Arbeidsmarkt Installatietechniek Landelijk
|
|
|
- Daniël Janssens
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Arbeidsmarkt Installatietechniek Landelijk dr. M. Sprengers drs. W. van Ooij drs. R. Beilsma bc drs. W. van Putte drs. J. Haas (Haas & Lescaut) MarktMonitor Oktober 2003
2
3 Arbeidsmarkt Installatietechniek Landelijk
4 MarktMonitor MarktMonitor onderzoekt trends en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, technologie en scholing. De activiteiten van MarktMonitor richten zich op het inventariseren van (technologische) branchegegevens en op de arbeidsmarkt van (technische) branches, alsmede het vertalen van deze gegevens naar beleidsuitgangspunten voor verdere (kennisoverdracht)activiteiten, en het (doen) ontwikkelen en uitbreiden van kennis in branches. Daarbij wordt gestreefd naar actieve samenwerking met partners in de kennisinfrastructuur. In haar onderzoek maakt MarktMonitor gebruik van diverse bronnen, waaronder een netwerk van deskundigen, technologie- en arbeidsmarktonderzoek onder bedrijven, registratiebestanden van fondsen, en onderzoek onder werknemers. Bij MarktMonitor werken onderzoekers, maar ook mensen met een technische achtergrond, zodat technologische ontwikkelingen en onderzoeksresultaten met elkaar in verband worden gebracht. Projectnummer O Publicatienummer 027 Copyright 2003, MarktMonitor Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
5 Voorwoord In opdracht van OLC doet MarktMonitor jaarlijks onderzoek naar trends en ontwikkelingen op het gebied van technologie en arbeidsmarkt binnen de installatiebranche. In dit rapport wordt verslag gedaan van het onderzoek naar de recente en de te verwachten ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in het beroepsonderwijs. De gegevens hebben betrekking op de periode en bevatten onder meer de verwachte regionale en landelijke tekorten en overschotten op de arbeidsmarkt, een beeld van de deelname en de verwachte uitstroom uit het beroepsonderwijs en een beeld van bedrijven en werknemers in de regio. Voor het arbeidsmarktbeleid heeft het OLC regionale commissies voor de installatietechniek [RCI s] ingericht om op regionaal niveau tot beleidsafstemming en activiteiten te komen. De rapportages van het marktmonitoronderzoek is daarbij ondersteunend. Daarom zijn de regionale onderzoeksrapporten in elk van de RCI s gepresenteerd. Deze presentaties zijn verzorgd door de heer J. Haas. In zijn presentaties heeft hij de onderzoeksresultaten gerelateerd aan het RCI-beleid, om te komen tot aanscherping van het huidige beleid, en te komen tot de formulering van nieuw beleid voor de toekomst. Ook de resultaten van deze discussiebijeenkomsten zijn in dit rapport verwerkt. Dr. M. Sprengers Oktober 2003 Arbeidsmarkt Installatietechniek
6
7 Inhoudsopgave Inleiding Databronnen Structuur installatiebranche Technologische ontwikkelingen Signaleren van nieuwe ontwikkelingen Penetratiegraadonderzoek Resultaten Aandachtspunten bij toepassing van nieuwe technieken Bedrijven Aantal bedrijven Bedrijfsomvang Technologische ontwikkelingen Producten en diensten Producten en diensten naar bedrijfsomvang Marktsegmenten Marktsegmenten naar bedrijfsomvang Werknemers Aantal personen en dienstverbanden Werknemers naar bedrijfsomvang Werknemers naar specialisatie en functieniveau Technologische ontwikkelingen Leerlingen Opzet scholenveld Leerlingen in opleiding naar specialisatie en niveau Verwachte uitstroom uit het onderwijs Leerbedrijven en erkenningen Mobiliteit in en uit de branche Definities Aantal unieke personen naar soort mobiliteit Mobiliteit naar bedrijfsomvang In- en uitstroomonderzoek Kenmerken van werknemers Leeftijd Sekse Etniciteit Woon/werk-afstand Omvang dienstverband Omvang dienstverband Omvang dienstverband naar leeftijd en sekse Omvang dienstverband naar etniciteit Overige effecten Arbeidsmarkt Installatietechniek
8 10 Lonen/salarisschalen Uurloon Uurloon naar leeftijd Uurloon naar sekse Uurloon naar etniciteit Uurloon naar omvang dienstverband Overige kenmerken Prognose arbeidsmarktontwikkelingen Macromodel Vraag naar arbeid installatietechniek (op macroniveau) Onvervulde vraag naar arbeid installatietechniek (op macroniveau) Verwachte tekorten en overschotten Scholing/kennisoverdracht Samenhang met technologische ontwikkelingen Scholingsconsumptie Activiteiten voor kennisoverdracht Arbeidsmarktontwikkelingen en kennisoverdracht Samenvatting en conclusies Algemeen Vervolgonderzoek Beleidsaanbevelingen De installatiebranche anno Relatie onderwijs-bedrijfsleven Mobiliteit Grijs voor Groen Verdere volwassenwording RCI Bijlagen A Technologische ontwikkelingen penetratriegraadonderzoek B Leerlingen in opleiding bij ROC s Arbeidsmarkt Installatietechniek
9 Inleiding In dit rapport worden de resultaten van de MarktMonitor Installatietechniek [MMi] 2003 gepresenteerd. Het MMi-onderzoek is een project van MarktMonitor, uitgevoerd in opdracht van de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Loodgieters-, Fitters en Centrale Verwarmingsbedrijf [OLC]. Het MMi-onderzoek geeft het fonds een hulpmiddel om in zijn arbeidsmarktbeleid in te spelen op ontwikkelingen in de installatietechniek en de arbeidsmarkt. Doelstelling Het arbeidsmarktbeleid is met name een zorg voor de regionale commissies die binnen hun eigen RCI 1 -gebied beleid formuleren. Daarnaast is het voor de spreiding van opleidingen en cursussen van belang de huidige en toekomstige vraag naar arbeid in de verschillende regio s te kennen. Door de voorspelling van de behoefte aan arbeid over drie jaar te vergelijken met de huidige instroom van leerlingen in het onderwijs kan beter richting gegeven worden aan wervingsactiviteiten, zowel geografisch gezien als naar specialisaties en functieniveaus. De arbeidsmarktgegevens op landelijk niveau worden gebruikt om beleidsbeslissingen te ondersteunen die het OLC en andere organisaties die zich met de installatiebranche bezighouden moeten maken. Het technologiebeleid is met name een zorg voor de Bestuurscommissie Technologie van MarktMonitor. Deze commissie is samengesteld uit partijen uit de branche. MarktMonitor faciliteert deze commissie met onderzoeksresultaten en infrastructuur. Binnen deze commissie wordt afstemming gepleegd op het gebied van planning van activiteiten in het traject kennisoverdracht voor de branche. Scholing is een belangrijk instrument voor arbeidsmarktbeleid. De basis van de gemeten scholingsbehoeften van bedrijven en vastgestelde belangrijke ontwikkelingen in de branche kunnen scholingstrajecten (regionaal) ingezet worden om problemen in de arbeidsmarkt op te lossen. Ook de spreiding van verschillende opleidingen kan zo op de vastgestelde behoefte aan geschoolde werknemers worden afgestemd. Onderzoeksopzet De volgende vragen worden in het MMi-onderzoek beantwoord: Welke ontwikkelingen zijn landelijk en regionaal te verwachten op de arbeidsmarkt? Welke ontwikkelingen op het gebied van technologie en regelgeving zijn de komende twee jaar van belang voor de installatietechniek? Welke factoren stimuleren en welke belemmeren innovatieve ontwikkelingen binnen de installatietechniek? Welke scholingsvragen hebben bedrijven binnen de installatietechniek? Het MMi-onderzoek is voor een deel gebaseerd op macro-economische gegevens, die gebruikt worden om ontwikkelingen in de vraag naar arbeid te voorspellen op een termijn van vijf jaar. Deze globale voorspellingen worden gepreciseerd in het MMivervolgonderzoek. Jaarlijks wordt bij een representatief deel van de installatiebedrijven gemeten hoe groot de uitbreidings- en vervangingsvraag naar arbeid op korte termijn is. Bovendien worden jaarlijks alle leerlingenstromen nauwgezet in beeld gebracht met de te verwachten instroom op de arbeidsmarkt uit het onderwijs. Daarnaast wordt bij een representatief deel van de installatiebedrijven onderzoek gedaan naar de mate waarin bedrijven technologische innovaties toepassen. In hoofdstuk 1 zullen de databronnen verder worden beschreven. 1 Regionale Commissie voor Installatietechniek, een platform voor werkgevers en werknemers onder regie van het OLC voor afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Nederland is verdeeld in 10 RCI-regio s. Arbeidsmarkt Installatietechniek
10 Het MMi-onderzoek wordt sinds 1995 uitgevoerd. Sindsdien zijn de resultaten van het onderzoek jaarlijks gepubliceerd. 2 Opbouw rapport In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek naar de landelijke en regionale ontwikkelingen op de arbeidsmarkt gegeven, alsmede een beschrijving van de werknemerspopulatie. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar kwantitatieve ontwikkelingen aantallen bedrijven/werknemers, uitbreidings- en vervangingsvraag maar ook naar kwalitatieve. Bij kwalitatieve ontwikkelingen gaat het om ontwikkelingen op het gebied van technologie, en de wijze waarop de branche (bedrijven en werknemers) daarmee te maken krijgen. Veranderingen van beroepen van werknemers en aanpassing van werkprocessen bij bedrijven om nieuwe producten en diensten in de bedrijfsvoering te integreren krijgen hierbij aandacht. Hierbij gaat het met name om de kennisbehoefte die technologische ontwikkelingen met zich meebrengt. Dit rapport verschijnt in elf versies, te weten één landelijke versie, en een versie voor elk van de tien regio s waarin Nederland beleidsmatig is opgedeeld. Voor u ligt de landelijke versie. De regionale versies zijn beschikbaar op De analyses hebben in de meeste gevallen betrekking op Afhankelijk van het onderwerp zal een ontwikkeling op langere termijn worden opgenomen. Bij de meeste verdelingen wordt gekeken naar de peildatum van 31 december In hoofdstuk 1 is een beschrijving opgenomen van de databronnen die bij de analyses voor dit rapport zijn gebruikt. Hierbij wordt eveneens verwezen naar gerelateerde rapportages. Dit rapport heeft betrekking op de installatiebranche. Voordat de resultaten van het onderzoek worden beschreven, wordt in hoofdstuk 2 de structuur van deze branche gepresenteerd. Deze structuur wordt in het vervolg van de rapport gehanteerd. Hoofdstuk 3 heeft betrekking op technologische ontwikkelingen. MarktMonitor doet continu onderzoek naar technologische trends en ontwikkelingen. In dit hoofdstuk worden de fasen van het onderzoek gepresenteerd, alsmede een deel van de resultaten. Elke drie maanden wordt bij een deel van het bedrijvenbestand onderzocht in hoeverre een aantal door een netwerk van deskundigen gesignaleerde ontwikkelingen worden toegepast in de installatiebranche. De resultaten van dit onderzoek worden verwerkt en vertaald naar beleidsvoorstellen. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van kenmerken van bedrijven (aantallen, bedrijfsomvang, producten en diensten, marktsegmenten). Eveneens wordt beschreven welke bedrijven met welke technologische ontwikkelingen te maken krijgen. Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de werknemers. Ook hier wordt naast aantallen en verdeling van werknemers over specialismen en niveaus beschreven welke werknemers het meest met welke technologische ontwikkelingen in aanraking komen. In hoofdstuk 6 is de aandacht gericht op leerlingen. De opzet van het scholenveld, het aantal leerlingen in opleiding naar specialisatie en niveau, de verwachte uitstroom uit het onderwijs, en het aantal leerbedrijven en erkenningen komen hierbij aan de orde. Leerlingen kunnen vanuit het onderwijs de branche instromen, maar een deel van de instroom in de branche komt van buiten het onderwijs (de zogenaamde zij-instroom). Daarnaast stromen er ook werknemers uit. In hoofdstuk 7 komen een aantal vragen aan de orde met betrekking tot mobiliteit in en uit de branche. Welke soorten werknemers worden in dit verband onderscheiden, hoeveel werknemers stromen de branche in dan wel uit, en bij welke bedrijven vindt mobiliteit plaats? 2 De rapportages met betrekking tot voorgaande jaren zijn beschikbaar op 3 In eerdere rapportages werd soms geen of een andere peildatum gehanteerd. Hierdoor kunnen cijfers die betrekking hebben op voorgaande jaren afwijken van eerder gepresenteerde getallen over dat jaar. Arbeidsmarkt Installatietechniek
11 In de hoofdstukken 8 tot en met 10 worden kenmerken van werknemers en hun dienstverband(en) beschreven. Het gaat hier onder meer om leeftijd, sekse, etniciteit, woonplaats, omvang dienstverband, en lonen/salarisschalen. De verschillen tussen werknemers worden hierbij verklaard middels multivariate analyse. In hoofdstuk 11 wordt een prognose gegeven van de arbeidsmarktontwikkelingen, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van de in de voorgaande hoofdstukken gepresenteerde cijfers. Hierbij komen de vraag naar arbeid, de onvervulde vraag naar arbeid, en de verwachte tekorten en overschotten aan de orde. Technologische ontwikkelingen brengen een kennisbehoefte met zich mee. Hoofdstuk 12 heeft betrekking op de scholingsconsumptie en overige activiteiten die worden ondernomen in het kader van kennisoverdracht. In hoofdstuk 13 worden arbeidsmarktontwikkelingen en scholing/kennisoverdracht met elkaar in verband gebracht. Hierbij komt de vraag aan de orde of de opzet van het scholenveld aansluit bij de ontwikkelingen die zich voordoen op de arbeidsmarkt. Sluit de opzet van het scholenveld aan bij de vraag naar arbeid? Hoofdstuk 14 betreft een samenvatting van het rapport en conclusies. In hoofdstuk 15 wordt ten slotte een vertaling van de onderzoeksresultaten naar beleidsaanbevelingen gemaakt. Indien een procentuele verdeling wordt gegeven kan het voorkomen dat de afzonderlijke percentages niet optellen tot 100% als gevolg van afrondingen. dr. M. Sprengers drs. W. van Ooij drs. R. Beilsma bc drs. W. van Putte drs. J. Haas (Haas & Lescaut) MarktMonitor Oktober 2003 Arbeidsmarkt Installatietechniek
12
13 1 Databronnen Bij de analyses die in dit rapport worden gepresenteerd is gebruik gemaakt van diverse databronnen. In dit hoofdstuk worden deze bronnen kort beschreven. Tevens wordt verwezen naar gerelateerde rapportages ( = rapportage, = beschikbaar op I. Arbeidsmarktonderzoek onder bedrijven Jaarlijks wordt bij een representatief deel van de installatiebedrijven gevraagd wat de huidige samenstelling van het personeel is, en gemeten hoe groot de uitbreidings- en vervangingsvraag is. Een en ander wordt gespecificeerd naar specialisme en functieniveau. Het betreft bedrijven die zijn aangesloten bij OLC of Stichting Koeltechnisch Onderwijs [SKO]. II. Technologieonderzoek onder bedrijven Doorlopend vindt bij installatiebedrijven onderzoek plaats naar de toepassing van nieuwe technologieën. Bedrijven wordt gevraagd of ze deze technologieën toepassen, hoe lang ze deze al toepassen, en of ze daarbij moeilijkheden ondervinden. Tevens geven de bedrijven aan welke beroepen en functies met de nieuwe technologieën te maken krijgen. Dit levert elk kwartaal een rapportage op met een ontwikkeling van de penetratiegraad van de verschillende technologieën. Daarnaast wordt jaarlijks uitgebreid verslag gedaan van het verloop van dit onderzoek. Het betreft bedrijven die zijn aangesloten bij OLC of SKO. Het technologieonderzoek zal in hoofdstuk 3 verder aan de orde komen. Trendrapportage III. Bedrijvenbestand OLC/SKO In dit bestand staan alle bedrijven geregistreerd die zijn aangesloten bij OLC of SKO. In het bedrijvenbestand staan de naam- en adresgegevens van bedrijven, alsmede het aantal scholingsverlofdagen dat zij toegekend hebben gekregen. 4 Dit bestand wordt geadministreerd door het pensioenfonds Mn Services. IV. Vestigingen grote bedrijven Er zijn in Nederland een aantal grote bedrijven die administratief in een plaats gevestigd zijn, maar vestigingen hebben verspreid over het land. Op basis van het bedrijvenbestand is niet te achterhalen hoeveel vestigingen deze grote bedrijven hebben, en waar deze gevestigd zijn. Daartoe is aanvullend onderzoek uitgevoerd onder bedrijven groter dan 150 werknemers. Schattingsmodel voor de verdeling van werknemers over vestigingen van grote bedrijven 4 Iedere werknemers in de installatiebranche draagt een bepaald percentage van zijn inkomen af aan het fonds, wat hem onder meer recht geeft op één scholingsverlofdag per jaar. De scholingsverlofdagen worden per jaar aan de werkgever toegekend op basis van het aantal personeelsleden dat op 1 januari van dat jaar in dienst is. Arbeidsmarkt Installatietechniek
14 V. Werknemersbestand OLC/SKO In dit bestand staan alle dienstverbanden van alle werknemers in de installatiebranche geregistreerd, met daarbij kenmerken van het dienstverband en kenmerken van de werknemer. Het gaat hier om werknemers in dienst van bedrijven aangesloten bij het OLC of het SKO. Zelfstandigen zonder personeel hebben geen werknemers in dienst, en zijn derhalve niet in het werknemersbestand opgenomen. Ter bescherming van de privacy zijn naam- en adresgegevens (met uitzondering van de cijfers van de postcode) uit het bestand verwijderd voorafgaand aan de analyses. Dit bestand wordt geadministreerd door het pensioenfonds Mn Services. Analyse werknemersbestand Mn services 2002 Tien jaar werknemers in de installatiebranche Tien jaar vrouwelijke werknemers in de installatiebranche Tien jaar allochtone werknemers in de installatiebranche Tien jaar jongere werknemers in de installatiebranche Tien jaar oudere werknemers in de installatiebranche Tien jaar bedrijven in de installatiebranche (verschijnt eind 2003) Tien jaar scholing in de installatiebranche (verschijnt eind 2003) VI. In- en uitstroomonderzoek onder werknemers In januari/februari 2003 is een onderzoek uitgevoerd naar mobiliteit van werknemers in en uit de installatiebranche, dit onder meer naar aanleiding van vragen uit de RCI s. De achtergrond van dit onderzoek wordt gevormd door de verwachting dat ondanks de enorme groei die de installatiebranche de afgelopen tien jaar heeft doorgemaakt er de komende jaren een tekort aan personeel zal (blijven) bestaan. Om een meer gerichte aanpak mogelijk te maken is aan werknemers die het afgelopen jaar in de branche zijn gaan werken, en werknemers die de branche het afgelopen jaar hebben verlaten gevraagd: waar kom je vandaan, of waar ben je naartoe gegaan, en vooral: waarom? Dit komt verder in 7.4 aan de orde. Mobiliteit van werknemers in en uit de installatiebranche VII. Coördinaten- en postcodetabel In deze tabel staat voor elke postcode een x- en y-coördinaat vermeld. Alle postcodes in één plaats hebben dezelfde x- en y-coördinaten. Deze tabel wordt gebruikt om afstanden tussen twee plaatsen te berekenen (bijvoorbeeld de afstand tussen de woonplaats van een werknemer en de plaats waar het bedrijf is gevestigd) en om kaartjes te maken met daarin de spreiding van werknemers/bedrijven over een bepaald gebied. VIII. Macro-economische gegevens Ten behoeve van het macromodel arbeidsmarkt waarmee een schatting wordt gemaakt van de verwachte ontwikkeling in de bouwinstallatietechniek wordt een aantal kengetallen van de bouwinstallatie verzameld bij het Centraal Bureau voor de Statistiek [CBS]. De gegevens hebben betrekking op productie en investeringen in de bouwinstallatietechniek, arbeidsreserve (landelijk en bouwspecifiek) en gezinsconsumptie. In 11.1 worden deze gegevens nader beschreven. IX. Leerlingenonderzoek bij scholen Jaarlijks worden alle leerlingenstromen nauwgezet in beeld gebracht. Van alle beroepsopleidingen in de installatietechniek worden de aantallen leerlingen per school geteld en geaggregeerd naar regionaal en landelijk niveau. Hieruit wordt ook de te verwachten uitstroom uit het onderwijs naar de arbeidsmarkt berekend. In hoofdstuk 6 wordt nader op deze gegevens ingegaan. Leerlingentellingen Beroepsonderwijs 2003 Arbeidsmarkt Installatietechniek
15 X. Subsidieadministratie OLC De subsidieadministratie van OLC voor uitkeringen en scholingsverlofdagen wordt gebruikt om de onderwijsconsumptie (mate waarin geschoold wordt) in beeld te brengen. In deze administratie staan alle uitgekeerde scholingsverlofdagen die bedrijven vergoed hebben gekregen op basis van de scholingsverlofregeling die OLC hanteert. XI. Erkenningen leerbedrijven LOB Intechnium 5 In deze administratie staat geregistreerd welke bedrijven over welke erkenningen beschikken. Een bedrijf dat een erkenning als leerbedrijf heeft is gerechtigd leerlingen in de praktijk op te leiden. Erkenningen worden per opleidingsvariant gegeven. Een bedrijf kan dus over meerdere erkenningen beschikken en per erkenning kunnen er meerdere leerlingen bij het bedrijf in dienst zijn. Dit komt verder in 6.4 aan de orde. 5 LOB Intechnium is in februari 2003 gefuseerd met LOB VEV en LOB SOM, en heet sindsdien KBB Kenteq. Het bestand waarop de analyses zijn uitgevoerd is aangeleverd door LOB Intechnium. Arbeidsmarkt Installatietechniek
16 2 Structuur installatiebranche De installatietechniek wordt gekenmerkt door verschillende specialismen. Zo worden bijvoorbeeld werkzaamheden onderscheiden op het gebied van huishoudelijke en sanitaire installaties en montage gas en verwarming, maar ook service en onderhoud, koudetechniek, luchtbehandeling, dakbedekkingtechniek, distributietechniek en ontwerpen en tekenen. Voor elk van deze specialismen zijn specifieke beroepsopleidingen op diverse niveaus beschikbaar. Ten behoeve van analyse van ontwikkelingen in de branche zijn specialismen en niveaus ondergebracht in een matrix van kolommen en rijen. Dit model van de branche wordt vervolgens gebruikt om waarnemingen zoals bijvoorbeeld aantal bedrijven, aantal werknemers, aantal leerlingen, maar ook verwachte tekorten en overschotten langs te ordenen. In dit hoofdstuk wordt de structuur van de installatiebranche beschreven. In de installatiebranche zijn de functies ingedeeld in zeven specialismen, en er kunnen zes niveaus worden onderscheiden. De specialismen zijn: A. koudetechniek en luchtbehandeling; B. montage gas en verwarming; C. service en onderhoud gas en verwarming; D. ontwerpen en tekenen; E. dakbedekkingtechniek; F. huishoudelijke en sanitaire installaties; G. distributietechniek. De H-categorie betreft geen specialisme, maar mensen die werkzaam zijn in algemene functies, zoals administratief medewerker, in- of verkoper, of controller. Er zijn zes opleidingsniveaus, te weten: 0. VMBO-niveau; 1. assistent; 2. basis beroepsbeoefenaar; 3. vakfunctionaris; 4. specialist of kaderfunctie; 5. HBO/WO-niveau. De niveaus 1 t/m 4 zijn de normale vier niveaus van het middelbaar beroepsonderwijs, gebaseerd op de Europese indeling. Niveau 5 bestaat in deze indeling niet, maar wij beschouwen alle onderwijs boven niveau 4 als niveau 5-onderwijs. Dit betreft dus MBO+, (post)hbo-, en WO-onderwijs. Bij de rapportage van leerlingen en werknemers sluiten we aan bij de indeling zoals die ontwikkeld is voor het in beeld brengen van het opleidingsaanbod voor de installatie-, koude- en distributietechniek. Dat betekent dat functies in de installatiebranche en onderwijs dat tot deze functies opleidt inhoudelijk worden ingedeeld in de bovengenoemde specialismen en niveaus. Arbeidsmarkt Installatietechniek
17 De wijze waarop functies zijn verdeeld over de specialismen en niveaus staat in tabel 2.1. Algemene functies zijn niet in de tabel weergegeven. tabel 2.1 Functies en onderwijs dat tot deze functies opleidt in de installatiebranche 6 Niveau A: Koudetechniek en luchtbehandeling B: Montage gas en verwarming C: Service en onderhoud gas en verwarming D: Ontwerpen en tekenen E: Dakbedekkingtechniek F: Huishoudelijke en sanitaire installaties G: Distributietechniek 5 (post)hbo-k (post)hbo-i/hit 4 MKk PMk ST (post)mbo-i MKi MIT 3 PLk SEMk VM SEMv SEMi OMv AOG APG DAKM IMd IMu IMw DMg DMw 2 MK AVM OMi TGI s ADAK AIMv AIMd ADMg ADMw 1 MASk MASv MASi MASd 0 VMBO De in de tabel genoemde afkortingen staan in tabel 2.2 verder omschreven. Alleen functies in de specialismen A t/m G en de niveaus 1 t/m 4 maken deel uit van de kwalificatiestructuur van de installatietechniek. Algemene functies, en functies op niveau 0 en 5 vallen dus buiten deze kwalificatiestructuur, en beschikken derhalve niet over een CREBO-code. Niveau 0 zal in deze rapportage verder buiten beschouwing worden gelaten. 6 Voor gearceerde cellen bestaat geen beroepsopleiding. Arbeidsmarkt Installatietechniek
18 tabel 2.2 Functies in de installatiebranche Niveau Afkorting Omschrijving CREBO-code 0 VMBO-niveau 1 MASd Montage-assistent distributietechniek MASi Montage-assistent installatietechniek MASk Montage-assistent koudetechniek MASv Montage-assistent verwarmingstechniek ADAK Assistent dakbedekkingsmonteur ADMg Assistent distributiemonteur gas ADMw Assistent distributiemonteur water AIMd Assistent installatiemonteur diff. dakbedekking AIMv Assistent installatiemonteur diff. verwarming AVM Assistent verwarmingsmonteur Mk Monteur koudetechniek OMi Onderhoudsmonteur installatietechniek TGI san/cv/vent Tekenaar gebouwinstallaties diff. cv en ventilatie TGI san Tekenaar gebouwinstallaties diff. sanitair TGI san/cv Tekenaar gebouwinstallaties diff. sanitair en cv AOG san/cv/ac Aankomend ontwerptechn. g.b.i. diff. san, cv/ac AOG san Aankomend ontwerptechn. g.b.i. diff. san APG san/cv/ac Aankomend projecttechn. g.b.i. diff. san, cv/ac APG san Aankomend projecttechn. g.b.i. diff. san DAKM Dakbedekkingsmonteur DMg Distributiemonteur gas DMw Distributiemonteur water IMd Installatiemonteur specialisatie dakbedekkingen IMu Installatiemonteur utiliteit IMw Installatiemonteur woningbouw OMv Onderhoudsmonteur verwarming PLk Projectleider koudetechniek SEMi Servicemonteur installatietechniek SEMk Servicemonteur koudetechniek SEMv Servicemonteur verwarming VM Verwarmingsmonteur MKi Middenkaderfunctionaris installatietechniek MKk Middenkaderfunctionaris koudetechniek PMk Projectmanager koudetechniek ST Servicetechnicus verwarmingstechniek HBO/WO-niveau Arbeidsmarkt Installatietechniek
19 3 Technologische ontwikkelingen MarktMonitor onderzoekt trends en ontwikkelingen op technologisch gebied en op de arbeidsmarkt. De activiteiten van MarktMonitor richten zich op het inventariseren van technologische branchegegevens en op de arbeidsmarkt voor de installatietechniek, het vertalen van deze gegevens naar beleidsuitgangspunten voor verdere (kennisoverdracht)activiteiten, alsmede het (doen) ontwikkelen en uitbreiden van kennis in de installatietechniek. Daarbij wordt gestreefd naar actieve samenwerking met partners in de kennisinfrastructuur. In dit kader doet MarktMonitor continu onderzoek naar trends en ontwikkelingen. Aan de hand van gesignaleerde trends en ontwikkelingen op technologiegebied wordt onderzoek gedaan naar de penetratiegraad ervan binnen de installatiebranche. Bij dit onderzoek vallen de volgende fasen te onderscheiden: Een netwerk van deskundigen uit de installatiebranche en daarbuiten (MMinetwerk technologie) informeert MarktMonitor over nieuwe ontwikkelingen die zij gesignaleerd hebben. De deskundigen in het MMi-netwerk zijn werkzaam bij grote installatiebedrijven, brancheorganisaties, ingenieursbureaus, producenten, importeurs, onderzoekscentra, en de overheid. Elke drie maanden wordt bij een deel van het bedrijvenbestand (installatiebedrijven, maar ook ontwerp- en ingenieursbureaus) onderzocht in hoeverre de ontwikkelingen die door het netwerk zijn gesignaleerd, in de bedrijven bekend zijn en toegepast worden. De mate van toepassing noemen we de penetratiegraad van een innovatie. De onderzoeksresultaten worden verwerkt en vertaald naar beleidsvoorstellen in het kader van kennisoverdracht (in de vorm van jaarplannen voor verschillende organisaties in de branche) en voor wat betreft de technologie- en scholingsbehoeften voorgelegd aan de Bestuurscommissie Technologie die haar bestuur hieromtrent adviseert. In dit hoofdstuk worden de fasen van het onderzoek gepresenteerd, alsmede een deel van de resultaten. In volgende hoofdstukken wordt beschreven welke bedrijven en welke werknemers het meest met welke technologische ontwikkelingen te maken krijgen, en hoe technologische ontwikkelingen enerzijds, en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en scholing/kennisoverdracht anderzijds met elkaar verband houden. 3.1 Signaleren van nieuwe ontwikkelingen Een belangrijk deel van de activiteiten van MarktMonitor bestaat uit de signalering van nieuwe ontwikkelingen. De signaleringsfunctie vindt plaats binnen meerdere organisaties. Alle vertegenwoordigers in de Bestuurscommissie Technologie kennen een eigen infrastructuur waarmee nieuwe ontwikkelingen kunnen worden gesignaleerd. Verder heeft MarktMonitor de signaleringsfunctie binnen het MMi-project vergaand geformaliseerd en een permanente status gegeven. De signalering van nieuwe ontwikkelingen die voor de installatietechniek van belang zijn of zouden kunnen worden, vindt plaats door het bevragen van een netwerk van deskundigen. Daarnaast vindt er gestructureerd overleg plaats om gesignaleerde ontwikkelingen uit te wisselen en te analyseren of een en ander voldoende is uitgewerkt. Innovatieve ontwikkelingen die door middel van het netwerk in beeld worden gebracht kunnen variëren van zeer abstract tot zeer concreet. Zij kunnen betrekking hebben op verspreiding en toepassing van zuiver technische of technologische innovaties. Maar ook kunnen zij betrekking hebben op adoptie van regelgeving, of ondernemingsstrategische of sociaal-economische ontwikkelingen. De signalen worden gegroepeerd rond een beperkt aantal thema's waarin relaties tussen onderwerpen worden gelegd en waar abstracte niveaus van signalering worden vertaald naar concrete verschijningsvormen, bijvoorbeeld naar producten, regelgeving, normering, organisatiestrategieën en werkmethoden. Na de signalering volgt de Arbeidsmarkt Installatietechniek
20 onderlinge weging van de verschillende thema's. Welke zaken zijn belangrijk voor de toekomst en welke zullen minder impact hebben? Weging en prioritering van thema's vindt plaats binnen de Bestuurscommissie Technologie. Na prioritering worden bepaalde thema's voorgelegd aan een deel van het netwerk. Dit deel wordt gevormd door een beperkt aantal mensen met een brede en toekomstgerichte visie. De scenario's kunnen daar verder uitgewerkt worden en de consequenties voor de branche kunnen worden ingeschat. Deze scenario's spelen een belangrijke rol in de programmeringdiscussie. 3.2 Penetratiegraadonderzoek Voor het onderzoek naar de stand van zaken aangaande technologieontwikkelingen en daarbij optredende knelpunten is een lijst met een veertigtal te bevragen ontwikkelingen opgesteld. 7 Deze vragenlijst wordt voorgelegd aan installatiebedrijven en ontwerp- en adviesbureaus. De lijst is gebaseerd op de signalen die ondermeer vanuit het deskundigennetwerk ontvangen zijn en worden gerangschikt op basis van zogenaamde trendclusters zoals die door de Bestuurscommissie Technologie zijn vastgesteld. Op basis van een eerste inventarisatie en prioritering zijn een viertal trends geselecteerd op basis waarvan de gesignaleerde ontwikkelingen worden gegroepeerd, te weten: Integratie van applicaties binnen geautomatiseerde systemen Hogere eisen aan kwaliteit van het binnenklimaat Duurzaam bouwen Installatie-uitvoering en systeemkeuze In het penetratiegraadonderzoek wordt de toepassingsgraad per ontwikkeling gemeten, en het verloop van de toepassingsgraad over de afgelopen jaren wordt in beeld gebracht. Aansluitend wordt per ontwikkeling de samenhang met andere ontwikkelingen binnen een trend nagegaan. Naast het feit dat de bevraagde ontwikkelingen als onderdeel binnen een trendcluster zijn te rangschikken kunnen de bevraagde ontwikkelingen tevens gerangschikt worden binnen de specialismen en functieniveaus in de installatiebranche. Dit geeft de mogelijkheid om te bekijken in welke mate bepaalde functies binnen de installatietechniek in meer dan wel mindere mate aan verandering onderhevig zijn. 3.3 Resultaten Vanuit het onderzoek en de enquête van 2002 zijn als belangrijkste signalen naar voren gekomen: Integratie in de bouw. Niet alleen tussen de werktuigbouwkundig en elektrotechnisch installateur vindt integratie plaats. Maar ook met de bouwkundig aannemer moet steeds intensiever worden samengewerkt. Dit heeft grote invloed op de werkprocessen en inhoud van het installatiebedrijf. De penetratiegraad van duurzame installaties heeft niet het gewenste niveau. Knelpunten zijn duidelijk in beeld gebracht. Hoge prijzen, onbekendheid met de producten zijn voorbeelden. interessant is om te kijken wat de voorgenomen wijzigingen in de subsidieverstrekking voor duurzame energie voor gevolgen hebben. De vraag hierbij is of de installatiebedrijven die op dit moment een voortrekkersrol vervullen zullen afhaken? Aspecten die aandacht behoeven in de ontwikkelingen op langere termijn zijn de potentie van luchtverwarming en bodemopslag in duurzame LTV-installaties. Er is toenemende aandacht voor het inregelen van cv-installaties. Dit wordt teruggevonden in nieuwe producten (bijvoorbeeld de zelfregelende radiatorafsluiters van Comap en Siemens), verscheidene publicaties in vakbladen, maar ook door het aanbod aan opleidingen op dit gebied. Is het belang van een goede inregeling bij de installatiebedrijven bekend? En is de installateur in staat deze meerwaarde van een installatie te verkopen? 7 Zie bijlage A voor een overzicht van technologische ontwikkelingen die in het penetratiegraadonderzoek worden bevraagd. Arbeidsmarkt Installatietechniek
21 Als we de resultaten uit het penetratiegraadonderzoek in z'n geheel beschouwen dan vallen er een aantal dingen op. In de eerste plaats valt er over de hele linie een stagnatie waar te nemen in de groei van toepassingen van technologisch ontwikkelingen. In verdere rapportages is het zeker van belang in de gaten te houden of de stagnatie hierdoor wordt veroorzaakt. Verder wordt duidelijk dat de gesignaleerde stijging in toepassing van nieuwe technieken bij de bedrijven met een omvang van tussen de 11 en 50 werknemers het grootste is. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de grote bedrijven met meer dan 50 werknemers op een aantal fronten al een redelijk hoog toepassingsniveau hebben bereikt en er derhalve sprake zal zijn van een verminderde stijging. Daarnaast moeten we constateren dat de echte kleine bedrijven met 5 of minder medewerkers steeds minder goed mee kunnen komen met de ontwikkelingen. Tenslotte zien we dat een voor de branche belangrijke trend als Duurzaam duidelijk achter blijft bij de verwachtingen. Gezien de impact van deze trend binnen de gehele bouwkolom alsook de daar onder genoemde ontwikkelingen mag deze situatie zonder meer als zorgelijk worden gekwalificeerd. Nadere afstemming tussen partijen om tot een plan van aanpak te komen om deze stagnatie om te zetten in een stijgende lijn, lijkt wenselijk zo niet noodzakelijk. 3.4 Aandachtspunten bij toepassing van nieuwe technieken Introductie van nieuwe technieken brengt een kennisbehoefte met zich mee. Op verschillende niveaus dienen vernieuwingen in de ontwerpfase, de uitvoering, en het beheer te worden geïntegreerd. Uit onderzoek blijkt dat over het algemeen de informatie- en kennisbehoefte toeneemt naarmate bedrijven vaker geconfronteerd worden met nieuwe ontwikkelingen of naarmate ze vaker worden toegepast. Bij de introductie van nieuwe technieken, materialen en/of (ontwerp)inzichten dient ermee rekening te worden gehouden dat bedrijven over het algemeen eerst in de praktijk kennis maken met nieuwe ontwikkelingen voordat er een behoefte van enige omvang aan achtergrondkennis over mogelijkheden en toepassing van enige omvang ontstaat. Naast een behoefte aan meer kennis voor de toepassing van nieuwe technieken wordt over het algemeen door bedrijven vaak gewezen naar gebrek aan vraag op de markt voor toepassing van nieuwe technieken. Met name op het gebied van ontwikkelingen met betrekking tot duurzaam bouwen lijkt de installateur/adviseur een afwachtende houding in te nemen en wordt relatief vaak verwezen naar gebrek aan vraag. Gebrek aan vraag op een markt kan verschillende oorzaken hebben. Het probleem kan bij de vrager liggen, maar ook bij de aanbieders. Vragers op de markt maken veelal een kosten/baten afweging op basis van wensen die zij willen realiseren en de kennis die zij hebben. Er ligt natuurlijk een taak voor de installateur/adviseur om duidelijk te maken hoe nieuwe technieken en materialen optimaal kunnen worden ingezet bij het realiseren van de wensen van de vraagkant. Voldoende informatie over de mogelijkheden en inzicht in de voordelen van het toepassen van nieuwe technieken is daarbij een noodzakelijke voorwaarde om klanten te kunnen overtuigen om te kiezen voor de toepassing van deze nieuwe technieken. Arbeidsmarkt Installatietechniek
22
23 4 Bedrijven Er zijn in Nederland een aantal grote bedrijven die administratief in een plaats gevestigd zijn, maar vestigingen hebben verspreid over het land. Op basis van het bedrijvenbestand is niet te achterhalen hoeveel vestigingen deze grote bedrijven hebben, en waar deze gevestigd zijn. Daartoe is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Vestigingen van grote bedrijven worden in dit rapport gezien als afzonderlijke bedrijven. 4.1 Aantal bedrijven Bij bedrijven kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende rechtsvormen. Op basis van een analyse van bedrijfsnamen komen we tot de volgende verdeling. tabel 4.1 Rechtsvormen van bedrijven, landelijk, op peildatum in 2002 Rechtsvorm Aantal Percentage Onbekend ,2% Besloten Vennootschap [BV] ,0% Commanditaire Vennootschap [CV] 13 0,3% Vennootschap onder Firma [VOF] ,5% Totaal ,0% In dit kader nemen zelfstandigen zonder personeel een bijzondere positie in. Omdat deze zelfstandigen geen personeel in dienst hebben, zijn zij als bedrijf niet verplicht zich aan te melden bij het pensioenfonds Mn services. Een aantal zelfstandigen zonder personeel is vrijwillig aangemeld bij het pensioenfonds, bijvoorbeeld omdat zij herhaaldelijk voor bepaalde tijd een of meerdere werknemers in dienst hebben. In tabel 4.2 staat het aantal bedrijven naar regio en opleidingsfonds, uitgesplitst naar bedrijven zonder en bedrijven mét personeel in dienst. In de laatste kolom staat het totaal aantal bedrijven per regio. Van een aantal bedrijven is onbekend in welke regio zij zijn gevestigd. Deze bedrijven staan in de rij onbekend. tabel 4.2 Aantal bedrijven naar regio en opleidingsfonds, uitgesplitst naar bedrijven zonder en bedrijven mét personeel in dienst op peildatum 2002 OLC SKO Zonder Met Zonder Met RCI personeel personeel personeel personeel Totaal 1 Noord-Nederland Overijssel Gelderland Noord-Holland/Flevoland Utrecht Haaglanden Rijnmond Zuid-West Nederland Midden- en Oost-Brabant Limburg Onbekend Totaal In totaal zijn er 4676 bedrijven op de peildatum van 31 december Hiervan zijn 4388 bedrijven (93,8%) aangesloten bij het OLC, en 288 bedrijven (6,2%) bij het SKO. Het betreft 343 bedrijven (7,3%) zonder, en 4333 bedrijven (92,7%) mét personeel in dienst. Arbeidsmarkt Installatietechniek
24 4.2 Bedrijfsomvang In tabel 4.3 staat het aantal bedrijven naar omvang. De bedrijfsomvang is bepaald aan de hand van het aantal werknemers dat op de peildatum bij het bedrijf in dienst was. tabel 4.3 Aantal bedrijven naar omvang op peildatum in 2002 Aantal Percentage 0 werknemers 343 7,3% 1 t/m 5 werknemers ,7% 6 t/m 15 werknemers ,5% 16 t/m 50 werknemers ,8% 51 t/m 100 werknemers 164 3,5% 101 werknemers of meer 99 2,1% Totaal ,0% Uit de tabel kunnen we concluderen dat landelijk het grootste deel van de bedrijven in de installatiebranche (46%) bestaat uit bedrijven met 1 t/m 5 werknemers. 4.3 Technologische ontwikkelingen Welke bedrijven krijgen met welke technologische ontwikkelingen te maken? In algemene zin kan worden opgemerkt dat bedrijven met meer dan 50 werknemers beduidend beter in staat blijken om technologieontwikkelingen op te pakken en binnen de bedrijfsvoering een plek te geven. Naast het feit dat deze bedrijven er sneller bij zijn, is hier de stijging van de penetratiegraad over de jaren ook groter dan bij de kleinere en zeker de allerkleinste bedrijven (1 t/m 5 werknemers). Dat neemt niet weg dat bij de kleinere bedrijven wel degelijk sprake is van een toename van de penetratiegraad. Met name de bedrijven met een grootte tussen de 20 en 50 werknemers kennen de grootste toename als het gaat om de penetratiegraad van nieuwe ontwikkelingen. Bij de grotere bedrijven lijkt deze juist de laatste paar jaar af te vlakken dan wel te stagneren. Dat zou kunnen betekenen dat de grotere bedrijven op een soort verzadigingsniveau zijn aangekomen en/of dat zij nieuwe ontwikkelingen in voldoende mate binnen hun bedrijfsvoering hebben geïmplementeerd om hun positie op de markt te kunnen handhaven. Toch is er een duidelijke kloof tussen de grotere en kleinere bedrijven waardoor de innovatiekracht van de bedrijfstak in grote mate wordt beïnvloed. Het doorbreken van deze kloof kan een duidelijke verbetering van deze innovatiekracht bewerkstelligen. 4.4 Producten en diensten Aan de bedrijven is gevraagd welke producten en diensten zij aanbieden, en welk deel deze producten en diensten uitmaken van hun totale pakket. De volgende categorieën zijn daarbij onderscheiden: Koudetechniek en luchtbehandeling; Montage gas en verwarming; Service en onderhoud gas en verwarming; Ontwerpen, tekenen en advies; Dakbedekking; Huishoudelijke en sanitaire installaties; Distributie (Nutssector); Elektrotechnische installaties; Anders. In figuur 4.1 staat de verdeling van producten en diensten van bedrijven. Een percentage van 1% betekent dat het producten- en dienstenpakket van een gemiddeld bedrijf voor 1% bestaat uit werkzaamheden op dit gebied. De taartgrafiek begint bovenaan. Het product of de dienst die in de legenda als eerste wordt genoemd vormt de eerste taartpunt van de grafiek. Daarna volgen de overige producten en diensten met de klok mee. Arbeidsmarkt Installatietechniek
25 koudetechniek montage gas cv service gas cv ontwerpen dak huish inst distributie electro anders Bron: MarktMonitor Installatietechniek, 2002 Product/dienst Percentage Koudetechniek en luchtbehandeling 12% Montage gas en verwarming 29% Service en onderhoud gas en verwarming 16% Ontwerpen, tekenen en advies 1% Dakbedekking 11% Huishoudelijke en sanitaire installaties 23% Distributie (Nutssector) 0% Elektrotechnische installaties 6% Anders 2% figuur 4.1 Verdeling van producten en diensten van bedrijven in 2002 De figuur laat zien dat het producten- en dienstenpakket van een gemiddeld bedrijf voor 29% bestaat uit werkzaamheden op het gebied van montage van gas- en verwarmingsinstallaties. Ook werkzaamheden op het gebied van huishoudelijke en sanitaire installaties maken met 23% een groot deel van het producten- en dienstenpakket uit. 4.5 Producten en diensten naar bedrijfsomvang In tabel 4.4 staan de producten en diensten naar bedrijfsgrootte. tabel 4.4 Producten en diensten naar bedrijfsgrootte in t/m 5 werknemers 6 t/m 15 werknemers 16 t/m 50 werknemers 51 werknemers of meer Koudetechniek en luchtbeh. 9% 12% 14% 19% Montage gas en verw. 30% 27% 29% 24% Service/ ond. gas en verw. 20% 12% 15% 19% Ontwerpen, tekenen, advies 0% 1% 2% 4% Dakbedekking 10% 13% 9% 3% Huish. san. installaties 24% 23% 20% 17% Distributie 0% 0% 0% 0% Elektrotechnische inst. 3% 6% 7% 13% Anders 3% 2% 1% 1% Totaal 100% 100% 100% 100% Arbeidsmarkt Installatietechniek
26 Uit de tabel blijkt, dat met een toenemende bedrijfsgrootte meer omzet wordt gehaald uit koudetechniek en luchtbehandeling, ontwerpen en tekenen, en elektrotechnische installaties. Het aandeel montage gas en verwarming, dakbedekking en huishoudelijke en sanitaire installaties neemt af bij een toenemende bedrijfsgrootte. Met uitzondering van de kleine bedrijven neemt het aandeel van service en onderhoud gas en verwarming ook toe. 4.6 Marktsegmenten In het onderzoek onder bedrijven is gevraagd op welke segmenten van de markt bedrijven actief zijn. Hierbij zijn de volgende categorieën onderscheiden: Consumenten-/burgerwerk: o Renovatie; o Nieuwbouw; o Onderhoud; Projectmatig werk: o Nieuwbouw van woningen; o Onderhoud van woningen; o Nieuwbouw utiliteit; o Onderhoud utiliteit; o Instellingen voor gezondheidszorg; o Distributie/industrie; o Scheepsbouw; Overige afnemers. In figuur 4.2 staat de verdeling van marktsegmenten. Een percentage van 1% betekent dat een gemiddeld bedrijf voor 1% actief is op dit marktsegment. De taartgrafiek begint bovenaan. Het marktsegment dat in de legenda als eerste wordt genoemd vormt de eerste taartpunt van de grafiek. Daarna volgen de overige marktsegmenten met de klok mee. Aangezien er in 2002 twee versies van de vragenlijst in omloop zijn geweest is het burgerwerk niet overal onderverdeeld. Daarom geven wij het burgerwerk allereerst geaggregeerd, en vervolgens ook onderverdeeld voor de bedrijven waar dat is bevraagd. Arbeidsmarkt Installatietechniek
27 burgerwerk nieuwb woningen ond woningen nieuwb utiliteit ond utiliteit overig Bron: MarktMonitor Installatietechniek, 2002 Marktsegment Percentage Consumenten-/burgerwerk 39% Nieuwbouw woningen 12% Onderhoud woningen 12% Nieuwbouw utiliteit 19% Onderhoud utiliteit 11% Overig 8% cons/burg: renovatie cons/burg: nieuwbouw cons/burg: onderhoud Bron: MarktMonitor Installatietechniek, 2002 figuur 4.2 Verdeling van marktsegmenten van bedrijven in 2002 De figuur laat zien dat de activiteiten van een gemiddeld bedrijf voor 39% de consumentenmarkt bestrijken. Voor het grootste deel betreft het hier onderhoud en renovatie, en voor een kleiner deel nieuwbouw. Het projectmatig werk maakt 53% uit van de totale markt. Hier betreft het grotendeels nieuwbouw van utiliteit en verder, gelijkelijk verdeeld, nieuwbouw en onderhoud van woningen en onderhoud van utiliteit. Activiteiten op het gebied van distributie, scheepsbouw, instellingen voor gezondheidszorg en overige activiteiten maken 8% uit van de totale markt van een gemiddeld bedrijf. Arbeidsmarkt Installatietechniek
28 Het is niet zo dat alle bedrijven op alle marktsegmenten actief zijn. Uit nadere analyse blijkt dat bedrijven die zich richten op de consumentenmarkt veelal niet actief zijn op het gebied van projectmatig werk, in het bijzonder utiliteit. Andersom is dit eveneens het geval. 4.7 Marktsegmenten naar bedrijfsomvang In figuur 4.3 en tabel 4.5 staan de marktsegmenten naar bedrijfsgrootte. Het eerdere onderscheid tussen renovatie, nieuwbouw, en onderhoud bij consumenten/burgerwerk enerzijds en projectmatig werk anderzijds wordt hierbij niet langer gemaakt. 1 5 wn 6 15 wn burger project overig wn >50 wn Bron: Markmonitor Installatietechniek, 2002 figuur 4.3 Marktsegmenten naar bedrijfsgrootte in 2002 tabel 4.5 Marktsegmenten naar bedrijfsgrootte in t/m 5 werknemers 6 t/m 15 werknemers 16 t/m 50 werknemers 51 werknemers of meer Consumenten-/burgerwerk 67% 39% 24% 11% Projectmatig werk 29% 54% 65% 72% Overig 3% 8% 10% 17% Totaal 100% 100% 100% 100% Uit de figuren en de tabel blijkt het vooral kleinere bedrijven zijn die zich op de consumentenmarkt richten. Voor bedrijven van 1 t/m 5 werknemers maakt consumentenwerk 67% uit van de totale markt, terwijl dit voor bedrijven van 51 werknemers of meer slechts 11% is. Grotere bedrijven zijn veel meer actief op het gebied van projectmatig werk (72% ten opzichte van 29% bij bedrijven van 1 t/m 5 werknemers). Arbeidsmarkt Installatietechniek
29 5 Werknemers 5.1 Aantal personen en dienstverbanden Indien we het aantal werknemers in het werknemersbestand bepalen is dit aantal lager dan het werkelijk aantal werkzame personen in de branche, omdat de zelfstandigen zonder personeel én ondernemers die niet in dienst zijn van het bedrijf niet in het werknemersbestand staan geregistreerd. Daarom dient een correctie te worden uitgevoerd op het aantal werknemers dat op basis van het werknemersbestand wordt bepaald. Zoals gezegd kan bij bedrijven onderscheid gemaakt worden tussen verschillende rechtsvormen [zie eerder 4.1]. Al eerder is het onderscheid gemaakt tussen bedrijven zonder, en bedrijven mét personeel in dienst. Bij bedrijven zonder personeel in dienst is één persoon werkzaam; dit is de zelfstandige ondernemer. Bij bedrijven mét personeel in dienst kan nog onderscheid worden gemaakt tussen bedrijven waar de ondernemer wel, en bedrijven waar de ondernemer niet in dienst is van zijn eigen bedrijf. In het geval dat de ondernemer niet in dienst is van zijn eigen bedrijf, staat hij niet geregistreerd in het werknemersbestand. Uit onderzoek blijkt dat bij bedrijven tot gemiddeld 12 werknemers de ondernemer niet in dienst is van het bedrijf. Om hiervoor te corrigeren tellen we voor elk van deze bedrijven één persoon bij het aantal werkzame personen op. Hetzelfde geldt voor het aantal zelfstandigen zonder personeel. In tabel 5.1 staat het aantal werkzame personen tussen 1992 en tabel 5.1 Aantal werkzame personen op peildatum tussen 1992 en 2002 Zelfstandigen zonder personeel Ondernemers bedrijven <12 werknemers Totaal aantal werkzame personen Toename/afname t.o.v. vorig jaar Aantal werknemers ,2% ,8% ,8% ,6% ,7% ,1% ,0% ,8% ,5% ,8% Uit de tabel kunnen we concluderen dat het aantal werkzame personen in de branche elk jaar is toegenomen, en sinds 1992 is dit in totaal met ruim 45% gestegen. Tot en met 2001 zien we dat de jaarlijkse stijging steeds kleiner wordt. Steeg het aantal werkzame personen in 1993 nog met 8,2% ten opzichte van 1992, in 2001 is de stijging ten opzichte van 2000 slechts 1,5%. We zien dus een afvlakking in de toename van het aantal werkzame personen in de installatietechniek. In 2002 is de toename met 2,8% daarentegen weer groter dan in het voorgaande jaar. Het is nog te vroeg om te zeggen of hier sprake is van een opwaartse trend. Een persoon kan op een moment meerdere dienstverbanden hebben, bijvoorbeeld omdat hij twee banen heeft bij twee verschillende werkgevers. Op de peildatum in 2002 waren unieke personen in de branche werkzaam. Deze personen hadden in totaal dienstverbanden. Bij de verdelingen met betrekking tot werknemers worden in dit rapport verdelingen van dienstverbanden gegeven, en niet van unieke personen. Dat betekent dat een unieke persoon met meerdere dienstverbanden in deze rapportage wordt beschouwd als meerdere werknemers. Wat betreft de zelfstandigen zonder personeel en de ondernemers van bedrijven met minder dan 12 werk- Arbeidsmarkt Installatietechniek
30 nemers is het niet duidelijk of het gaat om unieke personen, omdat wij niet beschikken over kenmerken van deze personen (bijvoorbeeld naam, geboortedatum). Vóór 1994 werden dienstverbanden van werknemers tot 25 jaar niet geregistreerd. Omdat werknemers tot 25 jaar nog geen pensioen opbouwen, was er voor het pensioenfonds geen reden om de dienstverbanden van deze werknemers te registreren. Vanaf 1994 worden deze dienstverbanden wel geregistreerd. 5.2 Werknemers naar bedrijfsomvang Landelijk is de gemiddelde bedrijfsomvang (gemeten aan de hand van het aantal werknemers op de peildatum) 14,5 werknemers. In 2001 was de gemiddelde bedrijfsomvang nog 14,2 werknemers. De bedrijfsomvang varieert in 2002 van 0 tot 465 werknemers. 8 In tabel 5.2 staat het landelijk aantal werknemers naar bedrijfsomvang. tabel 5.2 Aantal werknemers naar bedrijfsomvang op peildatum in 2002 Werknemers Bedrijven Aantal Percentage Aantal Percentage 0 werknemers 343 0,5% 343 7,3% 1 t/m 5 werknemers ,9% ,7% 6 t/m 15 werknemers ,8% ,5% 16 t/m 50 werknemers ,6% ,8% 51 t/m 100 werknemers ,4% 164 3,5% 101 werknemers of meer ,8% 99 2,1% Totaal ,0% ,0% Voorbeeld (2 e rij): 7376 werknemers zijn werkzaam bij een bedrijf met 1 t/m 5 werknemers. Deze 7376 werknemers zijn werkzaam bij 2137 bedrijven. Uit de tabel kunnen we concluderen dat de meeste werknemers (28%) in dienst zijn bij een bedrijf met 16 t/m 50 werknemers. Zoals eerder gezegd bestaat het grootste deel van de bedrijven (46%) in de installatiebranche uit bedrijven met 1 t/m 5 werknemers [zie 4.2]. Deze bedrijven hebben slechts 11% van het totaal aantal werknemers in dienst. 5.3 Werknemers naar specialisatie en functieniveau In tabel 5.3 staat de verdeling van werknemers naar specialisatie en niveau. Op enkele plekken passen de functieniveaus niet goed bij de gehanteerde indeling. Dit geldt in het bijzonder voor functies op niveau 1, en voor de hogere en leidinggevende beroepen op de niveaus 4 en 5. Deze laten zich op basis van rapportages van bedrijven moeilijk indelen. Veel bedrijven rapporteren niet over werknemers op niveau 1 (montage-assistenten: MASk/i/d/v). Het is niet waarschijnlijk dat er strikt genomen geen niveau 1-functionarissen zouden zijn, maar kennelijk vindt er via de functiebenaming een opwaardering plaats naar niveau 2. Gegeven de verdeling van werknemers op de niveaus 1, 2 en 3 is het aannemelijk dat iets soortgelijks in mindere mate tussen de niveaus 2 en 3 plaatsvindt. Verder is het lastig om functies zoals leidinggevend monteur onder te brengen, evenals de eigenaars, het technisch kader, en vestigings- en bedrijfsleiders. Deze zijn naar verhouding van het totaal aantal werknemers over de kolommen verdeeld. De in de tabel vermelde percentages betreffen celpercentages, dat wil zeggen: het aantal werknemers in de cel ten opzichte van het totaal aantal werknemers. Omdat naast de cellen ook de kolom- en rijtotalen op deze wijze worden gepercenteerd tellen de afzonderlijke percentages niet op tot 100%. 8 Vestigingen van grote bedrijven worden in dit rapport gezien als afzonderlijke bedrijven [zie eerder hoofdstuk 4]. Arbeidsmarkt Installatietechniek
31 tabel 5.3 Verdeling van werknemers naar specialisatie en niveau (aantal, celpercentage) Niveau A: Koudetechniek en luchtbehandeling B: Montage gas en verwarming C: Service en onderhoud gas en verwarming D: Ontwerpen en tekenen E: Dakbedekkingtechniek F: Huishoudelijke en sanitaire installaties G: Distributietechniek 9 Totaal ,4% 372 0,5% ,0% ,5% 194 0,3% ,7% ,5% ,1% ,5% ,2% ,0% ,5% 723 1,0% ,3% ,4% ,5% 378 0,5% ,7% 932 1,3% ,2% ,3% ,6% 0 0,0% ,4% 220 0,3% 299 0,4% ,0% ,4% 152 0,2% ,3% ,1% ,3% ,0% ,0% 699 1,0% ,4% 180 0,3% ,4% ,2% 758 1,1% 0 0,0% ,0% ,8% ,2% ,8% ,2% ,0% ,0% Uit de tabel kunnen we concluderen dat 81,0% van de werknemers op niveau 1, 2 of 3 werkzaam is. Slechts 6,8% van de werknemers is werkzaam in een functie op niveau 5. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat er wellicht sprake is van een opwaardering van het niveau aan de hand van de functiebenaming. Werknemers die werkzaam zijn in een functie in de specialisatie huishoudelijke en sanitaire installaties vormen met ruim 35% de grootste categorie. Daarna volgen montage gas en verwarming, service en onderhoud gas en verwarming en ontwerpen en tekenen. 5.4 Technologische ontwikkelingen Technologische veranderingen hebben consequenties voor werknemers. Niet alle werknemers krijgen echter evenveel met vernieuwing te maken. De mate waarin werknemers met ontwikkelingen te maken krijgen verschilt sterk naar het specialisatie en het functieniveau waarop zij werkzaam zijn. Om na te gaan welke werknemers te maken krijgen met vernieuwingen, is aan alle bedrijven die nieuwe ontwikkelingen toepassen gevraagd per ontwikkeling aan te geven welke werknemers daarmee in hun beroepsuitoefening te maken krijgen. Op basis van de systematiek van de matrix van specialisaties en niveaus zijn deze gegevens samengenomen. De resultaten hiervan geven inzicht in de mate waarin beroepen en functies aan verandering onderhevig zijn. 9 Werknemers die werkzaam zijn in een functie in de specialisatie distributietechniek staan niet geregistreerd in het werknemersbestand. Deze werknemers worden daarom verder buiten beschouwing gelaten. Het totaal aantal werknemers wijkt daarom af van het elders in het rapport genoemde cijfer. Ook zijn distrubutiebedrijven niet opgenomen in het Arbeidsmarkt- en Technologieonderzoek onder bedrijven [zie 1, I en II]. Dat verklaart waarom distributietechniek geen deel uitmaakt van het producten- en dienstenpakket van onderzochte bedrijven [zie 4.4], maar er toch werknemers in deze specialisatie werkzaam zijn. Arbeidsmarkt Installatietechniek
32 5 4 3 Niveau 2 1 A B C D E F G H Specialisme figuur 5.1 De mate waarin werknemers te maken krijgen met technologische ontwikkelingen naar specialisatie en functieniveau De specialismen zijn: A. koudetechniek en luchtbehandeling; B. montage gas en verwarming; C. service en onderhoud gas en verwarming; D. ontwerpen en tekenen; E. dakbedekkingtechniek; F. huishoudelijke en sanitaire installaties; G. distributietechniek. De H-categorie betreft mensen die werkzaam zijn in algemene functies (H), zoals administratief medewerker, in- of verkoper, of controller. Er zijn vijf opleidingsniveaus, te weten: 1. assistent; 2. basis beroepsbeoefenaar; 3. vakfunctionaris; 4. specialist of kaderfunctie; 5. functies op HBO/WO-niveau. Donkerder gearceerde vlakken geven aan dat werknemers meer frequent met nieuwe ontwikkelingen te maken krijgen. Als een vak licht gearceerd is betekent dit overigens niet dat er helemaal geen ontwikkelingen zijn. Uit figuur 5.1 blijkt dat vooral werknemers op de niveaus 3 en hoger te maken krijgen met technologische vernieuwingen. Daarbij zijn het vooral de werknemers in de specialismen ontwerpen en tekenen, huishoudelijke en sanitaire installaties, en in iets minder mate service en onderhoud gas en verwarming en montage gas en verwarming. In de categorie `algemene functies zijn het vooral de hoogst opgeleiden die met vernieuwing te maken krijgen. Ten opzichte van vorig jaar is er sprake van een toename van werknemers in beroepen en functies die te maken krijgen met technologische vernieuwingen. Met name functies in kolom F op niveau 3 krijgen meer te maken met vernieuwingen, en in iets mindere mate op niveau 4. Ten opzichte van vorig jaar hebben ook werknemers in de kolom service en onderhoud op niveau 3 wat meer te maken met nieuwe ontwikkelingen. Voor de branche is het zaak te zorgen dat het onderwijsaanbod voor de bijscholing dat hoort bij de vernieuwingen aansluit bij de functionarissen die ermee te maken krijgen. Op langere termijn is het goed om de beroepsprofielen inhoudelijk te toetsen op de werkzaamheden die de beroepsbeoefenaren worden geacht uit te voeren bij de bedrijven. Zorgen dat beroepsopleidingen goed aansluiten bij de beroepsuitoefening is van primair belang om te zorgen voor goed opgeleid personeel in de toekomst. Arbeidsmarkt Installatietechniek
33 6 Leerlingen 6.1 Opzet scholenveld Het voorbereidend beroepsonderwijs wordt verzorgd door een zestigtal VMBO-scholen die opleidingen verzorgen in de installatietechniek, al dan niet gecombineerd met elektrotechniek en/of bouw. Een leerling die het VMBO in één van de voornoemde richtingen met goed gevolg heeft afgerond heeft toegang tot niveau 2 van het middelbaar beroepsonderwijs. De middelbare beroepsopleidingen voor de installatietechniek worden verzorgd door een veertigtal ROC s verspreid over Nederland. De meeste middelbare beroepsopleidingen kunnen in verschillende uitvoeringsvarianten worden gevolgd; de bekende zijn de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) en de beroepsopleidende leerweg (BOL). Voor een beroepsopleiding in de BBL is de leerling aangewezen op een leerbedrijf om zijn opleiding te volgen. Voor een BOL-opleiding is de leerling afhankelijk van een stageplaats. Om te voorzien in voldoende leerbedrijven heeft het OLC naast de gewone bedrijven die via een erkenningprocedure leerbedrijf kunnen worden tien zogenaamde regionale opleidingsbedrijven installatietechniek [ROI s] opgericht. Deze ROI s vervullen de formeel wettelijke opleidingstaak van leerbedrijven, maar detacheren leerlingen bij aangesloten bedrijven die al dan niet zelf erkend zijn als leerbedrijf. Eind 2002 zijn alle leerlingentellingen gehouden bij alle VMBO s 10, en in het eerste kwartaal van 2003 bij alle ROC s, HBO s en universiteiten die opleidingen in de bouwinstallatie verzorgen. 6.2 Leerlingen in opleiding naar specialisatie en niveau In de maand februari 2003 zijn alle leerlingen per ROC per opleiding geteld. Bij de rapportage van deze aantallen wordt aangesloten bij de systematiek van de matrix van specialisaties en niveaus. In tabel 6.1 staat de landelijke verdeling van het aantal leerlingen in de installatietechniek over specialisaties en niveaus. 10 Dit betreft opleidingen in de installatietechniek. Daar waar installatietechniek en elektrotechniek zijn gecombineerd in één opleiding zijn deze opleidingen ook meegenomen in de telling. Arbeidsmarkt Installatietechniek
34 tabel 6.1 Landelijke verdeling van leerlingen in de installatietechniek over specialisaties en niveaus 11 Totaal aantal leerlingen (BBL, BOL, (post)mbo, (post)hbo): Niveau A: Koudetechniek en luchtbehandeling B: Montage gas en verwarming C: Service en onderhoud gas en verwarming D: Ontwerpen en tekenen E: Dakbedekkingtechniek F: Huishoudelijke en sanitaire installaties G: Distributietechniek Totaal Waarvan in de BOL-variant: Niveau Leerjaar 1 e 2 e 3 e 4 e 4 MKk MKi MIT AOG APG AVM TGI AIMv AIMd MASv MASi MASk VMBO-leerlingen: 12 Leerjaar Leerweg 3 e 4 e Totaal Gemengd Kader Beroeps Totaal In de installatietechniek zijn 8764 leerlingen in opleiding. Hiervan volgen 1063 leerlingen een opleiding in de BOL-variant. Het totaal aantal leerlingen is met ruim 2% gestegen ten opzichte van vorig jaar. Het aantal leerlingen in de BOL-variant is toegenomen met 8%. Vorig jaar was er nog sprake van daling van het totaal aantal leerlingen. Het aantal BOL-leerlingen was toen ook al gestegen. Dit jaar zijn voor de tweede keer leerlingen geteld in de niveau 4 opleidingen MKi en MKk, de middenkaderfunctionarisopleidingen installatietechniek en koudetechniek. Een aantal leerlingen die in de AOG/APG opleidingen zaten zijn overgegaan naar deze nieuwe opleidingen. 11 Voor gearceerde cellen bestaat geen beroepsopleiding. 12 Dit betreft opleidingen in de installatietechniek. Daar waar installatietechniek en elektrotechniek zijn gecombineerd in één opleiding zijn deze opleidingen ook meegenomen in de telling. Arbeidsmarkt Installatietechniek
35 Er zijn een aantal opleidingen, in het bijzonder op niveau 5, die niet specifiek voor een beroep in de installatietechniek opleiden, maar zich op het scheidingsvlak tussen verschillende branches, zoals bijvoorbeeld installatietechniek, werktuigbouwkunde en elektrotechniek, bevinden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de HBO-opleidingen Operationele Technologie en de Integraal Ontwerpen. Deze laatste opleiding is dit jaar van start gegaan, en richt zich op het optimaliseren van een ontwerp voor een machine of installatie, met name op het gebied van gebruiks-, onderhouds- en recyclingkosten, en milieu- en veiligheidsaspecten. De opleiding Operationele Technologie kent 290 studenten, de opleiding Integraal Ontwerpen 10. Deze studenten zijn niet meegenomen in de tellingen van de leerlingen, omdat erg onduidelijk is hoeveel van deze leerlingen na hun studie werkzaam zullen zijn in de installatietechniek. 6.3 Verwachte uitstroom uit het onderwijs Op basis van schattingen uit het verleden met betrekking tot uitstroom, uitval en doorstroming in het beroepsonderwijs is berekend hoe groot de verwachte uitstroom van gediplomeerden zal zijn. tabel 6.2 Verdeling leerlingen in de installatietechniek over specialisaties en niveaus waarvan verwacht wordt dat zij uitstromen uit het onderwijs 13 Totaal aantal leerlingen (BBL, BOL, (post)mbo, (post)hbo): Niveau A: Koudetechniek en luchtbehandeling B: Montage gas en verwarming C: Service en onderhoud gas en verwarming D: Ontwerpen en tekenen E: Dakbedekkingtechniek F: Huishoudelijke en sanitaire installaties G: Distributietechniek Totaal Leerlingen die uitstromen op niveau 3 vormen met bijna 40% de grootste categorie. Daarna volgen leerlingen die uitstromen op niveau 2 (34%). Bijna 48% van de leerlingen die uitstroomt heeft een opleiding gevolgd in de specialisatie huishoudelijke en sanitaire installaties. 6.4 Leerbedrijven en erkenningen Let op: De cijfers in deze paragraaf hebben betrekking op april 2003 (resp. april 2002 als het gaat om de vergelijking met het voorgaande jaar). Daarom kunnen sommige aantallen afwijken van aantallen die elders in dit rapport staan. Begin 2003 zijn er erkende leerbedrijven voor opleidingen in de installatietechniek. Dat is een lichte stijging ten opzichte van een jaar eerder, toen er nog erkende leerbedrijven waren. Elk leerbedrijf is tenminste voor één kwalificatie erkend, de meeste voor meerdere kwalificaties. In tabel 6.3 is een overzicht gegeven van het aantal opleidingsplaatsen per opleiding dat een erkenning heeft. 13 Voor gearceerde cellen bestaat geen beroepsopleiding. Arbeidsmarkt Installatietechniek
36 tabel 6.3 Aantal erkenningen per opleiding 2003 en 2002 CREBOcode Niveau Opleiding % verschil Montage-assistent distributietechniek , Montage-assistent installatietechniek , Montage-assistent koudetechniek , Montage-assistent verwarmingstechniek , Assistent dakbedekkingsmonteur , Assistent distributiemonteur gas , Assistent distributiemonteur water , Assistent installatiemonteur diff. dak , Assistent installatiemonteur diff. verw , Assistent verwarmingsmonteur , Monteur koudetechniek , Onderhoudsmonteur installatietechniek , Tekenaar gebouwinst. diff. cv en vent , Tekenaar gebouwinstallaties diff. sanitair , Tekenaar gebouwinst. diff. sanitair en cv , Aank. ontw. techn. g.b.i. diff. san, cv/ac , Aank. ontwerptechn. g.b.i. diff. san , Aank. projecttechn. g.b.i. diff. san, cv/ac , Aankomend projecttechn. g.b.i. diff. san , Dakbedekkingsmonteur , Distributiemonteur gas , Distributiemonteur water , Installatiemonteur specialisatie dak , Installatiemonteur utiliteit , Installatiemonteur woningbouw , Onderhoudsmonteur verwarming , Projectleider koudetechniek , Servicemonteur installatietechniek , Servicemonteur koudetechniek , Servicemonteur verwarming , Verwarmingsmonteur , Middenkaderfunctionaris inst. techniek , Middenkaderfunctionaris koudetechniek , Projectmanager koudetechniek , Servicetechnicus verwarmingstechniek ,2 Totaal aantal erkenningen ,85 In totaal zijn er erkenningen, verdeeld over 35 kwalificaties. Ten opzichte van 2002 is het totaal aantal erkenningen gestegen met 1%. Vorig jaar daalde het aantal erkenningen nog in vergelijking met het jaar daarvoor. Evenals vorig jaar zijn het aantal erkenningen voor Middenkaderfunctionaris installatie- en koudetechniek, en Projectmanager koudetechniek percentueel flink gestegen. Het aantal erkenningen voor Dakbedekkingsmonteur en Montage-assistent distributietechniek daalden relatief het meest. Ook vorig jaar daalde het aantal erkenningen voor Montage-assistent Distributietechniek relatief het meest. Het aantal erkenningen voor Dakbedekkingsmonteur was vorig jaar maar licht gedaald ten opzichte van het jaar daarvoor. Arbeidsmarkt Installatietechniek
37 tabel 6.4 Aantal bedrijven, aantal erkende leerbedrijven, aantal leerlingen, en leerbedrijf/leerling ratio, naar regio in april 2003 RCI Aantal bedrijven Erkende leerbedrijven Aantal leerlingen Leerbedrijf/ leerling ratio 1 Noord-Nederland ,5 2 Overijssel ,4 3 Gelderland ,5 4 Noord-Holland/Flevoland ,4 5 Utrecht ,4 6 Haaglanden ,5 7 Rijnmond ,3 8 Zuid-West Nederland ,6 9 Midden- en Oost-Brabant ,3 10 Limburg ,6 Onbekend 0 7 Totaal ,4 In tabel 6.4 is een overzicht gegeven van het totaal aantal bedrijven en het aantal erkende leerbedrijven per regio. Daaraan toegevoegd zijn cijfers over het aantal leerlingen per regio. Bovendien is de leerbedrijf/leerling ratio berekend om weer te geven hoeveel leerbedrijven er per leerling zijn. Hierbij moet worden opgemerkt dat één leerbedrijf meerdere leerlingen tegelijk kan opleiden, als het maar over de juiste erkenningen beschikt. Het aantal erkenningen is veel groter dan het aantal leerbedrijven (33897 erkenningen bij 3481 leerbedrijven is gemiddeld 9,7 erkenningen per leerbedrijf), dus vergaande conclusies over verschillen zijn op basis hiervan niet goed te trekken. Het gemiddeld aantal erkenningen per leerbedrijf is ten opzichte van het voorgaande jaar wel toegenomen van gemiddeld 9,6 erkenningen per leerbedrijf in 2002 tot gemiddeld 9,7 erkenningen per leerbedrijf in Bij OLC en SKO zijn 4732 bedrijven aangesloten in april Als we aannemen dat leerbedrijven voor het overgrote deel installatie- en/of koudetechnische bedrijven zijn, dat kunnen we op basis hiervan concluderen dat de dekking van erkende leerbedrijven in de branche bijzonder groot is met 73,6%. Het percentage is wel iets afgenomen ten opzichte van het voorgaande jaar, toen dit nog 73,7% was. In 2001 lag dit percentage nog op 87,9%. 14 Hierbij dient overigens opgemerkt te worden dat nog niet alle erkenningen definitief zijn, maar dat voorlopige erkenningen voorzover mogelijk momenteel worden omgezet in definitieve erkenningen. 14 Ieder bedrijf krijgt na aanvraag een voorlopige erkenning. Later wordt bekeken of de voorlopige erkenning wordt omgezet in een definitieve erkenning of dat deze wordt beëindigd. De sterke afname in het aantal erkende leerbedrijven kan worden verklaard doordat de achterstand die hierbij was opgelopen in 2001 is weggewerkt. Arbeidsmarkt Installatietechniek
38
39 7 Mobiliteit in en uit de branche Leerlingen kunnen vanuit het onderwijs de branche instromen [zie eerder 6.3], maar een deel van de instroom in de branche komt van buiten het onderwijs (de zogenaamde zij-instroom). Daarnaast stromen er werknemers uit de branche. Welke soorten werknemers worden in dit verband onderscheiden, hoeveel werknemers stromen de branche in dan wel uit, en over welke kenmerken beschikken deze werknemers (onder meer bedrijfsomvang)? Deze vragen komen in dit hoofdstuk aan de orde. Zelfstandigen zonder personeel én ondernemers die niet in dienst zijn van het bedrijf staan niet in het werknemersbestand geregistreerd. Als gevolg van het ontbreken van gegevens van deze personen beperken de cijfers in dit hoofdstuk zich tot werknemers die in dienst zijn van een bedrijf. 7.1 Definities Als het gaat om mobiliteit van personen in en uit de branche kunnen de volgende soorten personen worden onderscheiden: Doorstromer: werkt in de branche van 1 januari t/m 31 december. Daarnaast werkt deze persoon tevens op 31 december van het voorgaande jaar in de branche, alsmede op 1 januari van het volgende jaar. Instromer: werkt in de branche op 31 december van een jaar, alsmede op 1 januari van het volgende jaar. Deze persoon komt gedurende het jaar in de branche werken, dus op 31 december van het voorgaande jaar was deze persoon nog niet werkzaam in de branche. Uitstromer: werkt in de branche op 1 januari van een jaar, alsmede op 31 december van het voorgaande jaar. Deze persoon verlaat de branche gedurende het jaar, dus op 1 januari van het volgende jaar is deze persoon niet langer werkzaam in de branche. In- en uitstromer: werkt in de branche voor een bepaalde tijd tussen 1 januari en 31 december van een jaar. Deze persoon was niet in de branche werkzaam op 31 december van het voorgaande jaar, noch op 1 januari van het volgende jaar. Het gaat hier bijvoorbeeld om werknemers die een tijdelijk dienstverband hebben, of werknemers waarvan het dienstverband na een aantal weken/maanden wordt beëindigd. Uit- en instromer: werkt in de branche op 1 januari en op 31 december van een jaar, alsmede op 31 december van het voorgaande jaar en 1 januari van het volgende jaar. Gedurende het jaar verlaat deze persoon de branche voor een bepaalde tijd. Het gaat hier bijvoorbeeld om werknemers met een tijdelijk onderbroken dienstverband. Als het aantal dagen dat de persoon in de branche werkt groter is dan 97% van het aantal dagen in een jaar dan wordt deze persoon toch als doorstromer beschouwd. In figuur 7.1 staat een schematisch overzicht van de verschillende soorten personen. In het midden staat het jaar waarop de omschrijving betrekking heeft. De dagen 1 januari en 31 december zijn genoemd, de tussenliggende dagen niet. Ook 31 december van het voorgaande jaar en 1 januari van het volgende jaar staan in het schema. Een gearceerde balk betekent dat een persoon op dat moment in de branche werkzaam is. De omschrijving doorstromer heeft bijvoorbeeld betrekking op personen die van 1 januari t/m 31 december in de branche werkzaam zijn. Daarnaast werkt deze persoon zoals in het schema is te zien tevens op 31 december van het voorgaande jaar in de branche, alsmede op 1 januari van het volgende jaar. Arbeidsmarkt Installatietechniek
40 Jaar waarop omschrijving betrekking heeft Omschrijving: Doorstromer Instromer Uitstromer In- en uitstromer Uit- en instromer 31dec 1jan 31dec 1jan figuur 7.1 Schematisch overzicht van de verschillende soorten werknemers 7.2 Aantal unieke personen naar soort mobiliteit Bij de verdelingen naar soort mobiliteit worden in dit rapport verdelingen van unieke personen gegeven, en niet van dienstverbanden. Dit omdat een persoon die van werkgever wisselt niet uitstroomt en weer instroomt, maar doorstroomt. In tabel 7.1 staat het aantal unieke personen naar soort mobiliteit. tabel 7.1 Aantal unieke personen naar soort mobiliteit in 2002 Aantal Percentage Doorstromers ,7% Instromers ,9% Uitstromers ,7% In- en uitstromers ,6% Uit- en instromers 433 0,7% Totaal ,0% Uit de tabel kunnen we concluderen dat landelijk doorstromers bijna driekwart van het totaal aantal personen uitmaken. De groep personen die daarna het grootst is zijn de instromers met bijna 12%, gevolgd door de uitstromers met bijna 9%. De groep inen uitstromers is bijna 4% van het totaal aantal personen, terwijl de uit- en instromers minder dan 1% deel uit maken van het totaal. In tabel 7.2 staan het percentage doorstromers, instromers, en uitstromers ten opzichte van het totaal aantal unieke personen, landelijk en regionaal. Let op: het gaat om mobiliteit van personen in en uit de branche als geheel, niet om de branche in de regio. Een werknemer die naar een andere werkgever buiten de regio gaat is dus een doorstromer, en geen uitstromer. Arbeidsmarkt Installatietechniek
41 tabel 7.2 Percentage doorstromers, instromers, en uitstromers ten opzichte van totaal aantal unieke personen, van 1992 t/m Doorstromers Instromers Uitstromers ,5% 14,2% 6,9% ,1% 13,1% 8,9% ,5% 10,6% 9,0% ,2% 11,9% 8,0% ,7% 12,1% 8,2% ,1% 12,4% 8,8% ,9% 12,2% 9,9% ,6% 11,7% 11,5% ,3% 12,7% 8,6% ,7% 11,9% 7,7% 7.3 Mobiliteit naar bedrijfsomvang In figuur 8.4 staat de gecategoriseerde verdeling van bedrijfsomvang naar soort mobiliteit. Op de x-as staat de bedrijfsomvang. Op de y-as staat aangegeven welk percentage van de personen die bij een bedrijf van de desbetreffende omvang werken behoort tot welke groep. Percentage Bron: Mn Services werknemersbestand OLC/SKO 2002 Uit en instr. In en uitstr. Uitstromers Instromers Doorstromers figuur 7.2 Bedrijfsomvang (gecategoriseerd) naar soort mobiliteit in 2002 In tabel 7.3 staan dezelfde gegevens, zij het nu in tabelvorm. De percentages uit tabel 7.1 staan in de onderste rij van deze tabel; deze percentages zijn cursief afgedrukt. 15 Om te bepalen tot welk soort werknemer iemand behoort is het ondermeer noodzakelijk om te weten of een werknemer in het voorgaande jaar al dan niet in de branche werkzaam is. Omdat 1992 het eerste jaar is waarop de data betrekking heeft kan voor dit jaar niet bepaald worden welk deel van de werknemers in en uit de branche stroomt. In- en uitstromers, en uit- en instromers zijn niet in de tabel opgenomen vanwege de kleine percentages. Omdat deze soorten personen niet in de tabel zijn opgenomen tellen de percentages niet op tot 100%. Arbeidsmarkt Installatietechniek
42 tabel 7.3 Bedrijfsomvang (gecategoriseerd) naar soort mobiliteit in 2002 (aantal werknemers, rijpercentage) Doorstromers Instromers Uitstromers 5 werknemers of minder 67,9% 14,2% 11,1% 6 t/m 15 werknemers ,7% 11,5% 8,2% 16 t/m 50 werknemers ,6% 11,2% 7,3% 51 t/m werknemers 80,0% 10,4% 6,8% 101 werknemers of meer 76,8% 13,3% 7,0% Totaal ,7% 11,9% 7,6% In- en uitstromers 361 5,9% 510 3,9% 636 3,1% 307 2,4% 473 2,6% ,2% Uit- en instromers 60 1,0% 105 0,8% 172 0,8% 50 0,4% 46 0,3% 433 0,6% Totaal ,0% ,0% ,0% ,0% ,0% ,0% Uit de figuur en de tabel kunnen we concluderen dat kleine bedrijven van 5 werknemers of minder relatief het kleinste percentage doorstromers in dienst hebben (68%). Bij deze kleine bedrijven maken instromers gemiddeld 14% van het personeelsbestand uit. Dat percentage is hoger dan bij grotere bedrijven. De kleine bedrijven hebben naast een relatief hoog percentage instromers, ook een relatief hoog percentage uitstromers in dienst. Ruim 11% van de werknemers in dienst van een klein bedrijf stroomt de branche uit. Ook dit percentage is hoger dan bij grotere bedrijven.«p74» 7.4 In- en uitstroomonderzoek In januari/februari 2003 is een onderzoek uitgevoerd naar mobiliteit van werknemers in en uit de installatiebranche, dit onder meer naar aanleiding van vragen uit de RCI s. In deze paragraaf zijn de samenvattingen, conclusies, aanbevelingen, en suggesties voor vervolgonderzoek uit dit rapport overgenomen. Het gehele rapport is beschikbaar op Samenvatting De achtergrond van dit onderzoek wordt gevormd door de verwachting dat ondanks de enorme groei die de installatiebranche de afgelopen tien jaar heeft doorgemaakt er de komende jaren een tekort aan personeel zal (blijven) bestaan. Dit is het gevolg van uitbreiding van werkzaamheden en vervanging van een deel van het zittende personeel. Mede door maatschappelijke ontwikkelingen als de vergrijzing is beleidsmatige aandacht voor het bevorderen van instroom en het beperken van uitstroom van belang. Om een meer gerichte aanpak mogelijk te maken is het onderhavige onderzoek uitgevoerd middels een enquête onder werknemers die het afgelopen jaar in de branche zijn gaan werken, en werknemers die de branche het afgelopen jaar hebben verlaten. De vragen die hen gesteld werden waren kort samengevat: waar kom je vandaan, waar ben je naartoe gegaan, en vooral: waarom? Het onderzoek is in januari/februari 2003 uitgevoerd. In totaal heeft ruim een kwart van het totaal aantal aangeschrevenen een ingevulde enquête geretourneerd Conclusies Instroom Iets meer dan de helft van de instromers heeft een lagere (technische) beroepsopleiding gevolgd, en bijna eenderde een (technische) opleiding op middelbaar niveau. Instromers tussen de 25 en 34 jaar zijn relatief hoger opgeleid. Instromers die gaan werken bij kleine bedrijven (tot en met 15 werknemers) zijn vaker lager opgeleid. Bijna vier op de tien instromers heeft een opleiding gevolgd in de installatietechniek. Iets meer dan de helft van de instromers zegt actief te zijn geweest in een andere branche, terwijl bijna vier op de tien instromers aangeven dan hun baan in de installatietechniek hun eerste baan was. Van de instromers die voorheen in een andere branche werkzaam waren zijn de grootste groepen afkomstig uit de metaalbranche (15%), bouwbranche (11%), en elektrotechnische branche (10%). Arbeidsmarkt Installatietechniek
43 Werkinhoudelijke factoren en sociale factoren worden het vaakst aangeduid als reden om in de installatiebranche te gaan werken. Uitstroom Iets minder dan de helft van de uitstromers heeft een (technische) opleiding op middelbaar niveau gevolgd. Een iets kleinere groep heeft een lagere (technische) beroepsopleiding gevolgd. Ruim de helft van de instromers heeft een opleiding gevolgd in de installatietechniek. Zes op de tien uitstromers zeggen na het verlaten van de installatiebranche in een andere branche te zijn gaan werken. Drie op de tien uitstromers geven aan dat ze (tijdelijk) niet actief waren op de arbeidsmarkt, en een op de tien werknemers zegt een eigen bedrijf te zijn begonnen. Dit betreft vooral werknemers tussen de 25 en 34 jaar. Van de uitstromers die na hun vertrek in een andere branche zijn gaan werken, gaan de grootste groepen naar de metaalbranche (10%), elektrotechnische branche (6%), en de bouwbranche (eveneens 6%). Primaire arbeidsvoorwaarden en sociale factoren worden het vaakst aangeduid als reden om de installatiebranche te verlaten. Van de uitstromers heeft 7% de branche gedwongen verlaten, als gevolg van ontslag of het niet verlengen van een contract Aanbevelingen Uit dit onderzoek blijkt dat uitstromers over het geheel genomen relatief hoger opgeleid zijn dan het blijvende personeel en de instromers. Verder blijkt dat instromers minder vaak een opleiding in de installatietechniek hebben gevolgd dan het zittende personeel en uitstromers. De mobiliteit van werknemers in en uit de branche heeft derhalve een negatief effect op het kennisniveau in de branche. Dit benadrukt het belang van met name uitstroombeperkende maatregelen, zeker omdat de verwachte tekorten aan personeel het grootst zijn op de hogere functieniveaus. Primaire arbeidsvoorwaarden worden vaak als reden aangeduid om de branche te verlaten. Uitstromers verdienen niet minder dan het blijvende personeel, maar het kan wel zo zijn dan uitstromers elders meer konden verdienen, en dat hun salaris in de installatiebranche dus lager was dan het salaris buiten de branche. Uit eerder onderzoek blijkt dat de salarissen in de installatiebranche gemiddeld lager zijn dan de salarissen in de sector bouwnijverheid (waar de installatiebranche deel van uitmaakt) als geheel. Indien de salarissen in de installatiebranche meer gelijk zouden zijn aan de salarissen in de overige technische branches zou dit wellicht een uitstroombeperkend effect hebben. Verder worden sociale factoren vaak als reden gegeven voor het verlaten van de branche. Anderzijds wordt het door instromers juist als reden genoemd om in de branche te komen werken. Hoe de omgang met de baas en de collega s is verschilt wellicht sterk per bedrijf en per individu. In zijn algemeenheid kan opgemerkt worden dat het aanwezig zijn van voldoende mogelijkheden om verder te scholen, het bieden van ontwikkelingskansen aan werknemers, en de gelijke behandeling van werknemers als het gaat om het bieden van mogelijkheden om vooruit te komen, sterk samenhangen met de satisfactie ten aanzien van sociale factoren Suggesties voor vervolgonderzoek Ten slotte worden enkele suggesties voor vervolgonderzoek gedaan. De beantwoording van enkele vragen in de enquête doet vermoeden dat voor respondenten de afbakening van de branche vooral gerelateerd is aan de inhoud van hun eigen werk. Een respondent die voorheen bij bedrijf X als installateur werkzaam was, en nu bij bedrijf Y werkt, eveneens als installateur, wisselt voor zijn gevoel niet van branche, terwijl de bedrijven X en Y in werkelijkheid wel tot verschillende branches kunnen behoren. Indien werknemersbestanden van andere technische branches beschikbaar zouden zijn voor onderzoek, zou de mobiliteit van werknemers tussen technische branches nauwgezet in beeld kunnen worden gebracht. Gezien voorgaande opmerking zijn registratiedata op dit punt nauwkeuriger dan de beoordeling van individuele werknemers. Uit eerder onderzoek weten we dat werkgeverswisselingen over het algemeen gepaard gaan met een verhoging van het salaris. Dit onderzoek zou specifiek voor Arbeidsmarkt Installatietechniek
44 de installatiebranche kunnen worden uitgevoerd, waarbij de gemiddelde salarisverhoging in de installatiebranche vergeleken zou kunnen worden met de gemiddelde salarisverhoging die werknemers bij hun vertrek uit de installatiebranche realiseren. Zoals gezegd hebben instromers minder vaak een opleiding in de installatietechniek gevolgd dan het zittende personeel en uitstromers. Dit gegeven is met name voor het opleidings- en ontwikkelingsfonds van belang, omdat een van de doelstellingen van het fonds is zorg te dragen voor voldoende en goed geschoold persoon. Er zou nader onderzoek kunnen worden gedaan naar de mate waarin de opleidingen van instromers aansluiten bij hun werkzaamheden in de installatiebranche. Arbeidsmarkt Installatietechniek
45 8 Kenmerken van werknemers In dit hoofdstuk worden kenmerken van werknemers beschreven. 16 Het gaat hier onder meer om leeftijd, sekse, etniciteit, en woonplaats. Waarom zijn deze cijfers van belang? Als bijvoorbeeld blijkt dat werknemers in bepaalde leeftijdscategorieën relatief vaker uitstromen, en als blijkt dat relatief veel werknemers in de desbetreffende leeftijdscategorieën vallen, dan heeft dit gevolgen voor het totaal aantal werknemers dat uitstroomt. Een ander voorbeeld: als blijkt dat er steeds meer vrouwen in de branche komen werken, en als blijkt dat vrouwen gemiddeld minder uur per week werken dan mannen, dan betekent dit dat er meer werknemers nodig zijn om aan hetzelfde totaal uur te komen. 8.1 Leeftijd De gemiddelde leeftijd van alle werknemers is 36,6 jaar (N=64279) op de peildatum. De leeftijd varieert van 14 tot 64 jaar. In figuur 8.1 staat de verdeling van leeftijd, waarbij het gemiddelde is aangegeven middels een verticale lijn. Op de x-as staan de leeftijden van 14 t/m 64 jaar. Op de y-as staat de proportie. Een proportie van 0,01 betekent dat 1% van de werknemers de desbetreffende leeftijd heeft. Proportie Leeftijd Bron: Mn Services werknemersbestand OLC/SKO 2002 figuur 8.1 Verdeling van leeftijd op peildatum in 2002 De gemiddelde leeftijd is gestegen ten opzichte van vorige jaren. In 1994 is de gemiddelde leeftijd 35,2 jaar. De gemiddelde leeftijd stijgt sindsdien jaarlijks met bijna 0,2 jaar, tot 36,4 jaar in 2001, en 36,6 jaar in In tabel 8.1 staat de gecategoriseerde verdeling van leeftijd. Werknemers van 25 tot 35 jaar met bijna 30% de grootste categorie.«p81c» 16 De cijfers in dit hoofdstuk beperken zich tot werknemers die in dienst zijn van een bedrijf, en om deze reden staan geregistreerd in het werknemersbestand. Arbeidsmarkt Installatietechniek
46 tabel 8.1 Leeftijd (gecategoriseerd) op peildatum in 2002 Aantal Percentage 24 jaar of jonger ,1% 25 tot 35 jaar ,6% 35 tot 45 jaar ,1% 45 tot 55 jaar ,6% 55 jaar of ouder ,7% Totaal ,0% In figuur 8.2 en tabel 8.2 staat de gemiddelde leeftijd naar regio. Werknemers in de regio s Overijssel, Rijnmond, en Zuid-West Nederland zijn relatief het jongst, terwijl werknemers in de regio s Gelderland, Utrecht, en Limburg relatief het oudst zijn. De verschillen tussen de regio s lijken gering. Toch is het grootste verschil in gemiddelde leeftijd van 2,3 jaar tussen de regio s Overijssel en Limburg vrij fors. 1: Noord Nederland : Overijssel : Gelderland : Noord Holland/Flevoland : Utrecht : Haaglanden : Rijnmond : Zuid West Nederland : Midden en Oost Brabant : Limburg Leeftijd (gemiddelde) Bron: Mn Services werknemersbestand OLC/SKO 2002 figuur 8.2 Gemiddelde leeftijd naar regio op peildatum in 2002 tabel 8.2 Gemiddelde leeftijd naar regio op peildatum in 2002 RCI Gemiddelde leeftijd N 1 Noord-Nederland 36, Overijssel 35, Gelderland 37, Noord-Holland/Flevoland 36, Utrecht 37, Haaglanden 36, Rijnmond 36, Zuid-West Nederland 35, Midden- en Oost-Brabant 36, Limburg 37, Totaal 36, Arbeidsmarkt Installatietechniek
47 8.1.1 Leeftijd naar soort mobiliteit In tabel 8.3 staat de gemiddelde leeftijd naar soort mobiliteit. Doorstromers zijn met 37,8 jaar gemiddeld de oudste groep werknemers, terwijl instromers, en in- en uitstromers gemiddeld het jongst zijn met respectievelijk 30,1 en 28,4 jaar.«p811a» tabel 8.3 Gemiddelde leeftijd naar soort mobiliteit, in 2002 Landelijk Gemiddelde leeftijd N Doorstromers 37, Instromers 30, Uitstromers 35, In- en uitstromers 28, Uit- en instromers 31,3 433 Totaal 36, In figuur 8.3 staat de verdeling van leeftijd van instromers (links) en uitstromers. Op de x-as staan de leeftijden van 15 tot en met 65 jaar, en op de y-as het aantal werknemers van de desbetreffende leeftijd. De gemiddelde leeftijd is aangegeven middels een verticale lijn. Aantal Aantal Leeftijd Bron: Mn Services werknemersbestand OLC/SKO Leeftijd Bron: Mn Services werknemersbestand OLC/SKO 2002 figuur 8.3 Verdeling van leeftijd van (a) instromers en (b) uitstromers Uit de linker grafiek blijkt dat het aantal instromers lager is naarmate de leeftijd hoger is. Hetzelfde geldt voor het aantal uitstromers, zij het dat de verdeling in de rechter grafiek minder scheef is. Wat opvalt in de rechter grafiek is het relatief grote aantal uitstromers van 59 jaar. Op deze leeftijd bestaat de mogelijkheid om met vervroegd pensioen te gaan. In bovenstaande grafieken staan absolute aantallen. Het aantal instromers dan wel uitstromers dient echter afgezet te worden tegen het totaal aantal werknemers van de desbetreffende leeftijd dan wel leeftijdscategorie. Bijvoorbeeld: hoeveel procent van de werknemers van 24 jaar of jonger is instromer? De eerder in tabel 7.1 en tabel 7.2 genoemde percentages verschillen sterk per leeftijdscategorie. In figuur 8.4 staat de gecategoriseerde verdeling van leeftijd naar soort mobiliteit. Op de x-as staan de leeftijdscategorieën. Op de y-as staat aangegeven welk percentage van de personen die in de desbetreffende leeftijdscategorie vallen behoort tot welke groep. Arbeidsmarkt Installatietechniek
48 Percentage Bron: Mn Services werknemersbestand OLC/SKO 2002 Uit en instr. In en uitstr. Uitstromers Instromers Doorstromers figuur 8.4 Leeftijd op 31 december (gecategoriseerd) naar soort mobiliteit in 2002 In tabel 8.4 staan dezelfde gegevens, zij het nu in tabelvorm. De percentages uit tabel 7.1 staan in de onderste rij van deze tabel; deze percentages zijn cursief afgedrukt. tabel 8.4 Leeftijd op 31 december (gecategoriseerd) naar soort mobiliteit in 2002 (frequentie, rijpercentage) Doorstromers Instromers Uitstromers 24 jaar of jonger ,8% 24,2% 10,2% 25 tot 35 jaar ,7% 11,6% 7,9% 35 tot 45 jaar ,0% 9,5% 6,0% 45 tot 55 jaar ,8% 6,3% 4,5% 55 jaar of ouder ,7% 4,2% 11,8% Totaal ,7% 11,9% 7,6% In- en uitstromers ,8% 665 3,1% 341 2,0% 153 1,2% 65 1,0% ,2% Uit- en instromers 145 1,1% 158 0,8% 64 0,4% 45 0,3% 21 0,3% 433 0,6% Totaal ,0% ,0% ,0% ,0% ,0% ,0% Uit de figuur en de tabel kunnen we concluderen dat de werknemers in de leeftijdscategorieën tot 35 jaar vaker in- en uitstromen dan werknemers in de leeftijdscategorieen vanaf 35 jaar. Zo is van de werknemers van 24 jaar of jonger ruim 24% instromers, en van de werknemers van 25 tot 35 jaar bijna 12%. Van de werknemers in de leeftijdscategorieën vanaf 35 jaar is het percentage instromers lager. Hetzelfde geldt voor het percentage uitstromers. Van de werknemers van 24 jaar of jonger is ruim 10% uitstromer, en van de werknemers van 25 tot 35 jaar bijna 8%. Voor de overige leeftijdscategorieën ligt dit percentage lager. Arbeidsmarkt Installatietechniek
49 8.2 Sekse Op de peildatum is landelijk 90,6% van alle werknemers man en 9,4% vrouw (N=64279). Het percentage vrouwen is gestegen ten opzichte van vorig jaar. Sinds 1992 neemt dit percentage toe, van 7,1% in 1992, tot 9,3% in 2001, en 9,4% in In figuur 8.5 en tabel 8.5 staat het percentage vrouwen naar regio. In de regio s Noord-Holland/Flevoland, en Zuid-West Nederland werken relatief de meeste vrouwen, terwijl in de regio s Noord-Nederland, Midden- en Oost-Brabant, en Limburg relatief de minste vrouwen werkzaam zijn. 1: Noord Nederland 8.4 2: Overijssel 9.0 3: Gelderland 9.6 4: Noord Holland/Flevoland : Utrecht 9.5 6: Haaglanden 9.8 7: Rijnmond 9.3 8: Zuid West Nederland : Midden en Oost Brabant : Limburg Vrouwen (%) Bron: Mn Services werknemersbestand OLC/SKO 2002 figuur 8.5 Percentage vrouwen naar region op peildatum in 2002 tabel 8.5 Percentage vrouwen naar regio op peildatum in 2002 RCI Percentage vrouwen N 1 Noord-Nederland 8,4% Overijssel 9,0% Gelderland 9,6% Noord-Holland/Flevoland 10,6% Utrecht 9,5% Haaglanden 9,8% Rijnmond 9,3% Zuid-West Nederland 10,2% Midden- en Oost-Brabant 8,6% Limburg 8,6% 365 Totaal 9,4% 6035 Arbeidsmarkt Installatietechniek
50 8.3 Etniciteit In het werknemersbestand is de etniciteit van werknemers niet geregistreerd. Om toch uitspraken over het verschil tussen allochtonen en autochtonen te kunnen doen, is de etniciteit van werknemers op een andere wijze bepaald. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen allochtonen van de eerste en de tweede generatie. Iemand wordt als allochtoon van de eerste generatie beschouwd als hij zelf in het buitenland is geboren, en als tenminste één ouder eveneens in het buitenland is geboren. Iemand wordt als allochtoon van de tweede generatie beschouwd als hij zelf in Nederland is geboren, en als tenminste één ouder in het buitenland is geboren (CBS definitie). Bij gebrek aan gegevens over etniciteit, is voor alle werknemers de etniciteit bepaald op basis van de achternaam. Indien een werknemer een achternaam heeft die niet- Nederlands lijkt wordt hij als allochtoon beschouwd, en als autochtoon in de overige gevallen. Op de peildatum in 2001 is volgens deze telling landelijk 95,0% van alle werknemers autochtoon en 5,0% allochtoon (N=64279). Het percentage allochtone werknemers is gestegen ten opzichte van vorig jaar. Sinds 1992 neemt dit percentage toe, van 2,9% in 1992, tot 4,9% in 2001, en 5,0% in In tabel 8.6 staat het percentage allochtonen naar regio. In de regio s Noord- Holland/Flevoland, Haaglanden, en Rijnmond werken relatief de meeste allochtonen, terwijl in de regio s Noord-Nederland, Overijssel, en Zuid-West Nederland relatief de minste allochtonen werkzaam zijn. 1: Noord Nederland 2.5 2: Overijssel 3.3 3: Gelderland 3.8 4: Noord Holland/Flevoland 6.8 5: Utrecht 5.5 6: Haaglanden 6.9 7: Rijnmond 7.8 8: Zuid West Nederland 3.9 9: Midden en Oost Brabant : Limburg Allochtonen (%) Bron: Mn Services werknemersbestand OLC/SKO 2002 figuur 8.6 Percentage allochtonen naar regio op peildatum in 2002 Arbeidsmarkt Installatietechniek
51 tabel 8.6 Percentage allochtonen naar regio op peildatum in 2002 RCI Percentage allochtonen N 1 Noord-Nederland 2,5% Overijssel 3,3% Gelderland 3,8% Noord-Holland/Flevoland 6,8% Utrecht 5,5% Haaglanden 6,9% Rijnmond 7,8% Zuid-West Nederland 3,9% Midden- en Oost-Brabant 4,1% Limburg 4,6% 195 Totaal 5,0% Woon/werk-afstand Werknemers wonen landelijk gemiddeld 15,5 kilometer van hun werk af. In 2001 was de gemiddelde woon/werk-afstand nog 15,1 kilometer. De woon/werk-afstand verschilt per regio. In tabel 8.7 staat de gemiddelde woon/werk-afstand naar regio. In de regio s Overijssel, Utrecht, en Midden- en Oost- Brabant is de woon/werk-afstand het grootst, terwijl in de regio s Limburg en Haaglanden werknemers relatief het dichtst bij hun werk wonen. tabel 8.7 Gemiddelde woon/werk-afstand naar regio op peildatum in 2001 RCI Gemiddelde woon/werkafstand (in km) N 1 Noord-Nederland 14, Overijssel 18, Gelderland 13, Noord-Holland/Flevoland 14, Utrecht 16, Haaglanden 15, Rijnmond 17, Zuid-West Nederland 14, Midden- en Oost-Brabant 14, Limburg 13, Totaal 15, Arbeidsmarkt Installatietechniek
52
53 9 Omvang dienstverband 9.1 Omvang dienstverband Op de peildatum is de omvang van het dienstverband landelijk gemiddeld 35,9 uur per week (N=64279). Het aantal uur per week varieert van 0,25 tot 38 uur. De gemiddelde omvang van het dienstverband is gedaald ten opzichte van vorig jaar. Sinds 1992 neemt de gemiddelde omvang van het dienstverband af, van 36,7 uur in 1992, tot 36,0 uur in 2001, en 35,9 uur in In tabel 9.1 staat de gecategoriseerde verdeling van het aantal uur per week. Uit de tabel kunnen we concluderen dat bijna 9 van de 10 werknemers 38 uur per week werken. tabel 9.1 Aantal uur per week (gecategoriseerd) op peildatum in 2002 Aantal Percentage Tot 8 uur 965 1,5% 8 tot 16 uur ,1% 16 tot 24 uur ,5% 24 tot 32 uur ,0% 32 tot 38 uur ,3% 38 uur ,6% Totaal ,0% Waar hangen de verschillen in de omvang van het dienstverband tussen werknemers mee samen? In het vervolg van dit hoofdstuk worden de effecten van kenmerken van werknemers, functie- en bedrijfskenmerken op het aantal uur per week dat men werkt beschreven. Om deze effecten te bepalen is multivariate analyse nodig. Multivariate analyse maakt het mogelijk om het effect van een specifiek kenmerk te bepalen terwijl constant gehouden wordt op de overige kenmerken. Bij univariate analyse is dit niet mogelijk. Bij univariate analyse wordt uitsluitend gekeken naar het verband tussen twee variabelen. Uit univariate analyse kan bijvoorbeeld blijken dat vrouwen gemiddeld minder uur per week werken dan mannen. Het effect van sekse op de omvang van het dienstverband kan echter een schijneffect zijn. Het verschil kan in werkelijk veroorzaakt worden doordat vrouwen vaker in een algemene functie werken, en dat werknemers in een algemene functie gemiddeld minder uur per week werkzaam zijn. Multivariate analyse maakt het mogelijk om mannen en vrouwen te vergelijken die in dezelfde functie werkzaam zijn. 9.2 Omvang dienstverband naar leeftijd en sekse Vrouwen werken gemiddeld minder uur per week dan mannen. In tabel 9.2 staat het gemiddeld aantal uur per week naar sekse. Uit de tabel blijkt dat mannen landelijk gemiddeld 36,9 uur per week, en vrouwen gemiddeld 25,8 uur per week werken. Dat is een verschil van 11,1 uur. In 2001 was dat verschil nog 10,8 jaar. tabel 9.2 Gemiddeld aantal uur per week naar sekse op peildatum in 2002 Gemiddeld aantal uur per week N Mannen 36, Vrouwen 25, Totaal 35, Arbeidsmarkt Installatietechniek
54 Multivariate analyse bevestigd dat vrouwen gemiddeld minder uur per week werken dan mannen. Leeftijd alleen heeft nauwelijks effect op de omvang van het dienstverband. Leeftijd in combinatie met sekse heeft daarentegen wel effect. Indien de overige kenmerken constant worden gehouden blijkt dat het vooral vrouwen ouder dan ±30 jaar zijn die minder uur per week werken dan mannen. In figuur 9.1 staat het aantal uur dat vrouwen per week werken naar leeftijd. Het gemiddelde is aangegeven middels een lijn. Op de x-as staan de leeftijden van 14 t/m 64 jaar. Op de y-as staat het aantal uur per week aantal uur per week leeftijd figuur 9.1 Aantal uur dat vrouwen per week werken naar leeftijd, landelijk, op peildatum in 2002 De figuur laat zien dat vrouwen tot en met ±30 jaar gemiddeld meer uur per week werken dan vrouwen ouder dan ±30 jaar. Vrouwen tot en met 30 jaar werken gemiddeld 31,6 uur per week, terwijl vrouwen ouder dan 30 jaar gemiddeld 23,2 uur per week werkzaam zijn. 9.3 Omvang dienstverband naar etniciteit Allochtone werknemers werken gemiddeld meer uur per week dan autochtone werknemers. In tabel 9.3 staat het gemiddeld aantal uur per week naar etniciteit. Uit de tabel kunnen we concluderen dat autochtone werknemers landelijk gemiddeld 35,8 uur per week, en allochtone werknemers gemiddeld 36,6 uur per week werken. Dat is een verschil van 0,8 uur. Vorig jaar was dit verschil nog 1,2 uur. tabel 9.3 Gemiddeld aantal uur per week naar etniciteit op peildatum in 2002 Gemiddeld aantal uur per week N Autochtonen 35, Allochtonen 37, Totaal 35, Uit multivariate analyse blijkt eveneens dat de omvang van het dienstverband van autochtone en allochtone werknemers verschilt. Indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat allochtone werknemers gemiddeld ruim 35 minuten per week meer werken dan autochtone werknemers. Arbeidsmarkt Installatietechniek
55 9.4 Overige effecten Waar hangen de verschillen in de omvang van het dienstverband tussen werknemers verder mee samen? In de multivariate analyse zijn naast de eerdergenoemde variabelen leeftijd, sekse, en etniciteit ook nog een aantal andere kenmerken opgenomen. Het gaat hier onder meer om specialisatie en functieniveau, bedrijfsomvang, regio en het effect van het in de Randstad gevestigd zijn van een bedrijf. Ook het aantal jaren dat een werknemer werkzaam is bij zijn huidige werkgever is opgenomen in de multivariate analyse. Het effect is klein; indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat een werknemer gemiddeld een uur langer werkt voor elke 12,5 jaar dat hij bij zijn huidige werkgever in dienst is Specialisme en functieniveau Uit multivariate analyse blijkt dat werknemers die werkzaam zijn in een algemene functie gemiddeld ruim een uur minder per week werken dan werknemers die werken in overige functies. Verder werken vrouwen die werken in een algemene functie gemiddeld een kwartier minder dan mannen die werkzaam zijn in een algemene functie. Let op: de effecten zijn cumulatief. Vrouwen in een algemene functie werken dus gemiddeld bijna anderhalf uur minder per week dan werknemers (mannen én vrouwen) die werken in overige functies. Het aantal uur per week is bovendien groter naarmate het functieniveau toeneemt. Zoals eerder gezegd zijn de meeste werknemers werkzaam zijn in een functie op niveau 2 of 3 [zie eerder 5.3]. Indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat werknemers werkzaam in een functie op niveau 1 gemiddeld ruim vijf uur minder, werknemers in een functie op niveau 4 gemiddeld bijna een uur meer, en werknemers in een functie op niveau 5 gemiddeld ruim twee uur meer dan werknemers in een functie op niveau 2 of Bedrijfsomvang Het aantal uur per week is groter naarmate de bedrijfsomvang toeneemt. Indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat werknemers werkzaam bij een bedrijf met 6 t/m 15 werknemers gemiddeld bijna een uur meer, werknemers bij een bedrijf met 16 t/m 50 werknemers gemiddeld ruim een uur en drie kwartier meer, en werknemers bij een bedrijf groter dan 50 werknemers gemiddeld ruim twee uur per week meer werken dan werknemers bij bedrijven van 1 t/m 5 werknemers Regio en het in de Randstad gevestigd zijn van een bedrijf Werken werknemers in bepaalde regio s gemiddeld meer uur per week dan werknemers in andere regio s? In tabel 9.4 staat het gemiddeld aantal uur per week naar regio. De interpretatie van de laatste kolom volgt later in deze paragraaf. tabel 9.4 Gemiddeld aantal uur per week naar regio op peildatum in 2002 Gemiddeld aantal uur per week Multivariate analyse RCI N 1 Noord-Nederland 35, ,2 2 Overijssel 35, ,6 3 Gelderland 35, ,2 4 Noord-Holland/Flevoland 35, ,4 5 Utrecht 36, ,4 6 Haaglanden 35, ,5 7 Rijnmond 36, ,2 8 Zuid-West Nederland 35, ,1 9 Midden- en Oost-Brabant 35, ,1 10 Limburg 36, Totaal 35, Een deel van de verschillen tussen regio s kan verklaard worden doordat bijvoorbeeld in een bepaalde regio relatief meer vrouwen werkzaam zijn dan in de overige regio s. Vrouwen werken gemiddeld minder uur per week dan mannen [zie eerder 9.2]. Hier- Arbeidsmarkt Installatietechniek
56 door kan de gemiddelde omvang van het dienstverband in deze regio kleiner zijn dan in de overige regio s. Echter, ook indien constant gehouden wordt op overige kenmerken blijken er verschillen tussen regio s te bestaan. Uit multivariate analyse blijkt dat werknemers in de regio Limburg gemiddeld het meeste aantal uur per week werken. De verschillen ten opzichte van de regio Limburg staan in de laatste kolom van tabel 9.4. Uit de tabel kunnen we bijvoorbeeld concluderen dat werknemers in de regio Overijssel gemiddeld het minste aantal uur per week werken. Zij werken gemiddeld ruim een half uur per week minder dan werknemers in de regio Limburg. Maar let op: in de multivariate analyse is ook de vestigingsplaats van een bedrijf opgenomen, te weten of het bedrijf al dan niet in de Randstad is gevestigd. De Randstad bestaat grofweg uit de steden Amsterdam, Haarlem, Leiden, Den Haag, Rotterdam, Dordrecht, Utrecht, Amersfoort, Almere, alsmede de plaatsen die in het gebied tussen deze steden ligt. Een aantal regio s ligt deels in, deels buiten de Randstad. Een voorbeeld hiervan is de regio Noord-Holland/Flevoland. Almere ligt bijvoorbeeld wel in de Randstad, Lelystad niet. Andere regio s liggen geheel wel, of geheel niet in de Randstad. De regio Zuid-West Nederland is een voorbeeld van een regio die geheel buiten de Randstad ligt. Werknemers werkzaam bij een bedrijf dat is gevestigd in de Randstad werken indien constant wordt gehouden op overige kenmerken gemiddeld bijna een half uur langer dan werknemers die werken bij een bedrijf dat buiten de Randstad is gevestigd. Let op: de effecten zijn cumulatief. Zo werken werknemers in de regio Noord-Holland/ Flevoland bijvoorbeeld gemiddeld bijna een kwartier per week minder dan werknemers in de regio Zuid-West Nederland [zie tabel 9.4]. Daarnaast werkt een werknemer werkzaam bij een bedrijf in Almere gemiddeld een half uur langer dan een werknemer werkzaam bij een bedrijf in Lelystad (omdat Almere in de Randstad ligt, en Lelystad niet). Beide effecten in ogenschouw nemende betekent dit dat een werknemer werkzaam bij een bedrijf in Almere gemiddeld een kwartier per week meer werkt dan een werknemer die werkt bij een bedrijf in de regio Zuid-West Nederland. Ten slotte werken vrouwen die werken bij een bedrijf dat is gevestigd in de Randstad gemiddeld ruim anderhalf uur per week meer dan vrouwen die werkzaam zijn bij een bedrijf dat buiten de Randstad is gevestigd. De omvang van het dienstverband verschilt niet voor allochtonen die bij een bedrijf in of buiten de Randstad werken. Arbeidsmarkt Installatietechniek
57 10 Lonen/salarisschalen Voor alle beschrijvingen van lonen/salarisschalen geldt: exclusief laagste en hoogste percentiel van uurloon. Gezien een aantal uitzonderlijk lage en hoge uurlonen ( 0,00 of > 100,00) is het aannemelijk dat de registratiebestanden van Mn Services fouten bevatten op dit punt. Deze uitzonderlijke lage en hoge uurlonen zorgen voor een vertekening, en zijn derhalve niet in de analyses opgenomen. Alle bedragen zijn vermeld in euro ( 1=ƒ2,20371) Uurloon Op de peildatum bedraagt het gemiddeld uurloon landelijk 12,18 (N=63135). Het uurloon varieert van 2,91 tot 26,90. Het gemiddeld uurloon is gestegen ten opzichte van vorig jaar. Sinds 1992 stijgt het gemiddeld uurloon, van 9,36 in 1992, tot 11,00 in 2000, en 11,63 in Dat is een stijging van 30,1% over 11 jaar. Waar hangen de verschillen in uurloon tussen werknemers mee samen? In het vervolg van dit hoofdstuk worden de effecten van kenmerken van werknemers, functie- en bedrijfskenmerken op het uurloon beschreven. Om deze effecten te bepalen wordt gebruik gemaakt van multivariate analyse. Multivariate analyse maakt het mogelijk om het effect van een specifiek kenmerk te bepalen terwijl constant gehouden wordt op de overige kenmerken [zie eerder 9.1] Uurloon naar leeftijd In tabel 10.2 staat het gemiddeld uurloon naar leeftijd. Uit de tabel kunnen we concluderen dat het gemiddeld uurloon hoger is naarmate de leeftijd toeneemt. Verder blijkt dat het gemiddeld uurloon van werknemers van 35 tot 45 jaar, werknemers van 45 tot 55 jaar, en werknemers van 55 jaar of ouder nauwelijks van elkaar verschilt. Landelijk verdienen werknemers van 55 jaar of ouder gemiddeld slechts 0,68 meer dan werknemers van 35 tot 45 jaar. tabel 10.1 Gemiddeld uurloon naar leeftijd (gecategoriseerd) op peildatum in 2002 Gemiddeld uurloon N 24 jaar of jonger 6, tot 35 jaar 11, tot 45 jaar 13, tot 55 jaar 14, jaar of ouder 14, Totaal 12, Uit multivariate analyse blijkt eveneens dat het uurloon hoger is naarmate de leeftijd toeneemt. Indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt het gemiddeld uurloon van werknemers in de leeftijdscategorie 24 jaar of jonger gemiddeld 0,87 hoger is als de leeftijd 1 jaar toeneemt. In de leeftijdscategorie 25 tot 35 jaar is dit gemiddeld 0,29, terwijl dit zich in de overige leeftijdscategorieën beperkt tot enkele centen. Het gemiddeld uurloon van werknemers in de leeftijdscategorie 55 jaar of ouder is zelfs 0,08 lager als de leeftijd 1 jaar toeneemt. In figuur 10.1 staat de verdeling van uurloon naar leeftijd. Het gemiddelde is aangegeven middels een lijn. Op de x-as staan de leeftijden van 14 t/m 64 jaar. Op de y-as staat het uurloon. Uit de figuur blijkt eveneens dat de uurlonen van werknemers van 35 jaar en ouder nauwelijks van elkaar verschillen, aangezien de lijn die het gemiddelde aangeeft van 35 jaar bijna horizontaal loopt. Arbeidsmarkt Installatietechniek
58 Uurloon in Leeftijd Bron: Mn Services werknemersbestand OLC/SKO 2002 figuur 10.1 Uurloon naar leeftijd op peildatum, landelijk, op peildatum in Uurloon naar sekse Vrouwen verdienen per uur gemiddeld minder dan mannen. In tabel 10.2 staat het landelijk gemiddeld uurloon naar sekse. Uit de tabel blijkt dat mannen landelijk gemiddeld 12,13, en vrouwen gemiddeld 10,90 per uur verdienen. Dat is een verschil van 1,41. In 2001 was dat verschil nog 1,44. tabel 10.2 Gemiddeld uurloon naar sekse op peildatum in 2002 Gemiddeld uurloon N Mannen 12, Vrouwen 10, Totaal 12, Uit multivariate analyse blijkt eveneens dat het uurloon van mannen en vrouwen verschilt. Indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat vrouwen gemiddeld 0,98 per uur minder verdienen dan mannen Uurloon naar etniciteit Allochtone werknemers verdienen per uur gemiddeld minder dan autochtone werknemers. In tabel 10.4 staat het landelijk gemiddeld uurloon naar etniciteit. Uit de tabel blijkt dat autochtone werknemers landelijk gemiddeld 12,24, en allochtone werknemers gemiddeld 10,94 per uur verdienen. Dat is een verschil van 1,30. In 2001 was dat verschil nog 1,27. tabel 10.3 Gemiddeld uurloon naar etniciteit op peildatum in 2002 Gemiddeld uurloon N Autochtone werknemers 12, Allochtone werknemers 10, Totaal 12, Arbeidsmarkt Installatietechniek
59 Uit multivariate analyse blijkt eveneens dat het uurloon van autochtone en allochtone werknemers verschilt. Indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat allochtone werknemers gemiddeld 0,59 per uur minder verdienen dan autochtone werknemers Uurloon naar omvang dienstverband In tabel 10.4 staat het gemiddeld uurloon naar de omvang van het dienstverband. Uit de tabel kunnen we concluderen dat het gemiddeld uurloon gemiddeld hoger is naarmate men langer per week werkt. Zo verdienen werknemers die minder dan 8 uur per week werken landelijk gemiddeld 10,03 per uur, tegenover een gemiddeld uurloon van 12,29 van werknemers die 38 uur per week werkzaam zijn. Alleen het gemiddeld uurloon van werknemers die 32 tot 38 uur werken is lager dan dat van werknemers die minder uur per week werken. tabel 10.4 Gemiddeld uurloon naar omvang dienstverband op peildatum in 2002 Gemiddeld uurloon N Tot 8 uur 10, tot 16 uur 10, tot 24 uur 11, tot 32 uur 11, tot 38 uur 11, uur 12, Totaal 12, Ook indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat het gemiddeld uurloon gemiddeld hoger is naarmate men langer per week werkt. Zoals eerder gezegd werken de meeste werknemers 38 uur per week [zie eerder 9.1]. In tabel 10.5 staan de verschillen ten opzichte van werknemers die 38 uur per week werkzaam zijn. Zo verdienen werknemers die 8 tot 16 uur per week werken gemiddeld 1,07 per uur minder dan werknemers die 38 uur per week werkzaam zijn. tabel 10.5 Gemiddeld uurloon bij multivariate analyse Gemiddeld uurloon Tot 8 uur -0,17 8 tot 16 uur -1,07 16 tot 24 uur 0,84 24 tot 32 uur -0,47 32 tot 38 uur -0,07 38 uur 10.6 Overige kenmerken Waar hangen de verschillen in uurloon tussen werknemers mee samen? In de multivariate analyse zijn naast de eerdergenoemde variabelen leeftijd, sekse, en etniciteit ook nog een aantal andere variabelen opgenomen. Het gaat hier onder meer om specialisatie en functieniveau, bedrijfsomvang, regio en het effect van het in de Randstad gevestigd zijn van een bedrijf. Het effect van het aantal jaren dat een werknemer werkzaam is bij zijn huidige werkgever dat eveneens is opgenomen in de multivariate analyse is klein. Indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat het uurloon gemiddeld 0,04 hoger is voor elke jaar dat men bij de huidige werkgever in dienst is. Arbeidsmarkt Installatietechniek
60 Specialisme en functieniveau Uit multivariate analyse blijkt dat mannen die in een algemene functie werkzaam zijn gemiddeld 1,62 per uur méér verdienen dan werknemers die in overige functies werken. Vrouwen in een algemene functie verdienen daarentegen 0,03 per uur minder. Het uurloon is hoger naarmate het functieniveau toeneemt. Zoals eerder gezegd zijn de meeste werknemers werkzaam zijn in een functie op niveau 3 [zie eerder 5.3]. Indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat werknemers werkzaam in een functie op niveau 1 gemiddeld 1,73 minder, werknemers in een functie op niveau 2 gemiddeld 0,55 minder, werknemers in een functie op niveau 4 gemiddeld 2,90 meer, en werknemers in een functie op niveau 5 gemiddeld 4,20 per uur meer verdienen dan werknemers in een functie op niveau Bedrijfsomvang Het uurloon is hoger naarmate de bedrijfsomvang toeneemt. Indien constant wordt gehouden op overige kenmerken blijkt dat werknemers werkzaam bij een bedrijf met 6 t/m 15 werknemers gemiddeld 0,27 meer, werknemers bij een bedrijf met 16 t/m 50 werknemers gemiddeld 0,47 meer, en werknemers bij een bedrijf groter dan 50 werknemers gemiddeld 0,60 per uur meer verdienen dan werknemers bij bedrijven van 1 t/m 5 werknemers Regio en het in de Randstad gevestigd zijn van een bedrijf Verdienen werknemers in bepaalde regio s gemiddeld meer dan werknemers in andere regio s? In tabel 10.6 staat het gemiddeld uurloon naar regio. De interpretatie van de laatste kolom volgt later in deze paragraaf. tabel 10.6 Gemiddeld uurloon naar regio op peildatum in 2001 RCI Gemiddeld uurloon N Multivariate analyse 1 Noord-Nederland 11, ,32 2 Overijssel 11, ,85 3 Gelderland 12, ,79 4 Noord-Holland/Flevoland 12, ,30 5 Utrecht 13, Haaglanden 12, ,13 7 Rijnmond 12, ,13 8 Zuid-West Nederland 11, ,52 9 Midden- en Oost-Brabant 12, ,37 10 Limburg 12, ,96 Totaal 12, Een deel van de verschillen tussen regio s kan verklaard worden doordat bijvoorbeeld in een bepaalde regio relatief meer vrouwen werkzaam zijn dan in de overige regio s. Vrouwen verdienen gemiddeld minder dan mannen [zie eerder 10.3]. Hierdoor kan het gemiddeld uurloon in deze regio lager zijn dan in de overige regio s. Echter, ook indien constant gehouden wordt op overige kenmerken blijken er verschillen tussen regio s te bestaan. Uit multivariate analyse blijkt dat werknemers in de regio Utrecht gemiddeld het meest verdienen. De verschillen ten opzichte van de regio Utrecht staan in de laatste kolom van tabel Uit de tabel kunnen we bijvoorbeeld concluderen dat werknemers in de regio Noord-Nederland gemiddeld het minst verdienen. Zij verdienen gemiddeld 1,32 per uur minder dan werknemers in de regio Utrecht. Het in de Randstad gevestigd zijn van een bedrijf blijkt geen effect te hebben op de hoogte van het uurloon indien constant wordt gehouden op overige kenmerken. Wel is het zo dat vrouwen die werken bij een bedrijf dat is gevestigd in de Randstad gemiddeld 0,10 per uur meer verdienen dan vrouwen die werkzaam zijn bij een bedrijf dat buiten de Randstad is gevestigd. Allochtonen die werken bij een bedrijf dat is gevestigd in de Randstad verdienen 0,26 per uur minder dan allochtonen die werkzaam zijn bij een bedrijf dat is gevestigd buiten de Randstad. Arbeidsmarkt Installatietechniek
61 11 Prognose arbeidsmarktontwikkelingen We gaan ervan uit dat de vraag naar werknemers wordt bepaald door twee factoren: vervangingsvraag én uitbreidingsvraag. De vervangingsvraag komt tot stand doordat werknemers de branche verlaten, enerzijds door pensionering, anderzijds door vertrek uit de branche naar andere branches. Dit laatste wordt niet opgenomen bij de bepaling van de vervangingsvraag. De vervangingsvraag wordt dus alleen bepaald door de leeftijd van een werknemer te nemen als indicatie voor zijn vervangingsratio in het komende jaar. De jongere werknemers hebben een vervangingsratio van bijna 0. Voor oudere werknemers kan die vervangingsratio oplopen tot 1, in geval van een aanstaand pensioen. In de praktijk komt het erop neer dat voor werknemers ouder dan 40 een vervangingsratio wordt berekend Macromodel De definitie van de installatiebranche is in het macromodel ruim genomen. Het gaat hierbij om bouwinstallatiebedrijven, dat wil zeggen de loodgieters-, fitters-, en sanitairinstallatiebedrijven, centrale verwarming en luchtbehandelingbedrijven, isolatiebedrijven en elektrotechnische installatiebedrijven. Bij de gegevens voor de regio worden resultaten uitsluitend van werktuigkundige installatiebedrijven gegeven. 17 Aantallen die genoemd worden hebben betrekking op het aantal personen en niet op het aantal fulltime arbeidsplaatsen. Het macromodel is gevuld met de volgende gegevens: Werkzame personen per eind september van: o Loodgieters, fitters-, en sanitairinstallatiebedrijven (SBI ); o Centrale verwarming en luchtbehandeling (SBI ); o Bouwinstallatie (SBI 453); Toegevoegde waarde van de productie in: o Loodgieters-, fitters-, en sanitairinstallatiebedrijven; o Centrale verwarming en luchtbehandeling; o Bouwinstallatie; o Bouwnijverheid; Indexcijfer van de productieprijs van woningen en andere gebouwen; Gemiddeld aantal vacatures over het hele jaar van: o Loodgieters-, fitters-, en sanitairinstallatiebedrijven; o Centrale verwarming en luchtbehandeling; o Bouwinstallatie; o Bouwnijverheid; Indexcijfer van regelingslonen van: o Metaal en elektrotechnische industrie (voor december); o Bouwinstallatie (voor december); Prijsindexcijfer gezinsconsumptie; Consumentenprijsindex alle huishoudens (gemiddeld over heel jaar); Landelijk werkeloosheidspercentage mannen; Geregistreerde werklozen bouwinstallatiebedrijven (gemiddeld over heel jaar); Investeringen vaste activa bouwinstallatiebedrijven van computer en overige machines en dergelijke, gedeeld door het totaal aan investeringen vaste activa bouwinstallatiebedrijven; Werkzame beroepsbevolking naar leeftijd betreffende aantal jarigen binnen bouwinstallatiebedrijven (SBI 453) Aantal geregistreerde leerovereenkomsten (2001). Het computermodel is gevuld met de door het Centraal Bureau voor de Statistiek [CBS] aangeleverde gegevens vanaf 1980 t/m Voor het jaar 2002 zijn nog niet alle gegevens door het CBS leverbaar. Op basis van algemene tendensen is in het model voor 2003 een groei van 0,7% opgenomen. Het aantal vacatures dat voor 2002 in het model is opgenomen, is gebaseerd op MMi-onderzoek. 17 Dat wil zeggen: alle hiervoor genoemde bedrijfssoorten, behalve isolatiebedrijven en elektrotechnische installatiebedrijven. Arbeidsmarkt Installatietechniek
62 Het MMi-onderzoek geeft aan dat bij de installatiebedrijven ongeveer 2500 vacatures niet vervuld kunnen worden op 1 januari Op 1 januari 2002 waren dat er nog Op basis van de modellen is een voorspelling gemaakt van de vraag naar arbeid (in aantallen werkzame personen) en het aantal te verwachten vacatures tot Vraag naar arbeid installatietechniek (op macroniveau) Aan de hand van de gegevens van het CBS is op basis van modelberekeningen een voorspelling gedaan over de relatieve wijziging in de vraag naar arbeid in de installatietechniek op de korte en middellange termijn. In figuur 11.1 zijn op basis van de voorspelde relatieve wijzigingen verwachte toekomstige absolute waarden van de vraag naar installatietechnische arbeid weergegeven. 110 Waargenomen vraag Verwachte vraag aantal werknemers x Vraag naar arbeid in bouwinstallatiebedrijven figuur 11.1 Verwachte vraag naar arbeid in de bouwinstallatie Uit de figuur blijkt dat er vanaf 1995 een stijging van de vraag naar arbeid in de bouwinstallatie is. Na 1999 is de verwachte vraag (lijn met bolletjes) uitgezet tegen de waargenomen vraag (lijn met driehoekjes). De werkelijke vraag blijkt iets lager uit te komen dan de verwachting. Bij de werkelijke vraag naar arbeid is er sinds 2000 sprake van een afname. De verwachting voor de komende jaren is dat de vraag naar arbeid verder zal afnemen, tot naar het niveau van Het is goed op te merken dat voor deze schattingen gebaseerd zijn op gegevens voor de sector bouwinstallatiebedrijven, die aanzienlijk groter is dan de werktuigkundige installatietechniek. Als we de werkelijke ontwikkeling over de periode in de bouwinstallatie (-1,6%) vergelijken met de ontwikkeling van de personeelsomvang (+2,8%) bij de werktuigkundige installatiebedrijven (OLC+SKO), dan zien we dat de achteruitgang die in de sector bouwinstallatie plaats vindt (nog) niet merkbaar is bij de werktuigkundige installatietechniekbedrijven Onvervulde vraag naar arbeid installatietechniek (op macroniveau) Voor het schatten van de toekomstige relatieve wijziging in het aantal vacatures in de installatietechniek dienen de te verwachten relatieve wijzigingen in de vraag naar arbeid, het aantal afgesloten leerovereenkomsten, het aantal werkzame personen in de installatietechniek van 45 jaar of ouder, en het totaal aantal werklozen in Nederland voorspeld te worden. In figuur 11.2 is op basis van deze voorspelde relatieve wijzigingen in het aantal openstaande installatietechnische vacatures het voorspelde absolute aantal vacatures in de bouwinstallatiebedrijven weergegeven. Arbeidsmarkt Installatietechniek
63 Waargenomen vacatures Verwachte vacatures Vacatures bij bouwinstallatiebedrijven figuur 11.2 Aantal onvervulde vacatures in de bouwinstallatie De figuur laat zien dat na de sterke groei in vacatures in de periode er een vrij sterke daling is ingezet van het aantal onvervulde vacatures. Het hier gegeven cijfer voor onvervulde vacatures is het gemiddelde op jaarbasis voor de bouwinstallatiebedrijven. Een vacature wordt als onvervuld beschouwd als hij tenminste zes maanden open staat. Over de periode is er een afname van onvervulde vacatures van ongeveer 16%. De verwachting is dat het aantal onvervulde vacatures de komende jaren verder zal afnemen Verwachte tekorten en overschotten Op basis van de in dit rapport gepresenteerde leerlingen- en werknemersaantallen kunnen vraag en aanbod met elkaar in verband gebracht worden. We doen dit als volgt: We tellen het aantal werknemers in de installatietechniek, en onderscheiden die naar functie en niveau [zie 5.3]. Het aantal werknemers wordt gecorrigeerd voor leerlingen die in opleiding zijn (BBL-ers) en die worden meegeteld als werknemer (wat ze CAO-technisch ook zijn). Het aantal leerlingen wordt afgetrokken van het aantal werknemers. Het aantal werknemers dat hierna overblijft is uitgangspunt voor de berekening van het aantal werknemers dat in de periode nodig is om aan de vervangingsvraag te kunnen voldoen. De vervangingsvraag wordt geschat op basis van verwachte uitstroom uit de branche door pensionering, overlijden, en vertrek uit de branche om andere redenen. Bij bedrijven wordt de groeivraag gemeten, en hoeveel en wat voor soort personeel nodig is voor de gewenste uitbreiding. Groei- en uitbreidingsvraag worden gecombineerd tot één aantal werknemers dat nodig zou zijn om aan de uitbreidings- en vervangingsvraag te kunnen voldoen. Het vereiste aantal werknemers wordt vergeleken met het aantal leerlingen in opleiding, zowel in het BBL- als het BOL-traject. Van leerlingen in opleiding zijn uitstroompercentages berekend op basis van uitstroom en doorstroom in het verleden. De verwachte uitstroom uit het onderwijs wordt vergeleken met het aantal werknemers dat nodig zou zijn voor vervanging en groei. De verschillen tussen vraag en aanbod worden gepercenteerd op het totaal aantal werknemers. Arbeidsmarkt Installatietechniek
64 Nadat vraag en aanbod met elkaar in verband zijn gebracht, zijn de landelijk te verwachten tekorten en overschotten berekend. Het resultaten staan in tabel Zowel de percentages als de aantallen werknemers zijn afgerond op hele getallen. tabel 11.1 Verwachte procentuele tekorten en overschotten voor de periode , gepercenteerd op het huidige aantal werknemers (percentage, aantal) Niveau A: Koudetechniek en luchtbehandeling B: Montage gas en verwarming C: Service en onderhoud gas en verwarming D: Ontwerpen en tekenen E: Dakbedekkingtechniek F: Huishoudelijke en sanitaire installaties G: Distributietechniek Totaal ,0% -12-3,1% -12-5,3% ,3% -25 1,0% 2-2,4% ,5% -37-3,8% -56-4,2% ,2% -5 0,1% 2-2,8% ,2% -23-0,2% -4-1,6% -88-1,5% -49 0% 0-1,7% ,5% -32-1,3% -4-4,5% -88-4,2% -49 0% 0-3,1% ,9% -2-1,0% -3-2,0% -44-0,1% -1 0% 0-0,6% -50-4,8% -72-3,3% -79-1,3% ,9% % 0-1,0% ,0% -5-3,0% -31-2,0% -46-2,0% -15 0% 0-2,0% 98-3,2% ,7% ,1% ,2% ,1% 4-1,4% Voor de periode wordt een tekort van 1% (1678 werknemers) verwacht. Voor de vorige periode ( ) werd nog een tekort van 2% verwacht. Functies op niveau 1 (montage-assistenten) vallen feitelijk buiten het rekenbereik omdat die niet voldoende voorkomen bij telling van het aantal werknemers in de marktverkenning. De verwachte instroom op de arbeidsmarkt is berekend op basis van de aantallen leerlingen die op dit moment in opleiding zijn. Op basis van modelberekeningen op leerlingenstromen in het verleden gaan we ervan uit dat ongeveer de helft van de leerlingen op de niveaus 3 en 4, en ongeveer eenderde van de leerlingen op de niveaus 1 en 2 ook daadwerkelijk de opleiding zullen afronden en zullen toetreden tot de arbeidsmarkt. Zij verliezen hun status als leerling (voorzover in het BBL-traject en daarmee al werkzaam bij een bedrijf) en blijven in de meeste gevallen werknemer. De percentages in de totaalkolom rechts en de onderste getotaliseerde rij zijn geen som van de percentages in de rijen en kolommen. Dat komt doordat per cel het percentage instroomtekort/-overschot is berekend. Elke cel gaat over een verschillend aantal personen. Door deze verschillen worden de percentages tekorten en overschotten in de berekening van het totaal meer of minder zwaar meegewogen. Een cel met een groot tekort die maar over weinig mensen gaat telt minder zwaar mee in de berekening van het totaal dan een cel met een groot tekort die over veel meer mensen gaat. Arbeidsmarkt Installatietechniek
65 12 Scholing/kennisoverdracht 12.1 Samenhang met technologische ontwikkelingen Introductie van nieuwe technieken brengt een kennisbehoefte met zich mee [zie eerder 3.4]. In het technologieonderzoek naar de toepassing van nieuwe technieken is bedrijven gevraagd aan te geven of en met betrekking tot welke ontwikkelingen zij behoefte hebben aan informatie en/of scholing. Voor elk van de vier trends staat in tabel 12.1 het percentage bedrijven dat heeft aangegeven behoefte te hebben aan aanvullende informatie en/of scholing om ontwikkelingen te kunnen gaan of te blijven toepassen. tabel 12.1 Gemiddeld percentage bedrijven met informatie- en/of scholingsbehoefte op ontwikkelingen binnen trends Percentage bedrijven Trend met info-behoefte Integratie van applicaties binnen geïntegreerde systemen 14,4 Hogere eisen aan kwaliteit van het binnenklimaat 18,8 Duurzaam bouwen 15,3 Installatie-uitvoering en systeemkeuze 14,8 Totaal 15,8 Het gemiddeld percentage bedrijven dat een informatie en/of scholingsbehoefte rapporteert is bijna 16%. Per trend is dat soms iets meer of iets minder, maar de afwijkingen zijn niet groot. Deze gemeten scholingsbehoefte hangt natuurlijk samen met het al dan niet toepassen van technologieën. Het al dan niet toepassen van technologieën heeft op zijn beurt weer te maken met het soort diensten en producten dat een bedrijf aanbiedt. Daarom is het ook goed een vergelijking te maken met het producten- en dienstenpakket dat bedrijven hebben [zie verder ] Scholingsconsumptie De consumptie wordt gedefinieerd als het aantal scholingsdagen dat wordt gesubsidieerd door het opleidingsfonds. Een bij het OLC aangesloten bedrijf heeft recht op één gesubsidieerde scholingsdag per werknemer per jaar. Het aantal door het OLC gesubsidieerde scholingsdagen is dus een maat voor de scholing die is geconsumeerd. Per bedrijf worden gemiddeld 4,5 dagen door het OLC aan scholingsdagen gesubsidieerd, en gemiddeld ruim 0,3 dagen per werknemer. In figuur 12.1 wordt aangegeven hoe de scholingsconsumptie is verdeeld over de maanden in het jaar. Arbeidsmarkt Installatietechniek
66 25,0% 20,0% 15,0% 10,0% 5,0% «I125» 0,0% figuur 12.1 Aantal scholingsdagen per maand Uit de figuur blijkt dat in de eerste helft van het jaar meer wordt geschoold dan in de tweede helft. 20% Van de cursussen wordt in januari gevolgd. In juli en augustus worden in verband met de zomervakantie nauwelijks cursussen gevolgd Scholingsconsumptie naar bedrijfsomvang In figuur 12.2 staat de scholingsconsumptie, uitgesplitst naar bedrijfsomvang < > «I124» figuur 12.2 Scholingsverlof naar bedrijfsomvang Er kan gezegd worden dat bedrijven in de categorie 16 t/m 50 werknemers samen de meeste scholingsdagen consumeren. In het voorgaande jaar was het nog zo dat de grootste bedrijven (meer dan 100 werknemers) de meeste scholingsdagen voor hun rekening namen. Arbeidsmarkt Installatietechniek
67 Scholingsconsumptie naar specialisatie In figuur 12.3 wordt de scholingsconsumptie uitgesplitst naar specialisatie. De specialismen zijn: A. koudetechniek en luchtbehandeling; B. montage gas en verwarming; C. service en onderhoud gas en verwarming; D. ontwerpen en tekenen; E. dakbedekkingtechniek; F. huishoudelijke en sanitaire installaties; G. distributietechniek. 30,0% 25,0% 20,0% 15,0% 10,0% 5,0% «I123» 0,0% A B C D E F G figuur 12.3 Scholingsverlof naar specialisatie De meeste scholingsdagen (bijna 25%) worden besteed aan cursussen in de specialisatie service en onderhoud gas en verwarming (C). Daarna volgen de specialisaties koudetechniek en luchtbehandeling (A) met 19,7% en montage gas en verwarming (B) met 19,6% Activiteiten voor kennisoverdracht Door de organisaties participerend binnen de Bestuurscommissie Technologie worden verschillende activiteiten ondernomen in het kader van kennisoverdracht. Wanneer we deze groeperen naar de in dit kader gehanteerde trends zien we een duidelijk overwicht van activiteiten binnen de trend duurzaam bouwen. Tevens kunnen we hierbij constateren dat een groot aantal van de activiteiten zich richt op het proces rond de projectvoorbereiding en de ontwerpfase. Op zich lijkt dit een terechte positionering van de kennisoverdrachtactiviteiten als we weten dat met name in het traject duurzaam bouwen de belangrijke acties en beslismomenten in de genoemde projectfasen plaatsvindt. Het vanuit installatietechnisch oogpunt voldoende invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming in de vroege fase van het bouwproces, impliceert dat de installateur ook in de positie moet zijn om in deze fase zijn invloed uit te oefenen. Het door de installateur/adviseur in bouwteamverband meedenken en werken komt dan ook steeds vaker aan de orde. Dit functioneren vraagt naast vakinhoudelijke kennis van zaken ook voldoende kennis en inzichten van bouwkundige aard als ook van bouwfysica. Ook een bredere kennis van materialen en hun typische werking is hierbij van belang. Het zal derhalve noodzakelijk zijn om naast het ontwikkelen van kennisproducten met betrekking tot de noodzakelijke installatietechnische ontwikkelingen ook meer aandacht te gaan besteden aan de kennis en kunde die nodig is om als installateur of Arbeidsmarkt Installatietechniek
68 installatietechnisch adviseur een gewenste rol in de beginfase van het bouwproces te kunnen vervullen. Nadere afstemming tussen partijen van lopende dan wel geprogrammeerde activiteiten en plannen om tot betere inzet van installatietechnische technieken te kunnen komen is hierbij van belang. Arbeidsmarkt Installatietechniek
69 13 Arbeidsmarktontwikkelingen en kennisoverdracht In dit hoofdstuk worden de activiteiten voor kennisoverdracht in relatie gebracht met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Zo wordt een beeld verkregen van de mate waarin de branche in staat is door middel van kennisoverdracht in te spelen op de verwachte ontwikkelingen in de arbeidsmarkt. Dit is al enigszins gebeurd bij het berekenen van de verwachte tekorten en overschotten die in 11.4 zijn gegeven. Hier wordt immers de vraag naar arbeid gerelateerd aan onder meer de verwachte uitstroom uit het onderwijs. Maar er blijven nog enkele vragen open: in hoeverre sluit de spreiding van het opleidingsaanbod aan op de vraag naar arbeid, met andere woorden: is er wel voldoende aanbod van onderwijs in functies waarin veel vraag naar arbeid is? Is er aanbod van onderwijs bij beroepen en functies die veel te maken krijgen met technologische ontwikkelingen? In 11.4 is geconstateerd dat de grootste procentuele tekorten op de arbeidsmarkt te vinden zijn in de specialisatie koudetechniek en luchtbehandeling op niveaus 3 en 5, in de specialisatie ontwerpen en tekenen op niveau 2 en 3. Met uitzondering van dakbedekking is er in alle specialismen een relatief groot tekort aan werknemers op niveau 5 en in de specialismen koudetechniek en luchtbehandeling, montage gas en verwarming, huishoudelijke en sanitaire installaties en distributietechniek op niveau 4. Ook is er een relatief groot tekort in de specialisatie montage gas en verwarming op niveau 3. Op niveau 1 in de specialisatie koudetechniek en luchtbehandeling is er sprake van een overschot van 1%. Bij de berekening van deze tekorten en overschotten is, zoals hiervoor is gemeld, al rekening gehouden met de te verwachten uitstroom uit het onderwijs naar de arbeidsmarkt. De invulling van deze tekorten moet dus komen uit de zij-instroom, of de instroom uit andere opleidingen. Om minder afhankelijk te zijn van deze instroom is het derhalve zaak meer leerlingen aan te trekken in de reguliere beroepsopleidingen voor de installatietechniek. Naast het inspelen op overschotten of tekorten in de arbeidsmarkt, is het van belang bij kennisoverdracht in te spelen op de mate waarin beroepen en functies aan verandering onderhevig zijn. Hierop is eerder ingegaan in 5.4. Wij willen deze gegevens nu vergelijken met het onderwijsaanbod in dezelfde matrix van specialismen en niveaus. Zo wordt een beeld gegeven in hoeverre het onderwijsaanbod aansluit op de mate van verandering waaraan beroepen onderhevig zijn. In figuur 13.1 staat de mate waarin werknemers te maken krijgen met technologische ontwikkelingen. Deze figuur is eerder weergegeven in 5.4. In figuur 13.2 staat het onderwijsbod. Arbeidsmarkt Installatietechniek
70 5 4 3 Niveau 2 1 A B C D E F G H Specialisme figuur 13.1 De mate waarin werknemers te maken krijgen met technologische ontwikkelingen naar specialisatie en functieniveau figuur 13.2 Landelijk onderwijsaanbod Als we figuur 13.1 en figuur 13.2 met elkaar vergelijken levert dit een aantal overeenkomsten en een aantal discrepanties op. De overeenkomsten bestaan vooral in de specialisatie huishoudelijke en sanitaire installaties (F) op niveau 3 en bij algemene functies (H) op niveau 5. Beroepen in deze specialisatie op dit niveau zijn in hoge mate aan verandering onderhevig. Er is evenwel ook onderwijsaanbod. Een andere vorm van overeenkomst is het ontbreken van onderwijsaanbod op plaatsen waar ook weinig verandering wordt geconstateerd. Dit zien we bijvoorbeeld in alle specialisaties op niveau 1. Echter, in de specialisatie huishoudelijke en sanitaire installaties (F) is geen onderwijs op niveau 5, terwijl hier wel sprake is van verandering. Hier is sprake van een discrepantie. Een grote discrepantie tussen beide figuren is te vinden bij algemene functies (H) op niveau 3. Hier is een zeer groot onderwijsaanbod, terwijl deze beroepen niet of nauwelijks aan verandering onderhevig zijn. In mindere mate geldt dit ook voor de niveaus 2 en 4. Er wordt hier dus veel onderwijs aangeboden op plaatsen waar de be- Arbeidsmarkt Installatietechniek
71 roepen weinig of geen verandering ondergaan, in feite een inzet van middelen op de verkeerde plaats. Hiervan is ook sprake in de specialisaties koudetechniek en luchtbehandeling (A) en service en onderhoud gas en verwarming (C) op de niveaus 2 en 3, zij het in mindere mate. Aan de andere kant zijn sommige beroepen en functies wel veel aan verandering onderhevig, maar wordt er weinig of geen onderwijs aangeboden. Dat is met name het geval op de niveaus 4 en 5. In vrijwel alle specialisaties hebben werknemers op deze niveaus te maken met veranderingen, maar is er weinig of geen aanbod van onderwijs. Veel verandering impliceert een noodzaak aan onderwijs, en er is in deze gevallen sprake van een tekort aan cursussen en opleidingen. Arbeidsmarkt Installatietechniek
72
73 14 Samenvatting en conclusies In het onderhavige rapport zijn de resultaten van de MarktMonitor Installatietechniek (MMi) 2003 gepresenteerd. De arbeidsmarkt en de ontwikkelingen die zich daarop afspelen vormen de rode draad door dit rapport. In dit rapport wordt niet alleen gekeken naar kwantitatieve ontwikkelingen aantallen bedrijven/werknemers, uitbreidings- en vervangingsvraag, maar ook naar de kwalitatieve ontwikkelingen. Bij kwalitatieve ontwikkelingen gaat het om ontwikkelingen op het gebied van technologie, en de wijze waarop de branche en werknemers daarmee te maken krijgen. Verandering van beroepen van werknemers en aanpassing van werkprocessen bij bedrijven om nieuwe producten en diensten in de bedrijfsvoering te integreren krijgen hierbij de aandacht. Het gaat hier met name om de kennisbehoefte die technologische ontwikkelingen met zich mee brengt. Ten slotte worden de kwantitatieve en kwalitatieve ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in verband gebracht met scholing/kennisoverdracht. In dit hoofdstuk komen in 14.1 een aantal conclusies aan de orde. In 14.2 volgen ten slotte een aantal suggesties voor vervolgonderzoek Algemeen Het grootste deel van de bedrijven bestaat uit relatief kleine bedrijven. Ongeveer vier van de vijf bedrijven in de installatie branche heeft 15 werknemers of minder in dienst. Er bestaat een kloof in de adoptie van nieuwe technologie ontwikkelingen tussen de kleinere en grotere bedrijven in de installatie branche. Kleinere bedrijven blijken minder goed in staat om technologische ontwikkelingen op te pakken en te integreren in de bedrijfsvoering in vergelijking met de grotere bedrijven in de markt. Omdat het overgrote deel van de bedrijven bestaat uit kleine bedrijven wordt hierdoor de innovatiekracht van de bedrijfstak als geheel in grote mate beïnvloed. Het overbruggen van deze kloof kan een duidelijke verbetering van deze innovatiekracht bewerkstelligen. Mogelijkheden om deze kloof te overbruggen zijn bijvoorbeeld: Het stimuleren van het toepassen van nieuwe technologieën, met name bij kleinere bedrijven; Het zorgdragen voor een goede aansluiting tussen scholing en de wijze waarop kleinere bedrijven hieraan deelnemen; Het informeren van kleinere bedrijven omtrent technologische ontwikkelingen; Het informeren van kleinere bedrijven over marktkansen en de afzetmogelijkheden bij het gebruik van nieuwe technologie, en de marktsegmenten waarop zij zich hierbij dienen te richten. Voldoende informatie over de mogelijkheden en inzicht in de voordelen van het toepassen van nieuwe technieken is een noodzakelijke voorwaarde voor installateurs om hun adviserende taak adequaat uit te kunnen voeren. Kennis voorkomt dat de installateur een afwachtende houding aanneemt, en achter de ontwikkelingen aan loopt. Vanaf 1995 vond er jaarlijks een daling plaats van de procentuele groei van het aantal werkzame personen in de installatietechniek. Voor het jaar 2002 kunnen we echter constateren dat er een stijging van 2,8% plaatsvond ten opzichte van het jaar Het is te vroeg om vast te stellen of dit een incidentele toename betreft, of dat het een begin is van een opwaartse trend voor de komende jaren. De verwachting is dat de vraag naar arbeid de komende jaren verder zal afnemen tot het niveau van Het aantal onvervulde vacatures is over de periode gedaald met 16%. Deze daling zal zich de komende jaren naar verwachting voortzetten. Echter, er wordt nog steeds een landelijk tekort van 1% verwacht voor de periode Beleidsmatige aandacht voor het bevorderen van instroom alsmede het beperken van uitstroom blijft daarom van belang. Werknemers in de leeftijdscategorieën tot 35 jaar stromen vaker in en uit de branche dan werknemers in de leeftijdscategorieën vanaf 35 jaar. Zo is van de werknemers van 24 jaar of jonger slechts 57% doorstromer, en van de werknemers van 25 tot 35 jaar ongeveer 77%. De overige werknemers in deze leeftijdscategorieën stromen in of uit de branche, al dan niet tijdelijk. Van de werknemers in de leeftijdscategorieën va- Arbeidsmarkt Installatietechniek
74 vanaf 35 jaar en ouder bedraagt het percentage doorstromers meer dan 80%. Hieruit kan geconcludeerd worden dat uitstroom beperkende maatregelen zich met name dienen te richten op werknemers tot 35 jaar. Verder kan geconcludeerd worden dat instroom bevorderende maatregelen niet uitsluitend op werknemers die uitstromen uit het onderwijs gericht dienen te zijn, maar vanwege de relatief hoge mobiliteit van jongere werknemers eveneens op zij-instroom, bijvoorbeeld vanuit aangrenzende branches. Bij bedrijven met vijf werknemers of minder maken instromers gemiddeld 14% uit van het personeelsbestand, daarentegen stroomt 11% van de werknemers bij kleine bedrijven de branche uit. Grotere bedrijven lijken beter in staat hun personeel te behouden, werknemers verlaten namelijk relatief minder vaak de branche indien zij werkzaam zijn bij een groter bedrijf. Uit aanvullend onderzoek van MarktMonitor naar de instroom- en uitstroommotieven van werknemers in de installatiebranche blijkt ondermeer dat de invulling van de primaire arbeidsvoorwaarden een belangrijke reden is voor het verlaten van de branche. Werkinhoudelijke factoren worden door werknemers aangegeven als motief om in de installatie branche te gaan werken. Sociale factoren worden zowel door de instromers als de uitstromers genoemd. Er zijn in Nederland 4676 bedrijven gevestigd. Het grootste deel van de bedrijven heeft 1 t/m 5 werknemers in dienst. Bedrijven met meer dan 50 werknemers blijken over het algemeen beduidend beter in staat technologieontwikkelingen op te pakken en binnen de bedrijfsvoering een plek te geven. Slechts 5,6% van de bedrijven heeft meer dan 50 werknemers in dienst. Het grootste deel van het producten- en dienstenpakket bestaat uit werkzaamheden op het gebied van montage gas en verwarming, en huishoudelijke en sanitaire installaties. Het aantal werkzame personen is in 2002 met 2,8% gestegen ten opzichte van vorig jaar. Sinds 1992 is het totaal aantal werkzame personen gestegen met ruim 45%. Er is sprake van een afvlakking in de toename van het aantal werkzame personen in de installatietechniek. Er zijn in werkzame personen. De meeste werknemers zijn werkzaam in de specialisatie ;huishoudelijke en sanitaire installaties op niveau 3. Het zijn vooral de werknemers in de specialisaties ontwerpen en tekenen en huishoudelijke en sanitaire installaties op niveau 3 die in hun beroep te maken krijgen met technologische ontwikkelingen. Het totaal aantal leerlingen is met ruim 2% gestegen. Naar verwachting stromen 2790 leerlingen uit het onderwijs. De gemiddelde leeftijd van alle werknemers is 36,6 jaar. Sinds 1994 stijgt de gemiddelde leeftijd jaarlijks met ongeveer 0,2 jaar. Van alle werknemers is 9,4% vrouw, en 5% allochtoon. De gemiddelde omvang van het dienstverband is 35,9 uur per week. Het gemiddeld uurloon bedraagt 12,18. Per bedrijf worden gemiddeld 4,5 dagen door het OLC aan scholingsdagen gesubsidieerd, en gemiddeld ruim 0,3 dagen per werknemers. Er kan gezegd worden dat bedrijven in de categorie 16 t/m 50 werknemers samen de meeste scholingsdagen consumeren Vervolgonderzoek In dit onderzoek is gekeken naar ontwikkelingen op de arbeidsmarkt op basis van verschillende databronnen, waaronder enquêtedata, registratiedata, alsmede macroeconomische gegevens. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek en de presentatie daarvan aan de regionale commissies kunnen een aantal vervolgvragen worden geformuleerd. De fondsen OLC en OFE (het opleidings- en ontwikkelingsfonds voor de elektrotechnische branche) zijn voornemens om te fuseren. Het uitbreiden van het onderhavinge rapport met gegevens over elektrotechnische branche ( uitbreiding naar E ) is derhalve wenselijk. Arbeidsmarkt Installatietechniek
75 Uit aanvullend onderzoek is zoals gezegd meer duidelijk geworden over de motieven van werknemers om de branche in of uit te stromen. Tevens is in dit onderzoek aan de orde gekomen waar instromers vandaan komen (welke opleiding zij gedaan hebben, dan wel in welke branche zij voorheen werkzaam waren), en waar uitstromers naar toe gaan. Een van de conclusies van dit onderzoek was dat zes van de tien instromers geen opleiding heeft gevolgd installatietechniek. De vraag is in hoeverre de opleiding van deze instromers aansluit bij hun werkzaamheden in de installatiebranche. Ervaren deze instromers aansluitingsproblemen tussen hun opleiding en werk? En/of ervaren hun werkgevers problemen? Is speciale scholing voor deze instromers vereist of gewenst, of komen zij ook zonder bijscholing goed op hun plek terecht? Gezien de voorgenomen fusie tussen OLC en OFE is het met name interessant te kijken naar personen die van de installatiebranche naar de elektrobranche stromen, en andersom. Hebben personen die eerst in de elektrobranche hebben gewerkt aansluitingsproblemen als zij overstappen naar de installatiebranche? En zo ja, welke problemen zijn dat? Nader onderzoek zou antwoord kunnen geven op deze vragen. Arbeidsmarkt Installatietechniek
76
77 15 Beleidsaanbevelingen 15.1 De installatiebranche anno 2003 In de Nederlandse economie en de metaaltechnische bedrijfstakken in het bijzonder gaat het momenteel slecht. Uit voorgaande economisch mindere periodes is bekend dat installatietechniek hiervan niet direct gevolgen ondervindt. Dit gebeurt veelal pas na verloop van tijd (meer dan 1 jaar). Momenteel lijkt dit minder het geval te zijn. Werknemersaantallen blijven stabiel en werkgevers zien al weer licht aan de horizon. Op een enkele regio na, waar bedrijven elkaar ongezond lijken te beconcurreren, zijn werkgevers gematigd positief en bereid te anticiperen op dat wat gaat komen. De installatiebranche heeft zich uitermate sterk ontwikkeld in de afgelopen 10 jaar daar waar andere sectoren binnen de metaaltechnische bedrijfstak stabiel bleven of zelfs achteruitgang vertoonden. Een mogelijk verschil lijkt hierbij de snelheid te zijn waarmee maatschappelijke en technische ontwikkelingen in kansen zijn omgezet. Dit anticipatievermogen is ook de komende jaren van groot belang voor het welzijn van de installatietechniek. Er staat namelijk veel te gebeuren. Een periode waarin de technische sectoren te maken krijgen met verschuivingen binnen de populatie werknemers (ontgroening aan de instroomkant en vergrijzing aan de uitstroomzijde). In de relatie met het onderwijsveld zullen verschuivingen in verantwoordelijkheid ontstaan waarbij het onderscheid tussen een theoretische en praktische leerweg zal vervagen. Kortom er zal de komende jaren hard gewerkt dienen te worden om de huidige concurrentiepositie van de installatiebranche te behouden en het algemene kennisniveau op peil te houden. Daarnaast dient er gemeenschappelijk gewerkt te worden aan het verder in beeld brengen van de Techniek als sector. Het imago van de installatietechniek hangt voor een groot deel samen met het imago van de technische sector. Het imago van deze laatste vertoond steeds meer barsten en heeft dringend behoefte aan revisie en enkele stevige vertolkers hiervan op landelijk niveau Relatie onderwijs-bedrijfsleven Het bedrijfsleven is de afgelopen jaren geconfronteerd met een afname in kwaliteit van instromend personeel. Daar waar 10 jaar geleden het merendeel van de instromers een installatietechnische opleiding had genoten is dat tegenwoordig nog maar bij vier van de tien nieuwkomers het geval. Bedrijven worden dus in toenemende mate geconfronteerd met opleidingsinvesteringen om werknemers goed inzetbaar te maken. Naast een aanwijzing dat er veel overeenkomsten bestaan tussen de branches waar de andere werknemers vandaan komen (veel werknemers uit metaal, elektro en bouw) lijkt het onderwijs steeds slechter aan te sluiten op de behoeften van het bedrijfsleven. Als hoofdoorzaak wordt het afnemende contact tussen bedrijfsleven en onderwijs genoemd. De rolverdeling tussen bedrijf en school laten het toe dat er minimaal contact noodzakelijk en inmiddels mogelijk is tussen de verschillende partijen. De begeleidende en controlerende taken liggen in een groot aantal sectoren bij de overheid en het LOB Intechnium tegenwoordig KBB Kenteq. De overheid vertoont echter al jaren terugtrekkende bewegingen die leiden tot schaalvergroting en bezuinigingen in het onderwijsveld. ROC s fuseren en binnen de ROC s worden metaaltechnische, installatietechnische en elektrotechnische afdelingen verder ingekrompen en daar waar mogelijk geïntegreerd. De ondernemers hebben zich enkele regionale initiatieven daargelaten in de afgelopen jaren nooit verantwoordelijk gevoeld om het onderwijsveld als opdrachtgever te benaderen met een duidelijke kwaliteitseis. Deze interne focus bij zowel bedrijfsleven als onderwijsveld is echter niet langer mogelijk. De komende jaren zal dit voor het eerst grote problemen op gaan leveren aangezien de vraag naar voldoende technisch geschoolde jongeren vele malen het aanbod zal overstijgen. Dit zal leiden tot prijsopdrijving van de personeelskosten en een tekort aan vakmanschap binnen de bedrijven. Het is dan van belang om bestaande conve- Arbeidsmarkt Installatietechniek
78 nanten en contacten tussen onderwijs en bedrijfsleven te intensiveren. Daarnaast is het op enkele plaatsen van belang om te komen tot nieuwe contacten en afspraken tussen overheid en bedrijfsleven. Binnen de verschillende regio s is men zich bewust van het belang om de contacten met het lokale scholenveld verder te verbeteren en verbreden. Goede voorbeelden hiervan zijn regionaal hier en daar al zichtbaar. Op een aantal plekken binnen het huidige onderwijs zijn de gevolgen van de schaalvergroting en afnemende leerlingaantallen al duidelijk zichtbaar. Binnen het VMBO raken Metaal-, elektro- en installatieopleidingen geïntegreerd. Voor de installatiebranche is dit wenselijk aangezien de installatiebranche altijd al veel leerlingen betrok met een elektro- of metaalopleidingsachtergrond. Door nu deze opleidingen verder te integreren komen leerlingen binnen de opleiding nog eerder in aanraking met de installatie discipline. In aanraking komen met de discipline is echter niet genoeg. Het is ook van groot belang dat er binnen de opleiding op een attractieve manier aandacht wordt gevraagd voor de installatietechniek en zijn technische aspecten. Binnen de installatietechniek zijn er inmiddels leuke initiatieven zoals o.a. werkboxen installatietechniek en bedrijfsstages die succes oogsten Mobiliteit Uit onlangs uitgevoerd mobiliteitsonderzoek onder werknemers blijkt dat er naast de gebruikelijke mobiliteit binnen de installatietechniek tussen bedrijven ook een aanzienlijke mobiliteit plaatsvindt binnen de sector Techniek en Bouwnijverheid. Dit duidt zoals al eerder aangegeven op grote overeenkomsten in werkinhoud tussen de technische branches en de bouwnijverheid. Mobiliteit binnen de sector kent de traditionele rolverdeling waarbij kleine bedrijven makkelijker personeel werven en weer kwijt raken, terwijl grotere bedrijven veel beter in staat zijn personeel te binden. De belangrijkste verklaring voor deze verschillen ligt in de ruimte voor ontwikkeling. Werknemers bij kleinere ondernemingen worden minder gestimuleerd hun beroepsvaardigheden verder te ontwikkelen aangezien de ontwikkelruimte binnen de organisatie beperkt is. Ruimte voor ontwikkeling kan ook als belangrijkste verklaring worden gevonden wanneer naar de instroom in de installatietechniek wordt gekeken. Van de 40% instromers afkomstig uit bouw, metaal en elektro geeft het merendeel aan dat werkinhoudelijke factoren een rol hebben gespeeld om de overstap richting installatietechniek te maken. Wanneer binnen de Metaaltechnische branches wordt gekeken is de installatietechniek als branche een van de meest aantrekkelijke. De branche is het sterkst gegroeid en kent meer instromers dan uitstromers wanneer vergeleken wordt met de bouw en overige technieksectoren. De al eerder genoemde werkinhoudelijke factoren (individuele groei, ontwikkelingsmogelijkheden en uitdaging) blijken de belangrijkste verklaring voor de aantrekkingskracht. Reden om de branche te verlaten blijken, volgens werknemers, voornamelijk de primaire arbeidsvoorwaarden te zijn. Dit wordt ondersteund door ander onderzoek waaruit blijkt dat de salarissen in de installatiebranche gemiddeld lager zijn dan de salarissen in de sector bouwnijverheid (waar de installatiebranche deel van uitmaakt) als geheel. Ondanks de sterke groei die de installatiebranche de afgelopen tien jaar heeft doorgemaakt blijft er een tekort aan personeel bestaan. De verwachting is dat dit tekort de komende jaren verder zal toenemen. Het tekort, veroorzaakt door uitbreiding van werkzaamheden en door vervanging van een deel van het zittende personeel, kan o.a. beperkt worden door werving uit andere branches. Gezien het imago van de installatietechniek als branche waar ruimte is voor ontwikkeling zijn de te verwachten uitkomsten positief. Indien ook de salariëring meer gelijkgetrokken wordt met de overige branches kunnen deze verwachtingen nog beter uitpakken. Arbeidsmarkt Installatietechniek
79 Tot slot. De afgelopen jaren is de mobiliteit tussen branches in omvang toegenomen. Het lijkt erop dat er binnen de bouw en techniek gaandeweg meer werkinhoudelijke overeenkomsten ontstaan. Werknemers afkomstig uit verschillende disciplines maar met een identieke set van competenties zijn steeds eenvoudiger in staat te switchen tussen de verschillende disciplines. Het zou interessant zijn erachter te komen welke set van competenties het meest wordt aangesproken om deze in het onderwijs te introduceren als basisvorm waarna specialismen kunnen volgen Grijs voor Groen De afgelopen jaren valt een toenemende aandacht te bespeuren voor de vergrijzende samenleving. Deze aandacht is terecht aangezien binnen nu en vijf jaar twaalf procent van de populatie werknemers de branche met vroegpensioen mag verlaten. Een vertrek van dergelijke omvang is niet eenvoudig op te vangen. Zeker niet wanneer juist de groep met de meeste kennis en ervaring vervangen dient te worden. Een terrein wat minder aandacht heeft gekregen is de ontgroening van de technische populatie. Binnen het onderwijs is er een afname te bespeuren van jongeren die kiezen voor techniek. Dit levert met de huidige groei- en vervangingsvraag al problemen op maar zal zeker de komende jaren voor problemen gaan zorgen. Over enkele jaren zullen er te weinig (vakbekwame) jongeren instromen om de oudere uitstromers te vervangen. Indien hiervoor niet spoedig oplossingen worden gevonden zal de technische sector met toenemende personeels- en opleidingskosten geconfronteerd worden waardoor de concurrentiepositie verzwakt zal raken. Natuurlijk zullen overheid en bedrijfsleven komen met oplossingen die het financieel aantrekkelijker maken om langer te blijven werken. Ook kan een deel van de productie vereenvoudigd waardoor werk goedkoper uitgevoerd kan worden door laaggeschoolde of buitenlandse krachten. Deze oplossingen verhelpen een deel van de pijn maar gaan voorbij aan de essentie dat het aanbod van technisch vakbekwaam personeel afnemend is. Dit laatste is veel meer een imago kwestie die te maken heeft met de aansluiting jongeren onderwijs bedrijfsleven. Er zal door de technische sectoren gezocht moeten worden naar andere omgangsvormen met de werknemers. Hierbij moet gedacht worden aan een levensfase bewust personeelsbeleid door de werknemer arbeidstijden, beloning en ontwikkelmogelijkheden te bieden wanneer die passen bij zijn behoeften. Daarnaast dienen onderwijs en bedrijfsleven in gezamenlijkheid te zoeken naar de sleutel tot attractief technisch onderwijs Verdere volwassenwording RCI De afgelopen jaren heeft de Regionale Commissie Installatietechniek zich ontwikkeld tot een platform waar het bedrijfsleven met zijn sociale partners regionaal beleid uitzet op het gebied van onderwijs en arbeid. Talloze initiatieven zijn via RCI s tot stand gekomen die vanuit landelijke regie minder slagingskans hadden. Alle commissies hebben zich met hulp van arbeidsmarktprognoses en beleidsdocumenten ontwikkeld tot regiegroepen die bepalen wat nodig is binnen een regio. Zij waardeerden ook unaniem de ontwikkeling van onderliggend rapport als beleidsvoedend instrument en zagen deze graag verbreed richting elektrotechniek nu W en E één zullen worden. Inmiddels hebben vrijwel alle RCI s de eerste stappen gemaakt in het kader van de eenwording van W en E. Deze uitbreiding van het werkveld biedt een mooi bezinningsmoment voor de nieuwe regiostructuur om te focussen op dat wat met de huidige structuur bereikt is en dat wat er wenselijk is om tevens op te pakken als regionale beleidsplatform. De beleidsbepaling gaat steeds beter maar is inmiddels ingehaald met het signaal dat er door de totstandkoming van het nieuwe fonds een nieuwe regiostructuur in ontwikkeling is. Dit is ook nodig aangezien de koppeling tussen regionaal platform en regionaal onderwijsveld lang niet overal goed verankerd is. Binnen veel regionale platforms ontbreekt nog een duidelijke onderwijsportefeuille waarbinnen de kennis en expertise vertegenwoordigd is om eenduidig beleid op onderwijsgebied vast te stellen en als daadkrachtige gesprekspartner op te kunnen treden richting scholenveld. Hierbij is een uitbreiding met E dan ook zeker wenselijk aangezien dit de kans biedt om meer eenduidig en krachtig te opereren richting regionaal en landelijk scholenveld. Arbeidsmarkt Installatietechniek
80 Naar de mening van de steller van dit stuk is het werken met portefeuilles tevens wenselijk om daadkracht te brengen in de regionale platforms wanneer deze verder in omvang uitbreiden. Momenteel verworden de platforms al steeds meer tot beleidsmakers binnen een regio. Hierbij wordt het steeds moeilijker het beleid om te zetten in activiteiten. Portefeuilles die onderling een bepaalde inzet te verdelen hebben kunnen de regionale platforms meer daadkracht bezorgen. Arbeidsmarkt Installatietechniek
81 Bijlagen
82
83 Bijlage A Technologische ontwikkelingen penetratriegraadonderzoek In het penetratiegraadonderzoek zijn een veertigtal items bevraagd, ingedeeld in een viertal trendclusters. In onderstaande overzicht staan de technologische ontwikkelingen die in de vragenlijst waren opgenomen. A. Integratie van applicaties binnen geautomatiseerde systemen 1. Implementatie van Uniforme Omgeving en Bouwdelen 2. Bibliotheek Gebruik van de computer bij het ontwerpen van installaties 3. Gebruik van de computer bij het tekenen van installaties 4. Gebruik van de computer bij het berekenen van installaties 5. Gebruik van standaard symbolen (bijvoorbeeld bibliotheken in CAD) 6. Gebruik van STABU systematiek voor het opstellen van bestekken 7. Gebruik Internet voor informatie 8. Gebruik van 9. Gebruik van Internet voor inkoop 10. Gebruik van Internet voor bedrijfsprofilering 11. Gebruik van de computer bij administratie B. Hogere eisen aan kwaliteit van het binnenklimaat 1. Per vertrek regelbare temperatuur en luchthoeveelheid 2. Comfortkoeling woningen met mechanische compressie 3. Comfortkoeling woningen zonder mechanische compressie 4. Gebalanceerde ventilatie 5. Sensoren voor CO 2 -meting 6. Bestekken met prestatie-eisen 7. Simulatieprogramma s voor de validatie van een ontwerp C. Duurzaam bouwen 1. Kunststof dakbedekkingmateriaal 2. Integratie zonne-energiesystemen in daken 3. Kunststof leidingsystemen voor waterleidingen 4. Kunststof leidingsystemen voor gasaansluitingen 5. Gascontactdoos of gasstopcontact 6. Stad-, wijk- en blokverwarming 7. Lange termijn energieopslag in bodem 8. Maatregelen NPDB/energieadvisering 9. Milieuzorg systemen: ontwerpen, materiaalkeuze, uitvoering 10. Warmtepompen 11. Warmtekrachtkoppeling 12. Ontwerp en installatie op basis van EPN 13. Zonneboilers 14. Bij ontwerp en installatie rekening houden met waterbesparing 15. LT 18 -warmteopwekking d.m.v. HRketel 16. idem, d.m.v. warmtedistributie 17. idem, d.m.v. zonneboiler en warmtepomp 18. LT-afgiftesysteem d.m.v. luchtverwarming 19. idem, d.m.v. vloerverwarming 20. idem, d.m.v. wandverwarming 21. idem, d.m.v. radiatoren 22. idem, d.m.v. convectoren D. Installatie-uitvoering en systeemkeuze 1. Elektronisch geregelde pompen en ventilatoren 2. Casco oplevering van badkamers en keukens 3. Automatische spoelsystemen en kranen 4. Faalkosten berekening 5. Hydraulische schakelingen 18 In de onder cluster C genoemde ontwikkelingen bedoelen we met LT de temperatuurklasse van 35 C < θ 1,100 < 45 C Conform ISSO-publicatie 50 worden vier temperatuurklassen gehanteerd voor de ontwerpaanvoertempertatuur θ 1,100 = T aanv. Deze zijn als volgt omschreven: Klasse Omschrijving θ 1, C Hoogtemperatuurverwarming [HTV] 45 C < θ 1,100 < 55 C Middeltemperatuurverwarming [MTV] 35 C < θ 1,100 < 45 C Laagtemperatuurverwarming [LTV] θ 1, C Zeer laagtemperatuurverwarming [ZLTV] Arbeidsmarkt Installatietechniek
84
85 Bijlage B Leerlingen in opleiding bij ROC s (februari 2003) Arbeidsmarkt Installatietechniek
86
87
88 MarktMonitor Johan van Oldenbarneveltlaan 11 Postbus AJ Woerden tel. (0348) fax (0348)
Vrouwen in de Mobiliteitsbranche
Vrouwen in de Mobiliteitsbranche Nulmeting t.b.v. TechniekTalent.nu drs. W. van Ooij MarktMonitor Juni 2011 Vrouwen in de Mobiliteitsbranche Nulmeting t.b.v. TechniekTalent.nu MarktMonitor staat voor
KENGETALLEN MOBILITEITSBRANCHE
KENGETALLEN MOBILITEITSBRANCHE 2005-2016 Juni 2016 Kengetallen mobiliteitsbranche 2005-2016 1 INHOUD 1. Aanleiding 3 2. Conclusie 5 3. Resultaten 10 3.1 Werkgevers 10 3.2 Medewerkers 27 3.3 Branchemobiliteit
Trends en Ontwikkelingen Onderwijs en Opleidingen Technische installatiebranche 2004
Trends en Ontwikkelingen Onderwijs en Opleidingen Technische installatiebranche 2004 drs. W. van Ooij December 2004 MarktMonitor MarktMonitor onderzoekt trends en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt,
Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013
Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013 Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013 drs. W. van Ooij MarktMonitor Januari 2015 Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013 . Kengetallen Mobiliteitsbranche 2003-2013
Technologische Trends en Ontwikkelingen Technische installatiebranche 2004
Technologische Trends en Ontwikkelingen Technische installatiebranche 2004 drs. W. van Ooij December 2004 MarktMonitor MarktMonitor onderzoekt trends en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, technologie
STERKIN. Overzicht bewijzen vakbekwaamheid. (9 april 2015)
STERKIN Overzicht bewijzen vakbekwaamheid (9 april 2015) 1 Voorwoord De huidige eisen voor vakbekwaamheid hebben een lange voorgeschiedenis. Dit betekend dat er op de lijst veel opleidingen waren die niet
Ontwikkelingen Technisch Installatiebedrijf Zeeland/West-Brabant
Ontwikkelingen Technisch Installatiebedrijf Zeeland/West-Brabant B. van Bruggen Amsterdam, maart 2006 517/Amsterdam, maart 2006 DIJK12 Beleidsonderzoek Adelaarsweg 11 1021 BM AMSTERDAM Tel.: 020-6373623
Kengetallen mobiliteitsbranche
Kengetallen mobiliteitsbranche 2004-2015 Juni 2015 Kengetallen mobiliteitsbranche 2004-2015 1 INHOUD 1. Aanleiding 3 2. Conclusie 5 3. Resultaten 10 3.1 Werkgevers 10 3.2 Medewerkers 27 3.3 Branchemobiliteit
Kengetallen tankstations en wasbedrijven Arbeidsmarktontwikkelingen in de periode en de trend voor 2016
Kengetallen tankstations en wasbedrijven 2010-2015 Arbeidsmarktontwikkelingen in de periode 2010-2015 en de trend voor 2016 inhoud Aanleiding 3 Conclusie 5 Resultaten Werkgevers 10 Werknemers 26 Branchemobiliteit
Kengetallen Mobiliteitsbranche
Kengetallen Mobiliteitsbranche 2002-2012 Kengetallen Mobiliteitsbranche 2002-2012 drs. W. van Ooij dr. K.Karpinska MarktMonitor september 2013 Inhoudsopgave Samenvatting -------------------------------------------------------------------------------------------------
LOOPBAANPLANNER INSTALLATIETECHNIEK
LOOPBAANPLANNER VAN MONTAGE TOT Installatietechniek is een vak waarmee je enorm veel kanten uit kunt. In dit schema vind je alle functies, verdeeld over 7 categorieën. Iedere functie kent weer 5 lagen
Kenteq arbeidsmarktinformatie
Kenteq arbeidsmarktinformatie 2006-2007 ir. N. van de Beek drs. W. van Ooij drs. W. van Putte drs. H. Roodenburg dr. M. Sprengers MarktMonitor oktober 2006 Kenteq arbeidsmarktinformatie 2006-2007 MarktMonitor
GRIP OP VAKMANSCHAP EN TOEKOMST
DE SKILLSMANAGER GRIP OP VAKMANSCHAP EN TOEKOMST Vakmanschap is professioneel gedrag, op het juiste moment. Professioneel gedrag wordt bepaald door de taken die moeten worden uitgevoerd, de middelen die
Tien jaar vrouwelijke werknemers in de installatietechniek Kerngegevens periode 1992 2001
Tien jaar vrouwelijke werknemers in de installatietechniek Kerngegevens periode 1992 2001 Drs C. de Heer R. Beilsma (Stichting MarktMonitor) Amsterdam/Woerden, oktober 2002 106/oktober 2002 DIJK12 Beleidsonderzoek
Rapportage Marktverkenning Klimaatbeheersing Mei 2015
Rapportage Marktverkenning Klimaatbeheersing Mei 205 Inhoudsopgave Managementsamenvatting 3 Inleiding 4. Achtergrondkenmerken bedrijven 5. Organisatorische kenmerken 5.2 Activiteiten 7.3 Omzet 9 2. Marktomvang-
Domotica, ICT en Beveiligingsinstallaties
bepaald door een gemiddelde te berekenen over de afgelopen drie jaar, tenzij de innovatie nieuw in de lijst is. Voor dit onderzoek wordt jaarlijks een netwerk van deskundigen geraadpleegd. De resultaten
pagina 1 20 aan Sectorcommissie Bedrijfsverzorgingsdiensten onderwerp Factsheet Bedrijfsverzorgingsdiensten 2011 Documentnummer N
pagina 1 20 aan Sectorcommissie Bedrijfsverzorgingsdiensten onderwerp Factsheet Bedrijfsverzorgingsdiensten 2011 Documentnummer 20130221N van Judith Terwijn datum 22 april 2013 Inleiding Het Colland Bestuursbureau
Brancheplattegrond brengt loopbanen en leerwegen in kaart door: Nico van den Berg & Maarten Sprengers in: Opleiding & Ontwikkeling, juli/augustus 2005
Brancheplattegrond brengt loopbanen en leerwegen in kaart door: Nico van den Berg & Maarten Sprengers in: Opleiding & Ontwikkeling, juli/augustus 005 In de installatie en in de bouwmaterialenhandel geeft
Omscholingsstimulans zij-instroom BPV
Omscholingsstimulans zij-instroom BPV Uitgangspunten OTIB kent een viertal reglementen, die voorzien in een tegemoetkoming voor het aan een werknemer beschikbaar stellen van een beroepspraktijkvormingsplaats
Instroomreglement BPV. Uitgangspunten
Instroomreglement BPV Uitgangspunten OTIB kent een viertal reglementen, die voorzien in een tegemoetkoming voor het aan een werknemer beschikbaar stellen van een beroepspraktijkvormingsplaats of een praktijkplaats.
Zeeland / West- Brabant
Arbeidsmarkt- en stageonderzoek procestechnische opleidingen Zeeland / West- Brabant 2015 Inhoudsopgave 1 Onderzoeksopzet... 3 1.1 Respons... 3 2 Stage- en leerwerkplaatsen... 4 2.1 Verdeling over de sectoren...
Beroepsprofiel Installatiemonteur Elektrotechniek. ALGEMENE INFORMATIE datum: 23 december 2004 versie: 1 Onder regie van KBB. Legitimering BCP door:
Beroepstypering Installatiemonteur elektrotechniek ALGEMENE INFORMATIE datum: 23 december 2004 versie: 1 Onder regie van KBB Kenteq Ontwikkeld door: Brondocument(en) Legitimering BCP door: - op formatvereisten
- 1 - LIJST VAN DOOR CAO-PARTIJEN ERKENDE VAKDIPLOMA S ARTIKEL 32A LID 2 VAN DE CAO S IN DE METAAL EN TECHNIEK
- 1 - LIJST VAN DOOR CAO-PARTIJEN ERKENDE VAKDIPLOMA S ARTIKEL 32A LID 2 VAN DE CAO S IN DE METAAL EN TECHNIEK CARROSSERIEBEDRIJF Niveau 1 - Assistent Mobiliteitsbranche - Autospuiter - Autoschadehersteller
Instroomreglement MIT en DUAAL HBO. Uitgangspunten
Instroomreglement MIT en DUAAL HBO Uitgangspunten OTIB kent een viertal reglementen, die voorzien in een tegemoetkoming voor het aan een werknemer beschikbaar stellen van een beroepspraktijkvormingsplaats
Ontwikkeling leerlingaantallen
Ontwikkeling leerlingaantallen Elk jaar wordt op 1 oktober het leerlingaantal van elke basisschool geregistreerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs (). Op basis van deze leerlingtelling wordt de bekostiging
pagina 1 25 aan Sectorcommissie Loonwerk onderwerp Factsheet Loonwerk 2011 Documentnummer Na datum 29 oktober 2012 van Judith Terwijn
pagina 1 25 aan Sectorcommissie Loonwerk onderwerp Factsheet Loonwerk 2011 Documentnummer 20120679Na van Judith Terwijn datum 29 oktober 2012 Inleiding Het Colland Bestuursbureau voert jaarlijks een arbeidsmarktonderzoek
Instroomreglement MIT en DUAAL HBO. Uitgangspunten
Instroomreglement MIT en DUAAL HBO Uitgangspunten OTIB kent een viertal reglementen, die voorzien in een tegemoetkoming voor het aan een werknemer beschikbaar stellen van een beroepspraktijkvormingsplaats
Memorandum. Technical Sciences Brassersplein 2 2612 CT Delft Postbus 5050 2600 GB Delft. Aan Bestuur stichting Pensioenfonds TNO. www.tno.
Memorandum Aan Bestuur stichting Pensioenfonds TNO Van Dr. F. Phillipson Onderwerp Risicobereidheidsonderzoek Pensioenfonds TNO Inleiding In de periode juni-augustus 2014 is er een risicobereidheidsonderzoek
Praktische handreiking voor het opstellen van een representativiteitsopgave
Praktische handreiking voor het opstellen van een representativiteitsopgave 1. Inleiding De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een
Onderzoek Alumni Bètatechniek
Onderzoek Alumni Bètatechniek 0 meting - Achtergrond Eén van de knelpunten op de Nederlandse arbeidsmarkt is een tekort aan technisch geschoolden. De Twentse situatie is hierin niet afwijkend. In de analyse
Districtsactiviteitenplan 2014 district Zuid-Holland
Districtsactiviteitenplan 2014 district Zuid-Holland Basisprincipe DAP 2014 Bij het Districtsactiviteitenplan 2014, hierna DAP 2014, zijn de volgende aspecten van belang: Centrale thema s 2014 Kansen grijpen
Cursusspecial Vakbekwaamheid
Cursusspecial Vakbekwaamheid > Elektrotechniek > Waterleidingtechniek > Gastechniek > CV-techniek Haal uw vakbekwaamheidsdiploma en word Erkend Installateur. Uw klanten zitten erop te wachten. Als installateur
Factsheet Groothandel in Bloembollen Ontwikkelingen in de sector op basis van de administratie van Colland Arbeidsmarkt in 2013
Factsheet Groothandel in Bloembollen 2014 Ontwikkelingen in de sector op basis van de administratie van Colland Arbeidsmarkt in 2013 Colland Bestuursbureau, 31 oktober 2014 Pagina 2 27 Inhoudsopgave Toelichting
Overzicht bewijzen van vakbekwaamheid vakdiscipline watertechnische installaties, behorende bij EVI 2004
Overzicht bewijzen van vakbekwaamheid vakdiscipline watertechnische installaties, behorende bij EVI 2004 1. het diploma vakbekwaamheid waterleidingtechniek, afgegeven door Intechnium/Kenteq (vanaf 1997);
HET APOLLO MODEL. studentenhuisvesting op.
Utrecht HET APOLLO MODEL Het Apollo Model is tot stand gekomen op initiatief van Kences en de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksreslaties. Met dit model
Beroepstypering Installatiemonteur woningbouw. Algemene informatie Datum: Versie: 1
Beroepstypering Installatiemonteur woningbouw Algemene informatie Datum: 22-08-2003 Versie: 1 Onder regie van kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven Ontwikkeld door Brondocument(en) Legitimering
Stoppen als huisarts: trends in aantallen en percentages
Dit rapport is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen worden gebruikt met bronvermelding. Stoppen als huisarts: trends in aantallen en percentages Een analyse van de huisartsenregistratie over de
Samenvatting Onderwijs- en Arbeidsmarktmonitor. Metropoolregio Amsterdam. Oktober amsterdam economic board
Samenvatting Onderwijs- en Arbeidsmarktmonitor Metropoolregio Amsterdam Oktober 2016 amsterdam economic board Samenvatting Onderwijs- en Arbeidsmarktmonitor Metropoolregio Amsterdam (MRA) Oktober 2016
Hoveniers/groenvoorziening
Hoveniers/groenvoorziening Brancheontwikkelingen 2013 Deze factsheet bevat arbeidsmarktinformatie over de hoveniers/groenvoorziening. Onderwerpen die aan bod komen zijn: werkgelegenheid, trends en ontwikkelingen,
Arbeidsmarkt Metaalbewerking Cijfers en Trends Groningen/Friesland/Drenthe 2005
Arbeidsmarkt Metaalbewerking Cijfers en Trends 2005 Boukje Detmar Eliane Boorsma Amsterdam, november 2005 501/november 2005 DIJK12 Beleidsonderzoek Adelaarsweg 11 1021 BM AMSTERDAM Tel.: 020-6373623 Fax:
De arbeidsmarkt voor leraren po 2015-2020 Regio Utrecht
De arbeidsmarkt voor leraren po 2015-2020 Regio datum 16 maart 2015 auteurs dr. Hendri Adriaens dr.ir. Peter Fontein drs. Marcia den Uijl CentERdata, Tilburg, 2015 Alle rechten voorbehouden. Niets uit
Marktomvang installatiebranche (aangesloten leden UNETO-VNI) De techniek achter Nederland. management centrum bedrijfsadviseurs
Marktomvang installatiebranche 2014 (aangesloten leden UNETO-VNI) De techniek achter Nederland management centrum bedrijfsadviseurs 1 UNETO-VNI, juni 2016 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd
Vacatures in de industrie 1
Vacatures in de industrie 1 Martje Roessingh 2 De laatste jaren is het aantal vacatures sterk toegenomen. Daarentegen is in de periode 1995-2000 het aantal geregistreerde werklozen grofweg gehalveerd.
Opscholingsreglement BPV. Uitgangspunten
Opscholingsreglement BPV Uitgangspunten OTIB kent een viertal reglementen, die voorzien in een tegemoetkoming voor het aan een werknemer beschikbaar stellen van een beroepspraktijkvormingsplaats of een
Arbeidsmarkt Metaalbewerking 2004 Regio Rijnmond
Arbeidsmarkt Metaalbewerking 2004 Regio Rijnmond Overview Hieronder wordt ingegaan op een aantal arbeidsmarktaspecten in de regio Rijnmond, die op basis van de resultaten van het huidige monitoronderzoek
Monitor naleving rookvrije werkplek 2006
Monitor naleving rookvrije werkplek 2006 METINGEN 2004 EN 2006 B. Bieleman A. Kruize COLOFON St. INTRAVAL Postadres: Postbus 1781 9701 BT Groningen E-mail [email protected] Kantoor Groningen: Kantoor Rotterdam:
Aantal huisartsen en aantal FTE van huisartsen vanaf 2007 tot en met 2016
Aantal huisartsen en aantal FTE van huisartsen vanaf 2007 tot en met 2016 Werken er nu meer of minder huisartsen dan 10 jaar geleden en werken zij nu meer of minder FTE? LF.J. van der Velden & R.S. Batenburg,
Opscholingsreglement MIT en DUAAL HBO. Uitgangspunten
Opscholingsreglement MIT en DUAAL HBO Uitgangspunten OTIB kent een viertal reglementen, die voorzien in een tegemoetkoming voor het aan een werknemer beschikbaar stellen van een beroepspraktijkvormingsplaats
Voorbeeld Performance Monitor
Voorbeeld Performance Monitor pagina 1 De Performance Monitor Leveranciers in de X-branche 2014 is een uitgave van: Van Es Marketing Services Doelenstraat 4 7607 AJ Almelo tel (+31) 0546 45 66 62 fax (+31)
De ontgroening en vergrijzing in beeld
De ontgroening en vergrijzing in beeld RAPPORTAGE LEEFTIJD BEWUST PERSONEELS BELEID in de CHEMISCHE INDUSTRIE Benchmark rapportage DOOR : Nicole Hermans DATUM : 30-06-2009 INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING 2 OVERZICHTEN
Uitstroommonitor praktijkonderwijs
Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2016-2017 Samenvatting van de monitor 2016-2017 en de volgmodules najaar 2017 Sectorraad Praktijkonderwijs december 2017 Versie definitief 1 Vooraf In de periode 1 september
Gediplomeerden van het mbo van opleidingen ECABO
Gediplomeerden van het mbo van opleidingen ECABO Analyse van de positie van gediplomeerden van het mbo van opleidingen binnen ECABO op basis van de gegevens van de MBO-Kaart - Tabellen en vragenlijsten
Impact Cloud computing
Impact Cloud computing op de Nederlandse zakelijke markt 2 inleiding De economische omstandigheden zijn uitdagend. Nederland is onder invloed van de schuldencrisis in een nieuwe recessie beland; de economische
De arbeidsmarkt voor leraren po 2015-2020 Regio West- en Midden-Brabant
De arbeidsmarkt voor leraren po 2015-2020 Regio West- en datum 16 maart 2015 auteurs dr. Hendri Adriaens dr.ir. Peter Fontein drs. Marcia den Uijl CentERdata, Tilburg, 2015 Alle rechten voorbehouden. Niets
De arbeidsmarkt voor leraren po 2015-2020 Regio Noord-Holland
De arbeidsmarkt voor leraren po 2015-2020 Regio Noord-Holland datum 16 maart 2015 auteurs dr. Hendri Adriaens dr.ir. Peter Fontein drs. Marcia den Uijl CentERdata, Tilburg, 2015 Alle rechten voorbehouden.
Quick scan re-integratiebeleid. Een oriënterend onderzoek door de rekenkamercommissie
Quick scan re-integratiebeleid Een oriënterend onderzoek door de rekenkamercommissie Doetinchem, 16 december 2011 1 1. Inleiding De gemeenteraad van Doetinchem heeft op 18 december 2008 het beleidsplan
Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014
Nummer 6 juni 2014 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014 Factsheet Ondanks eerste tekenen dat de economie weer aantrekt blijft de werkloosheid. Negen procent van de Amsterdamse beroepsbevolking is werkloos
Uitstroommonitor praktijkonderwijs
Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2015-2016 Samenvatting van de monitor 2015-2016 en de volgmodules najaar 2016 Platform Praktijkonderwijs december 2016 Definitieve versie 161208 1 Vooraf In de periode
Mobiliteit van leraren tussen onderwijssectoren
Mobiliteit van leraren tussen onderwijssectoren Versie 2 Datum 15 oktober 2018 Status Definitief Onze referentie 1427719 Colofon Directie Projectnaam Contactpersoon Kennis/DUO Mobiliteit leraren Ministerie
Factsheet Loonwerk Ontwikkelingen in de sector op basis van de administratie van Colland Arbeidsmarkt in 2013
Factsheet Loonwerk 2014 Ontwikkelingen in de sector op basis van de administratie van Colland Arbeidsmarkt in 2013 Colland Bestuursbureau, 29 oktober 2014 Pagina 2 27 Inhoudsopgave Toelichting 3 Samenvatting
