Het online-instructieboekje

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Het online-instructieboekje"

Transcriptie

1

2 Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u rechtstreeks contact opnemen met het merk. Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie. Deze informatie is gemakkelijk te herkennen aan de paginamarkering die wordt weergegeven met dit pictogram: Als de rubriek "MyCitroën" niet beschikbaar is op de website van Citroën voor uw land, kunt u uw instructieboekje op het volgende internetadres raadplegen: Selecteer: de link "Boorddocumentatie" op de startpagina (u hoeft zich niet aan te melden), de taal, het model van uw auto en de carrosserie-uitvoering, de uitgifteperiode van uw instructieboekje die overeenkomt met de datum van deel 1A van het kentekenbewijs van uw auto. U kunt hier online uw instructieboekje bekijken en hebt toegang tot de meest recente gegevens via het pictogram:

3 Wij maken u attent op het volgende: Uw auto is, afhankelijk van het uitrustingsniveau, de uitvoering en de specifi eke kenmerken voor het land waarvoor uw auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien. Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Citroën voorkomen, kan storingen in het elektronisch systeem van uw auto veroorzaken. Wij verzoeken u hier rekening mee te houden en contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk CITROËN om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en accessoires voorzien van een artikelnummer. Neem voor alle werkzaamheden aan uw auto contact op met een gekwalificeerde werkplaats die beschikt over de juiste technische informatie, vakkennis en apparatuur. Het CITROËN-netwerk is in staat u dit te bieden. CITROËN beschikt wereldwijd een uitgebreid gamma modellen. Modellen die worden gekenmerkt een geraffineerde mix van hoogwaardige techniek en constante innovatie, evenals een moderne en creatieve van het begrip mobiliteit. Wij danken u voor uw keuze en wensen u veel plezier met uw auto. Achter het stuur van uw nieuwe geniet u als u elke uitrusting, elke schakelaar en elke instelling kent. Goede Reis.

4 2 Inhoud 1. IN EEN OOGOPSLAG VOORDAT u GAAT RIJDEN ERGONOMIE en COMFORT VEILIGHEID Presentatie 4 Buitenzijde 6 Cockpit 8 Middenconsole 9 Comfort 10 Zicht 11 Rijden 12 Interieur 13 Voorzieningen achterin 14 Kinderen in de auto 15 Ventilatie 16 Eco-rijden 17 Sleutel 19 Portieren 22 Achterklep 24 Dakklep 27 Centrale vergrendeling 28 Instrumentenpaneel 29 Tijd instellen 30 Verklikkerlampjes 31 Brandstofniveaumeter 37 Koelvloeistof 37 Detectiesysteem te lage bandenspanning 38 Onderhoudsindicator 39 Dimmer dashboardverlichting 40 Versnellingsbak 41 Schakelindicator 41 EGS 6-versnellingsbak 42 Stuurwiel verstellen 44 Stop & Start 45 Starten en stoppen 48 Wegrijden op een helling 49 Lichtschakelaar 50 Ruitenwisserschakelaar 53 Snelheidsregelaar 55 Snelheidsbegrenzer 58 Verwarming / Handbediende airconditioning 61 automatisch 63 Ontdooien en ontwasemen 65 Voorstoelen 67 Achterbank 69 Achterstoelen (5 zitplaatsen) 72 Achterstoelen (7 zitplaatsen) 75 Flexibel interieur 82 Indeling 84 Modutop dak 88 Allesdrager 93 Plafonniers 94 Bagagescherm (5 zitplaatsen) 95 Bagagescherm (7 zitplaatsen) 99 Spiegels 101 Elektrisch bedienbare ruiten 103 Alarmknipperlichten 104 Handrem 104 Parkeerhulp 105 ABS 107 Brake Assist System 107 ASR en ESC 108 "Grip control" 109 Veiligheidsgordels 111 Airbags 114 Uitschakeling passagiersairbag 117 Kinderzitjes 118 Aanbevolen kinderzitjes 122 Bevestiging 123 ISOFIX-kinderzitjes 126 Kinderbeveiliging 127

5 3 Inhoud 5. ACCESSOIRES SNEL WEER OP WEG TECHNOLOGIE aan BOORD 10. WEGWIJZER Trekken van een aanhanger 129 Overige accessoires ONDERHOUD Motorkap openen 134 Benzinemotor 135 Dieselmotor 136 Niveaus 137 Controles 139 Brandstof 141 Brandstoftoevoer uitgeschakeld 142 Handopvoerpomp diesel 142 Accu 143 Bandenreparatieset 145 Wiel verwisselen 146 Afneembaar sneeuwscherm 150 Sneeuwkettingen 151 Lampen vervangen 152 Zekeringen 157 Wisserbladen vervangen 161 Slepen van de auto TECHNISCHE GEGEVENS Afmetingen 164 Gewichten 168 Identificatiegegevens 169 Urgence-oproep of Assistance-oproep 9.1 emyway 9.3 Autoradio 9.63 In de rubriek "Technologie aan boordi" maakt u kennis met de nieuwe radio- en navigatiesystemen. Exterieur 171 Bestuurdersplaats 172 Interieur 174 Technische gegevens - Onderhoud 175 De rubriek "Wegwijzer" biedt u de mogelijkheid om de schakelaars, functies en desbetreffende paginanummers terug te vinden op de schematische afbeeldingen van de auto (visuele index). INHOUDSOPGAVE

6 4 PRESENTATIE Dit instructieboekje is ontwikkeld om u in korte tijd vertrouwd te maken met alle functies van uw nieuwe auto. Het instructieboekje is verdeeld in 10 rubrieken met elk een eigen kleur. In de rubrieken komen alle mogelijke functies van de auto gerangschikt per thema aan bod. In rubriek 8 vindt u een overzicht van de technische gegevens van uw auto. De visuele index achter in dit instructieboekje verwijst u naar de bladzijden met meer informatie over de desbetreffende uitrusting en functies. Wij maken u attent op het volgende: Uw auto is, afhankelijk van het uitrustingsniveau, de uitvoering en de specifieke kenmerken voor het land waarvoor uw auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien. In de rubrieken kunt u de volgende symbolen aantreffen: dit symbool verwijst naar de rubriek en het gedeelte waar meer informatie over de desbetreffende functie is te vinden, dit symbool vraagt uw aandacht voor aanvullende informatie die u helpt de gebruiksmogelijkheden van uw auto optimaal te benutten, dit symbool geeft een waarschuwing met betrekking tot de veiligheid van de inzittenden en de voorzieningen aan boord.

7 5

8 Exterieur 6 2a 2b 6b 6a 2d 4 7b 2e 2c 4 7a

9 Exterieur Sleutel - Afstandsbediening Achterklep en achterruit Brandstoftankklep geopend 2a 19 2e 24 6b Schuifdeur Parkeerhulp Reservewiel en bandenreparatieset 2b a 145, 146 Achterdeuren "Grip control" Lampen vervangen 2c b 152 Dakklep Verklaring : verwijzing rubriek : verwijzing bladzijde 2d 27 Motorkap openen 6a 134 IN EEN OOGOPSLAG 1

10 8 Interieur COCKPIT 1. Schakelaar verlichting/ richtingaanwijzers. 2. Instrumentenpaneel met display. 3. Schakelaar ruitenwissers/ ruitensproeiers/boordcomputer. 4. Contact. 5. Bediening autoradio. 6. Bestuurdersairbag/claxon. 7. Hendel stuurwielverstelling. 8. Bediening snelheidsregelaar/- begrenzer. 9. Bedieningspaneel parkeerhulp/ koplampverstelling, ESC, Stop & Start. 10. Hendel motorkapontgrendeling. 11. Schakelaars elektrisch verstelbare buitenspiegels.

11 Interieur 9 MIDDENCONSOLE 1. Bedieningspaneel ruitbediening. 2. Bedieningspaneel alarmknipperlichten/centrale vergrendeling, kinderbeveiliging. 3. Aansteker. 4. Bediening verwarming/ventilatie. 5. Opbergvak. 6. Grip Control Autoradio. 8. Display. 9. Selectiehendel EGSversnellingsbak. 10. Urgence- of Assistance-oproep IN EEN OOGOPSLAG 1

12 Interieur COMFORT 10 Stuurwiel Hoogte- en diepteverstelling stuurwiel. Opbergvakken Het gereedschapsset bevindt zich onder de linker voorstoel. Bestuurdersstoel Verstelling in lengterichting. 2. Rugleuningverstelling. Autogordels Buitenspiegels 3. Hoogteverstelling zitgedeelte. 4. Hoogte- en hoekverstelling hoofdsteun. Hoogteverstelling. Vastmaken. 4 Handmatige verstelling. Elektrische verstelling

13 Interieur ZICHT 11 Lichtschakelaar Schakelaar ruitenwissers Lampen vervangen Verlichting uitgeschakeld. Parkeerlichten. Grootlicht (blauw). Dimlicht (groen). AUTO, automatische inschakeling verlichting. Functie snelweg: door middel van één beweging omhoog of omlaag knipperen de richtingaanwijzers aan de desbetreffende zijde driemaal hoge snelheid. 1 normale snelheid. I interval. 0 uit. één keer wissen. AUTO, duw de schakelaar één keer naar beneden. Als het contact langer dan een minuut uitgeschakeld is geweest, dient de functie opnieuw ingeschakeld te worden Service-stand van de ruitenwissers voor Wanneer binnen een minuut na afzetten van het contact de ruitenwissers worden bediend, komen deze langs de voorruitstijlen te staan. 54, Let er bij slechte of winterse weersomstandigheden op dat de verlichtingsunits niet worden bedekt door modder of sneeuw IN EEN OOGOPSLAG 1

14 Interieur RIJDEN 12 Hill Start Assist Snelheidsregelaar De snelheid van de auto moet hoger zijn dan 40 km/h en minimaal de 4e versnelling moet ingeschakeld zijn Als u het rempedaal loslaat, hebt u ongeveer 2 seconden de tijd om weg te rijden, zonder dat de auto achteruitrolt of u de handrem hoeft te gebruiken Autoradio 9 Urgence- en Assistance-oproep Via deze on-board functie kunt u een noodhulpoproep of een pechhulpoproep laten uitgaan naar de helpdesk van CITROËN. Snelheidsbegrenzer De te programmeren snelheid van de auto moet hoger zijn dan 30 km/h Grip control ESC (normale stand). Zand. Sneeuw. Modder. ESC OFF Rubriek 9

15 Interieur INTERIEUR 13 Voorzieningen vóór Modutop dak, parfumeur 3 84 Het multifunctionele dak verlengt de standaard dakconsole. De parfumeur werkt via de luchtroosters in de dakconsole. 3 88, 90 USB-speler Armsteun IN EEN OOGOPSLAG 9 Verwijder de armsteun of de extra uitneembare console om de passagiersstoel neer te kunnen klappen in de tafelstand

16 Interieur VOORZIENINGEN ACHTERIN 14 Achterstoelen, 5 zitplaatsen Bagagescherm, 5 zitplaatsen Maximale belasting Dakconsole: 5 kg. Modutop dak: - opbergvakken middelste gedeelte: 6 kg, - opbergruimte: 10 kg, - dakdragers in lengte- of breedterichting: 35 kg. Dwarsdragers: 75 kg. Achterstoelen, 7 zitplaatsen Bagagescherm, 7 zitplaatsen

17 Interieur KINDEREN IN DE AUTO 15 Kinderbeveiliging schuifdeur Spiegel naar achterpassagiers Kinderzitjes Antiklemvoorziening Uitschakelen airbag IN EEN OOGOPSLAG

18 Interieur VENTILATIE 16 Tips voor het instellen van de handbediende airconditioning Voor een optimale werking van het systeem is het raadzaam de volgende instellingen te gebruiken: Gewenste werking Luchtverdeling Temperatuur Luchtopbrengst Luchtrecirculatie A/C Verwarming Warm Koud Ontdooien Ontwasemen 3 65 Airconditioning 3 61 Bij de automatische airconditioning is het raadzaam de stand AUTO te gebruiken, ongeacht de gewenste werking. Schakel deze uit zodra de luchtkwaliteit in de auto naar wens is. Automatische airconditioning 3 63

19 Eco-rijden Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot van uw auto verminderen. 17 Maak optimaal gebruik van de versnellingsbak Kies voor een soepele rijstijl Als uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak, rijd dan rustig weg, schakel zo snel mogelijk de tweede versnelling in en schakel bij voorkeur relatief snel over naar een hogere versnelling. Volg de aanwijzingen van de schakelindicator (indien aanwezig) die op het instrumentenpaneel worden weergegeven. Als uw auto is voorzien van een automatische versnellingsbak of een elektronische gestuurde versnellingsbak, laat de selectiehendel dan in de stand Drive "D" of Auto "A" (afhankelijk van het type versnellingsbak) staan en trap het gaspedaal niet bruusk of diep in. Houd afstand van de auto's voor u, rem bij voorkeur af op de motor in plaats van het rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal geleidelijk in. Als u deze aanwijzingen naleeft, neemt het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot af en wordt de geluidsoverlast door het verkeer beperkt. Als het verkeer goed doorstroomt, gebruik dan vanaf een snelheid van ongeveer 40 km/h de snelheidsregelaar (indien aanwezig). Gebruik op slimme wijze de elektrische voorzieningen Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur in de auto hoog is opgelopen, open dan alle ruiten en de ventilatieroosters alvorens de airconditioning in te schakelen. Sluit vanaf een snelheid van 50 km/h de ruiten, maar laat de ventilatieroosters geopend. Gebruik de voorzieningen in het interieur die de temperatuurstijging kunnen beperken (blinderingspaneel van het panoramadak, zonneschermen, enz.). Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste temperatuur is bereikt (behalve bij auto's met een automatische airconditioning). Schakel de achterruitverwarming en de ontwaseming uit zodra deze niet meer nodig zijn als deze niet automatisch worden aangestuurd. Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit. Schakel de verlichting en de mistlampen uit als het zicht voldoende is. Laat de motor vooral 's winters na het starten niet stationair warmdraaien, maar rijd zo snel mogelijk weg: uw auto warmt sneller op als u rijdt. Sluit als passagier zo min mogelijk multimedia-apparatuur (DVDspeler, MP3-speler, spelcomputer, enz.) op de auto aan om het elektriciteitsverbruik, en dus het brandstofverbruik, te beperken. Koppel externe apparatuur los als u de auto verlaat. IN EEN OOGOPSLAG 1

20 18 Beperk de oorzaken van een hoger brandstofverbruik Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats de zwaarste voorwerpen in de bagageruimte, zo dicht mogelijk bij de achterbank. Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, imperiaal, fi etsendrager, aanhanger, enz.) van uw auto. Gebruik liever een dakkoffer. Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal. Houd u aan de onderhoudsvoorschriften Controleer regelmatig de bandenspanning (bij koude banden), houd u daarbij aan de bandenspanning die staat vermeld op de sticker op de portiersponning aan bestuurderszijde. Controleer de bandenspanning met name: - voor een lange rit, - bij de wisseling van de seizoenen, - als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt. Vergeet niet de bandenspanning van het reservewiel en van de wielen van de aanhanger of de caravan te controleren. Laat bij het tanken het vulpistool niet meer dan drie keer afslaan; zo voorkomt u dat brandstof uit de tank stroomt. U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na 3000 km het gemiddelde brandstofverbruik zich stabiliseert. Vervang na de winter zo snel mogelijk de winterbanden door zomerbanden. Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie verversen, oliefilter en luchtfilter vervangen, enz.) en houd u daarbij aan het door de fabrikant voorgeschreven interval.

21 Toegang tot de auto 19 TOEGANG TOT DE AUTO SLEUTEL AFSTANDSBEDIENING Centrale ontgrendeling Supervergrendeling Met de sleutel kunt u de sloten van de auto vergrendelen en ontgrendelen, de tankdop openen en sluiten en de motor starten en afzetten. Druk op deze knop om uw auto te ontgrendelen. Dit wordt bevestigd door het twee keer knipperen van de richtingaanwijzers. Centrale vergrendeling Druk op deze knop om uw auto te vergrendelen. Dit wordt bevestigd door het één keer knipperen van de richtingaanwijzers. Als één van de portieren of deuren is geopend of niet goed is gesloten, werkt de centrale vergrendeling niet. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN Door binnen vijf seconden na het inschakelen van de vergrendeling nogmaals op het gesloten hangslot te drukken wordt de supervergrendeling ingeschakeld. Dit wordt bevestigd door het gedurende ongeveer twee seconden branden van de richtingaanwijzers. De supervergrendeling blokkeert het van binnenuit en van buitenaf openen van de portieren. Laat daarom niemand in de auto achter als de supervergrendeling is ingeschakeld. Als de supervergrendeling van binnenuit is ingeschakeld met de afstandsbediening, wordt zodra de auto wordt gestart de normale vergrendeling weer ingeschakeld.

22 Toegang tot de auto 20 Uitklappen / inklappen van de sleutel Druk op deze knop om de sleutel uit te klappen. Druk om de sleutel in te klappen op deze verchroomde knop en duw de sleutel in de houder. Wanneer u bij het inklappen niet op de knop drukt, kan het mechanisme beschadigd raken. Gebruiksvoorschrift Houd de afstandsbediening vrij van vet, stof en vocht. Een zwaar voorwerp dat aan de sleutel hangt terwijl deze in het contactslot zit (sleutelhanger,...), kan storingen veroorzaken. AFSTANDSBEDIENING Batterij vervangen Batterij: CR 1620 / 3 V Als de batterij leeg is, verschijnt een melding op het display in combinatie met een geluidssignaal. Wip dan het huis met een muntstuk bij het oog los om bij de batterij te komen. Als de afstandsbediening na het vervangen van de batterij niet werkt, moet deze opnieuw gesynchroniseerd worden. Als de batterij niet wordt vervangen door een batterij van hetzelfde type, kan de afstandsbediening defect raken. Gebruik uitsluitend batterijen van hetzelfde type als de oorspronkelijke batterijen of de door het CITROËNnetwerk voorgeschreven batterijen. Gooi de batterij van de afstandsbediening niet weg: de batterij bevat metalen die schadelijk zijn voor het milieu. Lever de batterij in bij het CITROËNnetwerk of een speciaal verzamelpunt. Synchroniseren van de afstandsbediening Na het vervangen van de batterij of het losnemen van de accukabels kan het zijn dat de afstandsbediening gesynchroniseerd moet worden. Wacht ten minste 1 minuut voordat u de afstandsbediening gebruikt. Steek de sleutel in het contactslot met de knoppen (hangslot) van de afstandsbediening naar u toe. Zet het contact aan. Druk binnen 10 seconden op de vergrendelknop (gesloten hangslot) en houd deze ten minste 5 seconden ingedrukt. Zet het contact af. Wacht ten minste 1 minuut voordat u de afstandsbediening gebruikt. De afstandsbediening werkt nu weer.

23 Toegang tot de auto ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING Alle sleutels zijn voorzien van een chip voor de elektronische startblokkering. Dit systeem blokkeert het brandstofsysteem van de motor en wordt automatisch ingeschakeld zodra de sleutel uit het contact wordt verwijderd. Bij het aanzetten van het contact moet de code van de sleutel worden herkend door de startblokkering. De sleutelbaard moet volledig worden uitgeklapt om een goede communicatie van de startblokkering mogelijk te maken. Bij verlies van uw sleutels Neem het kentekenbewijs van uw auto en een geldig identiteitsbewijs mee naar een servicepunt van het CITROËN-netwerk. Het CITROËN-netwerk kan de sleutel- en transpondercode achterhalen om nieuwe sleutels te bestellen. Gebruiksvoorschrift Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering. Speel niet met de knop van de afstandsbediening, om te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden. Als zich in de buurt van de afstandsbediening andere apparaten bevinden die in hetzelfde frequentiegebied werken (mobiele telefoons, alarmsystemen van gebouwen), kan de werking van de afstandsbediening tijdelijk verstoord worden. De afstandsbediening werkt niet als de sleutel zich in het contact bevindt, ook al is het contact afgezet. Let er bij het aanschaffen van een tweedehands auto op dat: - uw sleutels door het CITROËNnetwerk in het elektronische geheugen worden opgeslagen, zodat u er zeker van kunt zijn dat de in uw bezit zijnde sleutels de enige zijn waarmee de auto kan worden gestart. Als u de auto verlaat, controleer dan of de verlichting uitgeschakeld is en laat geen waardevolle voorwerpen in het zicht achter. Haal uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, ook al is dit voor een korte tijd. 21 2VOORDAT u GAAT RIJDEN

24 Toegang tot de auto 22 VOORPORTIEREN Van buitenaf Gebruik de afstandsbediening om de auto te vergrendelen/ontgrendelen. Steek de sleutelbaard in het slot van het bestuurdersportier als de afstandsbediening niet werkt. Van binnenuit Gebruik de portiergreep om het desbetreffende portier te ontgrendelen en te openen. SCHUIFDEUREN Van buitenaf Trek de handgreep naar u toe en vervolgens naar achteren en schuif de schuifdeur tot voorbij het zware punt naar achteren om de deur open te houden. Een mechanisch systeem voorkomt dat de linker schuifdeur kan worden geopend als de brandstofvulklep is geopend.

25 Toegang tot de auto 23 Uit te voeren handeling bij een lege accu Van binnenuit Ontgrendel de schuifdeur met deze handgreep en schuif de deur naar achteren open tot het zware punt. Open de schuifdeur tot voorbij het zware punt om hem open te houden. Sluit de schuifdeur met behulp van de handgreep om hem voorbij het zware punt te schuiven. Maak vervolgens gebruik van de uitsparing aan de bovenzijde van de portierstijl om de schuifdeur in de vergrendeling te trekken. Beweeg de schuifdeur niet met behulp van het handvat. Gebruiksvoorschrift Controleer of de rail op de vloer vrij is van voorwerpen die het openen of sluiten van de schuifdeur in de weg kunnen staan. Houd als de auto op een helling staat de schuifdeur vast bij het open- en dichtschuiven. Anders kan de schuifdeur sneller open- of dichtgaan dan de bedoeling is en letsel veroorzaken. Ga om veiligheidsredenen en om storingen te voorkomen niet rijden met geopende schuifdeuren. Voorportier passagierszijde en zijdeuren Gebruik het slot om de portieren mechanisch te vergrendelen in geval van een storing in de accu of de centrale vergrendeling. Trek aan de portiergreep aan de binnenzijde om het portier te openen en uit te stappen. Steek, om het portier te vergrendelen, de sleutel in het slot in de zijkant van het portier en draai de sleutel een achtste omwenteling. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN Bestuurdersportier Steek de sleutel in het slot en draai deze rechtsom om het portier te vergrendelen en linksom om het portier te ontgrendelen.

26 Toegang tot de auto 24 ACHTERKLEP (volgens uitvoering) Van buitenaf De achterklep kan worden vergrendeld en ontgrendeld met de afstandsbediening. Druk om de achterklep te openen op de knop onder de sierlijst en trek de klep open. U kunt gebruik maken van een lus om de geopende achterklep te sluiten. Trek de achterklep omlaag tot aan het evenwichtspunt en duw de achterklep vervolgens volledig dicht. Van binnenuit Noodbediening Hiermee kan bij een eventuele storing in de centrale vergrendeling de achterklep van binnenuit ontgrendeld worden. Steek een kleine schroevendraaier in de opening tussen de achterklep en de vloer. Verplaats de nok naar links om het slot te ontgrendelen en duw de klep vervolgens open. Ruit van de achterklep De ruit van de achterklep kunt u openen, zodat u het achtercompartiment rechtstreeks kunt bereiken zonder dat u de klep hoeft te openen. Openen Druk nadat u de auto met de afstandsbediening of de sleutel hebt ontgrendeld op de knop en til de achterruit op om hem te openen. Sluiten Sluit de achterruit door op het midden van de ruit te drukken totdat deze volledig gesloten is. De achterklep en de ruit van de klep kunnen niet gelijktijdig worden geopend. De ruit zou anders beschadigd kunnen raken.

27 Toegang tot de auto 25 ACHTERDEUREN De twee achterdeuren zijn asymmetrisch (2/3-1/3), met de kleine deur rechts. Ze zijn voorzien van een centraal slot. Van buitenaf Trek om de achterdeuren te openen de handgreep naar u toe. Trek aan de hendel om de rechterdeur te openen. Sluit om de achterdeuren te sluiten eerst de rechterdeur en vervolgens de linkerdeur. Bij uitvoeringen met achterklep is de achterbumper versterkt en kan deze als opstap worden gebruikt. Praktische informatie 2VOORDAT u GAAT RIJDEN Bij het vervoer van lange voorwerpen kan met de rechter achterdeur geopend worden gereden. De linker achterdeur wordt gesloten gehouden door de duidelijk zichtbare gele vergrendeling in de deurstijl. Deze gesloten deur mag niet worden gebruikt om lading op zijn plaats te houden. Rijd alleen met een geopende deur als het niet anders kan. Respecteer de wettelijke veiligheidsvoorschriften om medeweggebruikers op de uítstekende belading te attenderen.

28 Toegang tot de auto 26 Bij het parkeren van de auto met de achterdeuren 90 geopend, bedekken de deuren de achterlichten. Gebruik een gevarendriehoek of een andere signalering die door de regelgeving en wetten van uw land voorgeschreven is om andere weggebruikers, die in dezelfde richting rijden en niet opmerken dat u stilstaat, te waarschuwen. Openen tot ongeveer 180 De deurvangers maken het mogelijk de achterdeuren met een hoek van ongeveer 90 tot 180 te openen. Trek als de deur is geopend aan de gele hendel. Bij het sluiten van de deur komt de deurvanger automatisch in zijn oorspronkelijke stand terug. Van binnenuit Trek de handgreep naar u toe om de linkerdeur te openen.

29 Toegang tot de auto 27 DAKKLEP Deze dakklep achter is alleen mogelijk bij uitvoeringen met achterdeuren. Openen van de dakklep: - til het zwarte hendeltje van de kap omhoog, - duw de dakklep voorzichtig naar beneden en maak de haak los, - trek de dakklep omhoog, - open de dakklep tot voorbij het zware punt om hem te blokkeren met de steunen. Ga nooit rijden als de steunen niet geplaatst zijn. Sluiten van de dakklep: - controleer of de steunstang goed is vergrendeld, - laat de dakklep zakken, - pak, terwijl u de dakklep naar beneden duwt, de twee ringen van de veer vast en zet de haak op zijn plaats, - laat het zwarte hendeltje zakken om de dakklep te vergrendelen. Door de dakklep te vergrendelen, wordt deze goed op het rubber geplaatst waardoor een juiste afdichting, zonder bijgeluiden, is gegarandeerd. Steunstang U heeft de beschikking over een steunstang voor het vervoer van lange stukken na het openen van de dakklep. Klap de steunstang neer door de hendel omhoog te zetten. Breng het uiteinde van de stang naar de achterdeursponning. Houd de te vervoeren lange voorwerpen met één hand vast, til ze op en zet met de andere hand de steunstang terug. Controleer of deze goed is vergrendeld door de handgreep naar beneden te duwen tot voorbij het zware punt en zet de lading stevig vast. De steunen opzij kunnen worden gebruikt als bevestigingspunten. Bevestig de belading nooit aan de dakklep. De achterbumpers zijn versterkt voor het gebruik als treeplank bij het instappen in de laadruimte. Ga nooit rijden als de steunstang niet op zijn plaats zit. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN De achterdeuren kunnen alleen worden vergrendeld als de steunstang is geplaatst. Let bij het rijden met geopende girafon op wegen met een beperkte doorrijhoogte. Laat geen belading tegen de achterdeuren rusten. Respecteer de wettelijke voorschriften om medeweggebruikers op de uítstekende belading te attenderen. Beperk het gebruik van de dakklep tot korte afstanden.

30 Toegang tot de auto 28 Anti-overvalsysteem Vergrendeling tijdens het rijden Dit systeem vergrendelt alle portieren zodra sneller wordt gereden dan ongeveer 10 km/h. U kunt dat horen aan het kenmerkende geluid van de centrale vergrendeling. Op het middenpaneel van het dashboard gaat het lampje van de schakelaar branden. Als vervolgens een van de portieren wordt geopend, worden alle portieren weer ontgrendeld. CENTRALE VERGRENDELING Activeren/deactiveren van de functie Druk één keer op de schakelaar om de complete auto te vergrendelen, als alle portieren zijn gesloten. Druk nogmaals op de schakelaar om de complete auto te ontgrendelen. De schakelaar werkt niet als de auto van buitenaf is vergrendeld met de afstandsbediening of met de sleutel in het portierslot. De portieren kunnen altijd van binnenuit worden geopend. Het lampje van de schakelaar: - knippert als de portieren zijn vergrendeld bij stilstaande auto en afgezette motor, - gaat branden als de portieren zijn vergrendeld en als het contact wordt aangezet. Het rijden met vergrendelde portieren kan bij een noodgeval de toegang tot de auto belemmeren. Houd bij aangezet contact deze knop lang ingedrukt om de functie te activeren of te deactiveren. Verklikkerlampje geopende portieren Controleer als dit lampje brandt of alle deuren van uw auto goed zijn gesloten.

31 Cockpit COCKPIT INSTRUMENTENPANEEL Klokken 1. Kilometer-/mijlenteller. 2. Display. 3. Brandstofniveaumeter, koelvloeistoftemperatuurmeter. 4. Toerenteller. 5. Nulstelling dagteller/ onderhoudsindicator. 6. Dimmer dashboardverlichting. Displays - Snelheidsbegrenzer/-regelaar. - Afgelegde afstand in km/mijl. - Onderhoudsindicator, motorolieniveaumeter, kilometer-/ mijlenteller. - Water in brandstoffilter. - Voorgloeien diesel. Displays De informatie die op het instrumentenpaneel wordt weergegeven hangt af van de uitrusting van de auto. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN

32 Cockpit 30 TIJD INSTELLEN Middenconsole zonder display Met de knop aan de linkerzijde kan het klokje worden ingesteld door de handelingen in onderstaande volgorde uit te voeren: - linksom draaien: de minuten knipperen, - rechtsom draaien: minuten verhogen (houd de knop naar rechts om de tijd in een sneller tempo in te stellen), - linksom draaien: de uren knipperen, Instrumentenpaneel zonder display - rechtsom draaien: uren verhogen (houd de knop naar rechts om de tijd in een sneller tempo in te stellen), - linksom draaien: tijdsaanduiding in 24H of 12H, - rechtsom draaien: 24H of 12H selecteren, - linksom draaien: ingestelde tijd bevestigen. Als er ongeveer 30 seconden geen handelingen worden uitgevoerd, verschijnt de huidige weergave. Middenconsole met display De tijdweergave is afhankelijk van de uitvoering. De toegang tot "Datum" is alleen actief als de datum geheel in letters wordt weergegeven (volgens uitvoering). Raadpleeg om de op het display weergegeven tijd en datum in te stellen in de rubriek 9 het gedeelte "Datum en tijd instellen".

33 Verklikkerlampjes Bij elke start gaat een aantal verklikkerlampjes branden ter controle. Deze lampjes gaan meteen weer uit. Als een verklikkerlampje bij draaiende motor blijft branden of gaat knipperen, wordt het een waarschuwing. Dit kan gebeuren in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Negeer deze waarschuwingen niet. Cockpit Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie STOP brandt, in combinatie met een ander verklikkerlampje en een melding op het display. ernstige storingen met betrekking tot de functies "Remvloeistofniveau", "Motoroliedruk en -temperatuur", "Koelvloeistoftemperatuur", "Elektronische remdrukregelaar", "Stuurbekrachtiging", "Bandenspanningscontrolesysteem". Stop onmiddellijk en zet het contact af. Laat de auto controleren door een gekwalificeerde werkplaats of het CITROËN -netwerk. Handrem / Remvloeistofniveau/ EBD Motoroliedruk en motorolietemperatuur brandt. brandt. blijft branden, ondanks correct niveau, in combinatie met het verklikkerlampje ABS. gaat branden tijdens het rijden. blijft branden, ondanks correct niveau. handrem aangetrokken of niet goed vrijgezet. een te laag vloeistofniveau. een storing in de elektronische remdrukregelaar (EBD). onvoldoende druk of te hoge temperatuur. een ernstige storing. Laat Zet de handrem vrij, het verklikkerlampje zal uitgaan. Vul de door CITROËN voorgeschreven remvloeistof bij. Stop onmiddellijk en zet het contact af. Laat de auto controleren door een gekwalificeerde werkplaats of het CITROËN- netwerk. Zet de auto stil, zet het contact af en laat de motorolie afkoelen. Controleer het motorolieniveau met de peilstok. Zie in rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". de auto controleren door het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN

34 Cockpit 32 Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie Koelvloeistoftemperatuur en -niveau brandt en wijzer in het rode gebied. knippert. een abnormale verhoging van de temperatuur. een te laag koelvloeistofniveau. Zet de auto stil, zet het contact af en laat de koelvloeistof afkoelen. Controleer visueel het niveau. Zie in de rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". Neem contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Service blijft kort branden. blijft branden. kleine storingen of waarschuwingen. ernstige storingen. Raadpleeg het "Logboek meldingen" op het display. Zie in rubriek 9 het gedeelte "Autoradio - Boordcomputer" (volgens uitvoering). Neem contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Veiligheidsgordel niet vastgemaakt ECO -modus brandt en gaat vervolgens knipperen. knippert in combinatie met een geluidssignaal en blijft vervolgens branden. brandt permanent. knippert enkele seconden en gaat vervolgens uit. de bestuurder heeft zijn veiligheidsgordel niet vastgemaakt. de bestuurder rijdt terwijl de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt. De functie Stop & Start heeft de motor in de STOPstand geplaatst, als gevolg van stlistaan van de auto (verkeerslichten, files, overig...). De STOP-stand is tijdelijk niet beschikbaar. of De START-stand is automatisch ingeschakeld. Doe de gordel om en steek de gesp in de gordelsluiting. Trek aan de gordel om de vergrendeling van de gesp te controleren. Zie in rubriek 4 het gedeelte "Veiligheidsgordels". Zodra u wilt wegrijden, gaat het lampje uit en wordt de motor direct in de START-stand geschakeld. Rubriek 2, deel "Stop & Start".

35 Cockpit Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie Airbag vóór / zij-airbag knippert of blijft branden. een defecte airbag. Laat het systeem onmiddellijk controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Zie in de rubriek 4 het gedeelte "Airbags". 33 Uitschakeling airbag vóór aan passagierszijde brandt. de airbag is handmatig uitgeschakeld en er is een kinderzitje geplaatst met de rug in de rijrichting. Zie in rubriek 4 het gedeelte "Airbags - kinderen aan boord". Laag brandstofniveau Emissieregeling EOBD Laden accu brandt en wijzer in het rode gebied. knippert. knippert of blijft branden. brandt. knippert. blijft branden ondanks controle. Als het lampje gaat branden zit er nog ongeveer 8 liter brandstof in de tank, afhankelijk van uw rijstijl en het type motor. onderbreking van de brandstoftoevoer ten gevolge van een ernstige aanrijding. storing in het systeem. een storing in het laadcircuit. het overgaan naar de waakfase van de actieve functies (eco-modus). een storing in een elektrisch circuit, de ontsteking of het brandstofsysteem. Vul de brandstoftank bij de eerstvolgende gelegenheid om te voorkomen dat u stil komt te staan. Het lampje gaat, elke keer als u het contact aanzet, branden totdat u de brandstoftank voldoende bijgevuld hebt. Inhoud brandstoftank: ongeveer 60 liter. Rijd de trank nooit helemaal leeg, dit zou tot storingen in de emissieregeling en/of het inspuitsysteem kunnen leiden. Herstel de brandstoftoevoer. Zie in rubriek 6 het gedeelte "Brandstof". De katalysator kan beschadigd raken. Laat de auto controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Controleer de accupolen. Zie in de rubriek 7 het gedeelte "Accu". Zie in rubriek 7 het gedeelte "Accu". Laat de auto controleren door het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN

36 Cockpit 34 Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie Stuurbekrachtiging brandt. een storing in het systeem. De conventionele werking van de stuurinrichting, zonder bekrachtiging, blijft behouden. Laat de auto controleren door het CITROËN-netwerk een gekwalificeerde werkplaats. Geopend portier brandt in combinatie met melding op het display. een niet goed gesloten portier. Controleer of alle portieren goed zijn gesloten. ABS ABS blijft branden. een storing in het antiblokkeersysteem. De conventionele werking van het remsysteem, zonder bekrachtiging, blijft behouden. Neem contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats" atelier qualifi é. knippert. een ingreep van de ASR of het ESC. Dit systeem verdeelt de aandrijfkracht optimaal over de wielen en verbetert zo de koersvastheid van de auto. Zie in de rubriek 4 het gedeelte "Veilig rijden". ESC blijft branden. een storing in het systeem. Bijv.: een te lage bandenspanning. Controleer de bandenspanning. Laat de auto controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. (Wielsensor, hydraulisch regelorgaan,...). blijft branden in combinatie met het verklikkerlampje van de knop (op het dashboard). dat het systeem is uitgeschakeld op verzoek van de bestuurder. Het systeem is uitgeschakeld en wordt automatisch weer ingeschakeld zodra de snelheid boven de 50 km/h komt of na het indrukken van de knop (op het dashboard).

37 Cockpit Verklikkerlampje status signaleert Oplossing - actie 35 Roetfilter brandt. een storing in het roetfilter (niveau dieseladditief, kans op verstopping,...). Laat het filter controleren bij het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Rubriek 6, onderdeel "Niveaus". Dimlicht / dagrijverlichting Grootlicht brandt. een handmatig geselecteerde stand of het automatisch inschakelen van de verlichting. het inschakelen van de verlichting zodra het contact wordt aangezet: dagrijverlichting (volgens land van bestemming). dat u de hendel naar u toe trekt. Draai de ring van de lichtschakelaar in de tweede stand. Zie in de rubriek 3 het gedeelte "Stuurkolomschakelaars". Trek de hendel naar u toe om over te schakelen naar dimlicht. Richtingaanwijzers Mistlampen vóór knippert in combinatie met geluidssignaal. brandt. Mistachterlichten brandt. het inschakelen van de richtingaanwijzers met de lichtschakelaar links van het stuurwiel. dat de functie handmatig is geselecteerd. dat de functie handmatig is geselecteerd. Rechts: beweeg de hendel omhoog. Links: beweeg de hendel omlaag. De mistlampen werken uitsluitend als het parkeerlicht of dimlicht is ingeschakeld. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN De mistachterlichten werken uitsluitend als het parkeerlicht of dimlicht is ingeschakeld. Schakel de mistachterlichten uit als het zicht meer dan 50 m bedraagt. Laat u ze branden, dan kunt u uw medeweggebruikers verblinden en loopt u het risico te worden bekeurd.

38 Cockpit 36 Pictogram op het display status signaleert Oplossing - actie Snelheidsregelaar brandt. dat de snelheidsregelaar is geselecteerd Handmatig selecteren. Zie in de rubriek 3 het gedeelte "Stuurkolomschakelaars". Snelheidsbegrenzer brandt. dat de snelheidsbegrenzer is geselecteerd. Handmatig selecteren. Zie in de rubriek 3 het gedeelte "Stuurkolomschakelaars". Opschakelindicator brandt. een advies waarbij geen rekening wordt gehouden met de omstandigheden van de weg of de verkeersdrukte. Om het brandstofverbruik te verlagen, schakelt u bij een handgeschakelde versnellingsbak op naar een hogere versnelling. De bestuurder is zelf verantwoordelijk voor het wel of niet opvolgen van deze aanwijzing. Voorgloeien dieselmotor brandt. dat voorgloeien van de dieselmotor noodzakelijk is (koude omstandigheden). Wacht tot het lampje uit is alvorens de motor te starten. Water in het brandstoffilter brandt in combinatie met melding op het display. de aanwezigheid van water in het brandstoffilter. Laat het filter onmiddellijk aftappen door het CITROËN-netwerk of eengekwalificeerde werkplaats. Zie in de rubriek 6 het gedeelte "Controles". Volgens land van bestemming. Onderhoudssleutel brandt. een bijna verstreken onderhoudsinterval. Zie het overzicht met controlepunten in het garantie- en onderhoudsboekje. Maak een afspraak voor een onderhoudscontrole bij het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

39 Cockpit BRANDSTOFNIVEAUMETER Het brandstofniveau wordt aangegeven zodra het contact wordt aangezet. De wijzer staat op: - 1: de brandstoftank is volledig gevuld (ongeveer 60 liter). - 0: de brandstoftank is bijna leeg, het verklikkerlampje blijft branden. Het lampje gaat branden op het moment dat er nog ongeveer 8 liter brandstof in de tank aanwezig is. Raadpleeg in de rubriek 6 het gedeelte "Brandstof". KOELVLOEISTOF- TEMPERATUUR De wijzer van de koelvloeistoftemperatuurmeter bevindt zich vóór het rode gebied: normale werking. Onder zware gebruiksomstandigheden of bij warm weer kan de wijzer in de buurt van het rode gebied komen. Als de wijzer in het rode gebied komt: Ga langzamer rijden of laat de motor stationair draaien. Als het lampje gaat branden: - stop onmiddellijk en zet het contact af. De koelventilator kan nog ongeveer 10 minuten blijven werken, - wacht tot de motor is afgekoeld om het koelvloeistofniveau te controleren en eventueel koelvloeistof bij te vullen. Het koelcircuit staat onder druk, neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht om brandwonden te voorkomen: - laat de motor nadat deze is afgezet minimaal een uur afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert, - draai de dop eerst een kwart omwenteling los om de druk te laten dalen. - controleer, als de druk eenmaal is gedaald, het niveau in het expansievat. - verwijder indien nodig de dop om koelvloeistof bij te vullen. Laat uw auto controleren door het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats als de wijzer in het rode gebied blijft staan. Raadpleeg in de rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". 37 2VOORDAT u GAAT RIJDEN

40 Cockpit 38 EMISSIEREGELING Te lage bandenspanning EOBD (European On Board Diagnosis) is een Europees diagnosesysteem dat de emissieregeling bewaakt en ervoor zorgt dat de auto voldoet aan de normen voor de uitstoot van: - CO (koolmonoxide), - HC (koolwaterstoffen), - NOx (stikstofoxide) of roetdeeltjes; de samenstelling van de uitstoot wordt gecontroleerd door de lambdasondes voor en achter de katalysator. In het geval van een storing in de emissieregeling wordt de bestuurder gewaarschuwd door het branden van dit specifieke verklikkerlampje op het instrumentenpaneel. De katalysator kan beschadigd raken. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. DETECTIESYSTEEM TE LAGE BANDENSPANNING Sensoren controleren continu de bandenspanning en zenden een waarschuwingssignaal uit als de bandenspanning te laag is, een band lek is of bij een storing van een sensor. Als er een probleem wordt gesignaleerd, wordt dit aangegeven door een afbeelding, een geluidssignaal en een melding op het display. Het controlelampje Service gaat branden. Bij een waarschuwing voor een te lage bandenspanning is de vervorming van een band niet altijd zichtbaar. Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning van alle banden. Lekke band Het controlelampje STOP gaat branden. Stop onmiddellijk, maar vermijd abrupte manoeuvres met het stuur en de remmen. Repareer de beschadigde band tijdelijk met behulp van de noodreparatieset of monteer het reservewiel. Vervang de beschadigde band en laat de bandenspanning zo snel mogelijk controleren. Zie in rubriek 7 het gedeelte "Wiel verwisselen". Als de beschadigde band vervangen wordt door een band zonder sensor (bijvoorbeeld het reservewiel), zal een melding worden uitgezonden, om aan te geven dat de spanning van deze band niet gecontroleerd kan worden en ook om u eraan te herinneren de beschadigde band met de sensor te laten repareren. Storing of sensor(en) niet gedetecteerd Het controlelampje Service gaat branden. Bij het vervangen van een wiel of bij een storing van een sensor wordt de spanning van de band niet meer gecontroleerd. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om de defecte sensor(en) te vervangen. Het vervangen van een band op een wiel dat met dit systeem is uitgerust moet worden uitgevoerd door het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Als u bij het vervangen van een band een wiel plaatst dat niet door uw auto gedetecteerd wordt (bijvoorbeeld: montage van winterbanden), moet u het systeem opnieuw laten initialiseren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Het detectiesysteem voor te lage bandenspanning is een hulpmiddel voor de bestuurder die desondanks waakzaam moet blijven en verantwoordelijk is. Gebruiksvoorschriften Ondanks dit systeem moet de bandenspanning nog regelmatig worden gecontroleerd (ook van het reservewiel) voor een optimale wegligging en een langere levensduur van de banden, zeker wanneer er vaak met zware belading en hoge snelheden wordt gereden. Neem de aanbevolen bandenspanning in acht om het brandstofverbruik van de auto te verlagen. Het systeem kan tijdelijk worden verstoord door radiogolven in hetzelfde frequentiegebied.

41 Cockpit ONDERHOUDSINDICATOR De onderhoudsindicator informeert de bestuurder over de afstand tot de volgende onderhoudscontrole, afhankelijk van het gebruik van de auto. Werking Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende enkele seconden het sleutelsymbool branden. De kilometerteller geeft de resterende kilometers (afgerond) tot de eerstvolgende onderhoudscontrole aan. Het onderhoudsinterval wordt berekend vanaf de laatste nulstelling van de onderhoudsindicator op basis van twee parameters: - het aantal afgelegde kilometers, - de verstreken tijd sinds de laatste onderhoudscontrole. Afhankelijk van de gebruiksgewoonten van de bestuurder kan de factor tijd worden meegewogen bij de nog af te leggen kilometers. De afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole is meer dan 1000 km Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole bedraagt 4800 km. Als het contact wordt aangezet geeft het display gedurende enkele seconden het volgende aan: Enkele seconden na het aanzetten van het contact geeft de teller eerst het oliepeil en vervolgens weer de normale kilometerstand en de stand van de dagteller aan. De afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole is minder dan 1000 km Elke keer dat het contact wordt aangezet knippert de sleutel en de resterende kilometers worden aangegeven: Enkele seconden na het aanzetten van het contact, wordt het oliepeil aangegeven, geeft de teller vervolgens weer de normale kilometerstand en de stand van de dagteller aan en blijft de sleutel branden. Dit om aan te geven dat er binnenkort onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden. De afstand tot de eerstvolgende onderhoudscontrole is overschreden Elke keer als het contact wordt aangezet, gaat de sleutel gedurende enkele seconden knipperen en geeft de teller het aantal kilometers aan dat er te veel gereden is. Bij draaiende motor blijft de sleutel branden totdat de onderhoudscontrole is uitgevoerd. 39 2VOORDAT u GAAT RIJDEN

42 Cockpit 40 Op 0 zetten Het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats zet de onderhoudsindicator na elke onderhoudscontrole weer op 0. Als u zelf de onderhoudscontrole van uw auto hebt uitgevoerd, kan de onderhoudsindicator op de volgende wijze op 0 gezet worden: - zet het contact af, - druk op de resetknop van de dagteller en houd deze ingedrukt, - zet het contact aan. De kilometerteller begint terug te tellen. Laat de knop los als de onderhoudsindicator "=0" aangeeft; de sleutel verdwijnt. Olieniveau correct Te weinig olie Als de aanduiding "OIL" knippert in combinatie met het verklikkerlampje service, een geluidssignaal en een melding op het display, is het motorolieniveau te laag, waardoor ernstige motorschade kan ontstaan. Controleer het olieniveau met de peilstok. Als blijkt dat het olieniveau te laag is, moet olie worden bijgevuld. Oliepeilstok A = maxi, het oliepeil mag nooit boven dit niveau uitkomen. Een te hoog oliepeil kan schade aan de motor veroorzaken. Raadpleeg in dat geval zo snel mogelijk het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats. B = mini, als het oliepeil niet boven dit niveau uitkomt, moet het voor de motor van uw auto voorgeschreven type motorolie worden bijgevuld via de vuldop. Nulstelling dagteller Als u na deze handeling de accu wilt loskoppelen, vergrendel dan de auto en wacht minimaal vijf minuten. Het resetten van de onderhoudsindicator zal anders niet worden opgeslagen. Motorolieniveaumeter Bij het aanzetten van het contact wordt eerst de onderhoudsindicator weergegeven en vervolgens gedurende enkele seconden het motorolieniveau. Storing motorolieniveaumeter Als de aanduiding "OIL--" knippert, duidt dit op een storing in de motorolieniveaumeter. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats Een controle van het olieniveau is alleen betrouwbaar als de auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en de motor minstens 30 minuten niet heeft gedraaid. Druk, terwijl het contact aan is, de knop in tot de nullen verschijnen. Dimmer dashboardverlichting Druk, tijdens het branden van de verlichting, op de knop om de sterkte van de dashboardverlichting te veranderen. Als de verlichting de zwakste (of felste) stand heeft bereikt, laat dan de knop los en druk deze vervolgens opnieuw in om de verlichting weer feller (of zwakker) te maken. Laat de knop los zodra de gewenste lichtsterkte is bereikt.

43 Versnellingsbak en stuurwiel 41 Schakelindicator VERSNELLINGSBAK Trap om soepel te kunnen schakelen het koppelingspedaal altijd volledig in. Om te voorkomen dat de werking van het pedaal wordt gehinderd: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en goed op de vloer bevestigd is, - leg nooit meerdere matten boven op elkaar. Laat tijdens het rijden uw hand niet op de versnellingspook rusten. Zelfs een lichte belasting op de pook kan na verloop van tijd slijtage aan de onderdelen in de versnellingsbak veroorzaken. Vijfversnellingsbak - achteruit Inschakelen van de 5 e versnelling. Duw de versnellingspook helemaal naar rechts om de 5e versnelling op de juiste manier in te schakelen. Inschakelen van de achteruitversnelling Wacht tot de auto volledig tot stilstand is gekomen, duw de versnellingspook naar rechts en vervolgens omlaag om de achteruitversnelling in te schakelen. Zet de pook met beleid in de achteruitversnelling om bijgeluiden te beperken. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN Dit systeem adviseert de bestuurder op te schakelen om het brandstofverbruik te verminderen. Bij een elektronisch gestuurde versnellingsbak is dit systeem uitsluitend actief in de handgeschakelde stand. Afhankelijk van de rijomstandigheden en de uitrusting van uw auto kan het systeem u adviseren één of meer versnellingen op te schakelen. U kunt deze aanwijzingen opvolgen zonder de tussenliggende versnellingen in te hoeven schakelen. Het is niet verplicht om de aanbevolen versnellingen ook daadwerkelijk in te schakelen. De keuze van de optimale versnelling hangt namelijk altijd af van de situatie op de weg, de verkeersdrukte en de veiligheid. De bestuurder blijft dan ook altijd zelf verantwoordelijk voor het al dan niet opvolgen van een schakeladvies van het systeem. Deze functie kan niet worden uitgeschakeld.

44 Versnellingsbak en stuurwiel 42 Als dit pictogram gaat branden wordt de bestuurder geadviseerd een hogere versnelling in te schakelen. Bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak kan behalve de pijl ook het nummer van de aanbevolen versnelling worden weergegeven. Het systeem past het schakeladvies aan de rijomstandigheden (helling, belading van de auto,...) en de rijstijl van de bestuurder (veel vermogen nodig, accelereren, remmen,...) aan. Het systeem zal nooit adviseren om de eerste versnelling of de achteruitversnelling in te schakelen, noch om terug te schakelen. EGS 6-versnellingsbak Selecteren van de stand - geautomatiseerde stand: selectiehendel in stand A. - handbediende stand: selectiehendel in stand M. Voor de veiligheid: De stand N kan alleen worden ingeschakeld bij ingetrapt rempedaal. Het verplaatsen van de selectiehendel van stand A (rijden in geautomatiseerde stand) naar stand M (rijden in handbediende stand) of omgekeerd is op elk moment mogelijk. Controlelampje A op het instrumentenpaneel dooft.

45 Versnellingsbak en stuurwiel Starten van de motor - Om de motor te kunnen starten moet de selectiehendel zich in stand N bevinden. - Trap het rempedaal krachtig in. - Bedien de startmotor. - Plaats bij een draaiende motor de selectiehendel in stand R, A of M. - Laat het rempedaal los en geef gas. Als de selectiehendel niet in stand N staat en/of het rempedaal niet is ingetrapt, kan de motor niet worden gestart. Herhaal de hierboven beschreven procedure. 43 Achteruitversnelling Inschakelen van de achteruitversnelling Plaats de selectiehendel in stand R. Schakel de achteruitversnelling pas in als de auto stilstaat. Neutraalstand Inschakelen van de neutraalstand Plaats de selectiehendel in stand N. Selecteer deze stand niet als de auto rijdt, zelfs niet voor een moment. Geautomatiseerde stand Inschakelen van de geautomatiseerde stand Plaats de selectiehendel in stand A. De versnellingsbak werkt nu in de geautomatiseerde stand, zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De versnellingsbak selecteert zelf de versnelling die het best past bij de volgende factoren: - rijstijl, - wegdek, - optimaal brandstofverbruik. Handbediende stand Inschakelen van de handbediende stand Plaats de selectiehendel in stand M. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN

46 Versnellingsbak en stuurwiel Schakelen Accelereren 44 Trek de flipper " + " naar u toe om op te schakelen. Trek de flipper " - " naar u toe om terug te schakelen. - Bij het stoppen van de auto of bij lage snelheden (naderen van een verkeerslicht bijvoorbeeld) schakelt de versnellingsbak automatisch terug tot in de 1 e versnelling. - U hoeft het gaspedaal tijdens het schakelen niet volledig los te laten. - Het schakelen is alleen mogelijk als het motortoerental dit toestaat. - In verband met de veiligheid kan het terugschakelen afhankelijk van het motortoerental automatisch plaatsvinden. Om optimaal te accelereren (bijvoorbeeld als u wilt inhalen) hoeft u slechts het gaspedaal voorbij de weerstand in te trappen. Stilstaande auto met draaiende motor Als de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat, schakelt de versnellingsbak automatisch neutraalstand N in. Afzetten van de motor Voordat u de motor afzet, moet u de selectiehendel in de stand N zetten: In alle gevallen moet echter altijd de handrem worden bediend. Controleer of het controlelampje voor de handrem op het instrumentenpaneel brandt. STUURWIEL VERSTELLEN Ontgrendel het stuurwiel, alleen bij stilstaande auto, door aan de hendel te trekken. Stel het stuurwiel in de gewenste stand en zet dan de hendel weer goed vast. Bij een EGS-versnellingsbak kan bij hoge motortoerentallen (felle acceleraties) een hogere versnelling uitsluitend handmatig door de bestuurder worden ingeschakeld. Controleer alvorens werkzaamheden in de motorruimte uit te voeren of de selectiehendel in de neutraalstand N staat.

47 Stop & Start STOP & START Het Stop & Start-systeem zet de motor tijdelijk af (STOP-stand) als u stopt (bij rood licht, opstoppingen enz.). De motor wordt automatisch gestart (START-stand) als u weer weg wilt rijden. Het starten gebeurt direct, snel en stil. Het Stop & Start-systeem zorgt voor een lager brandstofverbruik, minder uitstoot van schadelijke stoffen en een aangename rust in het interieur tijdens het wachten. Werking Motor in STOP-stand zetten Het controlelampje "ECO" op het instrumentenpaneel gaat branden en de motor komt in een standby-stand: - bij een handgeschakelde versnellingsbak, bij snelheden beneden 20 km/h, wanneer u de versnellingsbak in zijn vrij zet en u de koppeling loslaat, - bij een EGS 6-versnellingsbak, bij snelheden beneden 8 km/h, wanneer u op het rempedaal trapt of wanneer u de selectiehendel in stand N zet. Als uw auto is uitgerust met een teller, wordt de duur van de momenten dat de motor in de STOP-stand geschakeld wordt, opgeteld en weergegeven. Elke keer als u het contact opnieuw aanzet, wordt deze teller op 0 gezet. Is uw auto uitgerust met een EGSversnellingsbak en u parkeert uw auto, dan is - ten behoeve van uw eigen comfort - de STOP-stand de eerste seconden na het inschakelen van de achteruit niet beschikbaar. Als de STOP-stand geactiveerd is, blijven alle andere componenten zoals de remmen en de stuurbekrachtiging enz. normaal functioneren. Tank nooit als de motor door het Stop & Start-systeem is afgezet; zet in dat geval altijd het contact af en neem de sleutel uit het contactslot. Bijzonderheden: STOP-functie niet beschikbaar De STOP-functie wordt niet geactiveerd als: - het bestuurderportier geopend is, - de veiligheidsgordel van de bestuurder los is, - de auto sinds de laatste start met de sleutel niet harder dan 10 km/h heeft gereden, - de parkeerrem wordt/is aangetrokken, - de klimaatregeling in het interieur dat niet toelaat, - de ruitontwaseming is ingeschakeld, - bepaalde bijzondere omstandigheden (laadtoestand accu, motortemperatuur, rembekrachtiging, buitentemperatuur enz.) dat niet toelaten. In dat geval knippert de signalering "ECO" enkele seconden en gaat vervolgens uit. Dit is volkomen normaal. 45 2VOORDAT u GAAT RIJDEN

48 Stop & Start 46 Motor in START-stand zetten Het controlelampje "ECO" gaat uit en de motor wordt gestart: - bij een handgeschakelde versnellingsbak trapt u het koppelingspedaal helemaal in, - bij een EGS 6-versnellingsbak : met de selectiehendel in stand A of M, wanneer u het rempedaal loslaat. of met de selectiehendel in stand N en het rempedaal los, wanneer u de selectiehendel in stand A of M zet, of wanneer u de achteruitversnelling inschakelt. Bijzonderheden: automatisch activeren van de START-stand De START-functie wordt automatisch geactiveerd als: - u het bestuurderportier opent, - de veiligheidsgordel van de bestuurder los wordt gemaakt, - de snelheid van de auto hoger is dan 25 km/h bij een handgeschakelde versnellingsbak en hoger dan 11 km/h bij EGS 6-versnellingsbak, - de parkeerrem wordt aangetrokken, - bepaalde bijzondere omstandigheden (laadtoestand accu, motortemperatuur, rembekrachtiging, buitentemperatuur enz.) dit niet toelaten. In dat geval knippert het lampje "ECO" enkele seconden en gaat vervolgens uit. Uitschakelen U kunt deze functie op elk willekeurig moment uitschakelen door de schakelaar "ECO OFF" in te drukken. Het controlelampje in de schakelaar gaat branden en er verschijnt een bericht op het display. Als u het systeem met de motor in de STOP-stand uitschakelt, dan wordt de motor direct weer gestart. Dit is volkomen normaal. Als u bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak in de STOP-stand een versnelling inschakelt maar daarbij het koppelingspedaal niet helemaal intrapt, lgaat er een lampje branden of verschijnt er een bericht met het verzoek het koppelingspedaal helemaal in te trappen, omdat anders de motor niet gestart kan worden.

49 Stop & Start Opnieuw inschakelen Druk nogmaals op de schakelaar "ECO OFF". Het systeem is dan opnieuw actief; het controlelampje in de schakelaar gaat uit en er verschijnt een melding op het instrumentenpaneel. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld zodra u het contact weer aanzet. Storingen Bij een storing in het systeem gaat het controlelampje in de schakelaar "ECO OFF" eerst knipperen en brandt vervolgens permanent. Laat dit controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Als er in de STOP-stand een storing zou optreden, kan het zijn dat de motor niet meer wil aanslaan of direct afslaat. Zet in dat geval het contact af en start de auto met behulp van de sleutel. Onderhoud Schakel het Stop & Start-systeem altijd uit als u handelingen onder de motorkap wilt verrichten, om letsel door het automatisch activeren van de START-stand te voorkomen. Dit systeem heeft specifieke kenmerken en maakt gebruik van een speciale accu (raadpleeg voor meer informatie het CITROËN-netwerk) of een gekwalificeerde werkplaats. Het gebruik van een andere dan de door CITROËN voorgeschreven accu's kan leiden tot storingen in het systeem. 47 Het Stop & Start-systeem maakt gebruik van geavanceerde technologie. Laat eventuele werkzaamheden aan dit type accu uitsluitend uitvoeren door een officiële CITROËN-dealer of een gekwalificeerde werkplaats. 2VOORDAT u GAAT RIJDEN

50 Starten en stoppen Gebruiksvoorschrift: starten Verklikkerlampje geopend portier Controleer als dit lampje brandt of de portieren, achterdeuren, schuifdeuren en de motorkap goed zijn gesloten! STARTEN EN STOPPEN Stand "AAN" en "Accessoires". Verdraai terwijl u de contactsleutel omdraait het stuurwiel iets (zonder te forceren) om het stuurslot te ontgrendelen. In deze stand kunnen verschillende accessoires functioneren. Stand "Starten". De startmotor wordt in werking gezet. Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen. Stand STOP: stuurslot. Het contact is afgezet. Draai het stuurwiel tot het stuurslot wordt vergrendeld. Haal de sleutel uit het contact. Verklikkerlampje voorgloeien dieselmotor Als de motor voldoende op temperatuur is, gaat het lampje na minder dan 1 seconde uit en kunt u de motor direct starten. Wacht bij koud weer tot dit lampje uitgaat en zet vervolgens de startmotor in werking (stand "Starten") tot de motor aanslaat. Gebruiksvoorschrift: stoppen Ontzien van de motor en de versnellingsbak Laat de motor voordat u het contact afzet enkele seconden draaien om het toerental van de turbocompressor (dieselmotor) te laten dalen. Geef geen gas bij het afzetten van het contact. Het inschakelen van alleen een versnelling bij het parkeren van de auto is niet afdoende.

51 Starten en stoppen 49 HILL START ASSIST Deze aan het ESC gekoppelde functie vereenvoudigt het wegrijden op een helling. Het systeem en wordt geactiveerd onder de volgende omstandigheden: - de auto moet stilstaan met draaiende motor en het rempedaal ingetrapt, - de helling moet steiler zijn dan 5%, - bij het omhoog rijden op een helling moet de versnellingsbak in de neutraalstand staan of moet een versnelling zijn ingeschakeld, maar niet de achteruitversnelling, - bij het afdalen van een helling moet de achteruitversnelling zijn ingeschakeld. De Hill Holder of hulp bij het wegrijden op een helling is een voorziening om het rijcomfort te vergroten en kan niet gebruikt worden als elektrisch bediende handrem. Werking Als u het rempedaal en het koppelingspedaal hebt ingetrapt, hebt u zodra u het rempedaal loslaat ongeveer 2 seconden de tijd om, zonder dat de auto de helling af begint te rollen, gas te geven en weg te rijden. Bij het wegrijden wordt de functie automatisch gedeactiveerd door de remdruk geleidelijk te laten afnemen. Gedurende deze fase is het mogelijk dat de remmen hoorbaar zijn, het teken dat de auto in beweging komt. De Hill Holder wordt gedeactiveerd onder de volgende omstandigheden: - als u het koppelingspedaal laat opkomen, - als de handrem wordt aangetrokken, - als de motor wordt afgezet, - als de motor afslaat. Storing 2VOORDAT u GAAT RIJDEN In het geval van een storing in het systeem gaat dit verklikkerlampje branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding ter bevestiging op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten nakijken.

52 Stuurkolomschakelaars 50 Lichten uit Automatische verlichting Parkeerlichten Dimlicht (groen) Grootlicht (blauw) RICHTINGAANWIJZERS Knipperlichten Links : omlaag duwen tot voorbij het zware punt. Rechts : omhoog duwen tot voorbij het zware punt. Functie "snelweg" Duw de schakelaar één keer omhoog of omlaag om de richtingaanwijzer aan de desbetreffende zijde driemaal te laten knipperen. LICHTSCHAKELAAR Verlichting vóór en achter Draai de ring A om de verlichting in te schakelen. Zie in rubriek 2 het gedeelte "Cockpit" voor meer informatie over de verklikkerlampjes. Overschakelen van dim- naar grootlicht Trek de hendel helemaal naar u toe. Vergeten verlichting Wanneer u het contact afzet en de follow-me-home-verlichting is ingeschakeld, doven alle lichten behalve de dimlichten. U bedient de verlichting door de ring A in de stand "0" (verlichting uit) te zetten en vervolgens in de stand van uw keuze. Als de verlichting aanstaat en er een voorportier wordt geopend, klinkt er een geluidssignaal.

53 Stuurkolomschakelaars Als in de daarop volgende 30 minuten niet wordt ingegrepen, treedt de ecomodus in werking (zie rubriek 7, "accu"). om te voorkomen dat de accu leeg raakt. De functies komen dan in een standbystand en het acculampje knippert. De eco-modus wordt niet ingeschakeld voor de parkeerlichten. Mistlampen vóór/mistachterlicht Deze worden ingeschakeld door de ring B naar voren te draaien en uitgeschakeld door de ring naar achteren te draaien. Het branden van de mistlampen wordt aangegeven door een verklikkerlampje op het instrumentenpaneel. Deze branden in combinatie met parkeer- en dimlicht. Mistlampen vóór (groen, draai de ring 1 stand naar voren). Mistachterlichten (amberkleurig, draai de ring 2 standen naar voren). Draai de ring twee standen naar achteren om achtereenvolgens het mistachterlicht en de mistlampen vóór te doven. Bij helder of regenachtig weer, zowel overdag als 's nachts, is het mistachterlicht verblindend voor medeweggebruikers en daarom niet toegestaan. Vergeet niet de mistlampen uit te zetten zodra ze niet meer nodig zijn. De automatische verlichting schakelt het mistachterlicht uit, maar de mistlampen vóór blijven branden. LED-DAGRIJVERLICHTING Als de motor wordt gestart, wordt de dagrijverlichting automatisch ingeschakeld. Zodra de parkeerlichten of het dim- of grootlicht handmatig of automatisch wordt ingeschakeld, gaat de dagrijverlichting uit. Programmeren Voor landen waar het voeren van verlichting overdag niet wettelijk verplicht is, kunt u de functie in- of uitschakelen via het configuratiemenu. Automatisch inschakelen van de verlichting Het parkeerlicht en het dimlicht worden automatisch ingeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving onvoldoende is en als de ruitenwissers wissen. De verlichting wordt uitgeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is of het wissen is gestopt. Deze functie is niet mogelijk in combinatie met verlichting overdag. Bij mist of sneeuwval kan de lichtsensor voldoende licht waarnemen, waardoor de lichten niet automatisch zullen worden ingeschakeld. Schakel indien nodig het dimlicht handmatig in. Dek de lichtsensor, die zich achter de binnenspiegel op de voorruit bevindt, niet af. Deze sensor dient voor de regeling van de automatische verlichting en ruitenwissers. Inschakelen Draai de ring in de stand AUTO. Bij het inschakelen van de functie verschijnt een melding op het display. Uitschakelen Draai de ring naar voren of naar achteren. Bij het uitschakelen van de functie verschijnt een melding op het display. De functie wordt tijdelijk uitgeschakeld als de verlichting met de lichtschakelaar wordt bediend. 51 3ERGONOMIE en COMFORT

54 Stuurkolomschakelaars 52 Bij een storing in de lichtsensor gaat de verlichting branden en wordt het pictogram service weergegeven in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. Follow me home Deze functie zorgt ervoor dat bij afgezet contact de dimlichten even blijven branden om het uitstappen in het donker te vergemakkelijken. Handmatige bediening - Geef binnen 1 minuut na het afzetten van het contact een "lichtsignaal". De follow me home-verlichting wordt na een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld. Automatische werking Activeer de functie via het menu "Confi g auto". Raadpleeg in rubriek 9 het gedeelte "Menustructuur display". STATISCHE BOCHTVERLICHTING Tijdens het rijden met dim- of grootlicht wordt de mistlamp vóór ingeschakeld om de binnenkant van de bocht extra te verlichten bij snelheden tot 40 km/h (handig in de stad, op bochtige wegen, kruispunten, parkeergarages enz.). Statische bochtverlichting ingeschakeld De bochtverlichting wordt in de volgende gevallen ingeschakeld: - bij het inschakelen van een richtingaanwijzer, of - als het stuurwiel ver genoeg wordt verdraaid. Statische bochtverlichting werkt niet De verlichting werkt in de volgende gevallen niet: - bij een geringe stuuruitslag, - bij snelheden boven 40 km/h, - als de achteruit is ingeschakeld. Programmeren U kunt de statische bochtverlichting desgewenst uitschakelen via het configuratiemenu van de auto. Standaard is de statische bochtverlichting ingeschakeld. KOPLAMPVERSTELLING Afhankelijk van de belading van de auto kan het noodzakelijk zijn om de koplampen in hoogte te verstellen. 0 - Geen belading. 1 - Gedeeltelijke belading. 2 - Gemiddelde belading. 3 - Maximaal toegestane belading. Stand 0: basisinstelling. Reizen naar het buitenland Wanneer u uw auto gaat gebruiken in een land waarin het verkeer aan de andere kant van de weg rijdt, moet de afstelling van de dimlichten worden gewijzigd om te voorkomen dat tegemoetkomend verkeer wordt verblind. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

55 Stuurkolomschakelaars De ruitenwissers werken automatisch in de stand AUTO, waarbij de snelheid van de wissers aan de hoeveelheid neerslag wordt aangepast. De werking van de ruitenwissers in andere standen dan de stand AUTO komt overeen met die van de handbediende ruitenwissers. Inschakelen Duw de hendel omlaag. Bij het inschakelen van de automatische ruitenwissers verschijnt een melding op het display. Als het contact meer dan 1 minuut afgezet is geweest, moet de automatische werking van de ruitenwissers opnieuw worden geactiveerd door de schakelaar één keer omlaag te bewegen. 53 RUITENWISSERSCHAKELAAR Handbediende ruitenwissers vóór 2 Hoge snelheid (hevige neerslag). 1 Normale snelheid (matige regenval). I Interval. 0 Uit. Eén keer wissen (omlaag duwen). In de I ntervalstand wordt de snelheid van de wissers aangepast aan de rijsnelheid. Als het contact langer dan één minuut is afgezet terwijl de schakelaar in de stand 2, 1 of I stond, dient de schakelaar weer geactiveerd te worden: - zet de schakelaar in een willekeurige stand, - zet de schakelaar vervolgens in de gewenste stand. Automatische ruitenwissers Dek de regensensor, die zich achter de binnenspiegel op de voorruit bevindt, niet af. Deactiveren/Uitschakelen Zet de schakelaar in de stand I, 1 of 2. Als de functie wordt uitgeschakeld, verschijnt er een melding op het display. In het geval van een storing in de werking van de automatische ruitenwissers werken de ruitenwissers in de intervalstand. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten controleren. Zet het contact uit als de auto gewassen wordt in een wasstraat, om te voorkomen dat de automatische ruitenwissers worden ingeschakeld. Wacht 's winters met het inschakelen van het automatisch wissen tot de voorruit ontdooid is. 3ERGONOMIE en COMFORT

56 Stuurkolomschakelaars 54 Ruiten- en koplampsproeiers Trek de hendel naar u toe, de ruitensproeiers treden in werking in combinatie met het tijdelijk inschakelen van de ruitenwissers. De koplampsproeiers treden gelijktijdig met de ruitensproeiers in werking als de dimlichten zijn ingeschakeld. Raadpleeg voor het bijvullen van het reservoir in de rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". Onderhoudsstand ruitenwissers vóór Als de ruitenwisserschakelaar binnen één minuut nadat het contact is afgezet wordt bediend, bewegen de ruitenwissers naar de voorruitstijlen. Deze stand moet worden gebruikt voor 's winters parkeren en het vervangen of reinigen van de ruitenwisserbladen. Zie in de rubriek 7 het gedeelte "Ruitenwisserbladen vervangen". Zet het contact aan en bedien de ruitenwisserschakelaar om de ruitenwissers na de werkzaamheden weer in de ruststand te zetten. Ruitenwisser achter Draai de ring tot de eerste stand. Ruitensproeier achter Draai de ring voorbij de eerste stand, zodat de ruitensproeier in werking treedt en vervolgens de ruitenwisser enige tijd wordt ingeschakeld. Wacht 's winters, als de ruit met sneeuw of ijs bedekt is, met het inschakelen van de ruitenwisser achter. Zet eerst de achterruitverwarming aan, wacht tot de sneeuw of het ijs begint te smelten en veeg de ruitenwisser achter schoon. Zet dan pas de ruitenwisser achter aan.

57 Stuurkolomschakelaars Op het controledisplay wordt aangegeven of de functie is geselecteerd. Ook de ingestelde snelheid wordt hier weergegeven: 55 Functie geselecteerd, weergave van het symbool "Snelheidsregelaar". Functie uitgeschakeld, OFF (bijvoorbeeld bij 107 km/h). SNELHEIDSREGELAAR "CRUISE" Voor het instellen van de gewenste wagensnelheid. Met dit systeem kan de bestuurder - bij normaal doorstromend verkeer - met een constante, zelf ingestelde snelheid rijden, behalve op steile hellingen. Deze voorziening werkt alleen bij snelheden boven 40 km/h, vanaf de 4e versnelling. Functie ingeschakeld, (bijvoorbeeld bij 107 km/h). Wagensnelheid hoger dan ingestelde snelheid (118 km/h), de weergegeven ingestelde snelheid knippert. Storing in de werking van het systeem, OFF - de streepjes knipperen. 3ERGONOMIE en COMFORT

58 Stuurkolomschakelaars 56 Selecteren van de functie - Zet de draaiknop in de stand CRUISE. De snelheidsregelaar is geselecteerd, maar nog niet geactiveerd en er is nog geen snelheid ingesteld. Tijdelijk overschrijden van de ingestelde snelheid Het is mogelijk gas te geven en tijdelijk met een hogere snelheid dan de ingestelde snelheid te rijden. De ingestelde snelheid zal dan knipperen. Als het gaspedaal wordt losgelaten, wordt de ingestelde snelheid weer aangenomen. Opnieuw activeren - Druk na het onderbreken van de snelheidsregelaar op deze toets. De auto neemt de laatst ingestelde snelheid weer aan. U kunt ook de procedure "eerste keer activeren" herhalen. Eerste keer activeren/ instellen van een snelheid - Breng uw auto met het gaspedaal op de gewenste snelheid. - Druk op de toets SET- of SET+. De snelheid is nu in het geheugen opgeslagen/geactiveerd en deze snelheid wordt door de auto gehandhaafd. Uitschakelen (OFF) - Druk op deze toets of trap op het rem- of koppelingspedaal.

59 Stuurkolomschakelaars Gebruiksvoorschrift Ingestelde snelheid wijzigen De ingestelde snelheid kunt u op twee manieren verhogen: Zonder het gaspedaal: - druk op de toets Set +. Druk de toets kort in om de snelheid met 1 km/h te verhogen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verhogen. Met het gaspedaal: - trap het gaspedaal in tot de gewenste snelheid is bereikt, - druk op de toets Set + of Set -. Verlagen van de ingestelde snelheid: - druk op de toets Set -. Druk de toets kort in om de snelheid met 1 km/h te verlagen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verlagen. Uitschakelen van de functie - Draai de knop in de stand 0 of zet het contact af om het systeem volledig uit te schakelen. Ingestelde snelheid annuleren Als bij stilstaande auto het contact wordt afgezet, wordt de ingestelde snelheid uit het geheugen gewist. Storing De ingestelde snelheid wordt gewist en in plaats daarvan verschijnen drie streepjes op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten controleren. Let bij het wijzigen van de ingestelde snelheid door het ingedrukt houden van de toets goed op omdat de snelheid zeer snel kan worden verhoogd of verlaagd. Gebruik de snelheidsregelaar niet op gladde wegen of bij zeer druk verkeer. Bij een steile afdaling kan de snelheidsregelaar niet voorkomen dat de ingestelde snelheid wordt overschreden. Bij het gebruik van de snelheidsregelaar moet de bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in acht nemen, zijn aandacht op het verkeer blijven vestigen en zijn verantwoordelijkheid nemen. Houd uw voeten bij de pedalen. Om te voorkomen dat de werking van de pedalen wordt gehinderd: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en vast aan de bevestigingen op de vloer, - leg nooit meerdere matten boven op elkaar. 57 3ERGONOMIE en COMFORT

60 Stuurkolomschakelaars 58 Op het controledisplay wordt aangegeven of de functie is geselecteerd. Ook de ingestelde snelheid wordt hier weergegeven: Functie geselecteerd, weergave van het symbool "Snelheidsbegrenzer". Functie uitgeschakeld, laatst ingestelde snelheid - OFF (bijvoorbeeld bij 107 km/h). SNELHEIDSBEGRENZER "LIMIT" "Dit is de gekozen snelheid die de bestuurder niet wil overschrijden". Het instellen van de maximumsnelheid is mogelijk bij stilstaande auto met draaiende motor, of tijdens het rijden. De ingestelde snelheid dient minimaal 30 km/h te bedragen. De snelheid wordt verhoogd naarmate het gaspedaal dieper wordt ingetrapt tot aan het zware punt van het gaspedaal, waarbij de ingestelde snelheid is bereikt. Als het gaspedaal tot voorbij het zware punt wordt ingetrapt, wordt de ingestelde snelheid echter overschreden. Als het gaspedaal vervolgens geleidelijk weer wordt losgelaten en de wagensnelheid onder de ingestelde maximumsnelheid komt, wordt de snelheidsbegrenzer weer geactiveerd. Het systeem kan worden bediend bij stilstaande auto met draaiende motor, of tijdens het rijden. Functie ingeschakeld, (bijvoorbeeld bij 107 km/h). Wagensnelheid hoger dan de ingestelde snelheid (bijvoorbeeld 118 km/h), de weergegeven ingestelde snelheid knippert. Storing in de werking van het systeem, OFF - de streepjes knipperen.

61 Stuurkolomschakelaars 3en COMFORT 59 Selecteren van de functie - Draai de knop in de stand LIMIT. De begrenzer is dan geselecteerd, maar nog niet actief. Het display geeft de laatst ingestelde snelheid weer. Instellen van een snelheid Er kan, bij draaiende motor, een snelheid worden ingesteld zonder de begrenzer in te schakelen. Verhogen van de ingestelde snelheid: - druk op de toets Set +. Druk de toets kort in om de snelheid met 1 km/h te verhogen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verhogen. Verlagen van de ingestelde snelheid: - druk op de toets Set -. Druk de toets kort in om de snelheid met 1 km/h te verlagen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/h te verlagen. Inschakelen/uitschakelen (Off) Druk één keer op deze toets om de begrenzer in te schakelen. Druk nogmaals op de toets om de begrenzer uit te schakelen (OFF).

62 Stuurkolomschakelaars 60 Overschrijden van de ingestelde snelheid Als het gaspedaal geleidelijk dieper wordt ingetrapt, wordt de snelheid niet verhoogd. Als het gaspedaal echter met kracht wordt ingetrapt, tot voorbij het zware punt, wordt de begrenzer tijdelijk uitgeschakeld en knippert de ingestelde snelheid op het display. Laat om de begrenzer weer in te schakelen de snelheid zakken tot een snelheid lager dan de ingestelde snelheid. Knipperen van de snelheidsweergave De snelheid knippert: - als het gaspedaal tot voorbij het zware punt wordt ingetrapt, - als de begrenzer door het profiel van de weg of bij een steile afdaling niet kan voorkomen dat de ingestelde snelheid wordt overschreden, - tijdens snel accelereren. Uitschakelen van de functie - Draai de knop in de stand 0 of zet het contact af om het systeem uit te schakelen. De laatst ingestelde snelheid blijft in het geheugen opgeslagen. Storing De ingestelde snelheid wordt gewist en in plaats daarvan verschijnen drie streepjes op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten controleren. Gebruiksvoorschrift Bij het gebruik van de snelheidsbegrenzer moet de bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in acht nemen, zijn aandacht op het verkeer blijven vestigen en zijn verantwoordelijkheid nemen. Let op uw snelheid als deze door het profiel van de weg of door snel accelereren kan worden overschreden, zodat u optimaal de controle over uw auto kunt bewaren. Om te voorkomen dat de werking van de pedalen wordt gehinderd: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en op de vloer is bevestigd, - leg nooit meerdere matten boven op elkaar.

63 Ventilatie 61 VENTILATIE Bedieningspaneel verwarming Bedieningspaneel airconditioning Handmatige bediening: Luchtopbrengst Temperatuur Zet de knop in de gewenste stand: van blauw, toevoer van koude lucht, naar rood, toevoer van warme lucht. De kracht van de luchttoevoer via de uitstroomopeningen varieert van 1 tot 4. In de stand 0 is er geen luchttoevoer. Zet de knop in de gewenste stand voor een optimaal comfort. Luchtverdeling De bediening van de luchtverdeling wordt aangegeven door middel van de volgende pictogrammen: de zijventilatieroosters en middelste ventilatieroosters, de beenruimte, de voorruit en de beenruimte, de voorruit. 3ERGONOMIE en COMFORT De luchtverdeling kan worden gevarieerd door de knop in een tussenstand te zetten, aangegeven door " ".

64 Ventilatie Toevoer van buitenlucht Airconditioning A/C 62 Het lampje van de toets is uit. Gebruik deze stand zo veel mogelijk. Luchtrecirculatie in het interieur Het lampje van de toets brandt. Deze stand dient om de toevoer van buitenlucht bij stank en rookoverlast af te sluiten. Als deze stand gebruikt wordt en de aanjager (stand 1 t/m 4) is ingeschakeld, wordt de capaciteit van de verwarming (knop temperatuurregeling naar rood) of de airconditioning (knop temperatuurregeling naar blauw) sneller vergroot. Gebruik de luchtrecirculatie niet langer dan nodig is. Schakel zodra de omstandigheden dit toelaten de toevoer van buitenlucht weer in om de lucht in het interieur te verversen en het beslaan van de ruiten te voorkomen. Gebruik deze stand zo veel mogelijk. De airconditioning werkt uitsluitend bij draaiende motor. Druk op de toets om de airconditioning in te schakelen; het lampje gaat branden. Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen; het lampje gaat uit. De airconditioning werkt niet als de knop van de aanjager in de stand 0 staat.

65 Ventilatie Om bij koude motor de toevoer van koude lucht te beperken, wordt de luchtopbrengst geleidelijk op het optimale niveau gebracht. Voor uw comfort worden de instellingen tussen twee startmomenten opgeslagen. De automatische stand wordt uitgeschakeld zodra u de instellingen handmatig wijzigt (AUTO verdwijnt). 63 Ingestelde waarde bestuurders- of passagierszijde De op het display weergegeven waarde heeft betrekking op een bepaald comfortniveau en niet op de temperatuur in graden Celsius of Fahrenheit. BESTUURDER EN PASSAGIER Gebruiksvoorschrift Om het interieur maximaal te koelen of te verwarmen kan de temperatuur lager dan 15 worden ingesteld, door de knop naar links te draaien tot LO wordt weergegeven of hoger dan 27 worden ingesteld, door de knop naar rechts te draaien tot HI wordt weergegeven. Als de temperatuur in de auto bij het instappen veel lager of hoger is dan de ingestelde waarde, heeft het geen zin om voor het gewenste comfort de ingestelde waarde te wijzigen. Het systeem compenseert automatisch en zo snel mogelijk het temperatuurverschil. Automatische werking Automatisch programma "comfort" Dit is de normale gebruiksstand van de airconditioning. Druk op deze toets. Het symbool AUTO verschijnt. Afhankelijk van de gekozen instellingen regelt het systeem de luchtverdeling, de luchtopbrengst en de luchttoevoer om het comfort en de luchtcirculatie in het interieur optimaal te houden. U hoeft het systeem niet meer zelf bij te regelen. Draai deze knop naar links of naar rechts om de waarde te verlagen of te verhogen. Voor een optimaal comfort wordt de waarde 21 aanbevolen. Niettemin is afhankelijk van uw wensen een afstelling tussen 18 en 24 gebruikelijk. Zorg ervoor dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. 3ERGONOMIE en COMFORT

66 Ventilatie 64 Handmatig verstellen Al naar gelang uw wensen kunt u de automatische bediening van het systeem handmatig aanpassen. De overige functies worden automatisch geregeld. Bij het indrukken van de toets AUTO zal het systeem weer volledig automatisch functioneren. Regeling luchtverdeling Druk deze toets herhaalde malen in om de luchtstroom te verdelen naar: - de voorruit, - de voorruit en de beenruimte, - de beenruimte, - de linker, rechter en middelste ventilatieroosters en de beenruimte, - de linker, rechter en middelste ventilatieroosters. Regeling luchtopbrengst De luchtopbrengst kan vergroot of verkleind worden door respectievelijk de toets "kleine propeller" of "grote propeller" in te drukken. Het symbool van de luchtopbrengst op het display, de propeller, wordt afhankelijk van de ingestelde waarde geleidelijk voller. Uitschakelen van het systeem Druk op de toets "kleine propeller" van de luchtopbrengstregeling tot het symbool van de propeller van het display is verdwenen. Alle functies van de airconditioning worden dan uitgeschakeld, behalve de luchtrecirculatie en de achterruitverwarming (volgens uitvoering). De ingestelde waarde wordt niet meer geregeld en verdwijnt van het display. Toevoer van buitenlucht/ luchtrecirculatie Bij het indrukken van deze toets wordt de lucht in het interieur gerecirculeerd. Het symbool van de luchtrecirculatie wordt weergegeven. De luchtrecirculatie dient om de toevoer van buitenlucht bij stank en stofoverlast af te sluiten. Gebruik de luchtrecirculatie alleen als dit echt nodig is (om te voorkomen dat de ruiten beslaan en de luchtkwaliteit in het interieur achteruitgaat). Druk de toets zodra de luchtrecirculatie niet meer nodig is nogmaals in om de toevoer van buitenlucht te hervatten. Airconditioning AAN/UIT Druk op deze toets: het symbool A/C wordt weergegeven en de airconditioning wordt geactiveerd. Het is raadzaam om niet langdurig met uitgeschakelde airconditioning te rijden. Druk nogmaals op deze toets om de aircondioning uit te schakelen. Druk op de toets "grote propeller" of op de toets AUTO om het systeem weer met de laatst ingestelde waarden in te schakelen. De ventilatieopening in het dashboardkastje verspreidt koele lucht (als de airconditioning is ingeschakeld), onafhankelijk van de ingestelde temperatuur in het interieur en de buitentemperatuur.

67 Ventilatie 65 ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN Handbediening Zet de schakelaar van de luchtverdeling in deze stand. Zet de knop van de temperatuurregeling in deze stand. Zet de aanjager in de hoogste stand. Schakel de airconditioning in. Schakel zodra de omstandigheden dit toelaten de toevoer van buitenlucht weer in om de lucht in het interieur te verversen (lampje uit). 3ERGONOMIE en COMFORT Achterruitverwarming en/of verwarming buitenspiegels Druk bij draaiende motor op deze toets om de achterruitverwarming en/of de verwarming van de elektrisch verstelbare buitenspiegels in te schakelen. Deze functie wordt uitgeschakeld: - door op de toets te drukken, - door de motor af te zetten, - automatisch, om onnodig stroomverbruik te voorkomen.

68 Ventilatie GEBRUIKSVOORSCHRIFT Airconditioning 66 ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN Automatische stand: programma "zicht" Voor het snel ontwasemen of ontdooien van de ruiten (bij vocht, veel inzittenden, vorst) kan het programma "comfort" (AUTO) niet toereikend blijken. Kies dan het programma "zicht". Het verklikkerlampje van het programma "zicht" gaat branden. Het systeem schakelt de airconditioning in, regelt de luchtopbrengst en stuurt de optimale luchtstroom naar de voorruit en de zijruiten. De luchtrecirculatie wordt uitgeschakeld. Ventilatieroosters Houd de ventilatieroosters altijd geopend Voor een optimale verdeling van de lucht over het interieur hebt u de beschikking over 4 ventilatieroosters in het midden en opzij, die gekanteld en naar links of rechts en omhoog of omlaag gedraaid kunnen worden. Sluit de ventilatieroosters niet, maar richt de luchtstroom voor een optimaal comfort tijdens het rijden naar de zijruiten. Uitstroomopeningen in de beenruimte en bij de voorruit completeren het geheel. Dek de uitstroomopeningen bij de voorruit en de openingen van de luchttoevoer in de bagageruimte niet af. Stoffilter/geurfilter (actieve kool) Dit filter beperkt het binnendringen van stof en stank in het interieur. Zorg ervoor dat dit filter in goede staat verkeert en laat de filterelementen regelmatig vervangen. Zie in de rubriek 6 het gedeelte "Controles". Voor een doeltreffende werking van de airconditioning moeten de ruiten onder alle weersomstandigheden gesloten zijn. Als de auto echter langdurig in de zon heeft gestaan en de temperatuur in het interieur zeer hoog blijft, kunnen de ruiten wel even geopend worden om de ventilatie te bevorderen. Het is raadzaam de stand AUTO zo veel mogelijk te gebruiken: het systeem regelt de luchtopbrengst, de comforttemperatuur in het interieur, de luchtverdeling, de luchttoevoer of -recirculatie automatisch en optimaal. Laat de airconditioning minimaal één keer per maand 5 à 10 minuten functioneren om het systeem in perfecte staat te houden. Condensvorming in de airconditioning kan ertoe leiden dat er zich een klein plasje water onder de stilstaande auto vormt; dit is een normaal verschijnsel. Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en laat het systeem in dat geval door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats controleren.

69 Stoelen Verstelling in lengterichting Til de beugel op en schuif de stoel naar voren of naar achteren tot de gewenste stand is bereikt. 3 - Hoogteverstelling van de bestuurdersstoel Omhoog: trek de hendel omhoog en verlicht de druk op de stoel. Omlaag: trek de hendel omhoog en laat uw gewicht op de stoel rusten. VOORSTOELEN De volgende verstellingen zijn mogelijk: 3ERGONOMIE en COMFORT 2 - Rugleuningverstelling Trek de hendel naar voren en zet de rugleuning in de gewenste stand door met uw rug tegen de leuning te drukken.

70 Stoelen 68 Hoogteverstelling van de hoofdsteun Omhoog: schuif de hoofdsteun omhoog in verticale richting. Omlaag: druk de knop in en schuif de hoofdsteun omlaag in verticale richting. De hoofdsteun is correct afgesteld als de bovenzijde van het hoofd en de bovenzijde van de hoofdsteun zich op dezelfde hoogte bevinden. Verwijderen: druk op de knop en trek de hoofdsteun omhoog. Terugplaatsen: steek de stangen van de hoofdsteunen in de desbetreffende openingen, onder dezelfde hoek als de rugleuning. Verstelbare armsteun Omhoogklappen van de armsteun: beweeg de armsteun omhoog tot deze wordt vergrendeld. Klap de armsteun omlaag om hem in de gebruiksstand te zetten. Verwijderen: zet de armsteun in verticale positie, druk op de ontgrendelingsknop en verwijder de armsteun. Terugplaatsen: klik de armsteun vast in verticale positie. Om de passagiersstoel neer te kunnen klappen in de tafelstand, moet de extra console of de armsteun worden verwijderd. Schakelaars stoelverwarming vóór Elke voorstoel kan worden uitgerust met een schakelaar aan de zijkant van de zitting. Druk op de schakelaar om de stoelverwarming in te schakelen. Druk nogmaals op de schakelaar om de verwarming uit te schakelen. Rijd nooit zonder hoofdsteunen, deze dienen te zijn geplaatst en correct afgesteld.

71 Stoelen 69 ACHTERBANK De achterbank 1/3-2/3 is voorzien van hoofdsteunen. Elk deel 1/3-2/3 is neerklapbaar, en vervolgens los te verwijderen. Hoofdsteun 3ERGONOMIE en COMFORT Hoogste stand: optillen en omhoog trekken. Laagste stand: druk op de bovenkant om hem lager te zetten. Om hem te verwijderen, na hem omhoog te hebben gebracht, op de lip drukken en de hoofdsteun optillen. Om hem weer te plaatsen, de stangen van de hoofdsteun in de openingen plaatsen, loodrecht ten opzichte van de rugleuning

72 Stoelen 70 Neergeklapte stand Voorbeeld van handelingen voor het deel 1/3. Deze zijn identiek voor het deel 2/3. - Zet de hoofdsteunen in de laagste stand. - Schuif, indien nodig, de voorstoelen naar voren. - Druk de grijze knop aan de bovenzijde van de rugleuning in. - Klap de rugleuning op de zitting. - Til de grijze bedieningsstang aan de achterzijde van de zitting op. Terugplaatsen Kantel het geheel naar achteren tot in de vergrendeling. Zet de rugleuning rechtop. De vergrendeling van de stoel is correct als de knop (aan de bovenzijde van de rugleuning) niet meer zichtbaar is. Controleer de correcte vergrendeling op de vloer van de stoel als hij is teruggeklapt. - Kantel het geheel naar voren.

73 Stoelen Terugplaatsen van de achterbank - Plaats de achterbank (deel 1/3 en/ of 2/3) in verticale stand. - Plaats de haken tussen de twee stangen. - Klap de achterbank naar achteren. Om de achterbank (deel 1/3 en/of 2/3) terug te plaatsen in de stand "vervoer van passagiers", zie de vorige pagina bij "neergeklapte stand". 71 Verwijderen van de achterbank - Schuif, indien nodig, de voorstoelen naar voren. - Plaats de bank (deel 1/3 en/of 2/3) in neergeklapte stand. Zie de vorige pagina bij "neergeklapte stand". - Kantel het geheel ongeveer 45 naar achteren. - Til de achterbank in verticale stand tot de aanslag van de verankeringen. - Zet de bank weer rechtop door deze naar voren te kantelen en vervolgens op te tillen. 3ERGONOMIE en COMFORT

74 Stoelen 72 Hoofdsteun Omhoog: trek de hoofdsteun omhoog. Omlaag: duw de hoofdsteun omlaag. Trek de hoofdsteun volledig omhoog, druk op de borglip en til de hoofdsteun op om hem te verwijderen. Steek om de hoofdsteun terug te zetten de pennen recht in de openingen van de rugleuning. ACHTERSTOELEN (5 ZITPLAATSEN) De drie afzonderlijke achterstoelen zijn voorzien van kommavormige hoofdsteunen. Als de rugleuning van de middelste stoel op de zitting is geklapt, kan de achterzijde daarvan gebruikt worden als tafeltje met bekerhouder. Alle achterstoelen zijn afzonderlijk uitneembaar. Controleer na het rechtop zetten van de rugleuning of het terugzetten van een stoel of de stoel goed op de vloer is verankerd.

75 Stoelen Rechtop zetten van de rugleuning - Ontgrendel de rugleuning door aan de hendel te trekken en zet de rugleuning in de oorspronkelijke stand. Controleer nadat u de rugleuning rechtop hebt gezet of deze goed is vergrendeld. 73 Rugleuningverstelling Terugzetten van de stoel - Bedien de hendel om de rugleuning te verstellen. Rugleuning in de tafelstand zetten - Trek aan de hendel om de rugleuning op de zitting te klappen. Plaats geen harde of zware voorwerpen op de tafel. Deze kunnen bij een noodstop of een aanrijding veranderen in gevaarlijke projectielen. Stoel in de portefeuillestand zetten - Trek aan de hendel om de stoel in de tafelstand te zetten. - Trek de stang aan de achterzijde van de stoel omhoog om de achterste verankeringspunten los te maken. - Kantel de complete stoel naar voren tot hij wordt vergrendeld. - Duw op de rode hendel. - Kantel de stoel omlaag om de achterste verankeringspunten vast te zetten. - Trek aan de hendel om de rugleuning rechtop te zetten. Controleer of het geheel goed is verankerd. 3ERGONOMIE en COMFORT

76 Stoelen Gebruiksvoorschrift 74 Verwijderen van de stoel Terugzetten van de stoel Na de verschillende handelingen: - verwijder een hoofdsteun niet zonder deze op te bergen en aan een steun te bevestigen, - controleer of de veiligheidsgordels bereikbaar blijven en gemakkelijk door de passagier kunnen worden vastgemaakt, - ga niet rijden voordat alle passagiers hun veiligheidsgordel hebben vastgemaakt en afgesteld. - Schuif indien nodig de voorstoel naar voren en zet de hoofdsteun omlaag. - Zet de stoel in de neergeklapte stand. Raadpleeg het gedeelte "neergeklapte stand" op de vorige bladzijde. - Druk op de rode hendel om de voorste verankeringspunten los te maken. - Kantel het geheel ongeveer 45 naar achteren zonder de hendel los te laten. - Laat de hendel los. - Til de stoel in verticale stand tot de aanslag van de verankeringen. - Zet de stoel weer rechtop door hem naar voren te kantelen en vervolgens op te tillen. - Kantel de stoel 45 naar voren. - Plaats de haken tussen de twee stangen. - Kantel de stoel omlaag om de achterste verankeringspunten vast te zetten. - Trek aan de hendel om de rugleuning in de oorspronkelijke stand te zetten. - Zet de hoofdsteun omhoog. Controleer of er geen voorwerpen het vergrendelen van de stoelverankeringen verhinderen.

77 Stoelen 75 ACHTERSTOELEN (7 ZITPLAATSEN) De stoelen op de tweede en derde zitrij zijn afzonderlijk verstelbaar. Elke stoel is uitneembaar en heeft een vaste plaats in de auto, zoals aangegeven op de sticker. Hoofdsteunen 3ERGONOMIE en COMFORT De stoelen zijn voorzien van kommavormige hoofdsteunen. Omhoog: druk op de borglip en til de hoofdsteun op. Omlaag: druk op de borglip en duw de hoofdsteun omlaag. Trek de hoofdsteun volledig omhoog, druk op de borglip en til de hoofdsteun op om hem te verwijderen. Berg de hoofdsteun op in het interieur door hem aan de steun te bevestigen. Steek om de hoofdsteun terug te zetten de pennen recht in de openingen van de rugleuning.

78 Stoelen 76 Stoelen tweede zitrij Stoel links Stoel midden Stoel rechts Stoelen derde zitrij Stoel links Stoel rechts

79 Stoelen Rechtop zetten van de rugleuning - Ontgrendel de rugleuning door aan de hendel te trekken en zet de rugleuning in de oorspronkelijke stand. Controleer of de stoel goed verankerd is. 77 Flexibele indeling stoelen tweede zitrij Rugleuningverstelling - Bedien de hendel om de stand van de rugleuning te verstellen. Rugleuning in de tafelstand zetten - Duw de hoofdsteun volledig omlaag. - Bedien de hendel om de rugleuning op de zitting te klappen. Stoel in de portefeuillestand zetten - Zet de stoel in de portefeuillestand. - Trek aan de rode riem aan de achterzijde van de stoel om de steunen uit de verankerpunten op de vloer te verwijderen. - Kantel de stoel in zijn geheel naar voren. Terugzetten van de stoel - Kantel de stoel in zijn geheel naar achteren. Let voordat u de stoel terugklapt op het volgende: - de voeten van een passagier op de derde zitrij mogen zich niet op de verankeringspunten op de vloer bevinden, - de stoel moet goed zijn verankerd op de vloer, - de passagier moet de autogordel kunnen gebruiken. 3ERGONOMIE en COMFORT

80 Stoelen 78 Flexibele indeling stoelen derde zitrij Rugleuning in de tafelstand zetten - Duw de hoofdsteun volledig omlaag. - Bedien de hendel om de rugleuning op de zitting te klappen. Rechtop zetten van de rugleuning - Ontgrendel de rugleuning door aan de hendel te trekken en zet de rugleuning in de oorspronkelijke stand. Controleer of de stoel goed verankerd is. Stoel in de portefeuillestand zetten - Zet de stoel in de tafelstand. - Til de palinrichting met de rode riem aan de achterzijde van de stoel op om de steunen te verwijderen uit de verankeringspunten op de vloer. - Klap de stoel in zijn geheel naar voren. Terugzetten van de stoel - Duw op de rode hendel. - Klap de stoel in zijn geheel naar achteren. Let op het volgende: - de stoel moet goed zijn verankerd op de vloer, - de passagier moet de autogordel kunnen gebruiken.

81 Stoelen 79 Instappen en uitstappen vanaf de derde zitrij Instappen - Zet de stoel op de tweede zitrij in de tafelstand. Controleer voordat u de stoel terugzet in de oorspronkelijke stand of de voeten van een passagier op de derde zitrij zich niet op de verankeringspunten van de stoel op de tweede zitrij bevinden. - Trek aan de rode riem om de stoel in de portefeuillestand te zetten. - Klap de stoel in zijn geheel naar voren. - Zet de stoel in de portefeuillestand om de instap te vergemakkelijken. Uitstappen - Duw de hoofdsteun volledig omlaag. - Bedien de gele hendel aan de achterzijde van de rugleuning van de tweede zitrij. - Klap de rugleuning neer in de tafelstand. - Stap uit via het portier. 3ERGONOMIE en COMFORT Let op de juiste plaatsing van de middelste autogordel in de daarvoor bestemde opening in de hemelbekleding.

82 Stoelen 80 Bediening stoelen tweede zitrij Verwijderen van de stoel - Schuif indien nodig de voorstoel naar voren. - Duw de hoofdsteun omlaag. - Zet de stoel in de portefeuillestand. - Kantel de stoel naar voren en til hem vervolgens op. Terugzetten van de stoel Op de sticker op de stoel kunt u zien op welke plaats deze hoort. - Plaats de haken van de voorste steunen tussen de twee stangen. - Kantel de stoel naar achteren om de achterste verankeringspunten vast te zetten. - Trek aan de hendel om de rugleuning in de oorspronkelijke stand te zetten. - Zet de hoofdsteun omhoog. Let erop dat het vergrendelen niet wordt verhinderd door voorwerpen of voeten van passagiers achterin die zich voor de openingen voor de verankering bevinden.

83 Stoelen Gebruiksvoorschrift Plaats geen harde of zware voorwerpen op de in de tafelstand neergeklapte rugleuningen: bij een aanrijding of noodstop kunnen deze veranderen in gevaarlijke projectielen. 81 Bediening stoel derde zitrij Verwijderen van de stoel - Duw de hoofdsteun omlaag. - Zet de stoel in de portefeuillestand. - Klap de stoel naar voren. - Neem de neergeklapte stoel aan beide zijden vast, beweeg de stoel naar voren en til hem omhoog. Terugzetten van de stoel Op de sticker op de stoel kunt u zien op welke plaats deze hoort. - Plaats de haken van de voorste steunen tussen de twee stangen. - Let er op dat de achterste openingen voor de verankering niet worden geblokkeerd en dat de autogordel juist geplaatst en toegankelijk is. - Klap de zitting naar achteren om de achterste bevestigingspunten te verankeren. - Gebruik de hendel om de rugleuning weer in de oorspronkelijke stand te zetten. - Trek de hoofsteun omhoog. Na de verschillende handelingen: - verwijder een hoofdsteun niet zonder deze op te bergen, bevestig deze aan een steun in de auto, - controleer of de autogordels bereikbaar blijven en gemakkelijk door de passagier kunnen worden vastgemaakt, - ga niet rijden voordat alle passagiers hun autogordel hebben vastgemaakt en afgesteld, - de passagier op de derde zitrij moet erop letten de openingen voor de verankering van de stoel op de tweede zitrij niet af te dekken, - de stoelen van de tweede zitrij mogen niet in de portefeuillestand staan wanneer zich een passagier op de derde zitij bevindt. Dit om ieder risico op letsel te voorkomen door het onbedoeld terugklappen van de stoel. 3ERGONOMIE en COMFORT

84 Stoelen 82 FLEXIBEL INTERIEUR EN STOELOPSTELLINGEN Stoelopstellingen 5 zitplaatsen

85 Stoelen 83 Stoelopstellingen 7 zitplaatsen 3ERGONOMIE en COMFORT Het wijzigen van de opstellingen dient uitsluitend te gebeuren als de auto stilstaat.

86 Praktische voorzieningen 84 INDELING VOORCOMPARTIMENT Bovenste opbergvak Het opbergvak bevindt zich bovenop het dashboard, achter het stuurwiel. Het optillen van het deksel wordt vergemakkelijkt door een uitsparing. Beweeg het deksel met de hand omhoog tot dit volledig geopend is. Beweeg om het opbergvak te sluiten het deksel omlaag en druk vervolgens kort op het midden van het deksel. Het morsen van vloeistof kan kortsluiting veroorzaken, wat tot brand kan leiden. 1. Onderste opbergvak Dit opbergvak kan, afhankelijk van de uitvoering, van een deksel zijn voorzien. 2. Opbergvak en flessenhouder (1,5 l) 3. Opbergvak aan de zijkant 4. Tashaak Hang uitsluitend flexibele en niet te zware tassen aan de haak.

87 Praktische voorzieningen Zonneklep Klap om verblinding te voorkomen bij laagstaande zon de zonneklep omlaag. In de zonneklep aan bestuurderszijde is een vakje aanwezig waarin bijvoorbeeld tol- of parkeerkaarten opgeborgen kunnen worden. 85 Middenconsole met opbergruimte Dankzij deze console is er aanmerkelijk meer opbergruimte: de console is uitneembaar en wordt op een steun vastgezet waarin in het achterste gedeelte twee bekerhouders aanwezig zijn. Controleer of het fl esje of blikje stevig in de bekerhouder op zijn plaats wordt gehouden en tijdens het rijden niet kan omvallen. Gemorste vloeistof kan bij contact met schakelaars op het dashboard en de middenconsole storingen veroorzaken. Wees daarom voorzichtig met het gebruik van de bekerhouder. Dakconsole De dakconsole bevindt zich boven de zonnekleppen. Hierin kunt u bijvoorbeeld een trui, een map of handschoenen opbergen. Door de openingen in de dakconsole achter de zonnekleppen zijn de voorwerpen zichtbaar waardoor ze gemakkelijk bereikbaar zijn. In totaal mag niet meer dan 5 kg in de dakconsole worden opgeborgen. Berg er geen voorwerpen in op die gevaar voor de inzittenden kunnen opleveren. 3ERGONOMIE en COMFORT

88 Praktische voorzieningen 86 Opbergladen onder de stoelen Afhankelijk van de uitvoering is onder beide voorstoelen een opberglade aanwezig. Opbergruimte onder de stoelen In de vloer onder de voorstoelen zijn opbergvakken met of zonder deksel aanwezig. Beweeg de stoel naar voren om deze opbergvakken te bereiken. Het deksel kan vanaf de achterzijde van de stoel worden geopend.

89 Praktische voorzieningen 87 INDELING ZITPLAATSEN Opbergvakken in de vloer Onder de voetenruimte van de achterpassagiers bevinden zich twee opbergvakken in de vloer. Steek, om de opbergvakken te openen, uw vingers in de opening en til het deksel op. Vliegtuigtafeltjes Trek, om het tafeltje uit te klappen, het tafeltje omhoog en plaats het in horizontale positie. Het tafeltje is uit veiligheidsoverwegingen zo ontwikkeld dat het onder zware belasting losschiet. Om het tafeltje weer te plaatsen, moet het in verticale stand gehouden worden. Bevestig één kant in de houder en vervolgens de andere kant door er licht op te drukken. Leg geen harde of zware voorwerpen op het tafeltje: deze kunnen bij een noodstop of een aanrijding in gevaarlijke projectielen veranderen. Aan de zijkant van het tafeltje is een haak aanwezig waar een tas aan opgehangen kan worden. Zonneschermen opzij Voor de ruiten van de schuifdeuren zijn zonneschermen leverbaar. Trek aan de lip om de zonwering te bevestigen. Controleer of de lip goed bevestigd is om te voorkomen dat het zonnescherm beschadigd raakt bij het openen van de schuifdeur. 3ERGONOMIE en COMFORT Beweeg de zonwering altijd rustig met de lip omhoog of omlaag.

90 Praktische voorzieningen 88 Opbergvakken Aan beide zijden van het dak hebt u de beschikking over opbergvakken. Deze opbergvakken hebben een maximale capaciteit van 6 kg. Dankzij de transparante bodem kunt u vanuit het interieur zien wat zich in de opbergvakken bevindt. Plaats geen voorwerpen in de opbergvakken die gevaar voor de inzittenden kunnen opleveren. Plafonnier Deze werkt op dezelfde wijze als de plafonnier vóór. Raadpleeg het hoofdstuk "Plafonniers" in het gedeelte "Praktische voorzieningen" van rubriek 3. MODUTOP DAK Het multifunctionele dak verlengt de dakconsole. Het bestaat uit de volgende onderdelen:

91 Praktische voorzieningen 89 Van binnenuit Van buitenaf Achterste opbergkoffer De achterste opbergkoffer is bereikbaar vanaf de achterzitplaatsen en vanuit de bagageruimte. Vanaf de achterzitplaatsen kunt u de kleppen openschuiven. Vanuit de bagageruimte kunt de opbergkoffer openen door uw duim in de uitsparing te plaatsen en aan de handgreep te trekken. Open de opbergkoffer voorzichtig om te voorkomen dat er voorwerpen uit vallen. De opbergkoffer heeft een maximale capaciteit van 10 kg. Luchtroosters 3ERGONOMIE en COMFORT Met de schakelaar met 3 standen kunt u de hoeveelheid uitstromende lucht regelen. De luchtroosters worden aangevuld met een parfumeur.

92 Praktische voorzieningen 90 PARFUMEUR Door middel van de parfumeur kan een parfum in het interieur worden verspreid via de ventilatieroosters in het dak. Instelling van de hoeveelheid Draai aan de verchroomde knop om de hoeveelheid parfum te regelen: - naar links om te verlagen, - naar rechts om te verhogen. Draai de knop maximaal naar links om de parfumeur uit te schakelen. Verwijderen van de parfumeur - Druk de knop in en draai deze gelijktijdig een kwart omwenteling naar links tot aan de aanslag. - Verwijder de parfumeur uit het dak. - Vervang de patroon.

93 Praktische voorzieningen 91 Vervangen van een geurpatroon De navulverpakking voor de parfumeur bestaat uit een geurpatroon B en een houder C. - Verwijder de beschermfolie D. - Plaats de kop van de patroon B op de knop A van de parfumeur. - Draai de geurpatroon een kwart omwenteling om deze in de knop te vergrendelen en verwijder de houder. - Breng de parfumeur op zijn plaats. U kunt de geurpatronen op elk moment vervangen en de gebruikte geurpatronen in hun originele houder bewaren. De knop van de parfumeur A is los van de geurpatroon. De geurpatronen worden zonder de knop A geleverd. De knop van de parfumeur A kan alleen samen met een geurpatroon in het dak worden aangebracht. Zorg dus altijd dat u over de knop A en een geurpatroon beschikt. De navulpatronen kunnen aangeschaft worden bij het CITROËN-netwerk. Aanbrengen van de parfumeur Na het aanbrengen of vervangen van de geurpatroon: - Breng de parfumeur aan in zijn houder. - Draai de parfumeur een kwart omwenteling naar rechts. Gebruiksvoorschrift 3ERGONOMIE en COMFORT Gebruik uit veiligheidsoverwegingen uitsluitend de hiervoor bestemde geurpatronen. Haal geurpatronen niet uit elkaar. Bewaar de geurpatronen in de houders als deze niet in de parfumeur worden gebruikt. Probeer nooit om de geurpatronen bij te vullen met andere parfums dan die van CITROËN. Houd de geurpatronen buiten bereik van kinderen en dieren. Voorkom elk contact met de huid en ogen. Neem als parfum is ingeslikt contact op met een arts en laat deze de verpakking of het etiket van het product zien.

94 Praktische voorzieningen 92 DAKSTANGEN Modutop dak De twee in lengterichting geplaatste dakstangen van het Modutop dak zijn afneembaar. Het maximale toegestane gewicht op iedere dakstang is 35 kg. Voorschriften voor het beladen van het dak: - Open de beschermplaatjes. - Verwijder de 4 schroeven met een schroevendraaier (opgeborgen in de gereedschapstas onder de rechterstoel). - Draai de stangen 90, met de holle delen naar voren. - Draai de 4 schroeven vast. - Sluit de beschermplaatjes. - Gebruik uitsluitend de openingen A om de bagage met een riem goed vast te zetten. In alle gevallen dient de bagage op de daarvoor bestemde antisliplaag te rusten en mogen het dak en de ruiten van het dak niet geraakt worden.

95 Praktische voorzieningen 93 ALLESDRAGER 3ERGONOMIE en COMFORT Als er dwarsstangen op deze dakdragers worden gemonteerd, houd u dan aan de door de fabrikant voorgeschreven maximumdaklast, zonder het gewicht van 75 kg te overschrijden.

96 Praktische voorzieningen 94 Plafonnier vóór PLAFONNIERS Automatisch inschakelen/ uitschakelen De plafonnier vóór gaat automatisch branden als de sleutel uit het contact wordt gehaald, bij het ontgrendelen van de auto, zodra een voorportier wordt geopend en als de auto wordt gelokaliseerd met de afstandsbediening. De plafonnier gaat geleidelijk uit nadat het contact is aangezet en nadat de auto is vergrendeld. Plafonnier achter Zitplaatsen vóór: de plafonniers gaan branden zodra een van de voorportieren wordt geopend. Zitplaatsen achter: de plafonnier gaat branden zodra een van de achterportieren wordt geopend. Als de portieren enkele minuten geopend blijven, gaan de plafonniers uit. Leeslampjes vóór Deze kunnen bij aangezet contact worden in- en uitgeschakeld met behulp van een schakelaar. Blijft branden, bij aangezet contact. Permanent uit.

97 Praktische voorzieningen 95 BAGAGESCHERM (5 ZITPLAATSEN) Deze plaat onttrekt voorwerpen in de bagageruimte aan het oog. Opklappen Klap, vanuit de bagageruimte, het achterste gedeelte van het bagagescherm op door het op te tillen en uit de inkeping C te halen. Verwijderen Klap het bagagescherm op. Haal deze uit de inkepingen A en B door het bagagescherm naar u toe te trekken. Til het bagagescherm op verwijder het geheel. Plaatsen Plaats het bagagescherm voor de inkepingen A en B. Duw het bagagescherm naar voren zodat de nokken in de inkepingen komen. Klap het bagagescherm uit en klem deze vast in de inkepingen C. Opbergen (volgens uitvoering) Aan de achterzijde van de rugleuning is een ruimte gecreëerd waar het opgeklapte bagagescherm kan worden opgeborgen. Schuif deze verticaal tussen de geleiders die halverwege de rugleuningen zijn gemonteerd. Steek als eerste de scharnierende zijde in de geleiders en houd de uiteinden van de twee gedeelten omhoog. 3ERGONOMIE en COMFORT Het bagagescherm kan dienen als tafel, maar leg er uit veiligheidsoverwegingen geen voorwerpen op die bij een noodstop of een aanrijding van achter in gevaarlijke projectielen kunnen veranderen.

98 Praktische voorzieningen V-aansluiting (maximaal 120 W) Beperk het gebruik ervan om de accu niet te ontladen. Sjorogen Zet met deze sjorogen uw lading vast op de vloer. Bagagenet Open het afdekkapje in de steun van de haak. Bevestig, nadat de stang een kwart omwenteling gedraaid is, de bovenzijde van het net in de uitsparingen. Controleer of het uiteinde van de stang op de juiste wijze in het metalen gedeelte van de houder is bevestigd. Bevestig de banden op de desbetreffende plaatsen op de vloer. Span met de banden het net aan.

99 Praktische voorzieningen 97 VOORZIENINGEN ACHTERIN (7 ZITPLAATSEN) Bekerhouders 12 V-aansluiting (maximaal 120 W) Sjorogen Elke met een vloeistof gevulde beker of mok die in het interieur wordt vervoerd kan omvallen en brengt daarom risico's met zich mee. Wees hierop alert. Beperk het gebruik ervan om de accu niet te ontladen. Gebruik de sjorogen op de vloer om uw bagage stevig vast te zetten. De verankerpunten voor de autogordels mogen hier niet voor worden gebruikt. 3ERGONOMIE en COMFORT Het is aan te bevelen de lading stevig vast te zetten met behulp van de sjorogen op de vloer.

100 Praktische voorzieningen 98 Autogordels Let er op dat de middelste autogordel op de juiste wijze is opgerold en in de daarvoor bestemde opening in het dak is geplaatst. Voorkom dat de gordelsluitingen op de derde zitrij gaan rammelen door ze zo hoog mogelijk bij de doorvoer in het dak te plaatsen. De bevestigingsogen voor de gordelsluitingen aan weerszijden van de bagageruimte mogen niet worden gebruikt om lading vast te zetten. Kleppen opbergvak Trek de desbetreffende klep open. Het opbergvak dat zich het dichtst bij de drempel van de achterklep bevindt, is bedoeld om het oprolmechanisme met het bagagescherm in op te bergen.

101 Praktische voorzieningen 99 BAGAGESCHERM Het bagagescherm is een flexibel scherm met oprolmechanisme. Let erop geen zware voorwerpen te plaatsen op het scherm in uitgerolde positie. Plaatsen Zet de stoelen op de derde zitrij in de portefeuillestand. Til het deksel van de opbergruimte in de dorpel van de bagageruimte op. Neem het oprolmechanisme in het midden vast en duw het in de richting van de linker stijl. Til het geheel op. Plaats het bagagescherm zo dat de afdekflappen aan de achterzijde van het bagagescherm naar u toe wijzen. Plaats de linker nok van het oprolmechanisme in steun A. 3ERGONOMIE en COMFORT Druk de rechter nok in en plaats deze recht voor steun B. Laat het oprolmechanisme los zodat het in de steun valt. Rol het bagagescherm uit tot aan de achterste zijstijlen. Plaats de uiteinden in de hiervoor bestemde achterste openingen om het bagagescherm te spannen.

102 Praktische voorzieningen 100 Het oprolmechanisme is voorzien van drie schermen om de bagageruimte af te dekken, onafhankelijk van of de stoelen op de tweede zitrij in de normale of de comfortstand staan. Elk scherm beschikt over twee klemmen waarmee het kan worden bevestigd aan de hoofdsteunen. Verwijderen Trek het bagagescherm vanuit de bagageruimte naar u toe om het uit de steunen te verwijderen. Geleid het bagagescherm tijdens het oprollen. Neem de klemmen van de drie schermen los van de hoofdsteunen op de tweede zitrij. Druk het oprolmechanisme aan de linkerzijde in om het uit de steun B te kunnen verwijderen. Til het scherm op en kantel het naar voren. Opbergen Berg het bagagescherm op in de hiervoor bestemde ruimte in de dorpel van de bagageruimte, met de twee achterste flappen naar boven. Druk het bagagescherm eerst naar links. Laat het los. Berg de twee flappen op en sluit het deksel.

103 Spiegels en ruiten 101 SPIEGELS Handmatig verstelbare buitenspiegels Stel de spiegel met behulp van de hendel in de gewenste stand. Tijdens het parkeren kunnen de buitenspiegels handmatig ingeklapt worden. Deze buitenspiegels worden niet verwarmd. Elektrisch verstelbare buitenspiegels - Zet de knop naar links of rechts om de desbetreffende spiegel te selecteren. - Duw de knop in de 4 richtingen om de spiegel af te stellen. - Zet de knop weer in het midden. Elektrisch inklappen/uitklappen Bij stilstaande auto en aangezet contact kunnen de buitenspiegels van binnenuit elektrisch worden in- of uitgeklapt: - Zet de knop in de middelste stand. - Draai de knop naar beneden. Buitenspiegels met verwarming De elektrisch verstelbare buitenspiegels kunnen worden verwarmd. Druk op de toets van de achterruitverwarming. Handmatig terugzetten 3ERGONOMIE en COMFORT Als de buitenspiegel uit zijn oorspronkelijke positie is geraakt, zet dan bij stilstaande auto de buitenspiegel met de hand terug of gebruik de schakelaar om de buitenspiegel terug te zetten.

104 Spiegels en ruiten 102 Binnenspiegel De binnenspiegel kent 2 standen: - dagstand (normaal), - nachtstand (antiverblinding). De spiegel kan in de dag- en nachtstand gezet worden met behulp van het hendeltje aan de onderzijde. Vensters voor tol-/ parkeerkaarten De athermische voorruit bevat twee niet-refl ecterende gedeelten aan weerskanten van de binnenspiegel. Hier kunnen de tol- en/of parkeerkaarten worden bevestigd. SPIEGEL NAAR ACHTERPASSAGIERS Deze spiegel, die boven de binnenspiegel is geplaatst, biedt de bestuurder of voorpassagier de mogelijkheid om de zitplaatsen achterin in de gaten te houden. Doordat de spiegel kan worden gedraaid, kan deze eenvoudig handmatig worden afgesteld en is het mogelijk een goed zicht te krijgen op de ruimte achter in de auto. De spiegel kan ook zo worden afgesteld dat deze een beter overzicht geeft bij parkeren of inhalen. ZIJRUITEN ACHTER Kantel de hendel en druk deze helemaal naar buiten om de geopende ruit vast te zetten.

105 Spiegels en ruiten Telkens als de schakelaar omhoog wordt getrokken, sluit de ruit enkele centimeters. Open de ruit volledig en sluit de ruit. Laat de schakelaar los en trek hem opnieuw omhoog totdat de ruit volledig is gesloten. Tijdens deze handelingen is de beveiliging tegen beknellen uitgeschakeld. 103 ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN 1. Schakelaar ruitbediening bestuurderszijde 2. Schakelaar ruitbediening passagierszijde U kunt de ruiten op twee manieren bedienen: Handbediening Duw of trek de schakelaar tot aan het zware punt om de ruit te openen of te sluiten. De ruit stopt zodra de schakelaar wordt losgelaten. Automatische bediening Duw of trek de schakelaar voorbij het zware punt. Als u de schakelaar hebt losgelaten, opent of sluit de ruit volledig. Druk nogmaals op de schakelaar om het openen of sluiten te stoppen. De elektrische ruitbediening wordt uitgeschakeld: - ongeveer 45 seconden na het afzetten van het contact. - als bij afgezet contact een voorportier wordt geopend. Beveiliging tegen beknellen Als de ruit sluit en tegen een obstakel stuit, stopt de ruit en gaat direct gedeeltelijk weer open. Resetten Nadat de accukabels los zijn geweest of in het geval van een storing, moet de ruitbediening gereset worden. Gebruiksvoorschrift Wanneer tijdens het bedienen van de ruit iets tussen de ruit en de sponning bekneld raakt, moet de ruit weer worden geopend. Druk daarvoor op de desbetreffende schakelaar. Wanneer de bestuurder de ruit aan de passagierszijde bedient, moet hij ervan verzekerd zijn dat niets het correcte sluiten van de ruit verhindert. De bestuurder moet ervan verzekerd zijn dat de passagiers op de juiste manier gebruik maken van de elektrische ruitbediening. Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens het bedienen van de ruit niet kunnen bezeren. Als een van de elektrisch bedienbare ruiten te vaak achter elkaar geopend en gesloten wordt, treedt een beveiliging in werking en kan de ruit alleen nog worden gesloten. Wacht na het sluiten ongeveer 40 minuten. Na deze tijd kan de ruit weer worden bediend. 3ERGONOMIE en COMFORT

106 Veiligheid tijdens het rijden 104 VEILIGHEID TIJDENS HET RIJDEN ALARMKNIPPERLICHTEN Druk deze knop in: de richtingaanwijzers knipperen tegelijkertijd. De alarmknipperlichten werken ook als het contact is afgezet. Gebruik de alarmknipperlichten alleen bij een noodsituatie, een noodstop of in uitzonderlijke omstandigheden. Automatische ontsteking van de alarmknipperlichten Bij een noodstop schakelen de alarmknipperlichten, afhankelijk van de remvertraging die optreedt, automatisch in. De alarmknipperlichten blijven knipperen totdat er opnieuw gas wordt gegeven. U kunt de alarmknipperlichten echter ook uitschakelen door de knop op het instrumentenpaneel in te drukken. CLAXON Druk in het midden van het stuurwiel. HANDREM Aantrekken Trek aan de hendel van de handrem om de auto op de handrem te zetten. Controleer voordat u uitstapt of de handrem goed is aangetrokken. Als de handrem nog (iets) is aangetrokken, wordt dit aangegeven door dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel. Als de auto stilstaat op een helling, draai dan de wielen richting trottoir en trek de handrem aan. Het is dan niet voldoende om alleen een versnelling in te schakelen bij het parkeren van de auto, zeker niet bij een beladen auto. Trek de handrem uitsluitend bij stilstaande auto aan. Trek, in het uitzonderlijke geval dat de handrem wordt gebruikt als de auto rijdt, deze voorzichtig aan om de achterwielen niet te blokkeren (slipgevaar). Loszetten Trek aan de hendel van de handrem en druk op de knop om de handrem los te zetten.

107 Parkeerhulp 105 De parkeerhulp achter met geluidssignalen en/of een grafi sche weergave bestaat uit vier parkeersensoren die zijn aangebracht in de achterbumper. Het systeem waarschuwt de bestuurder voor elk obstakel (persoon, auto, boom, hek, ) dat zich binnen het bereik van het systeem achter de auto bevindt. Het waarschuwt u niet voor objecten die zich direct onder de bumper bevinden. Paaltjes, pionnen bij wegwerkzaamheden of gelijksoortige voorwerpen worden waargenomen bij aanvang van de aanrijmanoeuvre, maar niet meer wanneer de auto te dicht genaderd is. Inschakelen van de achteruitversnelling Een geluidssignaal bevestigt dat het systeem in werking treedt zodra de achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Een geluidssignaal geeft de afstand tot het obstakel aan. Hoe dichter de auto bij het obstakel komt, hoe korter de tijd tussen de geluidssignalen is. Als de auto minder dan ongeveer 30 centimeter van het obstakel verwijderd is, is het geluidssignaal continu hoorbaar. Weergave op het display Uitschakelen van de parkeerhulp 4VEILIGHEID Zet de versnellingsbak in de neutraalstand.

108 Parkeerhulp 106 Storing Als het systeem bij het inschakelen van de achteruitversnelling niet werkt, gaat het lampje van de schakelaar branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Activeren/Deactiveren Druk op deze schakelaar om het systeem te activeren of te deactiveren. De geactiveerde of gedeactiveerde toestand van het systeem wordt opgeslagen bij het afzetten van het contact. Gebruiksvoorschrift Zorg ervoor dat de sensoren in de winter of bij slecht weer niet bedekt zijn met modder, ijs of sneeuw. Het systeem zal automatisch worden uitgeschakeld bij het trekken van een aanhanger of de montage van een fietsdrager (auto met een door CITROËN aanbevolen trekhaak of fietsdrager). De parkeerhulp is een hulpmiddel voor de bestuurder die desondanks waakzaam moet blijven en verantwoordelijk is.

109 ANTIBLOKKEERSYSTEEM (ABS - EBD) Het ABS zorgt samen met de elektronische remdrukregelaar (EBD) tijdens het remmen voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto, vooral op een slecht of glad wegdek. Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen, terwijl de remdrukregelaar de remdruk over de vier wielen verdeelt. Gebruiksvoorschrift Het ABS treedt automatisch in werking als één van de wielen dreigt te blokkeren. Het systeem zorgt niet voor een kortere remweg. Op een erg glad wegdek (sneeuw, olie, enz.) kan de remweg door de werking van het ABS langer zijn. Trap het rempedaal bij een noodstop krachtig en volledig in en laat het niet los, ook niet op een glad wegdek. Het ABS zorgt er dan voor dat u om het obstakel heen kunt sturen. De normale werking van het antiblokkeersysteem kan merkbaar zijn door het trillen van het rempedaal. Zorg er bij vervanging van de wielen (banden en velgen) voor dat er wielen worden gemonteerd die zijn voorzien van een artikelnummer van CITROËN. Als dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie met ABS een geluidssignaal en een melding op het display, duidt dit op een storing in het antiblokkeersysteem. Door deze storing zou u tijdens het remmen de controle over uw auto kunnen verliezen. Als dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie ABS met de verklikkerlampjes remsysteem en STOP, een geluidssignaal en een melding op het display, duidt dit op een storing in de elektronische remdrukregelaar. Door deze storing zou u tijdens het remmen de controle over uw auto kunnen verliezen. Stop onmiddellijk op een veilige plaats. Raadpleeg in beide gevallen het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Veiligheid tijdens het rijden NOODREMASSISTENTIE (BAS) Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de optimale remdruk sneller wordt bereikt: trap het rempedaal volledig in zonder het los te laten. Het systeem wordt ingeschakeld als de snelheid waarmee het rempedaal wordt ingetrapt groot is en zorgt ervoor dat de benodigde bedieningskracht verandert. Houd het rempedaal ingetrapt om de werking van het brake assist system voort te zetten VEILIGHEID

110 Veiligheid tijdens het rijden 108 Werking van het ASR- en ESCsysteem Controle van werking ANTISPINREGELING (ASR) EN ELEKTRONISCH STABILITEITSPROGRAMMA (ESC) Deze systemen staan in verbinding met het ABS en zijn hier een aanvulling op. De ASR zorgt voor een optimale overbrenging van de aandrijfkracht op de weg, zodat wordt voorkomen dat u tijdens het accelereren de controle over de auto verliest. Het systeem past de aandrijfkracht aan om het doorspinnen van de wielen te voorkomen via de remmen van de aangedreven wielen en de motor. Het systeem zorgt ook voor meer koersstabiliteit bij het accelereren. Houd als het ESC is ingeschakeld in een bocht het stuurwiel altijd in de gewenste richting en stuur niet tegen. Het ESC-systeem grijpt automatisch in via het remsysteem en de motor als de koers van de auto afwijkt van de door de bestuurder gewenste richting. Uitschakelen ASR/ESC In bijzondere omstandigheden (als de auto vastzit in de modder, sneeuw, in mulle grond,...) kan het nuttig zijn het ASR/ESC uit te schakelen, zodat de wielen kunnen slippen en weer grip kunnen krijgen. ESP OFF Het lampje knippert tijdens een ingreep van de ASR of het ESC. - Druk op de knop of draai het knopje in de stand ESC OFF (afhankelijk van de uitvoering). - Het verklikkerlampje gaat branden: de systemen ASR en ESC zijn uitgeschakeld. De systemen worden opnieuw: - automatisch ingeschakeld als de snelheid hoger wordt dan 50 km/h, - ingeschakeld als u de knop indrukt of het draaiknopje weer terugdraait (afhankelijk van de uitvoering). Bij een storing in de systemen zal het verklikkerlampje gaan branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem na te laten kijken. Het verklikkerlampje kan ook gaan branden in het geval van een te lage bandenspanning. Controleer van alle banden de bandenspanning. Gebruiksvoorschriften Het ASR-/ESC-systeem zorgt voor meer veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder mag zich echter nooit laten verleiden tot het nemen van meer risico's en het te hard rijden. De goede werking van het systeem wordt verzekerd onder voorwaarde dat de voorschriften van de constructeur op het gebied van wielen (banden en velgen), onderdelen van het remsysteem en elektronische onderdelen worden nageleefd en dat de procedures voor montage en het uitvoeren van werkzaamheden door het CITROËN-netwerk worden opgevolgd. Laat deze systemen na een aanrijding controleren door het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

111 Veiligheid tijdens het rijden Gebruiksvoorschriften Uw auto is hoofdzakelijk ontworpen voor het gebruik op verharde wegen, maar het is ook mogelijk om zo nu en dan te rijden op minder goed begaanbare wegen. Vooral als uw auto zwaar beladen is, is deze niet geschikt voor gebruik als terreinauto. Denk hierbij aan: - rijden op terreinen die de onderzijde van de auto zouden kunnen beschadigen of waarbij onderdelen (brandstofleiding, brandstofkoeler,...) geraakt zouden kunnen worden door stenen of andere objecten, - rijden op terrein met steile hellingen en weinig grip, - oversteken van beekjes en stroompjes. 109 "GRIP CONTROL" In sneeuw, modder en zand zorgt dit aandrijfsysteem in combinatie met de banden Michelin Latitude Tour HP M+S voor een uitstekend compromis tussen veiligheid, grip en tractie. Met dit systeem kan de auto in de meeste gevallen waarbij sprake is van weinig grip toch vooruit komen. U moet het gaspedaal ver genoeg intrappen om ervoor te zorgen dat de motor voldoende vermogen levert, zodat het systeem de verschillende parameters optimaal kan aansturen. 4VEILIGHEID

112 Veiligheid tijdens het rijden 110 De ESC -stand is de normale stand voor situaties waarin weinig wielslip optreedt, gebaseerd op de meest voorkomende omstandigheden tijdens het rijden op autowegen en snelwegen. Elke keer als u het contact afzet, wordt het ESC automatisch weer ingeschakeld. In de stand " Sneeuw " past het systeem bij het wegrijden de regeling aan op de hoeveelheid grip die elk voorwiel op dat moment heeft. Tijdens het optrekken optimaliseert het systeem de wielslip zodanig dat de beschikbare grip effectief wordt gebruikt voor een maximale acceleratie. In de stand " Zand " is het gelijktijdig licht doorslippen van de aangedreven wielen toegestaan, zodat de auto vooruit komt en het risico van ingraven wordt beperkt. Activeer op zand geen andere standen, omdat anders de kans bestaat dat de auto vast komt te zitten in het terrein. De stand ESC OFF is alleen geschikt voor het wegrijden ESP OFF en bij lage snelheden. Deze stand is alleen mogelijk bij snelheden tot 50 km/h. In de stand " Off road " wordt bij het wegrijden veel wielslip toegestaan bij het wiel met de minste grip, zodat de modder van de band wordt verwijderd en het wiel vervolgens weer grip krijgt. Er wordt zo veel mogelijk koppel naar het wiel met de meeste grip overgebracht. Tijdens het optrekken verdeelt het systeem de wielslip zodanig dat de handelingen van de bestuurder zo veel mogelijk effect hebben.

113 Veiligheidsgordels VEILIGHEIDSGORDELS Hoogteverstelling Knijp de knop van de geleider in en schuif deze omhoog of omlaag (veiligheidsgordel bestuurdersstoel en enkele passagiersstoel). Vastmaken Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting. Trek aan de gordel om de vergrendeling van de gesp te controleren. Losmaken Druk op de rode knop. Verklikkerlampje veiligheidsgordel bestuurder Als de bestuurder zijn veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt, gaat bij het starten van de motor het verklikkerlampje branden. Gebruiksvoorschrift De bestuurder dient er vóór het wegrijden zeker van te zijn dat alle inzittenden hun veiligheidsgordels op de juiste manier hebben vastgemaakt. Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al betreft het een korte rit. De veiligheidsgordels zijn voorzien van een oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte van de gordel automatisch wordt aangepast aan uw lichaamsbouw. Gebruik geen accessoires om de veiligheidsgordels minder strak te laten aansluiten (zoals wasknijpers, klemmen, veiligheidsspelden,...). Controleer zowel voor als na het gebruik van de gordel of deze goed is opgerold. Controleer na het neerklappen of verplaatsen van een stoel of de achterbank of de gordel goed is opgerold en de gordelsluiting zich op de juiste plaats bevindt. De gordelspanners van de veiligheidsgordels vóór kunnen, afhankelijk van de aard en de kracht van de aanrijding, onafhankelijk van de airbags afgaan. De gordelspanners trekken de veiligheidsgordels direct stevig tegen het lichaam van de inzittenden. Het afgaan van de gordels gaat gepaard met een lichte onschadelijke rookvorming en een geluid als gevolg van de pyrotechnische lading in het systeem. De gordelkrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee de gordel tegen het lichaam van de inzittenden getrokken wordt VEILIGHEID

114 Veiligheidsgordels 112 De oprolautomaten zijn voorzien van een automatische blokkeerinrichting die in werking treedt bij een aanrijding, een noodstop of het over de kop slaan van de auto. De veiligheidsgordels met pyrotechnische gordelspanners werken alleen als het contact aan staat. U kunt de gordel losmaken door de rode knop op de gesphouder in te drukken. Geleid de gordel tijdens het oprollen. Als de gordelspanners zijn geactiveerd, gaat het verklikkerlampje airbag branden. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Voor een effectieve werking van de veiligheidsgordel: - mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen, - moet worden voorkomen dat de gordel gedraaid raakt en moet de gordel in een vloeiende beweging naar voren worden getrokken, - dient deze strak om het lichaam te worden gedragen. De schoudergordel moet langs het holle gedeelte van de schouder worden geplaatst. De heupgordel moet zo laag mogelijk op het bekken worden geplaatst. Draai de gespen van de veiligheidsgordels niet om; de gordels zijn dan niet voldoende effectief. Als de zitplaatsen zijn voorzien van armsteunen, moet de heupgordel altijd onder de armsteun door worden geleid. Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door even aan de riem te trekken. Voorschriften voor kinderen: - maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan 1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje. - laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het rijden. De veiligheidsgordel mag door niet meer dan één persoon gedragen worden. Raadpleeg voor meer informatie over kinderzitjes in rubriek 4 het gedeelte "Kinderen in de auto". Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften moeten werkzaamheden en controles aan de veiligheidsgordels worden uitgevoerd door het CITROËN-netwerk, dat tevens voor de garantie zorgt en de werkzaamheden volgens de voorschriften uitvoert. Laat de veiligheidsgordels van uw auto regelmatig (ook na een kleine aanrijding) controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats: de gordels mogen geen slijtagesporen en scheuren vertonen en er mogen geen wijzigingen aan de gordels zijn aangebracht. Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop of een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk. Autogordels zitplaatsen vóór De autogordels vóór zijn voorzien van pyrotechnische gordelspanners en gordelkrachtbegrenzers. Autogordels zitplaatsen achter (5 zitplaatsen) De zitplaatsen achter zijn voorzien van driepuntsgordels met oprolautomaten.

115 Veiligheidsgordels 113 Autogordels zitplaatsen achter (7 zitplaatsen) Tweede zitrij De drie zitplaatsen zijn uitgerust met driepuntsgordels en oprolautomaten. Let er bij het neerklappen van de buitenste stoelen of het neerklappen van de rugleuningen in de tafelstand op dat de autogordel van de middelste zitplaats niet knel komt te zitten. Let er bij het verstellen van de buitenste stoelen (verwijderen/ terugplaatsen) of bij het instappen naar de derde zitrij op dat er niets blijft haken aan de middelste autogordel. Let erop dat de middelste autogordel op de juiste wijze is opgerold in de gordelhouder in het dak. Derde zitrij De twee zitplaatsen zijn uitgerust met driepuntsgordels en oprolautomaten. Bevestig de gordels niet aan de sjorogen, zoals met een rood kruis is aangegeven op de sticker. Let erop dat de autogordels op de juiste wijze worden vastgemaakt aan de hiervoor bestemde ogen. 4VEILIGHEID De autogordels van de derde zitrij kunnen worden opgeborgen als ze niet in gebruik zijn. Hierdoor is de bagageruimte beter toegankelijk en is het bagagescherm eenvoudiger te plaatsen. Haak de musketonhaak vast op de hiervoor bestemde plaats in de bekleding van de achterstijl.

116 Airbags 114 AIRBAGS De airbags zijn speciaal ontworpen voor een betere veiligheid van de inzittenden bij ernstige aanrijdingen: ze vormen een aanvulling op de werking van de veiligheidsgordels met gordelkrachtbegrenzers. De elektronische schoksensoren registreren in dat geval de frontale en zijdelingse aanrijdingen waaraan de registratiezones voor een aanrijding worden blootgesteld: - bij een ernstige aanrijding worden de airbags onmiddellijk opgeblazen en zorgen voor een betere bescherming van de inzittenden van de auto. Direct na de aanrijding ontsnapt het gas zodat noch het zicht, noch het eventueel verlaten van de auto door de inzittenden wordt belemmerd, - bij een minder ernstige aanrijding of een aanrijding van achteren, en in bepaalde gevallen waarin de auto over de kop slaat, treden de airbags niet in werking. De veiligheidsgordels zorgen in deze situaties voor uw bescherming. De kracht van de aanrijding is afhankelijk van het soort obstakel en de snelheid van de auto op dat moment.

117 Airbags De airbags werken alleen als het contact aan is. De airbags werken slechts eenmaal. Als er een tweede aanrijding plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een volgend ongeval), werken de airbags niet meer. Het activeren van de airbags gaat gepaard met wat rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd. De rook is niet schadelijk, maar kan voor gevoelige personen irriterend zijn. De knal die bij de ontsteking wordt geproduceerd, kan het gehoor gedurende een korte periode enigszins verminderen. Wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel is geplaatst, moet de airbag aan passagierszijde zijn uitgeschakeld. Zie in rubriek 4 het gedeelte "Kinderen aan boord". Gebruiksvoorschrift Maak er een gewoonte van om normaal rechtop in de voorstoelen te zitten. Draag altijd een correct afgestelde veiligheidsgordel. Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden (kinderen, huisdieren, objecten...). Dit kan de goede werking van de airbag belemmeren en/of de inzittende bij het opblazen van de airbag verwonden. Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto de airbagsystemen controleren. Het is beslist niet toegestaan om werkzaamheden uit te voeren aan airbagsystemen, raadpleeg hiervoor het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Zelfs als alle bovenstaande voorschriften worden nageleefd, blijft de kans bestaan op letsel of lichte brandwonden aan het hoofd, de borst of de armen, als de airbag wordt geactiveerd. De airbag wordt namelijk zeer snel opgeblazen (binnen enkele milliseconden) en loopt vervolgens even snel leeg, waarbij de warme gassen via de daarvoor bestemde openingen naar buiten stromen. Zij-airbags Bedek de stoelen uitsluitend met de goedgekeurde stoelhoezen. Deze belemmeren het activeren van de zijairbags niet. Raadpleeg het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen; dit zou bij het afgaan van de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of middel. Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten. Airbags vóór Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuurwielkussen rusten. Zorg ervoor dat de passagier zijn voeten niet op het dashboard laat rusten; hij kan anders ernstig letsel oplopen als de airbag wordt opgeblazen. Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen, kunnen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken. Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla niet op het stuurwiel VEILIGHEID

118 Airbags Storing 116 Als dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, raadpleeg dan het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten controleren. De kans bestaat dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet worden geactiveerd. Zij-airbags De zij-airbags beschermen de bestuurder en voorpassagier bij een ernstige zijdelingse aanrijding, om de kans op borstletsel te verkleinen. De zij-airbags zijn aan de zijde van de portieren in de rugleuningen van de voorstoelen aangebracht. Activering De zij-airbags worden aan de desbetreffende zijde opgeblazen bij een ernstige zijdelingse aanrijding binnen (een gedeelte van) de impactzone opzij ( B ), loodrecht op de lengteas van de auto en vanaf de buitenzijde richting de binnenzijde van de auto, die zich op een horizontale ondergrond moet bevinden. De zij-airbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór en het desbetreffende portierpaneel. Registratiezones voor een aanrijding A. Impactzone vóór B. Impactzone opzij Bij een lichte zijdelingse aanrijding of bij over de kop slaan, kan het zijn dat de airbag niet wordt geactiveerd. Window-airbags De window-airbags beschermen de bestuurder en passagiers (uitgezonderd de middelste zitplaats van zitrij 2) bij een ernstige zijdelingse aanrijding, om de kans op hoofdletsel te verkleinen. De window-airbags zijn aangebracht in de stijlen en het bovenste gedeelte van het interieur. Activering De window-airbag wordt gelijktijdig met de zij-airbag aan de desbetreffende zijde opgeblazen bij een ernstige zijdelingse aanrijding binnen (een gedeelte van) de impactzone opzij ( B ), loodrecht op de lengteas van de auto en vanaf de buitenzijde richting de binnenzijde van de auto, die zich op een horizontale ondergrond moet bevinden. De window-airbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór of achter in de auto en de ruiten.

119 Airbags Inschakelen In de stand "OFF" werkt de airbag aan passagierszijde bij een eventuele aanrijding niet. Als u het kinderzitje hebt verwijderd, zet dan de schakelaar weer op "ON" om de airbag opnieuw in te schakelen en zo de veiligheid van uw passagier te garanderen. 117 Frontairbags Deze zijn voor de bestuurder in het midden van het stuurwiel en voor de passagier in het dashboard aangebracht. Activering Ze worden tegelijkertijd geactiveerd, behalve als de airbag aan passagierszijde is uitgeschakeld, bij een ernstige frontale aanrijding binnen de impactzone A, in de lengterichting van de auto en vanaf de voorzijde richting de achterzijde van de auto, die zich op een horizontale ondergrond moet bevinden. De frontairbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór en het dashboard om te voorkomen dat de inzittende naar voren wordt geworpen. Uitschakelen Alleen de airbag aan passagierszijde kan worden uitgeschakeld: - Zet het contact af, steek de sleutel in de schakelaar voor uitschakelen van de airbag aan passagierszijde, - draai deze in de stand "OFF", - verwijder de sleutel zonder de stand van de sleutel te veranderen. Het verklikkerlampje op het instrumentenpaneel brandt zolang de airbag is uitgeschakeld. Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag aan passagierszijde altijd uit als u een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel plaatst. Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. Storing airbag vóór Als dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, laat het systeem dan controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Als de twee verklikkerlampjes airbag permanent branden, plaats dan geen kinderzitje met de rug in de rijrichting. Neem contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. 4VEILIGHEID

120 Kinderen aan boord 118 ALGEMENE INFORMATIE MET BETREKKING TOT KINDERZITJES Hoewel CITROËN bij het ontwerp van uw auto veel aandacht heeft besteed aan veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van uzelf. Volg voor een optimale veiligheid de volgende adviezen op: - kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner dan 1,50 meter dienen in goedgekeurde, aan het lichaamsgewicht aangepaste kinderzitjes op met veiligheidsgordels of ISOFIXbevestigingen uitgeruste plaatsen te worden vervoerd, - de veiligste plaats voor het vervoeren van een kind is volgens de statistieken een plaats op de achterbank van uw auto, - kinderen tot 9 kg moeten zowel voor- als achterin met de rug in de rijrichting worden vervoerd, - een kind mag nooit op de schoot van een passagier worden vervoerd. KINDERZITJE VÓÓR "Met de rug in de rijrichting" Aanbevolen op de zitplaatsen achter tot 2 jaar. Wanneer een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel vóór wordt geplaatst, moet de airbag aan passagierszijde zijn uitgeschakeld. Anders kan het kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. "Met het gezicht in de rijrichting" Aanbevolen op de zitplaatsen achter vanaf 2 jaar. Wanneer een kinderzitje met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel vóór wordt geplaatst, mag de airbag aan passagierszijde niet worden uitgeschakeld. De regels voor het vervoeren van kinderen zijn per land verschillend. Raadpleeg hiervoor de wetgeving in uw land. Raadpleeg de lijst met de voor uw land goedgekeurde kinderzitjes. De aanwezigheid van ISOFIXbevestigingen, achterzitplaatsen en een (uitschakelbare) passagiersairbag is afhankelijk van de uitvoering.

121 Kinderen aan boord 119 Zie rubriek 4, gedeelte "Airbags". Airbag aan passagierszijde OFF De procedure voor kinderzitjes en de functie uitschakelen van de airbag aan passagierszijde zijn gelijk voor het hele CITROËN-gamma. Als de airbag aan passagierszijde niet kan worden uitgeschakeld, is het absoluut verboden een kinderzitje "met de rug in de rijrichting" op de zitplaatsen voor te bevestigen. 4VEILIGHEID Sticker op beide zijden van de zonneklep aan passagierszijde

122 Kinderen aan boord 120 AR BG CS DA DE EL EN ES ET FI FR HR HU IT НИКОГА НЕ инсталирайте детско столче на седалка с АКТИВИРАНА предна ВЪЗДУШНА ВЪЗГЛАВНИЦА. Това можеда причини СМЪРТ или СЕРИОЗНО НАРАНЯВАНЕ на детето. NIKDY neumisťujte dětské zádržné zařízení orientované směrem dozadu na sedadlo chráněné AKTIVOVANÝM čelním AIRBAGEM. Hrozí nebezpečí SMRTI DÍTĚTE nebo VÁŽNÉHO ZRANĚNÍ. Brug aldrig en bagudvendt barnestol på et sæde der er beskyttet af en aktiv airbag. Død eller alvorlig skade på barnet kan forekomme. Verwenden Sie NIEMALS einen Kindersitz oder Babyschale gegen die Fahrtrichtung bei AKTIVIERTEM Airbag, TOD oder ERNSTHAFTE VERLETZUNGEN können die Folge sein. Μη χρησιμοποιείτε ΠΟΤΕ παιδικό κάθισμα με την πλάτη του προς το εμπρός μέρος του αυτοκινήτου, σε μια θέση που προστατεύεται από ΜΕΤΩΠΙΚΟ αερόσακο που είναι ΕΝΕΡΓΟΣ. Αυτό μπορεί να έχει σαν συνέπεια το ΘΑΝΑΤΟ ή το ΣΟΒΑΡΟ ΤΡΑΥΜΑΤΙΣΜΟ του ΠΑΙΔΙΟΥ NEVER use a rearward facing child restraint on a seat protected by an ACTIVE AIRBAG in front of it, DEATH or SERIOUS INJURY to the CHILD can occur NO INSTALAR NUNCA EL SISTEMA DE RETENCIÓN PARA NIÑOS DE ESPALDAS AL SENTIDO DE LA CIRCULACIÓN SOBRE UN ASIENTO PROTEGIDO CON UN COJÍN INFLABLE FRONTAL ( AIRBAG ) ACTIVADO. ESTO PUEDE CAUSAR LA MUERTE DEL BEBE O HERIRLO GRAVEMENTE. Ärge kasutage kunagi lapse turvatooli seljaga sõidusuunas sõiduki istmel mis on kaitstud AKTIVEERITUD TURVAPADJAGA. See võib põhjustada lapsele RASKEID VIGASTUSI või SURMA. ÄLÄ KOSKAAN aseta lapsen turvaistuinta selkä ajosuuntaan istuimelle, jonka edessä suojana on käyttöön aktivoitu TURVATYYNY. Sen laukeaminen voi aiheuttaa LAPSEN KUOLEMAN tai VAKAVAN LOUKKAANTUMISEN. NE JAMAIS installer de système de retenue pour enfants faisant face vers l arrière sur un siège protégé par un COUSSIN GONFLABLE frontal ACTIVÉ. Cela peut provoquer la MORT de l ENFANT ou le BLESSER GRAVEMENT NIKADA ne postavljati dječju sjedalicu leđima u smjeru vožnje na sjedalo zaštićeno UKLJUČENIM prednjim ZRAČNIM JASTUKOM. To bi moglo uzrokovati SMRT ili TEŠKU OZLJEDU djeteta. SOHA ne használjon menetiránynak háttal beszerelt gyermekülést olyan ülésen, amely AKTIVÁLT ÁLLAPOTÚ (BEKAPCSOLT) FRONTLÉGZSÁKKAL van védve. Ez a gyermek halálát vagy súlyos sérülését okozhatja. NON installare MAI seggiolini per bambini posizionati in senso contrario a quello di marcia su un sedile protetto da un AIRBAG frontale ATTIVATO. Ciò potrebbe provocare la MORTE o FERITE GRAVI al bambino.

123 LT LV MT NL NO PL PT RO RU SK SL SR SV TR Kinderen aan boord NIEKADA neįrenkite vaiko prilaikymo priemonės su atgal atgręžtu vaiku ant sėdynės, kuri saugoma VEIKIANČIOS priekinės ORO PAGALVĖS. Išsiskleidus oro pagalvei vaikas gali būti MIRTINAI arba SUNKIAI TRAUMUOTAS. NAV PIEĻAUJAMS uzstādīt uz aizmuguri vērstu bērnu sēdeklīti priekšējā pasažiera vietā, kurā ir AKTIVIZĒTS priekšējais DROŠĪBAS GAISA SPILVENS. Tas var izraisīt BĒRNA NĀVI vai radīt NOPIETNUS IEVAINOJUMUS. Qatt m ghandek thalli tifel/tifl a marbut f siggu dahru lejn l-airbag attiva, ghaliex tista tikkawza korriment serju jew anke mewt lit-tifel/ tifla Plaats NOOIT een kinderzitje met de rug in de rijrichting op een zitplaats waarvan de AIRBAG is INGESCHAKELD. Bij het afgaan van de airbag kan het KIND ERNSTIG OF DODELIJK GEWOND raken. Installer ALDRI et barnesete med ryggen mot kjøreretningen i et sete som er beskyttet med en frontal AKTIVERT KOLLISJONSPUTE, BARNET risikerer å bli DREPT eller HARDT SKADET. NIGDY nie instalować fotelika dziecięcego w pozycji «tyłem do kierunku jazdy»na siedzeniu wyposażonym w CZOŁOWĄ PODUSZKĘ POWIETRZNĄ w stanie AKTYWNYM.W przeciwnym razie dziecko narażone będzie na ŚMIERĆ lub BARDZO POWAŻNE OBRAŻENIA CIAŁA w momenicie wyzwolenia poduszki powietrznej NUNCA instale um sistema de retenção para crianças de costas para a estrada, num banco protegido por um AIRBAG frontal ACTIVADO. Esta instalação poderá provocar FERIMENTOS GRAVES ou a MORTE da CRIANÇA. Nu instalati NICIODATA un sistem de retinere pentru copii, dispus cu spatele in directia de mers, pe un loc din vehicul protejat cu AIRBAG frontal ACTIVAT. Aceasta ar putea provoca MOARTEA COPILULUI sau RANIREA lui GRAVA. ВО ВСЕХ СЛУЧАЯХ ЗАПРЕЩАЕТСЯ использовать обращенное назад детское удерживающее устройство на сиденье, защищенном ФУНКЦИОНИРУЮЩЕЙ ПОДУШКОЙ БЕЗОПАСНОСТИ, установленной перед этим сиденьем. Это может привести к ГИБЕЛИ РЕБЕНКА или НАНЕСЕНИЮ ЕМУ СЕРЬЕЗНЫХ ТЕЛЕСНЫХ ПОВРЕЖДЕНИЙ NIKDY nepoužívajte na prednom sedadle chránenom AKTÍVNYM AIRBAGOM detské zadržiavacie zariadenie umiestnené v proti smere jazdy. Môže to spôsobiť SMRŤ, alebo VÁŽNE ZRANENIE DIEŤAŤA. NIKOLI ne nameščajte otroškega sedeža s hrbtom v smeri vožnje, če je VARNOSTNA BLAZINA pred sprednjim sopotnikovim sedežem AKTIVIRANA. Takšna namestitev lahko povzroči SMRT OTROKA ali HUDE POŠKODBE. NIKADA ne koristite dečje sedište koje se okreće unazad na sedištu zaštićenim AKTIVNIM VAZDUŠNIM JASTUKOM ispred njega, jer mogu nastupiti SMRT ili OZBILJNA POVREDA DETETA. Använd ALDRIG en bakåtvänd barnstol i ett säte skyddat av en AKTIV AIRBAG framför det. Det kan orsaka ALLVARLIGA eller DÖDLIGA skador på barnet. KESİNLKLE HAVA YASTIĞI AKTİF olan ön koltuğa yüzü arkaya dönük bir çocuk koltuğu yerleştirmeyiniz. Bu ÇOCUĞUN ÖLMESİNE veya ÇOK AĞIR YARALANMASINA sebep olabilir VEILIGHEID

124 Kinderen aan boord 122 DOOR CITROËN AANBEVOLEN KINDERZITJES CITROËN levert een complete reeks kinderzitjes met een artikelnummer van Citroën die met een driepuntsveiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt: Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg L1 "RÖMER Baby-Safe Plus" Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst. Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg L4 "KLIPPAN Optima" Vanaf 6 jaar (ongeveer 22 kg): gebruik alleen de zitverhoging. L5 "RÖMER KIDFIX" Kan worden bevestigd op de ISOFIX-bevestigingen van de auto. Het kind wordt door de veiligheidsgordel op zijn plaats gehouden. L3: verwijder de hoofdsteunen om dit type kinderzitje op de 2e zitrij te kunnen plaatsen.

125 Kinderen aan boord BEVESTIGING KINDERZITJES MET DE VEILIGHEIDSGORDEL Conform de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden weer met betrekking tot het bevestigen, met een veiligheidsgordel, van een universeel gehomologeerd kinderzitje, gerangschikt naar gewicht van het kind en de plaats in de auto: 123 Plaatsen Minder dan 13 kg (Groep 0 (a) en 0+) Tot ongeveer 1 jaar Gewicht van het kind en leeftijdsindicatie Van 9 tot 18 kg (Groep 1) Van 1 tot ongeveer 3 jaar Van 15 tot 25 kg (Groep 2) Van 3 tot ongeveer 6 jaar Van 22 tot 36 kg (Groep 3) Van 6 tot ongeveer 10 jaar Zitrij 1 (b) Passagiersstoel U U U U Zitrij 2 (d) (5 en 7 zitplaatsen) Buitenste zitplaatsen Middelste zitplaats U U U U U U U U Zitrij 3 (c, d) (7 zitplaatsen) U U U U a: Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg. b: raadpleeg de huidige wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te bevestigen. c : als de zitplaatsen van de derde rij bezet zijn, haal dan een op de neerklapbare stoel van de tweede zitrij gemonteerd kinderzitje weg, om de toegang tot rij 3 niet te hinderen. d: de hoofdsteunen van de stoelen op zitrij 2 dienen te worden verwijderd voor een betere aansluiting van het kinderzitje op de stoel. U: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een universeel gehomologeerd kinderzitje met een veiligheidsgordel, zowel met de "rug in de rijrichting" als met het "gezicht in de rijrichting". 4VEILIGHEID

126 Kinderen aan boord ISOFIX-BEVESTIGINGEN 124 Uw auto voldoet aan de nieuwe ISOFIX-normen. Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsringen: - twee bevestigingsringen A en B vóór, die zich tussen de rugleuning en de zitting van de zitplaats bevinden, Isofix kinderzitje met steun ISOFIX-kinderzitjes voorzien van een steun (voor op de vloer van uw auto) kunnen niet worden bevestigd op achterzitplaatsen voorzien van opbergvakken in de vloer (onder de voeten). - één bevestigingsring C achter, die zich aan de achterzijde van de rugleuning van de zitplaats bevinden, voor de bevestiging van de bovenste riem, de TOP TETHER-bevestiging, De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor een veilige, degelijke en snelle montage van het kinderzitje op de twee buitenste zitplaatsen achter in uw auto. De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over twee sloten die eenvoudig aan de twee bevestigingsringen voor kunnen worden verankerd. Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien van een bovenste bevestigingsriem die kan worden vastgemaakt aan de bevestigingsring C achter. Zet om de bovenste bevestigingsriem vast te maken de hoofdsteun van de zitplaats omhoog en steek de haak tussen de hoofdsteun en de rugleuning door. Bevestig de haak aan de bevestigingsring achter en trek de riem aan.

127 Kinderen aan boord VOOR UW AUTO GOEDGEKEURD ISOFIX-KINDERZITJE 125 Het RÖMER Duo Plus ISOFIX-kinderzitje (gewichtsgroep B1 ) Groep 1: van 9 tot 18 kg Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX bevestigingen. Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepunts veiligheidsgordel op de zitplaats van de auto te bevestigen. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje. Wordt met het gezicht in de rijrichting geplaatst. Voorzien van een bovenste riem voor verankering aan de bovenste ISOFIX bevestiging, de TOP TETHER. Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand. 4VEILIGHEID

128 Kinderen aan boord 126 OVERZICHT BEVESTIGING ISOFIX-KINDERZITJES Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen. Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter ( A t/m G ). Gewicht van het kind /leeftijdsindicatie Tot 10 kg (groep 0) Tot ca. 6 maanden Tot 10 kg (groep 0) Tot 13 kg (groep 0+) Tot ca. 1 jaar Van 9 tot 18 kg (groep 1) 1 tot ca. 3 jaar Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg "rug in de rijrichting" "rug in de rijrichting" "gezicht in de rijrichting" ISOFIX-maat F G C D E C D A B B1 2e zitrij (5 en 7 * zitplaatsen) 3e zitrij (7 zitplaatsen) Buitenste zitplaatsen Middelste zitplaats Zitplaatsen IL-SU IL-SU IL-SU IUF, IL-SU Zitplaats zonder ISOFIX-bevestigingen Zitplaatsen zonder ISOFIX-bevestigingen IUF: Zitplaats geschikt voor het bevestigen van een universeel gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje met het gezicht in de rijrichting en een riem aan de bovenzijde, waarmee het zitje wordt bevestigd aan de bovenste bevestigingsring van de zitplaatsen van de auto met ISOFIX-bevestigingen. IL-SU: Zitplaats geschikt voor de bevestiging van een semi-universeel gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje met het gezicht in de rijrichting. * Bij de 7-persoons uitvoering dienen de drie stoelen van de 2e zitrij allemaal te zijn geplaatst als er kinderzitjes worden bevestigd.

129 Kinderen aan boord ADVIEZEN VOOR KINDERZITJES De onjuiste bevestiging van een kinderzitje brengt de veiligheid van het kind in gevaar in geval van een botsing. Zorg ervoor dat de autogordels of het tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten, worden vastgemaakt waarbij de speling ten opzichte van het lichaam van het kind zoveel mogelijk moet worden beperkt. Zorg er voor een optimale bevestiging van het kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting" voor dat de rugleuning van het zitje tegen de rugleuning van de stoel van de auto aandrukt en dat de hoofdsteun geen belemmering vormt. Als de hoofdsteun verwijderd moet worden, berg deze dan zorgvuldig op om te voorkomen dat de hoofdsteun door de auto vliegt bij krachtig afremmen. Kinderen jonger dan 10 jaar mogen niet met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel voor worden vervoerd, behalve als de achterzitplaatsen al bezet zijn door andere kinderen of als de achterbank niet bruikbaar, neergeklapt of niet aanwezig is. Schakel de airbag aan passagierszijde uit zodra een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel wordt geplaatst. Het kind kan anders bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. Laat uit veiligheidsoverwegingen: - geen kinderen zonder toezicht achter in een auto, - nooit een kind of een dier in een auto achter wanneer alle ruiten gesloten zijn en de auto in de zon staat, - de sleutels nooit binnen bereik van de kinderen achter in de auto. Gebruik de kindersloten om te voorkomen dat de portieren per ongeluk worden geopend. Zorg ervoor dat de achterzijruiten niet verder dan voor 1/3 deel worden geopend. Plaats zonneschermen om uw jonge kinderen tegen de zon te beschermen. Plaatsen van een stoelverhoger Het bovenste gedeelte van de autogordel moet over de schouder van het kind liggen zonder de hals te raken. Controleer of de heupgordel goed over de bovenbenen van het kind ligt. CITROËN beveelt aan een stoelverhoger met rugleuning te gebruiken voorzien van een gordelgeleider ter hoogte van de schouder. KINDERBEVEILIGING De kinderbeveiliging verhindert het openen van binnenuit van de schuifdeuren. Handmatige bediening De plaats van de kinderbeveiliging wordt aangegeven door een sticker. - Open de schuifdeur volledig tot voorbij het zware punt. - Kantel de hendel op de achterste zijkant van de schuifdeur naar beneden. Elektrische bediening Druk met het contact aan op deze knop. Het lampje gaat branden. Let op: dit systeem werkt onafhankelijk van de centrale vergrendeling. Neem voor het verlaten van de auto altijd de sleutel uit het contact, zelfs voor korte periodes. Controleer na het aanzetten van het contact altijd of de kinderbeveiliging is ingeschakeld. Bij een zware aanrijding wordt de elektrische kinderbeveiliging automatisch uitgeschakeld VEILIGHEID

130 128

131 Trekken van een aanhanger 129 TREKKEN VAN EEN AANHANGER, EEN CARAVAN, EEN BOOT... Verdeling gewicht Raadpleeg voor meer informatie over de aanhangergewichten de documenten van de auto (kentekenbewijs,...) of in rubriek 8 het gedeelte "Gewichten". Adviezen Bij het slepen van een auto dienen de wielen van de gesleepte auto vrij rond te draaien; de versnellingsbak moet in de neutraalstand staan. Verdeel het gewicht in de caravan/ aanhanger gelijkmatig en houd u aan de toegestane kogeldruk. Koeling Het trekken van een aanhanger op een helling veroorzaakt een hogere koelvloeistoftemperatuur. 5ACCESSOIRES De koelventilator wordt elektrisch bediend en is niet afhankelijk van het motortoerental. Gebruik daarom een zo hoog mogelijke versnelling om het toerental te beperken en pas uw snelheid aan. Let in elk geval goed op de aanwijzing van de koelvloeistoftemperatuurmeter.

132 Trekken van een aanhanger 130 Gebruiksvoorschrift Onder zeer zware gebruiksomstandigheden (het trekken van het maximale aanhangergewicht op een steile helling bij hoge temperatuur) wordt de airconditioning automatisch uitgeschakeld, zodat de prestaties van de motor weer kunnen worden verhoogd. Als het verklikkerlampje van de koelvloeistoftemperatuur gaat branden, stop dan zo snel mogelijk en zet de motor af. Zie in de rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". Banden Controleer de bandenspanning van de auto (zie rubriek 8 in het gedeelte "Identifi catie") en de aanhanger en breng deze indien nodig op de juiste waarde. Remmen Het trekken van een aanhanger vergroot de remweg. Rijd met matige snelheid, schakel tijdig terug, rem geleidelijk. Zijwind De zijwindgevoeligheid van de auto is groter. Rijd daarom soepel en met matige snelheid. ABS/ESC Het ABS of ESC werkt uitsluitend op de auto en niet op de aanhanger. Parkeerhulp achter Bij het trekken van een aanhanger is de parkeerhulp uitgeschakeld. Trekhaak Wij raden u aan gebruik te maken van originele CITROËN-trekhaken met bijbehorende kabelset, die tijdens de ontwikkeling van uw auto uitgebreid zijn getest en gehomologeerd, en de montage hiervan toe te vertrouwen aan het CITROËN-netwerk. In geval van montage buiten het CITROËN-netwerk, moet deze montage worden uitgevoerd met gebruikmaking van de voorbereide geïntegreerde elektrische voorzieningen aan de achterzijde van de auto en de voorschriften van de constructeur. Conform de algemene voorschriften die hierboven zijn vermeld, attenderen wij u op het risico dat het monteren van een trekhaak of elektrisch accessoire zonder artikelnummer van CITROËN met zich meebrengt. Hierdoor kunnen storingen in het elektrisch systeem van uw auto ontstaan. Raadpleeg eerst de fabrikant.

133 Uitrusting OVERIGE ACCESSOIRES Deze accessoires en onderdelen zijn getest en goedgekeurd ten aanzien van bedrijfszekerheid en veiligheid. Ze zijn volledig aangepast aan uw auto. Er wordt een ruime keuze aan accessoires en originele onderdelen, voorzien van een artikelnummer, aangeboden. Er is tevens een aanbod van accessoires beschikbaar, gerangschikt in comfort, vrije tijd en onderhoud: Inbraakalarm, graveren van ruiten, verbanddoos, veiligheidsvest, parkeerhulp voor en achter, gevarendriehoek, slotbouten lichtmetalen wielen... Stoelhoezen geschikt voor voorstoelen met zij-airbags, banken, rubber matten, textielmatten, sneeuwkettingen, zonneschermen, fi etsdrager voor de achterklep,... Om te voorkomen dat de werking van de pedalen wordt gehinderd: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en goed is bevestigd, - leg nooit meerdere matten boven op elkaar. Autoradio's, handsfree set, luidsprekers, CD-wisselaar, navigatiesysteem USB-box, videoset,... Voordat nieuwe audio- en/of telematica-apparatuur wordt gemonteerd, moet aan de hand van de specificaties altijd worden gecontroleerd of deze kan worden gecombineerd met de standaarduitrusting van de auto en of het elektrische systeem van de auto er niet door wordt overbelast. Raadpleeg eerst het CITROËN-netwerk. Maximaal gewicht op allesdragers - Dwarsstangen op dakdragers: 75 kg (montage van deze dwarsstangen is niet mogelijk bij uitvoeringen met Modutop). Installeren van radiocommunicatiezenders Raadpleeg, voordat u een radiocommunicatiezender met buitenantenne in uw auto laat installeren, een vertegenwoordiger van het merk CITROËN. Het CITROËN-netwerk stelt u de technische gegevens (frequentieband, maximaal uitgangsvermogen, positie antenne, specifieke installatievoorschriften) van de voor montage geschikte zenders ter beschikking, volgens de Richtlijn Elektromagnetische Compatibiliteit Automobielen (2004/104/EG). Spatlappen vóór, spatlappen achter, lichtmetalen velgen 15/17 inch, bekleding wielkasten, met leder bekleed stuurwiel,... Ruitensproeiervloeistof, reinigings-/ onderhoudsmiddelen voor interieur en exterieur, sets reservelampen, ACCESSOIRES

134 Uitrusting 132 Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van CITROËN voorkomen, kan storingen in het elektronisch systeem van uw auto veroorzaken. Houd rekening met deze bijzonderheid en wij raden u aan contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk CITROËN om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en accessoires voorzien van een artikelnummer van CITROËN. Afhankelijk van het land van bestemming is de aanwezigheid van veiligheidsvesten, een gevarendriehoek en een set reservelampen in de auto verplicht. Telematica-eenheid "Active Fleet Data" De telematica-eenheid is rechtstreeks verbonden met het "hart" van de auto (via het multiplexnetwerk "Full CAN"), en kan naar wens de volgende actuele informatie weergeven: - afgelegde afstand in kilometers, - resterend aantal kilometers tot de volgende onderhoudscontrole, - waarschuwingen en storingen (oliepeil, koelvloeistofniveau, olietemperatuur, koelvloeistoftemperatuur, enz.). Met behulp van deze informatie kunnen fleetowners het wagenparkbeheer optimaliseren. Raadpleeg het CITROËN-netwerk voor meer informatie (volgens land van bestemming).

135 Partners in prestaties en respect voor het milieu Innovatie voor nog betere prestaties Sinds meer dan 40 jaar ontwikkelen de Research & Development-teams van TOTAL voor CITROËN smeermiddelen die geschikt zijn voor de nieuwste technologieën die in auto s van het merk CITROËN worden toegepast, zowel voor wedstrijddoeleinden als gebruik in het dagelijkse leven. Zo kunt u rekenen op de beste prestaties van de motor. Een optimale bescherming van uw motor Het gebruik van TOTAL smeermiddelen bij het onderhoud van uw CITROËN zorgt voor een langere levensduur en betere prestaties van de motor, waarbij tevens het milieu wordt gerespecteerd. prefereert

136 Motorkap openen 134 MOTORKAP OPENEN Binnenzijde Trek aan de hendel onder het dashboard. De motorkap is ontgrendeld. Buitenzijde Til de motorkap met één hand iets op en steek uw andere hand met de palm omlaag naar binnen, zodat u gemakkelijk bij de haak kunt. Duw met deze hand de veiligheidshaak naar links. Open de motorkap. Motorkapsteun Zet om de motorkap open te houden de motorkapsteun vast in de met een sticker aangegeven houder in het plaatdeel aan de linkerzijde van de auto. Plaats voordat u de motorkap sluit de motorkapsteun terug in de klem, zonder te forceren. Sluiten Laat de motorkap voorzichtig zakken en laat deze aan het einde van de slag in het slot vallen. Controleer of de motorkap goed vergrendeld is. Open de motorkap liever niet als het hard waait.

137 Onder de motorkap BENZINEMOTOR Let goed op bij alle werkzaamheden onder de motorkap Reservoir ruitensproeiers vóór. 2. Zekeringkast. 3. Reservoir koelvloeistof. 4. Reservoir rem- en koppelingsvloeistof. 5. Luchtfilter. 6. Oliepeilstok. 7. Motorolie (bij)vullen. 8. Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof. Accu-aansluitingen: + Metalen positieve aansluiting. - Metalen negatieve aansluiting (massa). 6ONDERHOUD

138 Onder de motorkap 136 DIESELMOTOR Let goed op bij alle werkzaamheden onder de motorkap. 1. Reservoir ruitensproeiers vóór. 2. Zekeringkast. 3. Reservoir koelvloeistof. 4. Reservoir rem- en koppelingsvloeistof. 5. Luchtfi lter. 6. Oliepeilstok. 7. Motorolie (bij)vullen. 8. Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof. 9. Handopvoerpomp. Accu-aansluitingen: + Metalen positieve aansluiting. - Metalen negatieve aansluiting (massa).

139 Niveaus NIVEAUS Voer de onderstaande controles regelmatig uit om uw auto in goede staat te houden. Informeer naar de voorschriften bij het CITROËN-netwerk of raadpleeg het onderhoudsboekje dat bij dit instructieboekje zit. 137 Let erop dat u bij het eventueel verwijderen en monteren van de afdekkap van de motor, de bevestigingsclips niet beschadigt. Motorolieniveau Olie verversen Remvloeistof verversen Het wordt aanbevolen om deze controle iedere 5000 km uit te voeren en - indien nodig tussen twee verversingen in - olie bij te vullen. De controle dient bij koude motor en horizontaal geplaatste auto te geschieden, met behulp van de oliepeilstok. Oliepeilstok 2 merktekens op de peilstok: A = maxi. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als het oliepeil boven dit merkteken uitkomt. B = mini. Laat het oliepeil nooit onder dit merkteken uitkomen. Voor het behoud van de bedrijfszekerheid van de motoren en de emissieregelsystemen mogen in geen geval additieven aan de motorolie worden toegevoegd. Dit dient volgens het onderhoudsschema van de constructeur te worden uitgevoerd. Het is verplicht uitsluitend oliën te gebruiken met de door de constructeur voorgeschreven viscositeit. Raadpleeg de voorschriften bij het CITROËN-netwerk. Neem voordat u olie bijvult de peilstok uit de houder. Controleer na het bijvullen het motorolieniveau (het niveau mag niet boven het bovenste merkteken uitkomen). Draai de olievuldop vast alvorens de motorkap te sluiten. Keuze van de viscositeitsgraad De olie dient in ieder geval aan de door de constructeur voorgeschreven normen te voldoen. De remvloeistof dient volgens de door de constructeur voorgeschreven intervallen te worden ververst. Gebruik remvloeistof die door de constructeur wordt aanbevolen en aan de DOT4-normen voldoet. Het niveau dient steeds tussen de merktekens MINI en MAXI van het reservoir te staan. Raadpleeg als het reservoir vaak bijgevuld moet worden zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Verklikkerlampjes Zie in de rubriek 2 het gedeelte "Cockpit" voor meer informatie over de verklikkerlampjes. 6ONDERHOUD

140 Niveaus 138 Koelvloeistofniveau Gebruik om ernstige motorschade te voorkomen uitsluitend door de constructeur aanbevolen koelvloeistof. Als de motor warm is, wordt de temperatuur van de koelvloeistof geregeld door de koelventilator. Wacht voor werkzaamheden aan het koelsysteem ten minste 1 uur nadat de motor gedraaid heeft, omdat de koelventilator nog kan (gaan) werken als de sleutel uit het contactslot is verwijderd en omdat het koelsysteem onder druk staat. Draai de dop eerst een kwart omwenteling los om de druk te laten dalen en om te voorkomen dat de hete koelvloeistof uit het koelsysteem spuit. Trek, als de druk eenmaal gedaald is, de dop los en vul koelvloeistof bij. Laat het koelsysteem, als vaak koelvloeistof moet worden bijgevuld, zo snel mogelijk controleren door het CITROËN-netwerk. Bijvullen Het niveau dient steeds tussen de merktekens MINI en MAXI van het expansievat te staan. Laat het koelsysteem, als meer dan 1 liter moet worden bijgevuld, controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. Vloeistofniveau stuurbekrachtiging Controleer het niveau van de stuurbekrachtigingsvloeistof als de auto op een vlakke ondergrond staat en de motor koud is. Draai de dop met geïntegreerde peilstok los en controleer of het niveau tussen de merktekens MINI en MAXI staat. Vloeistofniveau ruiten- en koplampsproeiers Wij adviseren u voor een optimale reiniging en voor uw eigen veiligheid de producten van CITROËN te gebruiken. Bovendien mag het vloeistofniveau niet worden bijgevuld met of worden vervangen door water, om bevriezing te voorkomen en een goede reiniging te garanderen. Inhoud reservoir ruitensproeiers: ongeveer 3 liter. Als uw auto is voorzien van koplampsproeiers, bedraagt de inhoud van het reservoir 6 liter. Niveau brandstofadditief (diesel met roetfilter) Een te laag additiefniveau wordt aangegeven door het verklikkerlampje service in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display. Als dit bij draaiende motor gebeurt, komt dit doordat het roetfilter verstopt dreigt te raken (uitzonderlijke rij-omstandigheden: veelvuldig stadsverkeer, lage snelheid, lange files,...). Om het filter te regenereren, wordt geadviseerd zo snel mogelijk, indien de omstandigheden dit toelaten, gedurende minstens 5 minuten met een snelheid van 60 km/uur of hoger te rijden (totdat de melding op het display verdwijnt en het verklikkerlampje service uit gaat). Tijdens het regenereren van het roetfilter, kunnen enkele geluiden van het relais hoorbaar zijn onder het dashboard. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als de melding niet verdwijnt en het lampje Service blijft branden. Bijvullen Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk uitvoeren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Afgewerkte producten Vermijd langdurig huidcontact met afgewerkte olie. Remvloeistof is schadelijk voor de gezondheid; het is bovendien een erg bijtend middel. Gooi afgewerkte olie, remvloeistof en koelvloeistof niet in het riool, in het water of op de grond, maar deponeer deze in de daarvoor bestemde containers bij het CITROËN-netwerk.

141 Controles CONTROLES Accu Laat uw accu voor de winter door het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats controleren. Raadpleeg het onderhoudsboekje voor informatie over het vervangingsinterval van de filterelementen. Als de omgeving (veel stof) en de gebruiksomstandigheden van de auto (veel stadsverkeer) daartoe aanleiding geven, moeten de filters twee keer zo vaak worden vervangen. 139 Remblokken De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral bij stadsverkeer en veel korte ritten. Hierdoor kan het noodzakelijk blijken om de remblokken vaker, tussen twee onderhoudscontroles door, te laten controleren. Als het remvloeistofniveau te laag is, kan dit behalve door lekkage van het remsysteem ook veroorzaakt worden door slijtage van de remblokken. Slijtage remschijven/-trommels Raadpleeg het CITROËN-netwerk voor meer informatie over de controle van uw remschijven/-trommels. Handrem Als de handrem een te grote slag heeft of als het systeem minder goed werkt, moet de handrem zelfs tussen twee onderhoudscontroles worden afgesteld. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Koolstoffilter en interieurfilter Via een luikje onder het dashboardkastje kunnen de filters worden vervangen. Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stofdeeltjes permanent en krachtig gefilterd worden. Een verstopt interieurfilter vermindert de prestaties van de airconditioning en kan nare geuren in het interieur veroorzaken. Wij adviseren u een gecombineerd interieurfilter de gebruiken. Danzij het specifieke tweede actieve filter, draagt het bij aan de zuivering van de door de inzittenden ingeademde lucht en aan een schoon interieur (vermindering van allergische reacties, onaangename geuren en vette aanslag). Oliefilter Vervang het oliefilterelement periodiek, volgens het onderhoudsschema. Roetfilter (diesel) Onderhoudswerkzaamheden aan het roetfiler moeten worden uitgevoerd door het CITROËN-netwerk. Als langdurig met zeer lage snelheid wordt gereden of de motor langdurig stationair draait, kan bij gasgeven soms rook uit de uitlaat waargenomen worden. Dit heeft geen invloed op de prestaties van de auto en heeft geen gevolgen voor het milieu. 6ONDERHOUD

142 Controles 140 Aftappen van water in het brandstoffilter Als dit lampje gaat branden, moet het brandstoffilter worden afgetapt. Om te voorkomen dat het lampje gaat branden kan het fi lter ook op regelmatige basis worden afgetapt, bijvoorbeeld bij een onderhoudsbeurt. Draai de aftapplug van het filter los. Ga door met aftappen tot al het water uit het fi lter is weggelopen via de transparante slang. Draai vervolgens de aftapplug weer vast. De HDi-motoren zijn technologisch geavanceerde motoren. Laat werkzaamheden aan deze motoren altijd uitvoeren door gekwalificeerde technici van het CITROËN-netwerk. Volgens land van bestemming. Handgeschakelde versnellingsbak Laat het niveau controleren volgens het onderhoudsschema van de constructeur. Raadpleeg de bladzijden in het garantie- en onderhoudsboekje, die betrekking hebben op de motoruitvoering van uw auto, voor het laten controleren van de belangrijkste niveaus en bepaalde onderdelen volgens het onderhoudsschema van de constructeur. Gebruik uitsluitend door CITROËN aanbevolen producten of gelijkwaardige kwaliteitsproducten. Om de werking van belangrijke organen zoals het remsysteem te optimaliseren, worden door CITROËN specifieke producten geselecteerd en aangeboden. Vanwege de kans op beschadiging van het elektrisch systeem is het reinigen van de motorruimte met een hogedrukreiniger niet toegestaan. Na het wassen kan er zich een laagje vocht, of in de winter ijs, vormen op de remschijven en remblokken: de remwerking kan daardoor afnemen. Rem een paar keer lichtjes om de remmen vocht- en ijsvrij te maken.

143 Brandstof BRANDSTOF TANKEN Te laag brandstofniveau Als het minimum brandstofniveau is bereikt, gaat dit lampje branden. Er bevindt zich nog ongeveer 8 liter in de tank. Tank bij de eerstvolgende gelegenheid om een lege brandstoftank te voorkomen. Rijd de tank nooit helemaal leeg, dit zou tot storingen in de emisseregeling en/of het inspuitsysteem kunnen leiden. Tanken Het tanken dient met afgezette motor te geschieden. - Open de brandstofvulklep. - Steek de sleutel in het slot en draai de sleutel een kwart omwenteling om. - Trek de tankdop uit de vulopening en bevestig deze aan de haak aan de binnenzijde van de vulklep. Op een sticker aan de binnenzijde van het tankklepje staat de voorgeschreven soort brandstof aangegeven. Er moet minstens 5 liter bijgevuld worden voordat de meter de nieuwe hoeveelheid brandstof in de tank correct aangeeft. Bij het verwijderen van de tankdop kan er enige zuiging ontstaan. Dit vacuüm is normaal en komt door de afdichting van het brandstofcircuit. Laat het vulpistool bij het aftanken van de auto nooit meer dan 3 keer automatisch uitspringen. Indien dit wel gebeurt, kunnen er storingen optreden. De inhoud van de brandstoftank bedraagt ca. 60 liter. - Vergrendel na het tanken de vuldop en sluit de vulklep. Een mechanisch systeem voorkomt dat tijdens het tanken de linker schuifdeur geopend kan worden. Let erop dat niemand de schuifdeur probeert te openen als de brandstofvulklep geopend is. Na het sluiten van de brandstofvulklep kan de schuifdeur geblokkeerd worden. Druk dan tegen de schuifdeur om deze te sluiten en vervolgens te openen. Brandstofkwaliteit voor benzinemotoren Auto's met benzinemotoren kunnen probleemloos rijden op biobrandstoffen van het type E10 en E24 (deze bevatten resp. 10% en 24% ethanol) die voldoen aan de Europese richtlijnen EN 228 en EN Brandstoffen van het type E85 (deze bevatten tot 85% ethanol) zijn uitsluitend geschikt voor auto's die speciaal bestemd zijn voor dit type brandstof (BioFlex-auto's). De kwaliteit van de ethanol moet voldoen aan de Europese richtlijn EN Auto's die kunnen rijden op brandstoffen met een ethanolgehalte tot 100% (type E100), worden alleen verkocht in Brazilië

144 Brandstof 142 Brandstofkwaliteit voor dieselmotoren Auto's met dieselmotoren kunnen probleemloos rijden op biobrandstoffen die aan de huidige en toekomstige Europese richtlijnen voldoen (diesel die voldoet aan de richtlijn EN 590 gemengd met biobrandstof die voldoet aan de richtlijn EN 14214) en die aan de pomp getankt kunnen worden (met een gehalte aan methyl-estervetzuren van 0 tot 7%). Het gebruik van biobrandstof B30 is mogelijk bij bepaalde dieselmotoren op voorwaarde dat de bijzondere onderhoudsvoorschriften strikt worden nageleefd. Raadpleeg het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Het gebruik van elk ander type (bio)brandstof (zuivere of verdunde plantaardige of dierlijke olie, stookolie...) is nadrukkelijk verboden (kans op schade aan de motor en het brandstofcircuit). BRANDSTOFTOEVOER UITGESCHAKELD Bij een zware aanrijding wordt de brandstoftoevoer automatisch door de brandstofafsluiter onderbroken. Als dit verklikkerlampje gaat knipperen, verschijnt een melding op het display. Controleer buiten de auto of u geen brandstof ruikt en of er geen brandstoflekkage is en herstel de brandstoftoevoer als volgt: - zet het contact af (stand STOP), - neem de sleutel uit het contactslot, - plaats de sleutel in het contactslot, - zet het contact aan en start de motor. HANDOPVOERPOMP DIESEL In het geval van een lege brandstoftank is het noodzakelijk het brandstofsysteem te ontluchten: - vul de brandstoftank met minimaal vijf liter diesel, - bedien de handopvoerpomp van de ontluchting (onder de beschermkap in de motorruimte), - houd de sleutel in de stand "D" (starten) tot de motor aanslaat. Raadpleeg in rubriek 6 het gedeelte "Onder de motorkap". DIESEL

145 Accu ACCU Deze sticker geeft aan dat er een speciale 12V-loodaccu is gebruikt die alleen losgekoppeld en/of vervangen mag worden bij het CITROËN-netwerk of bij een gekwalifi ceerde werkplaats. Het negeren van deze aanwijzing kan ertoe leiden dat de accu vroegtijdig aan vervanging toe is. Na het monteren van de accu kan het, afhankelijk van de weersomstandigheden en de laadtoestand van de accu, enkele uren (tot ongeveer 8 uur) duren voordat het Stop & Start-systeem weer zal werken. Voor het opladen van de accu van het Stop & Start-systeem hoeven de accukabels niet losgenomen te worden. Laden met behulp van een acculader: - maak de accupoolklemmen los, - volg de aanwijzingen van de fabrikant op de acculader, - sluit de accukabels weer aan, te beginnen met de (-) kabel, - controleer of de accupolen en de klemmen schoon zijn. Indien ze bedekt zijn met een (witte of groene) oxidatielaag, neem dan de accukabels los en reinig de polen en de klemmen. Starten met een hulpaccu: - sluit eerst de rode kabel aan op de (+) polen van de beide accu's, - sluit de groene of zwarte kabel aan op de (-) pool van de hulpaccu, - sluit het andere uiteinde van de groene of zwarte kabel aan op een zo ver mogelijk van de accu verwijderd massapunt van de te starten auto. - stel de startmotor in werking en laat de motor draaien. - wacht tot de motor stationair draait en neem dan de kabels los. Het is raadzaam de accu los te koppelen als uw auto langer dan een maand buiten gebruik is. Wacht 2 minuten na het uitzetten van het contact alvorens u de accu loskoppelt. Maak de accupoolklemmen niet los bij draaiende motor. Laad de accu niet op zonder de accukabels los te nemen. Zet, elke keer nadat de accukabels weer zijn aangesloten, het contact AAN en wacht 1 minuut alvorens de motor te starten, zodat de elektronische systemen geïnitialiseerd kunnen worden. Raadpleeg het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats als er zich na deze handeling toch nog problemen voordoen. Wacht ongeveer 3 minuten na het vervangen van een lamp alvorens u de accu aansluite 143 7SNEL WEER OP WEG

146 Accu ECO-MODUS 144 Nadat de motor is afgezet wordt bij aangezet contact na 30 minuten een aantal elektrische voorzieningen (ruitenwissers, ruitbediening, plafonniers, autoradio, enz.) automatisch uitgeschakeld om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. Op dat moment knippert het verklikkerlampje voor het laden van de accu en verschijnt er een melding op het display. Start de motor en laat deze enige tijd draaien om de bovengenoemde voorzieningen weer te kunnen gebruiken. De beschikbare tijd bedraagt het dubbele van de tijd dat de motor heeft gedraaid. Deze tijd zal echter altijd tussen de 5 en 30 minuten bedragen. Als de accu ontladen is, kan de motor niet gestart worden.

147 Wiel verwisselen BANDENREPARATIESET De bandenreparatieset bevindt zich in een opbergvak onder de voorstoel. Auto's die voorzien zijn van een bandenreparatieset hebben geen reservewiel, noch gereedschap (krik, slinger,...). De set voor voorlopige bandenreparatie bestaat uit een compressor en een fl acon (dat een afdichtmiddel bevat). Gebruik van de set 1. Kruis het wiel waarvan de band lek is aan op de sticker met de snelheidslimiet, en plak deze op het stuurwiel om u er aan te herinneren dat u tijdelijk met een gerepareerd wiel rijdt. 2. Klik de flacon 1 op de compressor Sluit de flacon 1 aan op het ventiel van de lekke band. 4. Let erop dat de slang van de compressor volledig uitgerold is voordat u deze op de flacon aansluit. 5. Sluit de voedingsdraad aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto. 6. Activeer de compressor met een druk op de knop A, tot de bandenspanning 2,0 bar bedraagt. Als deze spanning niet bereikt kan worden, kan de band niet worden gerepareerd. 7. Verwijder de compressor en berg deze op. 8. Rijd onmiddellijk enkele kilometers met beperkte snelheid, zodat het afdichtingsproduct het lek kan dichten. 9. Breng de band met behulp van de compressor op de normale, voorgeschreven spanning en controleer of het lek goed gedicht is (de bandenspanning mag niet lager worden). 10. Rijd maximaal 80 km/h. Laat de gerepareerde band zo snel mogelijk onderzoeken en repareren door een specialist. De flacon kan na gebruik worden bewaard in de bijgeleverde plastic zak, om te voorkomen dat vloeistofresten uw auto vervuilen. Let op: de gelflacon bevat ethyleenglycol. Dit middel is schadelijk bij inname en irriterend voor de ogen. Houd het middel buiten het bereik van kinderen. Werp de flacon na gebruik niet weg, maar lever deze in bij het CITROËNnetwerk of een officieel inzamelpunt. De flacon is verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk SNEL WEER OP WEG

148 Wiel verwisselen 146 WIEL VERWISSELEN 1. PLAATSEN VAN DE AUTO - Verzeker u ervan dat alle inzittenden de auto hebben verlaten en zich op een veilige plek bevinden. - Zet de auto voor zover mogelijk op een horizontale, stabiele en stroeve ondergrond. - Zet de handrem vast, zet het contact af en schakel de eerste versnelling of de achteruit in. - Blokkeer indien mogelijk het wiel schuin tegenover het te verwisselen wiel met een wielblok (indien aanwezig). Bij auto's met een trekhaak kan het nodig zijn de achterzijde op te krikken om het reservewiel uit de reservewielhouder te kunnen nemen. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden of zware belading. 2. GEREEDSCHAP - Het gereedschap bevindt zich in het opbergvak onder de linker voorstoel. Schuif de stoel, indien nodig, naar voren voor toegang tot het opbergvak via de achterzijde. - Draai de moer los en verwijder de krik en de wielsleutel. 1. Wielsleutel. 2. Krik. 3. Gereedschap om sierdop van lichtmetalen velgen te verwijderen. 4. Wielblok. De krik en het gereedschap zijn specifiek voor uw auto. Gebruik ze niet voor andere doeleinden.

149 Wiel verwisselen RESERVEWIEL - Open de achterdeuren voor toegang tot het reservewiel. - Draai de bout los met behulp van de wielsleutel, tot de reservewielhouder zo laag mogelijk hangt. 7SNEL WEER OP WEG - Haal de reservewielhouder los van de haak en plaats het reservewiel in de nabijheid van het te vervangen wiel.

150 Wiel verwisselen WERKWIJZE - Verwijder de wieldop door deze los te trekken met behulp van het hiervoor bestemde gereedschap. - Draai de wielbouten iets los. - Plaats de kop van de krik in het steunpunt bij het te verwisselen wiel. Zorg ervoor dat het voetstuk van de krik op een stevige ondergrond staat en zich loodrecht onder het steunpunt bevindt - Draai de krik uit tot het wiel loskomt van de grond. - Draai alle wielbouten geheel los. - Verwijder de wielbouten en het wiel. Draai de krik niet uit voordat de wielbouten van het te verwisselen wiel iets zijn losgedraaid en het wiel dat zich schuin tegenover het te verwisselen wiel bevindt, is geblokkeerd met een wielblok.

151 Wiel verwisselen MONTEREN VAN HET RESERVEWIEL - Plaats het wiel op de naaf en draai de wielbouten met de hand vast. - Draai de wielbouten met de wielsleutel enigszins vast. - Laat de auto volledig zakken door de krik omlaag te draaien en verwijder de krik vervolgens. - Draai de wielbouten met de wielsleutel volledig vast, zonder te forceren. - Berg het wiel met de lekke band op in de reservewielhouder. - Hang de reservewielhouder op aan de haak en draai deze omhoog met behulp van de bout en de wielsleutel. 7SNEL WEER OP WEG Ga nooit onder een auto liggen die alleen op de krik steunt (gebruik bokken). Gebruik nooit ander gereedschap dan de wielsleutel.

152 Sneeuwscherm MONTEREN VAN HET GEREPAREERDE WIEL Het wiel dient op dezelfde manier te worden gemonteerd als bij stap 5. Vergeet bovendien niet de sierdop te monteren. Zie in de rubriek 8 het gedeelte "Identificatie" voor de plaats van de sticker met informatie over de banden. Zie in de rubriek 2 het gedeelte "Cockpit", hoofdstuk "Bandenspanningsdetectie" voor aanbevelingen na het vervangen van een wiel met bandenspanningssensor. Het noodreservewiel is niet geschikt voor het afleggen van lange afstanden. Laat zo snel mogelijk het aanhaalmoment van de wielbouten en de bandenspanning van het noodreservewiel controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. Laat bovendien de lekke band zo spoedig mogelijk repareren en het oorspronkelijke wiel in de plaats van het reservewiel monteren door het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. AFNEEMBAAR SNEEUWSCHERM Afhankelijk van het land van bestemming wordt het afneembare sneeuwscherm op het onderste gedeelte van de voorbumper geplaatst om een opeenhoping van sneeuw bij de koelventilateur van de radiateur te voorkomen. Vergeet niet het sneeuwscherm te verwijderen als de buitentemperatuur hoger is dan 10 C (en er geen kans op sneeuw meer is) of als de auto een aanhanger trekt. PLAATSEN - Breng het afneembare sneeuwscherm aan in de richting van de centreerstift A op de voorbumper. - Zet het scherm vast door de vier hoeken aan te drukken ter hoogte van de clips B. VERWIJDEREN - Steek een schroevendraaier in de opening ter hoogte van de clips. - Wip de vier clips B één voor één los.

153 Sneeuwkettingen SNEEUWKETTINGEN Onder winterse omstandigheden verbeteren sneeuwkettingen de tractie en het remgedrag van de auto. Uitsluitend de aangedreven wielen mogen van sneeuwkettingen worden voorzien. Een noodreservewiel mag niet worden voorzien van een sneeuwketting. Gebruik uitsluitend kettingen die geschikt zijn voor het type velg van uw auto: Maat van de af fabriek gemonteerde banden 195/65 R15 195/70 R15 205/65 R15 215/55 R16 Maximale afmeting van de schakels 9 mm Montagetips Als u onderweg sneeuwkettingen moet monteren, zet de auto dan langs de kant van de weg stil op een vlakke ondergrond. Trek de handrem aan en plaats eventueel wielblokken voor of achter de wielen om te voorkomen dat de auto wegglijdt. Monteer de sneeuwkettingen, volg daarbij de aanwijzingen van de fabrikant. Rijd langzaam weg en rijd een klein stukje met een snelheid van maximaal 50 km/h. Zet de auto stil en controleer of de kettingen correct gespannen zijn /50 R17 Neem voor meer informatie over sneeuwkettingen contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Houd u altijd aan de ter plekke geldende regelgeving over het gebruik van sneeuwkettingen en de maximaal toegestane snelheid. Rijd niet met sneeuwkettingen op een sneeuwvrij gemaakte weg om schade aan de banden en het wegdek te voorkomen. Het is raadzaam voor vertrek het monteren van de sneeuwkettingen te oefenen; doe dit op een vlakke en droge ondergrond. Als uw auto is voorzien van lichtmetalen velgen, controleer dan of de ketting en de bevestigingen de velg niet raken. 7SNEL WEER OP WEG

154 Lamp vervangen 152 LAMPEN VERVANGEN Het vervangen van een lamp dient plaats te vinden met afgezet contact of losgekoppelde accu. Wacht na het vervangen van een lamp 3 minuten met het aansluiten van de accu. Controleer telkens als u een lamp vervangt of deze goed werkt. Hogedrukreiniging Probeer hardnekkig vuil niet van de koplampen, achterlichten en omgeving te verwijderen met een hogedrukreiniger, om te voorkomen dat de vernislaag en de afdichtrubbers beschadigd raken. Lampen Uw auto is voorzien van verschillende typen lampen. Verwijder ze als volgt: Type A Volledig glazen lamp: de lamp is gemonteerd met een drukbevestiging. Trek de lamp daarom voorzichtig los. Type B Lamp met bajonetsluiting: druk de lamp iets in en draai hem linksom. Open de motorkap. Steek uw hand achter de refl ector voor toegang tot de lampen. Ga in omgekeerde volgorde te werk voor het vervangen van een lamp en controleer altijd of de beschermkap weer goed is gesloten. Het vervangen van een halogeenlamp moet altijd met uitgeschakelde verlichting plaatsvinden. Wacht enkele minuten tot de lamp afgekoeld is (risico van ernstige brandwonden). Raak de lamp nooit met uw vingers aan, gebruik hiervoor een zachte, niet-pluizende doek. Het is normaal dat aan de binnenzijde van de koplampen enige condensvorming optreedt. Bij regelmatig gebruik van de auto zal deze vanzelf verdwijnen. Type C Halogeenlamp: duw de borgveer open en verwijder de lamp uit de lamphouder. Type D Lichtdiode (LED): raadpleeg voor het vervangen van de dagrijverlichting het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

155 Lamp vervangen 153 KOPLAMPEN 1. Dimlicht/Grootlicht Type C, H4-55W - Trek aan de rubber borglip en verwijder het middelste deksel. - Neem de stekker los. - Maak de borglip los. - Vervang de lamp en let erop dat het metalen gedeelte goed aansluit op de groeven van de lampunit. - Maak de borglip weer vast. - Plaats het deksel terug en controleer of het rondom goed aansluit voor een goede afdichting. 2. Parkeerlicht Type A, W5W - 5W - Trek aan de rubber borglip en verwijder het deksel. - Trek aan de stekker om de met een drukbevestiging gemonteerde lamphouder los te nemen. - Vervang de lamp. - Plaats het deksel terug en controleer of het rondom goed aansluit voor een goede afdichting. 7SNEL WEER OP WEG 3. Richtingaanwijzers Type B, PY21W - 21W (amberkleurig) - Verwijder het deksel door aan de flexibele rubber lip te trekken. - Draai de lamphouder een kwart omwenteling linksom. - Druk de lamp iets in en draai hem linksom. - Vervang de lamp. - Plaats het deksel terug en controleer of het rondom goed aansluit voor een goede afdichting.

156 Lamp vervangen Mistlampen vóór Type C, H1-55W - Verwijder de drie bevestigingsklemmen en de bout uit de spatplaat onder de bumper. - Beweeg de spatplaat omhoog. - Verwijder de mistlamp door de bout los te draaien met behulp van een Torx 30 schroevendraaier. De bout is toegankelijk via de hiervoor bestemde opening in de bumper. - Maak de mistlamp los door de klem in te drukken. - Verwijder de mistlamp via de buitenzijde. - Draai de gele kap een kwart omwenteling om deze te openen. - Buig de klemmen van de lamphouder uit elkaar. - Verwijder de lamp door deze recht naar achteren te trekken. - Plaats de nieuwe lamp en zet de klemmen weer vast. Ga in omgekeerde volgorde te werk om het lampglas en de bumper terug te plaatsen. ZIJKNIPPERLICHT Type A, WY5W - 5W (amberkleurig) - Druk het zijknipperlicht naar achteren en maak het los door het naar voren te trekken. - Een nieuw zijknipperlicht is verkrijgbaar via het CITROËNnetwerk. Het zijknipperlicht vormt een onlosmakelijk geheel. - Schuif het nieuwe zijknipperlicht achterwaarts in de opening en duw het vervolgens naar de voorzijde. PLAFONNIERS Voor/achter Type A, 12V5W - 5W - Maak de plafonnier los door aan weerszijden een schroevendraaier in de gleuf te steken. - Trek de lamp los en vervang hem. - Bevestig het lampglas en controleer of het goed vastzit.

157 Lamp vervangen 155 ACHTERLICHTEN Zie voor meer informatie "Lampen". 1. Remlichten/achterlichten Type B, P21/5W - 21/5W 2. Richtingaanwijzers Type B, PY21W - 21W (amberkleurig) 3. Achteruitrijlichten Type B, P21W - 21W 4. Mistachterlicht Type B, P21W - 21W Hogedrukreiniging Probeer hardnekkig vuil niet van de koplampen, achterlichten en omgeving te verwijderen met een hogedrukreiniger, om te voorkomen dat de vernislaag en de afdichtrubbers beschadigd raken. - Bepaal de plaats van de defecte lamp en open de achterdeuren in een hoek van 180. Raadpleeg in rubriek 2 het gedeelte "Toegang tot de auto". - Verwijder de twee schroeven met behulp van de schroevendraaier uit de gereedschapsset onder de rechter voorstoel. - Trek aan de buitenzijde de lampunit los. - Houd de lampunit vast en neem de stekker los. - Maak de 4 borglippen los en verwijder de lamphouder uit de lampunit. - Druk de defecte lamp iets in en draai hem linksom om hem te verwijderen. - Vervang de lamp. Voor het verwijderen van de lampunit: - auto's met achterklep: beweeg de lampunit richting het midden van de auto, - auto's met achterdeuren: trek de lampunit naar u toe. 7SNEL WEER OP WEG Let er bij het terugplaatsen van de lampunit op dat de borglippen juist geplaatst worden en dat de bedrading niet bekneld raakt. Na het vervangen van een richtingaanwijzer achter duurt het meer dan ongeveer 2 minuten voordat deze opnieuw geïnitialiseerd is.

158 Lamp vervangen 156 KENTEKENPLAATVERLICHTING Type A, W5W - 5W Met achterklep - Wip het lampglas met behulp van een schroevendraaier los. - Vervang de lamp. - Breng het lampglas aan en druk het aan de bovenzijde vast. Met achterdeuren - Maak de bekleding aan de binnenzijde los. - Druk de borglip opzij en neem de stekker los. - Draai de lamphouder een kwart omwenteling linksom. - Vervang de lamp. - Plaats de lamphouder terug en sluit de stekker weer aan. - Plaats de bekleding terug. DERDE REMLICHT Type A, W16W - 16 W - Draai de twee moeren los. - Druk de pennen in. - Neem indien nodig de stekker los om de het remlicht te verwijderen. - Vervang de lamp.

159 Zekering vervangen ZEKERINGEN VERVANGEN De zekeringkasten bevinden zich: - links aan de onderzijde van het dashboard (achter de klep), - in de motorruimte (bij de accu). De aanwijzingen in dit boekje hebben uitsluitend betrekking op zekeringen die met behulp van de speciale tang (achter het opbergvak aan de rechterzijde van het dashboard) door de gebruiker vervangen kunnen worden. Raadpleeg voor overige werkzaamheden het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats. 157 Voor technici: raadpleeg voor alle informatie met betrekking tot zekeringen en relais de elektrische schema's van de "Reparatiemethoden" die verkrijgbaar zijn via het netwerk. CITROËN is niet aansprakelijk voor kosten die voortvloeien uit storingen veroorzaakt door het monteren van extra accessoires die niet door het CITROËN-netwerk geleverd en aanbevolen zijn en niet volgens haar voorschriften gemonteerd zijn. Dit geldt met name voor apparatuur met een totaal stroomverbruik van meer dan 10 milliampère. Zekeringen vervangen Voordat u een zekering vervangt, dient u eerst de oorzaak van de storing op te sporen en te (laten) verhelpen. Gebruik de tang. Vervang een defecte zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte. 7SNEL WEER OP WEG

160 Zekering vervangen 158 ZEKERINGEN DASHBOARD Kantel het opbergvak omlaag om bij de zekeringen te komen. Zekering F Ampère A 1 15 Ruitenwisser achter 2 - Niet gebruikt 3 5 Airbag 4 10 Functies Airconditioning, diagnoseaansluiting, bediening elektrisch verstelbare buitenspiegels, draadbundel koplampen 5 30 Elektrische ruitbediening 6 30 Sloten 7 5 Plafonnier achter, kaartleeslampje vóór 8 20 Autoradio, display, controlesysteem bandenspanning, sirene en inbraakalarm V-aansluiting voor en achter Middenconsole Contactslot circuit lage stroomsterkte Regen-/lichtsensor, airbag 13 5 Instrumentenpaneel Parkeerhulp, bediening automatische airconditioning, handsfree set Sloten 16 - Niet gebruikt Achterruitverwarming, buitenspiegelverwarming

161 Zekering vervangen ZEKERINGEN INTERIEUR 7SNEL WEER OP WEG 159 Zekering F Ampère A 1 - Niet gebruikt 2 20 Stoelverwarming 3 - Niet gebruikt Functies 4 15 Relais inklapbare buitenspiegels 5 15 Relais aansluiting koelapparatuur

162 Zekering vervangen 160 ZEKERINGEN ONDER DE MOTORKAP Maak de zekeringkast open en kantel deze omlaag om bij de zekeringen te komen. Zekering F Ampère A 1 20 Motormanagement 2 15 Claxon Functie 3 10 Pomp ruitensproeiers voor en achter 4 20 Pomp koplampsproeiers 5 15 Motorcomponenten 6 10 Sensor verdraaiing stuurwiel, ESC 7 10 Rempedaalschakelaar, schakelaar koppelingspedaal 8 25 Startmotor 9 10 Motor koplampverstelling, parkeerhulpcomputer Motorcomponenten Niet gebruikt Ruitenwissers Intelligente servicecentrale (BSI) Pomp Grootlicht rechts Grootlicht links Dimlicht rechts Dimlicht links

163 Ruitenwisserblad vervangen 161 WISSERBLADEN VERVANGEN De ruitenwissers vóór in een speciale stand zetten - Beweeg de ruitenwisserschakelaar binnen één minuut na het afzetten van het contact omlaag om de ruitenwissers naar de voorruitstijlen te bewegen (speciale stand). Vervangen van een wisserblad vóór - Til de ruitenwisserarm op. - Maak het wisserblad los en verwijder het. - Monteer het nieuwe wisserblad. - Zet de ruitenwisserarm terug. Zet het contact aan en bedien de ruitenwisserschakelaar om de ruitenwissers in de ruststand te zetten. 7SNEL WEER OP WEG Vervangen van het wisserblad achter - Til de ruitenwisserarm op, maak de clip los en verwijder het wisserblad. - Monteer het nieuwe wisserblad en zet de ruitenwisserarm terug.

164 Slepen van uw auto 162 SLEPEN VAN DE AUTO Het sleepoog is opgeborgen in de gereedschapsset, onder de linker voorstoel. Zonder takelen (4 wielen op de grond) Gebruik hiervoor altijd een sleepstang. Aan de voorzijde - maak het klepje aan de onderkant los met behulp van het vlakke gedeelte van het sleepoog, - draai het demonteerbare sleepoog vast tot het stuit. Aan de achterzijde - maak het klepje los met behulp van een muntstuk of het platte uiteinde van het sleepoog, - draai het demonteerbare sleepoog vast tot het stuit. Getakeld (2 wielen op de grond) Het takelen van de wagen bij de wielen geniet de voorkeur. Bij het slepen van de auto met stilstaande motor werken de remen stuurbekrachtiging niet. Auto's met handgeschakelde versnellingsbak (diesel) Bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak moet de versnellingshendel in de neutraalstand staan. Het niet opvolgen van dit voorschrift kan er toe leiden dat onderdelen van de transmissie of het remsysteem beschadigd raken en dat de rembekrachtiger na het starten niet meer werkt.

165 Voorzorgsmaatregelen 7SNEL WEER OP WEG 163

166 164 Afmetingen

167 Afmetingen AFMETINGEN (MM) 165 L Totale lengte 4380 H Totale hoogte A Wielbasis 2728 B Overhang vóór 925 C Overhang achter 727 D Totale breedte carrosserie: zonder buitenspiegels 1810 met buitenspiegels 2112 E Spoorbreedte vóór TECHNISCHE GEGEVENS F Spoorbreedte achter e zitrij Lengte laadruimte tot stoelen 2e zitrij, stoel neergeklapt 1343 Passagiersstoel weggeklapt 3000

168 Afmetingen 166 M Maximale hoogte laadvloer met bandenmaat 205/65 R15 en bekleding achterklep ACHTERDEUREN (mm) 582 Achterdeuren Achterklep Klein Groot N Nuttige hoogte 1118 O Breedte

169 Afmetingen 167 8TECHNISCHE GEGEVENS SCHUIFDEUREN (mm) P Nuttige hoogte 1009 Q Nuttige breedte Stahoogte onder geopende achterklep 1892

170 Gewichten GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (KG) 168 Algemeen Raadpleeg voor meer informatie uw kentekenbewijs. U moet zich in elk land houden aan de aldaar geldende regelgeving. Raadpleeg het CITROËN-netwerk om u te laten informeren over het aanhangergewicht en maximale treingewicht van uw auto. De maximumsnelheid bij het trekken van een aanhanger bedraagt 90 km/h voor Nederland (in andere landen kunnen afwijkende maximumsnelgheden gelden). Het geremde aanhangergewicht kan, binnen het maximaal toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto evenredig wordt verminderd. Let op: de wegligging van een nauwelijks beladen trekkende auto kan achteruit gaan. Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 m; het opgegeven aanhangergewicht dient voor elke extra 1000 m met 10% verminderd te worden. Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto worden verminderd om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37 C bedraagt, moet het aanhangergewicht worden verminderd. Het ledig gewicht rijklaar (LGR) is gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg) + brandstoftank voor 90% gevuld.

171 Identificatie 169 IDENTIFICATIEGEGEVENS 8TECHNISCHE GEGEVENS A. Constructeursplaatje B. Serienummer. Het serienummer is ingeslagen in het rechter binnenscherm vóór. C. Banden en kleurcode van de lak. De sticker C op het voorportier geeft de volgende informatie: - de maat van de velgen en banden, - de door de constructeur aanbevolen bandenmerken, - de bandenspanning (deze moet minstens eens per maand bij koude banden gecontroleerd worden), - de kleurcode van de lak.

172

173 URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP 9.1

174 URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP 9.2 CITROËN OPROEP NAAR URGENCE MET LOKALISERING Druk in geval van nood langer dan 2 seconden op deze toets. Het knipperen van het groene LED-lampje en een geluidssignaal g bevestigen dat de oproep p naar de alarmcentrale CITROËN-Urgence is verstuurd *. Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de oproep geannuleerd. Het groene LED-lampje dooft. Wanneer u deze toets op een willekeurig moment langer dan 8 seconden ingedrukt houdt, annuleert u de oproep. Het groene LED-lampje blijft branden (zonder te knipperen) wanneer de verbinding tot stand is gebracht. Aan het einde van het gesprek gaat het lampje uit. Deze oproep wordt beheerd door de CITROËN-Urgence alarmcentrale die de informatie over de lokalisatie van de auto ontvangt en een waarschuwing kan zenden naar de gekwalifi ceerde hulpdiensten. In landen waar de alarmcentrale niet operationeel is of wanneer de lokalisatie uitdrukkelijk is geweigerd, wordt de oproep meteen doorgestuurd naar de hulpdiensten (112), zonder lokalisatie. Wanneer de elektronische eenheid airbags een botsing heeft waargenomen, wordt onafhankelijk van het eventueel afgaan van de airbags, automatisch een noodoproep gedaan. Indien u gebruik maakt van de dienst CITROËN etouch, beschikt u ook over aanvullende diensten via uw persoonlijke pagina MyCITROEN op de CITROËN-internetsite voor uw land. Surf hiervoor naar * Deze diensten zijn afhankelijk van bepaalde voorwaarden en beschikbaarheid. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. CITROËN OPROEP NAAR ASSISTANCE MET LOKALISERING Druk langer dan 2 seconden op deze toets voor het aanvragen van hulp bij het stranden van de auto. Een gesproken bericht bevestigt dat de oproep is verstuurd. * Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de aanvraag geannuleerd. Dit wordt bevestigd door een gesproken bericht. WERKING VAN HET SYSTEEM Bij het aanzetten van het contact, gaat het groene lampje 3 seconden branden. Dit duidt op een goede werking van het systeem. Het oranje lampje knippert: er is een storing in het systeem. Het oranje lampje blijft branden: de noodbatterij moet vervangen worden. Raadpleeg in beide gevallen het CITROËNnetwerk. Wanneer u uw auto buiten het CITROËN-netwerk hebt gekocht, raden wij u aan de aanwezigheid van deze diensten bij het netwerk te laten controleren en eventueel confi gureren. In een meertalig land kunt u het systeem laten confi gureren in de offi ciële landstaal van uw voorkeur. Om technische redenenen, zoals het verbeteren van de telematicadiensten aan de klant, behoudt de constructeur zich het recht voor om op elk willekeurig moment het telematicasysteem in de auto te wijzigen.

175 emyway GPS-NAVIGATIE MULTIMEDIA-AUTORADIO/ BLUETOOTH-TELEFOON Dit systeem is zodanig gecodeerd dat het uitsluitend in uw auto functioneert. Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto. Wanneer de eco-modus is geactiveerd schakelt het systeem zichzelf na het afzetten van de motor automatisch uit om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. INHOUD 01 Basisfunctie - Bedieningspaneel blz Algemene werking blz Bediening op stuur blz Audio-instellingen blz Navigatie blz Verkeersinformatie blz Telefoneren blz Radio blz Multimediaspelers blz Configuratie blz Boordcomputer blz Menustructuur display blz Veelgestelde vragen blz

176 01 BASISFUNCTIES Lang indrukken: toegang tot de " Audio-instellingen ": klankkleur, lage-/hoge-tonenregeling, loudness, verdeling, balans links-rechts, balans voor-achter, automatische volumecorrectie. Toegang tot het menu " RADIO " en weergave van de zenderlijst. Lang indrukken: weergave van het paneel met audio-regelknoppen voor de geluidsbron tuner. Toegang tot het Menu " MUSIC " en weergave van de tracks of de afspeellijsten van de CD/MP3/ Apple -apparatuur. Lang indrukken: weergave van het paneel met audio-regelknoppen voor de geluidsbron "MEDIA" (CD/USB/iPod/Streaming/AUX). Draaiknopje voor selecteren en bevestigen: Selecteren van een item op het display en bevestigen van uw keuze door het knopje kort in te drukken. Als er geen menu of lijst wordt weergegeven: druk het knopje kort in om een contextmenu op te vragen, afhankelijk van de weergave op het scherm. Draaien bij weergave van de kaart: in/- uitzoomen op de kaart. Kort indrukken (motor afgezet): aan/uit. Kort indrukken (draaiende motor): uit-/inschakelen van geluidsbron. Instellen geluidsvolume (het geluidsvolume van elke geluidsbron wordt afzonderlijk ingesteld, ook dat van de verkeersinformatie en de navigatie-aanwijzingen). Kort indrukken: selecteren van een opgeslagen radiozender. Lang indrukken: in het geheugen opslaan van de huidige radiozender. Toets MODE: Selecteren van het type permanente weergave. Lang indrukken: Black panelfunctie (DARK). Toegang tot het menu " Navigatie " en weergave van de laatste bestemmingen. 9.4

177 01 BASISFUNCTIES Toegang tot het menu " Configuratie ". Lang indrukken: toegang tot het GPSbereik en de demomodus. Toegang tot het menu "Telefoon" en weergave van de laatste gesprekken of inkomend gesprek accepteren. Selecteren: - vorige/volgende item in een lijst of een menu. - vorige/volgende mediabestand. - vorige/volgende radiofrequentie (stap voor stap). - vorige/volgende MP3-bestand. Omhoog/omlaag voor de functie " De kaart verplaatsen ". Lang indrukken: resetten van het systeem. Toegang tot het menu " Verkeersinformatie TMC " en weergave van de actuele verkeersinformatie. Huidige bewerking afbreken, terug naar vorige map. Lang indrukken: terug naar vorige weergave. Selecteren: - vorige/volgende radiozender (automatisch). - vorige/volgende nummer van een CD of mediaspeler. - linker of rechter gedeelte van het scherm als er een menu wordt weergegeven. Links/rechts voor de functie " De kaart verplaatsen ". 9.5

178 02 ALGEMENE WERKING Druk een paar keer achter elkaar op de toets MODE om naar de volgende menu's te gaan: "RADIO" "KAART OP VERKLEIND SCHERM" (tijdens navigatie) "TELEFOON" (tijdens communicatie) " KAART OP VOLLEDIG SCHERM " SETUP : INSTELLINGEN: datum en tijd, confi guratie weergave, geluid. Geluidsbron veranderen: RADIO : RADIO als geluidsbron. MUSIC: MUSIC als geluidsbron. Gebruik voor het schoonmaken van het display een zacht, niet-schurend doekje (bijvoorbeeld een brillendoekje) zonder schoonmaakmiddel. Raadpleeg de rubriek "Menustructuur display" voor een gedetailleerd overzicht van de keuzemogelijkheden binnen de menu's. 9.6

179 02 ALGEMENE WERKING WEERGAVE AFHANKELIJK VAN DE CONTEXT Door de draaiknop in te drukken krijgt u toegang tot de snelkeuzemenu's. 1 1 DTMF-tonen Ophangen 1 2 Bestemming kiezen Adres invoeren RADIO: TA in-/uitschakelen RDS in-/uitschakelen TELEFOON (tijdens communicatie): Veranderen van frequentieband Verkeersbericht (TA) FM AM Privémodus In de wacht zetten MULTIMEDIASPELERS, CD OF USB (afhankelijk van media): Afspeelwijze: Normaal Willekeurig Willekeurig op elk medium Herhalen KAARTWEERGAVE OP VOLLEDIG OF VERKLEIND SCHERM: 1 Navigatie stoppen/hervatten Adresboek GPS-coördinaten Alternatieve route Kaart verplaatsen Info plaats Als bestemming kiezen Als etappe kiezen Deze plaats opslaan (contacten) Kaartmodus verlaten Navigatiecriteria 9.7

180 03 STUURKOLOMSCHAKELAARS RADIO: selecteren van de vorige/volgende voorkeuzezender. Selecteren van het volgende item uit het adresboek. RADIO: selecteren van de volgende radiozender in de lijst. Lang indrukken: automatisch zoeken naar zenders in oplopende volgorde. CD: selecteren van het volgende nummer. CD: ingedrukt houden: snel vooruitspoelen. Volume verhogen. Wijzigen van de geluidsbron. Bellen vanuit het adresboek. Telefoon opnemen/ophangen. Langer dan 2 seconden indrukken: toegang tot het adresboek. Mute; geluid onderbreken: gelijktijdig indrukken van de toetsen van de volumeregeling. Geluid weer inschakelen: indrukken van een van de twee toetsen van de volumeregeling. Volume verlagen RADIO: selecteren van de vorige radiozender in de lijst. Lang indrukken: automatisch zoeken naar zenders in afl opende volgorde. CD: selecteren van het vorige nummer. CD: ingedrukt houden: snel terugspoelen. 9.8

181 04 AUDIO-INSTELLINGEN Deze zijn op te vragen met de toets MUSIC op het bedieningspaneel of door de toets RADIO (afhankelijk van de geluidsbron) even ingedrukt te houden. De verdeling van het geluid (of de ruimtelijke verdeling dankzij het Arkamys -systeem) in de auto is belangrijk voor de kwaliteit van de weergave en kan worden afgestemd op het aantal inzittenden. - " Klankkleur " (6 verschillende opties) - " Bassen " - " Hoge tonen " - " Loudness " (In-/uitschakelen) - "Verdeling" (" Bestuurder ", " Alle passagiers ") - " Balans " (Links/Rechts) - " Fader " (Voor/Achter) - " Autom. volume " afhankelijk van de rijsnelheid (In-/ uitschakelen) De ( Klankkleur, Bassen, Hoge tonen en Loudness ) zijn voor elke geluidsbron apart in te stellen. De instellingen van de verdeling van het geluid en de balans zijn voor alle geluidsbronnen gelijk. 9.9

182 05 NAVIGATIE Naar het menu "NAVIGATIE" Raadpleeg het CITROËNnetwerk om updates voor de kaartgegevens te verkrijgen. "N Navigatie ig tii " Druk op NAV. Druk kort op het uiteinde van de lichtschakelaar om de laatste gesproken instructie te herhalen. Selecteer " Opties " in het navigatiemenu en vervolgens " Laatste bestemmingen wissen " en bevestig uw keuze om de laatste bestemmingen te wissen. Selecteer " Ja " en bevestig uw keuze. Het is niet mogelijk om één enkele bestemming te wissen Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts). of

183 05 NAVIGATIE EEN BESTEMMING KIEZEN EEN NIEUWE BESTEMMING KIEZEN Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Selecteer een plaats uit de lijst en bevestig uw keuze. U kunt ook een lijst met plaatsen in het opgegeven land opvragen door een paar letters op te geven en dit te bevestigen met "Lijst". Draai aan de draaiknop en selecteer OK om uw keuze te bevestigen. Selecteer " Een bestemming kiezen " en bevestig uw keuze, selecteer dan " Adres invoeren " en bevestig uw keuze. Vul de gegevens zoals " Weg " en "Nummer/Kruising " op dezelfde manier in. Selecteer " Land " en bevestig uw keuze. Selecteer " Opslaan " om de adreskaart op te slaan. U kunt maximaal 400 kaarten opslaan. Selecteer " Plaats " en bevestig uw keuze om de plaats van bestemming op te slaan. Selecteer één voor één de letters van de plaats en bevestig elke letter steeds met het draaiknopje. Bevestig met "OK" om het navigeren te starten. Selecteer een navigatiecriterium: " Snelste route ", " Kortste route " of beste route " Afstand/Tijd ", en selecteer indien gewenst, aanvullende criteria zoals: " Met tolwegen ", " Met veerpont ", of " Verkeersinformatie " en bevestig uw keuze met " OK". 9.11

184 05 NAVIGATIE EEN BESTEMMING KIEZEN NAAR EEN VAN DE LAATSTE BESTEMMINGEN NAAR EEN CONTACT UIT HET ADRESBOEK Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Navigeren naar een uit het adresboek van de telefoon geïmporteerd adres is alleen mogelijk als het adresbestand compatibel is met het systeem. Selecteer de gewenste bestemming en bevestig uw keuze om het navigeren te starten. Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". De laatste bestemmingen verwijderen: - Druk op " NAV". - Selecteer "Navigatie-opties" en bevestig. - Selecteer "Laatste bestemmingen wissen" en bevestig. Selecteer en bevestig " Bestemming kiezen ", selecteer vervolgens " Adresboek " en bevestig uw keuze. Selecteer de gewenste bestemming en bevestig uw keuze met "OK " om het navigeren te starten. 9.12

185 05 NAVIGATIE GPS-COÖRDINATEN ALS BESTEMMING INVOEREN NAAR EEN PUNT OP DE KAART Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Druk, als de kaart op het scherm wordt weergegeven, op OK om naar het contextmenu te gaan. Selecteer dan " Kaart verplaatsen " en bevestig uw keuze. Selecteer en bevestig " Bestemming kiezen ", selecteer " GPS-coördinaten " en bevestig uw keuze. Verplaats de cursor op het scherm met de navigatietoets om een bestemmingspunt te kiezen. Voer de GPS-coördinaten in en bevestig uw invoer met " OK" om het navigeren te starten. Druk op OK voor het contextmenu van de functie " Kaart verplaatsen ". Selecteer " Als bestemming kiezen " of " Als tussenstop kiezen " en bevestig uw keuze. 9.13

186 05 NAVIGATIE NAAR POINTS OF INTEREST (POI) Points of interest (POI) zijn openbare gebouwen en diensten in de omgeving (hotels, bedrijven, vliegvelden...). Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Selecteer " Zoeken op Naam " om POI's op naam in plaats van op afstand te zoeken. Selecteer "Een bestemming kiezen" en bevestig dit, selecteer vervolgens "Een adres invoeren" en bevestig dit. Zoek een POI in één van de rubrieken op de volgende pagina's. Selecteer en bevestig " POI " en selecteer en bevestig dan " Rondom huidige plaats " om een POI in de buurt te zoeken. Selecteer en bevestig " POI " om een POI in een etappe op te nemen, selecteer vervolgens " Op de route " en bevestig uw keuze. Om een POI als bestemming op te geven moet u eerst het land en de plaats opgeven (zie "Naar nieuwe bestemming"), vervolgens " POI " selecteren en bevestigen en dan " Dichtbij " selecteren en bevestigen. Selecteer de gewenste POI en bevestig uw keuze met "OK " om het navigeren te starten. 9.14

187 05 POI-LIJST NAVIGATIE Dit pictogram verschijnt als er zich meerdere Points of Interest in hetzelfde gebied bevinden. Door op dit pictogram in te zoomen kunt u de verschillende Points of Interest bekijken. De exacte procedure voor het updaten van POI's is beschikbaar op de website " ". * Afhankelijk van beschikbaarheid in het land. 9.15

188 05 INSTELLEN WAARSCHUWINGSMELDINGEN RISICOGEBIEDEN Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Deze functies zijn alleen beschikbaar als de risicogebieden zijn gedownload en in het systeem zijn geïnstalleerd. De gedetailleerde procedure voor het updaten van de risicogebieden is beschikbaar op de website Selecteer " Opties " en bevestig uw keuze; selecteer vervolgens " Risicogebieden instellen " en bevestig uw keuze. U kunt nu kiezen uit: - "Zichtbare meldingen" - "Meldingen met geluidssignalen" - "Alleen meldingen weergeven bij het navigeren" - "Alleen meldingen geven bij een te hoge snelheid". U kunt de tijd tussen het moment van de waarschuwing voor een Risicogebied en het passeren van het risicogebied instellen. Selecteer "OK K" om de instellingen te bevestigen. 9.16

189 05 NAVIGATIE EEN ETAPPE TOEVOEGEN ETAPPES BEHEREN Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Herhaal de handelingen 1 en 2, selecteer " Etappes Ordenen/ Wissen " en bevestig uw keuzes om etappes te beheren. Selecteer " Etappes en routes " en bevestig uw keuze. Selecteer de etappe die u wilt verplaatsen. Selecteer " Etappe toevoegen " en bevestig uw keuze. Het adres van de etappe geeft u als bestemming op via " Adres invoeren ", een kaart uit het " Adresboek ", of uit " Laatste bestemmingen ". Selecteer en bevestig uw keuze om de wijzigingen op te slaan. Selecteer " Verwijderen " om een etappe te verwijderen. Selecteer " Dichtbij " om in de buurt van de etappe te komen of " Strikt " om de etappe heel precies te rijden. Bevestig met "OK" om het navigeren te starten en globaal de richting aan te geven. 9.17

190 05 NAVIGATIE NAVIGATIEOPTIES CRITERIA VOOR DE BEREKENING Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Selecteer " Rekencriteria definiëren " en bevestig uw keuze. Met deze functie kunt u de verschillende criteria voor het berekenen van de route instellen: - de soort route (" Snelste route ", " Kortste route ", " Afstand/Tijd "), - aanvullende criteria zoals (" Met tolwegen " of " Met veerpont "), - al of niet rekening houden met de verkeersinformatie (" Verkeersinformatie "). Selecteer " Opties " en bevestig uw keuze. Als u opgeeft dat het systeem rekening moet houden met de verkeersinformatie, wordt er automatisch een nieuwe route berekend als de verkeerssituatie daar aanleiding toe geeft. Selecteer " OK" en bevestig uw keuze om de instellingen op te slaan. 9.18

191 05 NAVIGATIE KAARTEN BEHEREN POINTS OF INTEREST OP DE KAART KIEZEN Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Selecteer één of meer categorieën die u op het scherm wilt zien. Selecteer " Kaartbeheer " en bevestig uw keuze. Selecteer " Standaard " om alleen " Tankstations, garages " en " Risicogebieden " (indien gedownload) weer te geven op de kaart. Selecteer " Gegevens van de kaart " en bevestig uw keuze. Selecteer " OK" en bevestig uw keuze, selecteer nogmaals "OK" en bevestig dit opnieuw om de instellingen op te slaan. 9.19

192 05 NAVIGATIE ORIËNTERING VAN DE KAART Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Selecteer: - " Op auto georiënteerd " om de kaart op de auto te richten, - " Op noorden georiënteerd " om de kaart altijd naar het noorden te richten, - "Perspectief " om de kaart in perspectief te zien. Selecteer " Kaartbeheer " en bevestig uw keuze. In het menu " SETUP " kunt u de kleur van de kaart veranderen door weergave bij "Dag" of "Nacht" te kiezen. Selecteer " Oriëntering van de kaart " en bevestig uw keuze. De straatnamen worden op de kaart weergegeven bij een schaal van 100 m of kleiner. 9.20

193 05 GESPROKEN NAVIGATIEBERICHTEN INSTELLEN VOLUMEREGELING/UITSCHAKELEN Het volume van de instructies kunt u ook instellen via het menu " SETUP " / " Spraaksynthese ". Het instellen van het volume is mogelijk door de volumeknop te bedienen tijdens de weergave van een route-aanwijzing. Selecteer de volumeweergave en bevestig uw keuze. Druk op NAV voor het menu " Navigatie ". Stel het gewenste volume in en bevestig uw keuze. Selecteer " Opties " en bevestig uw keuze. Selecteer "Uitschakelen " om de gesproken instructies uit te schakelen. Selecteer " Instellen gesproken berichten " en bevestig uw keuze. Selecteer " OK" en bevestig uw keuze. 9.21

194 05 NAVIGATIE MANNENSTEM/VROUWENSTEM Druk op SETUP voor het confi guratiemenu. Selecteer " Spraaksynthese " en bevestig uw keuze. Selecteer " Mannenstem kiezen " of " Vrouwenstem kiezen " en bevestig uw keuze met " Ja ". Het systeem wordt vervolgens opnieuw opgestart. 9.22

195 06 VERKEERSINFORMATIE Naar het menu "VERKEERSINFORMATIE" "V Verkeersinformatie e kee si fo attie TMC C" Druk op " TRAFFIC ". Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts). of 9.23

196 06 VERKEERSINFORMATIE INSTELLEN VAN DE FILTERS EN DE WEERGAVE VAN TMC-BERICHTEN Een TMC-bericht (Trafic Message Channel) is informatie met betrekking tot het verkeer en het weer die in real time wordt ontvangen en doorgestuurd naar de bestuurder in de vorm van gesproken berichten en visuele waarschuwingen op de navigatiekaart. Het navigatiesysteem kan in dat geval een alternatieve route voorstellen. Druk op TRAFFIC voor weergave van het menu "Verkeersinformatie TMC". Het systeem biedt de keuze: - " Bewaar alle berichten : ", of - " Bewaar de berichten : " " Rondom de auto ", (bevestig de opgegeven kilometers om dit te wijzigen en de afstand te kiezen), " Op de route ". Selecteer de functie "Geografisch filter" en bevestig uw keuze. Bevestig met "OK" om de wijzigingen op te slaan. Wij adviseren: - een fi lter op de route en - een fi lter rondom de auto van: - 20 km in de stad, - 50 km op de snelweg. 9.24

197 06 VERKEERSINFORMATIE BELANGRIJKSTE PICTOGRAMMEN TMC Zwart-blauwe driehoek: algemene informatie, bijvoorbeeld: VERKEERSBERICHTEN BELUISTEREN De functie TA (Traffi c Announcement) geeft voorrang aan het luisteren naar verkeersberichten. Om te worden geactiveerd moet deze functie een radiozender die deze berichten uitzendt, goed kunnen ontvangen. Zodra een verkeersbericht wordt uitgezonden, wordt de geluidsbron die op dat moment wordt weergegeven (Radio, CD, USB,...) automatisch onderbroken en wordt het verkeersbericht weergegeven. Zodra het verkeersbericht is afgelopen, wordt de weergave van de oorspronkelijke geluidsbron hervat. Druk op RADIO om het menu "FM / AMband" weer te geven. Rood-gele driehoek: verkeersberichten, bijvoorbeeld: Selecteer " Opties " en bevestig uw keuze. Schakel "Verkeersbericht" in of uit en bevestig uw keuze. Het geluidsvolume van de verkeersberichten kunt u alleen instellen tijdens de weergave van een dergelijk bericht. U kunt de functie op elk moment in- of uitschakelen door op de toets te drukken. Druk tijdens een verkeersbericht op de toets wanneer u het bericht wilt onderbreken. 9.25

198 9.26

199 07 TELEFONEREN Naar het menu "TELEFOON" In de bovenbalk wordt steeds aangegeven "T Telefoon elefoo " Geen verbinding met een telefoon. Druk op PHONE. Verbinding met een telefoon. Binnenkomend gesprek. Uitgaand gesprek. Bezig met synchroniseren van adresboek. Communicatie met telefoon bezig. Selecteer een nummer in de lijst en bevestig uw keuze met "OK" om een gesprek te starten. Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts). of Als u verbinding met een andere telefoon maakt, wordt de lijst met de laatste gesprekken gewist. 9.27

200 07 TELEFONEREN BLUETOOTH-TELEFOON KOPPELEN EERSTE KOPPELING Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree-set mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling de volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd als de auto stilstaat. Ga voor meer informatie (compatibiliteit, extra hulp, enz.) naar www. citroen.nl. Activeer de Bluetooth-functie van uw telefoon en stel deze zo in dat de telefoon "gezien" wordt. Selecteer " Randapparatuur zoeken " en bevestig uw keuze. Er verschijnt een overzicht van de apparatuur die waargenomen is. Wacht tot de knop " Verbinden " verschijnt. Selecteer het gewenste apparaat in de lijst, kies dan " Verbinden " en bevestig uw keuze. Druk op deze toets. Selecteer " Bluetooth-functies " en bevestig uw keuze. Het systeem stelt voor: - het profi el " Handsfree functie " (alleen telefoon), - het profi el " Audio " (streaming: lezen van muziekbestanden van de telefoon), - of beide profi elen " Alle ". Selecteer met "OK" en bevestig uw keuze. 9.28

201 07 TELEFONEREN De beschikbaarheid van diensten hangt af van het GSM-netwerk, de simkaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur. Controleer in de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en informeer bij uw provider welke diensten voor u toegankelijk zijn. Kies het profi el " Handsfree functie " als u geen muziek wilt beluisteren. Accepteer een automatische verbinding met de telefoon als u wilt dat de telefoon automatisch aangesloten wordt bij het starten van de auto. Het systeem kan maar één profi el kiezen als de telefoon geen extra functies heeft. U kunt allebei de profi elen als standaardinstelling kiezen. Het is afhankelijk van het type telefoon of het systeem u vraagt om toestemming voor de overdracht van uw telefoonboek. Kies een code voor de verbinding en bevestig uw invoer met " OK". Bij terugkomst in de auto wordt de verbinding met de laatst aangesloten telefoon binnen ongeveer 30 seconden na het aanzetten van het contact, automatisch weer tot stand gebracht (Bluetooth actief en apparatuur "zichtbaar"). Om het profiel van de automatische verbinding te veranderen, moet u de koppeling met de desbetreffende telefoon ongedaan maken en de telefoon daarna met het nieuwe profiel opnieuw koppelen. Voer dezelfde pincode als die van de telefoon in om de verbinding tot stand te brengen. 9.29

202 07 TELEFONEREN ADRESBOEK / SYNCHRONISEREN CONTACTEN Druk op PHONE en selecteer " Contacten beheren " en bevestig uw keuze. Selecteer " Nieuw contact " om een nieuw contact op te slaan. Selecteer "Sorteren op achternaam/ voornaam" om de contacten in de gewenste volgorde weer te geven. Selecteer " Alle contacten wissen " om de opgeslagen contacten uit het geheugen te verwijderen. Selecteer " Alles importeren " om alle contacten van de telefoon te importeren en op te slaan. Als een contact eenmaal geïmporteerd is, blijft het zichtbaar, ook als u een andere telefoon aansluit. Selecteer " Synchronisatie-opties ": - Geen synchronisatie: alleen de in het geheugen van het systeem opgeslagen contacten (altijd aanwezig). - Contacten van telefoon weergeven: alleen de contacten die in het geheugen van de telefoon zijn opgeslagen. - Contacten van simkaart weergeven: alleen de contacten die op de simkaart van de telefoon zijn opgeslagen. - Alle contacten weergeven: de contacten die in het geheugen van de telefoon én op de simkaart zijn opgeslagen. Selecteer " Status van contactengeheugen " als u wilt weten hoeveel contacten er in het geheugen zijn opgeslagen en hoeveel ruimte er nog over is. 9.30

203 07 TELEFONEREN Druk op PHONE, selecteer dan " Contacten " en bevestig uw keuze. Selecteer " Importeren " om één contact naar het systeem te kopiëren. Selecteer het gewenste contact en bevestig uw keuze. Selecteer " Verwijderen " om een opgeslagen contact uit het systeem te verwijderen. Selecteer OK Selecteer " Bellen " om het nummer te bellen. of druk op de Return-toets om dit menu te verlaten. Selecteer " Openen " om een extern contact weer te geven of een opgeslagen contact te wijzigen. Een extern contact moet altijd eerst geïmporteerd worden voordat u het kunt wijzigen. Het contact wordt in het geheugen van het systeem opgeslagen. Contacten in het adresboek van de telefoon of op de simkaart kunnen niet verwijderd of gewijzigd worden. Verwijderen van opgeslagen adressen: - Druk op PHONE. - Selecteer "Contacten". - Selecteer "Contacten weergeven" en bevestig, selecteer vervolgens het adres. - Selecteer "Wissen" en bevestig. (Deze handeling moet voor ieder contact afzonderlijk worden uitgevoerd). 9.31

204 07 TELEFONEREN BELLEN EEN NUMMER BELLEN Gebruik de telefoon liever niet onder het rijden. Stop op een veilige plaats om te bellen als u gelegenheid hebt en gebruik bij voorkeur de toetsen op het stuur. EEN CONTACT BELLEN Druk 2 keer op PHONE. Druk op TEL of 2 keer op PHONE. Selecteer " Contacten " en bevestig uw keuze. Selecteer " Bellen " en bevestig uw keuze. Toets het nummer in op het virtuele toetsenbord door de cijfers te selecteren en daarna te bevestigen Bevestig met " OK " om het ingevoerde telefoonnummer te bellen. Selecteer het gewenste contact en bevestig uw invoer. Als u het contact via de toets PHONE hebt opgevraagd, selecteert u " Bellen " en bevestigt u uw keuze. Selecteer het nummer en bevestig uw keuze om het bellen te starten 9.32

205 07 TELEFONEREN EEN GESPREK BEËINDIGEN LAATSTE NUMMERS BELLEN Druk op PHONE en selecteer "OK " om een gesprek te beëindigen. Druk op TEL, selecteer " Lijst gesprekken " en bevestig uw keuze, U kunt ook de toets TEL even ingedrukt houden. of Druk op PHONE voor een overzicht van de laatste gesprekken. U kunt ook 2 keer kort achter elkaar op de toets TEL op het stuur drukken. Selecteer het gewenste nummer en bevestig uw keuze. U kunt ook de toets MODE indrukken tot het telefoonscherm verschijnt. Druk 2 keer op PHONE, selecteer en bevestig " Telefoonfuncties " en dan " De gesprekkenlijst wissen " als u de lijst met de laatste gesprekken wilt wissen. Druk vervolgens op "OK " voor het contextmenu, selecteer " Verbreken " en bevestig uw keuze om het gesprek te beëindigen. 9.33

206 07 TELEFONEREN EEN INKOMEND GESPREK Als u gebeld wordt, klinkt een beltoon en verschijnt een popupvenster op het scherm. Standaard is het systeem ingesteld op "Ja" om het gesprek aan te nemen. Druk op " OK " om het gesprek aan te nemen. Selecteer " Nee " en bevestig uw keuze om het telefoontje te weigeren. Druk de toets TEL even in om een gesprek aan te nemen. Houd de toets TEL langer ingedrukt om een gesprek te weigeren. 9.34

207 07 TELEFONEREN OPTIES TIJDENS EEN GESPREK * Druk tijdens het gesprek een paar keer op de toets MODE om het telefoonmenu te selecteren en druk vervolgens op "OK" om naar het contextmenu te gaan. Selecteer " DTMF-tonen " om het numerieke toetsenbord te kunnen gebruiken voor het kiezen van eventuele opties die u in een gesprek worden aangegeven. Selecteer " Verbreken " om het gesprek te beëindigen. Of druk deze toets even in. Selecteer " Privé-modus " en bevestig uw keuze om het gesprek rechtstreeks via de telefoon te voeren. Of selecteer " Hands-freefunctie " en bevestig uw keuze om het gesprek via de luidsprekers van de audio-installatie weer te geven. U kunt ook een conference-call met 3 deelnemers houden. Start daarvoor eerst 2 afzonderlijke gesprekken* en selecteer dan " Conference" in het contextmenu dat verschijnt als u deze toets indrukt. Selecteer en bevestig " In de wacht zetten " om het gesprek in de wacht te zetten. Of selecteer " Gesprek hervatten " en bevestig uw keuze om een gesprek dat in de wacht is gezet, voort te zetten. * Afhankelijk van het type telefoon en het abonnement. 9.35

208 07 TELEFONEREN BEHEER VAN TELEFOONVERBINDINGEN BELTONEN INSTELLEN Druk twee keer op PHONE. Druk 2 keer op PHONE. Selecteer " Telefoonfuncties " en bevestig uw keuze. Selecteer " Bluetooth-functies ". Selecteer " Lijst met gekoppelde randapparatuur " en bevestig uw keuze. U kunt nu: - verbinding maken met de geselecteerde telefoon via " Verbinden " of de verbinding " Verbreken ", - de koppeling met de geselecteerde telefoon verbreken. U kunt ook alle koppelingen tegelijk verbreken. Selecteer " Opties beltonen " en bevestig uw keuze. U kunt het volume en het type beltoon instellen. Selecteer "OK" en bevestig uw keuze om de wijzigingen op te slaan. 9.36

209 9.37

210 08 RADIO Naar het menu "RADIO" " FM / AM-band " Druk op RADIO. Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts). Druk op of of gebruik de draaiknop om de vorige of volgende zender van de lijst te kiezen. of 9.38

211 08 RADIO VERANDEREN VAN FREQUENTIEBAND SELECTEREN VAN EEN ZENDER Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. De kwaliteit van de ontvangst wordt aangegeven door het aantal actieve golven in dit symbool. Druk op RADIO of druk op "OK" om het contextmenu weer te geven. Alfabetisch Druk op RADIO, kies de gewenste zender en bevestig uw keuze. Selecteer " Veranderen van frequentieband". Automatisch zoeken Druk op of om automatisch naar lagere of hogere frequenties te zoeken. Of draai het knopje van de bediening op het stuur. Selecteer "AM / FM" en bevestig uw keuze. Handmatig zoeken Druk op of om stapsgewijs naar een andere frequentie te zoeken. 9.39

212 08 RADIO EEN ZENDER OPSLAAN RDS INSCHAKELEN EN UITSCHAKELEN Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren zonder dat u zelf de frequentie hoeft te wijzigen. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen. Houd, nadat u een zender hebt geselecteerd, een van de toetsen van het numerieke toetsenbord gedurende 2 seconden ingedrukt om deze zender op te slaan in het geheugen. Er klinkt een piepje ter bevestiging. Druk op RADIO. Druk op een van de toetsen van het numerieke toetsenbord om de onder dat nummer opgeslagen zender op te vragen. Of druk en draai aan het knopje op het stuur. Selecteer " Opties " en bevestig uw keuze. Schakel "RDS-volgsysteem" in of uit en bevestig uw keuze. 9.40

213 9.41

214 09 Naar het menu "MUZIEK-MEDIA" " MEDIA " Druk op MUSIC. Wisselen van de lijst in het menu (links/rechts). of 9.42

215 09 CD, MP3-CD, USB-SPELER INFORMATIE EN ADVIEZEN De autoradio speelt bestanden met de extensie "wma,.aac,.flac,.ogg,.mp3" met een bitrate van 32 kbps tot 320 kbps af. Ook bestanden met een VBR (Variable Bit Rate) kunnen worden afgespeeld. Geluidsbestanden met een andere extensie (.mp4,.m3u,...) kunnen niet worden afgespeeld. WMA-bestanden moeten van het type WMA9 Standaard zijn. De bemonsteringsfrequenties (sampling rates) zijn 11, 22, 44 en 48 khz. Gebruik voor bestandsnamen maximaal 20 karakters en vermijd speciale tekens (bijv.: " ",?, ù) om problemen met het afspelen of de weergave te voorkomen. Het systeem is geschikt voor externe geluidsdragers (USB of ipod via USB-kabel - niet meegeleverd). Indien een USB-stick die verscheidene partities bevat wordt aangesloten op het systeem, wordt alleen de eerste partitie herkend. U kunt deze apparatuur bedienen via de audioinstallatie van de auto. Het aantal tracks is beperkt tot een maximum van 2000, 999 tracks per map. Als het stroomverbruik op de USB-poort boven de 500 ma uitkomt, wordt het systeem in de beschermmodus geschakeld en uitgezet. Andere randapparatuur, die bij het aansluiten niet door het systeem wordt herkend, moet met een kabel (niet meegeleverd) op de Jack-plug worden aangesloten. Selecteer bij het branden van een CD-R of CD-RW de standaard ISO 9660 niveau 1, 2 of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen afspelen. Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze niet goed wordt afgespeeld. Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor het branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid in (maximaal 4 x) voor een optimale geluidskwaliteit. Voor het branden van een multisessie-cd is het raadzaam de standaard Joliet te gebruiken. Een USB-stick moet geformatteerd zijn naar FAT 16 of 32 om te kunnen worden afgespeeld. Als tegelijkertijd een Apple -speler en een USB-stick zijn aangesloten, werkt het systeem niet. Gebruik voor een goede werking bij voorkeur originele Apple USBkabels. 9.43

216 09 MULTIMEDIASPELERS AUDIOBRONNEN Plaats de CD in de speler, steek de USB-stick in de USB-poort of sluit de USB-apparatuur via een kabel (niet meegeleverd) op de USB-poort aan. Het systeem maakt gebruik van afspeellijsten (in het tijdelijke geheugen). Het maken van deze lijsten kan enkele seconden of soms enkele minuten duren nadat het apparaat voor de eerste keer is aangesloten. Het verwijderen van alle andere dan muziekbestanden en het verminderen van het aantal afspeellijsten zal het aanmaken van deze afspeellijsten versnellen. De afspeellijsten worden iedere keer na het opnieuw aanzetten van het contact of het aansluiten van een USB-stick vernieuwd. De autoradio slaat de lijsten echter wel op en als ze niet zijn gewijzigd, is de laadtijd korter. Het afspelen volgt na een korte tijd, afhankelijk van de capaciteit van de USB-stick. GELUIDSBRON KIEZEN Via de toets SOURCE op het stuur kunt u van de ene naar de andere geluidsbron overschakelen. "RADIO " "STREAMING " " CD/CD MP3 " "AUX " Druk op MUSIC voor het menu " MEDIA ". "USB, IPod" Selecteer " Volgende medium " en bevestig uw keuze. Herhaal deze handelingen tot u de gewenste geluidsbron tegenkomt (de radio kan geselecteerd worden met SOURCE of RADIO). 9.44

217 09 MULTIMEDIASPELERS EEN TRACK SELECTEREN Vorige track. / MUSIC: Overzicht van tracks en afspeellijsten op USB of CD Volgende track. / Omhoog en omlaag in de lijst. / / Vorige afspeellijst. Volgende afspeellijst. Bevestigen, verder in de menustructuur. / / Snel vooruit. Snel achteruit. Even ingedrukt houden Even ingedrukt houden / / Terug in de menustructuur. + / Pauze: SRC even ingedrukt houden. / 9.45

218 09 MULTIMEDIASPELERS APPLE -SPELER AANSLUITEN STREAMING AUDIO Sluit een Apple -speler met behulp van een geschikte kabel (niet meegeleverd) aan op de USB-aansluiting. Het afspelen begint automatisch. Streaming audio biedt de mogelijkheid om muziekbestanden op de telefoon via de audio-installatie in de auto af te spelen. De bediening gebeurt via de audio-installatie in de auto. De beschikbare indeling is die van het aangesloten apparaat (artiesten / albums / genres / playlists / audiobooks / podcasts). De standaardindeling is de indeling per artiest. Om dit te veranderen moet u terug naar het eerste niveau in de structuur om vervolgens een andere indeling te selecteren (bijvoorbeeld playlists). Bevestig uw keuze voordat u in de structuur weer afzakt naar de gewenste track. De modus "Shuffl e tracks" bij de ipod correspondeert met de modus "Random" bij de autoradio. De modus "Shuffl e album" bij de ipod correspondeert met de modus "Random all" bij de autoradio. De modus "Shuffl e tracks" wordt standaard weergegeven bij aansluiten van het apparaat. Maak een verbinding met de telefoon: zie het hoofdstuk "TELEFONEREN". Kies het profi el " Audio " of " Alle ". Als de weergave niet automatisch begint, kan het zijn dat u de audioweergave moet starten via de telefoon. Het bedienen is mogelijk via de randapparatuur of met de toetsen van de autoradio. De softwareversie van de autoradio kan incompatibel zijn met de generatie van uw Apple -speler. De lijst van compatibele uitrusting en een update voor de software zijn verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk. Als de streaming audio eenmaal is gestart, wordt uw telefoon als een geluidsbron beschouwd. Wij adviseren de functie " Herhalen " voor Bluetooth-apparatuur in te schakelen. 9.46

219 09 MULTIMEDIASPELERS AUX-INGANG GEBRUIKEN AUDIOKABEL (JACK/USB) NIET MEEGELEVERD Sluit het externe apparaat (MP3-/WMA-speler) met een geschikte audiokabel aan op de AUX-ingang (JACK of USB). Selecteer "AUX-ingang inschakelen/ uitschakelen" en bevestig uw keuze. Stel eerst het volume van het externe apparaat in (luid). Regel daarna het volume van de audio-installatie in de auto. Druk op MUSIC voor weergave van het menu " MUSIC ". De bediening gebeurt via het externe apparaat. 9.47

220 10 CONFIGURATIE WEERGAVE INSTELLEN Druk op SETUP voor het menu " Configuratie ". Selecteer " Kies de kleur " en bevestig uw keuze om de weergave van de kleuren en de kaart op het scherm in te stellen: - stand "Dag", - stand "Nacht", - automatische dag/nacht-stand, op basis van het branden van de verlichting. Selecteer " Configuratie weergave " en bevestig uw keuze. Selecteer " Lichtsterkte instellen " en bevestig uw keuze om de lichtsterkte in te stellen. Druk op " OK " om de wijzigingen op te slaan. De instellingen voor dag en nacht zijn onafhankelijk van elkaar. 9.48

221 10 CONFIGURATIE DATUM EN TIJD INSTELLEN Druk op SETUP voor het menu " Configuratie ". Selecteer "Minuten synchroniseren via GPS" om de instelling van de minuten automatisch te laten doen door het systeem. Selecteer " Configuratie display " en bevestig uw keuze. Selecteer het item dat u wilt wijzigen. Druk op de toets OK om de selectie te bevestigen, verander de instelling en bevestig de wijziging nogmaals om de nieuwe gegevens op te slaan. Verander de instellingen één voor één. Selecteer vervolgens " OK" op het scherm en bevestig de wijzigingen om ze in het geheugen op te slaan. Selecteer " Datum en tijd instellen " en bevestig uw keuze. 9.49

222 9.50

223 11 BOORDCOMPUTER BOORDCOMPUTER ENKELE DEFINITIES Druk meerdere keren op de toets MODE tot de boordcomputer wordt weergegeven. - Het tabblad "auto" met: de actieradius, het huidige verbruik en de nog af te leggen afstand. - Het tabblad "1" (traject 1) met: de gemiddelde snelheid, het gemiddelde verbruik en de afgelegde afstand berekend over het traject "1". - Het tabblad "2" (traject 2) met dezelfde gegevens voor een tweede traject. Actieradius: in deze stand geeft de computer aan hoeveel kilometer u nog met de resterende hoeveelheid brandstof kunt rijden, berekend op basis van het gemiddelde verbruik over de laatste afgelegde kilometers. De weergegeven waarde kan sterk variëren door een verandering in de wagensnelheid of het landschap. Als de actieradius minder dan 30 km bedraagt, verschijnen streepjes op het display. Na het tanken van minimaal 10 liter brandstof wordt de actieradius opnieuw berekend en weergegeven zodra deze meer dan 100 km bedraagt. Raadpleeg het CITROËN-netwerk als tijdens het rijden voortdurend streepjes worden weergegeven in plaats van cijfers. Momenteel verbruik: dit verbruik wordt berekend en weergegeven vanaf 30 km/h. Gemiddeld verbruik: dit is het gemiddelde verbruik sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer. Afgelegde afstand: deze afstand wordt berekend sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer. Nog af te leggen afstand: dit is de afstand tot de door de gebruiker ingevoerde eindbestemming. Als het navigatiesysteem in gebruik is, wordt deze afstand op elk moment tijdens het rijden opnieuw berekend. Gemiddelde snelheid: dit is de gemiddelde snelheid sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer (contact aan). Druk op de knop op het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar om de volgende informatie van de boordcomputer op het display weer te geven. 9.51

224 12 MENUSTRUCTUUR DISPLAY MENU "Navigatie" BASISFUNCTIE KEUZE A keuze A1 keuze A2 KEUZE B... Een bestemming kiezen Adres invoeren Adresboek GPS-coördinaten Etappes en route Etappe toevoegen Adres invoeren Adresboek Laatste bestemmingen Etappes ordenen/wissen Alternatieve route Gekozen bestemming Opties Definiëren rekencriteria Snelste route Kortste route Afstand / Tijd Met tolwegen Met veerpont Verkeersinformatie Gesproken berichten instellen Laatste bestemmingen wissen Risicozones instellen Kaartbeheer Oriëntering van de kaart Op auto georiënteerd Op noorden georiënteerd Perspectief Gegevens van de kaart De kaart verplaatsen Cartografie en update Beschrijving van bestand met risicogebieden Navigatie stoppen/hervatten Snelste route Kortste route Afstand / Tijd Met tolwegen Met veerpont Verkeersinformatie 9.52

225 12 MENUSTRUCTUUR DISPLAY MENU "TRAFFIC" Geografisch filter Bewaar alle berichten Bewaar de berichten Rondom de auto Op de route TMC-zender kiezen TMC automatisch volgen TMC handmatig volgen Lijst van TMC-zenders Verkeersinformatie aan/uit MENU "Telefoon" 1 1 Nummer kiezen Contacten Bellen Openen Importeren Verwijderen 2 Annuleren Contacten beheren Nieuw contact Sorteren op voornaam/achternaam Alle contacten wissen Alles importeren Synchronisatie-opties Geen synchronisatie Contacten van telefoon weergeven Contacten van simkaart weergeven Alle contacten weergeven Staat van de contacten Telefoonfuncties Opties beltonen De gesprekkenlijst wissen Bluetooth-functies Lijst met gekoppelde randapparatuur Verbinden Verbreken Wissen Alles wisen Annuleren Randapparatuur zoeken Naam van radiotelefoon wijzigen Verbreken 9.53

226 12 MENUSTRUCTUUR DISPLAY MENU "RADIO" Veranderen van frequentieband 2 AM / FM 3 Opties Verkeersbericht RDS-volgsysteem Audio-instellingen 2 Klankkleur Geen Klassiek Jazz Rock Techno Spraak Bassen Hoge tonen Volume Ingeschakeld / Uitgeschakeld Verdeling Bestuurder Alle passagiers Balans L-R Fader Autom. volume Ingeschakeld / Uitgeschakeld Zenderlijst updaten MENU "MUSIC" Veranderen van medium CD BT Streaming USB/iPod AUX Afspeelmodus Normaal Willekeurig Willekeurig op hele medium Herhalen Audio-instellingen AUX-ingang inschakelen/ uitschakelen 9.54

227 12 MENUSTRUCTUUR DISPLAY MENU "SETUP" Instellingen weergave Kleur kiezen Harmonie Cartografie Dagstand Nachtstand Dag/Nacht auto. Lichtsterkte instellen Datum en tijd instellen Eenheden kiezen Gesproken berichten instellen Volume van de instructies 1 Taalkeuze Français English Italiano Portuguese Español Deutsch Nederlands Türkçe Polski Русский 1 Parameters auto * Parkeerhulp Werking van de ruitenwissers Inschakelen van de ruitenwisser achter bij het inschakelen van de ACHTERUITVERSNELLING Configuratie verlichting Duur van de follow me home-verlichting Bochtverlichting 3 Sfeerverlichting Functie dagrijverlichting 1 Boordcomputer Logboek waarschuwingen Status van functies 2 Mannenstem kiezen/vrouwenstem kiezen * De parameters zijn afhankelijk van de uitvoering van de auto. 9.55

228 VEELGESTELDE VRAGEN In de volgende tabel vindt u de antwoorden op de meest gestelde vragen over uw radio. VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De route wordt niet berekend. De criteria kunnen tegenstrijdig zijn met de huidige plaatsbepaling (bijv. geen tolwegen terwijl de auto zich op een autosnelweg met tol bevindt). Controleer de criteria in het Menu "Navigatie"\ "Opties"\"Rekencriteria defi niëren". De POI's worden niet aangegeven. De POI's zijn niet geselecteerd. Selecteer de POI's in de lijst met POI's. De POI's zijn niet gedownload. Download de POI's van de website: " ". Het geluidssignaal van de "Risicogebieden" functioneert niet. Het geluidssignaal is niet geactiveerd. Activeer het geluidssignaal in het menu "Navigatie"\"Opties"\"Risicogebieden instellen". Het systeem stelt bij belemmeringen geen alternatieve routes voor. Er wordt geen rekening gehouden met de actuele verkeersinformatie. Selecteer de functie "Verkeersinformatie" in het overzicht met criteria. Ontvangst van een melding van een "Risicogebied" dat niet op mijn route ligt. Het systeem meldt alle "Risicogebieden" die zich buiten de route in een bepaalde zone rondom de auto bevinden. Hierdoor worden ook "Risicogebieden" gesignaleerd die zich op nabij gelegen routes of op parallelbanen bevinden. Zoom in op de kaart om de exacte positie van het "Risicogebied" te kunnen bepalen. Selecteer "Op de route" om de waarschuwingen buiten de route uit te schakelen of om de tijdsduur tussen het moment van de melding en het passeren van het risicogebied te verkorten. 9.56

229 VEELGESTELDE VRAGEN VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Sommige fi les op de route worden niet direct gemeld. Bij het opstarten heeft het systeem enkele minuten nodig om de verkeersinformatie te ontvangen. Het fi lter is te krap ingesteld. Wacht tot de verkeersinformatie goed wordt ontvangen (weergave van de icoontjes van de verkeersinformatie op de kaart). Verander de instellingen via "Geografi sch fi lter". De hoogte wordt niet weergegeven. Het lukt me niet om mijn Bluetooth-telefoon te koppelen. In bepaalde landen is alleen voor de hoofdwegen (autosnelwegen...) verkeersinformatie beschikbaar. Bij het opstarten kan de initialisatie van het GPS tot 3 minuten duren voordat er meer dan 4 satellieten correct worden ontvangen. De kwaliteit van de GPS-ontvangst kan worden beïnvloed door de omgeving (tunnel...) en het weer. Het is mogelijk dat de Bluetooth-functie van de telefoon is uitgeschakeld of dat uw telefoon niet zichtbaar is voor het systeem. De Bluetooth-telefoon is niet compatibel met het systeem. Dit is een normaal verschijnsel. Het systeem is afhankelijk van de beschikbare verkeersinformatie. Wacht tot het systeem volledig is opgestart. Controleer of het GPS van ten minste 4 satellieten een signaal ontvangt (druk lang op de toets SETUP, selecteer vervolgens "GPS-bereik"). Dit is een normaal verschijnsel. De werking van het systeem is afhankelijk van de ontvangst van het GPS-signaal. - Controleer of de Bluetooth-functie van uw telefoon is ingeschakeld. - Controleer bij de instellingen van uw telefoon of deze op "Vind mij" staat. Een overzicht van compatibele Bluetoothtelefoons is verkrijgbaar bij het netwerk. Het signaal van de aangesloten Bluetoothtelefoon is niet hoorbaar. Het geluid is afhankelijk van zowel het systeem als de telefoon. Verhoog het volume van de radio eventueel tot het maximum en verhoog het geluidsniveau van de telefoon indien nodig. Het geluid wordt verstoord door omgevingsgeluiden. Beperk het omgevingsgeluid (ramen sluiten, aanjager lager zetten, snelheid verminderen enz.). 9.57

230 VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Sommige contacten komen dubbel voor in de lijst. De contacten worden niet in alfabetische volgorde weergegeven. Het systeem ontvangt geen SMS-berichten. Bij het synchroniseren worden de contacten op de simkaart en/of die in het geheugen van de telefoon overgenomen. Als beide geheugens worden gesynchroniseerd kan het voorkomen dat sommige contacten dubbel worden overgenomen. Sommige telefoons hebben speciale weergave-opties. Afhankelijk van de instellingen kunnen contacten in een bepaalde volgorde worden overgenomen. De Bluetooth-functie stuurt geen SMS-berichten door naar het systeem. Kies "Contacten van simkaart weergeven" of "Contacten van telefoon weergeven". Verander de instellingen voor de weergave van contacten in de telefoon. De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. Na het laden van een CD of het aansluiten van een USB-stick moet u enige tijd wachten. De CD-speler levert een slechte geluidskwaliteit. De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. De gebrande CD is niet compatibel met de CD-speler. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de audioinstallatie wordt herkend. Bij het plaatsen van een nieuwe gegevensdrager leest het systeem een aantal gegevens uit (index, titel, artiest, enz.). Dit kan enkele seconden tot enkele minuten duren. - Controleer of de CD op de juiste wijze in de speler is geplaatst. - Controleer de staat van de CD: de CD kan niet worden gelezen als deze te veel is beschadigd. - Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is gebrand: raadpleeg de rubriek "AUDIO". - De CD-speler van de autoradio kan geen DVD's afspelen. - De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's is onvoldoende om deze door de autoradio te laten afspelen. Dit is een normaal verschijnsel. De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg ze zorgvuldig op. De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, klankkleur) zijn niet op de CD-speler afgestemd. Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen op 0 en kies geen klankkleur. 9.58

231 VEELGESTELDE VRAGEN VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Soms wordt de informatie tijdens de weergave van een mediaspeler niet correct weergegeven. De audio-installatie kan sommige karakters niet weergeven. Gebruik standaard karakters voor de benaming van nummers en afspeellijsten. Bij streaming audio start het lezen van bestanden niet. De namen van de nummers en de speelduur verschijnen niet op het scherm bij streaming audio. De ontvangstkwaliteit van de beluisterde radiozender neemt geleidelijk af of de voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). Ik kan sommige opgeslagen zenders uit de lijst niet ontvangen. De naam van de zender verandert. De aangesloten randapparatuur biedt geen mogelijkheid om het lezen automatisch te starten. De Bluetooth-verbinding biedt deze mogelijkheid niet. De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt. De omgeving waarin u rijdt (bergen, hoge gebouwen, bruggen, tunnels enz.) kan leiden tot een slechte ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld. De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat of een parkeergarage). De zender wordt niet meer ontvangen of de naam van de zender in de lijst is veranderd. Sommige zenders sturen in plaats van een naam andere informatie mee (titel van het actuele nummer enz.). Het systeem beschouwt deze informatie als de naam van de zender. Start het afspelen via de aangesloten randapparatuur. Activeer de functie "RDS" via het snelmenu om het systeem te laten controleren of er een sterkere zender in het gebied aanwezig is. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de radio. Laat de antenne controleren door het CITROËNnetwerk. 9.59

232 VEELGESTELDE VRAGEN VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Na het instellen van de bassen en hoge tonen is de geluidssfeer niet meer geselecteerd. Na het selecteren van een geluidssfeer staan de bassen en hoge tonen weer op 0. Bij het veranderen van de balans wordt de gekozen geluidsverdeling uitgeschakeld. Bij het veranderen van de geluidsverdeling worden de instellingen van de balans uitgeschakeld. Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD...). De geluidssfeer is gekoppeld aan de bassen en hoge tonen. Het is niet mogelijk deze afzonderlijk van elkaar in te stellen. De geluidsverdeling is gekoppeld aan de balans. Het is niet mogelijk deze afzonderlijk van elkaar in te stellen. Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (Volume, Bassen, Hoge tonen, Klankkleur, Loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn. Wijzig de instelling van de bassen en de hoge tonen of de geluidssfeer om de gewenste geluidskwaliteit te verkrijgen. Wijzig de instelling van de balans of de geluidsverdeling om de gewenste geluidskwaliteit te verkrijgen. Controleer of de audio-instellingen (Volume, Bassen, Hoge tonen, Klankkleur, Loudness) zijn afgestemd op de verschillende geluidsbronnen. Het is raadzaam de AUDIO-functies (Bassen, Hoge tonen, Fader, Balans) in de middelste stand te zetten, de klankkleur "Lineair" te selecteren en de functie Loudness AAN te zetten als de CD-speler is geselecteerd en UIT te zetten als de radio is geselecteerd. 9.60

233 VEELGESTELDE VRAGEN VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Na het afzetten van de motor wordt het systeem na enkele minuten automatisch uitgeschakeld. Het afspelen van de muziek op mijn USBstick begint pas na lang wachten (ongeveer 2 tot 3 minuten). Als de motor is afgezet, blijft het systeem nog werken zolang de laadtoestand van de accu dat toestaat. Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-mode van het systeem is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt. Door bepaalde bestanden die standaard op een USB-stick kunnen staan kan het erg lang duren tot de muziek op de USB-stick wordt afgespeeld (tot 10 keer de fabrieksopgave). Start de motor om de accu op te laden. Wis de bestanden die standaard op de USB-stick staan en beperk het aantal submappen in de mappenstructuur van de USB-stick. Als ik met mijn iphone verbinding maak met de telefoonfunctie en ik hem gelijktijdig op de USBpoort aansluit, kan ik de muziekbestanden niet afspelen. Als de iphone automatisch verbinding maakt met de telefoonfunctie, forceert deze de streamingfunctie. De streamingfunctie krijgt voorrang boven de USB-functie die daardoor niet gebruikt kan worden. Bij apparatuur van Apple wordt in dat geval een gedeelte van de track niet afgespeeld. Koppel de USB-aansluiting los en sluit deze weer aan (de USB-functie krijgt dan voorrang boven de streamingfunctie). 9.61

234 9.62

235 Autoradio AUTORADIO / BLUETOOTH INHOUD Uw Autoradio is zodanig gecodeerd dat deze uitsluitend in uw auto functioneert. Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto. Enkele minuten na het afzetten van de motor kan de autoradio zichzelf uitschakelen om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. 01 Basisfuncties 02 Stuurkolomschakelaars 03 Hoofdmenu 04 Audio 05 USB Box 06 Bluetooth functies 07 Configuratie 08 Boordcomputer 09 Menustructuur displays Veelgestelde vragen blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz

236 01 BASISFUNCTIES Selecteren van de geluidsbron: radio, audio-cd-/mp3-cd-speler, USB, Jack-aansluiting, streaming audio, AUX-ingang. Selecteren van het golfbereik FM1, FM2, FMast en AM. Instellen van de geluidsweergave: geluidsverdeling voor/achter, links/ rechts, loudness, geluidssferen. Weergave van de lijst radiozenders. Lang indrukken: nummers van de CD of de MP3- afspeellijsten (CD / USB). Huidige bewerking verlaten. Uitwerpen van de CD. Functie TA (verkeersinformatie) AAN/UIT. Lang indrukken: toegang tot de PTY-functie * (programmatypen radio). Selecteren van de weergave op het display: Datum, audiofuncties, boordcomputer en telefoon. Automatisch zoeken naar zenders in aflopende/oplopende volgorde. Selecteren van het vorige/ volgende nummer van de CD, MP3 of USB. Aan/uit en volumeregeling. Bevestigen. Met de toets DARK kan de weergave van het display worden gewijzigd voor extra rijcomfort 's nachts. 1 e keer indrukken: alleen verlichting van het bovenste gedeelte. 2 e keer indrukken: display volledig uitschakelen. 3 e keer indrukken: terugkeren naar de normale weergave. Toetsen 1 t/m 6: Selecteren van een opgeslagen voorkeuzezender. Lang indrukken: opslaan van een zender als voorkeuzezender. Weergave van het algemene menu. Selecteren van een lagere/hogere radiofrequentie. Selecteren van de vorige/volgende MP3-afspeellijst. Selecteren van bestandenlijst / muziekstijl / artiest / vorige of volgende afspeellijst van het USB-apparaat. * Beschikbaar afhankelijk van uitvoering. 9.64

237 02 STUURKOLOMSCHAKELAARS Radio: selecteren van de vorige/volgende voorkeuzezender. USB : selecteren van het genre / artiest / index van de lijst. Selecteren van het vorige/volgende item van een menu. Radio: automatisch zoeken naar zenders in oplopende volgorde. CD/MP3/USB: selecteren van het volgende nummer. CD/USB: continu indrukken: versneld vooruitspoelen. Naar een ander item van de lijst. Volume verhogen. Wijzigen van de geluidsbron. Bevestigen van een selectie. Telefoon opnemen/ophangen. Langer dan 2 seconden indrukken: toegang tot het telefoonmenu. Mute: geluid onderbreken door het gelijktijdig indrukken van de volumetoetsen. Geluid weer inschakelen: druk op een van de twee volumetoetsen. Volume verlagen. Radio: automatisch zoeken naar zenders in afl opende volgorde. CD/MP3/USB: selecteren van het vorige nummer. CD/USB: continu indrukken: versneld terugspoelen. Naar een ander item van de lijst. 9.65

238 03 GELUIDSBRON: radio, CD, USB, externe apparatuur. TELEFOON : handsfree set, koppelingen, gespreksbeheer. > MONOCHROOM DISPLAY C BOORDCOMPUTER : afstanden invoeren, waarschuwingsmeldingen, status van functies. PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE: parameters van de auto, weergave, talen. > MONOCHROOM DISPLAY A Raadpleeg voor een compleet overzicht van de beschikbare menu's de rubriek "Menustructuren" van dit hoofdstuk. 9.66

239 04 AUDIO RADIO SELECTEREN VAN EEN ZENDER Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. RDS Druk herhaalde malen op de toets SOURCE om de radiofunctie te selecteren. Druk op de toets MENU. Druk op de toets BAND AST om het golfbereik te selecteren: FM1, FM2, FMast of AM. Selecteer AUDIOFUNCTIES en druk op OK. Druk kort op een van de toetsen om automatisch naar zenders te zoeken. Selecteer de functie VOORKEUZE FM-BAND en druk op OK. Druk op een van de toetsen om handmatig naar hogere/lagere frequenties te zoeken. Druk op de toets LIST REFRESH voor een lijst van de beschikbare zenders in het gebied waar u zich bevindt (maximaal 30 zenders). Druk langer dan 2 seconden op de toets om deze lijst bij te werken. Selecteer RDS VOLGEN ACTIVEREN en druk op OK. Op het display verschijnt de aanduiding RDS. Als de radiofunctie is ingeschakeld, druk dan direct op OK om de RDS-functie in of uit te schakelen. Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Bij slechte ontvangst kkan het daarom zijn dat de radio tijdens het rijden overschakelt op een regionale zender. 9.67

240 04 VERKEERSINFORMATIE BELUISTEREN De functie TA (Traffic Announcement) geeft voorrang aan het luisteren naar de verkeersinformatie. Om te worden geactiveerd moet deze functie een radiozender die deze berichten uitzendt, goed kunnen ontvangen. Zodra er een bericht wordt uitgezonden, wordt de geluidsbron die op dat moment wordt weergegeven (Radio, CD,...) automatisch onderbroken en wordt de verkeersinformatie doorgegeven. Zodra het bericht is afgelopen, wordt de weergave van de oorspronkelijke geluidsbron hervat. Druk op de toets TA om de weergave van verkeersinformatie te activeren of uit te schakelen. CD EEN CD AFSPELEN Gebruik alleen CD's met een ronde vorm. Bepaalde beveiligingssystemen op de originele CD of zelfgebrande CD's kunnen storingen veroorzaken, ongeacht de kwaliteit van de CD-brander. Plaats zonder op de toets EJECT te drukken een CD in de CDspeler; deze zal de CD automatisch afspelen. Als er al een CD in het apparaat zit die u wilt beluisteren, druk dan herhaalde malen op de toets SOURCE om de CD-functie te selecteren. Druk op een van de toetsen om een nummer van de CD te selecteren. Druk op de toets LIST REFRESH om de tracklist van de CD weer te geven. Houd een van toetsen ingedrukt om snel vooruit of achteruit te spoelen. 9.68

241 04 AUDIO MP3-CD EEN MP3-CD AFSPELEN Plaats een MP3-CD in de speler. De CD-speler scant vervolgens de CD tot alle nummers zijn gevonden, hierdoor kan het enkele tot enkele tientallen seconden duren voordat het afspelen begint. De CD-speler kan CD's met maximaal 255 MP3-bestanden, verdeeld over 8 speellijsten, afspelen. Het is echter raadzaam het aantal afspeellijsten tot twee te beperken om een lange laadtijd van de CD te voorkomen. Bij het afspelen wordt geen rekening gehouden met de mappenstructuur. Alle bestanden worden op hetzelfde niveau weergegeven. Als er al een CD in het apparaat zit die u wilt beluisteren, druk dan herhaalde malen op de toets SOURCE om de CD-functie te selecteren. Druk op een van de toetsen om een map van de CD te selecteren. Druk op een van de toetsen om een track van de CD te kiezen. Druk op de toets LIST REFRESH om de speellijsten van de MP3- CD weer te geven. Houd een van de toetsen ingedrukt om snel vooruit of terug te spoelen. MP3-CD INFORMATIE EN TIPS Het formaat MP3 (afkorting van MPEG 1,2 & 2.5 Audio Layer 3) is een standaard voor het comprimeren van geluid die de mogelijkheid biedt enkele tientallen speellijsten op één CD te plaatsen. Selecteer voor het branden van een CD-R of CD-RW de standaard ISO 9660 niveau 1,2 of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen afspelen. Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze niet goed wordt afgespeeld. Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor het branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid (maximaal 4x) in voor een optimale geluidskwaliteit. Voor het branden van een multisessie-cd is het raadzaam de standaard Joliet te gebruiken. De autoradio speelt uitsluitend bestanden met de extensie ".mp3" en een samplingfrequentie van 22,05 khz of 44,1 khz af. Geluidsbestanden met een andere extensie (.wma,.mp4,.m3u...) kunnen niet worden afgespeeld. Gebruik voor bestandsnamen maximaal 20 karakters en verwijder speciale tekens (bijv.: " ",?, ù) om problemen met het afspelen of de weergave te voorkomen. Lege CD's worden niet herkend en kunnen het audiosysteem beschadigen. 9.69

242 05 GEBRUIK VAN DE USB-BOX Een lijst met geschikte uitrustingen en compatible compressies is beschikbaar bij het CITROËN-netwerk Deze module bestaat uit een USB-poort en een Jack-aansluiting *. De bestanden van een draagbare MP3-speler of een USB-stick worden overgebracht op uw Autoradio zodat de muziek via de luidsprekers van de auto kan worden beluisterd. USB-stick (1.1, 1.2 en 2.0) of Apple speler van de vijfde generatie of hoger: - de USB-stick moet in FAT of FAT 32 geformateerd zijn (niet compatibel met NTFS-formaat), - het snoer van de Apple speler is noodzakelijk, - navigatie door de bestanden is ook mogelijk via de bediening op het stuurwiel. De Apple speler van oudere generaties en spelers die gebruik maken van het MTPprotocol * : - afspelen uitsluitend via een Jack-Jack-snoer (niet meegeleverd), - navigatie door de bestanden is mogelijk via het externe apparaat. AANSLUITEN VAN EEN USB-STICK Sluit de USB-stick direct of via een snoer aan op de USB-poort. Als de autoradio is ingeschakeld, wordt de USB-bron gedetecteerd zodra deze wordt aangesloten. Het lezen begint automatisch na een bepaalde tijd, afhankelijk van de capaciteit van de USB-stick. De herkende bestandsformaten zijn.mp3 (uitsluitend mpeg1 layer 3) en.wma (uitsluitend standaard 9, comprimeren met 128 kbit/s). Bepaalde formaten playlists (m3u,...) worden geaccepteerd. Wanneer de laatst gebruikte stick opnieuw wordt aangesloten, gaat het afspelen automatisch verder bij de laatst beluisterde track van de desbetreffende stick. Het systeem stelt playlists samen (tijdelijk geheugen). De tijd die hiervoor nodig is, hangt af van de capaciteit van de USB-uitrusting. Gedurende deze tijd zijn andere bronnen beschikbaar. De playlists worden iedere keer dat het contact wordt afgezet of een USB-stick wordt aangesloten, geactualiseerd. Bij een eerste aansluiting wordt een indeling in mappen als indeling aangeboden. Bij een volgend gebruik wordt de laatstgekozen mappenstructuur aangehouden. * Afhankelijk van de uitvoering.

243 05 USB-BOX GEBRUIK VAN DE USB-BOX Druk LIST lang in voor het weergeven van de indelingen. Kies per Map / Artiest / Genre / Playlist, druk op OK om de gekozen indeling te bevestigen en vervolgens opnieuw op OK om de keuze vast te leggen. Druk op een van deze toetsen om tijdens het lezen naar de vorige/ volgende track te gaan volgens de weergegeven indeling. Houd een van de toetsen ingedrukt voor snel vooruit/achteruit verplaatsen. - per Map: alle mappen met audiobestanden die door het systeem worden herkend. - per Artiest: alle artiestennamen worden weergegeven in ID3 Tag en in alfabetische volgorde. - per Genre : alle genres worden weergegeven in ID3 Tag. - per Playlist : zoals weergegeven in de playlist van de USB-stick of het USB-apparaat aangesloten op de USB-poort. Druk LIST kort in voor de indeling die u de vorige keer hebt gekozen. Navigeer in de lijst met behulp van de toetsen links/rechts en omhoog/omlaag. Bevestig de selectie door op OK te drukken. Druk op een van deze toetsen om te gaan naar volgende/vorige Genre, Map, Artiest of Playlist, afhankelijk van de weergegeven indeling tijdens het lezen. AANSLUITEN VAN APPLE SPELERS -VIA DE USB-POORT De beschikbare lijsten zijn Artiest, Genre en Playlist (zoals weergegeven via de Apple spelers). Selectie en Navigatie zijn hierboven beschreven in de stappen 1 t/m 4. Sluit geen harde schijf of een niet-audio USB-apparaat aan op de USB-poort, aangezien hierdoor uw installatie beschadigd kan raken. 9.71

244 05 USB-BOX AUX-INGANG GEBRUIKEN JACK- of USB-aansluiting (afhankelijk van de uitvoering van de auto) VOLUMEREGELING EXTERNE APPARATUUR De AUX-aansluiting JACK of USB dient om een extern apparaat (mp3-speler ) aan te sluiten. Sluit eenzelfde extern apparaat niet tegelijkertijd aan via de JACK-aansluiting en de USB-aansluiting. Stel eerst het volume van uw draagbare apparatuur af. Sluit het externe apparaat (mp3-speler...) met behulp van een adapterkabel (niet meegeleverd) op de JACK- of USBaansluiting aan. Stel vervolgens het volume van de autoradio af. Druk herhaalde malen op de toets SOURCE om AUX te selecteren. De weergave- en bedieningsfuncties verlopen via de externe apparatuur zelf. 9.72

245 06 BLUETOOTH FUNCTIES BLUETOOTH-TELEFOON DISPLAY C (Afhankelijk van model en uitvoering) KOPPELEN VAN EEN TELEFOON / EERSTE VERBINDING Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan het Bluetooth-systeem van uw autoradio mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling de volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet contact. Raadpleeg de site voor meer informatie (compatibiliteit, extra informatie,...). Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon en zorg ervoor dat deze "waarneembaar is voor iedereen" (confi guratie van de telefoon). Druk op de toets MENU. Kies in het menu: - Bluetooth-telefoon - Audio - Bluetooth confi guratie - Zoeken via Bluetooth Er wordt een venster weergegeven met de melding dat het systeem bezig is met zoeken. De beschikbare functies zijn afhankelijk van het netwerk, de simkaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon of neem contact op met uw provider voor meer informatie over de beschikbare functies. De eerste vier herkende telefoons worden in dit venster weergegeven. Met het menu TELEFOON krijgt u onder andere toegang tot de volgende functies: Adresboek *, Logboek gesprekken, Beheer van de koppelingen. * Als uw telefoon volledig compatibel is. Selecteer in de lijst de te koppelen telefoon. U kunt slechts één telefoon per keer koppelen. Op het scherm wordt een toetsenbord weergegeven: voer een code van minimaal 4 cijfers in. Bevestig met OK. Op het scherm van de geselecteerde telefoon wordt een bericht weergegeven. Voer, om de koppeling te accepteren, in de telefoon dezelfde code in en bevestig vervolgens met OK. Mocht de koppeling niet gelukt zijn dan kunt u het, een onbeperkt aantal keren, nogmaals proberen. Op het scherm verschijnt de melding dat de koppeling is geslaagd. De toegestane automatische verbinding wordt geactiveerd nadat de telefoon is geconfi gureerd. Het adresboek en het logboek gesprekken zijn na de synchronisatie beschikbaar. 9.73

246 06 BLUETOOTH FUNCTIES EEN GESPREK ONTVANGEN BELLEN Een inkomend gesprek wordt aangegeven door een beltoon en het verschijnen van een venster op het display van de auto. Selecteer in het menu Bluetooth-telefoon - Audio "Beheer van het telefoongesprek" en vervolgens "Bellen", "Logboek gesprekken" of "Adresboek". Selecteer met behulp van de toetsen de knop JA op het scherm en bevestig met OK. Druk op deze toets om het gesprek te accepteren. Druk gedurende meer dan twee seconden op deze toets om toegang te krijgen tot uw adresboek. Gebruik vervolgens de rolknop om het nummer te selecteren. Of Gebruik, als de auto stilstaat, het toetsenbord van uw telefoon om een nummer in te voeren. EEN GESPREK BEËINDIGEN Druk gedurende het gesprek meer dan twee seconden op deze toets. Bevestig met OK om het gesprek te beëindigen. 9.74

247 06 BLUETOOTH FUNCTIES BLUETOOTH STREAMING AUDIO * Draadloze overdracht van muziekbestanden van de telefoon naar het audiosysteem van de auto. De telefoon moet de desbetreffende Bluetooth-profi elen (A2DP/AVRCP) kunnen ondersteunen. Start de koppelingsprocedure tussen de telefoon en de auto. Deze procedure kan gestart worden via het telefoonmenu van de auto of via het toetsenbord van de telefoon; zie hiervoor de eerder beschreven stappen 1 t/m 9. Tijdens de koppeling moet de auto stilstaan en het contact aanstaan. Activeer de bron Streaming door op de toets SOURCE ** te drukken. Via de toetsen op het bedieningspaneel van de radio en de bediening op het stuurwiel kunt u op de gebruikelijke wijze de muziekstukken aansturen ***. De informatie over de muziekstukken kan op het display worden weergegeven. * Volgens de compatibiliteit van de telefoon. ** In sommige gevallen moet het afspelen van audiobestanden via het toetsenbord worden geactiveerd. *** Als de telefoon deze functie ondersteunt. Selecteer in het telefoonmenu de te koppelen telefoon. Het audiosysteem wordt automatisch verbonden met de zojuist gekoppelde telefoon. 9.75

248 07 CONFIGURATIE DATUM EN TIJD INSTELLEN DISPLAY C Druk op de toets MENU. Druk op de toets om de selectie te bevestigen. Selecteer met de pijltoetsen de functie PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE. Selecteer met de pijltoetsen de functie DATUM EN TIJD INSTELLEN. Druk op de toets om de selectie te bevestigen. Druk op de toets om de selectie te bevestigen. Selecteer met de pijltoetsen de functie CONFIGURATIE BEELDSCHERM. Stel de parameters één voor één in door deze te bevestigen met de toets OK. Selecteer vervolgens de knop OK op het scherm om de instellingen te bevestigen. 9.76

249 08 BOORDCOMPUTER DIAGNOSE AUTO Als de knop op het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar meermaals wordt ingedrukt, worden de verschillende functies van de boordcomputer achtereenvolgend weergegeven op het display het tabblad "auto " met: de actieradius, het huidige verbruik en de nog af te leggen afstand, - de stand " 1 " (traject 1) met: de gemiddelde snelheid, het gemiddelde verbruik en de afgelegde afstand berekend over het traject "1", - de stand "2" (traject 2) met dezelfde gegevens voor een tweede traject. Op 0 zetten Druk de knop langer dan twee seconden in zodra het gewenste traject wordt aangegeven. ENKELE DEFINITIES Actieradius: in deze stand geeft de computer aan hoeveel kilometer u nog met de resterende hoeveelheid brandstof kunt rijden, berekend op basis van het gemiddelde verbruik over de laatste afgelegde kilometers. De weergegeven waarde kan sterk variëren door een verandering in de wagensnelheid of het landschap. Als de actieradius minder dan 30 km bedraagt, verschijnen streepjes op het display. Na het tanken van minimaal 10 liter brandstof wordt de actieradius opnieuw berekend en weergegeven zodra deze meer dan 100 km bedraagt. Raadpleeg het CITROËN-netwerk als tijdens het rijden voortdurend streepjes worden weergegeven in plaats van cijfers. Momenteel verbruik: dit verbruik wordt berekend en weergegeven vanaf 30 km/h. Gemiddeld verbruik: dit is het gemiddelde verbruik sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer. Afgelegde afstand: deze afstand wordt berekend sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer. Nog af te leggen afstand: dit is de afstand tot de door de gebruiker ingevoerde eindbestemming. Als het navigatiesysteem in gebruik is, wordt deze afstand op elk moment tijdens het rijden opnieuw berekend. Gemiddelde snelheid: dit is de gemiddelde snelheid sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer (contact aan). 9.77

250 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY MONOCHROOM A 1 RADIO-CD 1 OPTIES 2 RDS VOLGEN 2 DIAGNOSE BASISFUNCTIE KEUZE A KEUZE A MODE REG CD HERHALEN RANDOM PLAY 3 3 RAADPLEGEN BEËINDIGEN 2 3 KEUZE A2 KEUZE B CONFIG AUTO * RW ACHTER AAN 2 FOLLOW-ME-HOME * De parameters variëren afhankelijk van de auto. 9.78

251 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY 1 1 INST. WEERG 1 TALEN 2 TEMPERATUUR: CELSIUS/ FAHRENHEIT 2 JAAR 2 FRANCAIS 2 BRANDSTOFVERBRUIK: KM/L - L/100 - MPG 2 2 MAAND DAG 2 2 ITALIANO NEDERLANDS 2 UREN 2 PORTUGUES 2 MINUTEN 2 PORTUGUES-BRASIL 2 12 H/24 H WEERGAVE 2 DEUTSCH 2 ENGLISH 2 ESPANOL 9.79

252 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY MONOCHROOM DISPLAY C Wanneer u op de toets OK drukt, komt u in de verkorte menu's terecht, afhankelijk van de weergave op het scherm: RADIO CD / MP3-CD USB aanzetten / uitzetten RDS aanzetten / uitzetten modus REG aanzetten / uitzetten radiotext aanzetten / uitzetten Intro aanzetten / uitzetten herhalen tracks (de hele huidige CD voor CD, de hele huidige map voor MP3-CD) aanzetten / uitzetten random play (de hele huidige CD voor CD, de hele huidige map voor MP3-CD) 1 1 aanzetten / uitzetten herhalen van tracks (van de map / artiest / genre / huidige afspeellijst) aanzetten / uitzetten random play (shuffle) (van de map / artiest / genre / huidige afspeellijst) 9.80

253 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY MONOCHROOM DISPLAY C AUDIOFUNCTIES 1 Door het indrukken van de toets MENU is de volgende weergave mogelijk: VOORKEUZE FM RDS-functie inschakelen / uitschakelen REG-functie inschakelen / uitschakelen weergave radiotext (RDTXT) inschakelen / uitschakelen BOORDCOMPUTER INVOEREN AFSTAND TOT EINDBESTEMMING Afstand: x km LOGBOEK WAARSCHUWINGEN Diagnose STATUS VAN DE FUNCTIES * Functies in- of uitgeschakeld AFSPEELMOGELIJKHEDEN 4 4 RPT-functie (CD herhalen) inschakelen / uitschakelen RDM-functie (random) inschakelen / uitschakelen * De parameters variëren afhankelijk van de auto. 9.81

254 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY 1 PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE 1 BLUETOOTH-TELEFOON PARAMETERS VAN DE AUTO DEFINIËREN * CONFIGURATIE BEELDSCHERM regeling weergave normale weergave omgekeerde weergave regeling helderheid (- +) datum en tijd instellen dag/maand/jaar instellen uren/minuten instellen keuze cyclus 12u/24u keuze van eenheden l/100 km - mpg - km/l Celsius / Fahrenheit TAALKEUZE CONFIGURATIE BLUETOOTH Toestel aansluiten/afkoppelen Telefoonfunctie Streaming audio functie Raadplegen gekoppelde toestellen Verwijderen gekoppeld toestel Zoeken via Bluetooth BELLEN Gesprekkenlijst Contactenlijst BEHEER VAN EEN GESPREK Huidige gesprek beëindigen Inschakelen mutefunctie * De parameters variëren afhankelijk van de auto.

255 VEELGESTELDE VRAGEN VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD...). De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn. De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de autoradio wordt herkend. Controleer of de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) zijn afgestemd op de verschillende geluidsbronnen. Het is raadzaam de AUDIO-functies (bassen, hoge tonen, balans V-A, balans L-R) in de middelste stand te zetten, de geluidssfeer "Geen" te selecteren en de functie Loudness in de stand "Actief" te zetten als de CDspeler is geselecteerd en in de stand "Inactief" te zetten als de radio is geselecteerd. - Controleer of de CD met de juiste zijde boven in de speler is geplaatst. - Controleer de staat van de CD: de CD kan niet worden gelezen als deze te veel is beschadigd. - Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk Audio. - De CD-speler van de autoradio kan geen DVD's afspelen. - De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's is onvoldoende om deze door de autoradio te laten afspelen. Op het display wordt de melding "Storing USB- randapparatuur" weergegeven. De Bluetooth-verbinding wordt onderbroken. De CD-speler levert een slechte geluidskwaliteit. De batterijspanning van de randapparatuur is misschien te laag. De USB-stick wordt niet herkend. De stick is misschien defect. Laad de batterij van de randapparatuur op. Formateer de stick opnieuw. De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg ze zorgvuldig op. De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, geluidssfeer) zijn niet op de CD-speler afgestemd. Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen op 0, zonder een geluidssfeer te selecteren. 9.83

256 VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). Het verkeerde golfbereik is geselecteerd. Druk op de toets BAND AST om het golfbereik (AM, FM1, FM2, FMAST) terug te vinden waarin de voorkeuzezenders zijn opgeslagen. De functie TA (verkeersinformatie) is ingeschakeld, maar ik krijg geen verkeersinformatie te horen. De ontvangstkwaliteit van de beluisterde radiozender neemt geleidelijk af of de voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). De geselecteerde radiozender maakt geen deel uit van het regionale netwerk van zenders die verkeersinformatie uitzenden. De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt. De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.) veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld. De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat of ondergrondse parkeergarage). Stem af op een zender die wel verkeersinformatie uitzendt. Activeer de functie RDS om het systeem te laten controleren of er een sterkere zender in het gebied aanwezig is. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. Laat de antenne controleren door het CITROËN - netwerk. Het geluid van de radio valt 1 tot 2 seconden weg. Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid naar een eventuele sterkere zender voor een betere ontvangst van het station. Schakel de RDS-functie uit als dit verschijnsel zich te vaak en steeds op hetzelfde traject voordoet. Na het afzetten van de motor wordt de radio na enkele minuten automatisch uitgeschakeld. De melding "het audiosysteem is oververhit" verschijnt op het display. Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand van de accu dat toestaat. Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-modus van de autoradio is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt. Om het audiosysteem te beschermen tegen een te hoge omgevingstemperatuur, activeert de autoradio automatisch een thermische beveiliging die het geluidsvolume verlaagt of de CD-speler uitschakelt. Start de motor om de accu op te laden. Schakel het audiosysteem enkele minuten uit om het systeem te laten afkoelen. 9.84

257 Exterieur EXTERIEUR Afmetingen Accessoires 131 Modutop dak 88 Allesdragers 92, 93 Achterlichten, richtingaanwijzers 50-51, Derde remlicht 156 Gloeilampen achter vervangen 152, Achterdeuren, achterklep Afstandsbediening Batterij vervangen, synchroniseren 20 Sleutel 19 Starten 48 Hill Start Assist 49 Centrale vergrendeling 19, 28 Ruitenwisserbladen 161 Buitenspiegels 101 Zijknipperlicht 154 Dakklep 27 Noodbediening 24 Kentekenplaatverlichting 156 Koplampen, mistlampen, richtingaanwijzers 50-51, Koplampverstelling 52 Gloeilampen vóór vervangen Koplampsproeiers 54, 138 Sneeuwscherm 150 Reservewiel, krik, wiel verwisselen, gereedschap Bandenreparatieset 145 Bandenspanning 169 Slepen, takelen , 162 Trekken van een aanhanger Parkeerhulp Remmen, remblokken 104, 139 Noodstop 107 ABS, EBD 107 ASR, ESC 108 "Grip control" 109 Banden, spanning 169 Sneeuwkettingen 151 Detectiesysteem te lage bandenspanning 38 Voorportieren 22 Schuifdeuren Sleutel 19 Motorkapontgrendeling 134 Kinderbeveiliging 127 Brandstoftankdop, brandstoftank 141 Onderbreking brandstoftoevoer, handopvoerpomp diesel 142 WEGWIJZER 10

258 Cockpit 172 Lichtschakelaars Automatische verlichting 51 Mistlampen 51 LED-dagrijverlichting 51 Instrumentenpanelen, klokken, displays, tellers Verklikkerlampjes Meters, display 37, Klok instellen via instrumentenpaneel 30 Dimmer dashboardverlichting 40 Schakelindicator 41 Schakelaar ruitenwissers Automatische ruitenwissers 53 Ruitensproeier/ koplampsproeiers 54, 138 Boordcomputer Rubriek 9 Snelheidsregelaar Snelheidsbegrenzer Contactslot 48 ESC 108 Parkeerhulp Elektrisch verstelbare buitenspiegels 101 Koplampverstelling 52 Stop & Start Versnellingsbak 41 Bediening op stuurwiel autoradio Rubriek 9 Zekeringen dashboard, interieur Motorkapontgrendeling 134 Stuurwiel verstellen 44 Claxon 104 Handrem 104

259 Cockpit 173 Plafonniers 94, 154 Binnenspiegel 102 Parkeer-/tolkaarten 102 Spiegel naar achterpassagiers 102 Displays, weergave 29, Rubriek 9 Klok instellen via display Rubriek 9 Technologie aan boord Rubriek 9 - emyway - Autoradio "Grip control" Noodoproep Rubriek 9 Elektronisch gestuurde versnellingsbak Schakelaars - centrale vergrendeling 28 - elektrische kinderbeveiliging ruitbediening alarmknipperlichten 104 Uitschakelen passagiersairbag 117 Verwarming, ventilatie - verwarming 61 - airconditioning 62 Automatische airconditioning Ontdooien/ontwasemen Voorzieningen vóór dashboardkastje, - dakconsole, - middenconsole, - zonneklep, - fl essenhouder, - tashouder, - opbergladen, - opbergvakken. WEGWIJZER 10

260 Interieur INTERIEUR 174 Elektrisch verstelbare voorstoelen, hoofdsteun Autogordels 98, Binnenspiegel 102 Parkeer-/tolkaart 102 Plafonnier vóór 94 Lampen plafonnier vervangen 154 Frontairbags, zij-airbags, window-airbags Uitschakelen passagiersairbag 117 Accu, laden, starten 143 Motorkapontgrendeling 134 Achterbank Achterstoelen (5 zitplaatsen) 72-74, 82 Configuratie van stoelen, banken Plafonnier achter 94 Lampen plafonnier vervangen 154 Kinderzitjes , 127 ISOFIX-bevestigingen Parkeerrem, handrem 104 Voorzieningen achter 87 - opbergvakken in de vloer, - zonneschermen opzij, - vliegtuigtafeltje. Modutop dak Parfumeur Bagagescherm (5 zitplaatsen) 95 Bagagescherm (7 zitplaatsen) Ruiten achter 102 Achterstoelen (7 zitplaatsen) 75-81, 83 Voorzieningen (7 zitplaatsen) sjorogen, - bekerhouder, - 12V-aansluiting, - opbergvakken. Reservewiel, krik, wiel verwisselen, gereedschap Slepen, aanhanger trekken , 162 Aanhangergewichten 168 Accessoires 131

261 Gegevens - onderhoud TECHNISCHE GEGEVENS - ONDERHOUD 175 Verklikkerlampjes Identificatie, serienummer, kleurcode lak, bandenspanning 169 Sneeuwkettingen 151 Ruitenwisserblad vervangen 161 Niveaus brandstofadditief, - oliepeilstok, - stuurbekrachtigingsvloeistof, - remvloeistof, - koelvloeistof. Brandstoffi lter aftappen 140 Zekeringen motorruimte 157, 160 Niveau ruitensproeiers/ koplampsproeiers 138 Lampen vervangen, verlichting Controles accu, - versnellingsbak, - luchtfi lter/interieurfi lter, - oliefi lter, - roetfi lter, - handrem, - remblokken, - remtrommels, remschijven. Motorkapontgrendeling, motorkapsteun 134 Onder de motorkap - diesel benzine 135 Onderbreking brandstoftoevoer, ontluchten brandstofsysteem (diesel) 142 Afmetingen Gewichten 168 WEGWIJZER 10

262

263

264

265

266

267 Dit instructieboekje behandelt alle beschikbare uitrustingen van dit model. Uw auto is, afhankelijk van het uitrustingsniveau, de uitvoering en de specifi eke kenmerken voor het land waarvoor de auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien. Aansprakelijkheid voor de gegeven beschrijvingen en illustraties wordt niet aanvaard. Automobiles CITROËN behoudt zich het recht voor tussentijds wijzigingen aan te brengen in de door haar gevoerde modellen en de bijbehorende uitrusting en accessoires, zonder verplicht te zijn dit instructieboekje aan te passen. Dit instructieboekje maakt onlosmakelijk deel uit van uw auto. Vergeet niet dit boekje bij doorverkoop van uw auto aan de nieuwe eigenaar te geven. Automobiles CITROËN verklaart dat, door toepassing van de voorschriften in de Europese regelgeving (Richtlijn 2000/53) met betrekking tot autowrakken, wordt voldaan aan de in deze richtlijn gestelde doelen en dat recycleerbare materialen worden gebruikt voor de fabricage van producten die door haar worden verkocht. Reproductie of vertaling, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder schriftelijke toestemming van Automobiles CITROËN. De achterzijde van de auto is speciaal aangepast om het opspatten van steentjes te voorkomen. Gedrukt in de EU Néerlandais 01-13

268 13BGO.0070 Néerlandais 2013 DOCUMENTATION DE BORD 4Dconcept Diadeis Seenk Edipro CRÉATIVE TECHNOLOGIE

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder

Nadere informatie

: verwijzing rubriek. : verwijzing bladzijde

: verwijzing rubriek. : verwijzing bladzijde Exterieur Sleutel - Afstandsbediening 2a 6 Volledige ontgrendeling van de auto. Volledige vergrendeling van de auto. 2b 6b Verklaring : verwijzing rubriek 6a : verwijzing bladzijde Schuifdeur 2a 17 Trek

Nadere informatie

Centrale ontgrendeling. Centrale vergrendeling

Centrale ontgrendeling. Centrale vergrendeling Toegang tot de auto 7 TOEGANG TOT DE AUTO SLEUTEL AFSTANDSBEDIENING Centrale ontgrendeling Supervergrendeling Met de sleutel kunnen de sloten van de auto vergrendeld en ontgrendeld worden en kan de motor

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje IN CITROËN JUMPY Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten

Nadere informatie

G A PSL O G O O EEN IN

G A PSL O G O O EEN IN IN EEN OOGOPSLAG 5 1 Exterieur Sleutel - Afstandsbediening 2a 6 Gescheiden ontgrendeling van cabine en laadruimte. Alleen vergrendeling van de laadruimte. Volledige vergrendeling van de auto. 2b 7b 7a

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer

Nadere informatie

WELKOM. PEUGEOT dankt u voor het vertrouwen en wenst u een goede reis.

WELKOM. PEUGEOT dankt u voor het vertrouwen en wenst u een goede reis. INSTRUCTIEBOEKJE WELKOM Belangrijke informatie: het monteren van een uitrusting of een elektrische accessoire zonder artikelnummer van Automobiles PEUGEOT, kan een storing in het elektronische systeem

Nadere informatie

Uw auto komt tot leven op internet!

Uw auto komt tot leven op internet! Instructieboekje ! Dankzij de internetsite SERVICE BOX, biedt PEUGEOT u de mogelijkheid uw boorddocumentatie gratis en eenvoudig online te raadplegen. Met het gebruiksvriendelijke SERVICE BOX hebt u altijd

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/ -begrenzer. 2. Stuurwielverstelling. 3. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 4. Instrumentenpaneel. 5. Airbag bestuurder. Claxon. 6. Versnellingshendel.

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN JUMPER 2012 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748384

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN JUMPER 2012 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748384 U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,

Nadere informatie

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina".

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek Persoonlijke pagina. Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u de gebruiksaanwijzing

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Bekijk uw instructieboekje via de website van Citroën, rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u rechtstreeks

Nadere informatie

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles ! Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch

Nadere informatie

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33. Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht

Nadere informatie

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u het instructieboekje

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

Het instructieboekje online

Het instructieboekje online INSTRUCTIEBOEKJE Het instructieboekje online Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie

Nadere informatie

Het instructieboekje online

Het instructieboekje online INSTRUCTIEBOEKJE Het instructieboekje online Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek " MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en

Nadere informatie

4 - In een oogopslag In een oogopslag - 5 COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar. 2. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 14. Dashboardkastje / aansluitingen audio/video. 15. Schakelaars stoelverwarming.

Nadere informatie

Ontgrendelen van de achterdeuren

Ontgrendelen van de achterdeuren Toegang tot de auto 18 TOEGANG TOT DE AUTO AFSTANDSBEDIENING Ontgrendelen van de cabine Druk op deze knop om de cabine van uw auto te ontgrendelen. Het lampje op de afstandsbediening gaat branden, de plafonnier

Nadere informatie

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

InstructIeboekje Jumper_nl_Chap00_couverture_ed Jumper_nl_Chap00_couverture_ed

InstructIeboekje Jumper_nl_Chap00_couverture_ed Jumper_nl_Chap00_couverture_ed Instructieboekje Het online-instructieboekje Kies een van de volgende manieren om uw instructieboekje online te raadplegen... Uw instructieboekje is te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCITROËN".

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: De voorkant De verlichting moet heel zijn en werken (de werking van de verlichting, remlichten en richtingaanwijzers kan voor je gaat rijden gecontroleerd worden door de examinator) De

Nadere informatie

4 - In een oogopslag In een oogopslag - 5 COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/- begrenzer. 2. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 3. Airbag bestuurder. Claxon. 4. Instrumentenpaneel. 5. Alarmknop.

Nadere informatie

De online-gebruiksaanwijzing

De online-gebruiksaanwijzing Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Selecteer een van de volgende toegangen om uw gebruiksaanwijzing online te raadplegen... Uw gebruiksaanwijzing is ook te vinden op de website van Peugeot,

Nadere informatie

InstructIeboekje boxer_nl_chap00_couv-debut_ed

InstructIeboekje boxer_nl_chap00_couv-debut_ed Instructieboekje Het online-instructieboekje Kies een van de volgende manieren om uw instructieboekje online te raadplegen... Scan deze code voor directe toegang tot uw instructieboekje. Uw instructieboekje

Nadere informatie

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net

Nadere informatie

Flipbook Start MyPeugeot Start MyPeugeot. De app Start MyPeugeot is beschikbaar voor uw auto en helpt u uw nieuwe Peugeot nog beter te leren kennen.

Flipbook Start MyPeugeot Start MyPeugeot. De app Start MyPeugeot is beschikbaar voor uw auto en helpt u uw nieuwe Peugeot nog beter te leren kennen. Instructieboekje Flipbook Start MyPeugeot Start MyPeugeot Start Mirror Screen Start Het instructieboekje. App die u kunt downloaden op uw smartphone. App die kan worden weergegeven op het touchscreen van

Nadere informatie

INSTRUMENTENPANEEL BENZINE - DIESEL MET HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK KLOKKEN. Display

INSTRUMENTENPANEEL BENZINE - DIESEL MET HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK KLOKKEN. Display INSTRUMENTENPANEEL BENZINE - DIESEL MET HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Display De klokken en verklikkerlampjes op het instrumentenpaneel geven informatie over de werking van de auto. KLOKKEN 1. Toerenteller.

Nadere informatie

NL ESP-Systeem

NL ESP-Systeem 603.83.515 NL ESP-Systeem ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en

Nadere informatie

De online-gebruiksaanwijzing

De online-gebruiksaanwijzing Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Selecteer een van de volgende toegangen om uw gebruiksaanwijzing online te raadplegen... Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over

Nadere informatie

De online-gebruiksaanwijzing

De online-gebruiksaanwijzing Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Selecteer een van de volgende toegangen om uw gebruiksaanwijzing online te raadplegen... Uw gebruiksaanwijzing is ook te vinden op de website van Peugeot,

Nadere informatie

INSTRUCTIebOekje CITROËN C4 CACTUS C4-cactus_nl_Chap00_couv-debut_ed

INSTRUCTIebOekje CITROËN C4 CACTUS C4-cactus_nl_Chap00_couv-debut_ed Instructieboekje CITROËN C4 CACTUS Het online-instructieboekje Kies een van de volgende manieren om uw instructieboekje online te raadplegen... Uw instructieboekje is te vinden op de website van CITROËN,

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: In deze handleiding vind je de specifieke voertuigkenmerken van de Suzuki Swift. Algemene dingen kun je in je Ris praktijkboek vinden. Dus hier kun je b.v. vinden met welk knopje je de

Nadere informatie

De online-gebruiksaanwijzing

De online-gebruiksaanwijzing Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Als u de gebruiksaanwijzing online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie. Deze informatie is gemakkelijk te herkennen aan de paginamarkering

Nadere informatie

Flipbook 208 Start MyPeugeot 208 Start MyPeugeot 208

Flipbook 208 Start MyPeugeot 208 Start MyPeugeot 208 Instructieboekje Flipbook 208 Start MyPeugeot 208 Start MyPeugeot 208 Start Mirror Screen Start Het Instructieboekje. App die u kunt downloaden op uw smartphone. App die kan worden weergegeven op het touchscreen.

Nadere informatie

Praktijk Vragen over auto

Praktijk Vragen over auto Praktijk Vragen over auto 1 BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Instructieboekje Het online-instructieboekje Kies een van de volgende manieren om uw instructieboekje online te raadplegen... Uw instructieboekje is te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Nadere informatie

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe

Nadere informatie

COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference

COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference OP Quick start K OLNS 7-07-2008 8:32 Pagina FordKa Kort Owner s overzicht handbook Feel the difference K0468_Service_Portfolio_090508. 09.05.2008 5:52:47 Uhr 604.39.307 PP K OL 8-07-2008 4:03 Pagina S

Nadere informatie

4 - In een oogopslag

4 - In een oogopslag 4 - In een oogopslag In een oogopslag - 5 COCKPIT 1 - Schakelaar snelheidsbegrenzer/ snelheidsregelaar. 2 - Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 3 - Airbag bestuurder. Claxon. 4 - Instrumentenpaneel.

Nadere informatie

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard

Nadere informatie

Voertuig Controle BMW 116d Sportline

Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/- begrenzer. 2. Hendel stuurwielverstelling.. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 4. Instrumentenpaneel. 5. Airbag bestuurder. Claxon.

Nadere informatie

************************* **************** ******** ***

************************* **************** ******** *** Bij deelname aan het Tussentijdstoets moet je de volgende documenten overhandigen: een geldig theorie certificaat een wettelijk toegestaan, geldig identiteitsbewijs. ************************* ****************

Nadere informatie

UW 807 IN EEN OOGOPSLAG 26-04-2004

UW 807 IN EEN OOGOPSLAG 26-04-2004 2 UW 807 IN EEN OOGOPSLAG UW 807 IN EEN OOGOPSLAG 3 1 - Schakelaars elektrisch bediende buitenspiegels. Schakelaars elektrisch bediende ruiten. Blokkeerschakelaar elektrisch bediende ruiten achter. 2 -

Nadere informatie

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN E81931 2 U mag de stoel niet tijdens het rijden verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1 De stoel, de hoofdsteun, de

Nadere informatie

Praktijk Vragen over auto

Praktijk Vragen over auto Praktijk Vragen over auto BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT. 1. Hendel motorkapontgrendeling. 2. Koplampverstelling. 3. Uitschakelen airbag aan passagierszijde

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT. 1. Hendel motorkapontgrendeling. 2. Koplampverstelling. 3. Uitschakelen airbag aan passagierszijde IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Hendel motorkapontgrendeling 2. Koplampverstelling 3. Uitschakelen airbag aan passagierszijde 4. Verstelbaar en afsluitbaar zijventilatierooster 5. Schakelaar verlichting en

Nadere informatie

Voertuig Controle Golf 7

Voertuig Controle Golf 7 Voertuig Controle Golf 7 Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door zodat je

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

InstruCtIeboekje C4-Picasso-II_nl_Chap00_couv-debut_ed

InstruCtIeboekje C4-Picasso-II_nl_Chap00_couv-debut_ed Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Selecteer een van de volgende toegangen om uw gebruiksaanwijzing online te raadplegen... Als u de gebruiksaanwijzing online raadpleegt, hebt u tevens toegang

Nadere informatie

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 INFOTEC AP/TAVG/MMXP/MUX BEVESTIGING DIAGNOSE BSI ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 G05 CONTROLEPROCEDURE VAN DE FUNCTIE CENTRALE VERGRENDELING Toepassing bij PEUGEOT 206 (vanaf DAM-nr. 9076)

Nadere informatie

DACIA LOGAN VAN/PICK-UP PRIJSLIJST januari 2012

DACIA LOGAN VAN/PICK-UP PRIJSLIJST januari 2012 DACIA LOGAN VAN/PICK-UP PRIJSLIJST januari 2012 VERSIEPRIJZEN LOGAN VAN/PICK-UP Dacia Logan Van Motor Uitvoering CATALOGUSPRIJS BTW BPM* CONSUMENTENPRIJS Netto INCL. BTW en BPM 1.6 MPI 85 Euro 5 Logan

Nadere informatie

4 - IN EEN OOGOPSLAG

4 - IN EEN OOGOPSLAG 4 - IN EEN OOGOPSLAG IN EEN OOGOPSLAG - 5 COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsbegrenzer/ snelheidsregelaar. 2. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 3. Airbag bestuurder. Claxon. 4. Instrumentenpaneel.

Nadere informatie

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

LCD scherm va LCD scherm

LCD scherm va LCD scherm scherm 1. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica

Nadere informatie

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! INSTRUCTIEBOEKJE UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN NEMO 2011 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748395

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN NEMO 2011 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748395 U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en

Nadere informatie

Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak.

Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak. Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak. Veiligheidsvoorzieningen Beschermingsvoorzieningen mogen alleen worden verwijderd resp. geopend na stilstand van de dumper met geactiveerde parkeerrem, uitschakelen

Nadere informatie

COCKPIT

COCKPIT 4 - IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/- begrenzer. 2. Hendel stuurwielverstelling. 3. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 4. Instrumentenpaneel. 5. Airbag bestuurder. Claxon.

Nadere informatie

Starten, schakelen & wegrijden:

Starten, schakelen & wegrijden: Auteursrechtinformatie Dit document is bedoeld voor eigen gebruik. In het algemeen geldt dat enig ander gebruik, daaronder begrepen het verveelvoudigen, verspreiden, verzenden, herpubliceren, vertonen

Nadere informatie

INSTRUCTIEBOEKJE PEUGEOT 5008

INSTRUCTIEBOEKJE PEUGEOT 5008 INSTRUCTIEBOEKJE PEUGEOT 5008 Toegang tot het instructieboekje Het instructieboekje is beschikbaar op de PEUGEOTwebsite, in de rubriek "Persoonlijke pagina" of op het volgende adres: http://public.servicebox.peugeot.com/ddb/

Nadere informatie

2 UW 206 IN EEN OOGOPSLAG

2 UW 206 IN EEN OOGOPSLAG 2 UW 206 IN EEN OOGOPSLAG UW 206 IN EEN OOGOPSLAG 3 1 Stuurwiel met airbag en claxon 2 Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers 11 Voorruitontwaseming 12 Zijruitontwaseming 13 Verstelbaar zijventilatierooster

Nadere informatie

Handleiding. Tilly Light fietsendrager

Handleiding. Tilly Light fietsendrager Handleiding Tilly Light fietsendrager mei 2015 Tilly Light BV Inhoudsopgave Algemeen 4 Onderdelen 5 Stekker aansluiting 10 Eerste gebruik 11 Op de auto plaatsen 15 Fietsen plaatsen 18 Rijden 23 Fietsen

Nadere informatie

Toegang tot het instructieboekje

Toegang tot het instructieboekje INSTRUCTIEBOEKJE Toegang tot het instructieboekje Het instructieboekje is beschikbaar op de CITROËNwebsite, in de rubriek "MyCitroën" of op het volgende adres: http://service.citroen.com/ddb/ Download

Nadere informatie

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling

Nadere informatie

Verwarming en ventilatie

Verwarming en ventilatie Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde

Nadere informatie

UW 307 SW IN EEN OOGOPSLAG 1

UW 307 SW IN EEN OOGOPSLAG 1 UW 307 SW IN EEN OOGOPSLAG 1 Blz. Stoelen 88-102 Schakelaars op stuurkolom 110-116 Instrumentenpanelen 28-29 Ventilatie, airconditioning 82-87 Spiegels 118-119 Blz. Controles 136-140 Toegang tot de auto

Nadere informatie

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Beknopte gebruiksaanwijzing Algemene versie 07-2014 Introductie Het duurzaam ondernemen wordt steeds belangrijker. Veel bedrijven zijn verplicht CO 2 -doelstellingen

Nadere informatie

UW 206 IN EEN OOGOPSLAG 1

UW 206 IN EEN OOGOPSLAG 1 UW 206 IN EEN OOGOPSLAG 1 Blz. Stoelen 74-85 Cockpit 29-31 Dashboard 37-73, 97-98 Spiegels 100 Blz. Controles 117-125 Toegang tot de auto 87-92 Wiel verwisselen 126-130 Lampen vervangen 131-135 In dit

Nadere informatie

Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , ,

Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , , Installation instructions, accessories Instructienr. 30756608 Versie 1.2 Ond. nr. 30756607, 30756606, 31316446 Stuurwiel, leer IMG-339612 Volvo Car Corporation Stuurwiel, leer- 30756608 - V1.2 Pagina 1

Nadere informatie

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies

Nadere informatie

Inhoudsopgave 012 TECHNISCHE. 15 Lampen vervangen 16 Zekeringen vervangen 17 Onderhoudstips GEGEVENS

Inhoudsopgave 012 TECHNISCHE. 15 Lampen vervangen 16 Zekeringen vervangen 17 Onderhoudstips GEGEVENS Welkom voor wat betreft het in- en exterieur en het gebruik van uw DS3 CABRIO behandeld. Raadpleeg het instructieboekje voor alle overige beschrijvingen en kenmerken, en het onderhouds- en garantieboekje

Nadere informatie

UW 206 IN EEN OOGOPSLAG

UW 206 IN EEN OOGOPSLAG 2 UW 206 IN EEN OOGOPSLAG UW 206 IN EEN OOGOPSLAG 3 1 Stuurwiel met airbag en claxon 2 Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers 3 Uitschakelen airbag aan passagierszijde* 4 Blokkeerschakelaar elektrisch

Nadere informatie

LCD scherm ve LCD scherm

LCD scherm ve LCD scherm scherm. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica zelf

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN DS5 HYBRIDE 2012 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748380

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN DS5 HYBRIDE 2012 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748380 U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,

Nadere informatie

Renault TRAFIC. Instructieboekje

Renault TRAFIC. Instructieboekje Renault TRAFIC Instructieboekje eenpassievoor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op

Nadere informatie

gefeliciteerd MeT de AAnkOOP VAn Uw VOLVO XC90 quick guide

gefeliciteerd MeT de AAnkOOP VAn Uw VOLVO XC90 quick guide VOLVO XC90 quick guide gefeliciteerd MeT de AAnkOOP VAn Uw nieuwe VOlVO! Het is altijd spannend een nieuwe auto te leren kennen. Neem deze Quick Guide door om nog meer plezier te hebben van uw nieuwe Volvo.

Nadere informatie

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C)

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) COUPÉ EVO DASHBOARD Brandstofmeter met reserveaanduiding Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) Chroomlook ringen instrumentenpaneel ControlelampjesRichtingaanwijzer links en rechts, mistlampen

Nadere informatie

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist BEDIENINGSUITLEG 1 - Bestuurderszetel 17 - Hendel stuurafstelling 2 - Sleutelschakelaar (START) 18 - Bedieningshendel hijsen linker

Nadere informatie

ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice!

ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Mobiliteitsservice: 088-2692888 Twijfelt u? Bel dan Van den Udenhout 073-64644444 Lampje Betekenis ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Centraal waarschuwingslampje:

Nadere informatie

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM H6716G Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motor-immobilisatiesysteem. Tevens beschikt het voertuig over een aantal extra veiligheidssystemen.

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.

Nadere informatie

C8_03-2_fr_Gcv.qxd 12/09/03 10:26 Page 1 CITROËN C8 INSTRUCTIEBOEKJE. 0 C:\Documentum\Checkout\V3_03_2_Tcv-NEL.win 15/3/2004 19:35 -page 1

C8_03-2_fr_Gcv.qxd 12/09/03 10:26 Page 1 CITROËN C8 INSTRUCTIEBOEKJE. 0 C:\Documentum\Checkout\V3_03_2_Tcv-NEL.win 15/3/2004 19:35 -page 1 C8_03-2_fr_Gcv.qxd 12/09/03 10:26 Page 1 CITROËN C8 INSTRUCTIEBOEKJE 0 C:\Documentum\Checkout\V3_03_2_Tcv-NEL.win 15/3/2004 19:35 -page 1 C8_03-2_fr_Gcv.qxd 12/09/03 10:27 Page 2 CITROËN prefereert TOTAL

Nadere informatie

DS 7 CROSSBACK INSTRUCTIEBOEKJE

DS 7 CROSSBACK INSTRUCTIEBOEKJE DS 7 CROSSBACK INSTRUCTIEBOEKJE Toegang tot het instructieboekje Het instructieboekje is beschikbaar op de DS AUTOMOBILES-website, in de rubriek "MyDS" of op het volgende adres: http://service.dsautomobiles.com

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN C5 SEDAN

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN C5 SEDAN U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,

Nadere informatie

Pagina. Paragraaf. 1.1 Openen. 1.2 Starten. 1.3 Uitschakelen. 1.4 Afsluiten. 2.1 Tanken. 3.1 Openen kap. 3.2 Sluiten kap. 1.

Pagina. Paragraaf. 1.1 Openen. 1.2 Starten. 1.3 Uitschakelen. 1.4 Afsluiten. 2.1 Tanken. 3.1 Openen kap. 3.2 Sluiten kap. 1. Paragraaf 1.1 Openen 1.2 Starten 1.3 Uitschakelen 1.4 Afsluiten 2.1 Tanken 3.1 Openen kap 3.2 Sluiten kap 1.3 Zijruiten verwijderen en plaatsen 1.3 Uitschakelen 5.1 Motorkap openenn 6.1 Kachel bedienenn

Nadere informatie

EERSTE KENNISMAKING B U I T E N Z I J D E. Open dak

EERSTE KENNISMAKING B U I T E N Z I J D E. Open dak B U I T E N Z I J D E I Open dak Dit dak zorgt voor meer lucht en licht in het interieur. EERSTE KENNISMAKING 100 Parkeerhulpsensoren Nadat u de achteruitversnelling heeft ingeschakeld, waarschuwt het

Nadere informatie

2 UW 307 IN EEN OOGOPSLAG

2 UW 307 IN EEN OOGOPSLAG 2 UW 307 IN EEN OOGOPSLAG UW 307 IN EEN OOGOPSLAG 3 1. Airbag bestuurder. Claxon. 2. Verlichtingsschakelaars en richtingaanwijzers. 3. Stuurkolomschakelaar autoradio. 4. Instrumentenpaneel. 5. Schakelaar

Nadere informatie