerbaar verschijnsel dat je op foto of video kunt vastleggen. Betekenis = Generalisatie die feiten overstijgt - Mening, evaluatie, opinie, overtuiging, hersenspinsel. 3. Betere betekenis aan zelfde feiten Entree-zin: Jij zegt:... [... vul hier de ongunstige betekenis in, die de ander geeft...], want... [... vul hier de feiten waar hij dat op baseert...]. Maar zou je niet net zo goed kunnen zeggen: Dat... [... noem dezelfde feiten...], dat betekent dat... [... geef de nieuwe, positieve betekenis...]. Voorbeeld. Ik vocht vroeger op school altijd met andere jongens; ik heb altijd een agressief karakter gehad. Feit: vechten op school. Betekenis: agressief karakter. Reframe: Jij zegt nu: ik heb een agressief karakter, want ik heb vroeger op school vaak gevochten. Maar je zou net zo goed kunnen zeggen: dat ik vroeger op school vaak vocht, dat betekent dat ik geleerd heb om mijn grenzen aan te geven en dus hoef ik niet vaak agressief te zijn. Feiten Ongunstige betekenis Betere betekenis IEP Nijmegen, 2014 9
Hulpbrontechnieken 1. Referentie-ervaring Wat heb je nodig om deze hindernis te overwinnen? - Benoem hulpbron. - Wanneer heb je dat ooit heel duidelijk gehad? - Associeer in hulpbron & versterk hem. 2. Oudere zelf Visualiseer levenslijn. - Kijk naar oudere zelf (vitale 80- of 90-jarige). - Associeer in oudere zelf. - Kijk terug naar huidige zelf & hindernis. Geef huidige zelf advies. - Associeer in huidige zelf en ontvang advies. 3. Rolmodel Visualiseer zelf in huidige toestand (hindernis). - Wie kan heel goed met deze hindernis omgaan? - Zet rolmodel als stand-in in film. - Evt. bijstellen - Verander rolmodel weer in zelf. - Associeer in zelf. 4. Fysiologie Associeer in huidige toestand.- Houding, bewegingen, ademhaling (fysiologie)? - Overdrijf. - Zoek heel andere fysiologie. Lost nieuwe fysiologie hindernis op? Oefen nieuwe fysiologie & veranker nieuwe aan begin oude fysiologie. 5. Uitzondering Zoek uitzondering: situatie lijkt op de huidige toestand, maar geen hindernis. - Vergelijk uitzondering met huidige toestand. - Hulpbron die je in uitzondering wel & in de huidige toestand niet hebt. - Associeer in hulpbron & versterk hem. IEP Nijmegen, 2014 10
Circle of excellence 1. Kies drie hulpbronnen 2. Zie lichtende cirkel Geef kleur en oppervlak (hard, zacht, ruw, glad, etc.). 3. Referentie ervaring hulpbron Naast de cirkel - Hulpbron-moment bepalen - Associatie in hulpbron. 4. Laad cirkel op Versterk en veranker hulpbron - Laat situatie achter en neem gevoel mee naar cirkel - Veranker hulpbrongevoel aan cirkel. 5. Herhalen andere hulpbronnen Op andere plekken beginnen - Hulpbronnen in cirkel laten integreren (nieuw geheel). 6. Veranker combinatie hulpbronnen Kijk naar cirkel (V anker) - Stap in cirkel - Ervaar effect gecombineerde hulpbronnen - Breng tot uitdrukking in woord. Paar keer zeggen (Ad anker) - Merk op: houding en ademhaling - Gebaar dat bij toestand past (K anker). 7. Leg cirkel in toekomst Leg cirkel neer in toekomstige situatie waar hij nuttig is - Kijk naar cirkel - Stap in cirkel, zeg trefwoord - Doe houding en gebaar - Ervaar hulpbrontoestand. 8. Future pace en ecologiecheck Gebruikelijke manier. IEP Nijmegen, 2014 11
Disney strategie 1. Veranker drie denkstijlen Drie plekken, driehoek Dromer: voorbeeld van creatief, ongeremd dromen of fantaseren - Beelden van jezelf (Vc) - Associatie & anker. Uitvoerder: voorbeeld van vertalen ideeën in concrete plannen, effectieve uitvoering - Richt je op je gevoel (K) - Associatie & anker. Criteria-bewaker: voorbeeld van positief, constructief kritiek geven, zoeken naar mogelijke problemen - Praat tegen jezelf (Ad) - Associatie & anker 2. Formuleer doel Metapositie. Welk nieuw gedrag wil ik graag ontwikkelen? 4, 5 en 6. Posities gebruiken Stap een voor een in de posities Criteria-bewaker - Ad: Aan welke criteria moet nieuwe gedrag voldoen? - Dromer - Vc: Wat zijn allerlei verschillende opties? (gedissociëerd, concrete context) - Uitvoerder - K: Hoe is het om in praktijk te brengen? (geassocieerd.) 7. Evalueer gedrag (Terug naar Criteria-bewaker). Voldoet gedrag zo aan criteria? Aanvulling of verandering nodig? 8. Rond af of start nieuwe TOTE Als gedrag nog niet voldoet: herhaal stappen 4, 5, 6 en 7. 9. Future pace en ecologiecheck Op gebruikelijke wijze. IEP Nijmegen, 2014 12
Onderhandelen tussen gedeelten 1. Conflicterende gedeelten benoemen en visualiseren Ieder op eigen plek, met eigen stem en eigen gevoel. 2. Positieve intenties Laat beide gedeelten positieve intentie kenbaar maken. 3. Positieve intenties wederzijds waarderen Laat elk gedeelte positieve intentie van het andere gedeelte waarderen. 4. Uitwisseling hulpbronnen en gedragsverandering Gedeelten - om de beurt - bij elkaar hulpbronnen uit laten kiezen en aan elkaar overdragen - Gedeelten laten uiten welke gedragsverandering ze van de ander willen. Afspraken. 5. Hogere gemeenschappelijke intentie Welke hogere/belangrijkere intentie (waarde, criterium, doel) onderschrijven beiden? Belofte van samenwerking. 6. Gedeelten weer opnemen Laat gedeelten visueel en gevoelsmatig samenkomen (integratie of samenwerking) en plek vinden. 7. Future pace en ecologiecheck Op gebruikelijke manier - Laat gedeelten gedragsmatig demonstreren wat ze anders gaan doen in situaties waar ze vroeger in conflict kwamen. IEP Nijmegen, 2014 13
Change personal history 1. Problematisch gevoel verankeren (Zoek-anker) Associatie in probleemsituatie - Voel weer even helemaal wat je toen voelde - Veranker & test anker. 2. Met zoek-anker terug in de tijd Activeer zoek-anker - Terug in de tijd (TDS). Meestal op levenslijn - Wanneer heb je dit gevoel eerder gehad? - (Code)naam elke situatie - Doorgaan tot vroegste herinnering. 3. Hulpbron voor jongere zelf bepalen Gedissocieerd kijken naar vroegste situatie - Wat heeft je jongere zelf daar nodig? - Hulpbron opzoeken (latere leeftijd) - Versterk & veranker hulpbron - Neutraal moment vlak voor herinnering (proloog). 4. Hulpbron ecologisch & effectief? Geef hulpbron aan jongere zelf - Komt hij/zij goed door situatie heen? Bezwaren? - Eventueel meer/andere hulpbronnen toevoegen. 5. Hulpbron toevoegen aan (bijna) alle latere ervaringen Gebruik hulpbron voor op een na alle gevonden situaties. 6. Testen zonder anker Test zelfstandig gebruik hulpbron: overgebleven situatie laten verwerken zonder hulp (zonder anker). 7. Future pace en ecologiecheck Op gebruikelijke manier - Daarna eventueel met hulpbronkleur levenslijn vanaf geboorte opnieuw doorlopen. IEP Nijmegen, 2014 14
Visuele swish 1. Hindernis Welk terugkerend beeld roept probleemgedrag/gevoel op? 2. Toekomstig zelfbeeld Visualiseer ideaal zelf in toekomst- Bent zoals je wilt zijn - Denkt met humor/mildheid terug aan hindernis. Submodaliteiten: krachtig! Maak beeld helder, zonnig, groot, kleurig, bewegend - Goede muziek eronder - Bedenk slogan. 3. Comprimeren en weer vergroten Laat beeld inkrimpen tot klein lichtpuntje - Laat lichtpuntje weer uitdijen tot oorspronkelijke formaat - Oefen keer of 5 - Zeg sjoeffff bij uitdijen puntje. 4. Probleembeeld uitwissen met ideaalbeeld Kijk naar probleembeeld, voel gevoel. Plaats lichtpuntje midden in probleembeeld. Laat ideaalbeeld vanuit lichtpuntje uitdijen tot probleembeeld volledig is uitgewist (2 seconden). Kijk naar positieve toekomstige zelfbeeld (het hulpbronbeeld). Positieve gevoelens hebben overhand. 5. Oefenen Keer of 5. Telkens na ideaalbeeld break state. Ideaalbeeld verankeren aan begin probleembeeld. 6. Future pace en ecologiecheck Op gebruikelijke wijze. IEP Nijmegen, 2014 15
Zesstaps herkaderen (Six step reframing) 1. Benoem gedeelte Stel ongewenste gedrag vast - Geef verantwoordelijke gedeelte een naam (liefst positief). 2. Leg contact Vraag om een signaal - Nadat een innerlijke verandering is opgemerkt (beeld, verhaal, gevoel, beweging, etc.): sterker voor ja ; zwakker voor nee. 3. Vraag naar positieve intentie Wil je me laten weten wat je met gedrag X voor me probeert te doen? Zo ja: Ga je gang. Zo nee: respecteer keuze. - Vertel het gedeelte dat je de positieve bedoeling ondersteunt. 4. Roep creatief gedeelte te hulp Vraag creatief deel om minstens drie gedragsalternatieven te bedenken voor het verantwoordelijke gedeelte (onbewust doorgeven) - Vraag verantwoordelijke gedeelte om ja-signaal voor elk goed alternatief 5. Verantwoordelijkheid Ben je bereid om deze nieuwe manieren de komende tijd uit te proberen? 6. Test de ecologie Vraag of er gedeelten zijn die bezwaar hebben - Die gedeelten plus creatief gedeelte de alternatieven laten bijstellen. IEP Nijmegen, 2014 16
Logische niveaus uitlijnen (alignment) 1. Formuleer doel 2. Ruimtelijke ankers Plaats de logische niveaus in de ruimte - Visualiseer bereiken van doel op passende logische niveau. 3. Verbind doel met logische niveaus Ga op ruimtelijk anker staan - Omgeving: Wat is kenmerkend in de omgeving nu ik mijn doel bereik? - Gedrag: Wat doe ik dan precies? Hoe gedraag ik me, nu ik mijn doel bereik? - Vermogen: Hoe lukt het me om dat (gedrag) daar (in die omgeving) te doen? Welke vermogens gebruik ik, nu ik mijn doel bereik? Overtuiging: Waarom doe ik dat (gedrag) daar? Welke ideeën ondersteunen dat vermogen? Vanuit welke overtuiging bereik ik mijn doel? - Identiteit: Wie ben ik? Dit alles (overtuiging, vermogen, gedrag) is een uitdrukking van wie ik ben, namelijk... (gebruik metafoor) - Spiritualiteit: Overzie de niveaus. Van welk grotere geheel ben ik een onderdeel? En hoe is dit alles daar een uitdrukking van? 4. Overzie het geheel Metapositie. 5. Opnieuw doorlopen Van boven naar beneden - Ga naar spiritualiteit - Werk vanuit daar terug naar omgeving en ga na hoe dit de inhoud verrijkt. IEP Nijmegen, 2014 17