UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!"

Transcriptie

1

2 UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie. Surf naar : Selecteer uw taal. Klik op de link in het veld "Toegang voor particulieren" om de Boorddocumentatie te raadplegen. Er wordt een nieuw venster geopend waarin u toegang hebt tot alle instructieboekjes. Selecteer het model en de carrosserie-uitvoering van uw auto en vervolgens de uitgiftedatum van het boekje. Klik ten slotte op de gewenste rubriek.

3 Wij maken u attent op het volgende: Uw auto is, afhankelijk van het uitrustingsniveau, de uitvoering en de specifieke kenmerken voor het land waarvoor uw auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien. Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Citroën voorkomen, kan storingen in het elektronisch systeem van uw auto veroorzaken. Wij verzoeken u hier rekening mee te houden en contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk Citroën om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en accessoires voorzien van een artikelnummer. Symbolen veiligheidswaarschuwing dit symbool verschijnt bij adviezen met betrekking tot de bescherming van het milieu verwijzing naar aangegeven pagina Citroën beschikt wereldwijd over een uitgebreid gamma modellen. Modellen die worden gekenmerkt door een geraffineerde mix van hoogwaardige techniek en constante innovatie, evenals een moderne en creatieve benadering van het begrip mobiliteit. Wij danken u voor uw keuze en wensen u veel plezier met uw auto. Achter het stuur van uw nieuwe auto geniet u optimaal als u elke uitrusting, elke schakelaar en elke instelling kent. Goede reis.

4 INHOUD SOP G AVE IN EEN OOGOPSLAG 0 III - COMFORT V - ZICHT 9 0 Eco-rijden 9 I - CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN Instrumentenpanelen Verklikkerlampjes Indicatoren Ventilatie 56 Handbediende airconditioning 58 Automatische airconditioning 60 Parfumeur 65 Voorstoelen 67 Achterstoelen 70 Opstelling van de stoelen 75 Spiegels 76 Stuurwielverstelling 77 Lichtschakelaar 9 Lichtdiodes 96 Dagrijverlichting 96 Automatische verlichting 97 Koplampen verstellen 98 Meedraaiende koplampen 99 Ruitenwisserschakelaar 00 Automatische ruitenwissers 0 Plafonniers 0 Sfeerverlichting 0 II - MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS 5 55 Monochroom display A 5 Monochroom display C 7 Kleurendisplay MyWay 50 Kleurendisplay NaviDrive 5 Boordcomputer 5 IV - TOEGANG TOT DE AUTO 78 9 Sleutel met afstandsbediening 78 Starten van de auto 8 Alarm 8 Ruitbediening 86 Portieren 88 Koffer 90 Achterruit openen 90 Glazen panoramadak 9 Brandstoftank 9 VI - VOORZIENINGEN 05 6 Comfortuitrusting interieur Verschuifbare zonneschermen 05 Dashboardkastje 06 Matten 08 Indeling van de bagageruimte Bagagenet 5 Uitneembare lamp 6 VII - VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN 7 5 Kinderzitjes 7 ISOFIX-bevestigingen voor kinderzitjes Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen 5

5 INHOUD SOP G AVE VIII - VEILIGHEID 6 8 Richtingaanwijzers 6 Alarmknipperlichten 6 Claxon 6 Detectiesysteem te lage bandenspanning 7 Hulpsystemen bij het remmen 8 Stabiliteitscontrolesystemen 9 Urgence-oproep of Assistance-oproep 0 Autogordels Airbags 5 X - ONDERHOUD 7 8 Motorkap 7 Brandstoftank leeggereden (Diesel) 76 Benzinemotoren 77 Dieselmotoren 78 Niveaus controleren 79 Controles 8 XII - TECHNISCHE GEGEVENS 6 Benzinemotoren Gewichten benzinemotoren Dieselmotoren 5 Gewichten dieselmotoren 7 Gewichten benzinemotoren en dieselmotoren uitvoeringen N Afmetingen Identificatie 6 IX - RIJDEN 9 7 Elektrisch bediende handrem 9 Hill Start Assist 6 Handgeschakelde versnellingsbak 7 Opschakelindicator 8 EGS 6-versnellingsbak 9 Stop & Start 5 Automatische versnellingsbak 56 Stuur met toetsen op de vaste naaf 60 Snelheidsbegrenzer 6 Snelheidsregelaar 6 Intelligente parkeerhulp 66 Lane Departure Warning System (LDWS) 68 Parkeerhulp 69 Luchtvering 7 XI - PRAKTISCHE INFORMATIE 8 Bandenreparatieset 8 Verwisselen van een wiel 86 Een lamp vervangen 90 Vervangen van een zekering 97 V-accu 0 Eco-modus 06 Slepen van de auto 07 Trekken van een aanhanger 09 Daklastdragers 0 Sneeuwscherm 0 Accessoires AUDIO en DATACOMMUNICATIE 7 6 Urgence-oproep of Assistance-oproep 7 NaviDrive MyWay 75 Autoradio 07 Pack video 9 ZOEKEN OP AFBEELDING 7 TREFWOORDENREGISTER 8

6 B U ITENZIJ DE IN EEN OOGOPSLAG Stop & Start -systeem Dit systeem zet de motor in een standby-stand als de auto stilstaat in het verkeer (rood verkeerslicht, files, enz.). Zodra u verder wilt rijden, wordt de motor automatisch weer gestart. Dankzij het Stop & Start-systeem verbruikt de auto minder brandstof, worden er minder schadelijke stoffen uitgestoten en produceert de auto minder geluid tijdens het stilstaan. 5 Parkeerhulp voor/achter In de bumpers bevinden zich sensoren die eventuele obstakels detecteren. 69 Parkeerplaatsassistent Dit systeem meet de afmetingen van een parkeerplaats tussen twee voertuigen of obstakels. 66 Meedraaiende xenonkoplampen Deze functie zorgt ervoor dat de lichtbundels automatisch met de bocht meedraaien. 99

7 B U ITENZIJ DE Glazen panoramadak 9 Instapverlichting Deze lampen verlichten de omgeving van beide voorportieren. 98 Buitenspiegels Elektrisch inklapbaar. Spiegelglas automatisch kantelbaar bij het inschakelen van de achteruitversnelling. 76 Te openen achterruit 90 Luchtvering achter De luchtvering achter zorgt voor meer rijcomfort en houdt de voertuighoogte constant, ongeacht de belading van de auto. 7 5IN EEN OOGOPSLAG

8 O PENEN EN S L U ITEN Afstandsbediening Openen en sluiten van de motorkap Ontgrendelen: trek de hendel onder het dashboard naar u toe. Brandstoftank Inhoud: ongeveer 60 liter. IN EEN OOGOPSLAG A. Centrale vergrendeling B. Ontgrendeling C. Inschakelen van de verlichting D. In- en uitklappen van de sleutel Voorkeursinstelling van de portierontgrendeling Via het multifunctionele display kunt u uw voorkeursinstelling van de portierontgrendeling via de afstandsbediening instellen: - óf alle opengaande delen tegelijkertijd, - óf bij een eerste keer drukken alleen het bestuurdersportier, daarna bij een tweede keer drukken alle andere opengaande delen. 78 Motorkapsteun: trek de motorkapsteun uit de bevestiging, klap hem uit en zet hem vast in de steun. Sluiten: plaats de steun terug in de oorspronkelijke stand, laat de motorkap zakken en laat hem op het laatste stuk los, zodat hij in het slot valt. 7 Druk de toets A op het bedieningspaneel links van de bestuurder in. De klep van de tankdop wordt automatisch volledig geopend. Steek het vulpistool in de vulopening en druk hierbij de metalen veiligheidsklep B in. Druk de klep van de tankdop dicht. 9 Na afzetten van het contact is de toets A nog enkele minuten actief. U kunt deze toets door het contact aan te zetten opnieuw activeren. 6

9 O PENEN EN S L U ITEN Te openen achterruit Openen van de achterklep Modubox (CITROËN C Picasso) Hiermee is de bagageruimte altijd bereikbaar, ook als uw auto dicht bij een muur of een andere auto geparkeerd staat. Openen Druk tegen de bediening. De handgreep bevindt zich bij de as van de achterruitenwisser. Sluiten Druk de achterruit neer. 90 Druk tegen de bediening. De achterklep kan niet worden geopend als de achterruit geopend is. Sluiten van de achterklep Trek de achterklep via een van de twee handgrepen in de binnenbekleding van de klep omlaag. Laat de klep vanaf het zwaartepunt los, zodat deze automatisch in het slot valt (zonder deze vast te houden of af te remmen). Maximale belasting: kg. De modubox bestaat uit een verrijdbaar onderstel en een verwijderbare tas, die afzonderlijk gebruikt kunnen worden. 7IN EEN OOGOPSLAG

10 CITROËN C Picasso CITROËN Grand C Picasso Tweedelig bagageafdekscherm Bagageafdekscherm IN EEN OOGOPSLAG 8 Uitneembare lamp 6 Bandenreparatieset Toegang tot het reservewiel 87 Luchtvering achter Hiermee kunt u de tildrempel van de bagageruimte aanpassen 7 Uitneembare lamp Afhankelijk van de uitrusting bevindt zich een bandenreparatieset onder de vloer van de bagageruimte of in de uitsparing onder het vloerluik bij de passagier op de tweede zitrij links (open het luik door de schroef een kwartslag te draaien). Deze set, waarmee u een band provisorisch kunt repareren, bestaat uit een pomp en een afdichtmiddel. 8 Zie ook het hoofdstuk "Praktische wenken- Verwisselen van een wiel". 86

11 INTERIEU R EGS 6-versnellingsbak Hiermee kunt u kiezen uit een volledig automatische stand, een handbediende stand en een sequentiële stand, die de voordelen van beide vorige standen verenigt, dankzij de flippers aan het stuurwiel. 9 Snelheidsbegrenzer/-regelaar Hiermee kunt u de snelheid van uw auto bewaken afhankelijk van de vooraf door u ingestelde snelheid. 6, 6 Elektrisch bediende handrem Hiermee wordt de handrem automatisch of handmatig bediend en vrijgezet. Sfeerverlichting Dit systeem verspreidt een gedempt licht waardoor u als het donker is beter kunt zien in het interieur van uw auto. 9 Parfumeur Deze parfumeur is aangebracht in het ventilatiesysteem van de auto en verspreidt een door u gekozen parfum in het interieur IN EEN OOGOPSLAG

12 BES T UURDERS PLAATS IN EEN OOGOPSLAG 0

13 BES T UURDERS PLAATS. Bedieningsorganen: - Verlichting - Richtingaanwijzers - Mistlampen voor en achter. Schakelfl ippers van de EGS 6-versnellingsbak of van de automatische versnellingsbak. Toetsen snelheidsregelaar en snelheidsbegrenzer (op stuurwiel). Controlelampjes 5. Toetsen audio-/ datacommunicatiesysteem (op stuurwiel) 6. Selectiehendel van de EGS 6-versnellingsbak of van de automatische versnellingsbak 7. Bedieningsorganen: - Ruitenwissers voor - Ruitensproeiers - Achterruitenwisser - Boordcomputer 8. Bedieningsorganen: - Op nul stellen dagteller - Regeling dashboardverlichting 9. Controlelampjes (met multifunctioneel display MyWay of NaviDrive) 0. Elektrisch bediende handrem. Instrumentenpaneel. Alarmknipperlichten. Bedieningspaneel: - Oproep Urgence of Assistance - Lane Departure Warning System. Toets uitschakeling ESP 5. Stuurslot/contact 6. Toetsen multifunctioneel display (op stuurwiel) 7. Claxon 8. Toetsen optionele functies (op stuurwiel) 9. Afdekklep zekeringkasten 0. Bedieningsorganen: - Brandstoftankklep - Parkeerhulp voor en achter - Stop & Start-systeem - Uitschakeling van de interieurbeveiliging - Verstelling van de koplampen. Openen van de motorkap. Bedieningsorganen: spiegels IN EEN OOGOPSLAG

14 BES T UURDERS PLAATS IN EEN OOGOPSLAG

15 BES T UURDERS PLAATS. Bedieningsorganen: - Ruitbediening - Kinderbeveiliging. Uitstroomopening ontwaseming / ontdooiing zijruit Ventilatierooster zijkant. Bediening airconditioning bestuurderszijde. Frontairbag aan bestuurderszijde 5. Dashboardkastje linksboven 6. Centrale ventilatieroosters 7. Dashboardkastje rechtsboven 8. Frontairbag aan passagierszijde 9. Luidspreker (tweeter) (rechts en links) 0. Uitstroomopening ontwaseming / ontdooiing voorste zijruit. Uitstroomopening ontwaseming / ontdooiing voorruit. Zonnesensor. Bediening airconditioning passagierszijde. Onderste dashboardkastje - Houders voor parfumeur - Diverse opbergvakken 5. Sleutelschakelaar - In- en uitschakelen van frontairbag aan passagierszijde 6. Schakelaar centrale vergrendeling 7. Audio-/datacommunicatiesysteem 8. Parfumeur 9. Koelvak 0. USB-aansluiting (of afsluiter). V-aansluiting of aansteker. Uitneembare asbak. Toets sfeerverlichting. Bediening stuurwielverstelling IN EEN OOGOPSLAG

16 INS TELLING EN Stuurverstelling Automatische elektrochrome binnenspiegel Instellen van de buitenspiegels IN EEN OOGOPSLAG Het stuur is in hoogte en diepte verstelbaar. Ontgrendel het stuur door de hendel A naar u toe te trekken. Stel de gewenste stand van het stuur in en vergrendel vervolgens de stuurkolom door de hendel geheel terug te drukken. 77 Voer uit veiligheidsoverwegingen deze handelingen niet uit tijdens het rijden. Deze spiegel zorgt voor een automatische en geleidelijke overgang tussen de dag- en de nachtstand. Kinderspiegel 77 Met deze spiegel hebt u zicht op de passagiers achterin. De spiegel is wegklapbaar om verblinding te voorkomen. U kunt de spiegels instellen bij aangezet contact. Selecteer vanaf de bestuurdersplaats de betreffende spiegel door de schakelaar naar links of naar rechts te zetten en stel vervolgens de spiegel in door de schakelaar in vier mogelijke richtingen te bedienen. De ontwaseming/verwarming van de buitenspiegels is gekoppeld aan de achterruitverwarming. Inklappen van de buitenspiegels Bij stilstaande auto kunt u de buitenspiegels met de hand of elektrisch inklappen

17 INS TELLING EN Voorstoelen Handmatig verstellen Elektrische verstelling Hoofdsteun Armleuning Kantelen van de rugleuning Hoogteverstelling stoel Lendensteun. Instellen van de hoogte, kantelen van de stoel en verstellen in de lengterichting. Verstellen van de hoek van de rugleuning en verstellen van de lendensteun. Bestuurder: programmeren rijpositie-instellingen De bediening van de elektrische stoelverstelling blijft een bepaalde tijd werken: - na het openen van een van de voorportieren, - na het uitzetten van het contact. Verstellen in lengterichting Bediening stoelverwarming (aan de binnenzijde van de voorstoelen) 68 IN EEN OOGOPSLAG 67 5

18 INS TELLING EN Hoogteverstelling van de autogordel Elektrisch bediende ruiten Verschuifbare zonneschermen IN EEN OOGOPSLAG Druk de knop in en schuif het verstelmechanisme in de gewenste richting, tot de autogordel correct is ingesteld. Met de schakelaars in het portier kunt u vanaf de bestuurdersplaats de portierruiten van de auto elektrisch bedienen. 86 Schuif het zonnescherm in de gewenste stand via A. De zonneschermen zijn aan de voorkant voorzien van zonnekleppen. Klap de zonneklep omlaag om verblinding te voorkomen. 05 Elektrisch zonnescherm van het glazen panoramadak Openen (stand t/m 9 ) Sluiten (stand 0 ) Dit zonnescherm is uitgerust met een antiklemvoorziening. 9 6

19 KLIMAATREG ELING Gebruiksadviezen - Verwarming/handbediende airconditioning: Bediening voor Koeling Verwarming Ontwaseming Ontdooiing of of Eerst maximaal koud en dan naar wens instellen Eerst maximaal warm en dan naar wens instellen Maximaal warm Eerst maximaal en dan naar wens instellen Eerst maximaal en dan naar wens instellen ON Bij het wegrijden ON en daarna OFF Bij het wegrijden ON en daarna OFF OFF IN EEN OOGOPSLAG - Automatische airconditioning : bij een automatische airconditioning raden wij u aan de stand AUTO te kiezen. 7

20 BELANG RIJ KE S I G NALERING EN IN EEN OOGOPSLAG Instrumentenpaneel met multifunctioneel display A of C met multifunctioneel display MyWay of NaviDrive. Instrumentenpaneel.. Multifunctioneel display.. Bedieningstoetsen.. Weergave van de controlelampjes. Waarschuwingslampje autogordel Dit lampje brandt in geval van het niet-omgespen van de autogordel aan bestuurders- of passagierszijde voorin (afhankelijk van de uitvoering) en in geval van het losmaken van de gordel van de voorpassagier (afhankelijk van uitvoering) en bij niet-omgespen van de gordels van de achterpassagiers van de tweede zitrij. De verlichte punten geven de inzittenden zonder gordel weer. Bandenspanningscontrole Deze functie waarschuwt u wanneer de spanning van een of meer banden te laag is of wanneer u een lekke band hebt. Controleer ondanks dit systeem regelmatig de bandenspanning. Waarschuwing te lage bandenspanning Lekke band Het lampje SERVICE gaat branden en het silhouet van de auto en een melding verschijnen op het display. Tevens hoort u een geluidssignaal. Handmatige centrale vergrendeling Met een druk op de knop A kunt u de auto centraal ver- of ontgrendelen. Als een van de portieren geopend of niet helemaal dicht is, werkt de centrale vergrendeling niet. Automatische centrale vergrendeling Als deze functie geactiveerd is, worden, wanneer u wegrijdt, vanaf 0 km/h automatisch alle portieren en de achterklep vergrendeld. Deze functie kan worden uitgeschakeld door de schakelaar A meer dan twee seconden ingedrukt te houden. 8 Het STOP- lampje gaat branden en het silhouet van de auto en een melding verschijnen op het display. Tevens hoort u een geluidssignaal. 7 89

21 VEILIG HEID VAN DE INZITTENDEN Frontairbags Kinderbeveiliging ISOFIX-bevestigingspunten Handbediening Uitschakelen van de frontairbag aan passagierszijde. Steek de sleutel in het slot A.. Draai de sleutel in de stand "OFF".. Verwijder de sleutel. 5 De kindersloten van de achterportieren worden ingeschakeld door de pal te bedienen met behulp van de sleutel (inkeping in het portier). Elektrische bediening Druk op de toets om de bediening van de ruiten en het openen van de portieren vanuit het achtercompartiment te blokkeren. De drie zitplaatsen van de tweede zitrij zijn voorzien van voorgeschreven ISOFIX-bevestigingspunten met drie bevestigingsringen A, B en C per zitplaats. Dit bevestigingssysteem is geschikt voor zitjes voor kinderen tot 8 kg. IN EEN OOGOPSLAG 5 9

22 VEILIG HEID VAN DE INZITTENDEN Autogordels Middelste autogordel van de tweede zitrij Voorschriften autogordels voor passagiers op derde zitrij (CITROËN Grand C Picasso) IN EEN OOGOPSLAG Steek de gesp C in de rechtersluiting en steek vervolgens de gesp D in de linkersluiting. Zet de autogordels voor de passagiers op de derde zitrij vast aan de hiervoor bestemde bevestigingspunten. Maak de autogordels niet vast aan de bevestigingspunten die zijn gemerkt met een rood kruis (zie bovenstaande afbeelding). Opbergvoorziening voor de gordelgespen van de derde zitrij 0

23 INTERIEU R STOELEN OP DE TWEEDE ZITRIJ Comfortstand Verstellen in de lengterichting De drie afzonderlijke stoelen op de tweede zitrij zijn onafhankelijk en ieder even breed. Ze zijn voorzien van een comfortstand. Stoelen in de comfortstand zetten Trek aan de riem B. De rugleuning en de zitting kantelen iets naar achteren. Stoelen in de oorspronkelijke stand zetten Trek aan de riem B en duw de stoel naar voren. Licht de hendel A aan de voorzijde van de zitting op en zet de stoel in de gewenste stand. IN EEN OOGOPSLAG 70

24 INTERIEUR IN EEN OOGOPSLAG STOELEN OP DE TWEEDE ZITRIJ Neerklappen van de stoelen Van buitenaf Trek de lus C naar boven, zoals aangegeven door de rode pijl, om de stoel te ontgrendelen; houd de lus strak tot de stoel volledig is neergeklapt. Vanuit de bagageruimte, bijvoorbeeld tijdens het in- en uitladen van bagage (CITROËN Grand C Picasso) Klap eerst de stoelen van de derde zitrij neer. Trek aan de riem D om de stoel in kwestie te ontgrendelen. Terugplaatsen van de stoelen Klap de afdekpanelen van de stoelen van de tweede zitrij op en vergrendel ze (CITROËN Grand C Picasso). Til de rugleuning op en druk deze naar achteren vast. Afdekpaneel (CITROËN Grand C Picasso) De rugleuningen van de stoelen van de tweede zitrij zijn aan de achterkant voorzien van een afdekpaneel. Vergrendelen/ontgrendelen van het afdekpaneel Schuif de nok A van het afdekpaneel naar beneden om het te ontgrendelen. Klap het afdekpaneel op en schuif nok A naar boven om het te vergrendelen. Controleer voordat u de afdekpanelen uitklapt of de stoelen van de tweede zitrij zo ver mogelijk naar achteren zijn geplaatst. 7

25 INTERIEUR STOELEN OP DE DERDE ZITRIJ CITROËN GRAND C PICASSO Stoelen overeind zetten Stoelen opbergen Toegang tot de stoelen op de derde zitrij Vouw het harmonicapaneel ( ) dat de stoelen van de derde zitrij bedekt samen. Trek aan de zwarte lus F op de rugleuning van de stoel. 7 Voordat u de stoelen op de derde zitrij overeind zet of opbergt, moet u eerst de panelen aan de onderkant van de rugleuning van de stoelen op de tweede zitrij vergrendelen. Houd het samengevouwen harmonicapaneel ( ) rechtop en trek aan de rode lus G. Zorg er eerst voor dat de afdekpanelen op de rugleuningen van de stoelen van de tweede zitrij opgeklapt en vergrendeld zijn. Let er bij het neerklappen op dat zich geen voorwerpen op of onder de stoelen van de tweede zitrij bevinden. Trek aan de hendel E aan de bovenzijde van de rugleuning van de stoelen op de tweede zitrij. 7 IN EEN OOGOPSLAG

26 RIJ DEN Lichtschakelaar Ruitenwisserschakelaar Stuurwiel met vast middengedeelte met bedieningstoetsen IN EEN OOGOPSLAG Ring A. Lichten gedoofd. Automatisch inschakelen van de verlichting. Parkeerlicht. Dimlicht of grootlicht 9 Ring B Mistlampen voor Mistachterlicht 95 Onder bepaalde weersomstandigheden (lage temperatuur, hoge vochtigheid) is de aanwezigheid van condens op de binnenzijde van de koplampen en de achterlichten normaal. De condens verdwijnt als de lampen enkele minuten hebben gebrand. Schakelaar C: ruitenwisser voor Inschakelen "automatisch wissen" Beweeg de schakelaar naar beneden en laat deze vervolgens weer los. Uitschakelen "automatisch wissen" Beweeg de schakelaar omhoog en breng deze terug naar de stand "0". Elke keer na het starten van de motor moet de automatische stand weer worden ingeschakeld. Ring D: ruitenwisser achter Uit. Intervalwissen achterruit. Sproeien in combinatie met een aantal keren wissen. 00. Bedieningsorganen voor optionele functies. Bedieningsorganen van snelheidsregelaar/-begrenzer en de parkeerplaatsassistent. Bedieningsorganen van het audiosysteem. Bedieningsorganen van het multifunctionele display Claxon 6 6. Controlelampjes richtingaanwijzers en verlichting

27 RIJ DEN Elektrische handrem De elektrisch bediende handrem combineert: - automatische functies: automatisch aantrekken bij het afzetten van de motor en automatisch vrijzetten bij het wegrijden (automatische functies standaard geactiveerd); - handmatige bediening: handmatige bediening voor het aantrekken en vrijzetten is mogelijk door de hendel A te gebruiken. Ook wanneer de automatische functies zijn geactiveerd, kan de elektrisch bediende handrem op elk gewenst moment handmatig worden aangetrokken of vrijgezet: Aantrekken: trek aan hendel A. Vrijzetten: trek aan hendel A en laat deze vervolgens weer los. Ga niet rijden als het controlelampje van de handrem en het controlelampje P op de hendel A branden. 9 Controleer, voordat u de auto verlaat, of het controlelampje P (rood) van de handrem permanent brandt. Als u bij draaiende motor de auto verlaat, dient u met de hand de handrem aan te trekken. Laat kinderen nooit alleen in de auto wanneer het contact is aangezet: ze zouden de handrem kunnen vrijzetten. Hill Start Assist Om het wegrijden op een helling te vergemakkelijken, is deze auto uitgerust met een systeem dat de auto ongeveer twee seconden op zijn plaats houdt, zodat de bestuurder de tijd heeft het rempedaal los te laten en het gaspedaal in te trappen. 6 Parkeerplaatsassistent < 0 km/h U kunt deze functie activeren door de schakelaar A in te drukken. Zodra de parkeerplek is gemeten, wordt op het display een van de volgende meldingen weergegeven: Parkeren mogelijk Parkeren moeilijk Parkeren afgeraden IN EEN OOGOPSLAG 66 5

28 RIJDEN EGS 6-versnellingsbak Automatische versnellingsbak IN EEN OOGOPSLAG R Achteruitrijstand N Vrijstand A Automatische stand M Stand voor handmatig schakelen Met behulp van de schakelflippers "+" en " -" : - schakelen in de handmatige stand, - tijdelijk handmatig schakelen in de automatische stand. Wegrijden Zorg dat de selectiehendel in de stand N staat. Houd het rempedaal goed ingetrapt en start de motor. 9 P Parkeerstand R Achteruitrijstand N Neutraalstand D Automatische stand M Stand voor handmatig schakelen Met behulp van de schakelfl ippers "+" en "-" : - schakelen in de handmatige stand, - tijdelijk handmatig schakelen in de automatische stand. Wegrijden Zorg ervoor dat de selectiehendel in de stand P of N staat, voordat u de motor start. Houd voor het verlaten van de stand P het rempedaal ingetrapt alvorens de selectiehendel te bedienen. 56 6

29 RIJ DEN Stop & Start-systeem Overgang van de motor naar de STOP-stand Het controlelampje "ECO" op het instrumentenpaneel gaat branden en de motor gaat over op de standby-stand: - bij een EGS 6-versnellingsbak ; als de snelheid lager is dan 6 km/h, trap dan het rempedaal in of zet de selectiehendel in stand N. In sommige gevallen is het mogelijk dat de STOP-stand niet beschikbaar is; het controlelampje "ECO" knippert gedurende enkele seconden en dooft. 5 Overgang van de motor naar de START-stand Het controlelampje "ECO" dooft en de motor wordt opnieuw gestart: - de selectiehendel staat in stand A of M: laat het rempedaal los, - of de selectiehendel staat in stand N en het rempedaal is niet ingetrapt: schakel de stand A of M in, - of schakel de achteruitversnelling in. In sommige gevallen wordt de STARTstand automatisch ingeschakeld; het controlelampje "ECO" knippert gedurende enkele seconden en dooft. 5 Uitschakelen / opnieuw inschakelen U kunt het systeem op ieder moment uitschakelen door op de toets "ECO OFF" te drukken; het controlelampje in de toets gaat branden. Het systeem wordt automatisch weer ingeschakeld als de motor opnieuw wordt gestart met de contactsleutel. Zet het contact altijd uit met de sleutel voordat brandstof wordt getankt of voordat er werkzaamheden in de motorruimte worden uitgevoerd. IN EEN OOGOPSLAG 5 7

30 RIJ DEN Contactslot Snelheidsbegrenzer Snelheidsregelaar IN EEN OOGOPSLAG S: Stuurslot Beweeg, voor het ontgrendelen van de stuurinrichting, het stuurwiel iets en draai tegelijkertijd de sleutel om, zonder kracht te zetten. M: Contactstand D: Starten Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. Bedien de startmotor niet bij draaiende motor. 8. Selecteren / uitschakelen van de snelheidsbegrenzer.. Verlagen van de ingestelde snelheid.. Inschakelen / uitschakelen van de snelheidsbegrenzer.. Verhogen van de ingestelde snelheid. 6. Selecteren / uitschakelen van de snelheidsregelaar.. Snelheid instellen / verlagen van de ingestelde snelheid.. Uitschakelen / opnieuw activeren van de snelheidsregelaar.. Snelheid instellen / verhogen van de ingestelde snelheid. Voor het instellen van een snelheid of het activeren van de functie dient de auto te rijden met een snelheid van minimaal 0 km/h. Daarnaast moet bij een handbediende versnellingsbak minimaal de vierde versnelling zijn ingeschakeld (bij een EGS 6-versnellingsbak of een automatische versnellingsbak moet minimaal de tweede versnelling zijn ingeschakeld). 6 8

31 E CO-RIJ DEN Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO -uitstoot van uw auto verminderen. Maak optimaal gebruik van de versnellingsbak Als uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak, rijd dan rustig weg, schakel zo snel mogelijk de tweede versnelling in en schakel bij voorkeur relatief snel over naar een hogere versnelling. Volg de aanwijzingen van de schakelindicator (indien aanwezig) die op het instrumentenpaneel worden weergegeven. Als uw auto is voorzien van een automatische transmissie of een gestuurde handgeschakelde versnellingsbak, laat de selectiehendel dan in de stand Drive "D" of Auto "A" (afhankelijk van het type versnellingsbak) staan en trap het gaspedaal niet bruusk of diep in. Kies voor een soepele rijstijl Houd afstand van de auto's voor u, rem bij voorkeur af op de motor in plaats van het rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal geleidelijk in. Als u deze aanwijzingen naleeft, neemt het brandstofverbruik en de CO -uitstoot af en wordt de geluidsoverlast door het verkeer beperkt. Als het verkeer goed doorstroomt, gebruik dan vanaf een snelheid van ongeveer 0 km/h de snelheidsregelaar (indien aanwezig). Gebruik op slimme wijze de elektrische voorzieningen Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur in de auto hoog is opgelopen, open dan alle ruiten en de ventilatieroosters alvorens de airconditioning in te schakelen. Sluit vanaf een snelheid van 50 km/h de ruiten, maar laat de ventilatieroosters geopend. Gebruik de voorzieningen in het interieur die de temperatuurstijging kunnen beperken (blinderingspaneel van het panoramadak, zonneschermen, enz.). Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste temperatuur is bereikt (behalve bij auto's met een automatische airconditioning). Schakel de achterruitverwarming en de ontwaseming uit zodra deze niet meer nodig zijn als deze niet automatisch worden aangestuurd. Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit. IN EEN OOGOPSLAG 9

32 IN EEN OOGOPSLAG Schakel de verlichting en de mistlampen uit als het zicht voldoende is. Laat de motor vooral 's winters na het starten niet stationair warmdraaien, maar rijd zo snel mogelijk weg: uw auto warmt sneller op als u rijdt. Sluit als passagier zo min mogelijk multimedia-apparatuur (DVD-speler, MP-speler, spelcomputer, enz.) op de auto aan om het elektriciteitsverbruik, en dus het brandstofverbruik, te beperken. Koppel externe apparatuur los als u de auto verlaat. Beperk de oorzaken van een hoger brandstofverbruik Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats de zwaarste voorwerpen in de bagageruimte, zo dicht mogelijk bij de achterbank. Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, imperiaal, fietsendrager, aanhanger, enz.) van uw auto. Gebruik liever een dakkoffer. Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal. Vervang na de winter zo snel mogelijk de winterbanden door zomerbanden. Houd u aan de onderhoudsvoorschriften Controleer regelmatig de bandenspanning (bij koude banden), houd u daarbij aan de bandenspanning die staat vermeld op de sticker op de portiersponning aan bestuurderszijde. Controleer de bandenspanning met name: - voor een lange rit, - bij de wisseling van de seizoenen, - als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt. Vergeet niet de bandenspanning van het reservewiel en van de wielen van de aanhanger of de caravan te controleren. Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie verversen, oliefilter en luchtfi lter vervangen, enz.) en houd u daarbij aan het door de fabrikant voorgeschreven interval. Laat bij het tanken het vulpistool niet meer dan drie keer afslaan; zo voorkomt u dat brandstof uit de tank stroomt. U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na 000 km het gemiddelde brandstofverbruik zich stabiliseert. 0

33 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN MONOCHROOM INSTRUMENTENPANEEL (MET MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY A) TWEE-KLEUREN INSTRUMENTENPANEEL (MET MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY C) 6. Brandstofmeter 7. Dagteller 8. Multifunctioneel display A/C 9. Kilometerteller Bij het aanzetten van het contact verschijnt in dit gedeelte achtereenvolgens de informatie van de: - onderhoudsintervalindicator, - motorolieniveaumeter, - kilometerteller. I Bediening A. Regeling dashboardverlichting (dag- en nachtinstelling) B. Resetten dagteller Centraal display. Toerenteller. Opschakelindicator bij een handgeschakelde versnellingsbak en stand van de selectie en de ingeschakelde versnelling bij een elektronisch bediende of een automatische versnellingsbak. Controlelampje "Voet op rempedaal" van de elektronisch bediende of automatische versnellingsbak / elektrische parkeerrem. Snelheidsmeter 5. Instellingen van de snelheidsregelaar of de snelheidsbegrenzer

34 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN I INSTRUMENTENPANEEL MET MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY MyWay OF NaviDrive 7. Opschakelindicator bij handgeschakelde versnellingsbak of schakelstandindicatie en gekozen versnelling bij elektronisch bediende versnellingsbak en automaat 8. Dagteller 9. Kilometerteller Bij het aanzetten van het contact verschijnt in dit gedeelte achtereenvolgens de informatie van de: - onderhoudsintervalindicator, - motorolieniveaumeter, - kilometerteller. 0. Controlelampjes. Centraal display. Instellingen van snelheidsregelaar of snelheidsbegrenzer. Snelheidsmeter. Multifunctioneel display MyWay of NaviDrive. Toerenteller 5. Controlelampje "Voet op rempedaal" van de elektronisch bediende of de automatische versnellingsbak / elektrische parkeerrem 6. Brandstofmeter Toetsen A. Regeling dashboardverlichting (dag- en nachtinstelling) B. Resetten dagteller

35 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN Verklikkerlampjes De verklikkerlampjes geven de bestuurder informatie over de werking van een systeem (ingeschakeld of uitgeschakeld) of waarschuwen de bestuurder in het geval van een storing (waarschuwingslampje). Bij het aanzetten van het contact Als het contact wordt aangezet, gaan bepaalde waarschuwingslampjes enkele seconden branden. Zodra de motor wordt gestart, moeten deze lampjes weer uitgaan. Als het lampje blijft branden, controleer dan voordat u gaat rijden welke functie het betreft. Bijbehorende waarschuwingen Sommige verklikkerlampjes kunnen gaan branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display. Verklikkerlampjes kunnen constant branden of knipperen. Een aantal verklikkerlampjes heeft beide mogelijkheden. Of het constant branden of knipperen van een verklikkerlampje duidt op een storing, is afhankelijk van de werkingsfase van de auto. Verklikkerlampjes ingeschakelde functies De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie is ingeschakeld. I Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen Richtingaanwijzer links knippert, met geluidssignaal. Als u de lichtschakelaar omlaag beweegt. Richtingaanwijzer rechts knippert, met geluidssignaal. Als u de lichtschakelaar omhoog beweegt. Alarmknipperlichten knippert, met geluidssignaal. De schakelaar voor de alarmknipperlichten op het dashboard is ingedrukt. De richtingaanwijzers links en rechts en de bijbehorende verklikkerlampjes knipperen tegelijkertijd. Parkeerlichten permanent. De lichtschakelaar staat in de stand "Parkeerlichten". Dimlicht permanent. De lichtschakelaar staat in de stand "Dimlicht". Grootlicht permanent. Als u de lichtschakelaar naar u toe trekt. Trek aan de lichtschakelaar om terug te schakelen naar dimlicht.

36 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN I Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen Mistlampen vóór permanent. De mistlampen vóór zijn ingeschakeld. Draai de ring twee standen naar achteren om de mistlampen vóór uit te schakelen. Mistachterlichten permanent. De mistachterlichten zijn ingeschakeld. Draai de ring naar achteren om de mistachterlichten uit te schakelen. Voorgloeien dieselmotor permanent. Het contactslot staat in de tweede stand (Contact). Wacht met starten tot het controlelampje is gedoofd. De wachttijd is afhankelijk van de weersomstandigheden. Handrem permanent. De handrem is aangetrokken. Zet de handrem vrij zodat het controlelampje uitgaat; trap het rempedaal in. knippert. De handrem is niet goed aangetrokken of vrijgezet. Houd u aan de veiligheidsvoorschriften. Raadpleeg het hoofdstuk "Rijden" voor meer informatie over de handrem. Parkeerplaatsassistent permanent. knippert. De parkeerplaatsassistent is geactiveerd. Het systeem meet de beschikbare ruimte. Druk op de desbetreffende toets om de functie uit te schakelen. Als de meting is gedaan, gaat het lampje constant branden. Elektrisch bediende kinderbeveiliging tijdelijk. De elektrisch bediende kinderbeveiliging is actief. Elke keer als u het contact aanzet en deze functie inschakelt, brandt de signalering enkele seconden. Raadpleeg voor meer informatie het hoofdstuk "Veilig vervoeren van kinderen".

37 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen I Passagiersairbag permanent. De schakelaar in het dashboardkastje staat in de stand " ON ". De passagiersairbag is ingeschakeld. Plaats in dit geval geen kinderzitje met de "rug in de rijrichting". Zet de schakelaar in de stand " OFF " om de passagiersairbag uit te schakelen. U kunt nu een kinderzitje plaatsen met de "rug in de rijrichting". permanent. Het Stop & Start-systeem heeft de motor in de STOPstand gezet(verkeerslicht, stopbord, opstopping, enz.). Het lampje gaat uit en de motor wordt automatisch gestart als u wilt wegrijden. Stop & Start knippert enkele seconden en gaat dan uit. De STOP-stand is nu niet beschikbaar. of De motor wordt automatisch gestart. Raadpleeg het hoofdstuk "Rijden - Stop & Start-systeem" voor bijzonderheden van de Stop- en Start-stand. 5

38 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN I Verklikkerlampjes uitgeschakelde functies De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie handmatig is uitgeschakeld. Soms klinkt er ook een geluidssignaal en verschijnt er een bericht op het multifunctionele display. Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen Passagiersairbag permanent. De schakelaar in het dashboardkastje staat in de stand " OFF ". De frontairbag aan passagierszijde is uitgeschakeld. In dit geval kunt u een kinderzitje met de "rug in de rijrichting" plaatsen. Zet de schakelaar in de stand " ON " om de frontairbag aan passagierszijde in te schakelen. Bevestig in dit geval op deze zitplaats geen kinderzitje met de "rug in de rijrichting". ESP/ASR permanent. De toets midden op het dashboard wordt ingedrukt. Het bijbehorende controlelampje gaat branden. De functie ESP/ASR wordt uitgeschakeld. ESP: dynamische stabiliteitscontrole. ASR: antispinregeling. Druk op de toets om de functie ESP/ASR in te schakelen. Het controlelampje dooft. De functie ESP/ASR wordt automatisch ingeschakeld als de motor wordt gestart. Wanneer het systeem is uitgeschakeld wordt het automatisch opnieuw ingeschakeld bij snelheden hoger dan ongeveer 50 km/h. 6

39 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN Waarschuwingslampjes Als bij draaiende motor of tijdens het rijden een van de volgende waarschuwingslampjes gaat branden, wijst dit op een storing in het desbetreffende systeem en moet de bestuurder actie ondernemen. Lees in het geval van een storing waarbij een waarschuwingslampje gaat branden de aanvullende informatie, die via een melding op het multifunctionele display wordt weergegeven. Raadpleeg indien nodig het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. I Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen STOP permanent in combinatie met een ander waarschuwingslampje. Dit waarschuwingslampje brandt bij een lekke band, een storing met betrekking tot het remsysteem of bij een te hoge koelvloeistoftemperatuur. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats. Zet het contact af en neem contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Service tijdelijk. Er is een kleine storing opgetreden waarbij geen specifiek waarschuwingslampje gaat branden. Identificeer de storing met behulp van de melding op het display, bijvoorbeeld: - het sluiten van de portieren, de achterklep, de achterruit of de motorkap, - de batterij van de afstandsbediening, - de bandenspanning, - vervuiling van het roetfilter (diesel). Raadpleeg in andere gevallen het CITROËN-netwerk of eengekwalifi ceerde werkplaats. permanent. Er is een ernstige storing opgetreden waarbij geen specifiek waarschuwingslampje gaat branden. Identificeer de storing met behulp van de melding op het display en raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. 7

40 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN I Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen Remsysteem Antiblokkeersysteem (ABS) permanent, in combinatie met het STOP-lampje. + permanent, in combinatie met het waarschuwingslampje ABS en het STOP-lampje. permanent. Het remvloeistofniveau is te laag. Er is een storing in de elektronische remdrukregelaar (EBD). Er is een storing in het antiblokkeersysteem. Stop onmiddellijk op een veilige plek. Vul het niveau bij met remvloeistof voorzien van een artikelnummer van CITROËN. Als het probleem zich blijft voordoen, laat het systeem dan controleren door het CITROËN-netwerk of door eengekwalificeerde werkplaats. Stop onmiddellijk op een veilige plek. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. De normale remwerking blijft behouden. Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. Elektrische parkeerrem knippert. Het aantrekken of vrijzetten van de elektrische parkeerrem is onderbroken. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats. Parkeer de auto op een horizonale ondergrond, zet het contact af en raadpleeg het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats. + Storing elektrische parkeerrem permanent. Er is een storing in de elektrische parkeerrem. Het automatisch aantrekken/vrijzetten is niet meer mogelijk. Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. De rem kan handmatig worden vrijgezet via de speciale noodontgrendeling. Raadpleeg voor meer informatie over de elektrische parkeerrem het hoofdstuk "Rijden". 8

41 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen Uitschakeling van de automatische werking van de elektrische parkeerrem permanent. De functies "automatisch aantrekken" (bij het afzetten van de motor) en "automatisch vrijzetten" zijn uitgeschakeld of werken niet. Activeer de functie (volgens land van bestemming) via het configuratiemenu van de auto of raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als de parkeerrem niet meer automatisch wordt aangetrokken of vrijgezet. De parkeerrem kan met behulp van de procedure voor de noodontgrendeling handmatig worden vrijgezet. Raadpleeg voor meer informatie over de elektrische parkeerrem het hoofdstuk "Rijden". I Dynamische stabiliteitscontrole (ESP/ASR) knippert. permanent. De ESP-/ASR-regeling is actief. Storing in het ESP-/ASR-systeem, tenzij deze is uitgeschakeld (toets ingedrukt en verklikkerlampje van de toets brandt). Deze functie verbetert de aandrijving en zorgt voor een betere koersstabiliteit. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Zelfdiagnose motor knippert. permanent. Er is een storing in het motormanagementsysteem. Er is een storing in de emissieregeling. Kans op beschadiging van de katalysator. Laat dit controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Het verklikkerlampje moet doven als de motor wordt gestart. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is. Airbags tijdelijk. permanent. Het lampje brandt gedurende enkele seconden en dooft als het contact wordt aangezet. Er is een storing in een van de airbags of de pyrotechnische gordelspanners. Het lampje moet doven zodra de motor wordt gestart. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is. Laat dit controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. 9

42 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN I Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen Laag brandstofniveau permanent, in combinatie met een geluidssignaal en een bericht op het multifunctionele display. Als het lampje gaat branden zit er nog ongeveer 7 liter brandstof in de tank. Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen dat u met een lege tank strandt. Dit verklikkerlampje gaat elke keer na het aanzetten van het contact branden zolang er niet voldoende brandstof getankt is. Inhoud brandstoftank: 60 liter. Rijd nooit door tot de tank helemaal leeg is, hierdoor kunnen het emissieregelsysteem en het injectiesysteem beschadigd raken. permanent. Het rempedaal is niet ingetrapt. Trap bij de elektronisch bediende 6-versnellingsbak het rempedaal in om de motor te starten (selectiehendel in stand N ). Voet op het rempedaal knippert. Het rempedaal is niet ingetrapt. Bij de automatische versnellingsbak moet u bij een draaiende motor en voordat u de parkeerrem vrijzet het rempedaal intrappen om de selectiehendel vanuit stand P in een andere stand te kunnen zetten. Als u de parkeerrem vrijzet zonder het rempedaal in te trappen, zal dit controlelampje blijven branden. Als u de auto met een elektronisch bediende handgeschakelde versnellingsbak op een helling te lang probeert tegen te houden door het gaspedaal in te trappen, raakt de koppeling oververhit. Gebruik het rempedaal en/of de elektrische parkeerrem. 0

43 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen Te hoge koelvloeistoftemperatuur permanent rood. De temperatuur van de koelvloeistof is te hoog. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats. Wacht met het eventueel bijvullen van de koelvloeistof tot de motor is afgekoeld. Als het probleem zich blijft voordoen, raadpleeg dan het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. I Laadstroom accu permanent. Er is een storing in het laadstroomcircuit van de accu (vervuilde of losgeraakte accuklemmen, aandrijfriem dynamo ontspannen of gebroken...). Het lampje moet bij het starten van de motor uitgaan. Parkeer de auto op een veilige plek. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is. Een of meer portier e n geopend permanent, bij een snelheid lager dan 0 km/h. permanent in combinatie met een geluidssignaal, bij een snelheid hoger dan 0 km/h. Een portier, de achterklep of de achterruit is niet goed gesloten. Sluit het desbetreffende carrosseriedeel. Autogordels losgemaakt of niet vastgemaakt permanent. De bestuurder en/of de voor-/achterpassagier heeft zijn autogordel niet vastgemaakt of losgemaakt. Trek aan de gordel en klik de gesp vast in de gesphouder. De verlichte punten stellen de passagiers voor die geen autogordel dragen. De punten: - branden gedurende 0 seconden na het starten van de auto, - branden in de loop van de rit bij een wagensnelheid tussen 0 en 0 km/h, - knipperen bij een wagensnelheid hoger dan 0 km/h ongeveer 0 seconden in combinatie met een geluidssignaal.

44 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN I Onderhoudsindicator De onderhoudsindicator geeft aan hoeveel kilometer u nog verwijderd bent van het eerstvolgende onderhoud volgens het onderhoudsschema van de fabrikant. Deze afstand wordt berekend vanaf de laatste nulstelling van de onderhoudsindicator op basis van twee parameters: - het aantal afgelegde kilometers, - de verstreken tijd sinds het laatste onderhoud. De afstand tot de eerstvolgende beurt is meer dan.000 km Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende 5 seconden de onderhoudssleutel branden. De kilometerteller geeft de resterende kilometers tot het eerstvolgende onderhoud aan. Voorbeeld: De afstand tot het eerstvolgende onderhoud bedraagt.800 km. Als het contact wordt aangezet, geeft het display gedurende 5 seconden het volgende aan: 5 seconden na het aanzetten van het contact verdwijnt de sleutel ; de teller geeft weer de kilometerstand en de stand van de dagteller aan. De afstand tot de eerstvolgende beurt is minder dan.000 km Voorbeeld: de afstand tot het eerstvolgende onderhoud bedraagt 900 km. Als het contact wordt aangezet, geeft het display gedurende 5 seconden het volgende aan: 5 seconden na het aanzetten van het contact treedt de kilometerteller weer in werking en blijft de sleutel branden om aan te geven dat er binnenkort onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden. De afstand tot de eerstvolgende beurt is overschreden Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende 5 seconden de sleutel knipperen om aan te geven dat de onderhoudswerkzaamheden zo spoedig mogelijk uitgevoerd moeten worden. Voorbeeld: u hebt de afstand tot de eerstvolgende onderhoudsbeurt met 00 km overschreden. Als het contact wordt aangezet, geeft het display gedurende 5 seconden het volgende aan: 5 seconden na het aanzetten van het contact treedt de kilometerteller weer in werking en blijft de sleutel branden. De factor tijd kan worden meegewogen bij de nog af te leggen kilometers, afhankelijk van de rijgewoonten van de bestuurder. De sleutel kan ook gaan branden als het interval van twee jaar is overschreden.

45 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN Op 0 zetten van de onderhoudsintervaldicator Motorolieniveaumeter Storing motorolieniveaumeter I De onderhoudsintervalindicator moet na elke onderhoudsbeurt op 0 gezet worden. Voer dit als volgt uit: zet het contact af, druk op de resetknop van de dagteller en houd deze ingedrukt, zet het contact aan; de kilometerteller begint terug te tellen, laat de knop los als het display "=0" aangeeft; de sleutel verdwijnt. Als u na deze handeling de accu wilt loskoppelen, vergrendel dan de auto en wacht minimaal 5 minuten. Het op 0 zetten van de onderhoudsindicator zal anders niet worden opgeslagen. De motorolieniveaumeter geeft aan of het motorolieniveau in orde is. Bij het aanzetten van het contact wordt eerst de onderhoudsintervalindicator weergegeven en vervolgens gedurende enkele seconden het motorolieniveau. Een controle van het olieniveau is alleen betrouwbaar als de auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en de motor ten minste 0 minuten niet heeft gedraaid. Olieniveau correct Te weinig olie Als de aanduiding "OIL" knippert in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display, is het motorolieniveau te laag. Controleer het olieniveau met de peilstok. Als blijkt dat het olieniveau te laag is, moet olie worden bijgevuld om te voorkomen dat ernstige motorschade ontstaat. Een storing in de motorolieniveaumeter wordt aangegeven door het knipperen van de aanduiding "OIL --". Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Oliepeilstok Raadpleeg het hoofdstuk "Controles" voor de plaats van de peilstok en het bijvullen van motorolie voor het motortype van uw auto. merktekens op de peilstok: - A = maxi; het olieniveau mag nooit boven het niveau A uitkomen (kans op motorschade), - B = mini; als het olieniveau niet boven het niveau B uitkomt, moet het voor de motor van uw auto voorgeschreven type motorolie worden bijgevuld via de vuldop.

46 CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN I Kilometerteller/dagteller De kilometerteller en dagteller worden gedurende 0 seconden weergegeven bij het afzetten van het contact, bij het openen van het bestuurdersportier en bij het vergrendelen en ontgrendelen van de auto. Kilometerteller De kilometerteller geeft de totale kilometerstand van de auto aan. Dagteller Dimmer dashboardverlichting U kunt de lichtsterkte van de dashboardverlichting handmatig aanpassen aan het licht van de omgeving. De dimmer van de dashboardverlichting kan alleen worden gebruikt als de verlichting van de auto is ingeschakeld, uitgezonderd de verlichting overdag. Actief Druk op de knop om de sterkte van de dashboardverlichting te variëren. Als de verlichting de zwakste stand heeft bereikt, laat de knop dan los en druk hem opnieuw in om de verlichting weer feller te maken. of Als de verlichting de sterkste stand heeft bereikt, laat de knop dan los en druk hem opnieuw in om de verlichting weer zwakker te maken. Laat de knop los zodra de gewenste lichtsterkte is bereikt. Inactief De dashboardverlichting kan niet worden ingesteld als de verlichting van de auto is uitgeschakeld of, bij auto's met verlichting overdag, in de dagstand staat. De dagteller geeft het aantal verreden kilometers weer sinds de laatste keer dat de bestuurder de teller op 0 heeft gezet. Druk bij aangezet contact op deze knop en houd deze ingedrukt tot de dagteller op 0 staat.

47 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS MONOCHROOM DISPLAY A Toetsen Hoofdmenu Weergave op het display II Dit display kan de volgende informatie weergeven: - de tijd, - de datum, - de buitentemperatuur, Wanneer de buitentemperatuur tussen de + C en - C ligt, wordt deze knipperend weergegeven (kans op gladheid). Als de auto in de volle zon geparkeerd staat, kan de weergegeven buitentemperatuur hoger zijn dan de werkelijke buitentemperatuur, - de geluidsbron waar naar geluisterd wordt, - de boordcomputer (zie het eind van dit hoofdstuk). Het display kan tijdelijk waarschuwingsmeldingen (bijv.: "Storing emissieregeling") of informatie (bijv.: "Achterklep open") weergeven. Deze kunnen worden gewist door op de toets "ESC" te drukken. Om veiligheidsredenen mag u als bestuurder deze instellingen alleen aanpassen als de auto op een veilige plek stilstaat. A. Toegang tot het "Hoofdmenu". B. Scrollen door de schermmenu s. C. Bevestigen van de selectie in de menu's van de gekozen functie of van de gewijzigde waarde. D. Huidige handeling afbreken. E. Selecteren van het type informatie (datum, radio/cd en boordcomputer). B of F. In de menu's, navigatie, in- of uitschakelen van persoonlijke functies en instellingen. Druk op de toets A en selecteer dan met behulp van B de volgende menu's: - radio/cd-speler, - configuratie auto, - opties, - instellingen display, - talen, - eenheden. Druk op de toets C om uw keuze te bevestigen. 5

48 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS II Radio/CD Als de Autoradio is ingeschakeld, kunt u de functies van de radio (RDS, REG) in- en uitschakelen en kunt u kiezen op welke manier een CD moet worden afgespeeld (introscan, willekeurig, CD herhalen). Raadpleeg voor meer informatie over de audio-functies het gedeelte Autoradio van het hoofdstuk "Audio en Datacommunicatie". Configuratie van de auto Via het menu "Config auto" kunt u de volgende functies in- en uitschakelen: - ruitenwisser achter gekoppeld aan het inschakelen van de achteruit (zie het hoofdstuk "Zicht"), - instapverlichting (follow me home- en find me-verlichting (zie het hoofdstuk "Zicht"), - automatische functie (aantrekken/vrijzetten) van de elektrische parkeerrem *, - selectief ontgrendelen van portieren/achterklep, - dagrijverlichting (zie het hoofdstuk "Zicht"). Opties Via dit menu kunt u de status van de verschillende functies uitlezen (ingeschakeld, uitgeschakeld, defect). Instellingen display Via het menu "Instellingen display" kunt u de volgende gegevens instellen: - jaar, - maand, - dag, - uren, - minuten, - weergave in of uur. Taal Via dit menu kunt u de taal van het display instellen: Français, Italiano, Nederlands, Portugues, Portugues- Brasil, Deutsch, English, Espanol. Kiezen van de eenheden 6 * Afhankelijk van het land van bestemming. Via dit menu kunt u de eenheden voor de temperatuur ( C of F) en het brandstofverbruik (l/00 km, mpg of km/l) instellen.

49 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS MONOCHROOM DISPLAY C Bedieningsorganen Hoofdmenu Weergave op het display II Dit display kan de volgende informatie weergeven: - de tijd - de datum, - de buitentemperatuur, Wanneer de buitentemperatuur tussen de + C en - C ligt, wordt deze knipperend weergegeven (kans op gladheid). Als de auto in de volle zon geparkeerd staat, kan de weergegeven buitentemperatuur hoger zijn dan de werkelijke buitentemperatuur. - de geluidsbron waarnaar geluisterd wordt, - de boordcomputer (zie het eind van dit hoofdstuk), - het resultaat van de meting van de parkeerplaatsassistent, - de grafi sche weergave van de parkeerhulp. Het display kan tijdelijk waarschuwingsmeldingen (bijv.: "Storing emissieregeling") of informatie (bijv.: "Achterklep open") weergeven. Deze kunnen worden gewist door op de toets "ESC" te drukken. A. Toegang tot het "Hoofdmenu". B. Scrollen door de schermmenu's. C. Bevestigen en selecteren van de gekozen functie of de gewijzigde waarde. D. Huidige bewerking afbreken. E. Selecteren van de soort informatie (datum, radio/cd/audio, telefoon en boordcomputer). B of F. In de menu's, navigatie, in- of uitschakelen van persoonlijke functies en instellingen. Druk op de toets A en selecteer dan met behulp van B de volgende menu's: - audiofuncties, - boordcomputer, - persoonlijke instellingen, - telefoon (handsfree). Druk op de toets C om te bevestigen. Om veiligheidsredenen mag u als bestuurder deze instellingen alleen aanpassen als de auto op een veilige plek stilstaat. 7

50 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS II Telefoon (handsfree kit) Als de Autoradio is ingeschakeld, kunt u de Bluetooth handsfree kit instellen (koppelen) de adresboeken inzien en de verschillende functies van de telefoon gebruiken (gesprek aannemen, ophangen, wisselgesprek, privémodus enz.). Raadpleeg voor meer informatie over de functie "Telefoon" het gedeelte Autoradio van het hoofdstuk "Audio en Datacommunicatie". Status van functies Via dit menu kunt u de status van de verschillende functies uitlezen (ingeschakeld, uitgeschakeld, defect). Afstand tot een bestemming invoeren U kunt de afstand tot uw eindbestemming invoeren. Boordcomputer Audiofuncties Als de Autoradio is ingeschakeld, kunt u de functies van de radio (RDS, REG) in- en uitschakelen en u kunt kiezen op welke manier een CD moet worden afgespeeld (introscan, willekeurig, CD herhalen). Raadpleeg voor meer informatie over de audiofuncties het gedeelte Autoradio van het hoofdstuk "Audio en Datacommunicatie". Hiermee kunt u informatie met betrekking tot de status van de auto raadplegen. Logboek waarschuwingen Het logboek geeft een overzicht van alle actuele waarschuwingen. 8

51 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS Parameters van de auto instellen U kunt de volgende functies in- en uitschakelen: - ruitenwisser achter gekoppeld aan het inschakelen van de achteruit (zie het hoofdstuk "Zicht"), - automatische bediening van de follow me home-verlichting, - meedraaiende koplampen, - automatische bediening (aantrekken/vrijzetten) van de elektrisch bediende handrem *, - selectieve ontgrendeling van portieren/achterklep, - dagrijverlichting (zie het hoofdstuk "Zicht"). Taalkeuze Via dit menu kunt u de taal van het display instellen (Deutsch, English, Espanol, Français, Italiano, Nederlands, Portugues, Portugues- Brasil, Türkçe * ). II Persoonlijke instellingen en configuratie Via dit menu kunt u de volgende instellingen doen: - parameters van de auto, - de weergave van het display, - de taal. Configuratie van het display U kunt de volgende instellingen doen: - de lichtsterkte, - de datum en tijd, - de eenheden. * Afhankelijk van het land van bestemming. 9

52 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY MyWay Toetsen Menu's op bedieningspaneel II Weergave op het display 50 Het display geeft de volgende informatie weer: - de tijd, - de datum, - de buitentemperatuur, Wanneer de buitentemperatuur tussen de + C en - C ligt, wordt deze knipperend weergegeven (kans op gladheid). Als de auto in de volle zon geparkeerd staat, kan de weergegeven buitentemperatuur hoger zijn dan de werkelijke buitentemperatuur. - waarschuwingsmeldingen en meldingen over de status van de functies van de auto, die tijdelijk worden weergegeven, - de audiofuncties, - de boordcomputer (zie einde hoofdstuk), - de informatie van de parkeerplaatsassistent, - de grafi sche weergave van de parkeerhulp, - de informatie van het navigatiesysteem. U kunt drukken op: A. Toegang tot het contexmenu. B. Navigeren door de schermmenu's. C. Bevestigen van de selectie in de menu's van de gekozen functie of van de gewijzigde waarde. D. Huidige handeling afbreken. E. Hoofdweergave selecteren (datum, audio, telefoon, kaart, navigatie en boordcomputer). B of F. In de menu's, navigatie, kiezen van het in-/uitschakelen van uw functies en instellingen. Om een van de functies te selecteren: druk op de toets "RADIO", "MUSIC", "NAV", "TRAFFIC", "SETUP" of "PHONE" om toegang te krijgen tot het desbetreffende menu. Raadpleeg voor meer informatie over deze functies het hoofdstuk "Audio en datacommunicate". Om veiligheidsredenen mag de bestuurder het multifunctionele display uitsluitend bedienen als de auto stilstaat.

53 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS Menu "SETUP" Datum en tijd Via dit menu kunt u de datum en tijd, het formaat van de datum en het formaat van de tijd instellen (zie hoofdstuk "Audio en datacommunicatie"). Eenheden Via dit menu kunt u de eenheden kiezen: temperatuur ( C of F) en verbruik (km/l, l/00 of mpg). II Druk op de toets "SETUP" om naar het confi guratiemenu te gaan. Dit menu biedt toegang tot de volgende functies: - "Taal", - "Datum en tijd", - "Weergave", - "Parameters auto", - "Eenheden", - "Parameters systeem". Talen Via dit menu kunt u de taal van het display instellen: Deutsch, English, Español, Français, Italiano, Nederlands, Polski, Portugues, Türkçe *. Weergave Via dit menu kunt u de helderheid van het display, de kleuren van het display en de kleur van de kaart instellen (dag/nacht of automatisch). Parameters auto Via dit menu kunt u verschillende functies ten behoeve van het rijden en het comfort in- of uitschakelen: - het inschakelen van de ruitenwisser achter als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld (zie hoofdstuk "Zicht"), - follow me home-verlichting (zie hoofdstuk "Zicht"), - bochtverlichting (zie hoofdstuk "Zicht"), - sfeerverlichting (zie hoofdstuk "Zicht"), - automatische functies (automatisch aantrekken/vrijzetten) van de elektrisch bediende handrem *, - selectief ontgrendelen van portieren/achterklep, - dagrijverlichting (zie hoofdstuk "Zicht"). Parameters systeem Via dit menu kunt u de fabrieksinstellingen herstellen, de versie van de software weergeven en doorlopende tekst activeren. * Volgens land van bestemming. 5

54 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS II MULTIFUNCTIONEEL DISPLAYNAVIDRIVE Weergave op het display Toetsen 5 Het display geeft informatie over: - de tijd, - de datum, - de buitentemperatuur, Wanneer de buitentemperatuur tussen de + C en - C ligt, wordt deze knipperend weergegeven (kans op gladheid). Als de auto in de volle zon geparkeerd staat, kan de weergegeven buitentemperatuur hoger zijn dan de werkelijke buitentemperatuur. - waarschuwingen en meldingen over de status van de functies van de auto, die tijdelijk worden weergegeven, - de audiofuncties, - de boordcomputer (zie het eind van dit hoofdstuk), - het resultaat van de meting van de parkeerplaatsassistent, - de grafische weergave van de parkeerhulp, - de informatie van het navigatiesysteem. Om veiligheidsredenen moet u als bestuurder deze instellingen alleen aanpassen als de auto op een veilige plek stilstaat. A. Toegang tot het "Hoofdmenu". B. Scrollen door de schermmenu's. C. Bevestigen van de selectie in de menu's van de gekozen functie of van de gewijzigde waarde. D. Huidige handeling afbreken of terug naar het vorige scherm. E. Hoofdweergave selecteren (datum, audio, telefoon, kaart, navigatie en boordcomputer). B of F. In de menu's, navigatie, kiezen van het in-/uitschakelen van uw functies en instellingen.

55 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS Hoofdmenu Druk op toets A om het "Hoofdmenu" op het multifunctionele display weer te geven. Navigatie/Routeplanner Kaart BOORDCOMPUTER De boordcomputer geeft tijdens het rijden verschillende informatie (actieradius, brandstofverbruik...). Monochroom display A De boordcomputer kan de volgende informatie weergeven: - actieradius, - momenteel brandstofverbruik, - afgelegde afstand, - gemiddeld brandstofverbruik, - gemiddelde snelheid. Druk nogmaals op de toets om terug te keren naar de oorspronkelijke weergave. II Verkeersinformatie Op 0 stellen Audiofuncties Datacommunicatie Weergave van de informatie Configuratie, voor het uitvoeren van diverse instellingen (datum, tijd enz. ) en de parameters van de auto. Video Diagnose auto - "Logboek waarschuwingen", - "Status van functies". Druk herhaaldelijk op de toets op het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar om de verschillende informatie van de boordcomputer weer te geven. Druk langer dan seconden op de toets om de afgelegde afstand, het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid op 0 te zetten. 5

56 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS II BOORDCOMPUTER De boordcomputer op het multifunctionele display geeft tijdens het rijden actuele informatie over het afgelegde traject (actieradius, brandstofverbruik,...). Monochroom display C Weergave van de informatie - traject " " met: de afgelegde afstand, het gemiddelde brandstofverbruik, de gemiddelde snelheid, voor het tweede traject. Kleurendisplay MyWay of NaviDrive Druk herhaaldelijk op de toets op het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar om achtereenvolgens de verschillende standen van de boordcomputer weer te geven: - de actuele informatie met: de actieradius, het brandstofverbruik op dat moment, de resterende afstand/de teller van het Stop & Start-systeem, Traject op 0 zetten - traject " " met: de afgelegde afstand, het gemiddelde brandstofverbruik, de gemiddelde snelheid, voor het eerste traject. Druk de toets langer dan twee seconden in zodra het gewenste traject wordt aangegeven. De trajecten " " en " " zijn onafhankelijk en hebben dezelfde eigenschappen Het traject " " kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor een dagelijks verbruik en traject "" voor een maandelijks gebruik. 5

57 MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS Enkele definities... Actieradius (km of miles) De actieradius geeft aan hoeveel kilometer u nog met de resterende hoeveelheid brandstof kunt rijden, berekend op basis van het gemiddelde verbruik over de laatste afgelegde kilometers. Deze waarde kan variëren door een gewijzigde rijstijl of het rijden op een helling, waardoor het momentele brandstofverbruik aanzienlijk kan wijzigen. Als de actieradius minder dan 0 km bedraagt, verschijnen streepjes op het display. Na het tanken van minimaal 5 liter brandstof wordt de actieradius opnieuw berekend en weergegeven als deze meer dan 00 km bedraagt. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats als tijdens het rijden de streepjes continu worden weergegeven. Momenteel verbruik (l/00 km, km/l of mpg) Dit is het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste seconden. Deze functie wordt alleen weergegeven bij snelheden vanaf 0 km/h. Gemiddeld verbruik (l/00 km, km/l of mpg) Dit is het gemiddelde verbruik sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer. Gemiddelde snelheid (km/h of mph) Dit is de gemiddelde snelheid sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer (contact aan). Afgelegde afstand (km of miles) Deze afstand wordt berekend sinds de laatste nulstelling van de boordcomputer. Nog af te leggen afstand (km of miles) Dit is de nog af te leggen afstand tot de eindbestemming. Deze afstand wordt op elk moment tijdens het navigeren berekend of wordt ingevoerd door de gebruiker. Bij het ontbreken van de afstand verschijnen er streepjes in plaats van cijfers. Stop & Start-teller (minuten/seconden of uren/ minuten) Als uw auto is uitgerust met Stop & Start, registreert een teller hoelang de STOP-stand tijdens een traject is geactiveerd. De teller wordt, elke keer als u het contact met de sleutel aanzet, weer op nul gezet. II 55

58 COMFORT III TIPS VOOR VENTILATIE, VERWARMING EN AIRCONDITIONING Luchttoevoer Zorg ervoor dat het luchtinlaatrooster onder de voorruit van de auto schoon is (vrij van bladeren, sneeuw, etc.). Luchtverdeling. Uitstroomopeningen voorruitontdooiing en -ontwaseming.. Uitstroomopeningen ontdooiing en ontwaseming voorste zijruiten.. Uitstroomopeningen ontdooiing en ontwaseming zijruiten vóór. Afsluitbare en verstelbare zijventilatieroosters.. Afsluitbare en verstelbare centrale ventilatieroosters. 5. Uitstroomopeningen voetenruimte inzittenden vóór. 6. Afsluitbare en verstelbare zijventilatieroosters e zitrij, met luchthoeveelheids- en temperatuurregeling. 7. Uitstroomopeningen voetenruimte inzittenden achter. 8. Afsluitbare en verstelbare zijventilatieroosters e zitrij. De zijventilatieroosters 8 betreffen uitsluitend uitvoeringen met 7 zitplaatsen. 56

59 COMFORT Luchtroosters Airconditioning Sensoren De luchttoevoeropeningen in het dashboard zijn voorzien van roosters waarmee de luchtstroom kan worden gericht (hoog/laag, rechts/ links) en van draaiknoppen voor instelling van de luchthoeveelheid. Luchtcirculatie Luchttoevoeropeningen op de vloer onder de voorstoelen zorgen ervoor dat het achtercompartiment beter kan worden verwarmd. Deze mogen niet worden afgedekt. Pollenfilter/geurfilter (actief koolstof) Het systeem is uitgerust met een filter dat pollen en geuren in de lucht kan tegenhouden. Dit fi lter moet overeenkomstig de onderhoudsvoorschriften worden vervangen (zie "Onderhoudsboekje"). Voor een goede werking van het gehele systeem moet dit regelmatig worden gecontroleerd. Het condenswater afkomstig van de verdamper van de airconditioning wordt afgevoerd via een speciale opening. Als de auto stilstaat kan zich hieronder een plas water vormen. Om ervoor te zorgen dat de afdichtingen van de compressor van de airconditioning niet gaan lekken, moet u de airconditioning minstens één keer per maand inschakelen. De airconditioning kan ongeacht het seizoen worden gebruikt, omdat deze zorgt voor verlaging van de luchtvochtigheid en ontwaseming van de ruiten. Voor een optimale werking van de airconditioning moeten de ruiten gesloten zijn. Als na langdurige stilstand in de zon de temperatuur in de auto sterk is opgelopen, is het raadzaam de auto met de ruiten geopend even te ventileren, waarna u de ruiten weer sluit. De airconditioning heeft voor zijn werking energie van de motor nodig. Dit resulteert in een hoger brandstofverbruik. De automatische temperatuurregeling van de airconditioning maakt gebruik van diverse sensoren in het interieur van de auto (zonnesensor, buitentemperatuursensor...) om te zorgen dat u tijdens het gebruik de instellingen niet vaak hoeft te wijzigen. Let erop dat de zonnesensor op het dashboard achter het instrumentenpaneel niet wordt afgedekt. III 57

60 COMFORT III HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING De airconditioning werkt alleen bij draaiende motor. A. BEDIENINGSPANEEL BESTUURDERSZIJDE Het niveau van de luchttoevoer wordt aangegeven doordat de schoepen van de ventilator één voor één worden uitgevuld. Als de luchttoevoer tot het minimum wordt verlaagd, wordt de airconditioning uitgeschakeld (OFF). Voor een comfortabele temperatuur mag deze toets niet langdurig in de stand OFF blijven staan. - Luchtverdeling Druk toets in om de luchtverdelingen één voor één op het display weer te geven. - Luchtrecirculatie Met deze toets wordt het interieur afgesloten voor onaangenaam ruikende lucht of rook buiten de auto. Druk toets in om de toevoer van buitenlucht af te sluiten. Het lampje gaat branden. Deze stand moet zo snel mogelijk weer worden verlaten om verse lucht toe te laten in het interieur en het beslaan van de ruiten te voorkomen. Druk toets opnieuw in het interieur te voorzien van verse lucht. Het lampje gaat uit. De gekozen luchtverdeling wordt aangegeven door het oplichten van de betreffende pijltjes op het display. 5 - Airconditioning - Regeling van de aanjagersnelheid De aanjager kan alleen worden ingesteld als de motor draait. Druk om de luchttoevoer in te stellen op schakelaar : om de luchttoevoer te verhogen, om de luchttoevoer te verlagen. - Regeling van de temperatuur aan passagierszijde Druk toets in om de temperatuur van de luchttoevoer aan passagierszijde individueel te regelen. Het lampje dooft. Als de voorpassagier de temperatuur regelt, brandt het lampje. De aanjagerschakelaar (regeling van de luchttoevoer) moet geactiveerd zijn om de airconditioning te kunnen inschakelen. Druk toets 5 in. Het lampje gaat branden. Voor een optimale werking van de airconditioning moeten de ruiten gesloten zijn. Als uw auto niet met airconditioning is uitgerust, beschikt deze over hetzelfde bedieningspaneel, met uitzondering van toets A/C. 58

61 COMFORT 6 - Ontdooien / ontwasemen van de achterruit Deze functie werkt uitsluitend als de motor draait. Druk toets 6 in om de achterruitverwarming en de verwarming van de elektrische buitenspiegels in of uit te schakelen. Het lampje gaat branden. De achterruitverwarming wordt automatisch uitgeschakeld om een te hoog stroomverbruik te vermijden. 8 - Regeling van de temperatuur van de aanjagerlucht Met deze toets kan de temperatuur van de lucht in het interieur worden geregeld. Deze stand kan zowel bij lage als bij hoge temperaturen in combinatie met de airconditioning worden gebruikt. De temperatuur wordt continu en geleidelijk ingesteld van links naar rechts. B. BEDIENINGSPANEEL PASSAGIERSZIJDE III Temperatuurinstelling 7 - Snel ontdooien / ontwasemen van de ruiten voor en achter en de buitenspiegels Druk toets 7 in. Het lampje gaat branden. De volgende functies worden tegelijkertijd ingeschakeld: - de voorruitontwaseming, - de optimale luchthoeveelheid, - de toevoer van buitenlucht, - de verwarming van de buitenspiegels en de achterruitverwarming, - indien nodig de airconditioning. Druk toets 7 opnieuw in om deze functie uit te schakelen. Druk toets 9 in om de temperatuur te kunnen instellen. Het controlelampje gaat branden. Draai aan schakelaar 0 om de gewenste temperatuur in te stellen. De temperatuur wordt continu en geleidelijk ingesteld van links naar rechts. 59

62 COMFORT III 60 AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING De airconditioning werkt uitsluitend bij draaiende motor. A. BEDIENINGSPANEEL BESTUURDERSZIJDE - Automatische comfortregeling Als deze toets wordt ingedrukt, aangegeven door het branden van de controlelampjes A/C en AUTO op het display, kunnen de volgende 5 functies automatisch en afhankelijk van de ingestelde temperatuur worden aangestuurd: - Luchthoeveelheid, - Temperatuur in het interieur links/rechts, - Luchtverdeling, - Airconditioning, - Automatische luchtrecirculatie. Het wordt aangeraden om alle ventilatieroosters geopend te houden. Om het beslaan van de binnenzijde van de ruiten bij lage buitentemperaturen of vochtige omstandigheden te voorkomen, wordt aangeraden om de functie AUTO in te schakelen. Om bij het wegrijden met een koude motor te voorkomen dat een grote hoeveelheid koude lucht het interieur binnenstroomt, wordt de aanjagersnelheid geleidelijk tot het maximumniveau verhoogd. Eén of meer functies handmatig inschakelen Het is eveneens mogelijk de functies,, 6 en 0 handmatig te regelen. De weergave van de functie "AUTO" verdwijnt in dat geval. Inschakelen van de temperatuurregeling door de bestuurder (vooren achterpassagiers) Wanneer u de toets "AUTO" lang ingedrukt houdt, worden de persoonlijke instellingen gewist, waaronder de temperatuur aan passagierszijde, en wordt de automatische regeling weer ingeschakeld. - Temperatuurinstelling Druk op de toets om de gewenste temperatuur in te stellen: - om de temperatuur te verlagen, - + om de temperatuur te verhogen. Een optimaal comfort kan worden bereikt door een instelling rond de. Het is raadzaam om in ieder geval een instelling tussen 8 en te kiezen. Voor een optimaal comfort wordt aangeraden een verschil in temperatuurinstelling tussen links en rechts van meer dan te vermijden. De gevoelstemperatuur in het interieur is afhankelijk van de omstandigheden buiten de auto en kan hierdoor afwijken van de ingestelde temperatuur. Bij het instappen in de auto is het mogelijk dat de temperatuur in het interieur te koud (of te warm) aanvoelt. Het wijzigen van de ingestelde temperatuur om snel een comfortabele temperatuur te bereiken heeft geen nut. Het systeem zorgt er automatisch voor dat het temperatuurverschil zo snel mogelijk wordt gecompenseerd.

63 COMFORT - Regeling van de aanjagersnelheid / Activeren van de functie "REST" Regeling van de luchttoevoer Druk om de luchttoevoer in te stellen op de toets: om de luchttoevoer te verhogen om de luchttoevoer te verkleinen (deze toets bedient eveneens de functie REST) Het niveau van de luchttoevoer wordt aangegeven doordat de schoepen van de ventilator één voor één worden uitgevuld. Als de aanjager in stand 0 wordt gezet, wordt het systeem uitgeschakeld. Alleen het niet uitgevulde aanjagersymbool en de indicatie OFF worden weergegeven. Functie "REST": activering van de ventilatie bij afgezette motor Om ervoor te zorgen dat de temperatuur in het interieur bij afgezette motor enigszins comfortabel blijft, kunt u met de functie "REST" de ventilatie gedurende enkele minuten inschakelen. Zo kunt u er bijvoorbeeld voor zorgen dat als u de auto verlaat, de andere inzittenden nog profiteren van de luchtcirculatie zonder dat de motor hoeft te draaien. Deze functie is beschikbaar bij het aanzetten van het contact en na het afzetten van de motor. De displays van de airconditioning worden verlicht en het pictogram van de lege aanjager blijft zichtbaar zolang de functie beschikbaar is. Bij het aanzetten van het contact: - Als de toets REST wordt ingedrukt, wordt deze functie gedurende een aantal minuten ingeschakeld. Twee schoepen van de aanjager worden opgevuld om aan te geven dat de functie actief is. - De functie kan tijdens de hele werkingsperiode worden uitgeschakeld en opnieuw ingeschakeld. - Na afloop van de werkingsperiode dooft het display. Na het afzetten van de motor: - De functie kan gedurende 0 seconden worden geactiveerd. - Als de toets REST wordt ingedrukt, wordt de functie gedurende een aantal minuten ingeschakeld. De duur en de beschikbaarheid van de functie zijn afhankelijk van de acculading. Het vergrendelen van de auto heeft geen invloed op de functie. - Als de toets tijdens de werking opnieuw wordt ingedrukt, wordt de functie definitief uitgeschakeld. Met deze toets wordt niet de klimaatregeling ingeschakeld, maar uitsluitend de aanjager. Als de functie REST is geactiveerd, kunnen de luchttoevoer en de luchtverdeling niet worden gewijzigd. - Luchtverdeling Druk toets in om de luchtverdelingen één voor één op het display weer te geven. De gekozen luchtverdeling wordt aangegeven door het oplichten van de betreffende pijltjes op het display. U heeft de keuze uit zeven instellingen. III 6

64 COMFORT III Luchtrecirculatie Deze toets regelt de luchtrecirculatie in het interieur. Druk toets 5 in om de toevoer van buitenlucht af te sluiten en de luchtrecirculatie in het interieur in te schakelen. Het controlelampje gaat branden. In deze stand wordt voorkomen dat stank of rook van buitenaf het interieur binnenkomt, zonder dat de overige instellingen worden gewijzigd. De recirculatie moet zo snel mogelijk weer worden uitgeschakeld om verse lucht toe te laten in het interieur en het beslaan van de ruiten te voorkomen. Druk toets 5 nogmaals in om de toevoer van buitenlucht in te schakelen. Het lampje dooft. De luchtrecirculatie kan eveneens worden ingeschakeld door het indrukken van de toets op het stuurwiel linksonder (zie het hoofdstuk over het stuur met centrale bedieningen op vast middengedeelte). 6 - In- en uitschakelen van de regeling voor de achterpassagiers Met deze functie kunt u de bedieningsorganen in het achtercompartiment vrijgeven of blokkeren. Deze functie heeft drie verschillende standen: Blokkeren van de bedieningsorganen achterin De door de bestuurder gekozen instelling geldt eveneens voor het achtercompartiment; de bedieningsorganen voor de achterpassagiers zijn geblokkeerd. Vrijgeven van de bedieningsorganen achterin De achterpassagiers kunnen gebruik maken van hun individuele klimaatregeling. Verminderen van de luchttoevoer naar het achtercompartiment Bij de uitvoering met extra airconditioning wordt geadviseerd om onder winterse omstandigheden de luchttoevoer naar de achterpassagiers af te sluiten (geen verdeling van warme lucht mogelijk via deze luchtroosters). 7 - Weergavemodus voor het dashboard: functie black panel Met deze functie is het mogelijk de displays en de achtergrondverlichting van de toetsen te doven. - Als deze functie geactiveerd is, licht het display bij het indrukken van een willekeurige toets tijdelijk op. - Door het indrukken van toets 7 wordt de functie uitgeschakeld en brandt de verlichting van de toetsen en het display weer continu. Met deze functie neemt vooral het visuele comfort tijdens het rijden in het donker toe. 8 - Snel ontdooien / ontwasemen van de achterruit Deze functie is alleen beschikbaar bij draaiende motor. Druk op toets 8 om de achterruitverwarming en, afhankelijk van de uitvoering, de buitenspiegelverwarming in- of uit te schakelen. Het lampje gaat branden en op het display verschijnt een symbooltje. Deze functie wordt automatisch uitgeschakeld om een te hoog stroomverbruik te vermijden.

65 COMFORT 9 - Snel ontdooien / ontwasemen van de vooren achterruit - Druk op toets 9. Het controlelampje gaat branden. Met deze functie is het mogelijk de auto snel te ontwasemen en te ontdooien door het tegelijkertijd inschakelen van: - de voorruitontwaseming met een optimale temperatuur, - een optimale luchttoevoer, - de toevoer van buitenlucht, - het ontdooien en ontwasemen van de buitenspiegels en de achterruitverwarming, - de airconditioning, indien noodzakelijk. Druk opnieuw op toets 9 of op de toets AUTO als u deze functie uit wilt schakelen. De ontdooifunctie van de buitenspiegels evenals de achterruitverwarming blijven ingeschakeld. B. BEDIENINGSPANELEN PASSAGIERS. Voorpassagier De voorpassagier kan de temperatuur voor zichzelf onafhankelijk en op elk moment regelen met de toetsen + en -. De voorpassagier stelt zelf de gewenste temperatuur in.. Achterpassagiers (rechts/ links) Standaard is de stand AUTO ingeschakeld, waarbij de luchttoevoer gelijk is aan die aan de voorzijde. Draai aan de schakelaar om de luchttoevoer te verlagen of te verhogen. U kunt de luchttoevoer uitsluitend regelen als de bestuurder dit heeft vrijgegeven (zie toets 6 van het bedieningspaneel voor de bestuurder). III Bij auto's met een Stop & Startsysteem geldt dat zolang de voorruitontwaseming in werking is, de STOP-functie niet beschikbaar is. De temperatuur voor de voorpassagier is gelijk aan die voor de bestuurder. 0 - Airconditioning Druk op schakelaar 0 om de airconditioning in te schakelen. Controlelampje A/C gaat branden. 6

66 COMFORT III EXTRA AIRCONDITIONING De extra airconditioning maakt een optimaal comfort mogelijk onder zomerse omstandigheden. Het systeem produceert een extra hoeveelheid koele lucht en verspreidt deze via de achterste luchtroosters. Bij dit systeem is geen verdeling van warme lucht via de achterste luchtroosters mogelijk. C. BEDIENINGSPANELEN ACHTERPASSAGIERS (RECHTS/LINKS). Temperatuurinstelling De achterpassagiers kunnen de temperatuur voor zichzelf onafhankelijk instellen met de toetsen + en -. De instelling mag niet meer dan twee graden hoger zijn dan de instelling voor de bestuurder. Als dit toch het geval is, wordt dit aangegeven door het knipperen van het display.. Regeling van de aanjagersnelheid De aanjager werkt uitsluitend bij draaiende motor. Druk om de luchttoevoer in te stellen op de toets: om de luchttoevoer te verhogen om de luchttoevoer te verlagen Het niveau van de luchttoevoer wordt aangegeven doordat de schoepen van de ventilator één voor één worden uitgevuld. Als de luchttoevoer tot het minimum wordt verlaagd, wordt de airconditioning uitgeschakeld (OFF). U kunt de temperatuur en de luchttoevoer uitsluitend regelen als de bestuurder dit heeft vrijgegeven (zie toets 6 van het bedieningspaneel voor de bestuurder). Dit controlelampje geeft aan dat de bedieningsorganen voor de passagiers geblokkeerd zijn. U kunt nu niet de temperatur of de luchthoeveelheid zelf regelen. Hiervoor gelden de door de bestuurder ingestelde waarden. Dit controlelampje geeft aan dat de luchttoevoer is uitgeschakeld. Dit is de aanbevolen stand voor winterse omstandigheden, waarbij de luchtroosters geen warme lucht verspreiden. 6

67 COMFORT PARFUMEUR Parfumeur uitnemen Parfumeur plaatsen De parfumeur verspreidt een parfum in het interieur via de middelste ventilatieroosters. Deze auto is afgeleverd zonder geurpatroon. U dient zelf een geurpatroon te plaatsen voor u gebruik kunt maken van de parfumeur. III Dosering Druk knop A in en draai deze een kwartslag naar links tot de aanslag. Verwijder de parfumeur uit het dashboard. Vervang de geurpatroon (zie "Geurpatroon vervangen"). Na het aanbrengen of vervangen van de geurpatroon: plaats de parfumeur. draai de parfumeur een kwartslag naar rechts. Draai aan knop A om de hoeveelheid parfum te doseren (naar links om de hoeveelheid te verkleinen; naar rechts om de hoeveelheid te vergroten) of de parfumeur uit te schakelen (helemaal naar links). De middelste ventilatieroosters moeten geopend zijn. Een geurpatroon gaat gemiddeld drie maanden mee als de parfumeur een uur per dag wordt gebruikt. 65

68 COMFORT III Vervangen van een geurpatroon De navulverpakking voor de parfumeur bestaat uit een geurpatroon B en een houder C. Verwijder de beschermfolie D. Plaats de kop van geurpatroon B op knop A van de parfumeur. Verdraai de geurpatroon een kwartslag om deze in de knop te vergrendelen en verwijder de houder. Breng de parfumeur op zijn plaats. U kunt de geurpatronen op elk moment vervangen en de aangesproken geurpatronen in hun originele houder bewaren. Knop van parfumeur De knop van de parfumeur A maakt geen deel uit van de geurpatroon. De geurpatronen worden zonder parfumeurknop A geleverd. De knop van de parfumeur A kan alleen samen met een geurpatroon in het middenpaneel worden aangebracht. Zorg dus altijd dat u over de knop A en een geurpatroon beschikt. De navulpatronen zijn, afhankelijk van het land, verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk en bij elke gekwalificeerde werkplaats. In het dashboardkastje zijn speciale opbergruimten voor de geurpatronen en houders aanwezig. Gebruik in verband met de veiligheid uitsluitend de hiervoor bestemde geurpatronen. Bewaar de geurpatronen - als ze niet worden gebruikt - in de afgedichte etuis waarin ze zijn verpakt. Demonteer de geurpatronen niet en vul ze niet bij. Houd de geurpatronen verwijderd van kinderen en dieren. Vermijd elk contact met de huid en ogen. Neem als parfum is ingeslikt contact op met een arts en laat deze de verpakking of het etiket van het product zien. Probeer nooit tijdens het rijden een geurpatroon te plaatsen of te verwijderen. 66

69 COMFORT VOORSTOELEN. Hoogteverstelling Beweeg de hendel net zo lang omhoog of omlaag tot de gewenste instelling is bereikt.. Kanteling van de rugleuning Bedien de hendel en stel de hoek van de rugleuning in. Het is mogelijk de rugleuning over een hoek van 5 naar achteren te verstellen door deze te kantelen tot een vergrendelstand; ontgrendeling vindt plaats door de hendel omhoog te bewegen. 5. Armleuning III Om de stand van uw armleuning in te stellen: trek de armleuning omhoog, druk deze volledig omlaag en zet deze vervolgens in de gewenste stand. 6. Hoofdsteun HANDMATIGE VERSTELLING. Verstelling in lengterichting. Lendensteun Trek de hoofdsteun omhoog om deze hoger te zetten. Druk de knop in en druk de hoofdsteun omlaag om deze te laten zakken. De instelling is correct als de bovenkant van de hoofdsteun gelijk ligt met de bovenzijde van het hoofd. De hoek van de hoofdsteun is eveneens instelbaar (afhankelijk van de uitvoering). Druk de ontgrendelknop in en trek de hoofdsteun omhoog om de hoofdsteun te verwijderen. Druk opzij aan de voet van de hoofdsteun om deze naar voren en naar achteren te verstellen tot de gewenste instelling is bereikt. Til de bedieningsstang omhoog en verschuif de stoel tot de gewenste instelling is bereikt. Draai de knop tot de gewenste instelling is bereikt. Rijd nooit zonder hoofdsteunen. Zorg dat deze zijn geplaatst en correct zijn afgesteld. 67

70 COMFORT VOORSTOELEN ELEKTRISCHE VERSTELLING. Verstelling van de rugleuning en lendensteunvertelling Bediening stoelverwarming III Beweeg de schakelaar aan de bovenzijde naar voren of naar achteren om de hoek van de rugleuning in te stellen. Beweeg schakelaar omhoog of omlaag om de lendensteunen in te stellen.. Verstelling van de stoelhoogte, kantelen van de zitting en voor-/ achterwaartse verstelling van de stoel Beweeg schakelaar aan de voorzijde omhoog of omlaag om de voorzijde van de zitting omhoog of omlaag te bewegen (bestuurdersstoel). Beweeg schakelaar aan de achterzijde omhoog of omlaag om de stoel omhoog of omlaag te bewegen. Beweeg schakelaar naar voren of naar achteren om de stoel naar voren of naar achteren te bewegen. De elektrische bediening van de stoelinstelling blijft een bepaalde tijd werken: - na het openen van een van de voorportieren. - na het uitzetten van het contact. Bij draaiende motor is de stoelverwarming voor elke voorstoel apart regelbaar. Met de corresponderende draaiknop aan de binnenzijde van beide voorstoelen kan de stoelverwarming ingeschakeld worden en kan een verwarmingsstand worden geselecteerd: 0 : Uit. : Laag. : Gemiddeld. : Hoog. 68

71 COMFORT Opslaan van zitposities in het geheugen Opslaan van een zitpositie Oproepen van een opgeslagen zitpositie Dit systeem slaat de elektrische instellingen van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels op. U kunt twee standen opslaan en later oproepen met de toetsen aan de zijkant van de bestuurdersstoel. Met de toetsen M / / Zet het contact aan. Zet uw stoel en de buitenspiegels in de gewenste stand. Druk op de toets M en vervolgens binnen seconden op de toets of. Een geluidssignaal geeft aan dat de zitpositie is opgeslagen. Het opslaan van een andere stand annuleert de vorige, in het geheugen opgeslagen stand. Contact aan of draaiende motor Druk op de toets of om de desbetreffende zitpositie op te roepen. Een geluidssignaal geeft aan dat de opgeslagen zitpositie is ingenomen. U kunt de beweging onderbreken door op de toets M, of te drukken of door een van de schakelaars van de stoelverstelling te bedienen. U kunt een zitpositie niet oproepen tijdens het rijden. Het opvragen van een opgeslagen zitpositie is tot 5 seconden na het afzetten van het contact mogelijk. III 69

72 COMFORT HOOFDSTEUNEN ACHTER STOELEN OP DE TWEEDE ZITRIJ Verstelling in lengterichting "Comfortpositie" III De hoofdsteunen achter zijn verwijderbaar en kunnen in twee standen worden gezet: - omhoog, om ze te gebruiken. - omlaag, als ze niet worden gebruikt. Trek aan de hoofdsteun om hem omhoog te zetten. Druk op de blokkeerpal en duw de hoofdsteun vervolgens omlaag om hem omlaag te zetten. U kunt de hoofdsteun verwijderen door hem omhoog te zetten, op de blokkeerpal te drukken en de hoofdsteun omhoog te trekken. Steek om de hoofdsteun te plaatsen de pennen recht in de openingen. Ga nooit rijden als de hoofdsteunen zijn verwijderd; de hoofdsteunen moeten zijn geplaatst en correct zijn afgesteld. Til hendel A aan de voorzijde van de zitting op en verplaats de stoel in de gewenste richting. De stoelen op de tweede zitrij zijn onafhankelijk van elkaar en even breed. Ze beschikken over een zogenaamde "comfortpositie". Een stoel in de comfortpositie zetten Trek aan riem B en beweeg de stoel naar achteren. De rugleuning en de zitting worden iets gekanteld. Een stoel weer in de uitgangspositie zetten Trek aan riem B en geleid de stoel weer in de voorste stand. Let erop dat uw kinderen de stoelen niet zelf verstellen. 70

73 COMFORT STOELEN OP DE TWEEDE ZITRIJ (C PICASSO) Een stoel neerklappen Een stoel overeind zetten Kantel de rugleuning terug en druk deze naar achteren tot hij vergrendeld is. Paneel achter de stoelen van de tweede zitrij Let erop dat uw kinderen de stoelen niet zelf verstellen. III Elke stoel kan worden neergeklapt, zodat een vlakke laadvloer ontstaat en u het interieur van de auto naar eigen wens kunt benutten. Trek lus C naar boven, zoals aangegeven door de rode pijl, om de stoel te ontgrendelen; houd de lus strak tot de stoel volledig is neergeklapt. Kantel de rugleuning naar voren op de zitting en klap vervolgens de complete stoel op de vloer neer. Panelen aan de onderkant van de stoelen van de tweede zitrij zorgen ervoor dat de bodem van de bagageruimte afgedekt blijft. Zij volgen automatisch de bewegingen van de stoelen (bijvoorbeeld: verstelling in de lengterichting, neerklappen). Onder de panelen beschikt u over bergruimte. 7

74 COMFORT III STOELEN OP DE TWEEDE ZITRIJ (GRAND C PICASSO) Elke stoel is geheel neerklapbaar, waarna een vlakke autovloer wordt verkregen, die u naar wens kunt indelen. Neerklappen van de stoelen Van buitenaf Trek lus C naar boven, zoals aangegeven door de rode pijl, om de stoel te ontgrendelen; houd de lus strak tot de stoel volledig is neergeklapt. Kantel de rugleuning op de zitting en klap de complete stoel neer op de vloer. Vanuit de bagageruimte (bijvoorbeeld bij het beladen) U kunt de stoel(en) direct vanuit de bagageruimte neerklappen, nadat u eerst de stoelen van de derde zitrij hebt neergeklapt. Trek aan lus D om de betreffende stoel te ontgrendelen en duw de rugleuning enigszins naar voren. Om beschadiging van het mechanisme te voorkomen, raakt lus D los wanneer er te hard aan getrokken wordt. U kunt de lus weer vastmaken om het systeem weer operationeel te maken. Overeind zetten van de stoelen Klap de panelen van de stoelen op de tweede zitrij omhoog en vergrendel deze. Kantel de rugleuningen terug en druk deze naar achteren tot ze zijn vergrendeld. Voordat de stoelen op de derde zitrij worden in- of uitgeklapt moeten de panelen van de stoelen op de tweede zitrij omhoog geklapt en vergrendeld zijn. Let erop dat uw kinderen de stoelen niet zelf verstellen. Paneel De rugleuningen van de stoelen op de tweede zitrij zijn voorzien van een paneel. Met dit paneel wordt: - een vlakke laadvloer in de bagageruimte verkregen, ongeacht de positie van de stoelen, - het onder de stoelen op de tweede zitrij schuiven van voorwerpen voorkomen. Ontgrendelen/vergrendelen van het paneel: Schuif nok naar beneden om het paneel te ontgrendelen. Klap het paneel omhoog en schuif nok naar boven om het paneel te vergrendelen. Controleer alvorens de panelen uit te klappen of de stoelen op de tweede zitrij zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven. De uitvoering met 5 zitplaatsen beschikt niet over deze panelen. 7

75 COMFORT Klapstoelpositie In deze stand kunt u ruimte scheppen tussen de eerste en tweede zitrij. U kunt dit bereiken door aan hendel E te trekken. Deze functie is alleen beschikbaar voor de buitenste stoelen. Toegang tot de zitplaatsen op de derde zitrij De zitplaatsen op de derde zitrij zijn bereikbaar via de buitenste stoelen op de tweede zitrij. Trek aan hendel E. De stoel wordt ontgrendeld en de zitting klapt tegen de rugleuning. Houd hendel E rechtop en druk de stoel naar voren. Het geheel schuift in de richting van de voorstoel. Via de ruimte die achter de stoel vrijkomt, kunnen de passagiers de zitplaatsen op de derde zitrij bereiken. Uitstappen vanaf de zitplaatsen op de derde zitrij: Trek hendel E naar boven en houd deze vast. De stoel wordt ontgrendeld en de zitting klapt tegen de rugleuning. Druk tegen de rugleuning van de stoel en houd hierbij hendel E omhooggetrokken. Als het tafeltje van de stoel op de eerste zitrij uitgeklapt is, moet dit eerst worden ingeklapt. Aanbrengen van de stoel vanaf de buitenzijde, portier geopend Als zich inzittenden op de derde zitrij bevinden: verplaats het geheel handmatig tot de aanslag naar achteren; de stoel kan niet volledig naar achteren worden verplaatst, om ervoor te zorgen dat de inzittenden op de derde zitrij nog voldoende beenruimte houden, klap de zitting neer zodat deze vergrendelt. Vergewis u ervan dat zich geen vreemde voorwerpen op of onder de stoel bevinden die u wilt neerklappen. Noodfunctie: bij een defect aan het primaire systeem (lus C ) kunnen de inzittenden op de derde zitrij hun zitplaats verlaten met behulp van hendel E. Laat kinderen niet zelf de stoelen verstellen. III 7

76 COMFORT III STOELEN OP DE e ZITRIJ (GRAND C PICASSO) Harmonicapanelen Overeindzetten van de stoelen Trek aan de rode lus G aan de onderzijde van de rugleuning van de stoel. De stoel is ontgrendeld. Duw de rugleuning vervolgens iets naar voren. De rugleuning kantelt en wordt ingeklapt op de zitting. De ingeklapte stoel bevindt zich in de hiervoor bestemde opbergruimte. Breng de harmonicapanelen weer over de ingeklapte stoelen aan. 7 De twee harmonicapanelen, die vast met de auto zijn verbonden, bedekken de twee stoelen van de derde zitrij, als deze zijn ingeklapt. Samenvouwen van de harmonicapanelen Trek aan de lus: de drie delen van de vloerplaat vouwen zich samen als een harmonica. Als de stoelen van de derde zitrij overeind staan, kunt u de harmonicapanelen - plat laten liggen achter de stoelen, - rechtop zetten, waardoor de bij de stoel vrijgekomen ruimte gebruikt kan worden als opbergruimte. Klap de panelen van de stoelen op de tweede zitrij omhoog en vergrendel deze. Trek na het samenvouwen van het harmonicapaneel met één hand aan zwarte riem F die zich achter op de rugleuning van de stoel bevindt. De rugleuning klapt naar achteren en neemt de zitting mee. De stoel vergrendelt in geopende stand. Inklappen van de stoelen Klap de panelen van de stoelen op de tweede zitrij omhoog en vergrendel deze. Schuif de hoofdsteunen omlaag. Plaats het harmonicavormige paneel in verticale positie achter de stoel. Voordat de stoelen op de derde zitrij worden in- of uitgeklapt moeten de panelen van de stoelen op de tweede zitrij omhoog geklapt en vergrendeld zijn. Probeer niet een stoel van de derde zitrij in te klappen zonder dat u die eerst hebt opengeklapt tot het punt van compleet vergrendelen van de rugleuning. Let erop dat zich geen voorwerpen op of onder de zitting van de stoelen op de derde zitrij bevinden als deze worden ingeklapt. Geleid lus G niet bij het opbergen van de stoel, om te voorkomen dat u met uw vingers bekneld raakt. Laat kinderen niet zonder toezicht de stoelen bedienen.

77 COMFORT OPSTELLING VAN DE STOELEN EN INDELING VAN HET INTERIEUR Voorbeelden voor de indeling van Voorbeelden van configuraties de C Picasso Grand C Picasso III 5 zitplaatsen zitplaatsen 7 zitplaatsen 6 zitplaatsen Vervoeren van bagage zitplaatsen Vervoeren van bagage 5 zitplaatsen zitplaatsen Teneinde de beschikbare ruimte in uw auto flexibeler te kunnen benutten, kunt u de achterstoelen op de tweede zitrij neerklappen en de achterstoelen op de derde zitrij (bij de Grand C Picasso) in de vloer laten verdwijnen. Op deze manier beschikt u over een laadvloer die doorloopt tot aan de voorstoelen. 75

78 COMFORT III 76 SPIEGELS Buitenspiegels De verstelbare buitenspiegels zorgen voor het benodigde zicht naar achteren bij een inhaalmanoeuvre of het parkeren van de auto. De buitenspiegels kunnen ook worden ingeklapt voor het parkeren in een smalle straat. Verstellen Zet het contact aan: zet de knop A naar links of rechts om de desbetreffende spiegel te selecteren, duw de knop B in de richtingen om de spiegel af te stellen, zet de knop A weer in het midden. De weergegeven objecten in de buitenspiegels lijken verder af dan ze in werkelijkheid zijn. Hiermee moet rekening worden gehouden om de afstand ten opzichte van achteropkomend verkeer goed in te schatten. Het ontdooien/ontwasemen van de buitenspiegels is gekoppeld aan die van de achterruitverwarming. Inklappen Van buitenaf: vergrendel de auto met de afstandsbediening of de sleutel. Vanuit het interieur: trek bij aangezet contact de schakelaar A vanuit de middelste stand naar achteren. Als de buitenspiegels zijn ingeklapt met behulp van de schakelaar A, worden ze niet automatisch uitgeklapt als de auto wordt ontgrendeld. Trek nogmaals de schakelaar A naar achteren om de buitenspiegels uit te klappen. Uitklappen Van buitenaf: ontgrendel de auto met de afstandsbediening of de sleutel. Vanuit het interieur: trek bij aangezet contact de schakelaar A vanuit de middelste stand naar achteren. Het automatisch in- en uitklappen van de buitenspiegels kan worden gedeactiveerd door het CITROËNnetwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Klap de elektrisch bediende spiegels nooit handmatig in of uit. Automatisch kantelen buitenspiegels bij het achteruitrijden De buitenspiegels kunnen bij het achteruit inparkeren naar de grond worden gericht. Programmeren Schakel bij draaiende motor de achteruitversnelling in. Selecteer en verstel achtereenvolgens de linker en rechter buitenspiegel. De ingestelde standen worden direct opgeslagen. Inschakelen Schakel bij draaiende motor de achteruitversnelling in. Beweeg de schakelaar A naar rechts of links om de desbetreffende buitenspiegel te selecteren. De geselecteerde buitenspiegel wordt in de geprogrammeerde stand gericht. Uitschakelen Haal de versnellingsbak uit de achteruitversnelling en wacht tien seconden. of Zet de schakelaar A in de middelste stand. De buitenspiegel keert terug naar de oorspronkelijke stand. De buitenspiegel keert ook terug naar de oorspronkelijke stand: - zodra sneller wordt gereden dan 0 km/h, - als de motor wordt afgezet.

79 COMFORT Binnenspiegel Verstelbare spiegel voor het zicht recht achter de auto. De binnenspiegel is voorzien van een nachtstand waardoor de spiegel donkerder wordt en de bestuurder minder hinder ondervindt van de koplampverlichting van achteropkomend verkeer, zon... (antiverblindingsstand). Automatisch dimmende binnenspiegel STUURWIELVERSTELLING Het stuurwiel kan in hoogte en diepte worden versteld voor een optimale zithouding van de bestuurder. III Binnenspiegel met handbediende dag-/nachtstand Verstellen Stel de spiegel af als deze in de dagstand staat. Dag-/nachtstand Trek aan het hendeltje om de spiegel in de nachtstand te zetten. Duw het hendeltje naar voren om de spiegel terug te zetten in de dagstand. Dankzij een sensor die de hoeveelheid licht die vanaf de achterzijde van de auto op de spiegel valt meet, gaat de binnenspiegel geleidelijk en automatisch over van de dag- in de nachtstand. Zodra de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, wordt de spiegel in de dagstand gezet voor een maximaal zicht naar achteren. Verstellen Verstel eerst de bestuurdersstoel in een voor u optimale stand. Zorg dat de auto stilstaat en trek aan de hendel om het stuurwiel te ontgrendelen. Verstel het stuurwiel in hoogte en diepte. Druk de hendel goed vast om het stuurwiel te vergrendelen. Wanneer u na de vergrendeling stevig op het stuur drukt, kunt u een zachte klik waarnemen. Om veiligheidsrdenen moeten de spiegels zo zijn ingesteld dat de "dode hoek" zo klein mogelijk is. Voer deze handelingen om veiligheidsredenen uitsluitend uit bij stilstaande auto. 77

80 TOEGANG TOT DE AUTO IV SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING U kunt om de auto te ontgrendelen of vergrendelen de centrale vergrendeling bedienen met de sleutel in het portierslot of met de afstandsbediening. De sleutel met afstandsbediening dient tevens voor het lokaliseren van de auto, de follow me home-functie, het starten van de auto en de diefstalbeveiliging. Ontgrendelen met de sleutel Draai de sleutel linksom in het slot van het bestuurdersportier om de auto te ontgrendelen. Het ontgrendelen wordt bevestigd door het gedurende ongeveer seconden snel knipperen van de richtingaanwijzers. Tegelijkertijd klappen, afhankelijk van de uitvoering van de auto, de buitenspiegels uit. Met deze handeling worden eveneens de omgevingsverlichting en de instapverlichting gedurende 0 seconden ingeschakeld. Tegelijkertijd worden, volgens uitvoering, bij de eerste ontgrendeling de buitenspiegels uitgeklapt. Bovendien worden de instapverlichting aan de buitenzijde en de instapverlichting in het interieur gedurende 0 seconden ingeschakeld. Het volledig of selectief ontgrendelen kan worden ingesteld met behulp van het confi guratiemenu van het multifunctionele display. Standaard is de volledige ontgrendeling geactiveerd. Selectieve ontgrendeling met de afstandsbediening Openen van de auto Uitklappen van de sleutel Druk op de knop om de sleutel uit te klappen. Ontgrendelen met de afstandsbediening Druk op het geopende hangslot om de auto te ontgrendelen. Druk één keer op het geopende hangslot om alleen het bestuurdersportier te ontgrendelen. Druk nogmaals op het geopende hangslot om de overige portieren en de achterklep te ontgrendelen. Het ontgrendelen wordt bevestigd door het gedurende ongeveer seconden snel knipperen van de richtingaanwijzers. Het selectief ontgrendelen is niet mogelijk met de sleutel. 78

81 TOEGANG TOT DE AUTO Auto vergrendelen Normale vergrendeling met de afstandsbediening Druk op het vergrendelknopje (gesloten hangslot) om de auto te vergrendelen. Houd het vergrendelknopje (gesloten hangslot) even ingedrukt om behalve de auto ook ook de ruiten en het zonnescherm van het panoramadak automatisch te sluiten. Normale vergrendeling met de sleutel Draai de sleutel rechtsom in het slot van het bestuurdersportier om de auto te vergrendelen. Het vergrendelen wordt bevestigd door het gedurende ongeveer seconden branden van de richtingaanwijzers. Tegelijkertijd worden, afhankelijk van de uitvoering van de auto, de buitenspiegels ingeklapt. Bovendien worden tijdelijk de flankverlichting en de follow me homeverlichting (indien geactiveerd) ingeschakeld. Bij het vervoer van grote voorwerpen waarbij de achterklep of achterruit geopend blijft, kan de auto van binnenuit worden vergrendeld met de schakelaar van de centrale vergrendeling op het dashboard. Als de auto is vergrendeld en per ongeluk wordt ontgrendeld zonder dat binnen 0 seconden een van de portieren wordt geopend, wordt de auto automatisch weer vergrendeld. Wees er bij het sluiten van de ruiten en/of het zonnescherm van het panoramadak met de afstandsbediening van verzekerd dat niemand het correcte sluiten verhindert. Het in- en uitklappen van de buitenspiegels met de afstandsbediening kan worden uitgeschakeld door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Supervergrendeling met de afstandsbediening Druk op het gesloten hangslot om de auto volledig te vergrendelen of druk langer dan seconden op het gesloten hangslot om eveens de ruiten en de zonwering van het glazen panoramadak te sluiten. Druk binnen 5 seconden nogmaals op het gesloten hangslot om de supervergrendeling van de auto in te schakelen. IV Als één van de portieren, de achterruit of de achterklep geopend is, werkt de centrale vergrendeling niet. 79

82 TOEGANG TOT DE AUTO IV Supervergrendeling met de sleutel Draai de sleutel rechtsom in het slot van het bestuurdersportier om de auto volledig te vergrendelen en houd de sleutel langer dan seconden in deze stand om ook de ruiten te sluiten. Draai binnen 5 seconden de sleutel nogmaals rechtsom om de supervergrendeling van de auto in te schakelen. Inklappen van de sleutel Met de afstandsbediening inschakelen van de verlichting Druk op deze toets om het parkeerlicht, het dimlicht, de kentekenplaatverlichting en de flankverlichting onder de buitenspiegels tijdelijk in te schakelen. Druk de toets een tweede keer in terwijl de verlichting nog brandt om de verlichting weer uit te schakelen. 80 De supervergrendeling wordt bevestigd door het gedurende ongeveer seconden branden van de richtingaanwijzers. Tegelijkertijd klappen de buitenspiegels in (afhankelijk van de uitvoering). Ook wordt door de supervergrendeling het langzaam aan- en uitgaan van de omgevingsverlichting en, indien deze geactiveerd is, de follow me home-verlichting ingeschakeld. De supervergrendeling blokkeert het van buitenaf en van binnenuit openen van de portieren. Als de supervergrendeling is ingeschakeld, is ook de vergrendelingsschakelaar in het interieur buiten werking. Schakel daarom nooit de supervergrendeling in als er zich iemand in de auto bevindt. Druk op deze knop om de sleutel in te klappen. Wanneer u deze knop niet indrukt bij het inklappen van de sleutel, kan het mechanisme beschadigd raken. Lokaliseren van de auto Met deze functie kunt u uw auto op afstand gemakkelijk vinden, vooral in situaties met weinig licht. Uw auto moet wel vergrendeld zijn. Druk op het vergrendelknopje (gesloten hangslot) van de afstandsbediening. De plafonniers en de flankverlichting gaan branden en de richtingaanwijzers knipperen gedurende enkele seconden. Diefstalbeveiliging Elektronische startblokkering In de sleutel is een chip aangebracht die over een specifieke code beschikt. Om te kunnen starten, moet bij het aanzetten van het contact de code van de sleutel worden herkend door de startblokkering. Deze elektronische startblokkering blokkeert het motormanagementsysteem zodra het contact wordt afgezet en voorkomt zo het starten van de motor bij een inbraak. Bij een storing in het systeem wordt u gewaarschuwd door dit verklikkerlampje in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. De auto kan dan niet gestart worden. Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk. Bewaar zorgvuldig de sticker die u bij de aflevering van uw auto samen met de sleutels is overhandigd.

83 TOEGANG TOT DE AUTO STARTEN. "S": Stuurslot Beweeg, voor het ontgrendelen van de stuurinrichting, het stuurwiel iets en draai tegelijkertijd de sleutel om, zonder kracht te zetten.. "M": Contactstand Afhankelijk van de uitvoering van uw auto moeten de oranje en rode waarschuwingslampjes gedurende korte tijd branden.. "D": Starten Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. Zet wanneer de motor bij de eerste poging niet aanslaat het contact af en probeer het na 0 seconden opnieuw. Stuurslot. "S": Draai aan het stuurwiel, na het verwijderen van de sleutel uit het stuurslot, totdat de stuurinrichting wordt vergrendeld. De sleutel kan alleen worden verwijderd in stand S.. "M": Het contact staat aan en de stuurinrichting is ontgrendeld (terwijl u de sleutel in stand M draait moet u eventueel het stuurwiel iets bewegen).. "D": Startstand. Bedien de startmotor niet bij draaiende motor. Laat de motor nooit draaien in een afgesloten of onvoldoende geventileerde ruimte. Het is noodzakelijk om altijd met draaiende motor te rijden, zodat de bekrachtiging van het remsysteem en de stuurinrichting beschikbaar is. Verwijder de sleutel nooit uit het contact voordat de auto volledig stilstaat. Waarschuwing sleutel de stand M Als de sleutel nog in het contactslot zit, wordt na een uur het contact automatisch uitgezetl. Om het contact weer aan te zetten, draait u de sleutel in de stand S en vervolgens weer terug in de stand M. MOTOR AFZETTEN Auto s met turbocompressor Laat de motor, alvorens u deze afzet, altijd enkele seconden stationair draaien om het toerental van de turbocompressor te laten terugvallen tot de normale waarde. Even gasgeven tijdens het afzetten van de motor kan de turbocompressor ernstig beschadigen. Zorg dat er geen gewicht (bijvoorbeeld een zware sleutelhanger...) aan de sleutel hangt: dit kan namelijk storingen aan het contactslot veroorzaken. IV 8

84 TOEGANG TOT DE AUTO IV Storing afstandsbediening Na het losnemen en weer aansluiten van de accukabels, het vervangen van de batterij van de afstandsbediening of een storing in de afstandsbediening kan de auto niet meer met de afstandsbediening ontgrendeld, vergrendeld en gelokaliseerd worden. Ontgrendel of vergrendel de auto eerst met de sleutel in het slot. Synchroniseer vervolgens de afstandsbediening. Batterij vervangen Synchroniseren Zet het contact af. Zet de sleutel in de stand (Contact). Druk zo snel mogelijk gedurende enkele seconden op de vergrendelknop (gesloten hangslot) van de afstandsbediening. Zet het contact af en verwijder de sleutel uit het contactslot. De afstandsbediening werkt nu weer. Batterij ref.: CR60/ V. Als de batterij van de afstandsbediening leeg is, wordt u gewaarschuwd door dit controlelampje, een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display. Wip het huis met een muntstuk bij het oog los. Verwijder de lege batterij. Schuif de nieuwe batterij in de juiste richting op zijn plaats. Klik het huis vast. Synchroniseer de afstandsbediening. 8 Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk als de storing niet is verholpen.

85 TOEGANG TOT DE AUTO Sleutels verloren Ga met het kentekenbewijs van de auto, uw legitimatiebewijs en indien mogelijk de sticker met de sleutelcode naar het CITROËN-netwerk. Het CITROËN-netwerk kan de speciale code van de sleutel en de transponder opzoeken en voor nieuwe sleutels zorgen. Vergrendelen van de auto Het rijden met vergrendelde portieren kan in geval van nood de toegang tot het interieur belemmeren. Neem uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de sleutel met afstandsbediening mee als u de auto verlaat, zelfs al is dit voor korte duur. Gooi de lege batterijen van de afstandsbediening niet weg: ze bevatten metalen die schadelijk zijn voor het milieu. Lever lege batterijen in bij een speciaal verzamelpunt. IV Afstandsbediening Diefstalbeveiliging De radiografi sche afstandsbediening is een systeem met een groot bereik. Het is raadzaam om niet met de knop van de afstandsbediening te spelen, om te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden. Druk nooit op de knoppen van uw afstandsbediening buiten het bereik en het zicht van uw auto. De afstandsbediening kan dan onbruikbaar worden en moet in dat geval opnieuw worden gesynchroniseerd. De afstandsbediening kan niet functioneren als de sleutel in het contactslot zit, zelfs als het contact uitstaat, behalve voor het synchroniseren. Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering; dit kan tot storingen leiden. Bij het aanschaffen van een gebruikte auto Laat door het CITROËN-netwerk controleren of alle in uw bezit zijnde sleutels met uw auto zijn gelinkt, zodat u er zeker van kunt zijn dat deze sleutels de enige zijn waarmee uw auto ontgrendeld en gestart kan worden. 8

86 TOEGANG TOT DE AUTO ALARM Dit systeem beveiligt uw auto tegen inbraak en diefstal. Het systeem bestaat uit de volgende typen beveiliging: Vergrendelen van de auto met volledig ingeschakeld alarm Indien een portier of de achterklep niet goed is gesloten, wordt de auto niet vergrendeld, maar worden de omtrek- en interieurbeveiliging na 5 seconden wel ingeschakeld. IV 8 - Omtrekbeveiliging Dit systeem houdt de te openen carrosseriedelen van de auto in de gaten. Het alarm gaat af als iemand een portier, de achterklep of de motorkap probeert te openen. - Interieurbeveiliging Dit systeem treedt in werking als er bewegingen in het interieur worden waargenomen. Het alarm gaat af als er een ruit wordt ingeslagen, als iets of iemand de auto binnendringt of als iets of iemand in de auto beweegt. Automatische beveiligingsfunctie Dit systeem treedt in werking als iemand probeert het alarm te saboteren. Het alarm gaat af als iemand probeert de accu, de bedieningseenheid of de kabels van de sirene uit te schakelen of te beschadigen. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats alvorens wijzigingen aan het alarmsysteem aan te brengen. Inschakelen Zet het contact af en verlaat de auto. Druk op de vergrendelknop van de afstandsbediening. Het alarmsysteem is geactiveerd: het verklikkerlampje van de knop zal één keer per seconde knipperen. De omtrekbeveiliging wordt 5 seconden nadat de vergrendelknop van de afstandsbediening is ingedrukt, geactiveerd. De interieurbeveiliging wordt 5 seconden nadat de vergrendelknop van de afstandsbediening is ingedrukt, geactiveerd. Uitschakelen Druk op de ontgrendelknop van de afstandsbediening. Het alarmsysteem wordt uitgeschakeld; het verklikkerlampje van de knop gaat uit.

87 TOEGANG TOT DE AUTO Vergrendelen van de auto met alleen de omtrekbeveiliging ingeschakeld Schakel de interieurbeveiliging uit om te voorkomen dat het alarm onnodig wordt ingeschakeld als bijvoorbeeld: - een huisdier in de auto wordt gelaten, - een ruit op een kier blijft staan, - de auto wordt gewassen. Uitschakelen van de interieurbeveiliging Zet het contact af. Druk binnen 0 seconden op de knop tot het verklikkerlampje blijft branden. Verlaat de auto. Druk onmiddellijk op de vergrendelknop van de afstandsbediening. Alleen de omtrekbeveiliging wordt ingeschakeld; het verklikkerlampje van de knop zal één keer per seconde knipperen. De interieurbeveiliging wordt uitsluitend uitgeschakeld als deze procedure elke keer na het afzetten van het contact wordt uitgevoerd. Opnieuw inschakelen van de interieurbeveiliging Druk op de ontgrendelknop van de afstandsbediening om de omtrekbeveiliging uit te schakelen. Druk op de vergrendelknop van de afstandsbediening om alle alarmsystemen in te schakelen. Het verklikkerlampje van de knop zal opnieuw één keer per seconde knipperen. Afgaan van het alarm Als het alarm afgaat, treedt de sirene in werking en knipperen de richtingaanwijzers gedurende dertig seconden. Als het alarm voor de e keer afgaat, worden de alarmsystemen uitgeschakeld. Als het verklikkerlampje van de knop snel knippert bij het ontgrendelen van de auto met de afstandsbediening, is het alarm tijdens uw afwezigheid afgegaan. Het lampje stopt met knipperen als het contact wordt aangezet. Storing afstandsbediening Om de alarmsystemen uit te schakelen: Ontgrendel de auto met de sleutel in het slot van het bestuurdersportier. Open het portier; het alarm gaat af. Zet het contact aan; het alarm stopt. Het verklikkerlampje van de knop gaat uit. Vergrendelen van de auto zonder het alarm in te schakelen Vergrendel de auto of schakel de supervergrendeling in met de sleutel in het slot van het bestuurdersportier. Storing Als bij het aanzetten van het contact het verklikkerlampje van de knop blijft branden, duidt dit op een storing in het systeem. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Automatisch inschakelen * Het systeem wordt minuten nadat het laatste portier of de achterklep is gesloten, automatisch ingeschakeld. Om het afgaan van het alarm bij het openen van een portier of de achterklep te voorkomen, moet eerst op de ontgrendelknop van de afstandsbediening worden gedrukt. IV * Volgens land van bestemming. 85

88 TOEGANG TOT DE AUTO IV RUITBEDIENING U kunt de ruiten handmatig of automatisch volledig openen en sluiten. De ruiten zijn voorzien van een beveiliging tegen beknellen en de elektrisch bedienbare ruiten achter kunnen worden geblokkeerd voor de veiligheid van kinderen op de achterbank. Eentraps ruitbediening U hebt twee mogelijkheden: - handmatig Duw of trek de schakelaar tot het zware punt. De ruit stopt zodra de schakelaar wordt losgelaten. - automatisch Duw of trek de schakelaar voorbij het zware punt. Als u de schakelaar hebt losgelaten, opent of sluit de ruit volledig. Bedien de schakelaar opnieuw om het openen of sluiten te stoppen. Beveiliging tegen beknellen Als de ruit sluit en tegen een obstakel stuit, stopt de ruit en gaat deze gedeeltelijk weer open. Als de ruit bijvoorbeeld bij vorst niet wil sluiten, voer dan direct het volgende uit: druk op de schakelaar tot de ruit volledig is geopend, trek vervolgens direct de schakelaar omhoog tot de ruit volledig is gesloten, houd de schakelaar na het sluiten nog ongeveer seconde vast. Tijdens deze handelingen is de beveiliging tegen beknellen uitgeschakeld.. Schakelaar ruitbediening bestuurderszijde.. Schakelaar ruitbediening passagierszijde.. Schakelaar ruitbediening rechtsachter.. Schakelaar ruitbediening linksachter. 5. Blokkeerschakelaar elektrisch bedienbare ruiten achter. Na het afzetten van het contact kunnen de ruiten nog ongeveer 5 seconden worden bediend, tenzij binnen deze 5 seconden een portier wordt geopend en de auto wordt vergrendeld Gebruik, wanneer een ruit niet met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kan worden geopend of gesloten, het bedieningspaneel van het desbetreffende portier, en omgekeerd. 86

89 TOEGANG TOT DE AUTO Resetten Als een ruit niet automatisch kan worden gesloten, moet de ruitbediening worden gereset: trek de schakelaar omhoog tot de ruit stopt met bewegen, laat de schakelaar los en trek hem opnieuw omhoog totdat de ruit volledig is gesloten, houd de schakelaar na het sluiten nog ongeveer seconde vast, druk op de schakelaar om de ruit automatisch te openen, druk als de ruit volledig is geopend nogmaals op de schakelaar en houd deze nog ongeveer seconde vast. Tijdens deze handelingen is de beveiliging tegen beknellen uitgeschakeld. Blokkeren van de ruitbediening en de portiergrepen achter Druk, voor de veiligheid van uw kinderen, op de schakelaar 5 om de ruitbediening achter, ongeacht de stand van de ruiten, te blokkeren. Neem bij het verlaten van de auto, zelfs voor een korte periode, altijd de sleutel uit het contact. Wanneer tijdens het bedienen van de ruit iets tussen de ruit en de sponning bekneld raakt, moet de ruit weer worden geopend. Druk daarvoor op de desbetreffende schakelaar. Wanneer de bestuurder de ruit aan passagierszijde bedient, moet deze ervan verzekerd zijn dat niets het correcte sluiten van de ruit verhindert. De bestuurder moet ervan verzekerd zijn dat de passagiers op de juiste manier gebruik maken van de elektrische ruitbediening. Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens het bedienen van de ruit niet kunnen bezeren. IV Wanneer u de bedieningstoetsen blokkeert en elke keer wanneer u het contact aanzet, gaat dit lampje op het instrumentenpaneel tijdelijk branden. Met deze schakelaar worden ook de binnenportiergrepen van de achterportieren geblokkeerd (zie het hoofdstuk "Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen"- Elektrisch kinderslot"). 87

90 TOEGANG TOT DE AUTO PORTIEREN Openen Van buitenaf Van binnenuit Handmatige centrale vergrendeling Deze functie biedt de mogelijkheid om de portieren en de achterklep vanaf de bestuurdersplaats te vergrendelen of te ontgrendelen. IV Trek aan de binnenportiergreep van een portier; de auto wordt dan volledig ontgrendeld. Ontgrendel de auto met de afstandsbediening of de sleutel en trek aan de portiergreep. Vergrendelen Druk op deze knop om de auto te vergrendelen. Het rode lampje van de knop gaat branden. Als het selectief ontgrendelen is geactiveerd en één keer op de ontgrendelknop van de afstandsbediening wordt gedrukt, kan alleen het bestuurdersportier worden geopend. Als het selectief ontgrendelen is geactiveerd: - met de portiergreep van het bestuurdersportier wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld, - met de overige portiergrepen worden de overige portieren en de achterklep ontgrendeld. De portieren kunnen niet van binnenuit worden geopend als de supervergrendeling is ingeschakeld. Als een van de portieren is geopend, werkt de centrale vergrendeling niet. De centrale vergrendeling van binnenuit wordt geactiveerd als de achterklep of de achterruit is geopend, zodat lange voorwerpen vervoerd kunnen worden. 88

91 TOEGANG TOT DE AUTO Ontgrendelen Druk nogmaals op deze knop om de auto te ontgrendelen. Het rode lampje van de knop gaat uit. Mocht de centrale vergrendling defect zijn, dan moet u de accupolen losnemen om de koffer te vergrendelen, waarna u de complete auto kunt vergrendelen. Als de auto van buitenaf is vergrendeld of de supervergrendeling is ingeschakeld, knippert het rode lampje en werkt deze knop niet. Gebruik in dat geval de afstandsbediening of de sleutel om de auto te ontgrendelen. Automatische centrale vergrendeling Deze functie zorgt ervoor dat de portieren, de achterklep en de achterruit tijdens het rijden automatisch en volledig worden vergrendeld. U kunt de functie desgewenst inschakelen of uitschakelen. Vergrendelen Zodra sneller wordt gereden dan 0 km/h, worden de portieren, de achterklep en de achterruit automatisch vergrendeld. De automatische centrale vergrendeling werkt niet als één van de portieren, de achterklep of de achterruit is geopend. Ontgrendelen Druk bij snelheden boven 0 km/h op deze knop om de auto tijdelijk te ontgrendelen. Contact aan: Inschakelen Druk langer dan seconden op deze knop. Op het multifunctionele display verschijnt een melding ter bevestiging. Uitschakelen Druk nogmaals langer dan seconden op deze knop. Op het multifunctionele display verschijnt een melding ter bevestiging. Noodbediening Functie die het mogelijk maakt om de portieren mechanisch te vergrendelen of te ontgrendelen bij een lege accu of in het geval van een storing in de centrale vergrendeling. Vergrendelen van het bestuurdersportier Steek de sleutel in het slot en draai deze rechtsom. Ontgrendelen van het bestuurdersportier Steek de sleutel in het slot en draai deze linksom. Vergrendelen van de overige portieren Steek de sleutel in de slotplaat in de zijkant van het portier en draai de sleutel een achtste omwenteling. Ontgrendelen van de overige portieren Trek aan de portiergreep aan de binnenzijde. IV 89

92 TOEGANG TOT DE AUTO IV KOFFER Openen Trek, nadat de auto met de afstandsbediening of de sleutel volledig is ontgrendeld en als de achterruit is gesloten, aan hendel en trek de achterklep omhoog. Sluiten Laat, zodra u het zwaartepunt gepasserd bent, de achterklep los, waarna hij vanzelf in het slot valt. Als de achterklep niet goed is gesloten: - gaat bij draaiende motor het verklikkerlampje branden en verschijnt gedurende enkele seconden een melding op het multifunctionele display, - gaat tijdens het rijden (snelheid hoger dan 0 km/h) het verklikkerlampje branden in combinatie met een geluidssignaal en - gedurende enkele seconden - een melding op het multifunctionele display. ACHTERRUIT Openen Nadat de achterruit geopend is, krijgt u toegang tot de bagageruimte door de hoedenplank aan de daaraan bevestigede lip op te tillen (C Picasso). Druk, nadat de auto met de afstandsbediening of de sleutel volledig is ontgrendeld en als de achterklep is gesloten, op schakelaar en beweeg de achterruit met behulp van de voet van de ruitenwisseram omhoog. De achterklep en achterruit kunnen niet gelijktijdig worden geopend. Sluiten Beweeg de achterruit omlaag door deze aan de ruitenwisserarm vast te houden en sluit de achterruit. Als de achterruit niet goed is gesloten: 90 Trek de achterklep met behulp van een van de twee handgrepen in de binnenbekleding van de achterklep omlaag. Door de achterruit te openen, hebt u toegang tot de bagageruimte, ook wanneer de auto met de achterkant dicht bij een muur of andere auto geparkeerd staat. - gaat bij draaiende motor het verklikkerlampje branden en verschijnt er gedurende enkele seconden een melding op het multifunctionele display, - gaat tijdens het rijden (snelheid hoger dan 0 km/h) het verklikkerlampje branden in combinatie met een geluidssignaal en gedurende enkele seconden een melding op het multifunctionele display.

93 TOEGANG TOT DE AUTO Noodbediening Hiermee kan bij een lege accu of een eventuele storing in de centrale vergrendeling de achterklep mechanisch ontgrendeld worden. GLAZEN PANORAMADAK Dit dak is voorzien van een elektrisch bediend zonnescherm. Sluiten van het zonnescherm Draai schakelaar B naar stand 0 om het zonnescherm te sluiten. Tips - Door de vergrendeltoets van de afstandsbediening meer dan twee seconden in te drukken, sluit het zonnescherm (zeer praktisch als u bijvoorbeeld de auto op een zonnige plek parkeert). - Bij terugkomst in uw auto kunt u door schakelaar B kort in te drukken het schuifdakpaneel weer naar de laatst geselecteerde stand laten bewegen. IV Ontgrendelen Klap de achterbank naar voren om bij het slot in de bagageruimte te komen. Steek een kleine schroevendraaier in de opening A van het slot om de achterklep te ontgrendelen. Duw het witte gedeelte aan de binnenkant van het slot naar links om de achterklep te ontgrendelen. Openen van het zonnescherm Draai schakelaar B om het zonnescherm in de gewenste stand te zetten (stand t/m 9 ). Antiklemfunctie Dit zonnescherm is uitgerust met een antiklemfunctie. De antiklemfunctie onderbreekt het sluiten van het zonnescherm zodra een obstakel wordt herkend. De beweging van het zonnescherm wordt stopgezet waarna het iets verder open zal gaan. Na een storing of het loskoppelen van de accu tijdens of direct na het bedienen van het zonnescherm moet u de antiklemfunctie initialiseren: sluit het zonnescherm, druk ongeveer twee seconden op schakelaar B. 9

94 TOEGANG TOT DE AUTO IV BRANDSTOFTANK Inhoud van de brandstoftank: ongeveer 60 liter. Minimumbrandstofvoorraad Als de minimumbrandstofvoorraad is bereikt, gaat dit waarschuwingslampje branden, vergezeld van een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display. Als dit lampje gaat branden, bevindt zich nog ongeveer 7 liter brandstof in de tank. Als u niet tankt, gaat dit lampje elke keer als u het contact aanzet weer branden, klinkt er een geluidssignaal en verschijnt er een bericht op het display. Bij sommige modellen worden het geluidssignaal en het bericht op het display steeds vaker herhaald naarmate de tank verder leegraakt. Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen dat u zonder brandstof komt te staan. Tanken Een sticker aan de binnenzijde van de tankklep geeft aan welke brandstof u moet tanken op basis van het type motor in uw auto. Tijdens het openen van de tankdop kan een geluid van aangezogen lucht hoorbaar zijn. Dit wordt veroorzaakt door de onderdruk die ontstaat door de afdichting van het brandstofcircuit. Dit geluid is normaal. Druk de toets A op het bedieningspaneel links in. De klep van de tankdop wordt automatisch volledig geopend. Let erop dat u de juiste brandstof tankt. Steek het vulpistool in de vulopening en druk hierbij de metalen klep B in. Steek het vulpistool tot de aanslag naar binnen alvorens dit te bedienen (kans op spatten). Houd het vulpistool in deze positie tijdens het vullen. Druk de klep van de tankdop dicht. Tank nooit als de motor door het Stop & Start-systeem is afgezet; zet in dat geval altijd het contact af met de sleutel. Als er minder dan 5 liter brandstof getankt wordt, wordt deze stijging van het brandstofniveau niet weergegeven op de brandstofmeter. Wanneer het vulpistool bij het vullen van de brandstoftank voor de derde keer afslaat, moet u niet verder tanken. Anders kunnen storingen in de werking van uw auto optreden. 9

95 TOEGANG TOT DE AUTO Uw auto is voorzien van een katalysator die de schadelijke bestanddelen in de uitlaatgassen vermindert. Bij benzinemotoren mag uitsluitend loodvrije benzine worden gebruikt. Door de vernauwde vulpijp kan alleen loodvrije benzine worden getankt. Indien u per vergissing de verkeerde brandstof voor uw auto tankt, moet de tank beslist worden afgetapt voordat de motor kan worden gestart. Onderbreking van brandstoftoevoer Uw auto is voorzien van een beveiliging die bij een aanrijding onmiddellijk de brandstoftoevoer afsluit. Brandstofkwaliteit voor benzinemotoren Auto's met benzinemotoren kunnen probleemloos rijden op biobrandstoffen van het type E0 en E (deze bevatten resp. 0% en % ethanol) die voldoen aan de Europese richtlijnen EN 8 en EN 576. Brandstoffen van het type E85 (deze bevatten tot 85% ethanol) zijn uitsluitend geschikt voor auto's die speciaal bestemd zijn voor dit type brandstof (BioFlex-auto's). De kwaliteit van de ethanol moet voldoen aan de Europese richtlijn EN 59. Auto's die kunnen rijden op brandstoffen met een ethanolgehalte tot 00% (type E00), worden alleen verkocht in Brazilië. Brandstofkwaliteit voor dieselmotoren Auto's met dieselmotoren kunnen probleemloos rijden op biobrandstoffen die aan de huidige en toekomstige Europese richtlijnen voldoen (diesel die voldoet aan de richtlijn EN 590 gemengd met biobrandstof die voldoet aan de richtlijn EN ) en die aan de pomp getankt kunnen worden (met een gehalte aan methylestervetzuren van 0 tot 7%). Het gebruik van biobrandstof B0 is mogelijk bij bepaalde dieselmotoren op voorwaarde dat de bijzondere onderhoudsvoorschriften strikt worden nageleefd. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Het gebruik van elk ander type (bio)brandstof (zuivere of verdunde plantaardige of dierlijke olie, stookolie...) is nadrukkelijk verboden (kans op schade aan de motor en het brandstofcircuit). IV 9

96 ZICHT SCHAKELAAR VERLICHTING EXTERIEUR Met de lichtschakelaar kunt u de verlichting van de auto selecteren en inschakelen. Hoofdverlichting Instellingen Het verlichtingssysteem van uw auto heeft verschillende extra automatische functies die afzonderlijk kunnen worden ingesteld: - follow me home-verlichting, - automatische verlichting, - bochtverlichting. A. Ring voor de selectie van de stand van de hoofdverlichting: draai aan de ring om het symbool van de gewenste stand tegen- over het merkteken te zetten. Lichten uit. V De verlichting van de auto voor en achter is ontwikkeld om de zichtbaarheid van de auto en het zicht van de bestuurder aan te passen aan de omgeving en de weersomstandigheden: - parkeerlicht: om gezien te worden, - dimlicht: voor een optimaal zicht zonder medeweggebruikers te verblinden, - grootlicht: voor een optimaal zicht op wegen zonder tegenliggers. Aanvullende verlichting Uw auto is voorzien van aanvullende verlichting voor specifieke rijomstandigheden: - mistachterlicht: voor een optimale zichtbaarheid van achteren, - mistlampen vóór: voor extra zicht bij slecht weer, - bochtverlichting: voor een optimaal zicht in bochten, - appèllichten: voor een betere zichtbaarheid van uw auto overdag. Handbediende functies De lichtschakelaar bestaat uit de ring A en de hendel B. Automatische verlichting. Parkeerlicht. Dimlicht of grootlicht. B. Trek de hendel naar u toe om over te schakelen van dim- naar grootlicht en terug. Als de verlichting is uitgeschakeld of wanneer alleen de parkeerlichten zijn ingeschakeld, kunt u een lichtsignaal geven door de hendel naar u toe te trekken. Verklikkerlampjes Een verklikkerlampje op het instrumentenpaneel geeft aan dat de geselecteerde verlichting is ingeschakeld. 9

97 ZICHT C. Ring voor de selectie van de mistverlichting. De mistlampen werken in combinatie met parkeerlicht, dimlicht en grootlicht. Uitvoering met mistachterlichten Uitvoering met mistlampen voor en achter Bij helder of regenachtig weer, zowel overdag als 's nachts, zijn de mistlampen vóór en het mistachterlicht verblindend voor medeweggebruikers en daarom niet toegestaan. Gebruik de mistlampen vóór en het mistachterlicht uitsluitend bij mist of sneeuwval. Onder deze weersomstandigheden dient u de mistlampen vóór en het dimlicht handmatig in te schakelen, omdat de lichtsensor voldoende licht kan waarnemen. Vergeet niet de mistlampen uit te zetten zodra ze niet meer nodig zijn. V - schakelaar één stand naar voren draaien: inschakelen mistachterlicht. - schakelaar één stand naar achteren draaien: uitschakelen mistachterlicht. - schakelaar één stand naar voren draaien: inschakelen mistlampen voor. - schakelaar twee standen naar voren draaien: inschakelen mistachterlicht. - schakelaar één stand naar achteren draaien: uitschakelen mistachterlicht. - schakelaar twee standen naar achteren draaien: uitschakelen mistlampen voor. Onder bepaalde weersomstandigheden (lage temperatuur, vochtigheid) kan zich een laagje condens aan de binnenzijde van de koplampen en de achterlichten vormen; dit verdwijnt enkele minuten na het ontsteken van de koplampen. Uitschakelen van de verlichting bij het afzetten van het contact Bij het afzetten van het contact gaat alle verlichting onmiddellijk uit, behalve het dimlicht als de automatische follow me home-verlichting is geactiveerd. Inschakelen van de verlichting na het afzetten van het contact Draai om de lichtschakelaar weer te activeren terwijl de verlichting uit is, de ring A in de stand "0" en vervolgens in de stand van uw keuze. Als het bestuurdersportier wordt geopend, klinkt een geluidssignaal om aan te geven dat de verlichting nog brandt. De verlichting, met uitzondering van het parkeerlicht, wordt na een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld om het ontladen van de accu te voorkomen (overgang naar eco-modus). 95

98 ZICHT Lichtdiodes Dagrijverlichting Dagrijverlichting is verplicht in sommige landen en wordt automatisch ingeschakeld als de motor wordt gestart zodat de auto overdag beter zichtbaar is voor de overige weggebruikers. Handbediende follow-me-home-verlichting Deze functie zorgt ervoor dat na het afzetten van het contact de dimlichten nog even blijven branden om het uitstappen in het donker te vergemakkelijken. 96 V Deze worden automatisch ingeschakeld als de motor wordt gestart. Afhankelijk van het land van bestemming doen ze dienst als: - dagrijverlichting overdag en als parkeerlichten 's nachts, of als - parkeerlichten overdag en 's nachts. Als uw auto is uitgerust met lichtdiodes werken de conventionele parkeerlichten vóór niet. Deze verlichting kunt u via het confi guratiemenu van de auto naar wens in- of uitschakelen. De dagrijverlichting is beschikbaar: - in landen waar dit volgens de wetgeving verplicht is; het dimlicht brandt in combinatie met de parkeerlichten en de kentekenplaatverlichting; deze functie kan niet worden uitgeschakeld. - in overige landen; er branden speciale lichtunits (diodes). Deze dagrijverlichting kan via het configuratiemenu van de auto naar wens in- of uitgeschakeld worden. De verlichting van de cockpit (multifunctioneel display, bedieningspaneel airconditioning,...) gaat niet branden, behalve wanneer deze bij donker automatisch wordt ingeschakeld of wanneer de koplampverlichting wordt ingeschakeld (handmatig of automatisch). Inschakelen Geef bij afgezet contact een "lichtsignaal" met de hendel B. Geef nogmaals een "lichtsignaal" om de functie te deactiveren. Uitschakelen Na het vergrendelen van de auto wordt de handbediende follow-mehome-verlichting na een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld. De handbediende follow-me-homeverlichting kan ook worden ingeschakeld met de verlichtingsknop van de afstandsbediening (zie hoofdstuk "Openen - Sleutel met afstandsbediening").

99 ZICHT Automatische verlichting Met behulp van een lichtsterktesensor worden de kentekenplaatverlichting, het parkeerlicht en het dimlicht automatisch ingeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving onvoldoende is. De verlichting kan ook, in geval van neerslag, gelijktijdig met het automatisch inschakelen van de ruitenwissers vóór worden ingeschakeld. De verlichting wordt uitgeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is of nadat het wissen is gestopt. Inschakelen Draai de ring A in de stand "AUTO". Het activeren van de functie wordt bevestigd door een melding op het display. Uitschakelen Draai de ring A in een andere stand dan de stand "AUTO". Het uitschakelen van de functie wordt bevestigd door een melding op het display. Storing Bij een storing in de lichtsterktesensor gaan de lichten branden en verschijnt een melding op het display, in combinatie met een geluidssignaal. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Automatische follow me home-verlichting Als de functie automatische verlichting is geactiveerd, worden onder donkere omstandigheden het parkeerlicht, het dimlicht en de kentekenplaatverlichting automatisch ingeschakeld bij het afzetten van het contact. Programmeren Het inschakelen en de tijdsduur van de follow me home-verlichting zijn in te stellen via het configuratiemenu van de auto. Bij auto's met het monochrome display A kan de tijdsduur niet worden ingesteld. Bij mist of sneeuw kan de lichtsterktesensor ten onrechte voldoende licht waarnemen; de verlichting wordt dan niet automatisch ingeschakeld. Dek de met de regensensor gecombineerde lichtsterktesensor die zich in het midden van de voorruit achter de binnenspiegel bevindt, niet af. De aan de sensor gekoppelde functies worden dan niet meer bediend. V 97

100 ZICHT FLANKVERLICHTING KOPLAMPEN HANDMATIG VERSTELLEN VERSTELLING VAN DE XENONKOPLAMPEN V Inschakelen De fl ankverlichting wordt tijdelijk ingeschakeld: - bij het ontgrendelen van de auto, - door het indrukken van de verlichtingstoets van de afstandsbediening, - bij het afzetten van het contact als de automatische follow me home-verlichting is ingeschakeld, - bij het verwijderen van de contactsleutel, - bij het openen van een portier, - bij het lokaliseren van de auto via de afstandsbediening. Verstel de koplampen met halogeenlampen afhankelijk van de belading van uw auto, om verblinding van medeweggebruikers te voorkomen. Verdaai hiertoe de bedieningsknop onder het dashboard, links van de bestuurder. 0. of personen voorin. -. personen.. tot 7 personen. -. Tusseninstelling.. tot 7 personen + maximaal toegestane belading. -. Tusseninstelling.. Bestuurder + maximaal toegestane belading. Om verblinding van andere weggebruikers te voorkomen corrigeert dit systeem automatisch en bij stilstaande auto de hoogte van de lichtbundel van de xenonlampen, afhankelijk van de belading van de auto. In het geval van een storing verschijnt dit pictogram op het instrumentenpaneel, in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display. Het systeem zet in dat geval de koplampen in de lage stand. 98 Stand "0" : basisinstelling. Raak de xenonlampen niet aan. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

101 ZICHT MEEDRAAIENDE KOPLAMPEN Als het dimlicht of grootlicht is ingeschakeld, zorgt deze functie ervoor dat de lichtbundels de richting van de weg volgen. Deze functie, die uitsluitend aanwezig is bij uitvoeringen met xenonlampen, zorgt voor een aanzienlijke verbetering van het zicht in bochten. met meedraaiende koplampen Inschakelen/uitschakelen Storing Deze functie kan worden in- en uitgeschakeld via het configuratiemenu van het multifunctionele display. In het geval van een storing knippert dit pictogram op het display in combinatie met een melding op het multifunctionele display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. V zonder meedraaiende koplampen Als de auto stilstaat, stapvoets rijdt of in de achteruitversnelling staat, is deze functie uitgeschakeld. De status van de functie blijft na het afzetten van het contact in het geheugen opgeslagen. Bij auto's met dagrijverlichting wordt de functie ingeschakeld als de lichtschakelaar in de stand "AUTO" of "Dim-/grootlicht" staat. In de stand "0" wordt de functie niet ingeschakeld. 99

102 ZICHT RUITENWISSERSCHAKELAAR Met behulp van de ruitenwisserschakelaar kunt u de ruitenwissers voor en achter inschakelen om regen en vuil van de ruit te wissen. De ruitenwissers voor en achter zorgen voor een optimaal zicht voor de bestuurder, ongeacht de weersomstandigheden. Handmatige functies De ruitenwisserschakelaar bestaat uit de hendel A en de ring B. Ruitenwisser achter V Ruitenwissers vóór A. Selecteer de wissnelheid met de hendel: hoge snelheid (hevige neerslag), B. Ring voor de selectie van de ruitenwisser achter: normale snelheid (matige regenval), interval (wissnelheid aangepast aan de wagensnelheid), uit, uit, interval, 00 Instellen Afhankelijk van de uitvoering zijn de volgende automatische functies van de ruitenwissers mogelijk: - automatische werking van de ruitenwissers vóór, - automatisch inschakelen van de ruitenwisser achter bij het inschakelen van de achteruitversnelling. één keer wissen (duw de hendel even omlaag), of automatisch en één keer wissen (zie volgende bladzijde). wissen en sproeien (gedurende enige tijd). Schakel de automatische werking van de ruitenwisser achter uit bij sneeuwval of strenge vorst en bij montage van een fietsendrager op de achterklep. Dit kan worden uitgevoerd via het configuratiemenu van het multifunctionele display.

103 ZICHT Achteruitversnelling Als de ruitenwissers vóór zijn geactiveerd op het moment dat u de achteruitversnelling inschakelt, treedt automatisch ook de ruitenwisser achter in werking. Programmeren Deze functie kan worden geactiveerd of gedeactiveerd via het confi guratiemenu van de auto. Deze functie is standaard geactiveerd. Ruitensproeiers vóór en koplampsproeiers Trek de ruitenwisserschakelaar naar u toe. De ruitensproeiers treden in werking, waarna enige tijd de ruitenwissers worden ingeschakeld om de ruit schoon te wissen. De koplampsproeiers worden alleen geactiveerd als de dimlichten branden. Automatische ruitenwissers vóór De ruitenwissers worden automatisch ingeschakeld als de sensor achter de binnenspiegel regen detecteert. De snelheid van de ruitenwissers wordt aangepast aan de hoeveelheid neerslag. Inschakelen Dit gebeurt handmatig door de hendel omlaag te duwen in de stand "AUTO". Dit wordt bevestigd door een melding op het display. Uitschakelen Als het contact meer dan minuut afgezet is geweest, moet de automatische werking van de ruitenwissers opnieuw worden geactiveerd door de hendel kort omlaag te duwen. Storing In het geval van een storing in de automatische werking van de ruitenwissers werken deze in de intervalstand. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Dek de regensensor, die zich gecombineerd met de lichtsensor in het midden van de voorruit achter de binnenspiegel bevindt, niet af. Schakel de automatische werking van de ruitenwissers uit als de auto wordt gewassen in een wasstraat. Wacht 's winters met het inschakelen van de automatische ruitenwissers tot de voorruit ontdooid is om de wisserbladen niet te beschadigen. V Beweeg de hendel omhoog en vervolgens in de stand "0" om de ruitenwissers handmatig te bedienen. Dit wordt bevestigd door een melding op het display. 0

104 ZICHT Speciale stand van de ruitenwissers voor V Deze stand maakt het mogelijk de ruitenwissers los te zetten van de voorruit. In deze stand kunnen de ruitenwisserbladen worden gereinigd of de ruitenwissers worden vervangen. In de winter kan deze stand tevens worden gebruikt om de ruitenwissers los te zetten van de voorruit. Als de ruitenwisserschakelaar binnen een minuut nadat het contact is afgezet wordt bediend, bewegen de ruitenwissers naar het midden van de voorruit. Zet het contact aan en bedien de ruitenwisserschakelaar om de ruitenwissers na de werkzaamheden weer in de ruststand te zetten. Om een goede werking van de flatblade ruitenwissers te behouden, adviseren wij u: - voorzichtig met de ruitenwissers om te gaan, - de ruitenwissers regelmatig te reinigen met zeepsop, - de ruitenwissers niet te gebruiken om een stuk karton tegen de voorruit te houden, - de ruitenwissers te vervangen zodra ze tekenen van slijtage vertonen. 0

105 ZICHT PLAFONNIERS Kaartleeslampjes Druk bij aangezet contact op de desbetreffende schakelaar. Plafondlampen van het panormisch glasdak. Plafonnier vóór. Kaartleeslampjes Plafonnier vóór In deze stand gaat de interieurverlichting geleidelijk branden: - als de auto wordt ontgrendeld, - als een portier of de achterklep wordt geopend, - als de sleutel uit het contact wordt verwijderd, - als op de ontgrendelingsknop van de afstandsbediening wordt gedrukt om de auto te lokaliseren. De interieurverlichting gaat geleidelijk uit: - als de auto wordt vergrendeld, - als het contact wordt aangezet, - 0 seconden na het sluiten van het laatste portier. Permanent uit. Permanent aan. Als de interieurverlichting permanent is ingeschakeld, blijft deze gedurende een bepaalde tijd branden: - bij afgezet contact: ongeveer 0 minuten, - in de eco-modus: ongeveer 0 seconden, - bij draaiende motor: onbeperkt. De plafondlampen hebben twee werkingsstanden: - automatisch branden bij het openen van een portier of voorste plafondlamp in de stand "permanent aan", - permanent aan. Met het openen van de koffer gaat de plafondlamp van de derde zitrij evenals de kofferverlichting branden. V 0

106 ZICHT V UITGEBREIDE VERLICHTINGSMODULE Sfeerverlichting Dit systeem zorgt voor een gedempt licht in het interieur wanneer de parkeerlichten in de nachtstand zijn ingeschakeld. Werking Met deze verlichte schakelaar, die zich onder het dashboard vlak bij het stuurwiel bevindt, kan de lichtsterkte van deze verlichting worden ingesteld. Om de lichtsterkte te vergroten: druk op de rechterzijde van de schakelaar totdat de gewenste lichtsterkte bereikt is. Portiervakken met automatische verlichting De verlichting van de portiervakken gaat automatisch branden als een hand in het opbergvak wordt gestoken. De verlichting dooft weer zodra de hand wordt verwijderd. Verlichting in de rugleuning van de voorstoelen Om de lichtsterkte te verkleinen: druk op de linkerzijde van de schakelaar totdat de gewenste lichtsterkte bereikt is. Bij het afzetten van het contact wordt deze instelling opgeslagen. De verlichtingselementen bevinden zich onder het dashboard, vlak bij de binnenportiergrepen en in de hemelbekleding. Instapverlichting interieur Wanneer de auto met de afstandsbediening of de sleutel wordt ontgrendeld, worden de beenruimteverlichting, de plafonniers en de sfeerverlichting gedurende 0 seconden ingeschakeld. Deze functie kan niet worden uitgeschakeld. In de rugleuningen van de voorstoelen, achter de tafeltjes, is verlichting aangebracht. Deze kan alleen worden gebruikt als het tafeltje omlaag is geklapt. Druk op de knop "On/Off" om de verlichting in of uit te schakelen. 0

107 VOORZIENINGEN VERSCHUIFBARE ZONWERING Verschuifbare zonneschermen De zonnekleppen zijn centraal bevestigd aan het zonnescherm wanneer dit wordt opgerold. Om de zonneklep los te trekken of vast te zetten ten opzichte van de centrale bevestiging, dient u deze in de verticale stand te plaatsen. Kinderspiegel Let erop dat geen zware voorwerpen worden vastgemaakt of opgehangen aan de glijprofielen van het zonnescherm, waaraan eveneens de binnenspiegel is bevestigd. Met de verschuifbare zonneschermen kunt u zich beschermen tegen invallend zonlicht. De schermen zijn met de hand instelbaar. Schuif het zonnescherm in de gewenste stand door te drukken bij A. VENSTERS VOOR PARKEER-/TOLKAARTEN Hierin kunt u parkeer- en/of tolkaarten plaatsen. Deze vensters bevinden zich aan weerszijden van de voet van de kinderspiegel op de voorruit. Op deze plaatsen is de thermisch isolerende voorruit niet-reflecterend. De kinderspiegel is aangebracht boven de binnenspiegel. Hiermee kunnen de kleine passagiers achterin de auto in de gaten worden gehouden of kan gemakkelijker een gesprek worden gevoerd tussen de inzittenden vooren achterin, zonder de instelling van de binnenspiegel te hoeven wijzigen en zonder dat u zich hoeft om te draaien. De spiegel is wegklapbaar om verblinding te voorkomen. VI Zonnekleppen De zonnekleppen sluiten aan op de zonneschermen. Klap de zonneklep omlaag om verblinding te voorkomen. Maak de zonneklep los van de centrale bevestiging en scharnier deze opzij als u last heeft van verblinding via de portierruiten. De thermisch isolerende voorruit beperkt de opwarming van het interieur door zonnestralen (ultraviolette straling) te filteren. De voorruit bevat bovendien een reflecterende laag die radiogolven tegenhoudt (bijvoorbeeld bij tolpoorten met elektronische betaling). 05

108 VOORZIENINGEN BOVENSTE DASHBOARDKASTJES VERLICHT DASHBOARDKASTJE GEKOELD DASHBOARDKASTJE VI Boven op het dashboard beschikt u over twee ruime dashboardkastjes, één aan bestuurderszijde en één aan passagierszijde. Druk op de knop aan de onderzijde om het te openen. Laat om het te sluiten het deksel zakken tot het vastklikt. Het dashboardkastje bestaat uit speciale ruimtes voor het opbergen van een fl es mineraalwater, de boorddocumentatie van de auto,... In het deksel zijn speciale ruimtes gecreëerd voor een pen, een bril, muntgeld, kaarten, een blikje, geurpatronen voor de parfumeur,... Trek de handgreep omhoog en trek het deksel omlaag om het dashboardkastje te openen. De verlichting van het dashboardkastje gaat automatisch aan zodra het deksel wordt geopend. Het dashboardkastje wordt gekoeld door middel van een handmatig af te sluiten ventilatiekanaal. Het dashboardkastje is rechstreeks verbonden met de airconditiong van uw auto en wordt onafhankelijk van de instellingen in het interieur gekoeld. De koeling van het dashboardkastje werkt alleen bij draaiende motor en ingeschakelde airconditioning. In verband met de veiligheid moeten de bovenste dashboardkastjes tijdens het rijden gesloten blijven. In verband met de veiligheid moet het dashboardkastje tijdens het rijden gesloten blijven. 06

109 VOORZIENINGEN GEKOELD BERGVAK Auto s met een elektronisch bediende versnellingsbak of een automatische versnellingsbak zijn voorzien van een extra opbergvak in het midden van het dashboard. Trek aan de handgreep en klap het deksel omlaag om het koelvak te openen. Het koelvak wordt automatisch verlicht. In dit opbergvak kunnen bijvoorbeeld twee fl essen van 0,5 l en een fles van,5 l worden ondergebracht. Bij geopend deksel zijn twee bekerhouders beschikbaar. Het koelvak is voorzien van een ventilatiekanaal. Het ventilatiekanaal dat rechtstreeks in verbinding met de airconditioning staat, wordt voorzien van koele lucht, onafhankelijk van de temperatuurinstelling. Het koelvak werkt alleen bij aangezette motor en ingeschakelde airconditioning. Houd om veiligheidsredenen het koelvak tijdens het rijden gesloten. MIDDENCONSOLE De middenconsole bevat, afhankelijk van de uitvoering: - twee bekerhouders, - twee bergvakken, - een V-accessoireaansluiting (max. vermogen: 0 W); deze werkt met het contact aan. In de bagageruimte kan een extra V-accessoireaansluiting aanwezig zijn, - een USB-aansluiting. ROKERSSET Deze set bestaat uit een aansteker en een uitneembare asbak. Deze bevinden zich op de middenconsole. De uitneembare asbak kunt u in een bekerhouder opbergen. Druk de aansteker wanneer u deze wilt gebruiken in en wacht enkele seconden tot hij naar buiten komt. VI 07

110 VOORZIENINGEN VI 08 MATTEN De matten zijn uitneembaar en beschermen de vloerbedekking van de auto. Bevestigen Gebruik, wanneer u een nieuwe mat bevestigt aan bestuurderszijde, uitsluitend de bevestigingen uit het bijgeleverde zakje. De overige matten worden gewoon op de vloerbedekking gelegd. Verwijderen Verwijderen van de mat aan de bestuurderszijde: zet de stoel in de achterste stand, maak de bevestigingen los, verwijder vervolgens de mat. Terugplaatsen Terugplaatsen van de mat aan de bestuurderszijde: leg de mat goed op zijn plaats, druk de bevestigingen vast, controleer of de mat goed vastzit. Om te voorkomen dat de pedalen blijven hangen: - gebruik uitsluitend matten die op de bevestigingen van de auto passen; het gebruik van deze bevestigingen is verplicht. - gebruik nooit meer dan één mat per plaats. USB BOX Deze aansluitmodule, die bestaat uit een JACK-aansluiting en een USBpoort, bevindt zich op de middenconsole. Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten, zoals een ipod of een USB-stick. Dankzij de USB BOX kunt u de audiobestanden op uw draagbare apparatuur beluisteren via de luidsprekers van uw autoradio. U kunt deze bestanden beheren met de stuurkolomschakelaars of het bedieningspaneel van de autoradio en ze weergeven op het multifunctionele display. Tijdens het gebruik kan de draagbare apparatuur automatisch worden opgeladen. Raadpleeg voor meer informatie over het gebruik van deze uitrusting het hoofdstuk Audio. PORTIERVAKKEN Voorportieren De opbergvakken in de voorportieren zijn geschikt voor het opbergen van voorwerpen met de afmetingen van bijvoorbeeld een fles van,5 l. Ze kunnen eveneens van verlichting zijn voorzien die automatisch gaat branden als een hand in het opbergvak wordt gestoken. De verlichting dooft na het terugtrekken van de hand na enige tijd automatisch. Achterportieren De opbergvakken in de achterportieren zijn geschikt voor het opbergen van bijvoorbeeld een fles van 0,5 l.

111 VOORZIENINGEN TAFELTJES ACHTERIN Trek aan het tafeltje om het uit te klappen. Klap het tafeltje, om het te sluiten, volledig omhoog totdat de vergrendeling aangrijpt. In verband met de veiligheid klappen de tafeltjes om naar beneden als hierop te veel kracht wordt uitgeoefend. BERGVAKKEN IN DE VLOER OP DE e ZITRIJ Lichtspots Tafeltje opgeklapt VI Tafeltje geopend In de rugleuningen van de voorstoelen bevinden zich tafeltjes. Deze zijn voorzien van bekerhouders A en bevestigingsband B waarmee voorwerpen kunen worden vastgezet. In de rugleuningen van de voorstoelen kunnen lichtspots C zijn aangebracht, achter het tafeltje. Deze lichtspots verlichten de bovenzijde van het tafeltje zonder dat ze de andere inzittenden storen. Deze zijn uitsluitend bereikbaar als het tafeltje is uitgeklapt. Druk op de toets On/Off om de lichtspot in of uit te schakelen. Afhankelijk van de uitvoering is de auto voorzien van één of twee bergvakken in de vloer tussen de voorstoelen en de stoelen op de e zitrij. De opbergvakken zijn bereikbaar via vastgeklikte luiken met een handgreep A. In het linker opbergvak kan een bandenreparatieset zijn opgeborgen en in het rechter opbergvak het gereedschapskistje. In dat geval is het luik vergrendeld met een schroef B. Draai om het luik te openen de schroef een kwartslag linksom met behulp van een muntstuk. Bij uitvoeringen met pneumatische vering kan het linker luik niet worden geopend. 09

112 VOORZIENINGEN BERGVAKKEN OP DE e ZITRIJ De passagiers op de e zitrij kunnen gebruik maken van een opbergruimte in het rechter zijpaneel en een bekerhouder aan beide zijden (uitvoering met 7 zitplaatsen). ZONNESCHERMEN VOOR DE ZIJRUITEN (C PICASSO) Deze bevinden zich bij de ruiten van de tweede zitrij en beschermen uw kinderen tegen de zon. ZONNESCHERMEN VOOR DE ZIJRUITEN (GRAND C PICASSO) Deze bevinden zich bij de ruiten van de tweede en derde zitrij en beschermen uw kinderen tegen de zon. ZONNESCHERM ACHTER (GRAND C PICASSO) Trek het zonnescherm aan de lip omhoog en bevestig het aan de haken. Aan onderdelen van de zonwering mogen geen zware voorwerpen worden bevestigd (houders en haken van de zonneschermen...). VI Tweede zitrij Trek het zonnescherm aan lip A omhoog en bevestig het aan de haken B. Trek het zonnescherm aan lip A uit en bevestig deze aan haak B. Derde zitrij De zonneschermen zijn in de bekleding van de achterstijlen aangebracht. Trek de zonwering aan de lip omhoog en bevestig het aan de haken. 0

113 VOORZIENINGEN HOEDENPLANK (C PICASSO) Deze bestaat uit twee delen. VI Achterste hoedenplank Verwijderen Maak de koorden los. Duw aan weerszijden tegen de onderkant van de hoedenplank en til deze op. Plaatsen Houd de hoedenplank boven de uitsparingen en druk de hoedenplank naar beneden tot deze vastklikt. Bevestig de hoedenplank aan de achterklep met behulp van de koorden. Voorste hoedenplank Verwijderen Verwijder eerst de achterste hoedenplank. Duw aan weerszijden tegen de onderkant van de voorste hoedenplank en til deze op. Plaatsen Houd de flap naar beneden. Houd de voorste hoedenplank boven de uitsparingen en druk de hoedenplank naar beneden tot deze vastklikt.

114 VOORZIENINGEN MODUBOX (C PICASSO) Dit systeem is geschikt voor gebruik in en buiten de auto. Het bestaat uit een verrijdbaar onderstel en een tas (koeltas op sommige uitvoeringen), die afzonderlijk van elkaar kunnen worden gebruikt (door de riemen boven en onder los te maken). Gebruik buiten de auto BAGAGEAFDEKSCHERM (GRAND C PICASSO) Positie Opstelling met 5 zitplaatsen; achter de stoelen op de tweede zitrij, stoelen van de derde zitrij weggeklapt. VI Druk tegen de uitsparing links op de modubox om de handgreep uit of in te schuiven. Gebruik Maak de rode riem los waarmee de modubox bevestigd is. Maak de zwarte riem los en druk tegelijkertijd op de ronde knoppen aan weerszijden van de modubox om deze open te klappen. Opbergen in de auto Verricht deze handelingen in omgekeerde volgorde om de modubox op te vouwen en op te bergen in de auto. Let erop dat u de modubox na gebruik buiten de auto correct in de bedoelde uitsparingen terugzet. TASSENHAAK Op de linker zijwand van de bagageruimte bevindt zich een tassenhaak waaraan u een boodschappentas kunt ophangen. Aanbrengen van het oprolmechanisme: Breng het linker uiteinde van het oprolmechanisme van het bagageafdekscherm in uitsparing A aan. Druk het rechter uiteinde van het bagageafdekscherm samen en breng het in de uitsparing B aan. Rol het afdekscherm af tot aan de stijlen van de bagageruimte. Breng de geleiders van het afdekscherm in de rails op de stijlen aan. Oprolmechanisme verwijderen: Voer deze handelingen in de omgekeerde volgorde uit.

115 VOORZIENINGEN Het oprolmechanisme is voorzien van een fl ap om te voorkomen dat de passagiers op de tweede zitrij gehinderd worden als de stoelen zich in de comfortpositie bevinden. Positie Opstelling met 7 zitplaatsen; achter de weggeklapte stoelen van de derde zitrij, zodat voorwerpen in de bagageruimte van buitenaf niet zichtbaar zijn. Breng de lip aan de linkerzijde van het oprolmechanisme in uitsparing C aan. Breng de rechterzijde tot boven de armsteun van de derde zitrij aan. Breng de lip in uitsparing D aan. Trek aan de riem van de stoel(en) om deze zonder te vergrendelen op te klappen. Rol het afdekscherm uit en breng de geleiders in de rails op de stijlen aan. Vergrendel de stoel(en). Positie Opstelling met 7 zitplaatsen; opgeborgen achter de weggeklapte stoelen van de derde zitrij. VI Oprolmechanisme aanbrengen: Rol het afdekscherm op en neem het oprolmechanisme uit de oorspronkelijke positie. Breng het oprolmechanisme aan, met de handgreep van het afdekscherm naar boven en de fl ap naar beneden. Vouw de harmonicapanelen in elkaar. Oprolmechanisme verwijderen: Druk de flap in de richting van de rugleuning van de stoel. Til het harmonicapaneel op door het aan de zijkant vast te pakken en plaats het in verticale positie. Ontgrendel de stoel door aan de riem E te trekken. Druk de rugleuning naar voren. Ga vervolgens in omgekeerde volgorde te werk als bij het aanbrengen. Het bagageafdekscherm kan alleen worden opgeborgen als de stoelen zijn weggeklapt. U kunt het harmonicapaneel rechtop zetten om een groot voorwerp in de uitsparing te plaatsen. Oprolmechanisme aanbrengen: Vouw de harmonicapanelen in elkaar. Breng het oprolmechanisme aan, met de handgreep van het afdekscherm naar boven en de flap naar boven. Breng de lip aan de linkerzijde in uitsparing C aan. Breng de rechterzijde tot boven de armsteun van de derde zitrij aan. Breng de lip in uitsparing D aan. Oprolmechanisme verwijderen: Ga in de omgekeerde volgorde te werk.

116 VOORZIENINGEN BAGAGENET (GRAND C PICASSO) Positie Opstelling met 5 zitplaatsen; achter de tweede zitrij. Positie Opstelling met zitplaatsen; achter de eerste zitrij. VI Hiermee kan het laadvolume van de auto maximaal worden benut. Het houdt de bagage tegen en voorkomt dat deze naar de voorzijde van de auto kan schuiven. Het wordt onder het oprolmechanisme van het bagageafdekscherm aangebracht en bevestigd op de zijpanelen van de derde zitrij. Aanbrengen van het oprolmechanisme: Verwijder de beschermkappen onder de uitsparingen voor het oprolmechanisme van het afdekscherm. Breng het oprolmechanisme onder dat van het bagageafdekscherm aan. Til de flap van het afdekscherm op en leg deze op het afdekscherm. Vouw het net uit en breng het tussen het oprolmechanisme en de stoelen aan. Trek het net volledig omhoog. Maak het vast aan de bevestigingspunten in het plafond (na het verwijderen van de afdekkingen). Oprolmechanisme verwijderen: Voer deze handelingen in de omgekeerde volgorde uit. Aanbrengen van het oprolmechanisme: Verwijder met de stoelen van de tweede zitrij neergeklapt de afdekkingen van de Isofix-bevestigingen op de rugleuningen van de stoelen. Bevestig het oprolmechanisme aan de Isofix-bevestigingen. Vouw het net uit en trek het helemaal omhoog. Maak het vast het aan de bevestigingspunten in het plafond (na het verwijderen van de afdekkingen). Oprolmechanisme verwijderen Verricht de eerder genoemde handelingen in de omgekeerde volgorde.

117 VOORZIENINGEN SJOROGEN (C PICASSO) SJOROGEN (GRAND C PICASSO) BAGAGENET (GRAND C PICASSO) Het bagagenet kan worden vastgemaakt aan de sjorogen. Hiermee kunt u voorwerpen op de vloer van de bagageruimte vastzetten. In de bagageruimte bevinden zich sjorogen, waarmee u uw bagage kunt vastzetten: -,, en op de vloer. Gebruik de vier sjorogen in de bagageruimte om uw bagage vast te zetten: -,, en op de vloer. In verband met de veiligheid bij een noodstop wordt aanbevolen om zware voorwerpen zo dicht mogelijk bij de rugleuning van de stoelen op de tweede zitrij te plaatsen. VI 5

118 VOORZIENINGEN VI UITNEEMBARE LAMP Deze lamp, die in de zijwand van de bagageruimte is aangebracht, kan als verlichting van de bagageruimte en als zaklamp gebruikt worden. Grand C Picasso C Picasso Bagageruimteverlichting De bagageruimteverlichting A gaat bij het openen van de achterklep automatisch branden en gaat automatisch uit als de achterklep weer wordt gesloten. De tijd dat de verlichting blijft branden, is verschillend: - bij afgezet contact: ongeveer 0 minuten, - in de energiespaarmodus: ongeveer 0 seconden, - bij draaiende motor: onbeperkt. Werking van de uitneembare lamp De uitneembare lamp werkt op oplaadbare batterijen van het type NiMH. De lamp kan ongeveer 5 minuten branden en wordt tijdens het rijden weer opgeladen. Let bij het aanbrengen van de oplaadbare batterijen op de plus- en de minpolen. Gebruik nooit niet-oplaadbare batterijen in plaats van de oplaadbare batterijen. Zie voor het vervangen van de batterijen hoofdstuk Praktische wenken - Lampen vervangen. Gebruik van de uitneembare lamp Verwijder de lamp door deze aan de bovenzijde uit de houder te trekken, zoals aangegeven door de pijl. Druk de schakelaar B op de achterzijde in om de lamp in of uit te schakelen. Klap de steun C aan de achterzijde uit om de lamp neer te zetten en de lichtbundel te richten, bijvoorbeeld tijdens het verwisselen van een wiel. Opbergen van de uitneembare lamp Breng de lamp aan door eerst de onderzijde in de houder te steken. Hierdoor wordt de lamp automatisch uitgeschakeld als dat al niet het geval was. Als de lamp niet op de juiste wijze is aangebracht, wordt deze mogelijk niet opgeladen en gaat niet branden bij het openen van de achterklep. 6

119 VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN ALGEMENE INFORMATIE MET BETREKKING TOT KINDERZITJES Hoewel CITROËN bij het ontwerp van uw auto veel aandacht heeft besteed aan veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van uzelf. Volg voor een optimale veiligheid de volgende adviezen op: - conform de Europese wetgeving dienen kinderen jonger dan jaar of kleiner dan,50 m in gehomologeerde, aan het lichaamsgewicht aangepaste kinderzitjes op met veiligheidsgordels of ISOFIX-bevestigingen uitgeruste plaatsen te worden vervoerd *, - de veiligste plaats voor het vervoeren van een kind is volgens de statistieken een plaats op de achterbank van uw auto, - kinderen tot 9 kg moeten zowel voor- als achterin met de rug in de rijrichting worden vervoerd. KINDERZITJE OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR "Met de rug in de rijrichting" Wanneer een kinderzitje voor het vervoeren met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel voor wordt geplaatst, moet de airbag aan passagierszijde zijn uitgeschakeld. Gebeurt dit niet, dan kan het kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. "Met het gezicht in de rijrichting" Wanneer een kinderzitje met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel voor wordt geplaatst, moet de stoel in de middelste stand van de voor-/achterwaartse verstelling worden gezet met de rugleuning rechtop en mag de airbag aan passagierszijde niet worden uitgeschakeld. Middelste stand VII CITROËN beveelt u aan kinderen op de achterzitplaatsen van uw auto te vervoeren: - met de rug in de rijrichting tot jaar, - met het gezicht in de rijrichting vanaf jaar. * De regels voor het vervoeren van kinderen zijn per land verschillend. Informeer hiervoor naar de wetgeving in uw land. 7

120 VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN Airbag aan passagierszijde OFF Raadpleeg de voorschriften op de sticker die zich aan beide zijden van de zonneklep aan passagierszijde bevindt: VII Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag aan passagierszijde altijd uit als u een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel plaatst. Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. 8

121 VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN DOOR CITROËN AANBEVOLEN KINDERZITJES CITROËN levert een complete reeks kinderzitjes met artikelnummer die met een driepuntsveiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt: Groep 0+: vanaf de geboorte tot kg Groep, en : van 9 tot 6 kg L "RÖMER Baby-Safe Plus" Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst. L "KIDDY Comfort Pro" Voor het vervoer van jonge kinderen (van 9 tot 8 kg) is het gebruik van de beschermband verplicht. Groep en : van 5 tot 6 kg VII L "RECARO Start" L "KLIPPAN Optima" Vanaf 6 jaar (ongeveer kg): gebruik alleen de zitverhoging. L5 "RÖMER KIDFIX" Kan aan de ISOFIX-verankeringen van de auto worden bevestigd. Het kind wordt beschermd door de veiligheidsgordel. 9

122 VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN ZITPLAATSEN VOOR BEVESTIGING VAN KINDERZITJES MET AUTOGORDEL De volgende tabel geeft aan in hoeverre, conform de Europese regelgeving, de afzonderlijke zitplaatsen in uw auto geschikt zijn voor een universeel kinderzitje dat met een autogordel wordt bevestigd, afhankelijk van het gewicht van het kind en de plaats in de auto. Wettelijke gewichtsindeling Plaats(en) < 0 kg en < kg (groep 0 (b) en 0+) 9 8 kg (groep ) 5 5 kg (groep ) 6 kg (groep ) e rij Voorpassagier (c) U U U U VII e rij Buitenste zitplaats U U U U Midden U U U U e rij * Buitenste zitplaats U U U U (a) Universeel kinderzitje: kinderzitje dat in alle auto's met de autogordel kan worden bevestigd. (b) Groep 0: vanaf de geboorte tot 0 kg. Op de zitplaats van de voorpassagier kan geen reiswieg of "autobedje" worden geplaatst. (c) Raadpleeg de wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te bevestigen. U : plaats aangepast voor het bevestigen van een universeel kinderzitje met de autogordel. Zowel naar achteren als naar voren gerichte kinderzitjes. Controleer bij zitjes van de groepen, en of deze goed aanliggen tegen de rugleuning van de autostoel. Verwijder indien nodig de hoofdsteun en berg deze op. Als u een groot kinderzitje op de e of e zitrij wilt plaatsen, schuif dan de achterste stoel zo ver mogelijk naar achteren om voldoende ruimte te creëren. 0 * Alleen van toepassing op CITROËN Grand C Picasso.

123 VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN ADVIEZEN VOOR KINDERZITJES De onjuiste bevestiging van een kinderzitje brengt de veiligheid van het kind in gevaar in geval van een botsing. Wanneer u een kinderzitje met de veiligheidsgordel in de auto installeert, let er dan wel op dat de gordel goed gespannen is; het zitje moet namelijk strak aan de autostoel zijn bevestigd. Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of het tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten, worden vastgemaakt waarbij de speling ten opzichte van het lichaam van het kind zoveel mogelijk moet worden beperkt. Zorg er voor een optimale bevestiging van het kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting" voor dat de rugleuning van het zitje tegen de rugleuning van de stoel van de auto aandrukt en dat de hoofdsteun geen belemmering vormt. Als de hoofdsteun verwijderd moet worden, berg deze dan zorgvuldig op om te voorkomen dat de hoofdsteun door de auto vliegt bij krachtig afremmen. Kinderen jonger dan 0 jaar mogen niet met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel voor worden vervoerd, behalve als de achterzitplaatsen al bezet zijn door andere kinderen of als de achterbank niet bruikbaar, neergeklapt of verwijderd is. Schakel de airbag aan passagierszijde * uit zodra een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel wordt geplaatst. Het kind kan anders bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. Plaatsen van een stoelverhoger Het bovenste gedeelte van de veiligheidsgordel moet over de schouder van het kind liggen zonder de hals te raken. Controleer of de heupgordel goed over de bovenbenen van het kind ligt. CITROËN beveelt aan een stoelverhoger met rugleuning te gebruiken voorzien van een gordelgeleider ter hoogte van de schouder. Laat uit veiligheidsoverwegingen: - geen kinderen zonder toezicht achter in een auto, - nooit een kind of een dier in een auto achter wanneer alle ruiten gesloten zijn en de auto in de zon staat, - de sleutels nooit binnen bereik van de kinderen achter in de auto. Gebruik de kindersloten om te voorkomen dat de portieren per ongeluk geopend worden. Zorg er voor dat de achterzijruiten niet verder dan voor / deel geopend worden. Plaats zonneschermen om uw jonge kinderen tegen de zon te beschermen. VII * Volgens land van bestemming en de wetgeving in uw land.

124 VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN ISOFIX-BEVESTIGINGEN Uw auto voldoet aan de nieuwste ISOFIX-normen. De drie zitplaatsen van de tweede zitrij zijn uitgerust met de voorgeschreven ISOFIX-bevestigingen. Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsringen: De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor een veilige, degelijke en snelle montage van het kinderzitje in uw auto. De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over twee vergrendelingen die eenvoudig aan de twee bevestigingsringen A kunnen worden verankerd. Bij een onjuist geplaatst kinderzitje kan het kind bij een aanrijding ernstig letsel oplopen. Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien van een bovenste bevestigingsriem die kan worden vastgemaakt aan de bovenste bevestigingsring B. VII Raadpleeg het overzicht voor de mogelijkheden van het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitjes in uw auto; hierin staat vermeld welke kinderzitjes voor uw auto zijn goedgekeurd. - twee bevestigingsringen A, die zich tussen de rugleuning en de zitting van de zitplaats bevinden, aangegeven met een sticker, Verwijder om de bovenste bevestigingsriem vast te maken de hoofdsteun en het kapje aan de bovenkant van de rugleuning. Bevestig de haak aan de bevestigingsring B en trek de riem aan. - één bevestigingsring B, voor de bevestiging van de bovenste riem, TOP TETHER genoemd, aangegeven door een sticker op het kapje aan de bovenkant van de rugleuning.

125 VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN "RÖMER Duo Plus ISOFIX" (gewichtsgroep B ) Groep : van 9 tot 8 kg Dit wordt uitsluitend met het gezicht in de rijrichting geplaatst. Het is voorzien van een bovenste riem voor verankering aan de bovenste bevestiging B, de TOP TETHER. Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand. Verstel de voorstoel van de auto om te voorkomen dat de voeten van het kind de rugleuning raken. VII Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingen. Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepunts veiligheidsgordel op de zitplaats van de auto te bevestigen. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje.

126 VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN OVERZICHTSTABEL VOOR BEVESTIGING VAN ISOFIX-KINDERZITJES De volgende tabel geeft, conform de Europese richtlijnen, de mogelijkheden aan voor het plaatsen van ISOFIX-kinderzitjes op plaatsen in de auto die van ISOFIX-bevestigingspunten zijn voorzien. Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes staat de ISOFIX-klasse, aangegeven door een letter tussen A en G op het kinderzitje, rechts van het ISOFIX-logo. Gewicht van het kind/leeftijdsindicatie Minder dan 0 kg (groep 0) Tot circa 6 maanden Minder dan 0 kg (groep 0) Minder dan kg (groep 0+) Tot circa jaar 9 tot 8 kg (groep ) Van tot circa jaar VII Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg * "met de rug in de rijrichting" "met de rug in de rijrichting" "met het gezicht in de rijrichting" ISOFIX-klasse F G C D E C D A B B ** Achterbank raamzijde ISOFIX IL-SU IL-SU IL-SU IUF Achterbank midden ISOFIX X IL-SU IL-SU IUF IUF: zitplaats bestemd voor het aanbrengen van een universeel ISOFIX-kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting" dat met de bovenste riem wordt bevestigd. IL-SU: zitplaats bestemd voor het aanbrengen van een semi-universeel ISOFIX-kinderzitje: "met de rug in de rijrichting" uitgerust met een bovenste riem en ISOFIX-reiswiegen uitgerust met een bovenste riem. Breng geen ISOFIX-zitjes aan die van een standaard zijn voorzien. * De ISOFIX-reiswieg wordt bevestigd op de onderste ISOFIX-bevestigingspunten en neemt twee achterste zitplaatsen in beslag. ** Voor het aanbrengen van ISOFIX-kinderzitjes van het type B moeten de hoofdsteunen worden verwijderd.

127 VEILIG VERVOEREN VAN KINDEREN MECHANISCH KINDERSLOT ELEKTRISCHE KINDERBEVEILIGING Uitschakelen Druk nogmaals op de knop A. Beide achterportieren zijn voorzien van een kinderslot om het openen van binnenuit te verhinderen. De knop bevindt zich op de zijkant van beide achterportieren. De elektrische kinderbeveiliging voorkomt dat beide achterportieren van binnenuit kunnen worden geopend en blokkeert de bediening van de achterportierruiten. Dit systeem werkt onafhankelijk van de centrale vergrendeling; gebruik het nooit in plaats daarvan. Controleer bij het aanzetten van het contact altijd de stand van de kinderbeveiliging. Neem vóór het verlaten van de auto altijd de sleutel uit het contact, zelfs voor korte periodes. Bij een ernstige aanrijding wordt de elektrische kinderbeveiliging automatisch uitgeschakeld, zodat de achterpassagiers de auto ongehinderd kunnen verlaten. VII Vergrendelen Draai de rode knop met de contactsleutel een halve kwartslag volgens de aanwijzingen op de sticker. Ontgrendelen Draai de rode knop met de contactsleutel een halve kwartslag volgens de aanwijzingen op de sticker. De schakelaar bevindt zich bij de schakelaars van de ruitbediening op het bestuurdersportier. Inschakelen Druk op de knop A. Bij het inschakelen gaat dit controlelampje op het instrumentenpaneel tijdelijk branden. Dit lampje gaat ook branden bij het aanzetten van het contact en dooft ongeveer tien seconden na het starten van de motor. 5

128 VEILIGHEID RICHTINGAANWIJZERS ALARMKNIPPERLICHTEN Claxon Gebruik de richtingaanwijzers om een verandering van rijrichting of rijstrook aan te geven. Gebruik de alarmknipperlichten om het overige verkeer te waarschuwen in het geval van file, pech, slepen of een ongeval. Systeem om uw medeweggebruikers met een geluidssignaal te waarschuwen voor direct gevaar. VIII Links: duw de hendel helemaal omlaag, tot voorbij de weerstand. Rechts: duw de hendel helemaal omhoog, tot voorbij de weerstand. Functie snelweg Beweeg de schakelaar kort omhoog of omlaag, zonder deze door de weerstand te drukken. De desbetreffende richtingaanwijzers zullen drie keer knipperen. Druk deze knop in: de richtingaanwijzers knipperen tegelijkertijd. De alarmknipperlichten werken ook als het contact is afgezet. Automatisch inschakelen van de alarmknipperlichten Bij een noodstop worden de alarmknipperlichten, afhankelijk van de mate van remvertraging, automatisch ingeschakeld. Zodra er weer gas wordt gegeven gaan de alarmknipperlichten uit. U kunt de alarmknipperlichten echter ook uitschakelen door de knop in te drukken. Druk op het onderste deel van het stuur met vast middengedeelte met bedieningstoetsen. Beperk het gebruik van de claxon tot de volgende gevallen: - direct gevaar, - inhalen van een fietser of voetganger, - naderen van een onoverzichtelijke situatie. 6

129 VEILIGHEID DETECTIESYSTEEM TE LAGE BANDENSPANNING Elk ventiel is voorzien van een sensor, die tijdens het rijden de bandenspanning controleert en een waarschuwingssignaal uitzendt als de bandenspanning te laag is (snelheid hoger dan 0 km/h). Lekke band Het pictogram STOP verschijnt op het instrumentenpaneel in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display die aangeeft welke band(en) het betreft. Stop onmiddellijk, maar vermijd abrupte manoeuvres met het stuur en de remmen. Vervang de beschadigde band (lekke band of veel te lage bandenspanning) en laat de bandenspanning zo snel mogelijk controleren. Alle reparaties aan een wiel dat met dit systeem is uitgerust en het vervangen van een band moeten worden uitgevoerd door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Wanneer bij het verwisselen een wiel is gemonteerd dat niet door uw auto wordt gedetecteerd (voorbeeld: montage van winterbanden), dient het systeem door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats opnieuw geïnitialiseerd te worden. Sensor(en) niet gedetecteerd of defect Het detectiesysteem te lage bandenspanning is niet meer dan een hulpmiddel, hetgeen inhoudt dat de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder niet door het systeem kunnen worden vervangen. Te lage bandenspanning Het pictogram service verschijnt op het instrumentenpaneel in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display die aangeeft welke band(en) het betreft. Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning. Dit dient te worden uitgevoerd bij koude banden. Het pictogram service verschijnt op het instrumentenpaneel in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display die aangeeft van welk(e) wiel(en) de bandenspanning niet meer gecontroleerd wordt; het kan ook duiden op een storing in het systeem. Laat het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats de defecte sensor(en) controleren. Deze melding wordt ook weergegeven als een van de wielen niet op de auto aanwezig is (bij reparatie) of als er één of meer wielen zonder sensor op de auto worden gemonteerd. Het reservewiel is niet voorzien van een sensor. Ondanks dit systeem moet de bandenspanning (zie de sticker op de middenstijl in de opening van het bestuurdersportier) nog regelmatig worden gecontroleerd. De bandenspanning heeft een belangrijke invloed op het weggedrag van de auto en de slijtage van de banden, vooral onder zware rijomstandigheden (zware lading, hoge rijsnelheden). De bandenspanning dient minimaal één keer per maand gecontroleerd te worden, bij koude banden. Denk eraan ook de bandenspanning van het reservewiel te controleren. Het detectiesysteem te lage bandenspanning kan tijdelijk worden verstoord door radiogolven in hetzelfde frequentiegebied. VIII 7

130 VEILIGHEID VIII HULPSYSTEMEN BIJ HET REMMEN Uw auto is voorzien van drie systemen die u helpen om de auto in een noodsituatie veilig tot stilstand te brengen: - het antiblokkeersysteem (ABS), - de elektronische remdrukregelaar (EBD), - Brake Assist System (BAS). Antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische remdrukregelaar Deze systemen zorgen tijdens het remmen voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto, vooral op een slecht of glad wegdek. Inschakelen Het antiblokkeersysteem treedt automatisch in werking zodra een van de wielen dreigt te blokkeren. Als het antiblokkeersysteem ingrijpt, is dat merkbaar aan het trillen van het rempedaal; dit is de normale werking. Storing Als dit waarschuwingslampje gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, duidt dit op een storing in het antiblokkeersysteem. Door deze storing zou u tijdens het remmen de controle over uw auto kunnen verliezen. Als dit waarschuwingslampje gaat branden in combinatie met de controlelampjes STOP en ABS, een geluidssignaal en een melding op het display, duidt dit op een storing in de elektronische remdrukregelaar. Door deze storing zou u tijdens het remmen de controle over uw auto kunnen verliezen. Stop op een veilige plaats. Raadpleeg in beide gevallen het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Zorg er bij vervanging van de wielen (banden en velgen) voor dat er wielen worden gemonteerd die aan de voorschriften van de constructeur voldoen. Brake Assist System (BAS) Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat de remafstand kleiner wordt. Inschakelen Het systeem wordt ingeschakeld als het rempedaal sneller wordt ingetrapt dan een bepaalde grenswaarde. Het systeem zorgt er dan voor dat de benodigde bedieningskracht minder wordt en dat de effectiviteit van het remmen wordt vergroot. Trap het rempedaal bij een noodstop zeer krachtig in en laat het pedaal niet los. Trap het rempedaal bij een noodstop krachtig en volledig in en laat het niet los. 8

131 VEILIGHEID STABILITEITSCONTROLESYSTEMEN Antislipregeling (ASR) en elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP) De antislipregeling verbetert de tractie van de wielen om doorslippen te voorkomen, door in te grijpen op de remmen van de aangedreven wielen en op het motorkoppel. Het elektronisch stabiliteitsprogramma grijpt in via de remmen van één of meer wielen en via het motorkoppel om de auto (binnen de grenzen van de natuurkundige wetmatigheden) weer in de juiste koers te brengen. Inschakelen De systemen worden automatisch ingeschakeld zodra de motor wordt gestart. De systemen worden geactiveerd zodra de wielen te weinig grip hebben of de koers van de auto afwijkt van de door de bestuurder gewenste richting. In dat geval gaat dit controlelampje op het instrumentenpaneel knipperen. Tractiecontrole op besneeuwde wegen * Deze auto is uitgerust met een systeem dat zorgt voor extra tractie op besneeuwde wegen. Deze automatische functie is permanent geactiveerd om situaties met weinig grip op te sporen, zoals het wegrijden en het rijden in verse en diepe sneeuw of over platgereden sneeuw. In die omstandigheden, treedt het systeem in plaats van het ASR in werking door het spinnen van de wielen optimaal te regelen. Zo worden de tractie en de bestuurbaarheid verbeterd, ook als de auto niet is voorzien van winterbanden of sneeuwkettingen. In barre rijomstandigheden (sneeuw op een laagje ijzel, zand, diepe modderlaag enz.) kan het nuttig zijn het ESP/ASR uit te schakelen, zodat de wielen kunnen slippen, waardoor ze meer grip zouden kunnen vinden. Uitschakelen In bijzondere omstandigheden (als de auto vastzit in de modder, sneeuw, in mulle grond,...) kan het nuttig zijn de systemen ASR en ESP uit te schakelen, zodat de wielen kunnen spinnen en weer grip kunnen krijgen. Druk op de knop "ESP OFF", die zich in het midden van het dashboard bevindt. Als dit lampje op het instrumentenpaneel en het controlelampje van de knop branden, zijn de systemen ASR en ESP uitgeschakeld. VIII * Afhankelijk van de motor. 9

132 VEILIGHEID Opnieuw inschakelen: Deze systemen worden automatisch weer ingeschakeld als het contact opnieuw wordt aangezet of vanaf 50 km/h. Druk nogmaals op de knop "ESP OFF" om de systemen handmatig weer in te schakelen. Storing Als dit lampje gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display, duidt dit op een storing in deze systemen. Laat de systemen controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalifi ceerde werkplaats. De systemen ASR en ESP zorgen voor meer veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder mag zich echter nooit laten verleiden tot het nemen van meer risico's of het te hard rijden. De goede werking van de systemen wordt verzekerd door de naleving van de voorschriften van de constructeur op het gebied van wielen (banden en velgen), onderdelen van het remsysteem, elektronische onderdelen alsmede de montage- en reparatieprocedures. Laat de systemen na een aanrijding controleren door het CITROËNnetwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP Hiermee kunt u een noodoproep of hulpoproep doen naar de hulpdiensten of de desbetreffende CITROËNhelpdesk. Raadpleeg het hoofdstuk "Audio en datacommunicatie" voor meer informatie over het gebruik van deze voorziening. VIII 0

133 VEILIGHEID AUTOGORDELS Zodra het contact wordt aangezet, worden de pyrotechnische gordels geactiveerd. De spankrachtbegrenzing vermindert de kracht die wordt uitgeoefend op het bovenlichaam van de inzittende, waardoor deze beter beschermd wordt. Verstellen in hoogte Vastmaken Autogordels voor De autogordels voor zijn voorzien van pyrotechnische gordelspanners met spankrachtbegrenzing. Dit systeem verbetert de veiligheid van de passagiers op de zitplaatsen voor in geval van een frontale aanrijding. Afhankelijk van de kracht van de aanrijding worden de gordels in een fractie van een seconde door het pyrotechnische systeem strak tegen het lichaam van de inzittenden getrokken. Trek de gordel rustig naar voren en let erop dat hij niet verdraaid komt te zitten. Steek de gordelgesp in de sluiting. Controleer of de gesp goed vergrendeld is door even aan de gordel te trekken. Zorg ervoor dat het heupgedeelte zo laag mogelijk over uw middel loopt en zo strak mogelijk zit. Zorg ervoor dat het bovendeel van de gordel precies in de schouderholte valt. Elke gordel is voorzien van een oprolmechanisme waarmee de gordellengte automatisch op uw postuur wordt afgestemd. De gordel is correct ingesteld als deze over het midden van de schouder loopt. Om de gordel te verstellen, drukt u de bedieningsknop op de bovenste gordelbevestiging in en schuift u deze in de gewenste richting. Losmaken Om de gordel los te maken, drukt u op de rode knop op de houder. De gordel rolt automatisch op nadat deze is losgemaakt. VIII

134 VEILIGHEID Middelste autogordel achterin Gebruiksklaarmaken van de gordel (C Picasso) Omgespen van de autogordel (C Picasso en Grand C Picasso) Losmaken van de gordel (C Picasso en Grand C Picasso) VIII Open kapje A. Neem de gordelgespen uit de opening. Houd de gordelgespen bij de geleider B. Steek het uiteinde in de geleider en haal de gordelgespen één voor één door de geleidering. Sluit kapje A. Zorg ervoor dat de gordel op de juiste wijze in de daarvoor bestemde opening valt die wordt afgedekt door het kapje. Trek aan de gordel en steek gesp C in de rechter houder en steek vervolgens gesp D in de linker houder. Controleer of de gesp goed in de houder vergrendeld zit door aan de gordel te trekken. Voorzorgsmaatregelen: Om veiligheidsredenen is het noodzakelijk de gordel door de geleider te halen. Om te voorkomen dat de autogordels beschadigd of bekneld raken, adviseren wij deze opzij van de rugleuningen te houden. Ontgrendel de rechter gordel en daarna de linker. Houd de gordel vast terwijl deze oprolt. Opbergen van de gordelgespen (C Picasso) Verricht de handelingen in de omgekeerde volgorde voor het opbergen van de gordelgespen. U kunt de gordel ook in de geleider laten zitten, zelfs wanneer die niet gebruikt wordt.

135 VEILIGHEID Autogordels derde zitrij (Grand C Picasso) Vóór het gebruik Om beschadiging van de autogordels en het vastklemmen hiervan te voorkomen moeten deze altijd over de zijkanten van de rugleuning lopen. Voorschriften autogordels voor passagiers op derde zitrij Let erop dat de autogordels voor de passagiers op de derde zitrij correct in de hiervoor bestemde bevestigingspunten worden aangebracht. De autogordels mogen niet in de bevestigingspunten worden aangebracht die met een rood kruis zijn weergegeven (zoals weergegeven op de afbeelding). Opbergruimte voor de gordelgesp op derde zitrij Breng de gordelgesp aan in de hiervoor bestemde houder in de bekleding van de achterstijl. Autogordels voor de passagiers op de derde zitrij die niet in gebruik zijn, kunnen worden opgeborgen om de bagageruimte vrij te houden en het gebruik van het bagageafdekscherm te vergemakkelijken. VIII

136 VEILIGHEID VIII Alvorens te gaan rijden dient de bestuurder te controleren of alle passagiers hun veiligheidsgordel goed hebben omgedaan en vastgemaakt. Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al betreft het een korte rit. Draai de gespen van de veiligheidsgordels niet om; de gordels zijn dan niet voldoende effectief. De veiligheidsgordels zijn voorzien van een oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte van de gordel automatisch wordt aangepast aan de lichaamsbouw van de gebruiker. De gordel wordt automatisch opgerold als deze niet wordt gebruikt. Controleer zowel voor en na het gebruik van de gordel of deze goed is opgerold. De heupgordel moet zo laag mogelijk op het bekken worden geplaatst. De schoudergordel moet langs het holle gedeelte van de schouder worden geplaatst. De oprolautomaten zijn voorzien van een automatische blokkeerinrichting die in werking treedt bij een aanrijding, een noodstop of het over de kop slaan van de auto. U kunt de blokkeerinrichting deblokkeren door stevig aan de riem te trekken en deze weer los te laten, zodat de riem weer een stukje wordt opgerold. Voor een effectieve werking van de veiligheidsgordel: - dient deze strak om het lichaam te worden gedragen, - moet deze in een vloeiende beweging naar voren worden getrokken, zonder dat de gordel gedraaid raakt, - mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen, - mag deze geen beschadigingen of rafels vertonen, - mag er om te voorkomen dat de gordel niet goed werkt, niets aan worden gewijzigd. Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften moeten werkzaamheden en controles aan de veiligheidsgordels worden uitgevoerd door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats, die tevens voor de garantie zorgt en de werkzaamheden volgens de voorschriften uitvoert. Laat de veiligheidsgordels van uw auto regelmatig controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats, vooral als de gordels beschadigingen vertonen. Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop of een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk. Controleer na het neerklappen of verstellen van een stoel of de achterbank of de gordel zich op de juiste plaats bevindt en goed is opgerold. Voorschriften voor kinderen Maak voor kinderen tot jaar of kleiner dan,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje. De veiligheidsgordel mag door niet meer dan één persoon gedragen worden. Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het rijden. Bij aanrijdingen De gordelspanners kunnen, afhankelijk van de aard en de kracht van de aanrijding, vóór en onafhankelijk van de airbags afgaan. Het activeren van de gordelspanners gaat gepaard met wat onschadelijke rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd. In alle gevallen gaat het verklikkerlampje van de airbag branden. Laat het systeem na een aanrijding controleren en eventueel vervangen door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

137 VEILIGHEID AIRBAGS De airbags zijn speciaal ontworpen om de veiligheid van de inzittenden (uitgezonderd de middelste passagier achter) te verhogen bij ernstige aanrijdingen. Ze vormen een aanvulling op de werking van de veiligheidsgordels met gordelkrachtbegrenzers. De elektronische schoksensoren registreren in dat geval de frontale en zijdelingse aanrijdingen waaraan de registratiezones voor een aanrijding worden blootgesteld: - bij een ernstige aanrijding worden de airbags onmiddellijk opgeblazen en beschermen de inzittenden van de auto (uitgezonderd de middelste passagier achter). Direct na de aanrijding ontsnapt het gas snel uit de airbags, zodat het zicht niet wordt belemmerd en de inzittenden de auto eventueel kunnen verlaten, - bij een minder ernstige aanrijding of een aanrijding van achteren en in bepaalde gevallen waarbij de auto over de kop slaat, treden de airbags niet in werking. De veiligheidsgordels zorgen in deze situaties voor een afdoende bescherming De airbags werken alleen als het contact aan is. De airbags werken slechts eenmaal. Als er een tweede aanrijding plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een volgend ongeval), werken de airbags niet meer. Registratiezones voor een aanrijding A. Impactzone vóór B. Impactzone opzij Het activeren van de airbags gaat gepaard met onschadelijke rookvorming en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd. De rook is niet schadelijk, maar kan voor personen die hier gevoelig voor zijn, irriterend zijn. De knal die bij het afgaan wordt geproduceerd, kan het gehoor gedurende een korte periode enigszins verminderen. Airbags vóór De airbags vóór beschermen bij een frontale aanrijding de bestuurder en voorpassagier om kans op letsel aan hoofd en borst te beperken. De bestuurdersairbag is geïntegreerd in het stuurwiel en de passagiersairbag in het dashboard boven het dashboardkastje. Activering De beide airbags treden gelijktijdig in werking - behalve wanneer de frontairbag aan passagierszijde is uitgeschakeld - bij een krachtige frontale aanrijding binnen de zone voor frontale aanrijdingen ( A ), waarbij de inwerkende krachten de hartlijn van de auto in het horizontale vlak naar de achterzijde van de auto toe volgen. De frontairbag wordt opgeblazen tussen de inzittende voorin de auto en het dashboard, om de inzittende op te vangen bij het naar voren bewegen. VIII 5

138 VEILIGHEID Uitschakelen Inschakelen Als u het kinderzitje hebt verwijderd, zet dan de schakelaar weer op "ON" om de airbag opnieuw in te schakelen en zo de veiligheid van uw passagier te garanderen. VIII U kunt alleen de frontairbag aan passagierszijde uitschakelen: zet het contact af, steek de sleutel in de schakelaar voor uitschakelen van de airbag aan passagierszijde, draai deze in de stand "OFF", verwijder de sleutel zonder de stand van de schakelaar te veranderen. Dit controlelampje brandt op het instrumentenpaneel bij aangezet contact, zolang de airbag is uitgeschakeld. Storing Als dit controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display, laat het systeem dan controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalifi ceerde werkplaats. Raadpleeg het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit controlelampje knippert. 6 Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag aan passagierszijde altijd uit als u een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel plaatst. Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken. Plaats geen kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel als de twee controlelampjes van de airbags permanent blijven branden. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalifi ceerde werkplaats.

139 VEILIGHEID Zijairbags * De zijairbags beschermen de bestuurder en voorpassagier bij een ernstige zijdelingse aanrijding, om de kans op borstletsel te verkleinen. De zijairbags zijn aan de zijde van de portieren in de rugleuningen van de voorstoelen aangebracht. Registratiezones voor een aanrijding Activering De hoofdairbag wordt gelijktijdig met de zijairbag aan de desbetreffende zijde opgeblazen bij een ernstige aanrijding van opzij binnen (een gedeelte van) de impactzone aan de zijkant ( B ). Dit gebeurt loodrecht op de lengteas van de auto, vanaf de buitenzijde richting de binnenzijde van de auto. De hoofdairbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór of achter in de auto en de ruiten. Activering De zijairbags worden bij een ernstige zijdelingse aanrijding binnen (een gedeelte van) de impactzone aan de zijkant ( B ) aan de desbetreffende zijde opgeblazen. Dit gebeurt loodrecht op de lengteas van de auto, vanaf de buitenzijde. De zijairbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór en het desbetreffende portierpaneel. * Volgens land van bestemming. A. Impactzone vóór B. Impactzone opzij Hoofdairbags * De hoofdairbags beschermen de bestuurder en passagiers (uitgezonderd de middelste passagier achter) bij een ernstige zijdelingse aanrijding, om de kans op hoofdletsel te verkleinen. De hoofdairbags zijn aangebracht in de stijlen en het bovenste gedeelte van het interieur. * Volgens land van bestemming. Bij een lichte zijdelingse aanrijding of bij over de kop slaan, kan het zijn dat de airbag niet wordt geactiveerd. Bij een aanrijding van achteren of een frontale aanrijding wordt de airbag niet geactiveerd. Storing Als dit controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display, raadpleeg dan het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten controleren. De kans bestaat dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet worden geactiveerd. VIII 7

140 VEILIGHEID Houd u aan de volgende veiligheidsvoorschriften voor een maximale effectiviteit van de airbags: VIII Maak er een gewoonte van om normaal rechtop in de voorstoelen te zitten. Draag altijd een correct afgestelde autogordel. Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden (kinderen, huisdieren, objecten...). Dit kan de goede werking van de airbag belemmeren en/of de inzittende bij het opblazen van de airbag verwonden. Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto de airbagsystemen controleren. Werkzaamheden aan airbagsystemen mogen uitsluitend door het CITROËN-netwerk of door een gekwalifi ceerde werkplaats worden uitgevoerd. Zelfs als alle bovenstaande voorschriften worden nageleefd, blijft de kans bestaan op letsel of lichte brandwonden aan het hoofd, de borst of de armen als de airbag wordt geactiveerd. De airbag wordt namelijk zeer snel opgeblazen (binnen enkele milliseconden) en loopt vervolgens even snel leeg, waarbij de warme gassen via de daarvoor bestemde openingen naar buiten stromen. Airbags vóór Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuurwielkussen rusten. De voorpassagier mag zijn voeten niet op het dashboard laten rusten. Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen, kunnen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken. Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla er niet op. Zijairbags Bedek de stoelen uitsluitend met daarvoor goedgekeurde stoelhoezen, die in combinatie met actieve zijairbags gebruikt kunnen worden. Voor informatie over de stoelhoezen die geschikt zijn voor uw auto kunt u zich wenden tot het CITROËN-netwerk (zie hoofdstuk "Praktische informatie - Accessoires"). Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen (kleding...): dit zou bij het afgaan van de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of borstkas. Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten. Windowairbags Bevestig nooit iets op de hemelbekleding; dit zou bij het afgaan van de windowairbags kunnen leiden tot hoofdletsel. Demonteer nooit de handgrepen van het dak (indien aanwezig); deze maken deel uit van de bevestiging van de windowairbags. 8

141 RIJDEN ELEKTRISCH BEDIENDE HANDREM De elektrisch bediende handrem kan op twee manieren worden functioneren: - automatisch aantrekken/vrijzetten, Het aantrekken gebeurt automatisch bij het afzetten van de motor en het vrijzetten gebeurt automatisch bij het wegrijden (standaard geactiveerd). - handmatig aantrekken/vrijzetten. Handmatige bediening voor het aantrekken en vrijzetten is mogelijk door het bedienen van de hendel A en het intrappen van het rempedaal. Handmatige bediening Wanneer de auto stilstaat en u bij draaiende of afgezette motor de handrem wilt aantrekken, trekt u aan de hendel A. De aangetrokken toestand van de handrem wordt aangegeven door: - het branden van het controlelampje P op de hendel A en op het instrumentenpaneel, - de melding "Handrem aangetrokken" op het multifunctionele display. Wanneer u het bestuurdersportier opent bij draaiende motor terwijl de handrem niet is aangetrokken, klinkt er een geluidssignaal en verschijnt er een melding op het display. Controleer, voordat u de auto verlaat, of het lampje P op het instrumentenpaneel brandt. Handmatig vrijzetten Om bij aangezet contact of draaiende motor de handrem vrij te zetten, trapt u het rempedaal in, trekt u aan de hendel A en laat u deze vervolgens weer los. De vrijgezette toestand van de handrem wordt aangegeven door: - het doven van het controlelampje P op de hendel A op het instrumentenpaneel, - de melding "Handrem vrijgezet" op het multifunctionele display. Als u aan de hendel A trekt zonder het rempedaal in te trappen wordt de handrem niet vrijgezet en brandt het lampje "Voet op rempedaal" op het instrumentenpaneel. IX 9

142 RIJDEN IX 0 Extra stevig aantrekken U kunt, indien nodig, de handrem extra stevig aantrekken. Dit gebeurt door de de hendel A langer te bedienen, tot de melding "Handrem aangetrokken" op het display verschijnt en er een geluidsignaal klinkt. Het extra stevig aantrekken van de handrem is noodzakelijk in de volgende omstandigheden: - wanneer een caravan of aanhanger aan de auto is gekoppeld en de automatische bediening is geactiveerd terwijl u de handrem handmatig bedient, - als de kans bestaat dat de hellingshoek van de auto verandert terwijl deze stilstaat (bijvoorbeeld wanneer de auto vervoerd wordt op een boot of trailer). - Als er een aanhanger is aangekoppeld, wanneer de auto beladen is of op een steile helling staat, dient u bij het parkeren een voorwiel tegen de stoeprand te draaien en een versnelling in te schakelen. - Na het extra stevig aantrekken van de handrem duurt het langer voordat de handrem weer is vrijgezet. Automatische werking bij afgezette motor Wanneer de auto stilstaat en u de motor afzet, wordt de handrem automatisch aangetrokken. De aangetrokken toestand van de handrem wordt aangegeven door: - het branden van het controlelampje P op de hendel A en op het instrumentenpaneel, - de melding "Handrem aangetrokken" op het multifunctionele display. Het aantrekken of vrijzetten van de elektrisch bediende handrem gaat gepaard met een geluid. Controleer voordat u de auto verlaat of het controlelampje P op het instrumentenpaneel constant brandt. Laat kinderen nooit alleen in de auto wanneer het contact is aangezet: ze zouden de handrem kunnen vrijzetten. Automatisch vrijzetten De elektrisch bediende handrem wordt automatisch geleidelijk vrijgezet bij het wegrijden : bij een handgeschakelde versnellingsbak (eerste versnelling of achteruitversnelling ingeschakeld ) houdt u het koppelingspedaal geheel ingetrapt. Trap vervolgens het gaspedaal in terwijl u het koppelingspedaal laat opkomen, bij een automatische versnellingsbak geeft u gas terwijl de selectiehendel in de stand D, M of R staat, bij een EGS-versnellingsbak geeft u gas terwijl de selectiehendel in de stand A, M of R staat. De vrijgezette toestand van de handrem wordt aangegeven door: - het doven van het controlelampje P op de hendel A en op het instrumentenpaneel, - de melding "Handrem vijgezet" op het multifunctionele display. Geef, wanneer de auto stilstaat met draaiende motor, niet onnodig gas, omdat u dan het risico loopt dat de handrem wordt vrijgezet.

143 RIJDEN Auto blokkeren bij draaiende motor Wanneer de auto stilstaat met draaiende motor, dient u de auto tegen wegrollen te beveiligen door de handrem handmatig aan te trekken. Trek hiertoe aan de hendel A. De aangetrokken toestand van de handrem wordt aangegeven door: - het branden van het controlelampje P op de hendel A en op het instrumentenpaneel, - de melding "Handrem aangetrokken" op het multifunctionele display. Als u het bestuurdersportier opent om uit te stappen terwijl de handrem niet is aangetrokken, klinkt er een geluidssignaal en verschijnt er een melding op het display. Controleer of het controlelampje P op het instrumentenpaneel constant brandt voordat u de auto verlaat. In-/uitschakelen van automatische functies * De functie voor het automatisch aantrekken van de handrem bij afzetten van de motor en het automatisch vrijzetten ervan bij het wegrijden kan worden uitgeschakeld via het confi guratiemenu van het multifunctionele display. Kies daarvoor "Parameters van de auto/comfort/ Automatische handrem". De uitgeschakelde status van deze functies wordt aangegeven door het branden van het controlelampje op het instrumentenpaneel. Wanneer de automatische werking is uitgeschakeld, moet u de handrem handmatig bedienen. Bijzondere omstandigheden In bepaalde situaties (starten van de motor...) bepaalt de handrem zelf zijn aantrekkracht. Dit is normaal. Wilt u de auto verplaatsen met het contact AAN zonder de motor te starten (bijvoorbeeld bij slepen), trap dan met aangezet contact het rempedaal in en zet de handrem vrij door eerst aan de hendel A te trekken en deze vervolgens los te laten. De vrijgezette toestand van de handrem wordt aangegeven door het doven van het controlelampje P (rood) op het instrumentenpaneel in combinatie met de melding "Handrem vrijgezet" op het multifunctionele display. Wanneer de handrem is aangetrokken en u vanwege een defect of accupech deze niet kunt vrijzetten, kunt u gebruik maken van de functie voor de noodontgrendeling van de handrem. IX * Afhankelijk van land van bestemming.

144 RIJDEN Dynamische noodremfunctie Bij een defect aan het ESP, aangegeven door het branden van dit controlelampje, kan de stabiliteit bij het remmen niet worden gegarandeerd. In dat geval moet de bestuurder er zelf voor zorgen dat de auto stabiel blijft door afwisselend aan de hendel A te trekken en deze weer los te laten. IX Bij een storing van het hoofdremsysteem of bij uitzonderlijke situaties (onwel worden van de bestuurder, geven van rijles in de eigen auto - indien toegestaan -...), kan de auto worden gestopt door aan de hendel A te trekken en deze aangetrokken te houden. De dynamische stabiliteitsregeling (ESP) zorgt ervoor dat de auto stabiel blijft wanneer de dynamische noodremfunctie actief is. In geval van een storing aan het systeem van de dynamische noodremfunctie verschijnt een van de volgende meldingen op het multifunctionele display: - "Handrem defect", - "Bediening handrem defect". De dynamische noodremfunctie mag alleen in uitzonderlijke gevallen worden gebruikt.

145 RIJDEN Noodontgrendeling Bij een defect aan de elektrisch bediende handrem of een lege accu kan de handrem handmatig ontgrendeld worden. Beveilig de auto tegen wegrijden door bij draaiende motor de eerste versnelling (handgeschakelde versnellingsbak), stand P (automatische versnellingsbak) of M of R (EGS 6-versnellingsbak) in te schakelen. Zet de motor af maar laat het contact aan. Mocht u er niet in slagen de auto te blokkeren, neem dan contact op met het CITROËN-netwerk of met een gekwalificeerde werkplaats. Neem de wielblokken E en het gereedschap F (slinger) uit het boordgereedschap. Op een helling: beveilig de auto tegen het wegrollen door de wielblokken vóór of achter de voorwielen te plaatsen (tegengesteld aan de richting van de helling). Op een vlakke weg: beveilig de auto tegen het wegrollen door de wielblokken vóór en achter een van de voorwielen te plaatsen. Schuif de bestuurdersstoel zo ver mogelijk naar achteren. Til het gedeelte B van de vloerbedekking onder de stoel op. Doorboor het dopje C op de opening D met behulp van de slinger F. Steek het uiteinde van het ontgrendelgereedschap F in de opening D. Draai het gereedschap F rechtsom. Vanwege de veiligheid dient u zo lang te draaien tot u niet verder kunt. Nu is de handrem ontgrendeld. Verwijder het gereedschap F en berg deze met de wielblokken E op bij het boordgereedschap. - De werking van de handrem wordt weer geactiveerd als u het contact af- en weer aanzet. Als het activeren van de handrem niet mogelijk is, raadpleeg dan het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. - Het kan hierna langer dan normaal duren voor de handrem is aangetrokken. IX De hendel mag niet worden bediend en de motor mag niet worden afgezet of gestart als het ontgrendelgereedschap F aangebracht is. De auto kan wegrollen nadat de mechanische noodontgrendeling is uitgevoerd. Door het aanbrengen van het ontgrendelgereedschap kan de handrem niet meer aangetrokken worden. Houd stof en vocht verwijderd van de dop. Neem in verband met de veiligheid na deze handeling altijd en zo snel mogelijk contact op met het CITROËN-netwerk of met een gekwalificeerde werkplaats voor het vervangen van de dop.

146 RIJDEN Storingen Raadpleeg als een van deze gevallen zich voordoet zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. TOESTAND GEVOLGEN Defect van de elektrisch bediende handrem en oplichten van de melding " Storing handrem " en de volgende waarschuwingslampjes: Als het waarschuwingslampje van de elektrisch bediende handrem in combinatie met het Servicelampje gaat branden, moet de auto op een veilige manier worden geparkeerd (vlakke ondergrond, versnelling ingeschakeld). IX Weergave van de melding " Storing handrem " en de volgende waarschuwingslampjes: - De automatische bediening is uitgeschakeld. - De Hill Start Assist is niet beschikbaar. - De elektrisch bediende handrem kan alleen handmatig worden bediend. Weergave van de melding " Storing handrem " en de volgende waarschuwingslampjes: - De functie voor het handmatig vrijzetten van de handrem is uitgeschakeld. - De Hill Start Assist is niet beschikbaar. - De functies voor het automatisch bedienen en het handmatig vrijzetten blijven beschikbaar.

147 RIJDEN TOESTAND Weergave van de melding "Storing handrem" en branden of knipperen van de volgende waarschuwingslampjes: en/of knipperend GEVOLGEN - De automatische bediening is uitgeschakeld. - De Hill Start Assist is niet beschikbaar. Om de elektrisch bediende handrem te bedienen: beveilig de auto tegen wegrollen en zet het contact uit, trek minimaal 5 seconden aan de hendel of totdat de handrem wordt bediend, zet het contact aan en controleer of de controlelampjes van de elektrisch bediende handrem gaan branden. - Het aantrekken duurt langer dan normaal. - Als het controlelampje P knippert of als de controlelampjes niet gaan branden met het contact aan, werkt deze methode niet. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Om de elektrisch bediende handrem vrij te zetten: zet het contact aan, trek aan de hendel en houd deze circa seconden vast. 5 Weergave van de melding " Storing bediening handrem - automatische stand geactiveerd" en de volgende waarschuwingslampjes: en/of knipperend - Alleen de functies van het automatisch bedienen bij het afzetten van de motor en het automatisch vrijzetten bij het wegrijden zijn beschikbaar. - Het handmatig bedienen/vrijzetten van de elektrisch bediende handrem is niet mogelijk en de dynamische noodremfunctie is niet beschikbaar. IX 6 Storing accu - Als het laadstroomcontrolelampje gaat branden moet u de auto direct stoppen (rekening houdend met het overige verkeer) en tegen wegrollen beveiligen. - Bedien de elektrisch bediende handrem alvorens de motor af te zetten. 5

148 RIJDEN HILL START ASSIST Werking IX Dit systeem houdt bij het wegrijden op een helling uw auto ongeveer seconden op zijn plaats. In die tijd kunt u uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatsen. Deze functie is alleen actief: - als de auto volledig stilstaat met het rempedaal ingedrukt, - bij bepaalde hellingcondities, - als het bestuurdersportier is gesloten. De Hill Start Assist kan niet worden uitgeschakeld. Als de auto bergopwaarts stilstaat, wordt deze even op zijn plaats gehouden wanneer u het rempedaal loslaat: - als bij de handgeschakelde versnellingsbak de eerste versnelling of de neutraalstand is ingeschakeld, - als bij de EGS versnellingsbak de stand A of M is ingeschakeld, - als bij de automatische versnellingsbak de stand D of M is ingeschakeld. Als de auto bergafwaarts stilstaat en de achteruitversnelling ingeschakeld is, wordt de auto even op zijn plaats gehouden wanneer u het rempedaal loslaat. Storing Verlaat de auto niet in de korte periode dat u de Hill Start Assist gebruikt. Als u de auto moet verlaten terwijl de motor draait, gebruik dan de handrem en controleer of het controlelampje P (rood) op het instrumentenpaneel blijft branden. Bij een storing in de Hill Start Assist gaan deze controlelampjes branden. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten controleren. 6

149 RIJDEN HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK MET 5 VERSNELLINGEN Inschakelen van de achteruitversnelling Beweeg de versnellingshendel eerst naar rechts en dan naar achteren. Schakel de achteruitversnelling alleen in als de auto stilstaat en de motor stationair draait. Starten van de motor Controleer of de versnellingshendel in de neutraalstand staat. Geef geen gas. Bij een auto met dieselmotor; draai de contactsleutel in de stand M. Als het voorgloeilampje brandt, wacht dan totdat dit gedoofd is. Bedien de startmotor door de sleutel om te draaien totdat de motor aanslaat (maximaal 0 seconden). Trap bij temperaturen beneden 0 C tijdens het starten het koppelingspedaal in, om de startprocedure te vergemakkelijken. IX 7

150 RIJDEN OPSCHAKELINDICATOR * Dit systeem adviseert de bestuurder op te schakelen om het brandstofverbruik te verminderen bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak. Voorbeeld: - U rijdt in de derde versnelling. - U trapt het gaspedaal redelijk ver in. - Het systeem kan u in dit geval adviseren een hogere versnelling in te schakelen. De informatie wordt in de vorm van een pijl op het display van het instrumentenpaneel weergegeven. Afhankelijk van de uitrusting van uw auto verschijnt de pijl in combinatie met het nummer van de aanbevolen versnelling. IX Werking Het systeem is uitsluitend bedoeld om een zuinige rijstijl te hanteren. Afhankelijk van de rijomstandigheden en de uitrusting van uw auto kan het systeem u adviseren één of meer versnellingen op te schakelen. U kunt deze aanwijzingen opvolgen zonder de tussenliggende versnellingen in te hoeven schakelen. Het is niet verplicht om de aanbevolen versnellingen ook daadwerkelijk in te schakelen. De keuze van de optimale versnelling hangt namelijk altijd af van de situatie op de weg, de verkeersdrukte en de veiligheid. De bestuurder blijft dan ook altijd zelf verantwoordelijk voor het al dan niet opvolgen van het schakeladvies van het systeem. Deze functie kan niet worden uitgeschakeld. In rijsituaties waarin veel van de motor wordt gevraagd (diep intrappen van het gaspedaal, bijvoorbeeld tijdens een inhaalmanoeuvre...) zal het systeem geen schakeladvies geven. Het systeem zal u nooit adviseren om: - de eerste versnelling in te schakelen, - de achteruitversnelling in te schakelen, - terug te schakelen. 8 * Afhankelijk van de motoruitvoering.

151 RIJDEN Weergave op het instrumentenpaneel Starten van de motor De EGS 6-versnellingsbak biedt u de keus uit het comfort van een automatische versnellingsbak en het rijplezier van een handgeschakelde versnellingsbak. U hebt dus de keuze uit twee rijstanden: - de geautomatiseerde stand, om niet zelf te hoeven schakelen, - de handbediende stand, om zelf sequentieel te schakelen. Selecteren van de stand Geautomatiseerde stand: selectiehendel in stand A. Handbediende stand: selectiehendel in stand M. In de geautomatiseerde stand kunt u tijdelijk handmatig schakelen door een van de fl ippers te bedienen. - De stand van de selectiehendel wordt bij de multifunctionele displays A en C links op het instrumentenpaneel aangegeven en rechts bij de multifunctionele displays van de MyWay en de NaviDrive. - U kunt de ingeschakelde versnelling eveneens zien aan de hand van een schakelpatroonpaneel met achtergrondverlichting bij de selectiehendel. Wanneer bij aangezet contact het waarschuwingslampje SERVICE brandt vergezeld van een geluidssignaal en de melding "Storing versnellingsbak", is er sprake van een storing. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Voor de veiligheid: u kunt pas vanuit stand N schakelen als u het rempedaal hebt ingetrapt, als volgens het display de versnellingsbak zich in stand N bevindt, maar de positie van de selectiehendel hiervan afwijkt, zet de selectiehendel dan in stand N om de motor te kunnen starten. Om de motor te kunnen starten moet de selectiehendel zich in stand N bevinden. Trap het rempedaal krachtig in. Bedien de startmotor. Plaats bij een draaiende motor de selectiehendel in stand R, A of M. Controleer op het instrumentenpaneel de ingeschakelde versnelling. Laat het rempedaal los en geef gas. Als de selectiehendel niet in stand N staat en/of het rempedaal niet is ingetrapt, gaan de desbetreffende controlelampjes branden en verschijnt een melding dat aan ten minste één van de twee voorwaarden niet is voldaan. In dat geval start de motor niet en moet de bovenstaande procedure worden herhaald. IX 9

152 RIJDEN Achteruitversnelling Om de achteruitversnelling te kunnen inschakelen moet de auto stilstaan en het rempedaal zijn ingetrapt. Geautomatiseerde stand Plaats de selectiehendel in stand A. Werking in de geautomatiseerde stand Plaats de selectiehendel in stand R. IX Als op lage snelheid de achteruitversnelling wordt geselecteerd, knippert het controlelampje N en wordt automatisch de neutraalstand ingeschakeld. U kunt de achteruitversnelling vervolgens inschakelen door de selectiehendel in stand N en vervolgens in stand R te plaatsen. Neutraalstand Plaats de selectiehendel in stand N. Selecteer deze stand niet als de auto rijdt, zelfs niet voor een moment. Handbediende stand Plaats de selectiehendel in stand M. Trek aan flipper " + " om op te schakelen. Trek aan flipper " - " om terug te schakelen. Controleer bij draaiende motor alvorens weg te rijden aan de hand van het schakelpatroonpaneel of het instrumentenpaneel of de juiste stand is ingeschakeld: R, A of M. Verlaat de auto niet bij draaiende motor terwijl de versnellingsbak in stand R, A of M staat. Plaats de selectiehendel in stand A. Controlelampje A op het instrumentenpaneel gaat branden om de selectie te bevestigen. De versnellingsbak werkt nu in de geautomatiseerde stand, zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De versnellingsbak selecteert zelf de versnelling die het best past bij de volgende factoren: - rijstijl, - wegdek, - optimaal brandstofverbruik. 50

153 RIJDEN Tijdelijk handmatig schakelen Werking in de handbediende stand Schakelen Door het bedienen van de flippers ( + ) of ( - ) schakelt u tijdelijk over op handmatig schakelen. De geautomatiseerde stand blijft op de achtergrond actief. Controlelampje A op het instrumentenpaneel blijft branden. Dankzij deze functie kunt u op bepaalde situaties anticiperen, bijvoorbeeld een naderende bocht of het inhalen van een voertuig. Plaats de selectiehendel in stand M. Flippers aan het stuurwiel Met de flippers aan het stuurwiel kunt u de zes vooruitversnellingen inschakelen. Trek aan flipper " + " om op te schakelen. Trek aan flipper " - " om terug te schakelen. IX Annuleren van de geautomatiseerde stand Het verplaatsen van de selectiehendel van stand A (rijden in geautomatiseerde stand) naar stand M (rijden in handbediende stand) of omgekeerd is op elk moment mogelijk. Controlelampje A op het instrumentenpaneel dooft. 5

154 RIJDEN Met de fl ippers is het niet mogelijk de neutraalstand en de achteruitversnelling in te schakelen of uit de achteruitversnelling te schakelen. - Bij het stoppen van de auto of bij lage snelheden (naderen van een verkeerslicht bijvoorbeeld) schakelt de versnellingsbak automatisch terug tot in de e versnelling. - Wanneer u zelf schakelt, hoeft u het gaspedaal tijdens het schakelen niet volledig los te laten. - Het schakelen is alleen mogelijk als het motortoerental dit toestaat. - In verband met de veiligheid kan het terugschakelen afhankelijk van het motortoerental automatisch plaatsvinden. Accelereren Om optimaal te accelereren (bijvoorbeeld als u wilt inhalen) hoeft u slechts het gaspedaal voorbij de weerstand in te trappen. Stilstaande auto met draaiende motor Als de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat, schakelt de versnellingsbak automatisch neutraalstand N in. Afzetten van de motor Voordat de motor wordt afgezet, moet u beslissen: of u de neutraalstand wilt inschakelen; zet de selectiehendel in stand N. of de auto met ingeschakelde versnelling moet worden geparkeerd ( R, A of M ); zet de selectiehendel in de gewenste stand alvorens de motor af te zetten. In dat geval kan de auto niet meer worden verplaatst. In alle gevallen moet echter altijd de handrem worden bediend. Controleer of het controlelampje voor de handrem op het instrumentenpaneel brandt. IX Houd de auto op een helling niet met behulp van het gaspedaal op zijn plaats. Gebruik het rempedaal of de elektrisch bediende handrem. Controleer alvorens werkzaamheden in de motorruimte uit te voeren of de selectiehendel in de neutraalstand N staat. 5 Bij hoge motortoerentallen (felle acceleratie) kan een hogere versnelling uitsluitend handmatig door de bestuurder met de flippers worden ingeschakeld.

155 RIJDEN Het Stop & Start-systeem zet de motor tijdelijk af (STOP-stand) als u stopt (bij rood licht, opstoppingen enz.). De motor wordt automatisch gestart (START-stand) als u weer weg wilt rijden. Het starten gebeurt direct, snel en stil. Het Stop & Start-systeem is perfect afgestemd op stadsgebruik en zorgt voor een lager brandstofverbruik, minder uitstoot van schadelijke stoffen en een aangename rust in het interieur tijdens het wachten. Werking Overgang naar de STOP-stand Het verklikkerlampje "ECO" op het instrumentenpaneel gaat branden en de motor wordt in de STOP-stand gezet: Als uw auto is uitgerust met een teller, wordt de duur van de momenten dat de motor afgezet is, opgeteld en weergegeven. Elke keer als u het contact opnieuw aanzet, wordt deze teller op 0 gezet. Het systeem werkt de eerste 0 seconden na het inschakelen van de achteruitversnelling niet. Als de motor door het systeem in de STOP-stand wordt gezet, blijven alle andere componenten zoals de remmen en de stuurbekrachtiging normaal functioneren. Tank nooit als de motor door het Stop & Start-systeem in de STOP-stand is gezet. Zet in dat geval altijd het contact af en neem de sleutel uit het contactslot. Bijzonderheden: STOP-stand niet beschikbaar De STOP-stand wordt niet geactiveerd als: - het bestuurderportier geopend is, - de veiligheidsgordel van de bestuurder losgemaakt is, - de auto sinds de laatste start met de sleutel niet sneller dan 0 km/h heeft gereden, - de elektrische parkeerrem wordt/ is aangetrokken, - de klimaatregeling in het interieur dat niet toelaat, - de voorruitontwaseming is ingeschakeld, - er bepaalde bijzondere omstandigheden zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur, rembekrachtiging, buitentemperatuur...). In dit geval knippert het verklikkerlampje "ECO" een paar seconden, waarna het uitgaat. Deze werking van het systeem is volkomen normaal. IX - als u, bij een gestuurde handgeschakelde versnellingsbak, bij een snelheid lager dan 8 km/h het rempedaal intrapt of de selectiehendel in de stand N zet. 5

156 RIJDEN Overgang naar de START-stand Bijzonderheden: automatisch activeren van de START-stand Uitschakelen IX Het verklikkerlampje "ECO" gaat uit en de motor wordt automatisch gestart (gestuurde handgeschakelde versnellingsbak) : - met de selectiehendel in de stand A of M, laat het rempedaal los, - met de selectiehendel in de stand N en het rempedaal niet ingetrapt, zet de selectiehendel in de stand A of M, - of schakel de achteruit in. De START-stand wordt automatisch geactiveerd als: - het bestuurderportier geopend is, - de veiligheidsgordel van de bestuurder losgemaakt is, - de snelheid van de auto hoger is dan km/h (gestuurde handgeschakelde versnellingsbak), - de elektrische parkeerrem wordt aangetrokken, - er bepaalde bijzondere omstandigheden zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur, rembekrachtiging, instelling airconditioning...). Het verklikkerlampje "ECO" knippert een paar seconden en gaat dan uit. Dat onder deze omstandigheden de START-stand wordt geactiveerd, is volkomen normaal. U kunt deze functie op elk willekeurig moment uitschakelen door de schakelaar "ECO OFF" in te drukken. Het verklikkerlampje in de schakelaar gaat branden en er verschijnt een melding op het display. Als het systeem in de STOP-stand wordt uitgeschakeld, dan wordt de motor direct weer gestart. Inschakelen Druk nogmaals op de schakelaar "ECO OFF". Het systeem is dan weer ingeschakeld; het verklikkerlampje in de schakelaar gaat uit en er wordt een melding op het display weergegeven. Het systeem wordt automatisch ingeschakeld zodra u het contact opnieuw aanzet. 5

157 RIJDEN Storingen Onderhoud Schakel omwille van de veiligheid het Stop & Startsysteem altijd uit als u handelingen onder de motorkap wilt uitvoeren. Bij een storing in het systeem gaat het verklikkerlampje in de schakelaar "ECO OFF" knipperen en vervolgens constant branden. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalifi ceerde werkplaats. Als er in de STOP-stand een storing zou optreden, kan het zijn dat de motor niet meer wil aanslaan of direct afslaat. Zet in dat geval het contact af en start de auto dan met behulp van de sleutel. Dit systeem heeft specifieke kenmerken en maakt gebruik van een speciale V-accu (raadpleeg voor meer informatie het CITROËN-netwerk). Het gebruik van een andere dan de door CITROËN voorgeschreven accu's kan leiden tot storingen in het systeem. Maak voor het opladen van de Vaccu gebruik van een V-acculader. De polariteiten mogen hierbij niet worden omgekeerd. IX Het Stop & Start-systeem maakt gebruik van geavanceerde technologie. Laat eventuele werkzaamheden uitvoeren bij een gekwalificeerde werkplaats, bijvoorbeeld een servicepunt van het CITROËN-netwerk, die over alle deskundigheid en speciale gereedschappen beschikt. 55

158 RIJDEN AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK Displayweergave Bij de automatische versnellingsbak kunt u kiezen uit het comfort van geheel automatisch schakelen of handmatig schakelen. U kunt kiezen uit twee rijstanden: - een geautomatiseerde stand, waarbij het schakelen elektronisch geregeld wordt door de versnellingsbak, - een sequentiële stand, waarbij de bestuurder zelf kan schakelen. Multifunctioneel display A of C Multifunctioneel display MyWay of NaviDrive IX Selecteren van de stand Automatische stand: selectiehendel in stand D. Sequentiële stand: selectiehendel in stand M. De positie van de selectiehendel wordt links op het instrumentenpaneel weergegeven bij het multifunctionele display A en C en rechts bij het multifunctionele display van de MyWay en de NaviDrive. U kunt de ingeschakelde versnelling eveneens zien aan de hand van een schakelcoulisse bij de selectiehendel. U kunt alleen uit de stand P schakelen als u uw voet op het rempedaal houdt. Als u een portier opent, un klinkt er een geluidssignaal om aan te geven dat de selectiehendel niet in de stand P staat. Let erop dat de selectiehendel altijd in de stand P staat voordat u de auto verlaat. Als volgens het display de versnellingsbak zich in stand P bevindt en de positie van de selectiehendel hiervan afwijkt, zet de selectiehendel dan in stand P om de motor te kunnen starten. Trap nooit gelijktijdig het rempedaal en het gaspedaal in. Gebruik uitsluitend uw rechtervoet voor het gasgeven en remmen. De versnellingsbak kan beschadigd raken als beide pedalen gelijktijdig worden ingetrapt. 56

159 RIJDEN Wegrijden Om er zeker van te zijn dat de weergegeven stand altijd de ingeschakelde stand is, dient u uit de stand P te schakelen met aangezet contact terwijl u het rempedaal ingetrapt houdt. Voet op rempedaal Trap het rempedaal in zodra dit lampje op het instrumentenpaneel knippert, om de selectiehendel uit stand P te verwijderen. Achteruitversnelling Schakel deze stand alleen in als de auto stilstaat. Geef na het inschakelen niet direct gas, om schokken te vermijden. Neutraalstand Schakel nooit stand N in tijdens het rijden. Om de motor te starten, houdt u het rempedaal ingetrapt en zet u de selectiehendel in stand P. Bedien de startmotor. Plaats bij draaiende motor de selectiehendel in stand R, D of M. Controleer op het instrumentenpaneel de ingeschakelde stand. Laat het rempedaal los en geef gas. Als de selectiehendel niet in de stand P staat, verschijnt op het multifunctionele display de melding "Schakel de automatische versnellingsbak in de stand P ". Tevens klinkt er een geluidssignaal en wordt P knipperend weergegeven op het instrumentenpaneel. Parkeerstand Deze stand van de selectiehendel wordt gebruikt om te voorkomen dat de geparkeerde auto zich kan verplaatsen. Zet voor het selecteren van stand P de selectiehendel in de bovenste stand (R) en beweeg hem vervolgens naar voren en naar links. Verwijder de selectiehendel uit stand P naar rechts tot in de gewenste stand. Schakel deze stand alleen in als de auto volledig stilstaat. In deze stand zijn de voorwielen geblokkeerd. Controleer of de selectiehendel in de juiste stand staat. Schakel nooit de standen P of R in als de auto nog niet stilstaat. Als stand N tijdens het rijden abusievelijk wordt ingeschakeld, laat het motortoerental dan eerst terugvallen naar stationair alvorens stand D of M in te schakelen. IX 57

160 RIJDEN IX Automatische werking Stand van de selectiehendel voor het automatisch schakelen. Plaats de selectiehendel in stand D. De versnellingsbak kiest altijd een versnelling die het best past bij de volgende factoren: - rijstijl, - wegdek, - belading van de auto. De versnellingsbak werkt nu volgens het autoadaptatieve principe, dus zonder dat u zelf hoeft te schakelen. Bij sommige manoeuvres (bijvoorbeeld inhalen) is het mogelijk maximaal te accelereren door het gaspedaal volledig in te drukken, waarbij het mogelijk is dat automatisch een lagere versnelling wordt ingeschakeld. Bij het afremmen kan de versnellingsbak automatisch terugschakelen voor het beter afremmen op de motor. Als u uw voet plotseling van het gaspedaal neemt, schakelt de versnellingsbak niet op. Tijdelijk handmatig schakelen Door flipper "+" of "-" te bedienen kunt u op elk moment tijdelijk handmatig schakelen om direct een andere versnelling te kiezen. De automatische stand blijft op de achtergrond actief. Controlelampje D op het instrumentenpaneel blijft branden. Dankzij deze functie kunt u op bepaalde situaties anticiperen, bijvoorbeeld bij het naderen van een bocht of het inhalen van een voertuig. 58

161 RIJDEN Handmatig schakelen - In verband met de veiligheid kan het terugschakelen en opschakelen afhankelijk van het motortoerental automatisch plaatsvinden. - Het verplaatsen van de selectiehendel van stand D naar stand M of omgekeerd is op elk moment mogelijk. Stand van de selectiehendel voor het handmatig schakelen. Plaats de selectiehendel in stand M. Trek flipper "+" naar u toe om op te schakelen. Trek flipper "-" naar u toe om terug te schakelen. - Bij het stoppen van de auto of bij lage snelheden (vlak voor het stoppen bijvoorbeeld) schakelt de versnellingsbak automatisch terug tot in de e versnelling. - In de sequentiële stand hoeft u het gaspedaal tijdens het schakelen niet los te laten. - Een schakelverzoek wordt alleen geaccepteerd als het motortoerental dit toelaat. Het knipperen van het pictogram van de gewenste stand betekent dat deze stand nog niet is ingeschakeld. Het pictogram brandt permanent ter bevestiging dat de stand ingeschakeld is. Als een streepje in de toerenteller verschijnt, betekent dit dat een storing aanwezig is. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Als het waarschuwingslampje SERVICE gaat branden, vergezeld van een melding en een geluidssignaal, betekent dit een onjuiste werking. In dat geval: - kan bij het kiezen van R voor de achteruitversnelling een harde schok merkbaar zijn, - is de versnellingsbak geblokkeerd in een versnelling, - mag u niet harder rijden dan 00 km/h. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. IX 59

162 RIJDEN STUUR MET TOETSEN OP DE VASTE NAAF Toetsen voor snelheidsregelaar/ snelheidsbegrenzer en parkeerplaatsassistent. Parkeerplaatsassistent inschakelen.. Snelheidsregelaar of snelheidsbegrenzer selecteren.. Snelheidsbegrenzing activeren/ uitschakelen. Snelheidsregeling uitschakelen/ hervatten.. Snelheid verhogen/ snelheidsregelaar activeren. 5. Snelheid verlagen/ snelheidsregelaar activeren. Toetsen van het audiosysteem A. Volume verlagen. B. Volume verhogen. C. Zenderzoeken in opwaartse richting. D. Oproepen voorkeuzezenders. E. Geluid onderbreken (Mute). (zie hoofdstuk "Audio en datacommunicatie") IX 60

163 RIJDEN Toetsen voor optionele functies. Telefoon opnemen/verbinding verbreken (zie hoofdstuk Audio en datacommunicatie).. Regeling dashboardverlichting voor bestuurdersplaats.. Activeren van spraakherkenning (zie hoofdstuk "Audio en datacommunicatie").. Programmeerbare toets: - inschakelen/uitschakelen plafondverlichting of - diagnose. Houd deze toets lander dan seconden ingedrukt voor de instellingen van deze functie. 5. Luchtrecirculatie. TOETSEN VOOR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY A. Selecteren van informatie die rechts op het display wordt weergegeven (autoradio, boordcomputer, navigatie/routebegeleiding ). Bij multifunctioneel display A naar wens in- en uitschakelen van persoonlijke functies en instellingen. B. Toegang tot het "Hoofdmenu" *. C. Bevestigen van de gekozen functie of de gewijzigde waarde. Opnemen/verbinding verbreken (zie hoofdstuk "Audio en datacommunicatie"). D. Scrollen door het multifunctionele display. E. Annuleren van de actuele bewerking of terug naar het vorige scherm. IX * Afhankelijk van de nationale wetgeving is de toets "Menu" tijdens het rijden uitgeschakeld. 6

164 RIJDEN SNELHEIDSBEGRENZER Dit hulpsysteem maakt het mogelijk een maximumsnelheid te selecteren die u niet wilt overschrijden. Als de ingestelde snelheid is bereikt, reageert het gaspedaal niet meer op uw commando's. De snelheidsbegrenzer wordt handmatig ingeschakeld: de ingestelde snelheid moet hoger zijn dan 0 km/h. Bij het gebruik van de snelheidsbegrenzer moet de bestuurder te allen tijde de geldende snelheidslimieten in acht nemen, zijn aandacht op het verkeer blijven vestigen en zijn verantwoordelijkheid nemen. Bediening op het stuurwiel Weergave op het instrumentenpaneel De informatie met betrekking tot de begrenzer wordt weergegeven op het display van het instrumentenpaneel bij A. Instellen Draai knopje in de stand "LIM ". U kunt met draaiende motor de opgeslagen maximumsnelheid instellen door de volgende bedieningsorganen snel achter elkaar in te drukken of lang ingedrukt te houden: toets, om de opgeslagen maximumsnelheid te verhogen, toets, om de opgeslagen maximumsnelheid te verlagen. Door de betreffende toets snel achter elkaar in te drukken kunt u de maximumsnelheid wijzigen in stappen van km/h en door de toets lang ingedrukt te houden in stappen van 5 km/h. Activeren Druk op toets wanneer de gewenste maximumsnelheid wordt weergegeven om de begrenzer in te schakelen. De melding "OFF" verdwijnt op het display van het instrumentenpaneel. IX De toetsen van de snelheidsbegrenzer bevinden zich links op het stuur. Bij selectie van de functie verschijnen de laatst opgeslagen snelheid en de melding "OFF" op het instrumentenpaneel. Als de functie geactiveerd is, kunt u door het bedienen van het gaspedaal de geprogrammeerde snelheid niet overschrijden, behalve als u het pedaal volledig indrukt om de eindstandschakelaar te activeren. De snelheid van de auto kan enigszins variëren ten opzichte van de ingestelde snelheid. 6

165 RIJDEN Deactiveren Druk op toets. Hierdoor verschijnt de melding "OFF" op het display van het instrumentenpaneel. Als tijdens de snelheidsbegrenzing het systeem niet in staat is de maximumsnelheid aan te houden (met name bij een steile afdaling of een te snelle acceleratie), gaat de snelheidsaanduiding knipperen. Pas zo nodig uw tempo aan. De functie wordt opnieuw geactiveerd als uw snelheid weer onder de ingestelde maximumsnelheid komt. Storing Bij een storing verschijnt een melding op het instrumentenpaneel, terwijl u een geluidssignaal hoort en het SERVICE-lampje oplicht. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. De ingestelde maximumsnelheid wordt hierbij niet gewist en blijft zichtbaar op het instrumentenpaneel, bij A. Overschrijden van de ingestelde snelheid Het gaspedaal is uitgerust met een eindstandschakelaar. Deze schakelaar wordt bediend door het gaspedaal volledig in te drukken, zodat het altijd mogelijk is de ingestelde maximumsnelheid te overschrijden. Zolang de snelheid wordt overschreden, knippert de snelheidsaanduiding. U hoeft vervolgens alleen maar het gaspedaal los te laten, zodat de auto vertraagt tot onder de maximumsnelheid en de functie opnieuw wordt geactiveerd. Uitschakelen Door het knopje van de stand "LIM" naar de stand 0 te draaien. Bij het afzetten van de motor. De eerder ingestelde snelheid blijft opgeslagen. Bij een steile afdaling of bij een snelle acceleratie kan de snelheidsbegrenzer niet voorkomen dat de ingestelde snelheid wordt overschreden. Het gebruik van niet door CITROËN goedgekeurde automatten kan het indrukken van het gaspedaal hinderen en de werking van de snelheidsbegrenzer belemmeren. Voorkom dat de pedalen blokkeren: - zorg dat de matten correct zijn geplaatst, - leg nooit meerdere matten over elkaar. IX 6

166 RIJDEN IX 6 SNELHEIDSREGELAAR Dit systeem houdt de snelheid van de auto automatisch op een door de bestuurder ingestelde waarde, zonder dat hij daarvoor het gaspedaal ingetrapt hoeft te houden. U schakelt de snelheidsregelaar handmatig in. Hiertoe moet de auto wel met een minimale snelheid van 0 km/h rijden en dient ook nog aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan: - de handbediende versnellingsbak moet in de vierde versnelling geschakeld zijn, - bij een EGS-versnellingsbak of automatische versnellingsbak in de sequentiële stand moet de tweede versnelling zijn ingeschakeld, - stand A van de EGS-versnellingsbak of stand D van de automatische versnellingsbak moet ingeschakeld zijn. De bestuurder dient zich ondanks het gebruik van de snelheidsregelaar te allen tijde te houden aan de geldende snelheidsbeperkingen, oplettend te zijn en zich verantwoordelijk te gedragen. Bedieningsorganen op het stuurwiel De toetsen van de snelheidsregelaar bevinden zich links op het stuurwiel. Weergave op het instrumentenpaneel De informatie over de programmering wordt weergegeven op het display in het instrumentenpaneel bij A. Programmeren Draai knopje in de stand REG. Inschakelen Bij selectie van de functie met kartelknop wordt nog geen kruissnelheid opgeslagen. Druk op toets of als met behulp van het gaspedaal de gewenste snelheid is bereikt. Deze kruissnelheid wordt opgeslagen en wordt tevens weergegeven op het instrumentenpaneel, bij A. U kunt nu het gaspedaal loslaten. De auto houdt de gekozen snelheid automatisch aan. De snelheid van de auto kan enigszins variëren ten opzichte van de ingestelde snelheid. U kunt de in het instrumentenpaneel weergegeven geprogrammeerde snelheid aanpassen door het indrukken van: toets om de snelheid te verhogen, toets om de snelheid te verlagen. Door de betreffende toets snel achter elkaar in te drukken kunt u de kruissnelheid wijzigen in stappen van km/h en, door de toets lang ingedrukt te houden, in stappen van 5 km/h. Uitschakelen Door het intrappen van het remof koppelingspedaal. Door het indrukken van toets. Door het ingrijpen van de systemen ESP of ASR. De snelheidsregelaar wordt uitgeschakeld als de versnellingshendel of de selectiehendel zich in de neutraalstand bevindt. Bij al deze ingrepen verschijnt de melding OFF in het display in het instrumentenpaneel. De kruissnelheid wordt hierbij niet gewist en blijft zichtbaar op het instrumentenpaneel.

167 RIJDEN Opnieuw inschakelen Door het oproepen van de opgeslagen snelheid Druk na het uitschakelen van de snelheidsregelaar op toets. Het systeem versnelt of vertraagt de auto automatisch tot de opgeslagen kruissnelheid, zoals weergegeven bij A. Als de opgeslagen kruissnelheid hoger is dan de actuele snelheid, versnelt de auto vlot naar de ingestelde snelheid. Door het selecteren van de actuele snelheid Druk op toets of zodra de gewenste snelheid is bereikt. De melding OFF verdwijnt van het display in het instrumentenpaneel. Overschrijden van de geprogrammeerde snelheid Met ingeschakelde regelaar is het altijd mogelijk, door het gaspedaal te bedienen, de kruissnelheid te overschrijden (bijvoorbeeld bij het inhalen): de snelheidsaanduiding bij A knippert. Als u vervolgens het gaspedaal loslaat, vertraagt de auto weer tot de opgeslagen kruissnelheid. Als tijdens de snelheidsregeling het systeem niet in staat is de kruissnelheid aan te houden (steile afdaling), gaat de snelheidsaanduiding knipperen. Pas zo nodig uw tempo aan. Uitschakelen Door het knopje van de stand REG in de stand 0 te draaien. Bij het afzetten van de motor. De eerder gekozen kruissnelheid wordt niet opgeslagen. Storing Bij een storing verschijnt een melding op het instrumentenpaneel, terwijl u een geluidssignaal hoort en het SERVICE-lampje oplicht. Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. De snelheidsregelaar mag uitsluitend worden gebruikt als de rijomstandigheden een constante snelheid toelaten. Gebruik de regelaar niet in druk verkeer, op heuvelachtig terrein, op gladde wegen of onder andere moeilijke rijomstandigheden. De bestuurder moet oplettend blijven en altijd de volledige controle houden over de auto. Aanbevolen wordt de voeten altijd in de buurt van de pedalen te houden. Voorkom dat de pedalen blokkeren: - zorg dat de matten correct zijn geplaatst, - leg nooit verscheidene matten over elkaar. IX 65

168 RIJDEN INTELLIGENTE PARKEERHULP IX Dit systeem meet de afmetingen van een parkeerplek tussen twee auto's of obstakels en geeft informatie over: - de mogelijkheid te parkeren in een lege parkeerplaats, aan de hand van een model van uw auto en de benodigde afstanden voor het manoeuvreren, - de moeilijkheidsgraad van het inparkeren. Het systeem meet geen parkeerruimtes op waarvan de afmetingen aanmerkelijk groter of kleiner zijn dan het model van de auto. Weergave op het instrumentenpaneel Het controlelampje van de intelligente parkeerhulp kan drie verschillende toestanden aangeven: - gedoofd: de functie is niet ingeschakeld, - permanent brandend: de functie is ingeschakeld, maar er is nog niet aan de meetvoorwaarden voldaan (richtingaanwijzer niet bediend, snelheid te hoog) of de meting is beëindigd, - knipperend: bezig met meten, of de melding wordt weergegeven. U kunt de intelligente parkeerhulp inschakelen door de schakelaar A in te drukken. Een constant brandend controlelampje geeft aan dat de functie geselecteerd is. 66

169 RIJDEN Werking U hebt een beschikbare parkeerplek ontdekt: Druk op de schakelaar A om de functie in te schakelen. Schakel de richtingaanwijzer aan de zijde van de parkeerplek in. Rijd tijdens de meting langs de parkeerplek, met een snelheid van minder dan 0 km/h, en bereid u voor op het inparkeren. Het systeem meet nu de afmetingen van de plek. Het systeem geeft de moeilijkheidsgraad voor het inparkeren aan met een melding op het multifunctionele display, in combinatie met een geluidssignaal. De functie kan de volgende meldingen weergeven: Inparkeren mogelijk Inparkeren moeilijk Inparkeren niet aanbevolen De functie wordt automatisch uitgeschakeld: - bij het inschakelen van de achteruitversnelling, - bij het afzetten van het contact, - vijf minuten na het selecteren van de functie of de laatste meting, - als gedurende langer dan een minuut met meer dan 70 km/h wordt gereden. Als de zijdelingse afstand tussen uw auto en de parkeerplek te groot is, bestaat de kans dat het systeem geen meting uitvoert. - De functie blijft na elke meting beschikbaar, zodat bij meerdere opeenvolgende parkeerplekken een meting kan worden uitgevoerd. - Let er bij slecht weer en in de winter op dat de sensoren niet vervuild of bevroren zijn of met sneeuw bedekt zijn. - De functie intelligente parkeerhulp schakelt de parkeerhulp aan de voorzijde tijdens de meting uit zolang de auto vooruitrijdt. IX Laat het systeem bij een storing controleren bij het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. 67

170 RIJDEN IX LANE DEPARTURE WARNING SYSTEM (LDWS) Dit systeem registreert wanneer de bestuurder onvrijwillig een rijstrookmarkering (doorgetrokken of onderbroken streep) overschrijdt. Op basis van de signalen van sensoren in de voorbumper wordt de bestuurder gewaarschuwd als de auto de markering overschrijdt (bij een wagensnelheid hoger dan 80 km/h). Dit systeem werkt optimaal op snelwegen en autowegen. Het Lane Departure Warning System is een hulpmiddel voor de bestuurder, die desondanks waakzaam moet blijven en verantwoordelijk is. Activering Druk op de knop: het lampje gaat branden. Uitschakelen Druk opnieuw op de knop: het lampje gaat uit. De status van het systeem blijft na het afzetten van het contact in het geheugen opgeslagen. Detectie U wordt gewaarschuwd door het trillen van de zitting van de bestuurdersstoel: - rechts: als de rechter rijstrookmarkering wordt overschreden, - links: als de linker rijstrookmarkering wordt overschreden. Als de richtingaanwijzer is ingeschakeld, en ongeveer 0 seconden nadat deze is uitgeschakeld, wordt er geen enkele waarschuwing gegeven. Het is mogelijk dat een waarschuwing wordt gegeven bij het overschrijden van een pijl op de weg of een niet-officiële markering (bijv. graffiti). Storing In het geval van een storing gaat dit controlelampje branden vergezeld van een geluidssignaal en een melding op het display. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Er kunnen storingen in de detectie optreden: - als de sensoren vuil zijn (modder, sneeuw,...), - als de rijstrookmarkeringen weggesleten zijn, - als er weinig contrast is tussen het wegdek en de markeringen. 68

171 RIJDEN PARKEERHULP Parkeerhulp achter Deze functie signaleert met behulp van sensoren in de bumper obstakels in de nabijheid van de auto (personen, auto's, bomen, slagbomen, enz.) die binnen het detectiebereik vallen. Bepaalde obstakels (paaltjes, pionnen, enz.) die aanvankelijk wel worden gedetecteerd, worden door dode hoeken in het detectiebereik mogelijk niet meer gedetecteerd als ze zich vlak bij de auto bevinden. De functie wordt geactiveerd zodra de achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Hierbij klinkt een geluidssignaal. Zodra de achteruitversnelling wordt uitgeschakeld, is de functie niet meer actief. Geluidssignalen De bestuurder wordt via een onderbroken geluidssignaal gewaarschuwd bij het naderen van obstakels. De frequentie van het geluidssignaal neemt toe naarmate de auto het obstakel nadert. Aan de weergave van het geluidssignaal via de luidspreker (rechts of links) is te herkennen aan welke zijde van de auto het obstakel zich bevindt. Zodra de afstand tussen de auto en het obstakel kleiner wordt dan dertig centimeter, klinkt het geluidssignaal ononderbroken. Grafische weergave De grafische weergave is een aanvulling op het geluidssignaal. Op het multifunctionele display worden blokjes weergegeven die het pictogram van de auto steeds dichter naderen. Als de auto het obstakel zeer dicht genaderd is, verschijnt ook het symbool "Gevaar" op het display. IX Deze functie is een hulpsysteem: de bestuurder dient altijd alert te blijven en is zelf verantwoordelijk. 69

172 RIJDEN Parkeerhulp vóór De parkeerhulp vóór is een aanvulling op de parkeerhulp achter en wordt geactiveerd zodra er bij een wagensnelheid van maximaal 0 km/h vóór de auto een obstakel wordt gedetecteerd. De parkeerhulp vóór wordt uitgeschakeld zodra de auto langer dan drie seconden stilstaat met een ingeschakelde versnelling vooruit, als er geen obstakel meer wordt gedetecteerd of wanneer de wagensnelheid hoger wordt dan 0 km/h. Aan de hand van het geluid dat via de luidspreker (voor of achter) wordt weergegeven, is te herkennen of het obstakel zich voor of achter de auto bevindt. Storing Als er een storing optreedt, gaat bij het inschakelen van de achteruitversnelling dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel branden en/of wordt er een bericht op het display weergegeven, in combinatie met een geluidssignaal (korte pieptoon). Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. IX Uitschakelen/activeren van de parkeerhulp vóór en achter De functie kan worden uitgeschakeld door deze knop in te drukken. Het controlelampje in de knop gaat branden. Door de knop opnieuw in te drukken wordt de functie weer geactiveerd. Het controlelampje dooft. De functie wordt automatisch uitgeschakeld zodra een aanhanger wordt aangekoppeld of een fietsendrager wordt gemonteerd (auto's voorzien van een door CITROËN aanbevolen trekhaak of fietsendrager). Controleer bij slecht weer of in winterse omstandigheden of de sensoren soms bedekt zijn met modder, ijs of sneeuw. Bij het inschakelen van de achteruitversnelling geeft een geluidssignaal (lange pieptoon) aan dat de sensoren vuil kunnen zijn. Als de snelheid van de auto lager is dan 0 km/h, kan de parkeerhulp geluidssignalen geven als reactie op bepaalde omgevingsgeluiden (motoren, vrachtwagens, drilboren, enz.). 70

173 RIJDEN LUCHTVERING Grand C Picasso C Picasso De luchtvering op de achteras zorgt voor een groter rijcomfort en past de voertuighoogte continu aan de belading van de auto aan. Werking - Bij een toename van de belading wordt het inzakken van de auto gedetecteerd, waarna de luchtveren worden gevuld om zich aan deze extra belasting aan te passen. - Als de belasting weer afneemt, wordt het omhooggaan van de auto gedetecteerd. De luchtveren lopen leeg om de auto weer op de nominale hoogte te brengen. - Als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt, worden de luchtveren weer gevuld bij het ontgrendelen of openen van een portier, zodat de auto weer zijn nominale hoogte bereikt. Als u het systeem niet handmatig opnieuw activeert, wordt de automatische correctie geactiveerd zodra de auto begint te rijden. Tijdens de correctie brandt het SERVICE-lampje en verschijnt een melding op het display die u eraan herinnert dat u niet sneller dan 0 km/h mag rijden. De automatische correctie werkt niet als portieren of achterklep geopend zijn. De automatische correctie werkt ook als de Eco-mode is ingeschakeld. Inschakelen/uitschakelen De automatische correctie kan worden uitgeschakeld: druk de toets B aan de linkerzijde in de bagageruimte gedurende circa twee seconden in, laat de toets los als een geluidssignaal klinkt. Het uitschakelen wordt bevestigd door het branden van het controlelampje in de toets B. Het systeem moet in de volgende gevallen worden uitgeschakeld: - werken onder de auto, - verwisselen van een wiel, - vervoeren van de auto op een vrachtwagen of boot. Om de automatische correctie weer in te schakelen: druk de toets B opnieuw gedurende circa twee seconden in, laat de toets los als een geluidssignaal klinkt. Het inschakelen wordt bevestigd door het doven van het controlelampje in de toets B. IX Bij een storing van het systeem worden waarschuwingen op het display weergegeven, altijd in combinatie met het waarschuwingslampje SERVICE. Raadpleeg het CITROËN -netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. 7

174 RIJDEN IX Hulp bij het in- en uitladen Grand C Picasso C Picasso De luchtvering beschikt nog over een extra functie: de mogelijkheid de auto bij stilstand omlaag of omhoog te brengen, om het in- of uitladen van voorwerpen in de bagageruimte te vergemakkelijken. Verhogen van de tildrempel van de bagageruimte Houd de bovenzijde van de toets A op de zijwand van de bagageruimte ingedrukt. Tijdens de beweging is een geluidssignaal hoorbaar. U kunt de beweging op elk moment onderbreken door de toets weer los te laten. Als de eindstand wordt bereikt, zijn pieptonen hoorbaar. De nominale hoogte weer innemen Druk de onderzijde van de toets A tweemaal kort in. Verlagen van de tildrempel van de bagageruimte Houd de onderzijde van de toets A ingedrukt. Tijdens de beweging is een geluidssignaal hoorbaar. U kunt de beweging op elk moment onderbreken door de toets weer los te laten. Als de eindstand wordt bereikt, zijn pieptonen hoorbaar. De nominale hoogte weer innemen Druk de bovenzijde van de toets A tweemaal kort in. Bijzonderheden: - als u de motor start terwijl de auto nog niet op de nominale hoogte is, wordt de automatische correctie geactiveerd zodra de auto begint te rijden. Tijdens de correctie brandt het SERVICE-lampje en verschijnt een melding op het display die u eraan herinnert dat u niet sneller dan 0 km/h mag rijden. - de hulp bij het inladen werkt niet: - als het controlelampje in de toets B brandt, - in de Eco-mode, - houd bij het eerste gebruik de toets A twee seconden ingedrukt om de functie te initialiseren. Alle volgende bedieningen worden zonder vertraging uitgevoerd. Als u met een te lage tildrempel van de bagageruimte gaat rijden, kunnen onderdelen onder de auto beschadigd raken. 7

175 ONDERHOUD PARTNERS IN PRESTATIES EN RESPECT VOOR HET MILIEU Innovatie voor nog betere prestaties Sinds meer dan 0 jaar ontwikkelen de Research & Development-teams van TOTAL voor CITROËN smeermiddelen die geschikt zijn voor de nieuwste technologieën die in auto s van het merk CITROËN worden toegepast, zowel voor wedstrijddoeleinden als gebruik in het dagelijkse leven. Zo kunt u rekenen op de beste prestaties van de motor. Een optimale bescherming van uw motor Het gebruik van TOTAL smeermiddelen bij het onderhoud van uw auto CITROËN zorgt voor een langere levensduur en betere prestaties van de motor waarbij tevens het milieu wordt gerespecteerd. prefereert 7

176 ONDERHOUD Openen Schakel het Stop & Startsysteem altijd uit als u handelingen onder de motorkap wilt uitvoeren, om letsel door het automatisch activeren van de START-stand te voorkomen. Duw de veiligheidshaak B naar links en til de motorkap op. De plaats van de ontgrendelingshendel in het interieur zorgt ervoor dat de motorkap niet geopend kan worden als het portier aan bestuurderszijde is gesloten. Verricht deze handeling uitsluitend bij stilstaande auto. Mijd het openen van de motorkap bij harde wind. Wees als de motor warm is voorzichtig bij het openen van de motorkap; de veiligheidshaak en de motorkapsteun kunnen heet zijn (kans op brandwonden). X Open het portier aan bestuurderszijde. Trek de hendel A aan de onderzijde van het portierkader naar u toe. Sluiten Haal de motorkapsteun uit de uitsparing. Bevestig de motorkapsteun in de houder. Laat de motorkap zakken en druk deze aan het einde van de slag in het slot. Trek aan de motorkap om te controleren of deze goed is vergrendeld. Neem de motorkapsteun C uit de houder. Bevestig de motorkapsteun in de uitsparing om de motorkap geopend te houden. 7

177 ONDERHOUD BRANDSTOFFILTER VAN DIESELMOTOR ONTLUCHTEN Afdekkap Aftappen van water uit het brandstoffilter Verwijderen Verwijder de beschermkap door deze eerst los te klikken bij en vervolgens bij en. Klik de kap bij punt los door deze naar u toe te trekken en licht de kap op. Terugplaatsen Zet de kap eerst vast bij. Laat de kap zakken terwijl u deze centreert. Zet de kap bij en vast terwijl u deze van boven losjes naar achteren duwt. Zet de kap bij punt vast terwijl u van boven drukt. Tap het systeem regelmatig af (elke keer dat de motorolie wordt ververst). Draai de aftapschroef of de detectiesensor water in de dieselbrandstof aan de onderzijde van het brandstoffilter los. Wacht tot al het water naar buiten is gestroomd. Draai vervolgens de aftapschroef of de detectiesensor water in de dieselbrandstof weer vast. X 75

178 ONDERHOUD BRANDSTOFTANK LEEGGEREDEN (DIESEL),6 l HDi-motor Verwijder de afdekkap om de brandstofopvoerpomp te kunnen bereiken. l HDi-motor Verwijder de afdekkap om de brandstofopvoerpomp te kunnen bereiken. Ontluchten van het brandstofcircuit In geval van pech door gebrek aan brandstof: vul de brandstoftank met minimaal vijf liter brandstof en bedien vervolgens de opvoerpomp met de hand, tot een zekere weerstand wordt gevoeld, start de motor en druk het gaspedaal iets in totdat de motor aanslaat. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, wacht dan vijftien seconden alvorens opnieuw te starten. Als de motor na diverse pogingen nog niet wil aanslaan, herhaal dan de procedure vanaf het begin. Geef, als de motor stationair draait, iets gas om het ontluchten geheel te voltooien. X De HDi-motoren zijn het resultaat van de meest vooruitstrevende technologie. Uitsluitend het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats mag werkzaamheden uitvoeren aan deze motoren. 76

179 ONDERHOUD BENZINEMOTOREN Dit overzicht is een hulpmiddel bij het controleren van de verschillende vloeistofniveaus en het vervangen van bepaalde onderdelen.. Reservoir stuurbekrachtiging.. Reservoir ruiten- en koplampsproeiers.. Reservoir koelvloeistof.. Luchtfilter. 5. Reservoir remvloeistof. 6. Accu/zekeringen. 7. Zekeringkast. 8. Motorolie (bij)vullen. 9. Oliepeilstok. X 77

180 ONDERHOUD X 78 DIESELMOTOREN Dit overzicht is een hulpmiddel bij het controleren van de verschillende vloeistofniveaus, het vervangen van bepaalde onderdelen en het ontluchten van het brandstofcircuit.. Reservoir stuurbekrachtiging.. Reservoir ruiten- en koplampsproeiers.. Reservoir koelvloeistof.. Reservoir remvloeistof. 5. Accu/zekeringen. 6. Zekeringkast. 7. Luchtfilter. 8. Motorolie (bij) vullen. 9. Oliepeilstok. 0. Handopvoerpomp *.. Ontluchtnippel *. Het brandstofcircuit staat onder hoge druk: werkzaamheden aan dit circuit zijn niet toegestaan. * Volgens motoruitvoering.

181 ONDERHOUD NIVEAUS CONTROLEREN Remvloeistofniveau Laat in het geval van een sterk gedaald niveau het desbetreffende circuit controleren door het CITROËNnetwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Controleer de onderstaande niveaus regelmatig en vul indien nodig bij, tenzij anders aangegeven. Let bij werkzaamheden onder de motorkap goed op, want bepaalde delen van de motor kunnen zeer heet zijn (kans op brandwonden). Motorolieniveau Na het bijvullen zal de olieniveaumeter op het dashboard bij het aanzetten van het contact na 0 minuten de juiste waarde aangeven. Olie verversen Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het verversingsinterval voor uw auto. Het remvloeistofniveau dient zich zo dicht mogelijk bij het merkteken "MAXI" te bevinden. Controleer indien dit niet het geval is of de remblokken van uw auto zijn versleten. Remvloeistof verversen Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het voorgeschreven verversingsinterval. Type remvloeistof Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven remvloeistof die voldoet aan de DOT-norm. Het motorolieniveau kan bij aangezet contact worden gecontroleerd via de motorolieniveaumeter op het instrumentenpaneel, of met de oliepeilstok. Een handmatige controle van het motorolieniveau is alleen betrouwbaar als de auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en de motor minstens 0 minuten niet heeft gedraaid. Het is normaal dat u tussen twee onderhoudsbeurten door olie moet bijvullen. CITROËN adviseert u om elke 5000 km het olieniveau te controleren en, indien nodig, olie bij te vullen. Om een verminderde betrouwbaarheid van de motor en de emissieregeling te voorkomen, is het gebruik van additieven in de motorolie niet toegestaan. Type motorolie Gebruik de door de fabrikant aanbevolen motorolie voor uw auto en motoruitvoering. Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau Het stuurbekrachtigingsvloeistofniveau dient zich zo dicht mogelijk bij het merkteken "MAXI" te bevinden. Draai bij koude motor de dop open om het niveau te controleren. X 79

182 ONDERHOUD Koelvloeistofniveau Niveau ruiten- en koplampsproeiervloeistof Afgewerkte producten X Het koelvloeistofniveau dient zich zo dicht mogelijk bij het merkteken "MAXI" te bevinden, maar mag beslist niet hoger zijn. Als de motor warm is, wordt de temperatuur van de koelvloeistof geregeld door de koelventilator. Deze kan ook bij afgezet contact werken. Bij uitvoeringen voorzien van een roetfilter kan de koelventilator bij afgezet contact nog (gaan) werken, zelfs bij koude motor. Wacht bovendien alvorens werkzaamheden aan het koelsysteem uit te voeren ten minste uur nadat de motor gedraaid heeft, omdat het koelsysteem onder druk staat. Draai om brandwonden te voorkomen de dop eerst omwentelingen los om de druk te laten dalen. Verwijder, als de druk eenmaal gedaald is, de dop en vul koelvloeistof bij. Koelvloeistof verversen De koelvloeistof behoeft niet te worden ververst. Wanneer uw auto is voorzien van koplampsproeiers, wordt een te laag vloeistofniveau van de ruiten- en koplampsproeiers aangegeven door een geluidssignaal en een melding op het display. Vul bij de eerstvolgende gelegenheid het reservoir bij. Type ruiten- en koplampsproeiervloeistof Voor een optimale reiniging en om het bevriezen van de sproeiers te voorkomen is het (bij)vullen van het reservoir met water niet toegestaan. Niveau brandstofadditief (diesel met roetfilter) Een te laag additiefniveau wordt aangegeven door het verklikkerlampje service in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunctionele display. Vermijd langdurig huidcontact met afgewerkte olie en andere vloeistoffen. De meeste van deze vloeistoffen zijn bijtend en schadelijk voor de gezondheid. Gooi afgewerkte olie en andere vloeistoffen niet in het riool, in het water of op de grond. Deponeer afgewerkte olie in de daarvoor bestemde containers bij het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Type koelvloeistof Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven koelvloeistof. Bijvullen Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk uitvoeren door het CITROËNnetwerk of eengekwalificeerde werkplaats. 80

183 ONDERHOUD CONTROLES Raadpleeg, tenzij anders aangegeven, de bladzijden in het onderhoudsboekje die betrekking hebben op de motoruitvoering van uw auto voor het laten controleren van bepaalde onderdelen volgens het onderhoudsschema van de constructeur. Laat de controles eventueel uitvoeren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. V-accu De accu is onderhoudsvrij. Niettemin is het raadzaam om regelmatig te controleren of de accupolen en - klemmen schoon zijn, vooral bij warm weer en in de winter. Raadpleeg voordat u de accukabels losneemt het hoofdstuk "Praktische informatie" voor meer informatie over de te nemen voorzorgsmaatregelen. Deze sticker, die hoort bij het Stop & Start-systeem, geeft aan dat er een speciale V loodaccu is gebruikt die alleen losgekoppeld en/of vervangen mag worden door het CITROËN-netwerk of door een gekwalifi ceerde werkplaats. Het negeren van deze aanwijzing kan ertoe leiden dat de accu vroegtijdig aan vervanging toe is. Luchtfilter en interieurfilter Laat de filters periodiek vervangen volgens de in het onderhoudsboekje aangegeven intervallen. Als de omgeving (veel stof...) en het gebruik (veel stadsverkeer...) daartoe aanleiding geven, moeten de filters twee keer zo vaak worden vervangen (zie paragraaf "Motoren"). Een verstopt interieurfilter kan de prestaties van de airconditioning verstoren en onaangename geuren veroorzaken. Oliefilter Laat bij het olie verversen tevens het oliefilter vervangen. Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het vervangingsinterval. Roetfilter (diesel) Als aanvulling op de katalysator levert dit filter een actieve bijdrage aan het verbeteren van de luchtkwaliteit door het tegenhouden van nietverbrande vuildeeltjes. Ook wordt zwarte uitlaatrook voorkomen. Nadat u langdurig met lage snelheden hebt gereden of nadat de motor langdurig stationair heeft gedraaid, kan het in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat waterdamp bij de uitlaat zichtbaar is bij het gas geven. Dit is niet van invloed op de werking van de auto of het milieu. Bij het gevaar van verstopping van het roetfilter verschijnt een melding op het multifunctionele display, vergezeld van een geluidssignaal en het branden van het waarschuwingslampje SERVICE. Deze waarschuwing wijst op een beginnende verzadiging van het roetfilter (veelvuldige stadsritten: lage snelheden, verkeersopstoppingen ). Om het filter te regenereren wordt aangeraden zo spoedig mogelijk, als de verkeerssituatie dit toelaat, gedurende ten minste 5 minuten met een snelheid van meer dan 60 km/h te gaan rijden (tot de waarschuwing verdwijnt). Raadpleeg als de waarschuwing aanwezig blijft het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. X 8

184 ONDERHOUD Handgeschakelde versnellingsbak De versnellingsbak is onderhoudsvrij (olie verversen niet noodzakelijk). Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het interval van de niveaucontrole. EGS-versnellingsbak met 6 versnellingen De versnellingsbak is onderhoudsvrij (olie verversen niet noodzakelijk). Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het interval van de niveaucontrole. Remblokken De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral bij stadsverkeer en veel korte ritten. Hierdoor kan het noodzakelijk blijken om de remblokken vaker, tussen twee onderhoudscontroles door, te laten controleren. Als het remsysteem vrij is van lekkages, duidt een te laag remvloeistofniveau erop dat de remblokken versleten zijn. Staat van remschijven Raadpleeg het CITROËNnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats voor informatie over het controleren van de slijtage van de remschijven. Elektrische parkeerrem Dit systeem hoeft niet apart gecontroleerd te worden. Als er zich toch een probleem voordoet, laat het systeem dan controleren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Raadpleeg voor meer informatie het hoofdstuk "Rijden - Elektrische parkeerrem - $ Storingen". X Automatische versnellingsbak De automatische versnellingsbak is onderhoudsvrij (olie verversen niet noodzakelijk). Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het interval van de niveaucontrole. 8

185 PRAKTISCHE INFORMATIE BANDENREPARATIESET Gebruik van de set De volledige set voor de reparatie van een band bestaat uit een compressor en een flacon met afdichtmiddel. Hiermee kunt u de band tijdelijk repareren, zodat u de dichtstbijzijnde garage kunt bereiken. Kruis het wiel waarvan de band gerepareerd moet worden aan op de bijgeleverde sticker met de snelheidslimiet en plak deze op het stuurwiel om u er aan te herinneren dat u met een tijdelijk gerepareerd wiel rijdt. Zet het contact af. Klik de flacon op de compressor. De bandenreparatieset bevindt zich onder de vloerplaat van de bagageruimte of achter het luik onder de voeten van de passagier op de tweede zitrij achter (open het luik door de schroef een kwartslag te draaien). Met deze reparatieset kunnen gaten met een diameter van maximaal mm in het loopvlak of de hiel van de band worden gedicht. Haal scherpe voorwerpen die in de band steken er niet uit. Controleer of de schakelaar A in de stand "0" staat. Sluit de slang van de flacon aan op het ventiel van de lekke band. Rol de slang van de compressor uit en verbind deze vervolgens met de flacon. Sluit de stekker van de compressor aan op de V-aansluiting in de auto. Start de motor en laat deze draaien. XI 8

186 PRAKTISCHE INFORMATIE Activeer de compressor door de schakelaar A in de stand "" te zetten, tot de bandenspanning,0 bar bedraagt. Als deze spanning niet binnen ongeveer drie minuten bereikt kan worden, kan de band niet worden gerepareerd. Roep in dat geval de hulp in van het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Verwijder de compressor en berg de fl acon op in de met de set meegeleverde plastic zak, zodat restanten van de vloeistof niet in de auto terecht kunnen komen. Rijd onmiddellijk ongeveer drie kilometer met beperkte snelheid (tussen 0 en 60 km/h), zodat het afdichtingsproduct het lek kan dichten. Zet de auto stil en controleer de reparatie en de bandenspanning. Sluit de slang van de compressor direct aan op het ventiel van de gerepareerde band. XI 8

187 PRAKTISCHE INFORMATIE Sluit de stekker van de compressor weer aan op de V-aansluiting in de auto. Start de motor opnieuw en laat de motor draaien. Breng de band met behulp van de compressor op de voorgeschreven spanning (spanning verhogen: schakelaar A in stand "" ; spanning verlagen: schakelaar A in stand "0" en knop B indrukken), zoals vermeld op de bandenspanningssticker in de opening van het bestuurdersportier, en controleer of het lek goed gedicht is (de bandenspanning mag na enkele kilometers niet zijn afgenomen). Verwijder de compressor en berg de reparatieset op. Rijd maximaal 80 km/h. Neem zo snel mogelijk contact op met het CITROËN-netwerk of met een gekwalificeerde werkplaats om de band door een specialist te laten repareren of vervangen. Let op: de flacon met afdichtmiddel bevat ethyleenglycol. Dit middel is schadelijk bij inname en irriterend voor de ogen. Houd het middel buiten het bereik van kinderen. De uiterste gebruiksdatum staat op de flacon vermeld. De flacon kan slechts één keer gebruikt worden en moet na gebruik dus worden vervangen, ook al is de flacon nog niet geheel leeg. Werp de flacon na gebruik niet weg, maar lever deze in bij het CITROËN-netwerk of een offi cieel inzamelpunt. Vergeet niet om bij het CITROËNnetwerk of bij een gekwalificeerde werkplaats een nieuwe flacon afdichtmiddel te kopen. Controlesysteem bandenspanning Als de auto is voorzien van het controlesysteem bandenspanning, zal het waarschuwingslampje te lage bandenspanning na de reparatie blijven branden totdat het systeem door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats opnieuw is geïnitialiseerd. XI 85

188 PRAKTISCHE INFORMATIE VERWISSELEN VAN EEN WIEL Toegang tot het gereedschap XI 86 Het gereedschap bevindt zich, afhankelijk van de uitvoering, onder de afdekking in de beenruimte op de tweede zitrij (de afdekking kan worden geopend door de schroef een kwartslag te draaien) of in de uitsparing onder de linkerstoel op de derde zitrij.. Sleutel voor het verwijderen van de naafdop bij lichtmetalen velgen * of. Gereedschap voor het verwijderen van de verchroomde boutafdekkingen bij lichtmetalen velgen *.. Centreergereedschap *.. Wielsleutel. 5. Krik met geïntegreerde slinger. 6. Antidiefstaldop (in het dashboardkastje) **. 7. Kort verlengstuk (C Picasso). 8. Lang verlengstuk (Grand C Picasso) (in de uitsparing onder de rechterstoel op de derde zitrij). 9. Twee wielblokken, voor het vervangen van een wiel of andere werkzaamheden aan de auto (ontgrendeling van de elektrische handrem). 0. Ontgrendelgereedschap voor de elektrische handrem.. Uitneembaar sleepoog. * Uitsluitend bij lichtmetalen velgen. ** Uitsluitend bij antidiefstalbouten. Schakel de alarmverlichting in, laat de inzittenden uitstappen en leid ze naar een veilige plaats, weg van het verkeer (achter de vangrails of in de berm). Ga nooit onder een auto liggen die slechts wordt ondersteund door een krik; gebruik op zijn minst bokken. De krik uit het boordgereedschap is speciaal voor uw auto ontworpen en mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Met het reservewiel mag een snelheid van 80 km/h niet worden overschreden. Monteer na reparatie zo snel mogelijk het originele wiel.

189 PRAKTISCHE INFORMATIE Toegang tot het reservewiel C Picasso Uitnemen van het reservewiel (C Picasso) Til de vloerbedekking op om toegang te krijgen tot de haspel aan de linkerzijde van de bagageruimte. Haal het verlengstuk 7 uit de gereedschapsset. Maak de opening van de haspel vrij. Steek het verlengstuk in de opening en plaats de kop van de wielsleutel op het verlengstuk. Draai het geheel rechtsom tot de aanslag om de kabel af te rollen: het reservewiel zakt nu op de grond. Trek het wiel naar u toe en maak het verbindingsstuk los door dit door het midden van het wiel te voeren. Grand C Picasso Uitnemen van het reservewiel (Grand C Picasso) Til de vloerplaat in de koffer op om toegang te krijgen tot de haspel aan de rechterzijde van de bagageruimte. Pak het verlengstuk 8. Dit zit vastgeklemd in het achterste gedeelte van de uitsparing onder de rechterstoel op de derde zitrij. Maak de opening van de haspel vrij. Steek het verlengstuk in de opening en plaats de kop van de wielsleutel op het verlengstuk. Draai het geheel rechtsom tot de aanslag om de kabel af te rollen: het reservewiel zakt nu op de grond. Trek het wiel naar u toe en maak het verbindingsstuk los door dit door het midden van het wiel te voeren. Opbergen van het wiel Breng het wiel aan met het ventiel aan de bovenzijde. Voer het verbindingsstuk door het midden van het wiel (verwijder eerst de naafdop bij sommige lichtmetalen velgen). Draai de haspel linksom zodat de kabel wordt opgerold. Als u merkt dat de haspel loos draait, is het wiel opgeborgen. Let erop dat het wiel goed tegen de onderzijde van de auto aanligt en dat het geen andere onderdelen raakt (bijvoorbeeld de uitlaat). Berg het gereedschap op. Als het defecte wiel onder de auto is aangebracht, is de bodemvrijheid beperkt. Let hier bijvoorbeeld op bij het achteruitrijden of het van een trottoir rijden. Het verwijderen van het reservewiel en het opbergen van het defecte wiel moet worden uitgevoerd terwijl de auto op zijn wielen staat. XI 87

190 PRAKTISCHE INFORMATIE Verwijderen van een wiel XI Plaats de auto op een horizontale, stevige en niet-gladde ondergrond en beveilig deze tegen wegrollen. Trek de handrem aan (weergave van een melding en branden van een controlelampje op het instrumentenpaneel). Zet het contact uit en schakel afhankelijk van de helling de eerste versnelling of de achteruitversnelling in (stand P bij een automatische versnellingsbak, D of R bij een EGS 6-versnellingsbak). Breng het wielblok zodanig aan dat de auto goed op zijn plaats wordt gehouden. Plaats het wielblok 9 vóór het wiel dat zich tegenover het defecte wiel bevindt. Verwijder de wieldop met het wielsleutel door bij de uitsparing voor het ventiel te trekken. Schuif bij auto s met lichtmetalen velgen het gereedschap voor het verwijderen van de naafdop in de uitsparing van de naafdop en druk deze met een kantelbeweging los. Verwijder bij auto s die zijn uitgerust met lichtmetalen velgen met zichtbare bouten de verchroomde boutafdekkingen met het demontagegereedschap. Draai de wielbouten los. Draai bij auto s met lichtmetalen velgen de antidiefstalmoer los met de antidiefstaldop 6. Breng de krik onder de auto aan bij krikpunt A, zo dicht mogelijk bij het te vervangen wiel. Draai de krik 5 uit totdat de voet van de krik de grond raakt. Zorg ervoor dat de as van de voet verticaal onder het krikpunt staat. Breng de auto omhoog. Verwijder de bouten alsmede het wiel. Voordat werkzaamheden aan de auto worden uitgevoerd moet de luchtvering worden uitgeschakeld. 88

191 PRAKTISCHE INFORMATIE Noodwiel Monteren van een wiel Maten van het reservewiel Als uw auto is uitgerust met een noodwiel, zult u bij de montage hiervan constateren dat de ringen van de wielbouten niet tegen de velg aankomen. Dit is normaal. Het reservewiel wordt op zijn plaats gehouden door de conische verdikking in de wielbouten. Let er bij het weer monteren van het originele wiel op dat de ringen en de wielbouten schoon zijn. Breng het wiel aan met het centreergereedschap. Draai de bouten met de hand vast en verwijder het centreergereedschap. Breng de e bout aan. Draai de bouten voorlopig vast met de wielsleutel. Draai de krik 5 in en verwijder deze. Zet de wielbouten vast met de wielsleutel. Controleer de bandenspanning. Bandenspanningscontrole Deze wielen zijn uitgerust met een bandenspanningssensor. Laat deze wielen repareren bij het CITROËN-netwerk of bij een gekwalificeerde werkplaats. Het reservewiel is niet voorzien van een bandenspanningssensor. Antidiefstalbout (lichtmetalen velgen) Elk wiel kan zijn voorzien van een antidiefstalbout (volgens land van bestemming). Om deze los te draaien: verwijder de afdekking met behulp van gereedschap voor het verwijderen van de verchroomde boutdoppen, gebruik de antidiefstaldop 6 en de wielsleutel. Als het reservewiel een afwijkende maat heeft ten opzichte van de normale wielen (aangegeven door een sticker), dan mag dit slechts tijdelijk onder de auto worden gebruikt. Met dit wiel mag niet sneller dan 80 km/h worden gereden en het moet zo snel mogelijk weer worden vervangen. Bandenspanning De bandenspanning is aangegeven op een sticker bij het bestuurdersportier (zie hoofdstuk "Technische gegevens - Identificatie"). De wielbouten zijn specifiek voor het type wiel. Vraag bij het vervangen van de wielen bij het CITROËN-netwerk of bij een gekwalificeerde werkplaats na of de bouten geschikt zijn voor de nieuwe wielen. Noteer zorgvuldig de code die in de kop van de antidiefstaldop is gegraveerd. Hiermee kunt u bij het netwerk van het merk een duplicaat van de antidiefstaldop bestellen. XI 89

192 PRAKTISCHE INFORMATIE EEN LAMP VERVANGEN Verlichting vóór De koplampunits zijn voorzien van glas van polycarbonaat met een speciale vernislaag: reinig de koplampen nooit met een droge of schurende doek en gebruik geen oplosmiddelen, gebruik een spons met zeepwater, wanneer u met een hogedrukreiniger hardnekkig vuil probeert te verwijderen, houd de straal dan nooit langdurig op de koplampen, de achterlichten en de randen ervan gericht, om beschadiging van de vernislaag en de afdichtrubbers te voorkomen. Uitvoering met halogeenlampen Uitvoering met xenonlampen en meedraaiende koplampen XI Raak de lamp niet met de vingers aan, maar gebruik een niet-pluizende doek. Bij het vervangen van lampen moet de verlichting minstens enkele minuten uitgeschakeld zijn (risico van ernstige verbranding). In verband met het behoud van de kwaliteit van de koplampen mogen uitsluitend anti-uv-lampen worden gebruikt. Vervang een kapotte lamp altijd door een nieuwe lamp met dezelfde specifi caties.. Dimlicht (H7-55 W). Grootlicht (H-55 W). Parkeerlicht (H6W-6 W) Dagrijverlichting / parkeerlicht (diodes). Richtingaanwijzer (H- W). Bi-xenonlamp (dimlicht/grootlicht). Extra grootlicht (H7-55 W). Parkeerlicht (H6W-6 W ) Dagrijverlichting/parkeerlicht (LED's ). Richtingaanwijzer (H- W) 90

193 PRAKTISCHE INFORMATIE Vervangen van bi-xenonlampen (dimlicht/grootlicht) Als de koplamp voorzien is van dit symbool, dient u elke vervanging van de meedraaiende bi-xenonlampen (DS-5 W) over te laten aan een erkend bedrijf (elektrocutiegevaar). Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. Aanbevolen wordt om bij een mankement aan een van de lampen tegelijkertijd ook de andere lamp te vervangen. Vervangen van de lampen van het extra grootlicht Verwijder de rubber dop. Draai de lamphouder een kwartslag linksom en verwijder deze. Vervang de defecte lamp. Breng de lamphouder aan door deze in te drukken en een kwartslag rechtsom te draaien. Breng de rubber dop aan. Lamp van het dimlicht vervangen Verwijder de rubber dop. Draai de lamphouder een kwartslag linksom en verwijder deze. Vervang de defecte lamp. Breng de lamphouder aan door deze in te drukken en een kwartslag te draaien (rechtsom). Breng de rubber dop aan. Lamp van het grootlicht vervangen Verwijder de rubber dop. Maak de klemveren los door deze aan beide zijden van de koplamp omlaag te duwen. Trek de lamphouder los. Vervang de defecte lamp. Druk de lamphouder op zijn plaats. Haak de klemveren vast. Breng de rubber dop aan. XI 9

194 PRAKTISCHE INFORMATIE Lamp van het parkeerlicht vervangen Lamp van een richtingaanwijzer vóór vervangen Geïntegreerde zijknipperlichten in de buitenspiegels vervangen Draai de lamphouder een kwartslag (linksom). Verwijder deze. Vervang de defecte lamp. Breng de lamphouder weer aan. Draai de lamphouder een kwartslag rechtsom om hem op zijn plaats te brengen. De lampen van de richtingaanwijzers vóór bevinden zich onder die van het grootlicht. Verwijder de rubber dop. Trek de lamphouder los. Vervang de defecte lamp. Breng de lamphouder weer in de lip aan en druk hem in. Breng de rubber dop aan. Druk het zijknipperlicht voor het vervangen van de lamp stevig naar beneden op de met de pijl aangegeven plek en trek aan het zijknipperlicht. Een nieuw zijknipperlicht is verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. XI 9

195 PRAKTISCHE INFORMATIE Lampen dagrijverlichting / parkeerlichten vervangen (LED's) Lamp van de mistlampen vervangen (H-55 W) Lamp van het mistachterlicht vervangen (P W) Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats voor het vervangen van dit type LED-lampen. Steek de sleutel in de uitsparing A en kantel de lamphouder onder de voorbumper naar voren. Steek de sleutel vervolgens in de uitsparing B om de lamphouder te verwijderen. Maak de unit los. Kantel de lamphouder. Vervang de defecte lamp. Breng de lamphouder aan. Maak de unit vast en breng de lamphouder aan totdat deze vergrendelt. Steek een hand onder de bumper om de lamphouder te kunnen bereiken. Draai de lamphouder een kwartslag. Trek aan de lamphouder. Draai de lamp een kwartslag, om deze te verwijderen. Vervang de defecte lamp. Breng de lamp aan. Breng de lamphouder aan door deze een kwartslag te draaien. XI 9

196 PRAKTISCHE INFORMATIE Achterlichten (C Picasso) Vervangen van achterlichten op de carrosserie Klem de lampunit in de carrosserie vast en draai de twee schroeven vast. Breng de kunststof kap weer aan en druk deze vast. Vervangen van achterlichten op de achterklep XI. Richtingaanwijzer (PYW). Remlicht/parkeerlicht (P/5W). Achteruitrijlicht (PW) Bepaal welke lamp defect is. Druk met de achterklep geopend tegen de kunststof kap A, bij de achterlichtunit, zodat deze losklikt. Draai de twee schroeven B aan de zijkant van de achterlichtunit los en trek vervolgens het achterlicht naar achteren los. Maak de stekker los die de achterlichtunit met de bagageruimte verbindt. Neem de lamphouder uit. Vervang de lampen. Draai de lamp een kwartslag om deze te verwijderen. Voor het aanbrengen moet de lamp een kwartslag in de tegengestelde richting worden gedraaid. Breng de lamphouder weer aan. Sluit de stekker op de lampunit aan. Bepaal welke lamp defect is. Druk met de achterklep geopend tegen de kunststof kap op de achterklep. Neem de lamphouder uit. Vervang de lamp. Draai de lamp een kwartslag om deze te verwijderen. Voor het aanbrengen moet de lamp een kwartslag in de tegengestelde richting worden gedraaid. Breng de lamphouder weer aan. Breng de kunststof kap weer aan. 9

197 PRAKTISCHE INFORMATIE Achterlichten (Grand C Picasso). Richtingaanwijzer (PYW). Remlicht (PW). Achteruitrijlicht (PW). Parkeerlicht (led) Raadpleeg voor dit type lamp het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. Vervangen van achterlichten Bepaal welke lamp defect is. Draai met de achterklep geopend de schroeven aan de zijkant van de lichtunit los en maak deze los door hem naar achteren te trekken. Maak de stekker los die de lichtunit met de bagageruimte verbindt. Maak niet de aansluiting van de led s los. Verwijder de afdichting. Verwijder de lamphouder. Vervang de lampen. Draai de lamp een kwartslag om deze te verwijderen. Voor het aanbrengen moet de lamp een kwartslag in de tegengestelde richting worden gedraaid. Breng de lamphouder weer aan. Breng de afdichting weer aan. Sluit de stekker op de lampunit aan. Berg de draadbundel in de speciale opening in de carrosserie op. Klem de lampunit in de carrosserie vast en draai de schroeven vast. Vervangen van de kentekenplaatverlichting (W5W) Steek een kleine schroevendraaier in een van de buitenste openingen van het lampglas. Duw de schroevendraaier naar buiten om het lampglas los te maken. Verwijder het lampglas. Vervang de defecte lamp. XI 95

198 PRAKTISCHE INFORMATIE Vervangen van de gloeilamp van het derde remlicht (W5W) Maak met de achterklep geopend de interieurbekleding los. Draai de moeren los. Maak met een schroevendraaier de lippen los. Verwijder de lamp vanaf de buitenzijde van de achterklep. Verwijder de lamphouder. Vervang de defecte lamp(en). Montage: verricht de handelingen voor het demonteren in omgekeerde volgorde. Lamp derde remlicht vervangen (LED's) Interieurverlichting Plafondverlichting (/W5W) Maak de kap van de plafondverlichting los met een dunne schroevendraaier, om de defecte gloeilamp te kunnen bereiken. Kaartleeslampjes (/W5W) Maak de kap van de plafondverlichting los. Maak indien nodig de afdekking van het desbetreffende kaartleeslampje los, om de defecte gloeilamp te kunnen bereiken. Bagageruimteverlichting (W5W) Trek het huis los door de voet naar achteren te trekken. Zaklamp (Krypton,6 V) XI Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats om dit type LED-verlichting te vervangen. Open het deksel. Druk met een dunne schroevendraaier in de uitsparing onder het deksel en verwijder het huis. Open het huis om de gloeilamp te vervangen. 96

199 PRAKTISCHE INFORMATIE VERVANGEN VAN EEN ZEKERING Voordat u een defecte zekering vervangt: - moet u eerst de oorzaak van de storing opsporen en verhelpen, - moeten alle elektrische verbruikers in de auto zijn uitgeschakeld, - moet de auto stilstaan met afgezette motor. Identifi ceer de defecte zekering met behulp van de onderstaande zekeringtabellen. Toegang tot het gereedschap De speciale tang A om de zekeringen te verwijderen bevindt zich aan de binnenzijde van het deksel van de zekeringkast onder het dashboard. Toegang tot het gereedschap: open het deksel door eerst aan de rechter bovenzijde en vervolgens aan de linker bovenzijde te trekken, open het deksel volledig, verwijder de tang. Vervangen van een zekering Gebruik de speciale tang A om de zekering te verwijderen en inspecteer de staat van de smeltdraad. Vervang een kapotte zekering door een zekering met dezelfde sterkte (identieke kleur). Het gebruik van een zekering met een andere sterkte kan storingen veroorzaken (kans op brand). Als de storing zich na het vervangen van de zekering opnieuw voordoet, laat dan het elektrische systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Goed Tang A Defect Zekeringen onder het dashboard Het elektrisch systeem van uw auto is geschikt voor zowel standaard als optionele voorzieningen. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats alvorens u elektrische voorzieningen of accessoires in uw auto installeert. CITROËN is niet aansprakelijk voor de kosten die voortvloeien uit herstelwerkzaamheden of storingen als gevolg van het inbouwen van extra accessoires die door CITROËN noch geleverd noch aanbevolen worden en die niet zijn geinstalleerd volgens de voorschriften van het merk; dit geldt in het bijzonder voor situaties waarbij het stroomverbruik van alle aangesloten aanvullende apparatuur meer dan 0 milliampère bedraagt. XI 97

200 PRAKTISCHE INFORMATIE XI 98 Zekeringen onder het dashboard Toegang tot de zekeringen Draai de schroef een kwartslag en kantel de zekeringkast. Zekeringtabel Zekering nr. Amperage F 5 A Achterruitenwisser Functies F 0 A Massaverbinding vergrendeling en ontgrendeling F 5 A Airbags en pyrotechnische gordelspanners F 0 A Multimedia, elektrochrome achteruitkijkspiegel, roetfilter, diagnoseaansluiting, airconditioning, handmatige koplampverstelling F5 0 A Ruitbediening vóór, bedieningspaneel voorportier, glazen panoramadak F6 0 A Ruitbediening achter F7 5 A Plafondverlichting, gekoeld dashboardkastje, autoradio F8 0 A Multifunctioneel display, autoradio, bediening op het stuurwiel, multimedia, detectie te lage bandenspanning, anti-inbraakalarm, aanhanger F9 0 A Multimedia, V-aansluitingen vóór, uitneembare lamp bagageruimte, autoradio F0 5 A Hoogteregelaar (vering) F 5 A Remlichtschakelaar, contactslot F F F 5 A 5 A 5 A Parkeerhulp, automatische ruitenwissers en verlichting, elektrisch bediende passagiersstoel, Lane Departure Warning System, hifi-versterker, aanhanger Servicecentrale motor (BSM), elektrisch bediende bestuurdersstoel Airconditioning, Bluetooth handsfree kit, selectiehendel automatische versnellingsbak, airbags, instrumentenpaneel F5 0 A Vergrendeling en ontgrendeling F6 - SHUNT F7 0 A Achterruitverwarming

201 PRAKTISCHE INFORMATIE Toegang tot de tweede zekeringkast onder het dashboard Zekeringtabel Zekering nr. Amperage Functies F9 0 A Stoelverwarming F0 - Niet gebruikt F 0 A Servicecentrale trekhaakaansluiting (BSR) F 5 A V-aansluiting achter F 5 A Parkeerhulp, automatische ruitenwissers en verlichting, elektrisch bediende passagiersstoel, Lane Departure Warning System, hifi-versterker Controleer na elke ingreep of het deksel van de zekeringkast goed gesloten is en goed afdicht. F 5 A Aanhanger F5 - Niet gebruikt F6 0 A Hifi-versterker F7 0 A Airconditioning, verlichtingspakket F8 0 A Elektrisch bediende bestuurdersstoel F9 5 A Klep van de tankdop F0 0 A Elektrisch bediende passagiersstoel, glazen panoramadak XI 99

202 PRAKTISCHE INFORMATIE Zekeringen onder de motorkap Toegang tot de zekeringen Maak het deksel los en verwijder dit. Sluit na de ingreep zeer zorgvuldig het deksel. Als het deksel namelijk niet goed geplaatst of slecht gesloten is, kan dit ernstige storingen aan uw auto veroorzaken. Dit geldt eveneens voor het binnendringen van vocht in de zekeringkast. XI 00 Ingrepen aan de hoofdzekeringen, die extra bescherming bieden en zich in de zekeringkasten bevinden, zijn uitsluitend voorbehouden aan het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.

203 PRAKTISCHE INFORMATIE Zekeringtabel Zekering nr. Amperage Functies F 0 A Motormanagement F 5 A Claxon F 0 A Ruitensproeierpomp F 0 A Pomp koplampsproeiers F5 5 A Motorcomponenten F6 0 A Meedraaiende bi-xenon koplampen, automatische koplampverstelling, koppelingsschakelaar, schakel- en beveiligingsmodule (BCP) F7 0 A Automatische versnellingsbak, koelvloeistofniveaucontact, stuurbekrachtiging F8 5 A Startmotor F9 0 A Remlichtschakelaar F0 0 A Motorcomponenten F 0 A Aanjager achter F 0 A Ruitenwissers F 0 A Intelligente servicecentrale (BSI) F 0 A Luchtpomp, warmtewisselaar F5 0 A Grootlicht rechts F6 0 A Grootlicht links F7 5 A Dimlicht links F8 5 A Dimlicht rechts F9 5 A Motorcomponenten F0 0 A Motorcomponenten F 5 A Koelventilatorrelais XI 0

204 PRAKTISCHE INFORMATIE Zekeringen op de accu Sluit na de ingreep zeer zorgvuldig het deksel. Als het deksel namelijk niet goed geplaatst of slecht gesloten is, kan dit ernstige storingen aan uw auto veroorzaken. Dit geldt eveneens voor het binnendringen van vocht in de zekeringkast. Toegang tot de zekeringen Maak het deksel los en verwijder dit. De zekeringen F t/m F6 zijn op de kleine aansluitplaat geplaatst, die verticaal op de zekeringkast op de accu is geklemd. De zekeringen F7 t/m F zijn midi-zekeringen. Ingrepen aan deze zekeringen zijn uitsluitend voorbehouden aan het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Zekeringtabel XI 0 Zekering nr. Amperage Functies F 5 A Bedieningsorgaan automatische versnellingsbak F 5 A Remlichtschakelaar F 5 A Meetstation laadtoestand accu F 0 A Voedingaansluiting ESP F5 5 A Voedingaansluiting ESP F6 0 A Computer EGS-versnellingsbak met 6 versnellingen / automatische versnellingsbak

205 PRAKTISCHE INFORMATIE V-ACCU Procedure voor het gebruik van een hulpaccu voor het starten van de motor met behulp van startkabels en voor het opladen van de accu. Toegang tot de accu Voordat u werkzaamheden uitvoert Zet de auto stil, trek de handrem aan, zet de versnellingsbak vrij * en zet vervolgens het contact af. Controleer of alle elektrische functies van de auto zijn uitgeschakeld. Deze sticker hoort bij het Stop & Start-systeem en geeft aan dat er een speciale V-loodaccu is gebruikt die alleen losgekoppeld en/ of vervangen mag worden door het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats. Na het monteren van de accu duurt het even voordat het Stop & Startsysteem weer zal werken, hoe lang dit duurt is afhankelijk van klimatologische omstandigheden en de laadtoestand van de accu (kan tot ongeveer 8 uur duren). De accu bevindt zich onder de motorkap. Voor toegang tot de (+) klem: ontgrendel de motorkap met de ontgrendelingshendel in het interieur en maak aan de buitenzijde de veiligheidshaak los, open de motorkap en plaats de motorkapsteun onder de motorkap om hem geopend te houden, beweeg het plastic beschermkapje omhoog voor toegang tot de (+) klem. Controleer of de accupolen en de klemmen schoon zijn. Indien ze bedekt zijn met een (witte of groene) oxidatielaag, neem dan de accukabels los en reinig de polen en de klemmen. Accu's bevatten schadelijke stoffen, zoals zwavelzuur en lood. Accu's moeten volgens de wettelijke voorschriften worden afgevoerd en mogen in geen geval bij het huisvuil terechtkomen. Lever lege batterijen en accu's in bij een speciaal afvalstoffendepot. XI Voor het opladen van de accu van het Stop & Start-systeem hoeven de accukabels niet losgenomen te worden. * of in de stand P bij een automatische versnellingsbak. 0

206 PRAKTISCHE INFORMATIE Starten met behulp van een andere auto De (+) klem loskoppelen Wanneer de accu van uw auto ontladen is geraakt, kan de motor worden gestart met behulp van een hulpaccu (een losse accu of een accu van een andere auto) en startkabels. XI Controleer van tevoren of de hulpaccu ook een V-accu is en of de capaciteit van deze accu minimaal gelijk is aan de capaciteit van de lege accu. Probeer de motor niet te starten door een acculader op de accu aan te sluiten. Neem de (+) klem niet los bij draaiende motor. Sluit de rode kabel aan op de (+) klem van de lege accu A en vervolgens op de (+) klem van de hulpaccu B. Sluit de groene of zwarte kabel aan op de (-) klem van de hulpaccu B (of op het massapunt van de auto met de hulpaccu). Sluit het andere uiteinde van de groene of zwarte kabel aan op massapunt C van de auto met de lege accu. Start de motor van de auto met de hulpaccu en laat deze enkele minuten draaien. Start de motor van de auto met de lege accu en laat deze draaien. Zet als de motor niet onmiddellijk aanslaat het contact af en wacht even voordat u een nieuwe startpoging doet. Wacht tot de motor stationair draait en neem dan in omgekeerde volgorde de kabels los. Trek de hendel D zo ver mogelijk omhoog om de accupoolklem E te ontgrendelen. Weer aansluiten van de (+) klem Plaats de geopende accupoolklem E op de pluspool (+) van de accu. Druk verticaal op de accupoolklem om deze goed tegen de accu aan te drukken. Zet de accupoolklem vast door de hendel D omlaag te bewegen. Forceer de hendel niet door erop te duwen, aangezien de accupoolklem niet kan worden vergrendeld als deze niet correct is geplaatst; herhaal de procedure. 0

207 PRAKTISCHE INFORMATIE Opladen van de accu met behulp van een acculader Wanneer de accu van uw auto ontladen is geraakt of wanneer u de auto voor een langere periode niet gebruikt, kunt u een acculader op de accu aansluiten om de accu op te laden of te voorkomen dat deze ontladen raakt. Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats om de specifi caties te weten van acculaders die geschikt zijn voor de accu van uw auto. Voordat u de acculader aansluit Open de motorkap. Controleer of alle opengaande carrosseriedelen (portieren, achterklep,...) gesloten zijn (maar niet vergrendeld). Verzeker u ervan dat het contact ten minste vier minuten is afgezet. Als de auto langer dan een maand niet wordt gebruikt, is het raadzaam de accu los te koppelen. Opladen Neem de klem (+) los. Neem de gebruiksvoorschriften van de fabrikant van de acculader in acht. Sluit de rode kabel van de lader aan op de (+) klem van de accu en sluit vervolgens de zwarte kabel aan op de (-) klem. Neem als de accu is opgeladen de kabels van de lader in de omgekeerde volgorde los. Laad om explosie- en brandgevaar te voorkomen de accu alleen op in een goed geventileerde ruimte en uit de buurt van vonken of open vuur. Probeer nooit een bevroren accu op te laden: laat de accu eerst ontdooien om explosiegevaar te voorkomen. Breng een accu nadat deze bevroren is geweest bij het CITROËN-netwerk of bij een gekwalificeerde werkplaats die controleert of de accu inwendig niet is beschadigd en of er geen scheuren in de wanden zitten, waardoor het giftige en bijtende accuzuur kan gaan lekken. Resetten na het weer aansluiten Zet, nadat de accu weer is aangesloten, het contact aan en wacht minimaal één minuut alvorens de motor te starten: de elektronische systemen van de auto worden in die tijd gereset. U moet zelf de volgende systemen en gegevens resetten (raadpleeg hiervoor de desbetreffende hoofdstukken): - de sleutel met afstandsbediening, - de sequentiële ruitbediening, - het zonnescherm van het panoramadak, - de instellingen van het multifunctionele display, - de instellingen van de autoradio of het ingebouwde navigatiesysteem. Controleer of er na het aanzetten van het contact geen foutmeldingen worden weergegeven of waarschuwingslampjes blijven branden. Mochten er zich na deze handelingen kleine storingen blijven voordoen, raadpleeg dan het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. XI 05

208 PRAKTISCHE INFORMATIE ECO-MODUS De eco-modus bepaalt de maximale gebruiksduur van een aantal functies om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. Nadat de motor is afgezet, kunt u een aantal elektrische functies zoals het audio- en telematicasysteem, de ruitenwissers, dimlichten, plafonniers,... nog in totaal maximaal 0 minuten gebruiken. Bij een onladen accu is deze tijd aanzienlijk korter. Inschakelen van de eco-modus Na deze tijd geeft een melding op het multifunctionele display aan dat de eco-modus is ingeschakeld. De actieve functies worden dan in de ruststand gezet. Als u op het moment dat de eco-modus wordt ingeschakeld aan het telefoneren bent: - kan het gesprek nog 0 minuten worden voortgezet met de handsfree set van uwautoradio of met uw MyWay - kan het telefoongesprek gewoon worden voortgezet gedurende 0 minuten via de NaviDrive, om vervolgens te worden overgezet op uw telefoon, afhankelijk van het model. Uitschakelen van de eco-modus De functies worden automatisch weer ingeschakeld als de motor gestart wordt. Om deze functies direct opnieuw te kunnen gebruiken moet u de motor starten en deze minstens vijf minuten laten draaien. Als de accu ontladen is, kan de motor niet gestart worden (zie de desbetreffende paragraaf). XI 06

209 PRAKTISCHE INFORMATIE SLEPEN VAN DE AUTO Slepen van uw auto Slepen van een andere auto U kunt uw auto laten slepen door een andere auto of een andere auto slepen met behulp van het sleepoog. Toegang tot het gereedschap Afhankelijk van het uitrustingsniveau van uw auto, bevindt het sleepoog zich onder het luik in de voetenruimte van de passagier op de tweede zitrij of onder de vloerplaat van de bagageruimte: open een van de achterportieren of de achterklep (afhankelijk van de uitvoering), open het luik of til de vloerplaat op (afhankelijk van de uitvoering), neem het sleepoog uit de houder. Maak het klepje in de voorbumper los door op de bovenkant links te drukken en aan de rechterkant te trekken. Draai het sleepoog vast tot de aanslag. Bevestig de sleepstang. Schakel de alarmknipperlichten van uw auto in. Zet de versnellingshendel in de neutraalstand (stand N bij de EGS-versnellingsbak of automatische versnellingsbak). Het niet opvolgen van dit voorschrift kan er toe leiden dat bepaalde onderdelen van het remsysteem beschadigd raken en dat de rembekrachtiger na het starten mogelijk niet meer werkt. Maak het klepje in de achterbumper los door er op de onderkant op te drukken en aan de bovenkant te trekken. Draai het sleepoog vast tot de aanslag. Bevestig de sleepstang. Schakel de alarmknipperlichten van de te slepen auto in. XI 07

210 PRAKTISCHE INFORMATIE Algemene aanwijzingen Volg de huidige wetgeving in uw land op. Controleer of het gewicht van de trekkende auto hoger is dan van de auto die wordt gesleept. De bestuurder van de auto die wordt gesleept moet achter het stuur blijven zitten. Tijdens het slepen mag geen gebruik worden gemaakt van de autosnelweg. Gebruik bij het slepen met wielen op de grond altijd een goedgekeurde sleepstang; touwen en riemen zijn verboden. Bij het slepen van de auto met stilstaande motor zijn de rem- en stuurbekrachtiging uitgeschakeld. Laat uw auto in de volgende gevallen slepen door een professioneel bergingsbedrijf : - bij stranding met de auto op de autosnelweg, - als het niet mogelijk is de versnellingsbak in de neutraalstand te zetten, het stuurslot te ontgrendelen of de handrem los te zetten, - bij takelen met slechts twee wielen op de grond, - bij het ontbreken van een goedgekeurde sleepstang... XI 08

211 PRAKTISCHE INFORMATIE AANHANGER,... De trekhaak bestaat uit een mechanisch systeem voor het aankoppelen van een aanhanger en een elektrische aansluiting voor de verlichting en signalering. Uw auto is hoofdzakelijk bedoeld voor het vervoer van personen en bagage, maar is tevens geschikt voor het trekken van een aanhanger. Wij raden u aan gebruik te maken van een speciaal door CITROËN geteste en goedgekeurde trekhaak inclusief bedrading en deze door het CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats te laten monteren. Als de trekhaak wordt gemonteerd door een bedrijf dat niet tot het CITROËN-netwerk behoort, moet de montage altijd volgens de voorschriften van de fabrikant worden uitgevoerd. Het rijden met een aanhanger heeft veel invloed op het rijgedrag van de auto en vergt daarom extra aandacht van de bestuurder. Adviezen Gewichtsverdeling Verdeel het gewicht in de caravan/aanhanger gelijkmatig, plaats zware voorwerpen zo dicht mogelijk bij de as en houd u aan de toegestane kogeldruk. Door een geringere luchtdichtheid nemen de prestaties van de motor af als men op grotere hoogte boven de zeespiegel komt. Trek boven de 000 m 0% van het maximale aanhangergewicht af en herhaal dit voor elke volgende 000 m. Raadpleeg het hoofdstuk "Technische gegevens" voor de gewichten en aanhangergewichten die voor uw auto van toepassing zijn. Zijwind Houd er rekening mee dat de zijwindgevoeligheid van de auto groter is. Koeling Het trekken van een aanhanger op een helling veroorzaakt een hogere koelvloeistoftemperatuur. De koelventilator wordt elektrisch bediend en is niet afhankelijk van het motortoerental. Pas uw snelheid aan om het toerental te beperken. Het maximale aanhangergewicht is afhankelijk van het hellingspercentage en de buitentemperatuur. Let in elk geval goed op de aanwijzing van de koelvloeistoftemperatuurmeter. Als het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur gaat branden in combinatie met het waarschuwingslampje STOP, stop dan zo snel mogelijk en zet de motor af. Remmen Het trekken van een aanhanger verlengt de remweg. Bij een lange afdaling is het, om te voorkomen dat de remmen oververhit raken, raadzaam om op de motor af te remmen. Banden Controleer de bandenspanning van de auto en de aanhanger en breng deze indien nodig op de juiste waarde. Verlichting Controleer de verlichting van de aanhanger. De parkeerhulp wordt automatisch uitgeschakeld als bij het aankoppelen van een aanhanger een originele CITROËN-trekhaak wordt gebruikt. XI 09

212 PRAKTISCHE INFORMATIE DAKLASTDRAGERS In verband met de constructie van de auto wordt, vanwege uw veiligheid en om beschadiging van het dak en de achterklep te voorkomen, aanbevolen alleen daklastdragers en dakkoffers te gebruiken die door CITROËN getest en goedgekeurd zijn. Ongeacht het type te transporteren daklast (dakkoffer, fietsdrager, skidragers...) is het noodzakelijk dat u daklastdragers in dwarsgeplaatste richting gebruikt. Aanbevelingen Maximaal toegestane last op de daklastdragers (voor een hoogte van minder dan 0 cm: dit geldt niet voor een fietsdrager): 80 kg. Als de hoogte boven de 0 cm uitkomt, dient u uw snelheid aan te passen aan de weggesteldheid, om te voorkomen dat de daklastdragers en de bevestigingen op het dak beschadigd raken. Wij verzoeken u te informeren naar de wetgeving in uw land omtrent het vervoeren van voorwerpen die langer zijn dan de auto zelf. Het afneembare sneeuwscherm wordt op het onderste gedeelte van de voorbumper geplaatst om een opeenhoping van sneeuw bij de koelventilator van de radiateur te voorkomen. XI 0 Zorg voor een gelijkmatige verdeling en voorkom overbelasting aan één kant. Plaats de zwaarste lading zo dicht mogelijk bij het dak. Sjor de lading goed vast en markeer buiten de auto stekende lading. Rijd behoedzaam: wees bedacht op een grotere zijwindgevoeligheid (de stabiliteit van de auto kan door de belading worden beïnvloed). Verwijder de dakdragers zodra deze niet meer nodig zijn. Fietsdrager Het is niet toegestaan een fietsdrager met riemen te monteren bij de volgende uitvoeringen: - C Picasso (alle uitvoeringen); - Grand C Picasso voorzien van afzonderlijk te openen achterruit. * Volgens land van bestemming. Plaatsen Breng het afneembare sneeuwscherm aan op het onderste gedeelte van de voorbumper. Zet het scherm vast door de bevestigingsclips op de omtrek één voor één aan te drukken. Verwijderen Wip met een schroevendraaier de vier bevestigingsclips één voor één los. Vergeet niet het sneeuwscherm te verwijderen: - als de buitentemperatuur hoger is dan 0 C, - als de auto moet worden gesleept, - bij snelheden hoger dan 0 km/h.

213 PRAKTISCHE INFORMATIE ACCESSOIRES Een ruime keuze aan accessoires en originele onderdelen wordt u aangeboden door het CITROËN-netwerk. Deze accessoires en onderdelen zijn getest en goedgekeurd ten aanzien van bedrijfszekerheid en veiligheid. Ze zijn volledig aangepast aan uw auto, zijn voorzien van een artikelnummer en beschikken over de garantie van CITROËN. "Comfort en vrije tijd" : parkeerhulp vóór en achter, standkachel, zaklamp, zonneschermen, windgeleider, geurpatronen... "Hulpmiddelen bij het vervoeren van uw bagage": trekhaakbedrading, bagageruimtemat, bagageruimtebak, bagagesteunen, allesdragers, fietsendrager, skidragers, dakkoffers, trekhaken... "Veiligheid/bescherming": alarminstallatie, wielbouten met slot, lokalisatiesysteem voor gestolen auto's, alcoholtest, verbanddoos, gevarendriehoek, reflecterend veiligheidsvest, hondenrek, sneeuwkettingen, anti-sneeuwhoezen, set mistlampen, bandenreparatieset, kinderzitjes en zitverhogingen voor kinderen... "Styling": lichtmetalen velgen, wieldoppen... "Bescherming" : matten *, stoelhoezen, spatlappen, dorpelbeschermers, bumperbeschermers, autobeschemhoes... XI * Om te voorkomen dat de mat onder de pedalen schuift: - controleer of de mat goed op zijn plaats ligt, - leg nooit verscheidene matten over elkaar.

214 PRAKTISCHE INFORMATIE "Multimedia": handsfree kit Bluetooth, autoradio's, portable navigatiesystemen, DVD-speler, update-cd-rom voor de kaartsoftware, Hi-Fi-module, achteruitrijcamera, flitspaaldetectiesystemen, USB Box, luidsprekers, 0V/50Hz-aansluiting, 0V/V-adapter, on-board Wifi... Ook de volgende producten zijn verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk: reinigings- en onderhoudsmiddelen (interieur en exterieur), vloeistoffen (ruitensproeiervloeistof...) en vervangende producten (patroon voor bandenreparatieset...) XI Installeren van radiocommunicatiezenders Voordat u radiozenders als uitrusting achteraf monteert, kunt u bij het CITROËN-netwerk informeren naar de technische gegevens (frequentieband, maximaal uitgangsvermogen, positie antenne, specifi eke installatievoorschriften) van de voor montage geschikte zenders ter beschikking, volgens de Richtlijn Elektromagnetische Compatibiliteit (00/0/EG). Afhankelijk van de lokale wetgeving kan de aanwezigheid van een veiligheidsvest, een gevarendriehoek en een set reservelampen en -zekeringen in de auto verplicht zijn. Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van CITROËN voorkomen, kan leiden tot storingen in het elektronisch systeem van uw auto en een verhoogd stroomverbruik veroorzaken. Houdt u rekening met deze te nemen voorzorgmaatregel. Wij raden u aan contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk CITROËN om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en accessoires voorzien van een artikelnummer.

215 TECHNISCHE GEGEVENS MODELLEN: MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN Carrosserievariant: UA... UE... UD... 5FS-0 5FS-0/CU 5FV-8/P 5FV-8/PCU RFJ-F BENZINEMOTOREN VTi 0 THP 55 VTi Cilinderinhoud (cm ) Boring x slag (mm) 77 x 85,8 77 x 85,8 85 x 88 Max. vermogen: ECE-norm (kw) Toerental bij max. vermogen (t/min) Max. koppel: ECE-norm (Nm) Toerental bij max. koppel (t/min) Brandstof Loodvrij Loodvrij Loodvrij Katalysator Ja Ja Ja VERSNELLINGSBAKKEN Handgeschakeld (5 versnellingen) Elektronisch bediend (6 versnellingen) Automaat ( versnellingen) INHOUD CARTER (liter) Motor (met vervangen filter),5-5 XII UA...: CITROËN Grand C Picasso (7 zitplaatsen). UF...: CITROËN Grand C Picasso (5 zitplaatsen). UD...: CITROËN C Picasso (5 zitplaatsen)....cu: versies N.

216 TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (kg) Benzinemotoren VTi 0 THP 55 VTi Versnellingsbakken Handgeschakeld Elektronisch bediend Automaat Carrosserievariant: UA... UE... UD... 5FS-0 5FV-8/P RFJ-F - Leeggewicht Rijklaargewicht Nuttig laadvermogen Maximumgewicht beladen voertuig (MTAC) Totaal toelaatbaar treingewicht (MTRA) op een helling van % Aanhanger geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht) op een helling van 0% of % Aanhanger geremd * (binnen max. toelaatbaar treingewicht) XII - Aanhanger ongeremd Aanbevolen kogeldruk * Wanneer het gewicht van het trekkende voertuig lager is dan het maximumgewicht van het beladen voertuig (MTAC), dan mag het gewichtsverschil worden toegevoegd aan de aanhanger; hiermee mag het totaal toelaatbare treingewicht (MTRA) echter nooit worden overschreden. Let op: door het trekken van een aanhanger kan het weggedrag van het trekkende voertuig nadelig worden beïnvloed. De hier vermelde waarden voor het maximaal toelaatbare treingewicht en het aanhangergewicht gelden voor een hoogte tot maximaal 000 meter; het hier vermelde maximale aanhangergewicht dient voor elke extra 000 meter hoogte met 0% te worden verminderd. Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 00 km/h of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 80 km/h). Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen; verminder het aanhangergewicht als de buitentemperatuur hoger is dan 7 C.

217 TECHNISCHE GEGEVENS MODELLEN: MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN Carrosserievariant: UA... UE... UD... 9HZ-C 9HZ-C/ CU 9HZ-H/P 9HZ-H/ PCU 9HR-8 9HR-8/ CU 9HR-8/P 9HR-8/ PCU 9HR-8/PS RHJ-H/P RHJ-H/ PCU DIESELMOTOREN HDi 0 HDi 0 HDi 8 Cilinderinhoud (cm ) Boring x slag (mm) 75 x 88, 75 x 88, 85 x 88 Max. vermogen: ECE-norm (kw) Toerental bij max. vermogen (t/min) Max. koppel: ECE-norm (Nm) Toerental bij max. koppel (t/min) Brandstof Diesel Diesel Diesel Katalysator Ja Ja Ja Roetfi lter (FAP) Ja Ja Ja RHR-J VERSNELLINGSBAKKEN Handgeschakeld (5 versnellingen) Elektronisch bediend (6 versnellingen) Handgeschakeld (6 versnellingen) Elektronisch bediend (6 versnellingen) Elektronisch bediend (6 versnellingen) Elektronisch bediend (6 versnellingen) Automaat (6 versnellingen) INHOUD CARTER (liter) Motor (met vervangen filter),75, ,5 5,5...S: model uitgerust met Stop & Start-systeem. UE...: CITROËN Grand C Picasso (7 zitplaatsen). UE...: CITROËN Grand C Picasso (5 zitplaatsen). UD...: CITROËN C Picasso (5 zitplaatsen)....cu: versies N. XII 5

218 TECHNISCHE GEGEVENS MODELLEN: MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN Carrosserievariant: UA... UE... UD... RHE-8 RHE-8/CU RHE-8/P RHH-A DIESEL MOTOREN HDi 50 HDi 6 Cilinderinhoud (cm ) Boring x slag (mm) 85 x x 88 Max. vermogen: ECE-norm (kw) 0 0 Toerental bij max. vermogen (t/min) Max. koppel: ECE-norm (Nm) 0 0 Toerental bij max. koppel (t/min) Brandstof Diesel Diesel Katalysator Ja Ja Roetfi lter (FAP) Ja Ja VERSNELLINGSBAKKEN Handgeschakeld (6 versnellingen) Elektronisch bediend (6 versnellingen) Automaat (6 versnellingen) INHOUD CARTER (liter) Motor (met vervangen filter) 5,5-5,5 XII 6 UA...: CITROËN Grand C Picasso (7 zitplaatsen). UE...: CITROËN Grand C Picasso (5 zitplaatsen). UD...: CITROËN C Picasso (5 zitplaatsen)....cu: versies N.

219 TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (kg) Dieselmotoren HDi 0 Versnellingsbakken Handgeschakeld Elektronisch bediend Carrosserievariant: UA... UE... UD... 9HZ-C 9HZ-H/P - Leeggewicht Rijklaargewicht Nuttig laadvermogen Maximumgewicht beladen voertuig (MTAC) Totaal toelaatbaar treingewicht (MTRA) op een helling van % Aanhanger geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht) op een helling van 0% of % Aanhanger geremd * (binnen max. toelaatbaar treingewicht) Aanhanger ongeremd Aanbevolen kogeldruk * Wanneer het gewicht van het trekkende voertuig minder is dan het maximumgewicht beladen voertuig (MTAC) dan mag het gewichtsverschil worden toegevoegd aan de aanhanger; hiermee mag het totaal toelaatbare treingewicht (MTRA) echter nooit worden overschreden. Let op: door het trekken van een aanhanger kan het weggedrag van het trekkende voertuig nadelig worden beïnvloed. De hier vermelde waarden voor het maximaal toelaatbare treingewicht en het aanhangergewicht gelden voor een hoogte tot maximaal 000 meter; het hier vermelde maximale aanhangergewicht dient voor elke extra 000 meter hoogte met 0% te worden verminderd. Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 00 km/h of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 90 km/h). Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen; verminder het aanhangergewicht als de buitentemperatuur hoger is dan 7 C. XII 7

220 TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (kg) Dieselmotoren HDi 0 Versnellingsbakken Handgeschakeld Elektronisch bediend Elektronisch bediend Carrosserievariant: UA... UE... UD... 9HR-8 9HR-8/P 9HR-8/PS - Leeggewicht Rijklaargewicht Nuttig laadvermogen Maximumgewicht beladen voertuig (MTAC) Totaal toelaatbaar treingewicht (MTRA) op een helling van % Aanhanger geremd(binnen max. toelaatbaar treingewicht) op een helling van 0% of % Aanhanger geremd * (binnen max. toelaatbaar treingewicht) XII 8 - Aanhanger ongeremd Aanbevolen kogeldruk * Wanneer het gewicht van het trekkende voertuig minder is dan het maximumgewicht beladen voertuig (MTAC) dan mag het gewichtsverschil worden toegevoegd aan de aanhanger; hiermee mag het totaal toelaatbare treingewicht (MTRA) echter nooit worden overschreden. Let op: door het trekken van een aanhanger kan het weggedrag van het trekkende voertuig nadelig worden beïnvloed. De hier vermelde waarden voor het maximaal toelaatbare treingewicht en het aanhangergewicht gelden voor een hoogte tot maximaal 000 meter; het hier vermelde maximale aanhangergewicht dient voor elke extra 000 meter hoogte met 0% te worden verminderd. Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 00 km/h of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 90 km/h). Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen; verminder het aanhangergewicht als de buitentemperatuur hoger is dan 7 C.

221 TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (kg) Dieselmotoren HDi 8 Versnellingsbakken Elektronisch bediend Automaat Carrosserievariant: UA... UE... UD... RHJ-H/P RHR-J - Leeggewicht Rijklaargewicht Nuttig laadvermogen Maximumgewicht beladen voertuig (MTAC) Totaal toelaatbaar treingewicht (MTRA) op een helling van % Aanhanger geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht) op een helling van 0% of % Aanhanger geremd * (binnen max. toelaatbaar treingewicht) Aanhanger ongeremd Aanbevolen kogeldruk * Wanneer het gewicht van het trekkende voertuig lager is dan het maximumgewicht van het beladen voertuig (MTAC) dan mag het gewichtsverschil worden toegevoegd aan de aanhanger; hiermee mag het totaal toelaatbare treingewicht (MTRA) echter nooit worden overschreden. Let op: door het trekken van een aanhanger kan het weggedrag van het trekkende voertuig nadelig worden beïnvloed. De hier vermelde waarden voor het maximaal toelaatbare treingewicht en het aanhangergewicht gelden voor een hoogte tot maximaal 000 meter; het hier vermelde maximale aanhangergewicht dient voor elke extra 000 meter hoogte met 0% te worden verminderd. Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 00 km/h of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 90 km/h). Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen; verminder het aanhangergewicht als de buitentemperatuur hoger is dan 7 C. XII 9

222 TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (kg) Dieselmotoren HDi 50 HDi 6 Versnellingsbakken Handgeschakeld Elektronisch bediend Automaat Carrosserievariant: UA... UE... UD... RHE-8 RHE-8/P RHH-A - Leeggewicht Rijklaargewicht Nuttig laadvermogen Maximumgewicht beladen voertuig (MTAC) Totaal toelaatbaar treingewicht (MTRA) op een helling van % Aanhanger geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht) op een helling van 0% of % Aanhanger geremd * (binnen max. toelaatbaar treingewicht) XII 0 - Aanhanger ongeremd Aanbevolen kogeldruk * Wanneer het gewicht van het trekkende voertuig lager is dan het maximumgewicht van het beladen voertuig (MTAC) dan mag het gewichtsverschil worden toegevoegd aan de aanhanger; hiermee mag het totaal toelaatbare treingewicht (MTRA) echter nooit worden overschreden. Let op: door het trekken van een aanhanger kan het weggedrag van het trekkende voertuig nadelig worden beïnvloed. De hier vermelde waarden voor het maximaal toelaatbare treingewicht en het aanhangergewicht gelden voor een hoogte tot maximaal 000 meter; het hier vermelde maximale aanhangergewicht dient voor elke extra 000 meter hoogte met 0% te worden verminderd. Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 00 km/h of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 90 km/h). Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen; verminder het aanhangergewicht als de buitentemperatuur hoger is dan 7 C.

223 TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN UITVOERINGEN N (kg) Benzinemotoren VTi 0 THP 55 Versnellingsbakken Handgeschakeld Elektronisch bediend Carrosserievariant: UA... UD... UA5FS-0/CU UD5FS-0/CU UA5FV-8/PCU UD5FV-8/PCU - Leeggewicht Rijklaargewicht Nuttig laadvermogen Maximumgewicht beladen voertuig (MTAC) * Totaal toelaatbaar treingewicht (MTRA) op een helling van % ** Aanhanger geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht) op een helling van 0% of % *** Aanhanger geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht) Aanhanger ongeremd Aanbevolen kogeldruk * Wanneer het maximumgewicht op de achteras van het trekkende voertuig wordt overschreden, bedraagt de toegestane maximumsnelheid volgens punt.7 van de Europese richtlijn 80 km/h. ** Wanneer het maximumgewicht van het trekkende voertuig wordt overschreden, bedraagt de toegestane maximumsnelheid volgens punt.7 van de Europese richtlijn 80 km/h. *** Maximaal aanhangergewicht geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht): let er op dat door het trekken van een aanhanger het weggedrag van het trekkende voertuig nadelig kan worden beïnvloed. De hier vermelde waarden voor het maximaal toelaatbare treingewicht en het aanhangergewicht gelden voor een hoogte tot maximaal 000 meter; het hier vermelde maximale aanhangergewicht dient voor elke extra 000 meter hoogte met 0% te worden verminderd. Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen; verminder het aanhangergewicht als de buitentemperatuur hoger is dan 7 C. XII

224 TECHNISCHE GEGEVENS GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN UITVOERINGEN N (kg) Dieselmotoren HDi 0 HDi 0 HDi 8 HDi 50 Versnellingsbakken Carrosserievariant: UA... UD... Handgeschakeld Elektronisch bediend Handgeschakeld UA9HZ-C/CU UD9HZ-C/CU UA9HZ-H/PCU UD9HZ-H/PCU UA9HR-8/CU UD9HR-8/CU Elektronisch bediend Elektronisch bediend Handgeschakeld UA9HR-8/PCU UD9HR-8/PCU UARHJ-H/PCU UDRHJ-H/PCU UARHE-8/CU UDRHE-8/CU - Leeggewicht Rijklaargewicht Nuttig laadvermogen Maximumgewicht beladen voertuig (MTAC) * Totaal toelaatbaar treingewicht (MTRA) op een helling van % ** Aanhanger geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht) op een helling van 0% of % *** Aanhanger geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht) XII - Aanhanger ongeremd Aanbevolen kogeldruk * Wanneer het maximumgewicht op de achteras van het trekkende voertuig wordt overschreden, bedraagt de toegestane maximumsnelheid volgens punt.7 van de Europese richtlijn 80 km/h. ** Wanneer het maximumgewicht van het trekkende voertuig wordt overschreden, bedraagt de toegestane maximumsnelheid volgens punt.7 van de Europese richtlijn 80 km/h. *** Maximaal aanhangergewicht geremd (binnen max. toelaatbaar treingewicht): let er op dat door het trekken van een aanhanger het weggedrag van het trekkende voertuig nadelig kan worden beïnvloed. De hier vermelde waarden voor het maximaal toelaatbare treingewicht en het aanhangergewicht gelden voor een hoogte tot maximaal 000 meter; het hier vermelde maximale aanhangergewicht dient voor elke extra 000 meter hoogte met 0% te worden verminderd. Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen; verminder het aanhangergewicht als de buitentemperatuur hoger is dan 7 C.

225 TECHNISCHE GEGEVENS AFMETINGEN (IN METERS) Buitenkant (CITROËN Grand C Picasso en CITROËN C Picasso) CITROËN Grand C Picasso CITROËN C Picasso A,7,7 B,59,7 C 0,99 0,99 D 0,87 0,75 E,5,5 F,5,5 G *,66 tot,7,66 tot,68 H,0,0 I,8,8 XII * Afhankelijk van type vering en daklastdragers.

226 TECHNISCHE GEGEVENS Interieur (CITROËN C Picasso) XII A 0,9 B 0,96/0,98 C 0,88/ D,6/,87 E 0,9 F, G, H,7

227 TECHNISCHE GEGEVENS Interieur (CITROËN Grand C Picasso) A 0,9 B 0,99/ C,0/,6 D,80/,06 E 0,88 F,07 G,6 H,7 XII 5

228 TECHNISCHE GEGEVENS IDENTIFICATIE Deze auto is voorzien van diverse markeringen om de auto te kunnen identifi ceren. In Frankrijk worden het type auto en het serienummer ook vermeld op het kentekenbewijs. Elk origineel CITROËN vervangingsonderdeel is exclusief voor het merk. In verband met uw veiligheid en de garantie adviseren wij uitsluitend CITROËN onderdelen te gebruiken. A Constructeurssticker Dit bevindt zich op de middenstijl bij het linker portier.. Nummer Europese typegoedkeuring.. VIN-nummer.. Totaal toelaatbaar gewicht.. Totaal toelaatbaar treingewicht. 5. Maximumgewicht op de vooras. 6. Maximumgewicht op de achteras. B VIN-nummer Dit is aangebracht op de carrosserie en achter de voorruit. C Kleurcode van de lak. Bandenmaat. Bandenspanning. Zie de binnenstijl van het bestuurdersportier. XII Houd u aan de door CITROËN voorgeschreven bandenspanning. Controleer de bandenspanning regelmatig en alleen als de banden koud zijn. Verminder nooit de spanning van warme banden Houd u bij het vervangen van de banden altijd aan de voorgeschreven bandenmaat. 6

229 URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP 7

230 CITROËN OPROEP NAAR URGENCE MET LOKALISERING Druk in geval van nood langer dan seconden op deze toets. Het knipperen van het groene LED-lampje en een geluidssignaal g bevestigen dat de oproep p naar de alarmcentrale CITROËN-Urgence is verstuurd *. Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de oproep geannuleerd. Het groene LED-lampje dooft. Wanneer u deze toets op een willekeurig moment langer dan 8 seconden ingedrukt houdt, annuleert u de oproep. Het groene LED-lampje blijft branden (zonder te knipperen) wanneer de verbinding tot stand is gebracht. Aan het einde van het gesprek gaat het lampje uit. Deze oproep wordt beheerd door de CITROËN-Urgence alarmcentrale die de informatie over de lokalisatie van de auto ontvangt en een waarschuwing kan zenden naar de gekwalifi ceerde hulpdiensten. In landen waar de alarmcentrale niet operationeel is of wanneer de lokalisatie uitdrukkelijk is geweigerd, wordt de oproep meteen doorgestuurd naar de hulpdiensten (), zonder lokalisatie. Wanneer de elektronische eenheid airbags een botsing heeft waargenomen, wordt onafhankelijk van het eventueel afgaan van de airbags, automatisch een noodoproep gedaan. * Deze diensten zijn afhankelijk van bepaalde voorwaarden en beschikbaarheid. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. CITROËN OPROEP NAAR ASSISTANCE MET LOKALISERING Druk langer dan seconden op deze toets voor het aanvragen van hulp bij het stranden van de auto. Een gesproken bericht bevestigt dat de oproep is verstuurd. * Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de aanvraag geannuleerd. Dit wordt bevestigd door een gesproken bericht. WERKING VAN HET SYSTEEM Bij het aanzetten van het contact, gaat het groene lampje seconden branden. Dit duidt op een goede werking van het systeem. Het oranje lampje knippert: er is een storing in het systeem. Het oranje lampje blijft branden: de noodbatterij moet vervangen worden. Raadpleeg in beide gevallen het CITROËN-netwerk. Wanneer u uw auto buiten het CITROËN-netwerk hebt gekocht, raden wij u aan de aanwezigheid van deze diensten bij het netwerk te laten controleren en eventueel confi gureren. In een meertalig land kunt u het systeem laten confi gureren in de offi ciële landstaal van uw voorkeur. Om technische redenenen, zoals het verbeteren van de telematicadiensten aan de klant, behoudt de constructeur zich het recht voor om op elk willekeurig moment het telematicasysteem in de auto te wijzigen. 8

231 NOODOPROEP OF HULPOPROEP MET NAVIDRIVE CITROËN OPROEP NAAR URGENCE MET LOKALISERING CITROËN OPROEP NAAR ASSISTANCE MET LOKALISERING Let op: de noodoproep en de diensten worden alleen geactiveerd als de geïntegreerde telefoon wordt gebruikt met een geldige simkaart. Deze functies werken niet als een Bluetooth-telefoon wordt gebruikt en er geen simkaart is geplaatst. Druk op deze toets om toegang te krijgen tot de diensten van CITROËN. Druk in een noodgeval op de toets SOS tot een geluidssignaal klinkt en het scherm "Bevestigen / Annuleren" wordt weergegeven (als een geldige simkaart is geplaatst). Er wordt verbinding gemaakt met de helpdesk Citroën Urgence die de auto lokaliseert en zo snel mogelijk de benodigde hulpdiensten waarschuwt. In landen waar geen helpdesk beschikbaar is, of waar lokalisering van de auto niet is toegestaan, wordt de oproep doorgeschakeld naar het alarmnummer (). Voor meer informatie over het merk CITROËN, selecteer "Customer Contact Centre". Customer Contact Centre Selecteer "Citroën Assistance" om een pechhulpdienst op te roepen. Citroën Assistance Als de elektronische eenheid airbags een aanrijding detecteert, wordt er automatisch een noodoproep verzonden, ongeacht of de airbags wel of niet zijn geactiveerd. Als de melding "Noodprogramma noodoproep" wordt weergegeven in combinatie met het knipperen van het oranje verklikkerlampje, is er een storing opgetreden. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Deze diensten zijn afhankelijk van bepaalde voorwaarden en de beschikbaarheid. Raadpleeg het CITROËN-netwerk. Wanneer u uw auto buiten het CITROËN-netwerk hebt gekocht, raden wij u aan de aanwezigheid van deze diensten bij het netwerk te laten controleren en eventueel confi gureren. 9

232 0

233 NaviDrive MULTIMEDIA AUTORADIO / TELEFOON FUNCTIE JUKEBOX (0 GB) / GPS (EUROPA) De NaviDrive is zodanig gecodeerd dat deze uitsluitend in uw auto functioneert. Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto. Enkele minuten na het afzetten van de motor schakelt de NaviDrive zichzelf uit om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. INHOUD 0 Basisfuncties 0 Spraakcommando's en stuurkolomschakelaars 0 Display en hoofdmenu 0 Navigatie 05 Verkeersinformatie 06 Audio / Video 07 Telefoon 08 Configuratie 09 Menustructuren display Veelgestelde vragen blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz

234 0 Aan/uit en volumeregeling. Selecteren van de geluidsbron: radio, Jukebox, CD en externe apparatuur (AUX, indien geactiveerd in het confi guratiemenu). Lang indrukken: de CD naar de harde schijf kopiëren. Selecteren van het golfbereik FM, FM, FMast, AM. Annuleren van de bewerking. Lang indrukken: terugkeren naar de actieve functie. Selecteren van de vorige/ volgende MP/ USB/Jukeboxspeellijst. Audio-instellingen: balans voor/achter, links/rechts, loudness, geluidssferen. Selecteren van de weergave op het display van de functies TRIP, TEL, NAV en AUDIO. Lang indrukken van de toets SOS: Urgence-oproep. Wijzigen van de weergave op het display. Lang indrukken: resetten van het systeem. Selecteren en bevestigen. Opening voor SIM-kaart. Weergave van de lijst radiozenders, de nummers van de CD of de MP/USB/Jukeboxspeellijsten. Lang indrukken: bijwerken van de lijst radiozenders. TA-functie (verkeersinformatie) AAN/UIT. Lang indrukken: toegang tot de PTY-functie (programmatypen radio). Toegang tot het dienstenmenu "CITROËN". Alfanumeriek toetsenbord voor invoeren van omschrijvingen. Automatisch zoeken naar zenders in afl opende/oplopende volgorde. Selecteren van het vorige/volgende nummer van de CD, MP, USB of Jukebox. Lang indrukken: snel vooruit en snel achteruit. Weergave van het hoofdmenu.

235 0 GESPROKEN COMMANDO'S EN STUURKOLOMSCHAKELAARS 5 5. Volume verhogen.. Volume verlagen.. Geluid onderbreken.. RADIO: selecteren van de vorige of volgende voorkeuzezender. MP/JUKEBOX: selecteren van de vorige of volgende speellijst. 5. RADIO: automatisch zoeken naar zenders in oplopende volgorde. CD/MP/JUKEBOX: selecteren van het volgende nummer. CD/MP: lang indrukken: versneld vooruitspoelen.. Kort indrukken: Spraakherkenning activeren.. ALS ER GEEN GESPREK GAANDE IS: Lang indrukken: toegang tot het telefoonmenu (index, gesprekkenlijst,...). BINNENKOMENDE OPROEP: Kort indrukken om oproep te accepteren. Lang indrukken om oproep te weigeren. TIJDENS GESPREK: Kort indrukken om gesprek te beëindigen. Lang indrukken voor toegang tot het telefoonmenu.. Persoonlijke instellingen: Kort indrukken: bevestigen van de met behulp van de draaiknop gemaakte selectie.. Draaien: Bladeren door de index, waarschuwingenlogboek. Selecteren persoonlijke instellingen.. Hoofdscherm weergeven.. Selecteren van de weergavemodus (TRIP, TEL, NAV of AUDIO).. Afbreken huidige bewerking en terugkeren naar het vorige scherm.. Navigeren binnen de menu's. 5. Bevestigen van de geselecteerde functie.

236 0 GESPROKEN COMMANDO'S EN STUURKOLOMSCHAKELAARS GESPROKEN COMMANDO'S WEERGEVEN VAN DE LIJST EN GEBRUIKEN VAN DE GESPROKEN COMMANDO'S Druk om de lijst met beschikbare gesproken commando's weer te geven op de toets spraakherkenning om de spraakherkenning te activeren en zeg HELP of het commando voor spraakherkenning. Dezelfde handeling kan ook worden uitgevoerd door lang op de toets MENU te drukken en vervolgens de functie "Lijst gesproken commando's" te selecteren. Lijst gesproken commando's Druk op de toets spraakherkenning om de spraakherkenning te activeren. Spreek de woorden duidelijk uit en wacht na elk uitgesproken woord tot de bevestiging door het geluidssignaal klinkt. De onderstaande lijst bevat alle gesproken commando's. radio NIVEAU NIVEAU NIVEAU CD-speler Jukebox (indien geactiveerd) USB bellen/begeleiden naar telefoon bericht navigatie verkeersinformatie weergeven vorige/volgende stop verwijderen ja/nee * help/wat kan ik zeggen/ annuleren geheugen autostore vorige/volgende lijst vorig/volgend nummer nummer scan random index (CD-MP) lijst "Vooraf opgeslagen omschrijving" laatste nummer voic voic berichten index weergeven lezen index stoppen/hervatten inzoomen/uitzoomen weergeven weergeven lezen audio telefoon boordcomputer Navigatie airconditioning voor heel niveau en voor heel niveau, of *... 6 / * / * vorige/volgende herhalen help/wat kan ik zeggen/ annuleren "Vooraf opgeslagen omschrijving" "Vooraf opgeslagen omschrijving" * bestemming auto

237 0 SCHERM EN HOOFDMENU > KLEURENDISPLAY Orange Time: Date: Telephone Met behulp van het bedieningspaneel van de autoradio kunt u op het display de volgende informatie weergeven: - de tijd, - de datum, - de buitentemperatuur (knippert bij kans op gladheid in combinatie met een melding op het display), - de informatie van de autoradio (radio, CD, jukebox...), - informatie van de datacommunicatiesystemen (telefoon, diensten,...), - informatie over geopende portieren, achterklep,..., - waarschuwingen (bijv.: "Te laag brandstofniveau") of meldingen (bijv.: "Automatische koplampverlichting ingeschakeld") die tijdelijk worden weergegeven, - informatie afkomstig van de boordcomputer, - informatie van het GPS-navigatiesysteem (Europa). Confi guratie van het display: raadpleeg het gedeelte "Menustructuur display". Het systeem werkt op basis van de complete en uitgebreide cartografi sche gegevens g van NAVTEQ, die op de harde schijf van het systeem staan. De updates van onze Berlingo NAVTEQ voor de cartografi sche gegevens van de Europese landen zijn verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk. 5

238 0 SCHERM EN HOOFDMENU VERKEERSINFORMATIE: TMC-informatie, meldingen. Gebruik voor het schoonmaken van het display een zacht, niet-schurend doekje (bijvoorbeeld een brillendoekje) zonder schoonmaakmiddel. KAART: oriëntatie, details, weergave. AUDIO FUNCTIES: radio, CD-speler, Jukebox, opties. NAVIGATIE: GPS, etappes, opties. TELEMATICA: telefoon, index, SMS. DIAGNOSE AUTO: logboek waarschuwingsmeldingen, status van functies. VIDEO: activeren, parameters. CONFIGURATIE: parameters van de auto, weergave, tijd, talen, stem, AUX-aansluiting. MENU-toets even ingedrukt houden: Help. 6

239 0 SCHERM EN HOOFDMENU WEERGAVE AFHANKELIJK VAN DE CONTEXT Door de draaiknop OK in te drukken krijgt u toegang tot de snelkeuzemenu's. IN DE MODUS "KAART VERPLAATSEN" informatie over de plaats BLUETOOTH TELEFOON lijst met oproepen als bestemming kiezen bellen NAVIGATIE (INDIEN NAVIGATIE ACTIEF): navigatie hervatten/afbreken omleiden route navigatiecriteria verkeersinformatie raadplegen de kaart verplaatsen als etappe kiezen deze plaats opslaan de kaartfunctie verlaten navigatiefunctie GEÏNTEGREERDE TELEFOON lijst met oproepen index privé modus/handsfree gesprek in de wacht zetten/gesprek hervatten DIAGNOSE AUTO waarschuwingenlogboek nummer kiezen status van functies index voic 7

240 0 SCHERM EN HOOFDMENU CD (MP OF AUDIO) JUKEBOX CD kopiëren op JBX / kopiëren stoppen playlist kiezen introscan activeren/deactiveren Introscan activeren/deactiveren willekeurig afspelen activeren/deactiveren willekeurig afspelen activeren/deactiveren herhalen activeren/deactiveren herhalen activeren/deactiveren RADIO USB een frequentie invoeren USB kopiëren op JBX / kopiëren stoppen RDS volgen activeren/deactiveren USB uitwerpen REG-functie activeren/deactiveren Introscan activeren/deactiveren "Radio Tekst" verbergen/weergeven willekeurig afspelen activeren/deactiveren herhalen activeren/deactiveren 8

241 0 NAVIGATIE EEN BESTEMMING KIEZEN Tip: raadpleeg het item "Menustructuren" in dit hoofdstuk voor een compleet overzicht van de beschikbare menu's. Druk op de toets MENU. 5 Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Draai aan de draaiknop om de functie "Navigatie" te selecteren. 6 Draai aan de draaiknop om de functie "Adres invoeren" te selecteren. Adres invoeren Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. 7 Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Draai aan de draaiknop om de functie "Een bestemming kiezen" te selecteren. 8 Draai, als het land is geselecteerd, aan de draaiknop om de functie "Plaats" te selecteren. Een bestemming kiezen Plaats 9

242 0 NAVIGATIE 9 Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. 0 Draai aan de draaiknop om de letters van de plaatsnaam één voor één te selecteren en te bevestigen door op de draaiknop te drukken. Parijs Herhaal de stappen 8 t/m voor de functies "Straat" en "Nr.". Selecteer "OK" op het scherm "Adres invoeren". OK Om de bestemming sneller in te voeren kan in plaats van de "Plaatsnaam" ook de "Postcode" worden ingevoerd. Voer de letters en cijfers in met het alfanumerieke toetsenbord en gebruik de toets "*" voor eventuele correcties (max. 5 karakters). Draai aan de draaiknop en selecteer "OK". 5 Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Selecteer de functie "Opslaan" om het ingevoerde adres in een kaart van het geheugen op te slaan en druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. De points of interest (POI) geven de verschillende diensten langs de route aan (hotels, winkels, luchthavens,...). OK Opslaan POI 0

243 0 NAVIGATIE EEN ETAPPE TOEVOEGEN Druk tijdens de navigatie op de toets MENU. 6 Selecteer de functie "Een etappe toevoegen" (maximaal 9 etappes) en druk op de draaiknop om te bevestigen. Een etappe toevoegen Draai aan de draaiknop om de functie "Navigatie" te selecteren. 7 Voer bijvoorbeeld een nieuw adres in. Een adres invoeren Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. 8 Selecteer "OK" als het nieuwe adres is ingevoerd en druk op de draaiknop om te bevestigen. Draai aan de draaiknop om de functie "Etappes en route" te selecteren. Etappes en route 9 Selecteer "OK" en druk op de draaiknop om de volgorde van de etappes te bevestigen. 5 Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Selecteer "Strikt" (de etappe moet zijn voltooid om door te gaan naar de volgende bestemming) of "Nabijheid" en druk op de draaiknop om te bevestigen.

244 0 GESPROKEN NAVIGATIEBERICHTEN Het instellen van het volume van de waarschuwingen voor POI's "Risicozones" is alleen mogelijk door tijdens een dergelijke waarschuwing het volume in te stellen. Tijdens de gesproken berichten kan door middel van de volumeknop direct het volume van de verschillende berichttypen worden ingesteld (navigatie, verkeersinformatie...). 5 Druk op de knop om de selectie te bevestigen. Druk op de toets MENU. 6 Selecteer de functie "Instellen gesproken berichten" en druk op de knop om te bevestigen. Draai aan de knop om de functie "Navigatie" te selecteren. Instellen gesproken berichten 7 Druk op de knop en stel vervolgens het volume van de gesproken berichten in of selecteer de functie "Uitschakelen" en druk op de knop om te bevestigen. Druk op de knop om de selectie te bevestigen. Uitschakelen Draai aan de knop om de functie "Navigatiemogelijkheden" te selecteren. 8 Selecteer "OK" en druk op de knop om te bevestigen. Navigatiemogelijkheden OK

245 0 NAVIGATIE Overzicht van Points of Interest

246 0 NAVIGATIE UPDATEN POI's WEERGAVE VAN POI's RISICOZONES De exacte procedure is te vinden op de website "citroen.navigation.com". Druk op de toets MENU. Selecteer "Kaart" en druk op "OK" ter bevestiging. Kaart Selecteer "Details van kaart" en druk op "OK" ter bevestiging. Details van kaart Selecteer "Transport en auto's" en druk op "OK" ter bevestiging. Transport en auto's 5 Vink "Risicozones" aan en druk op "OK" ter bevestiging. Risicozones

247 0 NAVIGATIE NAVIGATIEMOGELIJKHEDEN De aangegeven route is direct afhankelijk van de geselecteerde navigatiemogelijkheden. Het selecteren van andere mogelijkheden kan ertoe leiden dat een totaal andere route wordt gekozen. 5 Druk op de toets MENU. Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Draai aan de draaiknop om de functie "Navigatie" te selecteren. 6 Draai aan de draaiknop om de functie "Defi niëren berekeningscriteria" te selecteren. Definiëren berekeningscriteria 7 Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Draai aan de draaiknop om de functie "Navigatiemogelijkheden" te selecteren. 8 Draai aan de draaiknop om bijvoorbeeld de functie "Afstand/tijd" te selecteren. Navigatiemogelijkheden Afstand/tijd 5

248 0 NAVIGATIE Het instellen van het volume van de waarschuwingen voor POI's "Risicozones" is alleen mogelijk tijdens een dergelijke waarschuwing. INSTELLEN WAARSCHUWINGSMELDINGEN RISICOGEBIEDEN 9 Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Herhaal de stappen tot en met 5 van de navigatiefuncties. 0 Draai aan de draaiknop om de functie "Verkeersinformatie" te selecteren als u Verkeersinformatie wilt ontvangen. Verkeersinformatie Draai aan de knop om de functie "Instellen risicogebieden" te selecteren en druk op de draaiknop om de waarschuwingsmelding te bevestigen. Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Instellen risicogebieden Vink dit vakje aan om optimaal gebruik te maken van de verkeersinformatie. Het systeem geeft eventuele omleidingen aan. Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Kies: - visuele meldingen, - geluidssignalen, met de duur van de melding (in seconden) - uitsluitend meldingen weergeven bij navigatie, selecteer vervolgens "OK" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Selecteer "OK" en druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. OK OK Deze functies zijn alleen beschikbaar als de risicogebieden zijn gedownload en in het systeem zijn geïnstalleerd. 6

249 0 NAVIGATIE INSTELLEN VAN DE KAART ORIENTERING VAN DE KAART Druk op de toets MENU. Voor een betere leesbaarheid wordt bij een schaal groter dan 0 km de kaart automatisch naar het Noorden geörienteerd. Draai aan de knop om de functie "Kaart" te selecteren. Herhaal de stappen tot, draai aan de knop en selecteer de functie "Oriëntering van de kaart". Oriëntering van de kaart 5 Druk op de knop om de selectie te bevestigen. Druk op de knop om de selectie te bevestigen. 6 Draai aan de knop en selecteer de oriëntering van uw keuze. Op auto georiënteerd Draai aan de knop om de functie "Gegevens van de kaart" te selecteren. Met behulp van deze functie kunt u de op de kaart weergegeven diensten selecteren (hotels, restaurants, risicogebieden...). 7 Op noorden georiënteerd D-beeld Selecteer "OK" en druk op de knop om te bevestigen. Gegevens van de kaart OK 7

250 0 NAVIGATIE WEERGEVEN VAN DE KAART IN EEN VENSTER OF EEN VOLLEDIG SCHERM Druk op de toets MENU. 5 Druk op de draaiknop om de geselecteerde functie te bevestigen. Draai aan de knop en selecteer de functie "Kaart". 6 Draai aan de knop en selecteer "Kaart in venster" of "Kaart op volledig scherm". Druk op de draaiknop om de geselecteerde functie te bevestigen. Kaart in venster Kaart op volledig scherm Draai aan de knop en selecteer de functie "Kaart tonen". 7 Selecteer "OK" en druk op de draaiknop om dit te bevestigen. Kaart tonen OK 8

251 05 VERKEERSINFORMATIE TMC-BERICHTEN INSTELLEN TMC-berichten (Trafi c Message Channel) informeren de bestuurder over de actuele verkeerssituatie en over de weersomstandigheden. De bestuurder krijgt een geluidsignaal te horen en op de kaart van het navigatiesysteem wordt aangegeven waar zich problemen voordoen. Aan de hand van deze gegevens kan het navigatiesysteem een alternatieve route kiezen. Druk op de toets MENU. 6 Selecteer de functie "Geografisch fi lter" en druk op de knop om te bevestigen. Geografisch filter Draai aan de knop en selecteer de functie "Verkeersinformatie". 7 Draai aan de knop en selecteer het fi lter van uw keuze. Rondom de auto 5 Druk op de knop om de selectie te bevestigen. Draai aan de knop en selecteer de functie "Verkeersinformatie TMC fi lteren". Verkeersinformatie TMC filteren Druk op de knop om de selectie te bevestigen. 8 Op de route Selecteer "OK" en druk op de knop om te bevestigen. OK De fi lters werken onafhankelijk van elkaar en vullen elkaar aan. Wij adviseren: - een omgevingsfi lter van 0 km rondom de auto voor een gebied met een dicht wegennet, - een omgevingsfi lter van 50 km rondom de auto of een trajectfi lter op lange trajecten (snelweg). 9

252 05 VERKEERSINFORMATIE WEERGAVE TMC-BERICHTEN INSTELLEN Het is raadzaam de functie "Nieuwe berichten weergev." niet aan te vinken in gebieden met veel verkeersdrukte. Druk op de toets MENU. 5 Druk op de knop om de selectie te bevestigen. 6 Selecteer de optie "De berichten lezen". Draai aan de knop en selecteer de functie "Verkeersinformatie". De berichten lezen Druk op de knop om de selectie te bevestigen. 7 De spraaksynthese laat de meldingen van de verkeersinformatie horen. Selecteer de optie "Nieuwe berichten weergev.". De verkeersinformatie wordt met de geselecteerde fi lters (geografi sch...) weergegeven en kan ook worden weergegeven als het navigatiesysteem niet actief is. Nieuwe berichten weergev Draai aan de knop en selecteer de functie "Berichten instellen". 8 Selecteer "OK" en druk op de knop om te bevestigen. Berichten instellen OK 50

253 06 AUDIO/VIDEO Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. RADIO SELECTEREN VAN EEN ZENDER RDS Druk herhaalde malen op de toets SOURCE om de RADIO te selecteren. Druk op de toets MENU. Druk op de toets BAND om het golfbereik te selecteren: FM, FM, FMast of AM. Selecteer "Audiofuncties" en druk op "OK". Druk kort op een van de toetsen om automatisch naar zenders te zoeken. Selecteer de functie "Voorkeuze FM" en druk op "OK". Voorkeuze FM Druk op een van de toetsen om handmatig naar zenders te zoeken. Selecteer "RDS volgen activeren" en druk op "OK". Op het display verschijnt de aanduiding RDS. RDS volgen activeren Druk op de toets LIST voor een lijst van de lokaal beschikbare zenders (maximaal 60). Druk langer dan seconden op de toets om deze lijst bij te werken. Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen. 5

254 06 CD MP INFORMATIE EN TIPS CD EEN CD OF MP-CD AFSPELEN Lege CD's worden niet herkend en kunnen het audiosysteem beschadigen. Het formaat MP (afkorting van MPEG, &.5 Audio Layer ) is een standaard voor het comprimeren van geluid die de mogelijkheid biedt enkele tientallen speellijsten op één CD te plaatsen. Gebruik alleen CD's met een ronde vorm. Bepaalde beveiligingssystemen op de originele CD of zelfgebrande CD's kunnen storingen veroorzaken, ongeacht de kwaliteit van de CD-speler. Plaats de audio- of MP-CD in de speler. De CD-speler zal de CD automatisch afspelen. Selecteer voor het branden van een CD-R of CD-RW de standaard ISO 9660 niveau, of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen afspelen. Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze niet goed wordt afgespeeld. Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor het branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid (maximaal x) in voor een optimale geluidskwaliteit. Voor het branden van een multisessie-cd is het raadzaam de standaard Joliet te gebruiken. De autoradio speelt uitsluitend bestanden met de extensie ".mp" en een samplingfrequentie van,05 khz of, khz af. Geluidsbestanden met een andere extensie (.wma,.mp,.mu...) kunnen niet worden afgespeeld. Gebruik voor bestandsnamen maximaal 0 karakters en verwijder speciale tekens (bijv.: " ",?, ù) om problemen met het afspelen of de weergave te voorkomen. Als er al een CD in het apparaat zit, druk dan herhaalde malen op de toets SOURCE om de CD-speler als geluidsbron te selecteren. Druk op een van de toetsen om een nummer van de CD te selecteren. Druk op de toets LIST om de lijst met nummers van de CD of de speellijsten van de MP-CD weer te geven. Het afspelen of weergeven van een MP-speellijst kan worden beïnvloed door het gebruikte programma voor de CD en/of de instellingen. Wij raden u aan een CD te gebruiken die aan de ISO-norm 9660 voldoet. 5

255 06 AUDIO/VIDEO GEBRUIK VAN USB-POORT * Een lijst met geschikte uitrustingen is beschikbaar bij het CITROËNnetwerk. AANSLUITEN VAN EEN USB-STICK De bestanden op de USB-stick worden overgebracht op uw autoradio en via de luidsprekers van de auto wordt de muziek weergegeven. Sluit geen externe harde schijf of andere USBapparaten dan een FTA6- of FAT-geformatteerde USB-stick aan (NTFS wordt niet ondersteund); de audio-installatie zou anders beschadigd kunnen raken. Sluit de USB-stick direct of via een verlengsnoer aan op de poort. Als de autoradio is ingeschakeld, wordt de USB-bron gedetecteerd zodra deze wordt aangesloten. Het lezen begint automatisch na een bepaalde tijd, afhankelijk van de capaciteit van de USB-stick. De herkende bestandsformaten zijn.mp (uitsluitend mpeg layer ). USB-stick (.,. en.0): - de USB-stick moet FAT6- of FAT- geformatteerd zijn (NTFS wordt niet ondersteund), - navigatie door de bestanden is mogelijk via de bediening op het stuurwiel, Sluit geen externe harder schijf of andere USB-apparaten dan audioapparatuur op de USB-poort aan; de audio-installatie zou anders beschadigd kunnen raken. * Beschikbaar volgens uitvoering. 5

256 06 AUDIO/VIDEO AFSPELEN VAN MP-BESTANDEN VANAF EEN USB-STICK JUKEBOX EEN USB/MP-STICK NAAR DE HARDE SCHIJF KOPIËREN Plaats een USB-stick in de daarvoor bestemde opening. Plaats een USB-stick in de daarvoor bestemde ruimte en druk op de toets MENU. Druk herhaaldelijk op de toets SOURCE als een andere geluidsbron wordt beluisterd en selecteer "USB" om de USB te beluisteren. Selecteer "Audiofuncties" en druk op de knop om te bevestigen. Druk op een van de toetsen om een nummer van de USB-stick te selecteren. Druk op de toets LIST om de lijst met dossiers van de USB/MP-stick weer te geven. Selecteer "USB" en druk op de knop om te bevestigen. USB Gebruik, om de USB stick te verwijderen, het snelmenu (druk op OK) of druk op de toets MENU, selecteer "Audiofuncties", "USB", en selecteer vervolgens "USB uitwerpen". Het afspelen en het weergeven van een MP-compilatie kan afhankelijk zijn van de gebruikte software voor het rippen en/of van de gebruikte instellingen. Een USB-stick moet FAT6- of FAT-geformatteerd zijn. De jukebox kan uitsluitend USB-sticks lezen. 5 Selecteer "USB kopiëren naar Jukebox" en druk op de knop om te bevestigen. USB kopiëren naar Jukebox Selecteer "Complete disc" om de complete inhoud van de USB te kopiëren en druk op de knop om te bevestigen. Complete disc 5

257 06 EEN CD NAAR DE HARDE SCHIJF KOPIËREN Plaats een audio- of MP-CD in de speler en druk op de toets MENU. De optie "Automatisch creëren" kopieert de CD automatisch naar een album van het type "album nr....". Selecteer "Audiofuncties", selecteer CD en druk op de knop om te bevestigen. 6 Selecteer de letters één voor één en selecteer "OK" om te bevestigen. OK Audiofuncties Selecteer "CD-kopie op de Jukebox" en druk op de knop om te bevestigen. De audio- of MP-CD wordt naar de harde schijf gekopieerd. Afhankelijk van de speelduur van de CD duurt het kopiëren tot 0 minuten. Tijdens het kopiëren kunnen de reeds op de harde schijf opgeslagen albums en CD's niet worden afgespeeld. 5 CD-kopie op de Jukebox Selecteer "Complete CD" om de volledige inhoud van de CD te kopiëren en druk op de knop om te bevestigen. Complete CD Herhaal, om het kopiëren te stoppen, de punten en. Selecteer "Kopiëren stoppen" en druk op de knop om te bevestigen. Kopiëren stoppen Als het geen CD met MP-bestanden betreft, comprimeert de Jukebox de nummers van de CD automatisch naar MP-formaat. Afhankelijk van de speelduur van de CD duurt het comprimeren ongeveer 0 minuten. Tijdens het comprimeren kunnen de CD en de reeds op de harde schijf opgeslagen albums worden afgespeeld. Druk lang op de toets SOURCE om met het kopiëren van de CD te beginnen. Het kopiëren van bestanden van de Jukebox naar een CD is niet mogelijk. De functie "Kopie stoppen" verwijdert niet de bestanden die al naar de harde schijf van de jukebox gekopieerd zijn. 55

258 06 AUDIO/VIDEO AFSPELEN VANUIT DE JUKEBOX EEN ALBUM HERNOEMEN Druk herhaalde malen op de toets SOURCE en selecteer de functie "Jukebox". Druk op de toets MENU. Jukebox Druk op de toets LIST. Selecteer "Audiofuncties" en druk op de knop om te bevestigen. Draai aan de knop om de bestanden te selecteren. Selecteer de functie "Jukebox" en druk op de knop om te bevestigen. Jukebox Druk op de toets ESC om terug te keren naar het eerste bestandsniveau. Selecteer de functie "Beheer Jukebox" en druk op de knop om te bevestigen. Beheer Jukebox 56

259 06 AUDIO/VIDEO 5 Selecteer het te hernoemen album op de knop om te bevestigen. 8 Selecteer "OK" en druk op de knop om te bevestigen. 6 Selecteer de functie "Hernoemen" en druk op de knop om te bevestigen. OK 7 Hernoemen Draai aan de knop en selecteer één voor één de letters van de titel van het album en bevestig de letters door op de knop te drukken. Selecteer om de nummers van een album te hernoemen de te hernoemen nummers en volg dezelfde procedure. Gebruik de toets ESC om de lijst met nummers te verlaten. Selecteer de functie "Verwijder" om een album of een nummer uit de Jukebox te verwijderen. Gebruik het alfanumerieke toetsenbord om de letters van de titel van het album één voor één in te voeren. Verwijder 57

260 06 AUDIO/VIDEO AUX-INGANG GEBRUIKEN AUDIOKABEL (JACK-RCA) NIET BIJGELEVERD Druk op de toets MENU en selecteer achtereenvolgens de functies "Confi guratie", "Geluid" en "Activeren externe geluidsbron" om de AUX-ingang van de NaviDrive te activeren. Sluit het externe apparaat (MP-speler ) aan op de audioaansluitingen (wit en rood, type RCA) in het dashboardkastje met een geschikte kabel (JACK-RCA). Druk herhaalde malen op de toets SOURCE om "AUX" te selecteren. De weergave en bedieningsfuncties verlopen via de externe apparatuur zelf. Het is niet mogelijk om bestanden vanaf de externe apparatuur naar de harde schijf te kopiëren. 58

261 06 AUDIO/VIDEO MENU VIDEO U kunt op de drie audio-/videoaansluitingen in het dashboardkastje een videoapparaat (camcorder, digitale camera, DVD-speler...) aansluiten. Druk op de toets MENU nadat u het videoapparaat hebt aangesloten. 6 Draai aan de knop en selecteer de functie "Parameters video" om het formaat van de weergave, de lichtsterkte, het contrast en de kleuren in te stellen. Draai aan de knop en selecteer de functie "Video". Parameters video 7 Druk op de knop om de selectie te bevestigen. Druk op de knop om de selectie te bevestigen. Draai aan de knop en selecteer de functie "Inschakelen videofunctie" om de videofunctie in of uit te schakelen. Druk op de toets DARK om de videoweergave te onderbreken. 5 Inschakelen videofunctie Druk op de knop om de selectie te bevestigen. Druk herhaalde malen op de toets SOURCE om een andere geluidsbron te selecteren dan het videoapparaat. De videoweergave is uitsluitend mogelijk als de auto stilstaat. 59

262 07 INGEBOUWDE TELEFOON INSTALLEREN VAN UW SIM-KAART (NIET BIJ DE AUTO GELEVERD) INVOEREN VAN DE PINCODE Open de lade door de knop in te drukken met de punt van een pen. Voer de PIN-code in met behulp van het toetsenbord. PIN-code Plaats de SIM-kaart in de houder en steek deze in de lade. Druk op de toets # om de PIN-code te bevestigen. Voer stap nogmaals uit om de SIM-kaart weer te verwijderen. Verwijder of plaats uw SIM-kaart pas nadat de NaviDrive is uitgeschakeld en het contact is afgezet. Selecteer bij het invoeren van uw PIN-code de optie "PIN-code opslaan" om de telefoon te kunnen gebruiken zonder telkens de PIN-code te hoeven invoeren. 60

263 07 INGEBOUWDE TELEFOON EEN BLUETOOTH-TELEFOON KOPPELEN De beschikbare functies van de telefoon zijn afhankelijk van het netwerk, de SIM-kaart en de compatibiliteit met de gebruikte Bluetooth-apparatuur. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en uw provider voor meer informatie over de beschikbare functies. Een overzicht van de meest geschikte telefoons is verkrijgbaar via het netwerk. Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree-set van het systeem mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto. Selecteer "Wijze van activeren Bluetooth" en vervolgens "Actief en zichtbaar". Druk op de draaiknop om iedere handeling te bevestigen. Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon. De laatst gekoppelde telefoon wordt automatisch opnieuw gekoppeld. Herhaal, om de naam van de CITROËN-radiotelefoon te kennen en te wijzigen, stap en selecteer "Naam van de radiotelefoon wijzigen". Druk op de toets MENU, selecteer "Datacommunicatie" en vervolgens "Functies Bluetooth". Druk op de draaiknop om iedere handeling te bevestigen. Selecteer op uw telefoon de naam van de CITROËN-radiotelefoon. Voer de toegangscode in (standaard 0000). 6

264 07 INGEBOUWDE TELEFOON EEN BLUETOOTH-TELEFOON KOPPELEN Herhaal, om de toegangscode te wijzigen, stap, selecteer "Toegangscode" en sla de code van uw keuze op. Als de telefoon is gekoppeld kan het systeem het adresboek en de gesprekkenlijst synchroniseren. Herhaal stap en selecteer "Wijze van synchroniseren index". Selecteer de synchronisatie van uw keuze en druk op de draaiknop om te bevestigen. De synchronisatie kan enkele minuten duren. Herhaal, om de gekoppelde telefoon te wijzigen, stap, selecteer "Lijst gekoppelde telefoons" en druk op OK om te bevestigen. De lijst met eerder gekoppelde telefoons (maximaal 0) verschijnt. Selecteer de telefoon van uw keuze, bevestig, selecteer "Koppelen" en druk op de draaiknop om te bevestigen. De gesprekkenlijst bevat uitsluitend gesprekken die zijn gevoerd met de radiotelefoon van de auto. 6

265 07 TELEFONEREN BELLEN MET EEN CONTACTPERSOON Druk op MENU om de gebruikte telefoon te kiezen, selecteer achtereenvolgens "Datacommunicatie", "Bluetooth-functies", "Wijze van activeren Bluetooth". Naar keuze: - "Niet actief": gebruik van de interne telefoon, - "Actief en zichtbaar": gebruik van de Bluetooth-telefoon, zichtbaar vanaf alle telefoons, - "Actief en niet zichtbaar": gebruik van de Bluetooth-telefoon, onzichtbaar vanaf de andere telefoons, koppelen van een nieuwe telefoon niet mogelijk. Druk op de toets OPNEMEN om het snelmenu van de telefoon weer te geven. 5 Druk op de toets OPNEMEN om naar het gekozen nummer te bellen. Selecteer "Lijst gesprekken" of "Index" en druk op "OK". Kies het gewenste nummer en bevestig om te bellen. 6 Druk op de toets OPHANGEN om het gesprek te beëindigen. Draai aan de knop om de functie "Nummer kiezen" te selecteren. EEN GESPREK ACCEPTEREN OF WEIGEREN Nummer kiezen Druk op de toets OPNEMEN om een gesprek te accepteren. Druk op de knop om de selectie te bevestigen. Druk op de toets OPHANGEN om een gesprek te weigeren. Toets het nummer van uw contactpersoon in op het alfanumerieke toetsenbord. Druk langer dan seconden op het uiteinde van de stuurkolomschakelaar om het menu van de telefoon weer te geven: logboek gesprekken, index, voic . 6

266 08 CONFIGURATIE DATUM EN TIJD INSTELLEN Met de functie "Confi guratie" kunnen de instellingen voor kleur, helderheid, eenheden en gesproken commando's worden gewijzigd. Dit moet elke keer na het aansluiten van de accukabels opnieuw gebeuren. 5 Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Druk op de toets MENU. Draai aan de draaiknop om de functie "Confi guratie" te selecteren. 6 Draai aan de draaiknop om de functie "Datum en tijd instellen" te selecteren. Datum en tijd instellen 7 Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Draai aan de draaiknop om de functie "Confi guratie beeldscherm" te selecteren. Configuratie beeldscherm 8 Stel de parameters één voor één in door deze te bevestigen met de draaiknop. Selecteer vervolgens de tab "OK" op het scherm om de instellingen te bevestigen. OK 6

267 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY NAVIGATIE EEN BESTEMMING KIEZEN adres invoeren 5 5 land: plaats: straat: nr./_: huidige locatie opslaan POI in de buurt van op de route 5 5 rondom de huidige plaats BASISFUNCTIE KEUZE A keuze A keuze A KEUZE B... zoeken op naam GPS-coördinaten index laatst gekozen bestemmingen ETAPPES EN ROUTE een etappe toevoegen adres invoeren index laatst gekozen bestemmingen etappes ordenen / verwijderen alternatieve route gekozen bestemming NAVIGATIEMOGELIJKHEDEN definiëren berekeningscriteria snelste route kortste route afstand/tijd met tolwegen met ferryboat verkeersinformatie instellen gesproken berichten straatnaam inschakelen / uitschakelen laatste bestemmingen wissen NAVIGATIE STOPPEN / HERVATTEN 65

268 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY 66 KAART ORIËNTERING VAN DE KAART op auto georiënteerd op noorden georiënteerd D-beeld GEGEVENS VAN DE KAART overheid en veiligheid gemeentehuizen, stadscentrum universiteiten, hogescholen ziekenhuizen hotels, restaurants en winkels hotels restaurants wijnhuizen/-proeverijen zakencentra winkelen, supermarkten cultuur, toerisme en toneel cultuur en musea casino's en nachtleven bioscopen en theaters toerisme toneel, tentoonstellingen sportcentra en openlucht sportcentra, sportcomplexen golfterreinen ijsbanen, bowling wintersportcentra parken en tuinen attractieparken transport en auto luchthavens, havens stations, autobusstations autoverhuur parkeerplaatsen tankstations, garages KAART TONEN kaart op volledig scherm kaart in venster DE KAART VERPLAATSEN / VOLGEN AUTO BESCHRIJVING CARTOGRAFISCHE BASIS VERKEERSINFORMATIE DE BERICHTEN RAADPLEGEN VERKEERSINFORMATIE TMC FILTEREN geografisch filter alle berichten bewaren de berichten bewaren

269 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY rondom de auto op de route verkeersinformatie trafic info afsluiting van wegen beperking van afmetingen staat van de weg weerbericht en zicht stadsinlichtingen parkeren openbaar vervoer evenementen DE AANKONDIGING VAN BERICHTEN INSTELLEN de berichten lezen nieuwe berichten weerg. KEUZE VAN HET TMC-STATION TMC automatisch volgen TMC handmatig volgen lijst van TMC-stations AUDIOFUNCTIES VOORKEURSINSTELLINGEN RADIO frequentie invoeren inschakelen / uitschakelen RDS-functie inschakelen / uitschakelen REG-functie Radio Text weergeven / verbergen VOORKEURSINSTELLINGEN CD, USB, JUKEBOX Introscan inschakelen / uitschakelen (SCN) willekeurig afspelen inschakelen / uitschakelen (RDM) herhaling inschakelen / uitschakelen (RPT) tonen van CD-details inschakelen / uitschakelen CD CD naar Jukebox kopiëren complete CD kopiëren meerdere keuzes huidige album huidige nummer CD uitwerpen USB kopiëren van USB naar Jukebox volledige disc meervoudige selectie huidig album huidig nummer USB verwijderen JUKEBOX beheer Jukebox 67

270 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY 68 configuratie Jukebox hi-fi (0 kbps) hoog (9 kbps) normaal (8 kbps) beheer playlist Jukeboxgegevens wissen status Jukebox DATACOMMUNICATIE BELLEN logboek gesprekken nummer kiezen index voic diensten Customer Contact Center CITROËN Assistance CITROËN Service ontvangen berichten INDEX beheer kaarten van de index kaart raadplegen of wijzigen een kaart toevoegen een kaart verwijderen alle kaarten verwijderen configuratie index een index selecteren de index benoemen de startindex kiezen kaartenoverdracht 5 uitwisselen via infrarood alle kaarten zenden één kaart zenden ontvangen via infrarood uitwisselen met SIM-kaart alle kaarten naar SIM zenden één kaart naar SIM zenden alle kaarten van de SIM ontvangen één kaart van de SIM ontvangen uitwisselen met Bluetooth SMS-BERICHTEN ontvangen SMS-berichten lezen SMS-bericht verzenden SMS-bericht opstellen de SMS-lijst wissen TELEFOONFUNCTIES netwerk zoeken naar netwerk

271 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY 5 5 automatisch handmatig beschikbare netwerken duur gesprekken op nul zetten PIN-code beheren activeren/deactiveren PIN-code opslaan PIN-code wijzigen belopties telefoongesprekken confi gureren tonen van mijn nummer automatisch opnemen na x keer overgaan opties beltonen voor gesprekken voor SMS-berichten 6 geluidssignaal SMS nummer voic het logboek gesprekken wissen BLUETOOTH FUNCTIES wijze van activeren niet actief actief en zichtbaar actief en niet zichtbaar lijst met gekoppelde randapparatuur de naam van de radiotelefoon wijzigen identificatiecode wijze van synchroniseren van de index geen synchronisatie de index van de telefoon zien de index van de SIM-kaart zien alle indexen zien CONFIGURATIE CONFIGURATIE DISPLAY de kleur kiezen lichtsterkte regelen datum en tijd instellen eenheden kiezen GELUIDEN gesproken berichten instellen instellingen spraaksturing volume van de instructies volume andere berichten een vrouwelijke/mannelijke stem kiezen AUX-ingang activeren/deactiveren TAALKEUZE PARAMETERS VAN DE AUTO DEFINIËREN* * De parameters variëren afhankelijk van de auto. 69

272 09 MENUSTRUCTUUR DISPLAY VIDEO INSCHAKELEN VIDEOFUNCTIE PARAMETERS VIDEO afmetingen weergave lichtsterkte regelen kleuren instellen contrast instellen DEKKING GPS NOODENERGIEVOORZIENING Druk langer dan seconden op de toets MENU voor toegang tot het volgende schermmenu. LIJST STEMCOMMANDO'S DIAGNOSE RADIOTELEFOON BESCHRIJVING VAN HET TOESTEL NAVIGATIEDEMONSTRATIE Druk herhaalde malen op de toets met de muzieknoot voor toegang tot de volgende instellingen. GELUIDSSFEER BASSEN HOGE TONEN CORRECTIE LOUDNESS FADER DIAGNOSE AUTO CONFIGURATIE DIENSTEN BALANS LOGBOEK WAARSCHUWINGEN AUTOMATISCHE CORRECTIE VOLUME 70 STATUS VAN FUNCTIES * RESET DETECTIESYSTEEM TE LAGE BANDENSPANNING * * De parameters variëren afhankelijk van de auto. Versie menustructuur 8. Elke geluidsbron (radio, CD, MP, Jukebox) kan afzonderlijk worden ingesteld.

273 VEELGESTELDE VRAGEN In de onderstaande tabel vindt u de antwoorden op de meestgestelde vragen. VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD...). De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, muziekstijl, loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn. De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. Controleer of de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, muziekstijl, loudness) zijn afgestemd op de verschillende geluidsbronnen. Het is raadzaam de AUDIO-functies (bassen, hoge tonen, fader, balans) in de middelste stand te zetten, de muziekstijl "Geen" te selecteren en de functie Loudness in de stand "Actief" te zetten als de CD-speler is geselecteerd, en in de stand "Inactief" te zetten als de radio is geselecteerd. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de autoradio wordt herkend. - Controleer of de CD met de juiste zijde boven in de speler is geplaatst. - Controleer de staat van de CD: de CD kan niet worden gelezen als deze te veel is beschadigd. - Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk Audio. - De CD-speler van de autoradio kan geen DVD's afspelen. - De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's is onvoldoende om deze door de autoradio te laten afspelen. De CD-speler levert een slechte geluidskwaliteit. De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg ze zorgvuldig op. De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, muziekstijl) zijn niet op de CD-speler afgestemd. Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen op 0, zonder een muziekstijl te selecteren. 7

274 VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). Het verkeerde golfbereik is geselecteerd. Druk op de toets BAND AST om het golfbereik (AM, FM, FM, FMAST) terug te vinden waarin de voorkeuzezenders zijn opgeslagen. De ontvangstkwaliteit van de beluisterde radiozender neemt geleidelijk af of de voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). Het geluid van de radio valt tot seconden weg. Na het afzetten van de motor wordt de radio na enkele minuten automatisch uitgeschakeld. De optie VERKEERSINFORMATIE is aangevinkt, maar de files op de route worden niet direct gemeld. Het berekenen van de route lijkt soms langer te duren dan normaal. De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt. De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.) veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld. De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat of ondergrondse parkeergarage). Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid naar een eventuele sterkere zender voor een betere ontvangst van het station. Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand van de accu dat toestaat. Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-modus van de autoradio is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt. Bij het opstarten heeft het systeem enkele minuten nodig om de verkeersinformatie te ontvangen. In bepaalde landen is alleen voor de hoofdwegen (autosnelwegen,...) verkeersinformatie beschikbaar. Het systeem kan tijdelijk trager worden als gelijktijdig met het berekenen van de route een CD naar de Jukebox gekopieerd wordt. Activeer de functie RDS om het systeem te laten controleren of er een sterkere zender in het gebied aanwezig is. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. Laat de antenne controleren door het CITROËN-netwerk. Schakel de RDS-functie uit als dit verschijnsel zich te vaak en steeds op hetzelfde traject voordoet. Start de motor om de accu op te laden. Wacht tot de verkeersinformatie goed wordt ontvangen (weergave van de pictogrammen van de verkeersinformatie op de kaart). Dit is een normaal verschijnsel. Het systeem is afhankelijk van de beschikbare verkeersinformatie. Wacht met het starten van de navigatie tot het kopiëren van de CD is voltooid of breek het kopiëren af. 7

275 Werkt de noodoproep zonder SIM-kaart? ANTWOORD Bepaalde nationale reglementen schrijven voor dat een SIM-kaart moet zijn geplaatst om een noodoproep te kunnen activeren. OPLOSSING Plaats een geldige SIM-kaart in de houder van het systeem. De hoogte wordt niet weergegeven. Mijn SIM-kaart wordt niet herkend. De routeberekening wordt niet voltooid. Bij het opstarten kan de initialisatie van het GPS tot minuten duren voordat er meer dan satellieten correct worden ontvangen. De kwaliteit van de GPS-ontvangst kan worden beïnvloed door de omgeving (tunnel,...) en het weer. Het systeem is alleen geschikt voor,v SIM-kaarten. De oude 5V en,8v SIM-kaarten worden niet herkend. De vermijdcriteria zijn wellicht in tegenspraak met de huidige locatie (uitsluiting van tolwegen tijdens het rijden op een tolweg). Wacht tot het systeem volledig is opgestart. Controleer of het GPS van ten minste satellieten een signaal ontvangt (druk lang op de toets MENU, selecteer vervolgens DIAGNOSE RADIOTELEFOON en ten slotte GPS-DEKKING). Dit is een normaal verschijnsel. De werking van het systeem is afhankelijk van de ontvangst van het GPS-signaal. Raadpleeg uw telefoonprovider. Controleer de vermijdcriteria. De wachttijd na het plaatsen van een CD duurt lang. Ik kan geen verbinding tot stand brengen met mijn Bluetooth-telefoon. Na het plaatsen van een nieuw medium leest het systeem een aantal gegevens uit (speellijst, titel, artiest, enz.). Dit kan enkele seconden in beslag nemen. Het is mogelijk dat de Bluetooth-functie van de telefoon is uitgeschakeld of dat het toestel niet gedetecteerd wordt. Dit is normaal. - Controleer of de Bluetooth-functie van uw telefoon is ingeschakeld. - Zorg ervoor dat uw telefoon kan worden gedetecteerd. 7

276 7

277 MyWay RADIO MULTIMEDIA / BLUETOOTH-TELEFOON GPS EUROPA OP SD-KAART INHOUD De MyWay is zodanig gecodeerd dat deze uitsluitend in uw auto functioneert. Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto. Na het afzetten van de motor schakelt de MyWay zichzelf tijdens de overgang naar de eco-modus uit om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. Bepaalde functies die in dit boekje worden beschreven, zullen in de loop van het jaar beschikbaar zijn. 0 Basisfuncties 0 Stuurkolomschakelaars 0 Algemene werking 0 Navigatie 05 Verkeersinformatie 06 Radio 07 Mediaspelers 08 Bluetooth-telefoon 09 Configuratie 0 Menustructuur display Veelgestelde vragen blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz

278 0 Motor afgezet: - Kort indrukken: aan/uit. - Lang indrukken: CD pauzeren, geluidsweergave radio onderbreken. Draaiende motor: - Kort indrukken: CD pauzeren, geluidsweergave radio onderbreken. - Lang indrukken: resetten van het systeem. Lang indrukken: toegang tot de audio-instellingen: geluidsverdeling voor/achter, links/rechts, lage-/ hogetonenregeling, sfeerinstellingen, loudness, automatische volumecorrectie, standaardinstellingen. Toegang tot het Menu "Radio". Weergave van het zenderoverzicht. Toegang tot het Menu "Muziek". Weergave van tracks. Selectieknop voor de weergave op het display, afhankelijk van de context van het menu. Kort indrukken: contextmenu of bevestigen. Lang indrukken: specifiek contextmenu van de weergegeven lijst. Toegang tot het Menu "SETUP". Lang indrukken : toegang tot het GPS-bereik en de demo-modus. Toegang tot het Menu "Telefoon". Weergave van het logboek gesprekken. Volumeregeling (individueel voor iedere geluidsbron, inclusief berichten en waarschuwingen van het navigatiesysteem). Toetsen t/m 6 : Selecteren van een in het geheugen opgeslagen radiozender. Lang indrukken: in het geheugen opslaan van de huidige radiozender. Uitwerpen van de CD. Selecteren van de vorige/ volgende radiozender. Selecteren van de vorige/ volgende titel van een CD of vorig/volgend MP-bestand Selecteren van het vorige/ volgende item in een lijst. Selecteren van de vorige/ volgende radiozender in het overzicht. Selecteren van de vorige/ volgende MP-afspeellijst. Selecteren van het vorige/ volgende pagina in een lijst. 76 Toegang tot het Menu "MODE". Selecteren van het achtereenvolgens weergeven van: Radio, Kaart, NAV (tijdens navigatie), Telefoon (tijdens een gesprek), Boordcomputer. Lang indrukken: black-panelfunctie (DARK). Toegang tot het Menu "Navigatie". Weergave van de laatst gekozen bestemmingen.. SD-kaartlezer, uitsluitend voor navigatie. Toegang tot het Menu "Verkeer". Weergave van de actuele verkeersinformatie. ESC : huidige bewerking afbreken.

279 0 STUURKOLOMSCHAKELAARS 5 5. Volume verhogen.. Volume verlagen.. Herhaalde malen indrukken: geluid onderbreken (Mute) / geluid herstellen.. Draaien - gekoppeld aan een pop-up. Radio - toegang tot de 6 opgeslagen zenders: volgende of vorige. Muziekspelers: volgende / vorige nummer. 5. Radio: volgende radiozender. Muziekspelers: volgende nummer.. Indrukken. Laatste gesproken navigatiecommando herhalen.. Kort indrukken: bellen. Opnemen / Ophangen. Toegang tot het telefoonmenu. Gesprekkenlijst weergeven. Lang indrukken: inkomend gesprek weigeren.. Persoonlijke instellingen Kort indrukken: met de draaiknop uitgevoerde selectie bevestigen.. Draaien. Door de gesprekkenlijst scrollen. Persoonlijke instellingen selecteren.. Kort indrukken: toegang tot het menu afhankelijk van de weergave op het display.. Herhaalde malen indrukken: toegang, afhankelijk van de huidige weergave op het display. KAART / NAV (tijdens navigatie), TEL (tijdens telefoongesprek), RADIO of huidige MEDIUM, Boordcomputer. Lang indrukken: verlichting display uitschakelen - Dark (voor rijden in het donker). De weergave wordt weer ingeschakeld door een willekeurige toets te bedienen.. ESC: huidige bewerking afbreken.. Draaien: toegang tot de snelkeuzemenu's selecteren, afhankelijk van de huidige weergave. 5. Op het display weergegeven keuze bevestigen. 77

280 0 ALGEMENE WERKING Door meerdere keren achter elkaar op de toets MODE te drukken, krijgt u toegang tot de volgende menu's: RADIO / MULTIMEDIASPELERS TELEFOON (Tijdens een telefoongesprek) KAARTWEERGAVE OP VOLLEDIG SCHERM NAVIGATIE (Tijdens navigatie) BOORDCOMPUTER SETUP: taalkeuze *, datum en tijd *, weergave, parameters van de auto *, eenheden en systeeminstellingen "Demo-modus". * Afhankelijk van de uitvoering. VERKEER: TMC-informatie en berichten. Gebruik voor het schoonmaken van het display een zacht, niet-schurend doekje (bijvoorbeeld een brillendoekje) zonder schoonmaakmiddel. Raadpleeg het hoofdstuk "Menustructuren displays" voor een gedetailleerd overzicht van de keuzemogelijkheden binnen de menu's. 78

281 0 WEERGAVE AFHANKELIJK VAN DE CONTEXT Door de draaiknop OK in te drukken krijgt u toegang tot de snelkeuzemenu's. NAVIGATIE (TIJDENS NAVIGATIE): Navigatie stoppen BOORDCOMPUTER: Logboek waarschuwingen Bericht herhalen Status van functies Alternatieve route Route-informatie Bestemming tonen Trajectinformatie Navigatiecriteria Vermijdcriteria Aantal satellieten Kaart verplaatsen Gespr. bericht TELEFOON: Ophangen In de wacht zetten Bellen DTMF-tonen Privémodus Micro uit Navigatie-opties 79

282 0 ALGEMENE WERKING WEERGAVE AFHANKELIJK VAN DE CONTEXT MULTIMEDIASPELERS: RADIO: KAARTWEERGAVE OP VOLLEDIG SCHERM: Verkeersinformatie (TA) Afspeelopties Normale afspeelvolgorde Shuffle Map herhalen Introscan Kies geluidsbron FM Verkeersinformatie (TA) RDS Radiotekst Regioprog. (REG) AM AM Navig. stoppen/navigatie hervatten Bestemming Points of Interest Positie-info Kaartinstellingen Kaart verplaatsen Verkeersinformatie(TA) AM-lijst vernieuwen FM 80

283 0 NAVIGATIE EEN BESTEMMING KIEZEN Plaats de SD-kaart met navigatiegegevens in de lezer op het bedieningspaneel om de navigatiefuncties te gebruiken. De navigatiegegevens op de SD-kaart mogen niet worden gewijzigd. Updates van navigatiegegevens zijn verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk. Druk op de toets NAV. Selecteer de functie "Adresinvoer" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Adresinvoer Onder de functie Menu "Navigatie" verschijnen de 0 laatst gekozen bestemmingen. 5 Selecteer het land en draai vervolgens aan de draaiknop om de plaats te selecteren. Druk op de draaiknop om te bevestigen. Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie Menu "Navigatie" en druk vervolgens op de draaiknop om te bevestigen. Menu "Navigatie" 6 Selecteer de letters van de plaatsnaam één voor één en druk telkens op de draaiknop om een letter te bevestigen. Selecteer de functie "Bestemming invoeren" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Bestemming invoeren Via de toets LIST op het virtuele toetsenbord is een lijst van plaatsen in het gekozen land beschikbaar die kunnen worden geselecteerd door de eerste letters van de plaatsnaam in te voeren. 8

284 0 NAVIGATIE 7 Draai aan de draaiknop en selecteer OK. Druk op de draaiknop om te bevestigen. 9 Selecteer vervolgens "Navigatie starten" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Voor een snellere invoer is het mogelijk rechtstreeks een postcode in te voeren via de functie "Postcode". Gebruik het virtuele toetsenbord om de letters en cijfers in te voeren. Navigatie starten 8 Herhaal de stappen 5 t/m 7 om de "Straat" en het "Huisnummer" in te voeren. Selecteer de navigatiecriteria: "Snelste route", "Kortste route" of "Geoptimaliseerde route" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Er kan ook een bestemming worden geselecteerd vanuit "Uit adresboek kiezen" of "Uit laatste bestemmingen kiezen". Selecteer de functie "Opslaan in adresboek" om het ingevoerde adres als kaart op te slaan. Druk op de draaiknop om de selectie te bevestigen. Uw MyWay kan maximaal 500 kaarten opslaan. Tijdens de navigatie kan de laatste aanwijzing worden herhaald door deze toets in te drukken. Uit adresboek kiezen Uit laatste bestemmingen kiezen Instellingen van de kaart Met de draaiknop kan worden in- en uitgezoomd op de kaart. Met het snelkeuzemenu van KAART VOLLEDIG SCHERM is het mogelijk de kaart te verplaatsen of de richting te kiezen. Druk op MODE tot de kaart op het volledige scherm wordt weergegeven. Druk op de draaiknop en selecteer vervolgens "Kaartinstellingen". Selecteer ",5D kaart" of "D-kaart"; in dit laatste geval kunt u kiezen voor "Noord boven" of "Richting boven". 8 Om een bestemming te wissen; selecteer vanaf de stappen tot "Uit laatste bestemmingen kiezen". Door lang op een van de bestemmingen te drukken verschijnt een lijst met handelingen, waarin u kunt kiezen voor: Bestemming wissen Laatste bestemmingen wissen

285 0 NAVIGATIE EEN THUISADRES KIEZEN EN NAVIGEREN NAAR "THUIS" Om een adres als "Thuis" aan te wijzen, moet het desbetreffende adres zijn opgeslagen in het adresboek, bijvoorbeeld via "Bestemming invoeren" / "Adresinvoer" en vervolgens "Opslaan in adresboek". Selecteer het adresbestand van het thuisadres en bevestig. Selecteer vervolgens "Adresbestand wijzigen" en bevestig. Bestand wijzigen Druk twee keer op de toets NAV om het Menu Navigatie weer te geven. Menu Navigatie 5 Selecteer "Aanwijzen als "thuis"" en bevestig om op te slaan. Selecteer "Bestemming invoeren" en bevestig. Selecteer "Uit adresboek kiezen" en bevestig. Aanwijzen als "thuis" Bestemming invoeren Selecteer "Menu" en "Adresboek" en bevestig. Selecteer vervolgens "Adresbestand zoeken" en bevestig. Druk om het navigeren naar "Thuis" te starten twee keer op NAV, zodat het Menu Navigatie wordt weergegeven. Selecteer "Bestemming invoeren" en bevestig. Selecteer vervolgens "Navigatie THUIS" en bevestig om de navigatie te starten. Adresboek 8

286 0 NAVIGATIE NAVIGATIEOPTIES De route die uw MyWay berekent, hangt af van de geselecteerde navigatieopties. Door het wijzigen van deze opties kan een totaal verschillende route worden berekend. Druk op de toets NAV. 5 Selecteer de functie "Routedynamiek". Deze functie geeft toegang tot de opties "Verkeersonafhankelijk" en "Semi-dynamisch". Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie Menu Navigatie en druk op de draaiknop om te bevestigen. Menu Navigatie 6 Routedynamiek Selecteer de functie "Vermijdcriteria". Deze functie geeft toegang tot de optie VERMIJDEN (autosnelwegen, tolwegen, veerboten). Selecteer de functie "Routeopties" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Vermijdcriteria Routeopties Selecteer de functie "Navigatiecriteria" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Met deze functie kunnen de navigatiecriteria worden gewijzigd. Navigatiecriteria 7 Draai aan de draaiknop en selecteer de functie "Herberekenen" om rekening te houden met de geselecteerde navigatieopties. Druk op de draaiknop om te bevestigen. Herberekenen 8

287 0 NAVIGATIE TUSSENSTOP TOEVOEGEN Na het selecteren van de bestemming kunnen tussenstops aan de route worden toegevoegd. 5 Voer bijvoorbeeld een nieuw adres in. Druk op de toets NAV. Adresinvoer Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie Menu Navigatie en druk op de draaiknop om te bevestigen. 6 Selecteer na het invoeren van het nieuwe adres "OK" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Menu Navigatie OK Selecteer de functie "Tussenstops" en druk op de draaiknop om te bevestigen. 7 Selecteer "Herberekenen" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Tussenstops Herberekenen Selecteer de functie "Tussenstop toevoegen" (maximaal 5 tussenstops) en druk op de draaiknop om te bevestigen. Tussenstop toevoegen De tussenstop moet zijn gepasseerd of gewist voordat de navigatie naar de volgende bestemming kan worden hervat. Zo niet, dan leidt uw MyWay u systematisch naar de vorige tussenstop. 85

288 0 NAVIGATIE POINTS OF INTEREST ZOEKEN Points of interest (POI) zijn openbare gebouwen en diensten in de omgeving (hotels, bedrijven, vliegvelden...). Druk op de toets NAV. 6 Selecteer de functie "POI in plaats" om points of interest in de gewenste plaats te zoeken. Kies het land en voer vervolgens de plaatsnaam in met behulp van het virtuele toetsenbord. Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie Menu Navigatie en druk op de toets om te bevestigen. POI in plaats Menu Navigatie Via de toets LIST op het virtuele toetsenbord is een overzicht van plaatsnamen in het geselecteerde land beschikbaar. Selecteer de functie "POI zoeken" en druk op de draaiknop om te bevestigen. POI zoeken Selecteer de functie "POI dichtbij" om points of interest in de nabijheid van de auto te zoeken. 7 Selecteer de functie "POI in land" om points of interest in het gewenste land te zoeken. POI in land POI dichtbij 5 Selecteer de functie "POI bij bestemming" om points of interest in de omgeving van de eindbestemming te zoeken. POI bij bestemming 8 Selecteer de functie "POI bij route" om points of interest in de nabijheid van de route te zoeken. POI bij route 86

289 0 NAVIGATIE POI-LIJST Tankstation Tankstation met LPG Garage CITROËN Autocircuit Parkeergarage Parkeerterrein Parkeerplaats Hotel Restaurant Wegrestaurant Picknickplaats Cafetaria Luchthaven Treinstation Busstation Haven Industrieterrein Supermarkt Bank Geldautomaat Tennisbaan Zwembad Golfbaan Wintersportcentrum Theater Dit pictogram verschijnt als er zich meerdere Points of Interest in hetzelfde gebied bevinden. Door op dit pictogram in te zoomen kunt u de verschillende Points of Interest bekijken. Bioscoop Attractiepark Ziekenhuis Apotheek Politiebureau School Postkantoor Museum Tourist info Flitspaal * Roodlichtcamera * Risicozone * * Afhankelijk van beschikbaarheid in het land. 87

290 0 NAVIGATIE NAVIGATIE-INSTELLINGEN Als het navigatiesysteem is ingeschakeld en de kaart op het display wordt weergegeven, kunt u de spraakbediening in- of uitschakelen door op het knopje te drukken en vervolgens "Gespr. instructie" te selecteren of deze selectie juist ongedaan te maken. Gespr. instructie Druk op de toets NAV. Het volume van de POI-waarschuwingen kan alleen tijdens het uitzenden ervan worden aangepast. Druk nogmaals op de toets NAV of selecteer de functie Menu "Navigatie" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Menu "Navigatie" Selecteer de functie "Instellingen" en druk op de draaiknop om te bevestigen. 5 6 Selecteer de functie "POIcategorieën op kaart" om de POI's die standaard op de kaart worden weergegeven in te stellen. POI-categorieën op kaart Selecteer "Instellen risicozones" voor toegang tot de functies "Op kaart weergeven", "Visuele waarschuwing" en "Akoestische waarschuwing". Instellen risicozones Instellingen Selecteer de functie "Navigatievolume" en draai aan de draaiknop om het volume van de verschillende gesproken berichttypen (verkeersinformatie, waarschuwingsmeldingen ) in te stellen. Navigatievolume UPDATEN POI'S De uitgebreide procedure voor het update van de POI's is beschikbaar op de site "citroen.navigation.com". Hiervoor is een SDHC-speler (High Capacity) vereist. 88

291 05 VERKEERSINFORMATIE INSTELLEN VAN DE FILTERS EN DE WEERGAVE VAN TMC-BERICHTEN Een TMC-bericht (Trafi c Message Channel) is informatie met betrekking tot het verkeer en het weer die in real time wordt ontvangen en doorgestuurd naar de bestuurder in de vorm van gesproken berichten en visuele waarschuwingen op de navigatiekaart. Het navigatiesysteem kan in dat geval een alternatieve route voorstellen. Druk op de toets TRAFFIC. Selecteer de functie "Geografi sch fi lter" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Geografisch filter De lijst met TMC-berichten verschijnt onder Menu Verkeer op volgorde van nabijheid. Druk nogmaals op de toets TRAFFIC of selecteer het Menu Verkeer en druk op de draaiknop om te bevestigen. Menu Verkeer Selecteer het gewenste fi lter: Berichten op route 5 Selecteer vervolgens de gewenste straal van het fi lter (in km), afhankelijk van de route, en bevestig door op de draaiknop te drukken. Wanneer alle berichten over het traject worden geselecteerd, wordt aanbevolen een geografi sche fi lter (over een straal van 5 km bijvoorbeeld) toe te voegen om het aantal berichten dat op de kaart verschijnt te verkleinen. Het geografi sch fi lter volgt de verplaatsing van de auto. Alleen waarsch.berichten op route Alle waarschuwingsberichten Alle berichten De berichten verschijnen op de kaart en in de lijst. Druk op ESC om het filter uit te schakelen. De fi lters werken onafhankelijk van elkaar en cumulatief. Het is raadzaam om een fi lter op de route en een fi lter rondom de auto in te schakelen van: - km of 5 km voor een gebied met een dicht wegennet, - 0 km voor een gebied met een normaal wegennet, - 50 km voor lange trajecten (autosnelweg). 89

292 05 VERKEERSINFORMATIE BELANGRIJKSTE PICTOGRAMMEN TMC VERKEERSINFORMATIE BELUISTEREN Zwart-blauwe driehoek: algemene informatie, bijvoorbeeld: - het station zendt verkeersinformatie uit. - het station zendt geen verkeersinformatie uit. - de weergave van verkeersinformatie is uitgeschakeld. De functie TA (Traffic Announcement) geeft voorrang aan het luisteren naar de verkeersinformatie. Om te worden geactiveerd moet deze functie een radiozender die deze berichten uitzendt, goed kunnen ontvangen. Zodra er een bericht wordt uitgezonden, wordt de geluidsbron die op dat moment wordt weergegeven (Radio, CD,...) automatisch onderbroken en wordt de verkeersinformatie doorgegeven. Zodra het bericht is afgelopen, wordt de weergave van de oorspronkelijke geluidsbron hervat. Rood-gele driehoek: verkeersberichten, bijvoorbeeld: Druk op de draaiknop als de huidige geluidsbron op het display wordt weergegeven. Het snelkeuzemenu van de geluidsbron verschijnt en geeft toegang tot: Verkeersinfo (TA) Selecteer Verkeersinfo (TA) en druk ter bevestiging op de draaiknop voor toegang tot de desbetreffende instellingen. 90

293 06 RADIO Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. SELECTEREN VAN EEN ZENDER RDS - REGIONALE FUNCTIE Druk op de toets RADIO om de alfabetische lijst met lokaal ontvangen zenders weer te geven. Selecteer het gewenste station met de draaiknop en druk op de draaiknop om te bevestigen. Druk tijdens het luisteren naar de radio op de draaiknop. Het snelkeuzemenu van de radiofunctie verschijnt en geeft toegang tot de volgende opties: Verkeersinfo Druk tijdens het luisteren naar de radio op een van de toetsen om de vorige of volgende zender in de lijst te selecteren. RDS Radiotekst Regioprog. (REG) AM Houd een van de toetsen lang ingedrukt om automatisch in afl opende of oplopende volgorde naar zenders te zoeken. Selecteer de gewenste functie en druk op de draaiknop om te bevestigen en de desbetreffende instellingen te wijzigen. Druk langer dan seconden op een van de numerieke toetsen om de zender waarop is afgestemd op te slaan. Druk op de numerieke toets om naar de zender te luisteren die onder die toets is opgeslagen. Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren zonder dat u zelf de frequentie hoeft te wijzigen. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen. 9

294 07 MULTIMEDIASPELERS CD, CD MET MP- OF WMA-BESTANDEN INFORMATIE EN TIPS De formaten MP (afkorting van MPEG, &.5 Audio Layer ) en WMA (afkorting van Windows Media Audio, eigendom van Microsoft) zijn standaarden voor het comprimeren van geluid die de mogelijkheid bieden enkele tientallen nummers op één CD te plaatsen. De MyWay speelt bestanden met de extensie ".mp" en een bitrate van 8 tot 0 Kbps en bestanden met de extensie ".wma" en een bitrate van 5 tot 8 Kbps af. Ook bestanden met een VBR (Variable Bit Rate) kunnen worden afgespeeld. Geluidsbestanden met een andere extensie (.mp,.mu...) kunnen niet worden afgespeeld. Selecteer bij het branden van een CD-R of CD-RW de standaard ISO 9660 niveau, of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen afspelen. Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze niet goed wordt afgespeeld. Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor het branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid in (maximaal x) voor een optimale geluidskwaliteit. Voor het branden van een multisessie-cd is het raadzaam de standaard Joliet te gebruiken. Gebruik voor bestandsnamen maximaal 0 karakters en verwijder speciale tekens (bijv.: " "? ; ù) om problemen met het afspelen of de weergave te voorkomen. 9

295 07 MULTIMEDIASPELERS MUZIEK SELECTEREN/BELUISTEREN CD, MP-/WMA-CD Druk op de toets MUSIC. Selecteer de gewenste geluidsbron: CD, MP-/WMA-CD. Druk op de draaiknop om te bevestigen. Het afspelen begint. De lijst met nummers of MP-/WMA-bestanden verschijnt onder het Menu Muziek. 5 Druk op de toets omhoog/omlaag om de volgende/vorige map te selecteren. Druk nogmaals op de toets MUSIC of selecteer de functie Menu Muziek en druk op de draaiknop om te bevestigen. Menu Muziek 6 Druk op een van de toetsen om een nummer te selecteren. Houd een van de toetsen ingedrukt om snel vooruit of terug te spoelen. Selecteer de functie "Kies muziek" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Kies muziek Het afspelen of weergeven van een MP-/WMA-speellijst kan worden beïnvloed door het gebruikte programma voor het branden van de CD en/of de instellingen. Wij raden u aan voor het branden van een CD de standaard ISO 9660 te gebruiken. 9

296 07 MULTIMEDIASPELERS AUX-INGANG GEBRUIKEN (AUX) JACK/USB-KABEL NIET MEEGELEVERD Sluit het externe apparaat (mp-/ WMA-speler ) met een geschikte audiokabel aan op de JACKaudioaansluiting of op de USB-poort. Druk op de toets MUSIC en druk nogmaals op de toets of selecteer de functie Menu Muziek en druk op de draaiknop om te bevestigen. Menu Muziek Selecteer de functie "Extern toestel" en druk op de draaiknop om het externe apparaat te activeren. Extern toestel Selecteer de geluidsbron AUX en druk op de draaiknop om te bevestigen, waarna het afspelen automatisch begint. De weergave- en bedieningsfuncties lopen via de externe apparatuur zelf. 9

297 08 BLUETOOTH-TELEFOON KOPPELEN VAN EEN TELEFOON/ EERSTE KOPPELING * De beschikbaarheid van diensten hangt af van het gsm-netwerk, de simkaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur. Controleer in de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en informeer bij uw provider welke diensten voor u toegankelijk zijn. Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree set van de MyWay mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling de volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet contact. Selecteer als de telefoon nog niet gekoppeld is geweest "Telefoon zoeken" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Selecteer vervolgens de naam van de telefoon. Telefoon zoeken Ga voor meer informatie over bijvoorbeeld de compatibiliteit en extra ondersteuning naar Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon en controleer of deze "voor alle apparatuur zichtbaar" is (zie de gebruiksaanwijzing van uw telefoon). Voer de toegangscode in met de telefoon. De in te voeren code wordt weergegeven op het display van het systeem. Bepaalde telefoons worden automatisch elke keer dat het contact wordt aangezet weer gekoppeld. Er wordt een melding weergegeven om de koppeling te bevestigen. U kunt ook via de telefoon de koppeling tot stand brengen (zie de gebruiksaanwijzing van de telefoon). Druk op de toets PHONE. Als de telefoon is gekoppeld, kan de MyWay de contacten en de gesprekkenlijst synchroniseren. Deze synchronisatie kan enkele minuten duren *. Druk om een andere telefoon te koppelen op de toets PHONE, selecteer vervolgens Menu "Telefoon" en druk op de draaiknop om te bevestigen. 95

298 08 BLUETOOTH-TELEFOON KOPPELEN VAN EEN TELEFOON * De beschikbaarheid van diensten hangt af van het gsm-netwerk, de simkaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur. Controleer in de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en informeer bij uw provider welke diensten voor u toegankelijk zijn. Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree-set van de MyWay mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling de volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet contact. Als de telefoon is gekoppeld, kan MyWay de contacten en de gesprekkenlijst synchroniseren. Deze synchronisatie kan enkele minuten duren *. Ga voor meer informatie over bijvoorbeeld de compatibiliteit en extra ondersteuning naar Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon en controleer of deze "voor alle apparatuur zichtbaar" is (zie de gebruiksaanwijzing van uw telefoon). De laatst gekoppelde telefoon wordt automatisch opnieuw gekoppeld. Er wordt een melding weergegeven om de kopeling te bevestigen. Als er al een andere telefoon gekoppeld is en deze koppeling moet veranderd worden, druk dan op de toets PHONE, selecteer vervolgens Menu "Telefoon" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Selecteer "Telefoon koppelen". Selecteer de telefoon en druk op de draaiknop om te bevestigen. Druk op de toets PHONE. Telefoon koppelen De lijst met eerder gekoppelde telefoons (maximaal ) verschijnt op het multifunctionele display. Selecteer de gewenste telefoon om deze opnieuw te koppelen. 96

299 08 BLUETOOTH-TELEFOON EEN OPROEP ONTVANGEN BELLEN Wanneer u gebeld wordt, klinkt een beltoon en verschijnt een pop-upvenster op het multifunctionele display. Druk op de toets PHONE. De lijst met de laatste 0 vanuit de auto gevoerde telefoongesprekken verschijnt onder het Menu "Telefoon". U kunt een nummer selecteren en op de draaiknop drukken om naar dit nummer te bellen. accepteren of "Nee" om de oproep te weigeren en bevestig door op de draaiknop te drukken. Selecteer de functie Menu "Telefoon" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Menu "Telefoon" Ja Druk op de toets PHONE om het gesprek te beëindigen of druk op de draaiknop, selecteer "Gespr.beëind." en bevestig door op de draaiknop te drukken. Gespr.beëind. Nee Selecteer "Nummer bellen" en voer het nummer in met het toetsenbord op het display. Nummer bellen Het telefoonnummer kunt u ook kiezen uit het adresboek. Selecteer daarvoor "Bellen vanuit adresboek". Met de MyWay kunnen maximaal 000 records (telefoonnummers) worden opgeslagen. Druk langer dan twee seconden op de toets op het stuurwiel om het adresboek te openen. Door de toets TEL van de bediening op het stuurwiel kort in te drukken kan een binnenkomende oproep worden geaccepteerd of het huidige gesprek worden beëindigd. Door lang indrukken wordt de binnenkomende oproep geweigerd. U kunt ook rechtstreeks bellen via de telefoon; zet de auto in dat geval uit veiligheidsoverwegingen stil. Druk, om een nummer te wissen, op de toets PHONE en vervolgens lang op een telefoonnummer waarna de volgende keuze op het scherm verschijnt: Vermelding wissen Lijst wissen 97

300 09 CONFIGURATIE DATUM EN TIJD INSTELLEN De functie SETUP geeft toegang tot de volgende opties: Systeemtaal, Datum & tijd, Display, Helderheid, Kleur, Kleur kaart, Voertuig, Eenheden, Systeem. Deze instellingen dient u te verrichten elke keer nadat de accu losgekoppeld is geweest. 5 Druk op de toets SETUP. Selecteer de functie "Datumformaat" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Selecteer de functie Datum & tijd en druk op de draaiknop om te bevestigen. Datum & tijd Selecteer de functie "Datum & tijd instellen" en druk op de draaiknop om te bevestigen. 6 Bevestig het gewenste formaat met de draaiknop. Selecteer de functie "Tijdformaat" en druk op de draaiknop om te bevestigen. Datum & tijd instellen Bevestig het gewenste formaat met de draaiknop. Druk langer dan seconden op de toets SETUP voor toegang tot: Stel de parameters één voor één in door deze te bevestigen met de draaiknop. Beschrijving van unit GPS-bereik Demomodus 98

301 0 MENUSTRUCTUUR DISPLAY BASISFUNCTIE KEUZE A keuze A keuze A KEUZE B... Menu "Verkeer" Alle berichten op route Waarsch.berichten op route Alleen waarschuwingsberichten Alle soorten berichten Filter op afstand Binnen een straal van km Binnen een straal van 5 km Binnen een straal van 0 km Binnen een straal van 50 km Binnen een straal van 00 km Menu "Muziek" Kies de geluidsbron Geluidsinstellingen Balans / Fader Bass / Treble Effecten Geen Klassiek Jazz Rock/pop Techno RADIO Vocaal Loudness Snelheidsafhankelijk volume Geluidsinstellingen terugzetten Menu "Radio" Golflengte FM AM Handmatig afstemmen Geluidsinstellingen Balans / Fader Bass / Treble Effecten Geen 99

302 Klassiek Jazz Rock/pop Techno Vocaal Loudness Snelheidsafhankelijk volume Geluidsinstellingen terugzetten Navigatie starten Postcode Opslaan in adresboek Kruising Stadscentrum GPS-coördinaten Invoer op kaart Navigatie naar "mijn huis" Route optimaliseren Tussenstop vervangen Tussenstop wissen Route herberekenen Snelste route Kortste route Compromis tijd / afstand POI zoeken Vanuit adresboek POI dichtbij Menu "Navigatie" Navigatie hervatten/navigatie afbreken Bestemming invoeren Adres invoeren Land Plaats Straat Huisnummer Uit laatste bestemmingen kiezen Informatie TMC-zender Etappes Tussenstop toevoegen Adres invoeren Navigatie naar "mijn huis" Uit adresboek kiezen Uit laatste bestemmingen kiezen Dichtbij bestemming In een plaats In een land Langs de route Navigatieopties Navigatiecriteria Snelste route Kortste route 00

303 Compromis tijd / afstand Rekening houden met verkeer Menu "Telefoon" MENU "SETUP" Zonder omleiding Taal * Met bevestiging Bellen vanuit adresboek Deutsch Uitsluitingen Gesprekkenlijsten English Geen snelwegen Telefoon koppelen Español Geen tolwegen Telefoon zoeken Français Geen veerboten Gekoppelde telefoons Italiano Route herberekenen Instellingen Volume gesproken berichten POI's op kaart Instellen risicozones Op kaart weergeven Visuele waarschuwing Akoestische waarschuwing Telefoon ontkoppelen Telefoon hernoemen Koppeling verwijderen Alle koppelingen verwijderen Details weergeven Instellingen Beltoon selecteren Volume beltoon instellen Nederlands Polski Portuguese Datum en tijd * Datum en tijd instellen Datumformaat Tijdformaat Mailboxnummer invoeren * Beschikbaar volgens uitvoering. 0

304 Weergave Eenheden Helderheid Kleur Temperatuur Celsius Pop titanium Fahrenheit Toffee Afstand Blue steel Kilometers en verbruik l/00 km Technogrey Kilometers en verbruik km/l) Dark blue Miles (verbruik: MPG) Kleur kaart Parameters systeem Dagmodus voor kaart Fabrieksinstellingen terugzetten Nachtmodus voor kaart Softwareversie Auto. dag/nacht voor kaart Automatisch bladeren Parameters auto ** Informatie auto Logboek waarschuwingen Status van functies ** De parameters verschillen per uitvoering. 0

305 VEELGESTELDE VRAGEN VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD...). Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn. Controleer of de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) zijn afgestemd op de verschillende geluidsbronnen. Het is raadzaam de AUDIO-functies (bassen, hoge tonen, fader, balans) in de middelste stand te zetten, de geluidssfeer Geen te selecteren en de functie Loudness in de stand "Actief" te zetten als de CD-speler is geselecteerd en in de stand "Inactief" te zetten als de radio is geselecteerd. De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de autoradio wordt herkend. - Controleer of de CD met de juiste zijde boven in de speler is geplaatst. - Controleer de staat van de CD: de CD kan niet worden gelezen als deze te veel is beschadigd. - Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk "Audio". - De CD-speler van de autoradio kan geen DVD's afspelen. - De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's is onvoldoende om deze door de autoradio te laten afspelen. De CD-speler levert een slechte geluidskwaliteit. De gebruikte CD is bekrast of van slechte kwaliteit. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg ze zorgvuldig op. De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, geluidssfeer) zijn niet op de CD-speler afgestemd. Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen op 0, zonder een geluidssfeer te selecteren. 0

306 VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). De ontvangstkwaliteit van de beluisterde radiozender neemt geleidelijk af of de voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). Het verkeerde golfbereik is geselecteerd. Druk op de toets BAND AST om het golfbereik (AM, FM, FM, FMAST) terug te vinden waarin de voorkeuzezenders zijn opgeslagen. De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt. De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.) veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Activeer de functie "RDS" om het systeem te laten controleren of er een sterkere zender in het gebied aanwezig is. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat of ondergrondse parkeergarage). Laat de antenne controleren door het CITROËN-netwerk. Het geluid van de radio valt tot seconden weg. Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid naar een eventuele sterkere zender voor een betere ontvangst van het station. Schakel de functie "RDS" uit als dit verschijnsel zich te vaak en steeds op hetzelfde traject voordoet. Na het afzetten van de motor wordt de radio na enkele minuten automatisch uitgeschakeld. Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand van de accu dat toestaat. Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-modus van de autoradio is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt. Start de motor om de accu op te laden. 0

307 VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De optie "Verkeersinformatie (TA)" is aangevinkt, maar de fi les op de route worden niet direct gemeld. Bij het opstarten heeft het systeem enkele minuten nodig om de verkeersinformatie te ontvangen. In bepaalde landen is alleen voor de hoofdwegen (autosnelwegen,...) verkeersinformatie beschikbaar. Wacht tot de verkeersinformatie goed wordt ontvangen (weergave van de pictogrammen van de verkeersinformatie op de kaart). Dit is een normaal verschijnsel. Het systeem is afhankelijk van de beschikbare verkeersinformatie. Ik word gewaarschuwd voor een fl itspaal die niet op mijn route ligt. Het systeem waarschuwt voor alle komende fl itspalen op de route binnen een bepaald bereik. Het detecteert ook fl itspalen op nabijgelegen straten of parallelwegen. Zoom in op de kaart om de exacte locatie van de fl itspaal te kunnen bepalen. De geluidswaarschuwing voor flitspalen werkt niet. De geluidswaarschuwing is niet actief. Activeer de geluidswaarschuwing in Menu "Navigatie", Instellingen, Instellen risicozones. Het waarschuwingssignaal is afgesteld op de laagste volume. U kunt het volume van de waarschuwing afstellen wanneer u langs een fl itspaal rijdt. De hoogte wordt niet weergegeven. Bij het opstarten kan de initialisatie van het GPS tot drie minuten duren voordat er meer dan drie satellieten correct worden ontvangen. Wacht tot het systeem volledig is opgestart. Controleer of het GPS van ten minste drie satellieten een signaal ontvangt (druk lang op de toets SETUP, selecteer vervolgens "GPS-bereik"). De kwaliteit van de GPS-ontvangst kan worden beïnvloed door de omgeving (tunnel,...) en het weer. Dit is een normaal verschijnsel. De werking van het systeem is afhankelijk van de ontvangst van het GPS-signaal. De routeberekening wordt niet voltooid. De vermijdcriteria zijn wellicht in tegenspraak met de huidige locatie (uitsluiting van tolwegen tijdens het rijden op een tolweg). Controleer de vermijdcriteria. 05

308 VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Na het plaatsen van een CD duurt het lang voordat het systeem reageert. Na het plaatsen van een informatiedrager moet het systeem een aantal gegevens uitlezen (afspeellijst, titel, artiest). Dit kan enige tijd in beslag nemen. Dit is normaal. Het lukt niet om mijn Bluetooth-telefoon te koppelen. Mogelijk is de Bluetooth-functie van de telefoon uitgeschakeld of is het toestel niet zichtbaar voor andere apparatuur. - Controleer of de Bluetooth-functie van uw telefoon is ingeschakeld. - Controleer of uw telefoon zichtbaar is. Het geluid van de Bluetooth telefoon is niet hoorbaar. Het geluid wordt bepaald door zowel het systeem als de telefoon. Verhoog eventueel het volume van de MyWay en indien nodig ook van de telefoon tot het maximale niveau. 06

309 Autoradio AUTORADIO / BLUETOOTH INHOUD Uw Autoradio is zodanig gecodeerd dat deze uitsluitend in uw auto functioneert. Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto. Enkele minuten na het afzetten van de motor kan de autoradio zichzelf uitschakelen om te voorkomen dat de accu ontladen raakt. 0 Basisfuncties 0 Stuurkolomschakelaars 0 Hoofdmenu 0 Audio 05 USB Box 06 Bluetooth functies 07 Configuratie 08 Menustructuur displays Veelgestelde vragen blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz. blz

310 0 BASISFUNCTIES Aan/uit en volumeregeling.. Uitwerpen van de CD.. Selecteren van de weergave op het display: Audiofuncties (AUDIO), Boordcomputer (TRIP) en Handsfree kit (TEL).. Selecteren van de geluidsbron: radio, audio-cd-/mp-speler, USB-aansluiting, Jack-aansluiting, streaming audio. 5. Selecteren van het golfbereik FM, FM, FMast en AM. 6. Instellen van de geluidsweergave: geluidsverdeling voor/achter, links/rechts, loudness, klankinstellingen. 7. Weergave van de lijst radiozenders, de nummers van de CD of de MP-afspeellijsten. 8. Annuleren van de bewerking. 9. Functie TA (verkeersinformatie) AAN/UIT. Lang indrukken: toegang tot de PTY-functie (programmatypen radio). 0. Bevestigen.. Automatisch zoeken naar zenders in afl opende/ oplopende volgorde. Selecteren van het vorige/volgende nummer van de CD, MP of USB.. Selecteren van een lagere/hogere radiofrequentie. Selecteren van de vorige/volgende CD. Selecteren van de vorige/volgende mp-afspeellijst. Selecteren van de vorige/volgende afspeellijst/ muziekstijl/artiest/afspeellijst van het USB-apparaat.. Weergave van het algemene menu.. Toetsen t/m 6: Selecteren van een opgeslagen voorkeuzezender. Lang indrukken: opslaan van een zender als voorkeuzezender. 5. Met de toets MUTE kan de geluidsweergave onderbroken en weer hervat worden. 08

311 0 STUURKOLOMSCHAKELAARS 5 5. Volume verhogen.. Volume verlagen.. Geluid onderbreken.. RADIO: selecteren van de vorige of volgende voorkeuzezender. CD/MP/USB: selecteren van de vorige of volgende afspeellijst. CD-WISSELAAR: selecteren van de vorige of volgende CD. 5. RADIO: automatisch zoeken naar zenders in oplopende volgorde. CD/MP/CD-WISSELAAR/USB: selecteren van het volgende nummer. CD/MP/CD-WISSELAAR: lang indrukken: versneld vooruitspoelen. Als uw auto is uitgerust met Bluetooth:. Indrukken: activeren van de spraakherkenningsfunctie van de telefoon (als de telefoon hiermee is uitgerust).. Indrukken: weergeven van de contacten en de gesprekkenlijst.. Hoofdscherm weergeven.. Selecteren van het type weergegeven informatie in het rechter gedeelte van het display (monochroom display A).. Afbreken huidige bewerking en terugkeren naar het vorige scherm.. Navigeren binnen de menu's. 5. Bevestigen van de geselecteerde functie. Als uw auto is uitgerust met Bluetooth: weigeren van een inkomend gesprek of huidig gesprek beëindigen. 09

312 0 HOOFDMENU GELUIDSBRON: radio, CD, USB, externe apparatuur. TELEFOON: handsfree set, koppelingen, gespreksbeheer. > MONOCHROOM DISPLAY C BOORDCOMPUTER: afstanden invoeren, waarschuwingsmeldingen, status van functies. PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE : parameters van de auto, weergave, talen. > MONOCHROOM DISPLAY A Raadpleeg voor een compleet overzicht van de beschikbare menu's het gedeelte "Menustructuren" van dit hoofdstuk. 0

313 BAND AST SOURCE MENU 0 AUDIO Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. RADIO SELECTEREN VAN EEN ZENDER RDS Druk herhaalde malen op de toets SOURCE om de radiofunctie te selecteren. Druk op de toets MENU. Druk op de toets BAND AST om het golfbereik te selecteren: FM, FM, FMast of AM. Selecteer AUDIOFUNCTIES en druk op OK. Druk kort op een van de toetsen om automatisch naar zenders te zoeken. Selecteer de functie VOORKEUZE FM-BAND en druk op OK. Druk op een van de toetsen om handmatig naar hogere/lagere frequenties te zoeken. Selecteer RDS VOLGEN ACTIVEREN en druk op OK. Op het display verschijnt de aanduiding RDS. Druk op de toets LIST REFRESH voor een lijst van de beschikbare zenders in het gebied waar u zich bevindt (maximaal 0 zenders). Druk langer dan seconden op de toets om deze lijst bij te werken. LIST REFRESH Als de radiofunctie is ingeschakeld, druk dan direct op OK om de RDS-functie in of uit te schakelen. Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren. Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Bij slechte ontvangst kkan het daarom zijn dat de radio tijdens het rijden overschakelt op een regionale zender.

314 SOURCE 0 AUDIO VERKEERSINFORMATIE BELUISTEREN De functie TA (Traffic Announcement) geeft voorrang aan het luisteren naar de verkeersinformatie. Om te worden geactiveerd moet deze functie een radiozender die deze berichten uitzendt, goed kunnen ontvangen. Zodra er een bericht wordt uitgezonden, wordt de geluidsbron die op dat moment wordt weergegeven (Radio, CD,...) automatisch onderbroken en wordt de verkeersinformatie doorgegeven. Zodra het bericht is afgelopen, wordt de weergave van de oorspronkelijke geluidsbron hervat. CD EEN CD AFSPELEN Gebruik alleen CD's met een ronde vorm. Bepaalde beveiligingssystemen op de originele CD of zelfgebrande CD's kunnen storingen veroorzaken, ongeacht de kwaliteit van de CD-speler. Plaats zonder op de toets EJECT te drukken een CD in de CD-speler; deze zal de CD automatisch afspelen. Druk op de toets TA om de weergave van verkeersinformatie te activeren of uit te schakelen. Als er in de CD-speler al een CD is geplaatst die u wilt beluisteren, druk dan herhaalde malen op de toets SOURCE om de CD-functie te selecteren. Druk op een van de toetsen om een nummer van de CD te selecteren. Druk op de toets LIST REFRESH om de lijst met nummers van de CD weer te geven. Houd een van de toetsen ingedrukt om versneld vooruit of terug te spoelen.

315 SOURCE 0 AUDIO MP-CD EEN MP-CD AFSPELEN CD MP INFORMATIE EN TIPS Plaats een MP-CD in de speler. De CD-speler scant vervolgens de CD tot alle nummers zijn gevonden, hierdoor kan het enkele tot enkele tientallen seconden duren voordat het afspelen begint. De CD-speler kan CD's met maximaal 55 MP-bestanden, verdeeld over 8 speellijsten, afspelen. Het is echter raadzaam het aantal afspeellijsten tot twee te beperken om een lange laadtijd van de CD te voorkomen. Bij het afspelen wordt geen rekening gehouden met de mappenstructuur. Alle bestanden worden op hetzelfde niveau weergegeven. Als er al een CD in het apparaat zit die u wilt beluisteren, druk dan herhaalde malen op de toets SOURCE om de CD-functie te selecteren. Druk op een van de toetsen om een nummer van de CD te selecteren. Druk op de toets LIST REFRESH om de speellijsten van de MP-CD weer te geven. Houd een van de toetsen ingedrukt om snel vooruit of terug te spoelen. Het formaat MP (afkorting van MPEG, &.5 Audio Layer ) is een standaard voor het comprimeren van geluid die de mogelijkheid biedt enkele tientallen speellijsten op één CD te plaatsen. Selecteer voor het branden van een CD-R of CD-RW de standaard ISO 9660 niveau, of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen afspelen. Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze niet goed wordt afgespeeld. Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor het branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid (maximaal x) in voor een optimale geluidskwaliteit. Voor het branden van een multisessie-cd is het raadzaam de standaard Joliet te gebruiken. De autoradio speelt uitsluitend bestanden met de extensie ".mp" en een samplingfrequentie van,05 khz of, khz af. Geluidsbestanden met een andere extensie (.wma,.mp,.mu...) kunnen niet worden afgespeeld. Gebruik voor bestandsnamen maximaal 0 karakters en verwijder speciale tekens (bijv.: " ",?, ù) om problemen met het afspelen of de weergave te voorkomen. Lege CD's worden niet herkend en kunnen het audiosysteem beschadigen.

316 05 USB-BOX GEBRUIK VAN DE USB-BOX Een lijst met geschikte uitrustingen en compatible compressies is beschikbaar bij het CITROËN-netwerk. Deze module bestaat uit een USB-poort en een Jack-aansluiting *. De bestanden van een draagbare MP-speler of een USB-stick worden overgebracht op uw Autoradio zodat de muziek via de luidsprekers van de auto kan worden beluisterd. USB-stick (.,. en.0) of Apple speler van de vijfde generatie of hoger: - de USB-stick moet in FAT of FAT geformateerd zijn (niet compatibel met NTFS-formaat), - het snoer van de Apple speler is noodzakelijk, - navigatie door de bestanden is ook mogelijk via de bediening op het stuurwiel. De Apple speler van oudere generaties en spelers die gebruik maken van het MTP-protocol * : - afspelen uitsluitend via een Jack-Jack-snoer (niet meegeleverd), - navigatie door de bestanden is mogelijk via het externe apparaat. AANSLUITEN VAN EEN USB-STICK Sluit de USB-stick direct of via een snoer aan op de USB-poort. Als de autoradio is ingeschakeld, wordt de USB-bron gedetecteerd zodra deze wordt aangesloten. Het lezen begint automatisch na een bepaalde tijd, afhankelijk van de capaciteit van de USB-stick. De herkende bestandsformaten zijn.mp (uitsluitend mpeg layer ) en.wma (uitsluitend standaard 9, comprimeren met 8 kbit/s). Bepaalde formaten playlists (mu,...) worden geaccepteerd. Wanneer de laatst gebruikte stick opnieuw wordt aangesloten, gaat het afspelen automatisch verder bij de laatst beluisterde track van de desbetreffende stick. Het systeem stelt playlists samen (tijdelijk geheugen). De tijd die hiervoor nodig is, hangt af van de capaciteit van de USB-uitrusting. Gedurende deze tijd zijn andere bronnen beschikbaar. De playlists worden iedere keer dat het contact wordt afgezet of een USB-stick wordt aangesloten, geactualiseerd. Bij een eerste aansluiting wordt een indeling in mappen als indeling aangeboden. Bij een volgend gebruik wordt de laatstgekozen mappenstructuur aangehouden. * Afhankelijk van de uitvoering.

317 05 USB-BOX GEBRUIK VAN DE USB-BOX Druk LIST lang in voor het weergeven van de indelingen. Kies per Map / Artiest / Genre / Playlist, druk op OK om de gekozen indeling te bevestigen en vervolgens opnieuw op OK om de keuze vast te leggen. Druk op een van deze toetsen om tijdens het lezen naar de vorige/ volgende track te gaan volgens de weergegeven indeling. Houd een van de toetsen ingedrukt voor snel vooruit/achteruit verplaatsen. - per Map: alle mappen met audio-bestanden die door het systeem worden herkend. - per Artiest: alle artiestennamen worden weergegeven in ID Tag en in alfabetische volgorde. - per Genre : alle genres worden weergegeven in ID Tag. - per Playlist : zoals weergegeven in de playlist van de USB-stick of het USB-apparaat aangesloten op de USB-poort. Druk LIST kort in voor de indeling die u de vorige keer hebt gekozen. Navigeer in de lijst met behulp van de toetsen links/rechts en omhoog/omlaag. Bevestig de selectie door op OK te drukken. LIST REFRESH LIST REFRESH Druk op een van deze toetsen om te gaan naar volgende/vorige Genre, Map, Artiest of Playlist, afhankelijk van de weergegeven indeling tijdens het lezen. AANSLUITEN VAN APPLE SPELERS -VIA DE USB-POORT De beschikbare lijsten zijn Artiest, Genre en Playlist (zoals weergegeven via de Apple spelers). Selectie en Navigatie zijn hierboven beschreven in de stappen t/m. Sluit geen harde schijf of een niet-audio USB-apparaat aan op de USB-poort, aangezien hierdoor uw installatie beschadigd kan raken. 5

318 SOURCE De 05 USB-BOX AUX-INGANG GEBRUIKEN JACK- of USB-aansluiting (afhankelijk van de uitvoering van de auto) VOLUMEREGELING EXTERNE APPARATUUR De AUX-aansluiting JACK of USB dient om een extern apparaat (mp-speler ) aan te sluiten. Sluit eenzelfde extern apparaat niet tegelijkertijd aan via de JACK-aansluiting en de USB-aansluiting. Stel eerst het volume van uw draagbare apparatuur af. Sluit het externe apparaat (mp-speler...) met behulp van een adapterkabel (niet meegeleverd) op de JACK- of USB-aansluiting aan. Stel vervolgens het volume van de autoradio af. Druk herhaalde malen op de toets SOURCE om AUX te selecteren. weergave- en bedieningsfuncties verlopen via de externe apparatuur zelf. 6

319 MENU 06 BLUETOOTH-TELEFOON DISPLAY C (Afhankelijk van model en uitvoering) De beschikbare functies zijn afhankelijk van het netwerk, de simkaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon of neem contact op met uw provider voor meer informatie over de beschikbare functies. KOPPELEN VAN EEN TELEFOON / EERSTE VERBINDING Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan het Bluetooth-systeem van uw autoradio mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling de volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet contact. Raadpleeg de site voor meer informatie (compatibiliteit, extra informatie,...). 5 6 De eerste vier herkende telefoons worden in dit venster weergegeven. Met het menu TELEFOON krijgt u onder andere toegang tot de volgende functies: Adresboek *, Logboek gesprekken, Beheer van de koppelingen. * Als uw telefoon volledig compatibel is. Selecteer in de lijst de te koppelen telefoon. U kunt slechts één telefoon per keer koppelen. Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon en zorg ervoor dat deze "waarneembaar is voor iedereen" (confi guratie van de telefoon). 7 Op het scherm wordt een toetsenbord weergegeven: voer een code van minimaal cijfers in. Bevestig met OK. Druk op de toets MENU. Kies in het menu: - Bluetooth-telefoon - Audio - Bluetooth confi guratie - Zoeken via Bluetooth Er wordt een venster weergegeven met de melding dat het systeem bezig is met zoeken. OK 8 9 Op het scherm van de geselecteerde telefoon wordt een bericht weergegeven. Voer, om de koppeling te accepteren, in de telefoon dezelfde code in en bevestig vervolgens met OK. Mocht de koppeling niet gelukt zijn dan kunt u het, een onbeperkt aantal keren, nogmaals proberen. Op het scherm verschijnt de melding dat de koppeling is geslaagd. De toegestane automatische verbinding wordt geactiveerd nadat de telefoon is geconfi gureerd. Het adresboek en het logboek gesprekken zijn na de synchronisatie beschikbaar. 7

320 06 BLUETOOTH FUNCTIES EEN GESPREK ONTVANGEN BELLEN Een inkomend gesprek wordt aangegeven door een beltoon en het verschijnen van een venster op het display van de auto. Selecteer in het menu Bluetooth-telefoon - Audio "Beheer van het telefoongesprek" en vervolgens "Bellen", "Logboek gesprekken" of "Adresboek". Selecteer met behulp van de toetsen de knop JA op het scherm en bevestig met OK. OK Druk gedurende meer dan twee seconden op deze toets om toegang te krijgen tot uw adresboek. Gebruik vervolgens de rolknop om het nummer te selecteren. Of Gebruik, als de auto stilstaat, het toetsenbord van uw telefoon om een nummer in te voeren. Druk op deze toets om het gesprek te accepteren. EEN GESPREK BEËINDIGEN Druk gedurende het gesprek meer dan twee seconden op deze toets. Bevestig met OK om het gesprek te beëindigen. 8

321 SOURCE 06 BLUETOOTH FUNCTIES BLUETOOTH STREAMING AUDIO * Draadloze overdracht van muziekbestanden van de telefoon naar het audiosysteem van de auto. De telefoon moet de desbetreffende Bluetooth-profielen (ADP/AVRCP) kunnen ondersteunen. Start de koppelingsprocedure tussen de telefoon en de auto. Deze procedure kan gestart worden via het telefoonmenu van de auto of via het toetsenbord van de telefoon; zie hiervoor de eerder beschreven stappen t/m 9. Tijdens de koppeling moet de auto stilstaan en het contact aanstaan. Selecteer in het telefoonmenu de te koppelen telefoon. Het audiosysteem wordt automatisch verbonden met de zojuist gekoppelde telefoon. Activeer de bron Streaming door op de toets SOURCE ** te drukken. Via de toetsen op het bedieningspaneel van de radio en de bediening op het stuurwiel kunt u op de gebruikelijke wijze de muziekstukken aansturen ***. De informatie over de muziekstukken kan op het display worden weergegeven. * Volgens de compatibiliteit van de telefoon. ** In sommige gevallen moet het afspelen van audiobestanden via het toetsenbord worden geactiveerd. *** Als de telefoon deze functie ondersteunt. 9

322 MENU 07 CONFIGURATIE DATUM EN TIJD INSTELLEN DISPLAY A 5 Druk op de toets MENU. Druk op de toets om de selectie te bevestigen. OK 6 Selecteer met de pijltoetsen de functie INSTELLINGEN DISPLAY. Stel de parameter in. 7 Druk op de toets om de selectie te bevestigen. OK Druk op de toets om de selectie te bevestigen. OK 8 Selecteer met de pijltoetsen de functie JAAR. Begin opnieuw bij stap en stel achtereenvolgens MAAND, DAG, UUR, MINUTEN in. OK 0

323 MENU 07 CONFIGURATIE DATUM EN TIJD INSTELLEN DISPLAY C 5 Druk op de toets MENU. Druk op de toets om de selectie te bevestigen. OK Selecteer met de pijltoetsen de functie PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE. 6 Selecteer met de pijltoetsen de functie DATUM EN TIJD INSTELLEN. 7 Druk op de toets om de selectie te bevestigen. OK Druk op de toets om de selectie te bevestigen. OK Selecteer met de pijltoetsen de functie CONFIGURATIE BEELDSCHERM. 8 Stel de parameters één voor één in door deze te bevestigen met de toets OK. Selecteer vervolgens de knop OK op het scherm om de instellingen te bevestigen. OK

324 08 MENUSTRUCTUREN DISPLAYS MONOCHROOM A RADIO-CD OPTIES RDS VOLGEN DIAGNOSE BASISFUNCTIE KEUZE A KEUZE A MODE REG CD HERHALEN RANDOM PLAY RAADPLEGEN BEËINDIGEN KEUZE A KEUZE B... CONFIG AUTO * RW ACHTER AAN FOLLOW-ME-HOME * De parameters variëren afhankelijk van de auto.

325 08 MENUSTRUCTUREN DISPLAYS EENHEDEN INST. WEERG TALEN FAHRENHEIT BRANDSTOFVERBRUIK: KM/L - L/00 - MPG JAAR MAAND DAG FRANCAIS ITALIANO NEDERLANDS UREN PORTUGUES MINUTEN PORTUGUES-BRASIL H/ H WEERGAVE DEUTSCH ENGLISH ESPANOL

326 08 MENUSTRUCTUREN DISPLAYS MONOCHROOM DISPLAY C Wanneer u op de toets OK drukt, komt u in de verkorte menu's terecht, afhankelijk van de weergave op het scherm: RADIO CD/MP-CD USB aanzetten/uitzetten RDS aanzetten/uitzetten modus REG aanzetten/uitzetten radiotext aanzetten/uitzetten Intro aanzetten/uitzetten herhalen tracks (de hele huidige CD voor CD, de hele huidige map voor MP-CD) aanzetten/uitzetten random play (de hele huidige CD voor CD, de hele huidige map voor MP-CD) aanzetten/uitzetten herhalen van tracks (van de map / artiest / genre / huidige afspeellijst) aanzetten/uitzetten random play (shuffle) (van de map / artiest / genre / huidige afspeellijst)

327 08 MENUSTRUCTUREN DISPLAYS MONOCHROOM DISPLAY C Door het indrukken van de toets MENU is de volgende weergave mogelijk: AUDIOFUNCTIES VOORKEUZE FM RDS-functie inschakelen/uitschakelen REG-functie inschakelen/uitschakelen weergave radiotext (RDTXT) inschakelen/uitschakelen BOORDCOMPUTER INVOEREN AFSTAND TOT EINDBESTEMMING Afstand: x km LOGBOEK WAARSCHUWINGEN Diagnose STATUS VAN DE FUNCTIES * Functies in- of uitgeschakeld AFSPEELMOGELIJKHEDEN RPT-functie (CD herhalen) inschakelen/uitschakelen RDM-functie (random) inschakelen/uitschakelen * De parameters variëren afhankelijk van de auto. 5

328 08 MENUSTRUCTUREN DISPLAYS 6 PERSOONLIJKE INSTELLING - CONFIGURATIE PARAMETERS VAN DE AUTO DEFINIËREN* CONFIGURATIE BEELDSCHERM regeling weergave normale weergave omgekeerde weergave regeling helderheid (- +) datum en tijd instellen dag/maand/jaar instellen uren/minuten instellen keuze cyclus u/u keuze van eenheden l/00 km - mpg - km/l Celsius / Fahrenheit TAALKEUZE BLUETOOTH-TELEFOON Configuratie Bluetooth Toestel aansluiten/afkoppelen Telefoonfunctie Streaming audio functie Raadplegen gekoppelde toestellen Verwijderen gekoppeld toestel Zoeken via Bluetooth Bellen Gesprekkenlijst Contactenlijst Beheer van een gesprek Huidige gesprek beëindigen Inschakelen mutefunctie * De parameters variëren afhankelijk van de auto.

329 VEELGESTELDE VRAGEN VRAAG ANTWOORD OPLOSSING Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de verschillende geluidsbronnen (radio, CD...). De CD wordt steeds uitgeworpen of kan niet worden afgespeeld door de CD-speler. Op het display wordt de melding "Storing USB-randapparatuur" weergegeven. De Bluetooth-verbinding wordt onderbroken. De CD-speler levert een slechte geluidskwaliteit. Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) voor elke geluidsbron afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn. De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de autoradio gelezen kunnen worden. De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de autoradio wordt herkend. De batterijspanning van de randapparatuur is misschien te laag. De USB-stick wordt niet herkend. De stick is misschien defect. Controleer of de audio-instellingen (volume, bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) zijn afgestemd op de verschillende geluidsbronnen. Het is raadzaam de AUDIO-functies (bassen, hoge tonen, balans V-A, balans L-R) in de middelste stand te zetten, de geluidssfeer "Geen" te selecteren en de functie Loudness in de stand "Actief" te zetten als de CD-speler is geselecteerd en in de stand "Inactief" te zetten als de radio is geselecteerd. - Controleer of de CD met de juiste zijde boven in de speler is geplaatst. - Controleer de staat van de CD: de CD kan niet worden gelezen als deze te veel is beschadigd. - Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk Audio. - De CD-speler van de autoradio kan geen DVD's afspelen. - De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's is onvoldoende om deze door de autoradio te laten afspelen. Laad de batterij van de randapparatuur op. Formateer de stick opnieuw. De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg ze zorgvuldig op. De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, geluidssfeer) zijn niet op de CD-speler afgestemd. Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen op 0, zonder een geluidssfeer te selecteren. 7

330 VRAAG ANTWOORD OPLOSSING De voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). De functie TA (verkeersinformatie) is ingeschakeld, maar ik krijg geen verkeersinformatie te horen. De ontvangstkwaliteit van de beluisterde radiozender neemt geleidelijk af of de voorkeuzezenders kunnen niet worden ontvangen (geen geluid, 87,5 Mhz wordt weergegeven...). Het verkeerde golfbereik is geselecteerd. Druk op de toets BAND AST om het golfbereik (AM, FM, FM, FMAST) terug te vinden waarin de voorkeuzezenders zijn opgeslagen. De geselecteerde radiozender maakt geen deel uit van het regionale netwerk van zenders die verkeersinformatie uitzenden. De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt. De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.) veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld. De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat of ondergrondse parkeergarage). Stem af op een zender die wel verkeersinformatie uitzendt. Activeer de functie RDS om het systeem te laten controleren of er een sterkere zender in het gebied aanwezig is. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio. Laat de antenne controleren door het CITROËN -netwerk. Het geluid van de radio valt tot seconden weg. Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid naar een eventuele sterkere zender voor een betere ontvangst van het station. Schakel de RDS-functie uit als dit verschijnsel zich te vaak en steeds op hetzelfde traject voordoet. Na het afzetten van de motor wordt de radio na enkele minuten automatisch uitgeschakeld. De melding "het audiosysteem is oververhit" verschijnt op het display. Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand van de accu dat toestaat. Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-modus van de autoradio is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt. Om het audiosysteem te beschermen tegen een te hoge omgevingstemperatuur, activeert de autoradio automatisch een thermische beveiliging die het geluidsvolume verlaagt of de CD-speler uitschakelt. Start de motor om de accu op te laden. Schakel het audiosysteem enkele minuten uit om het systeem te laten afkoelen. 8

331 PACK VIDEO DVD-SPELER / CD AUDIO / MP Om veiligheidsredenen mag de bestuurder het scherm uitsluitend bedienen als de auto stilstaat, dus nooit tijdens het rijden. De DVD-speler is geschikt voor de volgende discs: DVD-R, DVD+R, DVD+RW, CD-R, CD-RW, VCD en SVCD. Via de AUX- en AUX-ingang kunt u externe apparatuur op de Pack Video aansluiten (camcorder, spelcomputers etc.). De autoradio kan alleen audiobestanden lezen in mp-formaat waarvan de bitrates tussen de en 8 KHz liggen. INHOUDSOPGAVE 0 Kennismaking 0 Instellingen 0 Basisfuncties 0 Menustructuren blz. blz. blz. blz. 0 5 Alle functionaliteiten van de Pack Video staan beschreven in een aparte gebruiksaanwijzing die bij uw auto is geleverd. Veelgestelde vragen blz. 6 9

332 0 BASISFUNCTIES SCHERMEN EN DVD/CD-SPELER INFRAROOD HEADSET Bij de pack video wordt een headset meegeleverd. Indien er zich een voorwerp tussen de infraroodcel van het videoscherm en de headset bevindt, kan dat de geluidskwaliteit verslechteren. De videoschermen bevinden zich boven in de voorstoelen. De DVD/CD-speler bevindt zich op de middenconsole Voeding: batterijen R0 / AAA,5 V.. Bevestigingssteunen van het videoscherm.. Draaibaar en inklapbaar TFT/LCD-scherm.. Infraroodcel.. Opening in DVD/CD-speler om de disc in te voeren. 5. Aan-/uitknop. Uitwerpen DVD/CD LED: Groen lampje brandt: speler staat aan. Lampje knippert: ontvangst van informatie of uitwerpen disc. 7. AV-audioingang. 8. AV-audioingang. 9. VIDEO-ingang.. -kanaals stereo.. Aan/uit.. Volumeregeling.

333 0 BASISFUNCTIES AFSTANDSBEDIENING. Aan/Uit.. Selecteren van de geluidsbronnen DVD, CD audio en AUX.. Scherm wisselen.. Videoscherm instellen (helderheid, contrast, ). 5. Keuze bevestigen. 6. Snel vooruit/achteruit spoelen. In de menu's: de cursor horizontaal of verticaal verplaatsen. 7. Volume verhogen of verlagen. 8. Afspelen/pauze. 9. Naar volgende hoofdstuk. 0. SHIFT : gele toetsen activeren.. De taal instellen. Met SHIFT: taal van de ondertiteling instellen.. Ander hoofdstuk kiezen. Met SHIFT: ander item kiezen.. Naar vorig hoofdstuk.. Afspelen onderbreken. 5. RETURN : Kort drukken: terug naar het vorige menu. Lang drukken: terug naar het hoofdmenu. 6. Weergave van het hoofdmenu van de DVD-speler. 7. ZOOM : beeldformaat kiezen. 8. Beeld weergeven/uitzetten. Voeding: batterijen, type R0 / AAA,5 V. Numeriek toetsenbord

334 0 CONFIGURATIE MENU SET UP VIDEO-INSTELLINGEN Druk op de toets SET UP. Het menu "Algemene instellingen" verschijnt op het scherm. Druk op de toets SET UP. Selecteer het menu "Video-instellingen" met de toetsen en. Het menu "Instellingen" verschijnt op het scherm: "Video-instellingen", "Taal", "Gebruikers", "Default instellingen". Selecteer de opties met de toetsen en. Het menu "Video-instellingen" verschijnt op het scherm: "Helderheid", "Contrast", "Kleur", "Achtergrondlicht". Selecteer de functie met de toetsen en. Druk op de toets OK om uw keuze te bevestigen. 5 Druk op de toets OK om uw keuze te bevestigen. De instelling is opgeslagen.

335 0 BASISFUNCTIES UITKLAPPEN VAN DE VIDEOSCHERMEN Ontgrendel het vliegtuigtafeltje door de knop te verdraaien en klap het tafeltje neer. Klap het videoscherm naar boven uit totdat het contact maakt met het bovendeel van de stoel. Eén druk is voldoende om het videoscherm te vergrendelen. Het videoscherm is geen touchscreen. Druk nooit direct tegen het scherm, aangezien u hiermee de vloeibare kristallen in het scherm kunt beschadigen. Verwijder het videoscherm via de handgrepen uit de behuizing.

336 BASISFUNCTIES IN- / UITSCHAKELEN PACK VIDEO DVD/CD PLAATSEN / UITWERPEN Zet het contact van de auto aan om het systeem in te schakelen. Voer de disc voorzichtig in, met de bedrukte zijde naar boven, tot deze geheel in de speler is ingevoerd. Het afspelen begint hierna automatisch. Druk op de toets POWER / EJECT van de DVD-/CD-speler of van de afstandsbediening. Druk op de toets POWER / EJECT van het videoscherm. Bij afgezet contact wordt de pack video na circa tien minuten automatisch uitgeschakeld om te voorkomen dat de accu leeg raakt. Neem de disc voorzichtig uit de speler.

337 0 MENUSTRUCTUUR DISPLAY INSTELLINGEN TAAL DEFAULT INSTELLINGEN AUDIO WEET U HET ZEKER? VIDEO-INSTELLINGEN ONDERTITELING JA HELDERHEID INSTELLINGEN NEE CONTRAST KLEUR ACHTERGRONDLICHT GEBRUIKERS GEBRUIKER GEBRUIKER GEBRUIKER 5

338 VEELGESTELDE VRAGEN In de onderstaande tabel vindt u de antwoorden op de meest gestelde vragen over het pack video. VRAAG De DVD-speler gaat niet aan. - Controleer de zekeringen van de auto. OPLOSSING De DVD-speler reageert niet op de afstandsbediening. Slechte beeld- of geluidskwaliteit tijdens het afspelen van een DVD. Geen bewegende beelden tijdens het afspelen. De DVD kan niet worden afgespeeld door de DVD-speler. Tijdens het afspelen van een DVD/VCD/ SVCD is het beeld van matige kwaliteit. - De batterijen van de afstandsbediening zijn leeg. Vervang deze door alkalinebatterijen van het type AAA. - De sensor van de afstandsbediening is vuil of wordt afgedekt door een voorwerp. Verwijder alle voorwerpen op de ontvanger van de afstandsbediening of reinig het oppervlak ervan met een vochtige doek. - De pack video is oververhit. Laat het apparaat afkoelen. De DVD-speler kan de DVD niet lezen. De DVD is misschien beschadigd of vuil. - Het type formaat van de disc komt niet overeen met de DVD-speler. - Bij koud weer kan er zich condens vormen op de laser. Wacht ongeveer 5 minuten zodat het vocht kan verdampen. - Verwijder de disc. - Stel met de SETUP-toets de helderheid in en plaats de disc terug. Er verschijnt geen beeld op het scherm. - Druk op de toets SOURCE tot u beeld krijgt. - Druk op de toets ECRAN ON/OFF. Er komt geen geluid uit de headset. - Verhoog het volume met de toetsen VOLUME +/- van de afstandsbediening of het knopje van de headset. - Controleer of via de headset het juiste kanaal is gekozen. - Druk net zo lang op de toets SOURCE tot u geluid krijgt. - Vervang de batterijen van de headset. Na het uitwerpen van de disc verschijnt er geen opstartscherm. - Voer een andere disc in. - Zet het systeem uit en vervolgens weer aan. 6

339 ZOEKEN OP AFBEELDING EXTERIEUR Sleutel met afstandsbediening openen/sluiten - diefstalbeveiliging - follow me home-verlichting - starten - batterij Lampen vervangen achterlichten - derde remlicht - kentekenplaatverlichting Brandstoftank... 9 Accessoires... - Glazen panoramadak... 9 Allesdragers... 0 Winterscherm... 0 Bediening verlichting Koplampverstelling Meedraaiende koplampen Ruitenwissers Lampen vervangen koplampen - mistlampen vóór - zijknipperlichten Lane Departure Warning System Parkeerhulp Trekhaak Slepen Buitenspiegels Instapverlichting Bagageruimte Bandenreparatieset Wiel verwisselen gereedschap - demonteren Te openen achterklep Controlesysteem bandenspanning... 7 Hulpsystemen bij het remmen... 8 ESP... 9 Pneumatische vering Bandenspanning... 6 Portieren openen / sluiten - centrale vergrendeling - noodbediening Kinderbeveiliging... 5 Ruitbediening

340 ZOEKEN OP AFBEELDING BESTUURDERSPLAATS Handgeschakelde 5-versnellingsbak... 7 EGS-versnellingsbak Automatische versnellingsbak Hill Start Assist... 6 Ventilatie, verwarming en airconditioning Handbediende airconditioning Automatische airconditioning Extra airconditioning... 6 Zekeringen in het dashboard Zonneklep Plafonniers... 0 Vensters voor tol-/parkeerkaarten Kinderspiegel Binnenspiegel NaviDrive Datum/tijd instellen... 6 MyWay Datum/tijd instellen Autoradio Datum/tijd instellen... 0 Voorzieningen voorin dashboardkastje - opbergvakken - gekoeld opbergvak - matten Motorkapontgrendeling... 7 Zekeringen vervangen Elektrisch bediende handrem Middenconsole Rokersset Oproep Urgence of Assistance... 0, 7 Lane Departure Warning System

341 ZOEKEN OP AFBEELDING BESTUURDERSPLAATS (VERVOLG) Lichtschakelaar Richtingaanwijzers... 6 Instrumentenpaneel... - Controle-/waarschuwingslampjes... - Meters... - Opschakelindicator... 8 Kilometertellers... Dimmer dashboardverlichting... Multifunctionele displays Display A - Display C - Kleurendisplay MyWay - Kleurendisplay NaviDrive Bediening op het stuurwiel Snelheidsbegrenzer Snelheidsregelaar Parkeerplaatsassistent Alarmknipperlichten... 6 Parfumeur Buitenspiegels Ruitbediening, blokkering Ruitenwisserschakelaar Boordcomputer Inbraakalarm... 8 Koplampafstelling Stop & Start-systeem... 5 Openen brandstoftankklep... 9 Parkeerhulp Claxon... 6 Stuurwiel verstellen Sfeerverlichting

342 ZOEKEN OP AFBEELDING Zonneschermen zijruiten...0 Voorzieningen in de bagageruimte bagageafdekking - modubox (C Picasso) - bagageafdekscherm en bagageafdekking (Grand C Picasso) - tassenhaak - scheidingsnet (Grand C Picasso) - sjorogen - bagagenet (Grand C Picasso) Uitneembare lamp...6 Voorzieningen achterin tafeltjes achterin - opbergvakken in de voetenruimte - zonneschermen zijruiten - zonnescherm achter (Grand C Picasso) Autogordels... - Pack video Matten Achterzitplaatsen (e zitrij)... 7 Indeling van het interieur / opstelling van de stoelen Airbags Uitschakeling van de passagiersairbag... 6 Hoofdsteunen achter Achterzitplaatsen (e zitrij) Conventionele kinderzitjes ISOFIX-kinderzitjes... - Kinderbeveiliging... 5 Voorstoelen handmatig verstelbaar - elektrisch verstelbaar 0

343 ZOEKEN OP AFBEELDING TECHNISCHE GEGEVENS - ONDERHOUD Brandstoffilter ontluchten (diesel) Brandstoftank leeg (diesel) Niveaus controleren olie - remvloeistof - stuurbekrachtigingsvloeistof - koelvloeistof - ruitensproeier-/ koplampsproeiervloeistof Benzinemotoren... Gewichten (benzinemotor)... Dieselmotoren Gewichten (dieselmotor) Gewichten benzine-/ dieseluitvoeringen N... - Afmetingen Identifi catie... 6 Zekeringen op de accu... 0 Accu Eco-modus Zekeringen in de motorruimte Lampen vóór vervangen Motorkapontgrendeling... 7 Motorruimte (benzine) Motorruimte (diesel) Onderdelen controleren accu - luchtfi lter / interieurfi lter - oliefi lter - roetfi lter (diesel) - remblokken/-schijven

344 TREFWOORDENREGISTER A Aanjager, regeling...60 Aansluiting V...07 Aansteker ABS met elektronische remdrukregelaar r... 8 Accessoires... Accu...8, 0 Accu laden...0 Achterbank...70, 7, 7 Achterlichten...9, 95 Achterruit openen...90 Achterruitverwarming...58, 60 Achteruitrijlicht...9, 95 Afmetingen... Afstandsbediening... 78, 79, 8, Afstandsbediening, batterij...8, 8 A Asbak (uitneembaar)...07 Audio-aansluitingen... 08, 5, 5, 9,, 6 Automatische ruitenwissers...00, 0 Automatisch inschakelen alarmknipperlichten...6 Automatisch inschakelen verlichting...9, 97 Autoradio...07, 09,, AUX-aansluiting...9, 6 Auxaansluitingen...58, 59, Aux-ingang... 58, 9,, 6 B Binnenspiegel...77 Bluetooth (handsfree set)... 95, 96, 7 Bluetooth (telefoon)...6, 95, 96 Bochtverlichting...98, 99 Boordcomputer r Brake Assist System (BAS)...8 Brandstof... 9, 9 Brandstofaddititiefniveau...80 Brandstofniveau...9 Brandstofniveaumeter... r 9 Brandstofsysteem ontluchten...75 Brandstoftank...9 Brandstoftank Afstandsbediening, B Bagageafdekking... (inhoud)...9 batterij vervangen...8 Bagageafdekscherm... Brandstoftankdop...9 Afstandsbediening Bagagenet... 5 Brandstof tanken...9, 9 synchroniseren...8 Bagageruimte...90 Brandstoftankklep...9 Airbags vóór... 8 Bagageruimte openen...78, 90 Brandstoftank Airconditioning...9, 56 Bagageruimteverlichting... 6, 96 leeg (diesel)...75 Airconditioning Banden...9 Brandstofverbruik...9 (handbediend)...58 Bandenreparatieset...8 Buitenspiegels...76 Airconditioning, Bandenspanning...9, 6 automatische...60 Bandenspanning, detectie... 7 Airconditioning, extra...60 Bandenspanning te laag Alarmknipperlichten...6 (detectie)...7 C CD-/ Alarmsysteem...8 Bandreparatieset...8 MP -speler... 5, 9, Algemeen menu... 6, 7, 0 Bedieningspaneel...76 Allesdragers...0 Bekerhouder r Allesdragers monteren...0 Beladen...9 Antiblokkeersysteem Beltoets CITROËN...9 (ABS)...8 Antispinregeling (ASR)...9 Armleuning vóór Benzinemotor... 9, 77 Bestuurdersplaats (instellingen)...69 CD MP...5, 9, Centrale vergrendeling...79, 88, 89 Claxon...6 Controlelampjes..., 6, 7 Controlelampjes (status)...9 Controles...77, 78, 8, 8

345 TREFWOORDENREGISTER D Dagrijverlichting...96, 90, 9 Dagteller... Dagteller resetten... Dashboardkastje...06 Dashboardverlichting... Dashboardverlichting (dimmer)...,, Datum instellen...6, 98, 0, Derde remlicht...96 Diensten CITROËN...9 Dieselmotor... 9, 78 Dimlicht...9, 90, 9 Display instrumentenpaneel...,, 8 DVD-speler... 0 Dynamische noodrem...9 E Eco-modus...06 Eco-rijden (adviezen)...9 Elektronische remdrukregelaar (REF)...8 ESP/ASR...9 ESP: Elektronisch stabiliteitsprogramma...9 F Follow-mehome-verlichting...96, 97 Functie snelweg (richtingaanwijzers)...6 G Geheugen instellingen bestuurder r Gereedschap...86 Gewichten..., 5, Gewichten, overzicht..., 5, Gordelverstelling... GPS...9,, 5, 7, 8 Grootlicht...9, 90, 9 H Halogeenlampen...90 Handrem...8 Handrem, elektrisch bediend...9 Handsfree set...95, 96, 7 Harde schijf (kopie)...5, 55 Harmonicapaneel...7 Hill Start Assist...6 Hoedenplank...7, 09 Hoofdsteunen achter Hoofdsteunen verstellen... 67, 70 Hoofdsteunen vóór Hulpoproep...0, 8 Hulpoproep gelokaliseerd...8, 9 I Identificatie (stickers)...6 Identificatie auto...6 Identificatiegegevens...6 Identificatieplaatjes constructeur... r 6 Instapverlichting...0 Instellingen (Menu's)... Instrumentenpanelen..., I J Interieurfilter... r 8 Interieurfilter (vervangen)...8 Interieur ontgrendelen...88, 89 Interieurverlichting...0, 96 ISOFIX (bevestigingen)... ISOFIX kinderzitjes...- JACK-aansluiting..., 6 Jukebox (beluisteren)...56 K Kaart (kleurendisplay)...7 Kaartleeslampjes...0, 96 Kaartleeslampjes achter...0, 09 Kentekenplaatverlichting...95 Kilometerteller... r Kinderbeveiliging...86, 5 Kinderen...0,, Kinderen (veiligheid)...5 Kinderen (veiligheidsvoorzieningen)... 7, 0, - Kinderzitjes... 7, 9 Kinderzitjes (conventioneel)... 0 Klembeveiliging...86, 9 Kleurcode lak...6 Kleurendisplay 6/ , 5, 6, 65, 78, 99 Klokje (instellen)... 6, 98, 0, Koelvak...07 Koelvloeistofniveau...80 Kofferdeksel sluiten...79, 90

346 TREFWOORDENREGISTER K Koplampsproeiers...0 Koplampsproeiervloeistofniveau Koplampverstelling...98 Krik...86 M Motoren..., 5 Motorenoverzicht..., 5 Motorkap...7 Motorkap, openen...7 Motorkapsteun...7 Motorolieniveau, controle... OOpbergvak...06 Opbergvakken...09 Opbergvakken portieren...0, 08 Opschakelindicator... 8 L Laadhulp...7 Lampen vervangen...90, 9, 95 Lane Departure Warning System (LDWS) Lekke band...8, 86 Lichtschakelaar... 9 Lokaliseren van de auto...80 Luchtfilter... 8 Luchtfilter (vervangen)...8 Luchtrecirculatie...58, 60 Luchtverdeling...58, 60 Luchtvering...7 M Matten...08 Mat verwijderen...08 Menustructuren display... 65, 99,,, 5 Menu video...59 Middenconsole...07 Milieu...9, 8 Milieubewust rijden...9 Mistachterlicht...95, 9 Mistlampen vóór... 95, 9 Modubox... Monochroom display...0,, Monochroom display A... 5 Monochroom display C...7 Motorolieniveaumeter r..., 79 Motorruimte...77, 78 MP (CD)...5, 9, Multifunctioneel display...5, 7, 50, 5 Multimediaspelers...9 MyWay...50, 76, 78, 99 N Navigatiesysteem... 9, 5, 8 Neerklappen stoelen achter... 70, 7, 7 Niveaus controleren...79, 80 Niveaus en controles Noodbediening achterklep...9 Noodbediening portieren...89 Noodoproep gelokaliseerd...8, 9 Noodprocedure starten...0 O Oliefilter... 8 Oliefilter (vervangen)...8 Olieniveau..., 79 Oliepeilstok..., 79 Onderhoudscontroles... 9,, Onderhoudsintervalindicator r..., Onderhoudsintervalindicator resetten... Ontgrendelen...78 P Pack video...9 Paneel...70 Panoramadak...9 Parfumeur... r 65 Parfumeur (element)...65 Parkeer-/tolkaarten...05 Parkeerhulp achter Parkeerhulp vóór Parkeerlichten...9, 96, 90, 9-95 Parkeerplaatsassistent...66 Passagiersairbag uitschakelen...5 Plafonniers...0, 96 Portieren...88 Portieren openen...78, 88 Portieren sluiten...79, 88 R Radio... 9, Regelmatig onderhoud...9 Regeneratie roetfilter r... 8 Rembekrachtigingsysteem... 8 Remblokken...8 Remlichten...9, 95 Remmen...8 Remschijven...8 Remvloeistofniveau...79 Reservewiel...86

347 TREFWOORDENREGISTER R Reservoir koplampsproeiers...80 Richtingaanwijzers...6, 90, 9, 9, 95 Risicozones (update)..., 88 Roetfilter... 80, 8 Ruitbediening...86 Ruitbediening resetten...86 Ruitensproeier achter...00 S Snelheidsregelaar... r 6 Snelmenu's...79, 80 Spiegel naar achterpassagiers...05 Spraaksynthese... Startblokkering, elektronische...80, 8 Starten van de auto...8 Stilzetten van de auto...8 Stoelen verstellen...67, 68, 70 T Thermisch isolerende voorruit...05 Tijd instellen... 6, 98, 0, TMC (verkeersinformatie)...9, 89 Toegang tot de e zitrij...7 Toerenteller... r, Trekhaak...09 Ruitensproeierreservoir r Stoelopstellingen...75 U Updaten risicozones..., 88 Ruitensproeiers Stoelverwarming...68 Urgence-oproep... 0, 8, 9 vóór...0 Stoelverwarming, USB-aansluiting...08, 5, Ruitensproeiervloeistofniveau schakelaars ,, 6 Ruitenwisser achter Stop & Start...55, 6, 9, USB-box...08, 5, Ruitenwisserbladen 5, 7, 8, 0 (vervangen)...0 Ruitenwissers...00, 0 Ruitenwisserschakelaar... r 00, 0 Streaming audio Bluetooth... 9 Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau Stuurkolomschakelaars..., 77, 09 S Schakelen automatische versnellingsbak...56 Schakelen elektronisch bediende versnellingsbak... 9 Scheidingsnet... Selectiehendel handgeschakelde versnellingsbak...7 Serienummer auto...6 Sfeerverlichting...0 Slepen van een auto...07 Sleutel met afstandsbediening , 8 Slotbouten...88 Sneeuwscherm...0 Snelheidsbegrenzer... r 6 Stuur met bedieningen op vaste naaf Stuurslot...80, 8 Stuurverstelling...77 Stuurwiel (verstellen)...77 Supervergrendeling...79 Synchroniseren afstandsbediening...8 T Tassenhaak... Technische gegevens..., 5,, Telefoon...9, 60-6, 95, 96 Teller..., Temperatuurregeling...58, 60 V Veiligheidsgordels..., Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen...7, 0, - Vensters voor parkeer-/tolkaarten...05 Ventilatie...9, 56 Ventilatieroosters...56 Vergrendeling van binnenuit Verkeersinformatie (TA)...90, 9, Verkeersinformatie (TMC)...9, 89, 90 Verklikkerlampjes..., 6, 8, 9 Verlichtingsmodule, uitgebreide...0 Versnellingsbak, automatische...56, 8 Versnellingsbak, elektronisch bediend...9, 5, 8 5

348 TREFWOORDENREGISTER V Versnellingsbak, handgeschakeld...7, 8, 5, 8 Versnellingshendel...9 Verwarming...9, 56 Video...59 Videoscherm achter..., Voorstoelen Z Zonneklep...05 Zonnescherm panoramadak... 9 Zonnescherm panoramadak openen...9 Zonwering... 05, 0 Zuinig rijden...9 W Waarschuwingslampjes Waarschuwingssignaal sleutel in contact...8 Waarschuwing vergeten verlichting...95 Wiel demonteren...88 Wiel monteren...88 Wiel verwisselen...86 Window-airbags...7, 8 X Xenonlampen Z Zaklamp... 6, 96 Zekeringen...97 Zekeringentabel...97 Zekeringen vervangen...97 Zekeringkast accucompartiment...97 Zekeringkast dashboard...97 Zekeringkast motorruimte Zij-airbags...7, 8 Zijknipperlicht...9 Zijspots...98

349 7

350 8

351 Dit instructieboekje behandelt alle beschikbare uitrustingen van dit model. Uw auto is, afhankelijk van het uitrustingsniveau, de uitvoering en de specifi eke kenmerken voor het land waarvoor de auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien. Aansprakelijkheid voor de gegeven beschrijvingen en illustraties wordt niet aanvaard. Automobiles CITROËN behoudt zich het recht voor tussentijds wijzigingen aan te brengen in de door haar gevoerde modellen en de bijbehorende uitrusting en accessoires, zonder verplicht te zijn dit instructieboekje aan te passen. Dit instructieboekje maakt onlosmakelijk deel uit van uw auto. Vergeet niet dit boekje bij doorverkoop van uw auto aan de nieuwe eigenaar te geven. Automobiles CITROËN verklaart dat, door toepassing van de voorschriften in de Europese regelgeving (Richtlijn 000/5) met betrekking tot autowrakken, wordt voldaan aan de in deze richtlijn gestelde doelen en dat recycleerbare materialen worden gebruikt voor de fabricage van producten die door haar worden verkocht. Reproductie of vertaling, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder schriftelijke toestemming van Automobiles CITROËN. Neem voor alle werkzaamheden aan uw auto contact op met een gekwalificeerde werkplaats die beschikt over de juiste technische informatie, vakkennis en apparatuur. Het CITROËN-netwerk is in staat u dit te bieden. Gedrukt in de EU Néerlandais 07-

352 CP.0070 Néerlandais 0 DOCUMENTATION DE BORD Dconcept Diadeis Seenk Edipro CRÉATIVE TECHNOLOGIE

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Bekijk uw instructieboekje via de website van Citroën, rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u rechtstreeks

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.

Nadere informatie

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en

Nadere informatie

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles ! Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer

Nadere informatie

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u het instructieboekje

Nadere informatie

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina".

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek Persoonlijke pagina. Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u de gebruiksaanwijzing

Nadere informatie

Uw auto komt tot leven op internet!

Uw auto komt tot leven op internet! Instructieboekje ! Dankzij de internetsite SERVICE BOX, biedt PEUGEOT u de mogelijkheid uw boorddocumentatie gratis en eenvoudig online te raadplegen. Met het gebruiksvriendelijke SERVICE BOX hebt u altijd

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting

Nadere informatie

Het instructieboekje online

Het instructieboekje online INSTRUCTIEBOEKJE Het instructieboekje online Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek " MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie

Nadere informatie

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! INSTRUCTIEBOEKJE UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de

Nadere informatie

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33. Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht

Nadere informatie

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: De voorkant De verlichting moet heel zijn en werken (de werking van de verlichting, remlichten en richtingaanwijzers kan voor je gaat rijden gecontroleerd worden door de examinator) De

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: In deze handleiding vind je de specifieke voertuigkenmerken van de Suzuki Swift. Algemene dingen kun je in je Ris praktijkboek vinden. Dus hier kun je b.v. vinden met welk knopje je de

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/ -begrenzer. 2. Stuurwielverstelling. 3. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 4. Instrumentenpaneel. 5. Airbag bestuurder. Claxon. 6. Versnellingshendel.

Nadere informatie

IIN EEN OOGOPSLAG B U I T E N Z I J D E. Glazen panoramadak. Openklapbare achterruit

IIN EEN OOGOPSLAG B U I T E N Z I J D E. Glazen panoramadak. Openklapbare achterruit IIN EEN OOGOPSLAG B U I T E N Z I J D E Glazen panoramadak Meedraaiende xenonkoplampen Zowel bij het dimlicht als het grootlicht zorgt deze functie voor het automatisch met de bocht meedraaien van de lichtbundels.

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN JUMPER 2012 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748384

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN JUMPER 2012 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748384 U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,

Nadere informatie

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling

Nadere informatie

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/- begrenzer. 2. Hendel stuurwielverstelling.. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 4. Instrumentenpaneel. 5. Airbag bestuurder. Claxon.

Nadere informatie

NL ESP-Systeem

NL ESP-Systeem 603.83.515 NL ESP-Systeem ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking

Nadere informatie

C8_03-2_fr_Gcv.qxd 12/09/03 10:26 Page 1 CITROËN C8 INSTRUCTIEBOEKJE. 0 C:\Documentum\Checkout\V3_03_2_Tcv-NEL.win 15/3/2004 19:35 -page 1

C8_03-2_fr_Gcv.qxd 12/09/03 10:26 Page 1 CITROËN C8 INSTRUCTIEBOEKJE. 0 C:\Documentum\Checkout\V3_03_2_Tcv-NEL.win 15/3/2004 19:35 -page 1 C8_03-2_fr_Gcv.qxd 12/09/03 10:26 Page 1 CITROËN C8 INSTRUCTIEBOEKJE 0 C:\Documentum\Checkout\V3_03_2_Tcv-NEL.win 15/3/2004 19:35 -page 1 C8_03-2_fr_Gcv.qxd 12/09/03 10:27 Page 2 CITROËN prefereert TOTAL

Nadere informatie

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C)

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) COUPÉ EVO DASHBOARD Brandstofmeter met reserveaanduiding Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) Chroomlook ringen instrumentenpaneel ControlelampjesRichtingaanwijzer links en rechts, mistlampen

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN DS5 HYBRIDE 2012 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748380

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN DS5 HYBRIDE 2012 http://nl.yourpdfguides.com/dref/5748380 U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,

Nadere informatie

Verwarming en ventilatie

Verwarming en ventilatie Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde

Nadere informatie

Het instructieboekje online

Het instructieboekje online INSTRUCTIEBOEKJE Het instructieboekje online Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie

Nadere informatie

Voertuig Controle BMW 116d Sportline

Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door

Nadere informatie

Praktijk Vragen over auto

Praktijk Vragen over auto Praktijk Vragen over auto 1 BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).

Nadere informatie

INSTRUMENTENPANEEL BENZINE - DIESEL MET HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK KLOKKEN. Display

INSTRUMENTENPANEEL BENZINE - DIESEL MET HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK KLOKKEN. Display INSTRUMENTENPANEEL BENZINE - DIESEL MET HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Display De klokken en verklikkerlampjes op het instrumentenpaneel geven informatie over de werking van de auto. KLOKKEN 1. Toerenteller.

Nadere informatie

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard

Nadere informatie

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen Stoelen VOORSTOELEN De stoel nooit afstellen als het voertuig in beweging is. Als van deze instructies wordt afgeweken, kan dit leiden tot lichamelijk letsel of verlies van controle over het voertuig.

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference

COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference OP Quick start K OLNS 7-07-2008 8:32 Pagina FordKa Kort Owner s overzicht handbook Feel the difference K0468_Service_Portfolio_090508. 09.05.2008 5:52:47 Uhr 604.39.307 PP K OL 8-07-2008 4:03 Pagina S

Nadere informatie

Voertuig Controle Golf 7

Voertuig Controle Golf 7 Voertuig Controle Golf 7 Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door zodat je

Nadere informatie

Uitrusting februari 2009

Uitrusting februari 2009 februari 2009 Design Passagiersstoel opklapbaar met verstelbare rugleuning Hoofdsteunen in de hoogte regelbaar Vloerbekleding in vast tapijt Verwarming/ontdooiing met 3 snelheden Dubbele, geforceerde geluidsisolatie

Nadere informatie

UW 807 IN EEN OOGOPSLAG 26-04-2004

UW 807 IN EEN OOGOPSLAG 26-04-2004 2 UW 807 IN EEN OOGOPSLAG UW 807 IN EEN OOGOPSLAG 3 1 - Schakelaars elektrisch bediende buitenspiegels. Schakelaars elektrisch bediende ruiten. Blokkeerschakelaar elektrisch bediende ruiten achter. 2 -

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en

Nadere informatie

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN E81931 2 U mag de stoel niet tijdens het rijden verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1 De stoel, de hoofdsteun, de

Nadere informatie

Praktijk Vragen over auto

Praktijk Vragen over auto Praktijk Vragen over auto BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT. 1. Hendel motorkapontgrendeling. 2. Koplampverstelling. 3. Uitschakelen airbag aan passagierszijde

IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT. 1. Hendel motorkapontgrendeling. 2. Koplampverstelling. 3. Uitschakelen airbag aan passagierszijde IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Hendel motorkapontgrendeling 2. Koplampverstelling 3. Uitschakelen airbag aan passagierszijde 4. Verstelbaar en afsluitbaar zijventilatierooster 5. Schakelaar verlichting en

Nadere informatie

Waarschuwingslampjes WAARSCHUWINGSLAMPJES

Waarschuwingslampjes WAARSCHUWINGSLAMPJES Waarschuwingslampjes WAARSCHUWINGSLAMPJES H6433L Voorzichtig: Vooral de RODE waarschuwingslampjes zijn van essentieel belang; door het branden van die waarschuwingslampjes wordt aangegeven dat sprake is

Nadere informatie

EERSTE KENNISMAKING B U I T E N Z I J D E. Open dak

EERSTE KENNISMAKING B U I T E N Z I J D E. Open dak B U I T E N Z I J D E I Open dak Dit dak zorgt voor meer lucht en licht in het interieur. EERSTE KENNISMAKING 100 Parkeerhulpsensoren Nadat u de achteruitversnelling heeft ingeschakeld, waarschuwt het

Nadere informatie

INSTRUCTIebOekje CITROËN C4 CACTUS C4-cactus_nl_Chap00_couv-debut_ed

INSTRUCTIebOekje CITROËN C4 CACTUS C4-cactus_nl_Chap00_couv-debut_ed Instructieboekje CITROËN C4 CACTUS Het online-instructieboekje Kies een van de volgende manieren om uw instructieboekje online te raadplegen... Uw instructieboekje is te vinden op de website van CITROËN,

Nadere informatie

gefeliciteerd MeT de AAnkOOP VAn Uw VOLVO XC90 quick guide

gefeliciteerd MeT de AAnkOOP VAn Uw VOLVO XC90 quick guide VOLVO XC90 quick guide gefeliciteerd MeT de AAnkOOP VAn Uw nieuwe VOlVO! Het is altijd spannend een nieuwe auto te leren kennen. Neem deze Quick Guide door om nog meer plezier te hebben van uw nieuwe Volvo.

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN C5 SEDAN

Uw gebruiksaanwijzing. CITROEN C5 SEDAN U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,

Nadere informatie

LCD scherm va LCD scherm

LCD scherm va LCD scherm scherm 1. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica

Nadere informatie

De online-gebruiksaanwijzing

De online-gebruiksaanwijzing Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Selecteer een van de volgende toegangen om uw gebruiksaanwijzing online te raadplegen... Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over

Nadere informatie

************************* **************** ******** ***

************************* **************** ******** *** Bij deelname aan het Tussentijdstoets moet je de volgende documenten overhandigen: een geldig theorie certificaat een wettelijk toegestaan, geldig identiteitsbewijs. ************************* ****************

Nadere informatie

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1 FordKa Instructieboekje Owner s handbook Feel the difference K10468_Service_Portfolio_090508.1 1 09.05.2008 15:52:47 Uhr 001-025 Ford KA NL 22-07-2008 9:45 Pagina

Nadere informatie

Automatische transmissie

Automatische transmissie Automatische transmissie TRANSMISSIEHENDEL H3916 De CommandShift transmissie kan als automaat en als handbak worden gebruikt. Automatische bediening Normaal staat de transmissie op 'automatisch'. Nadat

Nadere informatie

4 - In een oogopslag In een oogopslag - 5 COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar/- begrenzer. 2. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 3. Airbag bestuurder. Claxon. 4. Instrumentenpaneel. 5. Alarmknop.

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1. Verstelling naar voren/naar achteren. 2. Hoogteverstelling.

Nadere informatie

Lampen en waarschuwingslampjes

Lampen en waarschuwingslampjes Lampen en waarschuwingslampjes VERLICHTING OP BUITENKANT VAN AUTO Hoofdverlichtingsschakelaar H5740 1 1. Uit. 2. Stadslichten. 3. Koplampen aan. 4. Automatische controlelampjes. Stadslichten De voorste

Nadere informatie

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist BEDIENINGSUITLEG 1 - Bestuurderszetel 17 - Hendel stuurafstelling 2 - Sleutelschakelaar (START) 18 - Bedieningshendel hijsen linker

Nadere informatie

Flipbook Start MyPeugeot Start MyPeugeot. De app Start MyPeugeot is beschikbaar voor uw auto en helpt u uw nieuwe Peugeot nog beter te leren kennen.

Flipbook Start MyPeugeot Start MyPeugeot. De app Start MyPeugeot is beschikbaar voor uw auto en helpt u uw nieuwe Peugeot nog beter te leren kennen. Instructieboekje Flipbook Start MyPeugeot Start MyPeugeot Start Mirror Screen Start Het instructieboekje. App die u kunt downloaden op uw smartphone. App die kan worden weergegeven op het touchscreen van

Nadere informatie

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN Gema ksvoorzie ningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING AUTO E80434 De zonneklep kan tegen verblinding naar beneden of zijwaarts worden geklapt. ZONNESCHERMEN E993 Verdraai het duimwieltje

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Instructieboekje Het online-instructieboekje Kies een van de volgende manieren om uw instructieboekje online te raadplegen... Uw instructieboekje is te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Nadere informatie

INSTRUCTIEBOEKJE PEUGEOT 5008

INSTRUCTIEBOEKJE PEUGEOT 5008 INSTRUCTIEBOEKJE PEUGEOT 5008 Toegang tot het instructieboekje Het instructieboekje is beschikbaar op de PEUGEOTwebsite, in de rubriek "Persoonlijke pagina" of op het volgende adres: http://public.servicebox.peugeot.com/ddb/

Nadere informatie

De online-gebruiksaanwijzing

De online-gebruiksaanwijzing Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Selecteer een van de volgende toegangen om uw gebruiksaanwijzing online te raadplegen... Uw gebruiksaanwijzing is ook te vinden op de website van Peugeot,

Nadere informatie

PEUGEOT PK ALLURE

PEUGEOT PK ALLURE PEUGEOT 308 110PK ALLURE Prijs voertuig : * 15 900 * Excl. kosten van inschrijving en brandstof. vermelding verplicht vanaf 1.1.79 conform decreet 78993 van 4.10.78 Garantie Leeuwekeur Comfort (6 Maand)

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch

Nadere informatie

LCD scherm ve LCD scherm

LCD scherm ve LCD scherm scherm. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica zelf

Nadere informatie

Flipbook 208 Start MyPeugeot 208 Start MyPeugeot 208

Flipbook 208 Start MyPeugeot 208 Start MyPeugeot 208 Instructieboekje Flipbook 208 Start MyPeugeot 208 Start MyPeugeot 208 Start Mirror Screen Start Het Instructieboekje. App die u kunt downloaden op uw smartphone. App die kan worden weergegeven op het touchscreen.

Nadere informatie

FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Panda. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

De online-gebruiksaanwijzing

De online-gebruiksaanwijzing Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Selecteer een van de volgende toegangen om uw gebruiksaanwijzing online te raadplegen... Uw gebruiksaanwijzing is ook te vinden op de website van Peugeot,

Nadere informatie

Starten en rijden STUURSLOT

Starten en rijden STUURSLOT Rijden en bedienen Starten en rijden STUURSLOT H3584 Stuurslot loszetten Steek de contactsleutel GEHEEL in het contactslot en draai die naar stand 'I'. Het is mogelijk dat het stuurwiel iets moet worden

Nadere informatie

FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

FIAT MULTIPLA 603.45.730 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT MULTIPLA 603.45.730 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT MULTIPLA 603.45.730 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, H artelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Multipla. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat

Nadere informatie

4 - In een oogopslag In een oogopslag - 5 COCKPIT 1. Schakelaar snelheidsregelaar. 2. Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers. 14. Dashboardkastje / aansluitingen audio/video. 15. Schakelaars stoelverwarming.

Nadere informatie

De online-gebruiksaanwijzing

De online-gebruiksaanwijzing Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Als u de gebruiksaanwijzing online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie. Deze informatie is gemakkelijk te herkennen aan de paginamarkering

Nadere informatie

ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice!

ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Mobiliteitsservice: 088-2692888 Twijfelt u? Bel dan Van den Udenhout 073-64644444 Lampje Betekenis ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Centraal waarschuwingslampje:

Nadere informatie

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene installatiehandleiding Alarmlicht met sirene INSTALLATIEHANDLEIDING ALARMLICHT MET SIRENE Gefeliciteerd met de aankoop van het Egardia alarmlicht met sirene. Website Egardia www.egardia.com Klantenservice

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch

Nadere informatie

InstruCtIeboekje C4-Picasso-II_nl_Chap00_couv-debut_ed

InstruCtIeboekje C4-Picasso-II_nl_Chap00_couv-debut_ed Instructieboekje De online-gebruiksaanwijzing Selecteer een van de volgende toegangen om uw gebruiksaanwijzing online te raadplegen... Als u de gebruiksaanwijzing online raadpleegt, hebt u tevens toegang

Nadere informatie

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C)

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) CITY GTO DASHBOARD Brandstofmeter met reserveaanduiding Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) Chroomlook ringen instrumentenpaneel ControlelampjesRichtingaanwijzer links en rechts, mistlampen

Nadere informatie

FORD C-MAX Korte beschrijving

FORD C-MAX Korte beschrijving FORD C-MAX Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies

Nadere informatie

Renault Clio Energy TCe 90pk ECO2 Dynamique 2016

Renault Clio Energy TCe 90pk ECO2 Dynamique 2016 Renault Clio Energy TCe 90pk ECO2 Dynamique 2016 16.900 Algemene Opties en Accessoires: Climate control Keyless entry Regensensor Audio, tv en 12v access: 12V accessoire-aansluiting in de middenconsolebluetooth

Nadere informatie

Gebruikershandleiding kort

Gebruikershandleiding kort kort Van Raam BV Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Positie zitting Om de positie van de stoel correct in te stellen zet de berijder een voet op het pedaal in de uiterste stand vanaf de berijder. Stel de

Nadere informatie

H a n d e l i n g s a n a l y s e R i j s c h o o l T e a m D r i v e - w w w w. r i j s c h o o l t d. n l Pagina 1

H a n d e l i n g s a n a l y s e R i j s c h o o l T e a m D r i v e - w w w w. r i j s c h o o l t d. n l Pagina 1 H a n d e l i n g s a n a l y s e R i j s c h o o l T e a m D r i v e - w w w w. r i j s c h o o l t d. n l Pagina 1 HANDELINGSANALYSE CATEGORIE B Hierna vindt u de handelingsanalyse voor de auto, de rijprocedure

Nadere informatie

Dualogic versnelllingsbak van de Fiat

Dualogic versnelllingsbak van de Fiat F I A T 5 0 0 603.95.085 NL D U A L O G I C In dit supplement worden de gebruiksmogelijkheden beschreven van de elektronisch geregelde mechanische. Voor het juiste gebruik van de versnellingsbak is het

Nadere informatie

Starten, schakelen & wegrijden:

Starten, schakelen & wegrijden: Auteursrechtinformatie Dit document is bedoeld voor eigen gebruik. In het algemeen geldt dat enig ander gebruik, daaronder begrepen het verveelvoudigen, verspreiden, verzenden, herpubliceren, vertonen

Nadere informatie

Parameters Zichtbaarheid. Inleiding

Parameters Zichtbaarheid. Inleiding Inleiding Inleiding De lijst van parameters in dit document is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Neem contact op met een een erkende Scania werkplaats voor

Nadere informatie

Elektrische installatie

Elektrische installatie Elektrische installatie INSTRUMENTEN - DASHBOARD Diagnose - Inleiding - 1 Diagnose - Werking van het systeem - 9 Diagnose - Aansluiting rekeneenheid - 13 Diagnose - Vervangen van organen - 15 Diagnose

Nadere informatie

GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN UW NIEUWE VOLVO!

GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V50 QUICK GUIDE GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN UW NIEUWE VOLVO! Het is altijd spannend een nieuwe auto te leren kennen. Neem deze Quick Guide door om nog meer plezier te hebben van uw nieuwe Volvo.

Nadere informatie

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene installatiehandleiding Alarmlicht met sirene INSTALLATIEHANDLEIDING ALARMLICHT MET SIRENE Gefeliciteerd met de aankoop van het WoonVeilig alarmlicht met sirene. Telefoonnummer WoonVeilig 0900-388 88 88

Nadere informatie

WELKOM. PEUGEOT dankt u voor het vertrouwen en wenst u een goede reis.

WELKOM. PEUGEOT dankt u voor het vertrouwen en wenst u een goede reis. INSTRUCTIEBOEKJE WELKOM Belangrijke informatie: het monteren van een uitrusting of een elektrische accessoire zonder artikelnummer van Automobiles PEUGEOT, kan een storing in het elektronische systeem

Nadere informatie

FIAT SCUDO 603.81.143 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT SCUDO 603.81.143 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT SCUDO 603.81.143 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat SCUDO. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding

OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 47 Opbergen... 72 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

druk 1 1TH 084070 NSN 2320-17-122-6055 PROJECTNUMMER 084070 TECHNISCHE HANDLEIDING VAU 150 KN 6X6 DAF YBB95.480 TAKEL

druk 1 1TH 084070 NSN 2320-17-122-6055 PROJECTNUMMER 084070 TECHNISCHE HANDLEIDING VAU 150 KN 6X6 DAF YBB95.480 TAKEL druk 1 1TH 084070 NSN 30-17-1-6055 PROJECTNUMMER 084070 TECHNISCHE HANDLEIDING VAU 150 KN 6X6 DAF YBB5.480 TAKEL Vastgesteld door de Directeur Defensie Materieel Organisatie voor deze Hoofd Logistieke

Nadere informatie

Waarschuwingen INTRODUCTIE

Waarschuwingen INTRODUCTIE XJ -1988-1997 INHOUDSOPGAVE INTRODUCTIE. TIPS VOOR HET INRIJDEN VOOR HET RIJDEN... INSTRUMENTEN / BEDIENINGSORGANEN STARTEN EN RIJDEN. STOELEN EN VEILIGHEIDSGORDELS. VERWARMING / VENTILATIE / AIRCONDITIONING

Nadere informatie

Toegang tot het instructieboekje

Toegang tot het instructieboekje INSTRUCTIEBOEKJE Toegang tot het instructieboekje Het instructieboekje is beschikbaar op de CITROËNwebsite, in de rubriek "MyCitroën" of op het volgende adres: http://service.citroen.com/ddb/ Download

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch

Nadere informatie

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C)

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) COUPÉ GTI DASHBOARD Brandstofmeter met reserveaanduiding Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) Chroomlook ringen instrumentenpaneel ControlelampjesRichtingaanwijzer links en rechts, mistlampen

Nadere informatie