Centrale ontgrendeling. Centrale vergrendeling
|
|
|
- Emmanuel Martens
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Toegang tot de auto 7 TOEGANG TOT DE AUTO SLEUTEL AFSTANDSBEDIENING Centrale ontgrendeling Supervergrendeling Met de sleutel kunnen de sloten van de auto vergrendeld en ontgrendeld worden en kan de motor worden gestart. Druk op deze knop om uw auto te ontgrendelen. Dit wordt bevestigd door het twee keer knipperen van de richtingaanwijzers. Centrale vergrendeling Druk op deze knop om uw auto te vergrendelen. Dit wordt bevestigd door het één keer knipperen van de richtingaanwijzers. Als één van de portieren of deuren is geopend of niet goed is gesloten, werkt de centrale vergrendeling niet. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN Door binnen vijf seconden na het inschakelen van de vergrendeling nogmaals op het gesloten hangslot te drukken wordt de supervergrendeling ingeschakeld. Dit wordt bevestigd door het gedurende ongeveer twee seconden branden van de richtingaanwijzers. De supervergrendeling blokkeert het van binnenuit en van buitenaf openen van de portieren. Laat daarom niemand in de auto achter als de supervergrendeling is ingeschakeld. Als de supervergrendeling van binnenuit is ingeschakeld met de afstandsbediening, wordt zodra de auto wordt gestart de normale vergrendeling weer ingeschakeld.
2 Toegang tot de auto 8 Uitklappen/inklappen van de sleutel Druk op deze knop om de sleutel uit te klappen. Druk om de sleutel in te klappen op deze verchroomde knop en duw de sleutel in de houder. Wanneer u bij het inklappen niet op de knop drukt, kan het mechanisme beschadigd raken. Gebruiksvoorschrift Houd de afstandsbediening vrij van vet, stof en vocht. Een zwaar voorwerp dat aan de sleutel hangt terwijl deze in het contactslot zit (sleutelhanger,...), kan storingen veroorzaken. AFSTANDSBEDIENING Batterij vervangen Batterij: CR 620 / 3 V. Als de batterij leeg is, verschijnt een melding op het display in combinatie met een geluidssignaal. Wip dan het huis met een muntstuk bij het oog los om bij de batterij te komen. Als de afstandsbediening na het vervangen van de batterij niet werkt, moet deze opnieuw gesynchroniseerd worden. Als de batterij niet wordt vervangen door een batterij van hetzelfde type, kan de afstandsbediening defect raken. Gebruik uitsluitend batterijen van hetzelfde type als de oorspronkelijke batterijen of de door het CITROËN-netwerk voorgeschreven batterijen. Gooi de batterij van de afstandsbediening niet weg, de batterij bevat metalen die schadelijk zijn voor het milieu. Lever de batterij in bij het CITROËN-netwerk of een speciaal verzamelpunt. Synchroniseren van de afstandsbediening Na het vervangen van de batterij of het losnemen van de accukabels kan het zijn dat de afstandsbediening gesynchroniseerd moet worden. Wacht ten minste minuut voordat u de afstandsbediening gebruikt. Steek de sleutel in het contactslot met de knoppen (hangslot) van de afstandsbediening naar u toe. Zet het contact aan. Druk binnen 0 seconden op de vergrendelknop (gesloten hangslot) en houd deze ten minste 5 seconden ingedrukt. Zet het contact af. Wacht ten minste minuut voordat u de afstandsbediening gebruikt. De afstandsbediening werkt nu weer.
3 Toegang tot de auto ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING Alle sleutels zijn voorzien van een chip voor de elektronische startblokkering. Dit systeem blokkeert het brandstofsysteem van de motor en wordt automatisch ingeschakeld zodra de sleutel uit het contact wordt verwijderd. Bij het aanzetten van het contact moet de code van de sleutel worden herkend door de startblokkering. De sleutelbaard moet volledig worden uitgeklapt om een goede communicatie van de startblokkering mogelijk te maken. Bij verlies van uw sleutels Neem het kentekenbewijs van uw auto en een geldig identiteitsbewijs mee naar een servicepunt van het CITROËN-netwerk. Het CITROËN-netwerk kan de sleutel- en transpondercode achterhalen om nieuwe sleutels te bestellen. Gebruiksvoorschrift Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering. Speel niet met de knop van de afstandsbediening, om te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden. Als zich in de buurt van de afstandsbediening andere apparaten bevinden die in hetzelfde frequentiegebied werken (mobiele telefoons, alarmsystemen van gebouwen), kan de werking van de afstandsbediening tijdelijk verstoord worden. De afstandsbediening werkt niet als de sleutel zich in het contact bevindt, ook al is het contact afgezet. Haal uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, ook al is dit voor een korte tijd. Let er bij het aanschaffen van een tweedehands auto op dat: - uw sleutels door het CITROËN-netwerk in het elektronische geheugen worden opgeslagen, zodat u er zeker van kunt zijn dat de in uw bezit zijnde sleutels de enige zijn waarmee de auto kan worden gestart. 9 2VOORDAT u GAAT RIJDEN
4 Toegang tot de auto 20 VOORPORTIEREN Van buitenaf Gebruik de afstandsbediening om de auto te vergrendelen/ontgrendelen. Steek de sleutelbaard in het slot van het bestuurdersportier als de afstandsbediening niet werkt. Van binnenuit Gebruik de portiergreep om het desbetreffende portier te ontgrendelen en te openen. SCHUIFDEUREN Van buitenaf Trek de handgreep naar u toe en vervolgens naar achteren en schuif de schuifdeur tot voorbij het zware punt naar achteren om de deur open te houden. Een mechanisch systeem voorkomt dat de linker schuifdeur kan worden geopend als de brandstofvulklep is geopend.
5 Toegang tot de auto 2VOORDAT u GAAT RIJDEN 2 Van binnenuit Ontgrendel de schuifdeur met deze handgreep en schuif de deur naar achteren open tot het zware punt. Open de schuifdeur tot voorbij het zware punt om hem open te houden. Sluit de schuifdeur met behulp van de handgreep om hem voorbij het zware punt te schuiven. Maak vervolgens gebruik van de uitsparing aan de bovenzijde van de portierstijl om de schuifdeur in de vergrendeling te trekken. Beweeg de schuifdeur niet met behulp van het handvat. Gebruiksvoorschrift Controleer of de rail op de vloer vrij is van voorwerpen die het openen of sluiten van de schuifdeur in de weg kunnen staan. Houd als de auto op een helling staat de schuifdeur vast bij het open- en dichtschuiven. Anders kan de schuifdeur sneller open- of dichtgaan dan de bedoeling is en letsel veroorzaken. Ga om veiligheidsredenen en om storingen te voorkomen niet rijden met geopende schuifdeuren.
6 Toegang tot de auto 22 ACHTERKLEP (volgens uitvoering) Van buitenaf De achterklep kan worden vergrendeld en ontgrendeld met de afstandsbediening. Druk om de achterklep te openen op de knop onder de sierlijst en trek de klep open. U kunt gebruik maken van een lus om de geopende achterklep te sluiten. Trek de achterklep omlaag tot aan het evenwichtspunt en duw de achterklep vervolgens volledig dicht. Van binnenuit Noodbediening Hiermee kan bij een eventuele storing in de centrale vergrendeling de achterklep van binnenuit ontgrendeld worden. Steek een kleine schroevendraaier in de opening tussen de achterklep en de vloer. Verplaats de nok naar links om het slot te ontgrendelen en duw de klep vervolgens open. Ruit van de achterklep De ruit van de achterklep kunt u openen, zodat u het achtercompartiment rechtstreeks kunt bereiken zonder dat u de klep hoeft te openen. Openen Druk nadat u de auto met de afstandsbediening of de sleutel hebt ontgrendeld op de knop en til de achterruit op om hem te openen. Sluiten Sluit de achterruit door op het midden van de ruit te drukken totdat deze volledig gesloten is. De achterklep en de ruit van de klep kunnen niet gelijktijdig worden geopend. De ruit zou anders beschadigd kunnen raken.
7 Toegang tot de auto 23 ACHTERDEUREN De twee achterdeuren zijn asymmetrisch (2/3 - /3), met de kleine deur rechts. Ze zijn voorzien van een centraal slot. Van buitenaf Trek om de achterdeuren te openen de handgreep naar u toe. Trek aan de hendel om de rechterdeur te openen. Sluit om de achterdeuren te sluiten eerst de rechterdeur en vervolgens de linkerdeur. Bij uitvoeringen met achterklep is de achterbumper versterkt en kan deze als opstap worden gebruikt. Praktische informatie 2VOORDAT u GAAT RIJDEN Bij het vervoer van lange voorwerpen kan met de rechter achterdeur geopend worden gereden. De linker achterdeur wordt gesloten gehouden door de duidelijk zichtbare gele vergrendeling in de deurstijl. Deze gesloten deur mag niet worden gebruikt om lading op zijn plaats te houden. Rijd alleen met een geopende deur als het niet anders kan. Respeteer de wettelijke veiligheidsvoorschriften om medeweggebruikers op de uítstekende belading te attenderen.
8 Toegang tot de auto 24 Openen tot ongeveer 80 De deurvangers maken het mogelijk de achterdeuren tot een hoek van ongeveer 90 tot ongeveer 80 te openen. Trek als de deur is geopend aan de gele hendel. Bij het sluiten van de deur komt de deurvanger automatisch in zijn oorspronkelijke stand terug. Van binnenuit Trek de handgreep naar u toe om de linkerdeur te openen.
9 Toegang tot de auto 25 GIRAFON Deze dakklep achter is alleen mogelijk bij uitvoeringen met achterdeuren. Openen van de girafon: - til het zwarte hendeltje van de kap omhoog, - duw de girafon voorzichtig naar beneden en maak de haak los, - trek de girafon omhoog, - open de girafon tot voorbij het zware punt om hem te blokkeren met de steunen. Sluiten van de girafon: - controleer of de steunstang goed is vergrendeld, - laat de girafon zakken, - pak, terwijl u de girafon naar beneden duwt, de twee ringen van de veer vast en zet de haak op zijn plaats, - laat het zwarte hendeltje zakken om de girafon te vergrendelen. Door de girafon te vergrendelen, wordt deze goed op het rubber geplaatst waardoor een juiste afdichting, zonder bijgeluiden, is gegarandeerd. Steunstang U heeft de beschikking over een steunstang voor het vervoer van lange stukken na het openen van de girafon. Klap de steunstang neer door de hendel omhoog te zetten. Breng het uiteinde van de stang naar de achterdeursponning. Houd de te vervoeren lange voorwerpen met één hand vast, til ze op en zet met de andere hand de steunstang terug. Controleer of deze goed is vergrendeld door de handgreep naar beneden te duwen tot voorbij het zware punt en zet de lading stevig vast. De steunen opzij kunnen worden gebruikt als bevestigingspunten. De achterbumpers zijn versterkt voor het gebruik als treeplank bij het instappen in de laadruimte. Ga nooit rijden als de steunstang niet op zijn plaats zit. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN De achterdeuren kunnen alleen worden vergrendeld als de steunstang is geplaatst. Let bij het rijden met geopende girafon op wegen met een beperkte doorrijhoogte. Laat geen belading tegen de achterdeuren rusten. Respecteer de wettelijke voorschriften om medeweggebruikers op de uítstekende belading te attenderen.
10 Toegang tot de auto 26 CENTRALE VERGRENDELING Anti-overvalsysteem Vergrendeling tijdens het rijden Dit systeem vergrendelt alle portieren zodra sneller wordt gereden dan ongeveer 0 km/h. U kunt dat horen aan het kenmerkende geluid van de centrale vergrendeling. Op het middenpaneel van het dashboard gaat het lampje van de schakelaar branden. Als vervolgens een van de portieren wordt geopend, worden alle portieren weer ontgrendeld. In het geval van een ernstige aanrijding worden de portieren automatisch ontgrendeld, zodat de hulpdiensten de portieren van de auto van buitenaf kunnen openen. Activeren/deactiveren van de functie Druk één keer op de schakelaar om de complete auto te vergrendelen, als alle portieren zijn gesloten. Druk nogmaals op de schakelaar om de complete auto te ontgrendelen. De schakelaar werkt niet als de auto van buitenaf is vergrendeld met de afstandsbediening of met de sleutel in het portierslot. De portieren kunnen altijd van binnenuit worden geopend. Het lampje van de schakelaar: - knippert als de portieren zijn vergrendeld bij stilstaande auto en afgezette motor, - gaat branden als de portieren zijn vergrendeld en als het contact wordt aangezet. Houd bij aangezet contact deze knop lang ingedrukt om de functie te activeren of deactiveren. Verklikkerlampje geopende portieren Controleer als dit lampje brandt of alle deuren van uw auto goed zijn gesloten.
11 Cockpit COCKPIT Displays INSTRUMENTENPANEEL Klokken. Kilometer-/mijlenteller. 2. Display. 3. Brandstofniveaumeter, koelvloeistoftemperatuurmeter. 4. Toerenteller. 5. Nulstelling dagteller/ onderhoudsindicator. 6. Dimmer dashboardverlichting. Displays - Snelheidsbegrenzer/-regelaar. - Afgelegde afstand in km/mijl. - Onderhoudsindicator, motorolieniveaumeter, kilometer-/ mijlenteller. - Water in brandstoffi lter. - Voorgloeien diesel. De informatie die op het instrumentenpaneel wordt weergegeven hangt af van de uitrusting van de auto. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN
12 Cockpit 28 TIJD INSTELLEN Middenconsole zonder display Met de knop aan de linkerzijde kan het klokje worden ingesteld door de handelingen in onderstaande volgorde uit te voeren: - linksom draaien: de minuten knipperen, - rechtsom draaien: minuten verhogen (houd de knop naar rechts om de tijd in een sneller tempo in te stellen), - linksom draaien: de uren knipperen, Instrumentenpaneel zonder display - rechtsom draaien: uren verhogen (houd de knop naar rechts om de tijd in een sneller tempo in te stellen), - linksom draaien: tijdsaanduiding in 24H of 2H, - rechtsom draaien: 24H of 2H selecteren, - linksom draaien: ingestelde tijd bevestigen. Als er ongeveer 30 seconden geen handelingen worden uitgevoerd, verschijnt de huidige weergave. Middenconsole met display De tijdweergave is afhankelijk van de uitvoering. De toegang tot de Datum is alleen actief als de datum geheel in letters wordt weergegeven (volgens uitvoering). Raadpleeg om de op het display weergegeven tijd en datum in te stellen in de rubriek 9 het gedeelte "Datum en tijd instellen".
13 Cockpit VERKLIKKERLAMPJES Bij elke start gaat een aantal verklikkerlampjes branden ter controle. Deze lampjes gaan meteen weer uit. Als een verklikkerlampje bij draaiende motor blijft branden of gaat knipperen, wordt het een waarschuwing. Dit kan gebeuren in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Negeer deze waarschuwingen niet. 29 Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie STOP brandt, in combinatie met een ander verklikkerlampje en een melding op het scherm. ernstige storingen met betrekking tot de functies "Remvloeistofniveau", "Motoroliedruk en -temperatuur", "Koelvloeistoftemperatuur", "Elektronische remdrukregelaar", "Stuurbekrachtiging". Stop onmiddellijk en zet het contact af. Laat uw auto controleren door het CITROËN-netwerk. Handrem / Remvloeistofniveau / REF Motoroliedruk en motorolietemperatuur brandt. brandt. blijft branden, ondanks correct niveau, in combinatie met het verklikkerlampje ABS. gaat branden tijdens het rijden. blijft branden, ondanks correct niveau. handrem aangetrokken of niet goed losgezet. een te laag vloeistofniveau. een storing in de elektronische remdrukregelaar (REF). onvoldoende druk of te hoge temperatuur. een ernstige storing. Zet de handrem los, het verklikkerlampje zal uitgaan. Vul de door CITROËN voorgeschreven remvloeistof bij. Stop onmiddellijk en zet het contact af. Laat uw auto controleren door het CITROËN-netwerk. Zet de auto stil, zet het contact af en laat de motorolie afkoelen. Controleer het motorolieniveau met de peilstok. Zie in rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". Laten controleren door het CITROËN netwerk. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN
14 Cockpit 30 Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie Koelvloeistoftemperatuur en -niveau brandt en wijzer in het rode gebied. knippert. een abnormale verhoging van de temperatuur. een te laag koelvloeistofniveau. Zet de auto stil, zet het contact af en laat de koelvloeistof afkoelen. Controleer visueel het niveau. Zie in de rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Service blijft kort branden. blijft branden. kleine storingen of waarschuwingen. ernstige storingen. Raadpleeg het "Logboek meldingen" op het display. Zie in rubriek 9 het gedeelte "Autoradio - Boordcomputer" (volgens uitvoering).raadpleeg het CITROËN-netwerk. Veiligheidsgordel niet vastgemaakt brandt en gaat vervolgens knipperen. knippert in combinatie met een geluidssignaal en blijft vervolgens branden. de bestuurder heeft zijn veiligheidsgordel niet vastgemaakt. de bestuurder rijdt terwijl de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt. Doe de gordel om en steek de gesp in de gordelsluiting. Trek aan de gordel om de vergrendeling van de gesp te controleren. Zie in rubriek 4 het gedeelte "Veiligheidsgordels".
15 Cockpit Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie 3 Airbag vóór / zij-airbag knippert of blijft branden. een defecte airbag. Laat het systeem onmiddellijk controleren door het CITROËN-netwerk. Zie in de rubriek 4 het gedeelte "Airbags". Uitschakeling airbag vóór aan passagierszijde brandt. de airbag is handmatig uitgeschakeld en er is een kinderzitje geplaatst met de rug in de rijrichting. Zie in rubriek 4 het gedeelte "Airbags - kinderen aan boord". Laag brandstofniveau brandt en wijzer in het rode gebied. een bijna lege brandstoftank. Tank bij de eerstvolgende gelegenheid. De actieradius met de resterende hoeveelheid brandstof is afhankelijk van de rijstijl, het profi el van de weg, de verstreken tijd en het aantal gereden kilometers sinds het lampje brandt. Emissieregeling EOBD Laden accu knippert. knippert of blijft branden. brandt. knippert. blijft branden ondanks controle. onderbreking van de brandstoftoevoer ten gevolge van een ernstige aanrijding. storing in het systeem. een storing in het laadcircuit. het overgaan naar de waakfase van de actieve functies (eco-mode). een storing in een elektrisch circuit, de ontsteking of het brandstofsysteem. Herstel de brandstoftoevoer. Zie in rubriek 6 het gedeelte "Brandstof". De katalysator kan beschadigd raken.laat uw auto controleren door het CITROËN-netwerk. Controleer de accupolen. Zie in de rubriek 7 het gedeelte "Accu". Zie in rubriek 7 het gedeelte "Accu". 2VOORDAT u GAAT RIJDEN Laten controleren door het CITROËN netwerk.
16 Cockpit 32 Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie Stuurbekrachtiging brandt. een storing in het systeem. De conventionele werking van de stuurinrichting, zonder bekrachtiging, blijft behouden.laat uw auto controleren door het CITROËN-netwerk. Geopend portier brandt in combinatie met melding op het display. een niet goed gesloten portier. Controleer of alle portieren goed zijn gesloten. ABS ABS blijft branden. een storing in het antiblokkeersysteem. De conventionele werking van het remsysteem, zonder bekrachtiging, blijft behouden. Het CITROËN netwerk raadplegen. knippert. een ingreep van de ASR of het ESP. Dit systeem verdeelt de aandrijfkracht optimaal over de wielen en verbetert zo de koersvastheid van de auto. Zie in de rubriek 4 het gedeelte "Veilig rijden". ESP blijft branden. een storing in het systeem. Bijv.: een te lage bandenspanning. Controleer de bandenspanning. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. (Wielsensor, hydraulisch regelorgaan,...). blijft branden in combinatie met het verklikkerlampje van de knop (op het dashboard). dat het systeem is uitgeschakeld op verzoek van de bestuurder. Het systeem is uitgeschakeld en wordt automatisch weer ingeschakeld zodra de snelheid boven de 50 km/h komt of na het indrukken van de knop (op het dashboard).
17 Cockpit Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie Roetfilter brandt. een storing in het roetfi lter (niveau dieseladditief, kans op verstopping,...). Laat het fi lter controleren bij het CITROËN-netwerk. Rubriek 6, onderdeel "Niveaus". 33 Dimlicht / verlichting overdag brandt. een handmatig geselecteerde stand of het automatisch inschakelen van de verlichting. het inschakelen van de verlichting zodra het contact wordt aangezet: verlichting overdag (volgens land van bestemming). Draai de ring van de lichtschakelaar in de tweede stand. Zie in de rubriek 3 het gedeelte "Stuurkolomschakelaars". Grootlicht dat u de hendel naar u toe trekt. Trek de hendel naar u toe om over te schakelen naar dimlicht. Richtingaanwijzers Mistlampen vóór knippert in combinatie met geluidssignaal. brandt. Mistachterlichten brandt. het inschakelen van de richtingaanwijzers met de lichtschakelaar links van het stuurwiel. dat de functie handmatig is geselecteerd. dat de functie handmatig is geselecteerd. Rechts: beweeg de hendel omhoog. Links: beweeg de hendel omlaag. De mistlampen werken uitsluitend als het parkeerlicht of dimlicht is ingeschakeld. De mistachterlichten werken uitsluitend als het parkeerlicht of dimlicht is ingeschakeld. Schakel de mistachterlichten uit als het zicht meer dan 50 m bedraagt. Laat u ze branden, dan kunt u medeweggebruikers verblinden en het risico lopen te worden bekeurd. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN
18 Cockpit Pictogram op het display status signaleert Oplossing - actie Snelheidsregelaar brandt. dat de snelheidsregelaar is geselecteerd Handmatig selecteren. Zie in de rubriek 3 het gedeelte "Stuurkolomschakelaars". Snelheidsbegrenzer brandt. dat de snelheidsbegrenzer is geselecteerd. Handmatig selecteren. Zie in de rubriek 3 het gedeelte "Stuurkolomschakelaars". Voorgloeien dieselmotor brandt. dat voorgloeien van de dieselmotor noodzakelijk is (koude omstandigheden). Wacht tot het lampje uit is alvorens de motor te starten. Water in het brandstoffilter brandt in combinatie met melding op het display. de aanwezigheid van water in het brandstoffi lter. Laat het fi lter onmiddellijk aftappen door het CITROËN-netwerk. Zie in de rubriek 6 het gedeelte "Controles". Volgens land van bestemming. Onderhoudssleutel brandt. een bijna verstreken onderhoudsinterval. Zie het overzicht met controlepunten in het onderhoudsboekje. Maak een afspraak voor een onderhoudscontrole bij het CITROËN-netwerk. Klok knippert. het instellen van de tijd. Gebruik de linkerknop van het instrumentenpaneel. Raadpleeg in de rubriek 2 het gedeelte "Cockpit".
19 Cockpit BRANDSTOFNIVEAUMETER Het brandstofniveau wordt aangegeven zodra het contact wordt aangezet. De wijzer staat op: - : de brandstoftank is volledig gevuld (ongeveer 60 liter). - 0: de brandstoftank is bijna leeg, het verklikkerlampje blijft branden. Het lampje gaat branden op het moment dat er nog ongeveer 8 liter brandstof in de tank aanwezig is. Raadpleeg in de rubriek 6 het gedeelte "Brandstof". KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR De wijzer van de koelvloeistoftemperatuurmeter bevindt zich vóór het rode gebied: normale werking. Onder zware gebruiksomstandigheden of bij warm weer kan de wijzer in de buurt van het rode gebied komen. Als de wijzer in het rode gebied komt: Ga langzamer rijden of laat de motor stationair draaien. Als het lampje gaat branden: - stop onmiddellijk en zet het contact af. De motorventilateur kan nog ongeveer 0 minuten blijven werken. - wacht tot de motor is afgekoeld om het koelvloeistofniveau te controleren en eventueel koelvloeistof bij te vullen. Het koelcircuit staat onder druk, neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht om brandwonden te voorkomen: - laat de motor nadat deze is afgezet minimaal een uur afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert, - draai de dop eerst een kwart omwenteling los om de druk te laten dalen. - controleer, als de druk eenmaal is gedaald, het niveau in het expansievat. - verwijder indien nodig de dop om koelvloeistof bij te vullen. Laat uw auto controleren door het CITROËN-netwerk als de wijzer in het rode gebied blijft staan. Raadpleeg in de rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". 35 2VOORDAT u GAAT RIJDEN
20 Cockpit 36 EMISSIEREGELING Te lage bandenspanning EOBD (European On Board Diagnosis) is een Europees diagnosesysteem dat de emissieregeling bewaakt en ervoor zorgt dat de auto voldoet aan de normen voor de uitstoot van: - CO (koolmonoxide), - HC (koolwaterstoffen), - NOx (stikstofoxide) of roetdeeltjes, de samenstelling van de uitstoot wordt gecontroleerd door de lambdasondes voor en achter de katalysator. In het geval van een storing in de emissieregeling wordt de bestuurder gewaarschuwd door het branden van dit specifieke verklikkerlampje op het instrumentenpaneel. De katalysator kan beschadigd raken. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk. DETECTIESYSTEEM TE LAGE BANDENSPANNING Sensoren controleren tijdens het rijden (met een snelheid hoger dan 20 km/h) de bandenspanning en zenden een waarschuwingssignaal uit als de bandenspanning te laag is of een band lek is. Als er een probleem wordt gesignaleerd (te lage bandenspanning of lekke band, storing van een sensor), wordt dit aangegeven door een afbeelding, een geluidssignaal en een melding op het display. Controleer dan zo snel mogelijk de bandenspanning. Lekke band Stop onmiddellijk, maar vermijd abrupte manoeuvres met het stuur en de remmen. Vervang de beschadigde band (lekke band of veel te lage bandenspanning) en laat de bandenspanning zo snel mogelijk controleren. Zie in rubriek 7 het gedeelte "Wiel verwisselen". Als de beschadigde band in de auto wordt gelegd, zal deze de melding opnieuw uitzenden, om u eraan te herinneren de band te laten repareren. Hierdoor kan een eventuele andere waarschuwingsmelding over de bandenspanning niet worden weergegeven. Sensor(en) niet gedetecteerd Dit betekent dat de bandenspanning van één of meerdere wielen niet meer gecontroleerd wordt. Raadpleeg het CITROËN-netwerk om de defecte sensor(en) te vervangen. Deze melding wordt ook weergegeven als één van de wielen niet op de auto aanwezig is (bij reparatie) of als er een wiel zonder sensor op de auto wordt gemonteerd. Alle reparaties aan een wiel dat met dit systeem is uitgerust en het vervangen van een band moeten worden uitgevoerd door het CITROËN-netwerk. Het detectiesysteem voor te lage bandenspanning is een hulpmiddel voor de bestuurder die desondanks waakzaam moet blijven en verantwoordelijk is. Ondanks dit systeem moet de bandenspanning nog regelmatig worden gecontroleerd (ook van het reservewiel) voor een optimale wegligging en een langere levensduur van de banden, zeker wanneer er vaak onder zware omstandigheden wordt gereden (zware belading, hoge snelheden). Het systeem kan tijdelijk worden verstoord door radiogolven in hetzelfde frequentiegebied.
21 Cockpit ONDERHOUDSINDICATOR De onderhoudsindicator informeert de bestuurder over de afstand tot de volgende onderhoudscontrole, afhankelijk van het gebruik van de auto. Werking Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende enkele seconden het sleutelsymbool branden. De kilometerteller geeft de resterende kilometers (afgerond) tot de eerstvolgende onderhoudscontrole aan. Het onderhoudsinterval wordt berekend vanaf de laatste nulstelling van de onderhoudsindicator op basis van twee parameters: - het aantal afgelegde kilometers, - de verstreken tijd sinds de laatste onderhoudscontrole. Afhankelijk van de gebruiksgewoonten van de bestuurder kan de factor tijd worden meegewogen bij de nog af te leggen kilometers. De afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole is meer dan 000 km Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole bedraagt 4800 km. Als het contact wordt aangezet geeft het display gedurende enkele seconden het volgende aan: Enkele seconden na het aanzetten van het contact geeft de teller eerst het oliepeil en vervolgens weer de normale kilometerstand en de stand van de dagteller aan. De afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole is minder dan 000 km Elke keer dat het contact wordt aangezet knippert de sleutel en de resterende kilometers worden aangegeven: Enkele seconden na het aanzetten van het contact, wordt het oliepeil aangegeven, geeft de teller vervolgens weer de normale kilometerstand en de stand van de dagteller aan en blijft de sleutel branden. Dit om aan te geven dat er binnenkort onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden. De afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole is overschreden Elke keer als het contact wordt aangezet, gaat de sleutel gedurende enkele seconden knipperen en geeft de teller het aantal kilometers aan dat er te veel gereden is. Bij draaiende motor blijft de sleutel branden totdat de onderhoudscontrole is uitgevoerd. Wat het eerst bereikt is: de sleutel gaat ook branden als de maximale interval van 2 jaar is verstreken. 37 2VOORDAT u GAAT RIJDEN
22 Cockpit 38 Op 0 zetten Het CITROËN-netwerk zet de onderhoudsindicator na elke onderhoudscontrole weer op 0. Als u zelf de onderhoudscontrole van uw auto heeft uitgevoerd, kan de onderhoudsindicator op de volgende wijze op 0 gezet worden: - zet het contact af, - druk op de resetknop van de dagteller en houd deze ingedrukt, - zet het contact aan. De kilometerteller begint terug te tellen. Laat de knop los als de onderhoudsindicator "=0" aangeeft; de sleutel verdwijnt. Als u na deze handeling de accu wilt loskoppelen, vergrendel dan de auto en wacht minimaal vijf minuten. Het resetten van de onderhoudsindicator zal anders niet worden opgeslagen. Motorolieniveaumeter Bij het aanzetten van het contact wordt eerst de onderhoudsindicator weergegeven en vervolgens gedurende enkele seconden het motorolieniveau. Olieniveau correct Te weinig olie Als de aanduiding "OIL" knippert in combinatie met het verklikkerlampje service, een geluidssignaal en een melding op het display, is het motorolieniveau te laag, waardoor ernstige motorschade kan ontstaan. Controleer het olieniveau met de peilstok. Als blijkt dat het olieniveau te laag is, moet olie worden bijgevuld. Storing motorolieniveaumeter Als de aanduiding "OIL--" knippert, duidt dit op een storing in de motorolieniveaumeter. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Een controle van het olieniveau is alleen betrouwbaar als de auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en de motor minstens 5 minuten niet heeft gedraaid. Oliepeilstok A = maxi, het oliepeil mag nooit boven dit niveau uitkomen. Een te hoog oliepeil kan schade aan de motor veroorzaken. Raadpleeg in dat geval zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk. B = mini, als het oliepeil niet boven dit niveau uitkomt, moet het voor de motor van uw auto voorgeschreven type motorolie worden bijgevuld via de vuldop. Nulstelling dagteller Druk, terwijl het contact aan is, de knop in tot de nullen verschijnen. Dimmer dashboardverlichting Druk, tijdens het branden van de verlichting, op de knop om de sterkte van de dashboardverlichting te veranderen. Als de verlichting de zwakste (of felste) stand heeft bereikt, laat dan de knop los en druk deze vervolgens opnieuw in om de verlichting weer feller (of zwakker) te maken. Laat de knop los zodra de gewenste lichtsterkte is bereikt.
23 Versnellingsbak en stuurwiel 39 VERSNELLINGSBAK Trap om soepel te kunnen schakelen het koppelingspedaal altijd volledig in. Om te voorkomen dat de werking van het pedaal wordt gehinderd: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en goed op de vloer bevestigd is, - leg nooit meerdere matten boven op elkaar. Laat tijdens het rijden uw hand niet op de versnellingspook rusten. Zelfs een lichte belasting op de pook kan na verloop van tijd slijtage aan de onderdelen in de versnellingsbak veroorzaken. Vijfversnellingsbak - achteruit Wacht, voordat u de achteruitversnelling inschakelt, tot de auto volledig stilstaat. Duw dan de versnellingshendel naar rechts en vervolgens omlaag. Zet de pook met beleid in de achteruitversnelling om bijgeluiden te beperken. STUURWIEL VERSTELLEN 2VOORDAT u GAAT RIJDEN Ontgrendel het stuurwiel, alleen bij stilstaande auto, door aan de hendel te trekken. Stel het stuurwiel in de gewenste stand en zet dan de hendel weer goed vast.
24 Starten en stoppen STARTEN EN STOPPEN Stand "AAN" en "Accessoires". Verdraai terwijl u de contactsleutel omdraait het stuurwiel iets (zonder te forceren) om het stuurslot te ontgrendelen. In deze stand kunnen verschillende accessoires functioneren. Gebruiksvoorschrift: starten Verklikkerlampje geopend portier Controleer als dit lampje brandt of de portieren, achterdeuren, schuifdeuren en de motorkap goed zijn gesloten! Verklikkerlampje voorgloeien dieselmotor Als de motor voldoende op temperatuur is, gaat het lampje na minder dan seconde uit en kunt u de motor direct starten. Wacht bij koud weer tot dit lampje uitgaat en zet vervolgens de startmotor in werking (stand "Starten") tot de motor aanslaat. Gebruiksvoorschrift: stoppen Ontzien van de motor en de versnellingsbak Laat de motor voordat u het contact afzet enkele seconden draaien om het toerental van de turbocompressor (dieselmotor) te laten dalen. Geef geen gas bij het afzetten van het contact. Het inschakelen van alleen een versnelling bij het parkeren van de auto is niet afdoende. Stand "Starten". De startmotor wordt in werking gezet. Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen. Stand STOP: stuurslot. Het contact is afgezet. Draai het stuurwiel tot het stuurslot wordt vergrendeld. Haal de sleutel uit het contact.
25 Starten en stoppen 4 HILL HOLDER Werking Deze aan het ESP gekoppelde functie vereenvoudigt het wegrijden op een helling en wordt geactiveerd onder de volgende omstandigheden: - de auto moet stilstaan met draaiende motor en het rempedaal ingetrapt, - de helling moet steiler zijn dan 5%, - bij het omhoog rijden op een helling moet de versnellingsbak in de neutraalstand staan of moet een versnelling zijn ingeschakeld, maar niet de achteruitversnelling, - bij het afdalen van een helling moet de achteruitversnelling zijn ingeschakeld. De Hill Holder of hulp bij het wegrijden op een helling is een voorziening om het rijcomfort te vergroten en kan niet gebruikt worden als elektrisch bediende handrem. Als u het rempedaal en het koppelingspedaal hebt ingetrapt, hebt u zodra u het rempedaal loslaat ongeveer 2 seconden de tijd om, zonder dat de auto de helling af begint te rollen, gas te geven en weg te rijden. Bij het wegrijden wordt de functie automatisch gedeactiveerd door de remdruk geleidelijk te laten afnemen. Gedurende deze fase is het mogelijk dat de remmen hoorbaar zijn, het teken dat de auto in beweging komt. De Hill Holder wordt gedeactiveerd onder de volgende omstandigheden: - als u het koppelingspedaal laat opkomen, - als de handrem wordt aangetrokken, - als de motor wordt afgezet, - als de motor afslaat. Storing 2VOORDAT u GAAT RIJDEN In het geval van een storing in het systeem gaat dit verklikkerlampje branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding ter bevestiging op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk om het systeem te laten nakijken.
26 Stuurkolomschakelaars 42 Lichten uit Automatische verlichting Parkeerlichten Dimlicht (groen) Grootlicht (blauw) RICHTINGAANWIJZERS (knippert groen) Links : omlaag duwen tot voorbij het zware punt. Rechts : omhoog duwen tot voorbij het zware punt. Functie "snelweg" Duw de schakelaar één keer omhoog of omlaag om de richtingaanwijzer aan de desbetreffende zijde driemaal te laten knipperen. LICHTSCHAKELAAR Verlichting vóór en achter Draai de ring A om de verlichting in te schakelen. Zie in rubriek 2 het gedeelte "Cockpit" voor meer informatie over de verklikkerlampjes. Overschakelen van dim- naar grootlicht Trek de hendel helemaal naar u toe. Vergeten verlichting Als het contact is afgezet en er wordt een voorportier geopend, klinkt een geluidssignaal.
27 Stuurkolomschakelaars 42 Lichten uit Automatische verlichting Parkeerlichten Dimlicht (groen) Grootlicht (blauw) RICHTINGAANWIJZERS (knippert groen) Links : omlaag duwen tot voorbij het zware punt. Rechts : omhoog duwen tot voorbij het zware punt. Functie "snelweg" Duw de schakelaar één keer omhoog of omlaag om de richtingaanwijzer aan de desbetreffende zijde driemaal te laten knipperen. LICHTSCHAKELAAR Verlichting vóór en achter Draai de ring A om de verlichting in te schakelen. Zie in rubriek 2 het gedeelte "Cockpit" voor meer informatie over de verklikkerlampjes. Overschakelen van dim- naar grootlicht Trek de hendel helemaal naar u toe. Vergeten verlichting Als het contact is afgezet en er wordt een voorportier geopend, klinkt een geluidssignaal.
28 Stuurkolomschakelaars Mistlampen vóór/mistachterlicht Deze worden ingeschakeld door de ring B naar voren te draaien en uitgeschakeld door de ring naar achteren te draaien. Het branden van de mistlampen wordt aangegeven door een verklikkerlampje op het instrumentenpaneel. Deze branden in combinatie met parkeer- en dimlicht. Mistlampen vóór (groen, draai de ring stand naar voren). Mistachterlichten (amberkleurig, draai de ring 2 standen naar voren). Draai de ring twee standen naar achteren om achtereenvolgens het mistachterlicht en de mistlampen vóór te doven. Bij helder of regenachtig weer, zowel overdag als 's nachts, is het mistachterlicht verblindend voor medeweggebruikers en daarom niet toegestaan. Vergeet niet de mistlampen uit te zetten zodra het niet meer nodig is. De automatische verlichting schakelt het mistachterlicht uit, maar de mistlampen vóór blijven branden. Verlichting overdag Afhankelijk van het land van bestemming, kan de auto zijn uitgerust met verlichting overdag. Als de auto wordt gestart, wordt het dimlicht ingeschakeld. Dit verklikkerlampje gaat branden op het instrumentenpaneel. De verlichting van de cockpit (instrumentenpaneel, display, bedieningspaneel airconditioning,...) gaat niet branden, behalve wanneer de automatische stand van de verlichting wordt ingeschakeld of wanneer de verlichting handmatig wordt ingeschakeld. Automatisch inschakelen van de verlichting Het parkeerlicht en het dimlicht worden automatisch ingeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving onvoldoende is en als de ruitenwissers wissen. De verlichting wordt uitgeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is of het wissen is gestopt. Deze functie is niet mogelijk in combinatie met verlichting overdag. Bij mist of sneeuwval kan de lichtsensor voldoende licht waarnemen, waardoor de lichten niet automatisch zullen worden ingeschakeld. Schakel indien nodig het dimlicht handmatig in. Dek de lichtsensor, die zich achter de binnenspiegel op de voorruit bevindt, niet af. Deze sensor dient voor de regeling van de automatische verlichting en ruitenwissers. Inschakelen Draai de ring in de stand AUTO. Bij het inschakelen van de functie verschijnt een melding op het display. Uitschakelen Draai de ring naar voren of naar achteren. Bij het uitschakelen van de functie verschijnt een melding op het display. De functie wordt tijdelijk uitgeschakeld als de verlichting met de lichtschakelaar wordt bediend. 43 3ERGONOMIE EN COMFORT
29 Stuurkolomschakelaars 44 Bij een storing in de lichtsensor gaat de verlichting branden en wordt het pictogram service weergegeven in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Follow me home Deze functie zorgt ervoor dat bij afgezet contact de dimlichten even blijven branden om het uitstappen in het donker te vergemakkelijken. Handmatige bediening - Geef binnen minuut na het afzetten van het contact een "lichtsignaal". De follow me home-verlichting wordt na een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld. Automatische werking Activeer de functie via het menu "Confi g auto". KOPLAMPVERSTELLING Afhankelijk van de belading van de auto kan het noodzakelijk zijn om de koplampen in hoogte te verstellen. 0 - Geen belading. - Gedeeltelijke belading. 2 - Gemiddelde belading. 3 - Maximaal toegestane belading. Stand 0: basisinstelling. Raadpleeg in rubriek 9 het gedeelte "Menustructuur display".
30 Stuurkolomschakelaars 44 Bij een storing in de lichtsensor gaat de verlichting branden en wordt het pictogram service weergegeven in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Follow me home Deze functie zorgt ervoor dat bij afgezet contact de dimlichten even blijven branden om het uitstappen in het donker te vergemakkelijken. Handmatige bediening - Geef binnen minuut na het afzetten van het contact een "lichtsignaal". De follow me home-verlichting wordt na een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld. Automatische werking Activeer de functie via het menu "Confi g auto". KOPLAMPVERSTELLING Afhankelijk van de belading van de auto kan het noodzakelijk zijn om de koplampen in hoogte te verstellen. 0 - Geen belading. - Gedeeltelijke belading. 2 - Gemiddelde belading. 3 - Maximaal toegestane belading. Stand 0: basisinstelling. Raadpleeg in rubriek 9 het gedeelte "Menustructuur display".
31 Stuurkolomschakelaars RUITENWISSERSCHAKELAAR Handbediende ruitenwissers vóór 2 Hoge snelheid (hevige neerslag). Normale snelheid (matige regenval). I Interval. 0 Uit. Eén keer wissen (omlaag duwen). In de I ntervalstand wordt de snelheid van de wissers aangepast aan de rijsnelheid. Als het contact langer dan één minuut is afgezet terwijl de schakelaar in de stand 2, of I stond, dient de schakelaar weer geactiveerd te worden: - zet de schakelaar in een willekeurige stand, - zet de schakelaar vervolgens in de gewenste stand. Automatische ruitenwissers Dek de regensensor, die zich achter de binnenspiegel op de voorruit bevindt, niet af. De ruitenwissers werken automatisch in de stand AUTO, waarbij de snelheid van de wissers aan de hoeveelheid neerslag wordt aangepast. De werking van de ruitenwissers in andere standen dan de stand AUTO komt overeen met die van de handbediende ruitenwissers. Inschakelen Duw de hendel omlaag. Bij het inschakelen van de automatische ruitenwissers verschijnt een melding op het display. Als het contact meer dan minuut afgezet is geweest, moet de automatische werking van de ruitenwissers opnieuw worden geactiveerd door de schakelaar één keer omlaag te bewegen. Deactiveren/Uitschakelen Zet de schakelaar in de stand I, of 2. Als de functie wordt uitgeschakeld, verschijnt er een melding op het display. In het geval van een storing in de werking van de automatische ruitenwissers werken de ruitenwissers in de intervalstand. Raadpleeg het CITROËN-netwerk om het systeem te laten controleren. Zet het contact uit als de auto gewassen wordt in een wasstraat, om te voorkomen dat de automatische ruitenwissers worden ingeschakeld. Wacht 's winters met het inschakelen van het automatisch wissen tot de voorruit ontdooid is. 45 3ERGONOMIE EN COMFORT
32 Stuurkolomschakelaars 46 Ruiten- en koplampsproeiers Trek de hendel naar u toe, de ruitensproeiers treden in werking in combinatie met het tijdelijk inschakelen van de ruitenwissers. De koplampsproeiers treden gelijktijdig met de ruitensproeiers in werking als de dimlichten zijn ingeschakeld. Raadpleeg voor het bijvullen van het reservoir in de rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". Onderhoudsstand ruitenwissers vóór Als de ruitenwisserschakelaar binnen één minuut nadat het contact is afgezet wordt bediend, bewegen de ruitenwissers naar de voorruitstijlen. Deze stand moet worden gebruikt voor 's winters parkeren en het vervangen of reinigen van de ruitenwisserbladen. Zie in de rubriek 7 het gedeelte "Ruitenwisserbladen vervangen". Zet het contact aan en bedien de ruitenwisserschakelaar om de ruitenwissers na de werkzaamheden weer in de ruststand te zetten. Ruitenwisser achter Draai de ring tot de eerste stand. Ruitensproeier achter Draai de ring voorbij de eerste stand, zodat de ruitensproeier in werking treedt en vervolgens de ruitenwisser enige tijd wordt ingeschakeld. Wacht 's winters, als de ruit met sneeuw of ijs bedekt is, met het inschakelen van de ruitenwisser achter. Zet eerst de achterruitverwarming aan, wacht tot de sneeuw of het ijs begint te smelten en veeg de ruitenwisser achter schoon. Zet dan pas de ruitenwisser achter aan.
33 Stuurkolomschakelaars Op het controledisplay wordt aangegeven of de functie is geselecteerd en wordt de ingestelde snelheid weergegeven: 47 Functie geselecteerd, weergave van het symbool "Snelheidsregelaar". Functie uitgeschakeld, OFF (bijvoorbeeld bij 07 km/h). SNELHEIDSREGELAAR "CRUISE" Voor het instellen van de gewenste wagensnelheid. Met dit systeem kan de bestuurder, bij normaal doorstromend verkeer met een constante zelf ingestelde snelheid rijden, behalve op steile hellingen. Deze voorziening werkt alleen bij snelheden boven 40 km/h, vanaf de 4e versnelling. Functie ingeschakeld, (bijvoorbeeld bij 07 km/h). Wagensnelheid hoger dan ingestelde snelheid (8 km/h), de weergegeven ingestelde snelheid knippert. Storing in de werking van het systeem, OFF - de streepjes knipperen. 3ERGONOMIE EN COMFORT
34 Stuurkolomschakelaars 48 Selecteren van de functie - Zet de draaiknop in de stand CRUISE. De snelheidsregelaar is geselecteerd, maar nog niet geactiveerd en er is nog geen snelheid ingesteld. Tijdelijk overschrijden van de ingestelde snelheid Het is mogelijk gas te geven en tijdelijk met een hogere snelheid dan de ingestelde snelheid te rijden. De ingestelde snelheid zal dan knipperen. Als het gaspedaal wordt losgelaten, wordt de ingestelde snelheid weer aangenomen. Opnieuw activeren - Druk na het onderbreken van de snelheidsregelaar op deze toets. De auto neemt de laatst ingestelde snelheid weer aan. U kunt ook de procedure "eerste keer activeren" herhalen. Eerste keer activeren/instellen van een snelheid - Breng uw auto met het gaspedaal op de gewenste snelheid. - Druk op de toets SET- of SET+. De snelheid is nu in het geheugen opgeslagen/geactiveerd en deze snelheid wordt door de auto gehandhaafd. Uitschakelen (OFF) - Druk op deze toets of trap op het rem- of koppelingspedaal.
35 Stuurkolomschakelaars Gebruiksvoorschrift Ingestelde snelheid wijzigen De ingestelde snelheid kunt u op twee manieren verhogen: Zonder het gaspedaal: - druk op de toets Set +. Druk de toets kort in om de snelheid met km/h te verhogen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verhogen. Met het gaspedaal: - trap het gaspedaal in tot de gewenste snelheid is bereikt, - druk op de toets Set + of Set -. Verlagen van de ingestelde snelheid: - druk op de toets Set -. Druk de toets kort in om de snelheid met km/h te verlagen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verlagen. Uitschakelen van de functie - Draai de knop in de stand 0 of zet het contact af om het systeem volledig uit te schakelen. Ingestelde snelheid annuleren Als bij stilstaande auto het contact wordt afgezet, wordt de ingestelde snelheid uit het geheugen gewist. Storing De ingestelde snelheid wordt gewist en in plaats daarvan verschijnen drie streepjes op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk om het systeem te laten controleren. Let bij het wijzigen van de ingestelde snelheid door het ingedrukt houden van de toets goed op omdat de snelheid zeer snel kan worden verhoogd of verlaagd. Gebruik de snelheidsregelaar niet op gladde wegen of bij zeer druk verkeer. Bij een steile afdaling kan de snelheidsregelaar niet voorkomen dat de ingestelde snelheid wordt overschreden. Bij het gebruik van de snelheidsregelaar moet de bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in acht nemen, zijn aandacht op het verkeer blijven vestigen en zijn verantwoordelijkheid nemen. Houd uw voeten bij de pedalen. Om te voorkomen dat de werking van de pedalen wordt gehinderd: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en vast aan de bevestigingen op de vloer, - leg nooit meerdere matten boven op elkaar. 49 3ERGONOMIE EN COMFORT
36 Stuurkolomschakelaars 50 Op het controledisplay wordt aangegeven of de functie is geselecteerd en wordt de ingestelde snelheid weergegeven: Functie geselecteerd, weergave van het symbool "Snelheidsbegrenzer". Functie uitgeschakeld, laatst ingestelde snelheid - OFF (bijvoorbeeld bij 07 km/h). SNELHEIDSBEGRENZER "LIMIT" "Dit is de gekozen snelheid die de bestuurder niet wil overschrijden". Het instellen van de maximumsnelheid is mogelijk bij stilstaande auto met draaiende motor, of tijdens het rijden. De ingestelde snelheid dient minimaal 30 km/h te bedragen. De snelheid wordt verhoogd naarmate het gaspedaal dieper wordt ingetrapt tot aan het zware punt van het gaspedaal, waarbij de ingestelde snelheid is bereikt. Als het gaspedaal tot voorbij het zware punt wordt ingetrapt, wordt de ingestelde snelheid echter overschreden. Als het gaspedaal vervolgens geleidelijk weer wordt losgelaten en de wagensnelheid onder de ingestelde maximumsnelheid komt, wordt de snelheidsbegrenzer weer geactiveerd. Het systeem kan worden bediend bij stilstaande auto met draaiende motor, of tijdens het rijden. Functie ingeschakeld, (bijvoorbeeld bij 07 km/h). Wagensnelheid hoger dan de ingestelde snelheid (bijvoorbeeld 8 km/h), de weergegeven ingestelde snelheid knippert. Storing in de werking van het systeem, OFF - de streepjes knipperen.
37 Stuurkolomschakelaars 5 Selecteren van de functie - Draai de knop in de stand LIMIT. De begrenzer is dan geselecteerd, maar nog niet actief. Het display geeft de laatst ingestelde snelheid weer. Instellen van een snelheid Er kan, bij draaiende motor, een snelheid worden ingesteld zonder de begrenzer in te schakelen. Verhogen van de ingestelde snelheid: - druk op de toets Set +. Druk de toets kort in om de snelheid met km/h te verhogen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verhogen. Verlagen van de ingestelde snelheid: - druk op de toets Set -. Druk de toets kort in om de snelheid met km/h te verlagen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verlagen. Inschakelen/uitschakelen (Off) Druk één keer op deze toets om de begrenzer in te schakelen. Druk nogmaals op de toets om de begrenzer uit te schakelen (OFF). 3
38 Stuurkolomschakelaars 52 Overschrijden van de ingestelde snelheid Als het gaspedaal geleidelijk dieper wordt ingetrapt, wordt de snelheid niet verhoogd. Als het gaspedaal echter met kracht wordt ingetrapt, tot voorbij het zware punt. wordt de begrenzer tijdelijk uitgeschakeld en knippert de ingestelde snelheid op het display. Laat om de begrenzer weer in te schakelen de snelheid zakken tot een snelheid lager dan de ingestelde snelheid. Knipperen van de snelheidsweergave De snelheid knippert: - als het gaspedaal tot voorbij het zware punt wordt ingetrapt, - als de begrenzer door het profi el van de weg of bij een steile afdaling niet kan voorkomen dat de ingestelde snelheid wordt overschreden, - tijdens snel accelereren. Uitschakelen van de functie - Draai de knop in de stand 0 of zet het contact af om het systeem uit te schakelen. De laatst ingestelde snelheid blijft in het geheugen opgeslagen. Storing De ingestelde snelheid wordt gewist en in plaats daarvan verschijnen drie streepjes op het display. Raadpleeg het CITROËN -netwerk om het systeem te laten controleren. Gebruiksvoorschrift Bij het gebruik van de snelheidsbegrenzer moet de bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in acht nemen, zijn aandacht op het verkeer blijven vestigen en zijn verantwoordelijkheid nemen. Let op uw snelheid als deze door het profi el van de weg of door snel accelereren kan worden overschreden, zodat u optimaal de controle over uw auto kunt bewaren. Om te voorkomen dat de werking van de pedalen wordt gehinderd: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en op de vloer is bevestigd, - leg nooit meerdere matten boven op elkaar.
39 Ventilatie 53 VENTILATIE Handmatige bediening: Temperatuur Zet de knop in de gewenste stand: van blauw, toevoer van koude lucht, naar rood, toevoer van warme lucht. Bedieningspaneel verwarming Luchtopbrengst De kracht van de luchttoevoer via de uitstroomopeningen varieert van tot 4. In de stand 0 is er geen luchttoevoer. Zet de knop in de gewenste stand voor een optimaal comfort. Luchtverdeling De bediening van de luchtverdeling wordt aangegeven door middel van de volgende pictogrammen: de zijventilatieroosters en middelste ventilatieroosters, Bedieningspaneel airconditioning de beenruimte, de voorruit en de beenruimte, de voorruit. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT De luchtverdeling kan worden gevarieerd door de knop in een tussenstand te zetten, aangegeven door " ".
40 Ventilatie Toevoer van buitenlucht Airconditioning A/C 54 Het lampje van de toets is uit. Gebruik deze stand zo veel mogelijk. Luchtrecirculatie in het interieur Het lampje van de toets brandt. Deze stand dient om de toevoer van buitenlucht bij stank en rookoverlast af te sluiten. Als deze stand gebruikt wordt en de aanjager (stand t/m 4) is ingeschakeld, wordt de capaciteit van de verwarming (knop temperatuurregeling naar rood) of de airconditioning (knop temperatuurregeling naar blauw) sneller vergroot. Gebruik de luchtrecirculatie niet langer dan nodig is. Schakel zodra de omstandigheden dit toelaten de toevoer van buitenlucht weer in om de lucht in het interieur te verversen en het beslaan van de ruiten te voorkomen. Gebruik deze stand zo veel mogelijk. De airconditioning werkt uitsluitend bij draaiende motor. Druk op de toets om de airconditioning in te schakelen; het lampje gaat branden. Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen; het lampje gaat uit. De airconditioning werkt niet als de knop van de aanjager in de stand 0 staat.
41 Ventilatie 57 ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN Handbediening Zet de schakelaar van de luchtverdeling in deze stand. Zet de knop van de temperatuurregeling in deze stand. Zet de aanjager in de hoogste stand. Schakel de airconditioning in. Schakel zodra de omstandigheden dit toelaten de toevoer van buitenlucht weer in om de lucht in het interieur te verversen (lampje uit). Achterruitverwarming en/of verwarming buitenspiegels ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT Druk bij draaiende motor op deze toets om de achterruitverwarming en/of de verwarming van de elektrisch verstelbare buitenspiegels in te schakelen. Deze functie wordt uitgeschakeld: - door op de toets te drukken, - door de motor af te zetten, - automatisch, om onnodig stroomverbruik te voorkomen.
42 Ventilatie BESTUURDER EN PASSAGIER Gebruiksvoorschrift Om het interieur maximaal te koelen of te verwarmen kan de temperatuur lager dan 5 worden ingesteld door de knop naar links te draaien tot LO wordt weergegeven of hoger dan 27 worden ingesteld door de knop naar rechts te draaien tot HI wordt weergegeven. Als de temperatuur in de auto bij het instappen veel lager of hoger is dan de ingestelde waarde, heeft het geen zin om voor het gewenste comfort de ingestelde waarde te wijzigen. Het systeem compenseert automatisch en zo snel mogelijk het temperatuurverschil. Automatische werking Automatisch programma "comfort" Dit is de normale gebruiksstand van de airconditioning. Druk op deze toets. Het symbool AUTO verschijnt. Afhankelijk van de gekozen instellingen regelt het systeem de luchtverdeling, de luchtopbrengst en de luchttoevoer om het comfort en de luchtcirculatie in het interieur optimaal te houden. U hoeft het systeem niet meer zelf bij te regelen. Om bij koude motor de toevoer van koude lucht te beperken, wordt de luchtopbrengst geleidelijk op het optimale niveau gebracht. Voor uw comfort worden de instellingen tussen twee startmomenten opgeslagen. De automatische stand wordt uitgeschakeld zodra u de instellingen handmatig wijzigt (AUTO verdwijnt). Ingestelde waarde bestuurders- of passagierszijde De op het display weergegeven waarde heeft betrekking op een bepaald comfortniveau en niet op de temperatuur in graden Celsius of Fahrenheit. Draai deze knop naar links of naar rechts om de waarde te verlagen of te verhogen. Voor een optimaal comfort wordt de waarde 2 aanbevolen. Niettemin is afhankelijk van uw wensen een afstelling tussen 8 en 24 gebruikelijk. Zorg ervoor dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. 55 ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT
43 Ventilatie 56 Handmatig verstellen Al naar gelang uw wensen kunt u de automatische bediening van het systeem handmatig aanpassen. De overige functies worden automatisch geregeld. Bij het indrukken van de toets AUTO zal het systeem weer volledig automatisch functioneren. Regeling luchtverdeling Druk deze toets herhaalde malen in om de luchtstroom te verdelen naar: - de voorruit, - de voorruit en de beenruimte, - de beenruimte, - de linker, rechter en middelste ventilatieroosters en de beenruimte, - de linker, rechter en middelste ventilatieroosters. Regeling luchtopbrengst De luchtopbrengst kan vergroot of verkleind worden door respectievelijk de toets "kleine propeller" of "grote propeller" in te drukken. Het symbool van de luchtopbrengst op het display, de propeller, wordt afhankelijk van de ingestelde waarde geleidelijk voller. Uitschakelen van het systeem Druk op de toets "kleine propeller" van de luchtopbrengstregeling tot het symbool van de propeller van het display is verdwenen. Alle functies van de airconditioning worden dan uitgeschakeld, behalve de luchtrecirculatie en de achterruitverwarming (volgens uitvoering). Toevoer van buitenlucht/ luchtrecirculatie Bij het indrukken van deze toets wordt de lucht in het interieur gerecirculeerd. Het symbool van de luchtrecirculatie wordt weergegeven. De luchtrecirculatie dient om de toevoer van buitenlucht bij stank en stofoverlast af te sluiten. Gebruik de luchtrecirculatie alleen als dit echt nodig is (om te voorkomen dat de ruiten beslaan en de luchtkwaliteit in het interieur achteruitgaat). Druk de toets zodra de luchtrecirculatie niet meer nodig is nogmaals in om de toevoer van buitenlucht te hervatten. Airconditioning AAN/UIT Druk op deze toets: het symbool A/C wordt weergegeven en de airconditioning wordt geactiveerd. De ingestelde waarde wordt niet meer geregeld en verdwijnt van het display. Het is raadzaam om niet langdurig met uitgeschakelde airconditioning te rijden. Druk op de toets "grote propeller" of op de toets AUTO om het systeem weer met de laatst ingestelde waarden in te schakelen. Druk nogmaals op deze toets om de aircondioning uit te schakelen. De ventilatieopening in het dashboardkastje verspreidt koele lucht (als de airconditioning is ingeschakeld), onafhankelijk van de ingestelde temperatuur in het interieur en de buitentemperatuur.
44 Ventilatie GEBRUIKSVOORSCHRIFT Airconditioning 58 ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN Automatische stand: programma "zicht" Voor het snel ontwasemen of ontdooien van de ruiten (bij vocht, veel inzittenden, vorst) kan het programma "comfort" (AUTO) niet toereikend blijken. Kies dan het programma "zicht". Het verklikkerlampje van het programma "zicht" gaat branden. Het systeem schakelt de airconditioning in, regelt de luchtopbrengst en stuurt de optimale luchtstroom naar de voorruit en de zijruiten. De luchtrecirculatie wordt uitgeschakeld. Ventilatieroosters Houd de ventilatieroosters altijd geopend Voor een optimale verdeling van de lucht over het interieur hebt u de beschikking over 4 ventilatieroosters in het midden en opzij, die gekanteld en naar links of rechts en omhoog of omlaag gedraaid kunnen worden. Sluit de ventilatieroosters niet, maar richt de luchtstroom voor een optimaal comfort tijdens het rijden naar de zijruiten. Uitstroomopeningen in de beenruimte en bij de voorruit completeren het geheel. Dek de uitstroomopeningen bij de voorruit en de openingen van de luchttoevoer in de bagageruimte niet af. Stoffilter/geurfilter (actieve kool) Dit filter beperkt het binnendringen van stof en stank in het interieur. Zorg ervoor dat dit fi lter in goede staat verkeert en laat de fi lterelementen regelmatig vervangen. Zie in de rubriek 6 het gedeelte "Controles". Voor een doeltreffende werking van de airconditioning moeten de ruiten onder alle weersomstandigheden gesloten zijn. Als de auto echter langdurig in de zon heeft gestaan en de temperatuur in het interieur zeer hoog blijft, kunnen de ruiten wel even geopend worden om de ventilatie te bevorderen. Het is raadzaam de stand AUTO zo veel mogelijk te gebruiken: het systeem regelt de luchtopbrengst, de comforttemperatuur in het interieur, de luchtverdeling, de luchttoevoer of -recirculatie automatisch en optimaal. Laat de airconditioning minimaal één keer per maand 5 à 0 minuten functioneren om het systeem in perfecte staat te houden. Condensvorming in de airconditioning kan ertoe leiden dat er zich een klein plasje water onder de stilstaande auto vormt, dit is een normaal verschijnsel. Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en laat het systeem in dat geval door het CITROËN-netwerk controleren.
45 Stoelen 59 - Verstelling in lengterichting Til de beugel op en schuif de stoel naar voren of naar achteren tot de gewenste stand is bereikt. 3 - Hoogteverstelling van de bestuurdersstoel Omhoog: trek de hendel omhoog en verlicht de druk op de stoel. Omlaag: trek de hendel omhoog en laat uw gewicht op de stoel rusten. VOORSTOELEN De volgende verstellingen zijn mogelijk: ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT 2 - Rugleuningverstelling Trek de hendel naar voren en zet de rugleuning in de gewenste stand door met uw rug tegen de leuning te drukken.
46 Stoelen 60 Hoogteverstelling van de hoofdsteun Omhoog: schuif de hoofdsteun omhoog in verticale richting. Omlaag: druk de knop in en schuif de hoofdsteun omlaag in verticale richting. De hoofdsteun is correct afgesteld als de bovenzijde van het hoofd en de bovenzijde van de hoofdsteun zich op dezelfde hoogte bevinden. Verwijderen: druk op de knop en trek de hoofdsteun omhoog. Terugplaatsen: steek de stangen van de hoofdsteunen in de desbetreffende openingen, onder dezelfde hoek als de rugleuning. Verstelbare armsteun Omhoogklappen van de armsteun: beweeg de armsteun omhoog tot deze wordt vergrendeld. Klap de armsteun omlaag om hem in de gebruiksstand te zetten. Verwijderen: zet de armsteun in verticale positie, druk op de ontgrendelingsknop en verwijder de armsteun. Terugplaatsen: klik de armsteun vast in verticale positie. Om de passagiersstoel neer te kunnen klappen in de tafelstand, moet de extra console of de armsteun worden verwijderd. Schakelaars stoelverwarming vóór Elke voorstoel kan worden uitgerust met een schakelaar aan de zijkant van de zitting. Druk op de schakelaar om de stoelverwarming in te schakelen. Druk nogmaals op de schakelaar om de verwarming uit te schakelen. Rijd nooit zonder hoofdsteunen, deze dienen te zijn geplaatst en correct afgesteld.
47 Stoelen 6 ACHTERBANK De achterbank /3-2/3 is voorzien van hoofdsteunen. Elk deel /3-2/3 is neerklapbaar, en vervolgens los te verwijderen. Hoofdsteun 3ERGONOMIE EN COMFORT Hoogste stand: optillen en omhoog trekken. Laagste stand: druk op de bovenkant om hem lager te zetten. Om hem te verwijderen, na hem omhoog te hebben gebracht, op de lip drukken en de hoofdsteun optillen. Om hem weer te plaatsen, de stangen van de hoofdsteun in de openingen plaatsen, loodrecht ten opzichte van de rugleuning.
48 Stoelen 62 Neergeklapte stand Voorbeeld van handelingen voor het deel /3. Deze zijn identiek voor het deel 2/3. - Zet de hoofdsteunen in de laagste stand. - Schuif, indien nodig, de voorstoelen naar voren. - Druk de grijze knop aan de bovenzijde van de rugleuning in. - Klap de rugleuning op de zitting. - Til de grijze bedieningsstang aan de achterzijde van de zitting op. Terugplaatsen Druk de rode knop in en kantel het geheel naar achteren tot in de vergrendeling. Zet de rugleuning rechtop. De vergrendeling van de stoel is correct als de rode knop (aan de bovenzijde van de rugleuning) niet meer zichtbaar is. Controleer de correcte vergrendeling op de vloer van de stoel als hij is teruggeklapt. - Kantel het geheel naar voren.
49 Stoelen Terugplaatsen van de achterbank - Plaats de achterbank (deel /3 en/of 2/3) in verticale stand. - Plaats de haken tussen de twee stangen. - Klap de achterbank naar achteren. 63 Om de achterbank (deel /3 en/of 2/3) terug te plaatsen in de stand "vervoer van passagiers", zie de vorige pagina bij "neergeklapte stand". Verwijderen van de achterbank - Schuif, indien nodig, de voorstoelen naar voren. - Plaats de bank (deel /3 en/of 2/3) in neergeklapte stand. Zie de vorige pagina bij "neergeklapte stand". - Druk op de rode hendel, in het midden van de auto, om de voorste steunen te ontgrendelen. - Kantel het geheel ongeveer 45 naar achteren zonder de hendel los te laten. - Laat de hendel los. - Til de achterbank in verticale stand tot de aanslag van de verankeringen. - Zet de bank weer rechtop door deze naar voren te kantelen en vervolgens op te tillen. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT
50 Stoelen 64 Hoofdsteun Omhoog: trek de hoofdsteun omhoog. Omlaag: duw de hoofdsteun omlaag. Trek de hoofdsteun volledig omhoog, druk op de borglip en til de hoofdsteun op om hem te verwijderen. Steek om de hoofdsteun terug te zetten de pennen recht in de openingen van de rugleuning. De drie afzonderlijke achterstoelen zijn voorzien van kommavormige hoofdsteunen. Als de rugleuning van de middelste stoel op de zitting is geklapt, kan de achterzijde daarvan gebruikt worden als tafeltje met bekerhouder. Alle achterstoelen zijn afzonderlijk uitneembaar. Controleer na het rechtop zetten van de rugleuning of het terugzetten van een stoel of de stoel goed op de vloer is verankerd.
51 Stoelen Rechtop zetten van de rugleuning 65 - Ontgrendel de rugleuning door aan de hendel te trekken en zet de rugleuning in de oorspronkelijke stand. Controleer nadat u de rugleuning rechtop hebt gezet of deze goed is vergrendeld. Rugleuningverstelling Terugzetten van de stoel - Bedien de hendel om de rugleuning te verstellen. Rugleuning in de tafelstand zetten - Trek aan de hendel om de rugleuning op de zitting te klappen. Plaats geen harde of zware voorwerpen op de tafel. Deze kunnen bij een noodstop of een aanrijding veranderen in gevaarlijke projectielen. Stoel in de portefeuillestand zetten - Trek aan de hendel om de stoel in de tafelstand te zetten. - Trek de stang aan de achterzijde van de stoel omhoog om de achterste verankeringspunten los te maken. - Kantel de complete stoel naar voren tot hij wordt vergrendeld. - Duw op de rode hendel. - Kantel de stoel omlaag om de achterste verankeringspunten vast te zetten. - Trek aan de hendel om de rugleuning rechtop te zetten. Controleer of het geheel goed is verankerd. Rode hendel. Neergeklapte stand. Verankering. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT
52 Stoelen Gebruiksvoorschrift 66 Verwijderen van de stoel Terugzetten van de stoel Na de verschillende handelingen: - verwijder een hoofdsteun niet zonder deze op te bergen en aan een steun te bevestigen, - controleer of de veiligheidsgordels bereikbaar blijven en gemakkelijk door de passagier kunnen worden vastgemaakt, - ga niet rijden voordat alle passagiers hun veiligheidsgordel hebben vastgemaakt en afgesteld. - Schuif indien nodig de voorstoel naar voren en zet de hoofdsteun omlaag. - Zet de stoel in de neergeklapte stand. Raadpleeg het gedeelte "neergeklapte stand" op de vorige bladzijde. - Druk op de rode hendel om de voorste verankeringspunten los te maken. - Kantel het geheel ongeveer 45 naar achteren zonder de hendel los te laten. - Laat de hendel los. - Til de stoel in verticale stand tot de aanslag van de verankeringen. - Zet de stoel weer rechtop door hem naar voren te kantelen en vervolgens op te tillen. - Kantel de stoel 45 naar voren. - Plaats de haken tussen de twee stangen. - Kantel de stoel omlaag om de achterste verankeringspunten vast te zetten. - Trek aan de hendel om de rugleuning in de oorspronkelijke stand te zetten. - Zet de hoofdsteun omhoog. Controleer of er geen voorwerpen het vergrendelen van de stoelverankeringen verhinderen.
53 Stoelen 67 ACHTERSTOELEN (7 ZITPLAATSEN) De stoelen op de tweede en derde zitrij zijn afzonderlijk verstelbaar. Elke stoel is uitneembaar en heeft een vaste plaats in de auto, zoals aangegeven op de sticker. Hoofdsteunen 3ERGONOMIE EN COMFORT De stoelen zijn voorzien van kommavormige hoofdsteunen. Omhoog: druk op de borglip en til de hoofdsteun op. Omlaag: druk op de borglip en duw de hoofdsteun omlaag. Trek de hoofdsteun volledig omhoog, druk op de borglip en til de hoofdsteun op om hem te verwijderen. Berg de hoofdsteun op in het interieur door hem aan de steun te bevestigen. Steek om de hoofdsteun terug te zetten de pennen recht in de openingen van de rugleuning.
54 Stoelen 68 Stoelen tweede zitrij Stoel links Stoel midden Stoel rechts Stoelen derde zitrij Stoel links Stoel rechts
55 Stoelen Rechtop zetten van de rugleuning - Ontgrendel de rugleuning door aan de hendel te trekken en zet de rugleuning in de oorspronkelijke stand. Controleer of de stoel goed verankerd is. 69 Flexibele indeling stoelen tweede zitrij Rugleuningverstelling - Bedien de hendel om de stand van de rugleuning te verstellen. Rugleuning in de tafelstand zetten - Duw de hoofdsteun volledig omlaag. - Bedien de hendel om de rugleuning op de zitting te klappen. Stoel in de portefeuillestand zetten - Zet de stoel in de portefeuillestand. - Trek aan de rode riem aan de achterzijde van de stoel om de steunen uit de verankerpunten op de vloer te verwijderen. - Kantel de stoel in zijn geheel naar voren. Terugzetten van de stoel - Kantel de stoel in zijn geheel naar achteren. Let voordat u de stoel terugklapt op het volgende: - de voeten van een passagier op de derde zitrij mogen zich niet op de verankeringspunten op de vloer bevinden, - de stoel moet goed zijn verankerd op de vloer, - de passagier moet de autogordel kunnen gebruiken. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT
56 Stoelen 70 Flexibele indeling stoelen derde zitrij Rugleuning in de tafelstand zetten - Duw de hoofdsteun volledig omlaag. - Bedien de hendel om de rugleuning op de zitting te klappen. Rechtop zetten van de rugleuning - Ontgrendel de rugleuning door aan de hendel te trekken en zet de rugleuning in de oorspronkelijke stand. Controleer of de stoel goed verankerd is. Stoel in de portefeuillestand zetten - Zet de stoel in de tafelstand. - Til de palinrichting met de rode riem aan de achterzijde van de stoel op om de steunen te verwijderen uit de verankeringspunten op de vloer. - Klap de stoel in zijn geheel naar voren. Terugzetten van de stoel - Duw op de rode hendel. - Klap de stoel in zijn geheel naar achteren. Let op het volgende: - de stoel moet goed zijn verankerd op de vloer, - de passagier moet de autogordel kunnen gebruiken.
57 Stoelen 7 Instappen en uitstappen vanaf de derde zitrij Instappen - Zet de stoel op de tweede zitrij in de tafelstand. Controleer voordat u de stoel terugzet in de oorspronkelijke stand of de voeten van een passagier op de derde zitrij zich niet op de verankeringspunten van de stoel op de tweede zitrij bevinden. - Trek aan de rode riem om de stoel in de portefeuillestand te zetten. - Klap de stoel in zijn geheel naar voren. - Zet de stoel in de portefeuillestand om de instap te vergemakkelijken. Uitstappen - Duw de hoofdsteun volledig omlaag. - Bedien de gele hendel aan de achterzijde van de rugleuning van de tweede zitrij. - Klap de rugleuning neer in de tafelstand. - Stap uit via het portier. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT Let op de juiste plaatsing van de middelste autogordel in de daarvoor bestemde opening in de hemelbekleding.
58 Stoelen 72 Bediening stoelen tweede zitrij Verwijderen van de stoel - Schuif indien nodig de voorstoel naar voren. - Duw de hoofdsteun omlaag. - Zet de stoel in de portefeuillestand. - Kantel de stoel naar voren en til hem vervolgens op. Terugzetten van de stoel Op de sticker op de stoel kunt u zien op welke plaats deze hoort. - Plaats de haken van de voorste steunen tussen de twee stangen. - Kantel de stoel naar achteren om de achterste verankeringspunten vast te zetten. - Trek aan de hendel om de rugleuning in de oorspronkelijke stand te zetten. - Zet de hoofdsteun omhoog. Let erop dat het vergrendelen niet wordt verhinderd door voorwerpen of voeten van passagiers achterin die zich voor de openingen voor de verankering bevinden.
59 Stoelen Gebruiksvoorschrift Plaats geen harde of zware voorwerpen op de in de tafelstand neergeklapte rugleuningen, bij een aanrijding of noodstop kunnen deze veranderen in gevaarlijke projectielen. 73 Bediening stoel derde zitrij Verwijderen van de stoel - Duw de hoofdsteun omlaag. - Zet de stoel in de portefeuillestand. - Klap de stoel naar voren. - Neem de neergeklapte stoel aan beide zijden vast, beweeg de stoel naar voren en til hem omhoog. Terugzetten van de stoel Op de sticker op de stoel kunt u zien op welke plaats deze hoort. - Plaats de haken van de voorste steunen tussen de twee stangen. - Let er op dat de achterste openingen voor de verankering niet worden geblokkeerd en dat de autogordel juist geplaatst en toegankelijk is. - Klap de zitting naar achteren om de achterste bevestigingspunten te verankeren. - Gebruik de hendel om de rugleuning weer in de oorspronkelijke stand te zetten. - Trek de hoofsteun omhoog. Na de verschillende handelingen: - verwijder een hoofdsteun niet zonder deze op te bergen, bevestig deze aan een steun in de auto, - controleer of de veiligheidsgordels bereikbaar blijven en gemakkelijk door de passagier kunnen worden vastgemaakt, - ga niet rijden voordat alle passagiers hun veiligheidsgordel hebben vastgemaakt en afgesteld. - de passagier op de derde zitrij moet erop letten de openingen voor de verankering van de stoel op de tweede zitrij niet te af te dekken. 3ERGONOMIE EN COMFORT
60 Stoelen 74 FLEXIBEL INTERIEUR EN STOELOPSTELLINGEN Stoelopstellingen 5 zitplaatsen
61 Stoelen 75 Stoelopstellingen 7 zitplaatsen ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT Het wijzigen van de opstellingen dient uitsluitend te gebeuren als de auto stilstaat.
62 Praktische voorzieningen 76 VOORCOMPARTIMENT Bovenste opbergvak Het opbergvak bevindt zich bovenop het dashboard, achter het stuurwiel. Het optillen van het deksel wordt vergemakkelijkt door een uitsparing. Beweeg het deksel met de hand omhoog tot deze volledig geopend is. Beweeg om het opbergvak te sluiten het deksel omlaag en druk vervolgens kort op het midden van het deksel. Het morsen van vloeistof kan kortsluiting veroorzaken, wat tot brand kan leiden.. Onderste opbergvak Dit opbergvak kan, afhankelijk van de uitvoering, van een deksel zijn voorzien. Het opbergvak met deksel kan bij auto's met airconditioning gekoeld worden. In deze uitvoering wordt gekoelde lucht (als de airconditioning is ingeschakeld) door een ventilatieopening in het opbergvak verspreid, onafhankelijk van de ingestelde interieurtemperatuur en de buitentemperatuur. 2. Opbergvak en flessenhouder (,5 L) 3. Opbergvak aan de zijkant 4. Tashaak Hang uitsluitend fl exibele en niet te zware tassen aan de haak.
63 Praktische voorzieningen Zonneklep Klap om verblinding te voorkomen bij laagstaande zon de zonneklep omlaag. In de zonneklep aan bestuurderszijde is een vakje aanwezig waarin bijvoorbeeld tol- of parkeerkaarten opgeborgen kunnen worden. 77 Middenconsole met opbergruimte Dankzij deze console is er aanmerkelijk meer opbergruimte: de console is uitneembaar en wordt op een steun vastgezet waarin in het achterste gedeelte twee bekerhouders aanwezig zijn. Controleer of het flesje of blikje stevig in de bekerhouder op zijn plaats wordt gehouden en tijdens het rijden niet kan omvallen. Gemorste vloeistof kan bij contact met schakelaars op het dashboard en de middenconsole storingen veroorzaken. Wees daarom voorzichtig met het gebruik van de bekerhouder. Dakconsole De dakconsole bevindt zich boven de zonnekleppen, hierin kan bijvoorbeeld een trui, een map of handschoenen worden opgeborgen. Door de openingen in de dakconsole achter de zonnekleppen zijn de voorwerpen zichtbaar waardoor ze gemakkelijk bereikbaar zijn. In totaal mag niet meer dan 5 kg in de dakconsole worden opgeborgen. Berg er geen voorwerpen in op die gevaar voor de inzittenden kunnen opleveren. 3ERGONOMIE EN COMFORT
64 Praktische voorzieningen 78 Opbergladen onder de stoelen Afhankelijk van de uitvoering is onder beide voorstoelen een opberglade aanwezig. Opbergruimte onder de stoelen In de vloer onder de voorstoelen zijn opbergvakken met of zonder deksel aanwezig. Beweeg de stoel naar voren om deze opbergvakken te bereiken. Het deksel kan vanaf de achterzijde van de stoel worden geopend.
65 Praktische voorzieningen 79 INDELING ZITPLAATSEN Opbergvakken in de vloer Onder de voetenruimte van de achterpassagiers bevinden zich twee opbergvakken in de vloer. Steek, om de opbergvakken te openen, uw vingers in de opening en til het deksel op. Vliegtuigtafeltjes Trek, om het tafeltje uit te klappen, het tafeltje omhoog en plaats het in horizontale positie. Het tafeltje is uit veiligheidsoverwegingen zo ontwikkeld dat het onder zware belasting losschiet. Om het tafeltje weer te plaatsen, moet het in verticale stand gehouden worden. Bevestig één kant in de houder en vervolgens de andere kant door er licht op te drukken. Leg geen harde of zware voorwerpen op het tafeltje, deze kunnen bij een noodstop of een aanrijding in gevaarlijke projectielen veranderen. Aan de zijkant van het tafeltje is een haak aanwezig waar een tas aan opgehangen kan worden. Zonneschermen opzij Voor de ruiten van de schuifdeuren zijn zonneschermen leverbaar. Trek aan de lip om de zonwering te bevestigen. Controleer of de lip goed bevestigd is om te voorkomen dat het zonnescherm beschadigd raakt bij het openen van de schuifdeur. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT Beweeg de zonwering altijd rustig met de lip omhoog of omlaag.
66 Praktische voorzieningen 80 Opbergvakken Aan beide zijden van het dak hebt u de beschikking over opbergvakken. Deze opbergvakken hebben een maximale capaciteit van 6 kg. Dankzij de transparante bodem kunt u vanuit het interieur zien wat zich in de opbergvakken bevindt. Plaats geen voorwerpen in de opbergvakken die gevaar voor de inzittenden kunnen opleveren. Plafonnier Deze werkt op dezelfde wijze als de plafonnier vóór. Raadpleeg het hoofdstuk "Plafonniers" in het gedeelte "Praktische voorzieningen" van rubriek 3. MODUTOP DAK Het multifunctionele dak verlengt de dakconsole. Het bestaat uit de volgende onderdelen:
67 Praktische voorzieningen 8 Van binnenuit Van buitenaf Achterste opbergkoffer Luchtroosters De achterste opbergkoffer is bereikbaar vanaf de achterzitplaatsen en vanuit de bagageruimte. Vanaf de achterzitplaatsen kunt u de kleppen openschuiven. Vanuit de bagageruimte kunt de opbergkoffer openen door uw duim in de uitsparing te plaatsen en aan de handgreep te trekken. Open de opbergkoffer voorzichtig om te voorkomen dat er voorwerpen uit vallen. De opbergkoffer heeft een maximale capaciteit van 0 kg. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT Met de schakelaar met 3 standen kunt u de hoeveelheid uitstromende lucht regelen. De temperatuur van de uitstromende lucht is gelijk aan die voor de luchtroosters vóór. Deze luchtroosters worden aangevuld met een parfumeur.
68 Praktische voorzieningen 82 Door middel van de parfumeur kan een parfum in het interieur worden verspreid via de ventilatieroosters in het dak. Verwijderen van de parfumeur - Druk de knop in en draai deze gelijktijdig een kwart omwenteling naar links tot aan de aanslag. - Verwijder de parfumeur uit het dak. - Vervang de patroon. Instelling van de hoeveelheid Draai aan de verchroomde knop om de hoeveelheid parfum te regelen: - naar links om te verlagen, - naar rechts om te verhogen. Draai de knop maximaal naar links om de parfumeur uit te schakelen.
69 Praktische voorzieningen 83 Vervangen van een geurpatroon De navulverpakking voor de parfumeur bestaat uit een geurpatroon B en een houder C. - Verwijder de beschermfolie D. - Plaats de kop van de patroon B op de knop A van de parfumeur. - Draai de geurpatroon een kwart omwenteling om deze in de knop te vergrendelen en verwijder de houder. - Breng de parfumeur op zijn plaats. U kunt de geurpatronen op elk moment vervangen en de gebruikte geurpatronen in hun originele houder bewaren. De knop van de parfumeur A is los van de geurpatroon. De geurpatronen worden zonder de knop A geleverd. De knop van de parfumeur A kan alleen samen met een geurpatroon in het dak worden aangebracht. Zorg dus altijd dat u over de knop A en een geurpatroon beschikt. De navulpatronen kunnen aangeschaft worden bij het CITROËN-netwerk. Aanbrengen van de parfumeur Na het aanbrengen of vervangen van de geurpatroon: - Breng de parfumeur aan in zijn houder. - Draai de parfumeur een kwart omwenteling naar rechts. Gebruiksvoorschrift 3ERGONOMIE EN COMFORT Gebruik uit veiligheidsoverwegingen uitsluitend de hiervoor bestemde geurpatronen. Haal geurpatronen niet uit elkaar. Bewaar de geurpatronen in de houders als deze niet in de parfumeur worden gebruikt. Probeer nooit om de geurpatronen bij te vullen met andere parfums dan die van CITROËN. Houd de geurpatronen buiten bereik van kinderen en dieren. Voorkom elk contact met de huid en ogen. Neem als parfum is ingeslikt contact op met een arts en laat deze de verpakking of het etiket van het product zien.
70 Praktische voorzieningen 84 DAKSTANGEN Modutop dak De twee in lengterichting geplaatste dakstangen van het Modutop dak zijn afneembaar. Het maximale toegestane gewicht op iedere dakstang is 35 kg. Voorschriften voor het beladen van het dak: - Open de beschermplaatjes. - Verwijder de 4 schroeven met een schroevendraaier (opgeborgen in de gereedschapstas onder de rechterstoel). - Draai de stangen 90, met de holle delen naar voren. - Draai de 4 schroeven vast. - Sluit de beschermplaatjes. - Gebruik uitsluitend de openingen A om de bagage met een riem goed vast te zetten. In alle gevallen dient de bagage op de daarvoor bestemde antisliplaag te rusten en mogen het dak en de ruiten van het dak niet geraakt worden.
71 Praktische voorzieningen 85 ALLESDRAGER 3ERGONOMIE EN COMFORT Als er dwarsstangen op deze dakdragers worden gemonteerd, mag, als het door de fabrikant toegestane gewicht op deze stangen niet lager is, maximaal 75 kg lading op het dak vervoerd worden.
72 Praktische voorzieningen 86 Plafonnier vóór Plafonnier achter Leeslampjes vóór Automatisch inschakelen/ uitschakelen De plafonnier vóór gaat automatisch branden als de sleutel uit het contact wordt gehaald, bij het ontgrendelen van de auto, zodra een voorportier wordt geopend en als de auto wordt gelokaliseerd met de afstandsbediening. De plafonnier gaat geleidelijk uit nadat het contact is aangezet en nadat de auto is vergrendeld. Zitplaatsen vóór: de plafonniers gaan branden zodra een van de voorportieren wordt geopend. Zitplaatsen achter: de plafonnier gaat branden zodra een van de achterportieren wordt geopend. Als de portieren enkele minuten geopend blijven, gaan de plafonniers uit. Deze kunnen bij aangezet contact worden in- en uitgeschakeld met behulp van een schakelaar. Blijft branden, bij aangezet contact. Uit.
73 Praktische voorzieningen 87 UITNEEMBARE LAMP (5 ZITPLAATSEN) In het zijpaneel van de bagageruimte bevindt zich een uitneembare lamp met twee functies: - bagageruimteverlichting, - zaklamp. De bagageruimteverlichting wordt automatisch ingeschakeld bij het openen van de bagageruimte. De zaklamp werkt op oplaadbare NiMH-batterijen. Plaats de batterijen op de juiste manier in de zaklamp. Gebruik van de uitneembare lamp Neem de lamp uit de houder door hem omhoog te trekken. Druk op de knop achter op de lamp om de lamp aan of uit te zetten. U kunt de standaard gebruiken om, bijvoorbeeld bij het verwisselen van een wiel, optimaal te worden bijgelicht. Opbergen van de zaklamp 3ERGONOMIE EN COMFORT Berg de zaklamp altijd in de houder op door eerst de onderzijde in de houder te plaatsen. Als de lamp niet goed in de houder zit, loopt u het risico dat deze niet wordt opgeladen en dus niet gaat branden als de bagageruimte wordt geopend. Als de zaklamp wordt opgeborgen, gaat deze automatisch uit als u de lamp zelf nog niet had uitgeschakeld. De zaklamp kan maximaal 45 minuten blijven branden en is na enkele uren rijden weer opgeladen. Vervang de oplaadbare batterijen nooit door gewone batterijen.
74 Praktische voorzieningen 88 BAGAGESCHERM (5 ZITPLAATSEN) Deze plaat onttrekt voorwerpen in de bagageruimte aan het oog. Opklappen Klap, vanuit de bagageruimte, het achterste gedeelte van het bagagescherm op door het op te tillen en uit de inkeping C te halen. Verwijderen Klap het bagagescherm op. Haal deze uit de inkepingen A en B door het bagagescherm naar u toe te trekken. Til het bagagescherm op verwijder het geheel. Plaatsen Plaats het bagagescherm voor de inkepingen A en B. Duw het bagagescherm naar voren zodat de nokken in de inkepingen komen. Klap het bagagescherm uit en klem deze vast in de inkepingen C. Opbergen (volgens uitvoering) Aan de achterzijde van de rugleuning is een ruimte gecreëerd waar het opgeklapte bagagescherm kan worden opgeborgen. Schuif deze verticaal tussen de geleiders die halverwege de rugleuningen zijn gemonteerd. Steek als eerste de scharnierende zijde in de geleiders en houd de uiteinden van de twee gedeelten omhoog. Het bagagescherm kan dienen als tafel, maar leg er uit veiligheidsoverwegingen geen voorwerpen op die bij een noodstop of een aanrijding van achter in gevaarlijke projectielen kunnen veranderen.
75 Praktische voorzieningen 89 2V-aansluiting (maximaal 20 W) Sjorogen Bagagenet Beperk het gebruik ervan om de accu niet te ontladen. Zet met deze sjorogen uw lading vast op de vloer. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT Open het afdekkapje in de steun van de haak. Bevestig, nadat de stang een kwart omwenteling gedraaid is, de bovenzijde van het net in de uitsparingen. Controleer of het uiteinde van de stang op de juiste wijze in het metalen gedeelte van de houder is bevestigd. Bevestig de banden op de desbetreffende plaatsen op de vloer. Span met de banden het net aan.
76 Praktische voorzieningen 90 VOORZIENINGEN ACHTERIN (7 ZITPLAATSEN) Bekerhouders Elke met een vloeistof gevulde beker of mok die in het interieur wordt vervoerd kan omvallen en brengt daarom risico's met zich mee. Wees hierop alert. 2V-aansluiting (maximaal 20 W) Beperk het gebruik ervan om de accu niet te ontladen. Sjorogen Gebruik de sjorogen op de vloer om uw bagage stevig vast te zetten. De verankerpunten voor de autogordels mogen hier niet voor worden gebruikt. Het is aan te bevelen de lading stevig vast te zetten met behulp van de sjorogen op de vloer.
77 Praktische voorzieningen 9 Autogordels Let er op dat de middelste autogordel op de juiste wijze is opgerold en in de daarvoor bestemde opening in het dak is geplaatst. Voorkom dat de gordelsluitingen op de derde zitrij gaan rammelen door ze zo hoog mogelijk bij de doorvoer in het dak te plaatsen. De bevestigingsogen voor de gordelsluitingen aan weerszijden van de bagageruimte mogen niet worden gebruikt om lading vast te zetten. Kleppen opbergvak Trek de desbetreffende klep open. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT Het opbergvak dat zich het dichtst bij de drempel van de achterklep bevindt, is bedoeld om het oprolmechanisme met het bagagescherm in op te bergen.
78 Praktische voorzieningen 92 BAGAGESCHERM Het bagagescherm is een fl exibel scherm met oprolmechanisme. Let erop geen zware voorwerpen te plaatsen op het scherm in uitgerolde positie. Plaatsen Zet de stoelen op de derde zitrij in de portefeuillestand. Til het deksel van de opbergruimte in de dorpel van de bagageruimte op. Neem het oprolmechanisme in het midden vast en duw het in de richting van de linker stijl. Til het geheel op. Plaats het bagagescherm zo dat de afdekflappen aan de achterzijde van het bagagescherm naar u toe wijzen. Plaats de linker nok van het oprolmechanisme in steun A. Druk de rechter nok in en plaats deze recht voor steun B. Laat het oprolmechanisme los zodat het in de steun valt. Rol het bagagescherm uit tot aan de achterste zijstijlen. Plaats de uiteinden in de hiervoor bestemde achterste openingen om het bagagescherm te spannen.
79 Praktische voorzieningen Het oprolmechanisme is voorzien van drie schermen om de bagageruimte af te dekken, onafhankelijk van of de stoelen op de tweede zitrij in de normale of de comfortstand staan. Elk scherm beschikt over twee klemmen waarmee het kan worden bevestigd aan de hoofdsteunen. 93 Verwijderen Trek het bagagescherm vanuit de bagageruimte naar u toe om het uit de steunen te verwijderen. Geleid het bagagescherm tijdens het oprollen. Neem de klemmen van de drie schermen los van de hoofdsteunen op de tweede zitrij. Druk het oprolmechanisme aan de linkerzijde in om het uit de steun B te kunnen verwijderen. Til het scherm op en kantel het naar voren. Opbergen Berg het bagagescherm op in de hiervoor bestemde ruimte in de dorpel van de bagageruimte, met de twee achterste fl appen naar boven. Druk het bagagescherm eerst naar links. Laat het los. Berg de twee fl appen op en sluit het deksel. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT
80 Praktische voorzieningen 94 De galerij bestaat uit twee stangen die onder het dak worden aangebracht, waarbij de ruimte daaronder vrij blijft voor inzittenden. Met deze galerij kunt u lange voorwerpen (minimaal 2 meter) vervoeren, als u de achterdeuren of achterklep hebt gesloten. De lange lading moet steunen op het opbergvak boven de voorruit en de twee stangen. De twee binnenste stangen zijn met rubber bekleed en voorzien van een sjoroog die het mogelijk maakt voorwerpen met een riem op de galerij vast te sjorren. Houd u echter altijd aan de maximaal toegestane gewichten. Maximaal gewicht op de galerij: 0 kg per stang.
81 Praktische voorzieningen Opbergen Wanneer u de stangen niet gebruikt: - draai de knoppen gedeeltelijk los, - til de stang iets op, - kantel 80 omhoog, - draai de knoppen weer vast. 95 Montage van de stang - Maak de kunststof afdekplaatjes C los. - Draai de knoppen aan het uiteinde van de stang helemaal los. - Houd de stang vast aan de uiteinden en schuif deze naar binnen. - Haal het metalen eindstuk A eruit door de stang bij het uiteinde als een spuit vast te houden. - Plaats het eindstuk A aan één zijde en laat het zakken om het onder in de sleuf B vast te zetten. - Voer hetzelfde uit aan de andere zijde. - Zorg ervoor dat ze goed onder in de sleuf vastzitten. - Draai de knoppen vast en controleer of de stang goed is bevestigd door te proberen hem heen en weer te bewegen. Voer het demonteren in de omgekeerde volgorde uit. Gebruiksvoorschrift Bij een frontale aanrijding wordt de galerij ontkoppeld om letsel bij de inzittenden van de auto te voorkomen. De kleine speling van de stang heeft te maken met deze ontkoppeling. Draai de stangen niet los en plaats ze niet in een andere positie dan hierboven omschreven. De voorwerpen op de galerij moeten steunen op het opbergvak boven de voorruit en worden vastgesjord met behulp van een riem en de op de stangen aanwezige sjorogen. De stangen zijn niet bedoeld als handgrepen voor de passagiers. De galerij in het interieur is niet mogelijk in combinatie met het Modutop dak. ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT
82 Praktische voorzieningen 96 SPIEGELS Handmatig verstelbare buitenspiegels Stel de spiegel met behulp van de hendel in de gewenste stand. Tijdens het parkeren kunnen de buitenspiegels handmatig ingeklapt worden. Deze buitenspiegels worden niet verwarmd. Elektrisch verstelbare buitenspiegels - Zet de knop naar links of rechts om de desbetreffende spiegel te selecteren. - Duw de knop in de 4 richtingen om de spiegel af te stellen. - Zet de knop weer in het midden. Buitenspiegels met verwarming De elektrisch verstelbare buitenspiegels kunnen worden verwarmd. Druk op de toets van de achterruitverwarming. Elektrisch inklappen/uitklappen Bij stilstaande auto en aangezet contact kunnen de buitenspiegels van binnenuit elektrisch worden in- of uitgeklapt: - Zet de knop in de middelste stand. - Draai de knop naar beneden. Handmatig terugzetten Als de buitenspiegel uit zijn oorspronkelijke positie is geraakt, zet dan bij stilstaande auto de buitenspiegel met de hand terug of gebruik de schakelaar om de buitenspiegel terug te zetten.
83 Praktische voorzieningen 97 Binnenspiegel De binnenspiegel kent 2 standen: - dagstand (normaal), - nachtstand (antiverblinding). De spiegel kan in de dag- en nachtstand gezet worden met behulp van het hendeltje aan de onderzijde. Vensters voor tol-/ parkeerkaarten De athermische voorruit bevat twee niet-reflecterende gedeelten aan weerskanten van de binnenspiegel. Hier kunnen de tol- en/of parkeerkaarten worden bevestigd. SPIEGEL NAAR ACHTERPASSAGIERS Deze spiegel, die boven de binnenspiegel is geplaatst, biedt de bestuurder of voorpassagier de mogelijkheid om de zitplaatsen achterin in de gaten te houden. Doordat de spiegel kan worden gedraaid, kan deze eenvoudig handmatig worden afgesteld en is het mogelijk een goed zicht te krijgen op de ruimte achter in de auto. De spiegel kan ook zo worden afgesteld dat deze een beter overzicht geeft bij parkeren of inhalen. ZIJRUITEN ACHTER ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT Kantel de hendel en druk deze helemaal naar buiten om de geopende ruit vast te zetten.
84 Praktische voorzieningen 97 Binnenspiegel De binnenspiegel kent 2 standen: - dagstand (normaal), - nachtstand (antiverblinding). De spiegel kan in de dag- en nachtstand gezet worden met behulp van het hendeltje aan de onderzijde. Vensters voor tol-/ parkeerkaarten De athermische voorruit bevat twee niet-reflecterende gedeelten aan weerskanten van de binnenspiegel. Hier kunnen de tol- en/of parkeerkaarten worden bevestigd. SPIEGEL NAAR ACHTERPASSAGIERS Deze spiegel, die boven de binnenspiegel is geplaatst, biedt de bestuurder of voorpassagier de mogelijkheid om de zitplaatsen achterin in de gaten te houden. Doordat de spiegel kan worden gedraaid, kan deze eenvoudig handmatig worden afgesteld en is het mogelijk een goed zicht te krijgen op de ruimte achter in de auto. De spiegel kan ook zo worden afgesteld dat deze een beter overzicht geeft bij parkeren of inhalen. ZIJRUITEN ACHTER ERGONOMIE EN COMFORT 3ERGONOMIE EN COMFORT Kantel de hendel en druk deze helemaal naar buiten om de geopende ruit vast te zetten.
85 Praktische voorzieningen 98 Telkens als de schakelaar omhoog wordt getrokken, sluit de ruit enkele centimeters. Open de ruit volledig en sluit de ruit. Laat de schakelaar los en trek hem opnieuw omhoog totdat de ruit volledig is gesloten. Tijdens deze handelingen is de beveiliging tegen beknellen uitgeschakeld. ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN. Schakelaar ruitbediening bestuurderszijde 2. Schakelaar ruitbediening passagierszijde U kunt de ruiten op twee manieren bedienen: Handbediening Duw of trek de schakelaar tot aan het zware punt om de ruit te openen of te sluiten. De ruit stopt zodra de schakelaar wordt losgelaten. Automatische bediening Duw of trek de schakelaar voorbij het zware punt. Als u de schakelaar hebt losgelaten, opent of sluit de ruit volledig. Druk nogmaals op de schakelaar om het openen of sluiten te stoppen. De elektrische ruitbediening wordt uitgeschakeld: - ongeveer 45 seconden na het afzetten van het contact. - als bij afgezet contact een voorportier wordt geopend. Beveiliging tegen beknellen Als de ruit sluit en tegen een obstakel stuit, stopt de ruit en gaat direct gedeeltelijk weer open. Resetten Nadat de accukabels los zijn geweest of in het geval van een storing, moet de ruitbediening gereset worden. Gebruiksvoorschrift Wanneer tijdens het bedienen van de ruit iets tussen de ruit en de sponning bekneld raakt, moet de ruit weer worden geopend. Druk daarvoor op de desbetreffende schakelaar. Wanneer de bestuurder de ruit aan de passagierszijde bedient, moet hij ervan verzekerd zijn dat niets het correcte sluiten van de ruit verhindert. De bestuurder moet ervan verzekerd zijn dat de passagiers op de juiste manier gebruik maken van de elektrische ruitbediening. Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens het bedienen van de ruit niet kunnen bezeren. Als een van de elektrisch bedienbare ruiten te vaak achter elkaar geopend en gesloten wordt, treedt een beveiliging in werking en kan de ruit alleen nog worden gesloten. Wacht na het sluiten ongeveer 40 minuten. Na deze tijd kan de ruit weer worden bediend.
86 Veiligheid tijdens het rijden 99 VEILIGHEID TIJDENS HET RIJDEN ALARMKNIPPERLICHTEN Druk deze knop in, de richtingaanwijzers knipperen tegelijkertijd. De alarmknipperlichten werken ook als het contact is afgezet. Gebruik de alarmknipperlichten alleen bij een noodsituatie, een noodstop of in uitzonderlijke omstandigheden. Automatische ontsteking van de alarmknipperlichten Bij een noodstop schakelen de alarmknipperlichten, afhankelijk van de remvertraging die optreedt, automatisch in. De alarmknipperlichten blijven knipperen totdat er opnieuw gas wordt gegeven. U kunt de alarmknipperlichten echter ook uitschakelen door de knop op het instrumentenpaneel in te drukken. CLAXON Druk in het midden van het stuurwiel. HANDREM Aantrekken Trek aan de hendel van de handrem om de auto op de handrem te zetten. Controleer voordat u uitstapt of de handrem goed is aangetrokken. Als de handrem nog (iets) is aangetrokken, wordt dit aangegeven door dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel. Als de auto stilstaat op een helling, draai dan de wielen richting trottoir en trek de handrem aan. Het is zeker bij een beladen auto niet voldoende een versnelling in te schakelen bij het parkeren van de auto. Loszetten 4VEILIGHEID Trek aan de hendel van de handrem en druk op de knop om de handrem los te zetten.
87 Parkeerhulp 00 PARKEERHULP ACHTER De parkeerhulp achter met geluidssignalen en/of een grafische weergave bestaat uit vier parkeersensoren die zijn aangebracht in de achterbumper. Het systeem waarschuwt de bestuurder voor elk obstakel (persoon, auto, boom, hek, ) dat zich binnen het bereik van het systeem achter de auto bevindt. Het waarschuwt u niet voor objecten die zich direct onder de bumper bevinden. Paaltjes, pionnen bij wegwerkzaamheden of gelijksoortige voorwerpen worden waargenomen bij aanvang van de aanrijmanoeuvre, maar niet meer wanneer de auto te dicht genaderd is. Inschakelen van de achteruitversnelling Een geluiddsignaal bevestigt dat het systeem wordt ingeschakeld zodra de achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Een geluidssignaal geeft de afstand tot het obstakel aan. Hoe dichter de auto bij het obstakel komt, hoe korter de tijd tussen de geluidssignalen is. Als de auto minder dan ongeveer 30 centimeter van het obstakel verwijderd is, is het geluidssignaal continu hoorbaar. Weergave op het display Uitschakelen van de parkeerhulp Zet de versnellingsbak in de neutraalstand.
88 Parkeerhulp Storing Als het systeem bij het inschakelen van de achteruitversnelling niet werkt, gaat het lampje van de schakelaar branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. 0 Activeren/Deactiveren Druk op deze schakelaar om het systeem te activeren of te deactiveren. De geactiveerde of gedeactiveerde toestand van het systeem wordt opgeslagen bij het afzetten van het contact. Gebruiksvoorschrift Zorg ervoor dat de sensoren in de winter of bij slecht weer niet bedekt zijn met modder, ijs of sneeuw. Het systeem zal automatisch worden uitgeschakeld bij het trekken van een aanhanger of de montage van een fietsdrager (auto met een door CITROËN aanbevolen trekhaak of fietsdrager). De parkeerhulp is een hulpmiddel voor de bestuurder die desondanks waakzaam moet blijven en verantwoordelijk is. 4VEILIGHEID
89 Veiligheid tijdens het rijden 02 ANTIBLOKKEERSYSTEEM (ABS - REF) Het ABS zorgt samen met de elektronische remdrukregelaar (REF) tijdens het remmen voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto, vooral op een slecht of glad wegdek. Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen, terwijl de remdrukregelaar de remdruk over de vier wielen verdeelt. Gebruiksvoorschrift Het ABS treedt automatisch in werking als één van de wielen dreigt te blokkeren. Het systeem zorgt niet voor een kortere remweg. Op een erg glad wegdek (sneeuw, olie, enz.) kan de remweg door de werking van het ABS langer zijn. Trap het rempedaal bij een noodstop krachtig en volledig in en laat het niet los, ook niet op een glad wegdek. Het ABS zorgt er dan voor dat u om het obstakel heen kunt sturen. De normale werking van het antiblokkeersysteem kan merkbaar zijn door het trillen van het rempedaal. Zorg er bij vervanging van de wielen (banden en velgen) voor dat er wielen worden gemonteerd die zijn voorzien van een artikelnummer van CITROËN. Als dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie met ABS een geluidssignaal en een melding op het display, duidt dit op een storing in het antiblokkeersysteem. Door deze storing zou u tijdens het remmen de controle over uw auto kunnen verliezen. Als dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie ABS met de verklikkerlampjes remsysteem en STOP, een geluidssignaal en een melding op het display, duidt dit op een storing in de elektronische remdrukregelaar. Door deze storing zou u tijdens het remmen de controle over uw auto kunnen verliezen. Stop onmiddellijk op een veilige plaats. Raadpleeg in beide gevallen het CITROËN-netwerk. NOODREMASSISTENTIE (AFU) Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de optimale remdruk sneller wordt bereikt: trap het rempedaal volledig in zonder het los te laten. Het systeem wordt ingeschakeld als de snelheid waarmee het rempedaal wordt ingetrapt groot is en zorgt ervoor dat de benodigde bedieningskracht verandert. Houd het rempedaal ingetrapt om de werking van de noodremassistentie voort te zetten.
90 Veiligheid tijdens het rijden Werking van het ASR- en ESP-systeem Controle van werking 03 ANTISPINREGELING (ASR) EN ELEKTRONISCH STABILITEITSPROGRAMMA (ESP) Deze systemen staan in verbinding met het ABS en zijn hier een aanvulling op. De ASR zorgt voor een optimale overbrenging van de aandrijfkracht op de weg, zodat wordt voorkomen dat u tijdens het accelereren de controle over de auto verliest. Het systeem past de aandrijfkracht aan om het doorspinnen van de wielen te voorkomen via de remmen van de aangedreven wielen en de motor. Het systeem zorgt ook voor meer koersstabiliteit bij het accelereren. Houd als het ESP is ingeschakeld in een bocht het stuurwiel altijd in de gewenste richting en stuur niet tegen. Het ESP-systeem grijpt automatisch in via het remsysteem en de motor als de koers van de auto afwijkt van de door de bestuurder gewenste richting. Het lampje knippert tijdens een ingreep van de ASR of het ESP. Uitschakelen ASR/ESP In bijzondere omstandigheden (als de auto vastzit in de modder, sneeuw, in mulle grond,...) kan het nuttig zijn het ASR/ESP uit te schakelen, zodat de wielen kunnen slippen en weer grip kunnen krijgen. - Druk op de knop die zich op de middenconsole bevindt. - Het verklikkerlampje gaat branden: de systemen ASR en ESP zijn uitgeschakeld. De systemen worden opnieuw: - automatisch ingeschakeld als de wagensnelheid hoger wordt dan 50 km/h, - handmatig ingeschakeld door nogmaals op de knop te drukken. Bij een storing in de systemen zal het verklikkerlampje gaan branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk om het systeem na te laten kijken. Het verklikkerlampje kan ook gaan branden in het geval van een te lage bandenspanning. Controleer van alle banden de bandenspanning. Gebruiksvoorschrift Het ASR-/ESP-systeem zorgt voor meer veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder mag zich echter nooit laten verleiden tot het nemen van meer risico's en het te hard rijden. De goede werking van het systeem wordt verzekerd onder voorwaarde dat de voorschriften van de constructeur op het gebied van wielen (banden en velgen), onderdelen van het remsysteem en elektronische onderdelen worden nageleefd en dat de procedures voor montage en het uitvoeren van werkzaamheden door het CITROËN-netwerk worden opgevolgd. Laat deze systemen na een aanrijding controleren door het CITROËN-netwerk. 4VEILIGHEID
91 Veiligheidsgordels Gebruiksvoorschrift 04 VEILIGHEIDSGORDELS Hoogteverstelling Knijp de knop van de geleider in en schuif deze omhoog of omlaag (veiligheidsgordel bestuurdersstoel en enkele passagiersstoel). Vastmaken Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting. Trek aan de gordel om de vergrendeling van de gesp te controleren. Losmaken Druk op de rode knop. Verklikkerlampje veiligheidsgordel bestuurder Als de bestuurder zijn veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt, gaat bij het starten van de motor het verklikkerlampje branden. De bestuurder dient er vóór het wegrijden zeker van te zijn dat alle inzittenden hun veiligheidsgordels op de juiste manier hebben vastgemaakt. Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al betreft het een korte rit. De veiligheidsgordels zijn voorzien van een oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte van de gordel automatisch wordt aangepast aan uw lichaamsbouw. Gebruik geen accessoires om de veiligheidsgordels minder strak te laten aansluiten (zoals wasknijpers, klemmen, veiligheidsspelden,...). Controleer zowel voor als na het gebruik van de gordel of deze goed is opgerold. Controleer na het neerklappen of verplaatsen van een stoel of de achterbank of de gordel goed is opgerold en de gordelsluiting zich op de juiste plaats bevindt. De gordelspanners van de veiligheidsgordels vóór kunnen, afhankelijk van de aard en de kracht van de aanrijding, onafhankelijk van de airbags afgaan. De gordelspanners trekken de veiligheidsgordels direct stevig tegen het lichaam van de inzittenden. Het afgaan van de gordels gaat gepaard met een lichte onschadelijke rookvorming en een geluid als gevolg van de pyrotechnische lading in het systeem.
92 Veiligheidsgordels De gordelkrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee de gordel tegen het lichaam van de inzittenden getrokken wordt. De oprolautomaten zijn voorzien van een automatische blokkeerinrichting die in werking treedt bij een aanrijding, een noodstop of het over de kop slaan van de auto. De veiligheidsgordels met pyrotechnische gordelspanners werken alleen als het contact aan staat. U kunt de gordel losmaken door de rode knop op de gesphouder in te drukken. Geleid de gordel tijdens het oprollen. Als de gordelspanners zijn geactiveerd, gaat het verklikkerlampje airbag branden. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Voor een effectieve werking van de veiligheidsgordel: - mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen, - moet worden voorkomen dat de gordel gedraaid raakt en moet de gordel in een vloeiende beweging naar voren worden getrokken, - dient deze strak om het lichaam te worden gedragen. De schoudergordel moet langs het holle gedeelte van de schouder worden geplaatst. De heupgordel moet zo laag mogelijk op het bekken worden geplaatst. Draai de gespen van de veiligheidsgordels niet om; de gordels zijn dan niet voldoende effectief. Als de zitplaatsen zijn voorzien van armsteunen, moet de heupgordel altijd onder de armsteun door worden geleid. Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door even aan de riem te trekken. Voorschriften voor kinderen: - maak voor kinderen tot 2 jaar of kleiner dan,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje. - laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het rijden. De veiligheidsgordel mag door niet meer dan één persoon gedragen worden. Raadpleeg voor meer informatie over kinderzitjes in rubriek 4 het gedeelte "Kinderen in de auto". Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften moeten werkzaamheden en controles aan de veiligheidsgordels worden uitgevoerd door het CITROËN-netwerk, dat tevens voor de garantie zorgt en de werkzaamheden volgens de voorschriften uitvoert. Laat de veiligheidsgordels van uw auto regelmatig (ook na een kleine aanrijding) controleren door het CITROËN-netwerk: de gordels mogen geen slijtagesporen en scheuren vertonen en er mogen geen wijzigingen aan de gordels zijn aangebracht. Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop of een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk. Autogordels zitplaatsen vóór De autogordels vóór zijn voorzien van pyrotechnische gordelspanners en gordelkrachtbegrenzers. Autogordels zitplaatsen achter (5 zitplaatsen) De zitplaatsen achter zijn voorzien van driepuntsgordels met oprolautomaten. 05 4VEILIGHEID
93 Veiligheidsgordels 06 Autogordels zitplaatsen achter (7 zitplaatsen) Tweede zitrij De drie zitplaatsen zijn uitgerust met driepuntsgordels en oprolautomaten. Let er bij het neerklappen van de buitenste stoelen of het neerklappen van de rugleuningen in de tafelstand op dat de autogordel van de middelste zitplaats niet knel komt te zitten. Let er bij het verstellen van de buitenste stoelen (verwijderen/ terugplaatsen) of bij het instappen naar de derde zitrij op dat er niets blijft haken aan de middelste autogordel. Let erop dat de middelste autogordel op de juiste wijze is opgerold in de gordelhouder in het dak. Derde zitrij De twee zitplaatsen zijn uitgerust met driepuntsgordels en oprolautomaten. Bevestig de gordels niet aan de sjorogen, zoals met een rood kruis is aangegeven op de sticker. Let erop dat de autogordels op de juiste wijze worden vastgemaakt aan de hiervoor bestemde ogen. De autogordels van de derde zitrij kunnen worden opgeborgen als ze niet in gebruik zijn. Hierdoor is de bagageruimte beter toegankelijk en is het bagagescherm eenvoudiger te plaatsen. Haak de musketonhaak vast op de hiervoor bestemde plaats in de bekleding van de achterstijl.
94 Airbags 07 AIRBAGS De airbags zijn speciaal ontworpen voor een betere veiligheid van de inzittenden bij ernstige aanrijdingen: ze vormen een aanvulling op de werking van de veiligheidsgordels met gordelkrachtbegrenzers. De elektronische schoksensoren registreren in dat geval de frontale en zijdelingse aanrijdingen waaraan de registratiezones voor een aanrijding worden blootgesteld: - bij een ernstige aanrijding worden de airbags onmiddellijk opgeblazen en beschermen ze de inzittenden van de auto. Direct na de aanrijding ontsnapt het gas zodat noch het zicht, noch het eventueel verlaten van de auto door de inzittenden wordt belemmerd, 4VEILIGHEID - bij een minder ernstige aanrijding of een aanrijding van achteren en in bepaalde gevallen waarin de auto over de kop slaat, treden de airbags niet in werking. De veiligheidsgordels zorgen in deze situaties voor een afdoende bescherming. De kracht van de aanrijding is afhankelijk van het soort obstakel en de snelheid van de auto op dat moment.
95 Airbags Gebruiksvoorschrift 08 De airbags werken alleen als het contact aan is. De airbags werken slechts eenmaal. Als er een tweede aanrijding plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een volgend ongeval), werken de airbags niet meer. Het activeren van de airbags gaat gepaard met wat onschadelijke rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd. De rook is niet schadelijk, maar kan voor gevoelige personen irriterend zijn. De knal die bij de ontsteking wordt geproduceerd, kan het gehoor gedurende een korte periode enigszins verminderen. Wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel is geplaatst, moet de airbag aan passagierszijde zijn uitgeschakeld. Zie in rubriek 4 het gedeelte "Kinderen aan boord". Maak er een gewoonte van om normaal rechtop in de voorstoelen te zitten. Draag altijd een correct afgestelde veiligheidsgordel. Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden (kinderen, huisdieren, objecten...). Dit kan de goede werking van de airbag belemmeren en/of de inzittende bij het opblazen van de airbag verwonden. Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto de airbagsystemen controleren. Het is beslist niet toegestaan om werkzaamheden uit te voeren aan airbagsystemen, raadpleeg hiervoor het CITROËN -netwerk. Zelfs als alle bovenstaande voorschriften worden nageleefd, blijft de kans bestaan op letsel of lichte brandwonden aan het hoofd, de borst of de armen als de airbag wordt geactiveerd. De airbag wordt namelijk zeer snel opgeblazen (binnen enkele milliseconden) en loopt vervolgens even snel leeg, waarbij de warme gassen via de daarvoor bestemde openingen naar buiten stromen. Zij-airbags Bedek de stoelen uitsluitend met de goedgekeurde stoelhoezen. Deze belemmeren het activeren van de zij-airbags niet. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen, dit zou bij het afgaan van de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of middel. Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten. Airbags vóór Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuurwielkussen rusten. Zorg ervoor dat de passagier zijn voeten niet op het dashboard laat rusten, hij kan anders ernstig letsel oplopen als de airbag wordt opgeblazen. Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen, kunnen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken. Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla er niet op.
96 Airbags 0 Inschakelen In de stand "OFF" werkt de airbag aan passagierszijde bij een eventuele aanrijding niet. Als u het kinderzitje hebt verwijderd, zet dan de schakelaar weer op "ON" om de airbag opnieuw in te schakelen en zo de veiligheid van uw passagier te garanderen. Airbags vóór Deze zijn voor de bestuurder in het midden van het stuurwiel en voor de passagier in het dashboard aangebracht. Activering Ze worden tegelijkertijd geactiveerd, behalve als de airbag aan passagierszijde is uitgeschakeld, bij een ernstige frontale aanrijding binnen de impactzone A, in de lengterichting van de auto en vanaf de voorzijde richting de achterzijde van de auto, die zich op een horizontale ondergrond moet bevinden. De airbag vóór wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór en het dashboard om te voorkomen dat de inzittende naar voren wordt geworpen. Uitschakelen Alleen de airbag aan passagierszijde kan worden uitgeschakeld: - Zet het contact af, steek de sleutel in de schakelaar voor uitschakelen van de airbag aan passagierszijde, - draai deze in de stand "OFF", - verwijder de sleutel zonder de stand van de sleutel te veranderen. Het verklikkerlampje op het instrumentenpaneel brandt zolang de airbag is uitgeschakeld. Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag aan passagierszijde altijd uit als u een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel plaatst. Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. Storing airbag vóór Als dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, laat het systeem dan controleren door het CITROËN-netwerk. Als de twee verklikkerlampjes airbag permanent branden, plaats dan geen kinderzitje met de rug in de rijrichting. Raadpleeg het CITROËN-netwerk.
97 Airbags 07 AIRBAGS De airbags zijn speciaal ontworpen voor een betere veiligheid van de inzittenden bij ernstige aanrijdingen: ze vormen een aanvulling op de werking van de veiligheidsgordels met gordelkrachtbegrenzers. De elektronische schoksensoren registreren in dat geval de frontale en zijdelingse aanrijdingen waaraan de registratiezones voor een aanrijding worden blootgesteld: - bij een ernstige aanrijding worden de airbags onmiddellijk opgeblazen en beschermen ze de inzittenden van de auto. Direct na de aanrijding ontsnapt het gas zodat noch het zicht, noch het eventueel verlaten van de auto door de inzittenden wordt belemmerd, 4VEILIGHEID - bij een minder ernstige aanrijding of een aanrijding van achteren en in bepaalde gevallen waarin de auto over de kop slaat, treden de airbags niet in werking. De veiligheidsgordels zorgen in deze situaties voor een afdoende bescherming. De kracht van de aanrijding is afhankelijk van het soort obstakel en de snelheid van de auto op dat moment.
98 Airbags Gebruiksvoorschrift 08 De airbags werken alleen als het contact aan is. De airbags werken slechts eenmaal. Als er een tweede aanrijding plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een volgend ongeval), werken de airbags niet meer. Het activeren van de airbags gaat gepaard met wat onschadelijke rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd. De rook is niet schadelijk, maar kan voor gevoelige personen irriterend zijn. De knal die bij de ontsteking wordt geproduceerd, kan het gehoor gedurende een korte periode enigszins verminderen. Wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel is geplaatst, moet de airbag aan passagierszijde zijn uitgeschakeld. Zie in rubriek 4 het gedeelte "Kinderen aan boord". Maak er een gewoonte van om normaal rechtop in de voorstoelen te zitten. Draag altijd een correct afgestelde veiligheidsgordel. Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden (kinderen, huisdieren, objecten...). Dit kan de goede werking van de airbag belemmeren en/of de inzittende bij het opblazen van de airbag verwonden. Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto de airbagsystemen controleren. Het is beslist niet toegestaan om werkzaamheden uit te voeren aan airbagsystemen, raadpleeg hiervoor het CITROËN -netwerk. Zelfs als alle bovenstaande voorschriften worden nageleefd, blijft de kans bestaan op letsel of lichte brandwonden aan het hoofd, de borst of de armen als de airbag wordt geactiveerd. De airbag wordt namelijk zeer snel opgeblazen (binnen enkele milliseconden) en loopt vervolgens even snel leeg, waarbij de warme gassen via de daarvoor bestemde openingen naar buiten stromen. Zij-airbags Bedek de stoelen uitsluitend met de goedgekeurde stoelhoezen. Deze belemmeren het activeren van de zij-airbags niet. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen, dit zou bij het afgaan van de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of middel. Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten. Airbags vóór Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuurwielkussen rusten. Zorg ervoor dat de passagier zijn voeten niet op het dashboard laat rusten, hij kan anders ernstig letsel oplopen als de airbag wordt opgeblazen. Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen, kunnen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken. Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla er niet op.
99 Airbags Storing Als dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, raadpleeg dan het CITROËN -netwerk om het systeem te laten controleren. De kans bestaat dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet worden geactiveerd. 09 Zij-airbags De zij-airbags beschermen de bestuurder en voorpassagier bij een ernstige zijdelingse aanrijding, om de kans op borstletsel te verkleinen. De zij-airbags zijn aan de zijde van de portieren in de rugleuningen van de voorstoelen aangebracht. Activering De zij-airbags worden aan de desbetreffende zijde opgeblazen bij een ernstige zijdelingse aanrijding binnen (een gedeelte van) de impactzone opzij ( B ), loodrecht op de lengteas van de auto en vanaf de buitenzijde richting de binnenzijde van de auto, die zich op een horizontale ondergrond moet bevinden. De zij-airbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór en het desbetreffende portierpaneel. Registratiezones voor een aanrijding A. Impactzone vóór B. Impactzone opzij Bij een lichte zijdelingse aanrijding of bij over de kop slaan, kan het zijn dat de airbag niet wordt geactiveerd. Window-airbags De window-airbags beschermen de bestuurder en passagiers (uitgezonderd de middelste zitplaats van zitrij 2) bij een ernstige zijdelingse aanrijding, om de kans op hoofdletsel te verkleinen. De window-airbags zijn aangebracht in de stijlen en het bovenste gedeelte van het interieur. Activering De window-airbag wordt gelijktijdig met de zij-airbag aan de desbetreffende zijde opgeblazen bij een ernstige zijdelingse aanrijding binnen (een gedeelte van) de impactzone opzij ( B ), loodrecht op de lengteas van de auto en vanaf de buitenzijde richting de binnenzijde van de auto, die zich op een horizontale ondergrond moet bevinden. De window-airbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór of achter in de auto en de ruiten. 4VEILIGHEID
100 Kinderen aan boord ALGEMENE INFORMATIE MET BETREKKING TOT KINDERZITJES Hoewel CITROËN bij het ontwerp van uw auto veel aandacht heeft besteed aan veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van uzelf. Volg voor een optimale veiligheid de volgende adviezen op: - kinderen jonger dan 2 jaar of kleiner dan,50 meter dienen in goedgekeurde, aan het lichaamsgewicht aangepaste kinderzitjes op met veiligheidsgordels of ISOFIXbevestigingen uitgeruste plaatsen te worden vervoerd, - de veiligste plaats voor het vervoeren van een kind is volgens de statistieken een plaats op de achterbank van uw auto, - kinderen tot 9 kg moeten zowel voor- als achterin met de rug in de rijrichting worden vervoerd, - een kind mag nooit op de schoot van een passagier worden vervoerd. BEVESTIGEN VAN EEN KINDERZITJE MET EEN DRIEPUNTS VEILIGHEIDSGORDEL "Met de rug in de rijrichting" Aanbevolen op de zitplaatsen achter tot 2 jaar. Wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel vóór wordt geplaatst, moet de airbag aan passagierszijde zijn uitgeschakeld. Anders kan het kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. "Met het gezicht in de rijrichting" Aanbevolen op de zitplaatsen achter vanaf 2 jaar. Wanneer een kinderzitje met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel vóór wordt geplaatst, mag de airbag aan passagierszijde niet worden uitgeschakeld. De regels voor het vervoeren van kinderen zijn per land verschillend. Raadpleeg hiervoor de wetgeving in uw land. Raadpleeg de lijst met de voor uw land goedgekeurde kinderzitjes. De aanwezigheid van ISOFIX-bevestigingen, achterzitplaatsen en een (uitschakelbare) passagiersairbag is afhankelijk van de uitvoering. VEILIGHEID 4
101 Kinderen aan boord 2 DOOR CITROËN AANBEVOLEN UNIVERSELE KINDERZITJES CITROËN levert een complete reeks kinderzitjes met een artikelnummer van CITROËN die met een driepunts veiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt: Groep 0: vanaf de geboorte tot 0 kg Groep 0+: vanaf de geboorte tot 3 kg L "RÖMER Baby-Safe Plus" Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst. Groep, 2 en 3: van 9 tot 36 kg Zie rubriek 4, gedeelte "Airbags". De procedure voor kinderzitjes en de functie uitschakelen van de airbag aan passagierszijde zijn gelijk voor het hele CITROËN-gamma. Als de airbag aan passagierszijde niet kan worden uitgeschakeld, is het absoluut verboden een kinderzitje "met de rug in de rijrichting" op de zitplaatsen voor te bevestigen. Groep 2 en 3: van 5 tot 36 kg L3 "RECARO Start". L2 "KIDDY Life" Het gebruik van de gordelbeschermer is verplicht voor het vervoeren van jonge kinderen (van 9 tot 8 kg). L4 "KLIPPAN Optima" Vanaf 6 jaar (ongeveer 22 kg): gebruik alleen de zitverhoging. L3: verwijder de hoofdsteunen om dit type kinderzitje op de 2e zitrij te kunnen plaatsen.
102 Kinderen aan boord BEVESTIGING KINDERZITJES MET DE VEILIGHEIDSGORDEL Conform de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden weer met betrekking tot het bevestigen, met een veiligheidsgordel, van een universeel gehomologeerd kinderzitje, gerangschikt naar gewicht van het kind en de plaats in de auto: 3 Gewicht van het kind en leeftijdsindicatie Plaats Minder dan 3 kg (Groep 0 (a) en 0+) Tot ongeveer jaar Van 9 tot 8 kg (Groep ) Van tot ongeveer 3 jaar Van 5 tot 25 kg (Groep 2) Van 3 tot ongeveer 6 jaar Van 22 tot 36 kg (Groep 3) Van 6 tot ongeveer 0 jaar Zitrij (b) Passagiersstoel U U U U Zitrij 2 (d) (5 en 7 zitplaatsen) Buitenste zitplaatsen Middelste zitplaats U U U U U U U U Zitrij 3 (c, d) (7 zitplaatsen) U U U U a: Groep 0: vanaf de geboorte tot 0 kg. b: raadpleeg de huidige wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te bevestigen. c: de stoelen op zitrij 2 dienen te zijn neergeklapt. d: de hoofdsteunen van de stoelen op zitrij 2 dienen te worden verwijderd voor een betere aansluiting van het kinderzitje op de stoel. U: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een universeel gehomologeerd kinderzitje met een veiligheidsgordel, zowel met de "rug in de rijrichting" als met het "gezicht in de rijrichting". VEILIGHEID 4
103 Kinderen aan boord ADVIEZEN VOOR KINDERZITJES De onjuiste bevestiging van een kinderzitje brengt de veiligheid van het kind in gevaar in geval van een botsing. Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of het tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten, worden vastgemaakt waarbij de speling ten opzichte van het lichaam van het kind zoveel mogelijk moet worden beperkt. Zorg er voor een optimale bevestiging van het kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting" voor dat de rugleuning van het zitje tegen de rugleuning van de stoel van de auto aandrukt en dat de hoofdsteun geen belemmering vormt. Als de hoofdsteun verwijderd moet worden, berg deze dan zorgvuldig op om te voorkomen dat de hoofdsteun door de auto vliegt bij krachtig afremmen. Kinderen jonger dan 0 jaar mogen niet met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel voor worden vervoerd, behalve als de achterzitplaatsen al bezet zijn door andere kinderen of als de achterbank niet bruikbaar, neergeklapt of niet aanwezig is. Schakel de airbag aan passagierszijde uit zodra een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel wordt geplaatst. Het kind kan anders bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. Laat uit veiligheidsoverwegingen: - geen kinderen zonder toezicht achter in een auto, - nooit een kind of een dier in een auto achter wanneer alle ruiten gesloten zijn en de auto in de zon staat, - de sleutels nooit binnen bereik van de kinderen achter in de auto. Gebruik de kindersloten om te voorkomen dat de portieren per ongeluk worden geopend. Zorg er voor dat de achterzijruiten niet verder dan voor /3 deel worden geopend. Plaats zonneschermen om uw jonge kinderen tegen de zon te beschermen. Plaatsen van een stoelverhoger Het bovenste gedeelte van de veiligheidsgordel moet over de schouder van het kind liggen zonder de hals te raken. Controleer of de heupgordel goed over de bovenbenen van het kind ligt. CITROËN beveelt aan een stoelverhoger met rugleuning te gebruiken voorzien van een gordelgeleider ter hoogte van de schouder. KINDERBEVEILIGING De kinderbeveiliging verhindert het openen van binnenuit van de schuifdeuren. Handmatige bediening De plaats van de kinderbeveiliging wordt aangegeven door een sticker. - Open de schuifdeur volledig tot voorbij het zware punt. - Kantel de hendel op de achterste zijkant van de schuifdeur naar beneden. Elektrische bediening Druk met het contact aan op deze knop. Het lampje gaat branden. Let op: dit systeem werkt onafhankelijk van de centrale vergrendeling. Neem voor het verlaten van de auto altijd de sleutel uit het contact, zelfs voor korte periodes. Controleer na het aanzetten van het contact altijd of de kinderbeveiliging is ingeschakeld. Bij een zware aanrijding wordt de elektrische kinderbeveiliging automatisch uitgeschakeld. 7 VEILIGHEID
104 Kinderen aan boord 2 DOOR CITROËN AANBEVOLEN UNIVERSELE KINDERZITJES CITROËN levert een complete reeks kinderzitjes met een artikelnummer van CITROËN die met een driepunts veiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt: Groep 0: vanaf de geboorte tot 0 kg Groep 0+: vanaf de geboorte tot 3 kg L "RÖMER Baby-Safe Plus" Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst. Groep, 2 en 3: van 9 tot 36 kg Zie rubriek 4, gedeelte "Airbags". De procedure voor kinderzitjes en de functie uitschakelen van de airbag aan passagierszijde zijn gelijk voor het hele CITROËN-gamma. Als de airbag aan passagierszijde niet kan worden uitgeschakeld, is het absoluut verboden een kinderzitje "met de rug in de rijrichting" op de zitplaatsen voor te bevestigen. Groep 2 en 3: van 5 tot 36 kg L3 "RECARO Start". L2 "KIDDY Life" Het gebruik van de gordelbeschermer is verplicht voor het vervoeren van jonge kinderen (van 9 tot 8 kg). L4 "KLIPPAN Optima" Vanaf 6 jaar (ongeveer 22 kg): gebruik alleen de zitverhoging. L3: verwijder de hoofdsteunen om dit type kinderzitje op de 2e zitrij te kunnen plaatsen.
105 Kinderen aan boord VOOR UW AUTO GOEDGEKEURD ISOFIX-KINDERZITJE VEILIGHEID 5 Het RÖMER Duo Plus ISOFIX-kinderzitje (gewichtsgroep B ) Groep : van 9 tot 8 kg Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX bevestigingen. Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepunts veiligheidsgordel op de zitplaats van de auto te bevestigen. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje. Wordt met het gezicht in de rijrichting geplaatst. Voorzien van een bovenste riem voor verankering aan de bovenste ISOFIX bevestiging, de TOP TETHER. Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand. 4
106 Kinderen aan boord 6 OVERZICHT BEVESTIGING ISOFIX-KINDERZITJES Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIXkinderzitje op een plaats in de auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen. Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter ( A t/m G ). Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie Tot 0 kg (groep 0) Tot ca. 6 maanden Tot 0 kg (groep 0) Tot 3 kg (groep 0+) Tot ca. jaar Van 9 tot 8 kg (groep ) tot ca. 3 jaar Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg "rug in de rijrichting" "rug in de rijrichting" "gezicht in de rijrichting" ISOFIX-maat F G C D E C D A B B e zitrij Passagiers-stoel X IL-SU IL-SU IUF, IL-SU 2e zitrij (5 en 7 * zitplaatsen) Buitenste zitplaatsen Middelste zitplaats IL-SU IL-SU IL-SU IUF, IL-SU Zitplaats zonder ISOFIX-bevestigingen 3e zitrij (7 zitplaatsen) Zitplaatsen Zitplaatsen zonder ISOFIX-bevestigingen IUF: Zitplaats geschikt voor het bevestigen van een universeel gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje met het gezicht in de rijrichting en een riem aan de bovenzijde, waarmee het zitje wordt bevestigd aan de bovenste bevestigingsring van de zitplaatsen van de auto met ISOFIX-bevestigingen. IL-SU: Zitplaats geschikt voor de bevestiging van een semi-universeel gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje met het gezicht in de rijrichting. X: Zitplaats niet geschikt voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje voor de aangegeven gewichtsklasse. * Bij de 7-persoons uitvoering dienen de drie stoelen van de 2e zitrij allemaal te zijn geplaatst als er kinderzitjes worden bevestigd.
107 Kinderen aan boord 4 Uw auto voldoet aan de nieuwe ISOFIX-normen. Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsringen: - twee bevestigingsringen A en B vóór, die zich tussen de rugleuning en de zitting van de zitplaats bevinden, Isofix kinderzitje met steun ISOFIX-kinderzitjes voorzien van een steun (voor op de vloer van uw auto) kunnen niet worden bevestigd op achterzitplaatsen voorzien van opbergvakken in de vloer (onder de voeten). - één bevestigingsring C achter, die zich aan de achterzijde van de rugleuning van de zitplaats bevinden, voor de bevestiging van de bovenste riem, de TOP TETHER-bevestiging, De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor een veilige, degelijke en snelle montage van het kinderzitje op de twee buitenste zitplaatsen achter in uw auto. De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over twee sloten die eenvoudig aan de twee bevestigingsringen voor kunnen worden verankerd. Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien van een bovenste bevestigingsriem die kan worden vastgemaakt aan de bevestigingsring C achter. Zet om de bovenste bevestigingsriem vast te maken de hoofdsteun van de zitplaats omhoog en steek de haak tussen de hoofdsteun en de rugleuning door. Bevestig de haak aan de bevestigingsring achter en trek de riem aan.
108 Kinderen aan boord ADVIEZEN VOOR KINDERZITJES De onjuiste bevestiging van een kinderzitje brengt de veiligheid van het kind in gevaar in geval van een botsing. Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of het tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten, worden vastgemaakt waarbij de speling ten opzichte van het lichaam van het kind zoveel mogelijk moet worden beperkt. Zorg er voor een optimale bevestiging van het kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting" voor dat de rugleuning van het zitje tegen de rugleuning van de stoel van de auto aandrukt en dat de hoofdsteun geen belemmering vormt. Als de hoofdsteun verwijderd moet worden, berg deze dan zorgvuldig op om te voorkomen dat de hoofdsteun door de auto vliegt bij krachtig afremmen. Kinderen jonger dan 0 jaar mogen niet met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel voor worden vervoerd, behalve als de achterzitplaatsen al bezet zijn door andere kinderen of als de achterbank niet bruikbaar, neergeklapt of niet aanwezig is. Schakel de airbag aan passagierszijde uit zodra een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel wordt geplaatst. Het kind kan anders bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. Laat uit veiligheidsoverwegingen: - geen kinderen zonder toezicht achter in een auto, - nooit een kind of een dier in een auto achter wanneer alle ruiten gesloten zijn en de auto in de zon staat, - de sleutels nooit binnen bereik van de kinderen achter in de auto. Gebruik de kindersloten om te voorkomen dat de portieren per ongeluk worden geopend. Zorg er voor dat de achterzijruiten niet verder dan voor /3 deel worden geopend. Plaats zonneschermen om uw jonge kinderen tegen de zon te beschermen. Plaatsen van een stoelverhoger Het bovenste gedeelte van de veiligheidsgordel moet over de schouder van het kind liggen zonder de hals te raken. Controleer of de heupgordel goed over de bovenbenen van het kind ligt. CITROËN beveelt aan een stoelverhoger met rugleuning te gebruiken voorzien van een gordelgeleider ter hoogte van de schouder. KINDERBEVEILIGING De kinderbeveiliging verhindert het openen van binnenuit van de schuifdeuren. Handmatige bediening De plaats van de kinderbeveiliging wordt aangegeven door een sticker. - Open de schuifdeur volledig tot voorbij het zware punt. - Kantel de hendel op de achterste zijkant van de schuifdeur naar beneden. Elektrische bediening Druk met het contact aan op deze knop. Het lampje gaat branden. Let op: dit systeem werkt onafhankelijk van de centrale vergrendeling. Neem voor het verlaten van de auto altijd de sleutel uit het contact, zelfs voor korte periodes. Controleer na het aanzetten van het contact altijd of de kinderbeveiliging is ingeschakeld. Bij een zware aanrijding wordt de elektrische kinderbeveiliging automatisch uitgeschakeld. 7 VEILIGHEID
109 Trekken van een aanhanger 8 TREKKEN VAN EEN AANHANGER, EEN CARAVAN, EEN BOOT... Verdeling gewicht Raadpleeg voor meer informatie over de aanhangergewichten de documenten van de auto (kentekenbewijs,...) of in rubriek 8 het gedeelte "Gewichten". Adviezen Bij het slepen van een auto dienen de wielen van de gesleepte auto vrij rond te draaien; de versnellingsbak moet in de neutraalstand staan. Verdeel het gewicht in de caravan/ aanhanger gelijkmatig en houd u aan de toegestane kogeldruk. Koeling Het trekken van een aanhanger op een helling veroorzaakt een hogere koelvloeistoftemperatuur. De koelventilator wordt elektrisch bediend en is niet afhankelijk van het motortoerental. Gebruik daarom een zo hoog mogelijke versnelling om het toerental te beperken en pas uw snelheid aan. Let in elk geval goed op de aanwijzing van de koelvloeistoftemperatuurmeter.
110 Trekken van een aanhanger Gebruiksvoorschrift Onder zeer zware gebruiksomstandigheden (het trekken van het maximale aanhangergewicht op een steile helling bij hoge temperatuur) wordt de airconditioning automatisch uitgeschakeld, zodat de prestaties van de motor weer kunnen worden verhoogd. Als het verklikkerlampje van de koelvloeistoftemperatuur gaat branden, stop dan zo snel mogelijk en zet de motor af. Zie in de rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". Banden Controleer de bandenspanning van de auto (zie rubriek 8 in het gedeelte "Identifi catie") en de aanhanger en breng deze indien nodig op de juiste waarde. Remmen Het trekken van een aanhanger vergroot de remweg. Rijd met matige snelheid, schakel tijdig terug, rem geleidelijk. Zijwind De zijwindgevoeligheid van de auto is groter. Rijd daarom soepel en met matige snelheid. ABS/ESP Het ABS of ESP werkt uitsluitend op de auto en niet op de aanhanger. Parkeerhulp achter Bij het trekken van een aanhanger is de parkeerhulp uitgeschakeld. Trekhaak Wij raden u aan gebruik te maken van originele CITROËN-trekhaken en hun kabelset, die tijdens de ontwikkeling van uw auto uitgebreid zijn getest en gehomologeerd en de montage hiervan toe te vertrouwen aan het CITROËN-netwerk. In geval van montage buiten het CITROËN-netwerk, moet deze montage worden uitgevoerd met gebruikmaking van de voorbereide geïntegreerde elektrische voorzieningen aan de achterzijde van de auto en de voorschriften van de constructeur. Conform de algemene voorschriften die hierboven zijn vermeld, attenderen wij u op het risico dat het monteren van een trekhaak of elektrisch accessoire zonder artikelnummer van CITROËN met zich meebrengt. Hierdoor kunnen storingen in het elektrisch systeem van uw auto ontstaan. Raadpleeg eerst het CITROËN-netwerk. 9 5ACCESSOIRES
111 Uitrusting 20 OVERIGE ACCESSOIRES Deze accessoires en onderdelen zijn getest en goedgekeurd ten aanzien van bedrijfszekerheid en veiligheid. Ze zijn volledig aangepast aan uw auto. Er wordt een ruime keuze aan accessoires en originele onderdelen, voorzien van een artikelnummer, aangeboden. Er is tevens een aanbod van accessoires beschikbaar, gerangschikt in comfort, vrije tijd en onderhoud: Autoradio's, handsfree set, luidsprekers, CD-wisselaar, navigatiesysteem,... Voordat nieuwe audio- en/of telematica-apparatuur wordt gemonteerd, moet aan de hand van de specifi caties altijd worden gecontroleerd of deze kan worden gecombineerd met de standaarduitrusting van de auto en of het elektrische systeem van de auto er niet door wordt overbelast. Raadpleeg eerst het CITROËN-netwerk. Installeren van radiocommunicatiezenders Raadpleeg, voordat u een radiocommunicatiezender met buitenantenne in uw auto laat installeren, een vertegenwoordiger van het merk CITROËN. Het CITROËN-netwerk stelt u de technische gegevens (frequentieband, maximaal uitgangsvermogen, positie antenne, specifi eke installatievoorschriften) van de voor montage geschikte zenders ter beschikking, volgens de Richtlijn Elektromagnetische Compatibiliteit Automobielen (2004/04/EG). Spatlappen vóór, spatlappen achter, lichtmetalen velgen 5/7 inch, bekleding wielkasten, met leder bekleed stuurwiel,... Inbraakalarm, graveren van ruiten, verbanddoos, veiligheidsvest, parkeerhulp achter, gevarendriehoek,... Stoelhoezen geschikt voor voorstoelen met zij-airbags, banken, rubbermatten, moquette matten, sneeuwkettingen, zonneschermen, fi etsdrager voor de achterklep,... Om te voorkomen dat de werking van de pedalen wordt gehinderd: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en goed is bevestigd, - leg nooit meerdere matten boven op elkaar. Maximaal gewicht op allesdragers - Dwarsstangen op dakdragers: 75 kg (montage van deze dwarsstangen is niet mogelijk bij uitvoeringen met Modutop. Ruitensproeiervloeistof, reinigings-/onderhoudsmiddelen voor interieur en exterieur, sets reservelampen,...
112 Uitrusting Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van CITROËN voorkomen, kan storingen in het elektronisch systeem van uw auto veroorzaken. Houd rekening met deze bijzonderheid en wij raden u aan contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk CITROËN om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en accessoires voorzien van een artikelnummer van CITROËN. Afhankelijk van het land van bestemming is de aanwezigheid van veiligheidsvesten, een gevarendriehoek en een set reservelampen in de auto verplicht. Telematica-eenheid "Active Fleet Data" De telematica-eenheid is rechtstreeks verbonden met het "hart" van de auto (via het multiplexnetwerk "Full CAN"), en kan naar wens de volgende actuele informatie weergeven: - afgelegde afstand in kilometers, - resterend aantal kilometers tot de volgende onderhoudscontrole, - waarschuwingen en storingen (oliepeil, koelvloeistofniveau, olietemperatuur, koelvloeistoftemperatuur, enz.). Met behulp van deze informatie kunnen fl eetowners het wagenparkbeheer optimaliseren. Raadpleeg het CITROËN-netwerk voor meer informatie (volgens land van bestemming). 2 5ACCESSOIRES
113 Motorkap openen 23 MOTORKAP OPENEN Binnenzijde Buitenzijde Motorkapsteun Trek aan de hendel onder het dashboard. De motorkap is ontgrendeld. Til de motorkap met één hand iets op en steek uw andere hand met de palm omlaag naar binnen, zodat u gemakkelijk bij de haak kunt. Duw met deze hand de veiligheidshaak naar links. Open de motorkap. Zet om de motorkap open te houden de motorkapsteun vast in de met een sticker aangegeven houder in het plaatdeel aan de linkerzijde van de auto. Plaats voordat u de motorkap sluit de motorkapsteun terug in de klem, zonder te forceren. Sluiten 6ONDERHOUD Laat de motorkap voorzichtig zakken en laat deze aan het einde van de slag in het slot vallen. Controleer of de motorkap goed vergrendeld is. Open de motorkap liever niet als het hard waait.
114 Onder de motorkap 24 BENZINEMOTOR Let goed op bij alle werkzaamheden onder de motorkap.. Reservoir ruitensproeiers vóór. 2. Zekeringkast. 3. Reservoir koelvloeistof. 4. Reservoir rem- en koppelingsvloeistof. 5. Luchtfilter. 6. Oliepeilstok. 7. Motorolie (bij)vullen. 8. Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof. Accu-aansluitingen: + Metalen positieve aansluiting. - Metalen negatieve aansluiting (massa).
115 Onder de motorkap 25 DIESELMOTOR Let goed op bij alle werkzaamheden onder de motorkap.. Reservoir ruitensproeiers vóór. 2. Zekeringkast. 3. Reservoir koelvloeistof. 4. Reservoir rem- en koppelingsvloeistof. 5. Luchtfilter. 6. Oliepeilstok. 7. Motorolie (bij)vullen. 8. Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof. 9. Handopvoerpomp. Accu-aansluitingen: 6ONDERHOUD + Metalen positieve aansluiting. - Metalen negatieve aansluiting (massa).
116 Niveaus 26 Voer de onderstaande controles regelmatig uit om uw auto in goede staat te houden. Raadpleeg de voorschriften bij het CITROËN-netwerk of in het onderhoudsboekje dat bij dit instructieboekje zit. Let erop dat u bij het eventueel verwijderen en monteren van de afdekkap van de motor, de bevestigingsclips niet beschadigt. Motorolieniveau Regelmatig controleren en tussen twee verversingen eventueel olie bijvullen (maximum olieverbruik: 0,5 liter per 000 km). De controle dient bij koude motor en horizontaal geplaatste auto te geschieden, met behulp van de oliepeilstok. Oliepeilstok 2 merktekens op de peilstok: A = maxi. Raadpleeg het CITROËN-netwerk als het oliepeil boven dit merkteken uitkomt. B = mini. Laat het oliepeil nooit onder dit merkteken uitkomen. Voor het behoud van de bedrijfszekerheid van de motoren en de emissieregelsystemen mogen in geen geval additieven aan de motorolie worden toegevoegd. Olie verversen Dit dient volgens het onderhoudsschema van de constructeur te worden uitgevoerd. Het is verplicht uitsluitend olieën te gebruiken met de door de constructeur voorgeschreven viscositeit. Raadpleeg de voorschriften bij het CITROËN netwerk. Neem voordat u olie bijvult de peilstok uit de houder. Controleer na het bijvullen het motorolieniveau (het niveau mag niet boven het bovenste merkteken uitkomen). Draai de olievuldop vast alvorens de motorkap te sluiten. Keuze van de viscositeitsgraad De olie dient in ieder geval aan de door de constructeur voorgeschreven normen te voldoen. Remvloeistof verversen De remvloeistof dient volgens de door de constructeur voorgeschreven intervallen te worden ververst. Gebruik remvloeistof die door de constructeur wordt aanbevolen en aan de DOT4-normen voldoet. Het niveau dient steeds tussen de merktekens MINI en MAXI van het reservoir te staan. Raadpleeg als het reservoir vaak bijgevuld moet worden zo snel mogelijk het CITROËN netwerk. Verklikkerlampjes Zie in de rubriek 2 het gedeelte "Cockpit" voor meer informatie over de verklikkerlampjes.
117 Niveaus Koelvloeistofniveau Gebruik om ernstige motorschade te voorkomen uitsluitend door de constructeur aanbevolen koelvloeistof. Als de motor warm is, wordt de temperatuur van de koelvloeistof geregeld door de koelventilator. Wacht voor werkzaamheden aan het koelsysteem ten minste uur nadat de motor gedraaid heeft, omdat de koelventilator nog kan (gaan) werken als de sleutel uit het contactslot is verwijderd en het koelsysteem onder druk staat. Draai de dop eerst een kwart omwenteling los om de druk te laten dalen en te voorkomen dat de hete koelvloeistof uit het koelsysteem spuit. Trek, als de druk eenmaal gedaald is, de dop los en vul koelvloeistof bij. Laat het koelsysteem, als vaak koelvloeistof moet worden bijgevuld, zo snel mogelijk controleren door het CITROËN-netwerk. Bijvullen Het niveau dient steeds tussen de merktekens MINI en MAXI van het expansievat te staan. Laat het koelsysteem, als meer dan liter moet worden bijgevuld, controleren door het CITROËN netwerk. Vloeistofniveau stuurbekrachtiging Controleer het niveau van de stuurbekrachtigingsvloeistof als de auto op een vlakke ondergrond staat en de motor koud is. Draai de dop met geïntegreerde peilstok los en controleer of het niveau tussen de merktekens MINI en MAXI staat. Vloeistofniveau ruiten- en koplampsproeiers Wij adviseren u voor een optimale reiniging en voor uw eigen veiligheid de producten van CITROËN te gebruiken. Bovendien mag het vloeistofniveau niet worden bijgevuld met of worden vervangen door water om bevriezing te voorkomen en een goede reiniging te garanderen. Inhoud reservoir ruitensproeiers: ongeveer 4,5 liter. Als uw auto is voorzien van koplampsproeiers, bedraagt de inhoud van het reservoir 7,5 liter. Niveau brandstofadditief (diesel met roetfilter) Een te laag additiefniveau wordt aangegeven door het verklikkerlampje service in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display. Als dit bij draaiende motor gebeurt, komt dit doordat het roetfi lter verstopt dreigt te raken (uitzonderlijke rij-omstandigheden: veelvuldig stadsverkeer, lage snelheid, lange files,...). Om het fi lter te regenereren, wordt geadviseerd zo snel mogelijk, indien de omstandigheden dit toelaten, gedurende minstens 5 minuten met een snelheid van 60 km/uur of hoger te rijden (totdat de melding op het display verdwijnt en het verklikkerlampje service uit gaat). Tijdens het regenereren van het roetfi lter, kunnen enkele geluiden van het relais hoorbaar zijn onder het dashboard. Raadpleeg het CITROËN-netwerk als de melding niet verdwijnt en het lampje service blijft branden. Bijvullen Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk uitvoeren door het CITROËN-netwerk. Afgewerkte producten Vermijd langdurig huidcontact met afgewerkte olie. Remvloeistof is schadelijk voor de gezondheid en is een erg bijtend middel. Gooi afgewerkte olie, remvloeistof en koelvloeistof niet in het riool, in het water of op de grond, maar deponeer deze in de daarvoor bestemde containers bij het CITROËN-netwerk. 27 6ONDERHOUD
118 Controles CONTROLES 28 Accu Laat uw accu voor de winter door het CITROËN-netwerk controleren. Remblokken De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral bij stadsverkeer en veel korte ritten. Hierdoor kan het noodzakelijk blijken om de remblokken vaker, tussen twee onderhoudscontroles door, te laten controleren. Als het remvloeistofniveau te laag is, kan dit behalve door lekkage van het remsysteem ook veroorzaakt worden door slijtage van de remblokken. Slijtage remschijven/-trommels Raadpleeg het CITROËN-netwerk voor meer informatie over de controle van uw remschijven/-trommels een CITROËN-servicepunt. Handrem Als de handrem een te grote slag heeft of als het systeem minder goed werkt, moet de handrem zelfs tussen twee onderhoudscontroles worden afgesteld. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk. Koolstoffilter en interieurfilter Via een luikje onder het dashboardkastje kunnen de fi lters worden vervangen. Het koolstoffi lter zorgt ervoor dat stofdeeltjes permanent en krachtig gefilterd worden. Een verstopt interieurfi lter vermindert de prestaties van de airconditioning en kan nare geuren in het interieur veroorzaken. Wij adviseren u een gecombineerd interieurfi lter de gebruiken. Danzij het specifieke tweede actieve fi lter, draagt het bij aan de zuivering van de door de inzittenden ingeademde lucht en aan een schoon interieur (vermindering van allergische reacties, onaangename geuren en vette aanslag). Raadpleeg het onderhoudsboekje voor informatie over het vervangingsinterval van de fi lterelementen. Als de omgeving (veel stof) en de gebruiksomstandigheden van de auto (veel stadsverkeer) daartoe aanleiding geven, moeten de fi lters twee keer zo vaak worden vervangen. Oliefilter Vervang het oliefi lterelement periodiek, volgens het onderhoudsschema. Roetfilter (diesel) Onderhoudswerkzaamheden aan het roetfi ler moeten worden uitgevoerd door het CITROËN-netwerk. Als langdurig met zeer lage snelheid wordt gereden of de motor langdurig stationair draait, kan bij gasgeven soms rook uit de uitlaat waargenomen worden. Dit heeft geen invloed op de prestaties van de auto en heeft geen gevolgen voor het milieu.
119 Controles Aftappen van water in het brandstoffilter Als dit lampje gaat branden, moet het brandstoffilter worden afgetapt. Om te voorkomen dat het lampje gaat branden kan het fi lter ook op regelmatige basis worden afgetapt, bijvoorbeeld bij een onderhoudsbeurt. Draai de aftapplug van het fi lter los. Ga door met aftappen tot al het water uit het filter is weggelopen via de transparante slang. Draai vervolgens de aftapplug weer vast. De HDi-motoren zijn technologisch geavanceerde motoren. Laat werkzaamheden aan deze motoren altijd uitvoeren door gekwalifi ceerde technici van het CITROËN-netwerk. Volgens land van bestemming. Handgeschakelde versnellingsbak Laat het niveau controleren volgens het onderhoudsschema van de constructeur. Raadpleeg de bladzijden in het onderhoudsboekje, die betrekking hebben op de motoruitvoering van uw auto, voor het laten controleren van de belangrijkste niveaus en bepaalde onderdelen volgens het onderhoudsschema van de constructeur. Gebruik uitsluitend door CITROËN aanbevolen producten of gelijkwaardige kwaliteitsproducten. Om de werking van belangrijke organen zoals het remsysteem te optimaliseren, worden door CITROËN specifieke producten geselecteerd en aangeboden. Vanwege de kans op beschadiging van het elektrisch systeem is het reinigen van de motorruimte met een hogedrukreiniger niet toegestaan. 29 6ONDERHOUD
120 Brandstof 30 BRANDSTOF TANKEN TE LAAG BRANDSTOFNIVEAU Als het minimum brandstofniveau is bereikt, gaat dit verklikkerlampje branden. Er bevindt zich nog ongeveer 8 liter in de tank. Tank bij de eerstvolgende gelegenheid om een lege brandstoftank te voorkomen. Het tanken dient met afgezette motor te geschieden. - Open de brandstofvulklep. - Steek de sleutel in het slot en draai de sleutel een kwart omwenteling om. - Trek de tankdop uit de vulopening en bevestig deze aan de haak aan de binnenzijde van de vulklep. Op een label staat de voorgeschreven soort brandstof aangegeven. Laat het vulpistool bij het aftanken van de auto nooit meer dan 3 keer automatisch uitspringen. Indien dit wel gebeurt, kunnen er storingen optreden. De inhoud van de brandstoftank bedraagt ca. 60 liter. - Vergrendel na het tanken de vuldop en sluit de vulklep. Een mechanisch systeem voorkomt dat tijdens het tanken de linker schuifdeur geopend kan worden. Let erop dat niemand de schuifdeur probeert te openen als de brandstofvulklep geopend is. Na het sluiten van de brandstofvulklep kan de schuifdeur geblokkeerd worden. Druk dan tegen de schuifdeur om deze te sluiten en vervolgens te openen. BRANDSTOFTOEVOER UITGESCHAKELD Bij een zware aanrijding wordt de brandstoftoevoer automatisch door de brandstofafsluiter onderbroken. Als dit verklikkerlampje gaat knipperen, verschijnt een melding op het display. Controleer buiten de auto of u geen brandstof ruikt en of er geen brandstofl ekkage is en herstel de brandstoftoevoer als volgt: - zet het contact af (stand STOP). - neem de sleutel uit het contactslot. - plaats de sleutel in het contactslot. - zet het contact aan en start de motor. HANDOPVOERPOMP DIESEL In het geval van een lege brandstoftank is het noodzakelijk het brandstofsysteem te ontluchten: - vul de brandstoftank met minimaal vijf liter diesel, - bedien de handopvoerpomp van de ontluchting (onder de beschermkap in de motorruimte), - houd de sleutel in de stand "D" (starten) tot de motor aanslaat. Raadpleeg in rubriek 6 het gedeelte "Onder de motorkap".
121 Accu ACCU ECO-MODE Laden met behulp van een acculader: - maak de accupoolklemmen los, - volg de aanwijzingen van de fabrikant op de acculader, - sluit de accukabels weer aan, te beginnen met de (-) kabel, - controleer of de accupolen en de klemmen schoon zijn. Indien ze bedekt zijn met een (witte of groene) oxidatielaag, neem dan de accukabels los en reinig de polen en de klemmen. Starten met een hulpaccu: - sluit eerst de rode kabel aan op de (+) polen van de beide accu's, - sluit de groene of zwarte kabel aan op de (-) pool van de hulpaccu, - sluit het andere uiteinde van de groene of zwarte kabel aan op een zo ver mogelijk van de accu verwijderd massapunt van de te starten auto. - stel de startmotor in werking en laat de motor draaien. - wacht tot de motor stationair draait en neem dan de kabels los. Het is raadzaam de accu los te koppelen als uw auto langer dan een maand buiten gebruik is. Wacht 2 minuten na het uitzetten van het contact alvorens de accu los te koppelen. Maak de accupoolklemmen niet los bij draaiende motor. Laad de accu niet op zonder de accukabels los te nemen. Zet, elke keer nadat de accukabels weer zijn aangesloten, het contact AAN en wacht minuut alvorens de motor te starten, zodat de elektronische systemen geïnitialiseerd kunnen worden. Raadpleeg het CITROËN-netwerk als er zich na deze handeling toch nog problemen voordoen. Wacht ongeveer 3 minuten na het vervangen van een lamp alvorens de accu aan te sluiten. Nadat de motor is afgezet wordt bij aangezet contact na 30 minuten een aantal elektrische voorzieningen (ruitenwissers, ruitbediening, plafonniers, autoradio, enz.) automatisch uitgeschakeld om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. Op dat moment knippert het verklikkerlampje voor het laden van de accu en verschijnt er een melding op het display. Start de motor en laat deze enige tijd draaien om de bovengenoemde voorzieningen weer te kunnen gebruiken. De beschikbare tijd bedraagt het dubbele van de tijd dat de motor heeft gedraaid. Deze tijd zal echter altijd tussen de 5 en 30 minuten bedragen. Als de accu ontladen is, kan de motor niet gestart worden. 3 7SNEL WEER OP WEG
122 Wiel verwisselen 32 BANDENREPARATIESET De bandenreparatieset bevindt zich in een van de twee opbergvakken onder de voorstoelen. Deze complete set bestaat uit een compressor en een fl acon met afdichtmiddel. Gebruik van de set. Kruis het wiel waarvan de band lek is aan op de sticker met de snelheidslimiet, en plak deze op het stuurwiel om u er aan te herinneren dat u tijdelijk met een gerepareerd wiel rijdt. 2. Klik de flacon op de compressor Sluit de fl acon aan op het ventiel van de lekke band. 4. Let erop dat de slang van de compressor volledig uitgerold is voordat u deze op de fl acon aansluit. 5. Sluit de voedingsdraad aan op een van de 2V-aansluitingen in de auto. 6. Activeer de compressor met een druk op de knop A, tot de bandenspanning 2,0 bar bedraagt. Als deze spanning niet bereikt kan worden, kan de band niet worden gerepareerd. 7. Verwijder de compressor en berg deze op. 8. Rijd onmiddellijk enkele kilometers met beperkte snelheid, zodat het afdichtingsproduct het lek kan dichten. 9. Breng de band met behulp van de compressor op de normale, voorgeschreven spanning en controleer of het lek goed gedicht is (de bandenspanning mag niet lager worden). 0. Rijd maximaal 80 km/h. Laat de gerepareerde band zo snel mogelijk onderzoeken en repareren door een specialist. De fl acon kan na gebruik worden bewaard in de bijgeleverde plastic zak, om te voorkomen dat vloeistofresten uw auto vervuilen. Let op: de gelfl acon bevat ethyleenglycol. Dit middel is schadelijk bij inname en irriterend voor de ogen. Houd het middel buiten het bereik van kinderen. Werp de fl acon na gebruik niet weg, maar lever deze in bij het CITROËN-netwerk of een offi cieel inzamelpunt. De reparatieset is verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk.
123 Wiel verwisselen 33 WIEL VERWISSELEN. PLAATSEN VAN DE AUTO - Verzeker u ervan dat alle inzittenden de auto hebben verlaten en zich op een veilige plek bevinden. - Zet de auto voor zover mogelijk op een horizontale, stabiele en stroeve ondergrond. - Zet de handrem vast, zet het contact af en schakel de eerste versnelling of de achteruit in. - Blokkeer indien mogelijk het wiel schuin tegenover het te verwisselen wiel met een wielblok (indien aanwezig). Bij auto's met een trekhaak kan het nodig zijn de achterzijde op te krikken om het reservewiel uit de reservewielhouder te kunnen nemen. Raadpleeg het CITROËN-netwerk wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden of zware belading. 2. GEREEDSCHAP 7SNEL WEER OP WEG - Open het deksel van het opbergvak onder de rechter voorstoel. Schuif de stoel, indien nodig, naar voren voor toegang tot het opbergvak via de achterzijde. - Draai de moer los en verwijder de krik en de wielsleutel.. Wielsleutel. 2. Krik. 3. Gereedschap om sierdop van lichtmetalen velgen te verwijderen. 4. Wielblok. De krik en het gereedschap zijn specifi ek voor uw auto. Gebruik ze niet voor andere doeleinden.
124 Wiel verwisselen RESERVEWIEL - Open de achterdeuren voor toegang tot het reservewiel. - Draai de bout los met behulp van de wielsleutel, tot de reservewielhouder zo laag mogelijk hangt. - Haal de reservewielhouder los van de haak en plaats het reservewiel in de nabijheid van het te vervangen wiel.
125 Wiel verwisselen WERKWIJZE - Verwijder de wieldop door deze los te trekken met behulp van het hiervoor bestemde gereedschap. - Draai de wielbouten iets los. - Plaats de kop van de krik in het steunpunt bij het te verwisselen wiel. Zorg ervoor dat het voetstuk van de krik op een stevige ondergrond staat en zich loodrecht onder het steunpunt bevindt. - Draai de krik uit tot het wiel loskomt van de grond. - Draai alle wielbouten geheel los. - Verwijder de wielbouten en het wiel. Draai de krik niet uit voordat de wielbouten van het te verwisselen wiel iets zijn losgedraaid en het wiel dat zich schuin tegenover het te verwisselen wiel bevindt, is geblokkeerd met een wielblok. 7SNEL WEER OP WEG Slotbouten Indien uw auto is voorzien van lichtmetalen velgen: - Elk wiel is voorzien van een slotbout. - Deze slotbouten kunnen worden losgedraaid met de speciale sleutel (die bij afl evering van de auto wordt verstrekt) en de wielsleutel.
126 Wiel verwisselen MONTEREN VAN HET RESERVEWIEL - Plaats het wiel op de naaf en draai de wielbouten met de hand vast. - Draai de wielbouten met de wielsleutel enigszins vast. - Laat de auto volledig zakken door de krik omlaag te draaien en verwijder de krik vervolgens. - Draai de wielbouten met de wielsleutel volledig vast, zonder te forceren. - Berg het wiel met de lekke band op in de reservewielhouder. - Hang de reservewielhouder op aan de haak en draai deze omhoog met behulp van de bout en de wielsleutel. Ga nooit onder een auto liggen die alleen op de krik steunt (gebruik bokken). Gebruik nooit ander gereedschap dan de wielsleutel.
127 Sneeuwscherm 6. MONTEREN VAN HET GEREPAREERDE WIEL Het wiel dient op dezelfde manier te worden gemonteerd als bij stap 5. Vergeet bovendien niet de sierdop te monteren. Zie in de rubriek 8 het gedeelte "Identificatie" voor de plaats van de sticker met informatie over de banden. 37 Zie in de rubriek 2 het gedeelte "Cockpit", hoofdstuk "Bandenspanningsdetectie" voor aanbevelingen na het vervangen van een wiel met bandenspanningssensor. Het noodreservewiel is niet geschikt voor het afleggen van lange afstanden. Laat zo snel mogelijk het aanhaalmoment van de wielbouten en de bandenspanning van het noodreservewiel controleren door het CITROËN-netwerk. Laat bovendien de lekke band zo spoedig mogelijk repareren en het oorspronkelijke wiel in de plaats van het reservewiel monteren door het CITROËN-netwerk. AFNEEMBAAR SNEEUWSCHERM Afhankelijk van het land van bestemming wordt het afneembare sneeuwscherm op het onderste gedeelte van de voorbumper geplaatst om een opeenhoping van sneeuw bij de koelventilateur van de radiateur te voorkomen. Vergeet niet het sneeuwscherm te verwijderen als de buitentemperatuur hoger is dan 0 C (en er geen kans op sneeuw meer is) of als de auto een aanhanger trekt. PLAATSEN - Breng het afneembare sneeuwscherm aan in de richting van de centreerstift A op de voorbumper. - Zet het scherm vast door de vier hoeken aan te drukken ter hoogte van de clips B. VERWIJDEREN - Steek een schroevendraaier in de opening ter hoogte van de clips. - Wip de vier clips B één voor één los. 7
128 Sneeuwscherm 6. MONTEREN VAN HET GEREPAREERDE WIEL Het wiel dient op dezelfde manier te worden gemonteerd als bij stap 5. Vergeet bovendien niet de sierdop te monteren. Zie in de rubriek 8 het gedeelte "Identificatie" voor de plaats van de sticker met informatie over de banden. 37 Zie in de rubriek 2 het gedeelte "Cockpit", hoofdstuk "Bandenspanningsdetectie" voor aanbevelingen na het vervangen van een wiel met bandenspanningssensor. Het noodreservewiel is niet geschikt voor het afleggen van lange afstanden. Laat zo snel mogelijk het aanhaalmoment van de wielbouten en de bandenspanning van het noodreservewiel controleren door het CITROËN-netwerk. Laat bovendien de lekke band zo spoedig mogelijk repareren en het oorspronkelijke wiel in de plaats van het reservewiel monteren door het CITROËN-netwerk. AFNEEMBAAR SNEEUWSCHERM Afhankelijk van het land van bestemming wordt het afneembare sneeuwscherm op het onderste gedeelte van de voorbumper geplaatst om een opeenhoping van sneeuw bij de koelventilateur van de radiateur te voorkomen. Vergeet niet het sneeuwscherm te verwijderen als de buitentemperatuur hoger is dan 0 C (en er geen kans op sneeuw meer is) of als de auto een aanhanger trekt. PLAATSEN - Breng het afneembare sneeuwscherm aan in de richting van de centreerstift A op de voorbumper. - Zet het scherm vast door de vier hoeken aan te drukken ter hoogte van de clips B. VERWIJDEREN - Steek een schroevendraaier in de opening ter hoogte van de clips. - Wip de vier clips B één voor één los. 7
129 Lamp vervangen 38 Het vervangen van een lamp dient plaats te vinden met afgezet contact of losgekoppelde accu. Wacht na het vervangen van een lamp 3 minuten met het aansluiten van de accu. Controleer telkens als u een lamp vervangt of deze goed werkt. Hogedrukreiniging Probeer hardnekkig vuil niet van de koplampen, achterlichten en omgeving te verwijderen met een hogedrukreiniger, om te voorkomen dat de vernislaag en de afdichtrubbers beschadigd raken. Lampen Uw auto is voorzien van verschillende typen lampen. Verwijder ze als volgt: LAMPEN VERVANGEN Open de motorkap. Steek uw hand achter de reflector voor toegang tot de lampen. Ga in omgekeerde volgorde te werk voor het vervangen van een lamp en controleer altijd of de beschermkap weer goed is gesloten. Het vervangen van een halogeenlamp moet altijd met uitgeschakelde verlichting plaatsvinden. Wacht enkele minuten tot de lamp afgekoeld is (risico van ernstige brandwonden). Raak de lamp nooit met uw vingers aan, gebruik hiervoor een zachte, niet-pluizende doek. Het is normaal dat aan de binnenzijde van de koplampen enige condensvorming optreedt. Bij regelmatig gebruik van de auto zal deze vanzelf verdwijnen. Type A Volledig glazen lamp: de lamp is gemonteerd met een drukbevestiging. Trek de lamp daarom voorzichtig los. Type B Lamp met bajonetsluiting: druk de lamp iets in en draai hem linksom. Type C Halogeenlamp: duw de borgveer open en verwijder de lamp uit de lamphouder.
130 Lamp vervangen 39 KOPLAMPEN. Dimlicht/Grootlicht Type C, H4-55W - Trek aan de rubber borglip en verwijder het middelste deksel. - Neem de stekker los. - Maak de borglip los. - Vervang de lamp en let erop dat het metalen gedeelte goed aansluit op de groeven van de lampunit. - Maak de borglip weer vast. - Plaats het deksel terug en controleer of het rondom goed aansluit voor een goede afdichting. 2. Parkeerlicht Type A, W5W - 5W - Trek aan de rubber borglip en verwijder het deksel. - Trek aan de stekker om de met een drukbevestiging gemonteerde lamphouder los te nemen. - Vervang de lamp. - Plaats het deksel terug en controleer of het rondom goed aansluit voor een goede afdichting. 7SNEL WEER OP WEG 3. Richtingaanwijzers Type B, PY2W - 2W (amberkleurig) - Verwijder het deksel door aan de fl exibele rubberen lip te trekken. - Draai de lamphouder een kwart omwenteling linksom. - Druk de lamp iets in en draai hem linksom. - Vervang de lamp. - Plaats het deksel terug en controleer of het rondom goed aansluit voor een goede afdichting.
131 Lamp vervangen Mistlampen vóór Type C, H - 55W - Verwijder de mistlamp door de bout los te draaien met behulp van een Torx 30 schroevendraaier. De bout is toegankelijk via de hiervoor bestemde opening in de bumper. - Verwijder de drie bevestigingsklemmen uit de spatplaat onder de bumper. - Beweeg de spatplaat omhoog. - Maak de mistlamp los door de klem in te drukken. - Verwijder de mistlamp via de buitenzijde. - Draai de gele kap een kwart omwenteling om deze te openen. - Buig de klemmen van de lamphouder uit elkaar. - Verwijder de lamp door deze recht naar achteren te trekken. - Plaats de nieuwe lamp en zet de klemmen weer vast. Ga in omgekeerde volgorde te werk om het lampglas en de bumper terug te plaatsen. ZIJKNIPPERLICHT Type A, WY 5W (amberkleurig) - Druk het zijknipperlicht naar achteren en maak het los door het naar voren te trekken. - Een nieuw zijknipperlicht is verkrijgbaar via het CITROËN. Het zijknipperlicht vormt een onlosmakelijk geheel. - Schuif het nieuwe zijknipperlicht achterwaarts in de opening en duw het vervolgens naar de voorzijde. PLAFONNIERS Voor/achter Type A, 2V5W - 5W - Maak de plafonnier los door aan weerszijden een schroevendraaier in de gleuf te steken. - Trek de lamp los en vervang hem. - Bevestig het lampglas en controleer of het goed vastzit.
132 Lamp vervangen 4 ACHTERLICHTEN Zie voor meer informatie "Lampen".. Remlichten/achterlichten Type B, P2/5W - 2/5W 2. Richtingaanwijzers Type B, PY2W - 2W (amberkleurig) 3. Achteruitrijlichten Type B, P2W - 2W 4. Mistachterlicht Type B, P2W - 2W Hogedrukreiniging Probeer hardnekkig vuil niet van de koplampen, achterlichten en omgeving te verwijderen met een hogedrukreiniger, om te voorkomen dat de vernislaag en de afdichtrubbers beschadigd raken. - Bepaal de plaats van de defecte lamp en open de achterdeuren in een hoek van 80.Raadpleeg in rubriek 2 het gedeelte "Toegang tot de auto". - Verwijder de twee schroeven met behulp van de schroevendraaier uit de gereedschapsset onder de rechter voorstoel. - Trek aan de buitenzijde de lampunit los. - Houd de lampunit vast en neem de stekker los. - Maak de 4 borglippen los en verwijder de lamphouder uit de lampunit. - Druk de defecte lamp iets in en draai hem linksom om hem te verwijderen. - Vervang de lamp. Voor het verwijderen van de lampunit: - auto's met achterklep: beweeg de lampunit richting het midden van de auto, - auto's met achterdeuren: trek de lampunit naar u toe. 7SNEL WEER OP WEG Let er bij het terugplaatsen van de lampunit op dat de borglippen juist geplaatst worden en dat de bedrading niet bekneld raakt. Na het vervangen van een richtingaanwijzer achter duurt het meer dan ongeveer 2 minuten voordat deze opnieuw geïnitialiseerd is.
133 Lamp vervangen 42 KENTEKENPLAATVERLICHTING Type A, W5W - 5W Met achterklep - Wip het lampglas met behulp van een schroevendraaier los. - Vervang de lamp. - Breng het lampglas aan en druk het aan de bovenzijde vast. Met achterdeuren - Maak de bekleding aan de binnenzijde los. - Druk de borglip opzij en neem de stekker los. - Draai de lamphouder een kwart omwenteling linksom. - Vervang de lamp. - Plaats de lamphouder terug en sluit de stekker weer aan. - Plaats de bekleding terug. DERDE REMLICHT Type A, W6W - 6 W - Draai de twee moeren los. - Druk de pennen in. - Neem indien nodig de stekker los om de het remlicht te verwijderen. - Vervang de lamp.
134 Zekering vervangen ZEKERINGEN VERVANGEN De zekeringkasten bevinden zich: - links aan de onderzijde van het dashboard (achter de klep), - in de motorruimte (bij de accu). De aanwijzingen in dit boekje hebben uitsluitend betrekking op zekeringen die met behulp van de speciale tang en de reservezekeringen (achter het opbergvak aan de rechterzijde van het dashboard) door de gebruiker vervangen kunnen worden. Raadpleeg voor overige werkzaamheden het CITROËN -netwerk. 43 Voor technici: raadpleeg voor alle informatie met betrekking tot zekeringen en relais de elektrische schema's van de "Reparatiemethoden" die verkrijgbaar zijn via het netwerk. CITROËN is niet aansprakelijk voor kosten die voortvloeien uit storingen veroorzaakt door het monteren van extra accessoires die niet door het CITROËN -netwerk geleverd en aanbevolen zijn en niet volgens haar voorschriften gemonteerd zijn. Dit geldt met name voor apparatuur met een totaal stroomverbruik van meer dan 0 milliampère. Zekeringen vervangen Voordat u een zekering vervangt, dient u eerst de oorzaak van de storing op te sporen en te (laten) verhelpen. - Gebruik de speciale tang. Vervang een defecte zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte. 7SNEL WEER OP WEG
135 Zekering vervangen 44 ZEKERINGEN DASHBOARD Kantel het opbergvak omlaag om bij de zekeringen te komen. Zekering F Ampère A 5 Ruitenwisser achter 2 - Niet gebruikt 3 5 Airbag 4 0 Functies Airconditioning, diagnoseaansluiting, bediening elektrisch verstelbare buitenspiegels, draadbundel koplampen 5 30 Elektrische ruitbediening 6 30 Sloten 7 5 Plafonnier achter, kaartleeslampje vóór 8 20 Autoradio, CD-wisselaar, display, controlesysteem bandenspanning, sirene en inbraakalarm V-aansluiting voor en achter 0 5 Middenconsole 5 Contactslot circuit lage stroomsterkte 2 5 Regen-/lichtsensor, airbag 3 5 Instrumentenpaneel 4 5 Parkeerhulp, bediening automatische airconditioning, handsfree set 5 30 Soten 6 - Niet gebruikt 7 40 Achterruitverwarming, buitenspiegelverwarming
136 Zekering vervangen ZEKERINGEN INTERIEUR 7SNEL WEER OP WEG 45 Zekering F Ampère A - Niet gebruikt 2 20 Stoelverwarming 3 - Niet gebruikt Functies 4 5 Relais inklapbare buitenspiegels 5 5 Relais aansluiting koelapparatuur
137 Zekering vervangen 46 ZEKERINGEN ONDER DE MOTORKAP Maak de zekeringkast open en kantel deze omlaag om bij de zekeringen te komen. Zekering F Ampère A 20 Motormanagement 2 5 Claxon Functie 3 0 Pomp ruitensproeiers voor en achter 4 20 Pomp koplampsproeiers 5 5 Motorcomponenten 6 0 Sensor verdraaiing stuurwiel, ESP 7 0 Rempedaalschakelaar, schakelaar koppelingspedaal 8 25 Startmotor Motorcomponenten 40 Niet gebruikt 2 30 Ruitenwissers Motor koplampverstelling, elektronische eenheid parkeerhulp 3 40 Intelligente service centrale (BSI) 4 30 Pomp 5 0 Grootlicht rechts 6 0 Grootlicht links 7 5 Dimlicht rechts 8 5 Dimlicht links
138 Ruitenwisserblad vervangen 47 WISSERBLADEN VERVANGEN De ruitenwissers vóór in een speciale stand zetten - Beweeg de ruitenwisserschakelaar binnen één minuut na het afzetten van het contact omlaag om de ruitenwissers naar de voorruitstijlen te bewegen (speciale stand). Vervangen van een wisserblad vóór - Til de ruitenwisserarm op. - Maak het wisserblad los en verwijder het. - Monteer het nieuwe wisserblad. - Zet de ruitenwisserarm terug. Zet het contact aan en bedien de ruitenwisserschakelaar om de ruitenwissers in de ruststand te zetten. Vervangen van het wisserblad achter - Til de ruitenwisserarm op, maak de clip los en verwijder het wisserblad. - Monteer het nieuwe wisserblad en zet de ruitenwisserarm terug. 7
139 Slepen van uw auto 48 SLEPEN VAN DE AUTO Het sleepoog is opgeborgen in de gereedschapsset, onder de rechter voorstoel. Zonder takelen (4 wielen op de grond) Gebruik hiervoor altijd een sleepstang. Aan de voorzijde - maak het klepje aan de onderkant los met behulp van het vlakke gedeelte van het sleepoog, - draai het demonteerbare sleepoog vast tot het stuit. Aan de achterzijde - maak het klepje los met behulp van een muntstuk of het platte uiteinde van het sleepoog, - draai het demonteerbare sleepoog vast tot het stuit. Getakeld (2 wielen op de grond) Het takelen van de wagen bij de wielen geniet de voorkeur. Bij het slepen van de auto met stilstaande motor zijn de rem-en stuurbekrachtiging uitgeschakeld. Auto's met handgeschakelde versnellingsbak (diesel) Bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak moet de versnellingshendel in de neutraalstand staan, het niet opvolgen van deze bijzonderheid kan er toe leiden dat bepaalde onderdelen van het remsysteem beschadigd raken en dat de rembekrachtiger na het starten niet meer werkt.
140 50 Afmetingen
141 Afmetingen AFMETINGEN (MM) 5 L Totale lengte 4380 H Totale hoogte A Wielbasis 2728 B Overhang vóór 925 C Overhang achter 727 D Totale breedte carrosserie zonder buitenspiegels 80 met buitenspiegels 22 E Spoorbreedte vóór TECHNISCHE GEGEVENS F Spoorbreedte achter e zitrij Lengte laadruimte tot stoelen 2e zitrij, stoel neergeklapt 343 Passagiersstoel weggeklapt 3000
142 Afmetingen 52 M Maximale hoogte laadvloer met bandenmaat 205/65 R5 en bekleding achterklep ACHTERDEUREN (mm) 582 Achterdeuren Achterklep Klein Groot N Nuttige hoogte 8 33 O Breedte
143 Afmetingen 53 8TECHNISCHE GEGEVENS SCHUIFDEUREN (mm) P Nuttige hoogte 009 Q Nuttige breedte Stahoogte onder geopende achterklep 892
144 Gewichten 54 GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (KG) Algemeen Raadpleeg voor meer informatie het kentekenbewijs van uw auto. Houd u aan het in uw land voorgeschreven maximale aanhangergewicht. Raadpleeg het CITROËN-netwerk voor meer informatie over de mogelijkheden voor het trekken van een aanhanger en over het maximale treingewicht. Max. snelheid bij het trekken van een aanhanger 00 km/h (of de plaatselijk geldende maximumsnelheid, in Nederland wettelijk 80 km/h). Het geremde aanhangergewicht kan worden verhoogd op voorwaarde dat de belading van de auto zoveel wordt verminderd dat het maximaal toegestane treingewicht niet wordt overschreden. Let op: het trekken van een aanhanger door een auto zonder lading of met lichte lading kan de wegligging negatief beïnvloeden. Let op, het aangegeven aanhangergewicht en maximale treingewicht geldt tot een hoogte van maximaal 000 meter; hierboven dient bij elke stijging van 000 meter het aanhangergewicht met 0% te worden verminderd. Bij hoge buitentemperaturen zullen ter bescherming van de motor de prestaties minder zijn. Verminder als de buitentemperatuur meer dan 37 C bedraagt het maximale aanhangergewicht. Het ledig gewicht rijklaar (MOM) is gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg) + brandstoftank gevuld tot 90%. MTRA: maximaal treingewicht MTAC: maximaal toelaatbaar totaalgewicht MOM: ledig gewicht rijklaar CVA: maximale kogeldruk Aantal zitplaatsen 5 7 Gewichten Motor MTRA MTAC MOM CVA gecombineerd.6 benzine 90 pk Type variant uitvoering Carrosserievariant Motoruitvoering Versnellingsbak NFR.6 benzine 0 pk NFU.6 HDi 75 pk HT 92.6 HDi 92 pk HX 92.6 HDi 92 Fap HZ 7J.6 HDi 0 FAP HV.6 Benz. 0 pk NFU.6 HDi 92 pk HX.6 HDi 92 FAP HZ.6 HDi 0 FAP HV C
145 Motoren diesel - benzine 55 MOTOREN EN VERSNELLINGSBAK Benzine Diesel Type variant uitvoering NFR NFU 9HT 9HX 9HZ 9HV Benaming.6 benzine.6 benzine.6 HDi.6 HDi.6 HDi FAP.6 HDi FAP Vermogen (pk) Maximaal vermogen ECE-norm (kw/din) Maximaal toerental (t/min) Cilinderinhoud (cm 3 ) Aantal versnellingen - handgeschakeld TECHNISCHE GEGEVENS Boring x slag (mm) 78,5 x 82 78,5 x x 88,3 75 x 88,3 75 x x 88,3 Maximum koppel ECE-norm (Nm) Toerental bij maximum vermogen (t/min) Brandstof Loodvrije benzine Diesel Roetfi lter (FAP) Ja Ja Katalysator Ja Ja Ja Ja Ja Ja
146 Motoren diesel - benzine 56 Benzine VERBRUIKSCIJFERS Diesel Type variant uitvoering NFR NFU 9HT 9HX 9HZ 9HV Benaming.6 Benzine.6 Benzine.6 HDi.6 HDi.6 HDi Fap.6 HDi FAP Vermogen (pk) Binnen bebouwde kom (l/00 km) 0,8 0, ,8 6,8 Buiten bebouwde kom (l/00 km) 6,8 6, ,9 4,9 Gecombineerd brandstofverbruik (l/00 km) 8,2 8,2 5,7 5,7 5,6 5,6 CO 2 -uitstoot (g/km) De aangegeven verbruikscijfers zijn de laatstbekende waarden ten tijde van het drukken van dit boekje. Deze verbruikscijfers zijn gebaseerd op metingen die zijn uitgevoerd onder wettelijk voorgeschreven gebruiksomstandigheden (richtlijn 80/268/ECE) en kunnen varieren afhankelijk van de rijstijl van de bestuurder, de verkeersomstandigheden, de weersomstandigheden, de belading van de auto, de staat van onderhoud van de auto en het gebruik van accessoires.
147 Motoren diesel - benzine Brandstofkwaliteit voor benzinemotoren Auto's met benzinemotoren kunnen probleemloos rijden op biobrandstoffen van het type E5 (deze bevatten 5% ethanol) die voldoen aan de Europese richtlijn EN 228. Brandstoffen van het type E85 (deze bevatten tot 85% ethanol) zijn uitsluitend geschikt voor auto's die speciaal bestemd zijn voor dit type brandstof (BioFlex-auto's). De kwaliteit van de ethanol moet voldoen aan de Europese richtlijn EN Auto's die kunnen rijden op brandstoffen met een ethanolgehalte tot 00% (type E00), worden uitsluitend verkocht in Brazilië. 57 Brandstofkwaliteit voor dieselmotoren Auto's met dieselmotoren kunnen probleemloos rijden op biobrandstoffen die aan de huidige en toekomstige Europese richtlijnen voldoen (diesel die voldoet aan de richtlijn EN 590 gemengd met biobrandstof die voldoet aan de richtlijn EN 424) en die aan de pomp getankt kan worden (met een gehalte aan methyl-estervetzuren van 0 tot 7%). Het gebruik van elk ander type (bio)brandstof (plantaardige of dierlijke olie, stookolie...) is nadrukkelijk verboden (kans op schade aan de motor en het brandstofcircuit). 8TECHNISCHE GEGEVENS
148 Identificatie 58 IDENTIFICATIEGEGEVENS A. Constructeursplaatje. B. Serienummer. Het serienummer is ingeslagen in het rechter binnenscherm vóór. C. Banden en kleurcode van de lak. De sticker C op het voorportier geeft de volgende informatie: - de maat van de velgen en banden, - de door de constructeur goedgekeurde bandenmerken, - de bandenspanning (deze moet minstens eens per maand bij koude banden gecontroleerd worden), - de kleurcode van de lak.
149 Autoradio Het audiosysteem is zodanig gecodeerd dat dit uitsluitend in uw auto functioneert. Raadpleeg het CITROËN-netwerk als u het systeem voor gebruik in een andere auto wilt laten configureren. Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto. Enkele minuten na het afzetten van de motor kan het audiosysteem automatisch worden uitgeschakeld om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. INHOUD 0 Basisfuncties blz Algemeen menu blz Audio blz USB-station blz Bluetooth functies blz Snelkeuze blz Configuratie blz Menustructuren displays blz. 9.4 Veelgestelde vragen blz
150 0 BASISFUNCTIES Aan/uit en volumeregeling. 2. Uitwerpen van de CD. 3. Selecteren van de weergave op het display: Audiofuncties (AUDIO), Boordcomputer (TRIP) en Telefoon (TEL). 4. Selecteren van de geluidsbron: radio, audio-cd-/mp3-cd-speler, CD-wisselaar, USB, Jackaansluiting, streaming audio. 5. Selecteren van het golfbereik FM, FM2, FMast en AM. 6. Instellen van de geluidsweergave: geluidsverdeling voor/ achter, links/rechts, loudness, geluidssferen. 7. Weergave van de lijst radiozenders, de nummers van de CD of de MP3-afspeellijsten. 8. Annuleren van de bewerking. 9. Functie TA (verkeersinformatie) AAN/UIT. Lang indrukken: toegang tot de PTY-functie (programmatypen radio). 0. Bevestigen.. Automatisch zoeken naar zenders in aflopende/oplopende volgorde. Selecteren van het vorige/volgende nummer van de CD, MP3 of USB. 2. Selecteren van een lagere/hogere radiofrequentie. Selecteren van de vorige/volgende CD. Selecteren van de vorige/volgende MP3-afspeellijst. Selecteren van de vorige/volgende afspeellijst/muziekstijl/ artiest/afspeellijst van het USB-apparaat. 3. Weergave van het algemene menu. 4. Toetsen t/m 6: Selecteren van een opgeslagen voorkeuzezender. Selecteren van een CD in de CD-wisselaar. Lang indrukken: opslaan van een zender als voorkeuzezender. 5. Met de toets DARK kan de weergave van het display worden gewijzigd voor extra rijcomfort 's nachts. keer indrukken: alleen verlichting van het bovenste gedeelte. 2 keer indrukken: display volledig uitschakelen. 3 keer indrukken: terugkeren naar de normale weergave. 9.2
151 ALGEMEEN MENU 02 GELUIDSBRON: radio, CD, USB, opties. TELEFOON: Bluetooth, koppelingen, communicatie-instellingen en overdracht van MP3-bestanden. > MONOCHROOM DISPLAY C BOORDCOMPUTER: invoeren afstand, waarschuwingsmeldingen, status van functies. PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE: parameters van de auto, displayweergave, talen. > MONOCHROOM DISPLAY A Raadpleeg voor een compleet overzicht van de beschikbare menu's het gedeelte "Menustructuren" van dit hoofdstuk. 9.3
152 03 AUDIO RADIO SELECTEREN VAN EEN ZENDER Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. RDS Druk herhaalde malen op de toets SOURCE om de radiofunctie te selecteren. Druk op de toets MENU. 2 Druk op de toets BAND AST om het golfbereik te selecteren: FM, FM2, FMast of AM. 2 Selecteer AUDIOFUNCTIES en druk op OK. 3 Druk kort op een van de toetsen om automatisch naar zenders te zoeken. 3 Selecteer de functie VOORKEUZE FM en druk op OK. VOORKEUZE FM 4 Druk op een van de toetsen om handmatig naar zenders te zoeken. 4 Selecteer RDS VOLGEN ACTIVEREN en druk op OK. Op het display verschijnt de aanduiding RDS. RDS VOLGEN ACTIVEREN Druk op de toets LIST REFRESH voor een lijst van de beschikbare zenders in het gebied waar u zich bevindt (maximaal 30 zenders). Druk langer dan 2 seconden op de toets om deze lijst bij te werken. Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen. 9.4
153 CD EEN CD AFSPELEN MP3-CD EEN MP3-CD AFSPELEN Bepaalde beveiligingssystemen op de originele CD of zelfgebrande CD s kunnen storingen veroorzaken, ongeacht de kwaliteit van de CD-brander. Plaats zonder op de toets EJECT te drukken een CD in de CD-speler; deze zal de CD automatisch afspelen. Plaats een MP3-CD in de speler. De CD-speler leest vervolgens de CD af tot alle nummers zijn gevonden. Daardoor kan het enkele tot enkele tientallen seconden duren voordat het afspelen begint. De CD-speler kan CD's met maximaal 255 MP3-bestanden, verdeeld over 8 speellijsten, afspelen. Het is echter raadzaam het aantal speellijsten tot twee te beperken om een lange laadtijd van de CD te voorkomen. Bij het afspelen wordt geen rekening gehouden met de mappenstructuur. Alle bestanden worden op hetzelfde niveau weergegeven. Als er al een CD in het apparaat zit die u wilt beluisteren, druk dan herhaalde malen op de toets SOURCE om de CD-functie te selecteren. Als er al een CD in het apparaat zit die u wilt beluisteren, druk dan herhaalde malen op de toets SOURCE om de CD-functie te selecteren. 2 Druk op een van de toetsen om een nummer van de CD te selecteren. Druk op de toets LIST REFRESH om de lijst met nummers van de CD weer te geven. 2 Druk op een van de toetsen om een nummer van de CD te selecteren. Druk op de toets LIST REFRESH om de speellijsten van de MP3-CD weer te geven. Houd een van de toetsen ingedrukt om snel vooruit of terug te spoelen. 9.5
154 CD MP3 INFORMATIE EN TIPS CD-WISSELAAR (AUDIO- EN MP3-CD'S) * EEN CD AFSPELEN Het formaat MP3 (afkorting van MPEG,2 & 2.5 Audio Layer 3) is een standaard voor het comprimeren van geluid die de mogelijkheid biedt enkele tientallen speellijsten op één CD te plaatsen. De mogelijkheid om een MP3-speellijst af te spelen en weer te geven is afhankelijk van het gebruikte brandprogramma en/of de gebruikte instellingen. Selecteer voor het branden van een CD-R of CD-RW de standaard ISO 9660 niveau,2 of Joliet om deze te kunnen afspelen. Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze niet goed wordt afgespeeld. Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor het branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid in voor een optimale geluidskwaliteit. Voor het branden van een multisessie-cd is het raadzaam de standaard Joliet te gebruiken. 2 Plaats bij een CD-wisselaar met meerdere invoeropeningen de CD's één voor één. Druk bij een CD-wisselaar met één invoeropening op LOAD, kies het nummer van de CD en voer vervolgens de CD in of houd de toets LOAD ingedrukt en voer de CD's één voor één in. Druk herhaalde malen op de toets SOURCE en selecteer de CD-WISSELAAR. Druk op een van de genummerde toetsen om de gewenste CD te selecteren. 9.6 De autoradio speelt uitsluitend bestanden met de extensie ".mp3" af. Geluidsbestanden met een andere extensie (.wma,.mp4...) kunnen niet worden afgespeeld. Gebruik voor bestandsnamen maximaal 20 karakters en verwijder speciale tekens (bijv.: " ",?, ù) om problemen met het afspelen of de weergave te voorkomen. 3 * Afhankelijk van de uitvoering. Druk op een van de toetsen om een nummer van de CD te selecteren. Houd een van de toetsen ingedrukt om het nummer versneld vooruit of terug te spoelen.
155 04 USB-station GEBRUIK VAN DE USB-POORT Een lijst met geschikte uitrustingen is beschikbaar bij het CITROËN-netwerk. 2 3 Deze module bestaat uit een USB-poort en een Jack-aansluiting. De module kan verschillende audiobestandsformaten (.mp3,.ogg,.wma,.wav...) lezen. De bestanden op het externe apparaat, zoals een draagbare MP3-speler of een USB-stick, worden overgebracht op uw Autoradio. Via de luidsprekers van de auto wordt de muziek weergegeven. USB-stick (.,.2 en 2.0) of ipod van de vijfde generatie of hoger: - de geaccepteerde playlists zijn van het type m3u,.pls of.wpl, - het snoer van de ipod is noodzakelijk, - navigatie door de bestanden is mogelijk via de bediening op het stuurwiel, - de batterij van het externe apparaat kan automatisch worden opgeladen. ipod 's van oudere generaties en spelers die gebruik maken van het MTP-protocol: - afspelen uitsluitend via een Jack-Jack-snoer (niet meegeleverd), - navigatie door de bestanden is mogelijk via het externe apparaat. AANSLUITEN VAN EEN USB-STICK Sluit de USB-stick direct of via een snoer aan op de aansluiting. Als de autoradio is ingeschakeld, wordt de USB-bron gedetecteerd zodra deze wordt aangesloten. Het lezen begint automatisch na een bepaalde tijd, afhankelijk van de capaciteit van de USB-stick. De herkende bestandsformaten zijn.mp3 (uitsluitend mpeg layer 3),.wma (uitsluitend standaard 9),.wav en.ogg. Het systeem stelt playlists samen (tijdelijk geheugen). De tijd die hiervoor nodig is, hangt af van de capaciteit van de USB-uitrusting. Gedurende deze tijd zijn andere bronnen beschikbaar. De playlists worden iedere keer dat het contact wordt afgezet of een USB-stick wordt aangesloten, geactualiseerd. Bij een eerste aansluiting worden de tracks ingedeeld in mappen. Bij een volgend gebruik wordt de laatstgekozen mappenstructuur aangehouden. 9.7
156 04 USB-STATION GEBRUIK VAN DE USB-POORT 2 Druk LIST lang in voor het weergeven van de indelingen. Kies per map / Artiest / Genre / Playlist, druk op OK om de gekozen indeling te bevestigen en vervolgens opnieuw op OK om de keuze vast te leggen. OK - per Map: alle mappen met audiobestanden worden in een algemeen overzicht en alfabetisch geordend weergegeven, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de mappenstructuur. - per Artiest: alle artiestennamen worden weergegeven in ID3 Tag en in alfabetische volgorde. - per Genre : alle genres worden weergegeven in ID3 Tag. - per Playlist : zoals weergegeven in de playlist van de USB-stick of het USBapparaat aangesloten op de USB-poort. 4 5 Druk op een van deze toetsen om tijdens het lezen naar de vorige/ volgende track te gaan volgens de weergegeven indeling. Houd een van de toetsen ingedrukt voor snel vooruit/achteruit verplaatsen. Druk op een van deze toetsen om te gaan naar volgende/vorige Genre, Map, Artiest of Playlist, afhankelijk van de weergegeven indeling tijdens het lezen. AANSLUITEN VAN EEN ipod -VIA DE USB-POORT 3 Druk LIST kort in voor de lijstweergave van Map / Genre / Artiest/ Playlist van het USB-station. Navigeer in de lijst met behulp van de toetsen links/rechts en omhoog/ omlaag. Bevestig de selectie door op OK te drukken. De beschikbare lijsten zijn Artiest, Genre en Playlist (zoals weergegeven via de ipod ). Selectie en Navigatie zijn hierboven beschreven in de stappen t/m 5. Sluit geen harde schijf of een niet-audio USB-apparaat aan op de USB-poort, aangezien hierdoor uw installatie beschadigd kan raken. 9.8
157 AUX-INGANG GEBRUIKEN JACK- OF RCA-AANSLUITING (afhankelijk van de uitvoering) De AUX-aansluiting JACK en RCA dient om een extern apparaat (MP3-speler ) aan te sluiten. Sluit eenzelfde extern apparaat niet aan via de USB-aansluiting en de JACK-aansluiting tegelijkertijd. VOLUMEREGELING EXTERNE APPARATUUR Stel eerst het volume van uw draagbare apparatuur af. Sluit het externe apparaat (MP3-speler...) met behulp van een adapterkabel (niet meegeleverd) op de JACK-aansluiting of op de audioaansluitingen (wit en rood, type RCA) aan. 2 Stel vervolgens het volume van de autoradio af. 2 De weergave- en bedieningsfuncties verlopen via de externe apparatuur zelf. Druk herhaalde malen op de toets SOURCE om AUX te selecteren. 9.9
158 BLUETOOTH FUNCTIES BLUETOOTH-TELEFOON DISPLAY C De beschikbare functies zijn afhankelijk van het netwerk, de SIM-kaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en uw provider voor meer informatie over de beschikbare functies. Een overzicht van de meest geschikte telefoons is verkrijgbaar via het netwerk. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. KOPPELEN VAN EEN TELEFOON Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan het Bluetooth-systeem van uw autoradio mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet contact. Druk op de toets MENU. 6 7 Met het menu TELEFOON krijgt u onder andere toegang tot de volgende functies: Adresboek *, Logboek gesprekken, Beheer van de koppelingen. * als uw telefoon volledig compatibel is. Selecteer in de lijst de te koppelen telefoon. U kunt slechts één telefoon per keer koppelen. Op het scherm wordt een toetsenbord weergegeven: voer een code van minimaal 4 cijfers in. Bevestig met Ok. OK _ OK Saisir code authentiication Del Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon. Kies in het menu: - Bluetooth-telefoon - Audio - Bluetooth configuratie - Zoeken via Bluetooth Er wordt een venster weergegeven met de tekst "Bezig met zoeken...". De eerste vier herkende telefoons worden in dit venster weergegeven Op het scherm van de geselecteerde telefoon wordt een bericht weergegeven: voer, om de koppeling te accepteren, in de telefoon dezelfde code in en bevestig vervolgens met Ok. Mocht de koppeling niet gelukt zijn, dan kunt u het nogmaals proberen. Dit kan een onbeperkt aantal keren. Op het scherm verschijnt "Koppeling Naam_telefoon geslaagd". De toegestane automatische verbinding wordt geactiveerd nadat de telefoon is geconfigureerd. Het adresboek en het logboek gesprekken zijn na de synchronisatie beschikbaar. U kunt ook via de telefoon de koppeling tot stand brengen.
159 STREAMING BLUETOOTH-AUDIO (IN DE LOOP VAN HET JAAR BESCHIKBAAR) 2 EEN GESPREK ONTVANGEN Een inkomend gesprek wordt aangegeven door een beltoon en het verschijnen van een venster op het multifunctionele display. Selecteer met behulp van de toetsen de knop JA op het scherm en bevestig met OK. JA Draadloze overdracht van muziekbestanden van de telefoon naar het audiosysteem van de auto. De telefoon moet de desbetreffende Bluetooth-profielen (A2DP/AVRCP) kunnen ondersteunen. Start de koppelingsprocedure tussen de telefoon en de auto. Deze procedure kan gestart worden via het telefoonmenu van de auto of via het toetsenbord van de telefoon, zie hiervoor de eerder beschreven stappen t/m 0. Tijdens de koppeling moet de auto stilstaan en het contact aanstaan. 2 Druk op de toets OK op het stuurwiel om het gesprek te accepteren. BELLEN Selecteer in het menu Bluetooth-telefoon Audio, Beheer van het telefoongesprek en vervolgens Bellen, Logboek gesprekken of Adresboek. Druk gedurende meer dan twee seconden op het uiteinde van de hendel aan de stuurkolom om toegang te krijgen tot uw adresboek. Of Gebruik, als de auto stilstaat, het toetsenbord van uw telefoon om een nummer in te voeren. 2 3 Selecteer in het telefoonmenu de te koppelen telefoon. Het audiosysteem wordt automatisch verbonden met de zojuist gekoppelde telefoon. Activeer de bron Streaming door op de toets SOURCE * te drukken. Via de toetsen op het bedieningspaneel van de radio en de bediening op het stuurwiel kunt u op de gebruikelijke wijze de muziekstukken aansturen **. De informatie over de muziekstukken kan op het display worden weergegeven. * In sommige gevallen moet het afspelen van audiobestanden via het toetsenbord worden geactiveerd. ** Als de telefoon deze functie ondersteunt. 9.
160 06 SNELKEUZE BEDIENING OP HET STUURWIEL RADIO: selecteren van de vorige voorkeuzezender. CD-WISSELAAR: selecteren van de vorige CD. Selecteren van het vorige item van een menu. RADIO: automatisch zoeken naar zenders in oplopende volgorde. CD/CD-WISSELAAR/MP3: selecteren van het volgende nummer. CD/CD-WISSELAAR: lang indrukken: versneld vooruitspoelen. Selecteren van het vorige item. Volume verhogen. - Wijzigen van de geluidsbron. - Bevestigen van een selectie. - Telefoon opnemen/ophangen. - Langer dan 2 seconden indrukken: toegang tot het telefoonmenu. Geluid onderbreken: gelijktijdig indrukken van de volumetoetsen. Druk op een van de twee volumetoetsen om terug te keren naar het oorspronkelijke volume. 9.2 RADIO: selecteren van de volgende voorkeuzezender. CD-WISSELAAR: selecteren van de volgende CD. Selecteren van het volgende item van een menu. Volume verlagen. RADIO: automatisch zoeken naar zenders in afl opende volgorde. CD/CD-WISSELAAR/MP3: selecteren van het vorige nummer. CD/CD-WISSELAAR: lang indrukken: versneld terugspoelen. Selecteren van het volgende item.
161 07 CONFIGURATIE DATUM EN TIJD INSTELLEN DISPLAY C Druk op de toets MENU. 5 Druk op de toets om de selectie te bevestigen. 2 Selecteer met de pijltoetsen de functie PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE. 6 Selecteer met de pijltoetsen de functie DATUM EN TIJD INSTELLEN. PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE DATUM EN TIJD INSTELLEN 3 Druk op de toets om de selectie te bevestigen. 7 Druk op de toets om de selectie te bevestigen. 4 Selecteer met de pijltoetsen de functie CONFIGURATIE BEELDSCHERM. 8 Stel de parameters één voor één in door deze te bevestigen met de toets OK. Selecteer vervolgens de knop OK op het scherm om de instellingen te bevestigen. CONFIGURATIE BEELDSCHERM OK 9.3
162 08 MENUSTRUCTUUR DISPLAY monochroom A BASISFUNCTIE RDS VOLGEN 2 MODE REG 2 CD HERHALEN 2 RANDOM PLAY 2 RW ACHTER AAN 2 FOLLOW-ME-HOME 2 2 DIAGNOSE 9.4 RADIO-CD CONFIG AUTO * OPTIES 3 raadplegen 3 beëindigen EENHEDEN TEMPERATUUR: CELSIUS/ FAHRENHEIT 2 BRANDSTOFVERBRUIK: KM/L - L/00 - MPG 2 * De parameters variëren afhankelijk van de auto. 2 JAAR 2 MAAND 2 DAG 2 UUR 2 MINUTEN 2 CYCLUS 2U/24U INST. WEERG TALEN 2 FRANCAIS 2 ITALIANO 2 NEDERLANDS 2 PORTUGUES 2 PORTUGUES-BRASIL 2 DEUTSCH 2 ENGLISH 2 ESPANOL KEUZE A Keuze A Keuze A2 KEUZE B... monochroom display C Wanneer u op de toets OK drukt, komt u in de verkorte menu's terecht, afhankelijk van de weergave op het scherm: RADIO aanzetten/uitzetten RDS aanzetten/uitzetten modus REG aanzetten/uitzetten radiotext CD/MP3-CD aanzetten/uitzetten Intro aanzetten/uitzetten herhalen tracks Audio-CD/Audio-CD-wisselaar: gehele CD MP3-CD/MP3-CD-wisselaar: gehele map in kwestie aanzetten/uitzetten random play Audio-CD/Audio-CD-wisselaar: gehele CD MP3-CD: gehele map in kwestie CD-MP3-wisselaar: alle mappen USB aanzetten/uitzetten herhalen van tracks mappen/artiest/genre/actuele playlist aanzetten/uitzetten random play mappen/artiest/genre/actuele playlist
163 08 MENUSTRUCTUUR DISPLAY monochroom A BASISFUNCTIE RDS VOLGEN 2 MODE REG 2 CD HERHALEN 2 RANDOM PLAY 2 RW ACHTER AAN 2 FOLLOW-ME-HOME 2 2 DIAGNOSE 9.4 RADIO-CD CONFIG AUTO * OPTIES 3 raadplegen 3 beëindigen EENHEDEN TEMPERATUUR: CELSIUS/ FAHRENHEIT 2 BRANDSTOFVERBRUIK: KM/L - L/00 - MPG 2 * De parameters variëren afhankelijk van de auto. 2 JAAR 2 MAAND 2 DAG 2 UUR 2 MINUTEN 2 CYCLUS 2U/24U INST. WEERG TALEN 2 FRANCAIS 2 ITALIANO 2 NEDERLANDS 2 PORTUGUES 2 PORTUGUES-BRASIL 2 DEUTSCH 2 ENGLISH 2 ESPANOL KEUZE A Keuze A Keuze A2 KEUZE B... monochroom display C Wanneer u op de toets OK drukt, komt u in de verkorte menu's terecht, afhankelijk van de weergave op het scherm: RADIO aanzetten/uitzetten RDS aanzetten/uitzetten modus REG aanzetten/uitzetten radiotext CD/MP3-CD aanzetten/uitzetten Intro aanzetten/uitzetten herhalen tracks Audio-CD/Audio-CD-wisselaar: gehele CD MP3-CD/MP3-CD-wisselaar: gehele map in kwestie aanzetten/uitzetten random play Audio-CD/Audio-CD-wisselaar: gehele CD MP3-CD: gehele map in kwestie CD-MP3-wisselaar: alle mappen USB aanzetten/uitzetten herhalen van tracks mappen/artiest/genre/actuele playlist aanzetten/uitzetten random play mappen/artiest/genre/actuele playlist
164 08 MENUSTRUCTUREN monochroom display C AUDIOFUNCTIES 2 VOORKEUZE FM 3 RDS-functie 4 inschakelen/uitschakelen 3 REG-functie 4 inschakelen/uitschakelen 3 weergave radiotext (RDTXT) 4 inschakelen/uitschakelen 2 AFSPEELMOGELIJKHEDEN 3 RPT-functie (CD herhalen) 4 inschakelen/uitschakelen 3 RDM-functie (random) 4 inschakelen/uitschakelen BOORDCOMPUTER VOER AFSTAND TOT BESTEMMING IN 2 PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE 2 PARAMETERS VAN DE AUTO DEFINIËREN * 2 CONFIGURATIE BEELDSCHERM 3 regeling weergave 4 normale weergave 4 omgekeerde weergave 4 regeling helderheid (- +) 3 datum en tijd instellen dag/maand/jaar instellen 3 uren/minuten instellen 4 keuze cyclus 2u/24u 4 keuze van eenheden 3 l/00 km - mpg - km/l 4 Celsius / Fahrenheit 4 TAALKEUZE 2 BLUETOOTH-TELEFOON CONFIGURATIE BLUETOOTH Toestel aansluiten/afkoppelen 2 Telefoonfunctie 3 Streaming audio functie 3 Raadplegen gekoppelde toestellen 2 Verwijderen gekoppeld toestel 2 Zoeken via Bluetooth 2 BELLEN Logboek van oproepen 2 Index 3 BEHEER VAN EEN GESPREK Huidige gesprek beëindigen 2 Inschakelen mutefunctie LOGBOEK WAARSCHUWINGEN STATUS VAN FUNCTIES * De parameters variëren afhankelijk van de auto. 9.5
165 VEELGESTELDE VRAGEN VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD, CD-wisselaar...). De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, muziekstijl, loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD, CD-wisselaar...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn. De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de autoradio wordt herkend. Controleer of de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, muziekstijl, loudness) zijn afgestemd op de verschillende geluidsbronnen. Het is raadzaam de AUDIO-functies (bassen, hoge tonen, balans V-A, balans L-R) in de middelste stand te zetten, de muziekstijl "Geen" te selecteren en de functie Loudness in de stand "Actief" te zetten als de CD-speler is geselecteerd en in de stand "Inactief" te zetten als de radio is geselecteerd. - Controleer of de CD met de juiste zijde boven in de speler is geplaatst. - Controleer de staat van de CD: de CD kan niet worden gelezen als deze te veel is beschadigd. - Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk Audio. - De CD-speler van de autoradio kan geen DVD's afspelen. - De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's is onvoldoende om deze door de autoradio te laten afspelen. De CD-speler levert een slechte geluidskwaliteit. De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg ze zorgvuldig op. 9.6 De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, muziekstijl) zijn niet op de CDspeler afgestemd. Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen op 0, zonder een muziekstijl te selecteren.
166 VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). Het verkeerde golfbereik is geselecteerd. Druk op de toets BAND AST om het golfbereik (AM, FM, FM2, FMAST) terug te vinden waarin de voorkeuzezenders zijn opgeslagen. De functie TA (verkeersinformatie) is ingeschakeld, maar ik krijg geen verkeersinformatie te horen. De ontvangstkwaliteit van de beluisterde radiozender neemt geleidelijk af of de voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). Het geluid van de radio valt tot 2 seconden weg. Na het afzetten van de motor wordt de radio na enkele minuten automatisch uitgeschakeld. De geselecteerde radiozender maakt geen deel uit van het regionale netwerk van zenders die verkeersinformatie uitzenden. De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt. De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.) veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld. De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat of ondergrondse parkeergarage). Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid naar een eventuele sterkere zender voor een betere ontvangst van het station. Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand van de accu dat toestaat. Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-modus van de autoradio is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt. Stem af op een zender die wel verkeersinformatie uitzendt. Activeer de functie RDS om het systeem te laten controleren of er een sterkere zender in het gebied aanwezig is. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. Laat de antenne controleren door het CITROËN-netwerk. Schakel de RDS-functie uit als dit verschijnsel zich te vaak en steeds op hetzelfde traject voordoet. Start de motor om de accu op te laden. De melding "het audiosysteem is oververhit" verschijnt op het display. Om het audiosysteem te beschermen tegen een te hoge omgevingstemperatuur, activeert de autoradio automatisch een thermische beveiliging die het geluidsvolume verlaagt of de CD-speler uitschakelt. Schakel het audiosysteem enkele minuten uit om het systeem te laten afkoelen. 9.7
167 MyWay MULTIMEDIA-AUTORADIO/BLUETOOTH-TELEFOON GPS EUROPA OP SD-KAART 9. 8 Uw MyWay is zodanig gecodeerd dat deze uitsluitend in uw auto functioneert. Raadpleeg het CITROËN-netwerk als u het systeem voor gebruik in een andere auto wilt laten configureren. Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto. Na het afzetten van de motor schakelt uw MyWay zichzelf tijdens de overgang naar de energiespaarstand uit om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. Bepaalde functies die in deze handleiding worden beschreven, zullen in de loop van het jaar beschikbaar zijn. INHOUD 0 Basisfuncties blz Algemene werking blz Navigatie blz Verkeersinformatie blz Radio blz Multimediaspelers blz Bluetooth-telefoon blz Configuratie blz Bediening aan de stuurkolom blz Menustructuren displays blz Veelgestelde vragen blz. 9.43
168 0 0 BASISFUNCTIES BEDIENINGSPANEELMYWAY 9. 9
169 0 BASISFUNCTIES BEDIENINGSPANEELMYWAY Motor afgezet - Kort indrukken: aan/uit. - Lang indrukken: afspelen CD pauzeren, geluidsweergave radio onderbreken. Draaiende motor - Kort indrukken: afspelen CD pauzeren, geluidsweergave radio onderbreken. - Lang indrukken: resetten van het systeem. 2. Volumeregeling. 3-4 Lang indrukken: toegang tot de instellingen: geluidsverdeling voor/achter, links/rechts, lage-/hogetonenregeling, sfeerinstellingen, loudness, automatische volumecorrectie, standaardinstellingen. 3. Toegang tot het menu RADIO. Weergave van het zenderoverzicht. 4. Toegang tot het menu MUSIC. Weergave van tracks Toegang tot het menu SETUP. Lang indrukken: toegang tot het GPS-bereik en de demomode. 6. Toegang tot het menu TELEFOON. Weergave van de gesprekkenlijst. 7. Toegang tot het menu MODE. Selecteren van het achtereenvolgens weergeven van: Radio, Kaart, NAV (tijdens navigatie), Telefoon (tijdens een gesprek), Boordcomputer. Lang indrukken: Black Panel mode (DARK). 8. Toegang tot het menu NAVIGATIE. Weergave van de laatst gekozen bestemmingen. 9. Toegang tot het menu VERKEER. Weergave van de actuele verkeersinformatie. 0. ESC: huidige bewerking afbreken.. CD uitwerpen. 2. Selecteren van de vorige/volgende radiozender in het overzicht. Selecteren van de vorige/volgende CD. Selecteren van de vorige/volgende MP3-afspeellijst. Selecteren van het vorige/volgende item in een lijst. 3. Selecteren van de vorige/volgende radiozender. Selecteren van de vorige/volgende titel van een CD of vorig/volgend MP3-bestand. Selecteren van het vorige/volgende item in een lijst. 4. Toetsen t/m 6: Selecteren van een in het geheugen opgeslagen radiozender. Selecteren van een CD in de CD-wisselaar. Lang indrukken: in het geheugen opslaan van de huidige radiozender. 5. SD-kaartlezer. 6. Selectieknop voor de weergave op het display en afhankelijk van de context van het menu. Kort indrukken: bevestigen.
170 ALGEMENE WERKING 02 Door meerdere keren achter elkaar op de toets MODE te drukken, krijgt u toegang tot de volgende menu's: RADIO/MULTIMEDIASPELERS TELEFOON (Tijdens een telefoongesprek) KAARTWEERGAVE OP VOLLEDIG SCHERM NAVIGATIE (Tijdens navigatie) BOORDCOMPUTER SETUP: taalkeuze, datum en tijd, weergave, parameters van de auto, eenheden en systeeminstellingen, DEMONSTRATIE. VERKEER: TMC-informatie en berichten Gebruik voor het schoonmaken van het display een zacht, niet-schurend doekje (bijvoorbeeld een brillendoekje) zonder schoonmaakmiddel. Raadpleeg hoofdstuk 0 voor een gedetailleerd overzicht van de keuzemogelijkheden binnen de menu's. 9. 2
171 02 ALGEMENE WERKING WEERGAVE AFHANKELIJK VAN DE CONTEXT BOORDCOMPUTER: RADIO : Door de draaiknop OK in te drukken krijgt u toegang tot de snelkeuzemenu's. WAARSCHUWINGENLOGBOEK STATUS VAN DE FUNCTIES FM 2 verkeersinfo(ta) NAVIGATIE (TIJDENS NAVIGATIE): NAVIGATIE AFBREKEN BERICHT HERHALEN OMLEIDEN ROUTE ROUTE-INFORMATIE bestemming tonen 2 route-info 2 navigatiecriteria 3 uitsluitingen 3 aantal satellieten 3 kaart verplaatsen 2 GESPROKEN BERICHT NAVIGATIE-OPTIES TELEFOON: OPHANGEN IN WACHT ZETTEN BELLEN DTMF-TONEN PRIVÉGESPREK MICRO UIT MULTIMEDIASPELERS: VERKEERSINFO (TA) AFSPEELOPTIES normaal 2 willekeurig nummer 2 map herhalen 2 intro-scan 2 BRON SELECTEREN 2 RDS 2 radiotekst 2 regioprog. (REG) 2 AM 2 verkeersinfo (TA) 2 AM-lijst vernieuwen 2 FM AM KAARTWEERGAVE OP VOLLEDIG SCHERM: NAVIGATIE AFBREKEN/HERVATTEN BESTEMMING POINTS OF INTEREST POSITIE-INFO KAARTINSTELLINGEN KAART VERPLAATSEN
172 03 NAVIGATIE EEN BESTEMMING KIEZEN Plaats de SD-kaart met navigatiegegevens in de lezer op het bedieningspaneel om de navigatiefuncties te gebruiken. De navigatiegegevens op de SD-kaart mogen niet worden gewijzigd. Updates van navigatiegegevens zijn verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk. Druk op de toets NAV. 4 Selecteer de functie NIEUWE BESTEMMING INVOEREN en druk op de draaiknop om te bevestigen. NIEUWE BESTEMMING INVOEREN Onder de functie MENU NAVIGATIE verschijnen de 20 laatst gekozen bestemmingen. 5 Selecteer het land en draai vervolgens aan de draaiknop om de plaats te selecteren. Druk op de draaiknop om te bevestigen. 2 Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie MENU NAVIGATIE en druk vervolgens op de draaiknop om te bevestigen. MENU NAVIGATIE 6 Selecteer de letters van de plaatsnaam een voor een en druk telkens op de draaiknop om een letter te bevestigen. 3 Selecteer de functie BESTEMMING INVOEREN en druk op de draaiknop om te bevestigen. BESTEMMING INVOEREN Via de toets LIST op het virtuele toetsenbord is een lijst van plaatsen in het gekozen land beschikbaar die kunnen worden geselecteerd door de eerste letters van de plaatsnaam in te voeren
173 Tijdens de navigatie kan de laatste aanwijzing worden herhaald door het uiteinde van de verlichtingsschakelaar in te drukken. 7 Draai aan de draaiknop en selecteer OK. Druk op de draaiknop om te bevestigen. 9 Selecteer vervolgens NAVIGATIE STARTEN en druk op de draaiknop om te bevestigen. NAVIGATIE STARTEN Voor een snellere invoer is het mogelijk rechtstreeks een postcode in te voeren via de functie POSTCODE. Gebruik het virtuele toetsenbord om de letters en cijfers in te voeren. 0 Selecteer de navigatiecriteria: SNELSTE ROUTE, OPTIMALE ROUTE of TIJD/AFSTAND en druk op de draaiknop om te bevestigen. 8 Herhaal de stappen 5 t/m 7 om de STRAATNAAM en het HUISNUMMER in te voeren. Er kan ook een bestemming worden geselecteerd vanuit het ADRESBOEK of vanuit LAATST GEKOZEN BESTEMMINGEN. ADRESBOEK LAATST GEKOZEN BESTEMMINGEN Selecteer de functie TOEVOEGEN AAN ADRESBOEK om het ingevoerde adres als kaart op te slaan. Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Uw MyWay kan maximaal 4000 kaarten opslaan. Met de draaiknop kan worden in- en uitgezoomd op de kaart. Met het snelkeuzemenu van KAART VOLLEDIG SCHERM is het mogelijk de kaart te verplaatsen of de richting te kiezen. Druk op de draaiknop en selecteer vervolgens KAARTINSTELLINGEN of ZOOMEN/BLADEREN en bevestig
174 03 NAVIGATIE NAVIGATIEOPTIES De route die het MyWay berekent, hangt af van de geselecteerde navigatieopties. Door het wijzigen van deze opties kan een totaal verschillende route worden berekend. Druk op de toets NAV. 5 Selecteer de functie ROUTEDYNAMIEK. Deze functie geeft toegang tot de opties VERKEERSONAFHANKELIJK of SEMI-DYNAMISCH. 2 3 Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie MENU NAVIGATIE en druk op de draaiknop om te bevestigen. MENU NAVIGATIE Selecteer de functie NAVIGATIEOPTIES en druk op de draaiknop om te bevestigen. 6 ROUTEDYNAMIEK. Selecteer de functie VERMIJDCRITERIA. Deze functie geeft toegang tot de optie VERMIJDEN (autosnelwegen, tolwegen, veerboten). VERMIJDCRITERIA 4 NAVIGATIEOPTIES Selecteer de functie NAVIGATIECRITERIA en druk op de draaiknop om te bevestigen. Met deze functie kunnen de navigatiecriteria worden gewijzigd. NAVIGATIECRITERIA 7 Draai aan de draaiknop en selecteer de functie HERBEREKENEN om rekening te houden met de geselecteerde navigatieopties. Druk op de draaiknop om te bevestigen. HERBEREKENEN 9. 25
175 ETAPPE TOEVOEGEN Na het selecteren van de bestemming kunnen etappes aan de route worden toegevoegd. Druk op de toets NAV. 5 Voer bijvoorbeeld een nieuw adres in. NIEUWE BESTEMMING INVOEREN 2 Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie MENU NAVIGATIE en druk op de draaiknop om te bevestigen. 6 Selecteer na het invoeren van het nieuwe adres OK en druk op de draaiknop om te bevestigen. MENU NAVIGATIE OK 3 Selecteer de functie ETAPPES en druk op de draaiknop om te bevestigen. 7 Selecteer HERBEREKENEN en druk op de draaiknop om te bevestigen. ETAPPES HERBEREKENEN 4 Selecteer de functie ETAPPE TOEVOEGEN (maximaal 5 tussenstops) en druk op de draaiknop om te bevestigen. ETAPPE TOEVOEGEN De etappe moet zijn gepasseerd of gewist voordat de navigatie naar de volgende bestemming kan worden hervat. Zo niet, dan leidt uw MyWay u systematisch naar de vorige etappe
176 03 NAVIGATIE POINTS OF INTEREST ZOEKEN Points of interest (POI) zijn openbare gebouwen en diensten in de omgeving (hotels, bedrijven, vliegvelden...). Druk op de toets NAV. 6 Selecteer de functie POI IN PLAATS om points of interest in de gewenste plaats te zoeken. Kies het land en voer vervolgens de plaatsnaam in met behulp van het virtuele toetsenbord. 2 Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie MENU NAVIGATIE en druk op de toets om te bevestigen. MENU NAVIGATIE POI IN PLAATS Via de toets LIST op het virtuele toetsenbord is een overzicht van plaatsnamen in het geselecteerde land beschikbaar. 3 4 Selecteer de functie POI ZOEKEN een druk op de draaiknop om te bevestigen. POI ZOEKEN Selecteer de functie POI DICHTBIJ om points of interest in de nabijheid van de auto te zoeken. 7 Selecteer de functie POI IN LAND om points of interest in het gewenste land te zoeken. POI IN LAND 5 POI DICHTBIJ Selecteer de functie POI BIJ BESTEMMING om points of interest in de omgeving van de eindbestemming te zoeken. BESTEMMING 8 Selecteer de functie POI BIJ ROUTE om points of interest in de nabijheid van de route te zoeken. POI BIJ ROUTE 9. 27
177 03 NAVIGATIE POI-lijst Door in te zoomen op dit pictogram ontdekt u nieuwe Points of interest * afhankelijk van beschikbaarheid in het land
178 03 NAVIGATIE NAVIGATIE-INSTELLINGEN Raadpleeg het CITROËN-netwerk voor meer informatie over de procedure voor het instellen van RISICOZONE-POI'S. Voor het updaten van RISICOZONE-POI's is een SDHC-speler (High Capacity) vereist. Druk op de toets NAV. 4 Selecteer de functie VOLUME GESPROKEN BERICHTEN en draai aan de draaiknop om het volume van de verschillende gesproken berichttypen (verkeersinformatie, waarschuwingsmeldingen ) in te stellen. VOLUME GESPROKEN BERICHTEN 2 Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie MENU NAVIGATIE en druk op de draaiknop om te bevestigen. 5 Selecteer de functie POI- CATEGORIEËN OP KAART om de POI's die standaard op de kaart worden weergegeven in te stellen. MENU NAVIGATIE POI-CATEGORIEËN 3 Selecteer de functie INSTELLINGEN en druk op de draaiknop om te bevestigen. 6 Selecteer RISICOZONE-POI'S INSTELLEN voor toegang tot de functies OP KAART WEERGEVEN, VISUELE WAARSCHUWING en GELUIDSSIGNAAL. INSTELLINGEN RISICOZONE-POI'S INSTELLEN 9. 29
179 04 VERKEERSINFORMATIE INSTELLEN VAN DE FILTERS EN DE WEERGAVE VAN TMC-BERICHTEN De filters werken onafhankelijk en cumulatief. Het is raadzaam om een filter op de route en een filter rondom de auto in te schakelen van: - 3 km of 5 km voor een gebied met een dicht wegennet, - 0 km voor een gebied met een normaal wegennet, - 50 km voor lange trajecten (autosnelweg). 3 Selecteer het gewenste filter: Druk op de toets TRAFFIC. BERICHTEN OP ROUTE ALLEN WAARSCH.BERICHTEN PO ROUTE ALLE WAARSCHUWINGSBERICHTEN ALLE BERICHTEN De lijst met TMC-berichten verschijnt onder MENU VERKEER op volgorde van nabijheid. De berichten verschijnen op de kaart en in de lijst. Druk op ESC om het filter uit te schakelen. 2 Druk nogmaals op de toets TRAFFIC of selecteer het MENU VERKEER en druk op de draaiknop om te bevestigen. 4 Selecteer de functie GEOGRAFISCH FILTER (UIT) en druk op de draaiknop om te bevestigen. GEOGRAFISCH FILTER (UIT) MENU VERKEER Het symbool TMC links onder aan het scherm kan op 3 verschillende manieren worden weergegeven: - Geen TMC-zender beschikbaar, - TMC-zender beschikbaar, geen berichten voor deze route, - TMC-zender beschikbaar, met berichten voor deze route (indien navigatie actief). 5 Selecteer uit de lijst die vervolgens wordt weergegeven de gewenste straal in km, afhankelijk van de route. Druk op de draaiknop om uw keuze te bevestigen
180 05 RADIO Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. SELECTEREN VAN EEN ZENDER RDS - REGIONALE FUNCTIE - VERKEERSINFORMATIE Druk op de toets RADIO om de alfabetische lijst met lokaal ontvangen zenders weer te geven. Selecteer het gewenste station met de draaiknop en druk op de draaiknop om te bevestigen. 2 Druk tijdens het luisteren naar de radio op de draaiknop. Het snelkeuzemenu van de radiofunctie verschijnt en geeft toegang tot de volgende opties: VERKEERSBERICHT Druk tijdens het luisteren naar de radio op een van de toetsen om de vorige of volgende zender in de lijst te selecteren. RDS RADIOTEKST REGIOPROG. (REG) GOLFLENGTE Houd een van de toetsen lang ingedrukt om automatisch in aflopende of oplopende volgorde naar zenders te zoeken. 3 Selecteer de gewenste functie en druk op de draaiknop om te bevestigen en de desbetreffende instellingen te wijzigen. Druk langer dan 2 seconden op een van de numerieke toetsen om de zender waarop is afgestemd op te slaan. Druk op de numerieke toets om naar de zender te luisteren die onder die toets is opgeslagen. Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren zonder dat u zelf de frequentie hoeft te wijzigen. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen. 9. 3
181 06 MULTIMEDIASPELERS CD, CD MET MP3- OF WMA-BESTANDEN, SD-KAART MP3/WMA INFORMATIE EN TIPS De formaten MP3 (afkorting van MPEG, 2 & 2.5 Audio Layer 3) en WMA (afkorting van Windows Media AudioM, eigendom van Microsoft) zijn standaarden voor het comprimeren van geluid die de mogelijkheid bieden enkele tientallen nummers op één CD te plaatsen. Bij gebruik van het GPS-navigatiesysteem moet de SD-kaart van de navigatie in de speler van de MyWay zijn geplaatst. In dat geval is het niet mogelijk om een SD-kaart met MP3-bestanden af te spelen. De autoradio speelt bestanden met de extensie ".mp3" en een bitrate van 8 tot 320 Kbps en bestanden met de extensie ".wma" en een bitrate van 5 tot 384 Kbps af. Ook bestanden met een VBR (Variable Bit Rate) kunnen worden afgespeeld. Geluidsbestanden met een andere extensie (.mp4,.m3u...) kunnen niet worden afgespeeld. Gebruik voor bestandsnamen maximaal 20 karakters en verwijder speciale tekens (bijv.: " ",?, ù) om problemen met het afspelen of de weergave te voorkomen. Selecteer bij het branden van een CD-R of CD-RW de standaard ISO 9660 niveau, 2 of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen afspelen. Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze niet goed wordt afgespeeld. Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor het branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid in (maximaal 4 x) voor een optimale geluidskwaliteit. Voor het branden van een multisessie-cd is het raadzaam de standaard Joliet te gebruiken. Schakel tijdens het afspelen de functie SD-kaart uit voordat u de SD-kaart uit de speler verwijdert. Om diefstal te voorkomen, is het raadzaam de SD-kaart te verwijderen voordat u de auto met geopend dak achterlaat
182 MUZIEK SELECTEREN/BELUISTEREN CD, MP3-/WMA-CD, SD-KAART MP3-/ WMA-CD Druk op de toets MUSIC. 4 Selecteer de gewenste geluidsbron: CD, MP3-/WMA-CD, SD-KAART MP3/WMA Druk op de draaiknop om te bevestigen. Het afspelen begint. De lijst met nummers of MP3-/WMA-bestanden verschijnt onder het MENU MUZIEK. 5 Druk op de toets omhoog/omlaag om de volgende/vorige map te selecteren. 2 Druk nogmaals op de toets MUSIC of selecteer de functie MENU MUZIEK en druk op de draaiknop om te bevestigen. MENU MUZIEK 6 Druk op een van de toetsen om een nummer te selecteren. Houd een van de toetsen ingedrukt om snel vooruit of terug te spoelen. 3 Selecteer de functie KIES GELUIDSBRON en druk op de draaiknop om te bevestigen. KIES GELUIDSBRON Het afspelen of weergeven van een MP3-/WMA-speellijst kan worden beïnvloed door het gebruikte programma voor het branden van de CD en/of de instellingen. Wij raden u aan voor het branden van een CD de standaard ISO 9660 te gebruiken
183 06 MULTIMEDIASPELERS AUX-INGANG GEBRUIKEN AUDIO-/RCA-KABEL NIET BIJGELEVERD CD-WISSELAAR EEN CD AFSPELEN (GEEN MP3-/WMA-FORMAAT) Sluit het externe apparaat (MP3-/WMA-speler ) met de JACK/RCAaudiokabel aan op de audioaansluitingen (wit en rood, type RCA) in het dashboardkastje. Plaats één of meerdere CD's in de CD-wisselaar. Druk op de toets MUSIC. 2 3 Druk op de toets MUSIC en druk nogmaals op de toets of selecteer de functie MENU MUZIEK en druk op de draaiknop om te bevestigen. Selecteer de functie EXTERN TOESTEL en druk op de draaiknop om het externe apparaat te activeren. 2 3 Druk nogmaals op de toets MUSIC of selecteer de functie MENU MUZIEK en druk op de draaiknop om te bevestigen. MENU MUZIEK Selecteer de functie KIES GELUIDSBRON en druk op de draaiknop om te bevestigen. KIES GELUIDSBRON 4 EXTERN TOESTEL Selecteer de geluidsbron AUX en druk op de draaiknop om te bevestigen, waarna het afspelen automatisch begint. 4 Selecteer CD-WISSELAAR en druk op de draaiknop om te bevestigen. CD-WISSELAAR De weergave- en bedieningsfuncties verlopen via de externe apparatuur zelf. 5 Druk op een van de numerieke toetsen om de desbetreffende CD te selecteren
184 07 BLUETOOTH-TELEFOON KOPPELEN VAN EEN TELEFOON De beschikbare functies zijn afhankelijk van het netwerk, de SIM-kaart en de compatibiliteit met de gebruikte Bluetooth-apparatuur. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en uw provider voor meer informatie over de beschikbare functies. Een overzicht van de meest geschikte telefoons is verkrijgbaar via het netwerk. Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree-set van het MyWay mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet contact. 4 Selecteer als de telefoon nog niet gekoppeld is geweest TELEFOON ZOEKEN en druk op de draaiknop om te bevestigen. Selecteer vervolgens de naam van de telefoon. 2 3 Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon. De laatst gekoppelde telefoon wordt automatisch opnieuw gekoppeld. Druk op de toets PHONE. Selecteer de functie MENU TELEFOON en druk op de draaiknop om te bevestigen. MENU TELEFOON 5 TELEFOON ZOEKEN Voer de toegangscode in met de telefoon. De in te voeren code wordt weergegeven op het display. Als de telefoon is gekoppeld, kan MyWay het adresboek en de gesprekkenlijst synchroniseren. Deze synchronisatie kan enkele minuten duren. Druk om een andere telefoon te koppelen op de toets PHONE, selecteer vervolgens MENU TELEFOON en druk op de draaiknop om te bevestigen. De lijst met eerder gekoppelde telefoons (maximaal 4) verschijnt op het multifunctionele display. Selecteer de gewenste telefoon om deze opnieuw te koppelen. 2 Selecteer TELEFOON KOPPELEN. Selecteer de telefoon en druk op de draaiknop om te bevestigen. TELEFOON KOPPELEN 9. 35
185 EEN OPROEP ONTVANGEN BELLEN Wanneer u gebeld wordt, klinkt een beltoon en verschijnt een popupvenster op het multifunctionele display. Druk op de toets PHONE. 2 Selecteer JA om de oproep te accepteren of NEE om de oproep te weigeren en bevestig door op de draaiknop te drukken. JA NEE 2 De lijst met de laatste 20 vanuit de auto gevoerde telefoongesprekken verschijnt onder het MENU TELEFOON. U kunt een nummer selecteren en op de draaiknop drukken om naar dit nummer te bellen. Selecteer de functie MENU TELEFOON en druk op de draaiknop om te bevestigen. 3 Druk op de toets PHONE om het gesprek te beëindigen of druk op de draaiknop, selecteer GESPR. BEËIND. en bevestig door op de draaiknop te drukken. 3 MENU TELEFOON Selecteer NUMMER BELLEN en kies het nummer met het toetsenbord op het display. GESPR.BEËIND NUMMER BELLEN Druk op het uiteinde van de stuurkolomschakelaar om de oproep te accepteren of om het gesprek te beëindigen. Het telefoonnummer kunt u ook kiezen uit het adresboek. Selecteer daarvoor BELLEN VANUIT ADRESBOEK. Met MyWay kunnen maximaal 4000 kaarten worden opgeslagen. Druk langer dan twee seconden op het uiteinde van de stuurkolomschakelaar om het adresboek te openen
186 08 CONFIGURATIE DATUM EN TIJD INSTELLEN Deze functie geeft toegang tot de volgende opties: SYSTEEMTAAL, DATUM EN TIJD, DISPLAY (HELDERHEID, KLEUR, KLEUR KAART), PARAMETERS AUTO, EENHEDEN, SYSTEEMINSTELLINGEN. 5 Druk op de toets SET UP. Selecteer de functie DATUMFORMAAT en druk op de draaiknop om te bevestigen. 2 3 Selecteer de functie DATUM EN TIJD en druk op de draaiknop om te bevestigen. DATUM EN TIJD Selecteer de functie DATUM EN TIJD INSTELLEN en druk op de draaiknop om te bevestigen. 6 Bevestig het gewenste formaat met de draaiknop. Selecteer de functie TIJDFORMAAT en druk op de draaiknop om te bevestigen. DATUM EN TIJD INSTELLEN 4 Stel de parameters één voor één in door deze te bevestigen met de draaiknop. Bevestig het gewenste formaat met de draaiknop. Druk langer dan 2 seconden op de toets SET UP voor toegang tot: BESCHRIJVING VAN UNIT GPS-BEREIK DEMOMODUS 9. 37
187 BOORDCOMPUTER / PARAMETERS AUTO DIAGNOSE AUTO ENKELE DEFINITIES - Het tabblad "auto" met: de actieradius, het huidige verbruik en de nog af te leggen afstand. - Het tabblad "" (traject ) met: de gemiddelde snelheid, het gemiddelde verbruik en de afgelegde afstand berekend over het traject "". - Het tabblad "2" (traject 2) met dezelfde gegevens voor een tweede traject. Actieradius: in deze stand geeft de computer aan hoeveel kilometer u nog met de resterende hoeveelheid brandstof kunt rijden, berekend op basis van het gemiddelde verbruik over de laatste afgelegde kilometers. De weergegeven waarde kan sterk variëren door een verandering in de wagensnelheid of het landschap. Als de actieradius minder dan 30 km bedraagt, verschijnen streepjes op het display. Na het tanken van minimaal 5 liter brandstof wordt de actieradius opnieuw berekend en weergegeven zodra deze meer dan 00 km bedraagt. Raadpleeg het CITROËN-netwerk als tijdens het rijden voortdurend streepjes worden weergegeven in plaats van cijfers. Momenteel verbruik: dit verbruik wordt berekend en weergegeven vanaf 30 km/h. Gemiddeld verbruik: dit is het gemiddelde verbruik sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer. Afgelegde afstand: deze afstand wordt berekend sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer. Druk op de knop op het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar om de volgende informatie van de boordcomputer op het display weer te geven. Nog af te leggen afstand: dit is de afstand tot de door de gebruiker ingevoerde eindbestemming. Als het navigatiesysteem in gebruik is, wordt deze afstand op elk moment tijdens het rijden opnieuw berekend. Gemiddelde snelheid: dit is de gemiddelde snelheid sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer (contact aan)
188 09 BASISFUNCTIES STUURKOLOMSCHAKELAARS RADIO: selecteren van de volgende voorkeuzezender. SD-KAART MP3/WMA: selecteren van de volgende speellijst. CD-WISSELAAR: selecteren van de volgende CD. Selecteren van het volgende item in het adresboek. RADIO: selecteren van de volgende radiozender in de lijst. Lang indrukken: automatisch zoeken naar zenders in oplopende volgorde. CD/SD-KAART MP3/CD-WISSELAAR: selecteren van het volgende nummer. CD/SD-KAART MP3/CD-WISSELAAR: ingedrukt houden: snel vooruitspoelen. Volume verhogen. - Wijzigen van de geluidsbron. - Bellen vanuit het adresboek. - Telefoon opnemen/ophangen. - Langer dan 2 seconden indrukken: toegang tot het adresboek. Geluid onderdrukken: druk gelijktijdig op de twee toetsen van de volumeregeling. Terugkeren naar het oorspronkelijke volume: druk op een van de twee volumetoetsen. SD-KAART MP3/WMA: selecteren van de vorige speellijst. CD-WISSELAAR: selecteren van de vorige CD. Selecteren van het vorige item in het adresboek. Volume verlagen. RADIO: selecteren van de vorige radiozender in de lijst. Lang indrukken: automatisch zoeken naar zenders in afl opende volgorde. CD/SD-KAART MP3/CD-WISSELAAR: selecteren van het vorige nummer. CD/SD-KAART MP3/CD-WISSELAAR: ingedrukt houden: snel terugspoelen
189 0 MENUSTRUCTUUR DISPLAYS BASISFUNCTIE 2 KEUZE A 3 keuze A 3 keuze A2 2 KEUZE B... 2 MENU MUZIEK KIES MUZIEK 2 MENU RADIO GOLFLENGTE 2 GELUIDSINSTELLINGEN 3 FM 3 balans / fader 3 AM MENU VERKEER 3 bass / treble 2 HANDMATIG AFSTEMMEN 2 BERICHTEN OP ROUTE 3 equalizer 2 GELUIDSINSTELLINGEN 2 ALLEEN WAARSCHUWINGSBERICHTEN OP ROUTE 4 lineair 3 balans / fader 2 ALLE WAARSCHUWINGSBERICHTEN 4 klassiek 3 bass / treble 2 ALLE BERICHTEN 4 jazz 3 equalizer 2 GEOGRAFISCH FILTER 4 rock/pop 4 lineair 3 geen 4 techno 4 klassiek 3 binnen 3 km 4 vocaal 4 jazz 3 binnen 5 km 3 loudness 4 rock/pop 3 binnen 0 km 3 geluidsinstellingen terugzetten 4 techno 3 binnen 50 km 4 vocaal 3 loudness geluidsinstellingen terugzetten
190 MENU NAVIGATIE 2 TUSSENSTOPS 2 2 AFBREKEN/HERVATTEN NAVIGATIE 3 tussenstop toevoegen 3 routetype 2 BESTEMMING INVOEREN 4 adresinvoer 4 snelste route 3 adresinvoer 4 navigatie "THUIS" 4 kortste route 4 land 4 uit adresboek kiezen 4 geoptimaliseerde route 4 plaats 4 uit laatste bestemmingen kiezen 2 INSTELLINGEN 4 straat 3 route herberekenen 3 routedynamiek 4 nummer 3 tussenstop vervangen 4 verkeersonafhankelijk 4 navigatie starten 3 tussenstop wissen 4 semi-dynamisch 4 postcode 3 herberekenen 3 vermijdcriteria opslaan in adresboek 4 kruising 4 wijk 4 geo. positie 4 kaart 4 navigatie "THUIS" 3 uit adresboek kiezen 3 uit laatste bestemmingen kiezen 3 snelste route 4 kortste route 4 geoptimaliseerde route 4 POI ZOEKEN 2 POI dichtbij 3 POI bij bestemming 3 POI in plaats 3 POI in land 3 POI bij route 3 geen snelwegen 4 geen tolwegen 4 geen veerboten 4 route herberekenen
191 MENU TELEFOON SETUP 4 dark blue 2 NUMMER BELLEN 2 SYSTEEMTAAL 3 kleur kaart 2 BELLEN VANUIT ADRESBOEK 3 deutsch 4 dagmodus voor kaart 2 GESPREKSLIJSTEN 3 english 4 nachtmodus voor kaart 2 TELEFOON KOPPELEN 3 espanol 4 automatische dag-/nachtmodus voor kaart 3 telefoon zoeken 3 français 2 CONFIGURATIE AUTO 3 gekoppelde telefoons 3 italiano 3 voertuiginformatie 4 koppeling verbreken 3 nederlands 4 logboek waarschuwingen 4 telefoon hernoemen 3 polski 4 status functies 4 koppeling wissen 3 portuguese 2 EENHEDEN 4 alle koppelingen wissen 2 DATUM & TIJD 3 temperatuur 4 details weergeven 3 datum & tijd instellen 4 Celsius 2 INSTELLINGEN 3 datumformaat 4 Fahrenheit 3 beltoon selecteren 3 tijdformaat 3 metrisch/engels 3 volume telefoon/beltoon 2 DISPLAY 4 km en l/00 3 mailboxnummer invoeren 3 helderheid 4 km en km/l 3 kleur 4 mijl en MPG 4 pop titanium 2 CONFIGURATIE SYSTEEM 4 toffee 3 fabrieksinstellingen terugzetten 4 blue steel 3 softwareversie 4 technogrey automatisch bladeren
192 VEELGESTELDE VRAGEN In de onderstaande tabel vindt u de antwoorden op de meest gestelde vragen over uw MyWay. VRAAG ANTWOORD OPLOSSING geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD, CD-wisselaar...). De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. De CD-speler levert een slechte geluidskwaliteit. Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, muziekstijl, loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD, CD-wisselaar...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn. De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de autoradio wordt herkend. De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit. De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, muziekstijl) zijn niet op de CDspeler afgestemd. Controleer of de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, muziekstijl, loudness) zijn afgestemd op de verschillende geluidsbronnen. Het is raadzaam de AUDIO-functies (bassen, hoge tonen, balans V-A, balans L-R) in de middelste stand te zetten, de muziekstijl "Geen" te selecteren en de functie Loudness in de stand "Actief" te zetten als de CD-speler is geselecteerd en in de stand "Inactief" te zetten als de radio is geselecteerd. - Controleer of de CD met de juiste zijde boven in de speler is geplaatst. - Controleer de staat van de CD: de CD kan niet worden gelezen als deze te veel is beschadigd. - Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk Audio. - De CD-speler van de autoradio kan geen DVD's afspelen. - De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's is onvoldoende om deze door de autoradio te laten afspelen. - CD's met MP3-bestanden kunnen niet worden afgespeeld door de CD-wisselaar. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg ze zorgvuldig op. Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen op 0, zonder een muziekstijl te selecteren
193 De ontvangstkwaliteit van de beluisterde radiozender neemt geleidelijk af of de voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). ANTWOORD De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt. De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.) veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld. OPLOSSING Activeer de functie RDS om het systeem te laten controleren of er een sterkere zender in het gebied aanwezig is. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat of ondergrondse parkeergarage). Laat de antenne controleren door het CITROËN-netwerk. Het geluid van de radio valt tot 2 seconden weg. Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid naar een eventuele sterkere zender voor een betere ontvangst van het station. Schakel de RDS-functie uit als dit verschijnsel zich te vaak en steeds op hetzelfde traject voordoet. Na het afzetten van de motor wordt de radio na enkele minuten automatisch uitgeschakeld. Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand van de accu dat toestaat. Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-mode van de autoradio is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt. Start de motor om de accu op te laden
194 VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De optie VERKEERSINFORMATIE is aangevinkt, maar de files op de route worden niet direct gemeld. Het berekenen van de route lijkt soms langer te duren dan normaal. Bij het opstarten heeft het systeem enkele minuten nodig om de verkeersinformatie te ontvangen. In bepaalde landen is alleen voor de hoofdwegen (autosnelwegen,...) verkeersinformatie beschikbaar. Het systeem kan tijdelijk trager worden als gelijktijdig met het berekenen van de route een CD/DVD naar de Jukebox gekopieerd wordt. Wacht tot de verkeersinformatie goed wordt ontvangen (weergave van de pictogrammen van de verkeersinformatie op de kaart). Dit is een normaal verschijnsel. Het systeem is afhankelijk van de beschikbare verkeersinformatie. Wacht met het starten van de navigatie tot het kopiëren van de CD/DVD is voltooid of breek het kopiëren af. De hoogte wordt niet weergegeven. Bij het opstarten kan de initialisatie van het GPS tot 3 minuten duren voordat er meer dan 4 satellieten correct worden ontvangen. De kwaliteit van de GPS-ontvangst kan worden beïnvloed door de omgeving (tunnel,...) en het weer. Wacht tot het systeem volledig is opgestart. Controleer of het GPS van ten minste 4 satellieten een signaal ontvangt (druk lang op de toets MENU, selecteer vervolgens DIAGNOSE RADIOTELEFOON en ten slotte GPS-DEKKING). Dit is een normaal verschijnsel. De werking van het systeem is afhankelijk van de ontvangst van het GPS-signaal. De route wordt niet berekend. De vermijdcriteria kunnen tegenstrijdig zijn met de huidige plaatsbepaling (bijv. geen tolwegen terwijl de auto zich op een autosnelweg met tol bevindt). Controleer de vermijdcriteria. Na het plaatsen van een CD of SD-kaart duurt het lang voordat het systeem reageert. Het lukt niet om mijn Bluetooth-telefoon te koppelen. Na het plaatsen van een disc of kaart moet het systeem een aantal gegevens uitlezen (afspeellijst, titel, artiest, enz.). Dit kan enige tijd in beslag nemen. Mogelijk is de Bluetooth-functie van de telefoon uitgeschakeld of is het toestel niet zichtbaar voor andere apparatuur. Dit is normaal. - Controleer of de Bluetooth-functie van uw telefoon is ingeschakeld. - Controleer of uw telefoon zichtbaar
195 04 HANDSFREE SET KOPPELEN VAN EEN TELEFOON DISPLAY C De beschikbare functies van de handsfree set zijn afhankelijk van het netwerk, de SIM-kaart en de compatibiliteit met de gebruikte Bluetooth-apparatuur. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en uw provider voor meer informatie over de beschikbare functies. Een overzicht van de meest geschikte telefoons is verkrijgbaar via het netwerk. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Raadpleeg "Gebruiksvoorschrift van de handsfree set" aan het einde van deze rubriek. EEN GESPREK ONTVANGEN Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree set van de autoradio mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet contact. Een inkomend gesprek wordt aangegeven door een beltoon en het verschijnen van een bovenliggend venster op het multifunctionele display. Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon en zoek met behulp van uw telefoon naar aanwezige Bluetooth-accessoires. 2 Selecteer met behulp van de toetsen de knop JA op het scherm en bevestig met OK. JA 2 Selecteer het accessoire met de naam van uw auto. Op het multifunctionele display verschijnt een bovenliggend venster voor de configuratie. Druk op het uiteinde van de stuurkolomschakelaar om het gesprek te accepteren. EEN GESPREK DOORSCHAKELEN 3 Voer de toegangscode van uw auto (=234) in met de telefoon. Bij sommige telefoons moet de toegangscode worden ingevoerd voordat het bovenliggende venster voor de configuratie verschijnt. Druk langer dan 2 seconden op het uiteinde van de stuurkolomschakelaar om uw index weer te geven. 5 Selecteer met behulp van de toetsen de knop JA op het scherm en bevestig met OK. JA Gebruik het toetsenbord van de telefoon om een nummer te kiezen.
196 Gebruiksvoorschrift van de handsfree set Het koppelen van een nieuwe mobiele telefoon met Bluetooth is niet mogelijk tijdens het rijden. Om veiligheidsredenen mag de bestuurder het koppelen van de mobiele telefoon aan de handsfree set van de autoradio en andere handelingen die de aandacht van het verkeer afleiden uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto, met aangezet contact. Hoeveel mobiele telefoons kunnen in het geheugen van de autoradio worden opgeslagen? Er kunnen tot 4 verschillende mobiele telefoons worden opgeslagen. De met nummer opgeslagen mobiele telefoon wordt het eerst met het handsfreesysteem verbonden. Als deze telefoon niet gevonden wordt, dan volgt telefoon nummer 2, enz. Is het mogelijk om sneller door de lijst met contactpersonen in het telefoonboek te bladeren dan regel voor regel? Door op de schakelaars << >> op het bedieningspaneel of op de stuurkolomschakelaar te drukken, wordt direct de vorige of volgende opgeslagen contactpersoon in het alfabet weergegeven. Worden alle nummers die aan dezelfde contactpersoon zijn gekoppeld weergegeven op het display van de autoradio? Er kunnen maximaal 4 verschillende nummers op de V-card van eenzelfde contactpersoon worden weergegeven: "Thuis", "Kantoor", "Mobiel" en "Auto".
G A PSL O G O O EEN IN
IN EEN OOGOPSLAG 5 1 Exterieur Sleutel - Afstandsbediening 2a 6 Gescheiden ontgrendeling van cabine en laadruimte. Alleen vergrendeling van de laadruimte. Volledige vergrendeling van de auto. 2b 7b 7a
: verwijzing rubriek. : verwijzing bladzijde
Exterieur Sleutel - Afstandsbediening 2a 6 Volledige ontgrendeling van de auto. Volledige vergrendeling van de auto. 2b 6b Verklaring : verwijzing rubriek 6a : verwijzing bladzijde Schuifdeur 2a 17 Trek
IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter
Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder
F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S
F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer
F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S
F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting
X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.
Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht
IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT
IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/ -begrenzer. 2. Stuurwielverstelling. 3. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 4. Instrumentenpaneel. 5. Airbag bestuurder. Claxon. 6. Versnellingshendel.
Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN JUMPER 2012 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748384
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,
Ontgrendelen van de achterdeuren
Toegang tot de auto 18 TOEGANG TOT DE AUTO AFSTANDSBEDIENING Ontgrendelen van de cabine Druk op deze knop om de cabine van uw auto te ontgrendelen. Het lampje op de afstandsbediening gaat branden, de plafonnier
Het online-instructieboekje
IN CITROËN JUMPY Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten
Het online-instructieboekje
Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en
WELKOM. PEUGEOT dankt u voor het vertrouwen en wenst u een goede reis.
INSTRUCTIEBOEKJE WELKOM Belangrijke informatie: het monteren van een uitrusting of een elektrische accessoire zonder artikelnummer van Automobiles PEUGEOT, kan een storing in het elektronische systeem
De voorkant. De zijkant. De banden
Controlepunten: De voorkant De verlichting moet heel zijn en werken (de werking van de verlichting, remlichten en richtingaanwijzers kan voor je gaat rijden gecontroleerd worden door de examinator) De
Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles
! Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch
NL ESP-Systeem
603.83.515 NL ESP-Systeem ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking
VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen
VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net
Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama
Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard
4 - In een oogopslag In een oogopslag - 5 COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar. 2. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 14. Dashboardkastje / aansluitingen audio/video. 15. Schakelaars stoelverwarming.
Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina".
Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u de gebruiksaanwijzing
Praktijk Vragen over auto
Praktijk Vragen over auto 1 BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).
4 - In een oogopslag In een oogopslag - 5 COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/- begrenzer. 2. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 3. Airbag bestuurder. Claxon. 4. Instrumentenpaneel. 5. Alarmknop.
Het online-instructieboekje
Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.
De voorkant. De zijkant. De banden
Controlepunten: In deze handleiding vind je de specifieke voertuigkenmerken van de Suzuki Swift. Algemene dingen kun je in je Ris praktijkboek vinden. Dus hier kun je b.v. vinden met welk knopje je de
Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".
Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u het instructieboekje
Het online-instructieboekje
Het online-instructieboekje Bekijk uw instructieboekje via de website van Citroën, rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u rechtstreeks
Uw auto komt tot leven op internet!
Instructieboekje ! Dankzij de internetsite SERVICE BOX, biedt PEUGEOT u de mogelijkheid uw boorddocumentatie gratis en eenvoudig online te raadplegen. Met het gebruiksvriendelijke SERVICE BOX hebt u altijd
Starten, schakelen & wegrijden:
Auteursrechtinformatie Dit document is bedoeld voor eigen gebruik. In het algemeen geldt dat enig ander gebruik, daaronder begrepen het verveelvoudigen, verspreiden, verzenden, herpubliceren, vertonen
Praktijk Vragen over auto
Praktijk Vragen over auto BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).
Verkorte gebruiksaanwijzing
Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06
Verkorte gebruiksaanwijzing
Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06
PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide
VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie.
************************* **************** ******** ***
Bij deelname aan het Tussentijdstoets moet je de volgende documenten overhandigen: een geldig theorie certificaat een wettelijk toegestaan, geldig identiteitsbewijs. ************************* ****************
LCD scherm va LCD scherm
scherm 1. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica
InstructIeboekje Jumper_nl_Chap00_couverture_ed Jumper_nl_Chap00_couverture_ed
Instructieboekje Het online-instructieboekje Kies een van de volgende manieren om uw instructieboekje online te raadplegen... Uw instructieboekje is te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCITROËN".
Het online-instructieboekje
Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en
ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000
INFOTEC AP/TAVG/MMXP/MUX BEVESTIGING DIAGNOSE BSI ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 G01 CONTROLEPROCEDURE VAN DE FUNCTIE VERLICHTING Toepassing bij PEUGEOT 206 (vanaf DAM-nr. 9076) 307 406 (vanaf
Starten en rijden STUURSLOT
Rijden en bedienen Starten en rijden STUURSLOT H3584 Stuurslot loszetten Steek de contactsleutel GEHEEL in het contactslot en draai die naar stand 'I'. Het is mogelijk dat het stuurwiel iets moet worden
UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!
UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie.
druk 1 1TH 084070 NSN 2320-17-122-6055 PROJECTNUMMER 084070 TECHNISCHE HANDLEIDING VAU 150 KN 6X6 DAF YBB95.480 TAKEL
druk 1 1TH 084070 NSN 30-17-1-6055 PROJECTNUMMER 084070 TECHNISCHE HANDLEIDING VAU 150 KN 6X6 DAF YBB5.480 TAKEL Vastgesteld door de Directeur Defensie Materieel Organisatie voor deze Hoofd Logistieke
Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote
Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote Alarmsysteem met afstandsbediening leidraad bij het instellen - Dutch Geachte klant, In deze handleiding vindt u de informatie en bedieningen die nodig
IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT
IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/- begrenzer. 2. Hendel stuurwielverstelling.. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 4. Instrumentenpaneel. 5. Airbag bestuurder. Claxon.
veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.
F I A T D U C A T O G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boek samengesteld
COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference
OP Quick start K OLNS 7-07-2008 8:32 Pagina FordKa Kort Owner s overzicht handbook Feel the difference K0468_Service_Portfolio_090508. 09.05.2008 5:52:47 Uhr 604.39.307 PP K OL 8-07-2008 4:03 Pagina S
INSTRUMENTENPANEEL BENZINE - DIESEL MET HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK KLOKKEN. Display
INSTRUMENTENPANEEL BENZINE - DIESEL MET HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Display De klokken en verklikkerlampjes op het instrumentenpaneel geven informatie over de werking van de auto. KLOKKEN 1. Toerenteller.
Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak.
Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak. Veiligheidsvoorzieningen Beschermingsvoorzieningen mogen alleen worden verwijderd resp. geopend na stilstand van de dumper met geactiveerde parkeerrem, uitschakelen
Het instructieboekje online
INSTRUCTIEBOEKJE Het instructieboekje online Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek " MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie
Verwarming en ventilatie
Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde
UW 807 IN EEN OOGOPSLAG 26-04-2004
2 UW 807 IN EEN OOGOPSLAG UW 807 IN EEN OOGOPSLAG 3 1 - Schakelaars elektrisch bediende buitenspiegels. Schakelaars elektrisch bediende ruiten. Blokkeerschakelaar elektrisch bediende ruiten achter. 2 -
Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud
Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies
LCD scherm ve LCD scherm
scherm. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica zelf
FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
Automatische transmissie
Automatische transmissie TRANSMISSIEHENDEL H3916 De CommandShift transmissie kan als automaat en als handbak worden gebruikt. Automatische bediening Normaal staat de transmissie op 'automatisch'. Nadat
Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , ,
Installation instructions, accessories Instructienr. 30756608 Versie 1.2 Ond. nr. 30756607, 30756606, 31316446 Stuurwiel, leer IMG-339612 Volvo Car Corporation Stuurwiel, leer- 30756608 - V1.2 Pagina 1
ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000
INFOTEC AP/TAVG/MMXP/MUX BEVESTIGING DIAGNOSE BSI ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 G05 CONTROLEPROCEDURE VAN DE FUNCTIE CENTRALE VERGRENDELING Toepassing bij PEUGEOT 206 (vanaf DAM-nr. 9076)
Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist
Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist BEDIENINGSUITLEG 1 - Bestuurderszetel 17 - Hendel stuurafstelling 2 - Sleutelschakelaar (START) 18 - Bedieningshendel hijsen linker
Duurzaam rijden, samen met ECOdrive
Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Beknopte gebruiksaanwijzing Algemene versie 07-2014 Introductie Het duurzaam ondernemen wordt steeds belangrijker. Veel bedrijven zijn verplicht CO 2 -doelstellingen
ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000
INFOTEC AP/TAVG/MMXP/MUX BEVESTIGING DIAGNOSE BSI ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 G10 CONTROLEPROCEDURE VAN DE FUNCTIE RUITENWISSERS Toepassing bij PEUGEOT 206 (vanaf DAM-nr. 9076) 307 406 (vanaf
Het instructieboekje online
INSTRUCTIEBOEKJE Het instructieboekje online Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie
RUITENWISSERS/-SPROEIERS
Elektrische functie printen RUITENWISSERS/-SPROEIERS RUITENWISSERS/-SPROEIERS - BESCHRIJVING De ruitenwissers/-sproeiers worden bediend via de hendel rechts naast het stuur: de hendel kan - door omhoog
4 - In een oogopslag
4 - In een oogopslag In een oogopslag - 5 COCKPIT 1 - Schakelaar snelheidsbegrenzer/ snelheidsregelaar. 2 - Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 3 - Airbag bestuurder. Claxon. 4 - Instrumentenpaneel.
Vehicle Security System VSS3 - Vehicle original remote
Vehicle Security System VSS3 - Vehicle original remote Originele afstandsbediening van het voertuig leidraad bij het instellen - Dutch Geachte klant, In deze handleiding vindt u de informatie en bedieningen
GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding
GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding Rho-Delta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +03110-4795755 Fax. +03110-2927461 www.rhodelta.nl [email protected] - OMSCHRIJVING De GT-912 /GT-913/GT-914
Flipbook Start MyPeugeot Start MyPeugeot. De app Start MyPeugeot is beschikbaar voor uw auto en helpt u uw nieuwe Peugeot nog beter te leren kennen.
Instructieboekje Flipbook Start MyPeugeot Start MyPeugeot Start Mirror Screen Start Het instructieboekje. App die u kunt downloaden op uw smartphone. App die kan worden weergegeven op het touchscreen van
InstructIeboekje boxer_nl_chap00_couv-debut_ed
Instructieboekje Het online-instructieboekje Kies een van de volgende manieren om uw instructieboekje online te raadplegen... Scan deze code voor directe toegang tot uw instructieboekje. Uw instructieboekje
Voertuig Controle BMW 116d Sportline
Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door
Waarschuwingslampjes WAARSCHUWINGSLAMPJES
Waarschuwingslampjes WAARSCHUWINGSLAMPJES H6433L Voorzichtig: Vooral de RODE waarschuwingslampjes zijn van essentieel belang; door het branden van die waarschuwingslampjes wordt aangegeven dat sprake is
Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889.
COBRA 889 INLEIDING Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889. De belangrijkste vernieuwing in deze 889-serie bestaat uit het systeem, dat de herkenningscode van de afstandsbediening
ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice!
Mobiliteitsservice: 088-2692888 Twijfelt u? Bel dan Van den Udenhout 073-64644444 Lampje Betekenis ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Centraal waarschuwingslampje:
EERSTE KENNISMAKING B U I T E N Z I J D E. Open dak
B U I T E N Z I J D E I Open dak Dit dak zorgt voor meer lucht en licht in het interieur. EERSTE KENNISMAKING 100 Parkeerhulpsensoren Nadat u de achteruitversnelling heeft ingeschakeld, waarschuwt het
Flipbook 208 Start MyPeugeot 208 Start MyPeugeot 208
Instructieboekje Flipbook 208 Start MyPeugeot 208 Start MyPeugeot 208 Start Mirror Screen Start Het Instructieboekje. App die u kunt downloaden op uw smartphone. App die kan worden weergegeven op het touchscreen.
Lampen en waarschuwingslampjes
Lampen en waarschuwingslampjes VERLICHTING OP BUITENKANT VAN AUTO Hoofdverlichtingsschakelaar H5740 1 1. Uit. 2. Stadslichten. 3. Koplampen aan. 4. Automatische controlelampjes. Stadslichten De voorste
Handleiding. Tilly Light fietsendrager
Handleiding Tilly Light fietsendrager mei 2015 Tilly Light BV Inhoudsopgave Algemeen 4 Onderdelen 5 Stekker aansluiting 10 Eerste gebruik 11 Op de auto plaatsen 15 Fietsen plaatsen 18 Rijden 23 Fietsen
Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM
Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM H6716G Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motor-immobilisatiesysteem. Tevens beschikt het voertuig over een aantal extra veiligheidssystemen.
Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding
Cobra Alarm 4627 Gebruikers Handleiding Clifford Electronics Benelux BV Tel.+31 20 40 40 919 [email protected] ISO 9001:2008 Cobra Alarmsysteem: Diefstal is de laatste tijd explosief gestegen. CAN Bus manipulatie
Dualogic versnelllingsbak van de Fiat
F I A T 5 0 0 603.95.085 NL D U A L O G I C In dit supplement worden de gebruiksmogelijkheden beschreven van de elektronisch geregelde mechanische. Voor het juiste gebruik van de versnellingsbak is het
Gebruiksaanwijzing kort
Fun2Go Van Raam BV Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Tel. : +31 (0)315 257370 E-mail : [email protected] Internet : www.vanraam.nl Versie 17.04 Positie zitting Om de positie van de stoel correct
I-1 SLEUTELS, AFSTANDSBEDIENING * A B
I-1 SLEUTELS, AFSTANDSBEDIENING * 5 Afstandsbediening De afstandsbediening is voorzien van een hoge-frequentiezender hetgeen de volgende voordelen heeft : - De afstandsbediening hoeft niet op de ontvanger
Gebruiksaanwijzing kort
O-Pair² Van Raam BV Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Tel. : +31 (0)315 257370 E-mail : [email protected] Internet : www.vanraam.nl Versie 14.10 Zadelhoogte U stelt de zadelhoogte correct in, door op de
Auto Alarm FM5000 FM500 FM600 FM700 LCD MINI
Auto Alarm FM5000 FM500 FM600 FM700 LCD MINI I. Functies FM 2-weg autoalarm. 2. Alarm aan (stil) Druk nogmaals 1x op de knop van de afstandbediening om alarm in AUTO Localiseren status te activeren, indien
Wij raden u aan de waarschuwingen en tips aandachtig te lezen die worden voorafgegaan door de symbolen:
F I A T B R A V O 603.81.708 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Bravo. Wij hebben dit boek samengesteld
F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R U C T I E B O E K
F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie.
Voertuig Controle Golf 7
Voertuig Controle Golf 7 Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door zodat je
H a n d e l i n g s a n a l y s e R i j s c h o o l T e a m D r i v e - w w w w. r i j s c h o o l t d. n l Pagina 1
H a n d e l i n g s a n a l y s e R i j s c h o o l T e a m D r i v e - w w w w. r i j s c h o o l t d. n l Pagina 1 HANDELINGSANALYSE CATEGORIE B Hierna vindt u de handelingsanalyse voor de auto, de rijprocedure
Handleiding: Rupsdumper zelfladende bak.
Handleiding: Rupsdumper zelfladende bak. Veiligheidsvoorzieningen De bestuurdersplaats bevindt zich aan de achterkant van de machine. De operator moet op de treeplank staan en zich stevig vasthouden aan
UW 206 IN EEN OOGOPSLAG
2 UW 206 IN EEN OOGOPSLAG UW 206 IN EEN OOGOPSLAG 3 1 Stuurwiel met airbag en claxon 2 Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers 3 Uitschakelen airbag aan passagierszijde* 4 Blokkeerschakelaar elektrisch
Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN
Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling
Handleiding. Tilly Light fietsendrager
Handleiding Tilly Light fietsendrager Versie 1, 2015 Tilly Light BV 2 inhoudsopgave Inhoudsopgave Onderdelen 5 Eerste gebruik 8 Op de auto plaatsen 12 Fietsen plaatsen 15 Rijden 20 Fietsen afnemen 21 Van
Handleiding afstandsbediening voor mobiele airconditioning
Handleiding afstandsbediening voor mobiele airconditioning Lees deze handleiding aandachtig door voor een veilig en correct gebruik van de mobiele airconditioner. Bewaar de handleiding zorgvuldig, zodat
Mauer GmbH Technologie voor beveiliging. Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard
Informatie over de bediening: Mauer GmbH Technologie voor beveiliging Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard Bedieningsinstructies Lees deze instructies aandachtig door voordat u het slot
Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards
Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleidingding Effectief en gebruiksvriendelijk Het in uw voertuig gemonteerde Cobra alarmsysteem biedt een simpele, maar uiterst effectieve en gebruiksvriendelijke
FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk
RCW Afstandsbediening
RCW Afstandsbediening Gebruikershandleiding - Nederlands MURCW 747 399569 Afstandsbediening. 1. Aan uit toets. 2. Selectie toets (koelen, verwarmen, automatisch koelen/verwarmen, ontvochtigen, ventileren).
Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C)
COUPÉ EVO DASHBOARD Brandstofmeter met reserveaanduiding Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) Chroomlook ringen instrumentenpaneel ControlelampjesRichtingaanwijzer links en rechts, mistlampen
Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS
Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS Gefeliciteerd! U heeft gekozen voor een fiets met elektrische ondersteuning, de E-bike. Uw E-bike zal u door zijn elektrische ondersteuning
Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5
Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5 Inhoud verpakking: Alarmunit Sirene Handzender ( 2 stuks) Kabels incl. zekeringen Zoekfunctie Stil alarm Startblokkering Paniek functie Anti carjacking Aansturing
Handleiding: minigraafkraan 1000 KG Kubota U10-3
Handleiding: minigraafkraan 1000 KG Kubota U10-3 Bediening 1 Contactslot 2 Urenteller 3 Waarschuwingslampje 4 Claxonschakelaar 5 Schakelaar werklamp 1 Gashendel 2 Rijhendel (links) 3 Rijhendel (rechts)
UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!
UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie.
