Meetactiviteit derde leerjaar - Moeilijke woorden voor de activiteit met de kinderen doornemen. - De meetstands worden in de eetzaal opgesteld. - Elke leerling brengt een fles mee naar school. (Grote of kleine plastic fles) - Materiaal per opdracht: Opdracht 1 Deciliter-maatbeker, centiliter-maatbeker, zand trechter Voorwerpen (mok, soepbord, glas, flesje, yoghurtpotje) Opdracht 2 Liter-maatbeker deciliter-maatbeker zand Voorwerpen (fles, champignon-doosje, soeptas, plantadoos, klein emmertje) Opdracht 3 3 schepjes: tas, eierdopje, soeptas. zand Voorwerpen (mok, soepbord, glas, flesje, yoghurtpotje) Opdracht 4 deciliter-maatbekers centiliter-maatbeker water doeken trechter plastic flessen stift. Opdracht 5 Voorwerpen Maatbeker Trechter Water Doeken kleurtjes. Opdracht 6 Voorwerpen centiliter-maatbeker trechter zout kleurtjes.
Meten en metend rekenen Inhoud: centiliter deciliter liter Moeilijke woorden: Ongeveer = niet heel juist. Schatten = je gebruikt géén meetinstrument. Meten = je gebruikt een meetinstrument. Vullen = vol doen van een voorwerp met zand, water, stenen, Ruim 1 liter = meer dan 1 liter Inhoud = de hoeveelheid water die in een voorwerp zit. Anderhalf = 1 + een halve Trechter Je gebruikt een trechter om een fles te vullen. Meerdere = meer dan 1 Vorm = Deze flessen hebben een verschillende vorm. Hoeveel = aantal Dit zijn drie scharen. Het aantal is drie. Rangschikken = iets in een volgorde zetten. Ik rangschik van groot naar klein. Bijna = net niet Als de emmer bijna vol is, is hij net niet vol. Maatbeker = kan je de inhoud mee meten. Herhaal = doe hetzelfde telkens opnieuw Staafdiagram = de staven geven informatie. kg 4-3- 2-1- 0-0 Pot 1 Pot 2 Pot 3 Pot 4 Pot 5 Pot 6 Helemaal gevuld = helemaal vol Schooldagen Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag vrijdag Een week Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Vrijdag zaterdag zondag Nauwkeurig meten = heel juist meten. Naam: Datum:./././ 3...
1 Hoeveel deciliter en/of centiliter heb je nodig om het voorwerp te vullen? Eerst schatten, dan meten. Nodig? Deciliter-maatbeker, centiliter-maatbeker, zand, trechter Voorwerpen (mok, soepbord, glas, flesje, yakult-potje) 1. Eerst schatten, dan meten. voorwerp schatting Hoeveel deciliter of centiliter 1. mok.. dl en..cl 2. soepbord.. dl en..cl 3. glas.. dl en..cl 4. flesje.. dl en..cl 2. Rangschik de volgende voorwerpen van weinig naar veel inhoud: (Schrijf enkel de nummers van de voorwerpen op).. -.. -.. -.. 3. a. Welke twee voorwerpen hebben ongeveer dezelfde inhoud?.en 3. b. Hebben deze voorwerpen ook dezelfde vorm? Ja / nee
2 Hoeveel liter en/of deciliter heb je nodig om het voorwerp te vullen? Eerst schatten, dan meten. Nodig? Liter-maatbeker, deciliter-maatbeker, zand. Voorwerpen (fles, blauwe doos, soeptas, planta-doos, klein emmertje) 1. Eerst schatten, dan meten. voorwerp schatting Hoeveel liter en/ of deciliter 1. een fles.. l en..dl 2. blauwe doos.. l en..dl 3. soeptas.. l en..dl 4. rode doos.. l en..dl 2. Welke zin hoort bij de inhoud van welk voorwerp? (Kies uit de voorwerpen van oefening 1.) Ruim een halve liter :. Bijna een liter Anderhalve liter Ruim een liter :. :. :.
3 Vul een liter met verschillende schepjes. Eerst schatten, dan meten. Nodig? 3 schepjes: eierdopje, tas, soeptas zand, liter-maatbeker 1. Hoeveel schepjes heb je nodig om de liter te vullen? Eerst schatten, dan meten. voorwerp schepje schatting Hoeveel schepjes 1. eierdopje.... Maatbeker van 1 liter 2. tas.... 3. soeptas.... 2. Los op. Met welke schep kan je een klein yoghurtpotje vullen? Schep nummer.. Met welke schep kan je het snelst een emmer vullen? Schep nummer.. Met welke schep kan je het nauwkeurigs vullen? Schep nummer.. Waarom? 3. Hoe kleiner het schepje. hoe meer schepjes ik nodig heb om de maatbeker te vullen. dan heb ik evenveel schepjes nodig om de maatbeker te vullen. hoe minder schepjes ik nodig heb om de maatbeker te vullen.
4 Hoeveel dl gaat er in één liter? Hoeveel cl gaat er in één dl? Hoeveel cl gaat er in één liter? Nodig? deciliter-maatbekers, centiliter-maatbeker, water, doeken, trechter, plastic flessen, stift. 1. Meet. 1. Meet hoeveel deciliter in 1 liter gaat.. 2. Meet hoeveel centiliter in 1 deciliter gaan.. 3. Meet hoeveel centiliter in 1 liter gaan.. 2. We maken onze eigen maatbeker. Bijvoorbeeld: Vul jouw flesje met 1 dl. Zet met een stift een streep tot waar het water komt. Herhaal dit tot de fles gevuld is. Hoeveel dl kan in jouw maatbeker?. 3. Los op. Iedere schooldag drink ik een blikje van ongeveer 3 dl. - Heb ik op het einde van de week anderhalve liter gedronken? In ons zwembadje kan 110 liter. Mama vult het zwembad met een grote emmer. Mama loop 10 keer naar het zwembad toe met een volle emmer. - Hoeveel liter gaat in een grote emmer? liter. - Hoeveel emmers moet mama nog brengen?
5 Meet de inhoud in deciliter. Kleur in op het staafdiagram. Los de vragen op. Nodig: voorwerpen, deciliter-maatbeker, trechter, water, doeken, kleurtjes. deciliter 1 liter of 10 dl 9 8 7 6 halve liter of 5 dl 4 3 2 1 0 1. Melkfles 2.Fantaflesje 3. Chili-saus 4.Waterflesje 5. Blikje 6. Yoghurtpotje 2. a. Welke twee voorwerpen hebben ongeveer dezelfde inhoud?.en 3. b. Hebben deze voorwerpen ook dezelfde vorm? Ja / nee 3. In welk voorwerp gaat ongeveer 1 dl?.
6 Meet de inhoud in centiliter. Kleur in op het staafdiagram. Los de vragen op. Nodig: voorwerpen, centiliter-maatbeker, trechter, zout, kleurtjes. centiliter 15 14 13 12 11 1 dl of 10 cl 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 1. yakult 2. buisje 3. bruin flesje 4. petit-gervais 5. danone 6. kruiden 7. glazen potje 2. In welk voorwerp gaat ongeveer 1 centiliter?. 3. a. In welk voorwerp gaat ongeveer 1 deciliter?. 3. b. Hoeveel centiliter gaat in 1 deciliter?.
7 Even niets te doen? Schat het waterverbruik van elk toestel. Kleur de tekening in. 130 liter 10 liter 13 liter per minuut 10 tot 20 liter 60 liter 80 tot 170 liter
1 Hoeveel deciliter of centiliter heb je nodig om het voorwerp te vullen? Eerst schatten, dan meten. Nodig? Maatbekers, water, doeken, trechter Voorwerpen (mok, soepbord, glas, flesje, yoghurtpotje) 1. Eerst schatten, dan meten. voorwerp schatting Hoeveel deciliter of centiliter 1. mok.. 3 dl 2. soepbord.. 5 dl 3. glas.. 2,5 dl 4. yakult-flesje.. 7 cl 5. flesje.. 2,5 dl 2. Rangschik de volgende voorwerpen van weinig naar veel inhoud: (Schrijf enkel de nummers op) 2 1 3 of 5-4 3. a. Welke twee voorwerpen hebben ongeveer dezelfde inhoud? Glas en het flesje 3. b. Hebben deze voorwerpen ook dezelfde vorm? Ja / nee
2 Hoeveel liter / deciliter heb je nodig om het voorwerp te vullen? Eerst schatten, dan meten. Nodig? Maatbekers, water, doeken, Voorwerpen (fles, champignon-doosje, soeptas, plantadoos, klein emmertje) 1. Eerst schatten, dan meten. voorwerp schatting Hoeveel liter / deciliter 1. een fles.. 1,5 liter 2. champignondoos.. 8 dl 3. soeptas.. 5 dl en een halve liter 4. plantadoos.. 1 liter en 2 dl 5. klein emmertje.. 5 l 2. Welke zin hoort bij de inhoud van welk voorwerp? (Kies uit de voorwerpen uit oefening 1.) Ruim een halve liter : soeptas Bijna een liter Anderhalve liter Ruim een liter Meerdere liters : champignon-doosje : fles : planta-doosje : emmertje
3 Vul een liter met verschillende schepjes. Eerst schatten, dan meten. Nodig? Maatbekers, zand, doeken Voorwerpen (mok, soepbord, glas, flesje, yoghurtpotje) 1. Eerst schatten, dan meten. voorwerp schepje schatting Hoeveel schepjes eierdopje.. 20 Maatbeker van 1 liter tas.. 5 soeptas.. 2 2. Los op. Met welke schep kan je een klein yoghurtpotje vullen? Schep nummer 1 Met welke schep kan je het snelst een emmer vullen? Schep nummer 3 Met welke schep kan je het nauwkeurigs vullen? Schep nummer 1 Waarom? Omdat dit de kleinste schep is. 3. Hoe kleiner het schepje. hoe meer schepjes ik nodig heb om de maatbeker te vullen. dan heb ik evenveel schepjes nodig om de maatbeker te vullen. hoe minder schepjes ik nodig heb om de maatbeker te vullen.
4 Hoeveel dl gaat er in één liter? Hoeveel cl gaat er in één dl? Hoeveel cl gaat er in één liter? Nodig? Maatbekers, water, doeken 1. Meet. 1. Meet hoeveel deciliter in 1 liter gaat. 10 dl 2. meet hoeveel centiliter in 1 deciliter gaan. 10 cl 3. Meet hoeveel centiliter in 1 liter gaan. 100 cl 2. We maken onze eigen maatbeker. Vul het flesje met 1 dl. Zet met een stift een streep tot waar het water komt. Herhaal dit tot de fles gevuld is. Hoeveel dl kan in je maatbeker?. 3. Los op. - Iedere schooldag drink ik een blikje van ongeveer 3 dl. Heb ik op het einde van de week anderhalve liter gedronken? Ja want 3 dl x 5 = 15 dl 15 dl is gelijk aan anderhalve liter. In ons zwembadje kan 110 liter. Mama vult het zwembad met een grote emmer. Mama loop 10 keer naar het zwembad toe met een volle emmer. Hoeveel emmers moet mama nog brengen? Nog één keer want 10 x 10 liter is 100 liter.
5 Lees de inhoud af van de verpakking. Kleur in op het staafdiagram. Los de vragen op. Nodig: voorwerpen deciliter 1 liter of 10 dl 9 8 7 6 Halve dl of 5 dl 4 3 2 1 0 1.Melkfles 2.Fantaflesje 3. Chili-saus 4.Waterflesje 5. Blikje 6. Yoghurtpotje 7. Petit-gervais 2. a. Welke twee voorwerpen hebben ongeveer dezelfde inhoud? 3 en 5 3. b. Hebben deze voorwerpen ook dezelfde vorm? Ja / nee
6 Meet de inhoud in centiliter. Kleur in op het staafdiagram. Los de vragen op. centiliter 15 14 13 12 11 1 dl of 10 cl 9 8 7 6 Halve dl of 5 cl 4 3 2 1 0 4. yakult 2. buisje 3. bruin flesje 4. geurflesje 5. petit-gervais 6. danone-flesje 7. kruiden 8. jam-potje 9. glazen potje 5. In welk voorwerp gaat ongeveer 1 centiliter? Glazen potje 6. a. In welk voorwerp gaat ongeveer 1 deciliter? Danone-flesje 4. b. Hoeveel centiliter gaat in 1 deciliter? 10
7 Even niets te doen? Schat het waterverbruik van elk toestel. 100 liter 10 liter 25 tot 100 liter 10 tot 20 liter 60 liter 10 tot 170 liter