Hout, eigenschappen en soortherkenning
|
|
|
- Norbert Groen
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Hout, eigenschappen en soortherkenning 1
2 Een uitgave van Agentschap voor Natuur en Bos Koning Albert II laan 20 bus Brussel Tekst Willy Verbeke i.s.m. Belgian Woodforum Figuren Johan Cosijn, Belgian Woodforum Foto s Rollin Verlinde, Belgian Woodforum, Willy Verbeke, Geert Sioen Vormgeving Patrick Van den Berghe Uitgave Augustus 2006 Depotnummer D/2006/3241/171 2
3 Inhoud 1. Inleiding 2. Algemene kenmerken 2.1. Secundaire groei 2.2. Hoofdrichtingen 2.3. Microscopische structuur 2.4. Kern en Spint Spinthoutbomen 3. Natuurlijke onvolkomenheden 3.1. Takkige stammen en kwasten 3.2. Gevorkte stammen 3.3. Draaigroei 3.4. Reactiehout 3.5. Harszakken 3.6. Waterloten en maserknollen 3.7. Kromme stammen 3.8. Onregelmatige jaarringdikte 3.9. Scheuren in de stam Ideale stamvorm 4. Fysische eigenschappen 4.1. Vochtgehalte 4.2. Krimpen en zwellen 4.3. Volumieke massa 4.4. Warmteeigenschappen 4.5. Visueel waarneembare eigenschappen 5. Mechanische eigenschappen 5.1. Kracht, spanning, vormverandering en sterkte 5.2. Elasticiteit en elasticiteitsmodulus 5.3. Kruip en relaxatie 5.4. Eigenschappen bij belasting 5.5. Hardheid en afslijtweerstand 5.6. De invloed van onvolkomenheden 6. Chemische samenstelling 6.1. Algemeen 6.2. Cellulose 6.3. Lignine 6.4. Hemi-cellulose 6.5. Inhoudsstoffen en mineralen 3
4 7. Duurzaamheid 7.1. Natuurlijke duurzaamheid 7.2. Houtaantastende organismen 7.3. Verduurzaming en andere houtbehandelingen 8. De belangrijkste houtsoorten uit de Vlaamse bossen 8.1. Loofhout 8.2. Naaldhout 8.3. Overzichtstabel 8.4. Determinatietabel 9. Enkele producten uit hout 9.1. plaatmaterialen 9.2. fi neer 9.3. vloeren 9.4. gelijmd-gelamelleerd en samengesteld hout 9.5. papier en karton 10. Literatuur 4
5 1. Inleiding Dit cursusboek heeft tot doel een basiskennis mee te geven over het materiaal hout aan toekomstige bos- of natuurwachters en aanverwante beroepen. Hierbij is alles toegespitst op de praktijk van de Vlaamse situatie. Daarom is bewust voor gekozen niet in te gaan op de vele tropische en andere geïmporteerde houtsoorten. Deze mensen komen op twee manieren in contact met het materiaal hout. Zij zijn producenten aangezien de Vlaamse bossen hout produceren. En zelfs als het Vlaamse houtverbruik een veelvoud is van de lokale productie, dan nog heeft deze productie zin in termen van handelsbalans, lokale tewerkstelling en vermindering van het energieverbruik voor het houttransport. Daarnaast zijn ze echter beroepswege ook consumenten aangezien vele constructies bij bos- en natuurbeheer uit hout bestaan. Denken we maar aan afsluitingen, meubilair voor de recreatie, schuilhutten, knuppelpaden, enz. De wetenschap die zich bezighoudt met de algemene kenmerken, de technische eigenschappen en de natuurlijke onvolkomenheden van hout wordt ook wel houttechnologie genoemd. Naast de kenmerken en de samenstelling van hout wordt in deze cursus ook kort ingegaan op de belangrijkste houtsoorten uit onze bossen, hun herkenning en toepassingen. Hierbij is het van belang zich te realiseren dat iedere houttoepassing zijn eigen eisen stelt aan de eigenschappen van hout. Geen enkele houtsoort is dan ook absoluut slecht of over de hele lijn supergoed. Ook de schoonheid van de houtsoorten is relatief en afhankelijk van de smaak. Stofnamen eindigen in het Nederlands meestal op -en, zoals bijvoorbeeld stenen en ijzeren. In onze cursus en in de meeste Nederlandstalige literatuur over hout wordt deze taalregel zo consequent mogelijk toegepast. Bij heel wat soorten wijkt de naam van het hout sterk af van de naam van de boomsoort in het bos. Bij plantensoorten worden ook hoofdletters gebruikt om duidelijk een bepaalde botanische soort aan te geven (bijvoorbeeld : Zwarte els, Zomereik, maar wel bijvoorbeeld Alle eiken hebben eikels ), bij stofnamen gebeurt dit niet (bijvoorbeeld : elzen, inlands eiken, maar wel Europees eiken). De kennis van de eisen die men aan het hout stelt zal toelaten bepaalde bosbouwkundige ingrepen beter te begrijpen en op hun waarde te beoordelen. Een zekere basiskennis over de hernieuwbare grondstof en energiebron hout is hoe dan ook nuttig voor elke bos- of natuurbeheerder. Hout wordt sinds mensenheugenis voor tal van toepassingen gebruikt en allerhande (niet in het minst ecologische) evoluties op wereldvlak maken dat hout in zeer grote mate ook één van de materialen van de toekomst is. Ziehier op een rijtje de voornaamste gunstige eigenschappen van hout: - hernieuwbare grondstof en energiebron - het kan vaak plaatselijk gewonnen worden (weinig transport) - een uitzonderlijk hoge verhouding sterkte/gewicht - gemak en snelheid van verwerking - de verwerking vraagt weinig energie en kan zeer milieuvriendelijk - lokale en verspreide werkgelegenheid, ook op het platteland - groot gamma aan decoratieve eigenschappen : is er naar ieders smaak - vrij gunstige isolerende en thermische eigenschappen - houten structuren zijn brandveilig - hout is meestal recycleerbaar, desnoods als energiebron 5
6 - houtgebruik kan het broeikasgas kooldioxide uit de lucht vastleggen - houtwinning blijkt veel minder vervuilend te zijn dan de ontginning van andere materialen (mijnen, olieputten, ) Daartegenover staan ook problemen: - krimpen en zwellen onder invloed van een veranderende vochtsituatie - biologische houtaantasting, voornamelijk door schimmels en insecten (Deze biologische afbreekbaarheid kan echter ook als een voordeel gezien worden bij de verwerking van hout- afval.) - onoordeelkundige houtwinning kan bosecosystemen vernietigen - heterogeniteit en diversiteit, tussen en binnen de soorten Samenvattend kan men stellen dat het er steeds op aankomt hout en de verschillende houtsoorten zodanig toe te passen dat de gunstige eigenschappen zoveel mogelijk tot hun recht komen en de minder gunstige zo weinig mogelijk hinder veroorzaken. 6
7 2. Algemene kenmerken In de cursus plantkunde worden de primaire groei en de primaire plantenstructuren (stengel, wortel, ) besproken. Ze komen voor bij kruidachtige planten. Bij de houtige planten, bomen en struiken verder kortweg bomen genoemd, vinden we echter vooral secundaire structuren Secundaire groei Secundaire groei en houtvorming komt voor bij loofbomen (bedektzadigen > tweezaadlobbigen) en naaldbomen (naaktzadigen). Bij éénzaadlobbigen en de primitievere sporenplanten komt geen echte secundaire groei voor. Nochtans maken sommigen onder hen (palmbomen, bamboe, boomvarens) een soort hout, dat echter een totaal andere structuur heeft. Vermits het hier gaat over soorten die niet in de Vlaamse bossen voorkomen wordt er niet verder op ingegaan. Secundaire groei manifesteert zich in de diktegroei aan stengels en wortels. Vermits wortelhout slechts uitzonderlijk gebruikt wordt, concentreren we ons helemaal op de houtvorming en de schorsvorming aan de stengel (=de stam) van bomen. Zodra de secundaire diktegroei in een stengeldeel een aanvang neemt, stopt de hoogtegroei of de verlenging van de lengte-as in dat stengeldeel volledig. Dit geldt trouwens ook voor wortels Houtgroei Stengels van kruidachtige planten bevatten strengvaatbundels (primaire structuren), welke op de dwarsdoorsnede bij tweezaadlobbigen in de regel gerangschikt staan in een kring rondom het centrum. Elke vaatbundel bevat xyleem aan de binnenzijde en fl oëem aan de buitenzijde. Xyleem is plantenweefsel dat zorgt voor opwaarts saptransport (mineralen en veel water). Floëem is plantenweefsel dat zorgt voor neerwaarts saptransport (suikers en minder water). Bij de tweezaadlobbigen zijn de strengvaatbundels in de regel zogenaamd open. Tussen xyleem en fl oëem bevindt zich immers een zone met cellen die eventueel nog tot deling in staat zijn. Ze vormen een meristematisch weefsel dat procambium genoemd wordt en langs de binnenzijde xyleemcellen kan afzetten en langs de buitenzijde fl oëemcellen. Op een bepaald ogenblik worden er bij de tweezaadlobbigen uit deze primaire structuren secundaire stengelstructuren gevormd. Er vormt zich op doorsnede een ring van cambium dat voortaan zal zorgen voor secundaire diktegroei en houtvorming. Een deel van het cambium vormt zich uit het procambium tussen het primaire xyleem en het primaire fl oëem in de strengvaatbundels. Een ander deel vormt zich uit de parenchymecellen welke zich tussen de strengvaatbundels bevinden. We spreken van het interfasciculair cambium. Bij vele dicotylen blijft de stengel zuiver kruidachtig en wordt geen interfasciculair cambium gevormd (bijvoorbeeld boterbloem). Een andere groep maakt haast geen secundaire structuren, zodat we ook deze planten als voornamelijk kruidachtig kunnen betittelen (bijvoorbeeld Luzerne). 7
8 Sommige houtige tweezaadlobbigen hebben aan het begin van hun leven duidelijk strengvaatbundels gescheiden door parenchyme, zodat een aanzienlijk deel van het cambium hieruit moet ontstaan (bijvoorbeeld vlier), terwijl bij een laatste groep bijna alle cambium voortkomt uit procambium. Tussen de strengvaatbundels ligt van in het begin haast geen parenchyme (bijvoorbeeld linde). Het cambium gaat afwisselend langs de binnenzijde xyleemcellen afscheiden en langs de buitenzijde fl oëemcellen. We krijgen de vorming van ringvaatbundels (secundaire structuren) uit de strengvaatbundels. Het cambium komt dan op doorsnede ringvormig voor, tussen xyleem en fl oëem, over de ganse omtrek van de stengel als een doorlopende cylinder. Zowel in xyleem als fl oëem vinden we houtstralen, die zorgen voor horizontaal saptransport. De allereerste houtstralen zijn dan in feite de zones met parenchymecellen tussen de strengvaatbundels in. De eerste houtstralen worden ook wel eens mergstralen genoemd, omdat ze doorlopen tot aan het merg. Het zou echter fout zijn alle houtstralen mergstralen te noemen. Naarmate de diktegroei zich verder zet worden houtstralen bijgevormd omdat de omtrek toeneemt. Bij de naaktzadigen (naaldbomen) zijn geen kruidachtige vertegenwoordigers bekend zodat de overgang van primaire naar secundaire stengelstructuren minder voor de hand ligt. Fossielen wijzen er trouwens op dat in de evolutie gezien de uitvinding van het hout die van het zaad voorafgaat. De houtvormende sporenplanten zouden dan wel allemaal uitgestorven zijn. Wat we dus gewoonlijk hout noemen kan gedefi nieerd worden als secundair xyleem van tweezaadlobbige loofbomen en naaktzadige naaldbomen. Het secundair floëem is in de regel niet sterk genoeg, te dun of te weinig duurzaam om een praktisch gebruik te kennen. Onder ons klimaat vertonen bomen een groeiperiodiciteit. De stengel groeit namelijk niet in de winter. Ook de wintergroene bomen vertonen s winters een periode zonder hoogtegroei noch diktegroei. Tijdens het groeiseizoen realiseert de lengtegroei zich in jaarscheuten (eventueel in twee of meer stappen). Het jaarlijks stoppen en weer hernemen van de diktegroei uit zich in jaarringen. Op een stamdoorsnede of een boorspaan kan men dan de leeftijd van de boom afl ezen. De structuur van deze jaarringen is wel sterk soortafhankelijk. Het is niet zo dat de diktegroei op het einde van het groeiseizoen gewoon stilvalt omdat het weer te slecht wordt. De bomen hebben zich aangepast aan de seizoenen en spelen in op de veranderende weersomstandigheden. Aan de twijgen worden winterknoppen aangemaakt, ook reeds lang voor de eigenlijke winter inzet. In de jaarringen wordt in het voorjaar vroeghout (lentehout) afgezet, wat vooral zorgt voor de sapstroom met brede sapkanalen en dunne celwanden. Later in het groeiseizoen vormt de boom laathout (zomerhout), wat vooral instaat voor de stevigheid van de stam met duidelijk dikkere celwanden. In vele gevallen kan men het donkerdere laathout met het blote oog onderscheiden van het blekere vroeghout. 8
9 figuur 1 - De vorming van secundaire structuren in de stengel. 9
10 Schorsvorming Rondom kruidachtige planten en zeer jonge delen van bomen en struiken vinden we een epidermis. Deze levende primaire structuur is in de regel één laag cellen dik. Het is als het ware de primaire huid van de plant. Daaronder kan zich bijvoorbeeld collenchym bevinden, bestaande uit levende steuncellen. Door de diktegroei scheurt de epidermis open en gaat snel teloor. Zijn functie wordt overgenomen door een secundaire structuur. Al het weefsel dat zich aan de buitenzijde van het cambium bevindt wordt gewoonlijk bast genoemd. Dat men deze buitenste structuren samenneemt is normaal aangezien het cambium, zeker in het groeiseizoen, een kwetsbare structuur is waar de bast gemakkelijk afgepeld kan worden. Deze bast mag niet verward worden met spinthout (zie verder), dat zich aan de binnenzijde van het cambium bevindt en dus zuiver uit xyleem bestaat. De bast bestaat deels uit levend en functioneel floëem, dat zich het dichtst bij het cambium bevindt. Meer naar de buitenkant vinden we ouder fl oëem en tenslotte de schors, waarvan het buitenste deel enkel uit dode cellen bestaat. De eigenlijke schors bestaat uit cellen die nooit een sapgeleidingsfunctie gehad hebben. Schorscellen (kurk) worden aangemaakt in een meristematische laag, fellogeen of kurkcambium genoemd. In tegenstelling tot het gewone cambium zet het vooral cellen af naar de buitenzijde en draagt het weinig bij tot de diktegroei. Het gewone cambium wordt ook wel vasculair cambium genoemd om het onderscheid te maken met het kurkcambium. Het geheel van fellogeen en erdoor afgezette cellen wordt ook wel periderm genoemd. Het periderm is een secundair beschermingsweefsel. Bij sommige soorten kan het periderm behoorlijk dik zijn. Zo kennen we de kurk die behoedzaam geoogst kan worden van de Kurkeik, een mediterrane boomsoort. De diktegroei van de boom doet niet alleen de epidermis maar ook eventueel het periderm en het oudere floëem openbarsten. In dit oudere floëem bevinden zich vooral oude sapkanalen welke niet meer functioneel zijn. Deze situatie is voor de boom zeer gevaarlijk omdat schimmels en bastkevers op deze manier toegang kunnen krijgen tot het kwetsbare en voedselrijke levende fl oëem. De meeste bomen reageren op deze bedreiging door op de juiste plaatsen steeds nieuwe laagjes fellogeen aan te maken, steeds dieper in het fl oëem. Bij vele boomsoorten is er dan ook geen duidelijke scheiding tussen de eigenlijke schors en het niet meer functionele fl oëem. De term bast zoals hoger gedefi nieerd is dan ook goed op zijn plaats. figuur 2 - Stamdoorsnede (eik). 10
11 Merk op dat de schorsvorming van de verschillende boomsoorten zeer sterk verschilt : dik of dun, gebarsten of glad, in brokjes loskomend of vast, enz. In de loop van de evolutie zijn er heel wat variaties tot stand gekomen op het hierboven geschetste basisconcept. Merk wel op dat zelfs binnen één soort nogal wat verschil kan optreden in de schorsvorm tussen de variëteiten. Anderzijds kan men op het zicht aan de schors alleen onmogelijk zeggen of men met een loofboom, dan wel met een naaldboom te maken heeft, tenzij men de welbepaalde individuele soort waarover het gaat zeer goed kent natuurlijk. Op welbepaalde plaatsen in de schors kan een verhoogde gasuitwisseling mogelijk zijn, omdat de cellen er losser op elkaar zitten. Op deze wijze kan de bast zuurstof betrekken uit de atmosfeer. Bij Ruwe berk bijvoorbeeld zijn dit duidelijke, ruwe en bleke puntjes op de twijgen. Dergelijke plaatsen worden lenticellen genoemd. Het zijn secundaire structuren, die als ademhalingsopeningen de functie overnemen van de huidmondjes in de primaire epidermis Hoofdrichtingen In de houtanatomie en de houtverwerking onderscheidt men drie hoofdvlakken of zaagwijzen van het hout : Op de dwarse doorsnede zien we het kopse vlak. Zichtbaar zijn de jaarringen en eventueel de houtstralen (als dunne lijntjes van centrum naar buitenkant) en de vaten (als fi jne poriën). De radiale doorsnede volgt de lengte-as van de boom en gaat door het centrum van de stam. Men spreekt ook van kwartiers. Meestal geeft deze snede een zeer regelmatige streeptekening, gevormd door de afwisseling van vroeghout en laathout. In principe zijn enkel de weinige planken die vlak bij het centrum uit de stam gezaagd worden zuiver kwartiers. In de praktijk is er een overgang naar de volgende doorsnede. De tangentiale doorsnede volgt eveneens de lengte-as van de boom, maar gaat niet doorheen het centrum. Men spreekt ook van dosse. Hierop zien we de jaarringen vaak als een soort vlampatroon, omdat de stam naar boven toe dunner wordt en er steeds minder jaarringen in aanwezig zijn. figuur 3 - Hoofdrichtingen of zaagwijzen in hout. 11
12 De structuur van het hout verschilt dus zeer sterk in de drie hoofdrichtingen (lengterichting, radiaal en tangentiaal). Allerhande eigenschappen van hout verschillen eveneens naar gelang van de gekozen richting, zoals we verder in de cursus bij herhaling zullen zien (sterkte, krimp en zwel, ). Hout is een anisotroop materiaal in tegenstelling tot isotrope materialen (plastic, metaal, rubber, ) Microscopische structuur Vele van de beschreven structuurelementen in het hout bevinden zich dicht tegen de grens van de mogelijkheden van het blote oog. Met een loupe die bijvoorbeeld 10x vergroot, ziet men reeds veel meer. Andere structuurelementen zijn ook zonder vergroting zichtbaar. Het komt er dan enkel op aan juist te interpreteren wat men ziet Microscopische onderdelen van loofhout Loofhout bevat vaten, vezelcellen, parenchyme en eventueel tracheïden. Vaten (= tracheeën) bestaan uit vrij korte, cylindrische cellen die als tonnen op elkaar gestapeld zijn. De tussenwanden zijn geheel of gedeeltelijk verdwenen om een optimale sapstroom toe te laten. Men kan het zich voorstellen alsof de bodems verdwenen zijn uit de tonnen in de stapel. Vezelcellen zijn veel smaller dan de vaten en lopen naar boven en naar onder puntig toe. Ze hebben dikke celwanden zodat ze hun steunfunctie optimaal kunnen waarnemen. De vezelcellen vormen het grondweefsel bij loofhout. Het grootste deel van het loofhout bestaat uit vezelcellen. Parenchymecellen blijven veel langer leven dan de vaten en de vezelcellen, zodat ze eventueel later opnieuw kunnen gaan delen indien dat nodig mocht blijken (bijvoorbeeld voor de vorming van wondweefsel). Ze hebben echter nog vele andere functies : bijhouden van reservevoedsel, sapgeleiding in de radiale richting (in de houtstralen), sapgeleiding in de tangentiale richting, Parenchymecellen kunnen allerhande vormen hebben, maar vaak zijn ze niet zo lang en smal als de andere cellen in het hout. De houtstralen van loofhout kunnen één cel dik zijn en onzichtbaar met het blote oog, maar ze kunnen ook tientallen cellen breed en honderden cellen hoog zijn. Dan zijn ze wel met het blote oog zichtbaar, zoals bij eiken. In de celwanden van cel naar cel zijn meestal kleine openingen aanwezig, de stippels. Tracheïden zijn langgerekt en steeds aan beide zijden puntig toegespitst. Ze kunnen eventueel bij loofhout voorkomen, maar ze zijn vooral kenmerkend voor naaldhout. Het onderscheid tussen vezels en tracheïden in loofhout is niet altijd duidelijk (vandaar een overgangsvorm vezeltracheïde genoemd). 12
13 figuur 4 - Microscopische onderdelen van loofhout Ringporigheid Wanneer de brede vaten duidelijk gegroepeerd staan in het vroeghout spreekt men van een ringporige houtsoort. In het laathout zijn de vaten dan veel dunner, zodat ze gewoonlijk ook niet meer met het blote oog zichtbaar zijn. Ringporigheid is een vrij zeldzame eigenschap zodat het zeer interessant is voor de herkenning van een aantal soorten. Eiken, essen, iepen, robinia en (Tamme) kastanje zijn ringporig. Aangezien naaldhout geen vaten heeft komt ringporigheid er niet voor. Bij de meeste boomsoorten is er geen concentratie van brede vaten in het vroeghout, maar liggen de vaten egaal verspreid in het grondweefsel. We noemen deze soorten verspreidporig (diffuusporig). Soms zijn de jaarringen zelf ook niet zo goed te onderscheiden. Bij boomsoorten waarbij de groei continu doorgaat kunnen de jaarringen zelfs helemaal afwezig zijn. Dit komt voor in de tropen, maar niet in de Vlaamse bossen. Onze boomsoorten vertonen allemaal in meer of mindere mate jaarringen, alhoewel de meeste wel verspreidporig zijn. Een kleine tussengroep van houtsoorten wordt halfringporig genoemd, omdat de bredere vaten minder duidelijk geconcentreerd zijn in het vroeghout. Halfringporigheid is niet zo n duidelijke eigenschap, bijvoorbeeld bij kersen. figuur 5 - Ringporigheid (links) en verspreidporigheid (rechts). 13
14 Microscopische onderdelen van naaldhout De microscopische structuur van naaldhout is veel eenvoudiger dan die van loofhout, in zekere zin primitiever. Deze grotere interne homogeniteit maakt dat bij gelijke volumieke massa het naaldhout in de regel sterker is dan het loofhout. Naaldhout bestaat uit tracheïden en parenchyme. Naaldhout bevat geen vaten noch vezels. Het grondweefsel van naaldhout bestaat uit tracheïden. Ze zijn langgerekt en steeds aan beide zijden puntig toegespitst. Als saptransportelementen zijn ze minder effi ciënt dan de vaten in het loofhout, maar het systeem van tracheïden is wel minder kwetsbaar, bijvoorbeeld bij vorming van gasbelletjes. Het transport van cel naar cel gebeurt doorheen stippels, die zich ook kunnen sluiten indien nodig. In het vroeghout hebben de tracheïden een brede celopening en relatief dunne wanden. Ze zorgen vooral voor saptransport. In het laathout daarentegen hebben ze stevige dikke celwanden en zijn ze smaller zodat ze beter voor steun kunnen zorgen. Naaldhout bevat vaak harskanalen, welke omgeven zijn door parenchymecellen, die de hars erin afzetten. Deze harskanalen mogen niet verward worden met de vaten van loofhout. Harskanalen bevatten geen sap en hebben een totaal andere structuur. Ze kunnen zowel in verticale als in horizontale richting voorkomen. De harskanalen zijn ook wel eens met het blote oog zichtbaar, net als de vaten in loofhout. Bij verwonding van de boom loopt de hars uit de harskanalen en vormt zo een effi ciënte bescherming tegen schimmels en insecten. Parenchymecellen komen, net als bij loofhout, ook in de houtstralen voor. De houtstralen van naaldhout zijn steeds dun en dus met het blote oog niet te zien. figuur 6 - Microscopische onderdelen van naaldhout. 14
15 2.4. Kern en spint Bij nogal wat houtsoorten is er een duidelijk onderscheid tussen kernhout en spinthout (ook wel spint of spek genoemd). Het spinthout is niet voor alle toepassingen bruikbaar, maar mag niet verward worden met bast of fl oëem, dat zorgt voor de neerwaartse sapstroom, een andere structuur heeft en slechts zelden gebruikt wordt Kernhoutbomen Een groot aantal boomsoorten maken steeds kernhout (zie fi guur 2) dat door zijn donkerdere kleur afsteekt tegen het spint, dat altijd bleek is. Het spint kan dun of breed zijn naargelang de soort. De kleur van het kernhout is soortspecifi ek en meestal donkerbruin. De sterkte-eigenschappen verschillen niet wezenlijk tussen kern en spint. Het kernhout wordt door de boom aangemaakt vanuit spinthout. Het spint is aanvankelijk volledig levend en zorgt voor de opwaartse sapstroom. Na een aantal jaren wordt het door de boom omgezet in kernhout dat, eenmaal volledig gevormd, geen levende cellen meer bevat en een aanzienlijk lager vochtgehalte heeft dan het levende spint. Het kernhout draagt wel in grote mate bij tot de stevigheid van de boomstam. Bij de kernhoutvorming worden bepaalde stoffen in de cellen opgestapeld zoals gommen, harsen, looistoffen of oliën. Reservevoedsel daarentegen wordt tijdens het verkerningsproces weggetrokken. De levende boom kan in het kernhout een deel van zijn afvalstoffen kwijt, maar de zogenaamde kernstoffen zorgen ook voor de kleur en de eventueel hogere natuurlijke duurzaamheid van kernhout. figuur 7 - Het ontstaan van thyllen en een volledig met thyllen verstopt vat. De vaten in loofhout kunnen bij het verkerningsproces opgevuld worden met thyllen. Dit zijn ballonachtige structuren die groeien vanuit de parenchymecellen naast de houtvaten. Op deze wijze worden de brede vaten afgesloten tegen gevaarlijke indringers zoals bacteriën en houtaantastende schimmels. Bij naaldhout kunnen de stippels tussen de tracheïden zich sluiten zodat een gelijkaardige afsluiting wordt bereikt. Kernhout is dus niet sterker maar wel in de regel duurzamer dan spinthout. Het is met andere woorden beter bestand tegen houtaantastende schimmels en insecten. Op deze manier blijft de stam ook langer stevig rechtop staan. Kernhoutbomen maken een groot deel uit van de grootste en langst levende bomen in onze bossen. 15
16 Alhoewel de kernvorming sterk verschilt van soort tot soort, komt het evenzeer voor bij naaldbomen als bij loofbomen. Ziehier enkele voorbeelden uit onze bossen. Naaldbomen : Grove den, Corsicaanse den, Europese lork, Japanse lork en Douglasspar Loofbomen : Zomereik, Wintereik, Amerikaanse eik, Tamme kastanje, Robinia, Gewone es, Zoete kers en Gladde iep. Sommige soorten maken pas kernhout op oudere leeftijd zoals Corsicaanse den of Gewone es Rijphoutbomen Het meest essentiële onderscheid tussen kern en spint is eigenlijk dat spinthout zorgt voor sapstroom en kernhout niet. Er zijn een aantal boomsoorten die in het centrum van de stam hout bezitten dat niet meer meedoet aan de sapstroom en beduidend droger is dan het spint. Nochtans is er geen kleurverschil te zien en ook de natuurlijke duurzaamheid verschilt niet wezenlijk. Dergelijke boomsoorten worden rijphoutbomen genoemd. We vinden rijphoutbomen zowel bij de loofbomen als bij de naaldbomen. Bekende voorbeelden zijn de Beuk en de Fijnspar. De rijphoutbomen zijn echter niet zo talrijk. Bij rijphoutbomen kan wel een valse kern voorkomen. Een bekend voorbeeld hiervan is de rode kern in beuken. De oorzaak van het verschijnsel moet worden gezocht in de reactie van de boom tegen ziekteverwekkende schimmels in de stam. Deze kunnen in het stamlichaam dringen via afgebroken takken en verwondingen aan de stam of de stamvoet. De boom vormt dan thyllen in de vaten en zet tevens stoffen in het houtweefsel af, om het hout tegen verdere aantasting te beschermen. Het beukenhout kleurt er roodachtig door, maar dit proces gebeurt dus niet spontaan en automatisch in alle exemplaren van de soort. Het wordt in gang gezet door een uitwendige prikkel en daarom spreken we van een valse kern of facultatieve kernvorming Spinthoutbomen Een vrij groot aantal boomsoorten kent echter geen verkerningsproces. Het spinthout blijft zolang mogelijk levend en werkzaam. Het wordt ook nooit omgezet in kernhout. We noemen deze bomen spinthoutbomen. Dit heeft tot gevolg dat het centrum van de stam vochtig blijft en dat er ook daar nog levende cellen kunnen aangetroffen worden. Het centrum van de stam verschilt niet in kleur en de natuurlijke duurzaamheid is er evenmin groter. Deze bomen zijn dan ook relatief slecht beschermd tegen houtaantastende organismen. Vaak gaat het om boomsoorten met een vrij beperkte levensduur, maar er zijn daarop uitzonderingen. In onze Vlaamse fl ora zijn er heel wat spinthoutbomen : alle wilgen, populieren, berken, elzen en esdoorns. Ook bij spinthoutbomen kan een soort valse kern voorkomen, zoals bijvoorbeeld in heel wat oude populieren. Dit verschijnsel wordt meestal niet geapprecieerd. 16
17 3. Natuurlijke onvolkomenheden Het betreft hier afwijkingen die reeds in de staande boom voorkomen, of kort na het vellen ontstaan. Ze hebben meestal tot gevolg dat het hout in mindere of meerdere mate aan waarde verliest. Zware takkigheid, lage vorken, draaigroei, asymmetrische kronen, kromme stammen, scheuren, waterloten en andere gebreken zijn dan ook vaak redenen om de desbetreffende bomen reeds op jongere leeftijd bij dunningen uit het bos te verwijderen Takkige stammen en kwasten Vrijwel alle boomsoorten vormen in geheel vrije stand een grote kroon met een aanzet die reikt tot dicht bij de grond. In een gesloten bos daarentegen, vormen ze een relatief kleine kroon, waarbij de onderste takken door lichtgebrek afsterven en vervolgens afbreken. Dit proces wordt takafstoting of natuurlijke stamreiniging genoemd. Aan bosranden en langs wegen kunnen bomen zeer takkig zijn langs één kant. Het proces van natuurlijke stamreiniging verloopt bij de éne boomsoort al vlotter dan bij de andere. Bij Beuk bijvoorbeeld is de schaduw van de kroon zeer diep en rot het hout van de dode takjes snel, zodat ze reeds na enkele maanden of jaren netjes dicht tegen de stam afbreken. De lange takvrije stammen van de Beuk zijn dus een volledig natuurlijk soortkenmerk van beuken in bosverband. Bij eik of Grove den verloopt dit proces echter veel moeizamer. Op bijgaande fi guur wordt het proces aangegeven hoe een takstomp overwald raakt door de dikker wordende stam. Er zijn twee mogelijkheden : 1) De afgestorven tak verzwakt snel en breekt glad af langs de stam. Het actieve cambium zorgt voor een overwalling van het gedeelte van de tak dat reeds in de stam zit. Dit gedeelte is ingegroeid toen het nog in leven was en zit organisch vergroeid met de rest van de stam. Men spreekt van een levend ingegroeide takstomp of een vaste kwast. Bij het verzagen valt dit gedeelte niet uit de plank. Het is wel in de regel harder en donkerder omdat de jaarringen er veel dunner zijn dan in de rest van de stam. 2) De afgestorven tak blijft jarenlang aan de stam hangen en breekt eventueel af op een zekere afstand van de stam. Het actieve cambium zorgt voor een zekere diktegroei van de stam maar slaagt er jarenlang niet in om de takstomp helemaal te overwallen. Een gedeelte van de tak raakt in de stam ingegroeid nadat hij afgestorven is, waardoor er ook geen vergroeiing kan optreden tussen dit dode weefsel en het levende hout van de stam. We krijgen een dood ingegroeide takstomp of losse kwast. Bij het verzagen valt dit gedeelte uit de plank en een losse kwast is ook vaak aangetast door schimmels en/of insecten. 17
18 figuur 8 - Het ontstaan van losse en vaste kwasten. Merk op dat een dood ingegroeide takstomp in alle gevallen dichter bij het centrum van de stam overgaat in een levend ingegroeide takstomp. Takkigheid en kwasten worden in de regel niet geapprecieerd, zeker losse kwasten niet. De houtverwerking verkiest foutvrije stammen. Een zekere mate van takkigheid, met niet te veel en niet te dikke vaste kwasten, kan decoratief hout opleveren, maar het schept toch enige problemen bij de verwerking. Voor een aantal toepassingen met een lagere toegevoegde waarde zoals spaanderplaten of brandhout maakt de takkigheid niets uit. Om de houtkwaliteit te verhogen kan men er toe overgaan de stammen op te snoeien. Dit is een arbeidsintensieve ingreep en dus redelijk duur. Het wordt ook meestal in verschillende stappen gedaan, eerst tot op manshoogte en dan geleidelijk hoger aan de stam met enige jaren tussenin. Men moet zich telkens afvragen of het snoeien wel zal renderen. In de volgende omstandigheden is dergelijke snoei niet aan te raden : - bij een aantal boomsoorten verloopt de natuurlijke stamreiniging zeer vlot - vanaf een zekere leeftijd is de meeste diktegroei voorbij. De takstompen zijn reeds ingegroeid en het weinige kwastvrije hout dat nog langs de buitenrand van de stam kan gerealiseerd worden loont de moeite niet meer. - vanaf een zekere hoogte kan de ingreep zeer duur worden en is de nog te verwachten diktegroei te gering - het hout zal gebruikt worden voor toepassingen waarbij de takkigheid niet belangrijk is of zelfs gewenst wordt - de bomen zullen toch nooit geoogst worden voor de houtopbrengst (bijvoorbeeld in vele bosen natuurreservaten) Anderzijds kunnen bomen in bosverband ook gesnoeid worden om andere redenen dan de beoogde houtkwaliteit zoals omwille van de brandveiligheid of om landschappelijke redenen (doorzicht doorheen het bos). Ingegroeide takstompen kunnen zich uiterlijk aan de stam tonen onder de vorm van bulten of tekeningen op de schors. 18
19 3.2. Gevorkte stammen Indien het toplot van een boom met een overigens rechte stam wegvalt, dan gebeurt het wel dat er twee of meer loten de taak van de top overnemen. We krijgen dan een gevorkte stam (synoniem gegaffeld), met boven de vork verschillende min of meer verticale stammen. Ter hoogte van de vork of beter net onder de vork, krijgen we een zogenaamd dubbel hart. De onderdelen van de opgesplitste stam gaan namelijk min of meer met elkaar vergroeien. Ze kunnen zo sterk tegen elkaar gaan drukken, dat zelfs het cambium van de verschillende delen met elkaar vergroeid raakt over een zekere hoogte. De houtmantel wordt dan verder in één gesloten geheel om de oorspronkelijk afzonderlijke stamstukken afgezet. Wordt de stam op deze plaats (net onder de vork) doorgezaagd, dan zijn duidelijk de oorspronkelijke stammen met ieder een hart te herkennen. Tussen de onderdelen van de opgesplitste stam komt ter hoogte van de vork ook vaak ingesloten bast voor, als gevolg van de vergroeiing van de verschillende stammen. Het verschijnsel van ingesloten bast kan bij heel wat boomsoorten eveneens voorkomen op andere plaatsen ten gevolge van een onregelmatige stamvorm, al dan niet veroorzaakt door een ziekte. We krijgen als het ware een deuk in de boom, die van de kanten overwald wordt. figuur 9 - Gevorkte stam met ingesloten bast en dubbel hart. De verschillende onderdelen boven de vork hebben wel elk hun eigen diktegroei en gaan zo ten opzichte van elkaar druk uitoefenen. Vorken scheuren hierdoor gemakkelijk uiteen. In de oksel van de vork kan ook water blijven staan en houtrot ontstaan. Een gevorkte boom is dus bosbouwkundig niet interessant en langsheen een weg zelfs potentieel gevaarlijk. Boven de vork vinden we ook veel excentrisch hart en reactiehout omwille van de asymmetrische kroon op elk stamelement van de vork. Vermits de waarde van een stam sterk toeneemt met de diameter zijn de dunnere stamstukken boven een vork voor de houtproducerende eigenaar veel minder waard dan in het geval van een enkele, niet-gevorkte stam. Gevorkte bomen worden dan ook bij dunningen verwijderd of eventueel in een zeer jong stadium door vormsnoei gecorrigeerd. 19
20 3.3. Draaigroei Draaigroei is het niet parallel verlopen van de draad van het hout met de lengte-as van de stam. Alle structurele langs-elementen in het hout zoals vezels en vaten onwikkelen zich in een bepaalde hoek ten opzichte van deze, doorgaans verticaal staande, lengte-as. Hierbij kan de draad, gezien van het worteleinde van een stamstuk, verlopen van rechts beneden naar links boven (links draadverloop) of van links beneden naar rechts boven (rechts draadverloop). Bij boomsoorten met een gegroefde schors is de draaigroei in de regel goed van buitenaf waarneembaar. Soms is het niet te zien aan de schors, ook omdat de draaigroei in de loop van de tijd kan veranderen en de buitenste schorslaag lang geleden kan gevormd zijn. Het is echter wel goed waar te nemen aan de ontschorste stam en zeer duidelijk wanneer door uitdrogen scheurtjes in de buitenzijde van het hout ontstaan. figuur 10 - Rechtse draaigroei, links een oude boom, rechts een stuk van de stam. Hout van stammen met draaigroei vertoont bij drogen een neiging tot kromtrekken en ook de sterkte-eigenschappen zijn doorgaans geringer omwille van de zogenaamde korte draad. Dit verschijnsel wordt veroorzaakt omdat de zaagrichting wel de lengte-as van de boom volgt en dus een hoek maakt met de oriëntatie van de langs-elementen in het hout. Stammen met een sterke draaigroei mogen niet verzaagd worden tot dunne maten. Draaigroei bij jonge naaldbomen verloopt meestal naar links. Met de ouderdom is er neiging om de oriëntatie van de langs-elementen te laten overgaan in de richting van een rechtse draaigroei. Draaigroei aan oude bomen verloopt dus in de regel naar rechts. Een draadverloop naar rechts wordt als een ouderdomsverschijnsel beschouwd, zowel bij naaldbomen als bij loofbomen Reactiehout Bomen die niet in evenwicht verkeren zullen proberen hier iets aan te doen. Denk maar aan overhangende bomen, eenzijdige windbelasting, kromme bomen, bomen met asymmetrische kronen of bomen met vorken. Het levende hout gaat op bepaalde plaatsen bloot staan aan verhoogde druk- of trekkrachten, waartegen de boom gaat reageren. Er vormt zich zogenaamd reactiehout en het hart zal ook buiten het centrum gaan liggen (excentrisch hart). Hetzelfde verschijnsel doet zich ook voor in overhangende takken. Naaldbomen en loofbomen hebben in de loop van de evolutie een verschillende reactie uitgewerkt ten opzichte van de krachten die inwerken op het levende hout. Loofbomen vormen trekhout en naaldbomen vormen drukhout. Druk- en trekhout worden beiden reactiehout genoemd. 20
21 figuur 11 - Drukhout bij naaldbomen (links) en trekhout bij loofbomen (rechts). Naaldboomsoorten vormen drukhout aan de zijde die van de werkende kracht afgekeerd is. Op een helling is dit de dalzijde, bij de heersende winden de luwzijde, bij een overhangende boom of tak de kant waar deze overhangt. Drukhout is wat donkerder en maakt een dichtere en vastere indruk. Het is harder maar heeft verder meestal lagere sterkteëigenschappen dan gewoon hout. De wanden van de tracheïden zijn er belangrijk dikker en de intercellulaire holtes groter. Ook bevat het meer lignine en minder cellulose dan normaal naaldhout. Drukhout komt voor in het excentrisch gedeelte van de stam (met dikkere jaarringen) in niet doorlopende banden, waarbij een aantal jaarringen uit drukhout bestaan en de vroeger en later gevormde ringen uit normaal hout. Deze wisseling kan enige malen plaatsvinden. Loofboomsoorten passen zich aan door trekhout te vormen aan de kant van de boom die aan trek onderhevig is. Aan deze zijde zijn de jaarringen ook gemiddeld dikker. Op een helling is dit de bergzijde, bij heersende winden de zijde waar de wind het meest tegenaan blaast, bij een naar één zijde overhangende kroon de tegenovergestelde kant van de boom. Loofboomtakken die overhangen vormen trekhout aan de bovenzijde. De jaarringen zijn in deze zone doorgaans ook breder. Trekhout bevat een hoger aandeel cellulose in de dikkere celwanden. Reactiehout vertoont een veel grotere lengtekrimp dan normaal hout, radiale en tangentiale krimp zijn daarentegen kleiner. Krimp en zwel is op zichzelf al een vervelende eigenschap van hout, maar de situatie wordt hier verergerd omdat reactiehout in de regel ingebed ligt tussen gewoon hout en verschillende delen van een houten element dus sterk verschillend kunnen gaan reageren op veranderingen in het vochtgehalte. Het hout kan gaan kromtrekken en ook wel scheuren. Ook bij de afwerking kunnen zich problemen voordoen, omdat het vers gezaagde hout bij trekhout een ruwer, meer vezelig-wollig oppervlak vertoont Harszakken Hars en harskanalen komen bij heel wat naaldboomsoorten voor. Maar geen enkele van de loofbomen die in de Vlaamse bossen groeien bevat harskanalen. Grenen, douglas en lorken bevatten normaal vrij veel harskanalen, vuren minder, maar door verwonding of aantasting van het cambium kunnen al deze naaldboomsoorten plaatsen vertonen met veel hars. 21
22 Dit kan bij de verwerking van het hout zeer vervelend zijn, omdat de plakkerige hars dan langzaam uit de verse planken loopt. Bij de beschadiging van de bast vormen naaldbomen met harsgangen plaatselijk een groot aantal van dergelijke gangen. Het hout kan er geheel van doortrokken raken en er glazig uitzien. Dit is ook een afweersysteem tegen insecten zoals bastkevers. figuur 12 - Harszak bij vuren. Harszakken ontstaan uit scheurtjes in het jong gevormde hout bij het cambium. Zeker in het voorjaar, als de groei weer aan de gang is, zijn de cambiumcellen en de eerstgevormde tracheïden teer en vochtrijk. De bast kan in deze periode dan ook gemakkelijk los scheuren van het eigenlijke hout, bijvoorbeeld door een buiging ten gevolge van een storm. Dergelijke kleine scheurtjes lopen vanuit de harskanalen snel vol hars, het verdedigingssysteem van deze naaldbomen. Deze scheurtjes en dus ook de harszakken die ze teweegbrengen lopen steeds evenwijdig aan de jaarringen. Op plaatsen in het landschap waar naaldbomen gemakkelijk de volle wind krijgen kan een groot aantal harszakken voorkomen. Gomgangen kunnen ook het gevolg zijn van verwondingen van de boom. Ze komen bijvoorbeeld voor in kersenhout. Gom lost echter op in water, hars niet Waterloten en maserknollen Waterloten zijn kleine, vaak slappe takjes, die aan de stam van oude bomen voorkomen. Ze worden gevormd uit slapende knoppen in de bast van de stam. Het aantal slapende knoppen is sterk afhankelijk van de boomsoort, zodat ook het verschijnsel van de waterloten sterk soortafhankelijk is. Bij naaldbomen komt het zo goed als niet voor, bij Zomereik bijvoorbeeld is het een zeer algemeen verschijnsel. Om de slapende knoppen te doen uitlopen tot waterloten moeten ze wel een prikkel krijgen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer de boom bij een dunning plots wordt vrijgesteld en de zon op de bast kan schijnen. Het kan ook zijn dat de naaststaande boom afsterft of omverwaait. Vaak vormt 22
23 een boom waterloten om het evenwicht tussen wortel- en kroonmassa te herstellen. De waterloten zijn dan een soort wanhoopspoging van de boom om te compenseren voor de kroon die te klein geworden is. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij eiken die in de verdrukking komen door omstaande bomen, bij ziekte, bij windbreuk in de kroon of na te sterke snoei (bijvoorbeeld bij populier). Het kan zijn dat er zeer veel slapende knoppen op één plek bij elkaar zitten, die dan ook kunnen zorgen voor een bosje kleine takjes, waarvan de meeste al snel weer afsterven. Op een dergelijke plaats aan de stam ontstaat vaak een bult van zeer warrig hout, maserknol genoemd. Dergelijke bulten kunnen tot wel een meter groot worden en intern een mooie tekening in het hout geven. Ze worden daarom ook wel gezocht voor snijfi neer. figuur 13 - Fineer uit maserknol bij eik. Andere bulten op de stam kunnen veroorzaakt worden door ingegroeide takstompen. Beschadigde bast kan ook geïnfecteerd raken door parasitaire schimmels of andere ziekteveroorzakende organismen. De boom probeert de aantasting te overwallen, ze in te kapselen en zo te neutraliseren, maar in vele gevallen lukt dat niet echt of zeer moeizaam. We krijgen dan woekeringen van basten/of houtweefsel, die we kanker noemen. figuur 14 - Kanker bij beuk. 23
24 3.7. Kromme stammen Insecten of andere dieren kunnen de topscheut van de boom doen afsterven. Dan moet een lager gelegen scheut of knop de functie van de topscheut, namelijk het verlengen van de stam, overnemen. Soms lukt dit probleemloos, maar vaak blijven we een slingering zien in de stam. Men spreekt ook wel van een bajonetvorm. Indien twee of meer scheuten de afgestorven top vervangen krijgen we een vork (zie hoger). Ten gevolge van storm, sneeuwdruk, overstromingen of aardverschuivingen op steile hellingen kunnen goede jonge bomen sterk scheef gaan zakken. Ze willen zich echter altijd weer oprichten naar het licht toe. De boom kromt zich dan relatief dicht bij de voet en vormt een zogenaamde sabelvoet. Is de voet slechts weinig scheef, dan spreekt men gewoon van scheve voet. figuur 15 - Bajonetvorm en sabelvoet. Kromme stammen zijn niet altijd het gevolg van een beschadiging. Het kan ook erfelijk zijn : sommige variëteiten van bepaalde boomsoorten zijn nu eenmaal bijzonder decoratief gekruld. Vroeger werden speciale kromme vormen van eikenstammen en -takken gebruikt in de scheepsbouw. Men liet de jonge bomen met opzet in gebogen vorm groeien. Maar over het algemeen kan nu toch gesteld worden dat kromme stammen minder waardevol zijn voor de houtmarkt. Er zijn moeilijkheden bij het verzagen en er komt bijvoorbeeld veel reactiehout voor Onregelmatige jaarringdikte Bij ringporige houtsoorten is het hout met zeer brede jaarringen het sterkst, omdat de jaarringen dan naar verhouding weinig vaten bevatten en veel houtvezels. Ringporig hout met zeer smalle jaarringen is daarentegen vaak wat bros en minder sterk, omdat zulke jaarringen vrijwel geheel uit vroeghout met grote vaten bestaan en weinig vezelweefsel bevatten. Voor eiken stoelpoten, houten onderdelen en gymnastiektoestellen uit essen is hout met brede jaarringen dus het beste. Eiken met zeer smalle jaarringen heeft men graag voor snijfi neer en draaiwerk. Bij naaldbomen bestaat er een groot verschil in eigenschappen tussen vroeg- en laathout. Bij zeer smalle jaarringen komen deze verschillen in de praktijk niet meer tot uiting, wat de homo- 24
25 geniteit van het hout verhoogt. Naaldhout met zeer smalle jaarringen is in de regel ook zwaarder, sterker en duurzamer, omdat het relatief minder vroeghout bevat. Bij naaldhout blijft dus ongeacht de dikte van de jaarring, de dikte van het laathout ongeveer gelijk. Bij ringporige houtsoorten is het net het vroeghout dat steeds een bepaalde dikte behoudt. Onregelmatige jaarringdikte komt voor bij excentrisch hart, wat reeds eerder behandeld is bij reactiehout. Het komt voor bij eenzijdige winddruk, asymmetrische kroon, scheve stammen, in min of meer horizontale takken, in de stamelementen boven een vork, enz. Merk wel op dat ook in het geval van excentrisch hart de stamdoorsnede meestal een cirkelvorm weergeeft, ondanks het feit dat de jaarringen aan de éne zijde beduidend breder zijn dan aan de andere zijde. Er zijn ook nog andere situaties waarin de jaarringdikte sterk verschilt binnen één stamschijf. Sommige boomsoorten kunnen in hun jeugd vele jaren onderdrukt en traag in de schaduw groeien, om dan plots na het wegvallen van de grote bomen snel te groeien en voortaan brede jaarringen te maken. Dit kan later spanningen opleveren tussen het centrale deel met dunne jaarringen en het omgevende stamgedeelte met dikke jaarringen. Vermits hout met dunne jaarringen in zijn eigenschappen verschilt van dat met dikke, is het van belang om in het bos regelmatig en steeds op dezelfde manier te dunnen. Zo bekomt men de allerhoogste houtkwaliteiten. Maar in vele gevallen zijn deze toch onbereikbaar, omwille van andere factoren (standplaats, beschadigingen, ), wat geen reden mag zijn om helemaal geen dunningen uit te voeren. De dikte van de jaarringen verschilt min of meer van jaar tot jaar omwille van de weersinvloeden. Op basis hiervan worden per boomsoort en per streek specifi eke combinaties van jaarringdiktes gevormd, die toelaten op een accurate wijze houten voorwerpen te dateren. De wetenschap die dit bestudeert wordt dendrochronologie genoemd en is een grote steun voor het geschiedenisonderzoek en de archeologie Scheuren in de stam Strenge vorst kan bij diverse boomsoorten zoals eik vorstscheuren veroorzaken. Dit zijn verticale scheuren, meestal van de schors tot aan het hart van de stam. Ze kunnen enkele meters lang zijn. De boom probeert deze scheuren te overwallen en vormt dan zogenaamde vorstlijsten. In zeer droge zomers kunnen levende stammen zoveel vocht verliezen dat droogtescheuren optreden. figuur 16 - Vorstscheur bij Zomereik. 25
26 Bliksemschade treedt regelmatig op bij hoge bomen of bomen op een verhevenheid in het landschap. De schade kan zeer verschillend zijn, van geringe beschadiging van de bast tot volledige versplintering van de stam. Na het vellen treden vaak allerhande scheuren op, die de waarde van de stam sterk kunnen verminderen. Hartscheuren lopen doorheen het hart en kunnen reeds aanwezig geweest zijn in de staande boom. Bij meerdere hartscheuren spreekt men van kruis- of sterscheuren. Windscheuren lopen eveneens naar het hart toe, maar worden naar de bast toe steeds breder. Ze zijn in de regel ontstaan door het droogproces van de stam. Ringscheuren volgen de oriëntatie van de groeiringen. Ze ontstaan vaak op de overgang tussen smalle en brede jaarringen. Soms tracht men het verder gaan van scheuren tegen te gaan door het inslaan van S-vormige haken in de kop van de stam. Het effect hiervan is twijfelachtig. Veelal is het kwaad reeds geschied, terwijl de kans bestaat dat men vergeet de S-haak tijdig te verwijderen Ideale stamvorm De ideale zaagstam ziet er als volgt uit : - cylindrische vorm - het hart in het centrum - recht - foutvrij - met een klein verloop (hoogstens 1cm per m) Het stamverloop drukt uit hoeveel de stamdiameter (of eventueel de omtrek) vermindert per lopende meter aan de stam van beneden naar boven. 26
27 4. Fysische eigenschappen Onder fysische eigenschappen verstaat men de eigenschappen die verband houden met de fysische of natuurkundige verschijnselen. Deze beslaan een zeer breed terrein. De mechanische eigenschappen worden verderop apart behandeld Vochtgehalte Hout in verse toestand bevat veel water; in woningen verwerkt hout bevat er weinig, maar toch nog een beduidende hoeveelheid. Het houtvochtgehalte is één van de belangrijkste karakteristieken van een stuk hout, alhoewel het uiterlijk weinig of niet waarneembaar is. Daarom wordt het houtvochtgehalte steeds per conventie uitgedrukt op dezelfde manier : de gewichtshoeveelheid water die het hout bevat, uitgedrukt als een percentage van het drooggewicht. vochtgehalte = (gewicht in vochtige toestand - drooggewicht) x 100 (%) drooggewicht Onder drooggewicht verstaat men het gewicht dat wordt verkregen na droging van het hout in een geventileerde oven bij een temperatuur van 103 à 105 C totdat het gewicht constant blijft. De temperatuur moet hoog genoeg zijn om het water eruit te krijgen (100 C = kookpunt van water) en anderzijds ook weer niet te hoog omdat dan ook andere vluchtige stoffen uit het hout beginnen te ontsnappen. Voorbeeld : Een stuk hout weegt 500 gram en na droging in een oven tot constant gewicht nog maar 400 gram. Het vochtgehalte voor droging was dan : ( ) 400 x 100 = 25 % figuur 17 - Let op de hoeveelheid water die hout voor en na droging kan bevatten en op de krimp in de drie richtingen. 27
28 Ook in de levende boom kan het houtvochtgehalte sterk variëren, van ± 30% tot meer dan 200%. Spinthout heeft, omwille van de actieve sapstroom, gewoonlijk een veel hoger vochtgehalte dan kernhout. Bij zware houtsoorten is het houtvochtgehalte van de levende boom lager dan bij lichte houtsoorten. Bij zware houtsoorten zijn de celwanden immers dikker, zodat er minder plaats overblijft voor de opslag van water. Het drooggewicht van zware houtsoorten ligt ook hoger, zodat de noemer in de formule van het vochtgehalte groter wordt en dus het bekomen percentage kleiner Krimpen en zwellen Krimpen en zwellen of dimensionele instabiliteit is één van de grootste problemen van het materiaal hout, zoniet het grootste probleem ervan. Het wordt ook wel aangegeven met de term werken van hout Vezelverzadigingspunt Water komt in het hout voor onder twee vormen : - in de celholten als vrij water - binnenin de celwanden als gebonden water Wanneer vers hout droogt in de lucht, die dan niet verzadigd is met waterdamp, verdwijnt eerst het vrije water. Pas nadat al het vrije water uit het hout is gedroogd, begint ook het gebonden water uit het hout te verdwijnen. Het gebonden water wordt echter nooit volledig aan de lucht afgestaan, behalve wanneer men het hout droogt in een oven bij temperaturen hoger dan 100 C. Het vochtgehalte waarbij al het vrije water reeds verdwenen is, maar de celwanden nog volledig verzadigd zijn met gebonden water, wordt aangeduid als het vezelverzadigingspunt (v.v.p.). Wanneer het hout vanaf het vezelverzadigingspunt nog meer vocht kwijtraakt moet dit dus uit de celwanden komen, waardoor deze gaan vervormen. Het hout gaat dan krimpen. Wanneer hout beneden het v.v.p. daarentegen vocht opneemt gaat het zwellen. Zwel en krimp komen in hout alleen voor beneden het v.v.p. Boven het v.v.p. blijven de dimensies van stukken hout dezelfde bij wisselende vochtgehaltes. Het v.v.p. varieert voor de verschillende houtsoorten tussen 20 en 36%. Als gemiddelde waarde neemt men vaak 27% Evenwichtsvochtgehalte Onder relatieve vochtigheid (r.v.) verstaat men de verhouding van de gewichtshoeveelheid waterdamp, die een hoeveelheid lucht bevat, tot de gewichtshoeveelheid die deze lucht in de toestand van verzadiging bevatten kan bij dezelfde temperatuur. Deze verhouding wordt uitgedrukt als een percentage van de gewichtshoeveelheid bij verzadiging. Beneden het vezelverzadigingspunt is hout een hygroscopisch materiaal, wat betekent dat het vocht aan de omringende lucht kan afstaan en vocht eruit kan opnemen. Om hout te bevochtigen is het dus niet eens nodig om vloeibaar water op het hout te brengen; het volstaat dat de lucht er rond vochtig genoeg is. Op dezelfde wijze droogt hout als de omringende lucht maar droog genoeg is. Het proces van vocht afstaan of opnemen gaat zolang door tot een evenwichtssituatie is bereikt. Het na verloop van tijd bereikte stabiele vochtgehalte in evenwicht met de relatieve luchtvochtigheid 28
29 van de omringende lucht, noemt men het evenwichtsvochtgehalte. Het evenwichtsvochtgehalte is wel afhankelijk van de heersende klimatologische omstandigheden (de hoeveelheid water in de lucht en de temperatuur) en de houtsoort. figuur 18 - Verband tussen relatieve luchtvochtigheid en evenwichtsvochtgehalte Grootteorde van het krimpen en zwellen Hout begint te krimpen zodra de celwanden gebonden water gaan afgeven, dus wanneer het vochtgehalte beneden het vezelverzadigingspunt daalt. Op dezelfde manier gaat hout zwellen zodra het vochtgehalte stijgt, tenminste in het bereik beneden het v.v.p. De snelheid en de sterkte van deze vormveranderingen zijn afhankelijk van de houtsoort. In de lengterichting treedt haast geen krimp en zwel op, wel in de radiale en tangentiale richting. De radiale krimp is vaak ruwweg de helft van de tangentiale krimp. De lengtekrimp, radiale krimp en tangentiale krimp verhouden zich globaal onderling als : 1 / 10 / 20 De vormverandering bij krimpen en zwellen wordt procentueel aangegeven. De zeer beperkte lengtekrimp wordt verwaarloosd en de waarden in de radiale en tangentiale richting worden gewoon samengeteld (r+t) om de procentuele volumeverandering aan te geven. Dit betreft een maximale krimp en zwel. Bij houtsoorten die deze vormveranderingen traag doorlopen zal het in de praktijk nooit tot dit theoretische maximale percentage komen. Voor buitenschrijnwerk wordt het verschil gemeten tussen 60 en 90% relatieve luchtvochtigheid en bij binnenschrijnwerk tussen 30 en 60% r.v. De waarden worden als volgt ingeschat (r+t): - gering = werken < 1,5% - matig = werken tussen 1,5 en 2,8% - hoog = werken > 2,8% In het algemeen werken zwaardere houtsoorten meer dan lichtere. Het werken van het hout is verder sterk afhankelijk van groeispanningen en onregelmatigheden in het hout. Het resultaat kan zijn kromtrekken, torsie of scheuren. Reactiehout (zie hoger) verdient hierbij een aparte vermelding, omdat het een veel sterkere lengtekrimp vertoont dan normaal hout. De tangentiale en radiale krimp zijn daarentegen juist geringer. Als gevolg van het weer en de seizoenen staat hout meestal bloot aan een veranderende relatieve luchtvochtigheid en dus aan krimp en zwel. Een typisch voorbeeld is de deur die klemt in een vochtig seizoen en weer normaal functioneert in een drogere periode. Als gevolg van een langere periode met een stabiele vochtigheidsgraad kan het lijken alsof het 29
30 hout uitgewerkt is. Dit is echter slechts schijn. Zogauw er weer veranderingen zijn aan de r.v. in de lucht omheen het hout zal er opnieuw krimp en zwel optreden, ook al is de houten constructie eeuwen oud Volumieke massa Bij veel materialen wordt gesproken van de relatieve dichtheid of soortelijk gewicht. Dit is de verhouding van de massa van een bepaald volume van die stof tot de massa van eenzelfde volume water. Voor hout is deze grootheid echter niet goed te gebruiken : - grote variatie in vochtgehalte met dientengevolge variërende massa - bij verandering van het vochtgehalte beneden het vezelverzadigingspunt is het volume als gevolg van krimpen en zwellen niet constant Het begrip relatieve dichtheid wordt daarom alleen voor de houtstof gebruikt. Dit is de materie waaruit de celwanden in het hout zijn opgebouwd, voornamelijk cellulose en lignine. De relatieve dichtheid van de houtstof bedraagt ± 1,5 en dit is dus tevens het maximum dat een houtsoort theoretisch kan bereiken. Deze waarde geldt voor alle houtsoorten. Zware houtsoorten hebben dus dikke celwanden en kleine celholten, lichte houtsoorten net andersom. Bij hout spreekt men liever van volumieke massa : de massa in kilogram van een volume van 1 kubieke meter hout bij een bepaald vochtgehalte. Bij veranderend vochtgehalte beneden het vezelverzadigingspunt veranderen zowel het volume als de massa. De volumieke massa verandert daardoor ook. Bij vochtgehalten boven het v.v.p. verandert nog slechts de massa, de afmetingen zijn maximaal geworden en daarmede dus het volume. In de praktijk wordt vaak de volumieke massa van hout gegeven bij 12% vochtgehalte. Dit is dan te vergelijken met de situatie van hout dat binnenshuis bewaard wordt en dat in evenwicht geraakt is met de aldaar heersende (lage) relatieve luchtvochtigheid. De volumieke massa van houtsoorten loopt sterk uiteen (bij 12% vochtgehalte) : licht ( kg/m³) : populieren, wilgen en vuren vrij licht ( kg/m³) : elzen, linden, douglas vrij zwaar ( kg/m³) : kastanje, berken, esdoorn, kersen, iepen zwaar ( kg/m³) : eiken, robinia, haagbeuken maar ook binnen een houtsoort kunnen aanzienlijke verschillen optreden : vuren kg/m³ eiken kg/m³ De volumieke massa van hout verschilt dus sterk tussen de houtsoorten en binnen de houtsoort, zelfs binnen één boom kunnen aanzienlijke verschillen waargenomen worden. Er bestaan een aantal houtsoorten die zelfs in droge toestand zinken, dus met een volumieke massa hoger dan kg/m³, maar geen enkele ervan is inheems. We vinden ze wel talrijk in sommige delen van het tropisch regenwoud. Als regel zijn de sterkte, de duurzaamheid, de brandbestendigheid en de slijtvastheid van zwaardere houtsoorten groter dan van lichter hout. Lichter hout werkt in de regel echter minder. Het is ook gemakkelijker te transporteren en te bewerken (snijden, nagelen en vijzen). 30
31 4.4. Warmte-eigenschappen Gedurende de laatste decennia van de twintigste eeuw was petroleum de belangrijkste energiedrager in de westerse wereld. Het gebruiksgemak van dit product, de vele toepassingen en de relatief lage prijs ervan hebben tijdelijk andere materialen en technieken in de schaduw gesteld. In de loop van de 21 ste eeuw zal deze situatie zich wijzigen Verbrandingswaarde Hout is een niet-fossiele brandstof en kan beschouwd worden als vrij recent vastgelegde zonneenergie. Het wordt van oudsher door de mens voor verwarming en bij het klaarmaken van voedsel gebruikt. Nu nog is het in heel wat landen van de derde wereld bij de mensen thuis de belangrijkste energiebron. Er wordt geschat dat ongeveer 45% van de wereldhoutoogst gebruikt wordt voor energievoorziening. Wanneer de bosoppervlakte in stand wordt gehouden kan dit aanzien worden als neutraal ten opzichte van de productie van het broeikasgas kooldioxide. De verbrandingswarmte (verbrandingswaarde) van een vaste stof zoals hout is de hoeveelheid warmte (energie) die vrijkomt bij volledige verbranding van 1 kg van de vaste stof. Bij hout is de vrijgekomen warmte sterk afhankelijk van het vochtgehalte, zodat de verbrandingswarmte vaak gegeven wordt voor ovendroog hout. Voor natter hout spreekt men dan ook wel van de stookwaarde. De éénheid van energie is de Joule en ook wel de calorie (verouderd), waarbij 1 cal = 4,184 J. In de praktijk wordt vaak gerekend in MJ of megajoule (1 MJ = 1 miljoen J). De verbrandingswarmte voor (ovendroog) loofhout schommelt rond de 17,8 MJ/kg, voor naaldhout rond de 19,7 MJ/kg. De onderlinge variatie in de loofhoutsoorten en de naaldhoutsoorten is vrij gering. De hogere verbrandingswarmte voor naaldhout is te danken aan het hogere ligninegehalte (zie bij chemische samenstelling) en het voorkomen van hars. Beide producten hebben een hogere verbrandingswarmte dan cellulose (cellulose : 18 MJ/kg, lignine : 25 MJ/kg, hars : 37 MJ/kg). Merk op dat de verbrandingswarmte tussen de houtsoorten niet zo veel verschilt omdat ze per kg gegeven wordt. Aangezien de volumieke massa van de houtsoorten wel sterk verschilt, loopt de energie-inhoud van één kubieke meter droog hout toch sterk uiteen. Zwaardere houtsoorten zijn interessanter als brandhout, omdat voor dezelfde warmteinhoud minder kubieke meters moeten getransporteerd en gestockeerd worden. Zo is het dan ook te begrijpen dat zwaarder inheems loofhout (zoals haagbeuken, beuken, berken, esdoorn of eiken) meer geappreciëerd wordt als brandhout dan naaldhout (grenen, vuren) of populier. Brandhout verliest zijn stookwaarde sterk met toenemend vochtgehalte (1 à 2 MJ/kg minder per trap van 10% vochtgehalte). Iedereen weet dat nat hout niet of slecht brandt. In de praktijk moet brandhout één à twee jaar drogen vooraleer het bruikbaar wordt. Dit veronderstelt dat men meer dan de jaarlijks benodigde hoeveelheid ergens kan stockeren. De benodigde ruimte zal in ieder geval verschillende keren groter zijn dan de ruimte van een stookolietank en ook het transport is moeilijker. Bij hogere energieprijzen wordt brandhout echter wel interessant gezien 1 stère hard en luchtdroog (15% vocht) loofhout de energetische waarde heeft van ongeveer 205 liter stookolie. Bij nieuwe technologische ontwikkelingen wordt het hout of een andere biomassa eerst verwerkt tot kleine, droge stukjes, die dan door de stookinstallatie veel gemakkelijker en automatisch opgenomen kunnen worden. 31
32 Warmtegeleiding Warmte kan getransporteerd worden op drie manieren : - straling - convectie (stroming, bijvoorbeeld van warme lucht of warm water) - geleiding Vaak wordt onder geleiding het totale warmtetransport bedoeld (geleiding, convectie en straling). De warmtegeleidingscoëfficiënt l geeft aan hoeveel warmte door een 1m dikke laag van 1 m² groot per seconde wordt doorgelaten als het temperatuurverschil van de beide oppervlakken 1 graad Celsius is. l wordt uitgedrukt in J/m.s. C. Een hoge l - waarde duidt op een goede geleiding en dus op een slechte isolatie. De warmtegeleidingscoëffi ciënten van een aantal materialen (in J/m.s. C) : aluminium 200 ijzer 50 baksteen 0,90 spaanplaat/triplex 0,17 hout 0,14 kunststofschuim 0,04 minerale wol 0,04 Hout heeft een vrij lage l, waardoor het goede isolerende eigenschappen bezit. Houten vensterramen isoleren zo veel beter dan die uit aluminium of ijzer. Materialen die specifi ek voor isolatie ontwikkeld zijn en zelf geen dragende rol kunnen vervullen, isoleren wel op hun beurt veel beter dan houten panelen Soortelijke warmte De soortelijke warmte van een materiaal is de warmte (energie) die aan 1 kg van het materiaal moet worden toegevoegd om de temperatuur ervan met 1 C te laten stijgen. Hout heeft een lage soortelijke warmte, ongeveer de helft van die van steen. Deze eigenschap maakt dat hout snel warm aanvoelt. In samenhang met de lage warmtegeleidingscoëfficiënt maakt de lage soortelijke warmte hout bij uitstek geschikt voor ruimten die niet regelmatig in gebruik zijn. Vloeren, wanden en meubels voelen na het aanzetten van de verwarming vlug aangenaam aan, ook al is de stenen muur erachter nog zeer koud Warmte-uitzettingscoëfficiënt Net zoals alle materialen zet hout door verwarming uit. De warmte-uitzettingscoëfficiënt van hout is echter zeer gering, zodat dit uitzetten in de praktijk kan verwaarloosd worden. Bovendien verliest hout bij opwarming meestal water, zodat het beneden het vezelverzadigingspunt gaat krimpen (zie hoger). Deze krimp overtreft in de praktijk bijna altijd het uitzetten door opwarming. Zelfs bij hoge temperaturen zal hout dus nog vormstabiel blijven, wat belangrijk is bij brand. Stalen balken hebben de eigenschap slap te worden, door het begin van een smeltproces, wat bij hout niet voorkomt. Hout brandt wel maar een dikker houten constructie-element vliegt ook niet zo snel in brand. Door de lage warmtegeleidingscoëfficiënt (nog lager bij verkoold hout) zal hout aan de binnenkant van een balk slechts zeer langzaam warmer worden. 32
33 Dikke houten spanten zijn dus een brandveilig constructiemateriaal, omdat het dak niet snel zal instorten en ze zelf geen brand zullen veroorzaken Visueel waarneembare eigenschappen De visueel waarneembare eigenschappen zijn van belang voor de houtherkenning. Het is dan ook van belang een aantal termen duidelijk te defi niëren. De kleur van hout is meestal een tint van bruin. Heel wat houtsoorten zijn ook zeer bleek, tot bijna wit. Maar ook andere kleuren komen voor : rood, oranje, geel, groenachtig, zwart, Blauw hout blijkt niet te bestaan. Een blauwe kleur is te wijten aan verkleurende schimmels (blauwschimmels, zie hoofdstuk ). Bij kernhoutsoorten is er een kleurverschil tussen kern en spint, waarbij dit laatste steeds bleek gekleurd is. Alle houtsoorten verdonkeren min of meer na verloop van een langere tijd. Sommige soorten vertonen echter meer uitgesproken en snellere kleurveranderingen in de periode vlak na het vellen. Met het begrip nerf geeft men aan of het hout is opgebouwd uit grote of kleine elementen. De nerf is een structurele eigenschap van het hout die met het blote oog en/of door aanraking kan waargenomen worden. De nerf kan fi jn, middelmatig of grof zijn. Houtsoorten met dunne vaten, weinig verschil tussen vroeg- en laathout en zonder andere grove structuurkenmerken hebben een fi jne nerf. Houtsoorten met een fi jne nerf zijn gegeerd voor houtsnijwerk en fi jne toepassingen zoals snijfi neer. Voor constructiehout mag de nerf bijvoorbeeld wel heel grof zijn. De draad is de algemene richting van de vezels en andere langs-elementen van het hout ten opzichte van de as van de boom. De draad kan bijvoorbeeld recht, schuin of golvend zijn. Planken met een schuine draad hebben in de regel minder goede sterkte-eigenschappen dan die met een rechte draad. Een golvende draad kan wel decoratief zijn. Tekening in het hout kan toe te schrijven zijn aan kleurverschillen en/of verschillen in structurele eigenschappen. Zo komen mooie vlammen op dosse zowel voor bij ringporige houtsoorten als bij naaldhoutsoorten met een duidelijk onderscheid tussen vroeg- en laathout. De fijne streepjestekening van olmen is dan weer te danken aan tangentiale parenchymebandjes en de spiegels bij kwartiers eiken aan de bijzonder grote houtstralen. Een aantal houtsoorten ontberen elke tekening. figuur 19 - Spiegels bij kwartiers eiken. 33
34 5. Mechanische eigenschappen Tot de mechanische eigenschappen van het hout worden de sterkte-eigenschappen en de elastische eigenschappen gerekend. Voor vele toepassingen is het van belang te weten hoe hout reageert op uitwendige krachten, welke in het hout inwendige spanningen opwekken, waardoor vormveranderingen ontstaan Kracht, spanning, vormverandering en sterkte Krachten worden uitgedrukt in Newton (N) of in kilogram kracht (kg ) waarbij 9,81N = 1kg. De inwendige spanning die ontstaat is bij een bepaalde kracht afhankelijk van de doorsnede waarop de kracht werkt. Werkt op een stuk hout een geleidelijk in grootte toenemende kracht, dan worden in het hout ook geleidelijk toenemende spanningen opgewekt. Bij trek zal het hout steeds langer worden totdat op een bepaald ogenblik de spanning zo groot wordt dat breuk optreedt. De samenhang van de weefsels gaat dan verloren, een proces dat vaak eerst slechts plaatselijk begint. De maximumspanning op het moment van de breuk wordt sterkte genoemd. figuur 20 - Gelijkblijvende kracht en toenemende spanning tot breukspanning. In het voorbeeld wordt aan houten balkjes getrokken, er wordt met andere woorden een trekkracht uitgeoefend van bijvoorbeeld 500N. In het eerste geval is de opgewekte inwendige spanning 500N per 2500mm² (50 x 50mm). De spanning is dan 0,2N/mm² (Newton per vierkante millimeter). In het tweede geval is de doorsnede van het hout kleiner en bij gelijkblijvende kracht dus de spanning groter : 0,4N/mm². In het derde geval is de doorsnede zo klein dat het hout breekt. Als het niet zou breken, zou de spanning 10N/mm² zijn. In de praktijk treedt bij trekbelasting meestal breuk op tussen 5 en 10N/mm². Eigenlijk is er sprake van twee uitwendige krachten die op het hout inwerken, want de bevestiging oefent een even grote, doch in richting tegengestelde kracht uit. 34
35 Krachten, spanningen en sterkte worden genoemd naar de wijze waarop het hout wordt belast. Dus bij druk spreekt men respectievelijk van drukkracht, drukspanning en druksterkte; bij trek van trekkracht, trekspanning en treksterkte Aan het optreden van krachten en spanningen zijn onverbrekelijk vormveranderingen verbonden. Bij bepaalde wijzen van belasting zijn deze vormveranderingen echter vaak zo klein dat ze niet met het blote oog waarneembaar zijn, doch enkel met instrumenten kunnen worden gemeten. Dit is bijvoorbeeld het geval met druk in de lengterichting Elasticiteit en elasticiteitsmodulus Elastisch noemt men die vormveranderingen welke door de elasticiteit of veerkracht van het hout weer verdwijnen, indien de op het hout inwerkende krachten en dus ook de daardoor opgewekte spanningen worden opgeheven. Vormveranderingen welke een blijvend karakter hebben, ook na opheffi ng van de veroorzakende krachten, noemt men plastisch (althans zolang geen breuk is opgetreden). Denken we ons weer een geleidelijk toenemende kracht in, dan zullen aanvankelijk de vormveranderingen elastisch zijn. Wordt echter een bepaald punt, dat we elasticiteitsgrens of evenredigheidsgrens noemen, overschreden, dan zullen de verdere vervormingen blijvend en dus plastisch zijn. De (elastische) vormveranderingen zijn aanvankelijk evenredig aan de grootte van de inwendige spanningen of, wat op hetzelfde neerkomt, aan de grootte van de uitwendige kracht. Verdubbeling van de kracht heeft ook verdubbeling van de vormverandering tot gevolg. Deze evenredigheid gaat echter slechts op tot de genoemde evenredigheidsgrens of elasticiteitsgrens. Voorbij dit punt neemt de (plastische) vormverandering bij gelijke toename van de spanning steeds sterker toe tot op het punt waarop de maximumspanning of sterkte is bereikt en breuk optreedt. Merk op dat ook reeds vooraleer breuk optreedt irreversibele vormveranderingen kunnen opgetreden zijn die het houten element onbruikbaar kunnen maken. figuur 21 - Het verband tussen toenemende spanning en vormverandering. 35
36 Tot aan de maximumspanning is dit proces voorgesteld in fi guur 21, waarbij op de verticale as de kracht of spanning en op de horizontale as de bijhorende vormverandering is uitgezet. Zolang de laatste evenredig is met de eerste (in het elastische bereik) krijgen we in de grafi ek een rechte lijn, doch na de evenredigheidsgrens (in het plastische bereik) buigt de lijn hoe langer hoe sterker af van deze rechte tot de maximale spanning is bereikt. Een maatstaf voor de elasticiteit of stijfheid in het gebied beneden de evenredigheidsgrens is de elasticiteitsmodulus, welke het verband weergeeft tussen de spanning en de vormverandering. De zogenaamde stijfheid van een materiaal wordt bepaald door de mate van weerstand tegen vormveranderingen, die het bij belasting biedt. Hoe meer belasting nodig is (bij gelijke afmetingen) om eenzelfde (elastische) vormverandering te verkrijgen, hoe stijver het materiaal is en hoe groter de elasticiteitsmodulus. Het is bij constructieberekeningen een belangrijke waarde, die dan ook bij veel houtbeschrijvingen opgegeven wordt. De elasticiteitsmodulus wordt wel steeds gemeten op foutvrije stukken Kruip en relaxatie Zoals wij reeds zagen treden bij spanningen boven de elasticiteitsgrens plastische vormveranderingen op. Ook bij spanningen beneden die grens kunnen echter plastische vormveranderingen optreden, indien een kracht gedurende langere tijd op het hout blijft inwerken. De evenredigheidsgrens schuift met de tijd dat de spanning duurt naar beneden op. We kunnen hier het voorbeeld nemen van een doorbuigende boekenplank. Men zet de boeken erop en de plank blijkt door te buigen. Wanneer men dan de boeken er dadelijk weer afneemt komt de plank weer volledig recht. De vormverandering bleek elastisch. Wanneer men dezelfde boeken echter enkele weken op deze plank laat staan, kan het zijn dat de plank niet meer rechtkomt. Dan heeft men dus een plastische vormverandering teweeggebracht. De aanvankelijk elastische vormverandering zal met de tijd nog toenemen. Deze toename wordt echter met de tijd geringer totdat zij praktisch kan verwaarloosd worden. Dan heeft zich een nieuwe evenwichtstoestand ingesteld met een plastische vormverandering (de permanent doorgebogen boekenplank, die echter niet verder doorbuigt en ook niet zal breken). Deze plastische en aan de tijd gebonden toename van vormverandering wordt kruip genoemd. Let op, want ook de maximale spanning of de sterkte kan dalen met de tijd dat de belasting duurt. Zo zal een balkje een zware belasting, die boven de evenredigheidsgrens maar onder de breukbelasting ligt, wel enige tijd kunnen dragen, doch indien de veroorzakende kracht constant op het hout blijft inwerken zal na min of meer lange duur (bijvoorbeeld een week of een maand) toch breuk optreden. Men kan ook stellen dat bij langdurende belasting de sterkte kleiner is dan bij kortdurende. De hoofdreden voor deze fenomenen is dat een boom weerstand moet kunnen bieden tegen plotse windstoten. Bij langdurige belasting zal de levende boom andere technieken gebruiken, zoals het vormen van reactiehout (zie verder). Relaxatie is een iets ander verschijnsel, dat echter wel met kruip samenhangt. Dit kan het best aan de hand van een voorbeeld worden verklaard. Indien men een boogwapen opspant, zal de boog op den duur verslappen als de spanning aanwezig blijft. Er is minder kracht nodig om hem weer op te spannen. Een boog moet daarom na gebruik steeds worden losgemaakt. Deze verslapping of relaxatie treedt dan niet op. 36
37 5.4. Eigenschappen bij belasting Tengevolge van de typische houtstructuur kunnen de eigenschappen in de drie hoofdrichtingen (lengte, radiaal en tangentiaal) zeer sterk verschillen. Dit noemt men anisotropie en kwam reeds aan bod bij de bespreking van krimp en zwel. Ook bij de mechanische eigenschappen zijn de verschillen (in sterkte) het grootst tussen de lengterichting en de dwarsrichtingen Druk figuur 22 - Schematische weergave van de diverse belastingswijzen. In de praktijk komt druk in vele gevallen voor, zowel evenwijdig als loodrecht op de vezelrichting of vezel. Meestal spreekt men kortweg van vezel voor de hoofdrichting van de vezels in het desbetreffende stuk hout. Druk evenwijdig aan de vezel komt bijvoorbeeld voor bij kolommen, stutten en heipalen, maar ook in poten van meubels. Wanneer de drukspanning evenwijdig aan de vezel boven de druksterkte gaat, knikken de vezels in het houten element, wat een weinig spectaculaire, maar wel wezenlijke beschadiging uitmaakt. Druk loodrecht op de vezel vinden we bijvoorbeeld veel in constructies waar een balk op een kolom of een muur wordt gelegd, maar ook in (niet-kopse) parketvloeren. Het resultaat van een overschrijding van de druksterkte is een blijvende samendrukking van het hout. Deze eigenschap wordt gebruikt om houten elementen te persen en zo hun eigenschappen te verbeteren Trek Trek evenwijdig aan de vezel komt in de praktijk voornamelijk voor in constructies, waar bepaalde (horizontale) balken het geheel dienen bij elkaar te houden. Trek loodrecht op de vezel komt in de bouwpraktijk slechts weinig voor en dient er vermeden te worden aangezien hout hiertegen zeer slecht bestand is. Deze zwakte van hout wordt wel gebruikt om hout te kunnen klieven (brandhout aanmaken, duigen voor wijnvaten, ). 37
38 Evenwijdig aan de vezel is voor foutvrij hout de treksterkte veel groter dan de druksterkte. Globaal kan men zeggen dat in deze richting de treksterkte 2 à 3 maal zo groot is als de druksterkte, terwijl voor nat hout het verschil nog groter is Buiging Bij statische buiging betreft het een langzaam en geleidelijk toenemende belasting. Dit komt in de praktijk zeer veel voor : vloeren, dakgebinten, steigerplanken, legplanken van meubels, enz. Goed buigbaar noemt men hout dat sterk kan worden gebogen zonder dat breuk optreedt, onverschillig of hiervoor een grote of kleine kracht nodig is. In het geval dat de benodigde kracht gering is noemt men het hout buigzaam. Het is in vele gevallen van belang om te weten hoe hout reageert op plotseling optredende en dan meestal kort of zeer kort durende buigkrachten (bijvoorbeeld schokken). Men spreekt in deze context van dynamische buiging en schokweerstand. Dit is van tel bij gereedschapsstelen en bij aanlegsteigers voor schepen. Globaal kan worden gesteld dat de spanning die in hout onder een zeer kortdurende (schok-) belasting kan worden toegelaten, circa twee maal zo groot is als bij een uitsluitend statische belasting van bijvoorbeeld enkele jaren. Windbelasting (enkele uren) en sneeuwbelasting (enkele weken) zijn daarom wat minder erg dan een even grote blijvende statische belasting. Taai noemt men hout dat een grote vormverandering kan ondergaan voordat de eerste breukverschijnselen optreden, doch dat ook daarna, tot de volledige breuk, nog in staat is om onder verdere sterke doorbuiging, betrekkelijk grote krachten te weerstaan. Taai hout vertoont een langsplinterige breuk. In het tegenovergestelde geval, bij bros hout, is de breuk kortsplinterig of kort. Taai hout, bijvoorbeeld snelgegroeide es, wordt onder andere voor gereedschapsstelen gebruikt. Bij doorbuiging treden drukspanningen op langs de bovenzijde (of de zijde waar de buigende kracht wordt uitgeoefend) en trekspanningen langs de andere zijde. In het midden van het houten element bevindt zich dan een neutrale zone (zie fi guren 22 en 23). figuur 23 - In beide gevallen is de kracht K gelijk. In het bovenste geval is de doorbuiging groter. In het onderste geval treedt bij s schuifspanning op, die de doorbuiging tegenwerkt Afschuiving Schuifspanning treedt op in balkverbindingen, zoals aangegeven in fi guur 22. Maar ook in balken die door buiging worden belast, treedt het verschijnsel op, namelijk aan de balkuiteinden op halve hoogte (zie fi guur 23). 38
39 De richting van de kracht loopt bij schuifspanning evenwijdig aan de vezelrichting. Wanneer het hout onder schuifspanning bezwijkt treedt afschuiving op Hardheid en afslijtweerstand De hardheid is een belangrijk kenmerk voor houtsoorten, bijvoorbeemd voor parket, tafelbladen en snijplanken. Hardheidsbepalingen gebeuren meestal volgens het gestandaardiseerde systeem van de Janka-hardheid, waarbij een halve bol van metaal in het hout wordt gedrukt. De hardheid neemt over het algemeen zeer sterk toe met de volumieke massa. Op het kopse vlak is de hardheid groter dan op de andere vlakken. De afslijtweerstand is van belang bij houten vloeren en bij mechanische, bewegende onderdelen. De afslijtweerstand van houtsoorten is op het kopse vlak eveneens aanzienlijk groter dan op de langsvlakken en vertoont verder vrij grote overeenkomst met de hardheid. Er is dus hard hout met een hoge hardheid en zacht hout met een lage hardheid. In de Nederlandse taal en dan vooral bij milieuactivisten heeft de term tropisch hardhout ingang gevonden, als een ongelukkige vertaling van het Engelse tropical hardwood, wat gewoon loofhout uit de tropen betekent (softwood = naaldhout). Nu staat er in de tropen weinig naaldhout en is het meeste naaldhout inderdaad nogal zacht. Er is echter heel wat loofhout dat beduidend zachter is dan een goed deel van het naaldhout. Engelstalige houtkenners zijn zich wel bewust van deze taalkundige beperking, die we in het Nederlands gelukkig niet hebben De invloed van onvolkomenheden De invloed van kwasten op de sterkte hangt af van : - de grootte van de kwasten in verhouding tot de afmetingen van het hout - het al dan niet dicht opeen voorkomen (bijvoorbeeld takkransen) - de plaats in het houten element. Deze laatste factor bespreken we voor het geval van een op buiging belaste balk (fi guur 22). Indien een kwast met een bepaalde grootte ongeveer halverwege de balklengte voorkomt, dan zal de invloed op de sterkte veel groter zijn dan wanneer éénzelfde kwast dicht bij één der steunpunten voorkomt. Komt de kwast op halve hoogte voor (dus in de omgeving van de neutrale zone ), dan zal de invloed veel geringer zijn dan wanneer zij zou voorkomen aan de boven- of onderzijde. Zeker aan de onderzijde kan door een onvolkomenheid gemakkelijk breuk ontstaan als gevolg van de aanwezige trekkrachten. Het gebeurt nogal eens dat de vezelrichting (draad) niet evenwijdig loopt met de lengte-as van het hout, bijvoorbeeld door verkeerd zagen, kromme bomen, draaigroei of andere afwijkingen van de bomen. De sterkte-eigenschappen worden door het draadverloop in hoge mate beïnvloed. De treksterkte van een stuk hout met scheve draad zal bijvoorbeeld belangrijk geringer zijn. Dat scheuren (bijvoorbeeld door onzorgvuldig drogen) en biologische aantastingen zoals insectengangen en houtrot door schimmels de sterkte-eigenschappen van het hout drastisch kunnen verminderen, spreekt voor zich. 39
40 6. Chemische samenstelling 6.1. Algemeen Droog hout is voornamelijk opgebouwd uit de volgende stoffen (in % van het drooggewicht) : - cellulose 40-50% - lignine 16-25% bij loofhout 23-33% bij naaldhout - hemi-cellulose 20-30%bij loofhout 15-20% bij naaldhout - inhoudsstoffen 5-30% - mineralen 0,1-3% De eigenlijke structuur van het hout wordt gevormd door de vezelvormige structuur van de cellulose (en hemi-cellulose), waarbij de lignine het natuurlijke bindmiddel vormt. In constructietermen betekent dit dat de sterkte van het hout tot stand komt door de treksterkte van de cellulose (en hemi-cellulose) enerzijds en de druksterkte van de lignine anderzijds. Het principe van gewapend beton komt op hetzelfde neer (staal = cellulose, beton = lignine), maar in hout is de structuur veel meer ingewikkeld Cellulose Cellulose is één van de meest overvloedig voorkomende organische stoffen op aarde, niet alleen bij bomen maar ook bij de andere planten. Katoenvezels bestaan uit pure cellulose, hout bestaat er voor ongeveer de helft uit. Eén cellulosemolecule bestaat uit een snoer van duizenden moleculen glucose (druivensuiker). Cellulose is wit van kleur en bestaat uit fi jne draadjes. De cellulose voor de papierfabricage wordt in de regel gewonnen uit hout, maar ook sommige grasachtige planten komen hier zeer goed voor in aanmerking. Bij katoen wordt het vruchtpluis geoogst voor de textielindustrie. Cellulose wordt ook gebruikt in de chemische industrie als grondstof voor synthetische producten (weefsels, foliën, lakken, explosieven, ). Het is dus één van de belangrijkste en meest veelzijdige grondstoffen voor de economie Lignine Lignine is een vulstof, typisch voor het hout en daarom ook wel eens houtstof genoemd. Naaldhout bevat beduidend meer lignine dan loofhout. Het bestaat uit grote, driedimensionele moleculen met een ingewikkelde samenstelling. De kleur is donkerder en in de papierindustrie is het een hinderlijk bijproduct. 40
41 6.4. Hemi-cellulose Hemi-cellulose is nauw verwant aan cellulose. Het zijn eveneens draadachtige structuren opgebouwd uit suikermoleculen. Hemi-cellulose bevat echter niet alleen glucosemoleculen (druivensuiker), maar ook andere suikers. Ook zijn de snoeren aanzienlijk korter dan bij cellulose ( slechts een paar honderd suikermoleculen). Loofhout bevat meer hemi-cellulose dan naaldhout Inhoudsstoffen en mineralen Inhoudsstoffen en mineralen vormen in tegenstelling tot de 3 hoger genoemde bouwstenen geen onderdeel van de opbouwende structuur van het hout zelf. Ze dragen echter wel bij aan eigenschappen zoals kleur, reuk, duurzaamheid, sterkte en volumieke massa. Vele inhoudsstoffen komen vrijwel uitsluitend voor in het kernhout van bepaalde houtsoorten. Het kunnen looistoffen, vluchtige oliën, vetten, harsen, wassen, gommen en zetmeel zijn. Ze zijn oplosbaar in organische oplosmiddelen of ook wel in water. Ook diverse mineralen (anorganisch) komen in het hout voor, eventueel onder de vorm van kristallen die onder de microscoop zichtbaar zijn. We vinden bijvoorbeeld calcium, natrium en magnesium onder de vorm van carbonaten, fosfaten, silicaten en sulfaten. 41
42 7. Duurzaamheid Duurzaamheid mag niet verward worden met sterkte-eigenschappen of met de prijs (duurte) van het hout. Duurzaamheid betreft de weerstand tegen aantastingen die voornamelijk van biologische aard zijn. De term duurzaamheid slaat dus op de duur dat een houten element zijn functie kan vervullen. Het feit dat hout kan rotten en aangetast raken is op zichzelf ecologisch gezien een zeer positief feit, aangezien het in de natuur de recyclage van voedingsbestanddelen mogelijk maakt, nadat het hout de boom gediend heeft. Op dit afbraak- en recyclageproces heeft zich een zeer aanzienlijk deel van de biodiversiteit op aarde gespecialiseerd. Wanneer we hout willen gebruiken als grondstof worden deze fenomenen eventueel een probleem, alhoewel de overgrote meerderheid van de houtaantastende organismen nooit in onze houten constructies wordt waargenomen Natuurlijke duurzaamheid Bij de conventionele natuurlijke duurzaamheid van het kernhout (spinthout is steeds niet duurzaam ), worden alle houtsoorten ingedeeld in 5 duurzaamheidsklassen (zie tabel). Deze klassen worden bepaald op basis van de levensduur van een onbehandeld paaltje van 5 x 5 cm doorsnede in contact met de grond en de daar van nature aanwezige houtaantastende organismen (bij ons in de eerste plaats zwammen). Men spreekt wel eens van kerkhofproeven, waarbij de paaltjes half in de grond worden geklopt. De hevigste aantasting doet zich meestal voor ter hoogte van het grondoppervlak. Bovengronds en meestal ook dieper onder de grond verloopt de aantasting beduidend trager. Conventionele natuurlijke duurzaamheid (kernhout) : duurzaamheidsklasse beoordeling levensduur paaltje 5 x 5 cm I zeer duurzaam > 25 jaar II duurzaam 15 tot 25 jaar III matig duurzaam 10 tot 15 jaar IV weinig duurzaam 5 tot 10 jaar V niet duurzaam/vergankelijk < 5 jaar De duurzaamheid is zeer sterk afhankelijk van de omstandigheden. Het systeem van de conventionele natuurlijke duurzaamheid geldt dus voor gewone buitensituaties in grondcontact. Voor onbehandeld buitenschrijnwerk in het algemeen is minstens duurzaamheidsklasse III vereist. In droge lokalen binnenshuis kunnen alle houtsoorten echter onbeperkt mee. In het Egyptische woestijnklimaat waar het (bijna) nooit regent, vindt men zelfs perfect bewaarde houten voorwerpen, die duizenden jaren onder de grond hebben doorgebracht. Geen enkele inheemse boomsoort haalt duurzaamheidsklasse I, de meeste zitten zelfs in de laagste klasse en zijn dus vergankelijk. Van nature zeer duurzame houtsoorten moeten we invoeren (uit de tropen), maar er zijn tropische houtsoorten in alle duurzaamheidsklassen, ook in de laagste. In ieder geval beschikken een aantal tropische landen hiermee over een gewaardeerde grondstof met zeer goede eigenschappen. 42
43 Er is een grove relatie tussen de volumieke massa en de natuurlijke duurzaamheid : hoe zwaarder het hout, hoe duurzamer, maar dit is hoegenaamd geen absolute regel Houtaantastende organismen De voornaamste houtaantastende organismen zijn schimmels en insecten (bij ons vooral keverlarven). Weekdieren en kreeftachtigen zijn alleen een probleem voor houten constructies in contact met zeewater. Bacteriën spelen bijna altijd een ondergeschikte rol. Naast de biologische aantasting van hout bestaat er ook een zuiver chemische en fysische afbraak als gevolg van de inwerking van atmosferische invloeden, zoals licht (opwarming, UV-stralen), lucht (wind, verontreinigingen) en water (inslag van regendruppels, inwerking van het regenwater) waarbij het hout vergrijst. Dit blijft meestal beperkt tot een dunne, oppervlakkige laag en het is een vrij traag proces. Houtaantastingen door gewone slijtage en vuur mogen niet verward worden met de hoger vermelde processen Schimmels Schimmels kunnen houten constructies grondig vernietigen, maar hiervoor hebben ze wel vocht nodig. Als vuistregel wordt aangenomen dat een minimumvochtgehalte van 20% vereist is voor schimmelgroei. Hout binnenshuis is normaal droger dan dit percentage zodat schimmelgroei kan vermeden worden door het hout voldoende droog te houden Schimmels die de celwanden niet aantasten Heel wat schimmels die op en in hout voorkomen blijken de celwanden en dus de eigenlijke houtstructuur niet wezenlijk aan te tasten. Ze leven vooral van de celinhouden in het hout en hun vruchtlichamen zijn microscopisch klein. Ze komen zowel op loofhout als op naaldhout voor. De blauwschimmels zijn opvallend blauwachtig of grijs gekleurd en door hun massale aanwezigheid kunnen ze het hout volledig verkleuren. Dit proces kan vrij snel verlopen en is vooral een probleem bij spint en bleek gekleurde houtsoorten (vooral bij grenenspint). Pas geveld hout dat onvoldoende snel droogt en warm genoeg ligt, kan op 1 seizoen tijd door en door verkleuren. Dit is één van de redenen waarom vellingen bij voorkeur in de winter gebeuren. Deze verkleuring door blauwschimmels heeft slechts een geringe invloed op de sterkte van het hout. Het is vooral een esthetisch probleem dat het hout wel sterk in verkoopswaarde kan doen dalen. figuur 24 - Houten gevelbekleding aangetast door blauwschimmel. 43
44 De zogenaamde oppervlakteschimmels tonen zich door de vorming van gekleurde sporen op het houtoppervlak. Dit kan wel massaal gebeuren zodat we met het blote oog vuile vlekken kunnen waarnemen. De schimmeldraden zelf zijn kleurloos en gaan niet diep in de houtstructuur, zodat het hier een vrij onschuldig esthetisch probleem betreft Houtrot veroorzakende schimmels die de celwanden aantasten Houtrotschimmels die de celwanden in het hout zelf aantasten richten ongetwijfeld wel grote schade aan. Op enkele maanden tijd kan het hout tot meer dan één derde van zijn volumieke massa verliezen. De achteruitgang in sterkte kan nog sneller en nog drastischer zijn. Een houten constructie kan dus wel degelijk op 1 seizoen aan houtrotschimmels ten gronde gaan. Aantasting van hout door schimmels kan men herkennen aan bepaalde kleurveranderingen die erin optreden. Microscopisch kan vastgesteld worden of er schimmeldraden aanwezig zijn. Maar kleur en schimmeldraden zeggen nog weinig over de aanwezigheid van echte houtrotschimmels. Rottend hout verliest zijn structuur en wordt zachter; dit kan met een puntig hard voorwerp vastgesteld worden. Hout, aangetast door rotschimmels, klinkt bij het bekloppen ook doffer dan gezond hout. Men onderscheidt voornamelijk 2 hoofdtypes in de houtrotschimmels : bruinrot en witrot. figuur 25 - Witrot. Bij witrot worden zowel de lignine als de cellulose in het hout afgebroken. De schimmel is dus niet zo selectief en de meeste houtrotschimmels blijken witrot te veroorzaken. Omdat er nu eenmaal meer cellulose dan lignine in hout zit blijft er cellulose over. Het hout vergaat tot een bleke vezelige massa van vooral cellulose, vandaar ook de naam vezelig rot. Witrot wordt vooral beschouwd als een probleem voor loofhout en één van de meest bekende witrotschimmels is het Elfenbankje. Deze is zowel algemeen in het bosecosysteem als bij menselijke constructies een geduchte aantaster. 44
45 figuur 26 - Bruinrot. Bij bruinrot wordt specifi ek de cellulose in het hout afgebroken, de bruinachtige lignine blijft over. Het wordt veroorzaakt door een relatief klein aantal hooggespecialiseerde schimmelsoorten. Het hout wordt donkerder en vertoont bij droging krimpscheuren in de lengte- en in de dwarsrichting, vandaar ook de naam kubiek rot. Uiteindelijk kan het hout tussen de vingers gemakkelijk tot een bruin poeder gewreven worden. Bruinrot is vooral een probleem in naaldhoutconstructies, maar ook loofhout kan aangetast raken. De meest tot de verbeelding sprekende bruinrotter is de Huiszwam, een groot organisme dat over een soort sapkanalen beschikt en zo vocht kan transporteren naar drogere plaatsen. Deze zwam is in staat het houtwerk van hele huizen weg te vreten indien hij beschikt over een sterke uitvalsbasis, wat bijvoorbeeld een naastliggende krotwoning kan zijn. De Huiszwam is een groot probleem in onze oude binnensteden, mede omdat hij in staat is door muren heen te groeien. In de natuur komt de Huiszwam (haast) niet voor zodat we hem kunnen bestempelen als een cultuurvolger. Een andere bekende en gevreesde bruinrotter is de Kelderzwam, die enkel voorkomt in vochtige omstandigheden, maar daar wel snel zeer grote schade kan aanrichten, ook aan hout waar andere houtzwammen niet in kunnen leven. Dergelijke zwammen waren ook een groot probleem voor het hout gebruikt in ondergrondse mijngangen. Daarnaast wordt er ook wel zachtrot gevonden. Het betreft hier een tragere aantasting, welke zich voor kan doen in (zeer) vochtige omstandigheden en het hout (oppervlakkig) zachter maakt. Het betreft kleine schimmeltjes waarvan de schimmeldraden in de celwanden van de houtcellen leven. Bij bruin- en witrotters daarentegen vallen de schimmeldraden de celwanden aan vanuit de celholten. Zachtrot is daarom relatief moeilijker te bestrijden Insecten Men spreekt vaak over houtwormen, maar de meeste houtaantastende dieren zijn geen echte wormen doch insectenlarven. Veruit de meesten zijn keverlarven, waarbij het volwassen dier het hout haast niet beschadigt. Net zoals bij de schimmels zijn er zeer veel soorten in de natuur terwijl slechts enkelen ook huis houden in menselijke constructies. 45
46 In Vlaanderen komen geen termieten inheems voor en dat is een geluk, aangezien het heel effi ciënte houtvernielers zijn met een heel eigen systeem. In warmere streken (vanaf Zuid-Europa) concurreren ze met de kevers voor de titel van sterkste houtaantasters Nathoutboorders Nathoutboorders leven in zieke, staande bomen of pas geveld hout. Het hout is nog nat of bezig met het eerste droogproces. Het milieu waarin nathoutboorders zich ontwikkelen wordt dus voor hen al snel ongeschikt. Wanneer het hout opnieuw bevochtigd zou worden, kunnen de nathoutboorders zich niet opnieuw vestigen. Blijkbaar zijn vers hout en opnieuw bevochtigd hout te sterk van elkaar verschillend als groeimilieu. Meestal kan zich in één bepaald stuk hout slechts één generatie van de nathoutboorders ontwikkelen. De meeste soorten kunnen echter goed vliegen, zodat de volwassen dieren ergens wel een vers stuk hout kunnen vinden om eieren op te leggen. Nathoutboorders zijn dus niet zo n probleem in constructies, wel eventueel bij de bosexploitatie, het houttransport of in de houtvoorraad van de houtverwerkende industrie. Heel wat zogenaamde nathoutboorders gaan niet diep in het eigenlijke hout, ze zijn vooral uit op het voedselrijke fl oëem van de stervende boom. Dergelijke kevers zijn meestal zeer klein en de larven ontwikkelen zich snel in dit voedselrijke milieu. Ze worden ook wel bastkevers of schorskevers genoemd, maar de eigenlijke schors is een eerder voedselarm milieu. figuur 27 - Oppervlakkige gangen veroorzaakt door een bastkever. Een meer vervelende groep onder de nathoutboorders zijn de ambrosiakevers. Men spreekt ook wel eens van zwarte wormsteken. Ze zijn 3 tot 6 mm lang en brengen schimmels in het hout welke zich rondom de gangen ontwikkelen. Het hout kleurt er donker omwille van de gekleurde schimmeldraden. De beschadiging van het hout is echter vooral esthetisch van aard De houtwespen vormen verder een belangrijke groep, welke niet tot de kevers, maar tot de 46
47 vliesvleugeligen behoren. Ze lijken op de gewone wespen, maar bezitten geen wespentaille. De aantasting begint in vers hout, maar de diertjes kunnen hun ontwikkeling voltooien in droog geworden hout. Typisch zijn de ronde uitvliegopeningen (in tegenstelling tot de boktorren, zie verder) Drooghoutboorders figuur 28 - Ronde uitvliegopeningen van een houtwesp. Drooghoutboorders zijn bij ons de meest gevreesde houtaantastende dieren. Ze komen zelfs met minder vocht toe dan de schimmels en zijn in staat hout aan te tasten binnen in huizen, zowel constructieëlementen als meubels. Volledig droog (ovendroog) hout is ook voor hen onmogelijk aan te tasten, maar 16 % vochtgehalte is reeds voldoende. Gelukkig verloopt de ontwikkeling van de larven in het ongastvrije milieu van droger hout bijzonder traag. Daartegenover staat dat verschillende generaties kevers na elkaar hetzelfde stuk hout geleidelijk aan totaal kunnen vernietigen. figuur 29 - Houten muur volledig vernietigd door boktor; bemerk de ovale openingen. 47
48 De Huisboktor is de grootste (10-22mm) en allicht ook de schadelijkste drooghoutboorder. In onze bossen leven nog tal van andere boktorren, vaak herkenbaar aan hun opvallend lange sprieten. Slechts enkele soorten zijn ook nog terug te vinden in verwerkt hout. Alle boktorren hebben pootloze larven die typische, op doorsnede ovale, gangen in het hout boren. Ook de uitvliegopeningen van de volwassen dieren zijn ovaal (bij de houtwespen, zie bij de nathoutboorders, zijn ze rond). Huisboktor tast vooral houten balken uit naaldhout aan. De ontwikkeling van de larven duurt 4 à 5 jaar en na verloop van jaren kunnen hele dakconstructies vernield worden. figuur 30 - Huisboktor. De meest algemene drooghoutboorder is de Kleine klopkever (Doodskloppertje, Gewone houtworm, Memel, Kleine knaagkever). Het is een algemeen bekend 2 tot 5 mm lang, donkerbruin tot zwart kevertje. De larven hebben een kommavorm en bezitten 6 pootjes. De boorgangen zijn rond op doorsnede met een diameter tot 2 mm, waarbij het boormeel korrelachtig is. Zowel naald- als loofhout wordt aangetast : daken, vloeren, meubels, beeldhouwwerk, Meestal blijft de aantasting echter beperkt tot het spinthout en verloopt de aantasting traag. figuur 31 - Kleine klopkever (Doodskloppertje). De Spinthoutkever, beter bekend onder zijn wetenschappelijke naam Lyctus, tast alleen zetmeel bevattend loofhout aan. Het diertje is van dezelfde grootteorde als de Kleine klopkever, maar slanker. Het boormeel is niet korrelig maar bloemig. De aantasting kan wel spectaculair en snel zijn, tot in multiplex en relatief zeer droog hout toe. Deze kever is vooral een probleem in ingevoerd tropisch hout, maar kweekt zich ook bij ons in gunstige omstandigheden met gemak voort. 48
49 7.3. Verduurzaming en andere houtbehandelingen Verduurzaming betekent het hout resistenter maken tegen aantastingen, die in de regel biologisch van aard zijn. De kunstmatig verkregen duurzaamheid is dan hoger dan de natuurlijke duurzaamheid (zie hoger). Hierbij moet opgemerkt worden dat er verschillende risicoklassen zijn. Buitenschrijnwerk in grondcontact (tuinhuisjes, afsluitingen, speeltuigen, ) staat onder veel zwaardere druk dan buitenschrijnwerk zonder grondcontact (raamkozijnen, buitendeuren, ), wat dan weer meer te verduren kan krijgen dan hout binnenshuis, dat nooit bevochtigd wordt (meubels, plafondbedekking, ). In vele gevallen behoeft men geen duurzamere houtsoort of hoeft het hout geen behandeling te krijgen. Ook architectonische maatregelen zijn zeer belangrijk, zoniet het belangrijkst : bestrijding van opstijgend vocht, vermijden van grondcontact bij buitenschrijnwerk, overstekende stukken dak, enz. De algemene regel is : houtverduurzaming waar het moet, niet waar het kan Verduurzaming Er zijn heel veel producten en technieken voor houtverduurzaming op de markt. De meeste werken preventief, enkele zijn ook curatief. Bij dit laatste wordt de aanwezige infectie gestopt en elke nieuwe infectie voorkomen. Curatieve behandelingen zijn in de praktijk vaak uiterst moeilijk, zodat een preventieve behandeling, waar nodig, veruit te verkiezen valt. De meeste verduurzamingsbehandelingen werken chemisch met één of ander product, dat met het hout verbonden wordt en in vloeibare vorm wordt toegepast. Het oplosmiddel is meestal water of een petroleumderivaat (solventgedragen, olieachtig). Daarnaast bestaan er ook nog creosoot en aanverwante producten. Dit zijn distillatieproducten van steenkoolteer, die een blijvende geur en verkleuring opleveren. Het hout is vervuilend en irriterend bij het aanraken, zodat de toepassing ervan om praktische en milieuredenen sterk verminderd is. Watergedragen producten winnen veld omwille van de milieuvriendelijkheid (reukloos, nietbrandbaar, ) en de lagere prijs. Ook de technologie van de samenstelling van watergedragen houtbeschermingsproducten gaat er duidelijk op vooruit. Ze kunnen bestaan uit oplossingen van minerale zouten of emulsies/dispersies van meer ingewikkelde organische moleculen. Vooral koperzouten die het hout groen kleuren, worden veel gebruikt. figuur 32 - Alleen in de randzone blijkt er hier voldoende houtbeschermingsmiddel aanwezig om het rot tegen te gaan. 49
50 Het product kan oppervlakkig op het hout geborsteld of gespoten worden. Vaak wordt het hout ook ondergedompeld of gedrenkt in bakken. Het meeste product krijgt men in het hout door technieken waarbij men in ketels het hout blootstelt aan vacuüm en/of druk (diepimpregnatie). Het niveau van de bekomen kunstmatige duurzaamheid wordt bepaald door : - de natuurlijke duurzaamheid van het hout zelf - de chemische samenstelling van het houtbeschermingsproduct - de hoeveelheid opgeslorpte oplossing in het hout - de indringingsdiepte - de graad van fi xatie van het product in de houtstructuur (Als het er bij de eerste bevochtiging allemaal uitspoelt is dat ook niet erg effi ciënt.) Hierbij valt op te merken dat spinthout zelf niet duurzaam is, maar zich gewoonlijk wel heel gemakkelijk laat verduurzamen. De grootste problemen doen zich voor bij houtsoorten die zelf onvoldoende duurzaam zijn voor de toepassing in kwestie, en zich ook niet laten verduurzamen omdat ze heel moeilijk producten toelaten. Naast deze klassieke chemische verduurzamingstechnieken zijn er nu ook thermische behandelingen ( koken, drogen en bakken ), al dan niet gekoppeld aan een drukbehandeling, die vanuit verschillende landen onder verschillende benamingen gecommercialiseerd worden. Het hout is hierna zodanig van samenstelling veranderd dat de normale biologische aantastingen niet meer voor kunnen komen. Deze technieken vragen wel veel energie, maar kunnen verder heel milieuvriendelijk zijn, ook omdat het hout na gebruik (bvb. afbraak van het huis) zeer schoon kan verbrand worden. Dit is met de klassieke chemische houtverduurzaming niet altijd mogelijk. Behandeld hout wordt dan in mindere of meerdere mate chemisch afval Oppervlakteafwerking Oppervlakteafwerking en verduurzaming van hout worden vaak met elkaar verward. Bij oppervlakteafwerking betreft het enkel de buitenste laag van het hout die met een bepaald product wordt bespoten of bestreken. Het kan hierbij zowel om watergedragen als oliegedragen producten gaan. Hun doel is de oppervlakkige degradatie van het hout tegen te gaan, het hout te kleuren, water af te stoten, UV-stralen te weren, oppervlakteschimmels te weren, enz. Ze kunnen een oppervlakkige laag over het hout leggen (fi lmvormend : verf of vernis) of juist niet (beitsen). De meeste dergelijke producten gaan in ieder geval niet diep in het hout. Oppervlakteafwerking draagt niet steeds bij tot de duurzaamheid. Het is zelfs mogelijk dat een oppervlakkige fi lmvormende laag ervoor zorgt dat de houten elementen langer vochtig blijven, en zo sneller gaan rotten dan volledig onbehandeld hout. Indien nodig moet dan ook zowel een verduurzaming als een oppervlakteafwerking voorzien worden. 50
51 8. De belangrijkste houtsoorten uit de Vlaamse bossen Houtig plantenweefsel komt ook voor in struiken en houtige lianen (Klimop, Wilde kamperfoelie en Bosrank). In het kader van deze cursus wordt hier echter niet dieper op ingegaan Loofhout Europees eiken Alle eikenhout is gemakkelijk herkenbaar aan de combinatie van de volgende kenmerken : - ringporigheid - zeer grote houtstralen welke spiegels vormen op kwartiers Daarbij is het een kernhoutsoort met een naar onze normen hoge volumieke massa. Vers Europees eikenhout heeft doorgaans geelbruin kernhout, waarin de vaten afgesloten zijn door thyllen. De volgens gangbare normen typische donkerbruine kleur komt pas na jaren of na een behandeling met een kleurend product. Er is geen wezenlijk verschil in houteigenschappen tussen Winter- en Zomereik. Onder onze inheemse boomsoorten staan de Zomer- en de Wintereik op eenzame hoogte door een combinatie van bosbouwkundige en houttechnologische eigenschappen : - groeien op allerhande bodems - volledig aangepast aan ons klimaat - grote bomen met een goede stamvorm (eventueel na vormsnoei in de jeugd) - duurzaam tot matig duurzaam hout - vrij sterk hout - decoratief hout (vlammen op dosse, spiegels op kwartiers) Onder andere deze factoren maken dat onze inlandse eiken reeds vele eeuwen zeer belangrijk zijn in onze bossen onder menselijk beheer. We nemen trouwens aan dat ze dit ook zouden zijn zonder menselijke invloed. De inlandse eiken en hun hout blijven onverminderd populair en zullen dus ook in de toekomst een belangrijk onderdeel van het Vlaamse bos blijven. Onder de nadelen van Europees eikenhout kan genoteerd worden dat het hout sterk kan werken en dat bij onoordeelkundig drogen scheuren kunnen optreden. Europees eikenhout heeft zeer vele toepassingen : buiten- en binnenschrijnwerk, meubelen, waterbouwwerken, dwarsliggers, fi neer, sculpturen, draaiwerk, (wijn)vaten en parket. Vroeger werd het meer dan nu gebruikt voor constructies en schepen. 51
52 figuur 33 - (rood) Amerikaans eiken heeft vers gezaagd een rodere kleur dan Europees eiken (rood) Amerikaans eiken De Amerikaanse eik (Quercus rubra) levert rood Amerikaans eiken, waarbij de rode kleur niet alleen verwijst naar de rode herfstkleur van de bladeren, maar ook naar het roodachtig lichtbruine kernhout. Deze soort is uit Noord-Amerika bij ons ingevoerd, is volkomen ingeburgerd in de Vlaamse bossen en gedraagt zich vaak vrij agressief ten opzichte van de inlandse eiken, wier ecologische niche hij inneemt. Er bestaat ook wit Amerikaans eiken afkomstig van een Noord-Amerikaanse eikensoort, die bij ons bijna niet voorkomt. In tegenstelling tot Europees eiken zijn de vaten in het kernhout doorgaans niet gesloten door thyllen. Hierdoor is het echter wel prima te verduurzamen. Onder de nadelen van rood Amerikaans eiken kan verder genoteerd worden dat het hout sterk kan werken en dat bij onoordeelkundig drogen scheuren kunnen optreden. Wat rood Amerikaans eiken duidelijk minder goed maakt dan Europees eiken, is de lagere duurzaamheid, waardoor het onbehandeld eigenlijk ongeschikt wordt voor buitenschrijnwerk. Het is wel zeer geschikt voor binnenschrijnwerk, meubelen, fi neer, sculpturen, draaiwerk en parket Kastanje Wat gewoonlijk onder de naam kastanjehout of kastanje aangeduid wordt, is afkomstig van de Tamme kastanje. Paardekastanje is een geslacht van bomen met mooie bloemen behorende tot een andere familie en met minderwaardige houteigenschappen. Kastanje is een bijzonder goede houtsoort, in zekere zin zelfs beter dan eik, omdat het gemiddeld iets duurzamer is en het minder werkt. Het is eveneens ringporig met bruin kernhout. In tegenstelling tot eiken vertoont het geen grote spiegels. Tamme kastanje is reeds eeuwen geleden bij ons ingevoerd vanuit Zuid-Europa, zeker omwille van de eetbare vruchten, maar allicht ook omwille van het excellente hout. We kunnen echter 52
53 veronderstellen dat deze soort onze streken na de ijstijd ook op eigen kracht had kunnen bereiken. De meest gebruikte kastanje bij ons is nog steeds import uit het zuiden. Kastanje wordt gebruikt voor buiten- en binnenschrijnwerk, meubelen, sculpturen, draaiwerk, schepen en parket. De laatste jaren wordt er in toenemende mate gebruik gemaakt van kastanje voor houten buitenconstructies zoals weidepalen, tuinhekkens, knuppelpaden, enz Voor dergelijke toepassingen in grondcontact kan kastanjekernhout immers onbehandeld gebruikt worden. Zelfs hakhoutproducten komen als onbehandelde weidepaal in aanmerking, omwille van het dunne spint robinia figuur 34 - Onbehandelde houten afsluitingen en knuppelpaden in moerassen worden vaak uit kastanje vervaardigd. Robinia is eveneens ringporig, alhoewel geen familie van eiken en kastanje. Vers kernhout heeft een groenachtige kleur, die later verandert in goudbruin. Het is de duurzaamste en allicht ook de sterkste houtsoort die in de Vlaamse bossen kan groeien. Omdat het zo sterk werkt, moet het voorzichtig gedroogd worden. Alhoewel de technologische eigenschappen zonder twijfel prima zijn en de Robinia als boomsoort reeds eeuwen geleden ingevoerd is uit Noord-Amerika, hebben we er beduidend minder van dan eiken of kastanje. De redenen hiervoor zijn allicht vooral bosbouwkundig : doorgaans is de stamvorm slecht en ook de groeisnelheid laat te wensen over op de gewone (arme en zure) Vlaamse bosbodems. De excellente houteigenschappen zijn immers reeds lange tijd gekend. Robinia wordt gebruikt voor buitenschrijnwerk, tuinmeubilair, paaltjes, parket en gereedschap. Hierbij dient wel opgemerkt dat het spint niet duurzaam is (net zoals bij eiken en kastanje). 53
54 Beuken figuur 35 - Met een loupe zien we rondom de vaten in het laathout bleke vlekjes (parenchyme), die aaneensluiten tot korte bandjes, welke onduidelijk tangentiaal of scheef lopen. Beuken is bij ons één van de meest bekende en gebruikte houtsoorten. Het is lichtbruin gekleurd met typische, kleine, tot 4 mm hoge spiegeltjes, zodat het gemakkelijk te herkennen is. Er is zeer weinig verschil tussen vroeg- en laathout. De nerf is gelijkmatig fi jn en de draad doorgaans recht. Dergelijke goede eigenschappen komen daarbij van nature voor in zeer grote, cylindervormige en foutvrije stammen. Beuken uit Zoniën is terecht wereldvermaard. In oudere bomen komt vaak een onregelmatig gevormde valse rode kern voor, maar deze heeft geen invloed op de sterkte, noch op de natuurlijke duurzaamheid. figuur 36 - Beuken vertoont typische kleine spiegeltjes. 54
55 Beuken is niet duurzaam en kan sterk krimpen en zwellen, zodat het voor buitenschrijnwerk en voor de meeste toepassingen in contact met water onbruikbaar is. Het is wel hard genoeg om gebruikt te worden als parket. Een bijzonderheid is verder dat het na stomen goed buigbaar is tot karakteristieke ronde meubelvormen. Ook splintert het weinig en is het smaakloos, wat bijvoorbeeld voor speelgoed en houten keukengerei een bijzonder interessante eigenschap is. Het wordt veel gebruikt voor binnenschrijnwerk (trappen), meubelen (stoelen), parket, multiplex, huishoudvoorwerpen en speelgoed Berken In tegenstelling tot wat velen denken is berken houttechnologisch gezien helemaal niet zo n slechte houtsoort. Zijn slechte reputatie is hoogstwaarschijnlijk te wijten aan de complete onbruikbaarheid als mijnhout. De berken waren dan het onkruid in de mijnhoutplantages van Grove den in de kempische bossen van de 20 ste eeuw. Berken heeft veel gemeen met beuken : niet duurzaam, fi jne nerf, gelijkaardige volumieke massa en sterkte. Het is veel bleker dan beuken : wit tot zeer licht bruin. Grotere foutvrije stammen zijn zeldzaam. In ieder geval halen berken nooit de stamafmetingen van Beuk. Donkere mergvlekken kunnen talrijk voorkomen; ze zijn ontstaan door aantasting van het cambium door een mug. Berken is moeilijk te herkennen en deze kleine mergvlekken zijn dan een interessant kenmerk. In tegenstelling tot beuken is het krimpen en zwellen bij berken meestal gering. Berken wordt gebruikt voor meubelen, parket, multiplex, huishoudvoorwerpen, speelgoed en papier Elzen Vers gezaagd elzen krijgt vooral kops een opvallende oranjerode kleur; na enige tijd wordt het hout uiteindelijk roodachtig bruin. Deze verkleuring van bleek (zeer kortstondig) naar oranjerood en tenslotte roodbruin, is zeer typisch. Het hout vertoont donkere lijnen die veroorzaakt worden door brede en hoge houtstralen. Dit is een kenmerk dat we ook bij eiken vinden, maar elzen is verspreidporig en vertoont een veel kleiner aantal dergelijke grote houtstralen dan eiken. Donkere mergvlekken zoals bij berken komen eveneens regelmatig voor. figuur 37 - Elzen vertoont donkere lijnen veroorzaakt door brede en hoge houtstralen. 55
56 Elzen is een zachte houtsoort, die niet duurzaam is. Er wordt vaak verteld dat het onder water niet rot en dit is juist, maar dit geldt ook voor alle andere houtsoorten. Onder water komen schimmelaantasting en insectenvraat immers niet voor; rotting moet eventueel door bacteriën gebeuren, wat een traag proces is. De grootste verdienste van elzen is om hout van een redelijke kwaliteit te produceren op standplaatsen die veel te nat zijn voor alle andere boomsoorten. Elzen wordt bijvoorbeeld gebruikt voor meubelen, multiplex en verpakkingen Haagbeuken Haagbeuken is vrij gemakkelijk te herkennen aan de golvende jaarringen en de hogere volumieke massa. Het weegt ongeveer even zwaar of zelfs meer dan eiken of robinia. Toch is het bleek (grijswit), vertoont het geen gekleurde kern en is het niet duurzaam. Deze eigenschappen en zijn vermogen om vanuit stronken weer op te schieten, maken het tot een excellente producent van brandhout. De onregelmatige stamvorm heeft tot gevolg dat haast geen zaaghout op de markt komt. Aangezien het een eerder sterk hout is, met een fi jne nerf en niet splinterend, wordt het gebruikt voor slagershakblokken en gereedschap, parket, muziekinstrumenten, draai- en snijwerk Populieren figuur 38 - Haagbeuken met de typische golvende jaarringen (en insectengangen). Populieren is wit tot grijsachtig, hoogstens zeer licht bruin. Er kan wel een valse, bruine tot grijze kern voorkomen. Populieren is moeilijk te herkennen omdat er zeer weinig kenmerken met het blote oog waarneembaar zijn. De jaarringen zijn meestal amper te zien en doorgaans vertoont het hout helemaal geen tekening. Wat wel opvalt is de lage volumieke massa en het feit dat je er moeiteloos met je vingernagels in kan krassen. Men noemt de glans zijdeachtig, omdat het oppervlak als het ware overdekt lijkt te zijn met zijden draadjes. 56
57 Populieren is zacht, niet sterk en niet duurzaam. Trekhout komt veel voor. De mooie grote stammen en de snelle groei maken dat het hout plaatselijk in Europa wel belangrijk is. Populieren kan gebruikt worden voor multiplex (schilfi neer), verpakkingen, meubelen en papier. Af en toe wordt het zelfs gebruikt voor constructies Wilgen Wilgen komt in bouw en eigenschappen zodanig goed overeen met populieren, dat het met het blote oog er niet van te onderscheiden is. Het is vrijwel wit en haast zonder tekening, zacht en met een lage volumieke massa. Wilgen wordt bijvoorbeeld gebruikt voor klompen en gereedschapsstelen. Het kan gebruikt worden in dezelfde toepassingen als populieren en is er een prima alternatief voor. Van de twijgen (wissen) van grienden en knotbomen worden manden en ander vlechtwerk gemaakt Esdoorn Esdoorn is met het blote oog te herkennen, zij het met enige moeite. Gekleurd kernhout komt niet voor; de kleur is wit tot lichtgeel met een discrete tekening omdat de jaarringen zichtbaar zijn. Typisch zijn de zeer kleine spiegels, nog net goed waarneembaar met het blote oog en in ieder geval kleiner dan die van beuken. Esdoorn is trouwens beduidend bleker dan beuken. Van populieren en wilgen is het dan weer te onderscheiden door de aanwezigheid van spiegeltjes en de hogere volumieke massa. Esdoorn is een fraaie, gemakkelijk bewerkbare houtsoort, met een fi jne nerf en een mooie, zijdeachtige glans. Net zoals beuken is het niet duurzaam,maar wel goed buigbaar. De appreciatie van esdoorn is een kwestie van smaak, maar traditioneel gaat de voorkeur van de Vlamingen naar donkerder hout. Ook was er bij ons van oudsher haast geen esdoorn in het bos te vinden. Nu is de Gewone esdoorn echter in opmars in onze bossen en als de smaak wat verandert zou er veel meer esdoorn kunnen gebruikt worden. figuur 39 - Esdoorn met een fraaie tekening; bemerk verder de zeer kleine spiegeltjes. 57
58 Esdoorn wordt gebruikt voor binnenschrijnwerk, meubelen, draaiwerk, fineer, muziekinstrumenten, parket, sculpturen en kleine voorwerpen. Er bestaan heel decoratieve vormen van esdoorn met golvende draad of de bekende vogeloogjesdoorn uit maserknollen. Door de relatieve schaarste aan beuken in Noord-Amerika, wordt daar voor veel toepassingen esdoorn gebruikt, waar men in Europa voor hetzelfde gebruik beuken zou aanwenden Essen Essen is ringporig, vrij hard en zwaar, maar in tegenstelling tot eiken en kastanje begint de kernhoutvorming gewoonlijk pas na 60-jarige leeftijd. Er is dus altijd een brede, bleke spintlaag. Het kernhout is bruin en gestreept, omdat de verkerning onregelmatig gebeurt. Essenkernhout wordt bij ons lager gewaardeerd dan onverkernd hout, maar dit is zuiver een kwestie van smaak. Essen heeft een grove nerf, kan sterk werken en is steeds niet duurzaam, zodat de gebruiksmogelijkheden beperkt zijn. Anderzijds zijn het mooie, grote stammen en is het hout vrij sterk. Vooral de hogere slagbuigsterkte is bekend, waardoor het hout goed bestand is tegen kort optredende krachten (sporttoestellen). Essen wordt gebruikt voor binnenschrijnwerk, meubelen, sportartikelen, fi neer, gereedschap en parket Kersen figuur 40 - Essenkernhout is gestreept, omdat de verkerning onregelmatig gebeurt (olijfes). Kersen is een decoratieve houtsoort, roze- tot roodbruin met een fi jne nerf en een mooie tekening. Het wordt halfringporig genoemd, maar dit is met het blote oog amper te zien, omdat de vaten zo fi jn zijn. Alhoewel kersen tot matig duurzaam kan zijn is het globaal genomen toch net iets te vergankelijk om onbehandeld gebruikt te kunnen worden als buitenschrijnwerk. Gezien de hoge decoratieve waarde van het hout en de lage geproduceerde volumes is dit echter geen probleem. 58
59 Zoete kers heeft hogere bodemeisen, maar heeft meestal wel een goede stamvorm, terwijl die bij de Amerikaanse vogelkers bijna altijd te wensen overlaat. In Noord-Amerika is deze laatste wel een gewaardeerd meubelhout. Kersen wordt gebruikt voor meubelen, fi neer, binnenschrijnwerk, draaiwerk en kleine voorwerpen, mede omdat het zich zo gemakkelijk laat bewerken Linden figuur 41 - Kersen is een decoratieve houtsoort met een fijne nerf. Linden is zeer bleek : geelwit tot hoogstens zeer licht bruin gekleurd en haast zonder tekening. Het is ook niet zwaar, zodat het lijkt op populieren en wilgen. In de praktijk kunnen deze drie soorten niet met het blote oog onderscheiden worden. Toch is linden een betere houtsoort dan populieren en wilgen, omwille van de iets hogere volumieke massa, de matige sterkte, de fi jne nerf en de bijzonder gelijkmatige bouw. Het is niet duurzaam, maar toch mogen we er gerust van uitgaan dat linden meer zou gebruikt worden als er meer in onze bossen zou aanwezig zijn. Linden wordt gebruikt voor beeldhouwwerk, kleine voorwerpen, draaiwerk (Russische poppetjes in elkaar), muziekinstrumenten, fi neer, speelgoed, profi elen (interieurafwerking) en lijsten Iepen (olmen) Iepen is onmiskenbaar door de combinatie van ringporigheid met fi jne, tangentiaal lopende parenchymebandjes. Het komt er wel op aan het vroeghout niet te verwarren met de talrijke bleke parenchymebandjes. Er is weinig spint en het kernhout is licht- tot donkerbruin gekleurd. Het is een heel bijzondere en decoratieve houtsoort. Het hout van onze iepen is vrij zwaar en weinig duurzaam, zodat het toch niet in onbehandelde vorm kan gebruikt worden voor buitenschrijnwerk. Ooit was het daarom een goedkoop alternatief voor eiken in meubelen, maar nu is het zeldzaam en dus duur, omwille van de iepenziekte. 59
60 Iepen wordt gebruikt voor meubelen, fi neer, binnenschrijnwerk en draaiwerk Naaldhout Grenen figuur 42 - Iepen is ringporig met fijne, tangentiaal lopende parenchymebandjes. Het hout geproduceerd door boomsoorten uit het geslacht Pinus (Den of Pijn) wordt grenen genoemd. PNG (Pin du Nord - Noords grenen) is afkomstig uit Noord-Europa en heeft gemiddeld dunnere jaarringen. Grenen heeft licht- tot roodbruin kernhout met donkere kwasten, dit in tegenstelling tot vuren. Corsicaanse den maakt wel pas op latere leeftijd kernhout dan Grove den, zodat het spint ook altijd breder is. Weymouthden heeft normaal geen gekleurde kern en ook een beduidend lagere volumieke massa dan Corsicaanse en Grove den. Er is een duidelijk onderscheid tussen vroeg- en laathout, zodat de jaarringen heel duidelijk te zien zijn en karakteristieke tekeningen bekomen worden (strepen op kwartiers en vlammen op dosse). Het is een harsrijke houtsoort met een karakteristieke geur. Vaak zijn harsgangen met het blote oog waarneembaar. Grenen is veruit de meest geproduceerde houtsoort in Vlaanderen en ook in andere delen van de wereld met een gematigd tot koud klimaat is dit het geval. Dit heeft tot gevolg dat voor heel veel mensen het beeld en de geur van grenen horen bij wat hout bij uitstek is. Nochtans zijn de variaties in eigenschappen binnen de houtsoort grenen enorm. Hier wordt alleen het hout uit onze bossen besproken. Grenen is weinig tot matig duurzaam en dus in onbehandelde vorm ongeschikt voor buitenschrijnwerk. Aangezien het spint zich zeer gemakkelijk laat behandelen wordt grenen toch zeer veel gebruikt voor buitenschrijnwerk, zelfs in grondcontact. Speeltoestellen, tuinhuisjes, car-ports en dergelijke zijn tegenwoordig meestal in behandeld grenen. Maar ook heel wat vensters en buitendeuren worden met succes uit deze houtsoort vervaardigd. Omdat het spinthout zeer gevoelig 60
61 is voor blauwschimmels gebeuren de vellingen in de winter en wordt er aanbevolen het hout zo spoedig mogelijk te verwerken. Deze houtsoort laat zich vrij gemakkelijk bewerken en vernagelen, zodat het veel gebruikt wordt in timmerwerk. Het is één van de belangrijkste, zoniet de belangrijkste houtsoort verkocht in doehet-zelf-zaken. Grenen wordt gebruikt voor buiten- en binnenschrijnwerk, constructies, timmerwerk, vloeren, scheepsbouw, waterbouwwerken, palen, meubelen, verpakkingen, multiplex en zelfs papier. Voor papier is het wel minder geschikt omwille van de hars en de donkere kern. De voornaamste toepassing in de loop van de 20 ste eeuw in Vlaanderen was zonder twijfel mijnhout. Nu wordt het grootste deel van het in Vlaanderen geproduceerde grenen verwerkt in spaanderplaten vuren figuur 43 - Grenen is een naaldhoutsoort met kernhout en donkere kwasten. Het hout geproduceerd door boomsoorten uit het geslacht Picea (Spar) wordt vuren genoemd. Vuren heeft geen gekleurd kernhout en de kwasten zijn beduidend bleker dan bij grenen. Ook de volumieke massa ligt lager. Dit neemt niet weg dat het met het blote oog onmogelijk is om vuren en grenenspint te onderscheiden. De jaarringtekening en de bleke kleur zijn dan immers identiek. Er is gemiddeld veel minder hars dan bij grenen, maar harsblazen kunnen talrijk voorkomen. Het is de meest geproduceerde houtsoort in België. De oppervlakte aan Fijnspar in de Ardennen is immers groter dan de totale Vlaamse bosopppervlakte. Het moet ook gezegd dat de Ardeense Fijnspar veel sneller groeit dan de dennen in Vlaanderen, maar het klimaat in Vlaanderen is ongeschikt voor Fijnspar. Vuren en grenen hebben houttechnologisch veel gemeen, maar vuren is moeilijker te verduurzamen voor buitentoepassingen. Omwille van de bleke kern, de lange vezels (lees tracheïden), het lage harsgehalte en de hoge productie is het wel de papierhoutsoort bij uitstek. 61
62 Vuren wordt gebruikt voor papier, binnen- en buitenschrijnwerk, constructies, timmerwerk, vloeren, meubelen, verpakkingen, multiplex, plaatmaterialen en muziekinstrumenten (gitaren en andere) Lorken (lariks) figuur 44 - Vuren heeft bleke kwasten. Lorken heeft weinig spint en een duidelijk kernhout dat geelbruin, rozeachtig tot roodbruin gekleurd is. De jaarringtekening is dezelfde als de andere naaldhoutsoorten. Lorken is wel relatief zwaar voor een bij ons groeiend naaldhout en het bevat veel hars, maar alles bij elkaar is het met het blote oog zeer moeilijk tot niet te onderscheiden van douglas en zelfs van grenen. Europese en Japanse lork verschillen niet wezenlijk in de eigenschappen van het geproduceerde hout. Houttechnologisch gezien is lorken een bijzonder goed naaldhout, daar het weinig werkt en voldoende duurzaam is (duurzaamheidsklasse III) om onbehandeld gebruikt te worden in buitenschrijnwerk. Het vele hars kan bij de verwerking wel een probleem zijn. Globaal genomen kan men stellen dat lorken en douglas betere houtsoorten zijn dan grenen en vuren. figuur 45 - Lorken. 62
63 Lorken wordt gebruikt voor constructies, buiten- en binnenschrijnwerk, palen, waterbouwwerken, scheepsbouw en eventueel voor fi neer en meubelen omwille van het fraaie uiterlijk douglas / oregon Het hout van de Douglasspar afkomstig uit het oorspronkelijk verspreidingsgebied in westelijk Noord-Amerika wordt oregon (of Oregon pine) genoemd. Deze zeer goede naaldhoutsoort wordt nu ook bij ons aangeplant en het in Europa geproduceerde hout wordt douglas genoemd. Echte verschillen in kwaliteit zijn er niet, maar de bomen in Noord-Amerika zijn wel nog steeds groter dan die bij ons. Het kernhout is licht geelbruin tot oranje- of roodachtig. Hiermee lijkt het zeer sterk op lorken, waar het met het blote oog eigenlijk niet van te onderscheiden is. Douglas heeft wel een dikkere spintlaag en een iets lagere volumieke massa dan lorken. Douglas heeft even duurzaam kernhout als lorken zodat het onbehandeld voor buitenschrijnwerk kan gebruikt worden. Douglas werkt wel beduidend meer dan lorken, maar de stamkwaliteit is dan weer bij Douglas gemiddeld beter. Douglas wordt bij ons veel gebruikt voor dakgebinten, maar er zijn nog vele andere toepassingen mogelijk : buiten- en binnenschrijnwerk, waterbouwwerken, scheepsbouw, palen, kuipen voor brouwerij en chemische industrie, multiplex, meubelen en fi neer. 63
64 8.3. Overzichtstabel : de belangrijkste houtsoorten die in Vlaanderen en omgeving geproduceerd worden houtsoort boomsoort(en) Vlaamse gekleurde kleur (kernhout) voorraad jaar 2000 kern grenen Grove den ja licht- tot roodbruin, Corsikaanse den ja (later) kwasten donker Weymouthden nee (Weymouth zeer bleek) vuren Fijnspar nee witachtig tot Sitkaspar geelachtig, zeer licht bruin, kwasten bleek lorken Europese lork (larix) samen ja geelbruin, rozeachtig tot Japanse lork (larix) roodbruin douglas / Douglasspar ja licht geelbruin oregon tot oranjeachtig Europees Zomereik ja licht- tot eiken Wintereik ja donkerbruin rood Amerikaans Amerikaans eik ja roodachtig eiken lichtbruin kastanje Tamme kastanje ja licht- tot donkerbruin robinia Robinia ja geelachtig groen, verkleurend tot goudbruin beuken Beuk nee (vaak valse lichtbruin rode kern) berken Ruwe berk samen nee wit tot Zachte berk lichtbruin elzen Zwarte els nee snel verkleurend Witte els tot oranjerood, uiteindelijk roodachtig bruin haagbeuken Haagbeuk nee grijswit populieren cultuurpopulier samen nee (vaak wit tot grijsachtig Grauwe abeel valse bruine tot Ratelpopulier grijze kern) Zwarte populier wilgen Schietwilg samen nee wit tot Kraakwilg rozebruin esdoorn Gewone esdoorn samen nee wit tot lichtgeel Noorse esdoorn Spaanse aak essen Gewone es ja (>60jaar) wit tot geelachtig, met een bruine gestreepte kern kersen Amerikaanse vogelkers ja roze- tot roodbruin Zoete kers linden Winterlinde samen nee geelwit tot lichtbruin Zomerlinde iepen (olmen) Gladde iep ja licht- tot donkerbruin Ruwe iep 64
65 structuur gem.vol. werken sterkte duurz. opmerkingen m. bij 15% vocht laathout-vroeghout, 500 matig matig III / IV veel hars (geur) gevlamd op dosse grote variatie in kwaliteit laathout-vroeghout, 450 matig/ laag/ IV weinig hars (wel harszakken) lichtjes gevlamd groot matig op dosse laathout-vroeghout, 600 gering/ matig III veel hars, zeer goed naaldhout gevlamd op dosse matig laathout-vroeghout, 550 matig/ matig III veel hars zeer goed naaldhout gevlamd op dosse groot ringporig, gevlamd op 700 matig/ matig II / III vaten gesloten door thyllen dosse, grote spiegels op kwartiers ringporig, gevlamd op 700 matig / matig IV open vaten zonder thyllen dosse, grote spiegels groot kwartiers ringporig, gevlamd op 600 matig / matig II hout van paardekastanje dosse gering is van zeer slechte kwaliteit ringporig, gevlamd op 750 matig / matig I / II vaak een slechte stamvorm dosse groot (hoog) kleine spiegels 700 groot / matig V zeer goed buigbaar op kwartiers matig vaak met mergvlekken 670 gering matig V zelden grotere stammen vaak met mergvlekken, 530 matig laag V / donkere lijntjes golvende jaarringen, 750 groot matig V meestal gegroefde meestal geen onregelmatige stammen rechte draad / 400 matig laag V bijna al ons populieren is afkomstig van plantages met cultuurpopulier (Euramerikaanse en Interamerikaanse hybrideklonen) / 450 gering laag V zeer goed alternatief voor populieren zijdeachtige glans, zeer 600 matig matig / V goed buigbaar kleine spiegels laag op kwartiers ringporig, gevlamd op 700 groot / matig V hoge slagbuigsterkte (kort dosse matig optredende krachten) halfringporig, gevlamd 600 matig matig III / IV doorgaans een slechte op dosse, fi jne nerf stamvorm bij Amerikaanse vogelkers homogeen met een 500 matig laag V / fi jne nerf ringporig, gevlamd op 670 matig matig IV nu zeldzaam door de dosse, fi jne iepenziekte tangentiale parenchymebandjes 65
66 Met de Vlaamse voorraad wordt de staande houtvoorraad in de Vlaamse bossen bedoeld, zoals door afdeling Bos & Groen gemeten in de bosinventarisatie afgesloten in Deze voorraad wordt per houtsoort gegeven in kubieke meter. kleur : alleen de kleur van het hout in het centrum van de stam wordt gegeven, spinthout is immers bijna altijd zeer bleek gekleurd. gemiddelde volumieke massa : indicatieve waarde in kg/m³ bij ongeveer 15% vochtgehalte sterkte : hier is in feite de stijfheid aangegeven, dit is de weerstand van het hout tegen vervorming (bijvoorbeeld doorbuigen) onder spanning. De stijfheid wordt aangegeven door middel van de elasticiteitsmodulus. Alleen foutvrije stukken halen de vermelde grootteorde van sterkte Determinatietabel Deze determinatietabel omvat enkel de soorten die in deze cursus meer gedetailleerd behandeld zijn; dus slechts de belangrijkste houtsoorten die in onze bossen groeien. Het meeste hout wordt bij ons ingevoerd en voor mensen uit de houtverwerking heeft deze tabel dus weinig waarde. Ze is opgesteld voor bos- en natuurwachters, groenarbeiders en dergelijke. De tabel is opgesteld voor determinatie met het blote oog, maar een kleine loupe die lichtjes vergroot kan handig zijn. Het gaat om de determinatie van stukken hout die men in de hand houdt of die in het bos liggen. Best beschikt men over verschillende mooi gezaagde, geschaafde of gesneden vlakken : kops, dosse en kwartiers. Hou er voor de inschatting van de volumieke massa rekening mee dat vers en dus nat hout zodanig veel water bevat dat het altijd zwaar aanvoelt. Aangezien de karakteristieken van het kernhout zeer belangrijk zijn in deze tabel, is ze ongeschikt voor de determinatie van hout van zeer jonge bomen. 1. Laathout (LH) en vroeghout (VH) zijn duidelijk verschillend : LH is harder en donkerder, VH is bleker en zachter. Hierdoor vallen de jaarringen sterk op. Het relatieve aandeel VH en LH kan per jaarring wel sterk wisselen. Vaten zijn nooit te zien en houtstralen evenmin. Eventueel zijn harskanalen, harsblazen of zones met veel hars waar te nemen. NAALDHOUT 2 Laathout en vroeghout zijn duidelijk verschillend of ongeveer gelijk. In dit laatste geval zijn de jaarringen onduidelijk. Vaten zijn vaak te zien, maar bij sommige soorten zeer klein. Houtstralen zijn vaak te zien, maar bij sommige soorten zeer klein. Echte harskanalen komen nooit voor. LOOFHOUT 5 2. Er is geen gekleurde kern aanwezig, ook niet aan dikkere bomen of grotere stukken. Het laathout is lichtbruin gekleurd en het vroeghout geelachtig. De kwasten zijn eerder bleek gekleurd, slechts ten hoogste iets donkerder dan de rest van het hout. Ze vallen in ieder geval niet op door een duidelijk donkerdere kleur. De volumieke massa is laag. VUREN gekleurd kernhout aanwezig De hoofdkleur van het kernhout is vrij donker bruin tot roodbruin. De kwasten zijn opvallend donker...grenen De hoofdkleur van het kernhout is geelbruin, oranjeachtig tot rozeachtig bruin. Douglas en lorken zijn wel niet altijd uit elkaar te houden spinthout smal, meestal niet breder dan 20 mm...lorken 66
67 spinthout breder : 40 tot 80 mm. Het kernhout is vaak opvallend rozeachtig...douglas 5. ringporige houtsoort : duidelijke concentratie van de vaten in het vroeghout...6 verspreidporige houtsoort : de vaten komen min of meer gelijkmatig verspreid over de jaarringen voor; of de houtsoort heeft zodanig kleine vaten dat ze niet te zien zijn Een deel van de houtstralen is opvallend groot, meer dan 5 mm hoog. Op het kopse vlak zijn ze ook duidelijk te zien en op het kwartiers vormen ze opvallende glanzende spiegels...7 geen dergelijke opvallend grote houtstralen Houtstralen bijna altijd lager dan 20 mm, kernhout roodachtig lichtbruin, thyllen niet of slechts sporadisch aanwezig...rood AMERIKAANS EIKEN Houtstralen van 20 mm en meer hoog zijn geen uitzondering, kernhout licht- tot donkerbruin, niet roodachtig, thyllen veel aanwezig in het kernhout...europees EIKEN 8. Het laathout vertoont duidelijke, fijne, bleke, tangentiaal lopende lijntjes, die lijken op heel dunne jaarringen...iepen (OLMEN) geen duidelijke tangentiaal lopende lijntjes in het laathout De verkerning vangt pas aan op oudere leeftijd en verloopt onregelmatig. Hierdoor is er weinig kernhout en vertoont het doorgaans strepen en vlekken. Afwezigheid van kernhout aan een groter stuk hout (samen met ringporigheid) wijst ook op deze houtsoort...essen Er is veel kernhout en weinig spint. De verkerning verloopt gelijkmatig Het hout is zwaar en vertoont in verse toestand een groenachtige kleur (geelachtig groen verkleurend tot goudbruin). Rondom de vaten in het laathout zien we bleke vlekjes zitten (parenchyme) die aaneensluiten tot korte bandjes, welke onduidelijk tangentiaal of scheef lopen....robinia nooit een groenachtige kleur, geen onduidelijk tangentiale bandjes in het laathout Nerf fi jn. Vaten zeer fi jn en met het blote oog zo goed als niet te zien. De ringporigheid is weinig uitgesproken; men spreekt van een halfringporige houtsoort. Kernhout roze- tot roodbruin......kersen Nerf grof. Grote vaten goed zichtbaar met het blote oog en overduidelijk geconcentreerd in het vroeghout. Kernhout licht- tot donkerbruin. De kleine vaten in het laathout zijn min of meer radiaal gerangschikt, wat op het kopse vlak kleine vlammetjes oplevert...kastanje 12. Het hout vertoont duidelijk roze- tot roodbruin kernhout of de stukken zijn volledig oranjerood tot roodachtig bruin gekleurd...13 Het hout is bleek of ten hoogste lichtbruin (valse kernvorming niet meegerekend). Lichtbruin hout bevat vele kleine spiegeltjes (1 à 5 mm hoog)
68 13. Harde kernhoutsoort met een fi jne nerf. Lichter gekleurd spinthout komt voor. Vaten zeer fi jn en met het blote oog zo goed als niet te zien. De verspreidporigheid is weinig uitgesproken; men spreekt van een halfringporige houtsoort. Kernhout roze- tot roodbruin...kersen Zachte spinthoutsoort met een fi jne nerf. Al het hout verkleurt tot oranjerood en uiteindelijk tot roodachtig bruin. Vaten zeer fi jn en met het blote oog niet te zien, wel duidelijk verspreidporig bij vergroting. Het hout vertoont een beperkt aantal typische, centimeterslange, donkere lijnen veroorzaakt door grote houtstralen. Donkere mergvlekken komen ook regelmatig voor...elzen 14. lichtbruin, hard hout met vele kleine donkere spiegeltjes (1 à 5 mm hoog)...beuken spiegeltjes kleiner of afwezig, vers hout zeer bleek gekleurd (valse kernvorming niet meegerekend) hard hout met een fi jne nerf en met zeer kleine spiegeltjes (< 1 mm hoog), jaarringen vrij goed zichtbaar...esdoorn geen dergelijke zeer kleine spiegeltjes zichtbaar zware, harde houtsoort met een fi jne nerf, typische gegolfde jaarringen...haagbeuken geen gegolfde jaarringen vrij zware houtsoort met een fi jne nerf. Vaak zijn er vele, kleine, donkerdere, tangentiaal georiënteerde mergvlekken...berken geen of haast geen mergvlekken; moeilijk te onderscheiden zachte houtsoorten met een lagere volumieke massa fi jne nerf, homogene bouw, niet zeer laag in gewicht...linden iets grovere nerf en iets minder homogene bouw en kleur; vaak zeer brede, moeilijk te onderscheiden jaarringen (1 à 2 cm breed is normaal)...populieren of WILGEN 68
69 9. Enkele producten uit hout 9.1. Plaatmaterialen Hout is weliswaar relatief sterk bij een laag gewicht, maar is anisotroop in tegenstelling tot vele andere materialen zoals metalen of plastic. In plaatmaterialen bekomt men in vergelijking met massief hout een meer gelijkmatige verdeling van de eigenschappen in de verschillende richtingen. Meestal worden er ook lijmen aan toegevoegd. De productie van plaatmaterialen is tot stand gekomen in de loop van de 20 ste eeuw, vooral in de tweede helft. Ook de recente evolutie van de technologie is bijzonder sterk. In Vlaanderen wordt voornamelijk spaanplaat geproduceerd. Hierbij wordt het hout met messen versplinterd tot kleine spanen van enkele mm tot een paar cm groot. De spanen worden gelijkmatig uitgestrooid, lijm wordt toegevoegd en het geheel wordt geperst. Meestal worden de fi jnste spanen aan de buitenkanten aangebracht en de grofste in het midden. De bekomen spaanplaten worden in verschillende diktes en variëteiten (waterbestendig, vuurbestendig, ) op grote schaal gebruikt in de meubelfabricage, maar ook in de bouw. Voor de productie van spaanplaten kan ook afvalhout, stro of vlas gebruikt worden. Er bestaan ook spaanplaten die niet gebonden zijn door lijm, maar door gips of cement. Bij vezelplaat bestaat het basismateriaal uit houtvezels. Ze worden meestal verlijmd en samengeperst tot homogene platen. Afhankelijk van de uitgeoefende druk worden voornamelijk 3 types onderscheiden : - softboard of zachte vezelplaat, bijvoorbeeld voor prikborden of isolerende ondervloeren - MDF (medium density fi berboard), vezelplaat met middelhoge densiteit (vooral ontwikkeld voor de meubelindustrie, men kan er immers ook in frezen) - hardboard of harde vezelplaat (HDF = high density fi berboard), productie zonder toegevoegde lijm is mogelijk, dunne platen (meestal 3,2mm), bijvoorbeeld voor achterkanten van kasten, binnendeuren of verpakkingen OSB (oriented strand board) wordt met lijm geperst op basis van grotere houten splinters of schilspanen : zeer plat (0,5 mm dik), tot een 10-tal cm lang en tot enkele cm breed. Tijdens het strooien worden de stukken in de buitenste lagen min of meer in één richting georiënteerd. Het resultaat is een plaat die enerzijds sterker is dan de gewone spaanplaat en waar anderzijds allerlei mindere houtassortimenten in verwerkt kunnen worden, waar men onmogelijk multiplex uit kan produceren. In sterkte en duurzaamheid kan grofweg de volgende opeenvolging van sterk naar zwak gesteld worden : multiplex, OSB, spaanplaat en vezelplaat. Bij massief hout, dat het meest anisotroop is, kan één kleine natuurlijke onvolkomenheid de sterkteeigenschappen van het houten element al snel negatief beïnvloeden. De diversiteit van de aangeboden plaatmaterialen heeft enerzijds te maken met de vele toepassingen en anderzijds met de verhouding kostprijs/kwaliteit. Het is wel belangrijk voor een bepaalde toepassing het plaatmateriaal te kiezen met de vereiste minimumkwaliteiten. Hiervoor zijn, net zoals voor andere houttoepassingen tal van normen ontwikkeld. Deze plaatmaterialen kunnen afgewerkt zijn met (snij-)fineer, kunststoffen, papier, kurk, verf, vernis, Multiplex is in feite ook een plaatmateriaal, maar wordt onder hoofdstuk 9.2. fi neer (schilfi neer) behandeld. 69
70 9.2. Fineer Met fi neer worden zeer dunne bladen hout aangeduid. Het betreft hier een techniek die reeds duizenden jaren in gebruik is, bijvoorbeeld in het oude Egypte en in China. Oorspronkelijk was het alleen bedoeld om effi ciënter gebruik te kunnen maken van precieuze houtsoorten. Er zijn nu twee productiemethoden met een duidelijk verschillend doel. figuur 46 - Het maken van schilfineer (links) en snijfineer (rechts). Schilfineer ontstaat door het afrollen of afschillen van stammen, ongeveer zoals een potlood gescherpt wordt. Het stamstuk draait rond en het mes wordt er tegenaan gedrukt. Men bekomt hele lange stukken fi neer die gebruikt worden voor de productie van multiplex. De dikte bedraagt 1 tot ongeveer 4 mm. De fi neerlagen in de multiplex worden kruiselings op elkaar gelijmd met een hoek van 90 tussen de draad van de verschillende lagen. Het aantal lagen is meestal oneven. Multiplex is beduidend homogener, stabieler en minder anisotroop dan massief hout. Bij ons worden beuken en populieren gebruikt voor de schilfi neerfabricage. Elders wordt ook veel naaldhout gebruikt. Het aantal types multiplex is bijzonder groot en ze vinden hun toepassingen in huizenbouw, meubels, vrachtwagens, verpakkingen,... Triplex bestaat uit slechts drie lagen. Snijfineer (edelfineer, dekfineer) wordt vooral geproduceerd uit waardevolle houtsoorten. Het (vaak kleinere) houtstuk wordt op en neer bewogen en de bekomen sneetjes hout zijn vaak dunner dan 1 mm. Het is de bedoeling om bijzondere tekeningen te bekomen uit edele houtsoorten of bijzondere gedeelten van de boom. Bekend is bijvoorbeeld het fi neer uit maserknollen en zogenaamd wortelhout, afkomstig van verdikkingen aan de stam (vaak onderaan de stam). Dergelijk waardevol snijfi neer wordt gelijmd op spaanderplaat, MDF of multiplex. Het is dan uiteindelijk zichtbaar op meubelen of interieurinrichting. Uit onze bossen worden bijvoorbeeld wel eens eiken, essen, esdoorn of kersen verwerkt tot snijfi neer. Er wordt wel eens minachtend neergekeken op fi neer, maar deze visie is achterhaald. In werkelijkheid wordt fi neer verkregen uit houtstukken met weinig of geen fouten. Grotere oppervlakken met een bepaald decoratief uitzicht kunnen bekomen worden dankzij het gebruik van snijfi neer Vloeren Voor dragende houten ondervloeren in de bouw worden naaldhoutplanken, multiplex en OSBvloerplaten gebruikt. Het oppervlak van deze materialen is niet zo hard en vaak minder decoratief, zodat hierop doorgaans een verdere afwerking wordt aangebracht. Plankenvloer bestaat uitsluitend uit massief hout met een dikte van minimaal 8 mm. 70
71 Parket bestaat uit massieve delen van harde houtsoorten van ten minste 2,5 mm dik. Eiken en beuken worden regelmatig voor parket gebruikt, maar ook bijvoorbeeld kastanje, essen, berken en esdoorn zijn zeer goed bruikbaar. Nieuwe oppervlakteafwerkingssystemen herleiden het onderhoud tot een minimum. Er bestaan ook houten vloerdelen afgewerkt met dik fi neer (minder dan2,5 mm dik) : houtfi neervloeren. Naast het klassieke en meestal duurdere parket wordt veel gebruik gemaakt van laminaatvloeren. Dit bestaat uit stukken harde vezelplaat afgewerkt met een harde kunststofl aag. De stukken worden aaneengeplakt of geklikt en zijn zeer gemakkelijk te plaatsen. Het oppervlak is harder dan de klassieke parkethoutsoorten en toch heeft het de thermische eigenschappen van een houten materiaal. Kleine beschadigingen zijn niet of amper te herstellen en vocht kan een probleem zijn, maar anderzijds is het bijzonder onderhoudsvriendelijk, de kwaliteit van de beste types ligt zeer hoog en allerlei motieven zijn mogelijk, ook niet-hout-tekeningen Gelijmd-gelamelleerd en samengesteld hout Een element in gelijmd gelamelleerd hout bestaat uit houten lamellen die met elkaar verlijmd worden, zodat hun draad evenwijdig loopt. De lamellen worden bekomen door verschillende planken aan elkaar te lassen (gelijmde zogenaamde vingerlasverbindingen). De lijmverbindingen moeten zodanig sterk zijn dat het geheel zich gedraagt als één massief stuk hout. Op deze manier kan men uit kleinere stukken hout, bijvoorbeeld uit kleinere bomen of na het verwijderen van fouten in het hout, toch grotere elementen maken voor constructies. Zo worden ook zeer grote overkappingen uit op maat gemaakte balken mogelijk, bijvoorbeeld voor sportzalen. Hiervoor wordt doorgaans naaldhout gebruikt, maar ook vele loofhoutsoorten komen ervoor in aanmerking. Er bestaan ook mogelijkheden om gelijmd gelamelleerd hout te gebruiken voor buitenschrijnwerk (vensterramen). Het zou bijvoorbeeld de toepassingsmogelijkheden van inlands eiken sterk kunnen doen toenemen of de meestal slechte stamvorm van Robinia kunnen compenseren. Er bestaan ook andere vormen van samengevoegde kleinere stukken hout, bijvoorbeeld de I-liggers, balkvormige structuren zo genoemd omwille van de I-vormige doorsnede. Boven en onderaan bevinden zich gelijmde stukken en het middendeel is een plaatmateriaal (meestal OSB). Verdere ontwikkelingen gaan in de richting van houten elementen volledig opgebouwd uit stukken schilfi neer of spanen. Men kan inderdaad de OSB-technologie niet alleen voor platen, maar ook voor balken gaan toepassen. Dit brengt ons tot het samengesteld hout, waarvoor de toekomstmogelijkheden enorm uitgebreid kunnen zijn. De goede eigenschappen van het hout worden behouden terwijl het materiaal homogener en stabieler wordt en plaatselijke gebreken worden uitgesloten. Het gebruik van dunnere bomen en bomen met gebreken wordt perfect mogelijk. Het is veel gemakkelijker voor de industrie om zich aan te passen aan het bos dan omgekeerd Papier en karton Tegenwoordig vormen houtvezels de belangrijkste grondstof voor de papierfabricage en papier en karton zijn zonder twijfel één van de houtproducten die een zeer grote invloed hebben op het dagelijkse leven. Voornamelijk naaldhout wordt gebruikt voor de papierfabricage omdat het lange vezels (tracheïden) heeft. Vooral vuren is bijzonder geschikt vanwege het niet-gekleurde kernhout en het lage harsgehalte. 71
72 Het rondhout wordt ontschorst en vervolgens meestal tegen een slijpsteen kapotgewreven tot mechanische pulp. Er bestaat ook chemische pulp bekomen door behandelingen met chemicaliën. Het is hem dan vooral te doen om de verwijdering van de lignine van tussen de witte cellulose. Papier uit chemische pulp is sterker omwille van de langere vezels en vergeelt minder omwille van het lagere ligninegehalte. De pulp wordt gemengd, gekleurd, geperst en gedroogd tot papier. Het papiergebruik blijft zeer hoog en ongeveer de helft van ons houtverbruik gebeurt onder de vorm van papier en karton. Anderzijds wordt wel een groot deel van het papier gerecycleerd. Het gebruik van oud papier kan echter niet in eeuwigheid doorgaan, omdat de houtvezels bij elk volgend fabricageproces zwakker en korter worden. Daarbij komt dan nog dat het gewoon technisch onmogelijk is om alle gebruikt papier te recycleren. Om deze redenen zal er steeds een deel rondhout nodig zijn bij de pulpfabricage, wat onvermijdelijk een niet-geringe invloed zal hebben op het bosbeheer. 72
73 10. Literatuur Afdeling Bos en Groen (2000). De bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest. Eindverslag. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Aminal, Brussel. Bary-Lenger, A. & Nebout, J.-P. (1993). Le Chêne. Editions du Perron, Liège, 604 p. Böhlmann, D. (1998). Reaktionsholz sichert den Halt der Äste im Raum. Forst und Technik, 5, p. 8. Defays, E. (1999). Vergelijkende ecobilans in de argumentatie voor houtgebruik. Houtnieuws 125, p De Mesel, K. (1996). Waarom hout. Houtnieuws 115, p Georges, M. (2001). Gelijmd gelamelleerd hout. Houtnieuws 132, p Hontoir, J.-P., Decuyper, M. en anderen. (1990). Houtinfomap. Studie- en onderzoeksfonds voor zagerijen en aanverwante nijverheden (SOFZAN), Brussel, 169 p. Hout vzw. (1995). Hout, technische steekkaarten. Interfederaal houtvoorlichtingsbureau, Brussel, 114 p. Jacobs, A. & Dijkmans, R. (1998). Beste Beschikbare Technieken voor de houtverduurzaming. Vito, Vlaams BBT-Kenniscentrum. Academia Press, Gent 118 p. Lejeune, G. (1993). Plaatmaterialen : een overzicht. Houtnieuws 103, 8 p. Raven, P.H., Evert, R.F. & Eichhorn, S.E. (1999). Biology of plants. W.H. Freeman, New York, 944 p. Vaes, F. (2000). Brandhout. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel, 60 p. Wiselius, S.I. (1990). Houtvademecum, Kluwer, Antwerpen, 375 p. Voor het opstellen van deze cursustekst werd in ruime mate beroep gedaan op de technische fi ches en het archief van het Interfederaal houtvoorlichtingscentrum, vzw Hout, Centrumgalerij de verdieping, 1000 Brussel (houtinfolijn 02/ en Blok I, 5 73
74 74 Aantekeningen
75 Aantekeningen 75
76 76 Aantekeningen
Cursus Hout in Boomopbouw en -architectuur
Cursus Hout in Boomopbouw en -architectuur Willy Verbeke, 2006 Primaire en secundaire groei Primaire groei : bij kruidachtige planten (wortel, stengel, ) zie cursus plantkunde Secundaire groei : bij houtige
Hout. Primaire en secundaire groei. Primaire groei : bij kruidachtige planten (wortel, stengel, ) zie cursus plantkunde
CURSUS Hout in boomopbouw en architectuur Willy Verbeke, 2008 Primaire en secundaire groei Primaire groei : bij kruidachtige planten (wortel, stengel, ) zie cursus plantkunde Secundaire groei : bij houtige
Jurgen Vansteenkiste : Atlas Atheneum Gistel. Dwarse doorsnede van een boomstam
Jurgen Vansteenkiste : Atlas Atheneum Gistel Dwarse doorsnede van een boomstam Spinthout (licht) en kernhout (donker) Spinthout is het niet-verkernde hout van een boom: het bevindt zich tussen het kernhout
Bos & milieu. Bomen 2013/12
2013/12 Bos & milieu Bomen In een boom speelt zich een aantal levensprocessen af die zorgen voor de groei. Dit verschijnsel heet fysiologie en komt bij alle levende organismen voor. De belangrijkste levensprocessen
Hygroscopische eigenschappen
2013/12 Hout Hygroscopische eigenschappen Hout en vocht Hout is een natuurproduct dat na droging en verwerking gevoelig blijft voor vocht. Dit betekent dat het kan uitzetten en krimpen. Gebeurt dit ongelijkmatig,
Boombiologie. Basiskennis 1. Boomanatomie (1) Boomanatomie (3) Boomanatomie (2) Het samenstel van deze organen vormen samen een organisme: de boom
Boomanatomie (1) Boombiologie Alle levende organismen hebben dezelfde opbouw: Basis is cellen, weefsels en organen Cellen zijn bouwstenen van structuur Gespecialiseerde structuren heten meristeemweefsel
Informatie reader. Over bomen
Informatie reader Over bomen Bron: een selectie uit folders van de bomenstichting Hoe groeit een boom? blz. 1 t/m 4 Bomen en mensen blz. 5 t/m 7 Bomen en feesten blz. 8 t/m 10 Bomen en medicijnen blz.
Virtual Classroom Biologie: Objectief: - ter ondersteuning van (plantkunde) praktika en werkstukken
3D houtanatomie bij de den (Pinus sp.) Dwarse, radiale en tangentiale doorsneden Virtual Classroom Biologie: Objectief: - ter ondersteuning van (plantkunde) praktika en werkstukken Serie van 17 dia s Nederlandse
Yves de Roder C U R S U S. Wondreacties
Yves de Roder C U R S U S Wondreacties 1. Wondreacties 2. Herhaling basis boombiologie 3. Oxidatie 4. Afgrendeling spinthout 5. CODIT 6. Wondovergroeiing 7. Wondbehandeling Supportpage TW14 honingboom
Wondreacties. Supportpage TW14
Yves de Roder C U R S U S Wondreacties 1. Wondreacties 2. Herhaling basis boombiologie 3. Oxidatie 6. Wondovergroeiing 7. Wondbehandeling Supportpage TW14 tw17 1 1. Wondreacties 2. Herhaling basis boombiologie
(FRUIT-)BOMEN SCHRIJVEN GESCHIEDENIS
(FRUIT-)BOMEN SCHRIJVEN GESCHIEDENIS MENSEN, DIEREN EN PLANTEN GROEIEN EEN BEPAALDE PERIODE VAN HUN LEVEN TOT ZE HUN UITEINDELIJKE GROOTTE HEBBEN BEREIKT. BIJ MENSEN EN DIEREN IS MEESTAL WEL TE ZIEN OF
Hout. Hout. 1e college Utrecht 6 september Inleidend college Utrecht 7 september 2009 HKU HKU
Hout Hout Inleidend college Utrecht 7 september 2009 1e college Utrecht 6 september 2010 HKU HKU Speelgoed Verpakking 1 Meubels Meubels Auto (afwerking) Auto (afwerking) Vasily Lazarenko uit de Oekraïne
Eigenschappen van eiken
Eigenschappen van eiken ir. Jos Creemers SHR studiemiddag 1 oktober 2015 SHR, Nieuwe Kanaal 9 b, 6709 PA Wageningen, T:0317-467366, E: [email protected], W: www.shr.nl 1 Eiken en eik (Quercus) 2 22 SHR Studiemiddag
BOOMVERZORGING. Plantkunde
BOOMVERZORGING Anatomie en Fysiologie Willy Verbeke, 2008 Met dank aan Rebecca Devlaeminck Anatomie : - Weefsels - Stengel - Wortel - Blad Fysiologie : - Fotosynthese - Ademhaling - Verdamping Plantkunde
Bouwkundige elementen. Hout: introductie
Bouwkundige elementen Hout: introductie Pergola Schutting Deur Vlonder, steiger, damwand Brug De houtzagerij 8 De opbouw van hout 9 Hout voor productie Kernhout Het binnenste hout van de boom is duurzamer
ALLES WAT JE WILT WETEN OVER BOMEN
3 8 6 10 ALLES WAT JE WILT WETEN OVER BOMEN Een boom is...... een vaste plant met een houten stam en een kruin, alleen noemen de onderdelen anders dan bij een plant. Delen van de boom Laat de kinderen
Fiche Houtsoorten / Padoek Afrikaans Belgian WOODFORUM
Fiche Houtsoorten / Padoek Afrikaans Belgian WOODFORUM Wetenschappelijke naam Pterocarpus soyauxii Taub. Familie Leguminosae - Fabaceae Herkomst Midden- en West- Afrika Houtbeschrijving Spinthout: crème
Houtaantasting onder water -stopt het ooit-
Houtaantasting onder water - stopt het ooit - René Klaassen 17 januari 2012 7 de nationale houten heipalendag Inleiding-1, tekst Beste mensen, Op de nationale houten heipalendag is houtaantasting natuurlijk
Beknopte snoeiinstructie door Leo van Mierlo voor Boomgaard De Steenen Camer, januari 2015
1 Snoeien doet groeien Beknopte snoeiinstructie door Leo van Mierlo voor Boomgaard De Steenen Camer, januari 2015 Botanische termen De STAM is de hoofdstengel van een boom. Een SCHEUT (of LOOT) is een
Hout. Houteigenschappen 2013/12
2013/12 Hout Houteigenschappen Hout is een natuurproduct. Elke houtsoort heeft zijn eigen unieke eigenschappen. Deze eigenschappen kunnen echter per soort enigszins variëren. Om tot optimaal gebruik en
Houten terrasplanken met B-Fix clipsysteem. Verkrijgbaar in de houtsoorten: - Alungu (ook met bol profiel) of - Garapa - Merbau - Ipé
Houten terrasplanken met B-Fix clipsysteem Verkrijgbaar in de houtsoorten: - Alungu (ook met bol profiel) of - Garapa - Merbau - Ipé Kenmerken Alungu: Verkrijgbaar in de afmetingen: 21mm x 145mm met vlakke
Loof-en naaldbomen. Naam :
Loof-en naaldbomen Naam : Veel bomen maken een bos In een boomgaard staan soms honderden bomen, en toch is een boomgaard geen bos. Ook in een park kun je veel bomen zien, maar een park is beslist geen
Opdrachtgever. : Gemeente Breda : Toezichthouder. : J.L. de Jong Deelopdracht / perceel. : Mechelenstraat NTO-formulier nummer : -
WORTELS STAM / STAMVOET KROON Opdrachtgever : Gemeente Breda : Toezichthouder : J.L. de Jong Deelopdracht / perceel : Mechelenstraat NTO-formulier nummer : - 1. ALGEMENE GEGEVENS Boom nr. : 1 t/m 7 Opname
Begeleidingssnoei van laanbomen
Begeleidingssnoei van laanbomen IPC Groene Ruimte, Arnhem 2009 Inhoud Inleiding 5 1 Achtergronden van het snoeien 7 1.1 Vrijstaande boomvorm 7 1.2 Groei van een boom 7 1.3 Groeisnelheid en conditie 9 1.4
TABELLARISCH OVERZICHT VAN DE EIGENSCHAPPEN VAN PLANTENWEEFSELS
87 TABELLARISCH OVERZICHT VAN DE EIGENSCHAPPEN VAN PLANTENWEEFSELS Walter Deconinck Ereleraar biologie Rijksnormaalschool Kortrijk en Brugge 8500 Kortrijk INLEIDING Zoals alle organismen zijn de zaadplanten
SNOEIEN (LAAN) BOMEN
SNOEIEN (LAAN) BOMEN Snoeien van bomen Ideale boomvorm Een solitaire boom in de vrije ruimte behoeft géén snoei Begrippen binnen begeleiding snoei Scheut een nog niet verhouten stengel die max. 1 groeiseizoen
Is het Eike- of eikenhout
Lezingenblok Hout en monumenten Is het Eike- of eikenhout Patrick Assink Assinkhout BV Mijn naam is Patrick Assink. Ik ben werkzaam in ons familiebedrijf, waar we rondhout zagen, schaven, verhandelen en
LEVEN MET BOMEN. Dirk Criel
LEVEN MET BOMEN Dirk Criel Wat is een boom? Is dit een boom? Hoe ziet een boom eruit? kroon = het gedeelte van de boom boven de takvrije stam kruin = het geheel van bladeren en twijgen Stamopbouw Het
HISTOLOGIE WEEFSELS EN CELTYPES
4 HISTOLOGIE WEEFSELS EN CELTYPES 4.1 CELLEN EN WEEFSELS Collenchym: enkelvoudig (steun)weefsel Xyleem: samengesteld (geleidings)weefsel 4.2 WEEFSELS EN CELVORM DWARSE COUPE OVERLANGSE COUPE A B C 4.3
Holte in de stamvoet en de stam:
Visuele afwijkingen VTA (Visual Tree Assesment) = Visuele boomcontrole is controle van de boom. Middels deze methode wordt het breukrisico en de stabiliteit van een boom visueel beoordeeld op grond van
Reflectie GEVELTIMMERWERK READER. Mathieu Peters. Fontys PTH Eindhoven. Studentennummer: 2073444
Reflectie GEVELTIMMERWERK READER Mathieu Peters Fontys PTH Eindhoven Studentennummer: 2073444 2014 2015 Inhoudsopgave 1 Hout... 3 1.1 Bomen... 3 1.2 Processen in een boom... 5 1.3 Fotosynthese... 6 2 Indeling
Werkbladen. Kiezen voor Bomen. voor de leerlingen
en Kiezen voor Bomen voor de leerlingen Kiezen voor bomen (1/2) Bomen zijn belangrijk. Ze geven ons zuurstof en voedsel waardoor we kunnen leven. Ze geven hout waardoor we kunnen bouwen en ze geven ons
ONBEKENDE BOOMAANTASTINGEN. December 2009
ONBEKENDE BOOMAANTASTINGEN December 2009 Onbekende boomaantastingen De gemeente Alphen aan den Rijn zet zich in voor een gezonde leefomgeving. Het openbaar groen draagt hier in belangrijke mate aan bij.
Kris Hofkens C U R S U S. Snoeien van bomen
Kris Hofkens C U R S U S Snoeien van bomen Snoeien en probleembomen Snoeien = belangrijkste beheersmaatregel mits juiste aanplant Vanaf kwekerij tot het omhakken Volledig in handen van de beheerder (standaardbestek
Extra -Laat de kinderen eventueel op internet zoeken naar gezonde en ongezonde bomen
Bomen van binnen Lesduur: 60 tot 90 minuten Bestemd voor groep 6 t/m 8 Sluit aan bij kerndoelen: 37, 39, 40, 41 Inleiding Korte omschrijving van de les: Lengtegroei en diktegroei, de lagen van een boom,
DELTALOCATIE DEN DOLDER Projectnummer 01742112 Van Wijnen Projectontwikkeling Midden B.V. Postbus 151 3840 AD HARDERWIJK
DELTALOCATIE DEN DOLDER Projectnummer 01742112 Van Wijnen Projectontwikkeling Midden B.V. Postbus 151 3840 AD HARDERWIJK Kwaliteitsbeoordeling van de bomen op deze locatie Door T. Katerberg European Tree
BOOM de kampioen. vertelt over de plek die alle bomen over de hele wereld in ons. Er zijn ontelbaar veel boomsoorten en soms heeft een boom
BOOM de kampioen vertelt over de plek die alle bomen over de hele wereld in ons leven innemen. En in het leven van de dieren. Er zijn ontelbaar veel boomsoorten en soms heeft een boom ook nog eens familieleden
Cursus Boomopbouw en -architectuur
Cursus Boomopbouw en -architectuur Willy Verbeke, 2006 Wat is de architectuur van een boom? Het geheel van de structurele vormen die men kan observeren Het resultaat van het functioneren van de meristemen
ALLES WAT JE WILT WETEN OVER BOMEN
ALLES WAT JE WILT WETEN OVER BOMEN Een boom is... Een boom is een plant, alleen noemen de onderdelen anders. Een boom is namelijk een vaste plant met een houten stam en een kruin. Delen van de boom Laat
Meet- en rekenprincipes
2 Meet- en rekenprincipes MEET- EN REKENPRINCIPES HOOFDSTUK 2 2.1 Algemene inhoudsberekening Illustratie 2.a: Inhoudsberekening van een cilinder = oppervlakte x lengte. De inhoud van een object zoals een
Fiche Houtsoorten / Southern Yellow Pine Belgian WOODFORUM
Fiche Houtsoorten / Southern Yellow Pine Belgian WOODFORUM Wetenschappelijke naam Pinus spp, onder meer : P. taeda, P. echinata, P. palustris, P. elliottii en P. rigida Familie Pinaceae Herkomst Zuidoosten
Thema 1 De wereld om je heen
Naut samenvatting groep 7 Mijn Malmberg Thema 1 De wereld om je heen Samenvatting De wereld van hout Veel dingen om je heen zijn gemaakt van hout. Hout is een natuurlijk materiaal, het komt van bomen.
Kwasten in hout: definities en meting
i Kwasten in hout: definities en meting Belgian WOODFORUM 31/03/06 Het uitzicht van het hout is van doorslaggevend belang om de kwaliteit ervan te bepalen. Het voorkomen van kwasten aan het houtoppervlak
T2. Planten. 2009 Biosoft TCC - Lyceumstraat
T2. Planten T2. Planten (les 1. Tuinkers) De natuurwetenschappelijke methode Opdracht 2 blz. 33 1. Wat willen we onderzoeken? Waarom kwaakt de kikker? 2. Wat veronderstellen we? Je bedenkt een antwoord
KLEE JENNE ILYANO KARA ROZELIEN QUINN NIENE FLEUR V. NOAH JULES NINA. Project Bomen
KLEE JENNE ILYANO KARA ROZELIEN QUINN NIENE FLEUR V. NOAH JULES NINA Project Bomen FLEUR K. MATTEO LEI FYNN FERRE CHARLOTTE BERN LEONIE LOTTE ALINA STAN Wat is een boom? Bomen zijn de grootste planten
NovaWood (Thermo Essen) Gevelbekleding:
NovaWood (Thermo Essen) Gevelbekleding: NovaWood of thermisch essen is hét beste alternatief voor kostbare exotische houtsoorten. Voordelen van thermisch essen gevelbekleding: Essenhout wordt bij een thermobehandeling
PLANTEN. Basis maakt de vragen 1 t/m 35. Voor iedere vraag kan 1 punt behaald worden
BK402: PLANTEN Basis maakt de vragen 1 t/m 35. Voor iedere vraag kan 1 punt behaald worden Kader maakt de vragen 1 t/m 45. Voor iedere vraag kan 1 punt behaald worden Beantwoord de volgende vragen. 1 Een
WORD EEN ECHTE bomenkenner!
WORD EEN ECHTE bomenkenner! In dit boek kun je bladeren van loofbomen plakken die je vindt tijdens je wandelingen in het bos of het park. Maar voor je een echte bomenkenner kunt worden, moet je nog een
Herfstwerkboekje van
Herfstwerkboekje van Herfst werkboekje groep 5 1 De bladeren aan de bomen worden bruin en rood en vallen naar beneden, het is weer herfst! September wordt herfstmaand genoemd, dit omdat op 22 september
Tussentijdse rapportage bastknobbelonderzoek 2007 in Alphen aan den Rijn 20 mei 2007
Tussentijdse rapportage bastknobbelonderzoek 2007 in Alphen aan den Rijn 20 mei 2007 Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. Sector Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit Mei 2007 PPO nr. 32 340 427 00 Praktijkonderzoek
Duurzaam zonder verduurzaming Handleiding voor gebruik van hout zonder preventieve chemische behandeling
Duurzaam zonder verduurzaming Handleiding voor gebruik van hout zonder preventieve chemische behandeling door VIBE vzw in samenwerking met WWF met financiële steun van de Vlaamse overheid Inleiding FSC,
Acryl hoogglans wordt aangeboden als prijsalternatief voor de gepolierde hoogglans lakdeuren.
MATERIALEN VOOR FRONTEN ACRYL Eigenschappen acryl Acryl hoogglans wordt aangeboden als prijsalternatief voor de gepolierde hoogglans lakdeuren. Acryl hoogglans is een kunststof en kan enkel als vlakke
Samenvatting Thema 5 Planten Brugklas Nectar
Samenvatting Thema 5 Planten Brugklas Nectar 5.1 4 organen van de plant: Wortels o Opnemen water met voedingsstoffen (mineralen) o Stevigheid o Opslag van reservestoffen Stengel o o Transport van water
Samenvatting Gevolgen essentaksterfte Utrecht in beeld Onderzoek en beheerstrategie
Samenvatting Onderzoek en beheerstrategie COLOFON Opdrachtgever: Gemeente Utrecht Mevrouw ing. I. Tepp Opdrachtnemer: Terra Nostra Boomtechnisch adviseur: De heer R. Geerts Mevrouw W.W. Batenburg Fotografie:
Robbert Wijers 23 mei 2011
Cursus inkoop en drogen van hout voor houtverwerkers Robbert Wijers 23 mei 2011 1) Inleiding 2) Onze practische expertise bestaat uit: - Houtkwaliteit van bomen - Relatie tussen de kwaliteit van hout en
26/05/2010. Materiaal Gebruik Bewaring
Behoud en beheer van figurentheaterelementen. Hoe garandeer ik mijn figuren, rekwisieten, decors en documenten een lang leven? Op een lang leven voorbereid? Materiaal Gebruik Bewaring 1 Eigenschappen van
Cellen en stevigheid van voedsel.
Cellen en stevigheid van voedsel. Opmerkingen bij de stevigheid van voedingmiddelen met een structuur van plantencellen. [email protected] 8 juni 2011 vruchtdeeltje weefsel van plantencellen vruchtdeeltje
Bloeiend plantje Spoor van een dier
Volwassen boom Jonge boom Dode boom Hoge struik Lage struik Varen Mos Klimmende plant Bloeiend plantje Spoor van een dier Paddenstoel (op de grond) Bodemdiertje Paddenstoel (op een boom) Activiteit 3 :
Stengel één- versus tweezaadlobbige plant (zie tekeningen p.4) Blad één- versus tweezaadlobbige plant (zie tekeningen p.5)
Met het microscopisch onderzoek wil ik meer te weten komen over de opbouw van de plantenweefsels. In dit onderzoek bestudeer ik de plantenweefsels van één- en tweezaadlobbige planten. Ik probeer het verschil
BOMEN EN STRUIKEN. IVN Helden 1 Bomen
BOMEN EN STRUIKEN IVN Helden 1 Bomen Inhoud Betekenis voor de leefomgeving... 3 Indeling... 4 Groeiplaats... 5 Onderhoud... 5 Beplantingstypen... 5 Bomen en struiken... 6 Functies en voordelen van beplantingstypen...
Biologie VWO thema: Planten Tweede deel. Docent: A. Sewsahai
Biologie VWO thema: Planten Tweede deel Docent: A. Sewsahai opname, afgifte, transport en opslag van stoffen, stevigheid en bescherming Doelstellingen: De student moet de processen van ontkieming en groei
Impact van groen op levenskwaliteit
Impact van groen op levenskwaliteit Inge Vermeulen Provincie Antwerpen Dienst Duurzaam Milieu- en Natuurbeleid 1-6/6/2018 Levenskwaliteit Een goede omgevingskwaliteit zorgt voor een betere levenskwaliteit.
De tien bomen van.. Johan Mullenders Stamtekeningen -----------------------------------------------------------------------------
De tien bomen van.. Johan Mullenders Stamtekeningen In deze serie boomwandelingen worden telkens 10 bomen beschreven. Welke 10, is aan de schrijver. Dit mag een persoonlijke voorkeur zijn of te maken hebben
Een jonge sequoia opgegroeid tussen de as van een bosbrand en een jonge sequoia in een pot.
Hoofdstuk 8. De levensloop van de Sequoia gigantea: van zaadje tot reuzenboom Niet elk zaadje dat uit de kegel valt ontkiemt. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat van de zaadjes die in een groene
Bij montage dient men rekening te houden met 3 belangrijke randvoorwaarden:
Opslag en transport Om beschadiging, vervorming en vervuiling van de gevelbekleding te voorkomen dient men bij transport en de opslag zorgvuldig te werk te gaan. De delen dienen schoon, droog en vlak getransporteerd
PRAKTIJKADVIES. Phytophthora ramorum. en het beheer van Rhododendron in bossen en natuurgebieden
PRAKTIJKADVIES Phytophthora ramorum en het beheer van Rhododendron in bossen en natuurgebieden PRAKTIJKADVIES SEPTEMBER 2004 Het Bosschap, Zeist Vormgeving: HBG Design bv, Nieuwegein Foto s: Plantenziektenkundige
1 Beplantingen Onderhoud van beplantingen Snoeigereedschappen Samenvatting 22
Inhoud Colofon 5 Voorwoord 7 Inleiding 8 1 Beplantingen 11 1.1 Onderhoud van beplantingen 11 1.2 Snoeigereedschappen 17 1.3 Samenvatting 22 2 Bomen 23 2.1 Onderhoud van bomen 23 2.2 Samenvatting 29 3 Specifiek
Telen van Kwaliteitshout Wouter Bax, Parenco hout. Parenco hout Wat is kwaliteitshout Welke factoren zijn van belang
Telen van Kwaliteitshout Wouter Bax, Parenco hout Inhoud Parenco hout Wat is kwaliteitshout Welke factoren zijn van belang Markt Terreinomstandigheden Partijkenmerken De kwaliteit Beschrijving per houtsoort
Onderstaande tabellen geven de meest voorkomende afmetingen van hout in België verhandeld.
Afmetingen van handelshout Onderstaande tabellen geven de meest voorkomende afmetingen van hout in België verhandeld. De afmetingen van het hout worden beïnvloed door het vochtgehalte (krimpen, zwellen),
Ziekten en plagen: houtrot
Ziekten en plagen: houtrot Wat gaan we zien? Afgrendeling in bomen (CODIT) Wat is houtrot + verschillende types rot Belangrijkste houtrotschimmels 1 Afgrendeling in bomen Bomen zijn niet mobiel, maar ook
Vertaling van het December nummer 2014 van The Satsuki Kenkyu. Deze les wordt u gepresenteerd voor diegene die graag Satsuki bomen willen vormen in
Vertaling van het December nummer 2014 van The Satsuki Kenkyu. Deze les wordt u gepresenteerd voor diegene die graag Satsuki bomen willen vormen in goede stijlen vanaf het eerste begin. Hoe echte Satsuki
Bomenpad Park Vredeoord. Antwoordenblad. Vul hier eerst jullie namen in:
Antwoordenblad Vul hier eerst jullie namen in: 1......................................................................................... 3.........................................................................................
OPDRACHT 4 BOOMBEHEER. TERMEN UIT DE THEORIE BOOMVERZORGING Groeiplaatseisen. Bodemvaag. Penetrograaf. Sint-Janslot. Primaire groei secundaire groei
OPDRACHT 4 BOOMBEHEER TERMEN UIT DE THEORIE BOOMVERZORGING Groeiplaatseisen Bodemvaag Penetrograaf Sint-Janslot Primaire groei secundaire groei Schors bast cambium spinthout kernhout Groeiring Afgrendelingszones
Notitie kosten en aanpak kastanjebloedingsziekte gemeente Hilversum
Notitie kosten en aanpak kastanjebloedingsziekte gemeente Hilversum Aan : Rob Scheper Gemeente Hilversum Van : Gerbrand van de Weerd Bomenwacht Nederland Datum : 15 april 2013 Projectcode : 12565 Inleiding
Gallen. Er is een nieuwe druk verschenen van Het Gallenboek. Een mooie gelegenheid om eens kennis te maken met Gallen.
Stichting Natuurvrienden Capelle aan den IJssel e.o. november 2010 nummer 8 Gallen Vorig jaar is er een nieuwe druk verschenen van het Gallenboek. Dit is een boek, waarin alle Nederlandse gallen staan,
1. Geheimen. 2. Zwammen
1. Geheimen 'Geen plant en geen dier' Een paddestoel is zeker geen dier, maar een plant is het ook niet. Ze hebben geen groene bladeren om zonlicht op te vangen. Bovendien groeien paddestoelen in het donker.
LEER SCHILDEREN ALS EEN MEESTER
LEER SCHILDEREN ALS EEN MEESTER DE STRUCTUUR VAN BOMEN door Michel van den Einden Tekenoefening Winter is voor landschapschilders een geweldige tijd. Niet alleen vanwege het effect dat de laagstaande zon
Zorgeloos Tuinplezier
Zorgeloos Tuinplezier Ruw blank & geïmpregneerd Douglashout Hout is een natuurproduct en elke houtsoort heeft bepaalde eigenschappen. Om u goed te informeren, hebben wij deze voor u op een rij gezet. Vaak
TECHNISCHE INGREPEN TEGEN VOCHT ONDERAAN DE MUREN. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen :
TECHNISCHE INGREPEN TEGEN VOCHT ONDERAAN DE MUREN Ongeacht de aard van de ingreep en zijn doeltreffendheid vergt het drogen van muren vrij veel tijd. Zo bijvoorbeeld bevat een muur met een dikte van 40
Wat gaat er gebeuren in het Oosterpark?
Essentaksterfte De situatie in Nederland Inmiddels is meer dan 80 % van de essen in Nederland aangetast. De verwachting is dat hooguit 10 % van de essen de ziekte zal overleven, gebaseerd op ervaringen
Hout. 3e college Utrecht 13 september 2010 HKU
Hout 3e college Utrecht 13 september 2010 HKU Vandaag: Herhaling vorige week wat weten van een materiaal draad Vervolg hout... Opdracht Aan de slag algemeen: Wat moet je van materialen weten? - Wat is
Hout. Materialen HKU. Materialen. Materialen Vandaag: Herhaling vorige week wat weten van een materiaal draad
Hout 3e college Utrecht 13 september 2010 Vandaag: Herhaling vorige week wat weten van een materiaal draad Vervolg hout... Opdracht Aan de slag HKU algemeen: Wat moet je van materialen weten? Wat is hout:
Samenvatting Planten VMBO 4a Biologie voor Jou
Samenvatting Planten VMBO 4a Biologie voor Jou 2.1 Ongeslachtelijke voortplanting = voortplanting waarbij geen bevruchting plaats vindt; hierbij groeit een stukje van de volwassen plant uit tot een nieuwe
PRESENTATIE BOMENPLAN ISVW
PRESENTATIE BOMENPLAN ISVW Bomenplan ISVW - Herplanten om variëteit te krijgen in leeftijd van het huidige bomenbestand. - Variëteit huidig bos: eiken, lindes, kastanjes, fruitbomen Visie en wens voor
inhoud Herfst 1. Het weer 2. Overal blad 3. Zaden 4. Paddenstoelen 5. De eekhoorn 6. De egel 7. Insecten 8. Vogels op reis 9. Filmpje Pluskaarten
Herfst inhoud Herfst 3 1. Het weer 4 2. Overal blad 5 3. Zaden 6 4. Paddenstoelen 7 5. De eekhoorn 8 6. De egel 9 7. Insecten 10 8. Vogels op reis 11 9. Filmpje 12 Pluskaarten 13 Bronnen en foto s 15 Colofon
BOS+ Is er vraag naar, en aanbod van kwaliteitshout; nu en in de toekomst? Stichting Probos. Inleiding
Is er vraag naar, en aanbod van kwaliteitshout; nu en in de toekomst? Jan Oldenburger (Probos) en Dries Van der Heyden (BOS+) BOS+ Stichting Probos Zet zich in voor duurzaam bosbeheer in Nederland en daarbuiten
Kies voor hout! De 10 voordelen van hout: Houten schrijnwerk past in elke omgeving, landelijk of strak. Hoog wooncomfort door thermische isolatie
Kies voor hout! Houten schrijnwerk past in elke omgeving, landelijk of strak. De 10 voordelen van hout: Hoog wooncomfort door thermische isolatie Nieuwe functionele eisen Realisatiemogelijkheden Meegaan
inhoud Hout 1. De stam 2. Van stam tot plank 3. Zagen is een kunst 4. Bomen en hun hout 5. Resthout 6. Het gebruik van hout 7. Houtkap 8.
Hout inhoud Hout 3 1. De stam 4 2. Van stam tot plank 5 3. Zagen is een kunst 6 4. Bomen en hun hout 7 5. Resthout 9 6. Het gebruik van hout 10 7. Houtkap 14 8. Filmpje 15 Pluskaarten 16 Bronnen en foto
Veiligheidscontrole Paardenkastanjes Veerdam, gemeente Papendrecht
Veiligheidscontrole Paardenkastanjes Veerdam, gemeente Papendrecht September 2014 Veiligheidscontrole Paardenkastanjes Veerdam, Papendrecht Prohold BV Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Conclusie en advies..3
Bijenhotel maken Draaiboek Leeftijd: 10 tot 15 jaar Duur activiteit: 2 tot 2,5 uur
Bijenhotel maken Draaiboek Leeftijd: 10 tot 15 jaar Duur activiteit: 2 tot 2,5 uur pagina 1 van 6 Onderwerp activiteit : Bijen hotel maken Begeleider : Begeleider(s) van de groep en/of jager(s) Doelstelling
Wat gaat er gebeuren in de Wevershoek?
Essentaksterfte De situatie in Nederland Inmiddels is meer dan 80 % van de essen in Nederland aangetast. De verwachting is dat hooguit 10 % van de essen de ziekte zal overleven, gebaseerd op ervaringen
BUITENPLANKEN. ipodeck
BUITENPLANKEN ipodeck WAAROM IPODECK? Amorim Wood Supplies introduceert een innovatief systeem voor het gebruik van hout in verschillende natuurlijke omgevingen zoals tuinen, zwembaden, voetgangersbruggen
Wat is essentaksterfte?
Wat is essentaksterfte? Essentaksterfte is een ziekte die wordt veroorzaakt door de schimmel (vals wit bladvlieskelkje, Chalara fraxinea). Door de aantasting van essentaksterfte verzwakt de boom dusdanig
Antwoorden Biologie Planten
Antwoorden Biologie Planten Antwoorden door een scholier 1287 woorden 21 december 2006 6,9 97 keer beoordeeld Vak Methode Biologie Biologie voor jou Opdracht 1 1. Als een deel van een individu uitgroeit
De zachte snoei. (Part3)
De zachte snoei Een lange levensverwachting van de druivenstokken en gezond plukgoed zijn de economische uitgangspunten waar iedere wijnbouwer van uitgaat wanneer hij zijn aanplant start. Wanneer de wijnstokken
Technische uitvoering van damwanden, steigers en meerpalen
Technische uitvoering van damwanden, steigers en meerpalen Damwanden Damwand wordt in de waterbouw toegepast om water en grond te scheiden, veelal langs een oever waar een bepaalde waterdiepte vereist
