Samenvatting Dautzenberg H8 Paragraaf 56 Elk boek kun je in drieën verdelen: voorwerk, eigenlijke tekst, nawerk. Onder voorwerk verstaan we alles wat voorafgaat aan het eerste hoofdstuk: omslag, titel, opdracht, motto, proloog en inhoudsopgave. De illustratie op de omslag is zelden van belang voor een beter begrip van het boek. Zeer belangrijk is de titel. Ze slaan op de.. hoofdpersoon, de handeling, de tijdsduur, het perspectief, het is een toespeling op iets, een figuurlijke titel, soms heeft de titel een ondertitel. Deze kunnen ook letterlijk, figuurlijk of een toespeling zijn. Titel, ondertitel, auteursnaam en uitgever staan op de voorkant, motto en/of opdracht op een aparte pagina. Een opdracht is voor wie het boek geschreven is; aan een bepaalde persoon Een motto is altijd een citaat van iemand anders (vaak uit een gedicht en vaak in vreemde taal) dat de auteur vóór in zijn boek zet, omdat hij vindt dat het precies past bij zijn boek. Een proloog is in een studieboek een soort voorwoord, maar in een roman een inleidend hoofdstuk waarin wordt verteld wat er aan het verhaal is voorafgegaan. Eigenlijke tekst: Een studieboek bestaat altijd uit paragraven en hoofdstukken, maar bij een roman hoeft dat niet het geval te zijn. Het is in ieder geval een stuk minder duidelijk aangegeven Nawerk: tot het nawerk in een roman rekenen we uitsluitend de epiloog (voorwoord) en de achterzijde. De epiloog wordt eigenlijk alleen in studieboeken gebruikt. In een roman wordt in de epiloog wordt verteld hoe het met de hoofdpersonen gaat
nadat het eigenlijke verhaal is afgelopen. Op de achterzijde van de omslag, meestal kort de inhoud van het verhaal geschreven, en soms wat mededelingen over de auteur. In studieboeken vind je in het nawerk het notenapparaat, de bibliografie of literatuuropgave en registers of indexen op namen en/of onderwerpen. Paragraaf 57 Een roman of verhaal is een prozatekst waarin personages voorkomen die handelingen verrichten; deze handelingen nemen een bepaalde tijdsduur in beslag en staan in een bepaalde tijdsvolgorde; ze spelen zich af in een ruimte en een historische tijd; het geheel wordt de lezer medegedeeld vanuit een perspectief. Wanneer mensen over romans/verhalen praten, hebben ze het vooral over gebeurtenissen erin; samen vormen die de handeling (plot, intrige) Zo n korte samenvatting van de handeling in een of enkele zinnen wordt het thema van de roman genoemd Maken we de samenvatting nog korter, dan hebben we het onderwerp van de roman Romans: oorlogsroman, liefdesroman, misdaadroman, spionageroman. Om verwarring te voorkomen wordt het thema in deze zin vaak de idee van de roman genoemd. Uitgebreide romans daarentegen hebben naast de hoofdhandeling een of meer bijhandelingen (subplots, nevenintriges). Zo n roman die dus 2 thema s heeft wordt een dubbelroman genoemd. Een apart type dubbelroman is die waarin een andere roman verwerkt zit: een personage uit de ene handeling schrijft een roman die binnen het boek geheel of gedeeltelijk afgedrukt wordt. Wanneer die tweede roman, dus de roman binnen de roman, slechts een kort verhaal is, speken we van een ingelast verhaal, dat natuurlijk ook een eigen thema heeft. Soms bestaat een roman uit weinig anders dan ingelaste verhalen; de roman zlef dient dan alleen om de verhalen bij elkaar te houden. Men spreekt dan van een kader- of raamvertelling. Door de handeling ontstaat spanning in een boek=> in de verhaaltheorie is dat het verlangen verder te lezen en de afloop te weten te komen door de lezer. De spanningsopbouw gebeurt op 2 manieren; - wanneer in het begin van een roman een raadselachtige situatie voorkomt, wordt de lezer meteen nieuwsgierig.
- In het boek wordt in het begin vooruitgewezen naar wat later zal komen. Aan het einde van het boek is de spanning voorbij omdat het verhaal dan is afgelopen. je hebt een gesloten einde en je hebt een open einde. Bij een gesloten einde heb je niet de neiging om je af te vragen hoe het verder gaat maar bij een open einde wel. Ook met het slot van romans kunnen trucs uitgehaald worden. Zo zijn er verhalen met een cirkelvormige structuur: het einde besluit aan bij het begin. Soms komt het voor dat men weer letterlijk vooraan kan beginnen. In heel zeldzame gevallen loot de slotzin naadloos over in de beginzin. Paragraaf 58 Normaliter bedenkt een auteur natuurlijk zelf de intrige van zijn roman op verhaal/ maar soms maakt hij gebruik van elementen van reeds bestaande verhalen of zelfs van complete verhalen; die elementen noemen we motieven en de complete verhalen stoffen. Externe motieven zijn motieven die ook buiten een bepaald verhaal in kwestie voorkomen. Interne motieven zijn motieven die slechts in één verhaal voorkomen. Wanneer het niet gaat om een terugkerend onderdeel in een verhaal, maar om het hele verhaal als zodanig spreken we van een stof. Verwant aan stoffen en motieven is de toespeling (met een geleerd woord: allusie). De schrijver gebruikt dan de stof of het motief niet echt maar verwijst er slechts naar. Samenvatting Dautzenberg H10 Paragraaf 73 Naar hun rol of functie in de handeling onderscheiden we hoofd- en bijfiguren; daarnaast komen allerlei personages voor die slechts aanwezig zijn omdat ze in de realiteit ook steeds aanwezig zijn maar die een echte functie in de handeling hebben. Deze personages worden achtergrondfiguren genoemd. De hoofdpersoon wordt vaak de held(in) genoemd, iemand die zelf de loop van de gebeurtenissen bepaalt, wordt dat door de omgeving gedaan spreken we van een antiheld(in).
Wat het karakter van de personages betreft, zijn er 3 mogelijkheden; - ronde karakter: een ersonage dat we door en door lijken te kennen als we het boek uithebben - vlakke karakter: een personage waarvan we weing weten, meestal omdat het een bijfiguur is. - Type: een personage waarvan ofwel slechts één karaktertrek gegeven, ofwel de karaktertrekken tot karikatuur zijn gemaakt. Romans die als primair doel heben een ersonage zo diegaand mogelijk te beschrijven, worden psychologische romans genoemd; gaat het om de beschrijving van een maatschappelijk bepaalde groep personen, dan spreekt men van sociale romans. Een apart type psychologische roman is de ontwikkelingsroman, waarin de geestelijke rijping van een personage centraal staat. Paragraaf 74 Twee romangenres worden onderscheiden op grond van de historische tijd: de historische roman (een roman die zich pakweg vóór 1900 afspeelt) en de toekomstroman. Ook de zedenroman kan in dit verband worden genoemd: een roman waarin de zeden en gewoonten van een bepaalde tijd primair staan; het type is verwant aan de sociale roman. Zoals alle romans zich afspelen in een bepaalde tijd, spelen ze zich ook af op een bepaalde plaats. Deze 2 termen vloeien voort uit de handeling. Iets anders is de ruimte van een roman of verhaal. De ruimte vloeit niet zomaar voort uit de handeling maar wordt door de schrijver welbewust bedacht. Ook op de ruimte/plaats zijn enkele romangenres gebaseerd, zoals de streekroman en de western; de laatste is tegelijk ook gebaseerd op de historische tijd. Samenvatting Dautzenberg H12 Paragraaf 94 Als er in een paar regels grote sprongen van tijd gemaakt worden spreken we van versnellingen. Het omgekeerde is een vertraging; een belangrijk onderdeel wordt uitvoeriger beschreven dan de gebeurtenissen ervoor en erna. Het weergeven van gedachten kan op 2 manieren: oftewel door óver die gedachten te vertellen, oftewel door het denkproces zo letterlijk mogelijk weer te geven.
Zo n directe weergave van een denkproces wordt het innerlijke monoloog genoemd of met een engelse term stream of consciousness (bewustzijnsstroom). Paragraaf 95 Zoals er met betrekking tot de tijdsduur 2 afwijkingen zijn versnellingen en vertragingen -, zijn er ook afwijkingen met betrekking tot de tijdsvolgorde. Vrijwel elke roman bevat namelijk flashbacks en vooruitwijzingen. Bij een flashback wordt iets medegedeeld wat eerder is gebeurd dan wat in de omringende passages staat. Het omgekeerde van de flashback, de vooruitwijzing (soms flash forward genoemd), deelt mede wat later uitvoeriger aan de orde al komen. Samen worden ze anachronieën genoemd. Anachronieën kunnen intern of extern zijn. Een interne vooruitwijzing verwijst naar iets wat verderop nauwkeuriger verteld zal worden, de functie ervan is het oproepen van spanning. Een externe vooruitwijzing verwijst naar iets dat zich afspeelt na de handeling die in het boek is beschreven. De functie ervan is vrijwel steeds de uiteindelijke gevolgen van de handeling te laten zien. Een interne flashback wijst terug naar een situatie die eerder in het boek aan de orde is gekomen; een externe flashback verwijst naar iets wat gebeurd is voordat de handeling van het boek begint. Beide typen dien ter verklaring van het een of ander. Paragraaf 96 Het personaal perspectief: je ziet alles door de ogen van een persoon ui het verhaal Het auctoriaal perspectief: je ziet alles door de ogen van de schrijver. In het auctoriaal perspectief vertelt de auteur niet vanuit een personage, maar vertelt hij óver hen. Een dergelijk verhaal heeft een alwetende verteller. Typerend voor het auctoriale perspectief zijn zinnen als: hij zou nog vaak aan deze dag terugdenken, hij wist toen nog niet, zij was nu eenmaal iemand die reeds De vaststelling van het perspectief is heel belangrijk. Ik denk niet dat je aan deze samenvatting genoeg hebt, misschien is het slim om ook nog even het boek door te lezen. En ook te oefenen voor het toepassen, want dat is denk ik de bedoeling.