Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard Fase 2

Vergelijkbare documenten
Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard Fase 1

Vergelijk resultaten van twee modelstudies voor de polder Quarles van Ufford

Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Drentse Aa Fase 1

Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Schuitenbeek Fase 1

Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Schuitenbeek Fase 2

Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard Fase 3

Systeemanalyse voor het bemalingsgebied Quarles van Ufford Fase 1

Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Schuitenbeek Fase 3

algemeen Deze bijlage is een detaillering van de beschrijving actuele waterkwaliteit die in paragraaf 2.9. is opgenomen

Stroomgebiedsafstemming Rijnwest. ER in combinatie met meetgegevens

Watersysteemanalyse Noordelijke Friese Wouden

Achtergrond rapportage beleidsregel toepassen van drainage in attentiegebieden. Juni 2011

monitoring stroomgebieden een tussenrapport

Resultaten onderzoek relatieve bronnen. B-ware en Royal Haskoning (proefsloten) HH Stichtse Rijnlanden en Aequator (polderanalyse)

Grondwater beïnvloedt kwaliteit Limburgse beken

III.1. Algemeen Deze bijlage is een detaillering van de beschrijving van de actuele waterkwaliteit die in paragraaf 2.10.

Duiding van trends in uit- en afspoeling

LMM e-nieuws 9. Inhoud. Modelleren van grondwateraanvulling. Neerslag vult vanaf de herfst het grondwater aan

Report 1695.N.17. Mestbewerking en Waterkwaliteit. een case studie voor het beheergebied van waterschap Aa en Maas.

Nutriënten: bronnenanalyse en afleiding van achtergrond- concentra8es als basis voor het bijstellen van KRW- doelen

Modelleren van waterkwantiteit en waterkwaliteit

Bijlage 1. Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek

2011 Martin Woestenburg, Dorothée van Tol-Leenders Alterra/Deltares. Sturen op schoon water Eindrapportage project Monitoring Stroomgebieden

Dynamiek van grondwater-oppervlaktewaterinteractie in Nederland Dimmie Hendriks, Hans Peter Broers, Remco van Ek, Jacco Hoogewoud

OOST NUTRIENTEN EN KRW FRISIA ZOUT B.V.

Waterbeheer en landbouw

Vernatten en akkerbouw? Olga Clevering (Praktijkonderzoek Plant en Omgeving) Bram de Vos en Francisca Sival (Alterra)

Alterra-rapport 1907, ISSN Reeks Monitoring Stroomgebieden 16

Onzekerheden in debietmetingen

Memo. 1 Inleiding. 2 Eindprotocol

Grondwaterstanden juni 2016

Positieve en negatieve effecten van drainage: Een analyse in het kader van het Eindadvies Berging en Afvoer voor Wetterskip Fryslân

Figuur 2 ontwateringsituatie

Systeemverkenning Quarles van Ufford

Voorbeeld kaartvervaardiging: kreekruginfiltratie De volgende 5 factoren zijn gebruikt voor het bepalen van de geschiktheid voor kreekruginfiltratie:

Adapting to drought and salinisation in the coupled groundwater surface water system. Joost Delsman

14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw Kenmerk N BTM-V

Vrachten uit de landbouw

Meten in de bovenste meter grondwater: rekening houden met neerslag

Monitoring van nutriënten in het oppervlaktewater van stroomgebieden

Zout in beeld gebracht

Modelcalibratie aan metingen: appels en peren?

Vanuit achtergrondbelasting naar KRW doelen biologie. Gert van Ee Utrecht emissiesymposium 13 maart 2014

Verbeterde schematisering van het oppervlaktewater in Mozart in hellend Nederland

Hydrologie voor STONE2.4

Distributiemodel, deel F

Actualisatie zwemwaterprofiel De Grote speelweide Amsterdamse Bos 2017

Verzilting in Laag Nederland Themabijeenkomst Verzilting en Waterkwaliteit. Joost Delsman, Deltares

Nationaal modelinstrumentarium voor integraal waterbeheer. Jan van Bakel Alterra

MEMO. Toelichting op maatregelen Oranjebuurt in de Lier.

Hoe doorspoeling niet helpt en tijdens regenbuien de sloot zouter wordt...

RENHEIDE OP PEIL Doel pilot Beoogde effecten Maatregelen

Toepassing van onderwaterdrains in stad en land: mogelijkheden en kansen

Notitie Effecten maaivelddaling veenweidegebied op grondwatersysteem Fryslân Inleiding Werkwijze

Middelburg Polder Tempelpolder. Polder Reeuwijk. Reeuwijk. Polder Bloemendaal. Reeuwijksche Plassen. Gouda

Citaten uit de Evaluatie van het mestbeleid en twee Achtergronddocumenten Rood en andere lay-out door Lowie

Gemalen en Zuivering: Een logische combinatie?

STONE anno 2007 en vooruitblik voor de regio

Veenbodem en Wellen: ervaringen in Groot Mijdrecht. Willem Jan Zaadnoordijk Jouke Velstra Toine Vergroesen

Bijlage 26-1: Stedelijke wateropgave Nieuw-Schoonebeek

Analyse NHI 1.2 rond Mijdrecht

Bergingsberekeningen en controle afvoercapaciteit Plangebied Haatland

Toetsing van modelberekeningen van uitspoeling van zware metalen uit bodems in het landelijk gebied

LMM e-nieuws 16. Inhoud. Inleiding. Het nieuwe LMM-programma vanaf Bezuinigingen. Het nieuwe LMM. Februari 2011 Heruitgave augustus 2018

Herkomst Nutriënten Alblasserwaard en Vijfheerenlanden

introductie waterkwantiteit waterkwaliteit waterveiligheid virtuele tour Waar zorgen de waterschappen in mijn omgeving voor?

Neerslag lenzen: sterke ruimtelijke variatie

Watergebiedsplan Dorssewaard Terugkoppel avond. 1 januari 2010

Actueel Waterbericht Week 3 Jaar 2015

Systeemverkenning Drentse Aa

Berekening hwa-riool Oranjebuurt te Riel

LMM e-nieuws 12. Inhoud. Inleiding. Geen seizoenseffecten op nitraat- en anorganisch fosforconcentraties in het grondwater.

Systeemverkenning Schuitenbeek

Achtergrondconcentraties in het oppervlaktewater van HHNK

Belasting van waterlichamen in de Krimpenerwaard met stikstof en fosfor. P.N.M. Schipper, R.F.A. Hendriks, H.T.L. Massop en E.M.P.M.

Rekentool voor opstellen waterbalans Miriam Collombon (STOWA- AWSA /Wetterskip Fryslân) Jeroen Mandemakers (Witteveen+Bos) 25 januari 2018

Waterkwaliteit polders: hoogfrequent meten is veel meer weten

Nutriëntenbalans (N & P) in BRP. Wetenschappelijke onderbouwing. CLM Onderzoek en Advies BV

Watertoets De Cuyp, Enkhuizen

Limburg Waterproof Klimaat, water en landbouw

KlimaatAdaptieve Drainage

Topsoil. Korte introductie

Publieksmilieujaarverslag 2014

17 Peilafwijking 17.1 Inleiding

Grondwater in stedelijk gebied

Publieksmilieujaarverslag 2015

Review Veranderingsrapportage. concept 2 November Aanleiding Reactie op de Conclusies aangaande de Ontwikkeling modellering zout...

De effectiviteit van doorspoelen: van perceelsloot tot boezem. Joost Delsman

Integraal waterbeheer

Effectenstudie toename verhard oppervlak op bermsloot A67

Evaluatie Meststoffenwet ex post. 1: welke wateren? Erwin van Boekel en Piet Groenendijk

Hydraulische toetsing Klaas Engelbrechts polder t.b.v. nieuw gemaal.

Actualisatie Waterspeelplaats Cronesteijn

Werking Hollandsche IJssel

HUISSENSCHE WAARDEN AANVULLENDE GRONDWATERBEREKENING

Publieksmilieujaarverslag 2016

Bestuurlijke samenvatting. Laatste onderzoeksresultaten De Groote Meer op de Brabantse Wal

Landgoed Heijbroeck. Waterparagraaf. Datum : 11 juni Bureau van Nierop, Landgoed Heijbroeck, Waterparagraaf 1

PEILVERHOGING IN HET VEENWEIDEGEBIED; GEVOLGEN VOOR DE INRICHTING EN HET BEHEER VAN DE WATERSYSTEMEN

Toelichting op het ontwerp-peilbesluit voor het bemalingsgebied Zuiderdiep

Transcriptie:

Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard Fase 2 Monitoring Stroomgebieden J.G. Kroes P.E. Dik F.J.E. van der Bolt T.P. Leenders L.V. Renaud Alterra-rapport 1388, ISSN 1566-7197 Reeks Monitoring Stroomgebieden 8-III 8

Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard, fase 2

2 Alterra-rapport 1388

Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard, fase 2 Monitoring stroomgebieden J.G. Kroes P.E. Dik F. J.E. van der Bolt T.P. Leenders L.V. Renaud Alterra-rapport 1388 Reeks Monitoring Stroomgebieden 8-III Alterra, Wageningen, 2006

REFERAAT Kroes, J.G., P.E. Dik, F. J.E. van der Bolt, T.P. Leenders, L.V. Renaud, 2006. Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard, fase 2; Monitoring stroomgebieden. Wageningen, Alterra, Alterrarapport 1388, Reeks Monitoring Stroomgebieden 8-III. 134 blz.; 30 fig.; 21 tab.;.21ref. Voor het project Meerjarig monitoringsprogramma naar de uit- en afspoeling van nutriënten vanuit landbouwgronden in stroomgebieden en polders is, als vervolg op een eerder afgeronde systeemverkenning en systeemanalyse fase 1, een vervolgsysteemanalyse (fase 2) uitgevoerd voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard. Met een gefaseerde aanpak, waarin een meetprogramma en modelberekeningen zijn geïntegreerd, wordt gestreefd naar een operationeel, geoptimaliseerd, gebiedspecifiek monitoringsysteem, waarmee de bijdrage van de landbouw aan de belasting van het oppervlaktewater door nutriënten kan worden gekwantificeerd en waarmee de effecten van het mestbeleid en veranderingen binnen het stroomgebied kunnen worden gevolgd en voorspeld. In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van fase 2. Deze fase is onderverdeeld in het landsysteem en het oppervlaktewatersysteem. De stapsgewijze verfijning van de modelketen laat een duidelijke kwaliteitsverbetering van de modelresultaten voor zowel waterkwaliteit als kwantiteit zien. De resultaten zijn echter nog niet voldoende nauwkeurig om relaties te kunnen leggen tussen waargenomen nutriëntenconcentraties en (veranderingen in) de bronnen. In een volgende fase zal vooral aandacht moeten worden besteed aan de ruimtelijke parametrisatie ten behoeve van de modellen. Trefwoorden: Krimpenerwaard, mestbeleid, modelsysteem, monitoring, nutriënten, STONE, systeemanalyse, stroomgebied ISSN 1566-7197 Dit rapport is digitaal beschikbaar via www.alterra.wur.nl. Een gedrukte versie van dit rapport, evenals van alle andere Alterra-rapporten, kunt u verkrijgen bij Uitgeverij Cereales te Wageningen (0317 46 66 66). Voor informatie over voorwaarden, prijzen en snelste bestelwijze zie www.boomblad.nl/rapportenservice. 2006 Alterra Postbus 47; 6700 AA Wageningen; Nederland Tel.: (0317) 484700; fax: (0317) 419000; e-mail: info.alterra@wur.nl Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Alterra. Alterra aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. 4 Alterra-rapport 1388 [Alterra-rapport 1388/11/2006]

Inhoud Woord vooraf 7 Samenvatting 9 1 Inleiding 11 1.1 Project aanpak 11 1.2 Opzet modelsysteem 12 1.3 Leeswijzer 14 2 Stroomgebied De Krimpenerwaard 17 2.1 Beschrijving van het gebied 17 2.2 Toetsingsgegevens voor het fase 2 modelsysteem 18 2.2.1 Inleiding 18 2.2.2 Waterkwantiteit 19 2.2.3 Waterkwaliteit 20 3 Fase 2 modelsysteem 23 3.1 Inleiding 23 3.2 Het modelinstrumentarium 23 3.3 Schematisatie fase 2 modelsysteem 24 3.3.1 Schematisatie landsysteem 24 3.3.2 Schematisatie oppervlaktewatersysteem 25 3.3.2.1 Waterlopen 25 3.3.2.2 Peilvakken en vanggebied 25 3.3.2.3 Kunstwerken 26 3.3.2.4 Koppeling land en oppervlaktewatersysteem 26 3.3.2.5 Waterkwaliteit inlaat 27 3.3.2.6 AWZI s 27 4 Resultaten fase 2 modelsysteem 29 4.1 Waterkwantiteit landsysteem 29 4.1.1 Toetsing 29 4.1.2 Waterbalansen 30 4.2 Waterkwaliteit landsysteem 31 4.2.1 Toetsing 31 4.2.2 Nutriëntenbalansen 34 4.2.2.1 Stikstof 34 4.2.2.2 Fosfor 36 4.3 Waterkwantiteit oppervlaktewatersysteem en polder 38 4.3.1 Toetsing 38 4.3.2 Waterbalansen 40 4.4 Waterkwaliteit oppervlaktewatersysteem en polder 41 4.4.1 Toetsing 41 4.4.2 Nutriëntenbalansen 46 4.4.2.1 Stikstof 46 4.4.2.2 Fosfor 47

5 Discussie 49 5.1 Waterkwantiteit 49 5.2 Waterkwaliteit 51 6 Conclusies 55 6.1 Algemeen 55 6.2 Waterkwantiteit 55 6.3 Waterkwaliteit 56 7 Aanbevelingen 59 Literatuur 61 Bijlagen 1 Het nutriëntenemissiemodel STONE 63 2 De modules van het oppervlaktewatersysteem 69 3 Rekeneenheden van het fase 2 landsysteem 73 4 Relatie tussen rekeneenheid en STONE-plot 77 5 Modelering detailontwatering 79 6 Parametrisatie oppervlaktewatersysteem 81 7 Inlaat en NuswaLite 85 8 Waterbalans landsysteem Krimpenerwaard fase 2 89 9 Vergelijking gemeten en berekende concentraties landsysteem 91 10 Stikstofbalans landsysteem Krimpenerwaard fase 2 99 11 Fosforbalans landsysteem Krimpenerwaard fase 2 101 12 Waterbalans oppervlaktesysteem Krimpenerwaard fase 2 103 13 Waterbalans stroomgebied Krimpenerwaard fase 2 105 14 Vergelijking gemeten en berekende uitgemalen debieten 107 15 Vergelijking gemeten en berekende ingelaten debieten 109 16 N-balans oppervlaktesysteem Krimpenerwaard fase 2 111 17 N-balans stroomgebied Krimpenerwaard fase 2 113 18 P-balans oppervlaktesysteem Krimpenerwaard fase 2 115 19 P-balans stroomgebied Krimpenerwaard fase 2 117 20 N en P-concentraties in oppervlaktesysteem Krimpenerwaard fase 2 119 21 Vergelijking gemeten en berekende grondwaterstanden 129 22 Concentraties in het oppervlaktewater van peilvak Bergambacht 131 23 Gehanteerde modelversies en modelvariabelen 133 6 Alterra-rapport 1388

Woord vooraf Deze rapportage Systeemanalyse Fase 2 vormt een onderdeel van het project Meerjarig monitoringsprogramma naar de uit- en afspoeling van nutriënten vanuit landbouwgronden in stroomgebieden en polders kortweg Monitoring stroomgebieden. Het primaire doel van het project is het leveren van een bijdrage aan de evaluatie van het mestbeleid door het kwantificeren van het aandeel van de landbouw in de belasting van het oppervlaktewater en de verandering van dit aandeel van de landbouw als gevolg van (mest)beleid in een aantal representatieve stroomgebieden in karakteristieke landschappelijke regio s. Het secundaire doel is om een methodiek te ontwikkelen die het mogelijk maakt en perspectieven biedt om deze methodiek ook in andere stroomgebieden in te voeren. Het project wordt aangestuurd door een stuurgroep. In de stuurgroep hebben de Ministeries LNV, VROM en V&W als opdrachtgevers en de Unie van Waterschappen als vertegenwoordiger van de participerende waterschappen zitting. De STOWA en LTO zijn agendalid. Daarnaast is een klankbordgroep geformeerd met vertegenwoordigers van de instituten RIZA, RIVM en TNO. Deze klankbordgroep denkt kritisch mee bij de opzet van het monitoringsprogramma en de methodiekontwikkeling. Het project wordt uitgevoerd door Alterra Research Instituut voor de Groene Ruimte onderdeel van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. Voor dit project zijn vier pilotgebieden geselecteerd: Drentse Aa, Schuitenbeek, Krimpenerwaard en Quarles van Ufford. De waterbeheerders; Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Waterschap Veluwe, Waterschap Rivierenland, Waterschap Hunze en Aa s en Waterlaboratorium Noord participeren actief in dit project. In de reeks rapportages van het project Monitoring Stroomgebieden is per gebied een Systeemverkenning verschenen. Op basis van deze uitgevoerde systeemverkenning is het gefaseerd opzetten van een modelinstrumentarium per pilotgebied gestart. Het modelinstrumentarium Fase 1 is per gebied uitgewerkt en als Systeemanalyse Fase 1 gerapporteerd. Op basis van de resultaten uit fase 1 heeft er per gebied een verfijning van de modellering, fase 2, plaatsgevonden. Het modelinstrumentarium fase 2 is op basis van meetinformatie geanalyseerd en als volgt gerapporteerd: 8. I Systeemanalyse Drentse Aa Fase 2 8. II Systeemanalyse Schuitenbeek Fase 2 8. III Systeemanalyse Krimpenerwaard Fase 2 8. IV Systeemanalyse Quarles van Ufford Fase 2 Voor informatie over het project Monitoring stroomgebieden kunt u terecht op www.monitoringstroomgebieden.nl of bij: Dorothée Leenders Frank van der Bolt 0317-48 42 79 0317-48 64 44 dorothee.leenders@wur.nl frank.vanderbolt@wur.nl Alterra-rapport 1388 7

Samenvatting Voor het project Meerjarig monitoringsprogramma naar de uit- en afspoeling van nutriënten vanuit landbouwgronden in stroomgebieden en polders is systeemanalyse Fase 2 uitgevoerd, als vervolg op een eerder afgeronde systeemverkenning en een systeemanalyse Fase 1, voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard. Middels een gefaseerde aanpak, waarin een meetprogramma en modelberekeningen zijn geïntegreerd, wordt gestreefd naar een operationeel, geoptimaliseerd, gebiedspecifiek monitoringssysteem, waarmee de bijdrage van de landbouw aan de belasting van het oppervlaktewater door nutriënten kan worden gekwantificeerd en waarmee de effecten van het mestbeleid en veranderingen binnen het stroomgebied kunnen worden gevolgd en voorspeld. In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van de systeemanalyse met behulp van het fase 2 modelsysteem. De aanbevelingen uit fase 1 zijn verwerkt in deze systeemanalyse. Er is op deelstroomgebiedniveau getoetst op waterafvoeren en nutriëntenconcentraties binnen de Krimpenerwaard. De resultaten van het fase 2 modelsysteem laten duidelijke verbeteringen zien ten opzichte van het fase 1 modelsysteem. Verkleining van de tijdstapgrootte van jaar naar decade voor het landsysteem heeft dynamiek binnen kalenderjaren geïntroduceerd en toetsing op meetmomenten mogelijk gemaakt. Dankzij de modellering van het oppervlaktewater-systeem zijn balansen voor water, stikstof en fosfor opgesteld voor de polder als geheel en voor de deelsystemen land en oppervlaktewater. Bovendien is het hiermee mogelijk geworden om balanstermen te toetsen aan beschikbare metingen van wateraan- en afvoeren en nutriëntenconcentraties in het oppervlaktewater. De toetsing laat zien dat er een goede overeenkomst is tussen gemeten en berekend langjarig gemiddelde concentraties totaal-n in het uit de polder afgevoerde water. De berekende langjarig gemiddelde concentraties totaal-p in het uit de polder afgevoerde water, zijn 13% lager dan de gemeten concentraties. De berekende mediane totaal-n waarden voor het zomerhalfjaar ligt met gemiddeld 4.2 mg/l N boven de gemeten waarde van 3.3 mg/l N. De berekende totaal-p waarden zijn gemiddeld lager dan de gemeten waarden. Temporeel en ruimtelijk zijn er discrepanties die voor fosfor het grootst zijn. Het fase 2 modelsysteem kan nog geen relaties leggen tussen bronnen (beleid en maatregelen) en nutriëntenconcentraties in het oppervlaktewater omdat belangrijke bronnen (mest, AWZI, kwel) onvoldoende goed zijn berekend ofwel onvoldoende temporele en ruimtelijk variatie kennen. Om deze redenen is het fase 2 modelsysteem ongeschikt om het aandeel van de landbouw in de belasting van het oppervlaktewater en de verandering van dit aandeel van de landbouw als gevolg van (mest)beleid op stroomgebiedniveau te kwantificeren. Wel is met behulp van het fase 2 modelsysteem meer informatie verkregen met betrekking tot de identificatie van kritische systeemcomponenten en parameters van het studiegebied. Hiermee wordt richting gegeven aan de verfijning van het modelsysteem in een vervolgfase. Alterra-rapport 1388 9

1 Inleiding 1.1 Project aanpak In het kader van het project Meerjarig monitoringsprogramma naar de uit- en afspoeling van nutriënten vanuit landbouwgronden in stroomgebieden en polders worden de effecten van het mestbeleid op stroomgebiedniveau onderzocht. Het doel van het project is het leveren van een bijdrage vaan de evaluatie van het mestbeleid door het kwantificeren van het aandeel van de landbouw als gevolg van (mest)beleid in een aantal representatieve stroomgebieden in karakteristieke landschappelijke regio s. Hiertoe zal een combinatie van een meetprogramma en (model)berekeningen worden toegepast, die elkaar aanvullen en versterken. Het project wordt uitgevoerd in vier qua eigenschappen verschillende (pilot)gebieden, een met nutriënten hoogbelast zandgebied (Schuitenbeek), een laagbelast zandgebied (Drentse Aa), een veengebied (Krimpenerwaard) en een kleigebied (Quarles van Ufford). Middels een verkennende systeembeschrijving is voor ieder gebied een overzicht opgesteld van de beschikbare informatie in relatie tot de benodigde informatie voor het effectief kunnen uitvoeren het monitoringsprogramma (meten en modelleren), en zijn de meest kritische systeemcomponenten en -parameters geïdentificeerd. Uit deze systeemverkenningen van de vier gebieden is gebleken dat er onvoldoende inzicht in de systemen tijdens de uitvoering van de systeemverkenning beschikbaar was om uitspraken te kunnen doen over effecten van het mestbeleid. Om het mestbeleid te kunnen evalueren is geconcludeerd dat het noodzakelijk is om een andere manier van monitoren (meten én modelleren) te introduceren. De constatering uit de systeemverkenningen heeft er toegebracht dat er voor ieder van de vier pilotgebieden, in overleg met de waterbeheerders, een intensief meetprogramma is opgezet. Dit meetprogramma is voor ieder gebied jaarlijks in een meetplan vastgelegd. Daarnaast is er gestart met het opzetten van een gefaseerd modelsysteem. Het modelsysteem is gefaseerd opgebouwd zodat van grof naar fijn wordt gewerkt (paragraaf 1.2). Per gebied wordt na elke fase van de modellering de modelresultaten van de betreffende fase vergeleken met de meetwaarden over de gesimuleerde periode om het systeem te analyseren, een zogenaamde systeemanalyse. Uit de systeemanalyse moet blijken of de modelresultaten voldoende betrouwbaar zijn om de effecten van het mestbeleid te voorspellen. Met behulp van het modelsysteem in combinatie met metingen zal een monitoringsprogramma voor de evaluatie van het mestbeleid worden opgezet. In figuur 1.1 is de projectaanpak schematisch weergegeven Alterra-rapport 1388 11

Systeemverkenning Meten Modelleren Synthese: meten én modelleren Monitoringsprogramma Figuur 1.1 Schematische weergave project opzet 1.2 Opzet modelsysteem In dit project Monitoring Stroomgebieden is er gekozen voor een modulaire benadering van het modelsysteem (Figuur 1.2). Het modelsysteem wordt onderverdeeld in het landsysteem en het oppervlaktewatersysteem. Daarnaast wordt in beide systemen onderscheidt gemaakt tussen kwantiteit (water) en kwaliteit (nutriënten). Landsysteem Oppervlaktewatersysteem Kwantiteit Kwantiteit Kwaliteit Kwaliteit Figuur 1.2 Modulaire opzet modelsysteem Eisen modellen In dit project Monitoring stroomgebieden wordt het modelinstrumentarium toegesneden op de verschillende proefgebieden. De modellen die voor het modelinstrumentarium in aanmerkingen komen moeten voldoen aan de volgende eisen: 12 Alterra-rapport 1388

- Relaties leggen tussen bronnen (beleid en maatregelen) en nutriëntenconcentraties in het oppervlaktewater i.e. paden en lotgevallen beschrijven - Het model moet metingen één op één kunnen beschrijven, oftewel overeenkomstig in tijd en ruimteschaal - Resultaten op verschillende schalen: van afwateringseenheden tot stroomgebied en van dag tot langjarig gemiddelde Om de verschillende modules van het modelsysteem regionaal toe te kunnen passen dient het studiegebied opgedeeld te worden in kleinere ruimtelijke eenheden. Deze ruimtelijke eenheden dienen elk uniek te zijn in onder andere fysische en chemische bodemsamenstelling, landgebruik en hydrologie en zijn afgestemd op de toepassingsschaal (ruimtelijke afmeting) van de modellen. Dit proces van onderlinge afstemming van gebiedsgegevens op de toepassingsschaal van de modellen wordt schematisering genoemd. Fasering In dit project Monitoring Stroomgebieden is het modelsysteem gefaseerd opgezet. Dit betekent dat bij de modellering van grof naar fijn wordt gewerkt. Naast de fasering in het modelsysteem wordt de opzet van het modelsysteem ook tussen de gebieden gefaseerd. De eerste fase van het modelsysteem is afgerond en gerapporteerd (Kroes et al., 2006). Er is gekozen om de eerste fase aan te laten sluiten bij de huidige aanpak voor de evaluatie van het mestbeleid. Dit is het modelinstrumentarium STONE dat in Nederland voor landelijke berekeningen van de nutriëntenemissies wordt gebruikt. Naast het gebruik voor de evaluatie van het mestbeleid wordt dit instrumentarium ook ingezet voor de milieuverkenningen en de nota waterhuishouding. Door de 1 ste fase van het modelsysteem aan te laten sluiten bij de huidige aanpak voor het evaluatie mestbeleid is de modelinvoer van het modelsysteem fase 1 op landelijk niveau en de uitvoer op jaarbasis. Het modelsysteem fase 1 bevat de modules kwantiteit en kwaliteit voor het landsysteem. Het oppervlaktewatersysteem is in deze eerste fase niet meegenomen. De conclusies welke in fase 1 zijn getrokken geven richting aan de onderdelen welke aangepast dienen te worden in de volgende fases van het modelsysteem. Een volgende fase van de modellering en dus een verfijning van het modelsysteem zorgen voor een modelinstrumentarium dat wordt toegesneden op de verschillende pilotgebieden. Op basis van de conclusies uit de systeemanalyse fase 1 zijn de volgende algemene aanbevelingen voor het modelsysteem fase 2 gedaan: Om de processen in het oppervlaktewater (retentie) te kunnen modelleren is het noodzakelijk om een kwaliteitsmodule voor het oppervlaktewater in het modelsysteem op te nemen. Hierdoor kunnen de door het modelsysteem berekende nutriëntenconcentraties in het oppervlaktewater worden vergeleken met en getoetst aan de waarnemingen. De tijdstapgrootte dient te worden verkleind (verhogen van temporele resolutie) om de dynamiek van wateraanvoer, waterafvoer, stikstof- en fosforbelastingen binnen kalenderjaren te kunnen voorspellen. Alterra-rapport 1388 13

Om een vergelijking met de metingen binnen het gebied mogelijk te maken dient de ruimtelijke resolutie te worden verhoogd. Dit dient te gebeuren om het modelsysteem aan te laten sluiten op het schaalniveau in ruimte en tijd van de waarnemingen. Hierbij is het van belang dat de invoer van het modelsysteem aansluit op dit schaalniveau (regionale parametrisatie). De aanvullingen uit de systeemanalyse fase 1 zijn voor het gefaseerde modelsysteem overgenomen. In tabel 1.1 zijn de veranderingen van het fase 2 modelsysteem ten opzichte van het modelsysteem fase 1 samengevat. Tabel 1.1 Opzet gefaseerd modelsysteem Fase modelsysteem Modules modelsysteem Modelinvoer Tijdstap modeluitvoer Fase 1 Landsysteem Landelijk Jaar Fase 2 Land- en oppervlaktewatersysteem Landelijk op regionale schaal Decade In deze rapportage Systeemanalyse Fase 2 worden aanpak en resultaten van het modelsysteem fase 2 beschreven. 1.3 Leeswijzer De indeling van de Systeemanalyse fase 2 is voor de vier gebieden, welke in het project Monitoring Stroomgebieden centraal staan, zo veel mogelijk uniform gehouden. Deze rapportage van de Systeemanalyse fase 2 begint met het stroomgebied (hoofdstuk 2). Allereerst wordt in dit hoofdstuk een beschrijving van het betreffende stroomgebied gegeven (paragraaf 2.1). Daarnaast wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de meetpunten binnen het gebied waar de modelsystemen aan getoetst worden (paragraaf 2.2). In hoofdstuk 1 wordt het modelsysteem fase 2 beschreven. Dit hoofdstuk begint met een toelichting (paragraaf 3.1), vervolgens wordt het modelinstrumentarium beschreven (paragraaf 3.2). Omdat de vier gebieden qua kenmerken verschillend zijn wordt in paragraaf 3.3 de ruimtelijke schematisatie voor zowel het land- als het oppervlaktewatersysteem beschreven. De modelresultaten van het fase 2 modelsysteem worden in hoofdstuk 1 beschreven. De resultaten zijn per module getoetst en als balansen weergegeven. De modules van het landsysteem (kwantiteit en kwaliteit) worden in respectievelijk paragraaf 4.1 en paragraaf 4.2 beschreven. De resultaten van de modules van het oppervlaktewatersysteem worden in paragraaf 4.3 (kwantiteit) en paragraaf 4.4 (kwaliteit) gepresenteerd. De resultaten voor de polder/het stroomgebied worden gepresenteerd in de paragrafen 4.3 en 4.4 in samenhang met de resultaten van het oppervlaktewater. De verkregen resultaten van het modelsysteem fase 2 worden in hoofdstuk 5 bediscussieerd waarna in hoofdstuk 1 de conclusies worden beschreven. 14 Alterra-rapport 1388

Ten slotte worden in hoofdstuk 1 aanbevelingen, op basis van de verkregen inzichten van het modelsysteem fase 2, voor een verdere verfijning van het gefaseerde modelinstrumentarium gegeven. Alterra-rapport 1388 15

16 Alterra-rapport 1388

2 Stroomgebied De Krimpenerwaard In dit hoofdstuk wordt een beknopte gebiedsbeschrijving gegeven die is gebaseerd op de systeemverkenning (Arts et al., 2005). Voorts wordt een beschrijving gegeven van de metingen die zijn gebruikt voor fase 2 van het project Monitoring Stroomgebieden. 2.1 Beschrijving van het gebied De Krimpenerwaard is een veengebied, waar de nutriëntenproblematiek een belangrijke factor is voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het overgrote deel van de bodem in de Krimpenerwaard bestaat uit een veenpakket of een veenpakket met een kleidek. Het veenpakket heeft een dikte variërend van 3 tot 7 meter en plaatselijk 10 meter. Voor de ontginning van de Krimpenerwaard lag het gebied boven NAP. Door ontwatering van het veenpakket is het maaiveld steeds lager komen te liggen, 1 à 2 meter beneden de zeespiegel met een helling van ongeveer 1 meter per 10 kilometer van zuidoost naar noordwest. De aanwezige bodemtypen zijn voor akkerbouw minder of zelfs ongeschikt. Sinds de ontginning van het gebied worden de klei- en veengronden als grasland gebruikt. Melkveehouderijen nemen in de agrarische sector dan ook een eerste plaats in. Langs de Hollandse IJssel en de Lek komt sporadisch akkerbouw en fruitteelt voor. De stedelijke gebieden liggen langs de grote rivieren. Stolwijk en Berkenwoude zijn kernen die midden in het gebied liggen. Verschillende gebieden zijn aangekocht door het Zuid- Hollands Landschap (Figuur 2.1). Een deel van de gebieden is afgeplagd om voor de natuurwaarden betere omstandigheden te scheppen De Krimpenerwaard valt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). HHSK is 1 januari 2005 tot stand gekomen na een fusie tussen het Hoogheemraadschap van Schie-land en het Hoogheem-raadschap Figuur 2.1 Zuid-Hollands Landschap Figuur 2.2 Uitzicht vanaf het gemaal Krimpenerwaard. Alterra-rapport 1388 17

van de Krimpener-waard en een deel van het zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden. Het is een all-in waterschap dat zorgt voor waterkwantiteit en waterkwaliteit. Verschillende waterpeilen worden gehanteerd in een aantal peilgebieden. Het te hanteren waterpeil wordt bereikt door het samenspel van inlaten, stuwen en gemalen. Het overtollige water wordt direct vanuit de polder naar de rivier gepompt via gemalen. Wateraanvoer vindt plaats vanuit de Hollandse IJssel en de Lek. De wateraanvoer vanuit de Hollandse IJssel zal worden vervangen door wateraanvoer vanuit de Lek. Mede daarvoor is eind 2004 het gemaal Hoekse Sluis vervangen door het nieuwe gemaal Krimpenerwaard (Figuur 2.2). Waterbalansen Tijdens de systeemverkenning (Arts et al., 2005) en tijdens de ontwikkeling van het fase 1 modelsysteem (Kroes et al., 2006) zijn waterbalansen opgesteld voor de periode 1990-2000 voor de gehele polder Krimpenerwaard. Daarbij is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van meetgegevens. Uit de gemiddelde waterbalans (tabel 2.1) blijken neerslag en verdamping met respectievelijk 83 en 52% de grootste termen te vormen op de waterbalans. Inlaat van rivierwater en lozingen van polderwater (uitgemalen) bezetten met een bijdrage van 11 en 45% in de totale waterbalans een goede tweede plaats. Kwel/wegzijging en de bijdrage van AWZI s vormen op de totale waterbalans een geringe post. De jaarlijkse ingelaten en uitgemalen debieten zijn gebruikt voor toetsing van modelberekeningen (paragraaf 4.4.1). Tabel 2.1 Waterbalans (mm/jaar) voor de Krimpenerwaard gebaseerd op meetgegevens over de periode 1991-2000 IN mm jaar -1 UIT mm jaar -1 Neerslag 875 Verdamping 542 Inlaat 111 Uitgemalen 469 Kwel 58 Wegzijging 31 AWZI's 7 Berging 9 Totaal 1051 1051 Een gedetailleerdere beschrijving van de gemeten waterbalansen is gegeven bij de beschrijving van het fase 1 modelsysteem (Kroes et al., 2006, bijlage 1). 2.2 Toetsingsgegevens voor het fase 2 modelsysteem 2.2.1 Inleiding Doordat de ruimtelijke en temporele schematisatie van het fase 2 modelsysteem is verfijnd ten opzichte van het fase 1 modelsysteem, is ook een toetsing op een fijner schaalniveau uitgevoerd. De resultaten van de waterkwantiteitsmodule van het oppervlaktewatersysteem zijn getoetst door een vergelijking te maken tussen de maandelijkse gemeten en berekende debieten. 18 Alterra-rapport 1388

De waterkwaliteitsmodule voor het oppervlaktewatersysteem is getoetst aan maandelijkse metingen van 14 basismeetpunten uit het waterkwaliteitsmeetnet. 2.2.2 Waterkwantiteit De gemeten maandelijkse debieten zijn schattingen van ingelaten rivierwater en uitgemalen polderwater en zijn gebruikt voor toetsing van modelberekeningen. De debieten zijn afkomstig van 8 gemalen die water uitslaan op het buitenwater en 10 gemalen die rivierwater inlaten (tabel 2.2 en Figuur 2.1). De metingen zijn vanaf 1996 in digitale vorm beschikbaar en gebaseerd op maaluren en maalcapaciteit van de gemalen. Tabel 2.2 Gemalen voor inlaat van rivierwater en uitmalen van polderwater Naam Functie X-coordinaat Y-coordinaat Krimpenerwaard inlaat + uitslaan 110690 435570 Beneden Haastrecht1 inlaat + uitslaan 110389 446669 ReinierBlok_JohanVeurink inlaat + uitslaan 102108 438165 Kromme Geer en Zijde inlaat + uitslaan 103376 439036 DeNesse inlaat + uitslaan 103381 442170 Verdoold inlaat + uitslaan 105953 444141 Stolwijkersluis uitslaan 109050 446528 Middelblok uitslaan via Verdoold 105962 444176 Langeland Kortland inlaat 99634 437080 Bergambacht3/Bergstoep inlaat 113599 437147 Voornebrug inlaat 117824 440992 Vlist2 inlaat 116130 443258 Figuur 2.3 Gemalen in de Krimpenerwaard waarvan gegevens tijdens deze studie zijn gebruikt. Alterra-rapport 1388 19

In aanvulling op de systeemverkenning (Arts et al., 2005) zijn tijdens fase 1 van de systeemanalyse jaarlijkse waterbalansen opgesteld voor de periode 1991-2000 (Kroes et al., 2006). Deze waterbalansen zijn gebruikt om de plausibiliteit van de, met het fase 2 modelsysteem, berekende waterbalansen te toetsen. 2.2.3 Waterkwaliteit Maandelijks worden punten van het basismeetnet in het oppervlaktewater bemonsterd en geanalyseerd op een groot aantal waterkwaliteitsparameters. Voor de vergelijking met historische metingen is gebruik gemaakt van langjarige tijdreeksen die voor 14 meetpunten van het basismeetnet beschikbaar waren (tabel 2.3 en figuur 2.4). De locatie van de meetpunten is zodanig langs de randen van het gebied gelegen dat een analyse van de ruimtelijke variabiliteit beperkt mogelijk is. Om een aanvullende vergelijking met metingen binnen het gebied te maken zijn meetresultaten van een 16-tal meetlocaties van het peilvak Bergambacht gebruikt (figuur 2.5) waar gedurende de periode 1996-2000 de waterkwaliteit is gemeten. Tabel 2.3 Meetpunten van het basismeetnet Krimpenerwaard waarvan gegevens zijn gebruikt voor toetsing Fase 2 modelinstrumentarium (de metingen van KOP0105 zijn buiten beschouwing gebleven omdat ze in een relatief grote open waterplas zijn gemeten) Meetpunt_code KOP 0101 KOP 0201 KOP 0301 KOP 0401 KOP 0402 KOP 0408 KOP 0421 KOP 0427 KOP 0501 KOP 0801 KOP 1001 KOP 1005 KOP 1101 KOP 1103 Waterloop Molenvliet Polderwatergang Molenvliet Stolwijkse Boezem Achterwetering Stolwijkse Vaart Kavelsloot Hoofdwatergang Hoofdwatergang Hooge Boezem Lekkerkerkse Boezem De Veen Sluisvliet Recreatieplas Krimpenerhout 20 Alterra-rapport 1388

r KOP 0501 r KOP 0408 KOP r 0427 r KOP 0421 r KOP 0401 r KOP 0301 r KOP 0402 r KOP 0201 r r KOP 1001 KOP 0101 r KOP 0105 r KOP 1103 r KOP 1101 r KOP 1005 r KOP 0801 W N E 4 0 4 8 Kilometers S Figuur 2.4 Meetpunten van het basismeetnet Krimpenerwaard waarvan gegevens zijn gebruikt voor toetsing van het fase 2 modelinstrumentarium. KOP 0810 # KOP 0828 # KOP 0830 # KOP 0839 # KOP 0831 # KOP 0836 # KOP 0837 # KOP 0829 # KOP 0835 # KOP 0827 # KOP 0834 # KOP 0838 # KOP 0826 # KOP 0832 # KOP 0833 # W KOP 0824 # 3 0 3 6 Kilometers S N E Figuur 2.5 Aanvullende meetpunten binnen het peilvak Bergambacht waarvan gegevens zijn gebruikt voor toetsing fase 2 modelinstrumentarium. Alterra-rapport 1388 21

3 Fase 2 modelsysteem 3.1 Inleiding Met behulp van een modelsysteem kan een bijdrage van de evaluatie van het mestbeleid geleverd worden door het kwantificeren van het aandeel van de landbouw als gevolg van het (mest)beleid (zie hoofdstuk 1). Het modelsysteem is gefaseerd opgebouwd zodat van grof naar fijn wordt gewerkt. In het fase 2 modelsysteem wordt gebruik gemaakt van de berekende waterafvoer en stikstof- en fosforvrachten met behulp van het bestaande landelijke modelinstrumentarium STONE (zie 0), met daaraan gekoppeld een ruimtelijk (regionaal) verfijnde schematisatie. In paragraaf 3.2 wordt dit modelinstrumentarium kort toegelicht. Een beschrijving van de ruimtelijke schematisatie voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard, is weergegeven in paragraaf 3.3. 3.2 Het modelinstrumentarium In het fase 2 modelsysteem wordt het fase 1 modelsysteem verder verfijnd door de beschikbare STONE plots ruimtelijk te herschikken op basis van een gedetailleerde gebiedsschematisatie. Tevens worden in fase 2 de processen in het oppervlaktewater in het modelsysteem geïmplementeerd om de resultaten van het modelsysteem te kunnen toetsen aan de metingen in het oppervlaktewater. De koppeling tussen de modules voor het bodemsysteem en het (on)verzadigde grondwatersysteem (tezamen het landsysteem genoemd) met de modules voor het oppervlaktewatersysteem wordt gelegd via zogenaamde afwateringseenheden. Het modelsysteem van fase 2 bestaat uit vier modules (figuur 3.1). Het modelsysteem bestaat uit modules voor de beschrijving van de kwantiteit (water) en modules voor de beschrijving van de kwaliteit (nutriënten). Daarnaast kan het systeem worden opgedeeld in modules voor het landsysteem en modules voor het oppervlaktewatersysteem. De modules van het oppervlaktewatersysteem worden beschreven in 0. In deze rapportage zullen de vier verschillende modules zullen zoveel mogelijk los van elkaar worden getoetst. 0 vermeldt de, voor deze fase, gehanteerde modelversies. Alterra-rapport 1388 23

Neerslag Kwantiteit Kwaliteit Bemesting Gewasopname Verdamping Neerslag Atmosferische depositie Atmosferische depositie oppervlakkige afspoeling Verdamping oppervlakkige afspoeling +erosie SWAP SWQN NuswaLite ANIMO Infiltratie Infiltratie Drainage Drainage Kwel Kwel Wegzijging Uitspoeling Figuur 3.1 Blokdiagram van de verschillende modules van het fase 2 modelsysteem 3.3 Schematisatie fase 2 modelsysteem 3.3.1 Schematisatie landsysteem Als basisinformatie voor de schematisatie is gebruik gemaakt van een peilvakkenkaart, het bestand voor het landgebruik en de 1 : 50 000 bodemkaart voor bodemsoorten en grondwatertrappen. De gehanteerde procedure om tot rekeneenheden voor het landsysteem te komen (0) resulteerde in 29 rekeneenheden voor het landsysteem, waarvan de kenmerken overeenkomen met rekeneenheden van het landelijke STONE-instrumentarium (figuur 3.2). Figuur 3.2 De 29 rekeneenheden van het fase 2 landsysteem Krimpenerwaard 24 Alterra-rapport 1388

3.3.2 Schematisatie oppervlaktewatersysteem Deze paragraaf beschrijft de schematisering van het oppervlaktewatersysteem in waterlopen, peilvakken en kunstwerken. Detailinformatie en de parametrisatie van het oppervlaktewatersysteem is in een bijlage opgenomen (0). 3.3.2.1 Waterlopen Hoofdwaterlopen Bij het modelleren zijn de hoofdwaterlopen expliciet meegenomen, deze zijn overgenomen uit de legger. Voor de schematisatie is het noodzakelijk dat in alle peilvakken een waterloop ligt. De hoofdwaterlopen zijn in trajecten verdeeld die in lengte variëren van minimaal 9 tot maximaal 1493 meter. De gemiddelde lengte van een traject is 593 meter. Detailontwatering Naast de hoofdwaterlopen is een groot aantal secundaire waterlopen aanwezig. Deze zijn als detailontwatering in de modellering meegenomen. Met deze detailontwatering worden de kleinere secundaire waterlopen geschematiseerd. De detailontwatering is geschematiseerd als een lange waterloop. Om de stroming van water zo goed mogelijk na te bootsen is gebruikt gemaakt van een aangepaste Chezy-waarde (zie 0). Hierbij is gebruik gemaakt van een kenmerkende afstromingslengte van 350 m, deze is als gemiddelde op basis van de shape-file bepaald. Per hoofdwaterlooptraject is één toegevoegd bergingstraject gecreëerd, welke tevens de koppeling met de plots mogelijk maakt (zie Figuur 3.3 ). hoofdafwaterings systeem c d b a Detailontwatering Figuur 3.3 Schematisatie detailontwatering als aparte waterloop (a=detailontwatering) die via een koppeltraject (b=koppeltraject) verbinding heeft met het hoofdafwateringssysteem (c en d) De koppelwaterloop is noodzakelijk doordat SWQN rekent met volumes per knooppunt. Indien de koppelwaterloop niet gebruikt zou worden dan wordt slechts de helft van de detailontwatering toegekend aan de knoop van het hoofdwaterlopen systeem waarmee een onterechte berging wordt geïntroduceerd. 3.3.2.2 Peilvakken en vanggebied De Krimpenerwaard is een peilbeheerste polder, waarbij de indeling in afwateringseenheden voornamelijk wordt gekenmerkt door het ruimtelijke gedifferentieerde Alterra-rapport 1388 25

peilbeleid dat zich uit in verschillende peilvakken. Als basis voor de indeling in peilvakken is een gedigitaliseerde peilvakkenkaart van het waterschap gebruikt. 3.3.2.3 Kunstwerken Stuwen Op een aantal peilvakgrenzen zijn stuwen gelokaliseerd, waarmee de waterstroming wordt geregeld van het water dat van een peilvak met een hoog naar een peilvak met een laag waterpeil stroomt. De kruinhoogte en kruinbreedte van de stuwen zijn aangeleverd door het Hoogheemraadschap. In overleg met het Hoogheemraadschap zijn op deze wijze 12 (interne) stuwen gedefinieerd. Gemalen (uitslaan) Er zijn zowel intern als externe gemalen, die voor het afmalen en voor de wateraanvoer worden gebruikt. Nieuwe gemalen zijn toegevoegd op logische plaatsen (bv. peilovergangen). De maximale maalcapaciteit is aangeleverd door het hoogheemraadschap. Aan- en afslagpeilen zijn vastgesteld op basis van de peilvakkenkaart. Het aanslagpeil is 5 cm hoger dan het streefpeil en het afslagpeil is gelijk aan het streefpeil. Er zijn 7 gemalen gedefinieerd voor extern uitmalen (tabel 2.2 en figuur 2.3). In werkelijkheid loost het gemaal Middelblok overtollige water van het peilvak Middelblok via het gemaal Verdoold. In het fase 2 modelinstrumentarium wordt door Middelblok rechtstreeks op de Hollandse IJssel geloosd. Inlaten Ter plaatse van verschillende uitslaggemalen bevinden zich ook inlaten. Ook intern komen er inlaten voor. Er wordt water ingelaten om waterpeilen te handhaven. Er is een range van +5 en -2 cm als stelregel voor uitmalen en inlaten. Aangenomen is dat het aanslagpeil voor de inlaat 8 cm lager is dan het streefpeil en dat het afslagpeil gelijk is aan 4 cm beneden het streefpeil. Voor waterinlaat zijn 29 gemalen gemodelleerd: 6 voor inlaat van extern water en 23 interne inlaten op overgangen tussen peilvakken. 3.3.2.4 Koppeling land en oppervlaktewatersysteem De verschillende percelen ontwateren via oppervlakkige afstroming (afspoeling) en via de bodem (drainage) naar de nabijgelegen waterlopen. In een polder zoals de Krimpenerwaard is de hoogteligging niet alleen bepalend voor de keuze van het landoppervlak dat afwatert naar een bepaalde waterloop. In de Krimpenerwaard zal worden ontwaterd naar een dichtbijgelegen waterloop. Daarom is er voor gekozen om subafwateringsgebieden te bepalen. Deze subafwateringsgebieden zijn in een GIS vastgesteld door gebieden toe te kennen op basis van de kortste afstand naar een dichtstbijgelegen waterloop. De toekenning van subafwateringsgebieden is uitgevoerd binnen peilvakken en langs trajecten van hoofdwaterlopen. De grens van een subwateringseenheid wordt daarmee gevormd door de middellijn tussen 26 Alterra-rapport 1388

waterlopen, de grens tussen peilvakken en de grens tussen hoofdwaterloop-trajecten. Op deze wijze zijn 491 subafwateringsgebieden vastgesteld (figuur 3.6). Figuur 3.6 Subafwateringsgebieden in de Krimpenerwaard Vervolgens is de ontwatering (waterafvoer) van de subafwateringsgebieden toegekend aan de detailontwatering van de nabijgelegen hoofdwaterloop. 3.3.2.5 Waterkwaliteit inlaat De aanvoer van nutriënten via ingelaten water is bepaald door de berekende waterinlaat te vermenigvuldigen met maandelijkse gemiddelde concentraties. Omdat tijdens de opzet van de berekeningen geen historische gegevens beschikbaar waren van de concentraties in de rivieren, zijn concentraties van inlaatwater bepaald met recente gegevens van meetpunten bij inlaten (zie 0). Deze concentraties zijn omgerekend naar vrachten en toegekend aan knooppunten waarop water wordt ingelaten. 3.3.2.6 AWZI s In het gebied komen 4 afvalwaterzuiveringsinstallaties (awzi s) voor die het gezuiverde water binnen het gebied lozen: Stolwijk, Bergambacht, Ammerstol en Berkenwoude. De lozingen zijn als gemiddelde vrachten toegevoegd aan de dichtstbijgelegen knooppunten van het model (tabel 3.2). Tabel 3.2 Gemiddelde belasting van het oppervlaktewater in g d -1 Knooppunt Organisch N (g d -1 N) Mineraal N (g d -1 N) Organisch P (g d -1 P) Mineraal P (g d -1 P) AWZI 281 1700 2600 320 480 Ammerstol 50 6500 3600 840 460 Bergambacht 271 1900 1900 600 600 Berkenwoude 124 4200 3800 315 285 Stolwijk Alterra-rapport 1388 27

28 Alterra-rapport 1388

4 Resultaten fase 2 modelsysteem Het fase 2 modelsysteem is doorgerekend voor de periode 1986 t/m 2000. De resultaten zijn getoetst aan beschikbare metingen waarna balansen zijn opgesteld. In dit hoofdstuk worden resultaten gepresenteerd van de deelsystemen land en oppervlaktewater voor het stroomgebied als geheel. Omdat het areaal natuur gering is (<3%) en omdat er geen relevante meetgegevens beschikbaar zijn die een toetsing van de resultaten bij de huidige relatief grove schematisering mogelijk maken is een opsplitsing van de resultaten over landbouw en natuur in deze fase weinig zinvol. 4.1 Waterkwantiteit landsysteem 4.1.1 Toetsing Analoog aan de toetsing van het fase 1 modelsysteem (Kroes et al., 2006) zijn de berekende aan- en afvoer van het land vergeleken met de gemeten aan- en afvoer van de polder. De berekende afvoer uit het landsysteem (drainage en runoff) is vergeleken met de gemeten debieten die de polder worden uitgemalen (figuur 4.1). De gemeten afvoer is gemiddeld 63 10 6 m 3 water over de periode 1991-2000. De berekende afvoer vanuit het landsysteem over dezelfde periode bedraagt gemiddeld 54 10 6 m 3 water en is daarmee 9 10 6 m 3 ofwel 14% lager dan de gemeten afvoer vanuit de polder. Deze lage afvoeren worden voor alle jaren berekend (figuur 4.1). 120 100 80 60 40 20 Waterafvoer landsysteem (10 6 m 3 ) berekend gemeten 0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Figuur 4.1 Gemeten en berekende waterafvoer (10 6 m 3 ) De berekende wateraanvoer naar het landsysteem (infiltratie) is vergeleken met de gemeten debieten die vanuit de rivieren de polder worden ingelaten (figuur 4.2). De gemeten aanvoer is gemiddeld 15 10 6 m 3 water over de periode 1991-2000. De berekende aanvoer naar het landsysteem over dezelfde periode bedraagt gemiddelde 18 10 6 m 3 water en is daarmee 3 10 6 m 3 ofwel 14% hoger dan de gemeten aanvoer naar de polder. De verschillen tussen gemeten en berekende wateraanvoer zijn opvallend groot in het jaar 1995, een jaar waarin een wateraanvoer naar het landsysteem (infiltratie) is berekend van 22 10 6 m 3 water, terwijl er 30.5 10 6 m 3 is Alterra-rapport 1388 29

gemeten aan waterinlaat. Het jaar 1995 was met een neerslagoverschot van 186 mm/jaar weliswaar droog maar de jaren 1996 en 1997 waren droger en hadden minder wateraanvoer (Kroes et al., 2006, bijlage 1). 35 30 25 20 15 10 5 Wateraanvoer (10 6 m 3 ) berekend gemeten 0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Figuur 4.2 Gemeten en berekende wateraanvoer (10 6 m 3 ) 4.1.2 Waterbalansen Gedetailleerde waterbalansen voor het fase 2 landsysteem voor de periode 1986-2000 zijn gegeven in 0. De gemiddelde waterbalans voor deze periode (tabel 4.1) laat zien dat neerslag en infiltratie vanuit het oppervlaktewater de belangrijkste aanvoertermen zijn. De infiltratie bedraagt met 18 10 6 m 3 jr -1 ca 15% van de totale aanvoer. Deze infiltratie moet via wateraanvoer gerealiseerd worden. De grootste uitgaande termen zijn verdamping en drainwaterafvoer. De berekende drainwaterafvoer (drainage+runoff) is gemiddeld 54 10 6 m 3 jr -1 en bedraagt ca 46% van de totale afvoer. Deze drainwaterafvoer belandt in het oppervlaktewater en wordt via gemalen uit het gebied afgevoerd. De verschillen tussen de jaren zijn groot. In de droge jaren 1996 en 1997 bedroeg de totale aan- en afvoer naar het landsysteem ca 850 mm jr -1, terwijl dit in het natte jaar 1998 ca 1280 mm jr -1 bedroeg (0). Dit verschil wordt veroorzaakt door neerslag en resulteert in sterke fluctuaties in aan- en afvoeren. Tabel 4.1 Waterbalans voor het landsysteem van het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 11400 ha IN 10 6 m 3 mm UIT 10 6 m 3 mm Neerslag 98 856 Verdamping 60 529 Irrigatie 0 0 Runoff 6 49 Infiltratie 18 154 Drainage 48 419 Kwel 2 15 Wegzijging 3 27 Totaal 118 1025 Totaal 117 1024 Bergingsverandering 1 1 Via de onderrand van het modelsysteem wordt water aangevoerd als kwel en verdwijnt water via wegzijging. Netto levert dit een afvoerterm op van 12 mm jr -1 gemiddeld voor het gebied. Het is echter bekend dat er binnen het gebied relatief 30 Alterra-rapport 1388

grote verschillen voorkomen: kwel in het gebied grenzend aan de Lek en wegzijging in het noordelijk deel (Arts et al., 2005). Er zijn daarnaast ruimtelijke verschillen binnen de jaarlijkse waterstromen binnen het gebied. Uit de waterbalans voor het peilvak Bergambacht over de periode 1986-2000 (tabel 4.2) blijkt dat lokaal de, met het fase 2 modelinstrumentarium, gemodelleerde kwel zeer waarschijnlijk lager is dan de werkelijk optredende kwel. Net als voor de polder als geheel, wordt hier een netto wegzijging berekend van 12 mm/jaar, wat niet realistisch is. Het peilvak Bergambacht ligt dicht tegen de Lek aan, waar kwel zal overheersen. Dit is eveneens gebleken uit de systeemverkenning (Arts et al., 2005), waar een kwel van 95 mm/jaar wordt vermeld. Tabel 4.2 Waterbalans voor het landsysteem van het peilvak Bergambacht, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 2573 ha IN mm UIT mm Neerslag 849 Verdamping 527 Irrigatie 0 Runoff 47 Infiltratie 146 Drainage 410 Kwel 22 Wegzijging 34 Totaal 1017 Totaal 1018 Bergingsverandering -1 4.2 Waterkwaliteit landsysteem 4.2.1 Toetsing Om inzicht te krijgen in het gemiddelde verloop voor het hele landsysteem van de polder is een vergelijking gemaakt tussen gemeten concentraties in het oppervlaktewater en de berekende concentraties in het uitspoelende bodemwater. Deze vergelijking is gemaakt voor de randen van de polder en binnen de polder. Voor de vergelijking langs de randen van de polder (systeemgrens) zijn de berekende concentraties in het, uit de bodem, afgevoerde water (drainage en runoff) vergeleken met metingen in waterlopen dichtbij meetpunten waarlangs 80% van de totale waterafvoer verloopt via de gemalen Verdoold, Veurink en Krimpenerwaard. De vergelijking is gemaakt voor de periode 1986-2000. Meetresultaten zijn gebruikt van de meetpunten KOP0427, KOP0801, KOP1001. De berekende concentraties totaalstikstof in het uitspoelende bodemwater bedragen gemiddeld 9.0 mg l -1 N. De gemeten concentraties in het oppervlaktewater bedragen gemiddeld 4.7 mg l -1 N (figuur 4.3). Daarmee bedragen de gemeten N-concentraties in het uitgemalen oppervlaktewater 52% van de berekende N-concentraties in het uitspoelende grondwater. Alterra-rapport 1388 31

N-totaal (m g l -1 N) afvoer 25 20 obs_ave sim_ave 15 10 5 0 Jan-1980 Dec-1981 Dec-1983 Dec-1985 Dec-1987 Dec-1989 Dec-1991 Dec-1993 Dec-1995 Dec-1997 Dec-1999 Dec-2001 Figuur 4.3 Gemeten (obs_ave) en berekende (sim_ave) concentraties totaal-n (mg l -1 N) in het afgevoerde water De berekende concentraties totaalfosfor in het uitspoelende bodemwater bedragen gemiddeld 1.01 mg l -1 P. De gemeten concentraties in het oppervlaktewater bedragen gemiddeld 0.61 mg l -1 P (figuur 4.4). Daarmee bedragen de gemeten P-concentraties in het uitgemalen oppervlaktewater 61% van de berekende P-concentraties in het uitspoelende grondwater. De grote verschillen tussen de gemeten en berekende concentraties zijn verklaarbaar, omdat de processen in het oppervlaktewater (retentie) bij deze toetsing niet in beschouwing zijn genomen. Deze processen zorgen in het algemeen voor een verlaging van de concentraties, zowel van stikstof als fosfor. P-totaal (mg l -1 P) uitgemalen water 2.5 2 obs_ave sim_ave 1.5 1 0.5 0 Jan-1980 Dec-1981 Dec-1983 Dec-1985 Dec-1987 Dec-1989 Dec-1991 Dec-1993 Dec-1995 Dec-1997 Dec-1999 Dec-2001 Figuur 4.4 Gemeten (obs_ave) en berekende (sim_ave) concentraties totaal-p (mg l -1 P) in het afgevoerde water Voor een nadere vergelijking binnen het landsysteem zijn de meetresultaten van de 14 meetpunten vergeleken met de berekende concentraties. De berekende concentraties zijn bepaald door binnen de subafwateringseenheid waarbinnen een meetpunt zich bevindt, de (gebieds-)gewogen concentraties te bepalen in het af/uitspoelende bodemwater. Detailinformatie is te vinden in 0. De mediane waarde van de berekende concentraties totaal-n en totaal-p in het uitspoelende bodemwater bedragen respectievelijk 10.3 mg l -1 N en 0.93 mg l -1 P. De mediane waarde van de gemeten concentraties in het oppervlaktewater bedraagt 4.3 mg l -1 N en 0.70 mg l -1 P. Voor de 14 meetpunten gemiddeld bedragen de gemeten N- en P-concentraties in de 14 meetpunten respectievelijk 42% en 75% van de berekende N- en P-concentraties in het uitspoelende grondwater. 32 Alterra-rapport 1388

Uit het ruimtelijke beeld voor totaal-n (figuur 4.5) en totaal-p (figuur 4.6) valt op te merken dat het zuidwesten van het gebied, bij Krimpen a/d IJssel en Krimpen a/d Lek de verschillen tussen gemeten en berekend het grootst zijn. Verder valt op dat er twee meetpunten zijn waarvoor de berekende concentraties totaal-p lager zijn dan de gemeten waarden (KOP 0408 en KOP 1005). De laatstgenoemde verschillen ontstaan doordat in de jaren 1985-1990 een beperkt aantal hoge gemeten waarden (2-4 mg l -1 P) zijn gemeten. Deze hoge waarden zijn mogelijk veroorzaakt door ongecontroleerde lozingen (zie figuren in 0) die in die periode vaker voorkwamen en in het fase 2 modelsysteem niet zijn geschematiseerd omdat er geen gegevens van zijn. Figuur 4.5 Berekende (simntot) en gemeten (obsntot) mediane concentraties (mg/l) totaal- N voor 14 meetpunten van het basismeetnet; berekende waarden gelden voor het uitspoelende bodemwater, gemeten waarden gelden voor het oppervlaktewater Figuur 4.6 Berekende (simptot) en gemeten (obsptot) mediane concentraties (mg/l) totaal-p voor 14 meetpunten van het basismeetnet; berekende waarden gelden voor het uitspoelende bodemwater, gemeten waarden gelden voor het oppervlaktewater Alterra-rapport 1388 33

4.2.2 Nutriëntenbalansen 4.2.2.1 Stikstof Gedetailleerde stikstofbalansen voor de periode 1986-2000 zijn gegeven in 0. Uit de gemiddelde jaarbalans (tabel 4.3) blijkt een relatief hoge gemiddelde jaarlijkse bemesting van 501 kg ha -1 N. Grotendeels wordt dit opgenomen door het gewas en verdwijnt via denitrificatie naar de atmosfeer. Verder spoelt 44 kg ha -1 N (ofwel 495 10 3 kg N) uit naar het oppervlaktewater via drainage en oppervlakkige afspoeling. Deze N-vracht bestaat voor 70% uit organisch N en voor 30% uit mineraal N (0). De hoge N-belasting is veroorzaakt door het grote areaal cultuurgrasland (97%). Vervluchtiging is niet als aparte balansterm te onderscheiden omdat in STONE vervluchtiging is verdisconteerd in de bemesting. De infiltratie is relatief gering, omdat in STONE met een vaste randvoorwaarde voor de concentratie van het infiltrerende oppervlaktewater van 0.001 NO 3 -N en 0.0002 kg m -3 NH 4 -N is gerekend. De bergingsverandering geeft aan dat de voorraad stikstof daalt met gemiddeld 4.5 kg ha -1 jr -1 N (= 52 kg / 15 jr), ofwel 10% ten opzichte van de totale aanvoer. Tabel 4.3 Stikstofbalans voor het landsysteem van het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 11400 ha IN 10 3 kg N kg ha -1 N UIT 10 3 kg N kg ha -1 N Atmosf.depositie 268 24 Afspoeling 31 3 Bemesting 5715 501 Vervluchtiging 0 0 Infiltratie 21 2 Denitrificatie 2501 219 Kwel 7 1 Gewasafvoer 3601 316 Uitspoeling 464 41 Wegzijging 12 1 Totaal 6011 528 Totaal 6609 580 Bergingsverandering -598-52 Uit de stikstofbalans voor het landsysteem van het peilvak Bergambacht (tabel 4.4) blijkt dat deze balans redelijk overeenkomst met die van de gehele polder. Hendriks et al. (2002) geven uitgebreide balansen voor Bergambacht over de periode 1995-1998. Zij berekenen een nettobijdrage van de kwel van 7 kg ha -1 jr -1. Tevens berekenen zij een N-afvoer (af en uitspoeling) van 30 kg ha jr -1 totaal-n. Het fase 2 modelsysteem berekent een netto-afvoer via wegzijging van 2 kg ha -1 jr -1 en een gemiddelde N-afvoer van 45 kg ha jr -1 totaal-n (figuur 4.7). Voor de periode 1995-1998 is de, met het fase 2 modelsysteem berekende, gemiddelde N-afvoer 39 kg ha jr - 1 totaal-n. Dit laatste is 30% hoger dan de N-afvoer die Hendriks et al. (2002) hebben bepaald op basis van gedetailleerdere gebiedsinformatie. De N-afvoer in Bergambacht vertoont flinke dynamiek in de tijd, met de hoogste afvoeren in natte jaren als 1998 en de laagste afvoeren in droge jaren met weinig 34 Alterra-rapport 1388

waterafvoer (1996 en 1997). De verdeling van de N-afvoer over organisch-n en mineraal-n is vrijwel gelijk aan die in de polder als geheel: 70 : 30% (figuur 4.7). Uit een vergelijking van de bemesting voor het peilvak Bergambacht blijken verschillen tussen het fase 2 modelsysteem en de resultaten van de studie van Hendriks (2002). De gemiddelde N-bemesting van het fase 2 systeem bedraagt 511 kg ha -1 jr -1 N en toont slechts een geringe dalende trend, terwijl Hendriks et al. (2002) een duidelijke daling aangeven op basis van regionale gegevens (figuur 4.8). Tabel 4.4 Stikstofbalans voor het landsysteem van het peilvak Bergambacht, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 2573 ha IN kg ha -1 N UIT kg ha -1 N Atmosf.depositie 24 Afspoeling 3 Bemesting 511 Vervluchtiging 0 Infiltratie 2 Denitrificatie 227 Kwel 1 Gewasafvoer 321 Uitspoeling 42 Wegzijging 2 Totaal 538 Totaal 595 Bergingsverandering -57 De oorzaak van deze geringe dalende trend ligt in het ontbreken van voldoende regionale gebiedsgegevens als basis voor de mestverdeling. N-afvoer opp.water (kg/ha/jaar N) 80.0 70.0 60.0 50.0 40.0 30.0 20.0 10.0 0.0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Org-N Min-N Figuur 4.7 Verdeling van de N-afvoer (kg/ha/jaar N) over organisch-n en mineraal- N in peilvak Bergambacht, periode 1986-2000 tijdens fase 2 Alterra-rapport 1388 35

Bemesting (kg/ha/jaar N) 800 600 400 200 0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Monitoring_fase2 Hendriks_2002 Figuur 4.8 N-bemesting (kg/ha/jaar N) in peilvak Bergambacht, periode 1986-2000 tijdens fase 2 en zoals door Hendriks et al. (2002) is bepaald. 4.2.2.2 Fosfor Gedetailleerde fosforbalansen voor de periode 1986-2000 zijn gegeven in 0. De gemiddelde jaarbalans laat zien dat de aanvoer van fosfor naar de bodem vrijwel uitsluitend via bemesting plaatsvindt (tabel 4.5). Atmosferische depositie is in STONE als verwaarloosbaar klein beschouwd. Infiltratie van fosfor komt niet voor, omdat in STONE met een vaste randvoorwaarde voor de concentratie van het infiltrerende oppervlaktewater van 0.0 mg l -1 totaal-p is gerekend. Er wordt relatief veel fosfor via kwel aangevoerd omdat er een relatief hoge kwelconcencentratie is gebruikt. De afvoer van P via drainage en oppervlakkige afspoeling naar het oppervlaktewater bedraagt 4 kg ha -1 P (ofwel 48 10 3 kg P). De bergingsverandering laat zien dat er ophoping van P plaatsvindt over de periode van 15 jaar: de fosfor voorraad stijgt met 14 kg ha -1 P, ofwel 23% van de fosforvoorraad. Tabel 4.5 Fosforbalans voor het landsysteem van het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 11400 ha IN 10 3 kg P kg ha -1 P UIT 10 3 kg P kg ha -1 P Atmosf.depositie 0 0 Afspoeling 2 0 Bemesting 681 60 Gewasafvoer 480 42 Infiltratie 0 0 Uitspoeling 46 4 Kwel 4 0 Wegzijging 1 0 Totaal 685 60 Totaal 529 46 Bergingsverandering 156 14 Uit de fosforbalans voor het landsysteem van het peilvak Bergambacht (tabel 4.6) blijkt dat deze balans overeenkomst met die van de gehele polder. 36 Alterra-rapport 1388

Hendriks et al. (2002) geven balansen voor Bergambacht over de periode 1995-1998. Zij berekenen een nettobijdrage van de kwel van 1 kg ha -1 jr -1 totaal-p Tevens berekenen zij een P-afvoer (af en uitspoeling) van 3 kg ha jr -1 totaal-p. Het fase 2 modelsysteem berekent een netto-afvoer via wegzijging van 0 kg ha -1 jr -1 en een gemiddelde P-afvoer van 4 kg ha jr -1 totaal-p (tabel 4.5). De bijdrage van de kwel wordt daarmee onderschat en de P-afvoer is 30% hoger dan de P-afvoer die Hendriks et al. (2002) hebben bepaald. De gemiddelde P-bemesting van het fase 2 systeem bedraagt 60 kg ha -1 jr -1 P en toont slechts een geringe dalende trend, terwijl Hendriks et al. (2002) een duidelijke daling aangeven op basis van regionale gegevens (figuur 4.9). Evenals bij stikstof ligt de oorzaak van deze geringe dalende trend in het ontbreken van voldoende regionale gebiedsgegevens als basis voor de mestverdeling. Tabel 4.6 Fosforbalans voor het landsysteem van het peilvak Bergambacht, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 2573 ha IN kg ha -1 P UIT kg ha -1 P Atmosf.depositie 0 Afspoeling 0 Bemesting 60 Gewasafvoer 42 Infiltratie 0 Uitspoeling 4 Kwel 1 Wegzijging 0 Totaal 61 Totaal 46 Bergingsverandering 15 Bemesting (kg/ha/jaar P) 80 60 40 20 0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Monitoring_fase2 Hendriks_2002 Figuur 4.9 P-bemesting (kg/ha/jaar N) in peilvak Bergambacht, periode 1986-2000 tijdens fase 2 en zoals door Hendriks et al. (2002) is bepaald. Alterra-rapport 1388 37

4.3 Waterkwantiteit oppervlaktewatersysteem en polder De resultaten van de waterkwantiteit van het oppervlaktewatersysteem zijn, net als bij het landsysteem, getoetst aan gemeten debieten van wateraanvoer dat via gemalen de polder is ingelaten en waterafvoer dat via gemalen de polder wordt uitgemalen. Aansluitend hieraan zijn balansen opgesteld voor het oppervlaktewatersysteem en voor de polder als geheel. 4.3.1 Toetsing De berekende en gemeten (geschatte) debieten die de polder worden uitgemalen zijn onderling vergeleken voor de periode 1991-2000, een periode waarvoor metingen beschikbaar waren (figuur 4.10). De gemeten afvoer is gemiddeld 63 10 6 m 3 water en de berekende afvoer bedraagt gemiddeld 57 10 6 m 3 water en is daarmee 9% lager dan de gemeten afvoer vanuit de polder. 120 100 80 60 40 20 Waterafvoer polder (10 6 m 3 ) berekend gemeten 0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Figuur 4.10 Gemeten en berekende waterafvoer (10 6 m 3 ) De wateraanvoer naar de polder wordt gerealiseerd door waterinlaat vanuit aangrenzende rivieren. De gemeten (geschatte) wateraanvoer is gemiddeld 15 10 6 m 3 water over de periode 1991-2000. De berekende aanvoer over dezelfde periode bedraagt gemiddelde 14 10 6 m 3 water en is daarmee 7% lager dan de gemeten aanvoer naar de polder (figuur 4.11). Evenals bij de resultaten van het landsysteem blijkt ook hier dat de verschillen tussen de berekende en de gemeten aanvoer in het jaar 1995 het grootst zijn. 38 Alterra-rapport 1388

35 30 25 20 15 10 5 Wateraanvoer polder (10 6 m 3 ) berekend gemeten 0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Figuur 4.11 Gemeten en berekende wateraanvoer (10 6 m 3 ) Om inzicht te krijgen in de ruimtelijke spreiding van de berekende aan- en afvoeren zijn de berekende debieten van de 7 gemalen voor waterafvoer en de 7 gemalen voor waterinlaat vergeleken met de gemeten maandelijkse debieten voor de periode waarin de gegevens beschikbaar zijn: 1996-2000. Uit deze toetsing met maandelijkse uitgemalen debieten (0 en tabel 4.7) blijkt dat de onderschatting van de afvoer voornamelijk wordt veroorzaakt doordat bij de gemalen Verdoold en Krimpenerwaard (=Hoekse Sluis) de gezamenlijke afvoer met 30.4 10 6.m 3.jr -1 lager is dan de gemeten afvoer van 39.5 10 6.m 3.jr -1. De berekende afvoer van het gemaal Stolwijkersluis bedraagt 3.8 10 6.m 3.jr -1 en is hoger dan de gemeten afvoer van 0.8 10 6.m 3.jr -1. Bij de overige 4 gemalen wordt de afvoer redelijk correct berekend. De gezamenlijke afvoer van de 3 grootste gemalen (Verdoold, Veurink en Krimpenerwaard) bedraagt in de berekeningen en de metingen respectievelijk 79 en 86% van de totale afvoer. Uit een analyse van de ingelaten debieten (0 en tabel 4.8) blijkt dat bij de gemalen Bergstoep en LangelandKortland de ingelaten berekende debieten kleiner zijn dan de gemeten debieten. Bij Vlist, Verdoold en HoekseSluis zijn de ingelaten berekende debieten groter dan de gemeten debieten. Bij Voornebrug is er een goede overeenkomst tussen gemeten en berekende waterinlaat. De grootste afwijkingen in de inlaat ontstaan bij Verdoold en Krimpenerwaard (=Hoekse Sluis), waar in de zomer van het relatief droge jaar 1996 in de berekeningen te veel water is ingelaten t.o.v. de metingen (bijlage 15). Dit is zeer waarschijnlijk ontstaan door een te grote watervraag van het landsysteem, een watervraag die op zijn beurt is veroorzaakt door relatief lage grondwaterstanden. Alterra-rapport 1388 39

Tabel 4.7 Berekende en gemeten waterafvoer; gemiddeld over de periode 1996-2000 gemeten berekend gemaal 10 6 m 3 jr -1 (%) 10 6 m 3 jr -1 (%) Stolwijkersluis 0.8 1 3.8 7 BenedenHaastr. 1.3 2 1.2 2 Verdoold 23.7 37 20.1 34 VeurinkReinierblok 15.8 25 15.9 27 KGZ 5.0 8 5.1 9 DeNesse 2.0 3 2.4 4 Krimpenerwaard 15.9 25 10.3 18 Polder 64.4 100 58.8 100 Tabel 4.8 Berekende en gemeten wateraanvoer; gemiddeld over de periode 1996-2000 gemeten berekend gemaal 10 6 m 3 jr -1 (%) 10 6 m 3 jr -1 (%) bergstoep 1.6 15 1.2 10 voornebrug 1.1 11 1.1 9 vlist 0.8 7 1.5 12 Verdoold 2.2 21 3.6 29 Krimpenerwaard 3.4 32 4.5 37 LangelandKortland 1.6 15 0.5 4 Polder 10.7 100 12.3 100 4.3.2 Waterbalansen Gedetailleerde waterbalansen van het oppervlaktewatersysteem zijn voor de periode 1986-2000 gegeven in 0. De gemiddelde waterbalans voor de periode 1986-2000 is gegeven in tabel 4.9. De balanspost drainage vormt met 52 10 6 m 3 water de grootste aanvoerterm en bedraagt 58% van de totale aanvoer naar het oppervlaktewater. Neerslag en inlaatwater vormen met respectievelijk 23 en 14 10 6 m 3 water de overige aanvoertermen. De uitgemalen hoeveelheid water vormt met 57 10 6 m 3 de grootste afvoerterm en bedraagt 64% van de totale afvoer vanuit het oppervlaktewater. Verdamping en infiltratie naar de bodem vormen met respectievelijk 17 en 15 10 6 m 3 water de overige afvoertermen. De verdamping is met gemiddeld 739 mm/jaar hoger dan die van het landsysteem doordat open water meer verdampt dan land. Tabel 4.9 Waterbalans voor het oppervlaktewatersysteem van het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 2352 ha IN 10 6 m 3 mm UIT 10 6 m 3 mm Neerslag 23 982 Verdamping 17 739 Inlaat 14 611 Uitgemalen 57 2403 Drainage 52 2169 Infiltratie 15 621 Kwel 0 0 Wegzijging 0 0 Totaal 89 3762 Totaal 89 3763 Bergingsverandering 0-1 40 Alterra-rapport 1388

Nu de waterbalansen van land en oppervlaktewater zijn opgesteld kan ook de waterbalans van het hele gebied worden opgesteld (tabel 4.10 en 0). Deze is relatief eenvoudig en maakt een vergelijking met de gemeten waterbalans (Kroes et al., 2006, bijlage 1) mogelijk. Over de periode 1991-2000 blijkt dat: - De neerslag komt goed overeen; - De inlaat wordt gemiddeld genomen 10 6 m 3 (ca 7%) te laag berekend; het grootste verschil tussen gemeten en berekend (10 10 6 m 3 ) komt voor in het jaar 1995; - Er is een geringe wegzijging van 10 6 m 3 berekend, terwijl dit volgens de gemeten waterbalans een netto kwel van 4 10 6 m 3 had moeten zijn. De bijdrage van kwel aan de totale wateraanvoer is in de berekeningen met 0% beduidend lager dan die in de metingen (6%); - De verdamping is 4% hoger dan de verdamping uit de gemeten waterbalans, maar ligt met een waarde van 564 mm/jaar dicht bij de gemeten verdamping van 554 mm in Cabauw; - De uitgemalen hoeveelheid is ca 9% lager dan de gemeten hoeveelheid. De onderschatting van de uitgemalen hoeveelheid wordt voor een deel veroorzaakt worden doordat de waterafvoer vanuit AWZI s is onderschat evenals de bijdrage van de kwel. Daarnaast is de wateraanvoer via inlaat lager dan de gemeten ingelaten waterhoeveelheid. Dit laatste geldt gemiddeld voor de periode 1991-2000; voor de periode 1996-2000 is de berekende waterinlaat juist hoger dan de gemeten inlaat (tabel 4.8). Tabel 4.10 Waterbalans voor het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de periode 1991-2000, resultaat van fase 2; gemeten waarden afkomstig uit Kroes et al. (2006) Balansperiode 1991-2000 Oppervlakte balansgebied 13752 ha IN 10 6 m 3 mm UIT 10 6 m 3 mm Berekend Geme -ten Berekend Berekend Geme -ten Berekend Neerslag 121 120 884 Verdamping 78 75 564 Inlaat 14 15 103 Uitgemalen 57 63 417 AWZI 0 1 0 0 0 0 Kwel 0 8 0 Wegzijging 1 4 9 Totaal 135 144 987 Totaal 136 142 990 Bergingsverandering -1 2-3 4.4 Waterkwaliteit oppervlaktewatersysteem en polder 4.4.1 Toetsing Om inzicht te krijgen in het gemiddelde verloop van de waterkwaliteit in de polder is een vergelijking gemaakt tussen gemeten en berekende concentraties langs de randen van de systeemgrenzen en binnen het systeem. De berekende concentraties in het oppervlaktewater zijn voor de periode 1986-2000 vergeleken met de beschikbare metingen. Langs de systeemgrenzen Voor de vergelijking langs de systeemgrens worden de berekende concentraties van 3 knooppunten (127, 302, 404) representatief verondersteld voor de concentraties in Alterra-rapport 1388 41

het uitgemalen water. Het zijn knooppunten die zich bevinden in de waterlopen dichtbij meetpunten waarlangs ruim 80% van de totale waterafvoer verloopt via de gemalen Verdoold, Veurink en Krimpenerwaard. Meetresultaten zijn gebruikt van de meetpunten (KOP0427, KOP0801, KOP1001) in dezelfde waterlopen als die waar de knooppunten liggen. De berekende concentraties totaalstikstof in het oppervlaktewater bedragen gemiddeld 4.6 mg l -1 N. De gemeten concentraties in het oppervlaktewater bedragen gemiddeld 4.7 mg l -1 N (figuur 4.12). Berekende en gemeten concentraties totaal-n in het uitgemalen water vertonen hiermee een goede overeenkomst. N-totaal (mg l -1 N) uitgemalen water 25 20 obs_ave sim_ave 15 10 5 0 Jan-1980 Dec-1981 Dec-1983 Dec-1985 Dec-1987 Dec-1989 Dec-1991 Dec-1993 Dec-1995 Dec-1997 Dec-1999 Dec-2001 Figuur 4.12 Gemeten (obs_ave) en berekende (sim_ave) concentraties totaal-n (mg l -1 N) in het uitgemalen water De berekende concentraties totaalfosfor in het oppervlaktewater bedragen gemiddeld 0.53 mg l -1 P. De gemeten concentraties in het oppervlaktewater bedragen gemiddeld 0.61 mg l -1 P (figuur 4.13). De berekende concentraties totaal-p in het uitgemalen water liggen gemiddeld 13% lager dan de metingen. 2.5 2 P-totaal (mg l -1 P) uitgemalen water gemeten sim_ave 1.5 1 0.5 0 jan-1980 dec-1981 dec-1983 dec-1985 dec-1987 dec-1989 dec-1991 dec-1993 dec-1995 dec-1997 dec-1999 dec-2001 Figuur 4.13 Gemeten en berekende (sim_ave) concentraties totaal-p (mg l -1 P) in het uitgemalen water Spreiding binnen het gebied Om een indruk te krijgen van de spreiding van de resultaten binnen het gebied zijn de berekende en gemeten concentraties rondom de 14 meetpunten (tabel 2.2) vergeleken. Als rekenresultaten zijn de resultaten gemiddeld van 2 aangrenzende knooppunten van het dichtstbijgelegen waterlooptraject. De resultaten zijn in detail 42 Alterra-rapport 1388

gegeven in 0 (figuren en tabel B20.1). Een samenvatting is gegeven in tabel 4.11 in de vorm van mediane berekende en gemeten waarden. De mediane totaal-n waarde van de metingen is gemiddeld 4.1 mg/l N en de berekende waarde is 5.1 mg l -1 N. De grootste afwijkingen (20-60%) komen voor in het zuidwesten in de omgeving van Krimpen a/d IJssel (figuur 4.12). De mediane totaal-p waarde van de metingen is gemiddeld 0.70 mg/l P en de berekende waarde is 0.53 mg/l P. De grootste afwijkingen komen voor in de omgeving van de steden Krimpen a/d IJssel, Gouderak en in het noorden bij Gouda (figuur 4.13). Uit de resultaten voor het peilvak Bergambacht blijkt dat de mediane waarde voor totaal-n in de berekeningen en de metingen respectievelijk 5.4 en 3.2 mg l -1 N bedragen (0). De metingen liggen daarmee 42% lager dan de berekende waarden met een verschil dat vrijwel altijd lager is en ligt tussen de 72% lager en 13% hoger. De mediane waarde voor totaal-p is in de berekeningen en de metingen respectievelijk 0.52 en 0.62 mg l -1 P bedragen (0). De metingen liggen daarmee 16% lager dan de berekende waarden met een verschil dat meestal lagere metingen laat zien dan en ligt tussen de 65% lager en 28% hoger. Zomerhalfjaar Tijdens het zomerhalfjaar wordt in vrijwel alle locaties van het basismeetnet de MTR 1 -norm van 2.2 mg.l -1 voor totaal-n overschreden (tabel 4.12). Slechts op 1 meetlocatie (KOP1103) zijn de mediane waarden lager dan de MTR-norm, daarbij zijn een beperkt aantal metingen uitgevoerd in de 2 e helft van de jaren 90 (0). De gesimuleerde concentraties totaal-n liggen allen boven de MTR-norm. Verschillen tussen gemeten en berekend zijn voor de zomerperiode vrijwel gelijk aan de verschillen voor het hele jaar. De gemeten en berekende totaal-p concentraties zijn zowel in de zomer als in de winter boven de MTR-norm van 0.15 mg.l -1 totaal-p (tabel 4.12). De verschillen tussen gemeten en berekend totaal-p zijn het grootste bij de resultaten voor het zomerhalfjaar (56% bij zomerhalfjaarcijfers tegen 32% bij jaarcijfers). 1 De MTR-norm geldt voor zomerhalfjaar gemiddelde waarden en niet voor mediane waarden; de mediane en gemiddelde waarden komen redelijk overeen (bijlage 20). Een volgende vergelijking met de MTR-norm kan echter beter met gemiddelde waarden gedaan worden. Alterra-rapport 1388 43

Tabel 4.11 Mediane waarde van concentraties totaal-n en totaal-p (mg/l N of P); jaargemiddelde op tijdstippen met een observatie en een simulatie resultaat observatie totaaln (mg/l N) Simulatie totaaln (mg/l N) totaaln obs-sim (%) Observatie totaalp (mg/l P) Simulatie totaalp (mg/l P) totaalp obs-sim (%) Meetpunt KOP 0101 2.7 3.4-21 0.25 0.30-17 KOP 0201 3.7 5.7-35 0.76 0.73 4 KOP 0301 3.8 5.8-34 0.82 0.70 17 KOP 0401 4.1 4.0 1 0.56 0.47 19 KOP 0402 3.8 4.4-14 0.87 0.57 54 KOP 0408 4.1 5.8-29 1.20 0.51 136 KOP 0421 6.7 5.6 18 1.18 0.40 193 KOP 0427 5.0 3.9 27 0.46 0.47-1 KOP 0501 5.6 5.3 5 0.66 0.48 37 KOP 0801 4.2 4.8-12 0.43 0.49-13 KOP 1001 4.2 5.1-18 0.67 0.61 9 KOP 1005 4.0 6.0-33 0.92 0.48 90 KOP 1101 4.0 5.5-27 0.72 0.47 54 KOP 1103 1.9 5.6-66 0.28 0.70-61 gemiddeld 4.1 5.1-19 0.70 0.53 32 Tabel 4.12 Mediane waarde van concentraties totaal-n en totaal-p (mg/l N of P); zomerhalfjaar op tijdstippen met een observatie en een simulatie resultaat Observatie totaaln (mg/l N) simulatie totaaln (mg/l N) totaaln obs-sim (%) observatie totaalp (mg/l P) simulatie totaalp (mg/l P) totaalp obs-sim (%) Meetpunt KOP 0101 2.6 2.7-5 0.23 0.30-23 KOP 0201 2.9 5.4-46 0.85 0.76 12 KOP 0301 3.2 5.8-46 1.12 0.72 55 KOP 0401 3.0 3.2-8 0.29 0.44-34 KOP 0402 2.9 3.9-27 1.15 0.58 100 KOP 0408 3.3 5.2-37 1.87 0.52 257 KOP 0421 5.6 5.5 1 0.85 0.42 104 KOP 0427 4.6 3.4 34 0.30 0.44-33 KOP 0501 5.4 2.4 126 0.66 0.31 116 KOP 0801 3.4 2.7 24 0.39 0.39-1 KOP 1001 3.0 4.3-29 0.74 0.63 18 KOP 1005 2.5 3.6-30 1.41 0.46 204 KOP 1101 2.5 4.6-46 1.03 0.49 111 KOP 1103 1.7 6.2-72 0.34 0.74-54 gemiddeld 3.3 4.2-21 0.80 0.51 56 44 Alterra-rapport 1388

Figuur 4.12 Berekende (simntot) en gemeten (obsntot) mediane concentraties (mg/l) totaal- N voor 14 meetpunten van het basismeetnet Figuur 4.13 Berekende (simptot) en gemeten (obsptot) mediane concentraties (mg/l) totaal-p voor 14 meetpunten van het basismeetnet Alterra-rapport 1388 45

4.4.2 Nutriëntenbalansen 4.4.2.1 Stikstof De gemiddelde stikstofbalans over de periode 1986-2000 is voor het oppervlaktewater gegeven in tabel 4.13 en voor de polder als geheel in tabel 4.14. Gedetailleerde stikstofbalansen voor de periode 1986-2000 zijn gegeven in 0 en 0. Tabel 4.13 Stikstofbalans voor het oppervlaktewatersysteem van het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 2352 ha IN 10 3 kg N kg ha -1 N UIT 10 3 kg N kg ha -1 N Drainage 495 211 Infiltratie 170 72 Inlaat 31 13 Uitgemalen 317 135 AWZI s 10 4 Denitrificatie 44 19 Kwel 0 0 Wegzijging 0 0 Totaal 536 228 Totaal 531 226 Bergingsverandering 4 2 Tabel 4.14 Stikstofbalans voor het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 13752 ha IN 10 3 kg N kg ha -1 N UIT 10 3 kg N kg ha -1 N Depositie 268 20 Denitrificatie 2545 185 Bemesting 5715 416 Gewasafvoer 3601 262 Inlaat 31 2 Uitgemalen 317 23 AWZI s 10 1 Kwel 7 0 Wegzijging 12 1 Totaal 6031 439 Totaal 125 1 Bergingsverandering -444-32 De verliezen van stikstof in het oppervlaktewatersysteem kunnen worden gedefinieerd als het verschil tussen de uitgemalen hoeveelheid stikstof en de uit de bodem spoelende hoeveelheid: Jd Ju Ro = 100 (1) Jd waarbij: R o is de stikstofverliezen in het oppervlaktewater (%), J d is de drainage (incl runoff) vanuit de bodem (kg), J u is de uitgemalen hoeveelheid (kg). Bij deze definitie (vergelijking 1) bedragen de gemiddelde stikstofverliezen 36% over de periode 1986-2000 (figuur 4.10) met een minimale en maximale waarde van respectievelijk 18 en 59% per jaar; de standaardafwijking bedraagt 14%. Lage waarden komen voor in jaren met veel neerslag en waterafvoer, zoals 1987-1988, 1993 en 1998-2000. Dit zijn jaren waarin grote stroomsnelheden zorgen voor korte verblijftijden waardoor de processen die voor N-verlies zorgen (vooral denitrificatie) minder kans krijgen. 46 Alterra-rapport 1388

N-verlies (%) 70 60 50 40 30 20 10 0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Figuur 4.10 Berekende N-verliezen (%) in het oppervlaktewater van de Krimpenerwaard 4.4.2.2 Fosfor De gemiddelde fosforbalans over de periode 1986-2000 is voor het oppervlaktewater gegeven in tabel 4.15 en voor de polder als geheel in tabel 4.16. Gedetailleerde fosforbalansen voor de periode 1986-2000 zijn gegeven in 0 en 0. Tabel 4.15 Fosforbalans voor het oppervlaktewatersysteem van het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 2352 ha IN 10 3 kg P kg ha -1 P UIT 10 3 kg P kg ha -1 P Drainage 48 20 Infiltratie 5 2 Inlaat 4 2 Uitgemalen 25 11 AWZI s 1 1 Sedimentatie 37 16 Kwel 0 0 Wegzijging 0 0 Totaal 53 23 Totaal 67 29 Bergingsverandering -14-6 Tabel 4.16 Fosforbalans voor het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Balansperiode 1986-2000 Oppervlakte balansgebied 13752 ha IN 10 3 kg P kg ha -1 P UIT 10 3 kg P kg ha -1 P Depositie 0 0.0 Sedimentatie 13 1.0 Bemesting 681 49.5 Gewasafvoer 480 34.9 Inlaat 4 0.3 Uitgemalen 22 1.6 AWZI s 1 0.1 Kwel 4 0.3 Wegzijging 1 0.1 Totaal 690 50.2 Totaal 1 0.1 Bergingsverandering 173 12.6 Analoog aan de verliesberekening bij stikstof (vergelijking 1) bedragen de gemiddelde P-verliezen 54% over de periode 1986-2000 (figuur 4.11) met een minimaal en maximaal verlies van respectievelijk 39 en 72% per jaar en een standaardafwijking van 8%. De spreiding van de verliezen is minder groot dan bij stikstof. Alterra-rapport 1388 47

P-verlies (%) 80 70 60 50 40 30 20 10 0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Figuur 4.11 Berekende P-verliezen (%) in het oppervlaktewater van de Krimpenerwaard 48 Alterra-rapport 1388

5 Discussie De aanbevelingen uit fase 1 zijn doorgevoerd en laten een duidelijke verbetering zien. Het blijft echter nodig om het systeem verder te ontwikkelen omdat belangrijke bronnen (mest, AWZI, kwel) onvoldoende goed zijn berekend ofwel onvoldoende temporele en ruimtelijk variatie kennen. De achterliggende oorzaken zullen in dit hoofdstuk worden bediscussieerd aan de hand van de rekenresultaten van het fase 2 modelsysteem. 5.1 Waterkwantiteit De temporele resolutie is nu zodanig dat gerekend is met gegevens op decadebasis. Voor een correcte berekening van de snelle afvoer zijn berekeningen op dagbasis (of kortere tijdstappen) nodig omdat bij grotere tijdstappen de oppervlakkige afspoeling van water wordt onderschat. Bovendien kan gebruik worden gemaakt van de dagelijkse intensiteit van de neerslag (zie bijvoorbeeld Hendriks et al., 2002). Het is hierdoor aannemelijk dat de snelle afvoer bij de huidige berekeningen wordt onderschat. Door op dagbasis beide systemen (land en water) door te rekenen verbetert de toetsingsmogelijkheid door op willekeurige data meet- en rekenresultaten te vergelijken. Daarnaast is het aan te bevelen om de neerslagmetingen te corrigeren voor een onderschatting die de meting geeft t.o.v. de werkelijkheid. Massop et al. (2005) raden een correctie van neerslagmetingen aan van 4% voor alle stations. Een toename van de neerslag met 4% betekent dat er bijna 5 10 6 m 3 water aan het systeem wordt toegevoegd. De introductie van het oppervlaktewatersysteem heeft geresulteerd in grote verbeteringen ten opzichte van fase 1. Er kan nu een waterbalans voor de hele polder worden gemaakt, waarvan de balanstermen goed te vergelijken zijn met metingen. Dit is van cruciaal belang voor een polder als de Krimpenerwaard waarin een groot areaal open water (15%) voorkomt. Met het huidige instrumentarium zijn waterbalansen gemaakt voor het oppervlaktewatersysteem voor de hele polder. Uit de resultaten voor de polder (paragraaf 4.3) blijkt dat de berekende waterafvoer 6 10 6 m 3 ofwel 9% lager is dan de gemeten waterafvoer. De berekende wateraanvoer is 10 6 m 3 ofwel 7% lager dan de gemeten waterafvoer. Het is echter waarschijnlijk dat de gemeten water aan- en afvoer aan de hoge kant is omdat bij de meting geen rekening is gehouden met de verandering in de pompcapaciteit. Recente metingen duiden erop dat de debietmetingen op basis van de maaluren hoger zijn dan de werkelijk afgevoerde debieten (Kroes et al., 2005). Daarnaast kan een deel van het verschil tussen gemeten en berekende afvoer verklaard worden uit een onderschatting van de neerslag. Indien de neerslag wordt gecorrigeerd zal de afvoer stijgen. Alterra-rapport 1388 49

De genoemende aanpassingen vereisen een herberekening die zal resulteren in gewijzigde waterbalansen. De interactie met het regionale hydrologische systeem verloopt via de onderrand van het modelsysteem. De ruimtelijke en temporele verdeling van kwel en wegzijging kent nu te weinig variatie. Dit blijkt uit een analyse van het peilvak Bergambacht waar de bijdrage van de kwel wordt onderschat. De verhouding land/water is nu beter onderzocht dan tijdens fase 1, en de verhouding is in de berekeningen betrokken, waardoor het areaal land met 5% is gedaald. Dit is een belangrijke verklaring voor de verschillen tussen de, in fase 1 en fase 2, vermelde debieten vanuit het landsysteem. Het stedelijk gebied is niet apart in beschouwing genomen en is daarmee onvoldoende/niet meegenomen. Dit geldt eveneens voor de invloed van AWZI s waarvan de nutriëntenvrachten wel zijn gemodelleerd maar de waterkwantiteit niet. De invloed van directe kwel/wegzijging op het oppervlaktewater is niet gemodelleerd en kan (zeker lokaal) van invloed zijn. In een verbeterd modelsysteem kan de modellering van de waterkwantiteit van het stedelijk gebied, AWZI s en directe kwel/wegzijging relatief eenvoudig worden meegenomen. Interactie land- en oppervlaktewatersysteem De uitwisseling tussen het land- en het oppervlaktewatersysteem verloopt via drainage+runoff en infiltratie. Per tijdstap worden netto waterfluxen doorgegeven (paragraaf 3.4.7) van het land- naar het oppervlaktewatersysteem. De infiltratie vanuit het oppervlaktewater naar de bodem/het landsysteem wijkt daardoor 3 10 6 m 3 af van de watervraag (de door STONE berekende infiltratie) vanuit de bodem (tabellen 4.1 en 4.9). Eenzelfde compenserende afwijking komt voor in de drainage+runoff term. Deze afwijking beïnvloedt de waterbalans en zorgt voor een afwijking in de gebiedsbalans van 10 6 m 3. Dit kan worden verbeterd door land- en oppervlaktewatersysteem beter op elkaar af te stemmen (peilen gelijk) en door de gegevens met kleinere (dagelijkse) tijdstappen uit te wisselen. Uit een vergelijking tussen gemeten en berekende grondwaterstanden komt naar voren dat op een aantal plaatsen in het gebied de berekende grondwaterstanden te diep wegzakken. Voor een drietal plaatsen zijn de berekende grondwaterstanden vergeleken met resultaten van het DINO/TNO-meetnet (0). Twee van de 3 plots laten een redelijke overeenkomst zien tussen de gemeten en berekende grondwaterstanden. Daaronder is de grootste plot (STONE plot nr 3320) welke met 5275 ha ca 44% van het gebied beslaat. De derde plot laat grondwaterstanden zien die lager zijn dan de gemeten waarden. Dit gebeurt voornamelijk in de zomerperiode en is waarschijnlijk veroorzaakt door een verdampingsoverschot dat niet gecompenseerd wordt door wateraanvoer en daardoor de grondwaterstanden doet dalen. Bij het fase 2 modelsysteem is gebruik gemaakt van landsdekkende datasets voor het landsysteem (STONE). Verbetering is onder meer mogelijk door bij de modellering van het landsysteem de oppervlaktewaterpeilen (iteratief) als randvoorwaarde mee te nemen. 50 Alterra-rapport 1388

5.2 Waterkwaliteit Door het gebruik van gegevens op decadebasis is de dynamiek sterk verbeterd (t.o.v. fase 1). Deze dynamiek is minimaal nodig om het oppervlaktewater systeem te kunnen toetsen op tijdstippen waarop gemeten is. Een verdere verfijning van de dynamiek (van decade naar dag of uur) is nodig voor een correcte berekening van de snelle afvoer (P-afspoeling). Voor de concentraties van het ingelaten oppervlaktewater zijn recente metingen gebruikt. Concentraties van inlaatwater kunnen beter worden geschat door tijdreeksen op te vragen van historische meetreeksen van nutriëntenconcentraties in de rivieren De Lek, De Vlist en de Hollandse IJssel. De belangrijkste puntbronnen binnen het gebied zijn de AWZI s. De emissie van nutriënten is bepaald door een gemiddelde vracht toe te voegen aan het modelsysteem. De jaarlijkse variatie in de bijdrage van deze bronnen is nu niet geven omdat de dynamiek ontbreekt. Een schatting van deze dynamiek kan worden afgeleid uit beschikbare gegevens. De berekende mediane totaal-n waarden voor het zomer half jaar ligt met een gemiddelde van 4.2 mg/l N boven de gemeten waarde van 3.3 mg/l N en is hoger dan de MTR-norm van 2.2 mg/l N. De berekende mediane totaal-p waarde bedraagt 0.51 mg/l P en is lager dan de gemeten waarde van 0.8 mg/l P. Waarschijnlijk speelt de locatie van de meetpunten een belangrijke rol bij de verschillen tussen gemeten en berekend. Een nadere analyse met het recente uitgebreidere meetnet (Kroes et al., 2006) zal dit moeten aantonen. De meetlocaties van het basismeetnet bevinden zich langs de randen van het gebied en zijn daarmee niet representatief voor het landbouwgebied. Daarnaast bevinden veel locaties zich dicht bij stedelijk gebied waardoor beïnvloeding daarvan waarschijnlijk ook een rol speelt. De ruimtelijke resolutie van de metingen is te gering om uitspraken te doen over effecten van lokaal mestgebruik. Uit een analyse van de resultaten voor het peilvak Bergambacht blijkt dat de afvoer van organisch N te hoog is. Dit is gebaseerd op de verdeling van de berekende organisch-n : mineraal-n (70:30) die beduidend hoger is dan in eerdere studies met lokale gegevens is berekend (50:50). Voor organisch P geldt hetzelfde. Uit de analyse van de resultaten van het peilvak Bergambacht blijkt dat er een dalende trend in het bemestingsniveau zit die in het fase 2 modelinstrumentarium onvoldoende is meegenomen. In de studie van Hendriks (2002) worden lagere mestgiften gegeven in de jaren 1995-1998 die worden aangevuld met een eenmalige dosering van bagger in het jaar 1997. Daarmee wordt de bemesting van stikstof eenmalig verhoogd met 329 kg ha -1 jr -1 stikstof uit bagger. Bagger is in het fase 2 modelsysteem niet toegediend. De hogere mestgiften compenseren echter voor een deel de bagger, waardoor de uitspoeling nog op een redelijk vergelijkbaar nivo ligt. Alterra-rapport 1388 51

Voorts is het percentage organisch N en P in het drainagewater relatief hoog (70% N en 76% P). Uit de studie van Hendriks (2002) blijken deze percentages lager te zijn (ca 50%). Belangrijke oorzaak hiervoor is waarschijnlijk het vrijwel ontbreken van kwel (in Bergambacht) waardoor via die route geen mineraal N en P wordt aangevoerd. Daarnaast kan de mineralisatie van de verschillende veensoorten meer regiospecifiek worden gemaakt. Interactie land- en oppervlaktewatersysteem De uitwisseling tussen het land- en het oppervlaktewatersysteem verloopt doordat met de waterstroming nutriënten worden aan- en afgevoerd. Bij drainage worden water en nutriënten vanuit de bodem naar het oppervlaktewater afgevoerd, bij infiltratie zullen er nutriënten vanuit het oppervlaktewater naar de bodem worden verplaatst. Doordat dit fase 2 modelsysteem gebruik maakt van de STONE resultaten die tot stand zijn gekomen door te rekenen met een vaste randvoorwaarde voor infiltrerend oppervlaktewater ontstaat er discrepantie tussen het land- en het oppervlaktewatersysteem: volgens het landsysteem infiltreert er gemiddeld 39 10 3 kg jr -1 N en volgens het oppervlaktewatersysteem is dit 170 10 3 kg jr -1 N. Dit resulteert in een extra infiltratie van 131 10 3 kg jr -1 N (0) die niet in de balans voor het landsysteem terug te vinden is. Verbetering is hier zeer wel mogelijk door: i) waterpeilen en daarmee de waterfluxen beter af te stemmen tussen land en water systeem, ii) nutriëntenconcentraties in het landsysteem te laten bepalen door een of meer iteraties tussen land en oppervlaktewatersysteem, iii) een dynamische koppeling tussen land en oppervlaktewatersysteem te introduceren. Verliezen land- en oppervlaktewatersysteem De verschillende deelsystemen land en oppervlaktewater zijn met het fase 2 modelsysteem doorgerekend en de resultaten voor onderdelen behoeven verbetering om relaties tussen bemesting en effecten van maatregelen te kunnen leggen. Het resultaat voor de polder als geheel is echter plausibel en daarmee is het mogelijk om de verliezen van de deelsystemen te bepalen. De verliezen voor het oppervlaktewater zijn al eerder gegeven (vergelijking (1)). De verliezen voor het landsysteem zijn als volgt te definiëren: R land J J J over d = 100 (2) over waarbij: R land is het N- of P-verlies in het landsysteem (%), J over is het overschot aan N of P (is bemesting+depositie-gewasafvoer), J d is de drainage (incl runoff) De verliezen zijn bepaald met de vergelijkingen (1) en (2) en laten zien dat de verliezen van het landsysteem verreweg het grootst zijn, in absolute hoeveelheden en ook in percentages (figuur 5.1 en 5.2). Bijna 80% van het stikstofoverschot verdwijnt en het restant wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. In fase 2 zijn voor het oppervlaktewater verliezen berekend van 36% voor N en 54% voor P. 52 Alterra-rapport 1388

Figuur 5.1 Berekende N-verliezen in land- en oppervlaktewatersysteem Figuur 5.2 Berekende P-verliezen in land- en oppervlaktewatersysteem Alterra-rapport 1388 53

6 Conclusies 6.1 Algemeen De resultaten van het fase 2 modelsysteem laten duidelijke verbeteringen zien ten opzichte van het fase 1 modelsysteem: - De verkleining van de tijdstapgrootte van jaar naar decade heeft geresulteerd in een introductie van de dynamiek binnen kalenderjaren. Daardoor kon de toetsing nu plaatsvinden op periodes waarin gemeten was; - De introductie van het oppervlaktewatersysteem heeft het mogelijk gemaakt om balansen voor water, stikstof en fosfor op te stellen voor de polder als geheel en voor deelsystemen land en oppervlaktewater. Bovendien is het hiermee mogelijk geworden om balanstermen te toetsen aan beschikbare metingen van waterkwantiteit en waterkwaliteit; - De interactie tussen land en oppervlaktewatersysteem is nu duidelijk aanwezig en leidt tot gemiddeld redelijke resultaten voor de polder als geheel; temporeel en ruimtelijk zijn er discrepanties die voor fosfor het grootst zijn; Het fase 2 modelsysteem kan nog geen relaties leggen tussen bronnen (beleid en maatregelen) en nutriëntenconcentraties in het oppervlaktewater omdat belangrijke bronnen (mest, AWZI, kwel) onvoldoende goed zijn berekend ofwel onvoldoende temporele en ruimtelijk variatie kennen. Om deze redenen is het fase 2 modelsysteem ongeschikt om het aandeel van de landbouw in de belasting van het oppervlaktewater en de verandering van dit aandeel van de landbouw als gevolg van (mest)beleid op stroomgebiedniveau te kwantificeren. Wel is met behulp van het fase 2 modelsysteem meer informatie verkregen met betrekking tot de identificatie van kritische systeemcomponenten en parameters van het studiegebied. Hiermee wordt richting gegeven aan de verfijning van het modelsysteem in de vervolgfase In de volgende paragrafen worden de conclusies voor waterkwantiteit en waterkwaliteit nader uitgewerkt. 6.2 Waterkwantiteit Het gebruik van gegevens met een tijdsinterval van decadelengte heeft de resultaten sterk verbeterd (t.o.v. fase 1). Gebruik van dagcijfers, rekenen met een tijdsinterval van een dag en gebruikmaken van neerslag-intensiteiten zal de modellering van snelle afvoerprocessen verbeteren. Voorts dient een correctie van de neerslaggevens voor onderschatting van metingen te worden overwogen. De ruimtelijke beperking door schematisatie en parametrisatie bij het fase 2 instrument (STONE-gegevens) is groot. Bij de ruimtelijke verdeling van het landsysteem is het oppervlaktewater onvoldoende in beschouwing genomen. Het Alterra-rapport 1388 55

areaal landbouw is met 97% te hoog en het areaal natuur te laag. Het stedelijk gebied is onvoldoende/niet meegenomen. De waterbalansen voor het landsysteem, gemiddeld over de periode 1986-2000 en gemiddeld voor de polder, zijn redelijk betrouwbaar uitgerekend. De grondwaterstanden worden in een groot deel van het gebied redelijk berekend, in een aantal gebieden zakt de grondwaterstand te diep weg, vooral in de zomerperiode. De interactie met het regionale hydrologische systeem kent ruimtelijke en temporele tekortkomingen. Voor de hele polder is netto wegzijging berekend, terwijl dit kwel had moeten zijn volgens de gemeten waterbalans. Voor het peilvak Bergambacht is netto wegzijging berekend, terwijl dit kwel had moeten zijn. Het grote areaal open water (>15%) vereist modellering van de waterbalans van het oppervlaktewater. De langjarige gemiddelde maandelijkse uitgemalen debieten van het fase 2 modelsysteem zijn 9% lager dan de gemeten debieten. De gemiddelde maandelijkse ingelaten debieten zijn 7% lager dan de gemeten debieten. De gemiddelde gebiedsresultaten zijn acceptabel, de ruimtelijke verdeling van zowel de uitgemalen als de ingelaten debieten kan verbeterd worden door een betere afstemming van de interactie tussen land- en oppervlaktewatersysteem. De infiltratie naar de bodem is in sommige delen van het gebied te hoog doordat lage grondwaterstanden zorgen voor een grote watervraag. In andere gebieden is de infiltratie te laag, doordat er geen goede afstemming is tussen watervraag vanuit de bodem en waterlevering vanuit het oppervlaktewater. De gemeten debieten van ingelaten en uitgemalen water zijn gebaseerd op schattingen met een relatief grote onzekerheid. Deze dienen zo mogelijk gekwantificeerd te worden. De aanvoer van water vanuit AWZI s is niet meegenomen in het fase 2 modelsysteem. 6.3 Waterkwaliteit De gemiddelde (1986-2000) stikstofbalans van het gebied laat een hoge bijdrage van bemesting zien die wordt veroorzaakt door het hoge aandeel landbouw. De bemestingsniveaus (STONE) laten geen dalende trend zien wat onjuist is, zoals blijkt uit een vergelijking met een andere studie voor het peilvak Bergambacht. Over de periode 1986 2000 (simulatieperiode fase 2 modelsysteem) wordt voor de bodem een gemiddelde afname van de stikstofvoorraad berekend van -10% ten opzichte van de totale aanvoer. Over dezelfde periode neemt de fosforvoorraad toe met +25%. 56 Alterra-rapport 1388

De verdeling over organisch-n en mineraal-n laat zien dat een, in verhouding, te hoog deel organisch N (70%) wordt afgevoerd. Bij de modellering van het landsysteem is meer aandacht nodig voor de bijdrage van kwel en de mineralisatie van de verschillend veensoorten die in het gebied voorkomen. Pas daarna kan een bronnenanalyse worden uitgevoerd (zie Hendriks et al., 2002). De gemiddelde bijdrage van de aanvoer van nutriënten via kwel is zeer gering voor de polder als geheel, maar zeker voor peilvak Bergambacht is deze te laag. De aanvoer van fosfor via infiltratie is nihil, wat niet reëel is. De berekende langjarig gemiddelde concentraties totaal-n in het uit de polder afgevoerde water, komen goed overeen met de gemeten concentraties. De berekende langjarig gemiddelde concentraties totaal-p in het uit de polder afgevoerde water, zijn 13% lager dan de gemeten concentraties. De berekende mediane totaal-n waarden voor het zomerhalfjaar ligt met gemiddeld 4.2 mg/l N boven de gemeten waarde van 3.3 mg/l N. De berekende totaal-p waarden zijn gemiddeld lager dan de gemeten waarden. Vergelijkingen van concentraties binnen het gebied laten afwijkingen zien die mede beïnvloed worden doordat de meetpunten veelal dicht bij stedelijk gebied liggen. De meetlocaties van het basismeetnet zijn daarmee niet representatief voor het gebied; De aanvoer van nutriënten via ingelaten water wordt waarschijnlijk onjuist berekend doordat onvoldoende rekening is gehouden met het historische verloop van de concentraties in het ingelaten rivierwater. De jaarlijkse variatie in de aanvoer van nutriënten vanuit AWZI s is niet gemodelleerd. Met de afvoer van nutriënten via bagger is geen rekening gehouden. Dit is een bron van nutriënten en dient in vervolgfasen te worden meegenomen. De uitwisseling van nutriënten tussen land en oppervlaktewater systeem verloopt voor stikstof redelijk. Drainage van stikstof vanuit de bodem is redelijk in overeenstemming met infiltratie naar het oppervlaktewatersysteem; kleine afwijkingen komen in de gebiedsbalans tot uiting. De infiltratie van fosfor naar de bodem is niet in overeenstemming met de exfiltratie van fosfor vanuit het oppervlaktewater; er verdwijnt 5 103 m3 fosfor. Hiervoor dient de interactie tussen de modules voor land en oppervlaktewater te worden verbeterd. De introductie van de processen in het oppervlaktewater heeft het mogelijk gemaakt om de verliezen (retentie) van de deelsystemen te berekenen voor de polder als geheel. Voor stikstof bedragen deze verliezen bij het land en het oppervlaktewatersysteem respectievelijk 79 en 36%. Voor fosfor bedragen deze verliezen bij het land en het oppervlaktewatersysteem respectievelijk 76 en 54%. Alterra-rapport 1388 57

7 Aanbevelingen De conclusies welke in het vorige hoofdstuk voor deze fase 2 zijn getrokken geven richting aan de onderdelen welke aangepast dienen te worden in de volgende fase van het modelsysteem. Op basis van deze conclusies worden een aantal aanbevelingen gedaan. De temporele resolutie dient verhoogd te worden door de tijdstapgrootte van het modelsysteem te verkorten van een lengte van een decade naar een tijdstapgrootte met een lengte van maximaal een dag. Hierdoor verbetert de modellering van de snellere ondiepe afvoerprocessen. Bovendien verbetert dit de toetsingsmogelijkheden doordat dan op willekeurige data gemeten en berekende waarden kunnen worden vergeleken. De ruimtelijke parametrisatie kan worden verbeterd door bij de toekenning van waarden aan het landsysteem meer gebruik te maken van regio-specifiek informatie. Dit geldt voor diverse parameters, maar er is extra aandacht nodig voor het stedelijk gebied, de verdeling van bemesting en de uitwisseling met het regionaal hydrologisch systeem. Tevens dient er meer gebruik gemaakt te worden van gebiedskennis over de verschillende veensoorten met bijbehorende water- en nutriëntenhuishouding. Voor het oppervlaktewater geldt dat de kwantificering van een aantal bronnen verbeterd moet worden; dit geldt in elk geval voor de AWZI s, de inlaat via gemalen en de uitwisseling met bagger. Bovengenoemde verbeteringen zijn noodzakelijke voorwaarden om te komen tot een kwantificering van de verschillende bronnen van nutriënten. De methodiek voor de koppeling tussen het landsysteem en oppervlaktewatersysteem dient te worden verbeterd door: i) waterpeilen en daarmee de waterfluxen beter af te stemmen tussen land en water systeem, ii) nutriëntenconcentraties in het landsysteem te laten bepalen door een of meer iteraties tussen land en oppervlaktewatersysteem, iii) een dynamische koppeling tussen land en oppervlaktewatersysteem te introduceren. Uit de toetsing zal moeten blijken welke van de hiervoor genoemde stappen nodig zijn om tot goede rekenresultaten te komen. Alterra-rapport 1388 59

Literatuur Arts, G.H.P., M. Groenendijk & F.J.E. van der Bolt, 2005. Systeemverkenning Krimpenerwaard, Alterra-rapport 969. Alterra, Wageningen Beusen, A.H.W., C.C.G. Schotten, J. Roelsma en P. Groenendijk, 2004. STONE 2.1. Technische Documentatie. Intern IMP-rapport nr. M004/04. Boers, P.C.M., H.L. Boogaard, J. Hoogeveen, J.G. Kroes, I.G.A.M. Noij, C.W.J. Roest, E.F.W. Ruijgh en J.A.P.H. Vermulst, 1997. Watersysteemverkenningen. Huidige en toekomstige belasting van het oppervlaktewater met stikstof en fosfaat vanuit de landbouw. Rapport 97.013, RIZA, Lelystad. Dik, P.E., 2006 (in prep). SWQN/SurfaceWater, Manual version 1.14. Report 1226.1, Alterra, Wageningen. Groenendijk, P., and J.G. Kroes, 1999. Modelling the nitrogen and phosphorus leaching to groundwater and surface water; ANIMO 3.5. Report 144, DLO Winand Staring Centre, Wageningen, The Netherlands Hendriks, R.F.A., R.Kruijne, J. Roelsma, K. Oostindie, H.P. Oostindie, O.F. Schoumans, 2002. Berekening van de nutrientenbelasting van het oppervlaktewater vanuit de landbouwgronden in vier poldergebieden; analyse van de bronnen. Rapport 408, Alterra, Wageningen. Jeuken, M.H.J.L., 2006 (in prep). SWQL-NuswaLite; Manual for version 1.19. Report 1226.4, Alterra, Wageningen Kroes, J.G., P.J.T. van Bakel, J. Huygen, T. Kroon en R. Pastoors, 2001. Actualisatie van de hydrologie voor STONE 2.0. Reeks Milieuplanbureau 16 en Alterrarapport 298. Alterra, Wageningen. Kroes, J.G. and J.C. van Dam (eds), 2003. Reference Manual SWAP version 3.0.4. Wageningen, Alterra, Green World Research.. Alterra-report 773. 211 pp, Wageningen, The Netherlands Kroes, Joop, Wim Twisk, Michel van Cappellen, 2004. Meetplan 2005 Krimpenerwaard voor het project Monitoring nutriënten in stroomgebieden en polders. Versie 11, december 2004. Kroes, Joop, Wim Twisk, Michel van Cappellen, 2005. Meetplan 2006 Krimpenerwaard voor het project Monitoring nutriënten in stroomgebieden en polders, projectverslag december 2005. Kroes, J.G., F.J.E. van der Bolt, T.P. Leenders en L.V. Renaud, 2006. Systeemanalyse voor het stroomgebied van de Krimpenerwaard, Fase 1. Rapport 1273. Reeks Monitoring Stroomgebieden 5-III. Alterra, Wageningen, Kroon, T., P.A. Finke, I. Peereboom en A.H.W. Beusen, 2001. Redesign STONE. De nieuwe schematisatie voor STONE: de ruimtelijke indeling en de toekenning van hydrologische en bodemchemische parameters. RIZA rapport 2001.017. RIZA, Lelystad. Massop, H.Th.L., P.J.T. van Bakel, T. Kroon, J.G. Kroes, A. Tiktak & W. Werkman., 2005. Op zoek naar de ware neerslag en verdamping; Toetsing van de met het STONE 2.1-instrumentarium berekende verdamping aan literatuurgegevens en aan regionale waterbalansen, en de gevoeligheid van het neerslagoverschot op de uitspoeling van nutriënten. Alterra-rapport 1388 61

Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 1158. Reeks Milieu en Landelijk gebied 28. 108 blz.; 14 fig.; 30 tab.; 59 ref. Mooren, M.A.M. en N.J.P. Hoogervorst, 1993. CLEAN. Het RIVM landbouwmodel. Deel 1. Modelstructuur, versie 1.0. RIVM rapport 259102005. RIVM, Bilthoven. Schoumans, O.F., J. Roelsma, H.P. Oosterom, P. Groenendijk, J. Wolf, H. van Zeijts, G.J. van den Born, S. van Tol, A.H.W. Beusen, H.F.M. ten Berge, H.G. van der Meer en F.K. van Evert, 2002. Nutriëntenemissie vanuit landbouwgronden naar het grondwater en oppervlaktewater bij varianten van verliesnormen. Modelberekeningen met STONE 2.0. Clusterrapport 4: Deel 1. Alterra-rapport 552, ISSN 1566-7197. Alterra, Wageningen. Schoumans, O.F., R. van den Berg, A.H.W. Beusen, G.J. van den Born, L. Renaud, J. Roelsma en P. Groenendijk, 2004. Quick Scan van de milieukundige effecten van een aantal voorstellen voor gebruiksnormen. Rapportage in het kader van de Evaluatie Meststoffenwet 2004. Alterra-rapport 730.6. Alterra, Wageningen. Rob Sluijter & Jon Nellestijn, 2002. KlimaatAtlas van Nederland; De Normaalperiode 1971-2000. Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), De Bilt. Smit, A.A.M.F.R., C. Siderius, 2006 (in prep). Process description of Surface Water; A simplified hydraulic model. Report 1226.1, Alterra, Wageningen. Siderius C., P. Groenendijk, M.H.J.L. Jeuken, A.A.M.F.R Smit, 2006 (in prep). Process description of NUSWALITE; a simplified model for the fate of nutrients in surface waters. Alterra Report 1226.2, Wageningen. Wolf, J., A.H.W. Beusen, P. Groenendijk, T. Kroon, R. Rötter and H. van Zeijts, 2003. The integrated modeling system STONE for calculating nutrient emissions from agriculture in the Netherlands. Environmental Modelling & Software 18: 597-617. 62 Alterra-rapport 1388

Bijlage 1 Het nutriëntenemissiemodel STONE Ruimtelijke schematisatie In de ruimtelijke indeling van Nederland voor STONE 2.0 wordt het landareaal geclassificeerd naar de hydrologische kenmerken, het landgebruik en de bodemeigenschappen (Kroon et al., 2001). Hierbij wordt rekening gehouden met de bodemfysische en bodemchemische kenmerken van zowel de boven- als ondergrond. Deze afzonderlijke classificatiekenmerken zullen hier kort worden toegelicht. De ruimtelijke indeling voor STONE 2.1 en STONE 2.1.1 is ongewijzigd gebleven. Hydrologie Om de nutriëntenvrachten naar het oppervlaktewater en de nitraatconcentraties in het grondwater te kunnen kwantificeren, dient de waterafvoer uit het landelijke gebied naar het oppervlaktewater en de grondwaterstand in het landelijke gebied precies berekend te worden. Deze worden bepaald door de geohydrologische eigenschappen van de ondergrond, de drainage-eigenschappen en de nettoflux naar het topsysteem, bestaande uit kwel of wegzijging. De hydrologie is daarom ruimtelijk geschematiseerd op basis van deze drie karakteristieken en tevens de grondwaterstand. Voor de schematisatie van de geohydrologische eigenschappen van de ondergrond is de indeling in 22 zogenaamde hydrotypen gebruikt (Massop et al., 2000). Deze indeling is gebaseerd op o.a. de geologische kaart van Nederland (1 : 600 000). Voor de schematisatie van de drainage-eigenschappen worden vijf verschillende drainagesystemen voor afvoer naar het oppervlaktewater onderscheiden, namelijk: - waterafvoer naar brede waterlopen (> 3 meter); - smalle waterlopen (ca. 0.5 3 meter); - greppels (< ca. 0.5 meter) - waterafvoer over het maaiveld naar het oppervlaktewater; - waterafvoer via aangelegde drains in de bodem. De classificatie naar drainage-eigenschappen is voornamelijk gebaseerd op de drainageweerstand bij afvoer naar de waterlopen. Deze drainageweerstand is berekend met het MONA-instrumentarium van het RIZA (Kroon en Werkman, 2001). Dit resulteerde in zes groepen van drainageweerstanden. De wateraanvoer vanuit de diepe ondergrond is berekend met behulp van het MONA-instrumentarium, waarbinnen NAGROM voor het diepe systeem en MOZART voor het topsysteem is opgesteld (Kroon en Werkman, 2001). De berekende kwel is gebruikt om een kwelkaart te genereren, die voor de STONE 2.0 toepassing is gegroepeerd in zes kwelklassen (Kroon et al., 2001). Voor het onderscheiden van grondwaterstanden is de grondwatertrappenkaart van de bodemkaart 1 : 50 000 gebruikt. Hiervoor zijn de Gt-codes uit de bodemkaart vertaald naar zeven Gt-groepen, die zijn gebruikt voor de hydrologische schematisatie. Alterra-rapport 1388 63

Door verbetering van de ontwatering in de afgelopen decennia zijn de ruimtelijke opnamen van grondwaterstanden zoals aangegeven op de bodemkaart 1 : 50 000 uit de periode 1950 1980, nu gedateerd. Recente opnamen geven aan dat vooral het areaal landbouwgronden met Gt VI en, in mindere mate het areaal landbouwgronden met Gt VII en Gt VII*, zijn toegenomen. Bij de modelberekeningen met SWAP is gebruik gemaakt van die recente databestanden (Kroes et al., 2001). Landgebruik Binnen de schematisatie in landgebruik van STONE 2.0 worden zes vormen van landgebruik onderscheiden: (1) grasland, (2) maïs, (3) overig landbouw, (4) natuur, (5) water en (6) bebouwd gebied. De ligging is afgeleid uit het LGN 3+ bestand (resolutie 25 x 25 meter) van Nederland (de Wit et al., 1999) en ten behoeve van de verdere ruimtelijke schematisatie opgeschaald naar een resolutie van 250 x 250 meter. Omdat het areaal grasland hoger uitviel dan het areaal dat bij het Landbouw Economisch Instituut (LEI) als (agrarisch) grasland geregistreerd stond, zijn een aantal graslandplots als onbemest grasland ( natuur ) behandeld. Bodemtype Voor het onderscheid in bodemtypen is gebruik gemaakt van een vertaling van de bodemkaart 1 : 50 000 naar 21 bodemfysische eenheden, de zogenaamde PAWNbodemeenheden (Klijn, 1997). Deze vertaling is gebaseerd op de vertaling van de bodemkaart 1 : 250 000 in bodemfysische eenheden (Wösten et al., 1988). Bij deze indeling in bodem(fysische) eenheden worden diverse veen-, zand-, en kleigronden onderscheiden. Voor de indeling in bodemchemische eenheden zijn deze bodemtypen verder gedifferentieerd naar drie kenmerken, te weten: de capaciteit van de bodem om fosfaat te binden, de mineralisatiecapaciteit en de capaciteit van de bodem om kationen (waaronder ammonium) uit te wisselen (Kroon et al., 2001). Daarnaast is voor de indeling in bodemfysische en -chemische eenheden tevens rekening gehouden met bodemtypen dieper dan 1 meter beneden maaiveld. De informatie van de diepere bodemlagen is door NITG-TNO aangeleverd. De verschillende combinaties van bodemfysische en -chemische eenheden levert 1682 verschillende bodemeenheden op (Kroon et al., 2001). Rekeneenheden De randvoorwaarde voor de nieuwe schematisatie voor STONE 2.0 was de mogelijkheid om één scenario binnen 24 uur door te rekenen. Het gevolg hiervan was dat maximaal 6000 rekeneenheden of plots konden worden onderscheiden binnen Nederland. Een plot bestaat uit een unieke combinatie van hydrologische eigenschappen, landgebruik en bodemkenmerken. De combinatie van deze eigenschappen leidde in eerste instantie tot ruim 500 000 plots voor Nederland. De reductie van het aantal plots heeft in een aantal stappen plaatsgevonden en is uitgebreid beschreven door Kroon et al.. (2001). De nieuwe ruimtelijke schematisatie van STONE 2.0 bestaat uit 6407 plots, waarvan één plot voor al het bebouwde areaal en één plot voor al het open water. Voor de 6405 STONE plots zijn met het gedetailleerde hydrologische model SWAP de grondwaterstanden en waterafvoeren naar de verschillende drainagemiddelen gesimuleerd voor perioden van 15 aaneengesloten weerjaren (Kroon et al., 2001). In de studie naar de milieukundige 64 Alterra-rapport 1388

effecten van een aantal voorstellen voor gebruiksnormen ten behoeve van de Evaluatie Meststoffenwet 2004 maakt het toegepaste STONE-instrumentarium gebruik van de gesimuleerde waterafvoeren op basis van twee (meteo)reeksen: 1971 1985 en 1986 2000. 7000 aantal plots (cumulatief) 6000 5000 4000 3000 2000 1000 oppervlakte van de plot (ha) 0 0 5000 10000 15000 20000 25000 Figuur B1.1 De verdeling van het aantal STONE plots over de oppervlakte van de plots Iedere STONE plot is verticaal geschematiseerd als een bodemkolom van 13 meter diep, opgedeeld in 22 bodemlagen. Voor ieder van deze bodemlagen zijn berekeningen uitgevoerd met het hydrologisch model SWAP en het nutriëntenuitspoelingsmodel ANIMO. Een STONE plot bestaat uit één of meerdere gridcellen van 250 x 250 meter. De 6405 STONE plots (dus exclusief 1 plot voor al het bebouwde areaal en 1 plot voor al het open water) variëren in grootte van 25 ha tot 21 762 ha. De mediaanwaarde is 287.5 ha. In figuur B1.1 is het areaal van de plots uitgezet tegen het cumulatieve aantal plots. Uit de steile lijn in de figuur en uit de mediaanwaarde blijkt dat kleine plots sterk zijn vertegenwoordigd, met name de plots met een oppervlakte minder dan 200 ha. De voornaamste reden voor het accent op deze kleine plots is dat er binnen elke regio een aantal zeldzame eigenschappen wordt gehandhaafd in de schematisatie, bijvoorbeeld de weinig voorkomende bodemtypen (bodemfysische eenheid 4, 6 en 20) en grondwatertrappen I en IV. Modelketen Het modelinstrumentarium STONE 2.0 bestaat uit de modellen CLEAN2 (bemestingsverdeling), OPS/SRM (atmosferische stikstofdepositie), ANIMO (nutriëntenuitspoelingsmodel) en de rekenresultaten van SWAP (hydrologie). De Alterra-rapport 1388 65

modellen SWAP en ANIMO maken tevens deel uit van de modelketen van het fase 2 modelsysteem en zijn elders beschreven (Kroes et al., 2006, bijlage 2) Clean2 Het model CLEAN2 berekent de emissie van ammoniak vanuit agrarische bronnen naar de lucht en van stikstof en fosfaat uit zowel dierlijke mest als kunstmest naar de bodem in Nederland op een ruimtelijk aggregatieniveau van 31 mestgebieden, ook wel LEI-regio s genoemd (Beusen et al., 2004). Binnen deze mestgebieden worden zes bodemtypen en zeven gewasgroepen onderscheiden. De mestverdelingsberekeningen in CLEAN2 worden in vijf stappen uitgevoerd: 1. Berekening van de mestproductie per mestgebied op basis van de excretie van mest per diercategorie (in CLEAN2 worden in totaal 42 diercategorieën onderscheiden). 2. Verdeling van de geproduceerde mest binnen het mestgebied over de verschillende bodem- en gewascombinaties. Deze mestverdeling wordt uitgevoerd in een specifieke volgorde. Allereerst wordt de mest toegepast op het eigen bedrijfsareaal. Als dit eigen bedrijfsareaal vol is, wordt de resterende hoeveelheid mest via transport binnen het mestgebied geplaatst. 3. Wanneer binnen een mestgebied niet alle geproduceerde mest geplaatst kan worden, is er sprake van een regionaal mestoverschot. Nadat de overschotten en plaatsingsruimte van alle mestgebieden bepaald zijn, wordt er op nationale schaal bekeken wat de optimale bestemming is: transport naar andere mestgebieden, verwerking van de mest of export. De berekening van de optimale bestemming van de mest wordt gestuurd door de parameters acceptatiegraden van mest in ontvangstgebieden, transportprijzen per mestsoort, de afstanden tussen mestgebieden, de minimale en maximale capaciteit van mestverwerking en export en boetes bij illegaal storten van mest. 4. Na de mesttransport is bekend hoeveel van welke mestsoort in welk mestgebied wordt aangewend. Per bodem- en gewascombinatie in ieder mestgebied wordt de plaatsing van mest bepaald. Vervolgens wordt de ammoniakvervluchtiging bij de gekozen aanwendingstechniek berekend en van de bodemaanvoer afgetrokken. 5. Als laatste stap wordt berekend welke kunstmestgift nog wordt gegeven op basis van bemestingsnormen per bodem- en gewascombinatie, bemestingsadviezen, werkingsfactoren dierlijke mest en vervluchtigingfactoren voor stikstofkunstmest. In Mooren en Hoogervorst (1993) en van Tol et al.. (2001) wordt een uitgebreide beschrijving gegeven van het CLEAN 2 model. OPS/SRM Het OPS (Operational Prioritary Substances) model is bedoeld voor de berekening van periodegemiddelde stikstofconcentraties en deposities op lokale tot nationale schaal veroorzaakt door individuele lokale bronnen tot aan geaggregeerde bronnen aan de grenzen van Europa (Beusen et al., 2004). De bijdragen aan stikstofconcentraties en depositie op een bepaalde receptor worden berekend voor alle bronnen afzonderlijk met behulp van terugwaartse trajectoriën. Lokale (verticale) verspreiding wordt geïntroduceerd met behulp van een Gaussische pluimformulering. Het ruimtelijk oplossend vermogen van het model wordt grotendeels bepaald door het ruimtelijke detail van de gebruikte emissiebestanden. Rondom een 66 Alterra-rapport 1388

individuele puntbron kan het oplossend vermogen in de orde van 100 x 100 m zijn, op landelijke schaal wordt in STONE 5 x 5 km gebruikt. Meer informatie over het model OPS wordt gegeven door van Jaarsveld (1990, 1995). In STONE wordt niet het model OPS toegepast, maar de Source Receptor Matrix (SRM) model. SRM is ontwikkeld omdat de rekentijd van OPS relatief lang is ten opzichte van de andere modellen in STONE. SRM is volledig gebaseerd op OPS en maakt gebruik van het feit dat in OPS de deposities lineair zijn met de emissies. De ruimtelijke verdeling van SRM is gelijk aan de ruimtelijke verdeling van OPS. Literatuur Beusen,A.H.W., C.C.G. Schotten, J. Roelsma en P. Groenendijk, 2004. STONE 2.1. Technische Documentatie. Intern IMP-rapport nr. M004/04. Jaarsveld, J.A. van, 1990. An operational atmospheric transport model for priority substances; specifications and instructions for use. RIVM report no. 222501002. RIVM, Bilthoven. Van Jaarsveld, J.A., 1995. Modelling the long-term atmospheric behaviour of pollutants on various spatial scales. PhD thesis. Universiteit van Utrecht, Utrecht. Klijn, J., 1997. Vertaaltabellen bodem voor MOZART-SMART-DEMNAT. Rapport T2178. Waterloopkundig Laboratorium, Delft. Kroes, J.G., P.J.T. van Bakel, J. Huygen, T. Kroon en R. Pastoors, 2001. Acualisatie van de hydrologie voor STONE 2.0. Reeks Milieuplanbureau 16 en Alterra-rapport 298. Alterra, Wageningen. Kroon, T., P.A. Finke, I. Peereboom en A.H.W. Beusen, 2001. Redesign STONE. De nieuwe schematisatie voor STONE: de ruimtelijke indeling en de toekenning van hydrologische en bodemchemische parameters. RIZA rapport 2001.017. RIZA, Lelystad. Kroon, T. en W. Werkman, 2001. MONA, koppelingsconcept MOZART-NAGROM. Beschrijving en gebruikershandleiding van de modellentrein. RIZA, Lelystad. Massop, H.Th.L., T. Kroon, P.J.T. van Bakel, W.J. de Lange, A. van der Giessen, M.J.H. Pastoors en J. Huiygen, 2000. Hydrologie voor STONE. Schematisatie en parametrisatie. Alterra-rapport 038. Alterra, Wageningen. Mooren, M.A.M. en N.J.P. Hoogervorst, 1993. CLEAN. Het RIVM landbouwmodel. Deel 1. Modelstructuur, versie 1.0. RIVM rapport 259102005. RIVM, Bilthoven. Tol, S. van, G.J. van den Born, P.M. van Egmond, K.W. van der Hoek, N.J.P. Hoogervorst en O.M. Knol, 2002. CLEAN2.0: Model voor de berekening van stikstof- en fosfaatemissies uit de landbouw. Modelbeschrijving. RIVM rapport 773004010. RIVM, Bilthoven. Alterra-rapport 1388 67

Wit, A.J.W. de, T.G.C. van der Heijden en H.A.M. Thunnissen, 1999. Vervaardiging en nauwkeurigheid van het LGN3-grondgebruiksbestand. Staring Centrum, Wageningen. Wösten, J.H.M., F. de Vries, J. Denneboom en A.F. van Holst, 1988. Generalisatie en bodemfysische vertaling van de bodemkaart van Nederland, 1 : 250 000, ten behoeven van de PAWN-studie. Rapport 2055. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. 68 Alterra-rapport 1388

Bijlage 2 De modules van het oppervlaktewatersysteem Voor het oppervlaktewatersysteem zijn binnen het fase 2 modelsysteem de modellen SWQN en NUSWALite toegepast. Van deze modellen wordt in deze bijlage een samenvatting gegeven. SWQN SWQN berekent de (ééndimensionale) lineaire stroming van oppervlaktewater in een netwerk van waterlopen (Smit and Siderius, 2005). De waterlopen worden geschematiseerd tot knooppunten. De knooppunten kunnen ieder een hoeveelheid water bevatten, die afhankelijk is van de dimensies van de bijbehorende waterloop (lengte, breedte, taludhelling). De stroming tussen de knopen wordt bepaald door de stromingsweerstand in het tussenliggende leidingvak. In deze weerstand kan de aanwezigheid van kunstwerken als duikers en bruggen worden verdisconteerd. De stroming tussen twee knooppunten kan ook afhankelijk worden gesteld van de eigenschappen van eventueel aanwezige stuwen of pompen. De interactie tussen land en oppervlaktewater vindt modelmatig plaats door uitwisseling van gegevens tussen het oppervlaktewatermodel (SWQN) en het bodemwatermodel (SWAP). Daarbij heeft het model SWAP voor het landsysteem bepaald welk deel van het neerslagoverschot als drainage wordt afgevoerd van de bodem/het land naar het oppervlaktewater. Deze drainagehoeveelheid wordt als een waterbalansterm aan het model SWQN doorgegeven. Tevens berekent het model SWAP voor het landsysteem, in periodes van verdampingsoverschot, een behoefte aan wateraanvoer waarmee via infiltratie het verdampingsoverschot kan worden aangevuld. Wateraanvoer en waterafvoer worden als aparte termen berekend; de uitwisseling vindt plaats als netto-waterbalansterm. Deze waterbalansterm wordt aan het model SWQN doorgegeven: Q= Q + Q dis sup waarbij: Q dis is de waterafvoer vanuit de bodem naar het oppervlaktewater (m 3.s -1 ); Q sup is de wateraanvoer vanuit het oppervlaktewater naar de bodem (m 3.s -1 ). De waterafvoer Q dis bestaat uit de som van drainage-fluxen en runoff: Q = Q + Q dis drain runoff waarbij: Q drain is de gesommeerde waterafvoer naar 5 oppervlaktewatersystemen (m 3.s -1 ), Q runoff is de oppervlakkige waterafvoer (runoff) vanuit de bodem naar het oppervlaktewater (m 3.s -1 ) De totale wateraanvoer Q sup wordt bepaald door infiltratie, runon en beregening: Q + Q + Q sup = Q inf iltr runon irrig Alterra-rapport 1388 69

waarbij: Q infiltr is de gesommeerde wateraanvoer vanuit 5 oppervlaktewatersystemen (m 3.s -1 ), Q runon is de oppervlakkige wateraanvoer (runon of inundatie) vanuit andere bodems of vanuit het oppervlaktewater (m 3.s -1 ), Q irrig is de (optionele) beregening vanuit het oppervlaktewater (m 3.s -1 ) In deze fase is met de wateraanvoer voor runon (inundatie) en beregening (vanuit het oppervlaktewater) geen rekening gehouden. Dit lijkt verantwoord, aangezien het voorkomen van inundatie op dit moment niet is in te schatten en beregening slechts op 3 plots voorkomt in geringe beregeningshoeveelheden. De uitvoer van het model SWQN is gebruikt als invoer voor de oppervlaktewaterkwaliteitsmodule NuswaLite. NuswaLite Het model NuswaLite berekent de retentie en de ecologische effecten van nutriënten in oppervlaktewater (Siderius et al., 2006). Het model beschrijft de optredende processen ten aanzien van de opgeloste fracties organische en minerale stikstof en fosfor. Daarnaast worden ook de in suspensie voorkomende fractie biomassa en de vaste fractie biomassa (met wortels in het sediment) beschouwd. Aangenomen wordt, dat deze beide fracties biomassa een vaste nutriëntenverhouding hebben en dus geen aanvullende bron van nutriënten vormen. Behalve convectief transport worden de volgende processen gesimuleerd (zie Figuur B2.1): Groei van biomassa door opname van nutriënten (afhankelijk van zonnestraling en de beschikbaarheid van deze nutriënten); Afsterven van biomassa; Mineralisatie van organische nutriënten; Denitrificatie; Lineaire sorptie van nutriënten aan het sediment. 70 Alterra-rapport 1388

Figuur B2.1 Schematisch overzicht van de processen in NuswaLite Invoer voor NUSWALITE wordt gemaakt op basis van resultaten van het model ANIMO. Dit model berekent nutriëntenafvoeren vanuit het landsysteem (bodem) naar het oppervlaktewatersysteem. De waterstroming met het SWAP model is daarbij drijvende kracht voor de verplaatsing van de nutriënten. Indien er drainage optreedt, zullen er met het drainagewater nutriënten worden getransporteerd vanuit de bodem naar het oppervlaktewater. Bij infiltratie zullen er nutriënten worden getransporteerd vanuit het oppervlaktewater naar de bodem. De totale hoeveelheid afgevoerde nutriënten vanuit het bodemmodel ANIMO wordt als een balansterm aan het model NUSWALITE doorgegeven: J = J + J dis drain runoff waarbij: J dis is de nutriëntenafvoer vanuit de bodem naar het oppervlaktewater (g.d -1 ), J drain is de gesommeerde nutriëntenafvoer naar (maximaal) 3 typen oppervlaktewatersystemen (g.d -1 ), J runoff is de oppervlakkige nutriëntenafvoer (runoff) vanuit de bodem naar het oppervlaktewater (g.d -1 ) Alterra-rapport 1388 71

Bijlage 3 Rekeneenheden van het fase 2 landsysteem In deze bijlage wordt de procedure beschreven die is gevolgd om tot rekeneenheden te komen voor het fase 2 landsysteem. Peilvakken als afwateringseenheid De Krimpenerwaard is een peilbeheerste polder, waarbij de indeling in afwateringseenheden voornamelijk wordt gekenmerkt door het ruimtelijke gedifferentieerde peilbeleid dat zich uit in verschillende peilvakken. Als basis voor de indeling in peilvakken is een gedigitaliseerde peilvakkenkaart van het waterschap gebruik. Hierin waren 33 peilvakken onderscheiden die zijn teruggebracht tot 29 peilvakken: - de Stormpolder is van overig land gescheiden door grote waterlopen en wordt daarmee buiten de schematisatie gehouden; - De peilgebieden Schoonhoven en Achterpoort hebben een eigen bemaling/peilbeheer en maken geen deel uit van de rest van de Krimpenerwaard en zijn daarom buiten beschouwing gelaten; - Peilvak Bergambacht is niet apart gemodelleerd, vanwege de beperkte oppervlakte. Landgebruik De informatie over het landgebruik is afkomstig van de 4 e landelijke grondgebruikkartering (LGN4). Het aantal soorten landgebruik is sterk gereduceerd om een koppeling met de resultaten van het landelijke instrumentarium (STONE) mogelijk te maken. Daartoe zijn de 39 soorten landgebruik van LGN4 vertaald naar 4 soorten landgebruik die voor STONE worden gebruikt: maïs, bouwland, gras en natuur (0 en deze bijlage: tabel B3.2). Bodem en grondwater De bodemtypes zijn gebaseerd op de 1 : 50 000 bodemkaart. Evenals bij het landgebruik zijn ook de bodemcodes vertaald naar de bodemeenheden zoals die bij STONE zijn gebruikt (tabel B3.3). Dit geldt eveneens voor de, aan de bodem gerelateerd, indeling in grondwaterklassen (tabel B3.4). Rekeneenheden en STONE-plots Een combinatie van de vereenvoudigde kaarten (peilvakken, landgebruik, bodem, Gt) resulteerde in 33 unieke combinaties (UC). Het bebouwd gebied is daarbij onderscheiden als een licht bemest grasland. Vervolgens zijn bij deze unieke combinaties STONE2.1-plots gezocht met overeenkomende eigenschappen voor landgebruik, bodem en Gt. De gehanteerde relatie tussen de 33 UC s en de STONE2.1-plots is weergegeven in 0. Dit zoeken naar de STONE2.1-plots is in stappen uitgevoerd: - zoek binnen (of zo dicht mogelijk bij) een PAWN 2 -district waarbinnen de Krimpenerwaard valt (ofwel één van de 3 PAWN-districten: 45, 53 of 44); 2 PAWN = Policy Analyses of Watermanagement in the Netherlands, een studie die begin jaren 90 is uitgevoerd en waarbij Nederland is verdeeld in 80 afwateringseenheden (districten) Alterra-rapport 1388 73

- als er meerdere STONE2.1-plots met gelijke overeenkomsten binnen een PAWN-district zijn, dan is de grootste plot gekozen; - indien meerdere plots met overeenkomsten gevonden zijn, dan is de plot gezocht met aangrenzende Gt-klasse (dit bleek een aantal keren het geval waardoor 3 eenheden aan aangrenzende plots werden toegekend). - eenheden met het landgebruik natuur zijn samengevoegd. Resultaat van deze zoekactie is de definitieve selectie van STONE2.1-plots geweest: 29 rekeneenheden (figuur 3.5) voor land/grondwatersysteem, waarvan de kenmerken overeenkomen met STONE-plots. Tevens resulteerde dit in de volgende verdeling van het landgebruik over het totale landoppervlak: 82.7% grasland, 2.7% natuur, 0.2% maïs, 0.3% bouwland en 14.1% stedelijk gebied (tabel B3.1) Tabel B3.1 Landgebruik in de Krimpenerwaard landgebruik oppervlakte (ha) oppervlakte (%) grasland 9433 82.7 mais 23 0.2 natuur 302 2.7 bouwland 36 0.3 stedelijk 1607 14.1 totaal 11401 100.0 Vervolgens zijn de hydrologische gegevens (berekend met SWAP) rechtstreeks overgenomen van de 29 geselecteerde STONE2.1-plots. Voor de nutriënten berekeningen (met het model ANIMO) zijn de volgende aanpassingen doorgevoerd: - Alle randvoorwaarden uit de grootste STONE2.1-plot binnen Krimpenerwaard; (depositie, concentraties infiltrerend en kwelwater) - Bemesting uit STONE2.1, op basis van landgebruik en bodemtype binnen zelfde LEI-district. (hoeveelheid, tijdstip van toediening, manier van toediending); 74 Alterra-rapport 1388

Tabel B3.2 Vertaaltabel van LGN naar Stone Beschrijving LGN4 LGN4code LGN3Stone STONEcode Maïs 2 maïs 02 Aardappelen 3 bouwland 03 Bieten 4 bouwland 03 Granen 5 bouwland 03 overige landbouwgewassen 6 bouwland 03 Glastuinbouw 8 bouwland 03 Boomgaard 9 bouwland 03 Bollen 10 bouwland 03 Loofbos 11 natuur 04 Naaldbos 12 natuur 04 loofbos in bebouwd gebied 20 natuur 04 naaldbos in bebouwd gebied 21 natuur 04 bos met dichte bebouwing 22 natuur 04 gras in bebouwd gebied 23 natuur 04 Kwelders 30 natuur 04 open zand in kustgebied 31 natuur 04 open duinvegetatie 32 natuur 04 gesloten duinvegetatie 33 natuur 04 Duinheide 34 natuur 04 open stuifzand 35 natuur 04 Heide 36 natuur 04 matig vergraste heide 37 natuur 04 sterk vergraste heide 38 natuur 04 Hoogveen 39 natuur 04 bos in hoogveengebeid 40 natuur 04 overig moerasvegetatie 41 natuur 04 Rietvegetatie 42 natuur 04 bos in moerasgebied 43 natuur 04 overig open gegroeid natuurgebied 45 natuur 04 kale grond in natuurgebied 46 natuur 04 Gras 1 gras 06 Veenweidegebied 44 gras 06 No data 0 No data 99 zoet water 16 No data 99 zout water 17 No data 99 stedelijk bebouwd gebied 18 No data 99 bebouwing in buitengebied 19 No data 99 kale grond in bebouwd gebied 24 No data 99 hoofdwegen en spoorwegen 25 No data 99 bebouwing in agrarisch gebied 26 No data 99 Alterra-rapport 1388 75

Tabel B3.3 Vertaaltabel bodemcode naar PAWN-eenheid BodemCode (Beschrijving50) PAWN-eenheid (BodemPAWN) g WATER 22 hvb 01 h BEBOUW 23 pvb 03 kvb 03 Rv01C 18 Rd90A 16 pmv81 18 h DIJK 23 Mv41C 18 Mv61C 18 hvc 01 f TERP 23 Mn86C 17 AO 19 Rn44C 18 ROb75 16 Rn67C 17 Rn52A 20 MOb75 16 Tabel B3.4 Vertaaltabel grondwatertrap naar grondwaterklasse PAWN GtCode GtPAWN - 99 II 20 III 30 III* 35 VI 60 IV 40 76 Alterra-rapport 1388

Bijlage 4 Relatie tussen rekeneenheid en STONE-plot In deze bijlage wordt de relatie gegeven tussen de 29 rekeneenheden (UCKrimp) en de STONE-plots. Tevens is in de tabel aangegeven, wanneer bij de toekenning van een STONE-plot afgeweken is van de eigenlijke eigenschappen. Zo is UCkrim 020120 gekoppeld aan STONE-plot 3952, waarvoor een gt10 geldt in plaats van de gt20, die volgens de bodemkaart wordt aangetroffen. Uckrimp* STONE-plot Toekenning 020120 3952 gt10 ipv 20 020320 2813 021820 4496 gt30 ipv 20 021920 4687 030120 3612 030320 5021 031730 2747 031735 2747 gt30 ipv 35 031820 4615 gt30 ipv 20 031830 4615 031835 4615 gt30 ipv 20 031920 5976 032040 4569 gt30 ipv 40 040120 3562 040320 2777 041730 1619 041735 4435 gt30 ipv 35 041820 4483 041830 3511 041835 4414 gt30 ipv 35 041920 4216 042040 4335 gt60 ipv 40 060120 3320 060320 4415 061660 3960 061730 3587 061735 3644 gt 30 ipv 35 061820 3981 061830 688 061835 4505 gt30 ipv 35 061920 4990 062040 4568 999999 3960 Gras (stedelijk) * code is opgebouwd uit 2 cijfers voor het landgebruik, 2 cijfers voor de bodem en 2 cijfers voor de grondwaterklasse, zie bijlage 1 en 2 voor verklaring van cijfers. Alterra-rapport 1388 77

Bijlage 5 Modelering detailontwatering Met behulp van de top10-waterlopen is de totale lengte aan detailontwatering bepaald. Voor sommige deelgebieden bedraagt de lengte tientallen kilometers. Een enkele sloot van tientallen kilometers heeft een zelfde bergend vermogen als een aantal evenwijdige sloten, maar het afvoerend vermogen van de laatste is veel groter. Om de top10-waterlopen daadwerkelijk te laten meedoen als actieve waterlopen is een correctie noodzakelijk. Dit is mogelijk door het verhogen van de Chézycoëfficiënt. Stel de top-10 waterlopen hebben een maximale afstroomlengte naar de waterschapswaterlopen van l max meter. De afvoer van één sloot is dan: Q = C. A. ΔH R lmax met: Q : afvoer van één sloot met standaard afstroomlengte (m 3 /d) C : Chézy-coëfficiënt (m 1/2 /s) A : oppervlak (m 2 ) R : hydraulische straal (m) Δ H : verschil bodemhoogte (m) l : afstroomlengte (m) max Stel dat de totale lengte van de waterlopen voor een plot L is (met L > l max ), dan is de totale afvoer gelijk aan: Q tot met: L = l max C. A. ΔH R l max Q tot : afvoer totale lengte detailontwatering (m 3 /d) De database geeft één lengte door aan de oppervlaktewatermodule (SWQN) en die berekent dan de volgende afvoer: Q sw met: = C. A. ΔH R L Q sw : afvoer van totale lengte berekend in modelschematisatie (m 3 /d) De gemaakte fout is uit te drukken in een factor f sw : Alterra-rapport 1388 79

f Q = Q tot sw = sw L. l max L l max Het prettige is dat in deze uitdrukking geen tijdsafhankelijke variabelen zitten. Het is daardoor mogelijk de Chézy-coëfficiënt te vermenigvuldigen met deze factor en deze aangepaste waarde te gebruiken in de database. Op deze manier wordt zowel de berging als de uitwisseling met de waterschapswaterlopen goed benaderd, dus: C * = f sw. C Voor de factor geldt b.v. als L = 2000 m en l max = 200 m, f sw = 31.6. (Als L < l max, dan wordt gewoon met standaardwaarden gerekend). 80 Alterra-rapport 1388

Bijlage 6 Parametrisatie oppervlaktewatersysteem Deze paragraaf beschrijft de parametrisatie van het oppervlaktewatersysteem in waterlopen, peilvakken en kunstwerken. Waterlopen Hoofdwaterlopen Voor de hoofdwaterlopen zijn de bodembreedte en de geometrie van het talud overgenomen uit de aangeleverde gegevens van het hoogheemraadschap. De bodemhoogtes (inclusief baggerlaag) zijn bepaald door de waterdiepte van het polderpeil af te trekken. De hoofdwaterlopen hebben een diepte van circa 1 m (mondelinge mededeling Hoogheemraadschap). Voor de waterlopen van de bebouwing van Krimpen aan de IJssel is een breedte aangenomen van 1 m. Detailontwatering Naast de hoofdwaterlopen is een groot aantal secundaire waterlopen aanwezig. Deze zijn als detailontwatering in de modellering meegenomen. Met deze detailontwatering worden de kleinere secundaire waterlopen geschematiseerd. Voor de Krimpenerwaard is een digitale kaart aanwezig met de begrenzing van het oppervlaktewater (figuur B6.1). Voor de hele polder is een gemiddelde breedte bepaald door de totale oppervlakte open water te delen door de totale lengte van de waterlopen. Hiertoe zijn de volgende bewerkingen uitgevoerd: - de lengte van de waterlopen is afgeleid uit Figuur B6.1 Uitsnede van de gedetailleerde kaart met begrenzingen van open water TOP10-vector kaarten: 3200 km; - het oppervlak open water in de polder is afgeleid uit de gedetailleerde open water kaart: 20.3 km 2. De gemiddelde breedte van de waterlopen bedraagt 6.4 m. De waterdiepte van deze kleinere waterlopen bedraagt volgens een eerste schatting 0.5 m en voor de waterlopen van het Zuid-Hollands Landschap 0.7 m. Uitgegaan is van een talud van 1:1 en een bovenbreedte van 6.4 m. Alterra-rapport 1388 81

Peilvakken en vanggebied De 33 oorspronkelijke peilvakken zijn als volgt teruggebracht tot 29 peilvakken (figuur B6.2): - de Stormpolder is van overig land gescheiden door grote waterlopen en wordt daarmee buiten de schematisatie gehouden; - De peilgebieden Schoonhoven en Achterpoort hebben een eigen bemaling/peilbeheer en maken geen deel uit van de rest van de Krimpenerwaard en zijn daarom buiten beschouwing gelaten; - Peilvak Bergambacht is niet apart gemodelleerd, vanwege de beperkte oppervlakte. Het gesommeerde oppervlak van de peilvakken is het totale oppervlak van het landen watersysteem: 137.5 km 2 (tabel B6.1). Het gesommeerde oppervlak open water is afgeleid uit gedetailleerde kaarten met begrenzingen van open water (figuur B6.2): 20.3 km 2. Figuur B6.2 De 29 peilvakken binnen de Krimpenerwaard Voor de berekeningen met de oppervlaktewatermodule is een oppervlak aan open water nodig dat de neerslag opvangt. Daartoe is het oppervlak open water vergroot met een factor van 1.156 (=7.4/6.4) die is afgeleid uit het talud (1:1) en de gemiddelde ontwatering (0.5 m) (figuur B6.3). Dit resulteerde in een oppervlak van het vanggebied voor open water van 23.5 km 2. a 7.4 Figuur B6.3 Verhouding tussen vanggebied(a) en open water (b) 6.4 b Gemiddelde ontwatering 0.5 m-mv Hiermee is het oppervlak land vastgelegd als het verschil tussen het totale oppervlak aan peilvakken en het oppervlak van het vanggebied voor open water, ofwel 114.0 82 Alterra-rapport 1388

km 2. Het percentage land bedraagt nu 82.9% van het totale oppervlak. Het vanggebied voor het openwater is 17.1% en het open water is 14.8% van het totale oppervlak (Tabel B6.1). De neerslag en verdamping van het open water zijn als aparte termen bepaald op basis van gegevens van dichtbijgelegen KNMI stations. Tabel B6.1 De verdeling van de arealen land en water binnen de Krimpenerwaard Gegeven Oppervlakte (m 2 ) Oppervlakte (%) peilvakken 137 526 921 100.0 open water 20 345 159 14.8 vanggebied open water 23 519 004 17.1 land 114 007 917 82.9 Alterra-rapport 1388 83

Bijlage 7 Inlaat en NuswaLite De ingelaten nutriënten worden als vrachten (g d -1 ) aan het model NuswaLite worden opgegeven. Deze vrachten zijn bepaald door bij de gemodelleerde randknooppunten de ingelaten debieten te bepalen (figuur B7.1). Fig B7.1 Rand - knooppunten Vervolgens zijn de concentraties organisch en mineraal N en P bepaald in de dichtst bij de randknopen liggende meetpunten van het recente meetnet (2004/2005) (zie tabel B7.1 voor knooppunten en meetpunten). De concentraties in deze meetpunten zijn gegeven in de figuren B7.2 - B7.5. Tabel B7.1 Randknooppunten waar water wordt ingelaten en dichtbij gelegen knooppunt Knooppunt-ID Afstand Object-code Object omschrijving Bij meetpunt (m) 469 3308 RWS 0108 Lek langs Lekdijk-West stroomopwaarts Hoekse Sluis KOP 0801 470 9001 RWS 0108 Lek langs Lekdijk-West stroomopwaarts Hoekse Sluis KOP 0801 471 9003 RWS 0108 Lek langs Lekdijk-West stroomopwaarts Hoekse Sluis KOP 0801 472 8992 RWS 0108 Lek langs Lekdijk-West stroomopwaarts Hoekse Sluis KOP 0801 1455 14 RWS 0108 Lek langs Lekdijk-West stroomopwaarts Hoekse Sluis KOP 0801 1456 58 RWS 0108 Lek langs Lekdijk-West stroomopwaarts Hoekse Sluis KOP 0801 98 3956 RWS 0109 Hollandsche IJssel bij gemaal Verdoold KOP 0427 101 5160 RWS 0109 Hollandsche IJssel bij gemaal Verdoold KOP 0427 127 72 RWS 0109 Hollandsche IJssel bij gemaal Verdoold KOP 0427 135 75 RWS 0109 Hollandsche IJssel bij gemaal Verdoold KOP 0427 445 3203 RWS 0109 Hollandsche IJssel bij gemaal Verdoold KOP 0427 665 65 RWS 0109 Hollandsche IJssel bij gemaal Verdoold KOP 0427 RWS 0111 Hollandsche Ijssel t.h.v. gemaal Langeland/ Korteland KOP 0101 306 2725 vanaf rooster 444 4241 RWS 0111 Hollandsche IJssel t.h.v. gemaal Langeland/ Korteland KOP 0101 vanaf rooster 1458 13 RWS 0111 Hollandsche IJssel t.h.v. gemaal Langeland/ Korteland vanaf rooster KOP 0101 Alterra-rapport 1388 85

N-total (mg/l N) 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 25-11- 2003 14-01- 2004 04-03- 2004 23-04- 2004 12-06- 2004 01-08- 2004 20-09- 2004 09-11- 2004 29-12- 2004 17-02- 2005 CTN_K427 CTN_R109 Fig B7.2 vergelijking RWS - KOP P-totaal (mg/l N) 1 0.9 0.8 0.7 0.6 0.5 0.4 0.3 0.2 0.1 0 25-11-2003 14-01-2004 04-03-2004 23-04-2004 12-06-2004 01-08-2004 20-09-2004 09-11-2004 29-12-2004 17-02-2005 CTP_K427 CTP_R109 Fig B7.3 vergelijking RWS - KOP N-totaal (mg/l N) 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 25-11- 2003 14-01- 2004 04-03- 2004 23-04- 2004 12-06- 2004 01-08- 2004 20-09- 2004 09-11- 2004 29-12- 2004 17-02- 2005 CTN_K801 CTN_R108 Fig B7.4 vergelijking RWS KOP Hoekse Sluis N-totaal P-totaal (mg/l N) 0.8 0.7 0.6 0.5 0.4 0.3 0.2 0.1 0 25-11-2003 14-01-2004 04-03-2004 23-04-2004 12-06-2004 01-08-2004 20-09-2004 09-11-2004 29-12-2004 17-02-2005 CTP_K801 CTP_R108 Fig B7.5 vergelijking RWS - KOP Hoekse Sluis P-totaal 86 Alterra-rapport 1388

Ter controle zijn mbv de simulatieresultaten de concentraties van ingelaten water bepaald. Dit is uitgevoerd door per inlaatknooppunt de ingelaten vrachten te delen door de ingelaten debieten. De resultaten staan in onderstaande tabellen voor N en P N-concentraties (g m -3 N) nodenr jaar 469 471 472 665 1456 1458 gemiddeld 1986 1.5 1.4 1.5 2.6 1.5 1.6 1.8 1987 2.3 2.3 2.5 3.8 2.4 2.0 2.7 1988 2.3 2.3 2.3 3.2 2.3 2.3 2.6 1989 1.9 1.8 1.8 2.9 1.8 1.8 2.1 1990 1.9 2.0 2.0 3.0 2.0 1.9 2.3 1991 2.1 2.1 2.1 3.4 2.1 2.1 2.5 1992 1.6 1.7 1.7 2.6 1.7 1.7 2.0 1993 2.3 2.2 2.2 3.1 2.2 2.2 2.5 1994 1.5 1.4 1.4 2.8 1.4 1.4 1.8 1995 1.8 1.7 1.7 3.0 1.6 1.7 2.1 1996 1.9 2.0 1.9 3.1 2.0 1.9 2.3 1997 1.9 1.9 1.9 3.2 1.9 1.9 2.3 1998 2.3 2.2 2.2 3.3 2.3 2.3 2.5 1999 1.7 1.7 1.7 2.9 1.7 1.7 2.1 2000 2.2 2.2 2.1 3.0 2.1 2.2 2.4 gemiddeld 2.0 1.9 1.9 3.1 1.9 1.9 2.3 P-concentraties (g m -3 P) nodenr jaar 469 471 472 665 1456 1458 gemiddeld 1986 0.24 0.24 0.25 0.26 0.25 0.25 0.25 1987 0.25 0.25 0.25 0.24 0.25 0.24 0.25 1988 0.23 0.23 0.24 0.22 0.24 0.24 0.23 1989 0.26 0.25 0.25 0.26 0.25 0.25 0.25 1990 0.26 0.27 0.27 0.25 0.27 0.27 0.26 1991 0.27 0.29 0.29 0.30 0.29 0.29 0.29 1992 0.23 0.23 0.23 0.22 0.23 0.24 0.23 1993 0.22 0.22 0.22 0.20 0.23 0.22 0.22 1994 0.26 0.26 0.27 0.29 0.27 0.25 0.27 1995 0.28 0.29 0.28 0.28 0.28 0.28 0.28 1996 0.24 0.23 0.23 0.25 0.23 0.23 0.24 1997 0.27 0.28 0.28 0.30 0.28 0.29 0.29 1998 0.30 0.32 0.31 0.28 0.31 0.31 0.30 1999 0.26 0.26 0.25 0.25 0.25 0.26 0.25 2000 0.27 0.27 0.28 0.28 0.27 0.26 0.28 gemiddeld Alterra-rapport 1388 87

Bijlage 8 Waterbalans landsysteem Krimpenerwaard fase 2 Area 114007917 m2 fase2 Gesimuleerde bodemwaterbalans (Mm3) Jaar Neerslag Irrigatie Infiltratie Kwel Verdamping Runoff Drainage Wegzijging BergingDelta 1986 96 0 20 2-61 -5-48 -3-1 1987 104 0 8 2-52 -8-52 -3 0 1988 110 0 15 2-57 -4-63 -3 0 1989 80 0 23 2-67 -2-33 -3 0 1990 88 0 21 2-65 -2-40 -3-1 1991 77 0 21 2-59 -3-36 -3 0 1992 102 0 16 2-63 -5-49 -3 0 1993 103 0 15 2-57 -13-46 -3-1 1994 110 0 17 2-59 -10-57 -3 0 1995 86 0 22 2-65 -3-40 -3 1 1996 72 0 22 2-57 -2-35 -3 0 1997 77 0 18 2-62 -1-29 -3-1 1998 133 0 11 2-54 -15-74 -3 0 1999 111 0 18 2-65 -6-56 -3 0 2000 112 0 14 2-60 -5-59 -3 0 gemiddeld 97 0 18 2-60 -6-48 -3 0 1991-2000 98 0 18 2-60 -6-48 -3 0 Gesimuleerde bodemwaterbalans (mm) Jaar Neerslag Irrigatie Infiltratie Kwel Verdamping Runoff Drainage Wegzijging BergingDelta 1986 842 0 172 15-536 -40-424 -26-7 1987 912 0 73 15-454 -68-454 -26 3 1988 965 0 136 16-502 -39-552 -27 3 1989 700 0 202 16-585 -15-292 -27 1 1990 771 0 184 16-568 -17-355 -27-4 1991 679 0 186 15-514 -29-315 -26 4 1992 898 0 140 16-555 -47-426 -27 1 1993 904 0 132 16-503 -114-399 -27-9 1994 968 0 153 16-520 -90-500 -27 1 1995 751 0 194 16-567 -25-351 -27 10 1996 635 0 196 15-498 -14-305 -26-3 1997 676 0 154 15-545 -13-256 -26-5 1998 1164 0 99 16-477 -128-649 -27 3 1999 977 0 158 16-572 -57-493 -27-2 2000 981 0 127 16-529 -47-520 -27 0 gemiddeld 855 0 154 15-528 -50-419 -27 0 1991-2000 863 0 154 15-528 -56-421 -27 0 Waterbalans (mm/jr) land/bodem 1500 1000 500 0-500 -1000 BergingDelta Wegzijging Drainage Runoff Verdamping Kwel Infiltratie Irrigatie Neerslag -1500 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Alterra-rapport 1388 89

Bijlage 9 Vergelijking gemeten en berekende concentraties landsysteem De berekende concentraties voor Subafwateringseenheden zijn vergeleken met de gemeten concentraties van 14 meetpunten van het basismeetnet. De resultaten zijn samengevat in tabel B8.1 en figuur B8.1 en per meetpunt op de navolgende pagina s. Tabel B8.1 Vergelijking tussen de mediane waarden van gemeten en berekend totaal-n (mg/l N) per meetpunt. Voor het landsysteem van het stroomgebied de Krimpenerwaard, gemiddeld over de tijdstippen waarop gemeten EN berekende waarden bekend zijn tijdens de periode 1986-2000, resultaat van fase 2 Sub- observatie simulatie totaaln observatie simulatie Afwateringseenheid totaaln totaaln sim- totaalp totaalp totaalp sim- Meetpunt (mg/l N) (mg/l N) obs(%) (mg/l P) (mg/l P) obs (%) KOP 0101 327 3.05 11.42 73.29 0.27 0.56 52.17 KOP 0201 516 4.25 9.32 54.41 0.60 0.87 30.75 KOP 0301 148 4.55 9.62 52.73 0.70 0.71 2.63 KOP 0401 481 4.70 5.06 7.10 0.62 0.65 5.11 KOP 0402 162 4.15 7.23 42.57 0.74 0.78 4.75 KOP 0408 83 4.40 9.99 55.95 1.90 0.94-101.63 KOP 0421 105 4.20 9.39 55.28 0.52 1.14 54.35 KOP 0427 96 5.00 13.54 63.08 0.53 0.68 21.68 KOP 0501 75 5.60 8.45 33.74 0.56 0.93 39.86 KOP 0801 385 4.05 9.58 57.74 0.42 0.92 55.11 KOP 1001 468 4.75 10.70 55.62 0.57 0.76 24.55 KOP 1005 65 5.40 16.66 67.58 1.54 1.35-14.00 KOP 1101 410 5.22 15.41 66.13 0.50 1.51 66.96 KOP 1103 396 1.50 7.66 80.41 0.32 1.20 73.34 gemiddeld 4.34 10.29 54.69 0.70 0.93 22.54 Verschil (%) tussen mediane waarde van simulatie en observatie 100 50 0-50 KOP 0101 KOP 0201 KOP 0301 KOP 0401 KOP 0402 KOP 0408 KOP 0421 KOP 0427 KOP 0501 KOP 0801 KOP 1001 KOP 1005 KOP 1101 KOP 1103-100 -150 totaaln sim-obs(%) totaalp sim-obs (%) Meetpunt Figuur 8.1 Verschil (%) tussen mediane waarde toaal-n en totaal-p; berekende waarden in subafwateringseenheden en gemeten waarden in de 14 vaste meetpunten van het basismeetnet. Alterra-rapport 1388 91

92 Alterra-rapport 1388

Alterra-rapport 1388 93

94 Alterra-rapport 1388

Alterra-rapport 1388 95

96 Alterra-rapport 1388

Alterra-rapport 1388 97

98 Alterra-rapport 1388

Bijlage 10 Stikstofbalans landsysteem Krimpenerwaard fase 2 Area 114007917 m2 fase2 Gesimuleerde bodem N balans (ton (1000kg) Jaar DepWet DepDry Bemesting InfiltrNmin InfiltrNorg Kwel GewasopnaRunoff DrainageNmi DrainageNorg Wegzijging Vervluchtiging Denitrification dberging 1986 0 312 5829 24 20 6-3724 -25-189 -380-10 0-2711 850 1987 0 327 6198 10 8 6-3573 -64-128 -442-11 0-1366 -965 1988 0 311 6417 19 15 7-4054 -36-165 -489-11 0-2079 66 1989 0 290 5378 28 23 7-3861 -6-153 -275-12 0-3641 2223 1990 0 283 5325 25 21 7-3610 -13-109 -281-12 0-3099 1462 1991 0 288 5673 25 21 7-3458 -20-66 -262-12 0-2576 380 1992 0 281 5504 19 16 7-3439 -29-119 -334-12 0-2280 386 1993 0 284 5615 18 15 7-3110 -54-54 -309-12 0-2335 -64 1994 0 260 6173 21 17 7-3597 -48-195 -374-12 0-2064 -186 1995 0 238 6310 26 22 7-4514 -18-118 -240-12 0-3394 1693 1996 0 230 6277 27 22 7-4011 -6-62 -219-12 0-3429 1178 1997 0 227 6191 21 18 7-4209 -14-49 -218-12 0-2898 937 1998 0 245 5293 13 11 7-2553 -82-206 -528-13 0-1626 -562 1999 0 236 4937 22 18 7-3459 -30-126 -371-13 0-2345 1125 2000 0 214 4610 17 14 7-2836 -23-116 -381-13 0-1674 180 gemiddeld 0 268 5715 21 18 7-3601 -31-124 -340-12 0-2501 580 Gesimuleerde bodem N balans (kg/ha) Jaar DepWet DepDry Bemesting InfiltrNmin InfiltrNorg Kwel GewasopnaRunoff DrainageNmi DrainageNorg Wegzijging Vervluchtiging Denitrification dberging 1986 0 27 511 2 2 1-327 -2-17 -33-1 0-238 75 1987 0 29 544 1 1 1-313 -6-11 -39-1 0-120 -85 1988 0 27 563 2 1 1-356 -3-14 -43-1 0-182 6 1989 0 25 472 2 2 1-339 -1-13 -24-1 0-319 195 1990 0 25 467 2 2 1-317 -1-10 -25-1 0-272 128 1991 0 25 498 2 2 1-303 -2-6 -23-1 0-226 33 1992 0 25 483 2 1 1-302 -3-10 -29-1 0-200 34 1993 0 25 493 2 1 1-273 -5-5 -27-1 0-205 -6 1994 0 23 541 2 2 1-316 -4-17 -33-1 0-181 -16 1995 0 21 554 2 2 1-396 -2-10 -21-1 0-298 148 1996 0 20 551 2 2 1-352 -1-5 -19-1 0-301 103 1997 0 20 543 2 2 1-369 -1-4 -19-1 0-254 82 1998 0 22 464 1 1 1-224 -7-18 -46-1 0-143 -49 1999 0 21 433 2 2 1-303 -3-11 -33-1 0-206 99 2000 0 19 404 2 1 1-249 -2-10 -33-1 0-147 16 Gemiddeld 0 24 501 2 2 1-316 -3-11 -30-1 0-219 51 land/bodem N-balans (kg/ha/jr N) 0.0 1000 800 600 400 200 0-200 -400-600 -800-1000 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 dberging Denitrification Vervluchtiging Wegzijging DrainageNorg DrainageNmin Runoff Gewasopname Kwel InfiltrNorg InfiltrNmin Bemesting DepDry DepWet Alterra-rapport 1388 99

Bijlage 11 Fosforbalans landsysteem Krimpenerwaard fase 2 Area 114007917 m2 fase2 Gesimuleerde bodem P balans (ton (1000kg P) Jaar DepWet DepDry Bemesting InfiltrPmin InfiltrPorg Kwel Gewasopname Runoff DrainageNmin DrainageNorg Wegzijging dberging 1986 0.0 0.0 684.1 0.0 0.0 3.5-379.7-1.6-9.9-37.2-1.1-258.1 1987 0.0 0.0 830.9 0.0 0.0 3.5-400.3-3.8-11.5-42.6-1.1-375.3 1988 0.0 0.0 702.1 0.0 0.0 3.6-525.2-2.1-13.0-48.2-1.1-116.1 1989 0.0 0.0 687.8 0.0 0.0 3.6-493.2-0.9-7.3-28.4-1.1-160.5 1990 0.0 0.0 673.0 0.0 0.0 3.6-493.0-1.3-8.9-29.5-1.1-142.9 1991 0.0 0.0 761.9 0.0 0.0 3.6-460.0-1.3-8.1-27.4-1.1-267.6 1992 0.0 0.0 721.7 0.0 0.0 3.6-474.7-1.8-11.3-34.3-1.1-202.1 1993 0.0 0.0 770.3 0.0 0.0 3.6-477.1-3.9-10.9-32.5-1.1-248.3 1994 0.0 0.0 784.4 0.0 0.0 3.6-493.3-4.1-13.7-37.8-1.1-238.0 1995 0.0 0.0 787.0 0.0 0.0 3.6-552.2-1.2-9.4-24.4-1.1-202.2 1996 0.0 0.0 560.2 0.0 0.0 3.6-413.2-0.3-8.2-21.3-1.1-119.6 1997 0.0 0.0 636.3 0.0 0.0 3.5-558.7-0.5-7.0-22.4-1.1-50.1 1998 0.0 0.0 564.6 0.0 0.0 3.6-501.6-4.4-17.2-54.9-1.1 11.0 1999 0.0 0.0 530.1 0.0 0.0 3.6-505.9-2.2-13.6-39.9-1.1 28.9 2000 0.0 0.0 520.1 0.0 0.0 3.6-471.9-1.4-13.9-41.1-1.1 5.8 gemiddeld 0.0 0.0 681.0 0.0 0.0 3.6-480.0-2.1-10.9-34.8-1.1-155.7 Gesimuleerde bodem P balans (kg/ha) Jaar DepWet DepDry Bemesting InfiltrPmin InfiltrPorg Kwel Gewasopname Runoff DrainageNmin DrainageNorg Wegzijging dberging 1986 0.0 0.0 60.0 0.0 0.0 0.3-33.3-0.1-0.9-3.3-0.1-22.6 1987 0.0 0.0 72.9 0.0 0.0 0.3-35.1-0.3-1.0-3.7-0.1-32.9 1988 0.0 0.0 61.6 0.0 0.0 0.3-46.1-0.2-1.1-4.2-0.1-10.2 1989 0.0 0.0 60.3 0.0 0.0 0.3-43.3-0.1-0.6-2.5-0.1-14.1 1990 0.0 0.0 59.0 0.0 0.0 0.3-43.2-0.1-0.8-2.6-0.1-12.5 1991 0.0 0.0 66.8 0.0 0.0 0.3-40.3-0.1-0.7-2.4-0.1-23.5 1992 0.0 0.0 63.3 0.0 0.0 0.3-41.6-0.2-1.0-3.0-0.1-17.7 1993 0.0 0.0 67.6 0.0 0.0 0.3-41.8-0.3-1.0-2.9-0.1-21.8 1994 0.0 0.0 68.8 0.0 0.0 0.3-43.3-0.4-1.2-3.3-0.1-20.9 1995 0.0 0.0 69.0 0.0 0.0 0.3-48.4-0.1-0.8-2.1-0.1-17.7 1996 0.0 0.0 49.1 0.0 0.0 0.3-36.2 0.0-0.7-1.9-0.1-10.5 1997 0.0 0.0 55.8 0.0 0.0 0.3-49.0 0.0-0.6-2.0-0.1-4.4 1998 0.0 0.0 49.5 0.0 0.0 0.3-44.0-0.4-1.5-4.8-0.1 1.0 1999 0.0 0.0 46.5 0.0 0.0 0.3-44.4-0.2-1.2-3.5-0.1 2.5 2000 0.0 0.0 45.6 0.0 0.0 0.3-41.4-0.1-1.2-3.6-0.1 0.5 Gemiddeld 0.0 0.0 59.7 0.0 0.0 0.3-42.1-0.2-1.0-3.1-0.1-13.7 land/bodem P balans (kg/ha/jr P) 0.0 100.0 80.0 60.0 40.0 20.0 0.0-20.0-40.0-60.0-80.0 dberging Wegzijging DrainageNorg DrainageNmin Runoff Gewasopname Kwel InfiltrPorg InfiltrPmin Bemesting DepDry DepWet -100.0 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Alterra-rapport 1388 101

Bijlage 12 Waterbalans oppervlaktesysteem Krimpenerwaard fase 2 Area 23519004 m2 Gesimuleerde oppervlaktewaterbalans (Mm3) Year Precipitation WaterAanvoer drainage Evapiration WaterAfvoer infiltratie StorageChange 1986 23 15 50-18 -54-16 0 1987 25 2 57-16 -63-5 -1 1988 26 14 66-16 -76-14 0 1989 19 23 34-19 -37-21 0 1990 21 19 40-19 -43-18 0 1991 18 19 37-17 -39-19 0 1992 24 13 51-18 -56-13 0 1993 23 13 55-16 -63-12 1 1994 26 15 66-17 -75-15 -1 1995 20 20 40-19 -44-19 0 1996 17 22 34-16 -37-19 0 1997 18 13 28-18 -27-15 0 1998 31 6 86-16 -98-9 0 1999 28 13 60-19 -67-15 0 2000 26 8 61-17 -67-11 0 gem. 23 14 51-17 -57-15 0 1991-2000 23 14 52-17 -57-15 0 Gesimuleerde oppervlaktewaterbalans (mm) Year Precipitation WaterAanvoer drainage Evapiration WaterAfvoer infiltratie StorageChange 1986 987 639 2128-762 -2311-661 20 1987 1067 97 2408-676 -2691-229 -22 1988 1124 579 2799-684 -3232-584 1 1989 814 980 1444-806 -1561-873 -2 1990 890 827 1703-787 -1849-778 6 1991 786 811 1585-727 -1663-796 -5 1992 1018 543 2158-783 -2397-536 2 1993 987 557 2351-698 -2662-497 39 1994 1111 622 2799-728 -3201-628 -24 1995 869 853 1720-793 -1877-790 -17 1996 729 943 1433-698 -1577-828 2 1997 776 562 1188-759 -1140-624 2 1998 1307 239 3667-666 -4166-379 0 1999 1170 572 2548-788 -2867-636 -1 2000 1102 339 2607-731 -2849-475 -6 gem. 982 611 2169-739 -2403-621 0 1991-2000 986 604 2206-737 -2440-619 -1 Waterbalans (m3) oppervlaktewater 150 100 50 0-50 -100 StorageChange infiltratie WaterAfvoer Evapiration drainage WaterAanvoer Precipitation -150 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Alterra-rapport 1388 103

Bijlage 13 Waterbalans stroomgebied Krimpenerwaard fase 2 Area 137526921 m2 Gesimuleerde Gebiedswaterbalans (Mm3) Jaar Neerslag Inlaat RWZI Kwel ETact Uitgemalen DeltaBerging Afwijking 1986 119 15 0-1 -79-54 0 0 1987 129 2 0-1 -68-63 0-1 1988 136 14 0-1 -73-76 0-1 1989 99 23 0-1 -86-37 0-2 1990 109 19 0-1 -83-43 0 1 1991 96 19 0-1 -76-39 0-1 1992 126 13 0-1 -82-56 0-1 1993 126 13 0-1 -74-63 -2 0 1994 136 15 0-1 -76-75 1-1 1995 106 20 0-1 -83-44 2-1 1996 90 22 0-1 -73-37 0 0 1997 95 13 0-1 -80-27 -1 0 1998 163 6 0-1 -70-98 0 0 1999 139 13 0-1 -84-67 0 0 2000 138 8 0-1 -78-67 0 0 gem. 121 14 0-1 -78-57 0-1 1991-2000 122 14 0-1 -78-57 0 0 Gesimuleerde Gebiedswaterbalans (mm) Jaar Neerslag Inlaat RWZI Kwel ETact Uitgemalen DeltaBerging Afwijking 1986 867 109 0-9 -575-395 2-1 1987 938 17 0-9 -492-460 2-4 1988 992 99 0-9 -533-553 -3-7 1989 720 168 0-9 -623-267 0-12 1990 792 141 0-9 -605-316 3 5 1991 698 139 0-9 -550-284 -3-10 1992 918 93 0-9 -594-410 -2-4 1993 918 95 0-9 -536-455 -14-1 1994 992 106 0-9 -555-547 5-9 1995 771 146 0-9 -605-321 11-7 1996 651 161 0-9 -532-270 -3-2 1997 693 96 0-9 -582-195 -5-1 1998 1188 41 0-9 -509-712 2 0 1999 1010 98 0-9 -609-490 -2-2 2000 1002 58 0-9 -564-487 1 0 gem. 877 104 0-9 -564-411 0-4 1991-2000 884 103 0-9 -564-417 -1-4 Waterbalans (mm/jr) Gebied Krimpenerwaard jaar ET_Cabauw (mm) ET_KRW 15001987 523.9342 1988 518.79481 10001989 560.06148 1990 544.86559 5001991 524.37157-550 1992 595.83833-594 01993 546.85306-536 1994 572.3636-555 -5001995 576.39741-605 1996 509.54614-532 -1000 554-562 DeltaBerging Uitgemalen ETact Kwel RWZI Inlaat Neerslag -1500 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Alterra-rapport 1388 105

Bijlage 14 Vergelijking gemeten en berekende uitgemalen debieten Berekende en gemeten uitgemalen debieten zijn grafisch uitgezet tegen de tijd in drie vormen: - cumulatief over de periode van metingen (Figuur B14.1); - maandelijkse debieten over de periode van metingen (Figuur B14.2); - dagelijkse debieten over de gehele simulatieperiode (Figuur B14.3). Figuur B14.1 Gemeten maandelijkse en berekende cumulatieve waterafvoer (10 6 m 3 ) Alterra-rapport 1388 107

Figuur B14.2 Gemeten en berekende maandelijkse waterafvoer (10 6 m 3 ) Figuur B14.3 Gemeten en berekende dagelijkse waterafvoeren (l/s) 108 Alterra-rapport 1388

Bijlage 15 Vergelijking gemeten en berekende ingelaten debieten Berekende en gemeten ingelaten debieten zijn grafisch uitgezet tegen de tijd in drie vormen: - cumulatief over de periode van metingen (Figuur B15.1); - maandelijkse debieten over de periode van metingen (Figuur B15.2); - dagelijkse debieten over de gehele simulatieperiode (Figuur B15.3). Figuur B15.1 Gemeten maandelijkse en berekende dagelijkse wateraanvoer (10 6 m 3 ) Alterra-rapport 1388 109

Figuur B15.2 Gemeten en berekende maandelijkse wateraanvoer (10 6 m 3 ) Figuur B15.3 Gemeten en berekende cumulatieve wateraanvoer (l/s) 110 Alterra-rapport 1388

Bijlage 16 N-balans oppervlaktesysteem Krimpenerwaard fase 2 Area 23519004 m2 Gesimuleerde oppervlaktewater N balans (1000 kg N) Year aanvoer_drainage Aanvoer_inlaat aanvoer_awzi Afvoer_infiltratie afvoer_uitlaat Denitrification dberging 1986 595 26 10-184 -250-43 -154 1987 634 6 10-64 -514-76 4 1988 690 35 10-171 -507-58 1 1989 434 49 10-290 -198-49 45 1990 402 45 10-221 -214-44 22 1991 347 47 10-181 -191-40 8 1992 482 25 10-167 -307-43 0 1993 417 32 10-98 -336-36 11 1994 618 26 10-232 -393-46 17 1995 376 41 10-213 -194-31 11 1996 288 51 10-154 -147-32 -15 1997 280 29 10-144 -116-35 -25 1998 816 14 10-123 -668-56 8 1999 527 27 10-188 -345-38 7 2000 520 19 10-118 -383-39 -7 average 495 31 10-170 -317-44 -4 Gesimuleerde oppervlaktewater N balans (kg/ha/jr N) Year aanvoer_drainage Aanvoer_inlaat aanvoer_awzi Afvoer_infiltratie afvoer_uitlaat Denitrification dberging 1986 253 11 4-78 -106-18 -65 1987 270 2 4-27 -218-32 2 1988 293 15 4-73 -216-24 0 1989 184 21 4-123 -84-21 19 1990 171 19 4-94 -91-19 9 1991 148 20 4-77 -81-17 3 1992 205 11 4-71 -130-18 0 1993 177 14 4-41 -143-15 5 1994 263 11 4-99 -167-19 7 1995 160 17 4-91 -82-13 5 1996 122 22 4-66 -62-14 -6 1997 119 13 4-61 -49-15 -11 1998 347 6 4-52 -284-24 3 1999 224 12 4-80 -147-16 3 2000 221 8 4-50 -163-17 -3 average 211 13 4-72 -135-19 -2 N-balans oppervlaktewater (kg/ha/jr N) 400 300 200 100 0-100 -200 balansafwijking dberging Denitrification afvoer_uitlaat Afvoer_infiltratie aanvoer_awzi Aanvoer_inlaat aanvoer_drainage -300-400 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Alterra-rapport 1388 111

Bijlage 17 N-balans stroomgebied Krimpenerwaard fase 2 Area 137526921 m2 fase2 Gesimuleerde gebieds N balans (ton (1000kg) year depositie bemesting inlaat awzi's kwel uitgemalen gewasafvoer denitrificatie wegzijging berging berging / infiltratie 1986 312 5829 26 10 6-250 -3724-2754 -10 696-141 1987 327 6198 6 10 6-514 -3573-1442 -11-961 -46 1988 311 6417 35 10 7-507 -4054-2137 -11 67-137 1989 290 5378 49 10 7-198 -3861-3690 -12 2269-239 1990 283 5325 45 10 7-214 -3610-3142 -12 1483-175 1991 288 5673 47 10 7-191 -3458-2616 -12 388-135 1992 281 5504 25 10 7-307 -3439-2323 -12 386-132 1993 284 5615 32 10 7-336 -3110-2372 -12-53 -65 1994 260 6173 26 10 7-393 -3597-2110 -12-169 -194 1995 238 6310 41 10 7-194 -4514-3425 -12 1704-164 1996 230 6277 51 10 7-147 -4011-3461 -12 1164-105 1997 227 6191 29 10 7-116 -4209-2933 -12 912-105 1998 245 5293 14 10 7-668 -2553-1682 -13-555 -99 1999 236 4937 27 10 7-345 -3459-2383 -13 1131-148 2000 214 4610 19 10 7-383 -2836-1713 -13 173-87 gemidde 268 5715 31 10 7-317 -3601-2545 -12 576-131 Gesimuleerde gebieds N balans (kg/ha N) year depositie bemesting inlaat awzi's kwel uitgemalen gewasafvoer denitrificatie wegzijging berging berging / infiltratie 1986 23 424 2 1 0-18 -271-200 -1 51-10 1987 24 451 0 1 0-37 -260-105 -1-70 -3 1988 23 467 3 1 0-37 -295-155 -1 5-10 1989 21 391 4 1 0-14 -281-268 -1 165-17 1990 21 387 3 1 0-16 -262-228 -1 108-13 1991 21 413 3 1 0-14 -251-190 -1 28-10 1992 20 400 2 1 0-22 -250-169 -1 28-10 1993 21 408 2 1 0-24 -226-172 -1-4 -5 1994 19 449 2 1 0-29 -262-153 -1-12 -14 1995 17 459 3 1 0-14 -328-249 -1 124-12 1996 17 456 4 1 0-11 -292-252 -1 85-8 1997 16 450 2 1 0-8 -306-213 -1 66-8 1998 18 385 1 1 0-49 -186-122 -1-40 -7 1999 17 359 2 1 0-25 -252-173 -1 82-11 2000 16 335 1 1 0-28 -206-125 -1 13-6 gemidde 20 416 2 1 0-23 -262-185 -1 42-10 Gebieds N balans (kg/ha/jr N) 800 600 400 200 0-200 -400-600 -800 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 berging / infiltratie berging wegzijging denitrificatie gewas-afvoer uitgemalen kwel awzi's inlaat bemesting depositie Alterra-rapport 1388 113

Bijlage 18 P-balans oppervlaktesysteem Krimpenerwaard fase 2 Area 23519004 m2 Gesimuleerde oppervlaktewaterbalans (1000 kg P) Year aanvoer_drainage Aanvoer_inlaat aanvoer_awzi Afvoer_infiltratie afvoer_uitlaat dberging sedimentatie 1986 49 4 1-11 -18-12 -12 1987 58 1 1-3 -29-14 -13 1988 63 3 1-10 -31-15 -13 1989 37 6 1-17 -12-2 -13 1990 40 5 1-13 -15-4 -13 1991 37 6 1-12 -15-4 -13 1992 47 3 1-10 -23-5 -13 1993 47 3 1-6 -25-7 -13 1994 56 4 1-14 -29-5 -14 1995 35 6 1-14 -14-1 -14 1996 30 5 1-10 -13 0-14 1997 30 4 1-10 -8-3 -14 1998 77 2 1-8 -47-11 -14 1999 56 3 1-12 -25-9 -14 2000 56 2 1-8 -28-10 -14 average 48 4 1-11 -22-7 -13 Gesimuleerde oppervlaktewaterbalans (kg/ha P) Year aanvoer_drainage Aanvoer_inlaat aanvoer_awzi Afvoer_infiltratie afvoer_uitlaat dberging sedimentatie 1986 21 2 1-5 -8-5 -5 1987 25 0 1-1 -12-6 -5 1988 27 1 1-4 -13-6 -5 1989 16 2 1-7 -5-1 -5 1990 17 2 1-6 -7-2 -6 1991 16 2 1-5 -6-2 -6 1992 20 1 1-4 -10-2 -6 1993 20 1 1-3 -11-3 -6 1994 24 2 1-6 -12-2 -6 1995 15 2 1-6 -6 0-6 1996 13 2 1-4 -5 0-6 1997 13 2 1-4 -4-1 -6 1998 33 1 1-3 -20-5 -6 1999 24 1 1-5 -11-4 -6 2000 24 1 1-3 -12-4 -6 average 20 2 1-5 -9-3 -6 40 P-balans oppervlaktewater (kg/ha/jr P) 20 0-20 sedimentatie dberging afvoer_uitlaat Afvoer_infiltratie aanvoer_awzi Aanvoer_inlaat aanvoer_drainage -40 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Alterra-rapport 1388 115

Bijlage 19 P-balans stroomgebied Krimpenerwaard fase 2 Area 137526921 m2 fase2 Gesimuleerde gebieds P balans (ton (1000kg) year depositie bemesting inlaat awzi's kwel uitgemalen gewasafvoer wegzijging sedimentatie in-out berging berging / infiltratie 1986 0 684 4 1 3-18 -380-1 -12 281-270 -11 1987 0 831 1 1 4-29 -400-1 -13 393-390 -3 1988 0 702 3 1 4-31 -525-1 -13 140-131 -10 1989 0 688 6 1 4-12 -493-1 -13 179-162 -17 1990 0 673 5 1 4-15 -493-1 -13 160-147 -13 1991 0 762 6 1 4-15 -460-1 -13 284-272 -12 1992 0 722 3 1 4-23 -475-1 -13 218-207 -10 1993 0 770 3 1 4-25 -477-1 -13 261-255 -6 1994 0 784 4 1 4-29 -493-1 -14 256-243 -14 1995 0 787 6 1 4-14 -552-1 -14 217-203 -14 1996 0 560 5 1 4-13 -413-1 -14 130-119 -10 1997 0 636 4 1 4-8 -559-1 -14 63-53 -10 1998 0 565 2 1 4-47 -502-1 -14 8 0-8 1999 0 530 3 1 4-25 -506-1 -14-8 20-12 2000 0 520 2 1 4-28 -472-1 -14 12-4 -8 gemidde 0 681 4 1 4-22 -480-1 -13 173-162 -11 Gesimuleerde gebieds P balans (kg/ha P) year depositie bemesting inlaat awzi's kwel uitgemalen gewasafvoer wegzijging sedimentatie in-out berging berging / infiltratie 1986 0 50 0 0 0-1 -28 0-1 20-20 -1 1987 0 60 0 0 0-2 -29 0-1 29-28 0 1988 0 51 0 0 0-2 -38 0-1 10-9 -1 1989 0 50 0 0 0-1 -36 0-1 13-12 -1 1990 0 49 0 0 0-1 -36 0-1 12-11 -1 1991 0 55 0 0 0-1 -33 0-1 21-20 -1 1992 0 52 0 0 0-2 -35 0-1 16-15 -1 1993 0 56 0 0 0-2 -35 0-1 19-19 0 1994 0 57 0 0 0-2 -36 0-1 19-18 -1 1995 0 57 0 0 0-1 -40 0-1 16-15 -1 1996 0 41 0 0 0-1 -30 0-1 9-9 -1 1997 0 46 0 0 0-1 -41 0-1 5-4 -1 1998 0 41 0 0 0-3 -36 0-1 1 0-1 1999 0 39 0 0 0-2 -37 0-1 -1 1-1 2000 0 38 0 0 0-2 -34 0-1 1 0-1 gemidde 0.0 49.5 0.3 0.1 0.3-1.6-34.9-0.1-1.0 12.6-11.8-0.8 P-balans stroomgebied (kg/ha/jr P) 80 60 40 20 0-20 -40-60 berging / infiltratie berging sedimentatie wegzijging gewas-afvoer uitgemalen kwel awzi's inlaat bemesting depositie -80 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 Alterra-rapport 1388 117

Bijlage 20 N en P-concentraties in oppervlaktesysteem Krimpenerwaard fase 2 Alterra-rapport 1388 119

120 Alterra-rapport 1388

Alterra-rapport 1388 121

122 Alterra-rapport 1388

Alterra-rapport 1388 123

124 Alterra-rapport 1388

Tabel B20.1 Samenvattende beschrijvende statistiek van vergelijkingen gemeten-berekende concentraties N- totaal van 14 meetpunten uit het basismeetnet. Alterra-rapport 1388 125

Meetpunt Item Min. 1stQu. Median Mean 3rdQu. Max. KOP0101 meting - N-totaal 0.9 2.1 2.7 2.9 3.6 6.6 KOP0201 meting - N-totaal 0.9 2.8 3.7 3.8 4.9 9.7 KOP0301 meting - N-totaal 1.8 3.1 3.8 4.1 5.0 10.9 KOP0401 meting - N-totaal 0.9 2.7 4.1 4.0 5.4 8.3 KOP0402 meting - N-totaal 1.1 2.6 3.8 4.0 5.3 9.2 KOP0408 meting - N-totaal 0.3 2.7 4.1 4.1 5.3 8.1 KOP0421 meting - N-totaal 2.8 5.2 6.7 6.9 8.0 12.6 KOP0427 meting - N-totaal 1.7 3.9 5.0 5.6 6.5 22.5 KOP0501 meting - N-totaal 0.4 4.5 5.6 5.8 6.3 12.3 KOP0801 meting - N-totaal 1.4 3.2 4.2 4.4 5.2 20.6 KOP1001 meting - N-totaal 0.4 2.6 4.2 4.3 5.4 14.4 KOP1005 meting - N-totaal 0.0 2.3 4.0 4.1 5.0 14.1 KOP1101 meting - N-totaal 0.6 2.4 4.0 4.3 5.6 12.0 KOP1103 meting - N-totaal 0.7 1.6 1.9 1.9 2.2 3.7 Meting - gemiddeld 1.0 3.0 4.1 4.3 5.3 11.8 Meetpunt Item Min. 1stQu. Median Mean 3rdQu. Max. KOP0101 simave - N-totaal 0.9 2.5 3.4 3.5 4.2 7.3 KOP0201 simave - N-totaal 2.0 4.7 5.7 5.7 6.6 11.0 KOP0301 simave - N-totaal 3.2 4.9 5.8 5.9 6.4 10.8 KOP0401 simave - N-totaal 1.9 3.2 4.0 4.0 4.8 6.9 KOP0402 simave - N-totaal 1.7 3.5 4.4 4.4 5.0 8.4 KOP0408 simave - N-totaal 1.9 3.9 5.8 5.6 7.2 9.2 KOP0421 simave - N-totaal 3.8 4.4 5.6 6.0 7.4 9.7 KOP0427 simave - N-totaal 2.2 3.3 3.9 4.1 4.8 7.5 KOP0501 simave - N-totaal 0.6 2.4 5.3 5.1 7.6 9.9 KOP0801 simave - N-totaal 0.8 2.5 4.8 4.6 6.3 8.8 KOP1001 simave - N-totaal 1.3 3.8 5.1 5.1 6.3 9.2 KOP1005 simave - N-totaal 1.2 3.0 6.0 5.6 8.2 10.2 KOP1101 simave - N-totaal 2.0 4.2 5.5 5.6 7.4 8.4 KOP1103 simave - N-totaal 4.5 5.0 5.6 5.9 6.4 9.0 Simulatie - gemiddeld 2.0 3.7 5.1 5.1 6.3 9.0 126 Alterra-rapport 1388

Tabel B20.2 Samenvattende beschrijvende statistiek van vergelijkingen gemeten-berekende concentraties P-totaal van 14 meetpunten uit het basismeetnet. Meetpunt Item Min. 1stQu. Median Mean 3rdQu. Max. KOP0101 meting - P-totaal 0.11 0.19 0.25 0.28 0.32 0.91 KOP0201 meting - P-totaal 0.11 0.56 0.76 0.84 1.12 2.02 KOP0301 meting - P-totaal 0.16 0.64 0.82 0.95 1.19 2.45 KOP0401 meting - P-totaal 0.14 0.28 0.56 0.57 0.76 1.66 KOP0402 meting - P-totaal 0.21 0.59 0.87 0.95 1.20 2.40 KOP0408 meting - P-totaal 0.52 0.76 1.20 1.43 1.91 3.90 KOP0421 meting - P-totaal 0.28 0.75 1.18 1.34 1.87 2.80 KOP0427 meting - P-totaal 0.16 0.28 0.46 0.52 0.63 2.05 KOP0501 meting - P-totaal 0.28 0.52 0.66 0.71 0.85 1.65 KOP0801 meting - P-totaal 0.15 0.32 0.43 0.50 0.58 2.35 KOP1001 meting - P-totaal 0.14 0.45 0.67 0.79 1.04 2.30 KOP1005 meting - P-totaal 0.28 0.63 0.92 1.12 1.44 3.18 KOP1101 meting - P-totaal 0.16 0.58 0.72 0.86 1.05 2.59 KOP1103 meting - P-totaal 0.15 0.20 0.28 0.34 0.38 0.90 Meting - gemiddeld 0.2 0.5 0.7 0.8 1.0 2.2 Meetpunt Item Min. 1stQu. Median Mean 3rdQu. Max. KOP0101 simave - P-totaal 0.16 0.26 0.30 0.30 0.34 0.44 KOP0201 simave - P-totaal 0.43 0.59 0.73 0.73 0.82 1.14 KOP0301 simave - P-totaal 0.43 0.60 0.70 0.71 0.80 1.11 KOP0401 simave - P-totaal 0.20 0.39 0.47 0.47 0.54 0.87 KOP0402 simave - P-totaal 0.34 0.48 0.57 0.58 0.68 0.90 KOP0408 simave - P-totaal 0.17 0.40 0.51 0.49 0.61 0.72 KOP0421 simave - P-totaal 0.18 0.28 0.40 0.38 0.44 0.60 KOP0427 simave - P-totaal 0.30 0.41 0.47 0.50 0.56 0.91 KOP0501 simave - P-totaal 0.14 0.29 0.48 0.46 0.64 0.83 KOP0801 simave - P-totaal 0.16 0.33 0.49 0.49 0.61 0.94 KOP1001 simave - P-totaal 0.17 0.52 0.61 0.61 0.73 1.04 KOP1005 simave - P-totaal 0.17 0.33 0.48 0.48 0.60 0.80 KOP1101 simave - P-totaal 0.15 0.36 0.47 0.46 0.60 0.66 KOP1103 simave - P-totaal 0.40 0.54 0.70 0.69 0.81 0.99 Simulatie - gemiddeld 0.2 0.4 0.5 0.5 0.6 0.9 Alterra-rapport 1388 127

Bijlage 21 Vergelijking gemeten en berekende grondwaterstanden Uit het openbare meetnet van grondwaterstanden (TNO-DINO) zijn een aantal meetpunten geselecteerd (figuur 1). De bijbehorende gemeten grondwaterstandreeksen zijn gebruikt voor een vergelijking met gesimuleerde reeksen (figuur 2). Figuur 1 Geselecteerde meetpunten uit het meetnet DINO (TNO) met gemeten grondwaterstandreeksen in de Krimpenerwaard Verloop grondwaterstanden 0-50 -100 cm+nap -150-200 -250-300 1-jan-90 1-jan-91 1-jan-92 1-jan-93 1-jan-94 1-jan-95 1-jan-96 1-jan-97 1-jan-98 1-jan-99 1-jan-00 1-jan-01 1-jan-02 1-jan-03 1-jan-04 1-jan-05 1-jan-06 B38B0170 B38B0210 B38A0264 B38A0258 Figuur 2 Geselecteerde grondwaterstandreeksen in cm+nap uit het meetnet DINO (TNO) in de Krimpenerwaard Alterra-rapport 1388 129