ONDERZOEK NAAR DE OORZAKEN VAN HET FAILLISSEMENT VAN LG. PHILIPS DISPLAYS. 20 april Bijlage bij openbaar verslag van 20 april 2009

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "ONDERZOEK NAAR DE OORZAKEN VAN HET FAILLISSEMENT VAN LG. PHILIPS DISPLAYS. 20 april 2009. Bijlage bij openbaar verslag van 20 april 2009"

Transcriptie

1 ONDERZOEK NAAR DE OORZAKEN VAN HET FAILLISSEMENT VAN LG. PHILIPS DISPLAYS 20 april 2009 Bijlage bij openbaar verslag van 20 april 2009 Mr. A.A.M. Deterink Eindhoven Curator 1/240

2 Inhoudsopgave Pagina 1. Onderzoek Aard en uitvoering van het onderzoek/disclaimer 5 2. Samenvatting en conclusies Historische terugblik Hoofdoorzaken faillissement Externe factoren Interne factoren Optreden van het Bestuur en de Commissarissen/Handelswijze Aandeelhouders Totstandkoming van de joint venture Inleiding Wijze van Inbreng/Waardebepaling/Financiering Openingsbalans Plannen tot herstructurering LPD in Marktaandeel en omzet per klant LPD bij oprichting Joint Business Plan 1 en Corporate Governance Inleiding Organisatiestructuur Management Board of Management Group Management Team (tot september 2002)/Executive Board 55 (vanaf september 2002) 4.6 Raad van Commissarissen Aandeelhouders Relatie LPD-aandeelhouders De financiering Inleiding USD ,- faciliteit Algemeen Kernpunten Facility Agreement d.d. 26 juni /240

3 5.2.3 FRN-lening Herstructurering 2002/Amendment Agreement d.d. 31 mei Herstructurering 2004/Loan Restructuring Agreement d.d. 25 juni Overzicht gerealiseerde aflossingen Zekerheden Bankensyndicaat in de laatste fase van LPD MIVAR Notes Totstandkoming MIVAR lening van , De positie van MIVAR inzake de herstructurering van MIVAR in de laatste fase van LPD Financiering door lokale banken Financiering door de aandeelhouders Trade Financing Leverancierskrediet Samenvatting externe financiering Marktontwikkelingen Consolidatie/Sluiting fabrieken Marktprognoses CPT-schermen en doelstellingen LPD in Marktprognoses CDT-monitoren en doelstellingen LPD in Prognoses LPD omzet 2001 tot en met 2005 versus gerealiseerde omzet LPD prognoses versus prognoses concurrenten en gespecialiseerde marktonderzoeksburo s CPT/CRT TV marktprognoses CDT/CRT Monitor marktprognoses Snelle groei LCD-markt Financiële situatie in de jaren 2001 tot en met Beschikbare informatie Overzicht jaarcijfers (x USD 1 miljoen) 2001 t/m Enkele beschouwingen m.b.t. het overzicht van de jaarcijfers De inbreng Resultaten en omzetten Investeringen door partners Ontwikkelingen in de boekjaren Jaar Jaar Jaar Jaar /240

4 7.4.5 Jaar Ratio s Rapporteringen door de externe accountant De managementletters De presentaties aan het Supervisory Audit Committee De accountantsverklaringen bij de jaarrekeningen Boekjaar 2001, verklaring d.d. 21 januari Boekjaar 2002, verklaring d.d. 12 december Boekjaar 2003, verklaring d.d. 15 oktober Boekjaar 2004, verklaring d.d. 23 mei Reorganisaties Operationele herstructurering - Inleiding Reorganisatie Reorganisatie Reorganisatie Reorganisatie Reorganisatie Reductie personeel Impairments Samenvatting LPD in de laatste fase Chronologisch overzicht laatste 365 dagen Money transfers Bijlagen Lijst van gebruikte afkortingen en begrippen Organigram LPD-concern Lijst van geïnterviewde personen Historical Events of LG. Philips Displays Openingsbalans LPD per 30 juni Specificatie verstrekte zekerheden 223 4/240

5 1. Onderzoek 1.1 Aard en uitvoering van het onderzoek/disclaimer In eerdere openbare verslagen in de faillissementen van LPD Holding, LPD Investments en LPD Netherlands, heeft de Curator aangekondigd een nader onderzoek te zullen instellen naar de oorzaken van de faillissementen alsmede naar de wijze waarop het bestuur zijn taken heeft vervuld en naar de wijze waarop door de Raad van Commissarissen toezicht is gehouden. Het ingestelde onderzoek heeft mede ten doel gehad een oordeel te kunnen vormen over de vraag of één of meer failliete vennootschappen of de gezamenlijke crediteuren van één van deze vennootschappen vorderingen geldend zouden kunnen maken op bestuurders, commissarissen, aandeelhouders of andere direct betrokkenen. Daarbij rekent de curator het niet tot zijn taak te onderzoeken of individuele crediteuren nog bepaalde aansprakelijkheidsvorderingen kunnen instellen. De Curator heeft de notulen van vergaderingen van bestuurders en commissarissen, jaarprognoses, jaarrekeningen en jaarverslagen, managementletters van accountants, gehouden financiële presentaties en vele andere schriftelijke en electronische bronnen bestudeerd. Tevens werden de bedrijfsresultaten geanalyseerd tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de markt. Mede in verband hiermede werd ten kantore van de curator een dataroom ingericht. De Curator heeft Prof. Dr. A.J. Bindenga, voormalig voorzitter van het NIVRA en vervolgens in verband met diens ziekte, de heer W.R. Küh en de heer J.W. Schallenberg, beiden gepensioneerde registeraccountants, verzocht hem bij het onderzoek te assisteren, met name op het gebied van de bedrijfseconomische gang van zaken en de jaarverslaglegging van LPD. Interviews zijn in diverse landen gehouden met de personen vermeld in bijlage Van alle gesprekken zijn schriftelijke verslagen gemaakt. De geïnterviewde personen zijn in de gelegenheid gesteld commentaar op de conceptverslagen te leveren. 5/240

6 Voorts is in de loop der tijd gesproken met vele overige bij LPD betrokken werknemers, crediteuren, bankiers, advocaten en adviseurs. Ook al deze gesprekken leverden informatie voor dit rapport op. De formeel door de curator gehoorde personen ontvingen desgevraagd het deel van het conceptrapport, waarin hun verklaringen zijn verwerkt, ter inzage. Hun commentaar is, waar nodig, opgenomen in het definitieve rapport. De oorzaken van de faillissementen zijn terug te voeren op een veelheid van interne en externe factoren, die onderling verband met elkaar houden. Hoofdstuk 2 bevat een samenvatting van de hoofdoorzaken, van alle daarbij van belang zijnde interne en externe factoren alsmede een beoordeling van het optreden van het Bestuur en van de Raad van Commissarissen en van de rol van de aandeelhouders. Eventueel ná het verschijnen van dit rapport nieuw verkregen informatie kan tot aanpassingen van de bevindingen van de Curator leiden. Dit rapport verschijnt zowel in de Nederlandse taal als in de Engelse taal. In geval van interpretatieverschillen prevaleert de Nederlandse tekst. Disclaimer: Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten jegens de boedel en/of de Curator in privé worden ontleend. 6/240

7 2. Samenvatting en conclusies 2.1 Historische terugblik LG.Philips Displays B.V. (LPD) werd op 30 juni 2001 opgericht als een joint venture van Philips International B.V. (Philips) en LG.Electronics (LGE). LPD vormde vanaf het moment van haar oprichting de grootste producent ter wereld van CRTschermen voor monitoren en televisies. De productiecapaciteit bedroeg ongeveer 71 miljoen eenheden, te produceren in 34 fabrieken in Europa, Azi ë en Amerika met ± werknemers. De joint venture zou schermen gaan produceren, gebaseerd op het principe van de Cathode Ray Tube (CRT). De CRT-industrie kan worden verdeeld in twee segmenten, te weten Colour Picture Tubes (CPT), die worden gebruikt in televisies en Colour Display Tubes (CDT), die als onderdelen dienen voor computermonitoren. De totale markt voor CPTschermen bedroeg in 2001 ruim 150 miljoen eenheden en voor CDT-schermen circa 100 miljoen eenheden. Met haar productiecapaciteit kon de joint venture ± 28% van de totale markt bedienen. Beide aandeelhouders beoogden met de joint venture om het marktaandeel van LPD te vergroten van 25% tot 30%. Beide partijen hadden de intentie de joint venture na verloop van drie jaar naar de beurs te brengen. De oprichting geschiedde via inbreng door beide partners van activa en passiva simpel gezegd - betrekking hebbend op de CRT-activiteiten. De joint venture betaalde de ingebrachte activa via de uitgifte aan beide partners van USD miljoen aan aandelen en via betaling aan beide partners van een bedrag in contanten van USD miljoen. In totaal werd aldus voor USD 2.651miljoen aan activa minus passiva ingebracht. Bij de oprichting werd een lening afgesloten via een Bankensyndicaat. De totale kredietfaciliteit bedroeg USD 2 miljard, waarvan in 2001 USD miljoen werd opgenomen. Hiervan ontvingen de aandeelhouders bij wege van contante betaling voor de activa USD miljoen. Voor LPD resteerde van deze faciliteit als werkkapitaal slechts USD 395 miljoen. Daarnaast werd door lokale banken nog eens meer dan USD 500 miljoen ter leen verstrekt. 7/240

8 De banken waren, zoals blijkt uit de gehouden interviews, gaarne bereid LPD te financieren. In hun perceptie zou LPD een echte cash cow worden, aangezien niet meer geïnvesteerd behoefde te worden in de technologie. Deze was voorhanden. De lening zou in vijf jaar worden afgelost. Philips was kapitaalkrachtig en beide joint venture partners hadden een uitstekende reputatie en vormden voor de banken een aantrekkelijke partij. De banken vertrouwden in belangrijke mate op de goede naam en reputatie van Philips en LGE en op de door LPD aangeleverde cijfers en informatie als vervat in het Information Memorandum. Van positieve invloed was tevens het gegeven dat Philips en LGE eerder al in 1999 gezamenlijk de LCD Joint Venture waren gestart. Reeds in het eerste halfjaar van haar bestaan ging het bij LPD mis. De lancering van de Joint Venture vond plaats midden in een kwakkelende economie (mede veroorzaakt door 9/11 ), waarin sprake was van een dramatische daling van de consumentenvraag naar onder meer elektronische producten. De vraag naar CRT-schermen daalde onverwacht sterk. LPD voorzag in oktober 2001, en mitsdien enkele maanden ná haar oprichting reeds, dat zij op korte termijn niet meer zou kunnen voldoen aan haar contractuele verplichtingen jegens het Bankensyndicaat. LPD zou per 31 december 2001 in een default situatie komen te verkeren, waardoor de banken de faciliteit van USD 2 miljard zouden kunnen opeisen. Reeds in de eerste vergadering van de Raad van Commissarissen van 27 oktober 2001 moest voorzitter Wente mededelen, dat de bankfaciliteiten als gevolg van de tegenvallende resultaten van 2001 waren geblokkeerd. LPD kon de laatste USD 250 miljoen van de z.g. Revolving Credit Facility niet meer onder de lening trekken. The Chairman summarized that the Company is in bad shape and must indeed be restructured aggressively, reducing headcount with around 15,000 employees in 2-3 years, closing half of the factories and considering the divestment of the Company s glass, yoke and fly-back transformers operations. De Raad van Commissarissen was het hiermee eens acknowledging that more and faster restructuring has become necessary than initially foreseen. Aan de aandeelhouders zou worden voorgesteld USD 600 miljoen nieuw kapitaal in te brengen. De omzet over geheel 2001 werd op dat moment geraamd op USD miljoen, terwijl eerder was gebudgetteerd USD miljoen. Het boekjaar 2001 werd afgesloten met een netto verlies van USD 348 miljoen. Het Bankensyndicaat was geschokt. De gesyndiceerde lening was enkele maanden eerder nog beloond met de Transaction of the Year prijs van IFR (International Financing Review, op dat moment marktleider op het terrein van capital markets intelligence ). 8/240

9 Als gevolg van de blokkering van de faciliteiten door het Bankensyndicaat en een negatieve cash flow zag LPD zich in het vierde kwartaal van 2001 geconfronteerd met ernstige liquiditeitsproblemen. Eind 2001, derhalve binnen 6 maanden nà de start van de joint venture was de continuïteit van de onderneming al niet meer gewaarborgd. In de accountantsverklaring bij de jaarrekening 2001 werd een z.g. emphasis of matter paragraaf opgenomen om tot uitdrukking te brengen dat er twijfels bestonden over de continuïteit van de onderneming. Een eerste ingrijpende reorganisatie bleek bittere noodzaak. Op 31 mei 2002 werd met het Bankensyndicaat overeenstemming bereikt over wijziging van de Facility Agreement. Daartoe dienden beide aandeelhouders in te stemmen met een extra kapitaalsinjectie van in totaal USD 250 miljoen, welk bedrag werd gebruikt ter aflossing van het Bankensyndicaat. Daarnaast en daarenboven dienden beide aandeelhouders voor in totaal USD 400 miljoen aan extra garanties te verstrekken. Vervolgens werd in juli 2002 door LPD een obligatielening uitgegeven ten belope van in totaal 200 miljoen, welke lening in zijn geheel beschikbaar werd gesteld door MIVAR, zijnde een onderneming van de heer Vichi, op dat moment de grootste producent van televisies in Italië. Ook Vichi ging daarbij naar eigen zeggen af op de goede naam en faam van Philips. Het Bankensyndicaat ontving in 2002 een substantiële aflossing ten bedrage van USD 385 miljoen. Reeds in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 5 november 2002 (derhalve ruim 5 maanden ná de eerste financiële herstructurering) werd voorzien, dat mede als gevolg van de snelle verslechtering van de markt voor monitoren, LPD in 2003 wederom niet meer zou kunnen voldoen aan de in mei 2002 aangepaste bankratio s. LPD is too high geared!, aldus slide 29 van de gehouden presentatie onder het hoofdstuk Bank Covenants. In retrospectief bezien was de kapitaalsinjectie van USD 250 miljoen té laag. Eerder was in de Raad van Commissarissen gesproken over een extra kapitaalsbehoefte van USD 600 miljoen. In 2002 moest USD 385 miljoen worden afgelost. Daarenboven vloeide uit de aan de joint venture ten grondslag liggende businessplannen voort, dat initieel voor in totaal USD 366 miljoen moest worden gereorganiseerd. De kapitaalsinjectie van USD 250 miljoen tesamen met de MIVAR financiering van 200 miljoen waren, in combinatie met de operationele kasstroom, onvoldoende om de te verwachten cash out te dekken. Einde 2002 moest een impairment afboeking (herwaardering materiële en immateriële vaste activa) worden genomen van USD 456 miljoen. Het netto verlies over 2002 bedroeg USD 532 miljoen (in 2002 bijgestelde prognose netto verlies USD 382 miljoen). Het eigen vermogen 9/240

10 bedroeg USD 816 miljoen. Teneinde nog te kunnen voldoen aan de eisen van het bankconvenant, diende LPD in 2003 alweer haar vermogen te versterken, haar schulden te verlagen en de EBITDA te verbeteren. Reeds in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 2 december 2002 werd duidelijk, dat in 2003 andermaal een kapitaalsinjectie van de aandeelhouders noodzakelijk zou zijn, om aan alle bankconvenanten te kunnen voldoen. Over 2002 kon nog worden voldaan aan de eis van het Bankensyndicaat, dat de EBITDA over 2002 minimaal USD 350 miljoen moest bedragen. De omzet bedroeg in 2002 USD miljoen en lag daarmede USD 90 miljoen beneden het in 2002 bijgestelde budget. De adjusted EBITDA bedroeg USD 352 miljoen en lag USD 178 miljoen beneden het in 2002 bijgestelde budget. Over 2002 moesten zeer hoge reorganisatiekosten ten belope van USD 570 miljoen, waarvan impairments USD 456 miljoen en herstructureringskosten USD 114 miljoen, worden genomen. Begroot was slechts USD 300 miljoen. In de vergadering van de Raad van Commissarissen van 10 juli 2003 werd de verwachting uitgesproken, dat LPD in het 3 e en 4 e kwartaal 2003 wederom niet meer zou kunnen voldoen aan de ratio s van het Bankensyndicaat. Uit de notulen van de Raad van Commissarissenvergadering van 16 september 2003 blijkt, dat naar alle waarschijnlijkheid ultimo 2003 een impairment zou moeten worden genomen ten belope van USD 625 miljoen. Erkend werd, dat dit een naderende breuk van de financiële overeenkomsten van de syndicaatslening zou betekenen en dat de voorwaarden voor de lening opnieuw zouden moeten worden onderhandeld met het Bankensyndicaat. Opmerkelijk is, dat voorzitter Wente de oorzaak op dat moment mede legde bij de moeilijke financiële structuur van LPD vanaf haar aanvang. Uit de jaarrekening van 2003 van LPD blijkt, dat het financiële convenant met het Bankensyndicaat reeds in september 2003 werd gebroken, waardoor opzegging van het krediet dreigde. Het Bankensyndicaat eiste vervolgens wederom nieuwe kapitaalsinjecties van beide aandeelhouders. Dit mede met het oog op de contractueel verschuldigde terugbetaling van een bedrag van USD 783 miljoen van de syndicaatslening in Uit de notulen van de Raad van Commissarissenvergadering van 4 november 2003 blijkt, dat de commissarissen, benoemd door de aandeelhouders, verwachtten dat beide aandeelhouders zouden instemmen met een extra kapitaalsinjectie van in totaal USD 500 miljoen. 10/240

11 Het jaar 2003 werd afgesloten met een netto verlies van USD 872 miljoen (USD 872 miljoen beneden het ultimo 2002 bijgestelde budget van 0). De reorganisatiekosten bedroegen in totaal USD 942 miljoen, waarvan USD 764 miljoen impairments en USD 178 miljoen herstructureringskosten. De omzet daalde tot USD miljoen (USD 983 miljoen beneden het aanvang 2002 bijgestelde budget en USD 155 miljoen beneden het in december 2002 wederom bijgestelde budget) terwijl de adjusted EBITDA daalde tot USD 254 miljoen (USD 540 miljoen beneden het aanvang 2002 bijgestelde budget). Ultimo 2003 aanvang 2004 werd met het Bankensyndicaat alsmede met MIVAR intensief onderhandeld over een structurele herfinanciering. MIVAR weigerde uiteindelijk hieraan zijn medewerking te verlenen en stond erop, dat haar lening conform de leningsvoorwaarden zou worden afgelost in De aandeelhouders verklaarden zich bereid in totaal USD 500 miljoen nieuw kapitaal te storten, terwijl zij in ruil voor bestaande garanties ieder een nieuwe garantie van USD 50 miljoen aan het Bankensyndicaat zouden verstrekken. Ter ondersteuning van het werkkapitaal verklaarden beide aandeelhouders zich daarenboven bereid vooruitbetalingen te verrichten op de levering van gekochte CRT-producten. In juli 2004 werd volledige overeenstemming bereikt met het Bankensyndicaat en met beide aandeelhouders over de noodzakelijke herfinanciering. Het boekjaar 2004 werd het beste boekjaar in de geschiedenis van LPD. De omzet steeg tot USD miljoen. Had LPD over 2003 nog een netto verlies geleden van USD 872 miljoen, in 2004 verminderde dit netto verlies tot USD 171 miljoen. Een verbetering derhalve met USD 701 miljoen. Indien de herstructurerings- en impairmentskosten niet worden meegerekend, bedroeg het resultaat (de z.g. adjusted EBITDA) USD 400 miljoen. Voor het eerst werd zijdens de accountant bij de jaarrekening 2004 een ongeclausuleerde schone verklaring verstrekt zonder opmerkingen over dreigende discontinuïteit. Het management kreeg maar korte tijd om na te genieten van het beste jaar in de geschiedenis van LPD. Al in het 1 e kwartaal van 2005 doemden nieuwe bedreigingen op. Er zouden hoge herstructureringskosten moeten worden genomen in verband met het sluiten van fabrieken (met name voormalige Philips fabrieken in Europa), de voorraden namen sterk toe, terwijl de z.g. Capex-uitgaven ongebruikelijk hoog uitvielen. Vanaf het 2 e kwartaal 2005 kwamen de resultaten verder onder druk te staan als gevolg van de snel verslechterende marktomstandigheden. In de vergadering van de Raad van Commissarissen d.d. 11 juli /240

12 werd een reddingsplan voor Europa besproken. De fabrieken in West-Europa met hun zeer hoge kostenstructuur zouden zo snel mogelijk gedownsized moeten worden en/of gesloten. In de vergadering van de Raad van Commissarissen van 10 oktober 2005 werd geconstateerd, dat LPD in de komende jaren een financieringstekort zou hebben van maar liefst USD 1,4 miljard. In de telefonische vergadering van de Raad van Commissarissen van 27 oktober 2005 werd al gesproken van een financieringstekort voor de komende jaren van bijna USD miljoen. Het businessplan toonde aan, dat de toekomstige kasstromen van LPD niet voldoende zouden zijn voor de betaling van aflossing, rente en de benodigde herstructureringskosten. De CRT-markt zou veel sneller dalen dan aanvang 2004 was voorzien. In de maanden hierna bleek, dat beide aandeelhouders niet langer bereid waren tot een kapitaalsinjectie en dat het Bankensyndicaat evenmin bereid was additionele financiering te verstrekken. In haar persbericht van 21 december 2005 maakte Philips wereldkundig, dat zij inzake LPD had besloten tot een eenmalige non-cash impairment van ongeveer 418 miljoen, dat zij daarenboven een eenmalige last nam van 42 miljoen bestaande uit betaling van garantieverplichtingen jegens het Bankensyndicaat en dat zij verder geen kapitaal meer zou steken in LPD. Ook LGE weigerde verdere financiële steun. Aldus werd het faillissement van LPD aanvang 2006 onvermijdelijk. Het totale netto verlies van LPD over de jaren 2001 tot en met 2005 bedroeg USD miljoen. De aandeelhouders namen in de aanvang van de joint venture voor USD miljoen deel in het risicodragend kapitaal. In latere jaren werd een bedrag van USD 750 miljoen bijgestort en werd uit hoofde van verstrekte garanties aan het Bankensyndicaat betaald de somma van 84 miljoen. Als gevolg van het faillissement hebben de aandeelhouders hun totaal investering van per saldo ruim USD 2,1 miljard moeten afschrijven. Dit bedrag kan als volgt worden gespecificeerd: Initiële inbreng activa (minus passiva) USD miljoen Af: Koopsom in contanten USD USD Bij: Extra kapitaalstortingen USD 750 USD Bij: Betaalde garanties USD /240

13 (februari 2006) USD miljoen, derhalve USD miljoen per aandeelhouder. Daarenboven betaalde Philips in maart 2002 nog een bedrag ad USD 105 miljoen aan LGE om daarmede alle disputen inzake de meerwaarde van de door LGE ingebrachte activa te schikken. Het Bankensyndicaat zal naar verwachting uiteindelijk meer dan USD 640 miljoen exclusief rente moeten afboeken. MIVAR zal 200 miljoen exclusief rente moeten afboeken. De schade voor de lokale banken alsmede de overige crediteuren valt op dit moment nog niet te becijferen. 2.2 Hoofdoorzaken faillissement De teloorgang van het LPD-concern in een recordtempo van 4,5 jaar is veroorzaakt door een complex aan externe en interne factoren Externe factoren Industriële (markt)factoren: Als belangrijkste oorzaak kan worden genoemd de veel sneller dan verwachte daling van de vraag naar CRT-monitoren en TV s, mede als gevolg van de door onvoorzien snelle prijsdalingen in combinatie met sterke verbetering van de kwaliteit veel sneller dan verwachte opkomst en marktpenetratie van LCD-schermen. Deze daling ging gepaard met een alsmaar voortschrijdende prijserosie en daarmede verbonden verlaging van de marges. Voor de monitoren was in 2001 de verwachting, dat in 2004 de marktvraag ± 128 miljoen eenheden zou omvatten. De verwachting was dat dit nog 75% van de totale schermenmarkt voor monitoren zou zijn. De andere 25% zou worden ingevuld door LCD-monitoren. In 2004 bedroeg de CRT-markt voor monitoren edoch nog maar 67 miljoen eenheden, neerkomend op slechts 49% van de totale schermenmarkt voor monitoren. 13/240

14 De CRT-TV s lieten eenzelfde, zij het iets minder negatief beeld zien. In 2001 werd verwacht, dat in 2004 de marktomvang voor CRT-televisies nog 183 miljoen eenheden zou omvatten, neerkomend op 95% van de totale markt voor televisies. In 2004 bedroeg de CRT markt voor televisies echter nog maar 170 miljoen eenheden, neerkomend op 90% van de totale markt voor televisies. Aanvang 2006 bestond echter de verwachting, dat de CRT-markt voor televisies in 2010 nog slechts 39% van de totale vraag zou uitmaken. De marktvraag is mitsdien veel sneller gedaald dan door LPD werd aangenomen. Dit blijkt alleen al door de omzetprognoses van LPD in de in 2001 bij de aanvang van de joint venture opgestelde businessplannen (Businessplan 1 was verwerkt in het in mei 2001 aan het Bankensyndicaat verstrekte Informatiememo, Businessplan 2 werd in september 2001 opgesteld) te vergelijken met de werkelijk gerealiseerde omzet. Omzet in USD miljoen Businessplan Businessplan Gerealiseerd Omzet inclusief door Philips en LGE in het eerste halfjaar gerealiseerde omzet De in 2001 opgestelde businessplannen 1 en 2 bevatten mitsdien een volledig verkeerde inschatting van de te verwachten omzetten. Over de eerste vijf jaar werd de omzet in Businessplan 2 maar liefst in totaal USD 15,8 miljard té hoog geprognotiseerd. In 2002 werden alle prognoses substantieel naar beneden bijgesteld. Vervolgens moesten de prognoses aan het einde van ieder jaar weer substantieel naar beneden worden bijgesteld. Ook de concurrenten en alle gespecialiseerde marktonderzoeksburo s, zoals DisplaySearch (vanaf 2003), Dataquest, I-Supply en IDC, hebben de markt jaar in jaar uit foutief ingeschat. De voorspellingen van LPD voor de jaren 2001 en 2002 waren echter steeds optimistischer dan die van de toch al té optimistische voorspellingen van concurrenten en marktonderzoeksburo s. Daar kwam nog bij dat de snel dalende omzet gepaard ging met een sterker dan verwachte prijserosie. De neergaande ontwikkelingen gingen veel sneller dan zelfs door marktexperts verwacht. Dit werd met name veroorzaakt door de alsmaar toenemende concurrentie en de veel sneller dan verwachte opkomst van alternatieve technologieën als 14/240

15 LCD-monitoren en televisies, mede als gevolg van de met betrekking tot deze producten in versneld tempo doorgevoerde prijsdalingen. De constatering, dat LPD in geen enkel jaar (uitzondering 2004) haar prognoses heeft kunnen waarmaken, wordt met name verklaard door de hiervoor geschetste, steeds weer boven iedere verwachting, verslechterende marktsituatie. Als gevolg van de in een ras tempo sterk verminderde marktvraag ontstond aanzienlijke overcapaciteit. Deze overcapaciteit leidde tussen 2001 en 2006 tot een ware shake-out van CRT-fabrieken, terwijl tegelijkertijd een consolidatieslag plaatsvond. Naast de joint venture van Philips en LGE vond in 2003 een fusie plaats van de CRT-activiteiten van Matsushita en Toshiba en verkocht Thomson in 2005 haar CRT-activiteiten aan Videocon. Tot slot zij opgemerkt, dat de dollar in de relevante periode meer dan voorzien in waarde daalde ten opzichte van de euro. De verkoop van CRT units geschiedde in dollars Interne factoren De interne factoren welke een rol hebben gespeeld, kunnen worden onderscheiden in operationele factoren en factoren betrekking hebbend op de wijze van financiering van LPD, de wijze van aansturing, verschillen van visie en cultuurverschillen e.d. Operationele factoren: LPD zag zich vanaf de aanvang geconfronteerd met een zeer hoge kostenstructuur. Enerzijds als gevolg van de achteraf beschouwd met het oog op de bij de oprichting van de joint venture snel verslechterende marktomstandigheden, zeer hoge prijs voor ingebrachte activa en de vanaf de aanvang té hoge financieringslast. Anderzijds als gevolg van ieder jaar weer noodzakelijke herstructureringskosten ten gevolge van bestaande overcapaciteit en sluiting van fabrieken in hoge lonen landen, de noodzakelijke afwaarderingen van de bestaande productiemiddelen (impairments) en de investeringen in lage lonen landen. De productiecapaciteit van LPD moest telkens weer opnieuw worden afgestemd op de vraag in de markt. In de periode bedroegen de herstructureringskosten in totaal USD 525 miljoen, terwijl het totaal van de impairments USD miljoen bedroeg. Al in de eerste vergadering van de Raad van Commissarissen (27 oktober 2001) liet voorzitter Wente 15/240

16 weten, dat. the company is in bad shape.. en dat binnen 2 tot 3 jaar het aantal werknemers met zou moeten worden teruggebracht. Met name de binnen enkele jaren noodzakelijk gebleken buitensporige omvang van de impairments en de reorganisatiekosten duiden op een zeer hoog vastgestelde inbrengprijs bij de aanvang van de joint venture. In het businessplan van 2001 werden beide posten voor dezelfde periode begroot op slechts USD 277 miljoen. Ook de in de verslagperiode alsmaar stijgende kosten van grondstoffen van met name glas en koper, speelden LPD danig parten. Daarnaast had LPD te kampen met een inefficiënte logistiek, waarbij vaak vanuit Europese fabrieken van LPD componenten moesten worden verscheept naar de LPD-fabrieken in Azië en omgekeerd. De vele bedrijfssluitingen in de periode 2001 t/m 2005 hadden een negatieve invloed op de efficiency van het productieproces, doordat telkens weer herschikkingen moesten plaatsvinden tussen productielocaties en methodes. In plaats van de over de periode 2001 t/m 2005 in het businessplan begrote totaal netto winst van USD miljoen werd een totaal netto verlies geleden van USD miljoen. Het businessplan schetste mitsdien een achteraf beschouwd - véél te optimistisch beeld van de markt- en bedrijfsresultaten. Overige interne factoren Als interne factor dient in het bijzonder genoemd te worden de vanaf de aanvang buitengewoon kwetsbare financieringsstructuur van LPD. LPD werd bij haar oprichting belast met een bankfaciliteit van USD 2 miljard (leningen van lokale banken ten belope van meer dan USD 500 miljoen niet daaronder begrepen), waarvan slechts USD 645 miljoen kon worden aangewend voor werkkapitaal. Maar liefst USD miljoen werd uitgekeerd aan de aandeelhouders ter betaling van de inbreng van activa. LPD was maximaal geleveraged, hetgeen overigens in die tijd niet ongebruikelijk was. De voortdurende onderkapitalisatie in samenhang met de sneller dan verwachte verslechtering van de CRT-markt leidden voor het management tot een situatie van dweilen met de kraan open. De veel hoger dan verwachte reorganisatiekosten in combinatie met de operationele verliezen, afbetaling van schulden en rentekosten konden eenvoudigweg niet door de operationele cashflow van LPD worden gefinancierd. Als gevolg van de zeer hoge rente- en aflossingsverplichtingen kwam de nadruk te liggen op cash flow en niet op rendement. Uit de notulen van de eerste vergadering van de Raad van Commissarissen blijkt dat toen reeds aan de aandeelhouders om een equity ejection van USD 600 miljoen was gevraagd, waarvan USD 200 miljoen moest worden aangewend voor herstructureringsplannen en USD 400 miljoen. to cover the foreseen /240

17 m. USD negative cash flow, the improvement of the debt/equity ratio and the correction of the lower than projected opening balance sheet. Uit de notulen van de Raad van Commissarissen van 10 december 2001 blijkt dat het bestuur haar verzoek tot kapitaalsinjectie had verlaagd tot USD 400 miljoen. De aandeelhouders werden vervolgens bereid gevonden aanvang 2002 USD 250 miljoen kapitaal te storten. Ook nà de kapitaalsinjectie van USD 250 miljoen aanvang 2002 door de aandeelhouders stelde treasurer Ho van LPD in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 2 februari 2002 the Company is carrying too much debt... Achteraf beschouwd is de wijze van financiering voor de continuïteit van LPD uiterst kwetsbaar gebleken. In de alsmaar neergaande markt zag LPD zich keihard geconfronteerd met de gevolgen van de zeer kwetsbare financieringsstructuur. LPD is too high geared, aldus slide 29 van de tijdens de vergadering van de Raad van Commissarissen d.d. 5 november 2002 gehouden presentaties. In de notulen van de Raad van Commissarissen van 16 september 2003 valt op dit punt te lezen: The Supervisory Board acknowledged the Company s fragile financial structure and realized that the banks may request for shareholders support. In 2004 zagen aandeelhouders zich genoodzaakt wederom USD 500 miljoen kapitaal te storten. Met de wetenschap van vandaag ware het verstandiger geweest dat aan beide aandeelhouders aandelen LPD zouden zijn uitgegeven op basis van 50/50 en dat, indien en voorzover de ene aandeelhouder minder inbracht dan de andere (in dit geval Philips), de eerstgenoemde het verschil aan LPD in contanten zou hebben voldaan. Een andere optie zou zijn geweest dat, naast de inbreng van activa tegen uitgifte van aandelen aan beide partners, buiten LPD om en rechtstreeks tussen beide partners verrekening zou hebben plaatsgevonden van de helft van de méérinbreng van de ene partner ten opzichte van de andere partner, zodat de bankfaciliteit primair had kunnen worden aangewend voor het werkkapitaal van LPD. Voor deze laatste optie had LGE conform de Joint Venture Agreement kunnen kiezen, doch LGE heeft hiervan om haar moverende redenen afgezien. Aan LGE werd USD 1,1 miljard betaald voor de inbreng van activa. Niet onaannemelijk is, dat de eigen kwetsbare financiële positie van LGE in 2001 daarbij een rol heeft gespeeld, doch dit is niet komen vast te staan. LG (marktkapitalisatie in mei 2001 USD 1,64 miljard) was vergeleken met Philips (marktkapitalisatie in mei 2001 USD miljard) de kleinere partij met een in die tijd geringere financiële spankracht. LG had ultimo 2000 en in 2001 duidelijk behoefte aan cash. Op haar verzoek had Philips in december 2000 nog voor ongeveer EUR 505 miljoen in LGE geïnvesteerd via de koop van door LGE 17/240

18 uitgegeven z.g. covertible redeemable preferente aandelen. Bij de totstandkoming van de joint venture in juni 2001 heeft LGE deze aandelen weer ingekocht en aan Philips ongeveer EUR 500 miljoen terugbetaald. Het is aannemelijk te achten, dat deze terugbetaling is geschied via de door LGE van LPD ontvangen inbrengsom van USD 1,1 miljard. In beide hiervoor genoemde alternatieven zou de financieringsstructuur van LPD echter aanmerkelijk beter zijn geweest, doch zou LGE geen cash hebben ontvangen. De door beide aandeelhouders gemaakte keuze van financiering van de joint venture, als gevolg waarvan de joint venture vanaf de aanvang een kwetsbare financiële structuur kende, is, in combinatie met de achteraf gebleken hoge inbrengprijs van de activa, wederom achteraf beschouwd, - onder de in 2001 gegeven moeilijke marktomstandigheden - als onevenwichtig en gewaagd aan te merken. Als interne factor kan tevens worden genoemd de wijze, waarop LPD werd aangestuurd alsmede de in het oog springende verschillen in opvattingen van beide aandeelhouders. Bij de oprichting van de joint venture was overeengekomen, dat Philips en LGE ieder voor het bestuur drie personen konden laten benoemen, met gevolg, dat het management bestond uit een mix van Koreaanse en Nederlandse ex-lge en ex-philips werknemers, die vervolgens veelvuldig werden gewisseld, hetgeen niet altijd bevorderlijk heeft gewerkt voor een consistente en efficiënte gang van zaken. De Raad van Commissarissen bestond uitsluitend en alleen uit werknemers van Philips en LGE. Dit roept vragen op met betrekking tot de onafhankelijkheid en diversiteit van de samenstelling. LPD vertoonde de trekken van een verstandshuwelijk tussen Philips en LGE, waarbij lang niet altijd de meest geschikte manager op de juiste plaats werd benoemd. Primair gold het principe van evenredige vertegenwoordiging. De gekozen managementstructuur was complex en inefficiënt. Met grote regelmaat werden door Philips en LGE voorgedragen managers na een relatief kort dienstverband bij LPD weer teruggehaald naar het moederbedrijf. Daardoor vond er veelvuldig wisseling van de wacht plaats. Voorts zaten Philips en LGE lang niet altijd op één lijn voor wat betreft de wijze waarop LPD moest worden aangestuurd. LGE was vooral topdown gefocust en was voorstander van een centraal gestuurde organisatie, terwijl Philips meer gecharmeerd was van het leggen van verantwoordelijkheden in de diverse regio s. Voorts beschouwde Philips de joint venture als een van Philips onafhankelijke en zelfstandige 18/240

19 financiële participatie, terwijl LGE de joint venture meer beschouwde als een verlengstuk van haar eigen onderneming. Ook de bedrijfsvisie van beide aandeelhouders verschilde op onderdelen. Zo wilde LGE met name investeren in innovatie en nieuwe CRT-technologieën, terwijl Philips van oordeel was, dat deze investeringen in een neergaande CRT-markt niet terugverdiend zouden kunnen worden. LGE zag veel perspectief voor de bij LPD ontwikkelde Super Slim (plattere beeldbuizen), met name op de Aziatische markt, terwijl Philips de introductie van de Super Slim vanuit commercieel oogpunt niet echt zag zitten. Alle voormalige Philips-fabrieken waren tot toenemende ergernis van LGE verlieslatend, terwijl de voormalige LGE-fabrieken een positieve cash flow genereerden. LGE was een voorstander van de harde lijn en van het sluiten van de voormalige Philips-fabrieken in combinatie met het aanvragen van het faillissement van de betreffende werkmaatschappijen. LGE vond dat Philips dit maar moest oplossen. Philips vreesde reputatieschade en een negatieve perceptie bij het overblijvend personeel en wilde afslanken via reorganisaties en het aanbieden van ontslagvergoedingen, hetgeen uiteraard tot veel hogere kosten leidde. De LGE-fabrieken scoorden veel beter op het terrein van efficiency en productiviteit van werknemers. Mede om deze reden kregen Koreanen de leiding in de voormalige Philips-fabrieken te Gomez Palacio (Mexico) en Hranice (Tsjechië). De Philips bestuurders waren daarentegen weer beter op het terrein van financiën. Tot slot speelden cultuurverschillen en taalbarrières een rol van betekenis. De hier gesignaleerde verschillen kwamen de slagvaardigheid van het management niet ten goede. Niet gebleken is dat het gegeven, dat beide aandeelhouders via hun gezamenlijke tweede joint venture LG.Philips LCD de facto met LPD conflicterende belangen hadden, een negatieve rol heeft gespeeld bij de bedrijfsvoering en de uiteindelijke resultaten van LPD Optreden van het Bestuur en de Commissarissen/Handelswijze aandeelhouders Met de wetenschap van nu kan vastgesteld worden, dat de aan de oprichting van de joint venture ten grondslag liggende businessplannen JV Framework Businessplan en het Joint Business Plan 2 een véél te optimistisch beeld schetsten van de komende marktontwikkelingen en de mede hierop gebaseerde bedrijfsresultaten, mede gelet op de ontwikkelingen (omzetten) van vóór /240

20 Deze optimistische blik kon ook waargenomen worden in de bij de jaarrekeningen behorende directieverslagen alsmede in de in de loop der jaren uitgegeven persberichten. Bestuur en daarmede ook de commissarissen vanuit hun toezichthoudende functie, hebben de markt volledig verkeerd ingeschat. Dit geldt evenzeer ook voor beide aandeelhouders. Gebleken is echter, dat ook de professionele marktanalisten zoals DisplaySearch (vanaf 2003), IDC, I-Supply en Dataquest alsmede de concurrenten steeds een verkeerde inschatting van de marktontwikkelingen hebben gemaakt. De niet voorziene forse daling van de omzet jaar na jaar in combinatie met een sterke prijserosie en daarmede gepaard gaande voortdurende daling van de gemiddelde verkoopprijzen, werden met name veroorzaakt door de veel sneller dan verwachte opkomst van de in snel tempo in prijs dalende en in kwaliteit stijgende LCD-monitoren en televisies. Zoals elders in dit rapport opgemerkt, waren deze in hoofdzaak externe factoren tezamen met de als zeer kwetsbaar te duiden financieringsstructuur, in combinatie met de scherpe stijging van de prijzen van benodigde grondstoffen van met name glas en koper en de zeer hoge kosten van de steeds weer noodzakelijke herstructureringen en impairments, de hoofdoorzaken van de snelle teloorgang van de joint venture. De vele hiervoor genoemde interne factoren hebben het neergaande proces slechts versneld. De vraag is in hoeverre het management en de commissarissen van LPD de gang van zaken valt te verwijten. De belangrijkste boosdoener betrof - zoals gezegd de ieder jaar weer tegenvallende marktontwikkelingen, zoals nader verwoord in par Daarbij komt dat het startjaar 2001 een rampjaar werd. Wereldwijd was sprake van economische neergang. De instorting van de dot.com industrie ondermijnde de IT-sector, hetgeen de gang van zaken in de telecom en PC gerelateerde industrie en daarmede de LCD en CRT joint ventures van Philips en LGE sterk negatief beïnvloedde. Weliswaar deugden de jaarlijkse prognoses van het management niet, doch hetzelfde kan gezegd worden van de professionele marktanalisten en de concurrenten. Niemand voorzag kennelijk de snelle neergang van de CRT-industrie en de daartegenover staande snelle opkomst van onder meer de LCD-technologie. LPD was echter met haar prognoses met name voor de aanvangsjaren 2001 en 2002 optimistischer dan de op zich al té optimistische prognoses van de professionele marktanalisten. Dit wekt verbazing, te meer nu ná Samsung, 20/240

21 de grootste producent van platte beeldschermen, Philips en LGE via hun gezamenlijke LCD joint ventures veel kennis hadden omtrent de ontwikkelingen en vooruitzichten op de concurrerende LCD-markt. De CRT-markt is moeilijk voorspelbaar gebleken. Verwezen wordt naar paragraaf 6 (Marktontwikkelingen). Ofschoon bestuur en toezichthouders jaarlijks hebben geherstructureerd, zou een veel snellere sluiting van de fabrieken in de hoge lonen landen (met name voormalige Philipsfabrieken in Europa) achteraf beschouwd geïndiceerd zijn geweest. Dit klemt temeer nu in het jaarverslag van 2001 al werd gesteld, dat in verband met het produceren tegen zo laag mogelijke kosten snelle migratie nodig was naar productielanden met lagere kosten. De vraag is in dit verband gerechtvaardigd of onder de toen heersende marktomstandigheden de inbreng per 30 juni 2001 wel tegen reële en faire bedrijfswaarden heeft plaatsgevonden. Gelet op enerzijds de wijze waarop de vastgestelde bedrijfswaarden tot stand zijn gekomen (onder meer op basis van discounted cash flow methode, die uitging van véél te optimistische prognoses opgesteld in juni 2000, derhalve een jaar vóór de start van de joint venture) en gelet op anderzijds de nadien toegepaste zeer hoge impairments (ten belope van in totaal USD miljoen) en de noodzakelijk gebleken herstructureringskosten (ten belope van in totaal USD 525 miljoen) èn nieuwe investeringen (ten belope van USD miljoen), is de conclusie gerechtvaardigd achteraf beschouwd dat de inbreng in 2001 tegen zeer hoge waarde heeft plaatsgevonden. Dit geldt met name voor de door Philips ingebrachte fabrieken. Voorzitter Wente stelde in de eerste vergadering van de Raad van Commissarissen van 27 oktober 2001 niet voor niets :..the company is in a bad shape.. Van het totaal van USD miljoen aan herstructurerings- en impairmentkosten kwam een bedrag van USD miljoen voor rekening van de ex Philips-fabrieken. Gezien de op de aanvangsdatum van de joint venture reeds ingetreden drastisch verslechterende marktsituatie had het verlagen van de koopprijzen van de activa bij de oprichting in de rede gelegen. De hiervoor geciteerde notulen van de eerste Raad van Commissarissenvergadering van 27 oktober 2001 illustreren treffend de slechte staat waarin de joint venture zich reeds bij de aanvang bevond. Het is de vraag of de ondernemingsleiding zich wel voldoende bewust is geweest van de ernst van de jaar in jaar uit verslechterende situatie. Het bestuur heeft voortdurend herstructureringen doorgevoerd, in hoofdzaak bestaande uit sluiting van fabrieken, verplaatsing van productie naar lage lonenlanden (in 2000 vond 39% van de productie plaats 21/240

22 in lage lonenlanden; in 2003 bedroeg dit 63%), ontslag van personeel, uitstel investeringen, reductie van kosten, verbetering productmix etc. Achteraf beschouwd had sneller en ingrijpender gereorganiseerd moeten worden (met name voor wat betreft de Europese ex-philips fabrieken) en waren de jaarlijkse impairments onvoldoende. Wél dient hierbij in aanmerking te worden genomen, dat de door het Bankensyndicaat aan het bedrijf opgelegde financiële ratio s op gespannen voet kunnen hebben gestaan met het al of niet tijdig nemen van adequate herstructureringsmaatregelen en het boeken van afdoende impairments. Niet uitgesloten moet worden geacht, dat de ondernemingsleiding het doorvoeren van herstructureringsmaatregelen en/of het boeken van impairments in omvang moest beperken, teneinde niet in een defaultsituatie met het Bankensyndicaat te geraken. Daarnaast speelde LPD het voortdurend gebrek aan liquide middelen uiteraard parten bij het doorvoeren van herstructureringen. LPD werd vanuit haar hoofdkantoor in Hong Kong geleid door bestuurders van Koreaanse en Nederlandse afkomst. De hiervoor gesignaleerde verschillen van opvattingen en strategie, cultuurverschillen en taalbarrières tussen ex Philips- en ex LGE-managers en de vele wisselingen van managers onder meer en met name in de Raad van Commissarissen, hebben weliswaar een negatieve invloed gehad op de aansturing van de joint venture, doch hebben geen overwegende rol van betekenis gespeeld. Wel dient in dit verband nog gewezen te worden op de eenzijdige samenstelling van directie en Raad van Commissarissen. Beide aandeelhouders konden ieder drie directeuren aanwijzen. Dit waren in alle gevallen eigen werknemers, die vervolgens op de loonlijst van LPD kwamen te staan. De Raad van Commissarissen bestond uitsluitend en alleen uit werknemers van Philips en LGE en fungeerde regelmatig als spreekbuis voor de aandeelhouders. Sommige commissarissen maakten tevens deel uit van de Raad van Commissarissen van de LG.Philips LCD joint venture. Aldus kon van diversiteit in de samenstelling niet worden gesproken, terwijl vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de onafhankelijkheid van de commissarissen. Voor wat betreft de handelswijze van de aandeelhouders wordt het navolgende opgemerkt. Aandeelhouders treft achteraf bezien - het verwijt, dat zij als gevolg van de gekozen financieringsconstructie vanaf de aanvang de joint venture hebben belast met een veel té hoge schuldenlast. 22/240

23 De inbreng van de activa door de aandeelhouders in de joint venture vond plaats tegen een, onder de gegeven marktomstandigheden, zeer hoge prijs, terwijl de joint venture naast de uitgifte van aandelen bijwege van koopsom aan LGE USD 1.1 miljard moest betalen en aan Philips USD 255 miljoen. Mede vanwege de betaling van deze koopsom van in totaal USD miljoen moest LPD een financiering aantrekken bij het Bankensyndicaat ten belope van USD 2 miljard (inclusief werkkapitaal) en bij lokale banken ten belope van in de aanvang meer dan USD 500 miljoen. Daarnaast was LPD nog eens afhankelijk van substantiële leverancierskredieten. In 2002 moest voorts nog een obligatielening ten belope van 200 miljoen worden uitgeschreven. Mede als gevolg van deze risicovolle financieringsstructuur in combinatie met de alsmaar verslechterende marktsituatie, kwam LPD tijdens haar bestaan voortdurend liquiditeiten tekort om aan alle verplichtingen te kunnen voldoen Tot tweemaal toe (in 2002 en 2004) moesten financiële herstructureringen plaatsvinden en moesten aandeelhouders bijspringen met kapitaalsinjecties van USD 250 miljoen in 2002 en van USD 500 miljoen in Ultimo 2005 weigerden beide aandeelhouders verdere kapitaalsinjecties. De gekozen wijze van financiering was gelijk gezegd - gewaagd en onevenwichtig en hield onvoldoende rekening met het risico van een alsmaar neergaande markt met daaraan gerelateerde steeds verslechterende resultaten. 23/240

24 3. Totstandkoming van de joint venture 3.1. Inleiding Op 27 november 2000 hebben Philips en LGE een letter of intent gesloten waarin zij de intentie uitspraken om hun CRT-activiteiten inclusief verticale integratie (ontwikkel- en verkoopactiviteiten) en mogelijk ook hun PDP-(plasma)actviteiten in één onderneming samen te voegen. De voorbereidingen in het kader van de samenvoeging van activiteiten vonden plaats onder de projectnaam Mercury. De CRT-activiteiten betroffen simpel gezegd het produceren van cathode ray tubes voor televisies en computermonitoren. De tubes werden verkocht aan fabrikanten van televisies en computermonitoren, welke de tubes in de televisies en monitoren inbouwden. In de letter of intent werden de contouren geschetst hoe deze joint venture er uit moest komen te zien en hoe de samenvoeging plaats zou moeten gaan vinden. Op 11 juni 2001 werd tussen partijen de Joint Venture Agreement getekend, krachtens welke de door Philips en LGE uitgeoefende CRT-activiteiten werden samengevoegd en ingebracht in een gezamenlijke vennootschap. Krachtens de joint venture overeenkomst werden door Philips en LGE ingebracht: de activa en passiva betrekking hebbend op: 1. de fabricage van CRT-tubes 2. de vervaardiging van de componenten: deflection units, electron guns en electron guns parts, alsmede daarmede samenhangende subcomponenten. 3. CRT-glas De nieuwe onderneming kreeg de naam LG.Philips Displays. De kerngedachte achter het samenvoegen van de CRT-activiteiten door Philips en LGE is - kort samengevat - geweest, dat beide partners ervan uitgingen dat consolidatie van de industrie noodzakelijk was, gegeven de regelmatig terugkerende overcapaciteit bij CDT en in een na verloop van tijd afnemende markt voor CRT-producten, alleen de grootste CRT-producenten zouden kunnen overleven. The deal.. will be accretive to our earnings as of day one. The joint venture puts us in a clear cost leadership position in a mature market, aldus Kleisterlee, destijds COO van Philips in een perscommuniqué van 27 november /240

25 Zoals onder meer blijkt uit het businessplan en uit het aan de banken verstrekte Informatie Memorandum zagen LGE en Philips de volgende voordelen om de CRT-activiteiten in één onderneming onder te brengen: a. Schaalvergroting: door samenvoeging van de CRT-activiteiten van Philips en LGE in één onderneming werd een onderneming gecreëerd met een productiecapaciteit van circa 71 miljoen units per jaar waardoor LPD ná haar oprichting de grootste CRTfabrikant in de wereld zou zijn qua productiecapaciteit. De gezamenlijke onderneming zou 34 manufacturing sites tellen in Europa, Azië en Amerika met circa werknemers. Door haar nummer één positie zou LPD in staat moeten worden geacht om forse kortingen te bedingen op inkoopprijzen van onder meer grondstoffen; b. Het samenvoegen van CRT-activiteiten van Philips en LGE betekende de creatie van een wereldmarktleider in zowel het CPT-(color picture tubes-televisies)segment als het CDT-(color display tubes-computermonitoren)segment. LPD zou naar verwachting bij haar oprichting in beide segmenten een marktaandeel hebben van circa 26%. Ter vergelijking, de grootste concurrent van LPD, Samsung SDI, had in 2001 een marktaandeel van circa 16 % in het CPT-segment en 22 % in het CDT-marktsegment; c. LPD zou een wereldwijde CRT-fabrikant worden met fabrieken in alle belangrijke geografische regio s welke fabrieken dicht bij de klanten van LPD gelegen waren; LGE was marktleider in Azië en Philips in Europa, China en de Verenigde Staten; d. Synergie. Door samensmelting van de CRT-activiteiten in LPD, zou LPD kunnen profiteren van het feit, enerzijds, dat LGE sterk was op het gebied van het productieproces en kostenbeheersing en een sterke speler was op de markt van monitoren en, anderzijds, dat Philips zeer sterk was op het gebied van technologische innovatie en marketing en een sterke speler was op de markt van TV-buizen. In het samenvoegen van de CRT-activiteiten in LPD, zagen Philips en LGE een aantal synergievoordelen op de gebieden van inkoop, verkoop, innovatie en industrie. Inkoop: Vanwege de nummer 1 positie die LPD ná oprichting in de CRT-markt zou bekleden, bestond de verwachting, dat LPD veelal de grootste klant zou gaan worden 25/240

26 van de meeste van haar leveranciers. Verwacht werd dat LPD deze positie zou kunnen benutten door onder andere forse kortingen op de inkoopprijzen van onder meer glas, shadowmask, electron guns, yoke rings en deflection units te bedingen. De inkoopvoordelen zouden aldus kunnen toenemen van USD 30 miljoen in 2001 tot USD 266 miljoen in Verkoop: Doordat LPD de beschikking kreeg over het productportfolio van Philips en LGE, werd verwacht dat LPD voortaan beter aan de vraag c.q. behoeften van haar klanten zou kunnen voldoen. Innovatie: Philips en LGE hadden in 2001 ieder een Research & Development (R&D) centrum. Deze twee centra zouden worden samengevoegd. Deze samenvoeging zou niet alleen moeten leiden tot een kostenbesparing, maar ook tot een snellere ontwikkeling van nieuwe producten. De target die LPD zichzelf bij oprichting oplegde, was om binnen 18 maanden ná haar oprichting 10 nieuwe CPT-producten en 3 nieuwe CDT-producten te introduceren. Teneinde dit te financieren, werd besloten om 2% van de omzet aan te wenden voor innovatie. Industrie: De LGE-fabrieken hadden een hogere productiviteit en rendement dan de Philips-fabrieken. Met behulp van de kennis van LGE, zou LPD zich inspannen om de productiviteit van de Philips-fabrieken te Hranice (Tsjechië), Gomez de Palacio (Mexico) en Hua Fei (joint venture te China) te verhogen van 80% in 2001 tot 91% in Onderstaande tabel geeft de kostenbesparingen weer die LPD in 2001 tot en met 2005 dacht te realiseren dankzij de synergievoordelen. 26/240

27 [mill USD / year] Innovation Industrial performance & sales Purchasing Total Bron: LPD Zoals uit de tabel volgt, zou het realiseren van deze synergievoordelen uiteindelijk tot een jaarlijkse kostenbesparing leiden van circa USD 600 miljoen in Aan het synergievoordeel innovatie werd geen kostenbesparend effect toegekend. Synergievoordelen konden op dit punt niet worden gekwantificeerd, omdat het lang zou gaan duren om te implementeren en mede gezien de hieraan verbonden kosten. e. Weinig overlap. De samenvoeging van CRT-activiteiten zou een minimale overlap betekenen voor wat betreft de landen waarin de CRT-productie plaatsvond alsmede voor wat betreft de klanten. Zo waren de klanten van Philips voornamelijk geconcentreerd in Europa, China, Brazilië en USA terwijl LGE haar CRT-omzet vooral behaalde in Azië (inclusief China). Daarenboven gold dat Philips in 2001 markleider was in CPT (17%) en LGE juist in CDT (16%). Ook in dit perspectief vulden de CRT activiteiten van Philips en LGE elkaar mooi aan. 27/240

28 Het doel van de oprichting van LPD was het creëren van een marktleider in zowel de CPT-markt als de CDT-markt, teneinde de in de CRT-markt verwachte consolidatie van CRTfabrikanten te kunnen leiden. In het verlengde hiervan stelde LPD zich tot doel om in vier jaar tijd haar marktaandeel te vergroten van circa 26% tot 30% alsmede om een waarde van USD 3 miljard te creëren voor haar aandeelhouders. In het persbericht van 27 november 2000 werden de voordelen van de joint venture als volgt samengevat: The merged entity is projected to benefit from the highly complementary strengths of the two companies: Philips leadership in television tubes, and LG s leadership in monitor tubes; LG s geographical leadership in Asia, and Philips strengths in Europe, China, and the Americas; LG s industrial and manufacturing expertise and Philips global marketing and technological innovation. Further benefits are expected in the areas of purchasing and research & development. Beide partijen beoogden de joint venture na ± 3 jaar naar de beurs te brengen. De verwachting was dat de joint venture daarna nog minstens tien jaar winst zou kunnen maken. 3.2 Wijze van inbreng /Waardebepaling/ Financiering De inbreng van de door LGE respectievelijk Philips uitgeoefende CRT-activiteiten en activa, de voor de CRT-productie benodigde componenten daaronder begrepen, in LPD geschiedde via een activa/passiva transactie. In de Joint Venture Overeenkomst werd een onderscheid gemaakt tussen de inbreng van de CRT-activiteiten en activa zelf en de aan deze CRT gerelateerde glasactiviteiten en bijkomende activa. De reden hiervoor was dat Philips fabrieken in eigendom had die glazen schermen voor de CRT s produceerden en LGE niet. LGE had twee joint ventures (in Korea en Indonesië) waar CRT-glas werd geproduceerd. In eerste instantie zouden die ook in LPD worden ingebracht. Echter, de joint venture contracten maakten dat onmogelijk, mede omdat de partners van LGE in deze joint ventures hieraan niet wilden medewerken. Deze twee joint ventures waren bij LGE geconsolideerd. De tweeëntwintig fabrieken die Philips in LPD inbracht, waren gelegen in Europa, China en Noord- en Zuid- Amerika. LGE bracht zes fabrieken in. Deze fabrieken waren gesitueerd in Zuid-Korea, 28/240

29 Indonesië, China en Engeland. Bij aanvang van LPD traden circa werknemers in dienst. Twee derde van deze werknemers was afkomstig van Philips en een derde van LGE. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de door LGE en Philips ingebrachte CRT- componenten- en glasfabrieken: Land Plaats Product Philips LGE Productie- Capaciteit (1.000 eenheden) Oostenrijk Lebring CDT X Brazilië San José Dos CPT / Componenten (DU) X Campos Capuava Glass X Recife Componenten (Guns) X Manaus Componenten X - China Hua Fei CPT / CDT / Componenten (DU X en Guns) Nanjing CDT / Componenten (Yokes) X Changsu Componenten(Yokes) X Beijing Componenten (IBT) X Changsha CPT / CDT / Componenten X Hua Pu CDT (Deflection units en Guns) Frankrijk Dreux CPT X Duitsland Aachen CPT / Glass (Pannel) X Indonesië Jakarta CPT / Componenten (DU/FTB) X Korea Gumi CPT/CDT/Componenten (Guns) X Changwon CPT / CDT X Mexico Gomez de Palacio 1 CPT, Deflection units X Nederland Stadskanaal Componenten X Eindhoven Development/Engineering X Sittard Componenten (guns) X Polen Skierniewice Componenten (Yokes) X Spanje Barcelona CPT X Taiwan Dapon CDT / Componenten (Guns) X Chupei Glass X Hsinchu CDT X Chungli Componenten (DU) X Tsjechie Hranice 1 CPT X United Durham CPT X Kingdom Simonstone Glass X Blackburn Componenten (Guns) X Washington Componenten (DU) X Southport Componenten (Yokes) X Wales CPT/CDT/Componenten X (DU/FBT) USA Ottawa CPT X Total CDT/CPT Glass GUN/DU/Yokes/FBT Deze fabrieken waren ten tijde van de oprichting van LPD nog in aanbouw. 29/240

30 Onderstaande tabel geeft een nader inzicht in de fabriekslocaties met de daarbij behorende activiteiten. Europa Azië ex China China Americas CPT s (beeldbuizen) Dreux-France Gumi-Korea Changsha Gomez Palacio- Mexico Hranice-Czech Changwon- Hua Fei San Jose Dos Rep. Korea Campos Aachen- Germany Barcelona-Spain Durham-UK Lebring-Austria Bekasi-Indonesia CDT s (monitoren) Gumi Korea Changsha Changsu Changwon- Hua Fei Korea Componenten Aachen- Bekasi-Indonesia Beijing Capuava-Brazil Germany Namestovo- Gumi-Korea Changsha Recife-Brazil Slovakia Hua Fei Manaus-Brazil Subcomponenten Stadskanaal- Nanjing Feijin Neth. Sittard- Netherlands Blackburn-UK Skierniewice- Poland Glass Simonstone UK Chupei-Taiwan Capuava-Brazil Aachen- Germany De beoogde z.g. supply chain kan als volgt worden geschetst: 30/240

31 CPT en CDT Supply Chain Glass Provided by: Aachen Capuava CPT Provided by: Beijing Bekasi Changsha Gumi Hua Fei Manaus Namestovo Deflection Yokes Yokes CDT Provided by: Beijing Bekasi Changsha Gumi Hua Fei Provided by: Hua Fei Skierniewice Provided by: Bekasi Changsha Gumi Hua Fei Electronic Guns Guns parts Provided by: Bekasi Changsha Gumi Hua Fei Namestovo Recife Provided by: Blackburn Sittard Stadskanaal Ten tijde van het sluiten van de Joint Venture Agreement werd besloten om (vooralsnog) de PDP-(Plasma)activiteiten niet in LPD te brengen. De Joint Venture Agreement hield echter de mogelijkheid open om de PDP-activiteiten op een later tijdstip in LPD onder te brengen. De voornaamste redenen voor het besluit om de PDP-business niet bij oprichting in LPD in te 31/240

32 brengen, was, enerzijds, omdat LGE voor haar PDP-activiteiten een in de ogen van Philips véél te hoge prijs vroeg en aan de PDP-activiteiten van Philips een tè lage waarde toekende en, anderzijds, omdat Philips niet geloofde in de toekomst van PDP. Nadat LPD was opgericht is het niet meer gekomen tot de inbreng van de plasma activiteiten. LGE en Philips kwamen overeen om de eigenlijke CRT-activiteiten tegen nader overeen te komen waarden in LPD te brengen. Hetzelfde werd tussen Philips en LGE afgesproken ten aanzien van de inbreng van de glasfabrieken door Philips. Hiertoe hebben Philips en LGE balansen opgesteld van de in te brengen activa en passiva op basis van US GAAP. Deze balansen werden gecontroleerd door de externe accountants KPMG (Philips) en PWC (LGE). Philips stelde drie gescheiden gecombineerde overzichten van activa en passiva per 29 juni 2001 samen (Mercury business, Glass business en Yoke business tezamen vormend de Philips Closing Balance Sheet) en LGE stelde twee separate overzichten van activa en passiva per 30 juni 2001 samen (Mercury business combined statement of operating assets and liabilities en Mercury business, combined statement of debt transferred). Tezamen vormden deze balansen van Philips en LGE the audited closing balance sheets. De gecontroleerde balansen bestonden uit de consolidatie van het net operating capital van alle entiteiten die overgedragen werden, zowel juridisch zelfstandige als juridisch nietzelfstandige eenheden. Het net operating capital werd voor dit doel door het management gedefinieerd als alle materiële en immateriële activa, LPD intercompany rekeningen en vlottende activa, na aftrek van voorzieningen, te betalen leveranciers en kosten en andere verplichtingen. Uitgezonderd werden echter liquiditeiten, te betalen belastingen en latente belastingen en de lopende financieringen. Deze gecontroleerde balansen werden zoals gezegd - goedgekeurd door de externe accountants van beide partijen in overeenstemming met US GAAP, met uitzondering van de volgende posten: Vooruitbetaalde pensioenkosten en pensioenverplichtingen: Overeengekomen werd dat beide partijen local practice zouden volgen en niet FAS 87/FAS /240

33 Belasting onder FAS 109 en anders dan afkomstig van activa en passiva van overgedragen juridische eenheden. Specifieke valutakoersen werden gebruikt die afweken van de koersen die gebruikt moesten worden volgens US GAAP. Bepaalde vereiste disclosures zoals voorgeschreven door US GAAP werden niet opgenomen. De geconsolideerde openingsbalans per 30 juni 2001 van LPD werd vervolgens samengesteld door het management van LPD. De geconsolideerde balans werd samengesteld door de bedragen uit de hiervoor genoemde audited closing balance sheets van Philips en LGE samen te voegen, gecorrigeerd voor sommige elementen, zulks teneinde te voldoen aan US GAAP alsmede door een herwaardering van de materiele vaste activa en goodwill ( step up accounting ). Correcties op de samengevoegde boekwaarden werden zoals gezegd - toegepast om sommige activa op fair value te brengen ( step-up accounting ). Beide aandeelhouders werden op dit punt bijgestaan en geadviseerd door financieel adviseurs, waarbij JPMorgan optrad als adviseur voor Philips en Salomon Smith Barney Citi Group als adviseur voor LGE. Zij leverden valuation exercises aan, waarbij de waarderingen werden gebaseerd op verschillende factoren, de z.g. discounted cash flow analysis daaronder begrepen. De waarderingen van de financieel adviseurs waren mede gebaseerd op financial forecasts, in juni 2000 uitgewisseld tussen de aandeelhouders, alsmede op de business and financial outlook van de CRT-business op dat moment. Het baseren van de waarderingen mede op forecasts van juni 2000, derhalve op cijfers betrekking hebbend op de periode gelegen ruim een jaar vóór de aanvang van de joint venture, mag minst genomen opmerkelijk heten, temeer nu de vraag naar CRT-producten reeds in het eerste halfjaar van 2001 (zijnde de zes maanden voorafgaande aan de start van de joint venture) aanzienlijk was gedaald. De exacte inbrengprijs stond tussen partijen ten tijde van de ondertekening van de intentieverklaring op 27 november 2000 echter reeds vast, getuige een gezamenlijk perscommuniqué van dezelfde datum, zodat de financiële adviseurs hun waarderingen moeten hebben opgesteld in de periode juni-oktober De nadien ingetreden verslechtering van de markt heeft kennelijk geen invloed op de inbrengprijs meer gehad. Vertegenwoordigers van Philips hebben tijdens gehouden interviews de Curator voorgehouden, dat er bij beide partijen ná de zomer van 2000 geen behoefte meer bestond om de onderhandelingen over de prijs te heropenen. Voorts werd opgemerkt, dat er destijds geen enkele reden was te veronderstellen dat er een structurele daling van de marktvraag zou plaatsvinden. Het eerste kwartaal /240

34 zou er nog goed hebben uitgezien. Mede op basis van de taxaties van de financieel adviseurs werd na commerciële onderhandelingen het totale bedrag van de step up uiteindelijk vastgesteld op USD 465 miljoen, welk bedrag door het management werd gealloceerd aan vaste activa voor USD 30 miljoen, aan intellectuele eigendomsrechten voor USD 71 miljoen en aan goodwill voor USD 364 miljoen. De aldus tot stand gekomen waarderingen van de ondernemingswaarde resulteerden voor de Philips CRT-business (excl. glassbusiness) in een waarde met een bandbreedte tussen USD 1,9 miljard 2,3 miljard (uiteindelijk is de waarde vastgesteld op USD 2 miljard) en voor de LGE CRT business tussen USD 3 miljard en 3,5 miljard (uiteindelijk is de waarde vastgesteld op USD 3,1 miljard). De commerciële onderhandelingen resulteerden aldus in een waardeverschil van USD 1,1 miljard ten voordele van LGE. De waarde van de Philips CRT-Glassbusiness werd tot slot vastgesteld op USD 255 miljoen. Voor de inbreng verkregen de aandeelhouders aandelen LPD ten bedrage van in totaal USD miljoen (ieder 50%) alsmede een bedrag aan contanten van USD miljoen (meerinbreng LGE) en USD 255 miljoen (glasactiviteiten Philips). De totale waarde van de ingebrachte activa minus passiva (net equity) bedroeg daarmede USD miljoen. Risicodragend hebben de aandeelhouders mitsdien bij de aanvang USD miljoen geïnvesteerd in de joint venture. De overige ingebrachte activa ten belope van USD miljoen zijn door LPD contant betaald via de van het Bankensyndicaat verkregen faciliteit van USD 2 miljard. De vraag laat zich stellen waarom de hiervoor geschetste inbrengprijs niet naar beneden is bijgesteld toen in de zes maanden voorafgaande aan de start van de joint venture beide partijen zich geconfronteerd zagen met een substantieel inzakkende marktvraag voor CRT producten. En voorts waarom er geen substantiële stappen (leidend tot verlaging van de inbrengprijs), zijn gezet met het oog op de reeds bij de aanvang van de joint venture voorgenomen reorganisaties. Zulks klemt temeer nu in de jaren 2001 tot en met 2005 de afschrijvingskosten en amortisaties (USD miljoen), de impairmentkosten (USD miljoen) en de herstructureringskosten (USD 525 miljoen) in totaal ruim USD 4 miljard bedroegen. Wel dient in dit verband te worden opgemerkt, dat in 2000 alle marktpartijen en alle marktanalisten onverdeeld positief waren over de toekomst van CRT in de markt. Voorts hebben vertegenwoordigers van Philips de Curator doen weten, dat bij de vaststelling van de inbrengprijs al rekening was gehouden met de voorgenomen reorganisaties. 34/240

35 De Joint Venture Agreement bevatte een z.g. dispute mechanism voor geschillen omtrent waarden van ingebrachte activa, als opgenomen in de closing balance sheets van Philips en LGE. Uiteindeljk werd vastgesteld en bij wege van compromis overeengekomen, dat Philips in totaal USD 210 miljoen minder had ingebracht dan LGE. Krachtens overeenkomst van 29 maart 2002, tussen partijen gesloten ingevolge artikel van de Joint Venture Agreement heeft Philips aan LGE USD 105 miljoen betaald om discutabele posten te schikken. Volgens het jaarverslag van 2002 van LPD was er geen sprake van materiële invloed op de geconsolideerde cijfers over de laatste zes maanden van Er waren dus wel correcties maar die waren blijkbaar niet materieel genoeg om te vermelden. (Zie voor verder commentaar par. 3.3). Zowel Philips als LGE hebben ten behoeve van LPD en mede in het belang van het Bankensyndicaat middels de ondertekening van een Deed of Covenant op 26 juni 2001 een balansgarantie afgegeven ten aanzien van de balanswaarde van de door hen ingebrachte CRTactiva. Indien uit de onderzoeken van PWC respectievelijk KPMG zou volgen, dat de waarde als vermeld op de openingsbalans minder was dan of gelijk was aan 95% van de daadwerkelijk, door de accountants vastgestelde balanswaarden, zouden LGE en/of Philips verplicht zijn om dit verschil aan LPD te vergoeden. De balansgarantie was gemaximeerd tot USD 100 miljoen totaal. Nadat het onderzoek van PWC respectievelijk KPMG was afgerond, is gebleken dat de balanswaarde als vermeld in de openingsbalansen niet lager was dan of gelijk was aan 95% zodat de balansgarantie daarmee feitelijk niet meer kon worden aangesproken. Vanwege het feit dat afgesproken was dat Philips 50% plus één aandeel en LGE 50% minus één aandeel in het kapitaal van LPD zouden verwerven, diende tussen ofwel de aandeelhouders LGE en Philips dan wel tussen LGE, Philips en LPD het verschil in waarde van inbreng te worden afgerekend. In de Joint Venture Agreement werd deze keuzemogelijkheid expliciet tot uitdrukking gebracht. In dit kader is het opvallend te noemen dat in de letter of intent deze keuzemogelijkheid niet werd genoemd. Integendeel, in de letter of intent werd uitdrukkelijk bepaald, dat LPD het verschil in waarde van inbreng, USD 1,1 miljard, direct ná haar oprichting aan LGE zou vergoeden door middel van het aantrekken van een lening. Zo heeft de afrekening van het verschil in inbrengwaarde ook plaatsgevonden. Bij oprichting heeft LPD namelijk een lening aangetrokken van USD 2 miljard. Van dit krediet heeft LPD een bedrag van USD 1,1 miljard aan LGE betaald en een bedrag van USD 255 miljoen aan Philips, zijnde de 35/240

36 waarde van de ingebrachte glasactiviteiten. Vanaf haar oprichting was LPD als gevolg van de gekozen transactiestructuur al belast met een forse schuldenlast van ruim USD 2,4 miljard, waarvan ± USD 500 miljoen werd geleend via lokale banken. In dit verband zij vermeld, dat vertegenwoordigers van Philips tijdens de gehouden interviews hebben opgemerkt, dat het belasten van LPD met een hoge schuldenlast in de tijdgeest van destijds niet ongebruikelijk was en dat de mate van leverage naar de maatstaven van destijds niet bijzonder hoog was en volgens de cash flow prognoses goed te managen. Uit de Joint Venture Agreement volgde dat Philips en LGE expliciet afspraken, dat LPD in principe zelf voor haar eigen financiering diende te zorgen. In de Joint Venture Agreement werd dit tot uitdrukking gebracht door te bepalen, dat LPD allereerst gefinancierd diende te worden uit de door haarzelf gegenereerde cash flow en dat, tenzij de Raad van Commissarissen anders zou besluiten, de debt/equity ratio niet meer dan 1.5 : 1 mocht bedragen 1. Verwezen wordt in dit verband naar par. 7.5 (ratio s). Reeds bij de aanvang van de joint venture werd deze ratio niet gehaald. De spoedig daarna bijgestelde ratio werd ook nimmer gehaald. Indien de cash flow onvoldoende zou zijn, zou het LPD vrij staan om bij derden tegen marktconforme voorwaarden een kredietfaciliteit aan te trekken. Tenslotte, indien de twee vorige mogelijkheden niet haalbaar zouden blijken, zouden de aandeelhouders, te hunner vrije keuze, LPD kunnen financieren door middel van kapitaalstortingen en/of het verstrekken van leningen. 3.3 Openingsbalans De door LPD aan de hand van de door KPMG voor Philips en PWC voor LGE goedgekeurde inbrengbalansen opgestelde openingsbalans per 30 juni 2001 wordt als Bijlage 10.5 aan dit verslag gehecht. Philips en LGE hebben vanaf de aanvang van de joint venture tot december 2001 met elkaar en met LPD getwist over de finale versie van de geconsolideerde openingsbalans per 30 juni De finale versie werd eerst op 21 december 2001 door beide aandeelhouders goedgekeurd. Hierin waren verwerkt de door KPMG goedgekeurde z.g. 1 Al tijdens de eerste vergadering d.d. 27 oktober 2001 van de Raad van Commissarissen, heeft de Raad van Commissarissen besloten de debt/equity ratio tot 30 december 2002 te verhogen tot 2.25 : 1. 36/240

37 post-closing statements per 31 Oktober Voorts wordt opgemerkt, dat ook op 21 december 2001 nog niet alle disputen tussen Philips en LGE over inbrengwaarden waren beslecht, zodat de Openingsbalans niet bevatte de einduitkomst van deze disputen. Zoals gezegd, ontving LGE in maart 2002 rechtstreeks en buiten LPD om, van Philips een nabetaling van USD 105 miljoen waarmede alle lopende disputen werden geschikt. De nabetaling had betrekking op het feit, dat Philips in de ogen van LGE minder in LPD had ingebracht dan LGE. Gezien de penibele financiële situatie waarin LPD op dat moment reeds verkeerde, is de vraag gerechtvaardigd waarom Philips in overleg met LGE het bij wege van compromis vastgestelde bedrag niet alsnog inbracht in LPD in plaats van betaling van de helft van de minder inbreng buiten LPD om rechtstreeks aan LGE. De aandeelhouders hebben niet voor deze gezien de moeilijke financiële situatie van LPD - voor de hand liggende optie gekozen. Ze hebben ervoor gekozen de joint venture overeenkomst strikt en naar de letter uit te voeren. LPD heeft overigens geen aanleiding gezien haar Openingsbalans aan te passen, nu de getroffen regeling geen materiële invloed had op LPD. Voorts is het de vraag waarom in de Openingsbalans geen substantiële voorzieningen voor te treffen reorganisaties en uit te voeren impairments zijn genomen. In de jaren 2001 tot en met 2005 bedroeg het totaal van impairmentkosten en herstructureringskosten exclusief afschrijvingen en amortisaties ruim USD 2,8 miljard. Geinterviewden hebben laten weten, dat zulks niet is geschied omdat ingevolge IFRS en US en Dutch GAAP impairments en voorzieningen alleen kunnen worden genomen indien er een duidelijk herstructureringsplan ligt en indien dit plan openbaar is gemaakt. Voor het overige commentaar van de Curator bij de openingsbalans wordt verwezen naar par Plannen tot herstructurering LPD in 2001 In het streven om in 2005 een aandeelhouderswaarde van USD 3 miljard te creëren, stelden Philips en LGE zich bij de oprichting van LPD tot doel om de fabrieken in de hoge lonen landen zo snel mogelijk te verplaatsen naar de lage lonen landen om zodoende kosten te besparen. Daartoe heeft LPD, althans hebben haar aandeelhouders, bij de start van de joint venture, een drietal herstructureringsplannen ontwikkeld voor Europa (Rapide Project), Amerika (Quest Project) en Asia Pacific (Fei Ma Project). 37/240

38 Rapide Project: De eerste fase van dit project had tot doel om één van de drie bestaande CPT-lijnen te Aachen (Duitsland) te verplaatsen naar de nieuwe, ten tijde van oprichting van LPD nog in aanbouw zijnde fabriek te Hranice (Tsjechië). Daarenboven zouden in de nieuwe fabriek te Hranice extra lijnen worden geïnstalleerd, die geschikt zouden zijn om de zogenaamde Jumbo en Large CRT-modellen te produceren. De eerste fase diende vóór het einde van het jaar 2001 te zijn afgerond. Vervolgens was het de bedoeling om in de periode geleidelijk alle productielijnen van de fabriek te Dreux (Frankrijk) en één van de twee lijnen van de fabriek te Durham (United Kingdom) te verplaatsen naar de fabriek te Hranice. De fabriek te Dreux zou dan ultimo 2005 worden gesloten. De bedoeling was dat de fabriek te Hranice ultimo 2005 acht operationele productielijnen zou hebben, waarmee voornamelijk de Jumbo en Large CRT-modellen geproduceerd konden worden. In het plan werd uitdrukkelijk de mogelijkheid opengehouden om eveneens in de periode de twee resterende CPT-lijnen in de fabriek Aachen over te brengen naar de fabriek te Hranice, om daarna de fabriek in Aachen te sluiten. Het Rapide Project zou een looptijd hebben van De aan dit project verbonden (kapitaals)uitgaven werden begroot op USD 184 miljoen. Quest Project: Het Quest Project betrof het verplaatsen van vier CPT-lijnen van de fabriek te Ottawa (USA) naar de nieuwe, ten tijde van de oprichting van LPD nog in aanbouw zijnde fabriek te Gomez Palacio (Mexico). Daarenboven was het de bedoeling om in de nieuwe fabriek te Gomez Palacio nog eens twee geheel nieuwe lijnen te installeren, die geschikt waren voor de productie van Jumbo en Large CRT-modellen. Het Quest Project diende medio 2004 voltooid te zijn. De aan het Project Quest verbonden (kapitaals)uitgaven werden begroot op USD 102 miljoen. Fei Ma Project: Het Fei Ma Project betrof de sluiting van de fabrieken te Taiwan en het verplaatsen van de Taiwanese CDT-lijnen naar een van de Chinese joint 38/240

39 ventures te Nanjing. Tevens zouden 1 of 2 Jumbo-lijnen worden geïnstalleerd in Hua Fei. LPD streefde ernaar om dit project te voltooien in De aan het Project Fei Ma verbonden (kapitaals)uitgaven werden begroot op USD 85 miljoen. Uitvoering van deze drie herstructureringsprojecten diende er uiteindelijk toe te leiden dat de arbeidskosten over een periode van vijf jaren met 25% zouden afnemen. Daarnaast hadden deze plannen eveneens tot doel, om de productie van LPD meer en meer te focussen op de in 2001 nog zeer winstgevende Jumbo en Large CRT-producten. 3.5 Marktaandeel en omzet per klant LPD bij oprichting LGE en Philips waren beide begin 2001 één van de markleiders in de CRT-productie. LGE was een leading fabrikant van CPT s voor flatscreen televisies met een 10% marktaandeel in In het CDT-segment was LGE de derde grootste fabrikant met een 16% marktaandeel in Philips werd ook erkend als global leader in de CRT-industrie met een nummer één positie in het CPT-segment, met een 17% marktaandeel wereldwijd. Na de samenvoeging van de CRTactiviteiten door LGE en Philips in LPD, zou LPD vanaf juli 2001 de grootste CRT-fabrikant ter wereld worden met een marktaandeel van circa 26%. Andere marktspelers van importantie waren in 2001 Samsung SDI, Chungwa, Sony, Orion Electric en Hitachi. LPD zou de global leader worden in de overall CRT-industrie met een sterke positie zowel in CPT- als in CDTsegmenten (Bron: Information Memorandum Facility Mei 2001). 39/240

40 Global CRT Market Share 2001 Chungwa Picture Tubes 13% Orion Electric 8% LG.Philips Displays 26% Sony 9% Hitachi 6% Other 15% Samsung SDI 23% Source: LPD Na de totstandkoming van LPD, hebben Philips en LGE zich ertoe verplicht om de door hen benodigde CRT-producten bij voorkeur te betrekken van LPD. Er werd vanuit gegaan, dat Philips en LGE aan LPD een preferred supplier status zouden verschaffen. Verkoop zou geschieden on an arm s length basis, waarbij Philips en LGE 20,3% respectievelijk 24,4% van de totale verkopen van LPD voor hun rekening zouden nemen. Bij oprichting van LPD vertegenwoordigden de verkopen aan haar aandeelhouders circa 44% van de totale omzet. Naast Philips en LGE, waren andere belangrijke klanten van LPD in 2001 onder andere AOC, Sharp, ACM, Sanyo, Grundig, Konka, Delta en TCL. 40/240

41 Sales by Customers (2000) Others 29% Philips 20% TCL 2% Delta 2% Konka 3% Grundig 3% Sanyo 3% ACM 4% Sharp 4% AOC 6% LGE 24% Source: LPD 3.6 Joint Business Plan 1 en 2. Aan de Joint Venture Agreement lag ten grondslag het z.g. JV Framework Business Plan. Dit betrof een samenvatting van de tussen partijen overeengekomen strategy planning principles, welke zouden dienen als basis (1) voor het nog op te stellen JV Business Plan, welke een periode van vijf jaar zou bestrijken alsmede voor (2) de verkrijging van de noodzakelijke financieringen. Het in het eerste JV Framework Business Plan opgenomen income statement kan als volgt zakelijk worden samengevat: Income Statement Historical 2000 Forecast 2001 Forecast 2002 (USD000) Net sales 5,602,000 5,944,000 7,063,000 EBITDA 921, ,000 1,039,000 EBIT 562, , ,000 Net Income - 179, ,641 41/240

42 Het eerste JV Framework Business plan werd in september 2001 nader uitgewerkt en op onderdelen gewijzigd in het Joint Business Plan 2, welk uitging van minder optimistische aannames voor de jaren Op basis van de in 2001 door onafhankelijke marktonderzoeksbureaus opgestelde marktvoorspellingen en met inachtneming van de in 2001 tot en met 2005 onder meer: - te realiseren synergievoordelen; - door te voeren herstructureringen; - te behalen targets met betrekking tot marktaandelen in de CPT- en CDT-segmenten, prognosticeerde LPD in september 2001 de cijfers van de balans, de herstructureringkosten alsmede de omzet-, winst- en cashflowcijfers met betrekking tot de jaren als volgt: 42/240

43 BALANS (USD M) Current Assets 1,322 1,622 1,788 1,859 1,970 Inventories Trade Receivables Others , , , ,300 0 Tangible Fixed Assets Intangible Fixed Assets Others 2, , , , , Total Assets 4,714 5,110 5,247 5,001 4,800 Current Liabilities (1,253) (1,539) (1,668) (1,726) (1,834) Trade Payables Other Current (923) (330) (1,181) (358) (1,324) (344) (1,404) (322) (1,508) (326) Liabilities Total Net Debt (2,159) (1,984) (1,522) (845) (98) Long Term Debt Short Term Debt Others (1,780) (479) 100 (1,754) (330) 100 (1,465) (157) 100 (946) (403) Equity (1,302) (1,587) (2,057) (2,430) (2,868) Share Capital Retained Earnings (1,243) (59) (1,243) (344) (1,243) (814) (1,243) (1,187) (1,243) (1,625) 43/240

44 PROFIT & LOSS (USD M) Sales 5,024 6,443 7,343 8,059 8,688 Cost of sales Material Labour Depreciation Others Gross Margin on Sales % Selling G & A R & D Other income Income from Operations % Amortization FinancialExper Income before Tax % (4,445) (2,398) (788) (339) (920) % (99) (119) (117) (44) % (31) (90) % (5,373) (3.404) (726) (381) (726) (381) (862) 1, % (141) (168) (129) (46) % (59) (147) % (5,986) (3,975) (694) (413) (904) 1, % (161) (191) (143) (65) % (52) (119) % (6,398) (4,407) (639) (437) (915) 1, % (176) (184) (153) (22) 1, % (52) (80) % (6,875) (4,857) (614) (440) (964) 1, % (192) (176) (166) (12) 1, % (51) (47) 1, % Income Tax (20) (95) (157) (249) (292) Income after Taxes % % % % % % SALES (USD M) Global Sales 5,024 6,443 7,343 8,059 8,688 Europe 1,775 1,897 2,078 2,185 2,242 Americas 1,042 1,354 1,570 1,683 1,893 China 1,390 1,997 2,487 2,832 3,188 Asia / Pacific 1,859 2,133 2,250 2,551 2,715 Componenten R&D (machinery) (Noot: In het eerste JV Framework Businessplan werd er zelfs vanuit gegaan, dat de omzet zou stijgen van USD 5,9 miljard in 2001 naar USD 9,6 miljard in 2006). 44/240

45 KOSTEN HERSTRUCTURERING (USD M) Total Severance Payments (46) (42) (32) (36) 0 (156) Asset write-offs (50) (5) (42) (12) 0 (109) Inventory write-offs (5) (1) (6) Ordinary 0 (2) (1) (2) (1) (6) Restructuring Costs (101) (50) (75) (50) (1) (277) Project Rapide (4) (30) (19) (48) 0 (101) Project Quest (12) (16) (52) (2) (1) (83) Project Fei-Ma (85) (85) Asia Pacific 0 (4) (4) 0 0 (8) Total (202) (100) (150) (100) (2) (554) CASH FLOW (USD M) Cash-in ,261 1,389 Net Income Depreciation& Amortization Cash-out (860) (537) (370) (211) (203) Changes in A/R Changes in Inventories Changes in A/P Changes in other assets CAPEX (120) 108 (104) (52) (693) (185) (115) (522) (106) (59) 140 (11) (334) (49) (23) 81 (22) (198) (80) (32) (198) Cash flow from operations & Invest Cash flow from financing Changes in Debt Changes in Equity Cash Dividends (369) ,050 1, (175) (462) (1,050) (1,186) 469 (175) (462) (677) (747) (373) (439) 45/240

46 In hoofdstuk 6 en 7 zal blijken, dat de hiervoor geschetste aannames véél te optimistisch waren en zelfs bij benadering nimmer werden gerealiseerd. Via persbericht d.d. 21 december 2000 maakte Philips het navolgende bekend: Philips to purchase LG Electronics convertible redeemable preferred shares In view of the relationship between Royal Philips Electronics and LG Electronics, and in connection with the display components joint venture, both companies have agreed that Philips will purchase 32 million convertible redeemable preferred shares of LG Electronics for 544,000 million Korean Won (approximately EUR 505 mln) Via persbericht d.d. 29 juni 2001 maakte Philips het navolgende bekend: Royal Philips Electronics of the Netherlands announced on Friday that upon the request of LG Electronics, Philips has offered its 32 million convertible redeemale preferred shares of LG Electronics for redemption. Philips acquired these shares in December The redemption price equals the original purchase price and amounts to 544 billion Korean Won (approximately EUR 500mln). Het verzoek tot financiële ondersteuning is kennelijk uitgegaan van LGE ná de ondertekening van de Letter of Intent voor de vorming van de CRT joint venture met Philips. LGE had ultimo 2000 dringend behoefte aan een kapitaalsinjectie. Philips heeft zich naar eigen zeggen tot tijdelijke financiële steun ten belope van ongeveer EUR 505 miljoen bereid verklaard vanwege haar reeds bestaande partnership met LGE in de LCD jointventure alsmede vanwege de via de ondertekening van de Letter of Intent kort tevoren overeengekomen joint venture met LGE voor haar CRT activiteiten. Op of omstreeks 29 juni 2001, derhalve kort ná de ondertekening van de Joint Venture Agreement, heeft LGE de preferente aandelen weer ingekocht voor de somma van ongeveer EUR 500 miljoen: LGE was tot inkoop in staat mede door de ontvangen USD 1,1 miljard als tegenprestatie voor de in juni 2001 in LPD ingebrachte activa. 46/240

47 4. Corporate Governance 4.1 Inleiding LPD Holding is opgericht door Koninklijke Philips Electronics N.V. te Eindhoven. De notariële akte van oprichting d.d. 19 maart 2001 is op 27 maart 2001 bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven ingeschreven. LPD Holding betrof een structuurvennootschap naar Nederlands recht, waarop ingevolge artikel 2:265 BW het gemitigeerd regime van toepassing was. Het gemitigeerde regime is bedoeld voor Nederlandse structuurvennootschappen van internationale concerns. Dit impliceert dat artikel 2:272 BW en artikel 2:273 BW voor LPD Holding niet van toepassing waren en dat de algemene vergadering en derhalve niet de Raad van Commissarissen bevoegd was tot benoeming en ontslag van het bestuur en tot vaststelling van de jaarrekening. 4.2 Organisatiestructuur LPD Holding fungeerde als topholding van de groep. Het operationele hoofdkwartier werd gevestigd te Hongkong. Van hieruit werd de LPD groep aangestuurd via LPD International Ltd. De LPD groep bestond uit een groot aantal werkmaatschappijen in Europa (Nederland, Frankrijk, Duitsland, Engeland, Tsjechië, Slowakije en Polen), Azië (China, Korea en Indonesië) en Amerika (Brazilië, Mexico en USA). LPD vormde aldus s werelds grootste producent van traditionele (dikke) beeldbuizen, geproduceerd volgens de z.g. CRT-technologie. Via LPD Holding werd de bankfaciliteit van USD 2 miljard gesloten. Daarnaast fungeerde LPD Holding als guarantor met betrekking tot de z.g. MIVAR lening van 200 miljoen, verstrekt aan LPD Finance LLC (Delaware). Via LPD Holding liep tot slot de cashpool met LPD vennootschappen in Europa, Mexico, Hongkong en USA. 47/240

48 Tussen LPD Holding en haar Europese en Noord-Amerikaanse vennootschappen gold een cashpool arrangement. Op naam van LPD Holding stond een aantal cashpool rekeningen in verschillende valuta s. De Europese verkopen werden centraal gefactureerd vanuit LPD Netherlands B.V. Betalingen van debiteuren aan LPD Netherlands vormden onderdeel van het cashpoolarrangement en werden automatisch aan het eind van iedere dag op de hoofdrekening van LPD Holding gestort. LPD Holding belegde het surplus van de cashpool iedere nacht op de z.g. shortterm money market. Iedere fabriek was verplicht een z.g. rolling ten week cashflow forecast te sturen naar de treasury, waaruit de verwachte inkomsten en uitgaven moesten blijken. Treasury teams in Eindhoven en Hongkong wezen vervolgens fondsen toe aan iedere fabriek afzonderlijk op basis van de beschikbare cash in de cashpool. Iedere fabriek had zijn eigen rekening, welke deel uitmaakte van de cashpool. Ten laste van deze rekening kon de fabriek in kwestie vervolgens dagelijks geld opnemen. Aan het einde van iedere dag werd vanuit de centrale cashpoolrekening het op die dag onttrokken geld aangevuld. Voor de organisatiestructuur van LPD Holding wordt verwezen naar rapport. Bijlage 10.2 bij dit Onderstaand worden de belangrijkste werkmaatschappijen kort geschetst: LPD International B.V. (voorheen LPD China): Dit betrof de holding company voor LPD Indonesië en voor de Chinese joint ventures. LPD China bezat de aandelen in LPD Indonesia (100%), LPD Shuguang Electronics (54,06%), Beijing LG.Philips Electronics (69,2%) en Hua Fei Colour Display Systems (55%) en indirect in Nanjing Feijin Magnetic Products (20%) en Henan Anfei Electronic Glass (20%). LPD Indonesia: Via deze vennootschap werd een fabriek voor componenten en beeldbuizen geëxploiteerd te Bekasi. 48/240

49 LPD Shuguang Electronics (54,06%): Via deze vennootschap werd een fabriek voor beeldbuizen en componenten geëxploiteerd te Changsha en Xingshu. Het betrof een joint venture, samen met Hunan Electron Information Industrial Group (33,78%) en met Shuguang Electronics (12,16%). Beijing LPD Electronics (69,2%): Via deze vennootschap werd een fabriek voor componenten in Beijing geëxploiteerd. Het betrof een joint venture, samen met Beijing Electronic Group (30,8%). Hua Fei Colour Display Systems (55%): Via deze vennootschap werd een fabriek voor beeldbuizen in Nanjing geëxploiteerd. Het betrof een joint venture samen met Jiangsu International Trust & Investment Company (25%) en Nanjing Huadong (20%). Hua Fei hield 20% van de aandelen in Nanjing Feijin Magnetic Products en 20% van de aandelen in Henan Anfei Electronic Glass. LPD International Ltd.: Het management van de LPD groep werd uitbesteed aan LPD International Ltd. te Hongkong middels een managementovereenkomst. In de vennootschap waren aanvankelijk ondergebracht de aandelen in LPD Finance LLC. Op 24 januari 2006 zijn deze aandelen overgedragen aan LPD Holding. De aandelen van LPD International Ltd. werden aanvankelijk gehouden door LPD Holding en LPD Investment. Kort voor het faillissement werden de aandelen overgedragen aan LPD International B.V. LPD Finance LLC (Delaware)vanaf 2002: Via deze Amerikaanse z.g. special purpose limited liability company werd de z.g. MIVAR lening van 200 miljoen uitgegeven, waarbij LPD Holding als guarantor optrad. De lening werd in zijn geheel geplaatst bij uiteindelijk de Italiaan Vichi, zijnde 100% aandeelhouder van MIVAR di Carlo Vichi S.p.A. ( MIVAR ). LPD Poland: Via deze vennootschap werd een fabriek voor de productie van z.g. deflection yokes te Skierniewice geëxploiteerd. 49/240

50 LPD Netherlands: De vennootschap, gevestigd in Eindhoven, fabriceerde in fabrieken te Sittard, Stadskanaal en Durham/Blackburn, Simonstone en Southport componenten en glas (Simonstone). In Eindhoven vonden met name ontwikkelingsactiviteiten plaats. LPD Czech Republic: De vennootschap exploiteerde een relatief nieuwe fabriek voor de productie van beeldbuizen in Hranice. LPD Investment: Dit betrof een zuivere tussenholding. De vennootschap was een directe dochtervennootschap van LPD Holding en de directe moedervennootschap van de navolgende vennootschappen: LPD Germany: Via deze vennootschap werd tot aan de sluiting in 2005 een fabriek voor glascomponenten in Aken alsmede een CPT fabriek geëxploiteerd. LPD France: De vennootschap exploiteerde een beeldbuizenfabriek in Dreux. De fabriek werd in 2005 gesloten. LPD Barcelona I en II: Tot 2004 werd via deze (holding)vennootschappen een fabriek voor CPT s en nabewerking van CPT s in Barcelona geëxploiteerd. LPD USA Inc. (Delaware): Via deze vennootschap werden de verkopen in de USA gefactureerd. Het betrof een verkoopkantoor met ± 6 werknemers. De vennootschap was eigenaar van de voorraden en van de machines, zich bevindende in de fabriek te Gomez Palacio (Mexico). LPD USA startte in de aanvang met een CPT fabriek in Ottowa en een componentenfabriek te Beamstream. LPD Slovakia: De vennootschap exploiteerde een fabriek voor componenten te Namestovo. 50/240

51 Nanjing Feijin Magnetic Products (80%): Het betrof een componentenfabriek (deflection yokes) in Nanjing. Hua Fei houdt 20% van de aandelen. Henan Anfei Electronic Glass (14%): Het betrof een glasfabriek. Hua Fei hield 20% van de aandelen, terwijl 66% van de aandelen werd gehouden door Henan Anyang LPT Glass Bulb Group. LPD Korea: De vennootschap telde twee fabrieken te Gumi en Changwon. De fabriek te Changwon werd in 2007 gesloten. LPD Brazilië: De vennootschap exploiteerde één fabriek voor de productie van beeldbuizen (Sao José dos Campos) en drie fabrieken voor de productie van componenten in Capuava, Recife en Manaus. Alle fabrieken werden in 2007 gesloten. LPD Mexico: Via de Mexicaanse vennootschappen werd een fabriek voor beeldbuizen geëxploiteerd te Gomez Palacio. De bouw van de fabriek werd in 2001 voltooid. De fabriek werd in 2006 gesloten. Voor de wijze waarop de onderscheidene werkmaatschappijen operationeel met elkander samenwerkten, wordt verwezen naar de supply chain als gespecificeerd in hoofdstuk 3 van dit rapport. 4.3 Management LPD kende bij haar oprichting een viertal bestuurslagen, namelijk de Raad van Commissarissen op Holding niveau, een Board of Management, een Group Management Team en een Board of Directors van de verschillende dochtermaatschappijen. De Raad van Commissarissen had 51/240

52 kort gezegd tot taak het houden van toezicht op het bestuur en op de algemene gang van zaken bij LPD. De Board of Management was volgens de Joint Venture Agreement verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur van LPD terwijl het Group Management Team verantwoordelijk was voor het toezicht op het dagelijkse bestuur alsmede voor het ontwikkelen van het dagelijks beleid en van strategische c.q. operationele plannen voor LPD. De Board of Directors van de verschillende dochtermaatschappijen was verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van de desbetreffende dochtervennootschap. De organisatiestructuur van LPD kenmerkte zich, doordat verschillende bestuurslagen, van de Raad van Commissarissen tot aan het Group Management Team, werden gevormd door steeds een gelijk aantal personen die afkomstig waren uit de gelederen van Philips respectievelijk LGE. Zo was in de Joint Venture Agreement bepaald, dat de Raad van Commissarissen en het Board of Management Team zouden bestaan uit ieder zes leden waarvan drie leden door Philips en drie leden door LGE zouden worden benoemd. Voor wat betreft de benoeming van het Group Management Team was in de Joint Venture Agreement vastgelegd dat voor een periode van drie à vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van oprichting, de President/Chief Executive Officer, de Chief Technology Officer, de Chief Strategy Planning Marketing Officer en de regionale managers voor Europa en Noord- en Zuid-Amerika door Philips zouden worden voorgedragen terwijl LGE het recht had om de Chief Financial Officer (tevens de deputy to the President / Chief Executive Officer), de Chief Sales Officer, de Chief Operating Officer alsmede de regionale managers voor Azie / Pacific en China voor te dragen 2. Partijen spraken voorts af dat, nu Philips het recht had om de President/Chief Executive Officer voor te dragen, LGE het recht had om de voorzitter van de Raad van Commissarissen aan te wijzen. Na verloop van drie à vijf jaar zouden Philips en LGE van plaats wisselen. De meeste personen die door LGE respectievelijk door Philips werden voorgedragen, ontvingen geen garantie op terugkeer bij LGE of Philips, zo is de Curator medegedeeld. Hoewel aanvankelijk ervoor gekozen werd om LPD regionaal aan te sturen, werd hier al snel op teruggekomen. In haar op 12 juli 2002 en 2 november 2002 gehouden vergaderingen heeft de Raad van Commissarissen besloten om de organisatiestructuur te verbeteren door 2 De regio s Asia / Pacific en China zijn bij besluit van 5 maart 2002 van de Raad van Commissarissen samengevoegd tot een regio. Deze samengevoegde regio droeg de naam Asia / Pacific en haar hoofkwartier lag in Seoul. 52/240

53 meer functies te centraliseren met als doel, dat de besluitvorming binnen LPD slagvaardiger zou gaan verlopen. Daartoe werd besloten om, enerzijds, de structuur van het Group Management Team te vervangen door een uit vier leden bestaande Executive Board (CEO, Deputy CEO & COO, CFO en CSO) en, anderzijds de verschillende regio s op te heffen. De regio s zijn uiteindelijk per 1 januari 2003 opgehouden te bestaan, terwijl het laatste gedeelte van de nieuwe organisatiestructuur per 1 april 2003 in werking is getreden. De facto had de nieuwe organisatiestructuur tot gevolg dat bij LPD voortaan centraal leiding werd gegeven in plaats van regionaal. De vervanging van de Group Management Team door een Executive Board werd tussen de aandeelhouders overeengekomen in het Amendment no. 1 to Joint Venture Agreement van 10 september Board of Management Krachtens de Joint Venture Agreement was de Board of Management belast met het dagelijkse bestuur van LPD. De Board of Management bestond bij de oprichting uit zes leden. LGE en Philips droegen ieder drie leden voor. Ten aanzien van de invulling van de Board of Management gold in het bijzonder, enerzijds, dat tenminste vier leden woonachtig dienden te zijn in het land van statutaire vestiging van LPD Holding, te weten Nederland, en, anderzijds, dat tenminste twee leden eveneens deel dienden uit te maken van het Group Management Team dat later is omgevormd tot Executive Board. Rechtsgeldige bestuursbesluiten konden in de Board of Management alleen genomen worden indien deze besluiten ondertekend werden door zowel een lid dat woonachtig was in Nederland als door een lid dat deel uitmaakte van het Group Management Team. Onderstaande tabel geeft de samenstelling van de Board of Management in de jaren weer. 53/240

54 Naam Vanaf Tot G.P.M. van Brussel 26 juni juni 2002 W.F. van Rappard 29 juni juni 2002 K.J. Lee 29 juni februari 2002 P.L.J. Combes 29 juni augustus 2001 S.H. Sagong 29 juni juni 2002 S.P. Koo 29 juni december 2001 K.S. Cho 21 december december 2003 A. Wente 15 september april 2004 D.H. Kang 5 februari juni 2002 S.Y. Rhee 12 juni maart 2003 D.S. Moon 12 juni maart 2003 J. McCulloch 12 juni april 2004 Smiths A.A. van Gorkum 12 juni april 2003 M.B. Choi 1 januari oktober 2005 B.C. Kang 1 januari april 2005 R.W.J. de Liefde 1 april juli 2005 B.L.A. Cassanhiol 30 april januari 2005 J.I. Son 31 december maart 2006 P. van Bommel 1 april augustus 2005 C. van Otterloo 15 januari oktober 2005 J.W. Ha 1 april oktober 2005 R.P.M. Nibbelke 8 juli oktober 2005 P.A.H. Verhagen 1 augustus maart 2006 Zoals uit de tabel blijkt, zijn vier van de zes leden van de Board of Management op 24 oktober 2005 afgetreden. De reden hiervoor was, dat de focus geheel kwam te liggen op het onderhandelen met banken en aandeelhouders om de inmiddels ontstane penibele financiele situatie het hoofd te bieden, zulks teneinde een faillissement te vermijden. Teneinde in deze situatie slagvaardig en efficiënt te kunnen onderhandelen en besluiten te kunnen nemen op het niveau van LPD Holding alsook om gevaar op lekken te reduceren, werd besloten om de 54/240

55 omvang van de Board of Management tot het minimum terug te brengen. De aldus resterende Board of Management bevond zich niet meer op verschillende locaties en in verschillende tijdzones. Daarbij werd voor lief genomen, dat (tijdelijk) niet meer aan het in de volgende alinea beschreven substance vereiste voor LPD Holding werd voldaan. De achterliggende reden voor de oprichting en het bestaan van de Board of Management is mede een fiscale geweest. Op deze wijze werd namelijk bewerkstelligd dat besluiten op het niveau van LPD Holding hoofdzakelijk feitelijk in Nederland werden genomen. Dit had als (fiscaal) gevolg dat LPD Holding voldoende substance in Nederland had tengevolge waarvan zij in Nederland belastingplichtig was. Het dagelijks bestuur over de LPD business in zijn algemeenheid werd de facto niet door de Board of Management uitgeoefend. Deze taak werd met name uitgeoefend door het in de volgende paragraaf te bespreken Group Management Team met ingang van september 2002 vervangen door de Executive Board. 4.5 Group Management Team (tot september 2002) / Executive Board (vanaf september 2002) In de Joint Venture Agreement is bepaald dat de taak van het Group Management Team / de Executive Board was, enerzijds, het ontwikkelen en uitvoeren van strategische plannen en, anderzijds, het uitoefenen van het dagelijks bestuur over LPD. De leden van het Group Management Team/de Executive Board stonden niet op de loonlijst van LPD Holding doch stonden op de payroll van een dochtermaatschappij van LPD Holding, zijnde LG.Philips Displays International Ltd., gevestigd te Hongkong. Deze dochtermaatschappij was krachtens een met LPD Holding gesloten managementovereenkomst bevoegd om het bestuur over LPD uit te oefenen. Het Group Management Team/de Executive Board kende voor zover bekend - geen directiereglement. De statuten schreven die ook niet voor. Het Group Management Team heeft gefungeerd vanaf datum oprichting van LPD tot 10 september Het Group Management Team bestond uit een tiental functies die in die periode werden vervuld door: 55/240

56 Functie Naam Van Tot Chief Executive Officer ( CEO ) P. Combes 2 29 juni augustus 2001 Chief Executive Officer ( CEO ) A. Wente 15 september september 2002 Chief Financial Officer ( CFO ) K.J. Lee 29 juni september 2002 Chief Operating Officer ( COO ) S.P. Koo 29 juni september 2002 Chief Technology Officer ( CTO ) A. van Gorkum 29 juni september 2002 Chief Strategy Planning Officer G. G. Leborgne 29 juni september 2001 ( CSPO ) Chief Sales Officer ( CSO ) K.S. Cho 29 juni september 2002 Regional Manager Asia / Pacific (1) J.D. Choi 29 juni april 2002 Regional Manager China (1) Y.Y. Park 29 juni september 2002 Regional Manager Americas E. Schwarz 29 juni september 2002 Regional Manager Europe J. Smith 29 juni september Vrijwel gelijktijdig met het samenvoegen van de regio s China en Asia / Pacific per 5 maart 2002, is de functie van Regional Manager China komen te vervallen. De heer Choi is toen afgetreden terwijl de heer Park de Regional Manager is geworden van de samengevoegde regio s. Sindsdien bestond het Group Management Team niet meer uit tien leden maar uit negen. 2 Combes defungeerde al na ruim één maand - naar verluidt - vanwege een conflict met LGE. Met uitzondering van de Regional Managers hielden alle leden van het Group Management Team kantoor in Hongkong. Ná 10 september 2002 werd de structuur van het Group Management Team, het zogenaamde regionale bestuursmodel, vervangen door een Executive Board, het zogenaamde centrale bestuursmodel. De implementatie van deze nieuwe structuur was per 1 april 2003 voltooid. Als gevolg van de nieuwe bestuursstructuur nam het aantal board functies af van tien tot vier. De reden voor het omvormen van het bestuursmodel, was tweeërlei. Enerzijds had dit ten doel om de besluitvorming slagvaardiger en efficiënter te laten verlopen en, anderzijds, om de overheadkosten te verminderen. De vier overblijvende functies waren de Chief Executive Officer, Chief Operating Officer (tevens: deputy to Chief Executive Officer), Chief Financial Officer en Chief Sales Officer. Deze vier functies zijn vanaf 10 september 2002 tot en met 30 januari 2006 vervuld door de volgende personen: 56/240

57 Naam CEO CFO COO CSO Van Tot (1) (1) A. Wente X 10 september april 2004 K.S. Cho X 10 september december 2003 P. van Bommel X 10 september augustus 2005 C.H. Kim X 10 september mei 2004 J.I. Son X 31 december april 2004 J.I. Son X 1 april januari 2006 W. Vaartjes X 1 juni januari 2006 P. Verhagen X 1 augustus januari 2006 S.D. Han X 1 juli januari Nadat de heer J.I. Son op 1 april 2004 tot CEO werd benoemd, was voortaan de CFO deputy to the CEO In de periode 1 april 2004 tot 1 juli 2005 was de functie van COO niet ingevuld. De taken van COO zijn in die periode evenwel door de CEO, de heer J.I. Son, waargenomen. Door de nieuwe bestuursstructuur hielden de regio s feitelijk op te bestaan waardoor bijvoorbeeld, de sales organisatie van Europa niet meer aan de Regional Manager Europe rapporteerde, die op zijn beurt weer aan de CSO rapporteerde, maar voortaan rechtstreeks aan de CSO. Het Group Management Team en ook de Executive Board kwamen maandelijks in vergadering bijeen. Het kan zijn dat er meer vergaderd is, maar van deze vergaderingen zijn dan geen notulen opgemaakt. De notulen die van de vergaderingen zijn opgemaakt, zijn zeer summier en in steekwoorden geschreven. Aan deze vergaderingen namen niet alleen de leden van het Group Management Team / de Executive Board deel, maar ook wel anderen zoals bijvoorbeeld de corporate controller. In de vergaderingen werden standaard de maandelijkse resultaten, (verwachte)omzet en prijsontwikkelingen, de (herziene) forecasts strategie en andere actuele zaken besproken. 57/240

58 4.6 Raad van Commissarissen De Joint Venture Agreement bevatte een vijftal artikelen over het orgaan van de Raad van Commissarissen bij LPD. Bij deze artikelen is rekening gehouden met hetgeen is bepaald in artikel 2: BW. Overeenkomstig artikel 2:250 lid 2BW is in de Joint Venture Agreement bepaald, dat de Raad van Commissarissen als taak had het toezicht houden op het beleid van het bestuur van LPD en op de algemene gang van zaken bij het LPD-concern. Bovendien diende de Raad van Commissarissen het bestuur van LPD met raad en daad terzijde te staan. Bij de vervulling van haar taak diende de Raad van Commissarissen zich naar het belang van LPD te richten. Een en ander werd tevens in de statuten van de vennootschap vastgelegd. De Raad van Commissarissen bestond, zoals gezegd, in het begin uit zes personen waarvan er drie werden voorgedragen door Philips en de andere drie door LGE. Met ingang van 1 december 2002 werd de samenstelling van de Raad van Commissarissen uitgebreid tot acht leden. Vanaf oktober 2003 werd de samenstelling weer teruggebracht tot zes leden. De samenstelling van de Raad van Commissarissen is in de jaren met grote regelmaat gewijzigd, hoewel de commissarissen statutair werden benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders voor een periode van vijf jaar. Secretaris van de Raad van Commissarissen was de heer R. Mangelmans. Onderstaande tabel geeft de met grote regelmaat wijzigende samenstelling weer van de Raad van Commissarissen door de jaren heen. Naam Vanaf Tot B.C. Jung (1) X X 29 juni december 2002 Nam.K. Woo X X X 29 juni december 2003 Y.S. Kwon X X X X X X 29 juni maart 2006 G. Demuynck X X X 29 juni februari 2003 F. Spaargaren X X X X 29 juni juni 2004 D. Chang X X X 29 juni oktober 2003 C.H. Koo (2) X X 1 december oktober 2003 W. Paik (3) X X X 1 december juni 2004 J. Oosterveld X X X 1 december april 2004 K. Humphreys X X 18 februari april /240

59 Y.B. Na X X 1 december januari 2006 A. Huijser (4) X X X 1 april maart 2006 F. van Houten X 1 april november 2004 H. olde X X X 1 juni maart 2006 Bolhaar N. Woo X 1 juni januari 2005 M. McHugh X X X 15 november maart 2006 H. Kwon X X 15 januari maart 2006 S.H. Park X 6 januari voorzitter vanaf 1 juli 2001 tot met 1 december Afkomstig uit gelederen van LGE. 2. voorzitter vanaf 1 december 2002 tot en met 1 oktober Afkomstig uit gelederen LGE. 3. voorzitter vanaf 1 oktober 2003 tot en met 1 april Afkomstig uit gelederen LGE. 4. voorzitter vanaf 1 april Afkomstig uit gelederen Philips. Zoals uit de tabel volgt heeft LGE tot 1 april 2004 de voorzitter geleverd voor de Raad van Commissarissen. Vanaf mei 2004 werd de voorzitter van de Raad van Commissarissen geleverd door Philips. Dit kwam doordat LGE gebruik mocht maken van haar recht, als vervat in de Joint Venture Agreement, om na verloop van drie jaren, de CEO van LPD voor te dragen. Als gevolg hiervan kreeg Philips het recht om de voorzitter van de Raad van Commissarissen voor te dragen. De Raad van Commissarissen van LPD Holding kende voorzover de Curator heeft kunnen nagaan - geen reglement waarin onder meer de werkwijze van de Raad nader werd omschreven. Hetzelfde gold voor de afzonderlijke commissies van de Raad van Commissarissen. De statuten schreven geen reglement voor. De Raad van Commissarissen kwam in principe vier maal per kalenderjaar in vergadering bij elkaar. De eerste vergadering was op 27 oktober 2001 en de laatste op 12 januari De vergaderingen vonden veelal in Hongkong plaats, soms ook in Amsterdam en Seoul. Ook werd diverse malen telefonisch vergaderd. Deze vergaderingen zijn altijd uitvoerig genotuleerd. In de Raad van Commissarissenvergaderingen vormden telkens terugkerende agendapunten: (i) actuele onderwerpen, (ii) rapportages van de door de Raad van Commissarissen ingestelde commissies, (iii) marktontwikkelingen, (iv) actuele tussentijdse resultaten (onder andere de omzet, verkoopprijzen, liquiditeit, EBITDA ratio, debt / equity ratio, hoogte van 59/240

60 voorraden, debiteuren- en crediteurenstanden), de begroting voor het komende jaar en het al dan niet behalen van de met het Bankensyndicaat afgesproken financial covenants, (v) de noodzakelijke herstructureringen en de voortgang daarvan alsmede (vi) noodzakelijke impairments. Naast deze onderwerpen kwamen ook andere onderwerpen aan de orde zoals bijvoorbeeld de targets voor bonussen van bestuurders, geschillen, investeringen in nieuwe producten, (voortgang van de) onderhandelingen met het Bankensyndicaat over de herstructureringen van de lening van het Bankensyndicaat en dergelijke. Tenslotte fungeerde de Raad van Commissarissen ook wel als spreekbuis voor de aandeelhouders. Een typerend voorbeeld hiervan is dat het Group Management Team/de Executive Board tijdens een aantal vergaderingen over de jaren verspreid aan de Raad van Commissarissen heeft verzocht of zij (lees: de aandeelhouders) bereid waren tot een kapitaalstorting, welke verzoeken de Raad van Commissarissen in beraad nam om daar vervolgens later (namens de aandeelhouders) op terug te komen. Typerend zijn bijvoorbeeld de notulen van de vergadering van de Raad van Commissarissen van 10 december The Supervisory Board stressed that its above mentioned approval of the 2002 budget does not mean an approval of any capital injection. The Company s Management however explained the need for an equity injection of 400 M. USD and would submit a formal request thereto for the Supervisory Board s consideration and approval. In de notulen van de vergadering van de Raad van Commissarissen van 27 oktober 2001 valt te lezen: The Supervisory Board however made it clear that no capital injection will be approved untill they have approved a convincing restructuring plan. In de notulen van de Raad van Commissarissen van 2 februari 2002 valt te lezen: Furthermore it was principally agreed that both parent companies would support the Company by early payment of accounts receivable.. Opgemelde citaten uit de notulen typeren het functioneren van de Raad van Commissarissen. Immers, de Raad van Commissarissen had uitsluitend het belang van LPD te dienen en het was evident dat op dat moment een kapitaalsinjectie dringend nodig was en uitsluitend en alleen het belang van de vennootschap diende. Strikt formeel kan overigens gesteld worden, dat het uitgeven van nieuwe aandelen was onderworpen aan de goedkeuring van de Raad van Commissarissen. 60/240

61 De Raad van Commissarissen heeft in haar eerste vergadering op 27 oktober 2001 een aantal commissies ingesteld die haar op verschillende gebieden dienden te adviseren. De commissies die in de jaren zijn ingesteld betroffen: - audit committee; - finance committee; - executive committee; - remuneration committee. Aanvankelijk bestonden alle commissies uitsluitend uit de heren Kwon en Spaargaren. Het audit committee had tot taak kort gezegd om toezicht te houden op met name (i) de (kwaliteit van de) boekhouding en financiële verslaglegging, inclusief kwartaalberichten en jaarverslagen, (ii) het boekhoudkundig en financieel verslagleggingsbeleid en daarmede verband houdende procedures, (iii) (de kwaliteit van) het interne beheersingssysteem en de interne audit functies, (iv) de onafhankelijke externe controle van de jaarrekening, (v) het functioneren van de externe accountant en (vi) de naleving van interne procedures en van de relevante wet- en regelgeving. Het audit committee bestond uit twee leden van de Raad van Commissarissen. Aan de vergaderingen werd deelgenomen door de controlerende accountants van LPD en door de CFO en/of controller van LPD. Het audit committee kwam doorgaans tweemaal per kalenderjaar in vergadering bij elkaar. Van deze vergaderingen werden korte notulen opgemaakt. De commissie bestond uit F. Spaargaren en Y.S. Kwon. Het finance committee had tot taak kort gezegd de Raad van Commissarissen te assisteren c.q. te adviseren in de onderhandelingen die LPD in 2001/2002 en 2003/2004 heeft gevoerd met het Bankensyndicaat over de herstructurering van de syndicaatsschuld. Voorts ondersteunde het finance committee het bestuur bij het jaarlijkse begrotingsproces. Na het afronden van de financiële herstructurering, werd het finance committee ontbonden. Van de vergaderingen van het finance committee zijn geen notulen opgemaakt. De commissie bestond uit F. Spaargaren en Y.S. Kwon. Het executive committee had tot taak de Raad van Commissarissen te adviseren over het optimaliseren van de bestuursstructuur en, in het verlengde daarvan, het formuleren van een nieuwe bestuursstructuur, alsmede moest het executive committee.support the Management to come through this tough period, leaving the role and responsibility of the CEO 61/240

62 and his Management unchanged. Via het executive committee werd getracht de besluitvorming in het bestuur efficiënter en sneller te laten verlopen, met name in die gevallen waarin het Bestuur voor bepaalde besluiten of transacties de toestemming van de Raad van Commissarissen nodig had. Het Executive Committee maakte een snellere besluitvorming mogelijk, omdat zij de bevoegdheid had namens de Supervisory Board goedkeuring te verlenen. De voorstellen van het executive committee hebben er uiteindelijk toe geleid, dat gekozen is om het regionale bestuursmodel bij LPD los te laten en te vervangen door een centraal bestuursmodel. Nadat het centrale bestuursmodel was ingevoerd, werd het executive committee ontbonden. Van de vergaderingen van het executive committee zijn geen notulen opgemaakt. De commissie bestond uit F. Spaargaren en Y.S. Kwon. Tot slot het remuneration committee. Dit committee had tot taak, wederom kort gezegd, de Raad van Commissarissen te adviseren over de bezoldiging van de leden van het Group Management Team/de Executive Board in zijn algemeenheid en het formuleren van doelstellingen voor het behalen van bonussen in het bijzonder. Van de vergaderingen van het remuneration committee zijn geen notulen opgemaakt. Aanvankelijk bestond de commissie uit de heren Kwon en Spaargaren.De commissie bestond later uit J. Demuynck en N. Woo. Afrondend wordt opgemerkt dat de diverse door de Raad van Commissarissen ingestelde commissies niet altijd deugdelijk hebben gefunctioneerd. Zo lieten de diverse leden van deze commissies dikwijls verstek gaan tijdens vergaderingen. Teneinde dit euvel te verhelpen is in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 4 november 2003 besloten dat de samenstelling van de diverse commissies tegen het licht moest worden gehouden met als insteek om deze van geschikte en gemotiveerde leden te voorzien. Vanaf 2004 zijn de commissies officieel opgeheven. De commissies kenden, voorzover de Curator heeft kunnen nagaan, geen statuut of reglement. 4.7 Aandeelhouders In het kapitaal van LPD Holding hield Koninklijke Philips Electronics N.V. 50% plus één aandeel (50,01%) en LG Electronics Wales Ltd. 50% minus één aandeel (49,99%). Philips hield 34,092 en LGE 34,090 aandelen in eigendom. Philips had twee aandelen meer om, aldus LPD, een royaltyvrije toegang te verschaffen tot gebruik van de meeste van de cross 62/240

63 licentieovereenkomsten van Philips die betrekking hadden op producten, die CRT gerelateerd waren. Zowel Philips als LGE namen de resultaten van LPD in hun jaarrekeningen op, doch deze werden niet geconsolideerd. Geen van beide had binnen de joint venture beslissende zeggenschap. Philips noch LGE mochten de door hen in het kapitaal van LPD gehouden aandelen voor de duur van tien jaren, te rekenen vanaf de datum van oprichting, aan een derde verkopen en leveren. Fysieke aandeelhoudersbijeenkomsten zijn er voorzover bekend -, op een enkele uitzondering na, nooit geweest. De aandeelhoudersvergaderingen hebben alleen op papier plaatsgevonden. Op deze wijze werden de jaarrekeningen goedgekeurd en de nodige aandeelhoudersbesluiten genomen. Ingevolge artikel 24 van de Statuten moesten alle aandeelhouders zich dan wel schriftelijk vóór het voorstel in kwestie verklaren. Maandelijks werd door LPD financiële informatie aan haar aandeelhouders verstrekt. Conform de Joint Venture Agreement is door de aandeelhouders een shareholders committee opgericht. Het shareholders committee bestond aanvankelijk uit de heren Van der Poel en Ko. Het shareholders committee had tot taak om te interveniëren in het geval er in de Raad van Commissarissen een deadlock situatie zou ontstaan. Een dergelijke situatie heeft zich nooit voorgedaan. Het shareholders committee kwam desalniettemin in de aanvangsperiode van de joint venture enkele keren per jaar bij elkaar om de gang van zaken van LPD te bespreken. De besprekingen van het shareholders committee vormden in feite het enige moment waarop de aandeelhouders feitelijk bij elkaar kwamen. De indruk bestaat, dat de facto de vergaderingen van de Raad van Commissarissen werden gebruikt om tevens de aandeelhoudersbelangen te bespreken. Van de vergaderingen van het shareholders committee werden geen notulen gemaakt. Voor de volledigheid wordt onderstaand nader aangegeven welke rollen beide aandeelhouders voorts nog vervulden bij LPD. Beide aandeelhouders speelden een rol als (tussentijdse) vermogensverschaffers en kredietverleners. Verwezen wordt naar par. 5.5 van dit rapport. 63/240

64 Philips en LGE vervulden bij LPD voorts, zij het in beperkte mate, de rol van adviseur. Zo hebben Philips en LGE, in het bijzonder bij de financiële herstructureringen in 2002 en 2004, LPD de helpende hand toegestoken, niet alleen door bijvoorbeeld expertise op het gebied van corporate finance aan te bieden maar ook door bijvoorbeeld de gevolgen van de verschillende herstructureringsplannen door te rekenen en gezamenlijk een handelingsstrategie richting het Bankensyndicaat op te stellen. Zoals hiervoor opgemerkt, waren Philips en LGE voor LPD de belangrijkste afnemers van CRTproducten. LGE heeft overigens nooit een afnameovereenkomst gesloten met LPD. Tussen Philips en LPD bestond pas vanaf mei 2004 een schriftelijke afnameovereenkomst. Daarvoor werden de afspraken ook tussen Philips en LPD mondeling gemaakt. Zowel Philips als LGE kochten bij LPD de CRT-units tegen marktconforme prijzen. Van de totale door Philips/LGE benodigde CRT-units nam Philips in de jaren circa 80% bij LPD af en LGE circa 85 90%. De reden dat Philips en LGE niet alle door hen benodigde CRT-units bij LPD afnamen, was gelegen enerzijds, in het gegeven dat LPD niet alle door Philips respectievelijk LGE benodigde CRT-modellen produceerde en, anderzijds, in het gegeven dat de oprichting van LPD een arms length operatie was. Tot slot bestonden er tussen LPD en beide aandeelhouders z.g. Service Level Agreements. Afgezien van de huur van gebouwen waren deze Service Level Agreements, (tevens omvattende levering IT-diensten, beveiliging, schoonmaak etc.), bedoeld voor in principe 12 maanden teneinde een soepele start van LPD mogelijk te maken. Uiteindelijk zou LPD de diensten in kwestie zelf gaan verrichten. 4.8 Relatie LPD - aandeelhouders Het was de bedoeling van de aandeelhouders om LPD te doen functioneren als een stand alone entity en als een volledig zelfstandige en zelfbeslissingsbevoegde joint venture. De Curator heeft geconstateerd, dat er desondanks sprake was van een zekere verwevenheid tussen LPD en aandeelhouders. De Raad van Commissarissen was eenzijdig samengesteld en bestond uitsluitend uit werknemers van beide aandeelhouders terwijl de directie uitsluitend en alleen bestond uit voormalige Philips- en LGE-werknemers. 64/240

65 Volgens de statuten hadden beide aandeelhouders het recht om ieder drie directeuren te benoemen. De praktijk was, dat beide aandeelhouders ieder drie van hun eigen werknemers benoemden tot directeur van LPD. Deze kwamen dan wel op de loonlijst van LPD te staan. De Curator is tijdens het onderzoek medegedeeld dat de aldus benoemde directieleden geen terugkeergarantie van Philips respectievelijk LGE verkregen. Buitenstaanders werden niet benoemd in de directie noch in de Raad van Commissarissen. Aldus kan van diversiteit in de samenstelling van met name de Raad van Commissarissen niet worden gesproken. Bovendien laat zich in dit verband de vraag stellen of de onafhankelijkheid van de leden van de Raad van Commissarissen in voldoende mate gewaarborgd was, nu alle leden in dienst waren van beide aandeelhouders en hen, blijkens de notulen (zie par. 4.6), ook regelmatig vertegenwoordigden. Tot slot zij opgemerkt dat alle leden van de Directie en van de Raad van Commissarissen van LPD tegen bestuurdersaansprakelijkheid waren verzekerd via een door Philips voor haar bestuurders afgesloten D & O polis. Conform artikel 15 lid 4 van de Statuten waren aan de voorafgaande goedkeuring van de Raad van Commissarissen onderworpen alle besluiten van de directie omtrent zodanige rechtshandelingen als door de Raad van Commissarissen duidelijk omschreven en schriftelijk ter kennis van de directie waren gebracht. De Curator heeft het bestaan van een lijst of reglement van de door de Raad van Commissarissen vooraf goed te keuren rechtshandelingen niet kunnen vaststellen. Wél is geconstateerd, dat het Executive Committee uit de Raad van Commissarissen de directie met raad en daad moest bijstaan om de onderneming door moeilijke periodes heen te leiden (zie verder par. 4.6). Overigens bepaalt art. 2:164 BW voor welke besluiten van het bestuur de voorafgaande toestemming van de Raad van Commissarissen is vereist. 65/240

66 5. De financiering 5.1 Inleiding LPD werd in hoofdzaak gefinancierd via de USD 2 miljard facility. Daarnaast beschikten de werkmaatschappijen over door lokale banken verstrekte financieringen ten belope van in de aanvang ± USD 500 miljoen. In 2002 werd door MIVAR via LPD Finance LLC een lening verstrekt ten bedrage van 200 miljoen. Voorts vond substantiële financiering plaats via leverancierskrediet ten belope van circa USD 1 miljard. Tot slot werd door beide aandeelhouders risicodragend kapitaal ingebracht in de joint venture. 5.2 USD ,- faciliteit Algemeen In mei 2001 is met het oog op de verkrijging van de financiering van USD 2 miljard een Information Memorandum opgesteld in opdracht van LPD Holding met het oog op de realisatie en de syndicering van de beoogde lening. De informatie in het memorandum werd geverifieerd door Chase Manhattan Bank als administrative agent en JPMorgan, ABN AMRO en Citibank als joint co-ordinating arrangers. Het Information Memorandum bevatte naast de gebruikelijke gegevens in hoofdzaak informatie met betrekking tot de aan de oprichting van de joint venture ten grondslag liggende business case, de beoogde strategie, de verwachte synergie alsmede een nadere uiteenzetting van de CRT-marktsituatie in 2000 en de verwachtingen voor de komende jaren. Aan de beoogde financiers werd een rapport beschikbaar gesteld, getiteld The Flat Future worldwide pc monitor forecast and analysis en opgesteld door marktanalisten van IDC. In de praktijk wordt een dergelijk Information Memorandum verstrekt aan Lenders teneinde zoveel mogelijk Lenders bij het Syndicaat te betrekken. Na verspreiding van het Information Memorandum werden bankmeetings voor subunderwriters georganiseerd in Amsterdam en Hongkong (8 en 10 mei 2001). De te arrangeren lening van USD 2 miljard senior debtloan 66/240

67 and revolving creditfacility bestond uit USD ,- termloan en USD ,- revolving creditfacility. Uit het Information Memorandum bleek dat USD ,- zou worden aangewend ter betaling aan LGE voor de ingebrachte activa. De rest van de term loan (bedragende USD ,-) zou worden gebruikt om de acquisitie van Philips CRT Glassbusiness te financieren. De revolving creditfacility ad USD ,- zou worden aangewend voor werkkapitaal en additionele kapitaalsuitgaven Kernpunten Facility Agreement d.d. 26 juni 2001 Borrower : LPD Holding Arrangers : ABN AMRO Chase Manhattan Asia Limited Citibank/Salomon Smith Barney Hongkong Limited Agent : The Chase Manhattan Bank, Hongkong Branch Original guarantors : LPD Netherlands B.V. LPD Poland LPD International B.V. LPD Germany GmbH LPD Glass Germany GmbH LPD Spain S.A. LPD Taiwan Ltd. LPD USA Inc. LPD Mexico LPD Brazil Ltda. Securities: 1. Verpanding door LPD Holding van haar vorderingen op LPD Korea uit hoofde van de Floating Rate Notes. 2. Verpanding van de aandelen van LPD Investment in LPD Korea. 3. Verpanding vordering LPD Holding op haar aandeelhouders LGE en Philips onder de Deed of Covenant. 67/240

68 Security Agent: JP Morgan Chase Bank, Hongkong Branch Facility A lening: Facility B lening: USD 1,35 miljard af te lossen uiterlijk in 2006 (z.g. term loan) USD 650 miljoen af te lossen in drie jaar: (z.g. revolving loan facility) Het Bankensyndicaat toucheerde in totaal ± USD 34 miljoen aan arrangement fees and expenses. Facility A lening/facility B lening De bankfaciliteit van USD 2 miljard bestond uit twee leningen, te weten een Facility A lening ten bedrage van USD 1,35 miljard en een Facility B lening ten bedrage van USD 650 miljoen. De Facility A lening is door LPD, overeenkomstig de met het Bankensyndicaat gemaakte afspraken, aangewend voor de financiering van kort gezegd de inbreng van activa door haar aandeelhouders. LGE ontving voor de (meer-)inbreng van haar activa USD 1,1 miljard, terwijl Philips voor de inbreng van haar glasactiviteiten USD 255 miljoen ontving. De Facility B lening mocht door LPD worden aangewend voor de financiering van haar werkkapitaalbehoefte. In totaal werd USD 400 miljoen van de B lening opgenomen. LPD had zich ertoe verplicht om de Facility A lening binnen vijf jaar af te lossen en de Facility B lening binnen drie jaar. Bij het aangaan van de lening met het Bankensyndicaat heeft LPD zich ertoe verplicht zich te houden aan een aantal financiële covenants. Het betroffen onder meer de volgende financiële covenants: - Consolidated Borrowings staat tot Consolidated Net Worth of debt/equity covenant : 31 December 2001 until 31 December :1 31 December 2002 until 31 December :1 31 December 2003 until 31 December :1 31 December 2004 and further 0.90:1 68/240

69 - Consolidated EBITDA staat tot Gross Interest Expense of EBITDA/interest covenant : 31 December 2001 until 31 December :1 31 December 2002 until 31 December :1 31 December 2003 until 31 December :1 31 December 2004 and further 5.75:1 - Consolidated Borrowings staat tot Consolidated EBITDA of debt/ebitda covenant 31 December 2001 until 31 December :1 31 December 2002 until 31 December :1 31 December 2003 until 31 December :1 31 December 2004 and further 1.50:1 Niet naleving door LPD van een of meerdere financiële covenants zou tot gevolg kunnen hebben, dat, onder andere, de lening per direct opeisbaar zou worden. Volgens de in 2001 opgestelde businessplannen en de in 2001 bestaande vooruitzichten ten aanzien van de ontwikkelingen van de CRT-markt, bestond bij zowel LPD, haar aandeelhouders en het Bankensyndicaat de stellige verwachting dat LPD, enerzijds zonder moeite de met het Bankensyndicaat afgesproken financiële covenants zou kunnen realiseren en, anderzijds, zonder problemen de lening van USD 2 miljard binnen de afgesproken termijnen zou kunnen aflossen. De werkelijkheid bleek een andere. Eind september 2001 was de lening van USD 2 miljard als volgt aangewend: 69/240

70 Q3 CASH FLOW (M USD) Use of funds Details Amount Valuation Gap LGE, Philips - 1,381 Arrangement Fee Bank (June 29) - 34 CAPEX Quest, Rapide, etc - 47 Working Capital&Results Europe, USA HQ & Interest HK, Shanghai etc Total - 1,587 Credit Limit 2,000 Available limit at end of Sep. 413 Eind september 2001 was slechts USD 104 miljoen van de faciliteit van USD 2 miljard aangewend voor de financiering van werkkapitaal FRN-lening Van de bankfacility van USD 2 miljard werd door LPD Holding USD 1,14 miljard doorgeleend aan LPD Korea. Met behulp van deze lening kocht LPD Korea de activa van LGE. Teneinde de koopsom van ruim USD 1,1 miljard te kunnen financieren, heeft LPD Korea op of omstreeks 26 juni 2001 Floating Rate Notes ( FRN ) ter waarde van USD 1,14 miljard uitgegeven, jaarlijks af te lossen in twee termijnen, uiterlijk in De lening werd geheel geplaatst bij LPD Holding en voldaan uit de bankfacility van USD 2 miljard. LPD Holding ontving geen zekerheden voor de lening. Op de lening was Nederlands recht van toepassing. Bijkomend aspect vormde dat via de uitgifte van de FRN Notes werd bereikt dat LPD Korea gelden kon uitkeren aan LPD Holding (via rente en aflossing op de FRN Notes) zonder in strijd te komen met de loan foreign exchange restrictions. LPD heeft op of omstreeks 26 juni 2001 haar vordering uit hoofde van de FRN Notes op LPD Korea verpand aan het Bankensyndicaat. Bovendien werden aan het Bankensyndicaat verpand de aandelen van LPD Investment in het aandelenkapitaal van LPD Korea. Aldus konden fondsen, gegenereerd door LPD Korea, worden overgemaakt naar LPD Holding ter aflossing van de lening. Het betrof de facto een intercompany lening van LPD Holding aan LPD Korea. 70/240

71 De op de lening door LPD Korea gerealiseerde aflossingen kunnen als volgt worden gespecificeerd: FRN-lening USD Betaaldatum USDm 30 juni december mei september januari mei juli juli december januari januari / USD Noot: de FRN aflossingen werden door LPD Holding aangewend voor de aflossing van de USD 2 miljard faciliteit Herstructurering 2002/Amendment Agreement 31 mei 2002 In oktober 2001, slechts enkele maanden na de start van de joint venture, liet LPD aan het Bankensyndicaat weten dat ze vreesde per ultimo 2001 niet meer aan de financiële ratio s te kunnen voldoen. De bankfaciliteiten werden daarop direct geblokkeerd. LPD kon niet meer trekken op de revolving loan facility van USD 650 miljoen. Op dat moment was USD 250 miljoen nog niet opgenomen. Het eerste halve boekjaar werd afgesloten met een onverwacht groot netto verlies van USD 348 miljoen. De vraag naar CRT-schermen was onverwacht sterk gedaald. De omzet bleef ver achter op de begroting. Als gevolg van de hierdoor veroorzaakte blokkering van de faciliteiten door het Bankensyndicaat en een negatieve cashflow, zag LPD zich in het vierde kwartaal van 2001 geconfronteerd met ernstige liquiditeitsproblemen. Het Bankensyndicaat toonde zich onaangenaam verrast door de binnen enkele maanden ná verstrekking van de financiering dreigende defaultsituatie. De Lenders vroegen zich openlijk af of ze door beide aandeelhouders wel correct werden geïnformeerd over de marktontwikkelingen en de behaalde resultaten in de maanden voorafgaande aan de financiering. 71/240

72 Een eerste ingrijpende reorganisatie bleek onvermijdelijk. Tijdens een ontmoeting van de heren Kleisterlee (CEO Philips), Van der Poel (Executive Vice President Philips) en de heer Koo (CEO van LGE) op 20 december 2001, werd overeenstemming bereikt over een kapitaalsinjectie door de aandeelhouders van in totaal USD 250 miljoen. In de eerste vergadering van de Raad van Commissarissen van 27 oktober 2001 werd gesproken over de noodzaak van een kapitaalsinjectie van USD 600 miljoen. In de vergadering van 11 december 2001 werd gesproken over een kapitaalsinjectie van USD 400 miljoen. Uiteindelijk is dit USD 250 miljoen geworden. Met het Bankensyndicaat moest daarnaast worden onderhandeld over een wijziging van de Facility Agreement. Immers, aan de bestaande voorwaarden kon LPD niet langer voldoen. Directe opeisbaarheid dreigde. In mei 2002 kon met de banken overeenstemming worden bereikt, waarna op 31 mei 2002 de Amendment Agreement werd getekend. De kernpunten van de Amendment Agreement kunnen als volgt worden samengevat: 1. Kapitaalsinjectie: De aandeelhouders dienden USD 250 miljoen extra kapitaal in LPD te storten, waarvan USD 150 miljoen voor aflossing diende te worden aangewend. De kapitaalstorting vond plaats op 3 juni Bankgarantie: De aandeelhouders dienden ieder ten behoeve van de banken een bankgarantie te verstrekken van USD 200 miljoen. 3. Dividendverbod: Het verbod tot uitkering van dividend werd verlengd tot 30 juni Financial Covenants: De overeengekomen financiële ratio s werden aangepast als volgt: (a) Minimum EBITDA covenant For the Period 30 June 2002 USD 50 million (1/1/2002 to 30/6/2002) 30 September 2002 USD 175 million (1/1/2002 to 30/9/2002) 31 December 2002 USD 350 million (1/1/2002 to 31/12/2002) 72/240

73 (b) The Debt/Equity covenant will be revised as follows: Proposed Current 30 June September December March June September December March June September December March June September December (c ) The Debt/EBITDA covenant will be revised as follows: Proposed Current 30 September December March June September December March June September December March June September December (d) The EBITDA/Interest covenant will be revised as follows: Proposed Current 30 September December March June September December /240

74 31 March June September December (e) The Total Indebtedness covenant will be revised as follows (in USD millions): Proposed current (USD M) (USD M) 30 June ,750 3, September ,750 3, December ,750 3, March ,500 3, June ,500 3, September ,500 3, December ,250 3, March ,250 3, June ,250 3, September ,250 3, December ,000 3, ,750 3, ,500 3, Toetreding nieuwe guarantors: LPD Czech, LPD France, LPD Finance. 6. Wijziging aflossingsschema plus toepasselijke rente: De lening diende in 2010 integraal afgelost te zijn. De rente werd aangepast. Na ondertekening van de Amendment Agreement van 31 mei 2002 mocht LPD de tot op dat moment geblokkeerde USD 250 miljoen van de faciliteit alsnog gaan aanwenden. In juli 2002 werd aansluitend door LPD Holding via LPD Finance LLC een obligatielening uitgeschreven ten belope van 200 miljoen. De lening werd op 9 juli 2002 integraal geplaatst bij het Italiaanse MIVAR. Volgens het destijds gepubliceerde prospectus zou de lening worden aangewend. to further support the structural improvement program. Vastgesteld is dat het Bankensyndicaat naast de aflossing ad USD 150 miljoen (op 5 juni 2002) nog een tweetal aflossingen in 2002 heeft ontvangen, te weten op 30 juni 2002 (USD 100 miljoen) en op 27 december 2002 (USD 100 miljoen). Beide betalingen vonden plaats 74/240

75 via LPD Korea bij wege van aflossing op de z.g. FRN lening (verstrekt door LPD Holding aan LPD Korea). In 2002 werd aldus op lening A in totaal afgelost USD 350 miljoen. Op lening B werd nog eens USD 35 miljoen op 30 december 2002) afgelost. Reeds tijdens de vergadering van de Raad van Commissarissen van 5 november 2002 werd geconstateerd dat, vergeleken met de ten behoeve van het Bankensyndicaat in maart 2002 naar beneden bijgestelde prognoses, de marktsituatie nog meer zou verslechteren, met name voor wat betreft de CDT-markt. As a consequence we will not meet major bankcovenants (debt/equityratio and debt/ebitda ratio) without substantial support of the parents. Problems D/E ratio will occur already in Q1, DEBT/EBITDA will occur in Q3. LPD is too high geared!. Ultimo boekjaar 2002 moest LPD een netto verlies rapporteren van USD 532 miljoen. Het eigen vermogen was ondanks de kapitaalsinjectie gedaald van USD 970 miljoen tot USD 816 miljoen. Teneinde te kunnen voldoen aan de condities van de Amendment Agreement diende LPD ultimo 2003 alweer haar vermogen te versterken, haar schulden te verlagen en de EBITDA te verbeteren. Reeds in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 10 juli 2003 werd de verwachting uitgesproken, dat LPD in het derde en vierde kwartaal 2003 niet meer zou kunnen voldoen aan de ratio s van het Bankensyndicaat. Op 2 oktober 2003 liet LPD aan JPMorgan weten, dat de ratio met betrekking tot de EBITDA waarschijnlijk in het derde en vierde kwartaal zou worden gebroken. Op 21 oktober 2003 meldde LPD aan JPMorgan dat onder meer de EBITDA ratio per 20 september 2003 niet was gerealiseerd. Wederom dreigde directe opeisbaarheid. Het boekjaar 2003 werd afgesloten met een netto verlies van USD 872 miljoen. Het totaal van de genomen herstructureringskosten en impairments bedroeg over dat jaar maar liefst USD 942 miljoen. In 2003 werd in totaal USD 217 miljoen afgelost op de Facility A lening, waarvan USD 150 miljoen via een aflossing door LPD Korea op de zogenaamde Floating Rate Notes ( FRN s ) en van USD 67 miljoen via desinvesteringen. 75/240

76 De B-lening (revolving credit facility) liep evenwel op van USD 365 miljoen (ultimo 2002) naar USD 650 miljoen (ultimo 2003) Herstructurering 2004/Loan Restructuring Agreement d.d. 25 juni 2004 Op 2 oktober 2003 werd JPMorgan als agent van het Bankensyndicaat door LPD geïnformeerd, dat LPD in het derde en vierde kwartaal 2003 waarschijnlijk niet meer zou kunnen voldoen aan de overeengekomen EBITDA ratio. Op 21 oktober 2003 werd JPMorgan door LPD geïnformeerd dat uit de unaudited financial statements per ultimo september 2003 bleek, dat LPD niet langer voldeed aan de borrowings to networth and the borrowings to EBITDA covenants. Daarmede dreigde de Facility weer opeisbaar te worden. Ultimo 2003 werden door LPD daarom onderhandelingen gestart met een door het Bankensyndicaat in december 2003 gevormd Steering Committee om te komen tot een herstructurering van de faciliteit van USD 2 miljard. Het Steering Committee nam als onafhankelijk financieel adviseur Ferrier Hodgson in de arm. Ook MIVAR werd bij de besprekingen betrokken omdat de condities van de MIVAR-lening ook zouden moeten worden gewijzigd. Uit een brief van LPD aan de banken van 12 januari 2004 blijkt, dat op dat moment op hoofdlijnen overeenstemming bestond met het Steering Committee over de voorgenomen herstructurering. Met MIVAR bestond geen overeenstemming. LPD slaagde erin de per 7 januari 2004 verschuldigde aflossing ad USD 100 miljoen op de Facility B lening te betalen. Op de Facility B lening zou voorts nog USD 200 miljoen afgelost moeten worden op 30 januari 2004 en USD 100 miljoen op 19 februari Zijdens LPD werd uitstel van deze betalingsverplichtingen bij het Bankensyndicaat aangevraagd. In het eerste kwartaal van 2004 bleek, dat met MIVAR geen overeenstemming kon worden bereikt over de herstructurering van de z.g. MIVAR-lening. MIVAR bleef zich op het standpunt stellen, dat de lening integraal in 2007 moest worden afgelost. Op 16 maart 2004 presenteerde Ferrier Hodgson haar rapport aan het Bankensyndicaat. Uiteindelijk kon met het Bankensyndicaat overeenstemming worden bereikt over de herstructurering van de bankfaciliteit. Op 25 juni 2004 werd de Loan Restructuring Agreement door alle partijen 76/240

77 getekend. De kernpunten van de Restructuring Agreement kunnen als volgt worden samengevat: 1. Kapitaalsinjectie: De aandeelhouders dienden ieder USD 250 miljoen extra kapitaal in LPD te storten, welk totaalbedrag van USD 500 miljoen voor aflossing van de banklening diende te worden aangewend. 2. De aandeelhouders dienden ieder ten behoeve van de banken een bankgarantie te verstrekken van USD 50 miljoen, zulks ter vervanging van de in 2002 door ieder der aandeelhouders verstrekte bankgarantie van USD 200 miljoen. 3. Versterking werkkapitaal: Ieder der aandeelhouders diende USD 50 miljoen bij te dragen in het werkkapitaal via vooruitbetalingen. Op 7 januari 2004 vond een aflossing op de B-lening van het Bankensyndicaat van USD 100 miljoen plaats. 4. Financial Covenants: De overeengekomen financiële ratio s werden gewijzigd als volgt: The Borrower shall ensure that, with effect from the Effective Date: a) The Debt Service Ratio as at each Annual Test Date is not less than 1.2:1 (other than the Annual Test Dates in 2006 and 2007 when the Debt Service Ratio shall not be less than 1.1:1) and as at each Quarterly Test Date (that is not an Annual Test Date) is not less than 1:1. b) The Relevant Group Total Debt during each calendar year shall not exceed the amount specified below in respect of that year: Year Amount (USD 000,000) /240

78 c) (i) Subject to paragraphs (ii) and (iii) below, the Cash Restructuring Costs in any calendar year (excluding such costs in relation to the Barcelona Companies) shall not exceed the sum of the amount specified below in respect of that year plus any Subordinated Debt received by the Borrower during that year and applied in payment of Cash Restructuring Costs: Year Amount (USD 000,000) (ii) If in any calendar year the Cash Restructuring Costs are less than the limit permitted for that year, then the unused amount can be carried forward to the immediately following (but not any further subsequent) calender year. (iii) The Borrower may elect, by written notice to the Agent, to increase the limit on Cash Restructuring Costs for any calendar year by bringing forward all or part of the limit for the immediately following calendar year (and the limit for that following calendar year will be reduced accordingly). 5. MIVAR-lening: Regeling van de wijze waarop de MIVAR-lening in 2007 zou worden afgelost. 6. Verlenging aflossingstermijn van 2006 tot Toetreding nieuwe guarantors: LPD Investment, LPD Korea, LPD Holding Germany en LPD International Ltd. dienden mede garant te staan voor de aflossing van beide leningen. 78/240

79 8. Verstrekking aanvullende zekerheden: Aan het Bankconsortium werden de zekerheden verstrekt, als gespecificeerd in Bijlage 10.6 bij dit rapport. 9. Herstructurering Barcelona: LPD zou de aandelen in haar voormalige vennootschappen Barayo S.A. en Barayo Proyectos S.A. terugkopen van Business Creation Industries B.V. De fabrieken zouden vervolgens eind 2004 worden gesloten. Na gerealiseerde wijziging van het bestemmingsplan zou het onroerend goed worden verkocht. De opbrengst ná aftrek van herstructureringskosten, diende voor aflossing van de lening van het Bankensyndicaat te worden aangewend. Op 14 juli 2004 werd op de A-lening USD 510,5 miljoen afgelost. Op 31 december 2004 werd nog eens USD ,- afgelost. Eind 2004 stond van de A-lening en de B-lening nog open in totaal USD 722,2 miljoen Overzicht gerealiseerde aflossingen Onderstaand overzicht bevat een specificatie van alle door LPD gerealiseerde aflossingen. De genoemde bedragen betreffen US Dollar bedragen. 79/240

80 Per 30 december 2005 stond nog open USD ,63. De betaling per dezelfde datum ad USD 49,5 miljoen betrof het op de aan het Bankensyndicaat verpande Cash Reserve Account staande saldo. Aanvang 2006 hebben beide aandeelhouders van LPD uit hoofde van de door hen aan het Bankensyndicaat verstrekte garanties in totaal USD 100 miljoen voldaan in mindering op de uitstaande vordering Zekerheden Het Bankensyndicaat ontving bij de verlening van de USD 2 miljard faciliteit zekerheden, als nader gespecificeerd in par van dit rapport. Daarenboven trad een tiental LPD 80/240

81 vennootschappen op als Guarantor naast en onafhankelijk van LPD Holding. De Curator heeft na onderzoek geen gegronde redenen gevonden om de rechtsgeldigheid van de leningen aan te tasten. Bij de herstructurering van 2004 ontving het Bankensyndicaat aanvullende zekerheden als nader gespecificeerd in Bijlage De Curator heeft een onderzoek ingesteld naar de vraag of deze zekerheden, voortvloeiende uit de Restructuring Agreement van 25 juni 2004, rechtsgeldig zijn gevestigd. Voorts is onderzocht of de verstrekking van de zekerheden al of niet paulianeus was als bedoeld in art. 42Fw. De Curator is tot de conclusie gekomen, dat hij geen gegronde reden heeft om de rechtsgeldigheid van de verstrekte zekerheden aan te tasten en voorts dat het aangaan van de verplichting tot het verstrekken van aanvullende zekerheden alsmede de feitelijke verstrekking van de zekerheden in 2004 (en voor wat betreft de Spaanse zekerheden in mei 2005) niet paulianeus als bedoeld in artikel 42Fw, is geweest Bankensyndicaat in de laatste fase van LPD Doordat de vraag naar CRT-producten vanaf medio september 2005 veel meer dan voorzien afnam, waardoor de resultaten van LPD ernstig onder druk kwamen te staan, voorzag LPD al in oktober 2005 dat zij de met het Bankensyndicaat halverwege 2004 afgesproken ratio s niet zou kunnen halen. Op verzoek van LPD werd op 7 november 2005 een bankersmeeting georganiseerd om het Bankensyndicaat te informeren over de ernstige tegenvallende financiële ontwikkelingen, waarmee LPD zich zag geconfronteerd. Tijdens deze bankersmeeting stelde LPD het Bankensyndicaat voorts in kennis van de stappen die zij van plan was te nemen om het tij te keren. Eén van deze stappen was het zo snel mogelijk sluiten van de fabrieken die verlies maakten, waarbij LPD onderstreepte dat daarvoor extra fondsen nodig zouden zijn, teneinde de sluiting van die fabrieken te kunnen bekostigen. Indien het aantrekken van extra fondsen niet mogelijk zou blijken te zijn, dan zou nader moeten worden bezien of een nieuwe herstructurering van de schuldenlast van LPD tot de mogelijkheden zou behoren. Tijdens de bankersmeeting van 7 november 2005 heeft LPD ten slotte erop aangedrongen dat het Bankensyndicaat een Steering Committee uit hun midden zou vormen waarmee LPD kort gezegd de dagelijkse contacten kon onderhouden. 81/240

82 Kort na de bankersmeeting van 7 november 2005 werd het Steering Committee geïnstalleerd. De eerste vergadering van het Steering Committee vond plaats op 14 november Aan deze vergadering namen ook deel het bestuur van LPD en de aandeelhouders van LPD. De op 14 november 2005 gehouden vergadering kreeg een vervolg op 30 november en 1 december De vergaderingen waren constructief in die zin dat de vergaderingen er op waren gericht om een oplossing te zoeken voor de ontstane problemen en een faillissement te vermijden. Van de zijde van LPD werd tijdens die vergaderingen keer op keer benadrukt dat er een fors liquiditeitstekort gefinancierd zou moeten worden om een faillissement van LPD te voorkomen. Van Philips zijde werden verschillende voorstellen voor het oplossen van dit liquiditeitstekort aangedragen. Eén van deze oplossingen was, dat beide aandeelhouders van LPD een sociaal fonds zouden oprichten, waaruit de aan de sluiting van de verliesgevende fabrieken verbonden sociale kosten zouden kunnen worden voldaan. De voorwaarde die Philips stelde bij de door haar aangedragen mogelijke oplossingen was, dat zij alleen aan dergelijke oplossingen zou meewerken indien en voorzover LGE precies dezelfde steun zou leveren aan LPD als Philips. Na 1 december 2005 is een delegatie van het Bankensyndicaat afgereisd naar Philips en LGE om mogelijke oplossingen voor de problemen van LPD te bespreken. Deze besprekingen hebben plaatsgevonden op of omstreeks 5 december Kort na die bespreking, te weten bij brief van 9 december 2005, heeft Philips zoals hiervoor reeds gememoreerd - de intentie uitgesproken om ten behoeve van de sluiting van fabrieken van LPD een sociaal fonds op te richten. Voorwaarde die Philips hierbij stelde was, dat LGE evenredig zou bijdragen aan dit sociaal fonds. Hoewel LGE ter zake geen enkele toezegging had gedaan, ging het bestuur van LPD ervan uit dat LGE uiteindelijk- ook bereid zou zijn om aan dit sociaal fonds bij te dragen. De ervaringen die het bestuur van LPD met LGE had opgedaan tijdens onder andere de herstructurering van 2004 was, dat LGE meestal wel overstag ging, zij het vaak één minuut voor twaalf. Op 12 en 14 december 2005 vonden wederom bankersmeetings plaats met als doel om de leden van het Bankensyndicaat te informeren over de besprekingen en ontwikkelingen die sinds 7 november 2005 met betrekking tot LPD hadden plaatsgevonden. 82/240

83 Eind december 2005/begin januari 2006 werd duidelijk dat LGE en Philips niet bereid waren om nogmaals extra kapitaal in LPD te injecteren en/of een sociaal fonds te vormen. Het faillissement van onder andere LPD Holding was daarmee in feite onafwendbaar geworden. Tijdens een op 13 januari 2006 gehouden vergadering van het Steering Committee ontvouwde LPD haar plannen tot de vorming van de zogeheten Residual Group en de Ongoing Group. Deze plannen hielden kort gezegd het volgende in: - De tot de Residual Group behorende vennootschappen (lees: voormalige Philips vennootschappen) werden door het bestuur van LPD op termijn niet meer levensvatbaar geacht. Van de tot de Residual Group behorende vennootschappen LPD Holding en LPD Netherlands, zou dan ook op of omstreeks 27 januari 2006 het faillissement worden aangevraagd. De activiteiten van de overige tot deze groep behorende vennootschappen zouden moeten worden beëindigd ofwel zouden indien mogelijk voortgezet worden zonder financiering door of via de Ongoing Group. Voortzetting had de voorkeur boven liquidatie. - De tot de Ongoing Group behorende vennootschappen werden door het bestuur van LPD alsmede door Ferrier Hodgson, de financieel adviseur van het Bankensyndicaat, levensvatbaar geacht. Voorzover de aandelen van deze levensvatbaar geachte vennootschappen niet werden gehouden door de tussenholding, LPD International B.V., zouden de aandelen van deze levensvatbaar geachte vennootschappen moeten worden verhangen naar LPD International. De Ongoing Group zou zich dan met name gaan richten op de Aziatische en Zuid-Amerikaanse markt. Voor de Ongoing Group zou dan op termijn een koper kunnen worden gezocht. Aan dit plan heeft LPD vanaf medio oktober 2005 gewerkt, juist voor het geval het niet mogelijk zou blijken te zijn om het verwachte liquiditeitstekort te financieren waardoor een faillissement onafwendbaar zou zijn. Bij de presentatie van dit plan hield LPD het Steering Committee voor, dat de uiteindelijke revenuen voor het Bankensyndicaat bij verwezenlijking van dit plan waarschijnlijk hoger zouden zijn dan hetgeen het Bankensyndicaat zou ontvangen bij een liquidatie van alle tot de LPD group behorende vennootschappen. Teneinde de door LPD ontwikkelde plannen mogelijk te maken, was het evenwel nodig dat het Bankensyndicaat onder andere de aan haar 83/240

84 verpande debiteurenportefeuille van LPD Netherlands niet zou uitwinnen, maar zou instemmen met de overdracht aan kort gezegd de Ongoing Group. Mede door de inning van deze debiteuren, zou de Ongoing Group, vanaf het faillissement van ondermeer LPD Holding en LPD Netherlands, de beschikking krijgen over het broodnodige startwerkkapitaal. Wilde het plan van LPD bovendien kans van slagen hebben, dan diende het Bankensyndicaat daarenboven ook toe te zeggen, dat zij bij een faillissement van LPD Holding zou afzien van uitwinning van de door de levensvatbaar geachte vennootschappen aan het Bankensyndicaat verstrekte garanties. Een faillissement van LPD Holding zou immers een default situatie opleveren op grond waarvan het Bankensyndicaat gerechtigd zou zijn om deze garanties in te roepen. De door LPD ontwikkelde plannen zijn door LPD vervolgens tijdens de op 25 januari 2006 gehouden bankersmeeting gepresenteerd aan het gehele Bankensyndicaat. Het Bankensyndicaat heeft voorzover nodig zwijgend ingestemd met en geen bezwaar gemaakt tegen de plannen van LPD tot vorming van de Ongoing respectievelijk de Residual Group. 5.3 MIVAR Notes Totstandkoming MIVAR-lening van ,- Vanaf maart 2002 hebben onderhandelingen plaatsgevonden tussen LPD en de heer Vichi over het verstrekken van een lening van in totaal 200 miljoen. De heer Vichi was op dat moment sole managing aandeelhouder en oprichter van MIVAR di Carlo Vichi S.a.p.a.( MIVAR ). MIVAR produceerde destijds 35% van de TV s, verkocht in Italië. MIVAR was op dat moment reeds meer dan 50 jaar lang (sedert 1949) een belangrijke klant van Philips voor de afname van onderdelen. De onderhandelingen werden aanvankelijk gevoerd door Felice Albertazzi, European salesdirector van LPD en Kiam-Kong Ho, Vice-President en Global Treasurer van LPD. De onderhandelingen werden gevoerd met, met name, Vittorio Necchi, zijnde de financieel adviseur van Vichi. Vichi nam vervolgens Monte dei Paschi di Siena Finance, Banca Mobiliare S.p.A. (MPS Finance) als adviseur en arranger voor de potentiële lening in de arm. De lening zou worden uitgeschreven in de vorm van obligaties. MPS Finance zou de uitgifte van de Notes aansturen. MPS Finance vervulde in feite een dubbelrol, te weten 84/240

85 adviseur van de heer Vichi en manager van de transactie. MPS Finance werd bijgestaan door Allen & Overy. LPD werd bijgestaan door Sullivan & Cromwell. Onduidelijk is, of het vanaf de aanvang in de bedoeling heeft gelegen, dat de Notes publiek zouden worden genoteerd. Volgens Vittorio Necchi was het vanaf de aanvang de bedoeling van Mr. Vichi, dat de Notes publiek zouden worden genoteerd. Zodra zij begrepen dat MPS Finance bezig was in plaats van een publieke notering een private placement te structureren, hebben zij te kennen gegeven dat het de intentie van Mr. Vichi was om de Notes publiek te noteren. Wel was vanaf de aanvang duidelijk, dat een speciale vennootschap zou worden gesticht, via welke de uitgifte van de Notes zou plaatsvinden. Dit werd uiteindelijk LG.Philips Displays Finance LLC (Delaware, USA). Uitgifte via de transparante LLC (Limited Liability Company) was gebaseerd op Nederlandse Belastingwetgeving. De constructie werd geadviseerd door fiscalisten van PWC. De Nederlandse belastingwetten werden steeds ongunstiger voor Group Finance Companies en neigden ertoe intercompany renteontvangsten te belasten. Om deze cash out te voorkomen, is gekozen voor de LLC. LPD International Ltd. te Hongkong zou als enige partner van de LLC fungeren. De aandelen van LPD International Ltd. werden voor 50% gehouden door LPD Holding en voor 50% door LPD Investment. Teneinde te bereiken dat LPD International Ltd. onder de Nederlandse deelnemingsvrijstelling zou vallen, diende zij een bepaald minimumbedrag aan externe schulden te hebben, welke zij zou verkrijgen via de z.g. MIVAR Notes. Idealiter zou LPD International Ltd. de Notes moeten uitgeven, doch dit kon voor MIVAR niet omdat Hongkong naar Italiaans belastingrecht werd beschouwd als een tax-haven. Volgens Vittorio Necchi heeft de heer Vichi nooit voorgesteld, dat uitgifte van de Notes via een Hongkong entity zou geschieden. Het voordeel van een LLC was, dat de leden van een LLC niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schulden van de LLC, noch voor schulden uit contract, noch voor schulden uit onrechtmatige daad. Voor notering in Luxemburg werd naderhand gekozen, omdat dit de gemakkelijkste en goedkoopste plaats van notering was. De onderhandelingen tussen adviseurs van de heer Vichi en LPD en haar adviseurs vonden plaats in de periode maart tot en met juni Overeengekomen werd, dat LPD Holding de Notes zou garanderen. 85/240

86 De Notes werden uitgegeven op 9 juli 2002, derhalve ná de met het Bankensyndicaat in het kader van de financiële herstructurering gesloten Amendment Agreement van 28 juni Op dat moment was LPD International Ltd. de enige partner van LPD Finance LLC. Vichi gebruikte S.I.R.E.F. Fiduciaria S.p.A., zijnde een Italiaanse trustvennootschap, to act as the initial noteholder on his behalf. S.I.R.E.F. hield vervolgens de Notes en de garantie namens Vichi. Nadien is Vichi de Notes rechtstreeks gaan houden. Eerst op 26 augustus 2002 gaf MPS Finance een z.g. Offering Circular uit, geconcipieerd door Allen & Overy. Het betrof in feite de bij de lening behorende prospectus. In deze Offering Circular was opgenomen een uitgebreide risk factor sectie, onder meer wijzend op de mogelijkheid van prijserosie van LPD-producten als resultaat van snelle introductie en penetratie van LCD monitors, concurrentie binnen de CRT-industrie en problemen met LPD s businessmodel en strategie. Voorts was opgenomen een duidelijk statement, dat Philips noch LGE partij bij de garantiestelling van de Notes waren. Gewag werd gemaakt van de discussie omtrent LPD s breach van de Facility Agreement van aanvang Verder werd er op gewezen, dat beide aandeelhouders in 2002 een kapitaalstorting zouden doen van USD 250 miljoen, terwijl de aandeelhouders daarenboven in totaal voor USD 400 miljoen aan garanties zouden geven aan het Bankensyndicaat in verband met de lening van USD 2 miljard en dat in 2002 USD 150 miljoen zou worden terugbetaald aan het Syndicaat. Expliciet werd vermeld: the Group has not adhered to certain financial governance set out in the related Facility Agreement which are effective from 1 January 2002, which could result in cancellation of the Loan Facility and/or drawn-down loans, becoming immediately due and repayable, should a majority of the lenders in the Syndicate request. Zoals gezegd dateerde het prospectus van 26 augustus 2002, terwijl de Notes reeds werden uitgegeven op 9 juli Op het moment van de uitgifte van de lening ad 200 miljoen, had Vichi mitsdien geen kennis van het prospectus. 86/240

87 De reden van de late uitgifte van het prospectus was gelegen in het feit, dat er allereerst sprake was van een z.g. private placement op 9 juli 2002 en dat vervolgens op verzoek van MIVAR om fiscale redenen werd besloten tot het aanvragen van een notering in Luxemburg. Er is overigens de facto nooit gehandeld in de obligaties. Zijdens Vichi heeft voorafgaande aan de uitgifte van de lening voorzover kon worden nagegaan, geen diepgaand boekenonderzoek bij LPD plaatsgevonden. Wel ontving Vichi via Ho Kiam Kong, Corporate Treasurer van LPD Holding onder meer de jaarrekening 2001, alsmede de cijfers per 31 mei Mr. Vichi en Mr. Vittorio Necchi betwisten dat ze deze documenten hebben ontvangen. Tevens werd in de administratie aangetroffen een Informatie Memorandum, gedateerd juni 2002 met bijlagen. Vichi beschouwde naar eigen zeggen LPD als een dochtervennootschap van Philips, immers, Philips had de meerderheid van de aandelen LPD. Onbekend is of en in hoeverre Vichi ervan op de hoogte was dat een aantal dochtervennootschappen van LPD Holding guarantor was ten behoeve van de USD 2 miljard facility. Op 8 juli 2002 werd een z.g. Put Option Agreement gesloten, erop neerkomende, dat de MIVAR Notes direct opeisbaar zouden zijn, althans tegen betaling zouden worden overgedragen aan LPD Finance LLC, indien Philips niet langer de meerderheid van de aandelen in LPD zou bezitten. Vichi vertrouwde er, wederom naar eigen zeggen, volledig op, dat Philips de obligatielening zou terugbetalen indien en voor het geval LPD onverhoopt in gebreke mocht blijven. Uit het prospectus blijkt, dat LPD een refinancing risk voorzag in het jaar 2004, omdat alsdan een groot gedeelte van de USD 2 miljard facility expireerde in de eerste helft van het jaar. Dat ging om de terugbetaling van de USD 650 miljoen revolving credit facility als deel van de USD 2 miljard facility. In aanvulling hierop diende begonnen te worden met de gedeeltelijke terugbetaling van USD ,= fixed term facility. Expliciet stond vermeld in het prospectus, dat Philips noch LGE partij was bij de uitgifte van de Notes en evenmin garanties had verstrekt of zou verstrekken. Behoudens de hoofdelijke garantiestelling van LPD Holding verkreeg Vichi geen enkele zekerheid voor de door hem verstrekte lening. Tegenover de Curator stelde V. Necchi, adviseur van Vichi, dat Vichi er steeds van is uitgegaan dat de door hem verstrekte lening een pari passu ranking kende met de USD 2 miljard faciliteit van het Bankensyndicaat. Vichi was er naar eigen zeggen niet van op de hoogte dat het Bankensyndicaat garanties en zekerheden had ontvangen. In artikel 2 van de MIVAR leningvoorwaarden, zoals opgenomen in het prospectus, staat vermeld dat de 87/240

88 Notes rank and will rank pari passu. with all other outstanding unsecured and unsubordinated obligations of the issuer, present and future. In de ogen van het Bankensyndicaat was de MIVAR lening echter structurally subordinated tegenover de vordering van het Bankensyndicaat, omdat het Bankensyndicaat zich behalve op LPD Holding ook kon verhalen op alle dochterondernemingen, die zich garant hadden gesteld voor de terugbetaling van de Facility van USD 2,0 miljard. De Notes werden beheerst door Engels recht. Als sole member van LPD Finance LLC werd genoemd LPD International Ltd. ( the Initial Member ). De aandelen van LPD International Ltd. werden op dat moment gelijk gezegd - gehouden door LPD Holding (50%) en LPD Investment (50%). Uit een brief van Dexia Banque Internationale à Luxembourg blijkt, dat de notering in Luxemburg heeft plaatsgevonden vanaf 2 september Het op 9 juli 2002 door MIVAR betaalbaar gestelde bedrag ad 200 miljoen (netto ,- ná aftrek van fees en commissies) werd voorzover de Curator is medegedeeld in hoofdzaak aangewend voor de financiering van de afbouw van de nieuw gebouwde fabrieken te Mexico en Tsjechië en voor de aflossing van de USD 2 miljard faciliteit. De belangrijkste voorwaarden van de MIVAR lening kunnen als volgt worden samengevat: Bedrag van de lening : 200 miljoen Uitgifte via : LG.Philips Displays Finance LLC (sole member: LPD International Ltd.) Garantiegever : LPD Holding Arranger : MPS Finance Uitgifte datum : 9 juli 2002 Aflossingsdatum : 30 juni 2007 Interest : 6 maanden Euribor +2, 625%, te betalen op 30 juni en 31 december van ieder jaar. Zekerheden : Geen zekerheden Notering : Luxembourg Stock Exchange Toepasselijk recht : Engels recht Negative Pledge : Ja 88/240

89 De z.g. negative pledge clausule bepaalt dat LPD Finance aan anderen geen zekerheden zal verstrekken to secure any relevant indebtedness. Om hiervan de USD 2 miljard faciliteit uit te sluiten werd indebtedness als volgt gedefinieerd:. any indebtedness for or in respect of any notes, debentures, debenture stocks, loan stock or other securities which are for the time being quoted, listed or ordinarily dealt in or any stock exchange or orther securities market, and any guarantee or indemnity of any such indebtedness In een d.d. 26 juni 2002 van R. Mangelmans (General Counsel LPD) aan Richard Morrissey van Sullivan & Cromwell (advocatenkantoor LPD) schetste Mangelmans de betalingsroute van de lening: The funds will go from the LLC to our Holding B.V. in the Netherlands by way of an intercompany loan. The Holding B.V. will use these funds to repay a part of its Syndicated Loan. In het Informatie Memorandum van juni 2002 stond evenwel expliciet vermeld: The proceeds from the proposed ,-. will be used to further support the structural improvement program. In het Prospectus van 26 augustus 2002 stond vermeld: The net proceeds of the issue of the Notes, which amounted to ,- have been lent by the Issuer to the Guarantor and have been used by the Guarantor: (a) to repay part of its outstanding bank indebtedness (b) to implement the initiative taken in restructuring the business; and (c) for its general corporate purposes Naar zeggen werd op 15 juli 2002 een deel van de revolving credit facility (USD 50 miljoen) afbetaald, welk bedrag op 12 september 2002 weer werd opgenomen als onderdeel van een trekking van USD 100 miljoen. Vertegenwoordigers van LPD hebben de Curator doen weten, dat de MIVAR-lening niet werd aangewend voor structurele terugbetaling van de USD 2 miljard faciliteit. Voor de volledigheid zij hier nog vermeld dat op 24 januari 2006 (derhalve enkele dagen vóór de surseanceverlening van 27 januari 2006) LPD Holding in de plaats is getreden van LPD 89/240

90 International Ltd. (Hongkong) als partner in LG.Philips Displays Finance LLC (Delaware USA). Op 29 november 2006 heeft Vichi Koninklijke Philips, LPD Finance, Kiam-Kongho (treasurer LPD), Andreas Wente (ex CEO LPD Holding), Peter van Bommel (ex CFO LPD Holding) en Peter Warmerdam (treasurer Philips) gedagvaard voor the court of chancery for the state of Delaware. Vichi eist van gedaagden vergoeding van zijn totale schade, geleden tengevolge van het verstrekken van de MIVAR-lening De positie van MIVAR inzake de herstructurering van 2004 Eind 2003 was er wederom sprake van een z.g. default situatie en kon LPD niet langer voldoen aan de voorwaarden van de lening van het Bankensyndicaat. Een tweede financiële herstructurering werd daarmede noodzakelijk. De medewerking van Vichi aan de herstructurering werd noodzakelijk geacht, omdat gevreesd werd dat het Bankensyndicaat niet bereid zou zijn om in te stemmen met een financiële herstructurering indien MIVAR haar medewerking zou weigeren. Op 1 december 2003 vond er een gesprek plaats tussen Peter van Bommel, Edmund Li, Felice Albertazzi en Fabio Golinelli van LPD en Carlo Vichi en Necchi Vittorio (financieel adviseur van MIVAR). Necchi liet weten, dat Vichi op dat moment nog de eigenaar was van de FRN-Notes, doch dat de FRN-Notes eind 2003 zouden worden overgedragen aan MIVAR. Necchi stelde voorts, dat de financiële situatie op dat moment voor Vichi negatief was. Dochtervennootschappen leden substantiële verliezen. Hij gaf aan, dat hij met betrekking tot de FRN-Notes minimaal twee keer per jaar interestbetalingen moest ontvangen en dat van uitstel van interestbetalingen geen sprake zou kunnen zijn. Achterstelling zou in overweging kunnen worden genomen mits op aanvaardbare condities. Uitstel van aflossing was bespreekbaar doch gelimiteerd tot 18 maanden, mede gezien de leeftijd van Vichi zelf (op dat moment 81 jaar oud) en vanwege fiscale redenen. 90/240

91 Indien de aflossing zou worden uitgesteld, zou een nader aflossingsschema moeten worden opgesteld. Op 12 december 2003 vond een tweede gesprek plaats tussen dezelfde personen. Peter van Bommel overhandigde een presentatie on the shareholdersproposal dated December 8, Vichi liet weten, dat het voorstel van aandeelhouders niet acceptabel was en dreigde met een Chapter 11 liquidatieproces in Amerika. Vichi gaf aan, dat naar zijn mening de aandeelhouders van LPD geen vertrouwen hadden in de continuïteit van de onderneming. Anders zouden ze wel een groter kapitaalcommitment aanvaarden. In dat geval zouden de overige schuldeisers, waaronder MIVAR, wel volgen. Van Bommel legde uit, dat de aandeelhouders hadden getoond een sterk commitment jegens LPD te aanvaarden middels de voorziene kapitaalscontributie van USD 500 miljoen. Necchi was van mening, dat de crediteuren misschien op dat moment meer zouden ontvangen middels liquidatie van LPD. Als MIVAR zou worden gevraagd volledige aflossing uit te stellen tot 2012, zouden de aandeelhouders een sterke bijdrage moeten leveren in de vorm van garanties. Van Bommel legde uit, dat de aandeelhouders naast de kapitaalscontributie flexibiliteit hadden getoond door bepaalde (handels-)aankopen bij wege van vooruitbetaling te voldoen. Uit de notulen van het gesprek blijkt, dat de voorgestelde terugbetaling was gebaseerd op het Base Case Scenario. Om de voorgestelde kapitaalsinjectie van USD 500 miljoen te rechtvaardigen, zouden de crediteuren ook een bijdrage moeten leveren, aldus Van Bommel. Necchi was van oordeel, dat de bijdrage in het kapitaal zijdens de aandeelhouders onvoldoende was. Het zou ± USD 800 miljoen moeten bedragen, in ieder geval minstens de helft van de Syndicaatslening van op dat moment USD 1,43 miljard en de MIVAR-lening van op dat moment 200 miljoen. Het uitstel van terugbetaling tot 2012 was in zijn ogen ook onaanvaardbaar. De toegezegde additionele 1% extra rente vond hij ook niet voldoende. Necchi liet weten, dat Vichi waarschijnlijk akkoord zou kunnen gaan met uitstel van aflossing tot eind 2009, doch dat verder uitstel niet mogelijk was. De extra rente zou moeten worden gefixeerd in plaats van het afhankelijk te maken van de cashflows van LPD. Necchi liet weten, dat hij de cross-default clause niet zou inroepen zolang de discussies met de banken en MIVAR 91/240

92 lopende waren en de banken niet tot opeising van de Syndicaatslening zouden overgaan. Vittorio Necchi liet de Curator weten dat hij eind 2003 in het geheel niet heeft deelgenomen aan de gesprekken met de heer Vichi. Uit een van Peter van Bommel aan Peter Warmerdam (Philips) d.d. 19 december 2003 blijkt, dat hij als storyline naar Vichi toe, voorstelde, dat de CRT-markt sneller daalde dan in het begin werd verwacht, doch dat er voor de lange termijn een gezonde vraag naar CPTtubes werd verwacht. Dit was in lijn met hoe Vichi erover dacht, aldus de . Volgens de bestond op hoofdlijnen al een overeenkomst met de aandeelhouders en de banken. Tegelijkertijd diende met Vichi overeenstemming over een verlenging van de aflossingstermijn te worden bereikt. Aan de was gehecht een sheetpresentatie, getiteld Proposal for bank syndicate and MIVAR d.d , Peter van Bommel, CFO. Uit de voor MIVAR bestemde presentatie blijkt expliciet, over welke zekerheden de banken op dat moment beschikten en welke zekerheden men in het kader van de in 2004 beoogde herstructurering zou verstrekken nadat de banklening zou zijn teruggebracht van USD1,43 miljard naar USD 0,83 miljard. De extra zekerheden welke dienden te worden gegeven, waren: 1. USD 100 miljoen garanties van de aandeelhouders ter vervanging van de eerder verstrekte garanties ten belope van USD 400 miljoen. 2. upstreamgaranties van de meeste dochtervennootschappen 3. verpanding van de aandelen van LPD Korea 4. verpanding van de openstaande (intercompany) vorderingen In de presentatie stond ook een aflossingsschema van de USD 2 miljard faciliteit : USD 783 miljoen 2005 : USD 450 miljoen 2006 : USD 200 miljoen Dit was de bestaande situatie. In de verwachte herstructurering zouden de aflossingen als volgt dienen te geschieden: 2004 : USD 70 miljoen : USD 90 miljoen per jaar : USD 160 miljoen per jaar 92/240

93 2009 : USD 120 miljoen 2010 : USD 143 miljoen Voor Vichi zou de MIVAR-lening als volgt gewijzigd worden: Vichi zou moeten instemmen met achterstelling. Vichi zou een extra rente krijgen van 1% afhankelijk van de cashflow. Vichi zou in plaats van algehele aflossing in miljoen afgelost krijgen in 2010 en 100 miljoen in Middels schrijven d.d. 14 januari 2004 stuurde Albertazzi van LPD aan Carlo Vichi toe de forecast cashflow and analysis for both the restructuring case as well as the managementtargetcase. Rod Sutton (Ferrier Hodgson, de financieel adviseur van het Bankensyndicaat) bezocht in februari 2004 namens de banken MIVAR en hield aldaar een presentatie. Aangetoond werd, dat in alle scenario s LPD voldoende cash zou genereren om het Syndicaat en MIVAR terug te betalen. Aan MIVAR werd bevestigd dat LPD aan het Bankensyndicaat additionele garanties en zekerheden zou verstrekken in het kader van de herstructurering. Sutton bezocht MIVAR in gezelschap van Peter van Bommel. Aanvankelijk leek het erop, dat MIVAR bereid was in te stemmen met een uitstel van de aflossing tot 2010 (50%) en 2011 (50%) waartegenover dan de rente zou worden verhoogd. Dit uitstel was consistent met het door de banken te verlenen uitstel. Immers, oorspronkelijk zou het restant van de lening van het Bankensyndicaat worden terugbetaald in In het kader van de herstructurering in 2004 zouden de aflossingen in tijd worden verlengd tot en met MIVAR eiste uiteindelijk rechtstreekse garanties van de aandeelhouders. Philips en LGE waren uiteindelijk bereid ieder USD 50 miljoen van de MIVAR-lening te garanderen, doch dit aanbod werd door MIVAR van de hand gewezen. Later werd dit voorstel nog verbeterd door een aflossingsschema, lopend van 2007 tot 2011 plus een garantiearrangement en verpanding van aandelen van verschillende LPD-vennootschappen. Dit geschiedde middels een fax van de advocaat van LPD aan MIVAR waarin aan MIVAR ook werd 93/240

94 voorgehouden, dat de positie van MIVAR structural subordinated was en dat derhalve het gedane voorstel aantrekkelijk was. MIVAR bleef erbij, dat zij medio 2007 de volledige 200 miljoen terug wilde ontvangen, tenzij Philips en LG bereid waren de terugbetaling van de lening voor 100% te garanderen. Vichi kwam vervolgens met een tegenvoorstel: Acceptatie van de verlengde aflossingstermijn; vergoeding van rente ongewijzigd Euribor %. Daarenboven wilde Vichi 50% garantie door Philips en 50% garantie door LG 3. Ferrier Hodgson raadde MIVAR aan in te stemmen met de herstructurering van de schulden. MIVAR werd er in de presentatie op gewezen, dat ze altijd structureel achtergesteld was geweest bij de Syndicaatbanken. MIVAR werd 1% extra rente aangeboden in ruil voor zijn medewerking. MIVAR werd voorgesteld in te stemmen met de aflossing van 100 miljoen per 31 december 2010 en 100 miljoen per 31 december Ferrier Hodgson stelde voorts, dat de LPD forecasts haalbaar waren en de voorgestelde schuldsanering ondersteunden. Op 11 maart 2004 schreven Andreas Wente (CEO) en Peter van Bommel (CFO) een brief aan Vichi. Daarin gaven zij aan, dat met de banken intussen overeenstemming was bereikt. Voorts gaven zij aan dat de laatste businessplanning aantoonde, dat LPD in staat zou zijn al haar schulden terug te betalen, zowel aan het Syndicaat als aan MIVAR in De visie werd naar hun eigen zeggen ook gedeeld door onafhankelijke experts. Beiden gaven aan dat het meest recente voorstel (terugbetalingsschema o.a. voorzien van een USD 100 miljoen garantie van Philips en LGE) het meest realistisch was. MIVAR had op dat moment geen enkele garantie van Philips en LGE en geen verpanding van aandelen van leden van de LPD-groep. MIVAR had alleen maar een garantie van LPD Holding, welke garantievordering gelijk stond met vorderingen van overige schuldeisers van LPD Holding, waaronder het Bankensyndicaat met een uitstaande lening van op dat moment USD 1,4 miljard, met dit verschil dat het 3 Door Vichi ondertekende verklaring d.d. 1 maart /240

95 Bankensyndicaat zekerheden had verkregen via onder meer de garantiestellingen van de dochtervennootschappen. Aan de brief was gehecht een memorandum van Sullivan & Cromwell waaruit bleek, dat LPD Holding ingeval van faillissement zeer weinig verhaal zou bieden. In de notitie van Sullivan & Cromwell werd melding gemaakt van het feit dat de noteholders (lees Vichi) structurally subordinated waren. Hiermede werd bedoeld, dat de noteholders slechts verhaal hadden op LPD Holding, doch dat de banken allereerst, vanwege de garantiestellingen, alle dochtervennootschappen konden uitwinnen en dat dus de Holding nauwelijks verhaal zou bieden en voorzover de Holding al verhaal zou bieden, zouden de noteholders in rang gelijk staan met de resterende vordering van het Bankensyndicaat en met overige concurrente schuldeisers. Bij brief van Sullivan & Cromwell d.d. 17 maart 2004 werd aan Vichi gevraagd expliciet te bevestigen, dat hij het reorganisatievoorstel afwees, bij gebreke waarvan hij zou worden geacht het voorstel te hebben afgewezen. De bevestiging bleef edoch uit. Op 8 april 2004 stuurde Cleary, Gottlieb, Steen & Hamilton, Hongkong aan zowel Philips als LGE een memo, met het opschrift: Restructuring via New Holdco Investment without the Participation of MIVAR. Uiteindelijk werd afgezien van deze vorm van herstructurering. Er werd simpelweg voor gekozen de positie van MIVAR nà de herstructurering ongewijzigd te laten. De met het Syndicaat gesloten Restructuring Agreement voorzag in een terugbetaling aan MIVAR medio 2007 van USD 250 miljoen, zijnde het equivalent van 200 miljoen. USD 75 miljoen zou komen uit de Escrow Account waarop de z.g. Excess Cash van de Cash Reserve Account zou worden gestort. Voorts zouden de banken omstreeks 30 juni 2007 een nieuwe lening verstrekken van USD 175 miljoen, waartegenover dan weer garanties zouden staan van Philips en LGE. 95/240

96 MIVAR in de laatste fase van LPD Uit de aangetroffen s blijkt, dat vanaf aanvang oktober 2005 LPD zich in verband met de cross-default provision in de MIVAR-lening heeft gebogen over de vraag, of en in hoeverre MIVAR geïnformeerd moest worden over het dreigende Event of Default met betrekking tot het Bankensyndicaat. Algemeen bestond de verwachting, dat het Bankensyndicaat haar lening niet snel zou opeisen ter vermijding van een cross-default onder de MIVAR-lening. Het inroepen van een Event of Default door MIVAR zou het onmiddellijk faillissement van LPD Holding betekenen, in welk geval de gehele LPD-groep zou instorten als gevolg van de intercompany-leningen en de vordering van LPD Holding op LPD Korea uit hoofde van de FRN-Notes. Het advocatenkantoor van Philips, zijnde Sullivan & Cromwell, welk kantoor ook betrokken was bij de MIVAR-lening, heeft aanvang oktober 2005 geadviseerd, dat het faillissement van een van de dochterondernemingen van LPD een Event of Default zou kunnen opleveren met betrekking tot de MIVAR-lening. Bij schrijven d.d. 21 december 2005 stuurde de CFO van LPD aan Carlo Vichi toe het later die dag uitgegeven perscommuniqué. In dit persbericht werd gewag gemaakt van het feit dat de vraag naar CRT s drastisch was gedaald als gevolg van prijsverlagingen van flat panel TV s. LPD zou een impairment moeten nemen van USD 725 miljoen in het vierde kwartaal 2005 (een non cash write off van assets) in order to improve its business position and financial structure, several options are being discussed with various parties. De CFO van LPD schreef aan Vichi: As mentioned in this pressannouncement, LPD has entered into discussions with its Banksyndicate to define the way forward. MIVAR ging vervolgens niet tot onmiddellijke opeising over. Vichi stelt eerst op 25 of 26 januari 2006 door Wibo Vaartjes (LPD) in aanwezigheid van Albertazzi op de hoogte te zijn gesteld van de staat van insolventie, waarin LPD Holding inmiddels was komen te verkeren. De MIVAR-lening werd uiteindelijk eerst middels schrijven d.d. 4 april 2006 namens Carlo Vichi opgeëist. Gevorderd werd de somma van ,93. 96/240

97 5.4 Financiering door lokale banken In 2001 werd door lokale banken in totaal gefinancierd USD 579 miljoen. De Chinese joint ventures, waaronder met name Hua Fei, LG.Philips Shuguang Electronics Co. Ltd, Beijing LG.Philips en Nanjing Fejing Magnetics, werden voor een totaal bedrag van ± USD 129 miljoen oplopend in 2003 naar USD 464 miljoen, gefinancierd door lokale banken. Verwezen wordt naar par Hua Fei Colour Display Systems had haar activa tot zekerheid verpand aan de Bank of China en aan de Industrial and Commercial Bank of China. Beijing LG.Philips Electronics Co. Ltd. had haar activa verpand aan de Industrial Bank of China. L.G.Philips Shuguang Electronics Co. Ltd. beschikte over leningen van de Korean Development Bank, de Bank of Communications, China Construction Bank en de Bank of China. Tot slot beschikten ook LPD Korea (naast de FRN lening) en LPD USA Inc. over lokale financiers. 5.5 Financiering door de aandeelhouders Naast de inbreng van activa in ruil voor aandelen LPD ten belope van USD miljoen bij de oprichting van de joint venture, hebben beide aandeelhouders in 2002 in totaal USD 250 miljoen en in 2004 in totaal USD 500 miljoen aan eigen vermogen bijgedragen aan LPD Holding. In totaal werd aldus risicodragend in LPD geïnvesteerd USD miljoen. Beide aandeelhouders traden tevens op als garantieverleners. Zo werden bij de oprichting van LPD Holding via het tussen aandeelhouders gesloten covenant onder meer balansgaranties verstrekt, stonden beide aandeelhouders vanaf de herstructurering in 2002 jegens het Bankensyndicaat garant voor in totaal USD 400 miljoen en sedert de herstructurering in 2004 voor in totaal USD 100 miljoen. In februari 2006 hebben de aandeelhouders aan het Bankensyndicaat garantiebetalingen verricht ten belope van 100 miljoen. Daarenboven verleenden beide aandeelhouders in hun hoedanigheid van leverancier aanzienlijke leverancierskredieten en vonden in tijden van liquiditeitskrapte door hen in hun 97/240

98 hoedanigheid van afnemer vooruitbetalingen op af te nemen producten plaats, zulks ter versterking van het werkkapitaal van LPD. 5.6 Trade Financing LPD USA Inc. ontving van ABN AMRO een Trade Finance Facility van ruim USD 30 miljoen. LPD Korea Co. Ltd. ontving van onder meer Woori Bank, Shinhan Bank en Korean Bank in totaal ± USD 39 miljoen voor Trade finance, Overdraft and Working Capital. Als niet uit de balans blijkende verplichtingen kunnen hier nog genoemd worden de z.g. discounted receivables. Het betrof een vorm van factoring waarbij vorderingen op afnemers werden verkocht aan banken limited recourse, hetgeen betekende dat op de banken het incassorisico kwam te rusten. 5.7 Leverancierskrediet De omvang van het in de loop der jaren verkregen leverancierskrediet is nader gespecificeerd in par. 5.8 (Samenvatting). 5.8 Samenvatting externe financiering Onderstaande cijfers geven bij benadering weer de situatie per ultimo van ieder jaar. xusd mio Ultimo 2001 Ultimo 2002 Ultimo 2003 Ultimo 2004 Ultimo 2005 Syndicaat Lokale banken MIVAR Aandeelhouders Leveranciers /240

99 6. Marktontwikkelingen 6.1 Consolidatie/Sluiting fabrieken De CRT-industrie werd gekenmerkt door een alles overheersende focus op kostenreductie, hevige concurrentie, dalende omzetten en voortdurende consolidatie. In 2000 had de top 5 van de CRT-fabrikanten 61% marktaandeel wat betreft het aantal units (volume). In 2005 was dit marktaandeel van de top 5 spelers gestegen tot 86%, hetgeen blijkt uit het navolgende overzicht: 99/240

100 In de periode is sprake geweest van consolidatie en van een ware shake out van CRT-fabrieken. SDI sloot haar fabrieken (2 CPT-productielijnen) in Duitsland (2005) en Korea (2 CDT-lijnen 2006), terwijl was aangekondigd dat de resterende fabrieken in Korea en Maleisië eveneens zouden worden gesloten. In 2003 fuseerden Matsushita en Toshiba hun CRT-activiteiten, welke werden samengebracht in MTPD. MTPD sloot in 2006 haar fabrieken in Duitsland, de VS, Maleisi ë en één van de twee CRT-lijnen in Indonesië (2006). Videocon sloot haar fabriek in Italië, terwijl voorts één van de 2 CPT-lijnen in Mexico werden gesloten. Op 28 juni 2005 nam Videocon alle CPT-activiteiten over van Thomson. Ook Hotline, Tesla, Hitachi, Ekranas en Shanghai Novel sloten CRT-lijnen. Sony sloot tot slot een viertal fabrieken in UK (2005), VS (2006) en Shanghai (2006). Vanaf 2006 is de sanering onder de CRT-spelers snel verlopen. SDI sloot in 2007 haar fabrieken in Korea (2 CPT-lijnen) en Hongarije (2 CPT-lijnen) terwijl SDI voorts een aantal lijnen in haar andere fabriek heeft stilgelegd (2 CPT-lijnen plus 1 CDT-lijn in Maleisië, 1 CDTlijn in Shenzhan, 1 CPT-lijn in Tianjin, 1 CPT-lijn in Mexico, 1 CPT-lijn in Brazilië). SDI kondigde voor 2009 de sluiting van haar fabrieken in Mexico en Brazilië aan. MTPD sloot in 2006 haar fabriek in Maleisië en in 2007 haar fabrieken in Thailand en Indonesie. MTPD heeft alleen nog een fabriek in Beijing. Sony en ORION staakten hun CRT-activiteiten en sloten eind 2007 hun fabrieken in Singapore en Vietnam. Hotline en BDDL uit India staakten in 2006 en 2007 eveneens hun CRT-activiteiten. Uiteindelijk resteerden van de CPT-spelers in 2001 nog slechts 8 spelers in Waar de LCD is gepenetreerd in de CDT-markt, overwegen LPD en SDI ultimo 2008 hun CDTactiviteiten voorgoed te staken. Verwacht wordt dat Chunghwa medio 2009 haar CDT-business zal beëindigen. De belangrijkste concurrenten van LPD waren: CPT: SDI (Samsung), MTPD (voorheen Matsushita en Toshiba) en Chunghwa. CDT: SDI en Chunghwa. 100/240

101 6.2 Marktprognoses CPT-schermen en doelstellingen LPD in 2001 In 1997 en 1998 hadden zich grote prijsdalingen voorgedaan als gevolg van significante overcapaciteit. Deze overcapaciteit was met name het gevolg van verhoogde investeringen door CRT-fabrikanten. In de jaren trokken de economieën van Aziatische landen aan en werd de overcapaciteit in de CRT-markt gecorrigeerd. De CRT-markspelers gingen er van uit, dat deze ontwikkelingen een meer stabiele prijsvorming van CRT-producten zouden bevorderen. LPD sprak in juli 2001 dan ook de verwachting uit, dat de waarde van de CPTmarkt jaarlijks met gemiddeld 4% per jaar zou groeien. Daarenboven verwachtte LPD in 2001, dat de CPT-markt qua volume met gemiddeld 3% per jaar zou toenemen. De stijging in zowel waarde als volume was het gevolg van een verwachte toenemende vraag naar de grote en plattere Jumbo CRT-modellen. LPD verwachtte dat de vraag naar kleine CRT-modellen zou teruglopen. Als voornaamste groeiregio s zag LPD, enerzijds, Europa (5%) vanwege een toenemende vraag naar de Large en Jumbo modellen en, anderzijds, China (6%) vanwege de toenemende vraag naar de Large modellen. Met name zou gefocust worden op de productie van Jumbo-tv s. Dit subsegment van de CPT-markt werd verwacht een 30% omzetgroei te realiseren. LPD verwachtte in 2001 dat nieuwe technologieën, zoals Plasma en LCD, maar zeer langzaam zouden penetreren in de markt van bijvoorbeeld Jumbo CRT-modellen. Ter illustratie, LPD verwachtte, dat in 2005 wereldwijd circa 5.4 miljoen plasma beeldschermen zouden worden verkocht, terwijl LPD ervan uitging dat zij zelf in 2005 wereldwijd alleen al circa 16 miljoen Jumbo CRT-schermen zou verkopen hetgeen dus bijna drie keer zoveel was dan plasma. De PDP (Plasma Display Panel) zou slechts geschikt zijn voor de zeer grote screens. Men voorzag echter technische barrières op het gebied van massaproductie. De prijs voor een 42 inch plasma televisie werd op dat moment ingeschat op USD ,- welk bedrag voor de consument veel te hoog zou zijn. LPD heeft zich nimmer begeven op de PDP-markt. Van de LCD-technologie verwachtte men op korte termijn geen echte concurrentie. Hooguit werd de LCD geschikt geacht voor kleine computermonitoren. De beeldkwaliteit was in die tijd slecht, de helderheid van de kleuren zeer mager en de prijs zeer hoog. 101/240

102 Global CPT Market Forecast Volume [M units] volume value Value [B USD] Bron: LPD Uit bovenstaande grafiek volgt dat LPD er bij haar oprichting van uitging, dat de wereldwijde vraag naar CPT-units zou toenemen van 162 miljoen units met een totale waarde van USD 13,3 miljard in 2001 tot 190 miljoen units met een totale waarde van USD 16,4 miljard in LPD stelde zichzelf in juli 2001 tot doel, om haar CPT gerelateerde omzet van USD 3.2 miljard in 2001 te laten toenemen tot USD 5 miljard in Dit betekende een toename van gemiddeld 12% per jaar. LPD verwachtte deze groei te kunnen realiseren dankzij een verwachte toenemende vraag naar CPT-producten, het vergroten van haar marktaandeel in het Jumbo segment 4 en een toenemende vraag naar flatscreen schermen. Daarenboven streefde LPD ernaar om haar CPT-marktaandeel te laten toenemen van 25% in 2001 tot 30% in In dit perspectief dienen ook de herstructureringsprojecten Rapide en Quest te worden gezien. Behalve het snijden in arbeidskosten, hadden deze projecten ook tot doel om de productie meer te richten op Jumbo CRT s. 102/240

103 Onderstaande grafieken geven respectievelijk weer (a) de door LPD in juli 2001 voor de periode geprognosticeerde CPT gerelateerde omzetgroei, zowel in volume als in waarde, alsmede (b) de prognose van de ontwikkeling van het marktaandeel van LPD in de jaren LPD CPT Sales Forecast Mil.Pieces Bil.USD sales Volume sales Value 3,1 3,2 3,8 4,3 4,7 5 0 Bron: LPD Uit bovenstaande grafiek volgt dat LPD bij haar oprichting in 2001 ervan uitging, dat de door haar te behalen omzet aan CPT-units zou toenemen van USD 3,2 miljard (41 miljoen units) in 2001 tot USD 5 miljard in 2005 (56 miljoen units). 103/240

104 LPD CPT Market Share (MS) Forecast % 35% 32% 29% 26% 23% 20% Volume MS(%) 24% 25% 26% 28% 29% 29% Value MS (%) 23% 25% 27% 29% 30% 30% Bron: LPD Uit bovenstaande grafiek volgt dat LPD zich bij haar oprichting tot doel had gesteld om haar marktaandeel zowel in volume als in waarde te laten toenemen van circa 25% in 2001 tot circa 30% in Marktprognoses CDT monitoren en doelstellingen LPD in 2001 LPD verwachtte dat in 2001 de totale vraag naar CDT-schermen circa 95 miljoen units zou bedragen. De vraag naar LCD-computerschermen zou in 2001 naar schatting de 15 miljoen units niet overtreffen. Voorts verwachtte LPD dat de vraag naar CDT-schermen zou toenemen tot 130 miljoen stuks in De vraag naar LCD-computerschermen zou naar verwachting in 2005 niet meer dan 40 miljoen units bedragen. De waarde van de CDT-markt was in 2001 met circa 33% afgenomen. Deze daling weet LPD aan tijdelijke achterblijvende vraag naar computers en IT-uitgaven door bedrijven. LPD verwachtte echter dat de prijzen van CDTschermen zich in de loop van 2002/2003 zouden stabiliseren als gevolg van een consolidatie onder CDT-fabrikanten. Onderstaande grafiek geeft de verwachting weer die LPD medio 2001 had ten aanzien van de wereldwijde vraag naar en prijsontwikkeling van CDT s over de periode van /240

105 Global CDT Market Forecast Volume [mill units] Value [bill USD] volume value Bron: LPD Op basis van deze gegevens stelde LPD zich bij aanvang tot doel, om haar CDT gerelateerde omzet te vergroten van USD 1,8 miljard in 2001 tot USD 3,7 miljard in Dit betekende een jaarlijkse toename van circa 20%. LPD verwachtte dat een derde van deze geprognosticeerde omzetgroei het gevolg zou zijn van een in wereldwijd toenemende vraag naar CDT-producten. De resterende twee derde groei van de omzet zou gerealiseerd moeten worden, doordat LPD haar marktaandeel in CDT-producten ten koste van haar concurrenten zou vergroten. LPD streefde er voorts naar om de groei van de CDT gerelateerde omzet met name in China te realiseren. Zo streefde LPD ernaar om de in China behaalde CDT-omzet van USD 700 miljoen in 2001 toe te laten nemen tot USD 1,9 miljard in Onderstaande grafieken geven respectievelijk weer (a) de door LPD in juli 2001 voor de periode geprognosticeerde CDT gerelateerde omzetgroei, zowel in volume als in waarde, alsmede (b) de prognose van de ontwikkeling van het marktaandeel CDT van LPD in de jaren /240

106 LPD CDT Sales Forecast Mil.Pieces Bil.USD sales Volume sales Value 2,1 1,8 2,4 3 3,3 3,7 Bron: LPD LPD CDT Market Share (MS) Forecast % 36% 34% 32% 30% 28% 26% 24% 22% 20% Volume MS(%) 24% 29% 31% 33% 34% 37% Value MS(%) 22% 28% 29% 33% 35% 37% Bron: LPD 106/240

107 6.4 Prognoses LPD omzet 2001 tot en met 2005 versus gerealiseerde omzet Gebleken is dat LPD al bij de aanvang van de joint venture haar eigen prognoses in korte tijd steeds weer naar beneden moest bijstellen. De LPD prognoses in de aanvangsfase kunnen als volgt worden gespecificeerd: 1. De prognoses, als vervat in het ten behoeve van de banken in mei 2001 opgestelde Information Memorandum ( IM Banken ). 2. De prognoses, als vervat in het aan de Joint Venture Agreement van 11 juni 2001 gehechte JV Framework Business Plan ( Framework BP ). 3. De prognoses, opgenomen in het Joint Business Plan Version 2a van september 2001 ( Joint BV2 ). 4. De 5-year financial projections ( ) opgenomen in het Information Memorandum, in maart 2002 verstrekt aan het Bankensyndicaat in het kader van de gevraagde herfinanciering ( 5 year financial projections ). De verschillende prognoses staan nader gespecificeerd in onderstaande tabel: Sales USD MM IM Banken (mei 5,944 7,063 8,101 8,804 9,239 01) Framework 5,944 7, BP(juni 01) Joint BP2 5,024 6,443 7,343 8,059 8,688 (sept. 01) 5-year financial 4,492 4,950 5,350 5,700 5,800 projections (april 02) Gerealiseerde omzet 1H 2,156 2H 2,045 4,201 4,402 3,966 4,047 3,049 Geconcludeerd dient te worden, dat de prognoses van mei en juni 2001 en van september 2001 ieder jaar weer bij lange na niet zijn gerealiseerd. De in de jaren 2001 t/m 2005 gerealiseerde omzet was maar liefst bijna USD 16 miljard lager dan in september 2001 begroot. 107/240

108 Ook de herziene prognose van 2002 werd nimmer gehaald. Over de eerste vier jaar (2002 t/m 2005) werd ruim USD 5 miljard minder omzet gerealiseerd dan in 2002 in het kader van de herfinanciering gebudgetteerd. Overigens werden de aangepaste prognoses van 2002 jaarlijks in de budgetten voor het volgende jaar telkens weer naar beneden bijgesteld. Geconcludeerd dient te worden, dat achteraf beschouwd - management en toezichthouders jaar in jaar uit een veel té optimistische inschatting hebben gemaakt van de komende marktontwikkelingen. Relevant in dit verband is hoe de gespecialiseerde marktonderzoeksburo s en de concurrenten de markt destijds inschatten. 6.5 LPD prognoses versus prognoses concurrenten en gespecialiseerde marktonder- zoeksburo s LPD baseerde haar prognoses onder meer op marktinformatie alsmede op informatie, verkregen via gespecialiseerde marktonderzoeksburo s, via de concurrerende marktpartijen en via belangrijke afnemers. Gespecialiseerde marktonderzoeksburo s Vanaf 2001 waren de meeste marktonderzoeksburo s primair georiënteerd op de LCD-, de PDP- en de PC-markt. Daarnaast werden prognoses opgesteld voor een deel van de CRTmarkt. Gekeken is met name naar de marktprognoses van de navolgende marktonderzoeksburo s : - I-Supply (aanvankelijk geheten SRI: Stanford Resources Inc.). De marktinformatie was vooral gericht op de TV- en monitormarkt. - Display Search (DS). Was vooral gericht op de monitormarkt. Eerst vanaf het vierde kwartaal 2004 werden ook marktprognoses verstrekt voor de CRT TV-markt. - IDC: was vooral gericht op de PC, Desktop, monitor- en notebookmarkt en was niet specifiek gericht op de CRT-markt. 108/240

109 6.5.1 CPT/CRT TV marktprognoses LPD baseerde haar prognoses, zoals hiervoor gezegd, met name op de voorspellingen van marktonderzoeksburo s zoals I-Supply en DisplaySearch alsmede op de prognoses van belangrijke concurrenten, zoals Samsung SDI, Thomson, Matsushita en Toshiba (Matsushita en Toshiba fuseerden in 2003 tot MTPD). Voorts werd gekeken naar de prognoses van belangrijke afnemers, zoals Philips CE (Consumer Electronics) en LGE en naar de prognoses van glasleveranciers, zoals Samsung Corning, NEG and AGC. Aangezien in de jaren , derhalve in de aanvangsjaren van de joint venture, de marktonderzoeksburo s nog slechts beperkte gegevens met betrekking tot de CRT TV-markt konden verstrekken, besloten de concurrenten op de CRT-TV-markt om gezamenlijke bijeenkomsten te organiseren teneinde gezamenlijk onder meer de ontwikkelingen op het gebied van innovatie en de marktverwachtingen voor het komende jaar te bespreken. Zo vonden jaarlijks bijeenkomsten plaats, georganiseerd door EECA (European Electronic Component Manufacturers Association), EIAK (Electronic Industries Association of Korea), en JEITA (Japan Electronics and Information Technology Industries Association). De drie organisaties fungeerden tevens als gezamenlijke belangenorganisaties voor de CRT producenten. De deelnemers aan de bijeenkomsten bestonden uit de navolgende marktpartijen: - EECA: Philips CE, Thomson, LPD - EIAK : LGE, Samsung SDI en Orion - JEITA: Sony, Matsushita en Toshiba. EIAK en EECA organiseerden op reguliere basis twee keer per jaar bijeenkomsten en wisselden bij die gelegenheid informatie uit over onder meer de CPT- en TV-marktontwikkelingen en markttrends. De bijeenkomsten werden gehouden vanaf het midden van de negentiger jaren. De informatie, verkregen tijdens de hiervoor bedoelde bijeenkomsten, werd betrouwbaar geacht, omdat ze afkomstig was van de grootste marktpartijen. 109/240

110 CPT/CRT TV Marktprognose vergelijkingen A) CPT TV Marktprognoses vergelijking met externe prognoses Forecast year Category SDI Competitor EIAK EECA LPD LPD Competitor EIAK EECA LPD LPD Competitor SDI EECA-EIAK Matsushita Toshiba Supplier SS-Corning Research SRI LPD LPD Competitor SDI EECA-EIAK ('07) MTPD Thomson Supplier AGC Research I-Supply DisplaySearch LPD LPD Competitor Supplier Research Company CRT-TV Market forecast Comparison (million units) SDI EECA EIAK SS-Corning AGC I-Supply DisplaySearch Uit bovenstaand overzicht kan worden geconcludeerd, dat de LPD prognoses in 2001 optimistischer waren dan de prognoses van de marktanalisten en concurrenten. In onderstaande overzichten zijn de hiervoor vermelde prognoses 2000 en 2001 nader met elkaar vergeleken. 110/240

111 Estimates made in 2000 and 2001 vs. LPD 2001 X million units SDI ,7 160,4 168,8 177,9 189,4 EIAK ,6 168,1 EECA ,8 164,3 EIAK ,5 163,8 183,1 EECA ,8 165,6 183,8 Average 153,5 163,3 168,8 170,1 185,4 Actual 164, ,4 161,1 LPD ,0 171,0 176,0 183,0 190,0 Difference Avg/LPD 8,5 7,7 7,2 12,9 4,6 111/240

112 Vertegenwoordigers van beide aandeelhouders hebben tijdens de gehouden interviews verklaard, dat het hiervoor geschetste optimisme werd ingegeven door de ambitie om door consolidatie van twee grote spelers en het behalen van synergievoordelen ten koste van de concurrenten te groeien. Het z.g. last man standing principe. B) CPT TV Marktprognoses vergelijking met prognoses marktonderzoeksburo s Geconcludeerd kan worden dat de prognoses van LPD redelijk in lijn lagen met de prognoses van de marktonderzoeksburo s. C) CPT TV Marktprognoses vergelijking met prognoses concurrenten Bij onderzoek is gebleken, dat alle spelers in de CRT-industrie in lijn met de voorspellingen van alle marktonderzoeksburo s zeer optimistische prognoses hanteerden voor de toekomstige CRT TV markt. In die tijd vertoonden de LCD- en PDP-markt nog slechts een geringe groei. De achteraf gebleken zeer snelle penetratie van de LCD- en PDP-technologie werd door geen der 112/240

113 partijen voorzien. Onderstaande grafieken illustreren zeer gedetailleerd de optimistische marktvoorspellingen van de concurrenten SDI, Matsushita en Toshiba, Thomson en AGC. <SDI s forecast in Jun 2000> 113/240

114 <SDI s forecast in July 2002> <Matsushita & Toshiba s forecast in 2002> 114/240

115 <SDI s forecast in Oct. 2003> <Thomson s forecast in Oct. 2003> 115/240

116 D) Gerealiseerde omzetten CPT TV Markt (miljoen units) ,01 M units 165,01 M units 170,4 M units 161,1 M units Deze cijfers kunnen als volgt worden toegerekend aan de verschillende leveranciers: 116/240

117 CPT M Units LPD 42,8 41,2 43,5 43,2 LG Philips SDI 32,1 33,7 41,2 38,9 MTPD 23,2 20,7 25,6 22,0 Matsushita 0,0 0,0 Toshiba 0,0 0,0 Videocon 13,6 19,0 18,1 17,2 Chunghwa 9,0 9,0 14,8 11,9 Others 43,3 41,4 27,2 27,9 Total 164,0 165,0 170,4 161,1 Bron: LPD Marktaandeel LPD 26,1% 25,0% 25,5% 26,8% LG 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% Philips 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% SDI 19,6% 20,4% 24,2% 24,2% MTPD 14,1% 12,5% 15,0% 13,7% Matsushita 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% Toshiba 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% Videocon 8,3% 11,5% 10,6% 10,7% Chunghwa 5,5% 5,5% 8,7% 7,4% Others 26,4% 25,1% 16,0% 17,3% Bron: LPD Conclusies met betrekking tot de CRT TV markt De achteraf gebleken veel te optimistische prognoses van LPD (met uitzondering van prognoses voor 2004) waren in lijn met de prognoses van : 1. Gespecialiseerde marktonderzoeksburo s zoals I-Supply, (voorheen SRI), DisplaySearch etc. 2. Grote concurrenten zoals SDI, Matsushita, Toshiba, MTPD, Thomson etc. 117/240

118 3. Glasleveranciers zoals Samsung Corning, AGC en NEG. 4. De uitkomsten van de jaarlijkse bijeenkomsten van de concurrenten in het kader van EIAK, EECA en JEITA. Geconcludeerd dient te worden dat de CRT TV-markt vanaf 2001 kennelijk moeilijk te voorspellen was. Alle betrokken marktpartijen vertoonden een veel té optimistische visie met betrekking tot de toekomstige marktontwikkelingen. Alle partijen zijn jaar in jaar uit verrast door de snelle daling van de gemiddelde verkoopprijzen alsmede door de veel sneller dan verwachte penetratie van de LCD- en PDP-technologie. Ieder jaar weer moesten de prognoses naar beneden worden bijgesteld. De prognoses van I-Supply (voorheen SRI) in de periode Q Q vormen hiervan in onderstaande grafieken een treffend voorbeeld: Sharp decline CRT value was unforeseen 118/240

119 isuppli CRT volume forecasts adjustments De gemiddelde verkoopprijzen zijn vanaf 2004 onvoorzien snel gekelderd, hetgeen blijkt uit onderstaande grafiek van LPD. 119/240

120 120/240

121 6.5.2 CDT/CRT Monitor marktprognoses Bij de aanvang van de joint venture vormden de voorspellingen van het marktonderzoeksburo IDC voor LPD een belangrijke informatiebron. Bij de totstandkoming van de USD 2,0 miljard facility werd aan de banken beschikbaar gesteld een copie van het rapport, getiteld The Flat Future in het jaar 2000, afkomstig van IDC. Onderstaande tabel, afkomstig uit dit rapport, illustreert duidelijk de optimistische verwachtingen eind jaren 90 met betrekking tot de toekomst van de CRT-monitoren. 121/240

122 LPD baseerde haar CRT-Monitorprognoses eveneens op voorspellingen van andere marktonderzoeksburo s, zoals I-Supply en Display Search alsmede op de prognoses van de hiervoor genoemde belangrijke concurrenten en afnemers. Ook hier werden sedert 1994 twee keer per jaar door de concurrenten op de CDT/CRTmonitormarkt bijeenkomsten gepland onder de naam MRTM, Market Research Team Monitors. Deelnemers aan de bijeenkomsten waren onder meer: BCU-MMD (Monitors), PD Optical Storage (PC), IPO-Japan, Philips Semi Conductors (Semi-Conductors), Philips CE Central Market Intelligence (TV en andere electronica), LG.Philips LCD (LCD), LPD (CRT). LPD nam sedert 2002 aan deze bijeenkomsten deel en verkreeg via deze bijeenkomsten belangrijke informatie omtrent marktverwachtingen ter ondersteuning van de eigen prognoses. CDT/CRT Monitor marktprognose vergelijkingen A) CDT Monitor marktprognoses vergelijking met externe prognoses Forecast year Category Company CRT Monitor Market forecast Comparison (Mil units) Competitor SDI PCE PCE LPD LPD PCE MRTM LPD LPD PCE MRTM Supplier SS-Corning Research SRI LPD LPD PCE MRTM Competitor SDI Supplier AGC Research I-Supply DisplaySearch LPD LPD Competitor SDI Supplier SS-Corning Research I-Supply DisplaySearch Source: LPD 122/240

123 Geconcludeerd kan worden, dat de LPD prognoses niet substantieel afweken van de prognoses van de concurrenten, toeleveranciers, klanten en marktonderzoeksburo s. B) CDT Monitor Marktprognoses vergelijking met prognoses marktonderzoeksburo s Ook uit deze overzichten blijkt, dat de prognoses van LPD niet substantieel afweken van de prognoses van I-Supply (SRI) en DisplaySearch. C. CDT Monitor Marktprognoses vergelijking met prognoses van concurrenten In 2001 en 2002 hadden alle marktpartijen in de CRT-industrie zeer optimistische marktverwachtingen voor de CRT-monitormarkt. De LCD monitoren vertoonden in die tijd nog slechts een geringe groei. De kwaliteit was matig en de prijzen té hoog. Onderstaande grafieken illustreren de marktvisies van Philips, MRTM en SDI met betrekking tot de CRT monitormarkt in de jaren 2000 tot /240

124 <MRTM Monitor market forecast Aug. 01> 124/240

125 <MRTM Monitor market forecast Feb. 02> <MRTM Monitor market forecast Aug. 03> 125/240

ONDERZOEK NAAR DE OORZAKEN VAN HET FAILLISSEMENT VAN LG. PHILIPS DISPLAYS. 20 april 2009. Bijlage bij openbaar verslag van 20 april 2009

ONDERZOEK NAAR DE OORZAKEN VAN HET FAILLISSEMENT VAN LG. PHILIPS DISPLAYS. 20 april 2009. Bijlage bij openbaar verslag van 20 april 2009 ONDERZOEK NAAR DE OORZAKEN VAN HET FAILLISSEMENT VAN LG. PHILIPS DISPLAYS 20 april 2009 Bijlage bij openbaar verslag van 20 april 2009 Mr. A.A.M. Deterink Eindhoven Curator 1/239 Inhoudsopgave Pagina 1.

Nadere informatie

HUNTER DOUGLAS N.V., Piekstraat 2, 3071 EL Rotterdam, Nederland, Tel. 010 4869911, Telefax 010-4850355 HUNTER DOUGLAS RESULTATEN 2011

HUNTER DOUGLAS N.V., Piekstraat 2, 3071 EL Rotterdam, Nederland, Tel. 010 4869911, Telefax 010-4850355 HUNTER DOUGLAS RESULTATEN 2011 Voor publicatie: 14 maart 2012 08.00 uur HUNTER DOUGLAS RESULTATEN 2011 Rotterdam, 14 maart 2012 - Hunter Douglas, wereldmarktleider in raambekleding (Luxaflex ) en een vooraanstaand producent van bouwproducten,

Nadere informatie

HUNTER DOUGLAS RESULTATEN EERSTE HALFJAAR 2015

HUNTER DOUGLAS RESULTATEN EERSTE HALFJAAR 2015 Voor publicatie: 5 augustus 2015 08.00 uur HUNTER DOUGLAS RESULTATEN EERSTE HALFJAAR 2015 Rotterdam, 5 augustus 2015 - Hunter Douglas, wereldmarktleider in raambekleding (Luxaflex ) en een vooraanstaand

Nadere informatie

Verkorte Geconsolideerde Winst- en Verliesrekening 1

Verkorte Geconsolideerde Winst- en Verliesrekening 1 Verkorte Geconsolideerde Winst- en Verliesrekening 1 EUR EUR EUR USD 3 EUR 4 2000 2001 2002 2002 2001 (Bedragen x 1000) jan - jun jan - jun jan - jun jan - jun jul - dec Netto omzet 1.335.336 1.015.496

Nadere informatie

HUNTER DOUGLAS N.V., Piekstraat 2, 3071 EL Rotterdam, Nederland, Tel. 010 4869911, Telefax 010-4850355 HUNTER DOUGLAS RESULTATEN Q1 2012

HUNTER DOUGLAS N.V., Piekstraat 2, 3071 EL Rotterdam, Nederland, Tel. 010 4869911, Telefax 010-4850355 HUNTER DOUGLAS RESULTATEN Q1 2012 Voor publicatie: 10 mei 2012 08.00 uur HUNTER DOUGLAS RESULTATEN Q1 2012 Rotterdam, 10 mei 2012 - Hunter Douglas, wereldmarktleider op het gebied van raambekleding (Luxaflex ) en een vooraanstaand producent

Nadere informatie

HUNTER DOUGLAS RESULTATEN EERSTE HALFJAAR 2016

HUNTER DOUGLAS RESULTATEN EERSTE HALFJAAR 2016 Voor publicatie: 3 augustus 2016 08.00 uur HUNTER DOUGLAS RESULTATEN EERSTE HALFJAAR 2016 Rotterdam, 3 augustus 2016 - Hunter Douglas, wereldmarktleider in raambekleding (Luxaflex ) en een vooraanstaand

Nadere informatie

Mutatie ( miljoen) Mutatie 2009* in %

Mutatie ( miljoen) Mutatie 2009* in % Tweede kwartaal/eerste halfjaar 2010 26 augustus 2010 Halfjaarbericht Hoofdpunten Omzet met 10,8% gestegen naar 7,1 miljard (stijging van 4,4% tegen constante wisselkoersen) Bedrijfsresultaat met 17,6%

Nadere informatie

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2013

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2013 Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM Rapport inzake de jaarrekening 2013 Inhoudsopgave Pagina Opdracht 1 Algemeen 1 Resultaten 1 Financiële positie 2 Kengetallen

Nadere informatie

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2014

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2014 Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM Rapport inzake de jaarrekening 2014 Inhoudsopgave Pagina Opdracht 1 Algemeen 1 Resultaten 1 Financiële positie 2 Kengetallen

Nadere informatie

HUNTER DOUGLAS N.V., Piekstraat 2, 3071 EL Rotterdam, Nederland, Tel. 010 4869911, Telefax 010-4850355 HUNTER DOUGLAS RESULTATEN Q1 2014

HUNTER DOUGLAS N.V., Piekstraat 2, 3071 EL Rotterdam, Nederland, Tel. 010 4869911, Telefax 010-4850355 HUNTER DOUGLAS RESULTATEN Q1 2014 Voor publicatie: 13 mei 2014 08.00 uur HUNTER DOUGLAS RESULTATEN Q1 2014 Rotterdam, 13 mei 2014 - Hunter Douglas, wereldmarktleider in raambekleding (Luxaflex ) en een vooraanstaand producent van bouwproducten,

Nadere informatie

Recalcico Beheer B.V. T.a.v. de heer F.A.M.J. Faas. Ede, 11 juni Geachte heer Faas,

Recalcico Beheer B.V. T.a.v. de heer F.A.M.J. Faas. Ede, 11 juni Geachte heer Faas, EXENDIS N.V. Recalcico Beheer B.V. T.a.v. de heer F.A.M.J. Faas Keesomstraat 4 6716 AB Ede P.O. Box 56 6710 BB Ede the Netherlands Ede, 11 juni 2008 Phone: +31 (0)318-676111 Fax: +31 (0)318-676104 e-mail:

Nadere informatie

BEDRIJFSRESULTAAT BETER BED HOLDING IN LIJN MET VERWACHTINGEN

BEDRIJFSRESULTAAT BETER BED HOLDING IN LIJN MET VERWACHTINGEN PERSBERICHT Uden, 9 maart 2001 BEDRIJFSRESULTAAT BETER BED HOLDING IN LIJN MET VERWACHTINGEN Beter Bed Holding heeft over het jaar 2000 een bedrijfsresultaat geboekt van EUR 21,2 miljoen, ongeveer gelijk

Nadere informatie

Stijging toegevoegde waarde in lijn met stijging volumes van 11% Stijging ebitda met meer dan 15% Stijging Resultaat na belasting met meer dan 40%

Stijging toegevoegde waarde in lijn met stijging volumes van 11% Stijging ebitda met meer dan 15% Stijging Resultaat na belasting met meer dan 40% Stijging toegevoegde waarde in lijn met stijging volumes van 11% Stijging ebitda met meer dan 15% Stijging Resultaat na belasting met meer dan 40% Toegenomen verlies Airolux Verder verhoging dividend Kerncijfers

Nadere informatie

Omzet 148,6 miljoen (+1%) Toegevoegde waarde 37,2 miljoen (+10%) Bruto bedrijfskasstroom (EBITDA) 20,2 miljoen (+12%)

Omzet 148,6 miljoen (+1%) Toegevoegde waarde 37,2 miljoen (+10%) Bruto bedrijfskasstroom (EBITDA) 20,2 miljoen (+12%) Hogere volumes zorgen voor stijging toegevoegde waarde en ebitda met meer dan 10% Resultaat Resilux na belasting stijgt met meer dan 25% Resultaat JV Airolux blijft voorlopig nog negatief Kerncijfers eerste

Nadere informatie

Omzet 293,7 miljoen (+1%) Toegevoegde waarde (*1) 74,5 miljoen (+3%) Bruto bedrijfskasstroom (EBITDA) (*1) 40,2 miljoen (+4%)

Omzet 293,7 miljoen (+1%) Toegevoegde waarde (*1) 74,5 miljoen (+3%) Bruto bedrijfskasstroom (EBITDA) (*1) 40,2 miljoen (+4%) Groei van de Resilux kern business : stijging van de volumes met 6% zorgt voor toename Ebitda met 4.4% Extra netto resultaat van 40 miljoen door verkoop joint venture Airolux Kerncijfers 2016 ten opzichte

Nadere informatie

OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG (EX ART. 73A FW)

OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG (EX ART. 73A FW) OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG (EX ART. 73A FW) Nummer : 9 Datum : 1 augustus 2014 Gegevens onderneming : De besloten vennootschap DE NIEUWE HEEREN VAN BERGEN statutair gevestigd te Bergen (Nh), eveneens

Nadere informatie

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2015

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2015 Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM Rapport inzake de jaarrekening 2015 Inhoudsopgave Pagina Opdracht 1 Algemeen 1 Resultaten 1 Financiële positie 2 Fiscale positie

Nadere informatie

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Advocaten Notarissen OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Faillissement: De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Houten Vloeren B.V. Faillissementsnummer: 02.252 F Uitgesproken:

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG

FAILLISSEMENTSVERSLAG FAILLISSEMENTSVERSLAG Faillissementsverslag nummer 4 d.d. 11 augustus 2010 Gegevens onderneming Faillissementsnummer : Dexior Financial B.V. ("Dexior") : 09/485 F Datum uitspraak : Surseance van betaling:

Nadere informatie

Meer winst voor Super de Boer

Meer winst voor Super de Boer Halfjaarcijfers 2008 Super de Boer (week 1-24) Meer winst voor Super de Boer Amersfoort, 27 augustus 2008 Jan Brouwer, Directievoorzitter Super de Boer N.V.: Super de Boer laat in het eerste halfjaar van

Nadere informatie

Sterke stijging Ebitda en netto resultaat Verhoging dividend

Sterke stijging Ebitda en netto resultaat Verhoging dividend Jaarresultaten 2013 Opgesteld door gedelegeerd bestuurders Dirk De Cuyper en Peter De Cuyper. Wetteren, België 17 maart 2014. Sterke stijging Ebitda en netto resultaat Verhoging dividend Kerncijfers 2013

Nadere informatie

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Advocaten Notarissen OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Faillissement: De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Houten Vloeren B.V. Faillissementsnummer: 02.252 F Uitgesproken:

Nadere informatie

Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2014

Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2014 Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2014 Inhoudsopgave 1. Algemeen 2 2. Jaarrekening 3 2.1 Balans per 31-12-2014 (voor winstbestemming) 3 2.2 Winst en verliesrekening over 2014 4 2.3 Kasstroomoverzicht

Nadere informatie

Voor zover de tekst in dit verslag afwijkt van hetgeen in het vorige verslag is gemeld, is die tekst vetgedrukt weergegeven.

Voor zover de tekst in dit verslag afwijkt van hetgeen in het vorige verslag is gemeld, is die tekst vetgedrukt weergegeven. De inhoud van dit verslag is identiek aan de digitale versie die aan de rechtbank is verzonden. VERSLAG 4 Datum: 14 augustus 2014 Gegevens onderneming : Nederlandse Startersunie B.V. Faillissementsnummer

Nadere informatie

VBI WINKELFONDS NV ANNEXUM. Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam HALFJAARBERICHT 2012

VBI WINKELFONDS NV ANNEXUM. Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam HALFJAARBERICHT 2012 1 Halfjaarbericht 2012 VBI Winkelfonds NV ANNEXUM VBI WINKELFONDS NV HALFJAARBERICHT 2012 Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam 2 Halfjaarbericht 2012 VBI Winkelfonds

Nadere informatie

Twiki RoboticsR. Jaarverslag 2013

Twiki RoboticsR. Jaarverslag 2013 R Jaarverslag 2013 inhoudsopgave Directieverslag 3 Jaarrekening 2013 4 Balans 4 Winst- en verliesrekening 5 Toelichting op de jaarrekening 2013 6 Verwijzingen jaarrekening 2013 7 Overige gegevens 10 Controleverklaring

Nadere informatie

MKBI DUURZAAM B.V. TWEEDE KWARTAAL 2014 KWARTAAL RAPPORTAGE NIET GECONTROLEERD

MKBI DUURZAAM B.V. TWEEDE KWARTAAL 2014 KWARTAAL RAPPORTAGE NIET GECONTROLEERD MKBI DUURZAAM B.V. KWARTAAL RAPPORTAGE TWEEDE KWARTAAL 2014 NIET GECONTROLEERD 6 OKTOBER 2014 MKBI DUURZAAM B.V. De Kuiper 5 5353 RJ Nieuwkuijk The Netherlands Directie MKBi Beheer B.V. A van Egberink

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 23 maart 2012

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 23 maart 2012 Identiek aan het digitaal ingediende verslag FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 23 maart 2012 Gegevens onderneming: : de naamloze vennootschap Avalon Holdings N.V. kantoorhoudende aan de Delftweg 96

Nadere informatie

Aan dit verslag kunnen geen rechten worden ontleend.

Aan dit verslag kunnen geen rechten worden ontleend. H NKEVELD 78853 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 11 Datum: 28 januari 201 5 Gegevens onderneming : Heddes Bouwgroep B.V. Nummer faillissement : F 14/11/62 Datum uitspraak : 16 februari 2011 Curator : mr.

Nadere informatie

- Resultaten halfjaar 2010 -

- Resultaten halfjaar 2010 - HALFJAARVERSLAG 2010 Amsterdam, 27 augustus 2010 Highlights eerste halfjaar 2010 De omzet DPA Group in het eerste halfjaar was 19,8 miljoen zijnde een afname met 29% in vergelijking tot het eerste halfjaar

Nadere informatie

Verkorte jaarrekening

Verkorte jaarrekening Geconsolideerde winst- en verliesrekening voor het jaar eindigend op 31 december 2011 x miljoen Doorlopende activiteiten Beëindigde Vóór Bijzondere activiteiten bijzondere posten posten Netto-omzet 9.048-9.048

Nadere informatie

Telefoon (0492) 56 66 09. Fax (0492) 56 67 09. Mail info @gammaholding.nl

Telefoon (0492) 56 66 09. Fax (0492) 56 67 09. Mail info @gammaholding.nl Gamma Holding N.V. Panovenweg 12 Postbus 80 5700 AB Helmond Datum 22 april 2009 Pagina 1/5 Telefoon (0492) 56 66 09 Fax (0492) 56 67 09 Mail info @gammaholding.nl Trading update Omzet: EUR 164 miljoen

Nadere informatie

Stijging toegevoegde waarde in lijn met stijging volumes van 11% Stijging ebitda met meer dan 15% Stijging Resultaat na belasting met meer dan 40%

Stijging toegevoegde waarde in lijn met stijging volumes van 11% Stijging ebitda met meer dan 15% Stijging Resultaat na belasting met meer dan 40% Stijging toegevoegde waarde in lijn met stijging volumes van 11% Stijging ebitda met meer dan 15% Stijging Resultaat na belasting met meer dan 40% Cijfers joint venture Airolux nog niet beschikbaar Verder

Nadere informatie

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Faillissementen: De besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid: Beats Included Group B.V. Beats Included Events B.V. Beats Included Compilations

Nadere informatie

1e VERSLAG. EX ARTIKEL 73a FAILLISSEMENTSWET VAN DE BEVINDINGEN IN HET FAILLISSEMENT VAN ALTITUDE SOFTWARE B.V. (03.0074-F)

1e VERSLAG. EX ARTIKEL 73a FAILLISSEMENTSWET VAN DE BEVINDINGEN IN HET FAILLISSEMENT VAN ALTITUDE SOFTWARE B.V. (03.0074-F) 1e VERSLAG EX ARTIKEL 73a FAILLISSEMENTSWET VAN DE BEVINDINGEN IN HET FAILLISSEMENT VAN ALTITUDE SOFTWARE B.V. (03.0074-F) Datum uitspraak: : 18 februari 2003 Rechter-Commissaris : mevrouw Mr A. van Dijk

Nadere informatie

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Insolventienummer: Toezichtzaaknummer: Datum uitspraak: Curator: R-C: F.16/15/749 NL:TZ:0000000884:F001 13-10-2015 Mr. M. Jansen mr. Neijt Algemeen Gegevens onderneming De besloten vennootschap met beperkte

Nadere informatie

Verkorte jaarrekening

Verkorte jaarrekening Geconsolideerde winst- en verliesrekening voor het jaar eindigend op 31 december 2012 x miljoen Doorlopende activiteiten Beëindigde Vóór Bijzondere activiteiten bijzondere posten posten Netto-omzet 9.131-9.131-9.131

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 1 september2011

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 1 september2011 Identiek aan het digitaal ingediende verslag FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 1 september2011 Gegevens onderneming: : de besloten vennootschap Bell Marketing Holding B.V., statutair gevestigd te

Nadere informatie

P E R S B E R I C H T : JAARRESULTAAT 2013 LAVIDE HOLDING Bussum, 13 maart 2014

P E R S B E R I C H T : JAARRESULTAAT 2013 LAVIDE HOLDING Bussum, 13 maart 2014 P E R S B E R I C H T : JAARRESULTAAT 2013 LAVIDE HOLDING Bussum, 13 maart 2014 Hoofdpunten Sinds 20 december 2012 (overdracht van werkmaatschappijen aan Prodware S.A.) is Lavide Holding N.V. (voorheen

Nadere informatie

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Insolventienummer: Toezichtzaaknummer: Datum uitspraak: Curator: R-C: F.16/16/339 NL:TZ:0000000884:F002 08-06-2016 Mr. M. Jansen mr. Neijt Algemeen Gegevens onderneming De besloten vennootschap NewEMC

Nadere informatie

ZESDE FAILLISSEMENTSVERSLAG IN HET FAILLISSEMENT VAN CNL MANAGEMENT BV. d.d. 21 mei 2014. : de besloten vennootschap CNL Management BV

ZESDE FAILLISSEMENTSVERSLAG IN HET FAILLISSEMENT VAN CNL MANAGEMENT BV. d.d. 21 mei 2014. : de besloten vennootschap CNL Management BV Hoewel de informatie in dit openbaar verslag en het bijbehorend financieel verslag zo zorgvuldig mogelijk is samengesteld, staat de curator niet in voor de volledigheid en juistheid daarvan. Mogelijk is

Nadere informatie

ZESDE FAILLISSEMENTSVERSLAG IN HET FAILLISSEMENT VAN A12 ARCHITECTEN B.V. d.d. 2 mei 2014. : de besloten vennootschap A12 Architecten B.V.

ZESDE FAILLISSEMENTSVERSLAG IN HET FAILLISSEMENT VAN A12 ARCHITECTEN B.V. d.d. 2 mei 2014. : de besloten vennootschap A12 Architecten B.V. Hoewel de informatie in dit openbaar verslag en het bijbehorend financieel verslag zo zorgvuldig mogelijk is samengesteld, staat de curator niet in voor de volledigheid en juistheid daarvan. Mogelijk is

Nadere informatie

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Insolventienummer: Toezichtzaaknummer: Datum uitspraak: Curator: R-C: F.16/16/438 NL:TZ:0000002577:F002 20-07-2016 mr. M.J. Cools mr. D.M. Staal Algemeen Gegevens onderneming De besloten vennootschap met

Nadere informatie

PERSBERICHT - AANKONDIGING JAARRESULTATEN 2014. Gereglementeerde informatie. Embargo tot 17 maart 2015, 17h40. The innovative packaging company

PERSBERICHT - AANKONDIGING JAARRESULTATEN 2014. Gereglementeerde informatie. Embargo tot 17 maart 2015, 17h40. The innovative packaging company PERSBERICHT - AANKONDIGING JAARRESULTATEN 2014 Gereglementeerde informatie Embargo tot 17 maart 2015, 17h40 The innovative packaging company Stijging van de operationele resultaten en de netto winst Verhoging

Nadere informatie

Beurs Rotterdam N.V. Halfjaarbericht 2013

Beurs Rotterdam N.V. Halfjaarbericht 2013 januari 2013 februari maart april mei juni Beurs Rotterdam N.V. juli augustus september Halfjaarbericht 2013 oktober november december Beurs Rotterdam N.V. Halfjaarbericht 30 juni 2013 Beurs Rotterdam

Nadere informatie

Persbericht. Resultaten 1 ste halfjaar 2008 Vivenda Media Groep. Hilversum, 23 december Highlights eerste halfjaar 2008

Persbericht. Resultaten 1 ste halfjaar 2008 Vivenda Media Groep. Hilversum, 23 december Highlights eerste halfjaar 2008 Persbericht Hilversum, 23 december 2008 Resultaten 1 ste halfjaar 2008 Vivenda Media Groep Highlights eerste halfjaar 2008 Netto omzet eerste helft 2008 bedroeg 1,8 miljoen* Nettoresultaat over het eerste

Nadere informatie

P E R S B E R I C H T

P E R S B E R I C H T Rotterdam, 13 februari 2004 P E R S B E R I C H T DIM VASTGOED: OVER BOEKJAAR 2003 TOTAALRENDEMENT 13,7% DIM Vastgoed NV heeft in 2003 een totaalresultaat behaald van USD 11.697.000, overeenkomend met

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG - EINDVERSLAG

FAILLISSEMENTSVERSLAG - EINDVERSLAG FAILLISSEMENTSVERSLAG - EINDVERSLAG Nummer : 4 Datum : 26 mei 2015 Gegevens onderneming : de besloten vennootschap Nederlands Heibedrijf B.V., statutair gevestigd te Nederlek, correspondentieadres: 2920

Nadere informatie

HUNTER DOUGLAS N.V., Piekstraat 2, 3071 EL Rotterdam, Nederland, Tel , Fax Voor publicatie: 9 mei

HUNTER DOUGLAS N.V., Piekstraat 2, 3071 EL Rotterdam, Nederland, Tel , Fax Voor publicatie: 9 mei Voor publicatie: 9 mei 2006 08.00 uur HUNTER DOUGLAS RESULTATEN EERSTE KWARTAAL 2006 Rotterdam, 9 mei 2006 - Hunter Douglas, wereldmarktleider op het gebied van raambekleding (Luxaflex ) en een vooraanstaand

Nadere informatie

VOORBEELD JAARREKENING B.V. TE HOOFDDORP. Rapport inzake jaarstukken 2010

VOORBEELD JAARREKENING B.V. TE HOOFDDORP. Rapport inzake jaarstukken 2010 VOORBEELD JAARREKENING B.V. TE HOOFDDORP Rapport inzake jaarstukken 2010 INHOUDSOPGAVE Pagina RAPPORT 1 Opdracht 3 2 Samenstellingsrapport 3 3 Resultaat 4 4 Financiële positie 6 JAARREKENING 1 Balans per

Nadere informatie

OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG (ex art. 73a Fw)

OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG (ex art. 73a Fw) OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG (ex art. 73a Fw) Nummer: Datum: 17 augustus 2012 Gegevens onderneming: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sluijmers Holding B.V., gevestigd te Mijdrecht,

Nadere informatie

Inverko NV: Focus weer op groei na een moeizame herstructurering in 2014.

Inverko NV: Focus weer op groei na een moeizame herstructurering in 2014. PERSBERICHT 18 mei 2015 Inverko NV: Focus weer op groei na een moeizame herstructurering in 2014. Leek Inverko N.V. (kunststof recycling) heeft met een omzet van 14,7 miljoen in 2014 een nagenoeg gelijke

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG ex artikel 73a Fw verslagnummer 3

FAILLISSEMENTSVERSLAG ex artikel 73a Fw verslagnummer 3 FAILLISSEMENTSVERSLAG ex artikel 73a Fw verslagnummer 3 De inhoud van de aan de rechtbank toegezonden papieren versie van dit verslag is identiek aan de digitale versie van het verslag. Indien dit verslag

Nadere informatie

BALANS PER 31 DECEMBER 2015 (na resultaatbestemming) ====================== IMMATERIËLE VASTE ACTIVA MATERIËLE VASTE ACTIVA

BALANS PER 31 DECEMBER 2015 (na resultaatbestemming) ====================== IMMATERIËLE VASTE ACTIVA MATERIËLE VASTE ACTIVA JAARREKENING 2015 BALANS PER 31 DECEMBER 2015 (na resultaatbestemming) ====================== 31-12-2015 ---------------- 31-12-2014 ---------------- activa: IMMATERIËLE VASTE ACTIVA 6.875 8.375 MATERIËLE

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 3 Datum: 4 juni 2015

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 3 Datum: 4 juni 2015 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 3 Datum: 4 juni 2015 Gegevens onderneming: Ropa Beleggings B.V. gevestigd te Apeldoorn aan de Laan van het Omniversum 20. Faillissementsnummer : C05/13/1069 Datum uitspraak

Nadere informatie

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Advocaten Notarissen OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Faillissement: Faillissementsnummers: 03/0195 Uitgesproken: 15 april 2003 Rechter-Commissaris: mr. G.S. Crince le Roy Curator:

Nadere informatie

Persbericht NETTOWINST OVER 2013 VAN 473 MILJOEN (2012: 409 MILJOEN) NETTO VERMOGENSWAARDE STIJGT MET 143 MILJOEN

Persbericht NETTOWINST OVER 2013 VAN 473 MILJOEN (2012: 409 MILJOEN) NETTO VERMOGENSWAARDE STIJGT MET 143 MILJOEN Persbericht HAL NETTOWINST OVER 2013 VAN 473 MILJOEN (2012: 409 MILJOEN) NETTO VERMOGENSWAARDE STIJGT MET 143 MILJOEN De nettowinst van HAL Holding N.V. over 2013 bedroeg 473 miljoen, overeenkomend met

Nadere informatie

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Insolventienummer: Toezichtzaaknummer: Datum uitspraak: Curator: R-C: F.16/15/658 NL:TZ:0000000652:F001 01-09-2015 Mr. M. de Vries mr. Lunter Algemeen Gegevens onderneming Ruitenheer Beveiliging en Bedrijfsdiensten

Nadere informatie

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Advocaten Notarissen OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Faillissement: Faillissementsnummers: 03/164 Uitgesproken: 8 april 2003 Rechter-Commissaris: mr. A. van Dijk Curator: mr. M.I.

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 27 januari 2012. Gegevens onderneming: : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 27 januari 2012. Gegevens onderneming: : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Identiek aan het digitaal ingediende verslag FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 27 januari 2012 Gegevens onderneming: : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Çelik Autohandel B.V.,

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 3 Datum: 20 januari 2015

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 3 Datum: 20 januari 2015 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 3 Datum: 20 januari 2015 Gegevens failliet : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid THE EUROPEAN PARTITION GROUP B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende

Nadere informatie

Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013

Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013 Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013 Inhoudsopgave 1. Verslag van de directie 3 2. Jaarrekening 5 Balans per 30 juni 2013 Winst- en verliesrekening over 26 april

Nadere informatie

RAPPORT Opgesteld door: Financieel adviesburo Hofman Noordzee DB Maassluis

RAPPORT Opgesteld door: Financieel adviesburo Hofman Noordzee DB Maassluis RAPPORT 21 Stichting Spin for Life Aletta Jacobskade 66 3137 TB Vlaardingen Opgesteld door: Financieel adviesburo Hofman Noordzee 4 3144 DB Maassluis INHOUD JAARVERSLAG Verklaring Resultaat-analyse Financiële

Nadere informatie

OMZET Nederland 32.194 29.544 Duitsland 12.896 9.885 45.090 39.429

OMZET Nederland 32.194 29.544 Duitsland 12.896 9.885 45.090 39.429 Verkorte geconsolideerde winst- en verliesrekening over het eerste halfjaar (geen accountantscontrole toegepast) (x ( 1.000) 1e halfjaar 2010 1e halfjaar 2009 OMZET Nederland 32.194 29.544 Duitsland 12.896

Nadere informatie

Algemene vergadering van aandeelhouders ROTTERDAM,23 APRIL 2008

Algemene vergadering van aandeelhouders ROTTERDAM,23 APRIL 2008 Algemene vergadering van aandeelhouders Nyloplast NV ROTTERDAM,23 APRIL 2008 Agenda Algemene Vergadering van Aandeelhouders 1. Opening 2. Toelichting op jaarverslag 2007 3. Jaarrekening 2007: vaststelling

Nadere informatie

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Insolventienummer: Toezichtzaaknummer: Datum uitspraak: Curator: R-C: F.16/16/438 NL:TZ:0000002577:F002 20-07-2016 mr. M.J. Cools mr. D.M. Staal Algemeen Gegevens onderneming De besloten vennootschap met

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 2 februari 2015

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 2 februari 2015 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 2 februari 2015 Gegevens failliet: De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. CENTRAAL BUREAU BOUWTOEZICHT (C.B.B.), statutair gevestigd en kantoorhoudende

Nadere informatie

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET

OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Advocaten Notarissen OPENBAAR VERSLAG EX ARTIKEL 73A DER FAILLISSEMENTSWET Faillissement: De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Houten Vloeren B.V. Faillissementsnummer: 02.252 F Uitgesproken:

Nadere informatie

Toename van de winst met meer dan 10% Verhoging van dividend

Toename van de winst met meer dan 10% Verhoging van dividend Jaarresultaten 2010 Opgesteld door gedelegeerd bestuurders Dirk De Cuyper en Peter De Cuyper. Wetteren, België 17 maart 2011. Toename van de winst met meer dan 10% Verhoging van dividend Kerncijfers 2010

Nadere informatie

Jaarbericht. Weller Vastgoed Ontwikkeling Secundus BV

Jaarbericht. Weller Vastgoed Ontwikkeling Secundus BV Jaarbericht Weller Vastgoed Ontwikkeling Secundus BV 2014 Inhoudsopgave 1. Algemeen 2 2. Jaarrekening 3 2.1 Balans per 31-12-2014 (voor winstbestemming) 3 2.2 Winst en verliesrekening over 2014 4 2.3 Kasstroomoverzicht

Nadere informatie

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Insolventienummer: Toezichtzaaknummer: Datum uitspraak: Curator: R-C: F.16/16/610 NL:TZ:0000009349:F001 15-11-2016 mr. M.J. Cools mr. D.M. Staal Algemeen Gegevens onderneming De besloten vennootschap met

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 27 december 2013

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 27 december 2013 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 27 december 2013 In dit verslag worden de werkzaamheden en de stand van de boedel beschreven over de afgelopen periode. De curator baseert zich op aangetroffen gegevens

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 3 Datum: 2 december 2015

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 3 Datum: 2 december 2015 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 3 Datum: 2 december 2015 Gegevens failliet : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E.P.G. VASTGOED B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te (7151

Nadere informatie

: mr. M.J. Tops (Fort Advocaten N.V., Postbus 70091, 1007 KB Amsterdam, telefoon: 020-6645111, fax: 020-6620470, e-mail: tops@fortadvocaten.

: mr. M.J. Tops (Fort Advocaten N.V., Postbus 70091, 1007 KB Amsterdam, telefoon: 020-6645111, fax: 020-6620470, e-mail: tops@fortadvocaten. DERDE OPENBARE FAILLISSEMENTSVERSLAG EX ARTIKEL 73A FW TEVENS EINDVERSLAG INZAKE HET FAILLISSEMENT VAN IDEEDOCK B.V. Gegevens onderneming : Ideedock B.V., statutair gevestigd te Nijmegen, vestigingsadres

Nadere informatie

HALFJAARBERICHT. Geen accountantscontrole toegepast. 1 De Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V.

HALFJAARBERICHT. Geen accountantscontrole toegepast. 1 De Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. HALFJAARBERICHT 2012 1 De Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. Inhoud PROFIEL... 3 ACTIVITEITEN... 4 CORPORATE GOVERNANCE... 5 VERANTWOORDELIJKHEIDSVERKLARING... 5 VERSLAG VAN DE

Nadere informatie

EERSTE FAILLISSEMENTSVERSLAG HORIZON CONSULTANTS BV, HORIZON BUSINESS CONSULTANTS BV EN HORIZON MANAGEMENT CONSULTANTS BV d.d.

EERSTE FAILLISSEMENTSVERSLAG HORIZON CONSULTANTS BV, HORIZON BUSINESS CONSULTANTS BV EN HORIZON MANAGEMENT CONSULTANTS BV d.d. EERSTE FAILLISSEMENTSVERSLAG HORIZON CONSULTANTS BV, HORIZON BUSINESS CONSULTANTS BV EN HORIZON MANAGEMENT CONSULTANTS BV d.d.25 juni 2009 Gegevens ondernemingen : Horizon Consultants BV : Horizon Business

Nadere informatie

Verslagperiode : 18 september 2014 t/m 12 december 2014 Bestede uren in verslagperiode 2 : 25,1 Bestede uren totaal : 124,1

Verslagperiode : 18 september 2014 t/m 12 december 2014 Bestede uren in verslagperiode 2 : 25,1 Bestede uren totaal : 124,1 OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 12 december 2014 Gegevens onderneming : De Boorder Bedrijfshuisvesting B.V. Faillissementsnummer Datum uitspraak : 12 augustus 2014 Curator : mr. K. van

Nadere informatie

V A N B E N T H E M A D V O C A T E N & N O T A R I A A T

V A N B E N T H E M A D V O C A T E N & N O T A R I A A T FAILLISSEMENTSVERSLAG nummer 1 dd 9 januari 2015 Gegevens onderneming JG Lamoré Beheer BV Faillissementsnummer C116/1411046 F Datum uitspraak 9 december 2014 Curator Mr MEG Murris Rechter-commissaris Mr

Nadere informatie

AEFIDES INSPIRATIS I BV TE GRONINGEN. Jaarverslag 2011 25 april 2012

AEFIDES INSPIRATIS I BV TE GRONINGEN. Jaarverslag 2011 25 april 2012 AEFIDES INSPIRATIS I BV TE GRONINGEN Jaarverslag 2011 INHOUDSOPGAVE Pagina JAARVERSLAG 1 Opdracht 2 2 Algemeen 3 3 Resultaat 4 4 Financiële positie 5 5 Directieverslag 6 JAARREKENING 1 Balans per 31 december

Nadere informatie

FINANCIEEL ECONOMISCH VERSLAG

FINANCIEEL ECONOMISCH VERSLAG OVERZICHT JAARVERSLAG 2014 FINANCIEEL ECONOMISCH VERSLAG Voor de overzichtelijkheid zijn in het jaarverslag 2014 uitsluitend de kerncijfers en de balans en de winst- en verliesrekening opgenomen. De gegevens

Nadere informatie

J A A R STUKKEN 2 0 12. Energiek BV. Permar Energiek BV Ede

J A A R STUKKEN 2 0 12. Energiek BV. Permar Energiek BV Ede J A A R STUKKEN 2 0 12 Energiek BV Permar Energiek BV Ede Opmaakdatum:31 mei 2013 Jaarstukken 2012 - Jaarrekening - Overige gegevens Opmaakdatum: 31 mei 2013 1 Jaarrekening - Balans - Winst-en-verliesrekening

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG (ex art. 73a Fw.) Nummer: 7 Datum: 16 mei 2013

FAILLISSEMENTSVERSLAG (ex art. 73a Fw.) Nummer: 7 Datum: 16 mei 2013 FAILLISSEMENTSVERSLAG (ex art. 73a Fw.) Nummer: 7 Datum: 16 mei 2013 Gegevens onderneming : Avalon Wholesale B.V. Faillissementsnummer : F2010/404 (Rechtbank Noord-Holland) Datum uitspraak : surseance

Nadere informatie

DIM VASTGOED: NETTOWINST OVER EERSTE DRIE MAANDEN 2005 USD 5,6 MILJOEN

DIM VASTGOED: NETTOWINST OVER EERSTE DRIE MAANDEN 2005 USD 5,6 MILJOEN 15 april 2005 DIM VASTGOED: NETTOWINST OVER EERSTE DRIE MAANDEN 2005 USD 5,6 MILJOEN DIM Vastgoed N.V. heeft over de eerste drie maanden van het boekjaar 2005 een nettowinst na belastingen behaald van

Nadere informatie

Renpart Vastgoed Management B.V. PUBLICATIESTUKKEN 2007 RENPART VASTGOED MANAGEMENT B.V. TE DEN HAAG

Renpart Vastgoed Management B.V. PUBLICATIESTUKKEN 2007 RENPART VASTGOED MANAGEMENT B.V. TE DEN HAAG PUBLICATIESTUKKEN 2007 RENPART VASTGOED MANAGEMENT B.V. TE DEN HAAG BALANS (opgemaakt voor resultaatbestemming, bedragen in euro) ACTIVA 31 december 2007 31 december 2006 VASTE ACTIVA Materiële vaste activa

Nadere informatie

JAARSTUKKEN 2014 ROM-D CAPITAL BEHEER BV

JAARSTUKKEN 2014 ROM-D CAPITAL BEHEER BV JAARSTUKKEN 2014 ROM-D CAPITAL BEHEER BV Datum: 28 april 2015 Noordendijk 250 Postbus 310 3300 AH Dordrecht T (078) 770 80 95 E info@rom-d.nl JAARSTUKKEN ROM- D CAPITAL BEHEER BV 2014 - BLADZIJDE 2 INHOUDSOPGAVE

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG

FAILLISSEMENTSVERSLAG FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer : 2 Datum : 27 augustus 2015 Datum laatste verslag : 22 juni 2015 Gegevens onderneming : De besloten vennootschap Laureano Beheer B.V., statutair gevestigd te Moordrecht, vestigingsadres:

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG

FAILLISSEMENTSVERSLAG FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer : 3 Datum : 3 september 2015 Datum vorig verslag : 2 juni 2015 Gegevens onderneming : De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Helderspace B.V., h.o.d.n. Helderwerkt,

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG

FAILLISSEMENTSVERSLAG FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer : 2 Datum : 7 juli 2015 Datum laatste verslag : 1 mei 2015 Gegevens onderneming : De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ron s Fashion Holding B.V., statutair

Nadere informatie

OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG NR. 1 EX ARTIKEL 73A FAILLISSEMENTSWET

OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG NR. 1 EX ARTIKEL 73A FAILLISSEMENTSWET 515119 OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG NR. 1 EX ARTIKEL 73A FAILLISSEMENTSWET NAAM FAILLISSEMENT : Hamer Participatie I B.V., Parallelweg 15a, 7271 VB Borculo INSCHRIJVINGSNUMMER KVK : 09106028 FAILLISSEMENTSNUMMER

Nadere informatie

3. Verslag van de Raad van Commissarissen en van zijn commissies over het boekjaar 2011 (informatie)

3. Verslag van de Raad van Commissarissen en van zijn commissies over het boekjaar 2011 (informatie) Agenda AGM 2012 Vrije vertaling AGENDA Algemene Vergadering van Aandeelhouders van SBM Offshore N.V. (de "Vennootschap") te houden op woensdag 16 mei 2012, aanvang 14.30 uur, in de zaal Eduard Flipse in

Nadere informatie

De inhoud van dit verslag is identiek aan de digitale versie van het verslag die aan de rechtbank is verzonden.

De inhoud van dit verslag is identiek aan de digitale versie van het verslag die aan de rechtbank is verzonden. De inhoud van dit verslag is identiek aan de digitale versie van het verslag die aan de rechtbank is verzonden. VERSLAG 3 Datum 17 juni 2013 Gegevens onderneming : H.T.G. Kalkzandsteen-Lijmbedrijf B.V.

Nadere informatie

Persbericht NETTOWINST 2011 VAN 493 MILJOEN (+14%) NETTO VERMOGENSWAARDE STIJGT MET 157 MILJOEN (+3%) IN 2011

Persbericht NETTOWINST 2011 VAN 493 MILJOEN (+14%) NETTO VERMOGENSWAARDE STIJGT MET 157 MILJOEN (+3%) IN 2011 Persbericht HAL NETTOWINST 2011 VAN 493 MILJOEN (+14%) NETTO VERMOGENSWAARDE STIJGT MET 157 MILJOEN (+3%) IN 2011 De nettowinst over 2011 bedroeg 493 miljoen, overeenkomend met 7,42 per aandeel, vergeleken

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG

FAILLISSEMENTSVERSLAG FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer : 1 Datum : 16 januari 2014 Gegevens onderneming : de besloten vennootschap Hydros B.V. statutair gevestigd te Zoetermeer, vestigingsadres te (2911 HG) Nieuwerkerk aan den

Nadere informatie

Achtste openbare verslag ex artikel 73a Fw in het faillissement van Bruidshuis Sonja Rotterdam B.V.

Achtste openbare verslag ex artikel 73a Fw in het faillissement van Bruidshuis Sonja Rotterdam B.V. Het papieren verslag is identiek aan het digitale verslag. Achtste openbare verslag ex artikel 73a Fw in het faillissement van Bruidshuis Sonja Rotterdam B.V. Inzake : Bruidshuis Sonja Rotterdam B.V.,

Nadere informatie

Nettowinst 2014 Sligro Food Group 69 miljoen.

Nettowinst 2014 Sligro Food Group 69 miljoen. Persbericht JA ARCIJFERS 2014 Sligro Food Group N.V. Nettowinst 2014 Sligro Food Group 69 miljoen. De nettowinst over het boekjaar bedroeg 69 miljoen. Dat is een toename van 1,5% ten opzichte van 2013.

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 5

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 5 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 5 Gegevens onderneming : De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid In-Creation B.V., statutair gevestigd te Almere, bezoekadres Olmenlaan 34 te (1404 DG) te

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 4 Datum: 21 maart 2014

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 4 Datum: 21 maart 2014 Identiek aan het digitaal ingediende verslag FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 4 Datum: 21 maart 2014 Gegevens onderneming: : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bijl, partners in public

Nadere informatie

Corporate Alert: de 403-verklaring

Corporate Alert: de 403-verklaring Corporate Alert: de 403-verklaring Kort na elkaar heeft de Hoge Raad twee uitspraken gedaan over vragen waartoe de 403- verklaring aanleiding geeft. De meest in het oog springende beslissing (HR 20 maart

Nadere informatie

Openbaar verslag 3 ex artikel 73a Faillissementswet

Openbaar verslag 3 ex artikel 73a Faillissementswet Openbaar verslag 3 ex artikel 73a Faillissementswet Inzake faillissement : Enron Power Services B.V. Rechter-Commissaris : mr. W.J. van Boven Curator : mr. M. Windt Faillissementsnummer : 03/97 F Datum

Nadere informatie

EERSTE OPENBARE FAILLISSEMENTSVERSLAG EX ARTIKEL 73A FW INZAKE HET FAILLISSEMENT VAN MICHAEL VAN DE HAAR TRANSPORT EN MACHINEVERHUUR B.V.

EERSTE OPENBARE FAILLISSEMENTSVERSLAG EX ARTIKEL 73A FW INZAKE HET FAILLISSEMENT VAN MICHAEL VAN DE HAAR TRANSPORT EN MACHINEVERHUUR B.V. EERSTE OPENBARE FAILLISSEMENTSVERSLAG EX ARTIKEL 73A FW INZAKE HET FAILLISSEMENT VAN MICHAEL VAN DE HAAR TRANSPORT EN MACHINEVERHUUR B.V. Gegevens onderneming Faillissementsnummer Datum uitspraak : 4 februari

Nadere informatie