1 T/H ANTWOORDENBOEK. geschiedenis voor de onderbouw

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "1 T/H ANTWOORDENBOEK. geschiedenis voor de onderbouw"

Transcriptie

1 1 T/H ANTWOORDENBOEK geschiedenis voor de onderbouw

2 1 T/H ANTWOORDEN geschiedenis voor de onderbouw Auteurs Hans Bulthuis Eleonoor Geenen Mark Hagenaars Jessie Jongejans Frank Kerstjens Barbara Peters Redactie Wieke Schrover Judith Tadema Vierde editie Malmberg s-hertogenbosch

3 Inhoudsopgave 1 De tijd van jagers en boeren Het ontstaan van beschavingen 1 Orientatie 6 Basis Verdieping 2 Jagen en verzamelen in de steentijd 8 3 De landbouw komt op 10 4 Egypte en de Nijl 12 5 De Egyptische samenleving 14 6 Goden en mummies 16 7 Piramides en hunebedden 18 8 Afsluiting 20 2 De tijd van Grieken en Romeinen De Grieken en Romeinen 1 Orientatie 22 Basis Verdieping 2 Het leven in een Griekse stadstaat 24 3 Geloof en cultuur bij de Grieken 26 4 Het Romeinse Rijk 28 5 Romanisering 30 6 Het christendom in het Romeinse Rijk 32 7 Volksvermaak in Rome 34 8 Afsluiting 36 3 De tijd van monniken en ridders Vorsten, monniken en boeren 1 Orientatie 38 Basis Verdieping 2 De Franken komen 40 3 Leven op het platteland 42 4 De verspreiding van het christendom 44 5 De islam in Europa 46 6 Trouw aan de heer 48 7 Symbolen in middeleeuwse kunst 50 8 Afsluiting

4 4 De tijd van steden en staten Stedelingen, vorsten en de paus 1 Orientatie 54 Basis Verdieping 2 Oorlog in naam van God 56 3 Nieuwe steden gaan handeldrijven 58 4 De middeleeuwse stedeling 60 5 Alles draait om het geloof 62 6 Vorsten willen meer macht 64 7 Graaf Floris V van Holland 66 8 Afsluiting 68 5 De tijd van ontdekkers en hervormers Een eeuw van grote veranderingen 1 Orientatie 70 Basis Verdieping 2 De oudheid wordt opnieuw geboren 72 3 De ontdekkingsreizen 74 4 Problemen in de kerk 76 5 Problemen in de lage landen 78 6 Een langdurige strijd 80 7 De verovering van het Inca-rijk 82 8 Afsluiting 84 6 De tijd van regenten en vorsten De Gouden Eeuw 1 Orientatie 86 Basis Verdieping 2 Handel over de hele wereld 88 3 Reizen naar de Oost en de West 90 4 De Gouden Eeuw 92 5 Burgers aan de macht 94 6 Vorsten met macht 96 7 Michiel de Ruyter, een held? 98 8 Afsluiting

5 Introductie Een spannend vak? Intro In deze eerste paragraaf van het boek leer je werken met Memo en denk je na over de vraag: waarom krijg je op school het vak geschiedenis? Eerst lees je de intro in het handboek (HB) en bekijk je de afbeelding. Dan maak je de vragen over de intro in het werkboek (WB). 1 Bekijk de familiefoto van HB bron 1 (bron 1 in het handboek). Als de man zonder geheugen deze foto in zijn album zou zien, wat weet hij dan niet meer over de foto? Bijvoorbeeld: wie de mensen op de foto zijn of waar de foto genomen is. 2 Wat weet je allemaal niet meer als je geen geheugen hebt? Kruis aan (bij aankruishokjes zijn altijd meer antwoorden goed). Hoe je vader of moeder heet. Hoe je moet praten. Waar je woont en waar je school is. Of je huisdieren hebt die je moet voeren. Wie je vrienden zijn. Hoe je moet eten. 3 Als je geen geheugen hebt, ben je allerlei gebeurtenissen uit het verleden vergeten. Leg uit waarom je dan moeilijk een band met je familie kunt hebben. Omdat je niet meer weet hoe je familieleden eruitzien, hoe ze heten en wat je samen hebt meegemaakt. Verwerking De verwerkingsvragen helpen je de leertekst begrijpen. Lees eerst de leertekst. 4 Gebruik de leertekst en de begrippenlijst. a Niet alles wat vroeger gebeurd is, hoort bij het vak geschiedenis. Kruis de onderwerpen aan die volgens jou bij het vak geschiedenis horen. Welke planten en dieren er vroeger waren. Wat mensen vroeger aten en waar ze woonden. Hoe het heelal, de sterren en de planeten zijn ontstaan. Hoe mensen vroeger dachten over het ontstaan van de aarde. Br on 2 Een tijdbalk. Hoe het land Nederland is ontstaan. Waardoor er in het verleden verschillen zijn ontstaan tussen groepen mensen. b Vul het ontbrekende woord in. Het vak geschiedenis houdt zich bezig met wat mensen in het verleden deden. 5 Een historicus onderzoekt bronnen om meer te weten te komen over de geschiedenis, bijvoorbeeld familiefoto s. De familiefoto in HB bron 1 is uit Welke informatie kun je uit deze bron halen? Geef een voorbeeld. Bijvoorbeeld: informatie over de haardracht of kledingstijl in de jaren 50 of over hoe mensen woonden. 6 a Het vak geschiedenis heeft verschillende doelen. Welke historische onderzoeken horen bij welk doel? Maak de juiste combinaties. Historische onderzoeken: A In Suriname wonen veel verschillende mensen: indianen, Afrikanen, blanken en Aziaten. Je onderzoekt hoe dat komt. B Volgens veel Israëliërs hoort de stad Jeruzalem bij Israël, omdat de stad ooit van hen was. Veel Palestijnen vinden dat Jeruzalem van hen is, omdat de stad lang in hun handen was. Je onderzoekt wie gelijk heeft. C In de 16e eeuw begonnen Europeanen te handelen in mensen uit Afrika. Hoe moet je oordelen over deze slavenhandel? D Je doet onderzoek naar je familiestamboom. Het blijkt dat je familie in de 17e eeuw vanuit Frankrijk naar Nederland is verhuisd. E In de jaren 30 stemden veel mensen in Duitsland op de partij van Adolf Hitler. Je onderzoekt waarom ze dat deden. Doelen: 1 Geschiedenis geeft je een idee over wie je bent. 2 Je leert de wereld te begrijpen. 3 Je leert je af te vragen wat waar is. 4 Je leert je af te vragen waarom iemand een bepaalde mening heeft. 5 Je denkt veel na over wat goed of slecht is om te doen. Juiste combinaties: A2, B3, C5, D1, E v.c v.c v.c v.c. 4

6 b Door de geschiedenis te onderzoeken leer je veel over hoe mensen zich gedragen en denken. Kijk naar de onderzoeken in vraag a (A-E). Uit welk onderzoek zou je iets kunnen leren over mensen dat nuttig is voor deze tijd? Bijvoorbeeld: uit onderzoek E kun je leren waarom mensen op een discriminerende partij stemmen en hoe je dat nu zou kunnen voorkomen. Of: uit onderzoek C kun je leren waarom mensen andere mensen verkopen en hoe we in deze tijd mensenhandel kunnen tegengaan. 7 Bekijk HB bron 2 en lees WB bron 1. Waarom houden deelnemers van deze historische veldslag zich met geschiedenis bezig? Br on 1 Ze hebben er plezier in om een veldslag na te spelen. Het leert hun de wereld beter te begrijpen. Ze vinden het spannend om met oude wapens te spelen. Deelnemers uit Nederland voelen zich trots door de prestaties van de Nederlandse prins Willem. Het helpt hun beter te begrijpen hoe die veldslag precies verliep. Een krantenbericht. Slag bij Waterloo trekt bezoekers BRUSSEL - Een reconstructie van de slag bij Waterloo heeft dit weekend in totaal ruim bezoekers getrokken. Vooral zondag was het druk, met belangstellenden. Aan het naspelen van de historische veldslag namen zo n figuranten deel uit zeventien landen, voorzien van historische wapens en andere attributen. De echte slag bij Waterloo, een plaatsje ten zuiden van Brussel, vond plaats in De Franse troepen van keizer Napoleon Bonaparte werden daar verslagen door Britse, Duitse, Nederlandse en Belgische troepen. De latere Nederlandse koning Willem II speelde bij de gevechten een belangrijke rol. Vrij naar: De Telegraaf, 20 juni Bekijk HB bron 3. Een historicus onderzoekt bronnen om te achterhalen wat er in het verleden precies gebeurd is. Welke informatie geven deze bronnen over de slag bij Waterloo? Het skelet: bijvoorbeeld waar een soldaat is gesneuveld tijdens de slag of welke wapens tijdens de slag werden gebruikt. De steek: de Franse keizer heeft waarschijnlijk verloren, omdat de steek zich in een Duits museum bevindt. Toepassingsopdracht Bij de toepassingsopdracht oefen je historische vaardigheden en werken met bronnen. 9 Bekijk WB bron 2. Het is een tijdbalk waarop je gebeurtenissen uit het verleden plaatst. Op die manier krijg je een mooi overzicht van de tijd. a Meet met een liniaal hoe groot ieder vakje van de tijdbalk is. Ieder vakje is ongeveer 4 centimeter. b Hoeveel jaren stelt ieder vakje voor? jaar. c Welke gebeurtenis is het begin van onze jaartelling? De geboorte van Jezus Christus (het jaar 1). 10 In het volgende hoofdstuk leer je over de prehistorie, de oudste geschiedenis. Pas in de derde klas kom je aan in de 20e eeuw en leer je over gebeurtenissen als de Tweede Wereldoorlog. In klas 1 t/m 3 bestudeer je de hele geschiedenis. a Kleur op de tijdbalk de periodes/tijdvakken die je dit jaar bestudeert: de prehistorie: tijd van jagers en boeren (tot 3000 v.c.). Kleur deze periode groen. de oudheid: tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.c.-500 n.c.). Kleur deze periode blauw. de middeleeuwen: tijd van ridders en monniken en tijd van steden en staten ( n.c.). Kleur deze periode rood. de 16e eeuw: tijd van ontdekkers en hervormers ( n.c.). Kleur deze periode geel. de 17e eeuw: tijd van regenten en vorsten ( n.c.). Kleur deze periode oranje. b Zet een dikke zwarte stip op de tijdbalk bij het jaar waarin we nu leven. Zet het jaartal erbij. 11 Teken op een apart blaadje een tijdbalk van je eigen leven. De tijdbalk begint met je geboortejaar. Zet de jaren bij de streepjes op de tijdbalk. Zet belangrijke gebeurtenissen uit je leven in de tijdbalk. Doe er ten minste drie bronnen bij die informatie geven v.c n.c n.c n. C. 5

7 1 De tijd van jagers en boeren Het ontstaan van beschavingen 1 Oriëntatie Intro Bij het vak geschiedenis leer je over vroeger. Onderzoekers zoeken in de grond naar oude munten, helmen en mummies uit de prehistorie en de oudheid. Anderen duiken in dagboeken en brieven uit de middeleeuwen. Ze willen er alles van weten. In de intro hierboven staan de drie periodes die in de brugklas behandeld worden. Welke periodes zijn dat? Prehistorie, oudheid en middeleeuwen. a Naar welke tijd zou jij wel (eventjes) terug willen? Je eigen antwoord. b Welk beroep uit die tijd zou je dan willen hebben? Je eigen antwoord. c De mensen hadden in het verleden veel minder luxe spullen en er waren ook geen medicijnen tegen ziekten. Welke spullen zou je het liefst mee willen nemen naar de tijd die je bij a hebt genoemd? Je eigen antwoord. Bekijk HB bron 2. De kaart gaat over een grote verandering voor de mensheid. Deze verandering begon in het Midden- Oosten. a Over welke verandering gaat het? De ontdekking van de landbouw. b Een middel van bestaan heeft te maken met hoe je in leven blijft, bijvoorbeeld door handel te drijven of aan landbouw te doen. Voordat mensen graan verbouwden en vee hielden, hadden ze andere middelen van bestaan. Welke twee? Handeldrijven. Verzamelen van bessen, graankorrels en wortels. Jagen op dieren. Huizen bouwen. Egypte en Mesopotamië liggen bij grote rivieren. a Welke drie grote rivieren zie je in HB bron 2? De Nijl, de Eufraat en de Tigris. b In de landbouw heb je boeren die vee houden en boeren die gewassen verbouwen. Waarom is water voor hen belangrijk? Het vee moet drinken en kunnen grazen. Akkers moeten bevloeid worden. Historisch denken Hoe leren we over de geschiedenis? Een reisje maken naar de tijd van Grieken en Romeinen of de tijd van monniken en ridders kan natuurlijk niet. Je kunt wel veel ontdekken over het verleden. Speciale speurneuzen, zoals archeologen en geschiedkundigen, weten hoe dat moet. Archeologen doen opgravingen. Ze zoeken naar ongeschreven overblijfselen. Ze moeten dat voorzichtig doen, want oude dingen gaan snel kapot. Een archeoloog gebruikt liever een kleine schep en een kwast dan een bulldozer. Geschiedkundigen onderzoeken geschreven overblijfselen. Een historicus (geschiedkundige) onderzoekt of een oude brief of foto echt is en geen namaak. Oude voorwerpen en geschriften vertellen iets over vroeger. Ze zijn een bron van informatie. Daarom worden ze bronnen genoemd. Er zijn geschreven en ongeschreven bronnen. Archeologen en geschiedkundigen willen informatie vinden over het verleden, bijvoorbeeld over Egyptische mummies. a Stel je voor dat jij historicus bent. In een Egyptisch museum sta je bij de mummie van farao Toetanchamon. Hij is al op 18-jarige leeftijd overleden. Wat wil je ontdekken over deze koning? Bijvoorbeeld: hoe hij gestorven is. Je interviewt een mevrouw die in 1930 is geboren. Over welke gebeurtenis kan die mevrouw je iets vertellen? Bijvoorbeeld: over de Tweede Wereldoorlog. b Streep door wat niet juist is. Over de Tweede Wereldoorlog is gemakkelijker moeilijker informatie te vinden dan over jagers op mammoeten. In de tijd van de mammoetjagers had je nog geen schrift. Er zijn uit die tijd alleen geschreven ongeschreven bronnen. De meeste informatie over de Tweede Wereldoorlog is te vinden in geschreven ongeschreven bronnen. Het dagboek van Anne Frank is een goed voorbeeld van een geschreven ongeschreven bron. a Welke soorten bronnen ben je tot nu toe tegengekomen in dit werkboek? Zet ze in het schema. Er staan al een paar voorbeelden. b Uit welke periode heb je alleen maar ongeschreven bronnen? 6

8 A Uit de middeleeuwen. B Uit de Tweede Wereldoorlog. C Uit de oudheid. D Uit de prehistorie. Ongeschreven bronnen Geschreven bronnen Helmen Mummies Tekeningen Speerpunten Munten Kranten Brieven Dagboeken Bron 2 jacht. Kat Een muurschildering in een graf: een Egyptenaar op Hiërogliefen Werphout Bekijk HB bron 1. Is dit een ongeschreven of een geschreven bron? A Alleen een ongeschreven bron. B Alleen een geschreven bron. C Een ongeschreven én een geschreven bron. Lees WB bron 1 en gebruik HB bron 1. a De opgraving van Carter was wereldnieuws in november Bron Hoe kwam dat? Hij ontdekte het graf van een Egyptische farao met alle schatten erin. b Waren de Egyptenaren in HB bron 1 arme boeren of waren zij rijk en machtig? Leg je antwoord uit. Rijk en machtig: alleen rijke en machtige Egyptenaren hadden zo n graf. Voor arme boeren was het graf heel simpel. Het graf van een Egyptische koning. Prachtige dingen In november 1922 opende archeoloog Howard Carter de grafkamer van farao Toetanchamon. Achter Carter stond lord Carnarvon, de sponsor van Carter, die zich bijna niet kon beheersen. Hij vroeg: Wat zie je, wat zie je? Het bleef even stil en toen zei Carter met een trillende stem: Ik zie prachtige dingen. Je gaat nu aan het werk als archeoloog. Kijk nog eens goed naar HB bron 1. Wat kun je leren over het leven van de Egyptenaren met behulp van deze bron? In WB bron 2 zie je dezelfde tekening. Schrijf in de ballonnen wat je ontdekt. Papyrusriet De Nijl (vissen) Boot Dit hoofdstuk gaat over de tijd van jagers en boeren. Archeologen en geschiedkundigen hebben de leefwijze van jagers en boeren onderzocht. Lees de uitspraken in het schema. Past de uitspraak bij het leven van jagers of bij dat van boeren? Zet een kruisje in de juiste kolom. Trokken rond om aan voedsel te komen Woonden op vaste plaatsen, dicht bij de akkers Woonden in tijdelijke kampen Verbouwden voedsel Aten meer vlees Moesten bij hun akkers blijven Verzamelden vruchten en ander voedsel Aten meestal graanproducten Jagers X X X X Boeren X X X X 7

9 hoofdstuk 1 Basis Hoofdstuk De tijd van jagers en boeren Het ontstaan van beschavingen 2 Jagen en verzamelen in de steentijd Intro Het is bijna niet voor te stellen. De oermensen in de steentijd keken geen tv, maar keken naar hun houtvuur. Boven de vlammen draaide een hertenbout of een zwijn aan het spit. Niet als verpakt stukje vlees in de supermarkt gekocht, maar zelf gevangen bij het jagen. Bekijk HB bron 1 en lees de intro. a Hoeveel jaar zit er ongeveer tussen de eerste oermens op de afbeelding en de mensen tegenwoordig? Bijna 4 miljoen jaar. b Er is in de loop van de tijd veel veranderd in het uiterlijk van de mens. Noem twee veranderingen. Mensen gingen rechtop lopen, hun gezicht werd minder aapachtig en de beharing verminderde. c Welke verandering is niet gemakkelijk te zien? A Dat mensen langer werden. B Dat mensen meer hersens kregen. C Dat mensen rechter gingen lopen. D Dat mensen minder behaard raakten. De homo sapiens was slimmer dan zijn aapachtige voorouders. Noem twee dingen die homo sapiens wel kon, maar zijn voorgangers niet. Bijvoorbeeld: zelf vuur maken, hutten bouwen, sieraden maken. Bedenk een leuk kopje bij deze bron. Je eigen antwoord, bijvoorbeeld: onze familie. Verwerking Lees de leertekst goed door. a De volgende gebeurtenissen staan door elkaar. Zet de letters in de juiste volgorde van tijd. Begin met wat het eerst gebeurde. A Mensen gingen vuur gebruiken. B De vroegste voorouder van de mens ging rechtop lopen. C 65 miljoen jaar geleden stierven de dinosaurussen uit. D De homo sapiens ontstond. Juiste volgorde: C, B, A, D. b Er zijn spannende speelfilms over reusachtige vleeseters zoals de T-Rex die achter mensen aangaan. Leg uit of onze voorouders in de steentijd door dinosaurussen werden opgevreten of dat zij zelf op deze beesten jaagden. Geen van beide: de dinosaurussen waren al veel eerder uitgestorven. Vuur was erg belangrijk voor de eerste mensen. a Waar gebruikten de oermensen het vuur voor? Voor het verbranden van stukken bos. Om gevaarlijke dieren op afstand te houden. Om zich te warmen. Om vlees te bereiden. b Zelf een vuurtje maken zonder lucifers of aansteker is lastig. Daar moet je slim voor zijn. Kijk nog eens naar HB bron 1. Welke oermens kon zeker nog geen vuur maken? De eerste, die was nog niet slim genoeg. c Bekijk HB bron 2. Voor de mensen die naar gebieden in het noorden trokken, was vuur erg belangrijk. Leg dat uit. Zij hadden vuur nodig om zich te warmen in het koude noorden. Hieronder staan twee rijen met namen en begrippen. Er staat in elke rij een woord dat er niet bij hoort. Streep dat woord door. Maak daarna een kloppende zin met de drie overgebleven woorden. A ongeschreven bron archeoloog schrijven prehistorie Archeologen onderzoeken ongeschreven bronnen uit de prehistorie. B steentijd hout vuistbijlen plastic In de steentijd bewerkten de mensen hout en steen en maakten ze vuistbijlen. Bekijk HB bron 3. a Jagers en verzamelaars gebruikten veel materialen om werktuigen en wapens van te maken. Waar heeft de naam steentijd mee te maken? Twee antwoorden zijn goed. Steen vergaat niet, hout en botten wel. Steen werd mooier bewerkt door de oermensen. Pijlpunten, vuistbijlen en speerpunten van steen zijn bewaard gebleven. Behalve steen waren er geen andere materialen. b Mensen in de prehistorie waren nog niet bekend met materialen die tegenwoordig veel gebruikt worden. Noem drie materialen die zij nog niet kenden. Bijvoorbeeld: ijzer, plastic, glas, beton. Bekijk het schema. Bovenaan staan gereedschappen en andere zaken die de oermensen gebruikten. Schrijf eronder van welk materiaal ze gemaakt werden. Een voorbeeld is al ingevuld. 8

10 Graafstok Gewei van hert Speer, pijl en boog Hout en pees Tent Naald, vishaak Dierenhuid Visgraat Vuistbijl Steen a Jagen was een van de manieren om in leven te blijven. Welk woord uit de leertekst heeft daarmee te maken? A Archeoloog. C Prehistorie. B Bestaansmiddel. D Overblijfselen. b Jagen was niet het enige bestaansmiddel van de jagersverzamelaars. Waar bestond hun maaltijd verder uit? Eetbare planten, noten, bessen en paddenstoelen. Vul de ontbrekende woorden in. De eerste mensen leefden in Afrika. Ze ontwikkelden zich tot de mensen die wij nu zijn: de homo sapiens. Jagen en verzamelen waren hun bestaansmiddelen. De groepen jagers-verzamelaars waren niet groter dan veertig personen. Zij trokken rond. Er bestond een taakverdeling, want mannen jaagden op dieren en vrouwen verzamelden allerlei soorten voedsel. De zinnen hieronder gaan over de gevaren in het leven van de jagers-verzamelaars. Ze zijn in tweeën geknipt. Maak de juiste combinaties. A In de prehistorie (en ook later) B In de 20e eeuw ging de gemiddelde leeftijd omhoog C Er lagen heel wat gevaren op de loer, D Er werden door al dat rondtrekken minder kinderen geboren E Opgegraven botten en andere overblijfselen geven informatie 1 waardoor jagers en verzamelaars vroeg konden overlijden. 2 dan bij mensen die later aan landbouw gingen doen. 3 werden onze voorouders meestal niet ouder dan 40 jaar. 4 over de leeftijd en doodsoorzaak van jagers in de steentijd. 5 door betere medische kennis en beter voedsel. Juiste combinaties: A3, B5, C1, D2, E4. Toepassingsopdracht Kinderen in de prehistorie Je kijkt in deze toepassingsopdracht naar het leven van kinderen in de prehistorie. Dat is een lastige opgave. Er zijn namelijk geen dagboeken, geen brieven en geen foto s. Wat voor soort bronnen gebruiken archeologen als zij het leven van kinderen in de prehistorie gaan onderzoeken? Ongeschreven bronnen. Bekijk HB bron 4. a In sommige delen van de wereld leven nog stammen van jagen en verzamelen. Waarom bestuderen archeologen deze stammen? Deze stammen leven nog als in de prehistorie. b Tienduizenden jaren geleden hadden kinderen van jullie leeftijd al veel geleerd. Welke technieken kenden zij, denk je? Vuur maken. Tenten en kleding naaien. Huizen bouwen. Werpsperen maken. Ongeveer honderd jaar geleden is men begonnen met de vaccinatie van baby s en kleine kinderen. Je eerste prikjes waren tegen de DKTP-ziekten, zoals difterie en kinkhoest. a Op welke leeftijd hadden kinderen in de prehistorie de meeste kans om aan zo n ziekte te overlijden? Leg je keuze uit. Op heel jonge leeftijd, bijvoorbeeld als baby: dan waren ze nog erg kwetsbaar. b Bedenk nog twee gevaren voor kinderen in de steentijd. Roofdieren, kou, honger. Net als tegenwoordig moesten kinderen in de prehistorie ook leren. Hoe maakte je een boog of een strik? Welke padden stoelen en vruchten kon je zonder gevaar eten? Vul het schema verder in: beschrijf in enkele woorden wat jongens en meisjes in die tijd moesten doen. Gebruik de informatie in de teksten en bronnen. Wat moet je hier- Taak voor kunnen? Doel? Vuur maken Vuurboog maken Warmte Wilde dieren verjagen Werktuigen Kleding maken Bescherming Voedsel: vlees Voedsel: planten en vruchten Wapens Vuursteen bewerken Huiden schoonmaken en vastnaaien Vuur brandend houden Jagen Verzamelen Speren, pijl en boog maken Koken Snijden, hakken Warmte Tegen wilde dieren Voldoende eten Voldoende eten Bruikbaar bij de jacht Jongens of meisjes? Jongens en meisjes Jongens Meisjes Jongens en meisjes Jongens Meisjes Jongens 9

11 hoofdstuk 1 Basis Hoofdstuk De tijd van jagers en boeren Het ontstaan van beschavingen 3 De landbouw komt op Intro De meeste mensen leven van landbouwproducten. Ze kopen die producten of verbouwen ze zelf. Dat is rond 9000 v.c. begonnen, met de overgang naar landbouw. Honden zijn voor ons gezellige en trouwe huisdieren. In het verleden werden ze vaak als waakhond gebruikt. Geef nog twee redenen waarom honden nuttig waren voor de jagers. Om te speuren en prooien te vangen. Bekijk HB bron 1. a Hoe kun je op deze oude afbeelding zien dat Egyptenaren honden getemd hadden? A Het beest heeft een bot in zijn bek. B De hond wacht af en kijkt rustig naar zijn baas. C De hond blaft niet. D De hond heeft een halsband met een riem om. b Kruis de juiste uitspraken aan. De Egyptenaar op de afbeelding gebruikt een hefboom met een soort emmer om water te scheppen. Waarschijnlijk was de Egyptenaar een jager die zijn hond wilde laten drinken. De belangrijkste bron van water voor de Egyptenaren was de rivier de Nijl. Egyptische boeren hadden geen honden. Verwerking a Vul de juiste woorden in. Ongeveer jaar v.c. gingen mensen voor het eerst aan landbouw doen. De eerste boeren leefden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. In die gebieden werden jagen en verzamelen steeds moeilijker. Dat leverde niet meer genoeg voedsel op. Vee houden en zelf gewassen verbouwen gaven meer zekerheid. b Geef voorbeelden van gewassen die boeren verbouwden en dieren die zij hielden. Akkerbouw: graan, bonen. Veeteelt: geiten, runderen, pluimvee. Lees WB bron 1. Stel je voor: je hoort ongeveer jaar v.c. bij een groep jagers-verzamelaars. Geef twee voorbeelden van dieren die jij zou temmen. Schrijf erbij waarom jij voor deze dieren kiest. Dier 1: je eigen antwoord. Dier 2: je eigen antwoord. Bron 1 Veeteelt Voordat mensen vee gingen houden, hadden zij al wolven getemd. Dieren als honden en paarden laten zich goed temmen, maar niet alle dieren zijn geschikt om te houden. Voor een krokodil lijkt dat logisch, maar zelfs een leuk dier als een zebra past zich niet aan. Die is wild en bijt flink van zich af. In het Midden-Oosten kwamen veel wilde diersoorten voor die zich goed lieten temmen, zoals runderen, schapen, geiten en varkens. Dat was belangrijk, want de opbrengst van de jacht liep terug. a Streep door wat niet juist is. Archeologen onderzoeken waarom mensen boeren jagers werden. Ze denken dat mensen vee gingen houden in streken die wel niet vruchtbaar waren. Door klimaatverandering werd het droger vochtiger in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Jagen leverde daar meer minder op. Wie aan akkerbouw wilde gaan doen, kon zich beter wel niet bij grote rivieren vestigen. b De overgang naar de landbouw ging in stappen. Wat is de juiste volgorde? A bevolkingsgroei vaste woonplaats akkerbouw B vaste woonplaats bevolkingsgroei akkerbouw C akkerbouw vaste woonplaats bevolkingsgroei Gebruik HB bron 2 en de leertekst. De zinnen hieronder zijn in tweeën geknipt. Maak de juiste combinaties. A Veehouders gebruikten aardewerk B Herders trokken rond C Jagers hielden hun dieren vooral D In Noord-Afrika deden de eerste boeren aan veeteelt 1 en kenden ze nog geen akkerbouw. 2 om vlees en melk in te bewaren. 3 en gebruikten hun vee voor melk en de wollen vacht. 4 omdat zij nuttig waren voor de jacht. Juiste combinaties: A2, B3, C4, D1. Bekijk HB bron 3. Niet alle jagers-verzamelaars werden boer. Welke redenen hadden zij om (nog) geen boeren te worden? Twee antwoorden zijn goed. Er woonden veel gevaarlijke dieren in de buurt. Zij hadden geen toestemming van hun heerser. Boeren hadden het erg druk met hun akkers en vee. Sommige jagers-verzamelaars hadden genoeg eten. 10

12 De verspreiding van de landbouw was geen snelle verandering. Zoek in de leertekst wanneer de landbouw ongeveer in Nederland kwam. Rond 3000 v.c. Boer worden was niet voor alle jagers-verzamelaars nodig. Toch gingen de meeste mensen uiteindelijk over op landbouw. Welke drie voordelen had dat? Een vaste woonplaats was veiliger voor kinderen. Het klimaat zorgde voor meer droogte. Voedsel kon langer bewaard worden. Het bezit van land en vee gaf aanzien. Bekijk HB bron 4. In WB bron 2 zie je de plattegrond van een prehistorische boerenwoning. Vul in waar die ruimtes voor werden gebruikt. Bron 2 oven Hoe woonden de eerste landbouwers? ruimte voor vee woongedeelte opslagruimte De komst van landbouw was een verandering met voordelen en nadelen. Vul het schema verder in. Voordelen Vaste woonplaats Eigen voedsel verbouwen Meer bezit Toepassingsopdracht Nadelen Harder werken Oogst kon mislukken Besmettelijke ziekten Dieren in de prehistorie Deze toepassingsopdracht gaat over dieren in de prehistorie. Hoe belangrijk waren zij voor de jagers en de eerste boeren? Welke dieren werden het eerst getemd? Vul het schema verder in met behulp van de leertekst. Geef aan voor wie het dier belangrijk was en waarom. Noem telkens twee redenen. Bron 3 Dier Voor wie? Belangrijk Hond Jagers en Speuren, prooi vangen, waken boeren Rund Boeren Melk, zuivel, huiden Geit Boeren Melk, zuivel, huiden Zwijn/varken Boeren Vlees, huiden Schaap Boeren Melk en wol a Streep door wat niet juist is. Mensen werden in de prehistorie meestal niet veel ouder dan een jaar of 40. De jagers-verzamelaars hadden een leven met veel weinig gevaren. Toen de landbouw werd uitgevonden, veranderde er weinig in de levensverwachting. De komst van nieuwe ziekten vormde een groot klein gevaar. b Lees WB bron 3. Welke besmettelijke ziekten ken je? Noem er drie. Je eigen antwoord, bijvoorbeeld: griep, tbc, de pest, cholera. c Welke drie uitspraken zijn juist? Dierziekten zijn niet gevaarlijk voor mensen. Besmettelijke ziekten had je minder bij jagersverzamelaars. Deze ziekten kwamen van de dieren die mensen hielden. Er was nog niet genoeg kennis om de ziekten te bestrijden. Veeziekten begonnen al jaar geleden. Besmettelijke ziekten en de landbouw. Dodelijke ziekten Vóór de uitvinding van de landbouw vormden besmettelijke ziekten geen probleem. Ze kwamen pas op toen mensen aan veeteelt gingen doen. Mazelen en tuberculose komen van veeziekten, het griepvirus van varkens en gevogelte. Besmettelijke ziekten maakten veel slachtoffers als mensen dicht op elkaar leefden. Bijvoorbeeld in boerendorpen waar honderden mensen woonden. Jagers die in kleine groepen leefden en rondtrokken, liepen minder gevaar. 11

13 hoofdstuk 1 Basis Hoofdstuk De tijd van jagers en boeren Het ontstaan van beschavingen 4 Egypte en de Nijl Intro Egypte werd in de oudheid een geschenk van de Nijl genoemd. De Nijl maakte het land bij de rivier vruchtbaar. Dat leverde goede oogsten op. a Dorpen, steden en akkers lagen allemaal langs de Nijl. Waarom lagen ze niet op andere plaatsen in Egypte? Daar lag de woestijn. b Behalve de Nijl waren er nog meer opvallende dingen in Egypte. Noem drie voorbeelden uit de intro. De piramides, het Dal der Koningen, steden. Vul de juiste woorden in. Het grootste deel van Egypte was woestijn. De Egyptenaren noemden dat het rode land. Er was maar een kleine strook langs de Nijl die bewoonbaar was en geschikt was voor de landbouw. Tijdens de overstroming zat er zwart slib in de rivier. Dat kwam op het zwarte land terecht, waar de Egyptenaren later hun gewassen op verbouwden. De Nijl was niet alleen belangrijk om het land te bevloeien met water. Waar was de rivier verder handig voor? Kruis de juiste antwoorden aan. Voor het vervoer van personen en goederen over water. Als verdediging tegen vijanden. Om in de winter op te schaatsen. Voor de visvangst. b De Egyptenaren vonden de irrigatielandbouw uit. Welke zinnen horen bij irrigatielandbouw? Water uit de Nijl gebruiken om het land te bevloeien. Het water uit de Nijl zo snel mogelijk afvoeren naar zee. Kanalen en sloten gebruiken om water naar de akkers te brengen. De sjadoef gebruiken om water op het land te brengen. Gebruik WB bron 1. a Kleur de Nijl, de slootjes en het waterbekken (een soort vijver om water op te slaan) blauw. b Als de slootjes en het waterbekken niet goed werden onderhouden, kon het water niet doorstromen. Welke boeren hadden daar de meeste last van? Boer A. Boer B. Boer C. c Welke zin geeft de juiste oorzaak aan? Hun akkers lagen dichter bij de Nijl. Hun akkers lagen verder van de Nijl. Bron 1 S amenwerken voor water. Verwerking Kijk nog eens naar HB bron 1 in paragraaf 3. De boer gebruikt een sjadoef. Dat was een soort hefboom met een emmer. Waar diende deze sjadoef voor? Om water op de akkers te krijgen. Gebruik de intro. De Egyptenaren kenden geen zomer of winter, zoals wij. In welke drie periodes verdeelden zij hun jaar? De overstromingstijd, de zaaitijd en de oogsttijd. In Nederland met zijn natte klimaat zorgen sloten en kanalen voor de afvoer van regenwater. a Waarom was dat in Egypte niet nodig? A Er waren genoeg sloten en kanalen in Egypte. B Het regenwater zakt meteen in de grond. C Het regent bijna nooit in Egypte. D Water was voor de Egyptenaren niet belangrijk. 12 Toen mensen aan landbouw gingen doen, kwamen er ook nieuwe uitvindingen. Vul de juiste woorden in. Om aardewerken potten te maken, gebruikten ze een pottenbakkersschijf. De aarde loswoelen om beter te kunnen zaaien, deden ze met een ploeg. Het fijnmalen van graankorrels voor broodmeel deden ze met maalstenen. Het vervoer van goederen ging beter op een kar met wielen. Bekijk HB bron 2. Vul de juiste woorden in. Op de bovenste afbeelding zie je dat mensen de oogst opmeten met een touw of meetlint. Op de onderste afbeelding zie je dat schrijvers de grootte van de oogst opschrijven.

14 De ontdekking van het schrift is het begin van de historie. Dat is een ander woord voor geschiedenis. Egyptenaren hadden het hiërogliefenschrift. De jagersverzamelaars kenden het schrift nog niet. Wat is daarvoor de juiste verklaring? A De jagers-verzamelaars konden dat nog niet bedenken. B Voor jagers-verzamelaars was het noteren van gegevens nog niet belangrijk. C De jagers-verzamelaars hadden geen oogst en geen vee. D In de tijd van de jagers-verzamelaars groeide er nog geen papyrus om op te schrijven. De zinnen hieronder zijn in tweeën geknipt. Maak de juiste combinaties. A Rijke boeren met veel vee B De landbouw leverde zoveel oogst op C Met handel verkoop je aardewerk of andere spullen D Naast bestuurders, priesters en kooplieden 1 aan mensen die in dorpen of steden wonen. 2 gingen het aantal dieren tellen en opschrijven. 3 woonden in de steden ook mensen die aan nijverheid deden. 4 dat er handel kwam in landbouwproducten. Juiste combinaties: A2, B4, C1, D3. Toepassingsopdracht Het gebruik van schrift Deze toepassingsopdracht gaat over het Oudegyptische schrift. Lang geleden gingen er al toeristen naar Egypte. Gebruik HB bron 3. a Waarom was het voor deze toeristen moeilijk om de Egyptische cultuur goed te begrijpen? A Ze hadden geen belangstelling voor Egypte. B Ze begrepen niets van de hiërogliefen. C Er was niets meer te zien over de geschiedenis van Egypte. D Egyptenaren hielden niet van toerisme. b Vul de juiste naam en woorden in. Door de ontdekking van Champollion konden onderzoekers de hiërogliefen lezen. Deze geschreven bronnen geven meer informatie over de geschiedenis van Egypte dan ongeschreven bronnen. In deze toepassing stap je in de schoenen van een Egyptische jongen die opgeleid wordt tot schrijver. Met gegevens uit de bronnen in je hand- en werkboek beschrijf je hoe de opleiding verliep. Zet je uitleg in het schema. Bron Gaat over Uitleg HB bron 4 Voordelen van schrijversberoep Schrijvers waren vrijgesteld van belasting en dienstplicht WB bron 2 Nadelen van Zwaar en vies andere beroepen werk HB bron 4 Harde leraren Je kreeg slaag HB bron 4 HB bron 5 De juiste houding om te schrijven Schrijf- en oefenmateriaal bij een foutje In kleermakerszit Papyrus, stift, verfstoffen WB bron 3 Schrifttekens Teken voor schrijver Br on 2 Een Egyptische man die zijn zoon naar de schrijversschool bracht, wilde de jongen waarschuwen voor andere beroepen. Hij schreef het volgende. De timmerman die de ploeg hanteert Hij is vermoeider dan een landarbeider Er komt geen einde aan zijn zwoegen Hij heeft meer te doen dan zijn armen aankunnen De pottenbakker zit onder de aarde Al verkeert hij nog bij de levenden Hij wroet in de modder, meer dan een varken Om zijn aarden potten te bakken Vrij naar: Ons verleden in documenten Bron 3 Het teken voor schrijvers: de sesj. 13

15 hoofdstuk 1 Basis Hoofdstuk De tijd van jagers en boeren Het ontstaan van beschavingen 5 De Egyptische samenleving Intro Toen Meketre leefde was Egypte een andere samenleving geworden dan in 4000 v.c. Een deel van de Egyptenaren werkte niet meer op de akkers, maar had een ander beroep gevonden. En een machtige koning bestuurde Egypte, samen met helpers als Meketre. a Hoe konden de archeologen weten dat het graf dat zij vonden, van de Egyptenaar Meketre was? Zijn naam stond op een stuk papyrus. b De rovers hebben de 24 modellen niet meegenomen of vernield. Welke verklaring geeft de intro daarvoor? De spullen stonden in geheime ruimtes. c Kruis andere logische verklaringen aan. De rovers durfden de modellen niet mee te nemen. De modellen waren in de ogen van de rovers waardeloos. Er waren andere waardevolle goederen in het graf te vinden. De graven van hoge Egyptenaren werden continu bewaakt. Kijk naar HB bron 1 als een echte archeoloog of geschiedkundige. Vul de juiste naam en woorden in. Op een verhoging en in de schaduw kijkt Meketre naar de boeren die vee bijeendrijven. Waarschijnlijk moeten de boeren belasting betalen in de vorm van vee. Naast Meketre zitten dienaren en schrijvers, die het vee tellen en alles opschrijven. Meketre lijkt alles scherp in de gaten te houden. Een van de boeren of knechten krijgt een (lijf)straf. Misschien heeft hij zijn slootjes verwaarloosd. Elke boer moest meewerken aan de irrigatie landbouw. a Hoe weet je dat Meketre tijdens zijn leven een rijke en machtige Egyptenaar was? Meketre had veel bezit: vee en huizen. In zijn graf lagen prachtige voorwerpen. b De modellen uit het graf van Meketre geven ook informatie over het leven van gewone Egyptenaren. Leg dat uit. Je ziet boeren en handwerkslieden. Verwerking a De boeren in de dorpjes werkten samen. Waarom was dat belangrijk voor alle Egyptenaren? Om genoeg voedsel te verbouwen. b Alleen samen konden ze bepaalde taken goed doen. Kruis die taken aan. Sloten en kanalen graven. De koeien melken. Hun boerderijtje onderhouden. Ervoor zorgen dat het water alle akkers kon bevloeien. Gebruik HB bron 2 en de informatie in de leertekst. a Wat wordt bedoeld met een tussentijd? Een periode van meer armoede en onrust. b Waardoor kon zo n tussentijd beginnen? Door oorlogen of mislukte oogsten. c Vul het juiste woord in. Tijdens alle bloeiperiodes stond in Egypte een farao aan het hoofd van het bestuur. d Welke uitspraken horen niet bij deze Egyptische koning? Kruis ze aan. De koning werd gekozen door het volk. De Egyptenaren moesten gehoorzamen. De koning gaf opdrachten aan zijn ambtenaren. Alle Egyptenaren mochten meebeslissen over de plannen van de koning. Gebruik HB bron 3. a Wie stond aan het hoofd van het Egyptische leger? De farao. b Waaruit bestond volgens de afbeelding de uitrusting van de Egyptische krijgers? Speren en schilden. Een farao kon om allerlei redenen een oorlog beginnen: meer macht, rijkdom of aanzien. Zet de volgende motieven (redenen) op de juiste plaats in het schema: goud meer land handel heldenverering meer onderdanen bewondering. Macht Rijkdom Aanzien Meer land Handel Heldenverering Meer Goud Bewondering onderdanen Zet de volgende ontwikkelingen in de juiste volgorde. Begin met wat het eerst gebeurde. Schrijf alleen de letters op. A Een belangrijke periode in de Egyptische geschiedenis was het Nieuwe Rijk. B Egypte bestaat uit een deel dat Boven-Egypte was en een deel dat Beneden-Egypte was. C In het jaar 332 v.c. werd Egypte ingenomen door een Griekse veroveraar. 14

16 D Heel Egypte kwam onder leiding van één farao. Juiste volgorde: B, D, A, C. a Gebruik WB bron 1. Je ziet een getekende piramide. Zet de volgende werkzaamheden in die piramide, van meest belangrijk naar minst belangrijk: land bewerken helpen bij het bestuur brons gieten of timmeren zwaar onbetaald werk doen schrijven bestuur. b Leg uit dat Meketre een ambtenaar was. Hij hielp de farao bij het bestuur. c Bron 1 Leg uit welke sociale laag in jouw ogen het belangrijkst was voor de welvaart van Egypte. De boeren, want zij bewerkten het land. Sociale lagen in Egypte. bestuur... helpen bij... het bestuur schrijven... brons gieten of timmeren... land bewerken... zwaar onbetaald werk doen... Toepassingsopdracht Oorlog voeren! In deze toepassingsopdracht gaat het over het leger van de Egyptenaren en over de farao s die legeraanvoerders waren. Gebruik HB bron 4. Ongeveer jaar v.c. werden de farao en zijn leger verslagen door een volk uit Klein-Azië. Zij hadden strijdwagens. a Hoe kun je zien dat de farao s van het Nieuwe Rijk dit nieuwe strijdmiddel ook gebruikten? Toetanchamon rijdt in zo n strijdwagen. b Op de afbeelding zie je farao Toetanchamon als een dappere held op zijn strijdwagen. Die afbeelding kan niet kloppen met de werkelijkheid. Hoe weet je dat Toetanchamon geen dappere strijder was? A Daar had hij geen zin in. B Hij overleed al jong en heeft niet aan veldslagen meegedaan. C Hij was alleen maar bezig met het laten bouwen van zijn piramide. D Strijdwagens waren er voor soldaten en niet voor farao s. Farao Ramses II leefde van 1290 tot 1224 v.c. Er zijn veel afbeeldingen waarop hij te zien is in een strijdwagen en als overwinnaar in oorlogen. Lees WB bron 2. a Wie vochten er tegen elkaar? De Egyptenaren en de Hittieten. b Wie was de overwinnaar volgens deze tekst? Farao Ramses II (en zijn leger). Bron 2 Egyptisch verslag van een strijd tussen het Egyptische leger en het leger van de Hittieten. De slag bij Kadesj De farao schoot zijn pijlen naar rechts en verdedigde zich links. Alle vijandelijke strijdwagens werden in de pan gehakt. De vijanden hadden geen handen meer om zich te verdedigen. Ze waren niet eens meer in staat hun zwaarden te trekken en vast te houden. De laffe koning van Hatti, die tussen zijn manschappen en strijdwagens stond in het gevecht tegen Zijne Majesteit, sloeg bevend van schrik op de vlucht. Deze oude tekst is te lezen in het Ramses museum in Thebe. De tekst in WB bron 2 is niet erg geloofwaardig. Waar blijkt dat uit? Er staat niets over het aantal paarden voor de strijdwagens. Het lijkt alsof de farao alle vijanden in zijn eentje verslaat. De tekst zegt dat de Hittieten en hun koning laf zijn. De Egyptenaren lijken heel slechte soldaten. Er zijn ook bronnen van de Hittieten waarin staat dat farao Ramses grote verliezen leed en op de vlucht sloeg. Waarom is het heel moeilijk om precies te weten wat er gebeurd is? Streep door wat niet juist is. Er zijn te veel weinig bronnen die goede informatie geven. De bronnen zijn wel niet partijdig. Waren de farao s echt onoverwinnelijke heersers? a Streep door wat niet juist is en vul je uitleg in. Farao Toetanchamon: ja nee, omdat hij nooit heeft meegevochten in een oorlog. Farao Ramses II: ja nee, omdat hij niet volgens alle bronnen de overwinnaar was van de strijd tegen de Hittieten. b Waarom werden farao s als helden afgebeeld en beschreven? Twee antwoorden zijn goed. Kunstenaars wilden de farao vereren in tempels en paleizen. De farao had goddelijke kracht. De Egyptenaren waren veel sterker dan andere volken. Het hoorde bij de verering van de farao als hoogste leider en beschermer van het land. 15

17 hoofdstuk 1 Basis Hoofdstuk De tijd van jagers en boeren Het ontstaan van beschavingen 6 Goden en mummies Intro Overal in Egypte stonden tempels en beelden. Alle Egyptenaren, van hoog tot laag, deden mee aan het vereren van goden. De Egyptenaren geloofden ook dat er nog een leven na de dood kwam. De Egyptenaren gaven veel aandacht aan de doden. Vul de juiste woorden in. Ze maakten mummies van overleden mensen. Dode farao s werden in piramides en grafkamers begraven. Bekijk HB bron 1. a Waar gaat deze afbeelding over? Het mummificeren van een dode. b Je hebt in paragraaf 4 geleerd over het Egyptische schrift. Hoe moet je deze afbeelding bekijken? A Van links naar rechts. B Van beneden naar boven. C Van rechts naar links. D Van boven naar beneden. Verwerking Kruis de twee juiste uitspraken aan. Egyptenaren aanbaden veel verschillende goden. De Egyptenaren vereerden slechts één god. Voor de Egyptenaren was hun farao de enige god. De Egyptenaren vereerden dieren en natuurkrachten. a Welke groep Egyptenaren hield zich dagelijks bezig met het vereren van de goden? De priesters. b Hoe werden de goden vereerd? A Door grafkamers te bouwen. B Door tempels te bouwen en offergaven te brengen. C Door een bedevaart te houden. D Door te knielen en te gaan bidden. a Waarom was Amon de belangrijkste god? Schrijf twee redenen op. Hij was de zonnegod en beschermde de farao. b Waarom zou de zon belangrijk zijn in de natuurgodsdienst van de Egyptenaren? De zon geeft warmte en licht. Die zijn ook nodig voor de landbouw. Gebruik de leertekst en de bronnen uit het HB. Goden werden in het oude Egypte vaak als mens en als dier afgebeeld. Geef van allebei een voorbeeld. Me ns : Osiris. Dier: Anubis. Bekijk HB bron 3. Archeoloog Carter ontdekte het graf van Toetanchamon. De dode farao kreeg zelfs voedsel en spelletjes mee in zijn graf. Welke conclusies zijn juist? De Egyptenaren dachten dat het leven na de dood doorging. De Egyptenaren geloofden niet in een leven na de dood. De Egyptenaren dachten dat het leven na de dood leek op het leven op aarde. De reis naar het dodenrijk was lang en moeilijk. Bekijk HB bron 2. a Overleden mensen kregen een dodenboek mee. Bedenk zelf een toverspreuk voor zo n dodenboek. Bijvoorbeeld: bescherm mij tegen monsters. Of: laat mij niet verdwalen. b De naam van de god van het dodenrijk komt vaak voor in zo n dodenboek. Hoe heette die god? Osiris. Vul de juiste woorden in. De Egyptenaren geloofden in goed en kwaad. Je kon alleen in het dodenrijk komen, als je goed geleefd had. Daarvoor werd je hart op een weegschaal gelegd. De Egyptenaren waren niet gelijk aan elkaar. Wie rijk en machtig was, liet zijn lichaam mummificeren. Arme mensen kregen een graf in de woestijn. Bekijk HB bron 1. De mummiemakers moesten bijna alles van het dode lichaam bewaren. Maag, darmen, lever en longen werden uit het lichaam gehaald en in kruiken gedaan. Wat valt je op aan de kruiken op de afbeelding? Er zitten speciale dierenkoppen op. De graven voor de farao s waren niet allemaal hetzelfde. Sommige farao s liggen in rotsgraven, anderen in piramides. Zet achter de periodes hoe de graven eruitzagen. Oude Rijk: piramides. Middenrijk en Nieuwe Rijk: rotsgraven (in het Dal der Koningen). De zinnen hieronder zijn in tweeën geknipt. Maak de juiste combinaties. A Het geloof in veel goden is een B Priesters hadden een belangrijke rol bij de verering van C Het mummificeren van de overleden mensen was nodig D Piramides en andere koningsgraven werden gebouwd 16

18 1 om verder te leven in het dodenrijk. 2 belangrijk kenmerk van de Egyptische godsdienst. 3 als veilige rustplaats voor de mummie van de farao. 4 goden door tempels te onderhouden en te offeren. Juiste combinaties: A2, B4, C1, D3. Toepassingsopdracht Beroemde farao s Er zijn honderden farao s geweest. Sommigen heersten kort over Egypte, anderen tientallen jaren lang. Deze toepassingsopdracht gaat over een farao die veranderingen doorvoerde. Wat maakte deze farao zo apart? Nieuwe farao s eerden de oude goden door offers te brengen. Lees WB bron 1. Bron 1 a Wat was de naam van de jonge farao uit WB bron 1, die in 1353 v.c. op de troon kwam? Farao Amenhotep IV. b Deze naam betekent: Amon is tevreden. Wat zegt dat over het geloof van de jonge farao? Twee antwoorden zijn goed. De farao geloofde nog in Amon. De farao was tegen Amon. De farao aanbad de oude goden net als zijn voorgangers. De farao geloofde helemaal niets van de goden. Een nieuwe farao en een nieuwe god. Amenhotep IV, de dienaar van Aton De nieuwe farao heette in het begin Amenhotep, net als zijn vader. Na een tijdje veranderde Amenhotep IV zijn naam. Zijn nieuwe naam betekende: dienaar van Aton. Hij schreef zelfs een gedicht over Aton: Schitterend verschijnt u aan de horizon, O Aton, Schepper van het leven, O enige God, Ik draag u in mijn hart. Bekijk en lees HB bron 5. Deze bron gaat over dezelfde farao als WB bron 1. De nieuwe zonnegod is aardig voor de farao. Hoe zie je dat? De zonnestralen raken de farao. Deze farao maakte een einde aan het geloof in meerdere goden in Egypte. a Gebruik WB bron 1. Welke nieuwe god vereerde de farao? Aton. b Welke god had het meest te lijden van de vernieuwingen? De belangrijkste god, Amon. c Machtige Egyptenaren verzetten zich tegen het geloof in één god. Zij verloren hun macht. Leg uit wie dat waren. De priesters van andere goden: werden overbodig door het geloof in Aton. De farao en zijn vrouw Nefertiti lieten een nieuwe hoofdstad bouwen met nieuwe tempels. Kruis twee redenen aan die de farao daarvoor had. Elke nieuwe farao liet een nieuwe hoofdstad bouwen. In de andere steden werden de oude goden vereerd. In de andere steden stonden tempels van de oude goden. Een nieuwe hoofdstad gaf meer aanzien aan de farao. Na zeventien jaar bewind overleed de farao. De nieuwe farao s gingen terug naar Memphis, de Aton-tempels werden gesloopt en de naam van de farao werd weggehakt. a Welke conclusie kun je daaruit trekken? De oude goden kwamen terug. b De opvolger was Toetanchamon. Wat zegt deze naam? Hij was een aanbidder van Amon. Met behulp van de bronnen en vragen ga je een puzzel invullen. Als je alles goed hebt ingevuld, komt in de grijze kolom de naam van de farao over wie deze toepassing gaat. Eén antwoord is al ingevuld. 1 Opvolger van de farao die in 1336 v.c. overleed en die zelf op jonge leeftijd gestorven is. 2 Onderzoekers die nog steeds met opgravingen proberen om meer bronnen over de opstandige farao te vinden. 3 De eerste naam van de farao uit WB bron 1. 4 De enige god die de nieuwe farao nog wilde aanbidden. 5 De huidige naam van de nieuwe koningsstad die de farao en zijn vrouw lieten bouwen. 6 De naam van de vrouw van de farao. 7 De god van het dodenrijk. 8 De belangrijkste god uit de tijd dat de Egyptenaren meerdere goden mochten aanbidden. 1 T O E T A N C H A M O N 2 A R C H E O L O G E N 3 A M E N H O T E P 4 A T O N 5 A M A R N A 6 N E F E R T I T I 7 O S I R I S 8 A M O N 17

19 hoofdstuk 1 Verdieping Hoofdstuk De tijd van jagers en boeren Het ontstaan van beschavingen 7 Piramides en hunebedden Er zijn nog veel raadsels over de bouw van piramides en hunebedden. Nog niet zo lang geleden dachten mensen dat er reuzen, buitenaardse wezens en tovenarij aan te pas waren gekomen. Jij gaat proberen achter de waarheid te komen. a Er is niets meer te vinden van de mensen die in de hunebedden werden begraven. Door het natte klimaat in Nederland zijn hun lichamen vergaan. Waarom gebeurde dat bijna nooit in de Egyptische koningsgraven en grafkamers? Daar zijn mummies door de droogte en de behandeling bewaard gebleven. b In een piramidetekst uit 2325 v.c. lees je de volgende toverspreuk: O God Atoem, bescherm deze koning en zijn piramide, zorg ervoor dat er niks kwaads gebeurt. Door welke oorzaak zijn de meeste koningsmummies toch verdwenen? A Door het vochtige klimaat. B Door de overstroming van de Nijl. C Door de hitte en de droogte. D Door grafrovers en plunderaars. Lees HB bron 2 en WB bron 1. Vul de juiste woorden in. Een paar eeuwen geleden begrepen mensen nog niet veel van hunebedden. Sommigen dachten dat ze door reuzen gebouwd waren. Het woord hunebed komt van huynen. Anderen beweerden dat ze rond het jaar 500 door de Hunnen, invallers uit Azië, gebouwd waren. Archeologen Bron 1 kwamen erachter dat hunebedden ongeveer jaar geleden werden gebouwd om mensen in te begraven. Misverstanden over hunebedden. Steenhopen In de 17e eeuw dachten veel mensen er net zo over als dominee J. Picardt. Hij schreef in 1660 in een boek over steenhopen, die gebouwd waren door gruwelijke, barbaarse en wrede reuzen, huynen genaamd. Vanaf dat moment kwam de naam hunebedden (van huynen ) in gebruik. In de 19e eeuw dachten mensen dat de bouw rond het jaar 500 door de Hunnen was gedaan. Anderen meenden dat de Noormannen de hunebedden rond 800 hadden gebouwd. Een belangrijke vraag is: wat vertellen de bronnen over de bouw van piramides en over de bouw van hunebedden? Streep door wat niet juist is en vul de ontbrekende woorden in. Over de bouw van de hunebedden zijn alleen geschreven ongeschreven bronnen te vinden. De piramides zijn gebouwd in de tijd dat de Egyptenaren het hiërogliefenschrift gebruikten. Uit deze periode van de Egyptische geschiedenis hebben geschiedkundigen al schriftelijke bronnen. Dit soort bronnen zijn er niet over de bouw van hunebedden. a Hoe komt het dat er geen schriftelijke bronnen zijn van de mensen van de Trechterbekercultuur? Zij leefden in de prehistorie, zonder schrift. b Toch weten de onderzoekers voor welk doel de hunebedden gebouwd werden. Hoe weten ze dat? Archeologen vonden grafgiften, die de overleden mensen meekregen. Bekijk WB bron 2. Deze tekenaar heeft bedacht hoe hunebedden gebouwd werden. a Schrijf onder elke fase van de bouw wat er op de tekening gebeurt. Eén onderschrift is al gegeven. Houd de uitleg kort. b Waarom is het onzeker of de hunebedden zo zijn gebouwd? Er zijn geen schriftelijke bewijzen of afbeeldingen. De Egyptenaren hebben veel geschriften nagelaten, maar niet over de piramidebouw. Kruis de mogelijke verklaringen aan. Bijna niemand mocht weten hoe de piramide in elkaar za t. Schrijvers kregen andere opdrachten te vervullen. Als rovers wisten hoe de piramide gebouwd was, konden ze gemakkelijker binnenkomen. Er was geen tijd om alle delen van de bouw te beschrijven. Er zijn geen geschreven bronnen over de bouw van piramides. a Waaraan kun je zien dat HB bron 3 en HB bron 4 niet over de bouw van piramides gaan? Streep door wat niet juist is. Bron 3 gaat over het slepen van een standbeeld van een farao machtige Egyptenaar. In bron 4 zie je stenen die te klein te groot waren voor een piramide. b Deze afbeeldingen geven toch belangrijke informatie over de Egyptische bouwers. Leg dat voor beide afbeeldingen uit. Je ziet hoe ze grote stenen verplaatsten. Je ziet steenbewerkers met hun gereedschap. 18

20 Bron 2 De bouw van een hunebed. b Streep door wat niet juist is. Herodotus schreef over gebeurtenissen waar hij zelf wel niet bij was geweest. Hij had wel geen bewijs voor zijn verhalen. Het is dan ook wel niet zeker dat farao Cheops zijn werkers als slaven behandelde. Met ronde palen worden de stenen verplaatst. Bron3 Herodotus over de piramidebouw. Grote ellende Cheops stortte Egypte in de grootst mogelijke ellende. Hij dwong alle Egyptenaren voor hem te werken. Je eigen antwoord. Telkens waren er mannen die stenen moesten aanvoeren. Tien jaar lang duurde deze ellende van het volk, want zij moesten een weg aanleggen, waarover ze de stenen moesten slepen. Twintig jaar lang duurde de bouw van de piramide zelf. Je eigen antwoord. Vrij naar: Herodotus, Historiën (ca. 450 v.c.). Lees WB bron 4. Onderzoekers denken tegenwoordig dat de uitleg van Herodotus niet klopt. Zij geloven in uitspraak II. a Wat kan er wel juist zijn in de uitleg van Herodotus over de piramides? Je eigen antwoord. De bouw van de piramide duurde twintig jaar. Alle Egyptenaren moesten aan de piramide werken. Er waren mannen nodig. De aanleg van een weg om de stenen omhoog te slepen duurde tien jaar. Je eigen antwoord. b Wie heeft(hebben) volgens jou gelijk: Herodotus of de moderne onderzoekers? Leg je keuze uit. Je eigen antwoord. Twee uitspraken: I De bouwers van de piramides waren slaven, die dwang- arbeid verrichtten en onmenselijk behandeld werden. II De werklieden waren vrije mensen, die goed opgeleid Bron4 De nieuwste ideeën over werkers aan de piramides. waren en goed behandeld werden. a Welke uitspraak hoort bij HB bron 5? Slavenwerk? Uitspraak I. Het was voor de farao en zijn ambtenaren onmogelijk b Lees WB bron 3. Hoe werden de Egyptische werkers om slaven te bewaken en dwangarbeid te volgens Herodotus behandeld? laten doen. Er waren niet genoeg bewakers. In de oude Hij vond dat de farao zijn volk als slaven behandelde. bronnen staat niets over zo n massa slaven die moesten Herodotus legde uit waar zijn verhalen vandaan kwamen. Hij Bij opgravingen bij de piramides zijn dorpjes gevonden schreef: De regel waaraan ik mij in mijn hele boek houd, is om waar ongeveer werkers leefden. Zij hadden goede alles op te schrijven wat ik van ieder mens ooit heb gehoord. huizen en er was voldoende eten. Heel anders dan bij a Hoeveel jaar zit er tussen de tijd waarin de piramides slaven die slecht behandeld werden. Waarschijnlijk werd werden gebouwd en de tijd waarin Herodotus deze tekst werk aan de piramides door ijverige mensen gedaan, schreef? die een belangrijke taak vervulden. Zij werden ook goed Ongeveer jaar. verzorgd. meewerken aan de bouw. Vrij naar: B. Manley, The seventy great mysteries (2003). 19

21 hoofdstuk 1 Hoofdstuk De tijd van jagers en boeren Het ontstaan van beschavingen 8 Afsluiting Vaardigheid Wat doe je met bronnen bij geschiedenis? Stel je voor dat er niets was overgebleven van vroeger. Alles weg door een tsunami of een andere natuurramp. Oude tempels, kastelen, dagboeken, schilderijen, harnassen allemaal verdwenen. Zelfs musea zijn alles kwijt. Dan wordt het moeilijk om nog veel over het verleden te ontdekken. a Wat is nodig om iets te weten te komen over het verleden? Overblijfselen, bronnen. b Gebruik het schema. Vul de ontbrekende begrippen in. Soorten bronnen Geschreven bronnen Ongeschreven bronnen Voorbeelden van bronnen Teksten van Herodotus Teksten op de Steen van Rosette Vuistbijlen Hunebedden Mummies Streep door wat niet juist is. De overgang van prehistorie naar geschiedenis heeft ervoor gezorgd dat we meer minder weten over het verleden. Dat komt door de uitvinding van de landbouw het schrift. Daardoor komen er geschreven ongeschreven bronnen. Gebruik de bronnen in je handboek. Je bent bijna klaar met dit hoofdstuk. Je hebt geleerd over veranderingen in het bestaan van onze voorouders. Maak het schema af. Welke bron? HB bron 1 Welke mensen? Wat was kenmerkend? Welk bestaansmiddel? Jagersverzamelaars Rondtrekken HB bron 2 Boeren Vaste woonplaats Jagen en verzamelen Landbouw: akkerbouw en veeteelt Chronologie Chronologie betekent tijdrekenkunde. Dat heeft natuurlijk veel met geschiedenis te maken. Het gaat erom de gebeurtenissen uit de geschiedenis in de juiste tijdsvolgorde te zetten. a Zet de gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde. A Je eigen geboortejaar. B De Tweede Wereldoorlog. C Het ontstaan van de aarde. D De regering van farao Toetanchamon. Juiste volgorde: C, D, B, A. b Welke zinnen hebben met chronologie te maken? Toetanchamon was de opvolger van farao Echnaton. De piramide van Cheops was 146 meter hoog. In de oudste periode van Egypte werden farao s in piramides begraven en later in rotsgraven. De chronologie die wij tegenwoordig gebruiken, heeft te maken met het christendom. a Welke gebeurtenis vormt het begin van de christelijke jaartelling? A Het ontstaan van de aarde. B De uitvinding van het schrift. C Het begin van de landbouw. D De geboorte van Jezus Christus. b China, Arabische landen en andere culturen gebruiken soms een andere jaartelling. Leg dat uit. Zij geloven niet in Jezus Christus. Bekijk de tijdbalk in je handboek en lees WB bron 1. a Streep door wat niet juist is. De tijd van de prehistorie gaat over een langere kortere Bron 1 periode dan de tijd van de geschiedenis. De christelijke jaartelling is voor na de geboorte van Jezus Christus ingevoerd. De Egyptische farao s in dit hoofdstuk leefden voor na Christus. De Egyptenaren gebruikten in de tijd van de farao s wel niet de christelijke jaartelling. De Egyptenaren hadden wel een geen tijdrekening. b Vul de juiste woorden in. Net als bij ons had de Egyptische kalender 365 dagen. Het nieuwe jaar begon bij de Egyptenaren op de dag van de overstroming van de Nijl. De tijdrekening van de Egyptenaren had te maken met het jaar waarin een nieuwe farao aan de macht kwam. De jaartelling van de Egyptenaren. De volgorde van de farao's De Egyptenaren hadden een kalender met 365 dagen. Daarmee berekenden ze de dag waarop de Nijl ging overstromen. De Egyptische jaartelling is een ander verhaal. De Egyptenaren zijn niet bij het jaar 1 begonnen, zoals onze jaartelling. De Egyptenaren begonnen elke keer opnieuw te tellen als er een nieuwe farao kwam. Soms heerste een farao vijf jaar, soms veertig jaar, maar ze begonnen steeds weer bij 1. Geschiedkundigen 20

22 moeten al die regeringsperiodes van de farao s bij elkaar optellen. Dan hebben ze een overzicht en kunnen ze belangrijke gebeurtenissen uit de Egyptische geschiedenis een plaats geven. Vrij naar: Kies uit paragraaf 3, 4, 5 en 6 vier belangrijke gebeurtenissen. Zet die vier gebeurtenissen op de juiste plaats in de tijdbalk van WB bron 2. Onze tijd: wat zie je terug van de tijd van jagers en boeren? De Egyptische cultuur houdt veel mensen nog altijd bezig. Hier volgen onderwerpen die met Egypte te maken hebben. Aan welke naam of welk begrip uit het oude Egypte zullen mensen tegenwoordig denken? Kies uit: irrigatie Champollion Amon mummies piramide Echnaton Osiris hiërogliefen Cheops. Bij sommige begrippen kun je meer antwoorden opschrijven. Bouwkunst: piramide. Schrift: hiërogliefen, Champollion. Godsdienst: Amon, Osiris, mummies. Farao: Echnaton, Cheops. Landbouw: irrigatie. Gebruik HB bron 3. De overstroming van de Nijl was voor de Egyptenaren het begin van het nieuwe jaar. De bouw van de Aswandam in de jaren 60 veranderde het leven in Egypte. Maar de moderne Egyptenaren wilden hun landgenoten uit de oudheid niet vergeten. a De bouw van de Aswandam bracht grote voordelen voor Egypte, maar ook nadelen. Vul het schema verder in. b Waaruit blijkt dat de Egyptenaren hun monumenten en kunstschatten zorgvuldig wilden beschermen? Ze brachten beelden en tempels naar een hoger gebied, zodat ze niet onder water kwamen. c De Egyptenaren waren geweldige bouwers. Wat denk jij, hadden zij onder de farao s ook zo n dam kunnen bouwen? Maak de zinnen af. Ja, want je eigen antwoord. Nee, want je eigen antwoord. Zonder dam Met dam Voordelen Jaarlijkse overstroming Vruchtbaar slib Altijd water beschikbaar Elektriciteit Nadelen Niet altijd dezelfde hoeveelheid water Geen vruchtbaar slib In veel landen vind je musea met prachtige voorwerpen uit het oude Egypte, bijvoorbeeld in het Louvre in Parijs. Bekijk HB bron 4. a Bedenk waarom de makers voor deze vorm kozen. Ze bewonderden de Egyptische bouwkunst. b Zoek op internet twee Nederlandse musea die een grote verzameling over Egypte hebben. Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en Allard Pierson Museum in Amsterdam. c Ga naar hun website en noem van elk museum een voorwerp dat zij laten zien over Egypte. Je eigen antwoord. Werk in een groepje met twee of drie klasgenoten. Stel, jullie beginnen zelf een museum over Egypte in de oudheid. Hoe moet je dat aanpakken? Maak een informatieblad voor jullie museum met behulp van de volgende vragen. Over welk onderdeel van de Egyptische geschiedenis wil je voorwerpen tentoonstellen? Welke voorwerpen wil je laten zien? Welke informatie geef je erbij? Hoe geef je die informatie (borden, mobiel, tablet)? Hoe maak je het museum boeiend voor scholieren? Bron 2 Tijdbalk v.c v.c v.c v.c v.c. 700 v.c. 500 v.c. 300 v.c v.c. Eerste landbouwers v.c. Verspreiding landbouw in het Midden-Oosten en Europa 332 v.c. Egypte ingenomen door Alexander de Grote 21

23 2 De tijd van Grieken en Romeinen De Grieken en Romeinen 1 Oriëntatie Intro De Romeinen namen veel van de Grieken over, bijvoorbeeld de beeldhouwkunst. Hierdoor ontstond een Grieks-Romeinse cultuur. Bekijk HB bron 1 en lees de tekst. a Hoe heet het tijdvak dat in dit hoofdstuk behandeld wordt? De tijd van Grieken en Romeinen. b Wat is een andere naam voor deze tijd? De oudheid. c Wanneer begint dit tijdvak? Rond 3000 v.c. d Rond welk jaar namen de Romeinen de Griekse cultuur over? Rond 200 v.c. a Kijk nog eens naar HB bron 1. De Romeinse goden hadden verschillende taken. Wat was de taak van de Romeinse godin Diana? Ze was godin van de jacht. b Hoe zie je die taak in het beeld terug? Noem twee dingen. Aan het hertje dat ze bij het gewei vastpakt. Aan de koker met pijlen op haar rug. c Lees WB bron 1. In de tekst van het HB heb je gelezen dat de Romeinen de Griekse beeldhouwkunst overnamen. Wat namen ze nog meer over van de Grieken? De goden (met andere namen). d Gebruik WB bron 1. Vul het schema in. Bron 1 Artemis. Verschillende namen Artemis was de godin van de jacht en de tweelingzus van Apollo. Artemis werd door de Romeinen Diana genoemd. Haar tweelingbroer Apollo was de god van de zon, de muziek, de dichtkunst en de geneeskunst. Bij de Romeinen had hij dezelfde naam. Hun vader Zeus, de oppergod, werd door de Romeinen Jupiter genoemd. Bekijk HB bron 2 en 3. Welke uitspraken zijn juist? Griekenland was in de 5e eeuw v.c. één land met duidelijke grenzen. De Romeinen veroverden Griekenland. Het Romeinse Rijk was in 117 n.c. op zijn grootst. a Diana wordt vaak afgebeeld met pijl en boog. Kijk nog eens naar het schema van vraag 2d. Stel dat jij een beeld zou moeten maken van Apollo, met welke spullen zou jij hem dan afbeelden? Bijvoorbeeld: met een zon, een muziekinstrument, een papierrol met dichtregels. b Maak hieronder een tekening van Apollo met een voorwerp waaraan je hem kunt herkennen. Naam bij de Grieken Naam bij de Romeinen Taak Artemis Diana Godin van de jacht Apollo Apollo God van de zon, muziek, dichtkunst en geneeskunde Zeus Jupiter Oppergod 22

24 Historisch denken Oorzaak en gevolg De begrippen oorzaak en gevolg zul je vaak tegenkomen bij het vak geschiedenis. Een oorzaak heeft te maken met waarom iets gebeurt. Een stuk glas in je fietsband bijvoorbeeld is de oorzaak van een lekke band. Een gevolg is iets dat volgt na een gebeurtenis. Het gevolg van de lekke band is dat je te laat op school komt. De begrippen oorzaak en gevolg helpen je te onderzoeken waarom iets gebeurde. In het schema hieronder staan drie zinnen. Bij iedere zin hoort een oorzaak en een gevolg. Alle oorzaken en gevolgen (A-F) zijn door elkaar geraakt. Welke oorzaak hoort bij de zin en welk gevolg? Vul het schema in. Eén oorzaak is al ingevuld. A De Romeinen hebben de goden van de Grieken overgenomen. B De Romeinen namen de Griekse cultuur over, zoals de Griekse manier van beelden maken en bouwen. C Er waren in Griekenland verschillende staten. D Het geloof van de Romeinen lijkt op dat van de Grieken. E Griekenland bestond uit allerlei kleine eilandjes en verder werden de gebieden van elkaar gescheiden door rivieren en bergen. F De Romeinen veroverden rond 200 v.c. Griekenland en kwamen zo in contact met de Griekse cultuur. Zin Oorzaak Gevolg Griekenland was niet één land met duidelijke grenzen. E C De Romeinen waren erg onder de indruk van de Griekse cultuur. F B De Griekse godin van de jacht, Artemis, heette bij de Romeinen Diana. A D Bedenk zelf een zin en een oorzaak en een gevolg erbij. Je mag zelf bedenken waar het over gaat. Zin: je eigen antwoord. Oorzaak: je eigen antwoord. G e volg : je eigen antwoord. a Lees WB bron 2. De Grieken en Romeinen vertelden elkaar veel verhalen over hun goden. In deze verhalen probeerden ze een oorzaak te vinden voor een bepaalde gebeurtenis of voor een verschijnsel in de natuur. Welke zinnen zijn juist? Bron 2 De oorzaak van Apollo s boosheid is dat zijn zus nooit meer tijd voor hem heeft. Dat Orion een goede jager en een knappe jongen is, is een gevolg van Artemis verliefdheid. De boosheid van Apollo is er de oorzaak van dat hij een schorpioen op Orion afstuurt. Dat Orion het water in vlucht, is een oorzaak van het sturen van de schorpioen. De dood van Orion is een gevolg van de list van Apollo. b Lees WB bron 3. Waarvoor geeft het verhaal van Artemis en Orion een verklaring? Het ontstaan van het sterrenbeeld Orion (de jager) aan de sterrenhemel. Artemis en Orion. De wraak van Apollo De goden Artemis en Apollo gingen vaak samen jagen. Op een dag ging Artemis alleen en leerde ze Orion kennen. Orion was een mens, maar hij was een geweldige jager en ook nog knap. Artemis werd op slag verliefd. Apollo was boos. Zijn zus had nooit meer tijd voor hem. Hij bedacht een list: op een dag dat Artemis niet in de buurt was, stuurde hij een enorme schorpioen op Orion af. Orion vluchtte doodsbang weg, zo ver mogelijk de zee in. Toen Orion nog maar een klein stipje was, riep Apollo Artemis. Zoals zo vaak daagde hij haar uit voor een schietwedstrijd. Hij zei: Ik durf te wedden dat je dat kleine stipje in zee niet kunt raken. Natuurlijk kan ik dat! antwoordde Artemis. Ze schoot, raakte en het stipje verdween in het water. De volgende dag waste Artemis zich in zee en vond het dode lichaam van Orion. Ze nam hem in haar armen en plaatste hem als een sterrenbeeld aan de hemel, samen met zijn hond Sirius. Bron 3 Orion. Een van de mooiste sterrenbeelden Orion is, naast misschien de Grote Beer, het helderste en mooiste sterrenbeeld aan de hemel. In de winter kun je het sterrenbeeld in het zuiden vinden, tussen de Stier en de Kleine en de Grote Hond. 23

25 hoofdstuk 2 Basis Hoofdstuk De tijd van Grieken en Romeinen De Grieken en Romeinen 2 Het leven in een Griekse stadstaat Intro Bekijk HB bron 1 en lees de intro. De Akropolis, het plein en de heuvel Pnyx waren belangrijke plekken in de stad Athene. Waarvoor waren deze plekken belangrijk? Vul het schema in. Kies uit: bestuur geloof handel rechtspraak ontmoetingsplek veiligheid. Plek in de stad Akropolis (hoge stad) Het plein De heuvel Pnyx Verwerking Onderdeel leven Grieken Geloof Veiligheid Rechtspraak Handel Ontmoetingsplek Bestuur a Leg uit wat een polis is. Een stad met het omringende land. b Er waren veel overeenkomsten tussen de Griekse stadstaten. Welke? Ze spraken dezelfde taal. Ze hadden dezelfde regels en wetten. Ze vereerden dezelfde goden. Ze hadden dezelfde bouwstijl. Ze hadden hetzelfde bestuur. a Wat is politiek? Alles wat te maken heeft met het besturen van een stad of een land. b Het belangrijkste verschil tussen de Griekse stadstaten was de manier waarop ze bestuurd werden. Welke drie verschillende bestuursvormen staan in de leertekst? Een bestuur door een koning. Een bestuur door rijken. Een bestuur door burgers. In Griekenland waren niet alle mensen gelijk. Zet de volgende groepen mensen in de juiste volgorde: van belangrijk naar onbelangrijk. Begin met de belangrijkste mensen. A Slaven. B Vreemdelingen en vrije mannen zonder burgerrecht. C Vrije mannen met burgerrecht. D Vrouwen. Goede volgorde is: C, B, D, A. a In Athene waren niet alle mensen burger. Wie hadden in Athene burgerrecht? Streep door wat niet juist is: vrije mannen vreemdelingen vrouwen slaven. 24 b Welk recht had je met het burgerrecht? Je mocht meebeslissen in de volksvergadering. Je mocht de stad helpen besturen. c Leg het woord democratie uit. Demos betekent volk. Een democratie is een bestuur door het volk. d Welke groepen mochten niet meedoen aan de Atheense democratie? Slaven. Atheense vrije mannen, jonger dan 18 jaar. Vreemdelingen. Atheense vrije mannen, ouder dan 18 jaar. Vrouwen. a Slavernij was in het oude Griekenland heel normaal. Wat is een slaaf? Een persoon die het bezit van iemand anders is. b Hoe werd je slaaf? Door geboorte of als je gevangen was genomen tijdens een oorlog. c Wat denk je: konden slaven verkocht worden? Leg je antwoord uit. Ja Nee, want ze waren het bezit van iemand anders. Lees WB bron 1. Elke stadstaat had zijn eigen regels, ook over slaven. Hoe zie je dat terug in de bron? De schrijver van de bron vindt het heel raar dat je in Athene een slaaf niet mag slaan. Blijkbaar mag dat in zijn eigen stadstaat wel. Br on 1 Tekst over de manier waarop je om moet gaan met slaven (door een onbekende schrijver in ongeveer 425 v.c.). Vreemde toestanden Het is toch vreemd dat in Athene de slaven niet voor je opzijgaan en dat je ze niet mag slaan? De reden hiervoor is dat je anders veel te vaak een vrije Atheense man zou raken. De vrije Atheense mannen zijn namelijk hetzelfde gekleed als de slaven. Vrij naar: Pseudo-Xenophon, De staat van de Atheners I, Bekijk HB bron 5 en lees het bijschrift. Waarom verbouwden de Grieken veel olijven?

26 Olijfbomen groeien als een van de weinige bomen ook goed op onvruchtbare grond en in Griekenland was veel onvruchtbare grond. De Grieken verbouwden zelf hun voedsel, maar ze dreven ook handel. Zet een V voor de producten die de Grieken verkochten en een K voor de producten die de Grieken kochten. V Aardewerk. K Graan. V Olijfolie. V Wijn. Wat waren de belangrijkste taken in het dagelijks leven van de Grieken? Zet de volgende antwoorden op de juiste plek in het schema: letten op het huishoudgeld gaan naar school houden toezicht op de huisslaven nemen alle beslissingen in het gezin nemen alle beslissingen in de politiek werken buitenshuis worden voorbereid op het huwelijk. Groep Mannen Rijke vrouwen Arme vrouwen Jongens Meisjes Toepassingsopdracht Taken in het dagelijks leven Nemen alle beslissingen in het gezin Nemen alle beslissingen in de politiek Letten op het huishoudgeld Houden toezicht op de huisslaven Werken buitenshuis Gaan naar school Worden voorbereid op het huwelijk De Atheense en de Nederlandse democratie In Athene was voor het eerst het volk aan de macht. Het is de oudste democratie. Nederland is ook een democratie. Je gaat in deze toepassingsopdracht de verschillen en overeenkomsten tussen de Atheense en de Nederlandse democratie onderzoeken. a Lees WB bron 2. Vul in het schema de antwoorden in voor de Atheense democratie. Gebruik eventueel ook de informatie uit de leertekst. b Lees WB bron 3. Vul in het schema de antwoorden in voor de Nederlandse democratie. Bron 2 Hoeveel inwoners? Hoeveel procent hiervan mag stemmen? Hoeveel mensen zijn dat? Wie mogen er stemmen? Hoe vaak stemmen zij? Wie regeren er? Athene (500 v.c.) Nederland (nu) ,8 miljoen Ongeveer 13% Ongeveer 79% ,3 miljoen Atheense vrije mannen ouder dan 18 jaar Alle Nederlanders ouder dan 18 jaar 40x per jaar Eens in de 4 jaar De Atheense Beroepspolitici burgers zelf De Atheense democratie. In Athene woonden rond 500 v.c mensen. Van deze mensen had ongeveer 13% burgerrecht. Er waren dus ongeveer mannen die mee mochten beslissen over de politiek. Zij kwamen veertig keer per jaar bijeen op de heuvel Pnyx en stemden dan samen over de wetten. Als je vóór het invoeren van een wet was, dan stak je je hand op. Alle opgestoken handen werden geteld. Was een meerderheid voor de wet, dan werd de wet aangenomen. Bron 3 De Nederlandse democratie. In Nederland wonen bijna 16,8 miljoen mensen. In Nederland mogen alle Nederlanders ouder dan 18 jaar stemmen. Ongeveer 79% van de Nederlanders is ouder dan 18 jaar. Dat zijn dus 13,3 miljoen mensen. We stemmen eens in de vier jaar op beroepspolitici. Dit zijn mensen die van de politiek hun beroep hebben gemaakt. Zij besturen namens de Nederlandse bevolking. Waarom is een Atheense democratie in Nederland onmogelijk? (Hint: kijk in het schema bij het aantal mensen!) Er zijn in Nederland veel te veel mensen om gezamenlijk veertig keer per jaar beslissingen te nemen. Waarom was de Atheense democratie, volgens de ideeën in onze tijd, helemaal niet zo democratisch? Vrouwen mochten niet meebeslissen. Er bestond slavernij en slaven mochten niet stemmen. 25

27 hoofdstuk 2 Basis Hoofdstuk De tijd van Grieken en Romeinen De Grieken en Romeinen 3 Geloof en cultuur bij de Grieken Intro Bekijk HB bron 1 en lees de intro. In HB bron 1 staan nummers. Welk nummer hoort bij welke omschrijving? Maak de juiste combinaties. A Deze man bespeelt een fluit. B Deze hoge tafel is het altaar. Achter het altaar staat de godin Athene afgebeeld. Ze is herkenbaar aan haar schild. C Deze geit heeft beschilderde hoorns en wordt als offer naar het altaar gebracht. D Tijdens de optocht worden bloemenkransen en slingers gedragen. E Deze vrouw heeft de eer om de schaal met graan te dragen. Tussen het graan zit een mes verstopt. Hiermee zullen de dieren geslacht worden. F Deze man draagt een waterkan. Het water wordt gebruikt om de dieren mee te besprenkelen. Dit is een teken van puurheid. G Deze versierde stier zal als eerste geofferd worden. Juiste combinaties: A4, B7, C2, D1, E6, F3, G5. Streep door wat niet juist is. De priester die het verhaal over de optocht vertelt, is wel niet op de vaas afgebeeld. Verwerking Gebruik de leertekst en HB bron 2. Maak de juiste combinaties tussen Griekse goden en taken. 1 Hades A God van de oorlog 2 Aphrodite B Godin van het huwelijk 3 Zeus C Godin van de liefde 4 Athene D God van het dodenrijk 5 Ares E God van de zee 6 Poseidon F Oppergod, god van hemel, donder en bliksem 7 Hera G Godin van de krijgskunst en de wijsheid Juiste combinaties: 1D, 2C, 3F, 4G, 5A, 6E, 7B De Grieken geloofden dat de Griekse goden veel invloed hadden op de natuur. Ook beslisten ze over het leven van de mensen. Geef van allebei een voorbeeld. Invloed van de goden op de natuur: bijvoorbeeld: als het onweerde, dachten de Grieken dat Zeus boos was. Of: als er iets overstroomde, was Poseidon ontevreden. Invloed van de goden op de mensen: bijvoorbeeld: ziekte, een (on)gelukkig huwelijk, kinderen krijgen, het werd allemaal door de goden geregeld. Gebruik WB bron 1 en de leertekst. Welke zinnen zijn juist? Athene was vroeger de beschermgodin van de polis Athene. De Atheners wilden de zeegod Poseidon niet eren. Dit is een voorbeeld van een Grieks godenverhaal. De Atheners geloofden dat de godin Athene hen zou beschermen. Br on 1 Athene of Poseidon? Wie wordt de beschermgod(in) van de stad Athene? Athene, dochter van Zeus, en Poseidon, broer van Zeus en god van de zeeën, wilden allebei graag beschermer worden van de stad Athene. Poseidon gaf de stad ongetemde paarden en een waterbron, waar zoutig water uit stroomde. Athene schonk de stad een olijfboom. De Atheners kozen voor de olijfboom. Zo werd Athene de beschermgodin van Athene. Gebruik HB bron 2 en WB bron 1. Deze twee bronnen vertellen ons hoe de Grieken over hun goden dachten. Welke zin is goed? Griekse goden gedroegen zich als mensen. Griekse goden waren het altijd met elkaar eens. De Griekse goden deden altijd goede dingen. De Griekse goden werden net als mensen geboren. De Grieken dachten dat de goden veel invloed hadden op hun leven. Daarom was het belangrijk om de goden te vereren. In de leertekst worden drie manieren van godenverering genoemd. Welke? 1 O ffers brengen (wijn, offerdieren, zilver en goud). 2 Tempels bouwen en godenbeelden maken. 3 Feesten en sportwedstrijden organiseren (Olympische Spelen). a Om de vier jaar organiseerden de Grieken de Olympische Spelen. Wat was de belangrijkste reden daarvoor? Het eren van de oppergod Zeus. b Zoals wij voor of na Christus zeggen, zeiden de Grieken tijdens de zo-en-zoveelste Olympische Spelen. Wanneer vonden de eerste Olympische Spelen plaats? 776 v.c. 26

28 c In welk jaar vonden dan de tiende spelen plaats? In 740 v.c. (776 (9 x 4)). Bekijk HB bron 4. Welke sporten zie je hier afgebeeld? Speerwerpen en discuswerpen. Sommige Grieken gingen de natuur en de mens zelf onderzoeken. Een goed voorbeeld daarvan is de arts Hippocrates. a Waardoor werden mensen volgens Hippocrates ziek? Door slechte verzorging. Door te weinig offers te brengen. Door de goden te beledigen. Door ongezond te leven. b Hoe probeerde Hippocrates de oorzaak van een ziekte te vinden? Hij bekeek het lichaam en het gedrag van mensen heel precies. c Was Hippocrates een wetenschapper? Leg je antwoord uit. Ja Nee, want hij verzamelde kennis en bestudeerde deze kennis heel zorgvuldig. Filosofen bestuderen niet mens en natuur, maar stellen vragen over wat mensen denken en doen. Probeer het zelf maar eens. a Wat is volgens jou geluk? Geluk is je eigen antwoord. b Vergelijk je antwoord met dat van een klasgenoot. Hebben jullie hetzelfde antwoord? Kunnen jullie samen of met de hele klas tot één antwoord komen? Met de Griekse cultuur bedoelen we de gewoontes, de kunst en de ideeën van de Grieken. Over welk onderdeel van de Griekse cultuur gaan de volgende bronnen? Kies uit: bouwkunst schilderkunst beeldhouwkunst godenverhalen wetenschap filosofie. HB bron 1: schilderkunst. HB bron 2: godenverhaal (en schilderkunst). HB bron 3: bouwkunst. HB bron 4: schilderkunst. HB bron 5: wetenschap, bouwkunst, filosofie en beeldhouwkunst. Toepassingsopdracht Griekse godenverhalen De Grieken vonden in hun verhalen over goden en godinnen verklaringen voor gebeurtenissen in hun leven. Jullie gaan een godenverhaal onderzoeken. Lees WB bron 2. a Wat was de oorzaak van Persephone s ontvoering? De verliefdheid van Hades. b Wat was het gevolg van de verdwijning van Persephone? Dat haar moeder zo verdrietig was, dat de oogsten mislukten en de dieren onvruchtbaar werden. c Wat was hier het gevolg van? Dat er op aarde een hongersnood uitbrak. d Wat was de oorzaak dat Persephone maar zes maanden per jaar bij haar moeder kon zijn? Ze had in de onderwereld eten van de doden aangenomen. e Br on 2 Wat was hier het gevolg van? Dat er in de winter niets groeit en bloeit op aarde. Demeter en Persephone. Zeus huwelijkt zijn nichtje uit Hades, de god van de onderwereld, was tot over zijn oren verliefd op zijn nichtje Persephone. Hij vroeg zijn broer Zeus of hij met haar mocht trouwen. Zeus vond dat prima. Aan Persephone en haar moeder werd niets gevraagd. Hades ontvoerde zijn nichtje, terwijl ze bloemen aan het plukken was. Demeter zocht, vermomd als gewoon mens, dag en nacht naar haar dochter. Demeter was zo verdrietig dat ze niet in staat was haar werk te doen: de oogsten mislukten en de dieren werden onvruchtbaar. Hierdoor ontstond een hongersnood in de wereld. Toen ze erachter kwam dat haar dochter vastzat in de onderwereld, eiste ze van Zeus dat hij haar terug zou brengen. Zeus had daar geen zin in en daarom hadden de mensen op aarde geen eten. Uiteindelijk beloofde Zeus Persephone terug te halen naar de aarde. Er was alleen een probleem: Persephone had in de onderwereld granaatappelzaden gegeten. En wie eten van de doden had aangenomen, kon nooit meer terug. Uiteindelijk besloot Zeus dat Persephone ieder jaar zes maanden bij Hades en zes maanden bij haar moeder moest wonen. Als Persephone bij Hades was, liet Demeter niets groeien. Dat deed ze pas weer als haar dochter bij haar was, in de lente. Wat probeerden de Grieken met het verhaal uit WB bron 2 uit te leggen? Dit verhaal verklaart het ontstaan van de seizoenen en waarom er in de winter niets groeit op aarde. Dat komt door de goden. 27

29 hoofdstuk 2 Basis Hoofdstuk De tijd van Grieken en Romeinen De Grieken en Romeinen 4 Het Romeinse Rijk Intro Bekijk HB bron 1 en lees de intro. De wapenuitrusting van een Romeinse soldaat bestond uit vele onderdelen. Romeinse soldaten werden ook wel muilezels genoemd. Leg deze bijnaam uit. Muilezels worden gebruikt om spullen te vervoeren. Dat moesten de soldaten ook. De Romeinen gebruikten hun wapens voor verschillende doelen. Vul het schema in: zet het juiste wapen bij elke handeling. Kies uit: speer zwaard dolk. Soort handeling Man tegen man vechten Het op afstand aanvallen van de vijand Eten snijden Verwerking Wapen Zwaard Speer Dolk Lees de leertekst en gebruik HB bron 3 (de kaart van het Romeinse Rijk) uit de oriëntatie. Wanneer kwamen welke gebieden bij het Romeinse Rijk? Maak de juiste combinaties. A Tot 200 v.c. B Tot 133 v.c. C Tot 44 v.c. D Tot 14 n.c. E Tot 117 n.c. 1 Midden-Europa, Egypte, Noord-Afrika 2 Italië 3 Carthago, Griekenland, Spanje 4 Midden-Oosten, Roemenië, Engeland 5 Gallië en Turkije Juiste combinaties: A2, B3, C5, D1, E4. Gebruik de leertekst en lees HB bron 3. Om welke redenen wilden de Romeinen een groot rijk veroveren? Twee antwoorden zijn goed. De Romeinen wilden hun godsdienst verspreiden. De Romeinen wilden hun macht vergroten. De Romeinen wilden hun rijkdom vergroten. De Romeinen hadden een beroepsleger. Noem twee voordelen van een beroepsleger. Je hebt altijd een leger klaarstaan. Je hebt goed getrainde soldaten. Vul de juiste woorden in. De volken die door de Romeinen werden veroverd, mochten zichzelf blijven besturen in ruil voor belasting en soldaten. Het bestuur van de stad Rome en later het Romeinse Rijk kan in drie periodes verdeeld worden. In de leertekst worden drie verschillende manieren van besturen genoemd. Welke manier hoort bij welke periode? Vul het schema in. Periode Bestuurd door v.c. Koningen v.c. Rijke Romeinse families Vanaf 27 v.c. Keizers a Waarom kreeg Julius Caesar als legerleider veel macht in het Romeinse Rijk? Hij was heel populair onder zijn soldaten. b Bekijk HB bron 4. Caesar was de eerste Romein die zich op een munt liet afbeelden. Wat was de reden dat Caesar zich op een munt liet afbeelden, denk je? Dan kon iedereen zien dat hij de baas was in het Romeinse Rijk. c Waarom werd Caesar in 44 v.c. vermoord? De rijke Romeinse families waren boos dat hij hun macht had ingepikt. Het Romeinse Rijk veranderde in 27 v.c. in een keizerrijk. Welke zinnen passen daarbij? Caesar was de eerste Romeinse keizer. De naam caesar werd voortaan de titel van de machtigste persoon in het Romeinse Rijk. Er kwam een einde aan de macht van de rijke Romeinse families. Augustus was de eerste Romeinse keizer. Zet de volgende gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde, van vroeger naar later. A Augustus wordt keizer. B Julius Caesar verovert de gebieden tot aan de Rijn. C Rome is een dorpje. D Julius Caesar benoemt zichzelf tot dictator voor het leven. E Rome verovert heel Italië. Juiste volgorde: C, E, B, D, A. Onder keizer Augustus ontstond een periode van rust en vrede. Die periode duurde bijna 200 jaar. Vul de juiste woorden in. Augustus was een goede bestuurder. Hij verdeelde het keizerrijk in verschillende delen. In deze provincies werden door Romeinse bestuurders bevelen uit Rome uitgevoerd. De grenzen werden bewaakt door soldaten. Door de rust die ontstond, kon de handel tot bloei 28

30 komen en nam de welvaart toe. In het hele Romeinse keizerrijk liepen handelswegen en betaalden handelaren met Romeinse munten. Vul het schema in: zet de oorzaak en de gevolgen van het ontstaan van het Romeinse keizerrijk op de goede plaats. Oorzaak: soldaten zijn trouwer aan legerleider dan aan bestuur in Rome ONTSTAAN ROMEINSE KEIZERRIJK Gevolg: keizer heeft de macht Gevolg: periode van vrede en welvaart Toepassingsopdracht Caesar en Vercingetorix Vanaf 58 v.c. veroverde Julius Caesar Gallië (het huidige Frankrijk). Veel stammen in Gallië hadden zich verzet, maar ze hadden te weinig soldaten om te winnen van de Romeinen. In 53 v.c. besloot een aantal stammen samen te werken. Onder leiding van Vercingetorix kwamen zij in opstand tegen de Romeinen. Caesar en Vercingetorix vochten drie keer tegen elkaar. De laatste slag was bij de stad Alesia. In deze opdracht ga je een tekening maken van die slag en kom je erachter hoe het Romeinse leger te werk ging. Lees WB bron 1 t/m 3 goed door en vraag daarna een werkblad aan je docent. a Bekijk de plattegrond van Alesia en omgeving op het werkblad. b Gebruik WB bron 2 en teken op het werkblad hoe Caesar de stad omsingelde. Teken de forten, de wallen en de torens. c Gebruik WB bron 3 en geef met verschillende kleuren in de tekening aan hoe de slag verliep. Bron 2 De strategie van Caesar. Het omsingelen van de stad Alesia Julius Caesar zag dat een aanval op Alesia zinloos was. Hij besloot de stad te omsingelen en de Galliërs uit te hongeren. Hij liet zijn leger: 1 22 forten bouwen rondom Alesia; 2 drie grachten graven; 3 van het uitgegraven zand twee wallen aanleggen: a de binnenste wal was 16 km lang; b de buitenste wal was 20 km lang; 4 op de wallen een hek bouwen, met om de 25 meter een toren; 5 vóór de wallen putjes aanleggen met daarin takken met gescherpte punten. Bron 3 De strijd tussen Caesar en Vercingetorix. In Alesia brak al snel een hongersnood uit. De Galliërs moesten nu wel aanvallen. Het bevrijdingsleger van Vercingetorix probeerde met manschappen de buitenste wal aan te vallen. Zelf viel Vercingetorix de binnenste wal aan. Caesar moest hierdoor zijn leger in twee delen splitsen. Caesar dwong zijn manschappen (6.000) de forten te blijven bewaken en een tegenaanval te doen. Ook al waren de Romeinen ruim in de minderheid, de strategie van Caesar werkte. De dag erna zag Vercingetorix in dat hij niet kon winnen. Hij gaf zich over, in ruil voor het leven van zijn mannen. De Galliërs werden hiermee bondgenoten van de Romeinen. Caesar nam in 46 v.c. Vercingetorix mee tijdens zijn triomftocht door Rome. Tijdens de tocht werd Vercingetorix gedood voor het enthousiaste Romeinse publiek. Bron 1 Omschrijving van de stad Alesia. Alesia De Gallische stad Alesia lag op een hoogvlakte van 1,5 km lang, 1 km breed en 150 m hoog. Ten noorden en ten zuiden van de stad liepen twee riviertjes. Daarachter lagen heuvels. Het leger van Vercingetorix bestond uit mannen. Hij en zijn mannen waren gelegerd in de stad. Hij liet ruiters de stad uitgaan om een bevrijdingsleger op te zetten achter de linie van de Romeinen. 29

31 hoofdstuk 2 Basis Hoofdstuk De tijd van Grieken en Romeinen De Grieken en Romeinen 5 Romanisering Intro Rijke Romeinen leefden in luxe. Dat kun je onder andere zien aan de huizen waarin ze woonden. Lees de intro en bekijk HB bron 1. Waaraan kun je zien dat deze woning op het platteland van een rijke Romein was? Het huis is gemaakt van steen. Het huis is groot. Het huis staat op het platteland. Er hoort veel landbouwgrond bij het huis. Er zijn veel slaven aanwezig op het landgoed. Dit soort huizen en landgoederen ontstonden ook in onze streken. Op een landgoed werden allerlei gewassen verbouwd. a Wat zal het verschil zijn geweest tussen een landgoed in Italië en een landgoed in onze streken? In Italië werden andere producten verbouwd, zoals druiven en olijven. Daarvoor was het hier te koud. b Wat zal er op een landgoed in onze streken zijn verbouwd? Sinaasappelen. Olijven. Graan. Groenten. Fruit. Verwerking Vul de juiste woorden in met behulp van de leertekst. Kies uit: goden Griekse Grieks-Romeinse Latijnse Romeinen verhalen zuilen 200. Rond 200 v.c. namen de Romeinen Griekenland in. De Romeinen waren erg onder de indruk van de Griekse cultuur. Daarom namen ze veel over van de Griekse bouwkunst, beeldhouwkunst en dichtkunst. In Rome verschenen gebouwen met zuilen, kopieën van Griekse beelden en er werden Griekse verhalen gelezen. Ook de Griekse goden werden overgenomen, al kregen ze wel Latijnse namen. Omdat de Romeinen veel van de Grieken overnamen, spreken we van een Grieks- Romeinse cultuur. a Een belangrijk gevolg van de Romeinse veroveringen was romanisering. Leg in je eigen woorden uit wat dit begrip betekent. Het overnemen van de Romeinse cultuur door andere volken. b Om welke redenen was het Romeinse leger belangrijk bij de romanisering? 30 Romeinse soldaten bleven vaak in de veroverde gebieden wonen. Romeinse soldaten trouwden met niet-romeinse vrouwen. Mannen uit het veroverde gebied namen dienst in het Romeinse leger. Bij Romeinse legerkampen werd gehandeld. Veel mensen van veroverde volken verhuisden naar Rome. Bekijk HB bron 5. Deze striptekening gaat over romanisering. De aanleg van een aquaduct is daar een voorbeeld van. Noem drie andere voorbeelden van romanisering die je in de striptekening ziet. Het dragen van een toga. De bouwkunst van het huis (zuilen). Het gebruiken van de Romeinse god Jupiter. Welke voorbeelden van Romeinse cultuur lees je in de leertekst? Vul het schema in. Bijvoorbeeld: Toga Latijn Romeinse cijfers ROMEINSE CULTUUR Goden Gladiatorenspelen Keizerverering Badhuizen Paardenrennen Welke voorbeelden van Germaanse cultuur lees je in de leertekst? Vul het schema in. Bijvoorbeeld: Vereren vuur, water, aarde en heilige bomen GERMAANSE CULTUUR Eigen goden Brengen offers Het was niet verplicht voor de overwonnen volken om de Romeinse cultuur over te nemen. Wel moesten ze offers brengen aan Jupiter, Roma en de keizer. Kun je bedenken waarom? Op die manier lieten de Romeinen zien dat ze toch de baas waren. a Je kreeg niet zomaar het Romeinse burgerrecht. Daar waren bepaalde regels voor. Wanneer kreeg je dit burgerrecht?

32 Als je als vrije man of vrije vrouw in Rome geboren werd. Als je gebied veroverd werd door de Romeinen. Als je trouwde met een Romeinse soldaat. Als je als niet-romein in het Romeinse leger had gediend. b Noem drie voordelen van het Romeinse burgerrecht. Je betaalde minder belasting. Je kon bestuurder worden. Je had meer rechten bij een rechtszaak. c Waarom gaven de Romeinen het Romeinse burgerrecht ook aan niet-romeinen? Op die manier maakten de Romeinen van de overwonnen volken vrienden in plaats van vijanden. Gebruik HB bron 3 en 6. Stelling: De tempel van Empel is een goed voorbeeld van romanisering. Ik ben het eens oneens met deze stelling, omdat de rijke Bataven iets hebben overgenomen van de Romeinen, ook al is het maar voor 50%. Toepassingsopdracht Het raadsel van de gouden helm Op 17 juni 1910 vond de turfgraver Gebbel Smolenaars bij toeval een prachtige Romeinse gouden helm in het veen bij Deurne (Noord-Brabant). Hij vond ook 39 gouden munten, stukjes leer van schoenen, de belletjes van een paardentuig en de gesp van een mantel. Van wie waren deze spullen geweest? En hoe kwamen ze in het moeras De Peel terecht? Dat raadsel ga je in deze toepassingsopdracht ontrafelen. Gebruik HB bron 3 (de kaart van het Romeinse Rijk) uit de oriëntatie. Streep door wat niet juist is. De Peel ligt ten zuiden van de rivier de Rijn. De helm is dus gevonden op een plek binnen buiten het Romeinse Rijk. a Gebruik HB bron 4, WB bron 1 en de intro van deze toepassingsopdracht. Wat kun je zeggen over de eigenaar van de helm? Hij was een Romeins officier, hij had een paard en hij was niet arm. b Lees WB bron 2 en 3. Lees de onderstaande mogelijkheden. Kan het zo gegaan zijn of niet? Geef iedere keer een argument. Ongeluk: wel niet mogelijk, omdat er overal goede wegen lagen, ook rondom en dwars door het moeras. Verder werden de wegen ook nog bewaakt en is er geen lichaam gevonden. Br on 1 Moord: wel niet mogelijk, omdat de wegen bewaakt werden door Romeinse soldaten (tenzij die ook vermoord zijn ). Bovendien is er geen lichaam gevonden. Offer: wel niet mogelijk, omdat de Germanen aan de goden offerden in moerassen. c Er zijn onderzoekers die denken dat de helm een offer was aan de goden. Gebruik WB bron 3. Als dit klopt, waar kwam de centurio dan vandaan? De centurio was dan een Germaan die in het Romeinse leger diende en die zijn eigen helm heeft geofferd aan de Germaanse goden in het moeras. Centurio. STABLESIA VI Op de rand van de helm stond het woord STABLESIA VI. Dit betekent dat de drager van de helm officier was van de zesde ruitereenheid van het Romeinse leger. Hij was een centurio en had het bevel over honderd soldaten. Bron 2 Wegen en bruggen. Grensbewaking In het Romeinse Rijk lagen goede wegen. Ten oosten van het moeras De Peel liep een weg naar het noorden. Er liep ook nog een kleinere weg dwars door het moeras van oost naar west. Al deze wegen waren veilig, omdat ze steeds bewaakt werden door Romeinse soldaten. Bron 3 De Germanen. Natuurgoden De Germanen vereerden het water, de bomen en de vogels. Een boom was de verbindingsweg tussen de goden (de kruin van de boom), de Germanen (de stam van de boom) en de voorouders (de wortels van de boom). Ook vogels konden bij de goden komen. De Germanen hadden contact met de goden op heilige plaatsen in het bos of bij het moeras. Hier komen namelijk water, aarde en lucht samen. Hier werden offers gebracht om de goden, zoals Wodan, Donar en Freya gunstig te stemmen. Uit de folder Rituelen in het landschap (Cultuurhistorie Apeldoorn). 31

33 hoofdstuk 2 Basis Hoofdstuk De tijd van Grieken en Romeinen De Grieken en Romeinen 6 Het christendom in het Romeinse Rijk Intro Bekijk HB bron 1. a Wat zijn catacomben? Geheime gangen onder de grond. b Wie kwamen hier bijeen? De christenen. c Wanneer kwamen zij bij elkaar in de catacomben? Als ze wilden bidden tot hun god of om een dode te begraven. Hoe kun je in HB bron 1 zien dat er veel christenen waren in Rome? Er zitten veel gaten in de muren. (Er lagen dus veel mensen begraven.) Waarom moesten de christenen bij elkaar komen in catacomben? Ze geloofden in maar één god en dat vonden de Romeinen maar niets. Verwerking Gebruik de leertekst. Wat was het belangrijkste verschil tussen de godsdienst van de Romeinen en de godsdienst van de Joden? De Joden geloofden in maar één god (monotheïsme) en de Romeinen in meerdere goden (polytheïsme). Noem twee overeenkomsten tussen het jodendom en het christendom. Ze geloven in maar één god. Ze leven volgens de tien geboden. Leg uit waarom de volgelingen van Jezus zich christenen noemden. Het woord christenen is afgeleid van het woord Christus. Dit was de naam die zij Jezus gaven. Hij betekent: de door God aangewezen koning. Gebruik de leertekst. Waarom vonden de Joodse priesters Jezus een onruststoker? Jezus vond dat de priesters niet genoeg opkwamen voor armen en zieken. Bekijk HB bron 2. Op deze grafkist staat het leven van Jezus afgebeeld. In het midden zie je huilende mensen bij het kruis zitten. Waarom is het kruis zo belangrijk binnen het christendom? Jezus is aan het kruis gestorven. De Bijbel is voor de christenen een heilig boek. a In de Bijbel staan onder andere de tien geboden. Wat zijn dit? Dit zijn regels waar je je aan moet houden als christen. b Lees WB bron 1. Ook als je geen christen bent, zijn er geboden die je misschien belangrijk vindt. Welke vind jij belangrijk? Maak een top 3. Leg je antwoorden uit. 1 Je eigen antwoord. 2 3 c Bron 1 Welk gebod vind jij niet belangrijk? Leg je antwoord uit. Je eigen antwoord. De tien geboden. 1 Er is maar één god, je mag geen andere goden vereren. 2 Je mag geen voorwerpen vereren. 3 Je mag de naam van God niet op een verkeerde manier gebruiken. 4 Zondag is een rustdag. 5 Eer je vader en je moeder. 6 Je mag niet doden. 7 Je mag niet vreemdgaan. 8 Je mag niet stelen. 9 Je mag niet liegen. 10 Je mag niet jaloers zijn op een ander of het bezit van een ander. Om welke twee redenen werden de christenen door de Romeinen vervolgd? Steeds meer mensen werden christen. Ze weigerden de keizer als god te aanbidden. a Gebruik HB bron 4. Waarom was het zo n belangrijke veldslag voor Constantijn? Volgens de legende werd hij keizer van het Romeinse Rijk. b Leg uit waarom christenen de overwinning van Constantijn een wonder vinden. Constantijn won door de hulp van God. 32

34 c Vul de juiste woorden in. Kies uit: de oorzaak het gevolg. De oorzaak voor het toestaan van het christendom was de groei van het aantal christenen. Het gevolg van deze maatregel was dat er kerken konden worden gebouwd. Zet de volgende gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde, van vroeger naar later. A Jezus vertelt in Judea over een nieuw geloof. B Keizer Constantijn maakt een einde aan het verbod op de christelijke godsdienst in het Romeinse Rijk. C Jezus wordt gekruisigd. D Keizer Nero besluit de christenen te vervolgen. E Het christendom verspreidt zich over het Romeinse Rijk. Juiste volgorde: A, C, E, D, B. Toepassingsopdracht Keizer Trajanus en de christenen Romeinse keizers reageerden verschillend op het christendom in hun rijk. Sommige keizers vervolgden de christenen, anderen maakten het christendom juist tot een belangrijke godsdienst. In deze toepassingsopdracht doe je onderzoek naar wat keizer Trajanus van het christendom vond. Lees WB bron 2. Uit welke eeuw is de briefwisseling tussen de bestuurder Plinius en keizer Trajanus? Uit de 1e eeuw n.c. Uit de 2e eeuw n.c. Bron 2 Plinius de Jongere was bestuurder in het Romeinse Rijk. Hij schreef in 112 n.c. een brief aan keizer Trajanus over het vervolgen van de christenen. Een brief aan Trajanus Ik weet niet wanneer christenen gestraft moeten worden en hoe zwaar die straffen moeten zijn. Moet ik rekening houden met de leeftijd of moet ik iedereen gelijk behandelen? Moet ik christenen die spijt hebben, wel of niet straffen? Ik heb de gearresteerden gevraagd of ze christen waren. 1 Als ze ja zeiden, heb ik ze, terwijl ik dreigde met de doodstraf, de vraag een tweede en een derde keer gesteld. Wie ja bleef zeggen, heb ik laten doden. 2 Als mensen nee zeiden, heb ik ze gevraagd de [Romeinse] goden aan te roepen en wierook en wijn te offeren aan uw beeltenis en de naam van Christus te vervloeken. Als ze dat deden, heb ik ze weer naar huis gestuurd. Men zegt dat echte christenen zich nooit tot zoiets zullen laten dwingen. Gebruik WB bron 2. Op welke manier probeerde Plinius erachter te komen of mensen echt géén christen waren? Door ze Romeinse goden te laten vereren, een offer te laten brengen aan de Romeinse keizer en Christus te laten vervloeken. Lees WB bron 3. Welke zin past bij het antwoord van keizer Trajanus aan de bestuurder Plinius? A Christenen moeten altijd ter dood worden gebracht. B Christenen moeten worden gestraft, als ze vasthouden aan hun geloof. C Christenen moet je niet te zwaar straffen. D Christenen moeten volgens een bepaald voorschrift worden gestraft. Bron 3 Keizer Trajanus schreef een antwoord aan Plinius. Een brief aan Plinius de Jongere U hebt, mijn waarde Plinius, op de juiste manier gehandeld tegenover hen die als christenen bij u waren gebracht. Het is namelijk niet mogelijk hiervoor algemene en duidelijke regels vast te stellen. De christenen moeten niet worden opgespoord. Als ze worden opgepakt en schuldig bevonden, moeten zij worden gestraft. Maar wie ontkent christen te zijn en dat aantoont door onze goden te aanbidden, moet vergiffenis krijgen. Vrij naar: Plinius de Jongere, Boek X, brief 97. Gebruik WB bron 3. Vind je Trajanus een fanatieke christenvervolger of niet? Leg je antwoord uit. Bijvoorbeeld: nee, omdat Trajanus niet vindt dat de christenen actief opgespoord moeten worden. Of: ja, want hij vindt dat christenen die vast blijven houden aan het christelijke geloof, gestraft moeten worden. Vrij naar: Plinius de Jongere, Boek X, brief

35 hoofdstuk 2 Verdieping Hoofdstuk De tijd van Grieken en Romeinen De Grieken en Romeinen 7 Volksvermaak in Rome De Romeinse keizers gaven veel geld uit aan het vermaken van het volk in Rome. In deze opdracht onderzoek je waarom ze dat deden. Zet de antwoorden op de volgende vragen in het schema. a Lees de intro in je handboek. Hoeveel toeschouwers kwamen er naar het Circus Maximus en het Colosseum? b Gebruik HB bron 2 en 5. Wie waren de deelnemers in het Circus Maximus en het Colosseum? c Gebruik HB bron 1 en 4. Welk soort vermaak was er te zien in het Circus Maximus? En welke drie soorten vermaak in het Colosseum? Aantal toeschouwers Circus Maximus Colosseum Deelnemers Slaven Gladiatoren Soort vermaak Wagenrennen 1 Gevechten tussen mens en dier 2 Het doden van misdadigers 3 Gladiatorengevechten Gebruik de intro en HB bron 4. Welke zinnen over het Colosseum zijn juist? Iedereen kon de voorstellingen even goed zien. Iedereen was welkom bij de gladiatorengevechten. De voorstellingen vonden plaats in de open lucht. Mannen en vrouwen zaten bij elkaar tijdens een bezoek aan het Colosseum. Mannen en vrouwen zaten gescheiden tijdens een bezoek aan het Colosseum. a Gebruik HB bron 3 en 4. Hoe gebruikte de keizer zijn macht tijdens een voorstelling? Geef een voorbeeld. Bron 3: de keizer zorgde er soms voor dat zijn favoriete team won. Bron 4: de keizer kon bepalen welke gladiator moest sterven bij gelijkspel. b Lees WB bron 1. Op welke manier hadden ook de toeschouwers macht tijdens de voorstelling? Ook zij mochten meebeslissen of een gladiator gedood werd of niet. c Om welke reden vonden toeschouwers het volgens WB bron 1 prettig om invloed te hebben op het gladiatorengevecht? A Ze hielden van geweld. B In het normale leven hadden ze geen enkele macht. Tijdens een gevecht wel. C Ze vonden het spannend om in dezelfde omgeving te zijn als de keizer. Bron 1 De toeschouwers in het Colosseum leefden erg mee met de gladiatorengevechten. Enthousiast publiek Vanaf het begin van de gevechten was het publiek luid en duidelijk aanwezig. [ ] Ze wisten dat ze mee konden beslissen over leven en dood. In het normale leven waren zij machteloos en afhankelijk van de keizer. Hier in het Colosseum hadden ze iets te zeggen over het leven van een ander. Dat gaf hun een ongelooflijk machtsgevoel. Vrij naar: Fik Meijer, Gladiatoren. Volksvermaak in het Colosseum (2003). Lees WB bron 2 en 3. a De Romeinse keizers zorgden voor brood en spelen. Wat wordt hiermee bedoeld? Ze zorgden voor voedseluitdelingen (brood) en gratis voorstellingen in het circus of amfitheater (spelen). b Waarom werd er niet alleen voor spelen gezorgd, maar ook voor brood? Omdat het leven in Rome duur was en er een hongersnood dreigde. c Bron 2 Je zou kunnen zeggen dat de keizer brood en spelen organiseerde uit eigenbelang. Leg dit uit. De keizer wilde de bevolking graag rustig houden en zijn macht houden. Dat deed hij door de bevolking eten te geven en haar te vermaken. Brood en spelen. Panem et circenses Gratis voedseluitdelingen en gratis voorstellingen in het circus of amfitheater waren het enige waarnaar het Romeinse volk in de keizertijd verlangde. Verscheidene keizers gaven aan deze wens graag gehoor om het volk rustig te houden. Uit: Jan Verheggen, Non scholae sed vitae, panem et circenses. 34

36 Bron 3 Brood. In 71 v.c. werd al begonnen met het uitdelen van brood, omdat de kosten voor het levensonderhoud in Rome voor veel mensen te hoog waren en er een hongersnood dreigde. Uit: Lees WB bron 4. De Romeinse schrijver Tacitus was niet enthousiast over de gladiatorenspelen in het Colosseum. Waarom niet? Hij vond dat gladiatorengevechten een slechte invloed op de jeugd hadden. Bron 4 De Romeinse schrijver Tacitus gaf zijn mening over het volksvermaak in het Colosseum. Waardeloos bloed Gladiatoren zijn waardeloos bloed. Het is een schande af te stammen van gladiatoren, ze missen discipline (gehoorzaamheid), kortom ze deugen niet. Ze voegen niets toe aan de waarden van de maatschappij, hun gevechten leiden er alleen maar toe dat de jeugd wordt verpest. Vrij naar: Tacitus, Annales 1, ( n.c.). Lees WB bron 5. Wat was de mening van de Romeinse schrijver Cicero over het volksvermaak? Hij vond het Romeinse volksvermaak goed slecht, omdat hij niet begrijpt dat een goedopgeleid mens plezier beleeft aan de dood van een mens of een dier. Leg uit dat de Romeinen heel anders dachten over vermaak dan wij tegenwoordig. Bijvoorbeeld: wij vinden het tegenwoordig niet leuk om te zien hoe dieren en mensen doodgaan in een gevecht. Tegenwoordig wordt er nog steeds volksvermaak georganiseerd. Denk aan Formule 1-races, stierengevechten in Spanje en grote vechtsportgala s. Lijken deze volgens jou op het volksvermaak in Rome? Formule 1-races: wel niet, omdat je eigen antwoord. Stierengevechten: wel niet, omdat je eigen antwoord. Vechtsportgala s: wel niet, omdat je eigen antwoord. Deze paragraaf ging over het volksvermaak in het oude Rome. a Hoe vermaakten de Romeinen zich? Ze hielden van grote evenementen waar veel geweld te zien was. b Waarom organiseerden Romeinse keizers dit volksvermaak? Om populair te worden en blijven bij hun volk en om te laten zien hoe machtig ze waren. Bron 5 De Romeinse schrijver Cicero gaf zijn mening over de spelen in het Colosseum. Plezier Ik kan niet begrijpen dat een weldenkend, goedopgeleid mens plezier kan beleven aan de spelen. Hoe is het mogelijk dat iemand enthousiast kan worden over shows waarin vijf dagen achtereen dierenjachten plaatsvinden, waarin een weerloos persoon door een geweldig beest wordt verscheurd of een prachtig dier aan de speer van een jager wordt geregen? Vrij naar: Cicero, Brief aan zijn vrienden (1e eeuw v.c.). 35

37 hoofdstuk 2 Hoofdstuk De tijd van Grieken en Romeinen De Grieken en Romeinen Vaardigheid 8 Afsluiting Oorzaak en gevolg Historici zoeken naar oorzaken en gevolgen. Lees WB bron 1, 2 en 3. Over welke gebeurtenis gaan de bronnen? Bron 1: Jezus wordt gekruisigd. Bron 2: Athene wordt voortaan door burgers bestuurd (wordt een democratie). Bron 3: Rome en Carthago voeren oorlog met elkaar. Bron 1 Uit het Evangelie van Mattheus (een gedeelte uit de Bijbel). De soldaten [ ] namen Jezus mee. [ ] Ze kleedden hem uit en deden hem een rode mantel om, ze vlochten een kroon van doorntakken en zetten die op zijn hoofd. Ze gaven hem een rietstok in zijn rechterhand en vielen voor hem op de knieën. [ ] Nadat ze hem zo hadden bespot, trokken ze hem de mantel uit, deden zijn kleren weer aan en leidden hem weg om hem te kruisigen. Bron 2 De website Wikipedia over Kleisthenes. In 510 v.c. werd de tiran Hippias verdreven uit Athene en leidde Kleisthenes de democratische verandering van het bestuur van de stad. Hij was een edelman, maar hij wilde het gewone volk ook deel laten nemen aan het bestuur. Hij stelde in 508 v.c. een algemene volksvergadering van alle vrije mannen in. Bron 3 U it de Historiën van Polybius (2e eeuw v.c.). Toen het bericht van de inname van Agrigentum de senaat [het bestuur] in Rome bereikte, waren de senatoren [bestuurders] opgetogen. [ ] Zij hoopten nu de Carthagers volledig van Sicilië te kunnen verdrijven; als dat lukte, zou hun macht zich aanzienlijk uitbreiden. Bron 4 D e tijd van Grieken en Romeinen (800 v.c.-500 n.c.). Welke uitspraak over het begrip oorzaak is juist? Een oorzaak is iets dat volgt na een bepaalde gebeurtenis. Een oorzaak is een reden waarom iets gebeurt. Welke uitspraak over het begrip gevolg is juist? Een gevolg heeft te maken met iets wat eerder gebeurde. Een gevolg is een reden waarom iets gebeurt. De oorzaken en gevolgen van WB bron 1, 2 en 3 zijn door elkaar geraakt. Zet ze op de juiste manier in het schema. A Volgelingen van Jezus schreven na zijn dood verhalen over zijn leven en ideeën. Zij verspreidden het geloof. B Jezus trok rond en vertelde verhalen over het koninkrijk van God. Sommige Joodse godsdienstige leiders vonden Jezus een onruststoker. De Romeinse bestuurder Pontius Pilatus was bang voor een opstand en liet hem oppakken. C Athene was voortaan een democratie. D Eerst was in Athene, net als in andere poleis, de macht in handen van de rijken. E De Noord-Afrikaanse stad Carthago had een groot deel van de handel rond de Middellandse Zee stevig in handen. F De Romeinen versloegen de Carthagers na drie grote oorlogen. De macht van de Romeinen groeide. Oorzaak Bron Gevolg B 1 A D 2 C E 3 F Chronologie Gebruik WB bron 4. a Geef in de tijdbalk met een kleur aan wat de tijd van de Grieken was. b Geef in de tijdbalk met een andere kleur aan wat de tijd van de Romeinen was. Dit hoofdstuk bestaat uit vijf paragrafen. Bij drie paragrafen heb je al een gebeurtenis (kijk maar in het schema). a Bekijk HB bron 4 uit paragraaf 3. Vul in het schema in wat je hier ziet. 800 v.c. 700 v.c. 600 v.c. 500 v.c. 400 v.c. 300 v.c. 200 v.c. Vanaf 776 v.c. De Olympische Spelen 508 v.c. Athene wordt voortaan door burgers bestu v.c. Rome en Carthago voeren oorlog met elkaar Tijd van de Grieken ((800 v.c.-200 v.c.) Tijd van de Romeinen (750 v.c.-500 n.c.) 36

38 b Bekijk HB bron 6 uit paragraaf 5. Vul in het schema in wat je hier ziet. c Zet bij elke gebeurtenis in welk jaar of welke periode deze plaatsvond. Kies uit: vanaf 776 v.c. 508 v.c v.c. 33 n.c. 75 n.c. d Zet de gebeurtenissen op de juiste plek in WB bron 4 (de tijdbalk). Paragraaf Gebeurtenis Jaartal of periode 2 Het leven in een Griekse stadstaat 3 Geloof en cultuur bij de Grieken 4 Het Romeinse Rijk Athene wordt voortaan door burgers bestuurd Olympische Spelen Rome en Carthago voeren oorlog met elkaar 5 Romanisering Bouw tempel van Empel 6 Het christendom in het Romeinse Rijk Jezus wordt gekruisigd 508 v.c. Vanaf 776 v.c v.c. 75 n.c. 33 n.c. Onze tijd: wat zie je terug van de tijd van Grieken en Romeinen? De Grieken en Romeinen hebben veel invloed gehad op de geschiedenis van West-Europa. Bekijk HB bron 1 en 3. Hoe zie je hier dat de Grieken en Romeinen invloed hebben gehad op latere tijden? Bron 1: het Concertgebouw in Amsterdam is versierd met Griekse zuilen en beelden. Bron 3: net als de Romeinen liet Napoleon een triomfboog bouwen/gebruikte hij een boogconstructie. Bekijk HB bron 2. Net als de Grieken organiseren wij Olympische Spelen. Noem twee verschillen tussen de spelen toen en nu. Bijvoorbeeld: wij hebben zomer- en winterspelen, de Grieken niet. Er zijn nu andere sporten te zien. Of: er mogen tegenwoordig vrouwen meedoen. Niet alleen Grieken doen mee, maar mensen uit de hele wereld. Bekijk HB bron 4. Waarom kijken veel mensen graag naar een serie over het leven van Julius Caesar? Bijvoorbeeld: het leven van Julius Caesar was spannend, omdat hij een belangrijke legeraanvoerder was, veel gebieden veroverde, de macht greep in Rome en op bloedige wijze werd vermoord. De Romeinen hebben ook invloed gehad op onze taal. Elke dag gebruik je wel een woord dat van de Romeinen af komstig is. Natuurlijk zijn die woorden in de loop van de tijd wel veranderd, maar sommige kun je nog wel her kennen. Hieronder staan een aantal Latijnse woorden. Vul de Nederlandse woorden in die daarvan zijn afgeleid. Kies uit: schrijven water jaar kelder straat. aqua water anno jaar cellarium kelder st ra ta straat scribere schrijven Lees WB bron 5. Op oude gebouwen en ook wel op klokken staan Romeinse cijfers. a Welk jaartal hoort bij het Romeinse cijfer MDCCLXX? A B C D b Schrijf je eigen leeftijd in Romeinse cijfers. Bijvoorbeeld: XII (12). Of: XIII (13). Bron 5 Romeinse cijfers. Rekenen met letters De Romeinen rekenden met letters. Iedere letter had een waarde. Hieronder zie je een overzicht: I = 1 X = 10 C = 100 M = V = 5 L = 50 D = 500 De Romeinen telden de waarden van de letters bij elkaar op. Bijvoorbeeld: 20 = XX ( ) 65 = LXV ( ) Stond er links van een letter een letter met een kleinere waarde, dan moest je die ervan aftrekken: 9 = IX (10 1) 100 v.c n.c. 200 n.c. 300 n.c. 400 n.c. 500 n.c. urd 33 n.c. Jezus wordt gekruisigd 75 n.c. Bouw van de tempel van Empel 37

39 3 De tijd van monniken en ridders Vorsten, monniken en boeren 1 Oriëntatie In tro Karel de Grote was keizer van het Frankische Rijk. Hij wilde op een Romeinse keizer lijken. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de tekst. Hoe zie je op de munt dat Karel de Grote op een Romeinse keizer wil lijken? Hij liet zich afbeelden met een lauwerkrans om zijn hoofd. Hij droeg Romeinse kleding op de munt, Karel was een Romeinse naam. Hij noemde zich op de munten keizer. 2 Karel de Grote was keizer in de 9e eeuw. Vul de jaartallen in. Deze eeuw liep van het jaar 800 tot het jaar Bekijk HB bron 2. a Welke huidige landen hoorden voor een groot deel bij het rijk van Karel de Grote? Griekenland. Nederland. Frankrijk. Duitsland. Spanje. Italië. b Noem drie andere rijken in de tijd van Karel de Grote. Bijvoorbeeld het rijk der Angelsaksen, Denemarken, Galicië en Asturië, het Kalifaat van Córdoba en het Bulgaarse Rijk. 4 Waarom liet Karel zich afbeelden als een Romeinse keizer? Hij wilde even machtig zijn als een Romeinse keizer. Historisch denken Veranderingen Tijdens het onderzoeken van de geschiedenis kijk je steeds naar wat er verandert en wat er hetzelfde blijft. Bij een verandering is het bijna nooit zo dat álles anders wordt. Meestal gaat het om een verandering op een bepaald gebied. Wij gebruiken de volgende soorten veranderingen. Politieke verandering: er verandert iets in het bestuur van een gebied. Bijvoorbeeld: in plaats van het koningschap komt er een ander soort bestuur. Economische verandering: er verandert iets in de manier waarop mensen hun brood verdienen. Bijvoorbeeld: mensen gaan leven van de landbouw in plaats van jagen en verzamelen. Religieuze verandering: er verandert iets in de manier waarop mensen geloven. Mensen gaan bijvoorbeeld in een andere god geloven. Als je veranderingen gaat onderzoeken, moet je kunnen uitleggen of het om een politieke, economische of religieuze verandering gaat. In dit hoofdstuk ga je dat oefenen. 5 a Wat voor soort verandering was de invoering van munten in de tijd van Karel de Grote? Een economische verandering. b Waarom heb je voor deze verandering gekozen? A Een munt is een hulpmiddel dat mensen gebruiken in de handel. B Met de invoering van de munt kreeg de kerk meer geld en dus meer macht. C Op de munt staat dat Karel de Grote de verheven keizer is. Hij is dus eigenlijk een soort god. D De munt gebruikte Karel de Grote om zijn gebied te besturen. 6 Bekijk HB bron 3. a Welke verandering zie je op de kaart? Vul aan. De uitbreiding van het christendom en de islam. b Wat voor soort verandering is in deze kaart getekend? Leg je antwoord uit. Een religieuze verandering, want mensen gingen in een andere godsdienst geloven. 7 Lees WB bron 1. Daar lees je hoe Augustus keizer werd van het Romeinse Rijk. a Welke verandering beschrijft de Romeinse schrijver Tacitus? A Soldaten en het volk kregen geld en graan. B Niemand verzette zich tegen Augustus. Voorheen gebeurde dat in veldslagen. C De tegenstanders van Augustus kregen de macht. D Augustus nam de macht over. b Wat voor soort verandering is dat? Leg je antwoord uit. Een politieke verandering, want het rijk veranderde van een republiek in een keizerrijk. 38

40 Bron 1 Hoe Augustus keizer werd. Bron 3 Besluit van keizer Honorius. Augustus Toen hij de soldaten met geld en het volk met graan tevredenstelde, groeide zijn macht. Daarna trok hij alle taken naar zich toe. Niemand verzette zich. Dat kon ook niet, omdat zijn grootste tegenstanders er niet meer waren. Zij waren verslagen tijdens veldslagen, terechtgesteld of verbannen. Zo werd Augustus keizer. Vrij naar: Tacitus, Annales, 1,2,1. 8 Lees WB bron 2. a Welke verandering wordt er in de tekst beschreven? Een badhuis is omgebouwd tot een kerk/ basiliek. b Wat voor soort verandering is hier beschreven? A Een politieke verandering. B Een economische verandering. C Een religieuze verandering. D Geen verandering. c Leg je antwoord op vraag b uit. Het christendom kreeg een andere plaats in de samenleving. Christenen werden in het jaar 300 nog als dwangarbeiders ingezet om een badhuis te bouwen. Datzelfde badhuis werd later een kerk. Gevechten op leven en dood Bij de gladiatorengevechten werd op leven en dood gevochten. Vaak besloot de keizer of het publiek over leven en dood. In 404 besloot keizer Honorius dat er een einde moest komen aan de bloederige gladiatorengevechten. De christenen vonden de gevechten maar niets. Zij vonden dat alleen God mocht beslissen over leven en dood. 10 Vul de ontbrekende woorden in. Wanneer er iets verandert in de manier waarop mensen hun brood verdienen, spreken we van een economische verandering. Bij een religieuze verandering verandert er iets in de manier waarop mensen geloven of gaan mensen in een andere god geloven. In geval van een politieke verandering verandert er iets in het bestuur van een gebied. Bron 2 Van badhuis tot basiliek. Engelen en martelaren De basiliek Onze-Lieve-Vrouw van de Engelen en van de Martelaren in Rome was een Romeins badhuis. Tussen 1563 en 1566 werd het badhuis verbouwd tot kerk. De naam van de kerk heeft te maken met Maria (onze lieve vrouw) en de christelijke dwangarbeiders. Deze dwangarbeiders bouwden rond 300 n.c. het badhuis. Het was het grootste badhuis uit de oudheid. Ongeveer mensen konden er tegelijkertijd baden. Het gebouw was 370 bij 380 meter groot. 9 Lees WB bron 3. Wat voor soort verandering is in deze bron beschreven? Leg je antwoord uit. Ee n politieke economische religieuze verandering, want het christendom kreeg invloed op de tradities van de Romeinen. 39

41 Hoofdstuk 3 Basis Hoofdstuk De tijd van monniken en ridders Vorsten, monniken en boeren 2 De Franken komen In tro Clovis was een belangrijke Frankische koning. Hij liet zich dopen en werd christen. Daarna werd zijn macht alsmaar groter. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de intro. Welke zinnen passen bij de doop van Clovis? Clovis werd naakt gedoopt. Bij de doop van Clovis was maar één persoon aanwezig. Clovis werd gedoopt door priesters. Clovis was de eerste christen in het Frankische Rijk. 2 Een doop is een nieuw begin. De dopeling wordt gewassen en zijn fouten worden vergeven. Wat veranderde er na de doop van Clovis? Streep door wat niet juist is. Hij was christen heiden geworden. 3 Om welke reden liet Clovis zich dopen? Clovis vroeg in de strijd tegen de Alemannen hulp aan de god van de christenen. Als hij won, zou hij zich laten dopen. Verwerking 4 Wat voor soort problemen waren er in het Romeinse Rijk? Streep door wat niet juist is. Opvolging van de keizer: politiek economischprobleem. Het leger was te klein voor de verdediging van het rijk: politiek economischprobleem. Het leger was te duur. Boeren konden de belastingen niet meer betalen: politiek economisch probleem. 5 Bekijk HB bron 2. a Welk deel van het Romeinse Rijk had het meeste last van de volksverhuizingen? Streep door wat niet juist is. Het Oost-Romeinse Rijk West-Romeinse Rijk. b Zet in het schema waar elk volk uiteindelijk terechtkwam. Gebruik de namen van de landen zoals ze nu heten. c In welke twee landnamen van nu herken je de naam van de Germaanse stam van toen? In Frankrijk en Engeland. Germaanse stam Angelen Longobarden Visigoten Franken Bourgondiërs Land Engeland Italië Spanje Frankrijk Frankrijk 6 Zijn de onderstaande zinnen oorzaken of gevolgen van de volksverhuizingen? Streep door wat niet juist is. De Hunnen trekken plunderend door Europa: oorzaak gevolg. De macht van de Romeinse keizer neemt af: oorzaak gevolg. Handel verdwijnt uit Europa: oorzaak gevolg. De Visigoten en Vandalen trekken plunderend door Europa: oorzaak gevolg. 7 Welke zinnen passen bij het begin van de middeleeuwen? Er kwam een einde aan het (West-)Romeinse Rijk. De meeste mensen woonden in de stad. Er was volop handel tussen de verschillende gebieden. Het belangrijkste middel van bestaan was de landbouw. 8 In de vroege middeleeuwen werd het Frankische Rijk steeds groter en machtiger. a In welke eeuw ontstond het Frankische Rijk? In de 6e eeuw. b Welke Frankische koning vergrootte het rijk met het huidige Nederland en België? Clovis. c Op welke manier deed hij dit? Clovis voerde oorlog en versloeg andere volken. 9 Het christendom werd steeds belangrijker in de middeleeuwen. a Waarom wilde Clovis dat de kerk hem steunde? De kerk gaf hem geld om zijn rijk uit te breiden. Met steun van de kerk kon hij beter besturen. Een belangrijk deel van de bevolking gehoorzaamde de geestelijken. Clovis kon zonder de kerk geen gebieden veroveren. b Bedenk waarom de kerk Clovis wilde helpen. Clovis was christen geworden en de kerk vond hem hierdoor een goede koning. Bovendien wilden misschien meer mensen in het Frankische Rijk christen worden, als ze een koning hadden die christen was. 10 Bekijk HB bron 4. Leg uit wat deze bron met het bestuur in het Frankische Rijk te maken had. Geestelijken gebruikten ganzenveren om te schrijven. Zij schreven allerlei teksten op, waaronder ook wetten. 40

42 11 Vul de ontbrekende woorden in. In de 4e eeuw ontstonden er problemen in het Romeinse Rijk. Uiteindelijk leidden de problemen in 476 tot de val van het West-Romeinse Rijk. Hierdoor konden de Franken hun macht in Europa uitbreiden. Hun eerste koning was Clovis. Hij liet zich dopen tot christen en werd erg machtig. Hij veroverde veel gebieden. 12 Zet de volgende gebeurtenissen rond het ontstaan van het Frankische Rijk in de juiste tijdsvolgorde. A Clovis laat zich dopen. B Clovis breidt zijn rijk uit met het huidige Nederland en België. C Clovis sterft. D De volksverhuizingen beginnen. E Clovis wordt koning van het Frankische Rijk. Juiste volgorde: D, E, A, B, C d In welk jaar was Clovis het minst blij? Leg je antwoord uit. In 507, toen werd hij verslagen. e Bron 2 Door welke gebeurtenis kreeg Clovis de meeste macht? Leg je antwoord uit. Bijvoorbeeld: in 496, want toen kreeg hij steun van de kerk. De levensgrafiek van Clovis. Toepassingsopdracht Het leven van Clovis Deze toepassingsopdracht maak je samen met een klasgenoot. Jullie gaan onderzoeken wat Clovis vond van dingen die hij meemaakte. Hieronder staan jaartallen met gebeurtenissen uit zijn leven. Lees ze eerst allemaal door. Bron 1 Jaar Gebeurtenissen uit het leven van Clovis. Gebeurtenis 491 Clovis verslaat de Thüringers, een Germaanse stam. 496 De Alemannen vallen Clovis aan. Met hulp van andere Frankische koningen slaat hij hun aanval af. 496 Clovis wordt gedoopt. 500 Clovis verslaat de Bourgondiërs. 507 Clovis wordt bij de Middellandse Zee tegengehouden door Theodorik (de koning van de Ostrogoten). 509 Clovis verslaat de Frankische koning Ragnachar. 511 Clovis sterft Jullie gaan in WB bron 2 een levenslijngrafiek van Clovis maken. a Kijk nog eens naar de eerste gebeurtenis van WB bron 1. Bespreek samen hoe Clovis op deze gebeurtenis gereageerd zou hebben. Heel erg blij is +5, neutraal is 0 en niet blij is 5. Alles ertussenin kan ook. Zoek in de grafiek het jaartal van deze gebeurtenis en zet er op de juiste hoogte een kruisje bij. b Doe hetzelfde met alle andere gebeurtenissen van WB bron 1. c Trek een lijn: verbind de kruisjes in de grafiek van WB bron 2 met elkaar. 41

43 Hoofdstuk 3 Basis Hoofdstuk De tijd van monniken en ridders Vorsten, monniken en boeren 3 Leven op het platteland Intro In de vroege middeleeuwen woonden de meeste mensen op het platteland. Ongeveer 90% van de bevolking was boer. 1 Bekijk HB bron 1. Wat doen de boeren op deze tekening? Ze werken op het land. Ze eten duiven. Ze maaien het gras. Ze hoeden varkens. Ze plukken appels. 2 Waarom staan duiventorens alleen op grote domeinen? A Daar woonden de mensen die duiven mochten houden. B Daar woonden de mensen die de duiven verzorgden. C Dat is een rustige omgeving, daar houden duiven van. D Daar trokken de duiven altijd in de winter naartoe. Verwerking 3 Hieronder staan oorzaken en gevolgen van de trek naar het platteland in de middeleeuwen. Maak de juiste combinaties. A Geen bescherming meer van de Romeinen. B Wegen werden niet onderhouden. C Geen inkomsten van de handel. 1 Leven van de opbrengst van het platteland. 2 Steden en platteland werden onveilig. 3 Lastig naar de markt reizen. Juiste combinaties: A2, B3, C1. 4 Bekijk en lees HB bron 2. a Noem drie producten die de boeren van dierenhoorns maakten. Lepels, kammen en ramen. b Waarom moesten de boeren deze producten zelf maken? Er was geen handel meer, zodat ze de producten niet van anderen konden kopen. 5 Bekijk nog eens HB bron 1. Wie was de baas van een domein? A Een horige. B Een vrije boer. C Een heer. D De Romeinse keizer. 6 a Lees WB bron 1 en bekijk HB bron 4. Een horige had allerlei plichten, zoals herendiensten en belasting betalen. Zet de volgende activiteiten op de juiste plaats in het schema: gras maaien varkensbelasting fijne en goede kippen leveren ploegen, zaaien en eggen. b Vul één herendienst en één belasting zelf in. Bron 1 Herendiensten Gras maaien Ploegen, zaaien en eggen Hout halen voor het klooster Plichten van een horige. Belastingen Varkensbelasting Fijne en goede kippen leveren Gerst en tarwe leveren Plichten, plichten en nog eens plichten In juni moeten de boeren het gras maaien en naar het huis van de heer brengen. In augustus moeten zij graan van het klooster oogsten en binnenbrengen. Op de dag van het feest van de Heilige Maagd moet de boer zijn varkensbelasting betalen: van elke acht varkens die hij heeft, moet hij één varken aan de heer geven. Met Kerstmis moet hij een paar van zijn fijne en goede kippen afstaan. Daarna komt de graanschuld, die hij betaalt met gerst en tarwe. Met Pasen moet hij ploegen, zaaien en eggen. [ ] Ook moet hij voor het klooster hout halen. Vrij naar: Cante de Vilains de Verson. 7 Bekijk HB bron 4. Ieder plaatje heeft zijn eigen nummer. De nummers staan voor de maanden van het jaar. a Wanneer werd welk werk gedaan? Vul het schema in. b Noem vier gereedschappen die de middeleeuwse boeren gebruikten. Schop, bijl, mes, zeis, sikkel, dorsvlegel. c Waarom was het werk op het land zwaar? Al het werk werd met de hand gedaan. Werk Het eerste gras maaien Schapen scheren Zaaien Vee slachten Maand Juni April September December 8 Hoe was het leven op het platteland? Vul de ontbrekende woorden in. De heer had een domein. De meeste boeren die hier op het land werkten, waren horigen. Ze moesten een groot deel van de oogst afstaan. Ook moesten ze herendiensten voor de heer verrichten. Vrije boeren moesten meevechten met de heer en hadden een eigen stukje grond. De heer was de belangrijkste persoon in het hofstelsel. 42

44 Toepassingsopdracht Rechten en plichten Je gaat in tweetallen een kwartetspel maken over de rechten en plichten van de horigen en de heer. Rechten zijn dingen die je mag doen, plichten zijn dingen die je moet doen. 9 Vul het schema in. Geef aan of de activiteit past bij een horige of een heer. Activiteit Recht of plicht? Horige of heer? Vrij op zon- en feestdagen Recht Horige Belasting betalen Plicht Horige Deel van de oogst houden Recht Horige Recht Heer Bepalen of een horige trouwt of verhuist Oorlog voeren Plicht Heer Herendiensten verrichten Plicht Horige Landbouwgrond bewerken Plicht Horige Herendiensten ontvangen Recht Heer Op het landgoed blijven Plicht Horige Bescherming bieden aan de Plicht horigen Heer Geestelijken beschermen Plicht Heer Bescherming krijgen Recht Horige Belasting ontvangen Recht Heer Duiven eten Recht Heer Gebied besturen Plicht Heer Op zondag naar de kerk gaan Recht Horige 10 Zet de rechten en plichten uit het schema op het juiste kaartje hieronder. Op elk kaartje moeten steeds vier rechten of plichten staan. 11 Kopieer deze bladzijde vier keer en knip de kaartjes uit. Markeer met een felgekleurde stift steeds een andere zin op elk kaartje. Speel vervolgens met drie andere klasgenoten een potje kwartet. Plichten van de horigen 1 Landbouwgrond bewerken 2 Belasting betalen 3 Herendiensten verrichten 4 Op het landgoed blijven Bron 2 Kwartetspel over het middeleeuwse platteland. Rechten van de horigen Plichten van de heer Rechten van de heer 1 Vrij op zon- en feestdagen 2 Bescherming krijgen 3 Op zondag naar de kerk gaan 4 Deel van de oogst houden 1 Bescherming bieden aan de horigen 2 Geestelijken beschermen 3 Oorlog voeren 4 Gebied besturen 1 Herendiensten ontvangen 2 Belasting ontvangen 3 Duiven eten 4 Bepalen of een horige trouwt of verhuist 43

45 Hoofdstuk 3 Basis Hoofdstuk De tijd van monniken en ridders Vorsten, monniken en boeren 4 De verspreiding van het christendom Intro Veel mensen in Europa geloofden in de 8e eeuw nog in natuurgoden. Geestelijken en koningen wilden dat deze mensen christelijk werden. Bonifatius was één van die geestelijken. 1 Bekijk HB bron 1. Waarom geloven mensen dat deze bijbel van Bonifatius is geweest? De beschadigingen lijken gemaakt door bijlen en zwaarden. 2 Lees WB bron 1. Waarom is Bonifatius vermoord volgens deze bron? De Friezen wilden niet bekeerd worden. Bonifatius is beroofd en gedood. De Friezen wilden geen Frankische soldaten in hun gebied hebben. 5 Lees de leertekst Bekeren tot het christendom en WB bron 2. a Streep door wat niet juist is. Bonifatius was een koning monnik. Hij probeerde de mensen te bekeren door bomen te planten om te hakken. Zo bewees hij dat de goden van de Germanen wel niet bestonden. Bonifatius bouwde kerkjes op dezelfde andere plaatsen als heidense heiligdommen. De bekering van de Friezen is uiteindelijk gelukt. Dit is een politieke religieuze verandering. b Wat zijn voorbeelden van voorwerpen die heidenen vereerden? Eikenbomen. Kerken. Stenen. Kloosters. Bron 1 E en beschrijving van de moord op Bonifatius. Bron 2 De bekering van de Friezen. Bonifatius bij Dokkum vermoord Geroep in de verte. Dat zullen ze zijn. Bonifatius wil hen tegemoet lopen, maar deinst plotseling terug. Een groep woeste Friezen met getrokken zwaarden, schilden en speren valt het kamp binnen. [ ] De woeste Friezen rennen het tentenkamp in. Kisten worden opengebroken. De opbrengst valt tegen. Bijna alleen wat boeken en beenderen. Teleurgesteld gooien de aanvallers alles weg. Op naar de schepen, daar moet meer te vinden zijn. Vrij naar: De 25 dagen van Nederland (2005). 3 Welke twee argumenten passen bij Friezen die hun eigen geloof wilden houden? Het christendom was een raar, nieuw geloof. Het christendom was het enige ware geloof. Als God echt bestond, zou hij zorgen dat de bijbel Bonifatius had beschermd. Verwerking 4 Wat is volgens christenen heidens en wat christelijk? Zet de volgende woorden op de goede plaats in het schema: klooster Donar heilige bomen één god monnik. Heidens Donar Heilige bomen Christelijk Eén god Monnik Klooster Hak om, die eikenboom! Met een brief van de paus bij zich reisde Bonifatius naar Utrecht. Hij ging naar zijn collega Willibrord. Die had een manier om mensen te bekeren. Hij liet steeds een heidens heiligdom vernietigen. Als de heidenen dan zagen dat hun goden niet ingrepen, waren zij overtuigd van de kracht van de nieuwe god. Bonifatius deed hetzelfde. Een leerling beschrijft hoe hij een heilige eik omhakte. De heidenen vervloekten hem. Maar de eik stortte krakend neer. Daarop prezen ze de Heer. Van het eikenhout bouwde Bonifatius een kerk. 6 Bekijk en lees HB bron 2. Waarom is dit een voorbeeld van een heidens gebruik? De hamer was van de god van de donder, een natuurgod. Mensen droegen een kleine hamer om hun nek als bescherming tegen gevaar en ongeluk. 7 Op welke twee manieren verspreidden Bonifatius en Willibrord het christendom? Ze stichtten kloosters en ze reisden naar gebieden waar heidenen woonden. 8 a Er waren veel soorten geestelijken. Maak de juiste combinaties tussen geestelijke en taak. A Monnik 1 Vrouwelijke kloosterling B Priester 2 Doet de mis en doopt kinderen C Non 3 Mannelijke kloosterling Juiste combinaties: A2, B3, C1. 44

46 b Waarom luisterden veel middeleeuwers goed naar de geestelijken? Zij zorgden voor vrije dagen. Mensen waren bang om in de hel terecht te komen. De geestelijken hadden contact met God. 9 Bekijk en lees HB bron 3. Waarom mochten monniken het klooster niet verlaten? Monniken moesten zoveel mogelijk aan God denken. Het leven buiten het klooster leidde hen daarvan af. 10 Bekijk HB bron 5. a Bij het cijfer 3 zie je de derde stand. Hoe zie je dat? De mensen bij het cijfer 3 werken op het land, het zijn boeren. b Zet achter de volgende personen steeds bij welke stand ze hoorden. Kies uit: eerste stand tweede stand derde stand. Horige: derde stand. Monnik: eerste stand. Graaf: tweede stand. Hertog: tweede stand. Vrije boer: derde stand. c Hoe kun je zien dat de invloed van het christendom op de middeleeuwse samenleving groot was? De mensen geloofden dat God iedereen zijn eigen taak op aarde had gegeven. De geestelijkheid is de grootste groep in de samenleving. De geestelijkheid was de belangrijkste stand. Toepassingsopdracht Kloosterleven Je gaat het kloosterleven onderzoeken. Aan het slot van deze toepassingsopdracht teken je een plattegrond van een klooster. 11 Lees WB bron 3. a Noem twee taken van monniken. Werken op het land en bidden. b Leg uit dat de monniken een regelmatig leven hadden. Ze moesten zeven keer per dag bidden op vaste tijden. Ook moesten ze op vaste tijden werken op het land. Bron 3 Leefregels Enkele regels van de monniken. Hoofdstuk 16 Bidden Zeven keer per dag bidden de monniken op vaste tijden. Hoofdstuk 22 Slapen Monniken slapen in een grote zaal. Ze slapen met hun kleren aan, met een riem of touw om hun middel. Zo zijn ze altijd klaar om direct op te staan voor het nachtelijke gebed. Hoofdstuk 48 Handenarbeid Nietsdoen is slecht. Daarom moeten de monniken op vaste tijden een deel van de dag werken op het land. Het andere deel gebruiken ze om boeken over het geloof te lezen. 12 Bekijk HB bron 4. Waarom schrijven geestelijken godsdienstige teksten over? Om het geloof te verspreiden. 13 Gebruik HB bron 3 en WB bron 3. Waarom waren de gebouwen in het schema belangrijk in een klooster? Vul de redenen in. Gebouw Kerk Werkplaatsen, moestuin, boomgaard Muur en poort om klooster Regel Reden om te bidden Werken en zorgen voor eigen levensonderhoud Monniken mochten het klooster niet verlaten en gasten mochten niet zomaar naar binnen 14 Gebruik HB bron 3 en vraag het werkblad aan je docent. Op het werkblad staat een plattegrond van een klooster. De kerk, de kloostermuur en de kloostergang zijn al ingetekend. Bedenk zelf waar de volgende onderdelen waarschijnlijk lagen en teken ze in: scriptorium (schrijfkamer); werkplaatsen, moestuinen, kruidentuinen en boomgaarden; slaapzaal; eetzaal en keuken; gastenverblijf. 45

47 Hoofdstuk 3 Basis Hoofdstuk De tijd van monniken en ridders Vorsten, monniken en boeren 5 De islam in Europa Intro Rond het jaar 750 kwam er een nieuwe godsdienst in Europa: de islam. Nu is de Mezquita in Córdoba weer een kerk, maar je kunt nog zien dat het ooit een moskee was. 1 Bekijk en lees HB bron 1. Welke delen van de Mezquita werden ooit zowel door christenen als door moslims gebruikt? De wasruimte op de binnenplaats. De gebedsruimte. De kerktoren/minaret. De kerk in het midden van de Mezquita. 2 Wie bouwden de gebedshuizen in de Mezquita? Maak de juiste combinaties. A Kerk 1 Moslims B Tempel 2 Christenen C Moskee 3 Romeinen Juiste combinaties: A2, B3, C1. 1 zodat de gelovigen weten in welke richting ze moeten bidden. 2 en dat is Allah. 3 om er eens in hun leven naartoe te gaan. 4 om armen en zieken te helpen. 5 om te eten en te drinken, als de zon op is. Juiste combinaties: A5, B3, C1, D4, E2. 6 Lees WB bron 1 en gebruik de leertekst. a Vul het schema over het christendom en de islam in. b Welke zinnen over het christendom en de islam zijn juist? In beide geloven vereren de mensen maar één god. Jezus en Mohammed leefden in dezelfde tijd. Beide geloven zijn ontstaan in het Midden-Oosten. Beide geloven hebben hun god overgenomen van de Romeinen. Beide geloven hebben een heilig boek: de Bijbel of de Koran. Verwerking Christendom Islam 3 a Hoe werd Mohammed bekeerd tot de islam? De engel Gabriël vertelde hem dat hij moest geloven in Allah. b Het lukte Mohammed om de inwoners van Medina te bekeren. Wat voor soort verandering is dat? Streep door wat niet juist is en leg je antwoord uit. Een politieke economische religieuze verandering, omdat veel mensen in Allah gingen geloven. 4 Bekijk HB bron 3. a Wat wordt op de bron uitgebeeld? A De geboorte van Mohammed. B Mohammed krijgt een boodschap van Allah. C De verovering van Spanje door de moslims. D De dood van Mohammed. b Het is voor moslims verboden om Mohammed en Allah af te beelden. Hoe is dat in deze bron opgelost? Het gezicht van Mohammed is niet afgebeeld/weggekrast. 5 De vijf zuilen zijn de belangrijkste regels van de islam. Ze staan in de Koran. De onderstaande zinnen zijn in tweeën geknipt. Maak de juiste combinaties. A Tijdens de ramadan is het voor moslims verboden B Mekka is zó belangrijk voor moslims, dat het verplicht is C In iedere moskee staat een muur richting Mekka, D Het is de plicht van iedere moslim E Er is maar één god 46 Bron 1 Ontstaan in 1e eeuw 7e eeuw Gebedshuis Kerk Moskee Leefregels Tien geboden Vijf zuilen Heilig boek Bijbel Koran Het christendom. Het christendom Het christendom is ontstaan in de 1e eeuw in het Midden- Oosten. Christenen geloven dat Jezus de zoon van God is. God is de schepper van hemel en aarde. Christenen moeten leven volgens de regels van God. Die noemen zij de tien geboden. Als ze dat doen, kunnen ze na de dood in de hemel komen. Maar er zijn meer regels. Zo vasten christenen tussen carnaval en Pasen en eten ze op vrijdag geen vlees, maar vis. Verhalen over God en het leven van Jezus staan in de Bijbel. 7 Bekijk HB bron 2. a Als christenen slecht hadden geleefd, kwamen ze in de hel. Noem twee kenmerken van de hel. Mensen werden vastgebonden, in potten op het vuur gezet. b Ook moslims geloven dat je in de hel komt, als je slecht leeft. Als je goed leeft, kom je in het paradijs. Hoe ziet het paradijs eruit? Het bestaat uit grote tuinen, waar je in vrede en veiligheid kunt leven.

48 8 Bekijk HB bron 3 van de oriëntatie. a In welke periode werd de islam in de volgende gebieden verspreid? Maak de juiste combinaties. A Tot Spanje B Tot Noord-Afrika C Tot Midden-Oosten Juiste combinaties: A3, B2, C1. b Waarom begint de jaartelling van de moslims in 622? In dat jaar vluchtte Mohammed naar Medina. Daar lukte het hem om mensen tot de islam te bekeren. 9 Lees HB bron 4. De moslims overwonnen de Visigoten en stelden een vredesverdrag voor. a Welke straf kregen Theodemir en zijn mannen? A Ze werden vermoord. B Ze werden van hun vrouwen en kinderen gescheiden. C Ze moesten zich bekeren tot de islam. D Ze moesten elk jaar geld en goederen betalen. b Wat mochten Theodemir en zijn mannen niet doen? Aan de macht blijven in de zeven steden. Slechte dingen zeggen over moslims. Onderdak bieden aan vijanden van de moslims. Christen blijven. c In Spanje wordt veel wijn gemaakt. Leg uit waarom Theodemir en zijn mensen geen wijn hoefden te betalen. Moslims drinken geen alcohol/wijn. 10 Zet de volgende gebeurtenissen uit de geschiedenis van de islam in de juiste tijdsvolgorde. A Mohammed vlucht naar Medina. B Mohammed krijgt een goddelijke boodschap. C Arabieren geloven in meerdere goden. D De dood van Mohammed. E De moslims veroveren Spanje. Juiste volgorde: C, B, A, D, E. Toepassingsopdracht Christendom en islam Na de verovering van Spanje noemden de moslims het gebied Al-Andaloes. De meeste mensen die toen in Spanje leefden, waren christen. Ze stonden voor de keuze: christen blijven of moslim worden. In deze opdracht verplaats je je in deze mensen en maak je aan het einde de keuze: moslim worden of niet? 11 Lees WB bron 2. a Welke voordelen had de komst van de moslims? Meer antwoorden zijn goed. Bron 2 Er kwamen nieuwe technieken om voedsel te bewaren. De opbrengst van de landbouw daalde. De moslims maakten in Spanje kennis met allerlei nieuwe producten. De handel nam sterk toe. Kennis en cultuur bloeiden op. b Noem twee nadelen van de komst van de moslims. Gebruik hiervoor ook de leertekst in je handboek. Je moest als niet-moslim extra belasting betalen en je kon geen hoge functie in het bestuur of leger krijgen. Voorspoed De islam in Spanje. Met de komst van de islam kwam kennis van de Arabieren Europa binnen. Door moderne landbouwtechnieken was de opbrengst in de landbouw groot. Al-Andaloes maakte kennis met suiker, sinaasappelen, citroenen en uien. De Arabieren brachten specerijen naar Europa, zoals peper, nootmuskaat en kruidnagelen. Heel belangrijk waren hun technieken om voedsel langer houdbaar te maken. Handel en kleine bedrijfjes bloeiden in Al-Andaloes. In Córdoba kwam een bibliotheek met honderdduizenden boeken vol met kennis over wiskunde, sterrenkunde, medicijnen en andere wetenschappen. 12 Gebruik de leertekst en de bronnen uit handboek en werkboek. a Noem één voordeel van je niet bekeren. Je kon je eigen geloof en je eigen gewoontes houden. b Noem drie voordelen van bekeren. Je kon hoge functies in het bestuur en leger krijgen. Je hoefde geen extra belasting te betalen. Je kon profiteren van de stijging van de welvaart en de nieuwe producten. 13 Waar kies je voor? Word je moslim of blijf je christen? Je eigen antwoord, bijvoorbeeld: ik zou moslim worden, omdat ik dan het meeste kans had op een rustig en welvarend leven. 47

49 Hoofdstuk 3 Basis Hoofdstuk De tijd van monniken en ridders Vorsten, monniken en boeren 6 Trouw aan de heer Intro De koningen van het Frankische Rijk kwamen uit verschillende families. In de 8e eeuw namen de Karolingen (de familie van Pepijn) de macht over van de Merovingen (de familie van Childerik). Ze kregen daarbij de steun van de kerk. 1 Bekijk HB bron 1. a Welke dingen horen bij een Frankische koning? Baard. Mijter. Kale kruin. Kroon. Lange haren. b Wat was Childerik III na 751? A Paus. B Koning. C Monnik. D Keizer. 2 Wat voor soort verandering wordt in de intro beschreven? Streep door wat niet juist is. Een politieke economische religieuze verandering. Verwerking 3 Bekijk HB bron 2. a Karel de Grote veroverde veel gebieden. In welke tegenwoordige landen lagen die gebieden? In Oostenrijk. In Frankrijk. In Nederland. In Italië. In Duitsland. b Bekijk HB bron 2 en gebruik de leertekst. Leg uit waarom Karel de bijnaam de Grote kreeg. Hij veroverde veel gebied en beschermde de paus. 4 Waarom werd het leenstelsel ingevoerd? De koning had niet genoeg geld om zijn soldaten in een oorlog te betalen. De aanvoerders kregen daarom als beloning een stuk land in leen. 5 a Lees HB bron 4 en gebruik de leertekst. Wat beloofde een leenman en wat kreeg hij daarvoor terug? A Hij beloofde trouw te zijn aan de koning. In ruil daarvoor kreeg hij een stuk land in leen. B Hij beloofde belasting te betalen. In ruil daarvoor kreeg hij bescherming. C Hij beloofde christen te worden. In ruil daarvoor kreeg hij geld. D Hij beloofde te werken op het land van de koning. In ruil daarvoor kreeg hij bescherming. b Bekijk HB bron 5. Vul de ontbrekende woorden in. Boven aan het leenstelsel stond de koning. Hij was de leenheer. Hij leende de grond uit aan leenmannen. Zij leenden ook weer grond uit. Hierdoor ontstonden er achterleenmannen. c Gebruik HB bron 4 en 5. Leg uit waarom de koning niet zo blij was met achterleenmannen. Zij legden niet persoonlijk een eed aan hem af, maar aan hun eigen leenheer (de leenmannen van Karel). 6 a Welke zinnen over het leenstelsel zijn juist? Op een leen werkten horigen op het land. Leenmannen kregen een salaris van Karel de Grote. Ridders legden een eed van trouw af. Leenmannen bestuurden land van Karel de Grote. b Wat voor soort verandering is de invoering van het leenstelsel? Streep door wat niet juist is. Een politieke economische religieuze verandering. 7 Het leenstelsel had voor- en nadelen voor de koning. a Noem een voordeel van het leenstelsel voor de koning. Het was een handige manier om een groot rijk op te bouwen en te besturen. b Noem een nadeel van het leenstelsel voor de koning. De koning had geen controle over de achterleenmannen en de adel beschouwde de geleende grond als eigendom. Hierdoor nam de macht van de koning af. 8 Streep door wat niet juist is. Het leenstelsel was een van de oorzaken gevolgen van het uiteenvallen van het Frankische Rijk. Leenmannen beschouwden het leen als hun eigendom en luisterden niet meer naar hun achterleenmannen leenheer. Bovendien vielen de Vikingen en de Hongaren moslims het Frankische Rijk binnen en waren de opvolgers van Karel de Grote slechte goede bestuurders. 9 Lees WB bron 1. Welke zinnen over ridders zijn juist? Ridders hadden in de tijd van Karel de Grote veel aanzien. Ridders kregen jarenlange training. 48

50 Bron 1 Ridders kregen na het jaar 1000 meer aanzien. Als je van adel was, kon je ridder worden. Iedere boerenzoon kon ridder worden. Ridders hoorden tot het jaar 1000 bij de lage adel. Ridders in het Frankische Rijk. Van boerenzoon tot ridder In de tijd van Karel de Grote waren ridders eenvoudige boerenzonen die door hun heer waren uitgekozen om het vechten op een paard te leren. Vechten op een paard met een lange lans was moeilijk. Daarom begon de training al op 10-jarige leeftijd. Deze soldaten leefden op het kasteel van de heer. Later kregen ze vaak een klein kasteel met een aantal boerderijen in leen. Op die manier steeg het aanzien van de ridders. Na het jaar 1000 werden ze tot de lagere adel gerekend. 10 Zet de volgende gebeurtenissen uit de regeerperiode van de Karolingen in de juiste tijdsvolgorde. A De Vikingen vallen het Frankische Rijk binnen. B Karel de Grote wordt koning van het Frankische Rijk. C Pepijn zet Childerik III af als koning. D Karel de Grote sterft. E Karel de Grote breidt het leenstelsel uit. Juiste volgorde: C, B, E, D, A. Toepassingsopdracht Karel de Grote Leenmannen moesten trouw beloven aan Karel de Grote. Hoe kreeg hij dat voor elkaar? Dat ga je onderzoeken. Aan het einde van deze toepassingsopdracht maak je een oorkonde waarin een leenman trouw belooft aan Karel de Grote. 11 a Gebruik WB bron 1 en de leertekst. Wie vochten er in het leger van Karel? Ridders en de leenman met zijn soldaten. b Lees WB bron 2. Welke wapens gebruikten de soldaten? Lans, zwaard, dolk, pijl en boog. boren, planken, scheppen en andere gereedschappen die nodig zijn in een leger. In de karren moet ook voor minimaal drie maanden voedsel aanwezig zijn en voor zes maanden wapens en kleding. Reis op vreedzame wijze door ons gebied. Dat betekent dat u tijdens de reis door ons rijk alleen veevoer, hout en water van de bevolking mag opeisen. Zorg ervoor dat alle mannen vlak bij de karren en ruiters blijven. En zorg er ook voor dat hun leiders altijd bij hen in de buurt zijn. Zo kan niemand zeggen dat deze mannen kwaad deden, omdat hun leiders er niet waren. 12 Lees WB bron 2 nog een keer. a Welke taken had een leenman, als er oorlog gevoerd werd? Leenmannen moesten soldaten regelen voor de strijd. Leenmannen moesten de burgers angst aanjagen. Leenmannen moesten voor wapens, voedsel en kleding zorgen. Leenmannen moesten de soldaten in de gaten houden. b Bedenk waarom leenmannen niet altijd blij waren met het voeren van oorlog. Oorlog voeren kostte heel veel geld en dat moesten de leenmannen betalen. 13 Maak op een apart blad een oorkonde. Dat is een tekst waarin belangrijke afspraken tussen de koning en zijn leenman werden opgeschreven. De oorkonde bevat de volgende dingen: een datum; de naam van de leenman (bedenk zelf een naam); de afspraken tussen leenman en leenheer (gebruik HB bron 4 en je antwoord bij vraag 12); het monogram van Karel de Grote (zie HB bron 3); een zegel (een soort stempel) met het teken van Karel de Grote. Aan het zegel en het monogram konden mensen zien of de oorkonde echt was. Bron 2 E en brief van Karel de Grote aan zijn leenman Fulrad. Klaar voor de strijd Zorg ervoor dat u op 15 juli bij de rivier de Bode bent, bij de plaats Stassfurt. Kom met al uw mannen en zorg dat ze goed bewapend en voorbereid zijn. Dat betekent dat ieder de juiste wapens en uitrusting moet hebben en voldoende voedsel en kleding. Iedere ruiter moet een lans, een zwaard, een dolk en pijl en boog hebben. In uw karren moet u bovendien meenemen: bijlen, schaven, 49

51 Hoofdstuk 3 Verdieping Hoofdstuk De tijd van monniken en ridders Vorsten, monniken en boeren 7 Symbolen in de middeleeuwse kunst Door deze opdracht word je een echte symbolenkenner! Eerst doe je onderzoek naar symbolen uit de middeleeuwen. Daarna maak je een hoesje voor je mobiel met middeleeuwse symbolen. 1 Bekijk HB bron 1. a Vul het schema in. b Zijn de volgende onderdelen van de tekening positief of negatief? Streep door wat niet juist is. Het rode hart: positief negatief. De gevouwen handen: positief negatief. c Elke vogel heeft een briefje in zijn bek waarop een zonde staat geschreven. Een voorbeeld daarvan is liegen of stelen. Streep door wat niet juist is. De vogels zijn het symbool voor de goede dingen slechte dingen. d In de middeleeuwen werd kunst gemaakt om te laten zien welke dingen mensen belangrijk vonden. Het rode hart probeert de vogels te verdrijven. Bedenk waar dit rode hart symbool voor staat. A Het is het symbool voor haat. B Het is het symbool voor verdriet. C Het is het symbool voor de liefde van God. D Het is het symbool voor de straf van God. Welke wezens Wat doet/doen ze? Wat heeft/hebben ze bij zich? Non Bidden Rood hart Vogels Vliegen om de Papier met vrouw heen tekst in de bek 2 Bekijk en lees HB bron 2. a Waar staan de volgende symbolen voor? Kruis: symbool van het christelijke geloof. Slang: symbool van het kwaad. Leeuw: symbool van kracht en moed. b Aan welke symbolen herken je Christus? Aan de mantel. Aan het kruis. Aan de stralenkrans om zijn hoofd. Aan het kapsel. c Op welke manier is Christus afgebeeld? Als een krijger. d Waarom is Christus zo afgebeeld? Omdat hij strijdt tegen het kwaad. 3 Gebruik HB bron 2 en 3. a Aan welke twee symbolen kun je zien dat Michaël een engel is. Zijn vleugels en het schijnsel rond zijn hoofd. b Welk ander symbool hoort bij Michaël? A Een zwaard. B Een gitaar. C De maan. D Een staf. c Waarom was de engel Michaël zo belangrijk voor de gelovigen? Michaël weegt na de dood je ziel en kijkt of je naar de hemel mag. 4 Bekijk HB bron 4. a Welke symbolen horen bij koningen en welke bij geestelijken? Vul het schema in. Kies uit: staf bijbel in de hand kroon troon mantel met kruisen erop kaal achterhoofd bol in de hand. b Bekijk nog eens HB bron 1 van paragraaf 6. Welk symbool hoorde er nog meer bij een Frankische koning? Een koning heeft een baard en lang haar. c Rechts van de vorst staat de tweede stand: de edelen. Welke symbolen van macht hebben zij bij zich? Zwaard, speer en schild. d Waaruit blijkt dat de vorst de belangrijkste persoon is op deze tekening? Hij is de enige die zit. Hij is in het midden van deze tekening afgebeeld. Hij heeft een mantel aan. Hij kijkt je aan, terwijl de andere mensen op de tekening naar hem kijken. Hij draagt geen baard. Hij is groter afgebeeld dan de anderen. Koning Staf Kroon Troon Bol in de hand Geestelijke Bijbel in de hand Mantel met kruisen erop Kaal achterhoofd 50

52 5 Bekijk HB bron 5. a Maak de juiste combinaties. A Belangrijke boodschapper van God 1 Vleugels B Engel 2 Stralenkrans C (Fantasie)dier 3 Poten en staart Juiste combinaties: A2, B1, C3. b Christelijke en islamitische afbeeldingen hebben behalve verschillen ook overeenkomsten. Noem een overeenkomst tussen christelijke en islamitische afbeeldingen. Engelen hebben vleugels bij beide geloven. 6 Lees WB bron 1. a Kleuren hebben nog steeds een betekenis. Welke betekenis hebben de volgende kleuren tegenwoordig? Zwart: dood, rouw. Blauw: bijvoorbeeld: stoer. Wit: maagdelijkheid, zuiverheid. Rood: liefde. b Welke kleuren hebben nog dezelfde betekenis als in de middeleeuwen? Leg je antwoord uit. Rood is nog steeds de kleur van de liefde, wit van maagdelijkheid en zuiverheid en zwart van de dood. b Waar worden tegenwoordig nog veel symbolen gebruikt? In reclame en op verkeersborden. Ook smileys in sms-berichten horen hierbij. 8 a Ontwerp in WB bron 2 een beschermhoesje voor je mobiel. Gebruik middeleeuwse symbolen en kleuren die bij jou passen. b Leg je ontwerp uit. Waarom gebruik je deze symbolen en kleuren? Wat betekenen ze? Bron 2 Een beschermhoesje voor je mobiel. Bron 1 D e betekenis van kleuren in de middeleeuwen. Kleurensymbolen Wit stond voor zuiverheid, reinheid, maagdelijkheid: het symboliseerde het goede. Engelen waren meestal in het wit gekleed. Blauw verwees naar de hemel en kon ook kuisheid, onschuld en hoop betekenen. Rood was de kleur van de passie, van de liefde, maar ook van het lijden. Zwart was angstaanjagend; men bracht het in verband met dwaling en rouw. Groen was de kleur van de hoop. 7 Tegenwoordig hebben we symbolen die in de middeleeuwen nog niet bestonden. a Welke betekenis hebben de volgende symbolen? Twitter-vogeltje: een boodschap overbrengen. Opgestoken duim op Facebook: een bericht leuk vinden. Uitroepteken: waarschuwing voor gevaar/ oppassen. 51

53 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk De tijd van monniken en ridders Vorsten, monniken en boeren 8 Afsluiting Vaardigheid Veranderingen Tijdens het onderzoeken van de geschiedenis kijk je voortdurend naar wat er verandert en wat er hetzelfde blijft. Als je veranderingen onderzoekt, moet je kunnen uitleggen of het om een politieke, economische of religieuze verandering gaat. 1 Wat voor soort verandering zijn de gebeurtenissen in het schema? Vul het schema in. Kies uit: politiek economisch religieus. Gebeurtenis De val van het Romeinse Rijk Het ontstaan van kloosters Bekering tot het christendom Soort verandering Politiek Religieus Religieus 2 Door de volksverhuizingen kwam de handel stil te liggen en moesten mensen weer van de landbouw leven. a Wat voor soort verandering was dit? A Een politieke verandering. B Een economische verandering. C Een religieuze verandering. D Geen verandering. b Leg je antwoord bij vraag a uit. Er veranderde iets in de manier waarop mensen hun brood verdienden. 3 Lees WB bron 1. Welke zinnen passen bij de verandering die in de bron wordt beschreven? De verandering vond plaats in het Romeinse Rijk. Bij de verandering werd geweld gebruikt. De verandering gebeurde door geestelijken. De verandering was voor lange tijd. Bron 1 Donareik Goden van heidenen. Eiken waren belangrijke religieuze plaatsen voor heidenen. Om te bewijzen dat de goden van de heidenen niet bestonden, hakte Bonifatius in 723 de Donareik om in Geismar, Duitsland. Tijdens het neerhalen van de boom werd Bonifatius omringd door Frankische krijgers. 4 Lees WB bron 2. Br on 2 a Waarom werd de prijs van wapens en een uitrusting in de 8e eeuw berekend in koeien? A Er werd weinig geld gebruikt. B Er waren veel koeien. C De tweede stand had vooral koeien. D De smid wilde graag koeien ontvangen. b Wat voor soort verandering was dat, als je dat vergelijkt met het Romeinse Rijk? Streep door wat niet juist is en leg je antwoord uit. Een politieke economische religieuze verandering, omdat in het Romeinse Rijk wel geld in omloop was. W apens en een uitrusting in de 8e eeuw. Wat kostte een militaire uitrusting? Een militaire uitrusting was erg kostbaar. Niet iedere vrije man kon dit betalen. Een Karolingische oorkonde uit de 8e eeuw laat zien hoeveel de uitrusting van een ridder kostte. De prijs werd berekend in koeien. helm 6 koeien maliënkolder 12 koeien zwaard 3 koeien schede 4 koeien beenplaten 6 koeien schild en lans 2 koeien paard 12 koeien 5 Wat voor soort verandering was de invoering van het leenstelsel? Streep door wat niet juist is en leg je antwoord uit. Ee n politieke economische religieuze verandering, omdat het land niet meer direct bestuurd werd door de koning. Hij liet de leenmannen namens hem besturen. Chronologie 6 Gebruik de tijdbalk in je handboek. De oudheid eindigt rond het jaar 500. Daarna beginnen de middeleeuwen. Leg uit waarom dit jaartal wordt gekozen. Rond 500 stortte het Romeinse Rijk ineen. Dit zorgde voor grote politieke en economische veranderingen. 52

54 7 a Vul de tweede kolom van het schema in. Zet de volgende gebeurtenissen op de juiste plaats: Mohammed verspreidt de islam over de Arabische wereld Karel de Grote aan de macht. b Vul de derde kolom in. Zet de volgende jaartallen en periodes op de juiste plaats: c Zet de gebeurtenissen van vraag a en b op de juiste plek in WB bron 3 (de tijdbalk). HB bron 1 HB bron 3 WB bron 1 Leertekst paragraaf 5 Gebeurtenis Val van het Romeinse Rijk Karel de Grote aan de macht Bekering tot het christendom Mohammed verspreidt de islam over de Arabische wereld Datering Onze tijd: wat zie je terug van de tijd van monniken en ridders? 8 Tegenwoordig zie je nog steeds dingen die ontstaan zijn in de vroege middeleeuwen, ofwel de tijd van monniken en ridders. Bekijk de bronnen die in het schema zijn genoemd. Wat zie je daar nu nog van terug? Vul het schema verder in. Onderdeel van de vroege middeleeuwen Welke bronnen gaan hierover? Wat zie je daar nu van terug? Bouwkunst HB bron 3 Er zijn nog steeds belangrijke religieuze plaatsen, zoals kapellen en kerken Godsdienst HB bron 2 en 4 Veel mensen zijn nog steeds christen en er zijn nog steeds kloosters Bestuur HB bron 3 Nog steeds zijn er koningen aan de macht Bron 3 Tijdbalk

55 4 De tijd van steden en staten Stedelingen, vorsten en de paus 1 Oriëntatie Intro Na het jaar 1000 ontstonden er weer steden in Europa. Veel mensen trokken van het platteland naar de stad, waardoor hun leven flink veranderde. Ook ontstonden er landen die er nu nog steeds zijn. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de tekst. a Streep door wat niet juist is. Graaf Willem IV staat hier voor zijn tent in net buiten Utrecht. b Voor de graaf zie je drie burgers van Utrecht. Waaraan kun je zien dat ze de graaf om iets smeken? Ze knielen voor de graaf. c Noem twee dingen uit de tekening waaraan je kunt zien dat Utrecht een stad is. Je ziet stadspoorten, een muur en torens. d Waarom voelden de Utrechters zich toch niet veilig achter hun stadsmuren? Ze waren bang voor de stormrammen en vreesden voedseltekorten. 2 Bekijk HB bron 2. Welke uitspraken over Europa in 1490 zijn juist? Nederland bestond nog niet als land. Frankrijk was groter dan nu. Spanje bestond al als land. Duitsland bestond al als land. Denemarken was groter dan nu. Italië bestond al. Engeland bestond al. 3 Leg met behulp van HB bron 2 uit waarom de Duitse keizer het recht had om Utrecht stadsrechten te geven. Het ligt binnen de grenzen van het Duitse Rijk. Historisch denken In de tijd plaatsen Mensen die de geschiedenis onderzoeken, doen veel moeite om precies uit te zoeken wanneer iets gebeurde. In de tijd plaatsen heet dat, of dateren (de datum vaststellen). Historici delen de tijd op in stukken. Als er grote veranderingen zijn, laten ze een nieuwe tijd beginnen. Hierbij werken ze met periodes en tijdvakken. Je hebt de volgende periodes : prehistorie (tot 3000 v.c.); oudheid (3000 v.c. tot 500 n.c.); middeleeuwen (500 tot 1500), met daarin: vroege middeleeuwen (500 tot 1000); late middeleeuwen (1000 tot 1500); vroegmoderne tijd (1500 tot 1800); moderne tijd (1800 tot nu). En je hebt de volgende tijdvakken : de tijd van jagers en boeren (tot 3000 v.c.); de tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.c. tot 500 n.c.); de tijd van monniken en ridders (500 tot 1000); de tijd van steden en staten (1000 tot 1500); de tijd van ontdekkers en hervormers (1500 tot 1600); de tijd van regenten en vorsten (1600 tot 1700); de tijd van pruiken en revoluties (1700 tot 1800); de tijd van burgers en stoommachines (1800 tot 1900); de tijd van de wereldoorlogen (1900 tot 1950); de tijd van televisie en computer (1950 tot nu). Als je gebeurtenissen hebt gedateerd, kun je ze in de goede tijdsvolgorde zetten. Dat noemen we ook wel chronologische volgorde. De gebeurtenissen die het langst geleden zijn, zet je vooraan. 4 a Over welke periode gaat dit hoofdstuk? Over de late middeleeuwen. b En over welk tijdvak? Over de tijd van steden en staten. 54

56 5 Zet de volgende gebeurtenissen in chronologische volgorde. A In 1455 werden de hertogen van Bourgondië de baas over Utrecht. B Utrecht kreeg stadsrechten. C Graaf Willem IV belegerde Utrecht. Juiste volgorde: B, C, A. 6 a Vul de juiste jaartallen in. In de tekst staat dat Utrecht in het jaar 1122 stadsrechten kreeg en dat Willem IV Utrecht in het jaar 1345 belegerde. b Streep door wat niet juist is. De hertogen van Bourgondië werden in 1455 de baas over het gebied dat nu de provincie Utrecht is. In de tijd van Willem IV hoorde het gebied rond de stad Utrecht dus al nog niet bij de gebieden van de Bourgondische hertogen. 7 a In welke periode zijn er zowel gebeurtenissen voor als na Christus? A In de prehistorie. B In de oudheid. C In de vroege middeleeuwen. D In de late middeleeuwen. b En in welk tijdvak? In de tijd van Grieken en Romeinen. 8 Het is altijd wat verwarrend als je het hebt over jaren voor en jaren na Christus. Vul de juiste getallen in. Julius Caesar werd 44 jaar v.c. vermoord. De eerste Romeinse keizer, Augustus, stierf 14 jaar n.c. Augustus stierf dus 58 jaar na de dood van Caesar. In het jaar 44 n.c. veroverden de Romeinen delen van Engeland. Dat was dus 30 jaar na de dood van Augustus en 88 jaar na de dood van Caesar. 9 Ook is het soms lastig om te bepalen in welke eeuw iets is gebeurd. a Vul de juiste jaartallen in. De 15e eeuw begon in het jaar 1401 en eindigde in het jaar b In de hoeveelste eeuw voor Christus werd Caesar vermoord? In de 1e eeuw v.c. c Vul de juiste eeuw in. Utrecht kreeg in 1122 stadsrechten. Dat was dus in de 12e eeuw. d In welke eeuw ben jij geboren? In de 21e eeuw. 10 Geef in het schema aan waarover de verschillende hoofdstukken in dit boek gaan. In de eerste kolom staat het nummer van het hoofdstuk. Hoofdstuk Voor of na Christus? Welk tijdvak? Welke periode? Welke eeuw(en)? 1 Voor Tijd van jagers en boeren 2 Voor en na Tijd van Grieken en Romeinen 3 Na Tijd van monniken en ridders 4 Na Tijd van steden en staten 5 Na Tijd van ontdekkers en hervormers 6 Na Tijd van regenten en vorsten Prehistorie Oudheid (Vroege) middeleeuwen (Late) middeleeuwen Vroegmoderne tijd Vroegmoderne tijd Tot de 30e eeuw v.c. Van de 30e eeuw v.c. tot en met de 5e eeuw n.c. Van de 6e eeuw tot en met de 10e eeuw Van de 11e eeuw tot en met de 15e eeuw De 16e eeuw De 17e eeuw 55

57 Hoofdstuk 4 Basis Hoofdstuk De tijd van steden en staten Stedelingen, vorsten en de paus 2 Oorlog in naam van God Intro Tussen 1096 en 1270 trokken christenen tijdens acht kruistochten naar het Midden-Oosten om Jeruzalem te veroveren. Ze kwamen daar in contact met de Arabieren, die een ander geloof en een andere cultuur hadden. 1 a Lees de intro. Wie veroverde Jeruzalem in 1099? Godfried van Bouillon. b Wie hadden Jeruzalem daarvoor in bezit? De Arabieren. c Vul de ontbrekende woorden in. De Arabieren verdedigden de stad door stenen te gooien. Zij gooiden ook vuur op de bestormers. 2 Schepen uit Genua gaven de doorslag bij de belegering. Om welke twee redenen was die hulp uit Genua zo belangrijk? De vloot bracht water en voedsel voor de kruisvaarders en hout om belegeringstorens van te bouwen. 3 Leg met behulp van HB bron 1 uit waarom de belegeraars kruisvaarders worden genoemd. Zij dragen een kruis op hun kleding, als teken dat zij strijden voor God. Verwerking 4 a Bekijk HB bron 2 en 3. Jeruzalem is voor drie godsdiensten een belangrijke stad. Die godsdiensten hebben er elk hun heiligdommen. Welke twee heiligdommen zie je in de bronnen en bij welke godsdienst passen ze? Vul de tweede en derde kolom van het schema in. De eerste rij is al ingevuld. (De laatste kolom hoort bij vraag 5.) b Wanneer zijn christendom en islam ontstaan? Vul de vierde kolom van het schema in. Kies uit: 1e eeuw n.c. 7e eeuw n.c. HB bron 2 HB bron 3 Naam heiligdom Godsdienst Ontstaan in Klaagmuur Jodendom Ver voor Christus Heilig Grafkerk Christendom 1e eeuw n.c. Rotskoepel Islam 7e eeuw n.c. 5 Streep door wat niet juist is. Het gaat bij vraag 4 om drie godsdiensten waarbij mensen in één god meerdere goden geloven Gebruik HB bron 4 en de leertekst. Zet de zinnen in chronologische volgorde. A Paus Urbanus II roept op tot een kruistocht. B Er komen steeds meer verhalen over christenen die in Jeruzalem worden lastiggevallen. C Jeruzalem wordt ingenomen door de kruisvaarders. D De Heilig Grafkerk wordt gesloopt door moslims. E Duizenden Europeanen gaan op kruistocht. Juiste volgorde: D, B, A, E, C. 7 In vraag 6 staan twee oorzaken voor de oproep van paus Urbanus. Welke zijn dat? Schrijf de letters op. B en D. 8 a Hoeveel kruisvaarders gingen er in 1096 op pad voor de eerste kruistocht? Ongeveer b Hoeveel van deze mensen kwamen niet aan in Jeruzalem? Ongeveer Bekijk HB bron 5. a Streep door wat niet juist is. De kruisvaarders van de eerste kruistocht gingen vooral over zee land naar Jeruzalem. De meeste kruisvaarders waren arm en moesten lopen. De kruisvaarders die tijdens de eerste kruistocht het verst moesten lopen om in Jeruzalem te komen, kwamen uit Engeland Frankrijk. b Welke twee Europese landen waren in de tijd van de eerste kruistochten grotendeels islamitisch? Spanje en Portugal. c Bekijk de kruisvaarder in HB bron 1. Noem drie dingen waaraan je kunt zien dat dit een rijke kruisvaarder is. Hij heeft een harnas, dure kleding en een schild. 10 In de intro en in HB bron 1 gaat het over een feest in Lees de twee uitspraken hieronder en kies het juiste antwoord. I Op dit feest werd de verovering van Jeruzalem door de kruisvaarders in 1099 nagespeeld. II In 1378 waren christenen nog steeds de baas in Jeruzalem. A Alleen uitspraak I is juist. B Alleen uitspraak II is juist. C Uitspraak I en II zijn allebei juist. D Uitspraak I en II zijn allebei onjuist. 11 Rond het jaar 1000 had de beschaving van de Arabieren een voorsprong op de West-Europese beschaving. Leg uit hoe dat kwam. De Arabieren bouwden voort op kennis van de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen, kennis die in West-Europa verloren was gegaan.

58 12 a Noem twee gevolgen van de kruistochten voor West-Europa. De handel met het Midden-Oosten nam toe. Europeanen gingen rekenen in Arabische cijfers. b Noem twee gevolgen van de kruistochten voor het Midden-Oosten. De handel nam toe. De Arabieren namen de kruisboog over. 13 Hoe waren de contacten tussen christenen en moslims vanaf het jaar 1000 in Jeruzalem? Vul het schema in. De eerste rij is al voor een deel ingevuld. Periode Tot 1000 Contacten tussen moslims en christenen Nauwelijks spanningen. Christenen bezoeken in Jeruzalem de Heilig Grafkerk In 1009 verwoesten moslims de Heilig Grafkerk en daarna worden Europese reizigers in Jeruzalem lastiggevallen Eerste kruistocht: kruis vaarders veroveren Jeruzalem en pikken de islamitische heiligdommen in Christenen besturen Palestina, regelmatig veldslagen met moslims Saladin verovert Jeruzalem en herstelt de islamitische heiligdommen Kruistochten gaan door, maar Jeruzalem blijft een moslimstad. Christenen kunnen wel de nieuwe Heilig Grafkerk bezoeken. Toepassingsopdracht Kruisvaarders en moslims Hoe dachten de christelijke kruisvaarders en de moslims in 1099 in Jeruzalem over elkaar? 14 a Gebruik HB bron 4. Waarom noemt de paus de islamitische machthebbers in Jeruzalem een goddeloos volk? Omdat ze christelijke kerken hebben vernield of hebben ingepikt. b Noem een gebeurtenis uit 1009 waardoor de paus dit vond. In dat jaar verwoestten moslims de Heilig Grafkerk. 15 De moslims zullen na 1099 dezelfde mening hebben gehad over de kruisvaarders. Leg dat uit met een voorbeeld uit de leertekst. Kruisvaarders hadden toen de Rotskoepel en de Al-Aqsamoskee ingepikt. 16 Lees WB bron 1. a Welke twee negatieve namen gebruikt de kapelaan voor de moslims? Heidenen en ongelovigen. b Leg uit dat deze namen niet kloppen. Moslims zijn natuurlijk wel gelovig. Bron 1 Raymond d Aguiliers, kapelaan van Raymond van Toulouse (de leider van de Fransen), was bij de verovering van Jeruzalem in 1099 en schreef erover. De val van Jeruzalem Toen de stad was ingenomen, onthoofdden kruisvaarders de ongelovigen. In de stad struikelde je over de lijken van mensen en paarden. Laat ik zeggen dat de christenen tot aan hun stijgbeugels en knieën door het bloed reden. Het was een goed oordeel van God dat deze plaats gevuld werd met het bloed van de heidenen, die deze heilige plaats hadden ontheiligd. Vrij naar: August C. Krey, The First Crusade: The Accounts of Eyewitnesses and Participants (1921). 17 a Welke mening heeft Raymond d Aguiliers over het bloedbad? Hij vond het goed dat de heidenen gedood werden. b Hoe zal een moslim over dezelfde gebeurtenis hebben gedacht? Die zal het geweld en het plunderen door de kruisvaarders juist als heel barbaars en goddeloos zien. 18 Het christendom en de islam waren beide godsdiensten die mensen wilden bekeren tot hun eigen geloof. Leg uit waarom dit wel tot ruzie moest leiden. Als je allebei overtuigd bent van je eigen gelijk én anderen wilt bekeren, ben je elkaars concurrent en in het ergste geval zelfs elkaars vijand. 57

59 Hoofdstuk 4 Basis Hoofdstuk De tijd van steden en staten Stedelingen, vorsten en de paus 3 Nieuwe steden gaan handeldrijven Intro Koggeschepen voeren over rivieren en langs de kusten naar andere steden. Hierdoor kwamen er contacten tussen middeleeuwse burgers uit verschillende steden. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de intro. Vul de ontbrekende woorden en getallen in. Het nagebouwde koggeschip was 20 meter lang en 7,5 meter breed. Het schip is gebouwd om vracht te vervoeren. De stuurman of kapitein stond op het kasteel, achter op het schip, in regen, kou en wind. Het schip kon kilo vracht vervoeren. 2 a Hoe wisten de bouwers in de 20e eeuw hoe de middeleeuwse koggeschepen eruitzagen? Van middeleeuwse afbeeldingen. b Welk onderdeel van het schip vind je het meest middeleeuws? Leg je antwoord uit. Het kasteel: met zijn kantelen lijkt dit onderdeel op de bovenkant van de muren van een echt kasteel. c Om welke reden is besloten het wrak uit 1336 na te bouwen? Om te leren hoe deze schepen gebouwd werden. 3 Welke handel werd in de middeleeuwen mogelijk door de komst van het koggeschip? Overzeese handel. Verwerking 4 Zet de ontwikkelingen over het ontstaan van steden rond het jaar 1000 in chronologische volgorde. A Marktplaatsen groeien uit tot steden. B Land wordt ontgonnen om het geschikt te maken voor de landbouw. C Er ontstaan marktplaatsen op kruispunten van wegen en/of rivieren. D Er komen voedseloverschotten die geruild of verkocht kunnen worden. E Steden krijgen stadsrechten. Juiste volgorde: B, D, C, A, E. 5 Welke zinnen zijn juist? Door ontginningen maakten heren moerassen en veengebieden geschikt voor de landbouw. Tussen het jaar 500 en 900 ontstonden er veel steden in Europa. In Italië waren er eerder steden dan in Nederland. Rond het jaar 1000 groeide de Europese bevolking, doordat er meer voedsel was. 6 Bekijk WB bron 1. Waarom ontstond Leiden juist op die plek? Noem twee redenen. Gebruik de leertekst. Er kwamen daar enkele rivieren samen en er was een versterkte burcht. Bron 1 De plek waar de Hollandse stad Leiden ontstond. Leiden kreeg in 1266 stadsrechten. Mare Zijl Rijn Burcht Hier werden de eerste huizen gebouwd 7 De eerste stad in Europa die stadsrechten kreeg, was de Italiaanse stad Genua. Dat was in het jaar 958. a Gebruik WB bron 1 en HB bron 2. Wanneer kreeg Leiden stadsrechten? In b Vul de juiste eeuwen in. Genua kreeg dus stadsrechten in de 10e eeuw en Leiden in de 13e eeuw. 8 a Welke voordelen hadden stadsrechten voor de burgers in de stad? Burgers konden zelf regels maken en rechtspreken. Ze mochten een muur bouwen om hun stad te beschermen. b Welke voordelen hadden stadsrechten voor de heer van dat gebied? Hij kreeg belastinggeld voor zijn hofhouding en zijn leger. 9 Bekijk HB bron 2. a Hoe zie je dat dit een middeleeuwse stad is? Aan de stadsmuur en de stadspoort. b Noem twee dingen waaraan je kunt zien dat dit een handelsstad was. De stad lag aan het water. Je ziet koggeschepen die worden uitgeladen en je ziet allerlei handelsproducten. Does 58

60 10 a Noem een voordeel van een geldeconomie in de middeleeuwen. Met geld kun je producten makkelijker kopen en verkopen. b Wat was een nadeel van het gebruik van muntgeld? A Door het gebruik van geld werden producten duurder. B Niet iedereen had geld. C Er moest vaak worden gewisseld. D Het was zwaar om mee te nemen. 11 Bekijk HB bron 4. a Noem twee gebieden buiten Nederland waarmee Nederlandse steden contacten hadden. Bijvoorbeeld: Engeland, Brugge en steden langs de Oostzee. b Aan welke rivier lag de Hanzestad Kampen? Aan de IJssel. 12 a Welke producten haalden de Nederlandse Hanzesteden uit het Oostzeegebied? Huiden. Laken. Hout. Graan. Zout. Haring. b In vraag a staan ook producten die niet uit het Oostzeegebied kwamen. Waar kwamen die wel vandaan? Uit Zuid-Europa. 13 Welke twee voordelen had het Hanzeverbond voor de kooplieden? Hun koopwaar werd beschermd, ze betaalden minder tol en ze hadden minder last van concurrenten. 14 Waardoor groeide de handel en kwamen er nieuwe steden? Zet de volgende gebeurtenissen in chronologische volgorde. A Bij marktplaatsen ontstaan steden. B Er komen voedseloverschotten die verhandeld worden. C Handelssteden gaan over lange afstand handeldrijven en gaan samenwerken. Juiste volgorde: B, A, C. Toepassingsopdracht Verspreiding van de pest De pest verspreidde zich vanaf het jaar 1347 in enkele jaren over heel Europa. In de stad Genua stierf binnen een jaar ongeveer 70% van de bevolking. In heel Europa stierven ongeveer 25 miljoen mensen binnen enkele jaren aan de pest. Hoe verspreidde die vreselijke ziekte zich? 15 Bekijk HB bron 3 en lees het bijschrift. a Leg uit waarom de pest ook wel de Zwarte Dood heet. De pest veroorzaakte zwarte bulten over je hele lichaam, waarna je snel stierf. b Leg uit waarom dit een vreselijke list was. Door met de pest besmette lijken de stad in te schieten, zou deze ziekte ook in de stad mensen ziek maken. 16 Bekijk HB bron 4. a Aan welke zee lag Caffa? Aan de Zwarte Zee. b In welke steden maakte de pest al in 1347 slachtoffers? In Venetië. In Genua. In Londen. In Milaan. In Constantinopel. c Hoe kun je op de kaart zien dat de pest zich via de handel verspreidde? Het begint in Caffa en gaat dan via de handelsroute tussen Caffa en Genua en Venetië. Vandaar gaan de handelsroutes verder naar het westen en het noorden. Je ziet dat de pest tussen 1348 en 1350 ook steeds meer naar het westen en noorden gaat. 17 Lees WB bron 2. Marino en zijn vriend Ponzio waren in Caffa tijdens de belegering door de Tataren. Schrijf op een apart vel een spannend verhaal van ongeveer honderd woorden. Begin waar het verhaal hieronder eindigt. Bron 2 Drie jonge matrozen uit Genua Het was oktober Het was heet en de stank was vreselijk. Maar Marino rook het niet meer. Hij zat immers al weken op dit ongeluksschip, waarop de ene na de andere matroos doodging. Vorige week was zijn vriend Ponzio al een vreselijke dood gestorven. Zelf zat Marino onder de zwerende bulten. Ook bij hem zou het niet lang meer duren. Maar hij wilde zijn vreselijke verhaal graag kwijt. 59

61 Hoofdstuk 4 Basis Hoofdstuk De tijd van steden en staten Stedelingen, vorsten en de paus 4 De middeleeuwse stedeling Intro Tegenwoordig gelden in heel Nederland dezelfde regels en wetten. De steden in de middeleeuwen bestuurden zichzelf en hadden hun eigen regels. De mensen in de stad spraken zelf recht en voerden de vonnissen ook zelf uit. 1 Bekijk HB bron 1. Waar zal de ondervragingsstoel in ieder geval pijn hebben gedaan? In de onderarmen. In de voorkant van de bovenbenen. In de rug en in de buik. In de nek. In de achterkant van de bovenbenen. In de borst. In het gezicht. In de kuiten. 2 Gebruik ook de intro. Waarvoor werd deze stoel gebruikt? Om een bekentenis af te dwingen of om de doodstraf (vonnis) uit te voeren. 3 Wie betaalde de beul? De stad waar hij voor werkte. Verwerking 4 De hygiëne in een middeleeuwse stad was slecht. Hierdoor konden ziekten zich gemakkelijk verspreiden. Noem drie redenen voor de slechte hygiëne. Er was nog geen riolering. De poepton waarop de mensen hun behoefte deden, werd maar eens per week geleegd. Mensen en dieren leefden dicht op elkaar. Afval werd op straat of in de gracht gegooid. 5 Bekijk HB bron 2. a Noem drie ambachten/beroepen in middeleeuwse steden die niet op het platteland bestonden. Bijvoorbeeld: bont- en pelzenhandelaar, barbier (kapper), apotheker, kleermaker. b Welke verschillen waren er in de middeleeuwen tussen het leven op het platteland en het leven in een stad? Vul het schema in. Waren mensen vrij of waren ze afhankelijk? Hoe woonden de meeste mensen? Welke bouwwerken boden bescherming aan de mensen? Platteland Afhankelijk van de graaf of hertog In boerderijtjes op het land De versterkte burcht Stad Meestal vrije burgers In kleine huizen, dicht op elkaar De stadsmuren en poorten 6 Gebruik de leertekst en de tekst van HB bron 3. In de middeleeuwen waren mensen met hetzelfde beroep lid van een gilde. Waarom had het gilde zulke strenge gilderegels? Meer antwoorden zijn goed. Door de regels was de kwaliteit van de producten in de hele stad hetzelfde. De gilden wilden goedkope producten maken. De gildeleden werden beschermd tegen prutsers die goedkope en slechte producten maakten. Er hoefde weinig belasting aan het stadsbestuur betaald te worden. 7 Gebruik de leertekst en HB bron 3. a Wat deden middeleeuwse gilden op economisch, politiek en sociaal gebied? Maak de juiste combinaties. A Economisch 1 Steun bij ziekte of dood B Politiek 2 Kwaliteitsproducten met vaste prijzen C Sociaal 3 Gildemeesters zaten in het stadsbestuur Juiste combinaties: A2, B3, C1. b Kijk goed naar de vorm van het schema. Schrijf de verschillende rangen binnen een gilde op de juiste plaats. meesters gezellen leerlingen 60 8 a Wat zijn redenen waarom de gildemeesters veel macht hadden in de stad? Zij stelden de gilderegels op. Zij zaten vaak in het stadsbestuur. Er waren veel gildemeesters. Ambachtslieden waren belangrijker dan kooplieden.

62 b Hoe voorkwamen gilden onderlinge concurrentie? Met regels over werktijden, opleiding en de prijs en kwaliteit van de producten. c Waarom wilden gilden geen concurrentie? Om ervoor te zorgen dat meesters voldoende konden verdienen. 9 Bekijk HB bron 3. a Op de afbeelding maken twee gezellen een werkstuk om te laten zien dat zijn hun ambacht echt beheersen. Voor welke twee gilden worden hier werkstukken gemaakt? Voor het houtbewerkersgilde. Voor het weversgilde. Voor het leerlooiersgilde. Voor het steenhouwersgilde. b Wie maakte uit of een gezel meester mocht worden? Een meester van het gilde. 10 a Vul de ontbrekende woorden in. Het middeleeuwse stadsbestuur bestond uit een schout en schepenen. Zij waren op de eerste plaats rechters, maar zorgden ook voor veiligheid op straat en de verdediging van de stad. b Bedenk waarom de heer, via de schout, invloed wilde hebben op het bestuur van de stad. Twee antwoorden zijn goed. Een stad met stadsmuren en een eigen leger had veel macht. Hij wilde belastingen kunnen blijven innen. Hij wilde zijn invloed op de steden vergroten. Hij had wel verstand van handel. 11 Leg uit waarom mensen in de middeleeuwen graag in een stad wilden wonen. Noem drie redenen. De burgers woonden er veilig en ze waren er vrij. Ze konden een opleiding volgen bij een gilde en de stad kwam voor haar burgers op als er iets gebeurde. Toepassingsopdracht Veiligheid in de middeleeuwen Tegenwoordig is er geen doodstraf meer in Nederland. In de middeleeuwen wel. In steden probeerden schout en schepenen met strenge straffen de orde en rust te behouden. Maar was het ook veiliger in de middeleeuwen dan nu? 12 Bekijk HB bron 1. Soms bekenden verdachten al als ze deze stoel zagen. Leg dit uit. Ze zullen zo n angst voor de pijn hebben gehad, dat ze liever bekenden dan de pijn te voelen. 13 Bekijk HB bron 4. a Beschrijf drie manieren van martelen die je rechts op de voorgrond ziet. Er wordt een trechter in de mond van de man gehouden en daar wordt water ingegoten. Er staat een man met een brandende fakkel. Er wordt een zware bak op de knieën van de man gezet. Zijn lichaam wordt uitgerekt. b Welke straffen kun je op HB bron 4 herkennen? Geselen in het openbaar. Uitsteken van een oog. Een taakstraf. Een grote geldboete. Terechtstellen op de brandstapel. Ophangen aan de galg. Onthoofden met het zwaard. 14 Leg uit dat marteling vaak tot het veroordelen van onschuldigen zal leiden. Mensen zullen uit angst voor de pijn bekennen, niet omdat ze echt schuldig zijn. 15 Werk samen met een klasgenoot. Lees WB bron 1. Gebruik verder alle informatie uit deze toepassing en HB bron 1 en 4. Maak de onderstaande zinnen af. Je moet zelf een mogelijke reden bedenken. Je kunt het antwoord niet letterlijk ergens vinden. a Straffen en martelingen maakten de samenleving veiliger, omdat bijvoorbeeld: de samenleving zonder strenge straffen en martelingen misschien nog gewelddadiger zou zijn. b Bron 1 Straffen en martelingen maakten de samenleving onveiliger, omdat bijvoorbeeld: het aantal moorden ondanks de strenge straffen heel hoog bleef. De samenleving bleef erg gewelddadig. Veiliger of onveiliger in de middeleeuwen? In de middeleeuwen werden er jaarlijks vijf mensen vermoord op elke inwoners van een stad. Nu is dat in heel Nederland tussen 0,1 en 0,2 mensen per inwoners. Tegenwoordig voelen veel mensen zich onveilig, bijvoorbeeld door het zinloze geweld op straat. Maar in de middeleeuwen was er veel meer geweld. 61

63 Hoofdstuk 4 Basis Hoofdstuk De tijd van steden en staten Stedelingen, vorsten en de paus 5 Alles draait om het geloof Intro Bisschop Martinus van Tours was zo belangrijk dat er kerken naar hem werden genoemd. Na zijn dood werd Martinus heilig verklaard en Sint-Maarten genoemd. Sint is een ander woord voor een heilige. 1 a Bekijk HB bron 1 en lees de intro. Wie was Martinus? Een Romeinse officier. b Wat deed Martinus, toen hij de bedelaar zag? Hij gaf de helft van zijn mantel aan een bedelaar. c Welk besluit nam Martinus de volgende dag? Hij besloot christen te worden en zijn leven aan zijn geloof te wijden. 2 Waarom passen de acties van Martinus goed bij de christelijke leer? Martinus helpt een arme bedelaar. Martinus probeert de bedelaar te bekeren. Martinus vindt het geloof belangrijk in zijn leven. Martinus neemt ontslag als Romeins soldaat. 3 Gebruik HB bron 1. Op welke manier herdenken wij Sint- Maarten tegenwoordig nog steeds? Kinderen gaan met lampionnen langs de deur om snoep op te halen. Verwerking 4 a Veel mensen gingen in de middeleeuwen dagelijks naar de kerk. Wat deden ze daar? Bidden. b Bij belangrijke gebeurtenissen in of na het leven van mensen speelde de kerk een belangrijke rol. Noem drie van die gebeurtenissen. Als ze gedoopt werden, als ze gingen trouwen en na hun overlijden. 5 a Veel steden wilden hun kerktorens zo hoog mogelijk bouwen. Wat zullen daar redenen voor zijn geweest? Hoe hoger, hoe dichter bij God. Daarmee kreeg je als stad veel aanzien. Een kerk kon ook gebruikt worden als burcht. Dat moest van de priesters en de bisschop. Zo toonde je als stad trouw aan God. b In 1512 stortte de slecht gebouwde kerktoren van de Sint-Pieterskerk in Leiden in. Andere steden slaagden er niet eens in om hun kerktoren af te bouwen. Noem een mogelijke reden waarom dat niet lukte. Men wilde een grote kerk bouwen, maar had niet voldoende geld of menskracht. c Noem een reden waarom het terecht is dat Utrecht uiteindelijk de hoogste kerktoren had. Dit was de bisschopsstad van de noordelijke Nederlanden. 6 Gebruik HB bron 2 en de leertekst. a Wat voor soort kerk is de Domkerk in Utrecht? Een kathedraal/bisschopskerk. b Bekijk ook HB bron 3. Welke kerk staat volgens deze kaart precies in het centrum van de stad? De Domkerk. c In het kleine kaartje van HB bron 3 staat rond vijf kerken in de stad een cirkel. Trek in gedachten door de cirkels één lijn van boven naar beneden en één lijn van links naar rechts. Welk symbool van de christelijke kerk wordt door die lijnen zichtbaar? Een kruis. d Dat deze vijf kerken dit symbool vormden, was geen toeval. Zo liet Utrecht zien hoe belangrijk de stad het geloof in God en Christus vond. Leg deze uitspraak uit. Aan het kruis was Christus gestorven. Utrecht liet de indeling van de stad bepalen door dit symbool. 7 Met welke persoon, die ook kerkdiensten leidde, hadden gelovigen in het dagelijks leven het meest te maken? Met de priester. 8 a Bekijk HB bron 4. Alle gelovigen in een stad hielpen of betaalden mee aan de bouw van een kerk. Door welk gilde is dit deel van de gebrandschilderde ramen van de kathedraal van Chartres geschonken? A Door het gilde van steenhouwers. B Door het gilde van slagers. C Door het gilde van schoenmakers. D Door het gilde van schilders. b Kijk nog eens naar paragraaf 4. De gilden deden deels hetzelfde voor hun leden als de kerk voor de gelovigen. Leg dit uit. Gildeleden steunden elkaar bij overlijden of ziekte. De kerk steunde gelovigen als hun inkomen wegviel. 9 a Hoe was de katholieke kerk georganiseerd? Vul het schema in. b Noem twee taken van bisschoppen in de middeleeuwen. Priesters benoemen en rechtspreken in geloofszaken. 62

64 Hoogste bestuurder Hoofd van een bisdom Hoofd van een kerk in dorp of stad Paus (in Rome) Bisschop Priester 10 a Noem twee redenen waarom er kritiek op de paus, de kerk en de kloosters kwam. De paus werd steeds machtiger. De kerk en de kloosters werden steeds rijker. b Vul de ontbrekende woorden in. De katholieke kerk noemde mensen die kritiek hadden ketters. Velen van hen werden op de brandstapel ter dood gebracht. 11 a Bekijk HB bron 5. Waaruit blijkt dat Dominicus een heilige is? Hij wordt Sint-Dominicus genoemd: sint staat voor heilige. Maria verschijnt voor Dominicus. Dat is een wonder. b Noem een reden waarom middeleeuwers heiligen vereerden. De levens van heiligen waren een voorbeeld voor de mensen: ze dachten dat heiligen hen hielpen in het dagelijks leven. 12 Gebruik de leertekst en WB bron 1. a Leg uit waarom Dominicus meer aanhangers kreeg dan Bron 1 de oude kloosterorden. Zijn monniken leefden in armoede. De oude orden waren schatrijk. b Noem twee voorbeelden uit WB bron 1 waaruit blijkt dat de dominicanen in armoede wilden leven. Ze hadden geen persoonlijke bezittingen of land en ze bedelden voor hun levensonderhoud. De dominicanen De heilige Dominicus uit Spanje stichtte rond 1200 de kloosterorde der dominicanen. Het was een bedelorde: de monniken hadden geen persoonlijke bezittingen en bedelden voor hun levensonderhoud. Met studie en gebed wilden de dominicanen de ketterijen bestrijden. Bezit van landerijen was verboden, want dat betekende handarbeid en dat zou ten koste gaan van studie. Vrij naar: J. v.d. Kluit, Een refter waar niet werd gegeten. In: ZUTPHEN (2003). Toepassingsopdracht Heiligen vereren In de middeleeuwen werden veel heiligen vereerd. Ook nu bidden mensen nog tot heiligen. Op welke manieren helpen heiligen de gelovigen? 13 Lees WB bron 2. Franciscus wordt vereerd als een heilige. Beschrijf het wonder dat hij volgens deze bron heeft Bron 2 verricht. Zonder dat hij geweld gebruikt, zorgt hij er met Gods hulp voor dat de woeste wolf zo mak als een lam wordt. De bloeddorstige wolf van Gubbio Franciscus was in de stad Gubbio, toen daar een grote en bloeddorstige wolf opdook. Hij vrat dieren op en zelfs mensen. Iedereen was bang voor het monster. Franciscus ging toch op de wolf af. Het beest rende met opengesperde muil naar Franciscus. Toen hij vlakbij was, maakte Franciscus een kruisteken en riep: Kom hier, broeder wolf. Doe mij, noch iemand anders kwaad. En toen gebeurde met Gods hulp het wonder. De vreselijke wolf sloot zijn bek en ging zachtjes als een lam voor de voeten van Franciscus liggen. De bewoners van Gubbio en de wolf leefden daarna vreedzaam naast elkaar. Vrij naar: 14 Lees WB bron 3. In deze bron staat hoe mensen hulp vragen aan heiligen. a Aan welke heilige uit WB bron 3 zal men hulp hebben Bron 3 gevraagd, als er een uitbraak van de pest was? Aan de heilige Rochus. b En waarbij helpt de andere heilige? Bij het zoeken naar dingen die je kwijt bent of bij het zoeken naar een baan. Heilige Rochus Antonius Twee heiligen. Vraag om hulp Ik vraag u om Frans te genezen van deze mysterieuze ziekte en dat hij weer kan lopen en geen pijn meer heeft. Dank u. Help mij te verlossen van de alsmaar durende pijn. Helpt u mij alstublieft het geboortekaartje van mijn kind te vinden. Dank u wel voor het aanhoren van mijn gebed. Help Kees aan een goede baan, hij verdient het. Vrij naar: 63

65 Hoofdstuk 4 Basis Hoofdstuk De tijd van steden en staten Stedelingen, vorsten en de paus 6 Vorsten willen meer macht Intro Een Duitse koning die de paus afzet en zijn eigen paus benoemt. Dat zal tegenwoordig niet meer gebeuren. Maar in de middeleeuwen was de situatie heel anders. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de intro. a Hoe heette de Duitse koning? Hendrik IV. b Hoe heet de paus die naast hem zit? Clemens III. c Leg uit dat de Duitse koning heel tevreden was met deze paus. Hij heeft hem zelf paus gemaakt en daarna heeft Clemens Hendrik tot keizer gekroond. 2 a Hoe heet de andere paus in HB bron 1? Gregorius VII. b Beschrijf met behulp van de intro en de bron wat er met deze paus is gebeurd. Hij is in 1084 uit Rome verjaagd door Hendrik. Hij zoekt daarna hulp bij andere vorsten, maar hij sterft in Verwerking 3 a Gregorius wilde Hendrik niet tot keizer kronen. Maar waarover hadden Hendrik en Gregorius ook ruzie? A Over de macht over de kerk. B Over de macht over het Duitse Rijk. C Over wie het recht had om bisschoppen te benoemen. D Over de macht in Rome. b Waarom vond Gregorius VII dat hij gelijk had in dit conflict? De paus was de leider van de kerk en onder hem stonden de bisschoppen, die binnen het bisdom aan het hoofd van de kerk stonden. 4 Welke taken en plichten horen bij leenmannen? Zij kregen een gebied in leen, dat ze voor de vorst bestuurden. Zij moesten over de koning rechtspreken. Zij moesten bij oorlog met hun soldaten in het leger van de vorst vechten. Zij moesten belastingen innen voor de vorst. 5 Vul de ontbrekende woorden in. In het Duitsland van Hendrik IV was een bisschop eigenlijk in dienst van de koning én van de paus. 6 Welke twee zinnen passen bij een centraal bestuur? De vorst bestuurt zijn gebied vanuit één centrale plaats. De leenmannen van de vorst houden hun macht. De vorst reist niet meer rond om recht te spreken. Het gebied van de vorst kan niet te groot zijn. 7 a Waarom benoemde Hendrik IV liever bisschoppen dan edelen als leenman? A De andere leenmannen gehoorzaamden de keizer nauwelijks. B Hij wilde ook invloed krijgen op de kerk. C Hij wilde zijn land vanuit één plaats regeren. D Hij wilde de paus afzetten. b Leg uit waarom Hendrik IV het wel prettig vond om een bisschop als leenman te hebben. Hij had dan niet te maken met kinderen van de leenman, die het land van hun vader erfden. 8 a Welke twee kenmerken horen bij een staat? Het is een gebied met duidelijke grenzen. De koning reist rond. Ieder gewest heeft zijn eigen regels. Overal gelden dezelfde wetten en regels. b Hoe gebruikte de vorst belastinggeld om zijn macht te vergroten? Geef twee voorbeelden. Hij stelde ambtenaren aan en hij betaalde er een huurleger mee. 9 Gebruik HB bron 2. a Streep door wat niet juist is. Alle bijnamen van de Bourgondische hertogen zijn positief negatief. b Welke gebieden bestuurde Filips de Stoute? Vlaanderen, Artois, Bourgondië en Franche-Comté. c Welke Bourgondische hertog bestuurde als eerste ook Holland en Zeeland? Filips de Goede. d In welke landen van nu lagen de gebieden van de hertogen van Bourgondië? In Frankrijk, België, Nederland en Luxemburg. 64

66 10 Gebruik de leertekst en WB bron 1. Bron 1 a Streep door wat niet juist is. Het gebied van Filips de Goede werd vooral groter door erfenissen veroveringen. Hij wilde zijn gebied centraal besturen en de rol van de ambtenaren edelen zo klein mogelijk maken. b Filips de Goede probeerde de edelen wel te vriend te houden. Hoe deed hij dat? Door ze lid te maken van de ridderorde van het Gulden Vlies. De ridderorde van het Gulden Vlies. Filips de Goede, heer der Nederlanden Hertog Filips de Goede was een machtig man. Hij had bijna heel de Nederlanden in bezit. Hij erfde Brabant en Limburg in Holland en Zeeland kreeg hij in Luxemburg erfde hij in Hij richtte in 1430 de ridderorde van het Gulden Vlies op. Daarin benoemde hij edelen, die dat als een grote eer zagen. Zij kregen een ketting met een gouden vlies of zeil eraan. De ridders beloofden Filips trouw te dienen als ze toetraden. Vrij naar: Algemene Geschiedenis der Nederlanden (1980). 11 Lees WB bron 2 en gebruik de leertekst. a Over welk nieuw bestuursorgaan gaat deze bron? Over de Staten-Generaal. b De Eerste en Tweede Kamer samen heten in Nederland nog steeds zo. Waar komen de Eerste en Tweede Kamer in Nederland samen? In Den Haag. Bron 2 Een nieuw bestuursorgaan In 1464 stuurde Filips de Goede een uitnodiging naar alle gewesten om vertegenwoordigers naar Brugge te sturen. Daar wilde hij in een gezamenlijke bijeenkomst van alle gewesten of staten enkele belangrijke zaken bespreken. De vertegenwoordigers hadden niet veel te vertellen. Maar er kwam zo wel een nieuw overlegorgaan tussen de vorst en de vertegenwoordigers van de gewesten. Vrij naar: Bosatlas van de Geschiedenis van Nederland (2011). 12 Gebruik HB bron 3 en 5. Leg het woord voorrecht uit. Dit is een recht dat je hebt, terwijl anderen het niet hebben. Toepassingsopdracht Centraal bestuur De Bourgondische hertogen voerden een centraal bestuur in. Dat ging met vallen en opstaan. 13 Lees WB bron 1 en 2 nog eens en gebruik HB bron 3, 4 en 5. a Vul de tweede en derde kolom van het schema in (jaartal en bron). b Welke gebeurtenissen waren positief voor het centraal bestuur en welke negatief? Zet een kruisje in de juiste kolom. Leg in de laatste kolom uit waarom je dit vindt. Gebeurtenis Jaartal Bron Positief Negatief Uitleg Oprichting Gulden Vlies 1430 WB x Holland en Zeeland willen voorrechten houden Vergadering Staten-Generaal in Brugge Centrale rechtbank Mechelen Maria geeft gewesten voorrechten terug bron HB bron WB bron HB bron HB bron 5 x x x x De edelen voelen zich vereerd en beloven de vorst trouw te dienen. Als Holland en Zeeland hun voorrechten houden, gaat dat ten koste van de centrale macht. De vorst overlegt op één plaats met alle gewesten tegelijk. Bij een centraal bestuur hoort een centrale rechtspraak voor alle gebieden. De gewesten krijgen hun voor rechten terug en eisen meer inspraak. 65

67 Hoofdstuk 4 Verdieping Hoofdstuk De tijd van steden en staten Stedelingen, vorsten en de paus 7 Graaf Floris V van Holland Graaf Floris V werd op 23 juni 1296 gevangengenomen. Hij zat vier dagen vast op het Muiderslot en werd op 27 juni 1296 vermoord. Jullie zijn de schout en schepenen, die onderzoeken wie hem vermoordde en waarom. Werk met een klasgenoot. Zoek naar de motieven (redenen) voor de moord. Wat is er gebeurd tijdens de regering van Floris V? Wie had er belang bij om hem te vermoorden? Bepaal ook, als jullie de moord hebben opgelost, welke straf jullie geven aan de schuldige(n). Het misdrijf 1 Bekijk HB bron 1 en lees de intro. a Door wie is Floris V ontvoerd? Door Gijsbrecht van Amstel, Hendrik van Woerden en Gerard van Velsen. b Waar is Floris V vermoord? Bij het Muiderslot. c Wie waren getuige van de moord? Noem twee verschillende groepen. De boeren die Floris wilden bevrijden en de edelen die hem hadden ontvoerd. 2 a Wie zouden jullie arresteren? Gerard van Velsen en de twee andere edelen. b Geef twee redenen voor deze arrestaties. Gerard van Velsen heeft de moord gepleegd volgens de getuigen. De andere edelen hebben Floris V in ieder geval ontvoerd. Het is niet duidelijk of ze meegeholpen hebben bij de moord. c De edelen vluchten na de moord te paard naar kasteel Cronenburg van Gerard van Velsen. Boze boeren belegeren het kasteel. Jullie moeten als schout en schepenen ook zorgen voor rust en veiligheid. Wat zouden jullie tegen de boeren zeggen om ze gerust te stellen? Dat de schuldigen worden opgepakt. Het onderzoek: wie is het slachtoffer? 3 Gebruik HB bron 2. a Vul de ontbrekende woorden in. Floris was de zoon van graaf Willem II en werd zelf als Floris V graaf van Holland en Zeeland. b Welke reden had Floris V om boos te zijn op de West- Friezen? Die hadden zijn vader vermoord, toen hij met zijn paard door het ijs was gezakt. c Wat zijn vader in 1256 niet lukte, lukte Floris V wel. Wat was dat? West-Friesland onderwerpen. d Hoe voorkwam Floris V dat de West-Friezen nog eens in opstand kwamen? Hij liet burchten bouwen om een nieuwe opstand te voorkomen. 4 Maak een overzicht van het leven van Floris V. Bij de jaartallen zie je in welke bronnen je de informatie kunt vinden. Jaartal Het leven van Floris V 1254 Geboren in Leiden 1256 (HB bron 2 en 3) 1266 (HB bron 2 en 3) 1275 (HB bron 3 en 4) 1278 (HB bron 3 en 4) 1282 (HB bron 2 en 3) 1288 (HB bron 3 en 4) Vader Willem II vermoord door West-Friezen Floris wordt graaf van Holland en Zeeland Woon- en werkplaats: de Ridderzaal in Den Haag Hij verdrijft Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden uit hun burchten en neemt ze in West-Friezen onderworpen, burchten gebouwd Hij geeft Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden hun burchten en land terug, maar maakt ze tot leenmannen 1294 Bondgenoot van de Engelse koning Januari 1296 (WB bron 1) Juni 1296 (HB bron 1 en WB bron 1) Edward Bondgenoot van de Franse koning Filips, de vijand van Edward Gevangengenomen door edelen en door Gerard van Velsen vermoord 66

68 Bron 1 Een complot? Buitenlandse politiek van Floris V Floris V was een bondgenoot van de Engelse koning Edward. Floris zoon Jan werd aan het Engelse hof opgevoed om te trouwen met Edwards dochter Elisabeth. Maar Floris kreeg ruzie met Edward. In januari 1296 werd Floris bondgenoot van de Franse koning Filips, de vijand van Edward. Edward vond dit niet leuk. Hij zat waarschijnlijk achter een geheim plan, dat samen met ontevreden Hollandse leenmannen van Floris werd uitgedacht. Floris zou worden ontvoerd naar Engeland en in zijn plaats zou Floris zoon Jan graaf van Holland worden. Die was nog jong en zou de adviezen van zijn schoonvader, de Engelse koning Edward, wel opvolgen. Vrij naar: A. Lavèn, Het complot tegen Floris V. In: Historisch Nieuwsblad (2012). Achtergrondinformatie over het slachtoffer 5 Gebruik HB bron 3, 4 en 5. Hoe bestuurde Floris V zijn graafschap? Vul het schema in. Welke gebieden heeft hij veroverd? (HB bron 3 en 4) Waardoor kon de handel in de steden (bijvoorbeeld Amsterdam) onder hem tot bloei komen? (HB bron 3 en 4) Hoe behandelde hij de edelen Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden? (HB bron 3 en 4) Hoe behandelde hij de boeren in West-Friesland? (HB bron 3, 4 en 5) Bestuur van Floris V Amstelland, Amsterdam, West-Friesland en Woerden. Hij zorgde voor rust en welvaart en voor lage belastingen. Amsterdam mocht tol gaan heffen. Zij werden van hun burchten verdreven. Ze kregen deze terug als ze zijn leenmannen werden. Hij hield ze er vanuit zijn burchten onder, maar beschermde de boeren ook tegen de edelen. Wie had een motief? 6 Overleg samen. Wie hadden in 1296 echt een motief om Floris V te ontvoeren en te vermoorden? Boeren. Hollandse steden als Amsterdam. Edelen als Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden. De Franse koning Filips. De Engelse koning Edward. Het vonnis van schout en schepenen 7 Waarom werd Floris V volgens jullie vermoord? Je eigen antwoord, bijvoorbeeld: graaf Floris V werd vermoord door edelen die het niet met hem eens waren. Ze werden waarschijnlijk gesteund door de Engelse koning Edward. Floris was waarschijnlijk niet vermoord, als de boeren niet hadden geprobeerd hem te bevrijden. De edelen wilden Floris ontvoeren en zijn zoon als graaf aanstellen. Over mogelijke persoonlijke motieven van Gerard van Velzen is het niet gegaan. Die had hij waarschijnlijk ook. 8 Kasteel Cronenburg van Gerard van Velzen wordt ingenomen om de daders te arresteren. Veel handlangers worden direct door boze boeren vermoord. Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden weten in de chaos te ontkomen en vluchten naar het buitenland. Gerard van Velsen bekent schuld. Welke straf geven jullie als schout en schepenen aan de schuldigen? Je eigen antwoord, bijvoorbeeld: de doodstraf via de dodentroon of via radbraken. 67

69 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk De tijd van steden en staten Stedelingen, vorsten en de paus 8 Afsluiting Vaardigheid In de tijd plaatsen Bij het vak geschiedenis is het erg belangrijk dat je gebeurtenissen en ontwikkelingen in de goede volgorde kunt zetten. Anders haal je bijvoorbeeld oorzaken en gevolgen door elkaar en wordt het een rommeltje. 1 Wat past bij de tijd van de late middeleeuwen? Er ontstaan veel steden in Europa. Edelen gaan gebieden besturen waarop horigen wonen. Steden krijgen van de vorst (stads)rechten om zichzelf te besturen. Europeanen gaan op ontdekkingsreis overzee. Hertogen, vorsten en de paus willen meer macht. Losse gebieden groeien uit tot landen. Het christendom begint zich te verspreiden over Europa. De islam ontstaat. 2 Gebruik de tijdbalk in je handboek. Zet het juiste jaartal bij onderstaande gebeurtenissen. Jaar Paus Urbanus roept op tot de eerste kruistocht 1095 De late middeleeuwen eindigen 1500 Kampen en andere handelssteden sluiten een handelsverbond 1356 Bourgondische gewesten vergaderen in Brugge Hieronder staan de onderwerpen uit dit hoofdstuk. Welke bronnen uit HB en WB passen bij welk onderwerp? Onderwerp Bronnen Opkomst handel en steden WB bron 1 Steden worden zelfstandig HB bron 1 HB bron 2 Strijd tussen kerk en staat: hoe belangrijk was geloof Centraal bestuur HB bron 3 4 Gebruik HB bron 1, 2 en 3 en WB bron 1. Br on 1 a Plaats de gebeurtenissen waar deze bronnen over gaan in chronologische volgorde. Juiste volgorde: HB bron 2, HB bron 1, HB bron 3, WB bron 1. b Noteer de onderwerpen uit de bronnen van vraag a in de tijdbalk van WB bron 2. Schilderij van Hendrick Corneliszn Vroom: De terugkeer in Amsterdam (1599) van een handelsreis naar Oost-Indië. Amsterdam zou in de 16e en 17e eeuw de belangrijkste handelsstad in de Nederlanden worden. 5 Het jaar 1000 was een overgang tussen de vroege en de late middeleeuwen. Over wat voor soort ontwikkeling gaan de zinnen? Maak de juiste combinaties. A Er ontstond handel en er ontstonden steden, die rijk werden door handel: B De kerk probeerde haar macht en invloed te vergroten met een sterke organisatie: C Er kwamen steden met stadsrechten die zichzelf bestuurden en zelf rechtspraken: 1 economische ontwikkeling. 2 politieke ontwikkeling. 3 religieuze ontwikkeling. Juiste combinaties: A1, B3, C2. Bron 2 Tijdbalk van de late middeleeuwen

70 6 Gebruik HB bron 3. Aan het einde van de late middeleeuwen begint een belangrijke verandering op politiek gebied. De vorst probeert zijn macht te vergroten. a Van welke drie groepen wilde hij macht afnemen om zelf sterker te worden? Van de leenmannen. Van de bisschoppen. Van de priesters. Van de ambtenaren. Van de steden. b Vorsten zoals Filips de Goede probeerden een centraal bestuur in te stellen. Welke maatregelen passen bij de invoering van een centraal bestuur? De vorst bestuurt het land vanuit één centraal punt. De vorst benoemt de bisschoppen in zijn land. De vorst gaat overal dezelfde belastingen heffen. De vorst handhaaft de voorrechten van de adel. De vorst benoemt een stadhouder als plaatsvervanger. 7 Gebruik WB bron 3. a Leg uit wat je ziet en hoe je kunt weten in welke eeuw dit was. Je ziet mensen met vlekken op hun gezicht. In de 14e eeuw was er een grote pestepidemie. b Vul nu het schema in over de gebeurtenis van WB bron 3. Voor of na Christus? Welk tijdvak? Welke periode? Na Tijd van steden en staten (Late) middeleeuwen Welke eeuw(en) 14e eeuw Bron 3 Chronologie 8 Plaats de onderstaande gebeurtenissen in chronologische volgorde. A De kruisvaarders veroveren Jeruzalem. B Filips de Schone roept de Staten-Generaal bijeen. C Noordwest-Europese steden werken samen in de Hanze. D De grootste pestepidemie treft Europa. E Genua krijgt als eerste stad stadsrechten. Juiste volgorde: E, A, D, C, B. Onze tijd: wat zie je terug van de tijd van steden en staten? 9 Wat is er tegenwoordig nog overgebleven uit de tijd van de late middeleeuwen, ofwel de tijd van steden en staten? Vul in. HB bron 4: blijvende tegenstelling tussen moslims en christenen. HB bron 1 en 2: oude (Hanze)stadjes, kloosters en kerken. HB bron 3 en WB bron 1: schilderijen van gebeurtenissen uit de middeleeuwen Dominicanenklooster in Zutphen 1400 Hanzestad Kampen 1445 Filips de Goede 1599 Handelsreis Oost-Indië 69

71 5 De tijd van ontdekkers en hervormers Een eeuw van grote veranderingen 1 Oriëntatie Intro Rond 1500 eindigen de middeleeuwen en begint de vroegmoderne tijd. Bij het maken van kunstwerken, gebruiksvoorwerpen en gebouwen is de kunst uit de middeleeuwen niet meer het voorbeeld. In deze nieuwe tijd kijken kunstenaars naar de kunst uit de oudheid. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de tekst. a Waaruit blijkt dat de maker van dit kunstwerk de oudheid als voorbeeld zag? A Er zijn christelijke figuren afgebeeld. B Je ziet goden uit de Germaanse natuurgodsdienst. C De afgebeelde personen komen uit de islam. D Er staan een Griekse god en godin op. b Welk gebouw uit de oudheid is in het peper-en-zoutstel verwerkt? Een tempel. c Streep door wat niet juist is. De kunstenaar kwam uit Griekenland Italië Nederland Oostenrijk. d Welke landen waren belangrijk in de oudheid? Griekenland. Italië. Nederland. Oostenrijk. 2 Wat vind je van dit peper-en-zoutstel? Je eigen antwoord, bijvoorbeeld: ik vind het mooi, want het goud fonkelt zo romantisch. Of: ik vind het lelijk, want het glimt zo. 3 Bekijk HB bron 2. Een andere grote verandering rond 1500 was dat er ontdekkingsreizen werden gemaakt. a Welke reizigers vertrokken in deze jaren? Vul de tweede kolom van het schema in. b Welke landen ontdekten zij? Vul de derde kolom van het schema in. c Uit welk land vertrokken de meeste reizen uit dit schema? Uit Portugal. d Welk schip met bemanning voer de hele wereld rond? Dat van Ferdinand Magalhães. Jaar/Jaren Reiziger Ontdekte landen Marco Polo China, India 1450 Hendrik de Zeevaarder West-Afrika, Gabon 1488 Bartholomeus Zuid-Afrika Diaz 1492 Christoffel Columbus Canarische Eilanden 1498 Vasco da India Gama Amerigo Vespucci 1521 Ferdinand Magalhães Willem Barentsz Historisch denken Zuid-Amerika, Dominicaanse Republiek Filipijnen, de wereld rond Nova Zembla Feit of mening? Stel: je speelt met je voetbalelftal tegen een hele sterke tegenstander. De coach vindt jullie geweldig spelen: jullie krijgen veel scoringskansen en verdedigen uitstekend. Vlak voor het eindsignaal krijgen jullie een rommelig doelpunt tegen. Feit is: jullie hebben de wedstrijd met 1-0 verloren. De mening van de coach is dat jullie fantastisch hebben gespeeld. Maar jij vindt van niet: jullie hebben immers verloren. Een feit is iets waarvan we zeker weten dat het klopt. Feiten zijn zaken waar iedereen het over eens is. Over een feit kun je niet van mening verschillen. Een mening is iemands persoonlijke opvatting. Jij vindt iets over een gebeurtenis: dat is jouw mening. Over een mening kun je discussiëren. In een bron staan vaak feiten en meningen. Een historicus onderzoekt wat een feit is en wat een mening. 4 a Wat heb je bij vraag 2 ingevuld? Leg je antwoord uit. Ee n feit mening, want de een vindt het peper-en-zoutstel mooi, de ander niet. 70

72 b Wat zijn feiten over het peper-en-zoutstel? De waarde is 53 miljoen euro. Het is een prachtig kunstwerk. Het is in 1543 gemaakt. In 2003 werd het kunstwerk gestolen maar snel weer teruggevonden. Poseidon is een interessante god. 5 Lees WB bron 1 en gebruik de uitleg over feit en mening. Gebruik ook HB bron 2 en eventueel een atlas. a Welke twee feiten kun je met WB bron 1 controleren? Magalhães had wapens bij zich. Magalhães vertrok uit Portugal. Magalhães ging op de Filipijnen aan land. Magalhães maakte in 1521 een zeereis. b Wat klopt niet met WB bron 1? A Magalhães reisde de wereld rond. B Magalhães ging op de Filipijnen aan land. C Magalhães maakte in 1521 een zeereis. c Wat heb je bij vraag 3d over het schip van Magalhães ingevuld? Leg je antwoord uit. Een feit mening, want Magalhães overleefde de reis niet, maar de nieuwe kapitein kwam met zijn bemanning in Europa aan. Iedereen is het hierover eens dat dit schip het eerste was dat de wereld rondvoer. Bron 1 U it het logboek van Antonio Pigafetta, die meereisde met kapitein Magalhães. Filipijnen, 27 april 1521 Toen we op de Filipijnen aan land waren gekomen, openden we de aanval op de inlanders. Ze waren met meer dan duizend man en kwamen meteen op ons af. Met pijlen en bamboespiezen met ijzeren punten verdedigden zij zich. Onze wapens kwamen niet door hun schilden heen. We staken hun huizen in brand en dat maakte hen nog woester. Ze vielen onze kapitein aan en vermoordden hem. De nieuwe kapitein kwam maanden later met achttien bemanningsleden in Europa aan. Vrij naar: Geert Mak, Ooggetuigen van de wereldgeschiedenis (1999). 6 Lees WB bron 2. a Welke twee feiten uit deze bron zou je kunnen controleren als je ook het logboek van kapitein Columbus had? De snelheid waarmee gevaren werd. De bemanning kon hoge beloningen verdienen. b Welke mening heeft de bemanning over de reis? Dat de reis te lang duurt. c Op 10 oktober 1492 klaagde de bemanning over de duur van de reis. Kapitein Columbus ontdekte op 12 oktober 1492 Amerika. Het is een feit mening dat het niet heel lang duurde, voordat de bemanning aan land kon, want twee dagen later was het zover: ze kon aan land. Br on 2 Bartolomé de las Casas schreef op basis van het logboek van Columbus. Op zoek naar land Woensdag 10 oktober 1492 Die dag en nacht voeren ze maar 44 leguas (een oude afstandsmaat). Toen konden de mannen het niet meer verdragen; ze klaagden over de lengte van de reis. Columbus deed zijn best om ze moed in te spreken. En herinnerde hen aan de hoge beloningen die ze konden verdienen. Vrij naar: Geert Mak, Ooggetuigen van de wereldgeschiedenis (1999). 7 Peper groeit als bessen aan een tropische peperplant, die in Azië groeit. a Wat is eerder? Leg je antwoord uit. Het maken van het peper-en-zoutstel De grote reizen naar tropische gebieden, want zonder peper hoef je geen peper-en-zoutstel te maken. Er waren dus eerst grote reizen naar tropische gebieden, voordat het peper-en-zoutstel werd gemaakt. b Je antwoord bij vraag a is een feit mening, want we kunnen nagaan of het klopt. Het is geen persoonlijke opvatting. 8 a Wat is een feit? Vul de ontbrekende woorden in. Een feit is een gebeurtenis of voorval waar iedereen het over eens is. Een feit is iets dat klopt. b Hoe herken je een mening? Drie antwoorden zijn goed. Een mening is altijd een persoonlijke opvatting. Een mening klopt niet met de feiten. Een mening heeft te maken met de situatie waarin iemand zit of met de partij waar iemand bijhoort. Over een mening kun je discussiëren. 71

73 Hoofdstuk 5 Basis Hoofdstuk De tijd van ontdekkers en hervormers Een eeuw van grote veranderingen 2 De oudheid wordt opnieuw geboren Intro Veel kunstenaars en geleerden hadden rond 1500 het idee dat er een nieuw tijdperk begon. In die nieuwe tijd was de invloed van de oude Grieken en Romeinen groot. 1 Bekijk HB bron 1. a Welke kerk is hier afgebeeld? De Sint-Pieterskerk in Rome. b Hoe hoog is deze kerk? 136 meter. c Wat zie je in het hoogste punt in de binnenkant van de koepel? Een grote opening, waardoor licht naar binnenkomt. d Hoe breed is de koepel van deze kerk? 4 2 me te r. 2 Lees de intro. Michelangelo was één van de architecten van deze grote kerk. Hij heeft onder andere de koepel ontworpen. a Welk gebouw uit de oudheid bracht hem op het idee om een grote koepel te maken? Het Pantheon. b Michelangelo had veel respect voor de ontwerper van dit gebouw. Hoe liet hij dat blijken bij de grootte van de koepel die hij zelf ontwierp? A Die maakte hij minder mooi. B Die was 42 meter breed, dus 1 meter smaller. C Die was minder hoog. D Daar zat geen opening in. c Michelangelo stamelde: Dit is het ontwerp van een engel, niet van een mens. Dit is een feit mening, want het is een persoonlijke opvatting. Hij vond dit gebouw zo mooi, het moest volgens hem wel van een engel zijn. Verwerking 3 a Welke jaartallen horen bij welke periode? Gebruik ook andere hoofdstukken uit je handboek. Maak de juiste combinaties. A Grieken en Romeinen B Middeleeuwen v.c.-500 n.c. C Vroegmoderne tijd Juiste combinaties: A2, B1, C31. b Welke zinnen passen bij Rome? Hoofdstad van het Romeinse Rijk. Hoofdstad van het christendom. Hoofdstad van de Germanen. Toevluchtsoord voor de Turken. 4 a Wat betekent renaissance? Wedergeboorte: nieuwe belangstelling voor kunst en wetenschap uit de oudheid. b Waarom begon de renaissance in Italië? De oude gebouwen moesten nodig worden opgeknapt. De resten van oude gebouwen herinnerden aan de oudheid. Met de vlucht van geleerden van Constantinopel naar Italië kwam er weer interesse in kennis en boeken uit de oudheid. Tijdens de middeleeuwen was er ook belangstelling voor Rome. Vanaf 1400 werd er steeds meer geld verdiend in Italiaanse handelssteden. 5 Lees WB bron 1. a Hoe dacht deze schrijver uit de renaissance over middeleeuwse gebouwen? Hij vond deze gebouwen lelijk: ze hadden overal uitsteeksels en hoeken. b Dit is een feit mening, want of een gebouw mooi of lelijk is, is een kwestie van smaak. Je kunt erover discussiëren. Bron 1 Giorgio Vasari schreef een boek over renaissancekunstenaars die hij bewonderde. Kritiek op kunst In zijn boek schreef Giorgio Vasari over de middeleeuwen: Gebouwen die toen zijn gebouwd, verpesten de wereld. Ze lijken eerder van papier, met overal uitsteeksels en hoeken. Ze hebben de kunst van de oudheid verwoest en Italië met knoeiwerk bedekt. 6 Met de opkomst van de middeleeuwse steden maakten mensen weer producten om te verhandelen. a Wat voor soort verandering is dat? Leg je antwoord uit. Een politieke economische religieuze verandering, omdat mensen in de middeleeuwen leefden van de opbrengst van het land. Nu kregen mensen andere middelen van bestaan. 72

74 b Op welke manier verspreidden de ideeën van de renaissance zich snel? Door de handel kwamen mensen veel meer met elkaar in contact en konden ideeën zich snel verspreiden. 7 Gebruik de leertekst. Horen de zinnen in het schema bij de middeleeuwen of bij de renaissance? Zet een kruis in de juiste kolom. Alleen de kerk gaf opdrachten aan kunstenaars Leven zoals in de oudheid en niet te veel letten op al die regels van de kerk Het leven van de burger stond helemaal in dienst van de kerk en het geloof Rijke burgers gaven kunstenaars opdracht om kunstwerken te maken 8 Welke drie veranderingen waren er in de kunst van de x x Middeleeuwen Renaissance renaissance? Kunstenaars keken naar de anatomie. Kunstenaars gebruikten perspectief. Kunstenaars zetten hun naam op hun werk. 9 a Hoe moesten christenen zich volgens Erasmus gedragen? Christenen leven eenvoudig en zorgen voor elkaar. Luxeleven hoort bij de kerk. Priesters moeten hun leven beteren. b Op welke manier bracht hij het verkeerde gedrag van de priesters onder de aandacht? A Door er grappig over te schrijven. B Door boos te worden op de kerk. C Door boeken te lezen over de oudheid. D Door zelf priester te worden. c Een uitspraak van Erasmus is: Zonder vreugde verdient het leven de naam van leven niet. Waarom past deze uitspraak niet bij de middeleeuwen? In de middeleeuwen vonden mensen dat het leven op aarde bijzaak was. Dat hoefde niet gelukkig te zijn; het leven na de dood was belangrijker. x x x Toepassingsopdracht Verschillen in gebouwen en kunst In deze toepassingsopdracht onderzoek je de verschillen tussen gebouwen en kunst uit de oudheid, de middeleeuwen en de renaissance. 10 Bekijk HB bron 1, 2 en 3. a Hoe zien deze gebouwen eruit? Vul het schema in. b Welke twee gebouwen lijken op elkaar? De Sint-Pieterskerk. De Santa Maria Sopra Minerva. Het Pantheon. c Uit welke periode komt het gebouw dat je niet hebt aangekruist? Uit de middeleeuwen. Bron HB bron 1 HB bron 2 HB bron 3 Gebouw De Sint-Pieterskerk De Santa Maria Sopra Minerva Het dak heeft de vorm van een koepel schip koepel schip Het gebouw is hoog en smal ruim en open hoog en smal ruim en open Het Pantheon koepel schip hoog en smal ruim en open 11 Bekijk HB bron 4 en 5. a Over welk onderwerp gaan deze schilderijen? Maria met het kind Jezus. b Wat zijn de verschillen tussen deze schilderijen? Vul het schema in. c Uit welke periode komt het schilderij van HB bron 4? Uit de renaissance. d Uit welke tijd komt het schilderij van HB bron 5? Uit de middeleeuwen. Achtergrond Anatomie Dieptewerking Perspectief Naam kunstenaar HB bron 4 HB bron 5 De cultuur van de Grieken en Romeinen stond volop in de belangstelling Berglandschap en lucht Levensecht geschilderd Wel Geen Voorwerpen die ver weg zijn, zijn groot klein afgebeeld Leonardo da Vinci Rood De vingers zijn veel te lang, de hoofden kloppen niet We l Geen Er is wel geen achtergrond afgebeeld Onbekend 73

75 Hoofdstuk 5 Basis Hoofdstuk De tijd van ontdekkers en hervormers Een eeuw van grote veranderingen 3 De ontdekkingsreizen Intro De ontdekkingsreizigers waren grote avonturiers. Ze reisden over gevaarlijke zeeën naar onbekende gebieden. Het was onduidelijk wie of wat ze daar zouden tegenkomen. 1 Bekijk HB bron 1. Gebruik eventueel een atlas. Welke beweringen zijn juist? Aan de rechterkant van de kaart zie je Europa en Afrika. Azië is in het midden van de kaart getekend. Toscanelli had het werelddeel Amerika niet getekend. Het werelddeel Australië staat op deze kaart. Alle oceanen staan op deze kaart. 2 Lees de intro. Columbus nam deze kaart mee op ontdekkingsreis. Hij kwam aan land en noemde de bewoners indianen. Waarom had Columbus het over indianen en niet over Amerikanen? Dat vond hij een mooiere naam. Hij dacht dat hij een nieuwe route naar Indië had gevonden. Toscanelli had die naam op de kaart gezet. De naam Amerika bestond nog niet. Verwerking 3 a In welke producten handelden de koopmannen uit Venetië? Specerijen, zijde en suiker. b Waarom werden de specerijen in de 14e eeuw veel duurder? Een volk veroverde het Middellandse Zeegebied. De prijzen van specerijen stegen, omdat de handel lastiger werd. c Waarom wilden de Portugezen zelf hun specerijen uit Azië halen? De specerijen werden door de lastige handel steeds duurder. Zelf specerijen kopen leverde meer winst op. De Portugezen wilden hun grondgebied uitbreiden. Er kwam een einde aan de kruistochten. 4 a Bekijk HB bron 2 van paragraaf 1. Uit welke twee landen vertrokken de meeste ontdekkingsreizigers? Portugal en Spanje. b Waardoor werden ontdekkingsreizen mogelijk? Door betere zeiltechnieken, betere schepen, nieuwe instrumenten en betere kaarten. c Wat maakte reizen op zee zo gevaarlijk? Je kon zware stormen tegenkomen, ziek worden en/of hongerlijden. d Welke gevaren kon je in het nieuw ontdekte land tegenkomen? Gewelddadige volken, giftige planten, wilde dieren, onbekende ziekten. e Waarom ging de bemanning toch mee op reis? Voor het avontuur, uit nieuwsgierigheid. 5 Lees en bekijk HB bron 2. Bron 1 a Welke gevaren kwamen Willem Barentsz en zijn bemanning tegen? Giftige planten. Wilde dieren. Agressieve volken. Het koude klimaat. b Lees WB bron 1. Welke twee feiten kun je met deze bron controleren? Het was heel koud op Nova Zembla. De Chinezen waren onder de indruk van de klok. De ontdekkingsreizigers kwamen vast te zitten in het ijs. De technische kennis van klokken was slecht: de klok ging stuk. E en klok uit 1590, teruggevonden op Nova Zembla. De vastgevroren klok Om indruk te maken op de mensen in Indië en China nam Willem Barentsz een klok mee. Hij wilde de moderne technische kennis van het westen laten zien. In zijn dagboek schreef Gerrit de Veer op 27 oktober 1596 dat de klok van het schip naar het net gebouwde houten huis was gebracht. Op 3 december 1596 schreef hij dat de klok door de kou stil bleef staan. In 1871 werd de klok door een Noorse walvisvaarder gevonden op Nova Zembla. 6 a Welke zinnen in het schema horen bij een handelspost en welke bij een kolonie? Zet een kruis in de juiste kolom. b Hoe kwamen de Europeanen aan hun handelswaar? Ze kochten handelswaar van lokale vorsten en handelaren. In de pakhuizen in het binnenland was handelswaar te koop. Ze verbouwden handelswaar op plantages. 74

76 Zinnen Handelspost Kolonie Langere tijd in het nieuw ontdekte land wonen Plantages oprichten Forten en havens bouwen aan de kust Het ontdekte land besturen Het ontdekte land veroveren Geen pakhuizen of woningen bouwen in de binnenlanden 7 a Wat was het belangrijkste doel van de ontdekkingsreizigers? Een nieuwe route vinden naar landen waar dure specerijen groeiden, zodat ze die konden verhandelen om winst te maken. b Op welke manier kregen de Europeanen macht over andere werelddelen? A Ze verdienden veel geld met de wereldhandel. B Ze gingen op ontdekkingstocht en stichtten handelsposten en veroverden nieuwe gebieden. C Ze ontdekten nieuwe handelsroutes. D Ze vonden allerlei nieuwe handelswaar tijdens hun reizen. 8 Bekijk HB bron 3. Wat was een gevolg van de ontdekkingsreizen voor de Azteken? Ze werden met pokken besmet, werden ziek en velen gingen dood. Toepassingsopdracht Instrumenten aan boord In deze toepassingsopdracht ga je onderzoeken welke instrumenten ontdekkingsreizigers meenamen aan boord om de weg op zee te vinden. Ten slotte ga je zelf met een instrument de afstand meten. 9 Bekijk HB bron 4. a Welke omschrijving hoort bij welk instrument? Vul het schema in. Kies uit: kwadrant hemelbol wereldbol zonnewijzer. x x x x x x Omschrijving Als je op een donkere plek met een vlakke horizon staat, lijkt de sterrenhemel een halve bol. Kijk naar de sterren en zoek wat je in de hemel ziet terug op dit instrument. Dan weet je waar je bent. De verhoudingen in grootte, vorm en afstand tussen de landen op deze bol zijn juist weergegeven. Dat lukt met een platte kaart niet. Instrument in de vorm van een kwartcirkel. Je bepaalt er de hoogte van een ster boven de horizon mee. De cirkelboog is verdeeld in graden. Instrument om met de zon de tijd te bepalen. De plaats waar de staaf een schaduw op werpt, is de tijd. Instrument Hemelbol Wereldbol Kwadrant Zonnewijzer 10 Bekijk HB bron 5. Waarom was het lastig om de jakobsladder op zee te gebruiken? A Een schip schommelde altijd, waardoor de metingen vaak onbetrouwbaar waren. B De zon of een ster staat niet altijd op dezelfde plaats. C De jakobsladder was gemaakt van hout en kon dus niet goed tegen water. D De zon en de sterren staan ver weg, wat meten moeilijk maakt. 11 Bij plaatsbepaling op zee werd de steekpasser gebruikt om afstanden op de zeekaart te meten. Dat instrument lijkt erg op de passer die je in je etui hebt. De afstand tussen beide punten werd precies afgesteld. Vervolgens plaatste je de ene punt bij het begin en draaide je het andere been in de te volgen richting. Dit herhaalde je net zo vaak als nodig was. De passer wandelde zo over de kaart. Blader terug naar paragraaf 1 en kopieer HB bron 2 of vraag je docent om de kaart uit de docentenhandleiding. Links onder in de kaart zie je de schaalstok. De lengte van deze stok geeft het aantal kilometers in het echt aan. Pak je passer en maak de afstand tussen beide benen van de passer gelijk aan de schaalstok. Kies een ontdekkingsreis uit. Wandel over de kaart en tel het aantal stappen. Welke afstand heeft jouw ontdekkingsreiziger gevaren? Je eigen antwoord. b Welk nummer hebben deze instrumenten in HB bron 4? 2 Kwadrant. 1 Hemelbol. 4 Wereldbol. 3 Zonnewijzer. 75

77 Hoofdstuk 5 Basis Hoofdstuk De tijd van ontdekkers en hervormers Een eeuw van grote veranderingen 4 Problemen in de kerk Intro In Europa leefden veel mensen al honderden jaren volgens de regels van de christelijke kerk. Na 1500 kwam er ruzie over de regels van de kerk. 1 Bekijk HB bron 1. a Wat was de mening van de tekenaar van deze prent? A De juiste manier van geloven zie je aan de linkerkant van de paal. B Het christelijke geloof was niet het juiste geloof. C Iedereen moest in God geloven. D Er mocht geen ruzie gemaakt worden. b Welke kritiek op de kerk zie je in deze bron? De paus verdient veel geld. Kinderen worden gedoopt. Geestelijken spreken tot God. Geestelijken luisteren naar de duivel. Monniken geven zich over aan gokken. c De tekenaar noemde zijn prent: De protestanten zijn verbonden met God, de katholieken gaan naar de hel. Welk geloof had deze tekenaar? Leg je antwoord uit. Hij was katholiek protestant, want volgens hem gingen de katholieken naar de hel. d De uitspraak van de tekenaar is een feit mening, want je kunt niet controleren of iemand naar de hemel of de hel gaat. Je kunt erover discussiëren. Verwerking 2 a Wat moesten de ketters volgens de christelijke kerk doen? A Ze moesten islamitisch worden. B Ze moesten in een natuurgodsdienst geloven. C Ze moesten katholiek worden. D Ze moesten Latijn leren. b Wat gebeurde er met ketters? Ze werden opgespoord en moesten zich bekeren. 3 a Wat moest je als goed christen doen op de volgende momenten in je leven? Maak de juiste combinaties. A Geboorte 1 In grond van de kerk B Elke zondag 2 Doop C Trouwen 3 Naar de kerk D Begrafenis 4 In de kerk Juiste combinaties: A2, B3, C4, D1. b Waarom luisterden veel christenen goed naar de geestelijken? Mensen waren bang om in de hel terecht te komen. De geestelijken zorgden ervoor dat je op zondag niet hoefde te werken. De geestelijken hadden contact met God. 4 Bekijk HB bron 2. a Aan welke regel hebben deze geestelijken zich niet gehouden? Geen relatie (of huwelijk) hebben. b Welk geloof hadden de mensen in HB bron 2? A Islamieten. B Mensen die geloofden in een natuurgodsdienst. C Christelijk. D Heidenen. 5 Lees WB bron 1. Wat was er niet eerlijk aan deze verkiezing? Belangrijke banen in de kerk werden beloofd aan geestelijken in ruil voor hun stem. Bron 1 G eschreven door een geestelijke uit Siena, die aanwezig was bij de pausverkiezingen in Rome, Pausverkiezingen Na de eerste stemming en de lunch waren er heel veel onderonsjes. De rijke en machtige geestelijken spraken de anderen toe. Ze beloofden mooie baantjes en andere voordelen in ruil voor een stem. Ze deden werkelijk alles om ervoor te zorgen dat zijzelf of hun vriend de nieuwe paus zou worden. Vrij naar: Geert Mak, Ooggetuigen van de wereldgeschiedenis (1999). 6 a Rond welk jaar begon de hervorming? Rond b Wat betekent het begrip hervorming? Verandering: dat er wat moet veranderen in de kerk. c Bekijk HB bron 4. Wat stond er in deze brief? A Dat de kerk goed bezig was. B Dat iemand met deze brief een plekje in de hemel kreeg. C Dat iemand de regels van de kerk had overtreden. D Dat de kerk geld verdiende aan de fouten van mensen. d Waarvan is deze brief volgens de hervormers een bewijs? A Dat de kerk goed bezig was. B Dat iemand met deze brief een plekje in de hemel kreeg. C Dat iemand de regels van de kerk had overtreden. D Dat de kerk geld verdiende aan de fouten van mensen. 76

78 e Leg uit waarom de hervormers tegen dit soort brieven waren. Een plekje kopen in de hemel is oneerlijk. Je moet goed leven, dan kun je een plek in de hemel krijgen. 7 a Hoe ontstonden er in Europa twee verschillende christelijke richtingen? A Calvijn en Luther werden katholiek. B De paus zette de hervormers uit de kerk. C De geestelijken die rijk wilden worden, stapten uit de kerk. D De priesters die wilden trouwen, werden uit de kerk ge ze t. b Welke regels in het schema horen bij katholieken en welke bij protestanten? Zet een kruis in de juiste kolom. c Leg uit op welke manier het geloof tot bloedige oorlogen leidde. Verschillende katholieke vorsten vervolgden de protestanten. Er waren ook vorsten die aan de kant van de hervormers stonden. Dit leidde tot oorlogen. Regel Katholieken Protestanten Zelf de Bijbel lezen Alleen priesters mogen de Bijbel lezen Een plekje in de hemel kun je krijgen door echt te geloven en te bidden Eenvoudige kerken zonder beelden Contact met God kan alleen via een priester Een plekje in de hemel kun je krijgen door een brief te kopen Toepassingsopdracht Luther Luther was het niet eens met de katholieke kerk. Hij vond dat er zaken moesten veranderen. In deze toepassingsopdracht ga je met bronnen en spotprenten onderzoeken wat er volgens hem anders moest. 8 Bekijk HB bron 5. Streep door wat niet juist is. Leg bij b en c je antwoord uit. a Dit is een schilderij van de paus. Als je je boek ondersteboven draait, zie je de paus de duivel. x x x x x x b De schilder is waarschijnlijk een katholiek protestant, want hij laat de paus op een negatieve manier zien. c De schilder laat een feit mening zien, want hij vindt dat de paus ook een duivel is; daar kun je over discussiëren. 9 Bekijk en lees HB bron 3. a Streep door wat niet juist is. Volgens dit schilderij weegt de Bijbel wegen de gouden voorwerpen uit de kerk zwaarder. b Wat was volgens dit schilderij het juiste geloof? Het geloof van Luther en andere hervormers. c Wat wilde de schilder duidelijk maken met dit schilderij? A Dat goud belangrijker is dan boeken. B Dat God alles in evenwicht houdt. C Dat de katholieken een betere bijbel moeten kopen. D Dat het niet om goud gaat, maar om Gods woord. d Welke verschillen tussen katholieken en protestanten zijn er nog meer te zien in dit schilderij? Vul het schema in. Verschil Katholieken Protestanten Kleur kleding Gekleurd Zwart Kleding Voorwerpen bij zich Verschillende soorten kleding Gouden voorwerpen Hetzelfde soort kleding, eenvoudig Geen 10 Hieronder staat wat er volgens Luther in de kerk moest veranderen. Welke bronnen uit je handboek horen hierbij? Vul het schema in. Verandering Geestelijken mochten geen geld meer verdienen Geestelijken moesten zich gedragen: niet gokken, niet feesten, geen seks Mensen moesten zelf de Bijbel kunnen lezen en leven volgens de Bijbel HB bron 1 en 4 1 en 2 1 en 3 77

79 Hoofdstuk 5 Basis Hoofdstuk De tijd van ontdekkers en hervormers Een eeuw van grote veranderingen 5 Problemen in de lage landen Intro In de 16e eeuw had Nederland een Spaanse koning. Hij probeerde de Nederlandse gebieden vanuit Spanje te besturen. Maar niet iedereen was blij met de Spaanse vorst. Er brak een onrustige periode aan. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de intro. a Door welke groep is dit beeld vernield? A Door katholieken. B Door moslims. C Door protestanten. D Door ongelovigen. b Leg uit waarom de non en veel andere mensen de Beeldenstorm heel erg vonden. Er werden allerlei heiligenbeelden en boeken vernield en spullen gestolen, die voor het geloof van mensen belangrijk waren. Veel mensen hadden hard gewerkt om al die prachtige spullen te maken of te betalen. c Zou Nederland vanaf het einde van de 16e eeuw vooral een katholiek of protestant land zijn geworden? Leg je antwoord uit. Vooral protestant, anders zou het beeld wel hersteld zijn. Verwerking 2 a Wat lag er tussen de verschillende gebieden van het rijk van Filips II? Gebruik HB bron 2 van paragraaf 1. Tussen Spanje en de Spaanse koloniën lag de Atlantische Oceaan. Tussen Spanje en de Nederlanden lag Frankrijk. b Welk gevolg had deze versnippering voor het bestuur van zijn rijk? Dat maakte het voor de koning lastig om zijn rijk te besturen. 3 Bekijk HB bron 2. a Vul het ontbrekende woord in. De gewesten kun je vergelijken met de huidige provincies. b Streep door wat niet juist is. Hebben provincies tegenwoordig eigen munten? Ja Nee. Hebben provincies tegenwoordig eigen wetten? Ja Nee. c Hoe was dat in de 16e eeuw? Toen had elk gewest zijn eigen munten, wetten en regels. 4 Filips II wilde een centraal bestuur invoeren. a Welke zinnen passen daarbij? Wetten die in het hele land gelden. De rol van de adel in het bestuur wordt groter. De landvoogd helpt besturen. b Wat waren de taken van de stadhouders? Zij moesten zorgen voor orde en rust. c Wie was de stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht? Willem van Oranje. 5 a Waarom was Filips II ontevreden met het bestuur in de Nederlanden? A Hij moest de gewesten steeds om toestemming vragen. B Hij vond dat de stadhouders meer macht moesten krijgen. C Hij vond dat de gewesten meer macht moesten krijgen. D Hij wilde zijn macht niet afstaan aan een landvoogd. b Wat voor soort verandering wilde Filips II? Leg je antwoord uit. Een politieke economische religieuze verandering, omdat hij de zeventien Nederlanden op een andere manier wilde besturen: hij wilde een centraal bestuur met landelijke wetten in plaats van een bestuur en wetten per gewest. 6 a Lees WB bron 1. Wat was de mening van Willem van Bron 1 Oranje? De bevolking heeft recht op vrijheid van godsdienst. b Lees WB bron 2. Welke twee feiten staan in deze bron? Katholieken vonden de vervolgingen van protestanten niet goed. Willem van Oranje was katholiek. Er was geen godsdienstvrijheid in de Nederlanden. Protestanten werden vervolgd en gedood. F ilips II en Willem van Oranje waren het oneens. Ruzie over het geloof De koning dwaalt, wanneer hij denkt dat de Nederlanden, gelegen tussen landen waar godsdienstvrijheid heerst, voortdurend de bloedige vervolgingen en het doden van protestanten verdragen kunnen. Al ben ik katholiek, ik kan niet goedkeuren dat vorsten hun onderdanen de vrijheid van geloof willen verbieden. Willem van Oranje tijdens een stadhoudersvergadering in

80 Bron 2 De protestantse Wendelmoet Claesdochter moest zich bekeren. Niet te bekeren Wendelmoet Claesdochter werd opgesloten en kreeg zes maanden alleen water en brood. Dat hielp niet. Ze wilde zich niet bekeren. Daarom moest ze voor de rechtbank komen en werd ze ondervraagd. Op de vraag wat ze van het heilig kruis vond, antwoordde ze: Een stuk hout om een vuurtje mee te stoken. Over de heilige olie die in de katholieke kerk gebruikt werd, zei ze: Olie is goed voor de sla. Ze bleef protestant en stierf op de brandstapel. Vrij naar: Ein Wunderliche Geschycht [ ] von einer Frawen geheissen Wendelmut Clausen dochter (1527). 7 a Wanneer begon de Beeldenstorm? In b Bekijk HB bron 2. Waar begon de beeldenstorm? In Steenvoorde, in de zuidelijke Nederlanden. c Gebruik paragraaf 4. Calvijn en Luther hadden nooit opdracht gegeven om beelden te vernielen. Toch past dat wel bij de hervormers. Waarom is dat? A De hervormers wilden eenvoudige beelden. B De hervormers wilden de kerken inpikken. C De hervormers wilden geen beelden in de kerk, die leidden volgens hen alleen maar af. D De hervormers wilden geen kerken meer. 8 a Hoe reageerde Filips II op de Beeldenstorm? A Hij maakte Willem van Oranje tot stadhouder. B Hij stuurde Alva naar de Nederlanden. C Hij gaf godsdienstvrijheid aan de Nederlanden. D Hij vluchtte naar het buitenland. b Wat waren de gevolgen van de harde aanpak van Alva? Protestanten vluchtten naar het buitenland. Filips II was woedend. Willem van Oranje en andere opstandelingen vielen het Spaanse leger aan. c Wat was de eerste overwinning van de opstandelingen? De verovering van Den Briel (in 1572). 9 Waarom waren veel mensen in de Nederlanden ontevreden met Filips II? Ze wilden niet meer belasting aan de Spaanse koning betalen. De bevolking wilde geen stadhouders. Ze wilden geen oorlog met Frankrijk. Door een centraal bestuur kregen adel en gewesten minder macht. Veel mensen wilden niet dat de protestanten vervolgd werden. 79 Toepassingsopdracht De Beeldenstorm In deze toepassingsopdracht ga je de Beeldenstorm onderzoeken. Je zet bronnen in de juiste volgorde en ontdekt wat de aanleiding, de oorzaak en de gevolgen waren van de Beeldenstorm. 10 Lees en bekijk HB bron 3, 4 en 5. a Wat is de juiste volgorde van de gebeurtenissen in deze bronnen? HB bron 4, 3, 5. b In welke bron staat hoe de protestanten op het idee van een Beeldenstorm werden gebracht? HB bron 4. c Waarom deden de mensen zo makkelijk mee met de Beeldenstorm? Ze waren ontevreden met Filips II, omdat hij belastingen wilde heffen, een centraal bestuur in wilde voeren en de protestanten vervolgde. 11 Gebeurtenissen hebben vaak oorzaken en gevolgen. Soms is er ook een aanleiding. Dat is de gebeurtenis die onmiddellijk aan een gebeurtenis voorafgaat. a Streep door wat niet juist is. HB bron 4 laat de aanleiding de oorzaak het gevolg van de Beeldenstorm zien. b Wat zie je in HB bron 3? A De aanleiding van de Beeldenstorm. B De oorzaak van de Beeldenstorm. C Het gevolg van de Beeldenstorm. D Het verloop, wat er gebeurde tijdens de Beeldenstorm. c Mensen deden mee aan de Beeldenstorm omdat heiligenbeelden volgens hen niet bij het geloof hoorden. In HB bron 3 zie je nog een andere reden. Welke? In de chaos kon je makkelijk stelen: je ziet vrouwen die spullen meenemen. 12 Horen de gebeurtenissen in het schema bij de aanleiding, de oorzaken of de gevolgen van de Beeldenstorm? Zet een kruis in de juiste kolom. Protestanten vluchtten naar het buitenland Alva werd bestuurder in de Nederlanden Filips II wilde de Nederlanden centraal besturen Filips II wilde belastingen heffen Filips II gaf de protestanten geen godsdienstvrijheid Preek over heiligenbeelden in de kerk x Aanleiding Oorzaak x x x Gevolg x x

81 Hoofdstuk 5 Basis Hoofdstuk De tijd van ontdekkers en hervormers Een eeuw van grote veranderingen 6 Een langdurige strijd Intro De verovering van Den Briel door Willem van Oranje was een tegenvaller voor de Spanjaarden. De Spanjaarden traden hard op tegen de opstandelingen. Maar in grote delen van Holland en Zeeland hielden de opstandelingen stand. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de intro. a Vanuit welke richtingen vielen de Spanjaarden Alkmaar aan? Vanuit het noorden. Vanuit het westen. Vanuit het oosten. Vanuit het zuiden. b Wat was de reden om de stad vanuit die richtingen aan te vallen? Dat waren de zwakke plekken van de stad: in het noorden waren oude middeleeuwse stadsmuren, in het oosten was de stad onbeschermd. c Hoe werd Alkmaar verdedigd door de inwoners? Vanaf de stadsmuren gooiden ze met stenen, kokende teer en pekelwater. d Hoe werd Alkmaar verdedigd door de geuzen? Ze staken de dijken rond Alkmaar door, zodat het land daar onder water kwam te staan. Verwerking 2 Welke partijen steunden wie tijdens de Opstand? Zet een kruis in de juiste kolom. Partijen Willem van Oranje Filips II Watergeuzen Katholieken Spanjaarden Protestanten x x x x 3 Welke woorden passen bij de watergeuzen? Katholieken. Piraten. Protestanten. Spanjaarden. 4 In de 16e eeuw was het niet makkelijk om een stad te veroveren. Noem hiervoor twee redenen. Er lagen grachten en stadsmuren om de steden. Een stad veroveren door omsingelen en uithongeren duurde lang. 5 De Spaanse soldaten werden bijna nooit op tijd betaald. a Wat waren de gevolgen van die plunderende soldaten? A De koning ontsloeg de soldaten. B De bevolking keerde zich tegen de soldaten. C De meeste soldaten zochten ander werk. D De Nederlanders gingen de Spanjaarden helpen. b Bekijk HB bron 2 en lees WB bron 1. De Spanjaarden traden streng op tegen de opstandelingen. Welke feiten kun je met WB bron 1 controleren? De Nederlandse steden werden goed verdedigd. De Spanjaarden staken Nederlandse steden in brand. Spaanse soldaten vermoordden mannen en vrouwen. Spaanse soldaten hadden steekwapens. Br on 1 Japikje Pietersdochter overleefde de Spaanse belegering. De belegering van Oudewater In 1575 werd de stad Oudewater ingenomen en geplunderd. Veel bewoners werden vermoord. Japikje was 10 jaar oud. Ze kreeg negen steekwonden in rug en borst en raakte een paar vingers kwijt. Zij en haar moeder konden het navertellen. Haar veertien broers en twee zusters overleefden de slachtpartij niet. Vrij naar: Elly Touwen-Bouwsma, Op zoek naar grenzen (2010). 6 a Bekijk HB bron 3. Hoe lieten de watergeuzen zien dat ze de katholieken echt haatten? Met het dragen van de penning lieten ze weten liever moslim te worden dan katholiek. b Welke mening hadden de volgende mensen over godsdienstvrijheid? Streep door wat niet juist is. Willem van Oranje was voor tegen godsdienstvrijheid. Filips II was voor tegen godsdienstvrijheid. 7 Bekijk HB bron 2 van paragraaf 5 en gebruik de leertekst. Vul de juiste woorden in. De gewesten die bij de Unie van Utrecht hoorden, lagen ten noorden van de grote rivieren. Deze zeven gewesten vochten samen tegen het Spaanse leger. De gewesten in het zuiden hoorden bij Spanje. De enig toegestane godsdienst in het zuiden was het katholieke geloof. 8 a In welk jaar werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uitgeroepen? In b Welke zin over de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden is juist? 80

82 A Het land werd bestuurd door een keizer. B Het land werd bestuurd door een koning. C Het land werd bestuurd door Spaanse soldaten. D Het was een land zonder koning. c Wie zaten er in de Staten-Generaal? Vertegenwoordigers uit de verschillende gewesten. d Waarover vergaderde de Staten-Generaal in het begin vooral? Over de oorlog tegen Spanje. 9 Hoe werd Nederland een land zonder koning? Vul de ontbrekende woorden in Alva komt met zijn troepen aan in de Nederlanden Willem van Oranje en de geuzen veroveren Den Briel Alkmaar slaat als eerste stad een Spaanse aanval af Unie van Utrecht, verbond tegen de Spaanse koning De noordelijke gewesten verklaren zich onafhankelijk Willem van Oranje wordt vermoord De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden wordt uitgeroepen Vrede, einde van de Opstand. Toepassingsopdracht Filips II en Willem van Oranje Werk samen met een klasgenoot. Jullie gaan een grafiek maken over de levens van Filips II en Willem van Oranje. In WB bron 2 staan jaartallen met bijzondere gebeurtenissen uit het leven van deze personen. Lees ze eerst allemaal door. Bron 2 G ebeurtenissen uit het leven van Filips II en Willem van Oranje. Jaar Gebeurtenis 1566 Bekijk HB bron 1 van paragraaf Alva komt met zijn troepen aan in de Nederlanden 1572 Beleg van Naarden, HB bron Bekijk HB bron Unie van Utrecht 1581 De noordelijke gewesten verklaren zich onafhankelijk 1584 Willem van Oranje wordt vermoord 10 Jullie gaan in WB bron 3 ieder een levenslijngrafiek maken: de een voor Filips II, de ander voor Willem van Oranje. Spreek af wie welke persoon neemt. a Kijk nog eens naar WB bron 2. Vraag jezelf af hoe jouw persoon op elke gebeurtenis uit deze bron gereageerd zou Br on hebben. Heel erg blij is +5, neutraal is 0 en niet blij is 5. Alles ertussenin is ook mogelijk. Zet in de grafiek op de juiste hoogte een kruisje bij het jaartal van deze gebeurtenis. b Als bij alle jaartallen een kruisje staat, verbind je de punten met elkaar. Schrijf de naam van jouw persoon erbij. c Neem de gegevens van je klasgenoot over in je eigen grafiek. Gebruik een andere kleur en schrijf de naam er weer bij. Nu is de levenslijngrafiek klaar. Levenslijngrafiek van Filips II en Willem van Oranje a In welk jaar was jouw persoon het meest tevreden? Leg je antwoord uit. Je eigen antwoord: Filips II: 1584, zijn tegenstander is dood; Willem van Oranje: 1581, de gewesten zien Filips II niet meer als hun koning. b Zijn er gebeurtenissen waarmee Filips II en Willem van Oranje allebei niet blij zijn? Leg je antwoord uit. Bijvoorbeeld: de Beeldenstorm of het doden van katholieke geestelijken bij de inname van Gorinchem. Willem van Oranje was voor godsdienstvrijheid en hij wilde dus niet dat mensen elkaar doodden of beelden kapotmaakten vanwege hun geloof. Filips II was streng katholiek, hij wilde ook niet dat katholieken werden gedood of dat hun eigendommen werden vernield. 81

83 Hoofdstuk 5 Basis 7 Hoofdstuk De tijd van ontdekkers en hervormers Een eeuw van grote veranderingen De verovering van het Inca-rijk In 1532 veroverden de Spanjaarden het Inca-rijk. De Spanjaarden waren met een paar honderd soldaten en versloegen een volk van negen miljoen Inca s. 1 Lees de intro. a Welke zinnen over het boek van Guaman Poma zijn juist? Hij was in dienst van de Spanjaarden. Hij was zelf bij de gebeurtenissen die hij beschrijft. Hij had kritiek op gewoontes en gebruiken van het Inca-volk. Hij vond het terecht dat de Spanjaarden de Inca s slecht behandelden. b Streep door wat niet juist is. Een verslag wordt meer minder betrouwbaar, als iemand ooggetuige was. Guaman Poma was wel niet bij de gebeurtenissen. 2 Lees en bekijk HB bron 1. Vul de ontbrekende woorden in. De Inca s leefden in Zuid -Amerika. Ze hadden een hoge beschaving. Dat blijkt bijvoorbeeld uit hun prachtige bouwwerken en de verbouw van allerlei gewassen. Aan het hoofd van het Inca-rijk stond een koning. Hij woonde in een prachtig paleis, versierd met zilver en goud. Deze kostbare metalen trokken de aandacht van de Spanjaarden. 3 Lees en bekijk HB bron 2. Bekijk daarna HB bron 3 en 4 en de bronnen in het werkboek. Iedere zin uit het schema hiernaast hoort bij een bepaalde afbeelding of tekst. Welke zin hoort bij welke bron? Vul het schema in. Zin De Spanjaarden komen aan op de kust van Zuid-Amerika. De bewapening en bescherming door harnassen van de Spanjaarden is veel beter dan die van de Inca s. De Spanjaarden richten, gezeten op hun paarden, een slachting aan onder de Inca s. De Inca s zien paarden als wonderlijke wezens, die misschien wel goddelijk zijn. De werklieden van Inca-koning Atahualpa zijn aan het werk in de goudwerkplaats. Atahualpa wordt gevangengezet door de Spanjaarden. In ruil voor zijn leven moeten de Inca s een kamer tot de nok toe vullen met goud en zilver. De Inca-koning Atahualpa en zijn leger ontmoeten Pizarro en de Spanjaarden en maken kennis met de Bijbel. Nadat een Inca-generaal een Spaanse veroveraar heeft gedood, wordt Atahualpa, ondanks de belofte van Pizarro, gewurgd, onthoofd en verbrand. Bron WB bron 3 WB bron 1 HB bron 4 WB bron 4 HB bron 2 WB bron 2 HB bron 3 Dat ga je zelf tekenen! Bron 1 Bron 2 82

84 Bron 4 Uit het boek van Guaman Poma. Geschenken voor de Spanjaarden De geschenken bestonden uit mannelijke dienaren en heilige maagden. Sommige maagden werden aan de Spaanse paarden geofferd. De Inca s dachten namelijk dat de paarden een soort menselijke wezens waren, omdat ze ook maïs aten. Ze kenden tot die tijd nog geen paarden en ze vonden het verstandig om hen met respect te behandelen. 4 a Welke twee oorzaken voor de nederlaag staan in het schema bij vraag 3? De Spanjaarden hadden betere wapens en meer bescherming dan de Inca s. De Inca s dachten dat de paarden misschien wel goden waren en durfden daarom niet goed aan te vallen. b Welke drie andere oorzaken voor het verlies van de Inca s staan in HB bron 2? De Inca s waren verzwakt door een pokkenepidemie. De Spanjaarden kwamen aan op de kust van Zuid-Amerika. De Inca-koning was gestorven, waarna er een burgeroorlog uitbrak. De Inca s zagen paarden als goddelijke wezens. Het gebruik van kanonnen zorgde voor enorme paniek bij de Inca s. c Was het toeval dat de Spanjaarden wonnen? Leg je antwoord uit. Nee, want de Spanjaarden hadden betere wapens. Of: ja, want als de Spanjaarden geen ziekten hadden meegebracht, had de Inca-koning nog geleefd en was er geen burgeroorlog uitgebroken. 5 a Streep door. Als je iets wilt weten over de Inca s kun je het beste naar tekeningen van De Bry (HB bron 2) Guaman Poma (HB bron 3 en 4) kijken. b Leg je antwoord uit. Kruis aan. De Bry is nooit in Zuid-Amerika geweest. De Bry tekent in kleur. Guaman Poma kende de Inca-taal en Spaans. 6 Wat is volgens jou de belangrijkste oorzaak dat de Spanjaarden de Inca s zo makkelijk konden verslaan? Leg je keuze uit. Je eigen antwoord. 7 Wat was het belangrijkste gevolg van het optreden van Pizarro voor de Inca s? De Inca s werden uiteindelijk verslagen en de Inca-beschaving verdween. 8 De tekeningen van HB bron 3 en 4 en WB bron 1, 2 en 3 zijn door Felipe Guaman Poma de Ayala gemaakt. Teken zelf in het vak hieronder de moord op Atahualpa. Gebruik de informatie uit HB bron 2 en uit het schema op de pagina hiernaast. Probeer zoveel mogelijk in dezelfde stijl te tekenen als Guaman Poma. Bron 3 83

85 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk De tijd van ontdekkers en hervormers Een eeuw van grote veranderingen 8 Afsluiting Vaardigheid Feit en mening In de meeste bronnen staan feiten en meningen door elkaar. Een mening is iemands persoonlijke opvatting: wat hij of zij ergens van vindt. Feiten zijn zaken waar iedereen het over eens is. Een feit kun je controleren met andere bronnen. 1 Bekijk HB bron 1. a In welke tijd is dit schilderij gemaakt? A In de oudheid. B In de renaissance. C In de 16e eeuw. D In de 21e eeuw. b Welke kenmerken van die tijd zie je in dit schilderij? Kleurgebruik. Dieptewerking (perspectief). Het menselijk lichaam werd goed afgebeeld. c Waarom begon de renaissance (wedergeboorte) juist in Italië? Streep door wat niet juist is. De resten van oude gebouwen herinnerden aan de oudheid middeleeuwen renaissance. Veel geleerden vluchtten in die tijd naar Italië. Zo kwam er weer interesse in kennis en boeken de godsdienst. Vanaf 1400 werd er steeds minder meer geld verdiend in Italiaanse handelssteden. 2 In de 14e eeuw werden de specerijen duurder. a Welke gebeurtenissen uit het schema waren hiervan oorzaken en welke waren gevolgen? Zet een kruis in de juiste kolom. Er zijn twee oorzaken en twee gevolgen. b Wat is het verschil tussen een kolonie en een handelspost? Een handelspost is een plek langs de kust die gebruikt werd om te handelen, er waren een fort, haven en pakhuizen. In een kolonie regelde de Europeanen het bestuur en bleven er langere tijd wonen. Gebeurtenis Oorzaak Gevolg Een volk uit Azië veroverde het Middellandse Zeegebied. x De handel in specerijen werd lastiger. x Zelf specerijen kopen leverde meer winst op. x De Portugezen stichtten handelsposten in Afrika en Azië. x 3 Bekijk HB bron 2 en lees WB bron 1. a Welke feiten beschrijft deze bron? Columbus kwam aan land in Amerika. Columbus verdient geen nationale feestdag. Er woonden al veel eerder mensen in Amerika. b HB bron 2 en WB bron 1 hebben dezelfde boodschap. Wat is die boodschap? Stop met het herdenken van de dag dat Columbus in Amerika kwam. c Bron 1 Schrijf twee woorden uit WB bron 1 op waaruit de mening van de schrijver over Columbus duidelijk blijkt. Bijvoorbeeld: plunderende, diefstal, moord, vernedering. Protestbericht voor de Amerikaanse regering. Columbus en de oorspronkelijke Amerikanen Columbus, een plunderende Europeaan, wordt vereerd met een nationale feestdag. Waarom? Omdat hij Amerika zou hebben ontdekt. Maar de oorspronkelijke Amerikanen waren hier natuurlijk al lang. Met Columbus landing op de kust van Amerika begon de diefstal, moord en vernedering van de oorspronkelijke Amerikanen. Voortaan weigeren wij om Columbus te eren. Vrij naar een petitie van Ann McNattin op Change.org (6 oktober 2012). 4 Lees WB bron 2. a Wat was de mening van Savonarola? Hij vond dat de mensen en de paus te luxe leefden. Ze moesten zich houden aan de christelijke regels. b Hadden Savonarola en Luther dezelfde mening over de kerk? Leg je antwoord uit. Ja, want ze vonden beiden dat geestelijken eenvoudig moesten leven, volgens de regels van de christelijke kerk. c Lees WB bron 2 en gebruik de uitleg over feit en mening. Bekijk ook HB bron 1. Welk feit kun je met WB bron 2 controleren? Savonarola liet luxespullen en kunst verbranden. Savonarola werd opgehangen en verbrand. De bevolking van Florence en de paus namen Savonarola gevangen. 84

86 Bron 2 Savonarola Over een inwoner van Florence. Savonarola was het hoofd van een klooster in Florence. Hij riep de bevolking op om te veranderen. Ze moesten meer volgens het christelijke geloof leven. Hij had ook kritiek op de paus, die in grote luxe leefde. Steeds meer mensen luisterden naar hem. Vanaf 1494 werden allerlei slechte dingen verbrand of vernietigd. Bijvoorbeeld: juwelen, speelkaarten, spiegels, naaktschilderijen en muziekinstrumenten. Florence werd streng vanuit het geloof bestuurd. Na enkele jaren hadden de inwoners van Florence, maar ook de paus, genoeg van Savonarola en werd hij gevangengenomen. 5 Lees WB bron 3. a Welke gebeurtenis wordt hier beschreven? De Beeldenstorm. b Geeft de schrijver van deze bron een oordeel over de gebeurtenissen? Nee, de schrijver vertelt over de gebeurtenissen zonder daar zijn persoonlijke mening over te geven. c Noem een reden waarom de mensen zo makkelijk meededen met de vernielingen? Ze waren ontevreden met Filips II omdat hij belastin gen wilde heffen/een centraal bestuur in wilde voeren/de protestanten vervolgde. Bron 3 Ooggetuigenverslag van Richard Clough in Antwerpen. In de Grote Kerk van Antwerpen Er was een leven, een getier en geraas, alsof hemel en aarde vergingen. De verwoesting was zo groot, ik zou het u op geen tien bladen papier volledig kunnen beschrijven. Vrij naar: Geert Mak, Ooggetuigen van de wereldgeschiedenis (1999). 6 Welke twee zaken veranderden in het bestuur na 1588 (in de Republiek)? Nederland had geen koning meer. Er kwam een plaatsvervanger van de koning, de landvoogd. In elk gewest kwam een stadhouder, die hielp met het bestuur en zorgde voor orde en rust. De koning moest voortaan voor alle besluiten toestemming vragen aan de Staten-Generaal. Nederland werd bestuurd door vertegenwoordigers uit de zeven verschillende gewesten, die samen de Staten- Generaal vormden. Chronologie 7 a Vul de juiste jaartallen in Beeldenstorm 1520 Hervormingen van Luther en Calvijn 1492 Columbus ontdekt Amerika 1579 Unie van Utrecht 1588 Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden b Noteer de gebeurtenissen uit vraag a in WB bron 4 (de tijdbalk). Onze tijd: wat zie je terug van de tijd van ontdekkers en hervormers? 8 Tegenwoordig vind je nog steeds zaken terug die ontstaan zijn in de tijd van ontdekkers en hervormers. Gebruik de bronnen in je handboek. Wat is ontstaan in de tijd van ontdekkers en hervormers en bestaat nog steeds in Nederland? De Universiteit Leiden. De Republiek. Mensen worden niet meer vervolgd, als ze een ander geloof hebben. 9 Bekijk HB bron 4. De film Nova Zembla (2011) trok veel toeschouwers. Waarom zal het verhaal van Willem Barentsz nog steeds zoveel mensen aanspreken? Bijvoorbeeld: door het avontuur en de ontberingen. Bron 4 Tijdbalk van de ontdekkers en hervormers Columbus ontdekt Amerika 1520 Hervormingen van Luther en Calvijn 1566 Beeldenstorm 1579 Unie van Utrecht 1588 Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 85

87 6 De tijd van regenten en vorsten De Gouden Eeuw 1 Oriëntatie Intro De tweede handelsreis van Amsterdam naar Oost-Indië ( ) was de eerste die winst opleverde: ruim een half miljoen euro. In de periode zouden Hollanders veel geld verdienen met de handel. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de tekst. Vul in wat je ziet in de bron. Twee grote schepen links: Mauritius en Hollandia. Klein schip rechts vooraan: Overijssel. Middelgroot schip achteraan: Vrieslant. Rechts achteraan op de wal: de stad Amsterdam. 2 Bekijk HB bron 2. a Welke reis hadden de schepen gemaakt? Vul het schema in. b De vier schepen hadden samen ton laadruimte. Welke producten lagen in hun ruimen? Peper, nootmuskaat en kruidnagelen. Vertrek Tussenstop Aankomst Vertrek Tussenstop Plaats of land Amsterdam Kaap de Goede Hoop Bantam in Oost-Indië Oost-Indië Kaap de Goede Hoop Aankomst 19 juli 1599 Amsterdam 3 De Hollandse schepen uit HB bron 1 gebruikten dezelfde route als de Portugezen. Wat betekende deze geslaagde reis? Dat de Hollanders de zeeroute kenden. Dat de Hollanders voortaan samenwerkten met de Portugezen. Dat de Hollanders de specerijen niet meer in Lissabon kochten. Dat de Hollanders (een deel van) de handel in specerijen overnamen van de Portugezen. Historisch denken Je inleven Als je iets van geschiedenis wilt begrijpen, moet je je kunnen verplaatsen in de tijd waarin mensen vroeger leefden. Als je wilt begrijpen waarom kastelen en steden in de middeleeuwen dikke muren hadden, moet je iets weten over oorlog in die tijd. Tegenwoordig worden steden aangevallen met vliegtuigen, die de middeleeuwse muren in korte tijd zouden platbombarderen. Maar vliegtuigen hadden ze in de middeleeuwen niet. Vaak vinden we mensen in het verleden maar raar of dom. Een voorbeeld: rond 1350 stierf bijna een derde van de Europese bevolking aan een grote pestepidemie. Er waren wel vaker pestepidemieën, maar die van 1350 was het ergst. De mensen dachten dat God hen strafte. Dat vind je misschien dom, maar men wist toen niet hoe zo n besmettelijke ziekte zich verspreidde. In de middeleeuwen was het geloof veel belangrijker dan nu. De kerk had veel invloed op het denken van mensen. Priesters overtuigden mensen ervan dat de pest een straf van God was. Bij geschiedenis is het belangrijk om je te kunnen inleven in personen uit het verleden. Ook is het belangrijk dat je begrijpt dat mensen in het verleden anders dachten. In dit hoofdstuk ga je dat inleven oefenen met een stappenplan. Als je de vragen uit dit stappenplan stelt, kun je keuzes en beslissingen van mensen van vroeger beter begrijpen. Stappenplan je inleven. Stap Bijbehorende vraag 1 Wat is de gebeurtenis? 2 Over welke plaats en tijd gaat de gebeurtenis? 3 Was de gebeurtenis voor die tijd normaal of juist bijzonder? Gebruik je kennis over die periode. 4 Hoe dacht een persoon uit die tijd over de gebeurtenis? Leef je in. 5 Bedenk waarom iemand er zo over dacht. 86

88 4 Gebruik de uitleg over je inleven. Vul het schema in voor de middeleeuwse pestepidemie in Stappenplan Middeleeuwse pestepidemie in Wat is de gebeurtenis? De pestepidemie. 2 Over welke plaats en tijd gaat Europa, rond de gebeurtenis? 3 Was de gebeurtenis normaal voor die tijd of juist bijzonder? Leg uit. 4 Hoe dacht de middeleeuwer over de gebeurtenis? 5 Bedenk waarom de middeleeuwer er zo over dacht. Pestepidemieën kwamen vaker voor, maar deze was wel heel erg. Hij dacht dat het een straf van God was. Hij hoopte dat er snel medicijnen gevonden werden tegen deze ziekte. Ze wisten toen niet hoe de ziekte zich verspreidde. 5 Gebruik HB bron 1 en de uitleg over je inleven. Vul het schema in. Stappenplan HB bron 1 1 Wat is de gebeurtenis? 2 Over welke plaats en tijd gaat de gebeurtenis? 3 Was de gebeurtenis normaal voor die tijd of juist bijzonder? Leg uit. 4 Hoe dacht Jan Govertzoon over de gebeurtenis? 5 Bedenk waarom Jan Govertszn er zo over dacht. De terugkeer van vier schepen uit Oost-Indië. Amsterdam, juli Het was toen niet normaal dat Hollanders naar Oost-Indië gingen om producten te halen. Hij was heel blij dat zijn vader gezond terugkwam van deze reis. Hij vond het heel normaal dat zijn vader gezond thuiskwam. Zijn vader was lang weggeweest naar een ver land. Er had veel mis kunnen gaan. 6 Lees WB bron 1 en vul het schema in. Stappenplan WB bron 1 1 Wat is de gebeurtenis? 2 Over welke plaats en tijd gaat de gebeurtenis? 3 Was de gebeurtenis normaal voor die tijd of juist bijzonder? Leg uit. 4 Hoe dachten de schipper en de koopman over de gebeurtenis? 5 Bedenk waarom de schipper en de koopman dat dachten. Brand aan boord van het schip. Oost-Indië, Het was niet normaal dat er brand uitbrak. De schipper wilde zijn schip redden door het kruit overboord te zetten. De schipper vond de vracht belangrijker dan zijn schip. De koopman dacht meer aan de vracht dan aan het schip. De koopman was het met de schipper eens. De schipper wilde zijn schip redden, dat was zijn taak. De koopman wilde de vracht redden. Hij was bang dat er kapers kwamen. Bron 1 H et journaal van schipper Bontekoe ( ) over de ontploffing van zijn schip Nieuw Hoorn, vlak bij Oost-Indië in Het einde van de Nieuw Hoorn Brand! Brand! Toen ik het geschreeuw hoorde, ging ik meteen het ruim in. Ik riep om water van boven, dat meteen in leren emmers werd gebracht en liet net zolang water in het ruim gieten tot we geen spoor van brand meer zagen. Ongeveer een halfuur later begonnen ze weer te roepen: Brand! Brand! We gingen weer naar het ruim en zagen dat de brand zich uitbreidde. Ik klom het ruim uit, ging meteen naar koopman Hein Rol toe en zei: Maat, het is beter dat we het kruit overboord zetten. Maar Hein Rol vond van niet en antwoordde: Stel, dat we het kruit overboord gooien en de brand uitkrijgen; als we dan de vijand tegenkomen en gekaapt worden omdat we geen kruit hebben, hoe zouden we dat moeten uitleggen? Het schip sprong in honderdduizend stukken uit elkaar. Vrij naar: Het journaal van Bontekoe (bewerkt door Lennaert Nijgh). 87

89 Hoofdstuk 6 Basis Hoofdstuk De tijd van regenten en vorsten De Gouden Eeuw 2 Handel over de hele wereld Intro In de Amsterdamse koopmansbeurs werden producten uit de hele wereld verhandeld. In Amsterdam liepen allerlei mensen rond die anders gekleed waren en een andere taal spraken. 1 a Bekijk HB bron 1. Welke omschrijving hoort bij welke koopman? Maak de juiste combinaties. A Mannen met grote 1 Perzische koopman zwarte hoeden (nr. 1) B Man bij pilaar met 2 Hollandse kooplieden bontmuts (nr. 2) C Man met tulband en 3 Russische koopman rood gewaad (nr. 3) Juiste combinaties: A2, B3, C1. b Wat doen de mannen op de koopmansbeurs? Ze kopen en verkopen handelswaar. 2 Lees de intro. a Vul de ontbrekende woorden in. Andries Bicker handelde in bont en pelzen, die hij van kooplieden kocht uit Rusland. Cornelis Bicker handelde in Chinese en Perzische zijde, die hij kocht van een Perzische koopman. De twee broers woonden en werkten in Amsterdam. b Leef je in in Andries en Cornelis Bicker. Leg uit waarom zij geen bierbrouwer werden, zoals hun vader. Ze konden veel meer geld verdienen met de handel. Verwerking 3 Bekijk WB bron 1. De Sont is de zeestraat bij Denemarken die leidt naar de Oostzee. Amsterdam verdiende al in 1580 veel geld met de Oostzeevaart. a Welke producten verkochten de Nederlanders? Zout, haring, geweven stoffen, rogge en tarwe. b Bestudeer de tabel. Streep door wat niet juist is en leg je antwoord uit. De handel tussen Amsterdam en de Oostzee nam tot 1649 toe af, want er werden steeds meer producten verkocht. c Amsterdam werd in de 17e eeuw een stapelmarkt. Omschrijf in je eigen woorden wat een stapelmarkt is. Een stapelmarkt is een plaats waar goederen worden opgeslagen vóór ze worden doorverkocht. 88 Bron 1 D e Sonttabellen: tabellen van goederen die met Hollandse schepen door de Sont zijn vervoerd ( 1.000). Oostwaarts Westwaarts Zout Haring Geweven Rogge Tarwe stoffen Bron: J. Blok e.a. (red.), Algemene Geschiedenis der Nederlanden (1980). 4 Bekijk HB bron 2. Kruis aan wat je ziet op de bron. Er zijn vier goede antwoorden. Vrachtschepen met gehesen zeilen. Kooplieden die vracht aan elkaar verkopen. Amsterdammers bij koopwaar op de grond. Mannen die bezig zijn met een kabeltouw. Huizen en pakhuizen op de kade. 5 Gebruik WB bron 1. a Vanaf 1590 verkocht Amsterdam meer geweven stoffen in het Oostzeegebied. Hoe kon dat? A In Amsterdam kwamen na de val van Antwerpen veel bedrijven die stoffen bewerkten. B Er werden nieuwe weeftechnieken gebruikt. C Er was een groot tekort aan geweven stoffen in het Oostzeegebied. b Hoe veranderde de Amsterdamse stapelmarkt? Vul de ontbrekende woorden in. De stapelmarkt handelde eerst vooral in grondstoffen, die werden doorverkocht. Later werden grondstoffen steeds vaker bewerkt tot luxeproducten en dan pas verkocht. 6 a Welke twee woorden passen bij handelskapitalisme? Kooplieden. Ontdekkingsreis. Nijverheid. Veel winst. b Bekijk HB bron 3. Op welke manier werd het water uit de Beemster gehaald? Door molens achter elkaar te plaatsen op verschillende hoogtes bracht men het water omhoog uit het meer. c Gebruik HB bron 3. Hoe zou je geld kunnen verdienen met het droogleggen van een meer? Je kon delen verkopen van de polder die door het droogleggen ontstond.

90 7 Bekijk nog eens HB bron 2 van de oriëntatie. a Vul in het schema in welke producten uit welke werelddelen kwamen. b Leg uit wat een wereldeconomie is. Landen van over de hele wereld verkopen producten aan elkaar. c Wat heeft het ontstaan van een wereldeconomie te maken met de ontdekkingsreizen? Twee antwoorden zijn goed. Door deze reizen waren nieuwe handelsgebieden ontdekt. Er werden bedrijven opgericht. De Nederlanders gingen handeldrijven. Producten uit verschillende werelddelen werden in handelssteden verhandeld. Europa Amerika Azië Afrika Hout Suiker Peper Slaven IJzer Cacao Nootmuskaat Graan Zilver Kruidnagelen (Wal)vis Thee Textiel 8 Bekijk en lees HB bron 4. Bron 2 a Wat zie je op de bron van Joan Blaeu (spreek uit: blauw)? Een kaart van de wereld. b Vergelijk de kaart van Blaeu met HB bron 2 in de oriëntatie. Geef een voorbeeld van een continent dat er volgens Blaeu anders uitziet dan nu. Afrika is breder op de kaart van Blaeu en Noord-Amerika is anders. Kaart van de wereldhandel. c Leef je in in Cornelis of Andries Bicker. Als jij koopman was in de 17e eeuw, zou jij die kaart dan kopen? Leg je antwoord uit. Ja Nee, want bijvoorbeeld: dan kun je zien hoever de schepen moesten reizen om hun producten te halen. 9 Hoe werd Nederland in de 17e eeuw een rijk land? Zet de volgende zinnen in de juiste tijdsvolgorde. A Na de val van Antwerpen vestigen veel bedrijven zich in Amsterdam. B Kooplieden zijn schatrijk dankzij de wereldeconomie. C Amsterdam wordt een stapelmarkt van luxeproducten. D Amsterdam verdient veel geld met de Oostzeevaart. Juiste volgorde: D, A, C, B. Toepassingsopdracht Een kaart maken met wereldhandel De Hollanders zeilden in de 17e eeuw de hele wereld over. Ze verdienden het meest aan de handel in Europa, maar ook de handel met Azië, Afrika en Amerika leverde winst op. In WB bron 2 ga jij een kaart van de wereldhandel tekenen. Let op het volgende. Kijk nog eens naar HB bron 2 uit de oriëntatie en je antwoord op vraag 7a. Teken in WB bron 2 lijnen vanuit Amsterdam naar het Oostzeegebied, (West-)Afrika, Azië (Oost-Indië) en Amerika (West-Indië). Teken ook de lijn van West-Afrika naar West-Indië. Geef met pijlen de richting aan waarin de Nederlandse schepen voeren. Als ze dezelfde route terugvoeren, teken dan een extra lijn met de pijl de andere kant op. Geef met symbolen bij elke lijn aan welke producten er werden vervoerd en zet de symbolen in de legenda. Amerika West-Indië West-Afrika Republiek Afrika Oost-Indië P hout ijzer graan walvis zilver cacao rietsuiker textiel peper kruidnagelen nootmuskaat thee slaven wapens alcohol Kaap de Goede Hoop P 89

91 Hoofdstuk 6 Basis Hoofdstuk De tijd van regenten en vorsten De Gouden Eeuw 3 Reizen naar de Oost en de West Intro De Zutphen voer tussen 1632 en 1651 tien keer van de Republiek naar Batavia en terug. Het schip is op 6 mei 1651 vergaan bij de Schelde in Zeeland, op terugreis naar de Republiek. 1 Bekijk HB bron 1. a Wat gebeurt er op de tekening? Het VOC-schip wordt geladen met zakken nootmuskaat, foelie, kruidnagelen en peper. b Waar ligt het schip? Voor de kust van Batavia in Oost-Indië. c Lees de intro. Welke extra lading neemt de Zutphen mee naar de Republiek? Chinese zijde. 2 a Wat namen schepen als de Zutphen op de heen- en terugreis mee? Ze namen zilver en goud mee op de heenreis en namen specerijen mee terug. b Lees de intro hierboven. Kwam de Zutphen na deze reis behouden in Amsterdam aan? Ja Nee, want de Zutphen voer later nog een aantal keren naar Batavia. 3 a Waarom neemt de Zutphen extra lading mee naar de Republiek? Het VOC-schip dat de lading zou halen, is nooit aangekomen. b Welke extra gevaren waren er op de heenreis voor VOC-schepen? Opstand en kaping door de eigen bemanning. c Leg uit waarom dit juist op de heenreis gebeurde. De schepen hadden kisten vol goud en zilver bij zich om de koopwaar te betalen. Verwerking 4 Bekijk WB bron 1. a Kooplieden ontdekten rond 1600 een groeiende vraag naar specerijen. Hoe kwamen die specerijen op dat moment naar Europa? De Portugezen haalden ze van de Indische eilanden. b Welke drie voordelen had de handel in specerijen? Het waren kleine producten, waar veel vraag naar was en die in grote hoeveelheden vervoerd konden worden. De producten waren gemakkelijk in Europa te verbouwen. Door de grote vraag konden kooplieden er veel winst op maken. De producten bedierven niet onderweg. c Op welke manier gingen Hollandse en Zeeuwse kooplieden de specerijen in het begin halen? Ze richtten compagnieën op, die schepen naar Oost-Indië stuurden om de specerijen zelf te halen. Bron 1 De specerijen nootmuskaat en foelie zijn vruchten van nootmuskaatbomen, die alleen groeien op de Molukken. Foelie is de gedroogde (rode) schil van de vrucht. De noten zelf worden gerookt en dan opengeslagen en gedroogd. Zo bederven ze niet. 5 a Leg uit waarom de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) verenigd in haar naam had staan. In de VOC gingen verschillende compagnieën samenwerken die handeldreven met Oost-Indië. b Bekijk het schema en vul de voordelen in die horen bij de rechten van de VOC. Rechten van de VOC Het recht om als enige handel te drijven in Oost-Indië Forten bouwen Verdragen sluiten en oorlog voeren met de vorsten in Oost-Indië Voordelen voor de VOC-leden Er was geen concurrentie, ze kregen zelf alle winst Veilige plaatsen voor de schepen en de handelaren Ze konden zelf hun handelsbelangen regelen of met geweld afdwingen 90

92 6 Bekijk HB bron 2. Hoe kun je aan deze bron zien dat de VOC veel geld verdiende? Drie antwoorden zijn goed. De VOC-koopman heeft mooie, dure kleren aan. De VOC-koopman was getrouwd. De VOC-koopman liet een schilderij van zichzelf maken in Oost-Indië. De VOC-koopman heeft mensen in dienst. 7 a In 1621 werd ook de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. Schrijf in het schema wat de WIC deed. b Leg uit waarom de handel van de WIC driehoekshandel wordt genoemd. De WIC-schepen voeren op de kaart in een driehoek: naar Afrika, dan naar Amerika en dan terug naar Amsterdam. Plaats West-Afrika Amerika 8 Bekijk HB bron 3. Activiteiten WIC Slaven ophalen en naar Amerika varen Verkoop slaven, inkoop tabak en rietsuiker a Fort Elmina was een versterkt fort. Hoe zie je dat? Het fort is helemaal ommuurd. b Waarom zou dat zo zijn, denk je? Om te voorkomen dat het werd ingenomen en om slaven gevangen te houden. 9 Bekijk en lees HB bron 4. Je bent een vrije Afrikaan(se) en je wordt gekidnapt. Wat gebeurt er dan met je? In Afrika: je moet lopen naar fort Elmina en wordt daar gebrandmerkt en opgesloten. Tijdens de overtocht: je zit lang opgesloten op een slavenschip. In Amerika: je wordt als slaaf verkocht en moet werken op een plantage. 10 Wat was het belangrijkste verschil tussen de VOC en de WIC? De WIC had kolonies in Amerika en vervoerde slaven. De VOC had geen kolonies, alleen handelsposten in Oost-Indië. 11 Welke rol hadden de VOC en de WIC in de wereldhandel? De VOC en de WIC hadden het alleenrecht op de handel met Oost- en West-Indië. Zij handelden in producten die uit alle werelddelen kwamen. Toepassingsopdracht Op reis met de VOC Aan boord van VOC-schepen waren ongeveer 350 personen, met ieder een eigen taak. Scheepsjongens en matrozen sliepen op de vloer in ruimtes van 1,20 meter hoog, voor in het schip. Zij kregen drie maaltijden per dag (gort, bonen en erwten). De schipper en de koopman hadden hutten achterin, net als de passagiers. Zij kregen goed voedsel. Het grootste probleem op zo n reis was bedorven water en het gebrek aan vers fruit en groente. Daardoor stierven veel mensen, soms wel de helft van de bemanning. Bij een tussenstop werd zoveel mogelijk vers water en voedsel ingeslagen. Tijdens zo n stop konden ook reparaties worden uitgevoerd aan het schip, de touwen en de zeilen. Matrozen hesen de zeilen, bedienden de kanonnen en hielden het schip schoon. De schipper zette de zeeroute uit met zijn stuurlui, besloot tot tussenstops en zorgde voor orde op het schip. De koopman had de leiding van de reis. Hij maakte uit waar het schip heenging en stelde vast hoeveel koopwaar werd meegenomen. 12 Samen met twee klasgenoten ga je een (echt gebeurde) reis maken als matroos, schipper en koopman. Dat doe je met het VOC-schip de Amsterdam. Tijdens de reis houdt ieder van jullie een logboek bij. Werk als volgt. Verdeel de rollen: spreek af wie als matroos reist, wie als schipper en wie als koopman. Kopieer het logboek hieronder of vraag het logboek aan je docent. Vul het logboek in voor jouw rol. Logboek van de reis van VOC-schip de Amsterdam naar Oost-Indië en terug Gekozen rol Matroos Schipper Koopman Vertrek 12 januari 1639, Amsterdam Werk op het schip : wat voor werk? waar op het schip? Eten: wat voor eten? Slapen: waar? Wat voor slaapplaats? Aankomst Oost-Indië : wat is je werk? 5 mei 1639 Vertrek Oost-Indië 12 december 1639 Tussenstop op Kaap 22 tot 25 maart 1640 de Goede Hoop: wat moet je doen? Terugreis: storm Wat moet je doen? Aankomst 22 juli 1640, Amsterdam 91

93 Hoofdstuk 6 Basis Hoofdstuk De tijd van regenten en vorsten De Gouden Eeuw 4 De Gouden Eeuw Intro In de Gouden Eeuw zijn naar schatting vijf miljoen schilderijen gemaakt. We zijn door die schilderijen veel te weten gekomen over hoe mensen woonden in de Gouden Eeuw. 1 Bekijk HB bron 1. a Streep door wat niet juist is. Dit huis is van arme rijke burgers. b Waaraan kun je dat zien? Vul in. De kleding van de vrouwen: de moeder draagt een jasje met bont en de dochter een versierde onderrok. De meubels: een grote, versierde kast en een stoel met kussen. De muren: een binnenraam met daarboven schilderijen in een luxelijst. 2 a Dit was de linnenkamer. Leg uit waarom deze kamer een binnenraam had. Voor het licht, want de kamer lag niet direct aan de straat en er was nog geen elektriciteit. b Dit huis was een grachtenpand in een grote stad. Hoe zie je dat aan het schilderij? Door de open voordeur zie je net zulke huizen aan de overkant. Het huis heeft meer kamers en een trap naar boven. 3 De meeste mensen denken dat het kind een meisje is. Noem twee aanwijzingen waaruit blijkt dat dit waarschijnlijk toch een jongetje is. Hij draagt een jurk met een vierkante kraag en speelt een jongensspel. Verwerking 4 Leg in je eigen woorden uit waarom de periode tussen 1588 en 1672 voor de Republiek een gouden eeuw was. Het was een bloeiperiode voor economie, kunsten en wetenschappen en er was veel welvaart. 5 Gebruik de leertekst en eventueel HB bron 2 uit paragraaf 2. a Wat gebeurde op een dag in Amsterdam in de Gouden Eeuw? Vul in. Aan de kades: schepen worden geladen en gelost. Op de scheepswerven: schepen worden gebouwd of gerepareerd. Op de markten: marktkooplieden verkopen hun producten. b Bekijk HB bron 2. Amsterdam werd in de Gouden Eeuw steeds groter. Op welke manier werd de stad uitgebreid? Er kwamen nieuwe wijken bij, die grachten kregen die met elkaar verbonden waren: de grachtengordel. 6 Vul in WB bron 1 op de juiste plaats in welke groepen mensen er in de Republiek waren. Bron 1 Sociale lagen in de Republiek. Rijke kooplieden Winkeliers en ambachtslieden Loonarbeiders Armen 7 a Waarom waren er in de Republiek zoveel schilders? Drie antwoorden zijn goed. Tijdens de Gouden Eeuw steeg de welvaart. De rijke burgers waren de grootste groep in de Republiek. Rijke burgers en stadsbestuurders wilden hun rijkdom laten vastleggen. Het was in de mode om schilderijen op te hangen. b Met welk schilderij is Rembrandt wereldberoemd geworden? Met De Nachtwacht. 8 Buitenlandse schilders maakten in de 17e eeuw meestal schilderijen over het geloof. Hollandse schilderijen gingen meestal over andere onderwerpen. a Welk voordeel heeft dat voor ons nu? Wij krijgen via die schilderijen een inkijkje in de Gouden Eeuw van toen. b Waarom is het voor ons belangrijk om te weten wie de opdrachtgevers waren? Twee antwoorden zijn goed. De schilders schilderden wat hun opdrachtgevers vroegen. De schilders schilderden net als nu wat ze zelf mooi vonden. De schilderijen laten meer rijke dan arme mensen zien. De schilderijen lieten niet duidelijk zien hoe de mensen toen leefden. 92

94 9 In 1637 werd de Statenbijbel gepubliceerd. a Waarin verschilt de Statenbijbel van de Bijbel die eerder werd gebruikt? De Statenbijbel is een Nederlandse vertaling van de Latijnse Bijbel. b Waarom was het belangrijk om die vertaling te maken? A Anders gingen mensen niet meer naar de kerk. B Protestanten vonden het belangrijk om zelf de Bijbel te kunnen lezen. 10 Gebruik HB bron 4 en de leertekst. a Welke twee uitvindingen heeft Christiaan Huygens gedaan? Het slingeruurwerk en de telescoop. b Bedenk waarom deze uitvindingen belangrijk waren voor de scheepvaart. Twee antwoorden zijn goed. Zeelieden moesten op zee de tijd kunnen meten. De schepen wilden op tijd aankomen in de handelsposten of kolonies. Zeelieden hadden die instrumenten nodig om de positie te bepalen op zee. Zeelieden waren geïnteresseerd in de sterrenhemel op de Indische eilanden. 11 Spinoza was een belangrijk geleerde in de Republiek. Streep door wat niet juist is. Spinoza geloofde wel niet in de verhalen uit de Bijbel. Spinoza was voor tegen vrijheid van meningsuiting. 12 Bekijk HB bron 1 en HB bron 3. Hoe leefden de allerrijksten en de allerarmsten tijdens de Gouden Eeuw? Vul in. De rijksten (HB bron 1 ): zij leefden sjiek, in grote grachtenpanden met schilderijen in de ontvangstkamer. De armsten (HB bron 3 ): zij kregen brood uitgedeeld door de rijke burgers bij weeshuizen. Toepassingsopdracht Een schilderij bekijken Op HB bron 1 zie je hoe rijke mensen in de Gouden Eeuw leefden. Jij gaat met behulp van WB bron 2 onderzoeken hoe gewone mensen leefden. 13 Zet de volgende nummers op de juiste plaats in WB bron 2. 1 Moeder met baby 2 Jongen eet uit een kom 3 Kind speelt met hond 4 Vader snijdt een stuk brood 5 Wieg voor baby 6 Bed(stee) naast trap 7 Potten en pannen om te koken Bron 2 Een boerengezin in een eenvoudig woonvertrek. (Prent van Adriaen van Ostade, 1647.) Kijk nog eens naar je antwoord bij vraag 3. a Wat valt je bij WB bron 2 op aan de kleding van het jongetje dat uit een kom eet? Hij draagt ook een rokje. b Hoe kun je zien dat dit een jongetje is? Dat kun je zien aan de pet die hij draagt. 15 a Hoe kun je zien dat dit een boerengezin is? Aan de werktuigen, aan de hoge, grote ruimte, aan de hooizolder. 2 b Welke conclusie kun je trekken uit WB bron 2 over het leven van gewone mensen? Ze waren niet rijk en woonden bij elkaar in één vertrek, dat woonkamer, keuken en slaapkamer was

95 Hoofdstuk 6 Basis Hoofdstuk De tijd van regenten en vorsten De Gouden Eeuw 5 Burgers aan de macht Intro HB bron 1 laat in vier scènes zien wat de broers De Witt overkwam in Bekijk HB bron 1. Hieronder staan de gebeurtenissen beschreven. Schrijf het nummer van het beeld voor de juiste gebeurtenis. 3 De lichamen worden uitgekleed en verminkt. Vingers en tongen worden afgesneden. 2 Johan de Witt wordt met een geweer doodgeschoten. 1 Johan en Cornelis de Witt worden uit de Gevangenpoort in Den Haag naar buiten gehaald. 4 De lijken worden aan hun voeten opgehangen op het Groene Zoodje en opengesneden. 2 Bekijk nog eens HB bron 1. Wat was er aan de hand in 1672? Twee antwoorden zijn goed. Er zijn veel mensen op de been. De broers verzetten zich heftig. De soldaten die erbij staan, grijpen niet in. 3 a Johan en Cornelis de Witt waren beroemdheden in de Republiek. Waardoor zijn ze zo bekend? Ze werkten als bestuurders in de Republiek. b Bedenk een reden waarom bestuurders op deze manier vermoord worden. Bijvoorbeeld: ze hebben het land heel slecht bestuurd. Verwerking 4 Bekijk WB bron 1. De gewesten hadden een eigen bestuur: de Gewestelijke Staten. a Welke zeven gewesten hoorden bij de Republiek? Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, (Drenthe,) Groningen, Friesland. b De Gewestelijke Staten benoemden een stadhouder. Welke taak had de stadhouder in de Republiek? Hij was opperbevelhebber van leger en vloot. c Leg uit hoe het kon dat de Republiek meestal toch maar één legeraanvoerder had. De meeste gewesten benoemden dezelfde stadhouder. Bron 1 De Republiek. 5 Bekijk HB bron 2 en WB bron 1. De gewesten benoemden in de Republiek afgevaardigden voor de Staten-Generaal. a Hoe werd in de Staten-Generaal gestemd? Elk gewest had één stem. b Welk gewest had de meeste macht in de Staten- Generaal? Leg uit hoe dat kon. Holland had de meeste macht, want dat gewest betaalde het meeste geld. c Waarover beslisten de Staten-Generaal? Twee antwoorden zijn goed. Over buitenlandse politiek. Over wetten. Over rechtspraak. Over het leger. Over belastingen. 6 Vul het schema in. Zet de volgende woorden op de juiste plaats: stadhouder Staten-Generaal Gewestelijke Staten. Benoemen raadpensionaris Staten-Generaal Afgevaardigden Gewestelijke Staten Benoemen stadhouder 7 a Leg uit dat het bestuur van de Republiek heel bijzonder was, in vergelijking met dat van andere landen. In de Republiek hadden burgers de macht. Er was geen vorst. 94

96 b De Republiek werd bestuurd door regenten. Wat voor soort mensen waren dat? Rijke kooplieden en edelen. c Hoe kon het dat in de Republiek vaak dezelfde families aan de macht waren? Ze gaven elkaar de belangrijke baantjes. 8 Bekijk HB bron 3. a Waarom vielen Frankrijk, Engeland en twee Duitse gebieden de Republiek aan? Frankrijk, Engeland en de Duitse gebieden wilden de macht breken van de Republiek en de handel overnemen. b Welke gevolgen had de oorlog van voor de Republiek? Maak de zinnen af. Willem III werd benoemd tot stadhouder. Het grondgebied van de Republiek bleef hetzelfde. De Gouden Eeuw was voorbij. 9 Bekijk WB bron 2. a Kleur in deze bron de gebieden die Frankrijk had veroverd. b Hoe werden Holland en Zeeland verdedigd? Door land onder water te zetten. Bron 2 Aanvallen op de Republiek in Toepassingsopdracht Waarom zijn de broers De Witt vermoord? Regenten en gewone mensen dachten verschillend over de moord op de broers De Witt. 11 a Regenten dachten dat de stadhouder achter de moord zat. Welke reden zou hij kunnen hebben? A Johan de Witt had veel macht en hij was tegen een stadhouder. B De stadhouder wilde ook raadpensionaris worden. b Bekijk nog eens HB bron 1. Welke aanwijzing dat de stadhouder met de moord te maken had, zie je in deze bron? De soldaten grijpen niet in bij de moordpartij. 12 Arme mensen dachten anders over de moord. a Stel, het is De Fransen lopen al in de straten van Utrecht. Den Haag zit vol vluchtelingen, de voedselprijzen stijgen en door de oorlog is er weinig werk. Waar ben je als gewone man of vrouw bang voor? Dat de Fransen ook Den Haag zullen bezetten. Dat je straks geen eten meer kunt kopen. b De oorlog verliep rampzalig. Waarom gaven veel mensen Johan de Witt daarvan de schuld? Hij was de hoogste bestuurder van de Republiek en hij had bezuinigd op het landleger. 13 Vul het stappenplan je inleven in. Maastricht 10 Vul de juiste jaartallen in het schema in. Jaartal Gebeurtenis 1588 Republiek der Zeven Verenigde Neder landen wordt onafhankelijk. Begin Gouden Eeuw Vrede tussen de Republiek en Spanje Holland benoemt geen stadhouder Rampjaar. Aanval van Frankrijk, Engeland en twee Duitse gebieden. Holland benoemt een stadhouder. Einde Gouden Eeuw. Stappenplan HB bron 1 1 Wat is de De moord op de broers De Witt gebeurtenis? 2 Over welke plaats en tijd gaat de gebeurtenis? 3 Was de gebeurtenis normaal voor die tijd of juist bijzonder? Leg uit. 4 Hoe dachten gewone mensen over die gebeurtenis? 5 Bedenk waarom gewone mensen dat dachten. Den Haag, 20 augustus 1672 Het was niet normaal dat belangrijke mensen werden afgeslacht. Ze vonden het misschien wel terecht dat de broers werden gestraft. Ze waren boos. Johan de Witt was rijk en had het niet moeilijk. Hij was de hoogste bestuurder en hij had bezuinigd op het leger. Het rampjaar kwam door hem. 95

97 Hoofdstuk 6 Basis Hoofdstuk De tijd van regenten en vorsten De Gouden Eeuw 6 Vorsten met macht Intro mensen werkten jarenlang voor Lodewijk XIV aan de bouw van het kasteel en de aanleg van de tuinen in Versailles. 1 Bekijk HB bron 1 en lees de intro. a Waarom begon Lodewijk XIV aan de verbouwing van het jachtslot van zijn vader? Hij wilde hier gaan wonen en werken. b Wie woonden er, naast de koninklijke familie, nog meer op dit kasteel? De hofhouding, edelen, ministers en ambtenaren. 2 Beschrijf waar je het volgende op de tekening vindt. Het oude jachtslot van Lodewijks vader: helemaal achteraan. Het marmeren voorplein voor feesten en toneelstukken: achteraan, tussen de gebouwen en de achterste muur. De Spiegelzaal: in het achterste deel van het oude jachtslot. 3 a Leg uit dat niet iedereen het paleis en de tuinen kon binnenlopen. Het paleiscomplex was ommuurd. b In HB bron 1 komen gasten in koetsen naar het paleis. Hoe kun je zien dat dit hoge gasten waren? Aan de mooie koetsen en kleding van de gasten. 4 Leg uit hoe Lodewijk XIV met de Spiegelzaal liet zien dat hij belangrijk was. In de zaal hingen dure spiegels, gouden kandelaars en prachtige schilderingen. Dat kon bijna niemand betalen. Verwerking 5 a Wie kan koning(in) van een land worden? Het oudste kind van de huidige koning(in). b Vul de ontbrekende woorden in. Tot in de 16e eeuw moesten koningen hun macht vaak delen met machtige edelen. Zij hielpen de koning bij het bestuur en bij het voeren van oorlog. c Hoe probeerden koningen hun macht te vergroten? Vul de ontbrekende woorden in. Voortaan hielpen ambtenaren de koning bij het bestuur. De koning betaalde met belastinggeld soldaten om oorlog te voeren. Overal in het land kwamen wetten. Dit heet een centraal bestuur. d Waarom vergrootte Lodewijk XIV de handel? Zo kreeg hij meer belastinggeld binnen. 6 Lodewijk XIV had absolute macht. a Wat is absolute macht? Alle macht in handen van één persoon. b Waarom vond Lodewijk XIV dat hij recht had op absolute macht? Hij zei dat God hem die macht had gegeven. c Welke mensen verloren in Frankrijk steeds meer macht aan de koning? A Alleen de geestelijkheid. B Alleen de adel. C De gewone Fransen. D Iedereen met macht: de adel en de geestelijkheid. 7 Welke twee maatregelen passen bij een absoluut vorst? Edelen bestuurden gebieden namens de koning. Er kwam één wetgeving voor het hele land. De koning reisde rond om zijn land te besturen. De koning nam alle beslissingen. 8 a Bekijk WB bron 1. Aan welke twee dingen kun je zien dat Lodewijk XIV een koning was? Hij heeft mooie, koninklijke kleding aan. Hij is helemaal afgebeeld, niet alleen zijn gezicht. Zijn kroon ligt naast hem op het bankje. Hij kijkt erg streng. b Hoe is Lodewijk XIV op HB bron 2 afgebeeld? Als een gouden zon met zonnestralen. c Leg uit dat het symbool van de zon goed bij Lodewijk XIV past. Hij heeft alle macht. Zij bijnaam is de Zonnekoning, de koning als middelpunt waar alles om draait. 96

98 Bron 1 De Franse koning Lodewijk XIV. Hij was klein en droeg plateauzolen met hakken om groter te lijken. Toepassingsopdracht Een koninklijke rondwandeling in Versailles Lodewijk XIV showde graag zijn paleis en de tuinen. Hij schreef zelfs zes rondwandelingen. Op HB bron 3 zie je Lodewijk XIV met zijn gasten op het marmeren voorplein. Wat vertelt hij zijn gasten? Stel, je bent Lodewijk XIV. Koning Karel II van Spanje komt volgende week op bezoek. Wat laat je hem zien van je paleis en de tuinen? Wat vertel je hem? Gebruik de bronnen en teksten uit deze paragraaf. Bekijk het schema voor de rondleiding. Vul kort in wat je aan Karel II en zijn gezelschap vertelt. 9 Bekijk HB bron 4. a Op welke twee manieren maakten de tuinen van Versailles indruk op anderen? De tuinen waren groot en goed aangelegd. Met pompen, kanalen en aquaducten werd water naar de tuinen gebracht om de fonteinen te laten werken. b Wat wilde Lodewijk XIV hiermee laten zien? Hoe rijk en machtig hij als koning was. 10 Om welke reden viel Lodewijk XIV de Republiek aan in 1672? A Hij wilde laten zien dat hij een machtig leger had. B Hij wilde Frankrijk uitbreiden tot aan de Rijn. C Hij wilde koning worden van de Republiek. 11 a Welke ander Europees land werd in de 17e eeuw bestuurd door een absoluut vorst? A De Republiek. B Engeland. C Rusland. D Zweden. b Noem twee voorbeelden van hoe Peter de Grote zijn macht vergrootte. Hij liet wegen en kanalen aanleggen en hij verbeterde de scheepvaart. Dat was goed voor de handel en voor het leger. 12 Hoe bestuurden absolute vorsten hun land? Vul de ontbrekende woorden in. Zij bestuurden hun land vanuit één centraal punt en zorgden voor één wetgeving voor het hele land. Iedereen moest de absolute vorst gehoorzamen. Absolute vorsten hadden de adel niet meer nodig. Wat laat je zien? Start: het oudste deel van het paleis Privévertrekken van de koning Vergaderzaal van de regering Spiegelzaal Voorplein Gebouwen aan de zijkanten voor het voorplein Oranjerie De vijvers De fonteinen Om het paleiscomplex heen Wat vertel je erbij? Dit is het oude jachtslot van mijn vader. Dat ben ik gaan uitbreiden. Hier woon en slaap ik. Hier overleg ik met de regering. Ik beslis alles. Dit is de grootste zaal van het paleis. Hier loop ik met mijn familie elke ochtend doorheen. Hier geef ik feesten met muziek, toneel en dans. Ik treed zelf graag op als toneelspeler en balletdanser. Deze gebouwen heb ik later laten bouwen. Hier wonen ministers en edelen. Hier staan sinaasappelbomen in potten. Het water wordt omhooggepompt uit de Seine. Alle vijvers hebben vergulde fonteinen. Fonteinmeesters zorgen dat de fonteinen werken als ik langskom. Om het hele complex staan muren en hekken met het symbool van de Zonnekoning. 97

99 Hoofdstuk 6 Verdieping Hoofdstuk De tijd van regenten en vorsten De Gouden Eeuw 7 Michiel de Ruyter, een held? Tijdgenoten zagen Michiel de Ruyter als een held. Waarom dachten zij dat en hoe denken we nu over hem? 1 Lees de intro en bekijk HB bron 1. a Volgens het gedicht van tijdgenoot Gerard Brandt was Michiel de Ruyter een held. Welke twee woorden uit het gedicht passen daarbij? Bijvoorbeeld: held, redder, roer van de vloot. b Hoe kun je op de achtergrond van de bron zien dat de Republiek blij was met admiraal De Ruyter? Je ziet de zon die tevoorschijn komt achter een zwarte wolk tijdens een zeeslag. 2 Bekijk nog eens HB bron 1. a Hoe kun je aan deze bron zien dat de Republiek blij was met de overwinningen van De Ruyter? Ze lieten deze gedenkprent maken met het lofdicht. b Gebruik de leertekst uit paragraaf 5. Waarom was de Republiek in 1672 en 1673 zo blij met de overwinningen van Michiel de Ruyter? De Republiek werd toen door Frankrijk en Engeland tegelijk aangevallen. 3 Gebruik de bronnen in je handboek. Michiel de Ruyter werd admiraal na de nederlaag bij Lowestoft tijdens de Tweede Engelse Oorlog ( ). Vul in het schema de zeeslagen van deze oorlog in. Schrijf erachter hoe de zeeslag voor de Republiek afliep. Zeeslagen Tweede Engelse Oorlog Lowestoft (1665) Vierdaagse Zeeslag (1666) Chatham (1667) 4 Bekijk en lees HB bron 2. Overwinning of nederlaag Republiek Verloren Gewonnen Gewonnen a Welke twee vernieuwingen voerde Michiel de Ruyter door, toen hij admiraal was? Hij trainde de schippers om samen te varen en hij voerde het seinen met vlaggen in. b Waarom was het seinen met vlaggen zo handig? Zo wist iedereen tijdens een zeeslag wat hij moest doen. 5 Bekijk HB bron 3. a Hoe kun je op deze bron zien dat de Nederlandse schepen in linie varen? Ze varen in twee rijen naast elkaar. b Passen de Engelse schepen dezelfde manier van vechten toe? J a Nee, want die varen bij elkaar op een kluitje. 6 Lees WB bron 1. a Br on 1 Wat zijn mariniers? Soldaten die getraind zijn om op een schip te vechten. b Gebruik ook HB bron 4. Leg uit dat het handig was om mariniers mee te nemen naar Chatham. De mariniers werden ingezet om het fort in te nemen. Mariniers. Oprichting van het Korps Mariniers In de 17e eeuw gingen steeds vaker soldaten mee op de schepen van de Republiek. Johan de Witt en Michiel de Ruyter richtten in december 1665 het Korps Mariniers op: soldaten die speciaal werden getraind voor het vechten op zee en die ook ingezet konden worden bij landingen. De mariniers kwamen voor het eerst in actie bij de tocht naar Chatham. 7 Bekijk en lees HB bron 4. a De Ruyter vond het plan van Johan de Witt gevaarlijk. Geef twee redenen waarom hij dat vond. De Nederlandse schepen moesten een bochtige rivier opvaren, waar ze kwetsbaar waren en niet snel weg konden. De Engelse vloot lag beschermd door een fort en een ketting, die doorbroken moest worden. b Gebruik ook WB bron 1. Hoe slaagde de tocht naar Chatham? De Nederlanders voeren de ketting kapot met branders en beschoten het fort. Het Korps Mariniers werd ingezet. c De Ruyter volgde het bevel van De Witt op. Wat heeft De Ruyter bijgedragen aan deze overwinning? Leg je antwoord uit. 98

100 Hij had het opperbevel over de actie. Door het Korps Mariniers kon de Engelse tegenstander worden uitgeschakeld. 8 Bekijk HB bron 5. a Hoe kun je in de bron zien dat de Nederlanders het Engelse schip de Royal Charles hebben veroverd? De Nederlandse vlag wappert op het schip. b Leg uit waarom de tocht naar Chatham op de Engelsen een enorme indruk maakte. De Engelsen dachten dat hun oorlogsvloot veilig voor anker lag in de haven. Toch werd de vloot vernietigd en het vlaggenschip buitgemaakt. c Bron 2 Lees WB bron 2. Leg uit dat de tocht naar Chatham heel belangrijk was voor de vredesonderhandelingen in Breda. Toen het succes bekend werd, tekenden de Engelsen de vrede. Het einde van de Tweede Engelse Oorlog. De Vrede van Breda Na de Vierdaagse Zeeslag was raadpensionaris Johan de Witt in Breda moeizaam aan het onderhandelen over vrede met de Engelsen. Zijn broer Cornelis de Witt ging mee met de vloot van De Ruyter naar Chatham. Toen het resultaat van de tocht naar Chatham bekend werd, tekenden de Engelsen de Vrede van Breda. De Republiek had de Tweede Engelse Oorlog gewonnen. 9 Leg uit dat tijdgenoten Michiel de Ruyter als een held zagen. Hij was admiraal geworden na de nederlaag in Daarna had hij twee zeeslagen gewonnen. Dankzij De Ruyter werd de Tweede Engelse Oorlog gewonnen. 10 a De broers Johan en Cornelis de Witt waren erg actief bij de tocht naar Chatham. Waarom was het voor de Republiek belangrijk om machtig op zee te zijn? Het grootste deel van de handel ging over zee. Het was belangrijk dat de schepen veilig over zee konden varen. b Leg met HB bron 1 uit dat de Vrede van Breda niet lang duurde. In 1672 was er opnieuw oorlog, onder andere met Engeland. 11 a Vat je antwoorden uit de vragen hierboven samen in het schema. b Was Michiel de Ruyter een held? Geef je eigen mening en leg die uit. Je eigen antwoord. c Tegenwoordig zijn er geen zeehelden meer, maar sommige mensen zijn nog steeds helden. Wie vind jij nu een held en waarom? Je eigen antwoord. Welke andere manieren van vechten op zee voerde De Ruyter in? Hoe eindigde de Tweede Engelse Oorlog voor de Republiek? Zorgde de tocht naar Chatham op korte termijn voor vrede? Zorgde de tocht naar Chatham op lange termijn voor vrede? 1 Seinen en in linie varen 2 Korps Mariniers In een overwinning Ja, de Vrede van Breda Nee, in 1672 was er opnieuw oorlog met Engeland 12 Bekijk WB bron 3. De spiegel van de Royal Charles hangt al jaren in het Rijksmuseum. In 2012 bracht de Nederlandse Marine deze trofee naar Engeland voor een tentoonstelling. Nederlanders dachten hier heel verschillend over. Was het wel of niet goed om de spiegel uit te lenen aan de Engelsen? Bron 3 Geef je eigen mening met een argument. Je eigen antwoord. De Spiegel (het wapen) van de Royal Charles. 99

101 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk De tijd van regenten en vorsten De Gouden Eeuw 8 Afsluiting Vaardigheid Je inleven Je inleven in hoe het vroeger was, is een belangrijke vaardigheid bij het vak geschiedenis. Dat ga je nog eens oefenen. 1 Lees nog eens de oriëntatie in je werkboek. Waar moet je bij een bron op letten als je je wilt inleven in mensen in het verleden? Of de gebeurtenis wel of niet in de tijd past. Of het waar is wat er op de bron gebeurt. Hoe mensen in die tijd dachten. Waarom mensen zo dachten. 2 Bekijk WB bron 1 en lees WB bron 2. Kruip in de huid van regent Adriaan van Bredenhoff. Je hebt op de slavenmarkt van Recife in Brazilië Tabo gekocht. Je besluit een portret van jezelf te laten schilderen. Waarom doe je dat? a Was het in die tijd normaal dat je een portret van jezelf liet schilderen? Ja Nee, want Adriaan van Bredenhoff was regent en veel regenten lieten zich toen schilderen. b Waarom lieten mensen toen portretten van zichzelf maken? Ze wilden laten zien wie ze waren en hoe goed ze het hadden. c Bedenk waarom Adriaan van Bredenhoff ook zijn zwarte bediende op het schilderij heeft laten zetten. Je eigen antwoord, bijvoorbeeld: hij wilde zo laten zien dat hij een belangrijk man was, die in Brazilië een slaaf kon kopen. Bron 1 De Hoornse regent Adriaan van Bredenhoff laat zich schilderen met zijn zwarte bediende Tabo. Adriaan van Bredenhoff was bestuurder van de West-Indische Compagnie. (Portret van Nicolaas Verkolje, rond 1720.) Bron 2 De zwarte bediende van een regent. Een slaaf erft geld Adriaan van Bredenhoff kocht op de slavenmarkt van Recife in Brazilië de jongen Tabo. Hij reisde met zijn zwarte bediende de halve wereld over. Tabo mag ook samen met hem op zijn portret. Ze kunnen het goed vinden samen. In zijn testament bepaalt Van Bredenhoff dat Tabo jaarlijks gulden zal erven. Dat is genoeg om goed van te kunnen leven. Tabo laat zich dopen en noemt zich Adriaan naar zijn meester en De Bruin naar zijn huidskleur. Vrij naar: H. Goedkoop en K. Zandvliet, De Gouden Eeuw (2012). 3 Lees nog eens WB bron 2. Kruip in de huid van de zwarte bediende Tabo. Je wordt als jongen van 10 jaar gekocht door een grote witte meneer, die je niet kunt verstaan. Je reist maandenlang met hem op een schip en gaat wonen in zijn huis in Hoorn. Je laat je uiteindelijk dopen en kiest de naam van je meester. Waarom doe je dat? a Was het in die tijd normaal dat Hollandse regenten zwarte slaven hadden? Streep door wat niet juist is. Ja Nee, want de meeste regenten hadden toen wel geen slaven. b Hoe dacht Tabo later over zijn leven als bediende van zijn meester in Hoorn? Misschien was hij er tevreden mee, want hij liet zich dopen en nam een Nederlandse naam aan. c Bedenk waarom Tabo dit dacht en deed. Je eigen antwoord, bijvoorbeeld: hij was zijn meester dankbaar, omdat hij zoveel geld van hem erfde. 4 Bekijk HB bron 1. Kruip in de huid van burgemeester Adolf Croeser van Delft, die een schilderij van zich liet maken door de beroemde schilder Jan Steen. a Was het in die tijd normaal dat burgemeesters zich lieten schilderen? Ja Nee, want andere regenten deden dat ook. b Hoe dachten regenten over de armen? Zij vonden dat ze de armen moesten helpen. c Bedenk waarom Adolf Croeser een portret zou willen met een bedelares erop. 100

102 Je eigen antwoord, bijvoorbeeld: de burgemeester wilde laten zien dat hij rijk was en dat hij iets deed voor de armen van zijn stad. Chronologie 5 Zet de volgende gebeurtenissen in chronologische volgorde. A De broers De Witt worden vermoord. B Oprichting van de WIC. C Rampjaar, einde van de Gouden Eeuw. D Oprichting van de VOC. E De Republiek wordt onafhankelijk en bestuurt zichzelf. F Lodewijk XIV wordt een absoluut vorst. Juiste volgorde: E, D, B, F, C, A. 6 Gebruik HB bron 1, 2 en 3 en WB bron 1 en 3. Welke bronnen passen bij de letters A t/m C van Wat moet je kennen en kunnen? A Er komt een wereldeconomie B Gouden Eeuw voor de Republiek C In enkele landen willen vorsten absolute macht Bron HB bron 2, WB bron 1, WB bron 3 HB bron 1, WB bron 1 HB bron 3 Bron 3 Twaalf Hollandse koopvaardijschepen vertrekken in 1647 met volle ruimen uit Batavia naar Amsterdam. (Schilderij uit 1674 van een onbekende meester.) c Welke twee zinnen over de VOC en de WIC zijn juist? De VOC en de WIC waren allebei Hollandse handelsmaatschappijen. De VOC en de WIC hadden allebei kolonies en handelden ook in slaven. De VOC en de WIC hadden allebei een monopolie op de handel. De VOC en de WIC deden allebei mee aan de driehoekshandel. 8 Leg uit dat HB bron 2 en WB bron 3 passen bij de wereldeconomie. Op de Beurs in Amsterdam werden producten uit de hele wereld (dus ook uit Oost-Indië) met zoveel mogelijk winst verkocht. 9 a Leg uit dat HB bron 3 past bij Lodewijk XIV als absoluut vorst. Lodewijk XIV zit op een steigerend paard en krijgt van een engel (van God dus) een lauwerkrans op zijn hoofd. b Had stadhouder Willem III in de Republiek ook absolute macht? Ja Nee, want Willem III was stadhouder en geen koning. 10 Welke verschillen waren er in het bestuur van de Republiek en dat van Frankrijk? Wie beslisten? Vul het schema in. Republiek Frankrijk Bestuur steden Rijke regenten Lodewijk XIV Bestuur Gewestelijke Lodewijk gewesten Staten XIV Legeraanvoerder Stadhouder Lodewijk XIV Verdediging en Staten- Lodewijk buitenland Generaal XIV 7 Bekijk nog eens WB bron 1 en WB bron 3. a Vul de juiste bronnen in. Bij de VOC past WB bron 3 en bij de WIC past WB bron 1. b Noem drie voorbeelden van producten die in de ruimen van de schepen van WB bron 3 lagen opgeslagen. Bijvoorbeeld: nootmuskaat, foelie, kruidnagelen, peper, thee, textiel. 101 Onze tijd: wat zie je terug van de tijd van regenten en vorsten? 11 Wat is er nu nog zichtbaar van de Gouden Eeuw? HB bron 1 en 2, WB bron 1 en 3: schilderijen en prenten van Hollandse schilders uit die tijd. HB bron 2 en 4: gebouwen en paleizen die in die tijd gebouwd zijn. HB bron 3 uit paragraaf 2: drooggelegde polders in Holland. HB bron 2 uit paragraaf 4: de Amsterdamse grachtengordel.

103 C o l o f o n Ontwerp omslag SKON, Eindhoven Ontwerp binnenwerk Uitgeverij Malmberg, s-hertogenbosch Opmaak PrePress Media Partners, Wolvega Kartografie Van Oort redactie en kartografie, Almere Van Dijk vormgeving & kartografie, Vlijmen Rerink kartografie & vormgeving, Eindhoven Tekeningen Erik Eshuis, Groningen: pag. 11, 13, 19, 40, 89 (bron 2) Wim Euverman, Utrecht: tekening omslag Bronvermelding foto s Omslag Jenifoto, Shutterstock Binnenwerk Bridgeman Art Library, Londen (Eng): pag. 43 (4x), 69, 82 (2x), 83 Hollandse Hoogte, Amsterdam: pag. 7, 97 Rijksmuseum, Amsterdam: pag. 68, 93, 99 Stedelijk Museum Alkmaar: pag. 101 Westfries Museum: pag. 100 codenummer isbn Vierde druk, tweede oplage Malmberg s-hertogenbosch, 2013 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16b Auteurswet 1912 j het Besluit van 20 juni 1974, St.b. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, St.b. 471, en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. Het is de uitgever, ondanks vele inspanningen, niet gelukt alle rechthebbenden te achterhalen. Denkt men rechthebbende te zijn, dan kan men zich wenden tot de uitgever. 102

De steentijd Jagers en verzamelaars

De steentijd Jagers en verzamelaars De steentijd Jagers en verzamelaars De prehistorie is de geschiedenis van de mensheid voordat mensen konden lezen en schrijven. We hebben uit de prehistorie daarom geen boeken, dagboeken of andere geschreven

Nadere informatie

1 De tijd van jagers en boeren

1 De tijd van jagers en boeren 1 De tijd van jagers en boeren Planner Oriëntatie Te doen Datum klaar Score Oriëntatie op de tijd van jagers en boeren Kern 1 Jagers en verzamelaars 2 Een nieuwe manier van leven 3 Leven aan de oevers

Nadere informatie

3000 v. Chr v. Chr v. Chr v. Chr.

3000 v. Chr v. Chr v. Chr v. Chr. 6 prehistorie oudheid 3000 v. Chr. 2500 v. Chr. 2000 v. Chr. 1500 v. Chr. Jagers en Boeren De oudste bewoners Jos en Mirthe fietsen in de zomervakantie op de Elspeetse heide. Ze maken met hun ouders een

Nadere informatie

Jagers & boeren Waarvan leefden de jagers-verzamelaars? Jagers & boeren Waarvan leefden de boeren? Van de jacht en van vruchten en planten

Jagers & boeren Waarvan leefden de jagers-verzamelaars? Jagers & boeren Waarvan leefden de boeren? Van de jacht en van vruchten en planten Jagers & boeren Waarvan leefden de jagers-verzamelaars? Jagers & boeren Waarvan leefden de boeren? Van de jacht en van vruchten en planten Van de oogst van hun land en van hun dieren Jagers & boeren Wat

Nadere informatie

Brandaan samenvatting groep 7

Brandaan samenvatting groep 7 Brandaan samenvatting groep 7 Mijn Malmberg Thema 1 Egypte Samenvatting De Nijl Egypte bestaat voor het grootste deel uit woestijn. Dwars door de woestijn stroomt de rivier de Nijl. Door de Nijl kende

Nadere informatie

Project Prehistorie, Grieken en Romeinen ABC

Project Prehistorie, Grieken en Romeinen ABC Project Prehistorie, Grieken en Romeinen ABC Week 1ABC: Algemeen Info: Prehistorie De geschiedenis in Nederland begint al heel lang geleden. Lang voordat de Romeinen in Nederland kwamen, waren er al mensen.

Nadere informatie

een zee Rendierjagers De rendierjagers leefden in de prehistorie in ons land. Dat is de tijd voordat de van tijd een zee van tijd

een zee Rendierjagers De rendierjagers leefden in de prehistorie in ons land. Dat is de tijd voordat de van tijd een zee van tijd Werkblad Ω Een tijd geleden... Ω Les : Rendierjagers Rendierjagers De rendierjagers leefden in de prehistorie in ons land. Dat is de tijd voordat de mensen konden schrijven. Ze woonden niet op een vaste

Nadere informatie

Dit verslag is van Ylaine en Ryanne Mulder 29-10-'03. Verslag van het oude Egypte Ylaine en Ryanne Mulder 29-10- 03

Dit verslag is van Ylaine en Ryanne Mulder 29-10-'03. Verslag van het oude Egypte Ylaine en Ryanne Mulder 29-10- 03 Dit verslag is van Ylaine en Ryanne Mulder 29-10-'03 blz.0 Inhoudsopgave Inleiding blz. 2 De Egyptenaren jagen en oogsten blz. 3 De Farao blz. 4 Doden blz. 5 Arm of welvarend blz. 6 Ik ben de Farao blz.

Nadere informatie

Tijdwijzer. Het begin. Voor en na Christus

Tijdwijzer. Het begin. Voor en na Christus 138 Tijdwijzer Het begin Op deze tijdbalk past niet de hele geschiedenis van de mens. Er lopen namelijk al zo n 100.000 jaar mensen rond op aarde. Eigenlijk zou er dus nog 95.000 jaar bij moeten op de

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Jagers en Boeren

Samenvatting Geschiedenis Jagers en Boeren Samenvatting Geschiedenis Jagers en Boeren Samenvatting door B. 771 woorden 7 oktober 2016 2,9 8 keer beoordeeld Vak Geschiedenis Tijdvak 1 Tijd van jagers en boeren Jagers en boeren -3000 v. Chr. Pagina

Nadere informatie

Toetsvragen Geschiedenis Toelatingstoets Pabo. Tijdvak 1 Toetsvragen

Toetsvragen Geschiedenis Toelatingstoets Pabo. Tijdvak 1 Toetsvragen Tijdvak 1 Toetsvragen 1 De meeste kennis over de periode waarin de eerste mensen leefden, komt van archeologen. Wat houdt het werk van archeologen in? A Zij bestuderen de verschillende theorieën over de

Nadere informatie

b. Bekijk het laatste deel van de maquette, de kwelders. Waarom staat daar geen dorpje, denk je?

b. Bekijk het laatste deel van de maquette, de kwelders. Waarom staat daar geen dorpje, denk je? Kijktocht OER! basis 6000 jaar geleden woonden er al mensen in dit gebied. Het is de tijd van de jagers en verzamelaars. De mensen noemen we Swifterbantmensen. Hoe ze leefden en hoe hun gebied eruitzag,

Nadere informatie

Inhoud. Thema 5.1 Jagers en boeren 3. Thema 5.2 Grieken en Romeinen 6. Thema 5.3 Monniken en ridders 9. Thema 5.4 Steden en staten 12.

Inhoud. Thema 5.1 Jagers en boeren 3. Thema 5.2 Grieken en Romeinen 6. Thema 5.3 Monniken en ridders 9. Thema 5.4 Steden en staten 12. Inhoud Thema 5.1 Jagers en boeren 3 Thema 5.2 Grieken en Romeinen 6 Thema 5.3 Monniken en ridders 9 Thema 5.4 Steden en staten 12 Eigentijds Eigentijds Toets Thema 5.1 Jagers en boeren 1. Rondtrekken 3.

Nadere informatie

Oerboeren in de Friese Wouden.

Oerboeren in de Friese Wouden. Stichting IJstijdenmuseum Buitenpost. www.ijstijdenmuseum.nl. Oerboeren in de Friese Wouden. Het grootste deel van de geschiedenis van ons mensen ligt in de prehistorie. Met prehistorie duiden we een tijd

Nadere informatie

14 God ging steeds voor hen uit, overdag in een wolk, s nachts in licht en vuur.

14 God ging steeds voor hen uit, overdag in een wolk, s nachts in licht en vuur. Psalmen Psalm 78 1 Een lied van Asaf. De lessen van het verleden Luister allemaal naar mijn woorden. Luister goed, want ik wil jullie iets leren. 2 Wijze woorden wil ik spreken, wijze woorden over het

Nadere informatie

Geschiedenis kwartet Tijd van jagers en boeren

Geschiedenis kwartet Tijd van jagers en boeren Geschiedenis kwartet jagers en boeren jagers en boeren jagers en boeren Reusachtige stenen die door mensen op elkaar gelegd zijn. Zo maakten ze een begraafplaats. * Hunebedden * Drenthe * Trechterbekers

Nadere informatie

HET TRECHTERBEKERVOLK. het hunebed de trechterbeker de provincie Drenthe de zwerfkei. het hunebed de trechterbeker de provincie Drenthe de zwerfkei

HET TRECHTERBEKERVOLK. het hunebed de trechterbeker de provincie Drenthe de zwerfkei. het hunebed de trechterbeker de provincie Drenthe de zwerfkei HET TRECHTERBEKERVOLK HET TRECHTERBEKERVOLK het hunebed de trechterbeker de provincie Drenthe de zwerfkei het hunebed de trechterbeker de provincie Drenthe de zwerfkei Vraag: Waar werd een hunebed in de

Nadere informatie

De eerste boeren Het dorp

De eerste boeren Het dorp De eerste boeren Later gaan de mensen zelf eten verbouwen. Wortels en bonen, en graan om brood van te bakken. De mensen hebben ook schapen en koeien. De jagers zijn boeren geworden. Het dorp Boeren trekken

Nadere informatie

3. Van wie is de kreet? 4. Wat wil Albor met het zwijntje doen?

3. Van wie is de kreet? 4. Wat wil Albor met het zwijntje doen? Lees het verhaal over de Albor de jager. Albor is de jongste van de 5 jagers. De speer van Albor is van vuursteen. De jagers vinden een spoor van een hert Het spoor is vers, het hert is dichtbij. De jagers

Nadere informatie

Feniks Geschiedenis voor de onderbouw 1 vmbo-t/havo Hoofdstuk 1 Leven van de natuur Open toetsvragen

Feniks Geschiedenis voor de onderbouw 1 vmbo-t/havo Hoofdstuk 1 Leven van de natuur Open toetsvragen Feniks Geschiedenis voor de onderbouw 1 vmbo-t/havo Hoofdstuk 1 Leven van de natuur Open toetsvragen Paragraaf 1 A. Jager-verzamelaars hadden waarschijnlijk een taakverdeling tussen mannen en vrouwen.

Nadere informatie

Andere boeken in deze serie:

Andere boeken in deze serie: Andere boeken in deze serie: 978-94-6175-157-7 (HB) 978-94-6175-964-1 (e-book) 978-94-6175-218-5 (HB) 978-94-6175-960-3 (e-book) 978-94-6175-216-1 (HB) 978-94-6175-158-4 (HB) 978-94-6175-958-0 (e-book)

Nadere informatie

Brandaan. Geschiedenis WERKBOEK

Brandaan. Geschiedenis WERKBOEK 6 Brandaan Geschiedenis WERKBOEK 6 Brandaan Geschiedenis WERKBOEK THEMA 4 Eindredactie: Monique Goris Leerlijnen: Hans Bulthuis Auteurs: Katrui ten Barge, Wilfried Dabekaussen, Juul Lelieveld, Frederike

Nadere informatie

De presentatie rond de trap

De presentatie rond de trap Kijktocht OER! Plus 6000 jaar geleden woonden er al mensen in dit gebied. Het is de prehistorie; de tijd van de jagers en boeren. De mensen noemen we Swifterbantmensen. Deze kijktocht helpt je ontdekken

Nadere informatie

1 De tijd van jagers en boeren

1 De tijd van jagers en boeren h / t 1 S I N E D CHIE ouw GESor de onderb vo OE B K R WE K 1 De tijd van jagers en boeren Planner Oriëntatie Oriëntatie op de tijd van jagers en boeren Te doen Te doen Datum klaar Score Kern 1 Leven van

Nadere informatie

Brandaan. Geschiedenis WERKBOEK

Brandaan. Geschiedenis WERKBOEK 7 Brandaan Geschiedenis WERKBOEK 7 Brandaan Geschiedenis WERKBOEK THEMA 4 Eindredactie: Monique Goris Leerlijnen: Hans Bulthuis Auteurs: Juul Lelieveld, Frederike Pals, Jacques van der Pijl Controle historische

Nadere informatie

Opwindende ontdekkingen in oud-oosterhout! Wo uter is

Opwindende ontdekkingen in oud-oosterhout! Wo uter is rcheobode Opwindende ontdekkingen in oud-oosterhout! Wo uter is archeoloog. Hij hoort bij de groep archeologen die nu aan het opgraven is in Oosterhout in het gebied Vrachelen. Daar wordt over een jaar

Nadere informatie

Voor/na het bezoek. Museum voor Natuurwetenschappen.be Vautierstraat, 29 1000 Brussel [email protected]

Voor/na het bezoek. Museum voor Natuurwetenschappen.be Vautierstraat, 29 1000 Brussel info@natuurwetenschappen.be Voor/na het bezoek Museum voor Natuurwetenschappen.be Vautierstraat, 29 1000 Brussel [email protected] Wat is de prehistorie? Prehistorie betekent letterlijk voorgeschiedenis, het tijdperk voor

Nadere informatie

Kastelen in Nederland

Kastelen in Nederland Kastelen in Nederland J In ons land staan veel kastelen. Meer dan honderd. De meeste van die kastelen staan in het water. Bijvoorbeeld midden in een meer of een heel grote vijver. Als er geen water was,

Nadere informatie

Geschiedenisproefwerk groep 7 Hoofdstuk 5 Een nieuwe wereld: Amerika

Geschiedenisproefwerk groep 7 Hoofdstuk 5 Een nieuwe wereld: Amerika Geschiedenisproefwerk groep 7 Hoofdstuk 5 Een nieuwe wereld: Amerika In het vroegere Amerika woonden Indianenstammen. Columbus ontdekte dit land van de Indianen in 1492. Het waren de Azteken, de Inca s

Nadere informatie

5,1. Samenvatting door Anoniem 686 woorden 2 maart keer beoordeeld. Geschiedenis. Hoofdstuk 3 De tijd van monniken en ridders.

5,1. Samenvatting door Anoniem 686 woorden 2 maart keer beoordeeld. Geschiedenis. Hoofdstuk 3 De tijd van monniken en ridders. Samenvatting door Anoniem 686 woorden 2 maart 2013 5,1 27 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Memo Hoofdstuk 3 De tijd van monniken en ridders. Paragraaf 1 De Romeinen trekken zich terug. 1. Welke

Nadere informatie

Tijd van jagers en boeren

Tijd van jagers en boeren Tijd van jagers en tot 3000 v. Chr. De prehistorie Prehistorie 3000 v. Chr. Evolutietheorie: Eerste mensen ong. 3 miljoen jaar geleden in Afrika ontstaan. Hij is geëvolueerd (Theorie Charles Darwin) en

Nadere informatie

Begrippen. mammoet Een dier uit de prehistorie. Een mammoet leek op een grote harige olifant. jagers

Begrippen. mammoet Een dier uit de prehistorie. Een mammoet leek op een grote harige olifant. jagers ijstijd De tijd dat Nederland onder een laag ijs lag. mammoet Een dier uit de prehistorie. Een mammoet leek op een grote harige olifant. jagers Mensen die zochten naar dieren om ze te vangen en op te eten.

Nadere informatie

1 Belangrijk in deze periode

1 Belangrijk in deze periode 1 Belangrijk in deze periode Het is niet zo makkelijk voor de wetenschappers om het leven van de eerste mensen correct voor te stellen. Het is ook al heel lang geleden. De mensen van toen lieten geen dagboeken

Nadere informatie

Antwoorden bij Hoofdstuk 1 Tijd van jagers en boeren. Oriëntatie op het tijdvak

Antwoorden bij Hoofdstuk 1 Tijd van jagers en boeren. Oriëntatie op het tijdvak Antwoorden bij Hoofdstuk 1 Tijd van jagers en boeren Oriëntatie op het tijdvak a De prehistorie is de periode voordat mensen het schrift gingen gebruiken. De letterlijke betekenis is: voor-historie. b

Nadere informatie

Soorten bronnen hv123. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. http://maken.wikiwijs.nl/62210

Soorten bronnen hv123. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. http://maken.wikiwijs.nl/62210 Auteur VO-content Laatst gewijzigd 25 June 2015 Licentie CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie Webadres http://maken.wikiwijs.nl/62210 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijsleermiddelenplein.

Nadere informatie

Voorwoord. Rome en de Romeinen

Voorwoord. Rome en de Romeinen Voorwoord Rome en de Romeinen Dit verhaal speelt in Rome, ongeveer 2000 jaar geleden. Rome was toen een rijke stad, met prachtige gebouwen. Zoals paleizen voor de keizers, voor de Senaat en voor de grote

Nadere informatie

Doelgroep: groep 5 t/m 8 (vraag 9 is vooral geschikt voor groep 7/8. Groep 5/6 kan deze vraag overslaan)

Doelgroep: groep 5 t/m 8 (vraag 9 is vooral geschikt voor groep 7/8. Groep 5/6 kan deze vraag overslaan) UITLEG VOOR DE LEERKRACHT In deze lessenserie hebben leerlingen van alles geleerd over archeologie en het leven van vroeger. Met deze quiz kunnen ze hun kennis testen. Opmerking: De leerlingen hebben tot

Nadere informatie

inhoud blz. Inleiding 3 1. De farao 4 2. De dood van de farao 5 3. Bewaard als mummie 6 4. Het graf 7 5. Groter en groter 8 6. De vorm 9 7.

inhoud blz. Inleiding 3 1. De farao 4 2. De dood van de farao 5 3. Bewaard als mummie 6 4. Het graf 7 5. Groter en groter 8 6. De vorm 9 7. Piramides inhoud blz. Inleiding 3 1. De farao 4 2. De dood van de farao 5 3. Bewaard als mummie 6 4. Het graf 7 5. Groter en groter 8 6. De vorm 9 7. De bouw van de piramide 10 8. Beroemde piramides 13

Nadere informatie

Antwoordkernen bij Eureka 1 Prehistorie H. 1 t/m 4

Antwoordkernen bij Eureka 1 Prehistorie H. 1 t/m 4 Antwoordkernen bij Eureka 1 Prehistorie H. 1 t/m 4 Antwoordkernen zijn vrijwel nooit volledige zinnen. Antwoordkernen geven alleen aan, wat er beslist in het antwoord moet staan. De bedoeling is, dat je

Nadere informatie

Hunebedden. Inleiding. Hoofdstuk 1 Wat zijn hunebedden en waar kun je ze vinden?

Hunebedden. Inleiding. Hoofdstuk 1 Wat zijn hunebedden en waar kun je ze vinden? Hunebedden Inleiding Ik hou mijn werkstuk over hunebedden, omdat ik het een leuk onderwerp vind. Maar ik hou het er ook over, omdat ik er veel van te weten wil komen. Ik ben op het idee gekomen, omdat

Nadere informatie

Activiteitenschema Archeologie

Activiteitenschema Archeologie Activiteitenschema Archeologie Soort activiteit: Spullen opgraven uit de zandbak. Tijdsindeling: 5 Minuten de plaatjes in de zandbak verstoppen. 5 Minuten vertellen over hoe de mensen vroeger wat zochten

Nadere informatie

b 1 5 2 6 a 3 Verwerking 4

b 1 5 2 6 a 3 Verwerking 4 Introductie Een spannend vak? Intro In deze eerste paragraaf van het boek leer je werken met Memo en denk je na over de vraag: waarom krijg je op school het vak geschiedenis? Eerst lees je de intro in

Nadere informatie

Tijd van jagers en boeren

Tijd van jagers en boeren 1.1 Van jagers verzamelaars naar tot 3000 v. Chr. De prehistorie : levenswijze van jagers verzamelaars ontstaan van landbouw, landbouwsamenlevingen Onderzoeksvraag: Welke gevolgen had de Neolithische Revolutie

Nadere informatie

Exodus 17,1-7 - Water uit de rots voor mensen met een kort lontje

Exodus 17,1-7 - Water uit de rots voor mensen met een kort lontje Exodus 17,1-7 - Water uit de rots voor mensen met een kort lontje Aangepaste dienst Liturgie Voor de dienst speelt de band drie liederen Opwekking 11 Er is een Heer Opwekking 277 Machtig God, sterke Rots

Nadere informatie

Ze gebruikten bijna alleen maar streepjes omdat ze het snel en makkelijk in stenen wilden krassen. Rondjes waren erg moeilijk!

Ze gebruikten bijna alleen maar streepjes omdat ze het snel en makkelijk in stenen wilden krassen. Rondjes waren erg moeilijk! Romeinse cijfers Vroeger werd er overal in Romeinse cijfers gerekend. Deze cijfers zijn bedacht door de Romeinen in de Romeinse tijd. Er is geen symbool voor het getal 0. Ze vonden namelijk dat niks maar

Nadere informatie

Inhoud. 1. Wat weet je al? 2. Egypte van de oude steentijd tot de farao s. 3. Egypte in handen van anderen. 4. De Arabische Republiek Egypte

Inhoud. 1. Wat weet je al? 2. Egypte van de oude steentijd tot de farao s. 3. Egypte in handen van anderen. 4. De Arabische Republiek Egypte 1. Wat weet je al? Opdracht 1 Waar denk je aan bij Egypte? 4 Inhoud 2. Egypte van de oude steentijd tot de farao s Faraonische periode: 3000-332 v. Chr. 7 Opdracht 2 Van de oude steentijd tot de farao

Nadere informatie

Ik houd mijn spreekbeurt over de eerste mensen en mensachtigen op aarde, zoals de Neanderthalers.

Ik houd mijn spreekbeurt over de eerste mensen en mensachtigen op aarde, zoals de Neanderthalers. Ik houd mijn spreekbeurt over de eerste mensen en mensachtigen op aarde, zoals de Neanderthalers. Ik vind het zelf erg leuk om hier meer over te weten, heb hier veel over opgezocht en wil jullie daar nu

Nadere informatie

Welke les moesten de Egyptenaren leren?

Welke les moesten de Egyptenaren leren? De eerste vier plagen. Welke les moesten de Egyptenaren leren? Exodus 7:2-5 2 U moet alles wat Ik u gebieden zal tegen Aäron zeggen, en Aäron, uw broer, moet tot de farao spreken, dat hij de Israëlieten

Nadere informatie

Soorten bronnen - hv123

Soorten bronnen - hv123 Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres VO-content 25 october 2018 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/62210 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet.

Nadere informatie

ONTDEKKINGSREIZIGERS en AVONTURIERS. Van:

ONTDEKKINGSREIZIGERS en AVONTURIERS. Van: ONTDEKKINGSREIZIGERS en AVONTURIERS Van: Ieder groepje gaat op ontdekkingsreis, deze gebieden worden verdeeld: heelal, de zee, een onderaards gebied, een vulkanisch gebied, een bergachtig gebied, een woestijn

Nadere informatie

1. Van je juf of meester krijg je een plaatje. Bekijk je plaatje goed. 3. Zoek samen nog vier klasgenoten met een ander plaatje.

1. Van je juf of meester krijg je een plaatje. Bekijk je plaatje goed. 3. Zoek samen nog vier klasgenoten met een ander plaatje. Opdracht 1 Ongeveer 150 jaar geleden stonden er veel steenfabrieken langs de IJssel. De stenen werden van klei gemaakt. Dat kon je langs de IJssel vinden. Als de rivier overstroomde, bleef er een laagje

Nadere informatie

Hunebedden de steentijd

Hunebedden de steentijd Deze les hoort bij het prentenboek Het grote bouwwerk, geschreven door Rian Visser in de serie Terugblikken van Uitgeverij Delubas. Met tekeningen van Irene Goede. Doel: leerlingen bekend maken met hunebedden

Nadere informatie

Aardewerken pot Vraag: hoe weet de onderzoeker hoe oud het voorwerp is?... Munten Vraag: hoe weet de onderzoeker hoe oud het voorwerp is?...

Aardewerken pot Vraag: hoe weet de onderzoeker hoe oud het voorwerp is?... Munten Vraag: hoe weet de onderzoeker hoe oud het voorwerp is?... WERKBLAD 1 HET WERK VAN DE ARCHEOLOOG Kruis aan welk materiaal jij met je groepje onderzoekt. Bekijk de film en zoek het antwoord op de vraag. Aardewerken pot Vraag: hoe weet de onderzoeker hoe oud het

Nadere informatie

Feniks Geschiedenis voor de onderbouw 1 vmbo-t/havo Hoofdstuk 1 Leven van de natuur Gesloten toetsvragen

Feniks Geschiedenis voor de onderbouw 1 vmbo-t/havo Hoofdstuk 1 Leven van de natuur Gesloten toetsvragen Feniks Geschiedenis voor de onderbouw 1 vmbo-t/havo Hoofdstuk 1 Leven van de natuur Gesloten toetsvragen Paragraaf 1 Zijn de zinnen goed of fout? 1. Een nomade heeft een vaste verblijfplaats. 2. Van een

Nadere informatie

Maak hier de gaatjes voor in je multomap. Leerlingenboekje WELKOM BIJ DE ROMEINEN. Dit boekje is van

Maak hier de gaatjes voor in je multomap. Leerlingenboekje WELKOM BIJ DE ROMEINEN. Dit boekje is van Maak hier de gaatjes voor in je multomap Leerlingenboekje WELKOM BIJ DE ROMEINEN _ Dit boekje is van Welkom bij de Romeinen! In Welkom bij de Romeinen maak je kennis met het Romeinse leven. Je zult merken

Nadere informatie

De Romeinen. Wie waren de Romeinen?

De Romeinen. Wie waren de Romeinen? De Romeinen Wie waren de Romeinen? Lang voor de Romeinen naar ons land kwamen, woonden ze in een kleine staat rond de stad Rome. Vanaf 500 voor Christus begonnen de Romeinen met gebiedsuitbreiding. Als

Nadere informatie

Geschiedenis groep 6 Junior Einstein

Geschiedenis groep 6 Junior Einstein De oude Grieken en Romeinen hadden ze al en later ook de Vikingen. Koloniën. Koopmannen voeren met hun schepen over zee om met andere landen handel te drijven. Langs de route richtten ze handelsposten

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 1

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 1 Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 1 Samenvatting door R. 1586 woorden 23 oktober 2014 7,1 30 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Werkplaats Samenvatting Geschiedenis H1: Tijd van Jagers en Verzamelaars.

Nadere informatie

DE ROMEINEN KOMEN!! Groep 5 en 6. Vragenlijst Museumzaal Thermenmuseum. 1. Namen leerlingen: Naam van de school: Te:

DE ROMEINEN KOMEN!! Groep 5 en 6. Vragenlijst Museumzaal Thermenmuseum. 1. Namen leerlingen: Naam van de school: Te: DE ROMEINEN KOMEN!! Groep 5 en 6 Vragenlijst Museumzaal Thermenmuseum 1. Namen leerlingen: Naam van de school: Te: 1 In de museumzaal hangen banieren met tekst. Een banier is een soort vlag. Er staan ook

Nadere informatie

Project Prehistorie, Grieken en Romeinen DEF

Project Prehistorie, Grieken en Romeinen DEF Project Prehistorie, Grieken en Romeinen DEF Week 1DEF: Algemeen Info: Prehistorie De geschiedenis in Nederland begint al heel lang geleden. Lang voordat de Romeinen in Nederland kwamen, waren er al mensen.

Nadere informatie

Karel de Grote Koning van het Frankische Rijk

Karel de Grote Koning van het Frankische Rijk Karel de Grote Koning van het Frankische Rijk Eén van de bekendste koningen uit de Middeleeuwen is Karel de Grote. Hij leeft zo'n 1300 jaar geleden, waar hij koning is van het Frankische rijk. Dat rijk

Nadere informatie

Toelichting beelden tijdbalk Argus Clou Geschiedenis groep 7

Toelichting beelden tijdbalk Argus Clou Geschiedenis groep 7 Toelichting beelden tijdbalk Argus Clou Geschiedenis groep 7 Hierbij treft u een toelichting aan bij de beelden die in de tijdbalk van Argus Clou Geschiedenis groep 7 zijn opgenomen. Inhoud Thema 1 Boze

Nadere informatie

Bevolkingsgroepen DOE KAART 1. Naam van het project. Als je voor deze opdracht kiest leer je meer over een bepaalde bevolkingsgroep.

Bevolkingsgroepen DOE KAART 1. Naam van het project. Als je voor deze opdracht kiest leer je meer over een bepaalde bevolkingsgroep. DOE KAART 1 Bevolkingsgroepen Als je voor deze opdracht kiest leer je meer over een bepaalde bevolkingsgroep. Zoek 6 verschillende bevolkingsgroepen op. Kies 1 bevolkingsgroep uit waar je meer over wilt

Nadere informatie

100 jaar geleden. t Is Oorlog! Een lesmap voor het vierde, vijfde en zesde leerjaar, door juffrouw Anita en de papa van Anna.

100 jaar geleden. t Is Oorlog! Een lesmap voor het vierde, vijfde en zesde leerjaar, door juffrouw Anita en de papa van Anna. 100 jaar geleden t Is Oorlog! Een lesmap voor het vierde, vijfde en zesde leerjaar, door juffrouw Anita en de papa van Anna. t Is oorlog! Binderveld, Kozen, Nieuwerkerken en Wijer 100 jaar geleden is een

Nadere informatie

Een weg door de geestelijke stromingen vragenlijst voor het Christendom. Naam:

Een weg door de geestelijke stromingen vragenlijst voor het Christendom. Naam: Een weg door de geestelijke stromingen vragenlijst voor het Christendom Naam: Het Christendom Hallo, dit is de vragenlijst die hoort bij de website over geestelijke stromingen. Je kunt de website vinden

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5 De Romeinen

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5 De Romeinen Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5 De Ro Samenvatting door S. 1180 woorden 29 maart 2016 6,4 11 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Sprekend verleden Hoofdstuk 5 De Ro Paragraaf 1 t/m 7 1 Van dorp

Nadere informatie

Les 1 de Nijl. De seizoenen in Egypte. De Nijl overstroomt. Zaaien en oogsten

Les 1 de Nijl. De seizoenen in Egypte. De Nijl overstroomt. Zaaien en oogsten Les 1 de Nijl Woestijn Egypte bestond voor het grootste deel uit een zandwoestijn. Planten en dieren hadden het daar moeilijk. Veel leefde er dan ook niet in de woestijn. Maar dwars door de woestijn van

Nadere informatie

De klassieke tijdlijn

De klassieke tijdlijn De klassieke tijdlijn In de lessen geschiedenis heb je waarschijnlijk al gehoord over de tijdlijnen, of de historische periodes en waarschijnlijk ook over exacte datums zoals 476. In dit documentje kom

Nadere informatie

Romeinen. Romeinen. Germanen

Romeinen. Romeinen. Germanen Romeinen Romeinen Grieken en Romeinen lijken op elkaar qua levensstijl. Het Romeinse rijk is ontstaan in Rome (753 v. Chr.). De Romeinen kwamen 50 v. Chr. naar Nederland. De Romeinen hebben het Latijns

Nadere informatie

Cultuur: alles wat een groep mensen met gemeenschappelijke kenmerken voortbrengt, zoals taal, godsdienst, kunst, normen en waarden.

Cultuur: alles wat een groep mensen met gemeenschappelijke kenmerken voortbrengt, zoals taal, godsdienst, kunst, normen en waarden. GS tijdvak 1 Lennart van der Molen Begrippen Agrarisch: wat betrekking heeft op landbouw. Cultuur: alles wat een groep mensen met gemeenschappelijke kenmerken voortbrengt, zoals taal, godsdienst, kunst,

Nadere informatie

Er was eens een heel groot bos. Met bomen en bloemen. En heel veel verschillende dieren. Aan de rand van dat bos woonde, in een grot, een draakje. Dat draakje had de mooiste grot van iedereen. Lekker vochtig

Nadere informatie

De steen die verhalen vertelt.

De steen die verhalen vertelt. De steen die verhalen vertelt. Heel lang geleden kenden de mensen geen verhalen, er waren geen verhalenvertellers. Het leven zonder verhalen was heel moeilijk, vooral gedurende de lange winteravonden,

Nadere informatie

Aanwijzing: Lees de verhalen op de borden boven de kist goed; er staan aanwijzingen op. Kijk goed in de kist. Valt je daar iets bijzonders op?

Aanwijzing: Lees de verhalen op de borden boven de kist goed; er staan aanwijzingen op. Kijk goed in de kist. Valt je daar iets bijzonders op? Ondergronds Opdrachten groepen 5, 6 en 7 In Ondergronds gaan kinderen aan de slag als een echte archeoloog. Ondergronds is een reconstructie van een archeologische opgraving. De leerlingen werken met echte

Nadere informatie

Hoe de Egyptenaren dieren behandelden, verschilde per streek. Een dier kon vereerd worden in de ene plaats en gegeten worden in de volgende plaats.

Hoe de Egyptenaren dieren behandelden, verschilde per streek. Een dier kon vereerd worden in de ene plaats en gegeten worden in de volgende plaats. [TT tekst Fauna] Dieren in het oude Egypte Een Egyptenaar in de oudheid zag veel verschillende landschappen om zich heen, zoals woestijn, moeras en akkerland. Door het hele land stroomde de rivier de Nijl.

Nadere informatie

In het oude Rome De stad Rome

In het oude Rome De stad Rome In het oude Rome De stad Rome In het oude Rome De stad Rome is héél oud. De stad bestaat al meer dan tweeduizend jaar. Rome was de hoofdstad van het grote Romeinse rijk. De mensen die naar Rome kwamen,

Nadere informatie

Verhaal: Jozef en Maria

Verhaal: Jozef en Maria Verhaal: Jozef en Maria Er was eens een vrouw, Maria. Maria was een heel gewone jonge vrouw, net zo gewoon als jij en ik. Toch had God haar uitgekozen om iets heel belangrijks te doen. Iets wat de hele

Nadere informatie

Bijvoorbeeld: Welke dieren er waren. Dat de mensen goed konden tekenen. Van welke stoffen ze verfkleuren maakten.

Bijvoorbeeld: Welke dieren er waren. Dat de mensen goed konden tekenen. Van welke stoffen ze verfkleuren maakten. Antwoorden hoofdstuk 1 1 Jagers en boeren 1 a 15 000 v.c. b 10 000 v.c. c 5000 v.c. 2 3 a Nog nooit waren zoveel oude afbeeldingen bij elkaar gevonden. b Bijvoorbeeld: De schilderingen hebben mooie kleuren

Nadere informatie

Beleef de prehistorie HUNEBEDQUIZ. Door: Nadine Lemmers 1 februari 2016

Beleef de prehistorie HUNEBEDQUIZ. Door: Nadine Lemmers 1 februari 2016 Beleef de prehistorie HUNEBEDQUIZ Door: Nadine Lemmers 1 februari 2016 RONDE 1: HUNEBEDDEN 1. Wat is een hunebed? A. Een graf B. Een huis C. Een opslag D. Weten we niet 2. Hoe oud zijn de Nederlandse hunebedden?

Nadere informatie

10. Gebarentaal [1/3]

10. Gebarentaal [1/3] 10. Gebarentaal [1/3] 1 Gebarentalen Stel, je kunt niets horen. Je bent doof. Hoe praat je dan met andere mensen? Je kunt liplezen, maar dat is moeilijk en je mist dan toch nog veel van het gesprek. Bovendien

Nadere informatie

Soorten bronnen hv123. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

Soorten bronnen hv123. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. Auteur VO-content Laatst gewijzigd 03 October 2016 Licentie CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie Webadres http://maken.wikiwijs.nl/62210 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken

Nadere informatie

Geschiedenis hoofdstuk 3

Geschiedenis hoofdstuk 3 Geschiedenis hoofdstuk 3 Romeinse rijk 500 v Christus 500 na Christus Rome de eeuwige stad : deze stad bestaat al eeuwenlang. De tijdlijn Het Romeinse rijk begint 500v Chr. En eindigt 500 na Christus.

Nadere informatie

2 Er begint een nieuwe periode in de geschiedenis als er veel verandert

2 Er begint een nieuwe periode in de geschiedenis als er veel verandert Antwoordkernen bij Eureka 2mavo-de herziene druk, Amersfoort 2009-2010 Antwoordkernen zijn vrijwel nooit volledige zinnen. Antwoordkernen geven alleen aan, wat er beslist in het antwoord moet staan. De

Nadere informatie

Hoe maak ik een Spreekbeurt?

Hoe maak ik een Spreekbeurt? Hoe maak ik een Spreekbeurt? Stap 1: Kies een onderwerp. Voordat je kunt beginnen met het maken van een spreekbeurt, moet je natuurlijk een onderwerp kiezen. Het hoeft niet perse een hobby van je te zijn,

Nadere informatie

Spreekbeurten.info Spreekbeurten en Werkstukken http://spreekbeurten.info

Spreekbeurten.info Spreekbeurten en Werkstukken http://spreekbeurten.info De Chinese Muur 1. Voorwoord. 2. Wat is de Chinese Muur? 3. Waar ligt de Chinese Muur? 4. Waarom bouwden de Chinezen de Chinese Muur? 5. Hoe bouwden de Chinezen de Chinese Muur? 6. Hoe lang en hoe groot

Nadere informatie

EEN PRINS WORDT EEN HERDER

EEN PRINS WORDT EEN HERDER Bijbel voor Kinderen presenteert EEN PRINS WORDT EEN HERDER Geschreven door: Edward Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: E. Frischbutter en Sarah S. Vertaald door: Erna van Barneveld

Nadere informatie

Limburg tussen staf en troon 1000 jaar graafschap Loon. les 1: Wie waren de graven van Loon

Limburg tussen staf en troon 1000 jaar graafschap Loon. les 1: Wie waren de graven van Loon Limburg tussen staf en troon 1000 jaar graafschap Loon les 1: Wie waren de graven van Loon Na deze les kan je de geschiedenis van het graafschap Loon aanduiden op je tijdbalk; kan je informatie opzoeken

Nadere informatie

Info plus Het leenstelsel

Info plus Het leenstelsel Project Middeleeuwen F- verrijking week 1 Info plus Het leenstelsel Inleiding De Middeleeuwen betekent letterlijk de tussentijd. Deze naam is pas later aan deze periode in de geschiedenis gegeven. De naam

Nadere informatie

Jezus vertelt, dat God onze Vader is

Jezus vertelt, dat God onze Vader is Eerste Communieproject 26 Jezus vertelt, dat God onze Vader is Jezus als leraar In les 4 hebben we gezien dat Jezus wordt geboren. De engelen zeggen: Hij is de Redder van de wereld. Maar nu is Jezus groot.

Nadere informatie

Werkstuk wizard Hulpvragen

Werkstuk wizard Hulpvragen Hulpvragen Hulpvragen dieren Waarnemen Hoe ziet het dier eruit? Hoe beweegt het dier? Welke geluiden maakt het dier? Hoe voelt het dier aan? Hoe reageert het dier op je? Hoe neemt het dier waar? Leven

Nadere informatie

De middeleeuwen. Isabel Vogelezang 10 jaar OBS De Vogelenzang Leonardo Middenbouw Groep 6.

De middeleeuwen. Isabel Vogelezang 10 jaar OBS De Vogelenzang Leonardo Middenbouw Groep 6. De middeleeuwen. Isabel Vogelezang 10 jaar OBS De Vogelenzang Leonardo Middenbouw Groep 6. Inhoud 1.De pest 6. Het kasteel 2. Waarom middeleeuwen? 7.Straffen 3.Belegeringswapens 8.Karel de Grote 4. Kinderen

Nadere informatie

Cubetto s schoolreisje. Boek 2

Cubetto s schoolreisje. Boek 2 Cubetto s schoolreisje Boek 2 Ga voor tips en trucs voor het gebruik van de boeken en kaarten naar primotoys.com/resources Verhaal door Erin Eby. Illustraties door Momo. Vandaag gaat de klas van Cubetto

Nadere informatie

Wat denken de jongens? Trek een lijn naar het denk-wolkje. Het is niet eerlijk, ik ben arm en hij is rijk. Ik wil graag vrienden blijven

Wat denken de jongens? Trek een lijn naar het denk-wolkje. Het is niet eerlijk, ik ben arm en hij is rijk. Ik wil graag vrienden blijven Lees het verhaal Een onmogelijke vriendschap. Zie jij de blanke jongen? Hij heet Olivier. Olivier komt uit Nederland. Olivier woont op Sumatra. Zijn vader is de baas van een plantage. Olivier en zijn familie

Nadere informatie

Een weg door de geestelijke stromingen vragenlijst voor het jodendom. Naam:

Een weg door de geestelijke stromingen vragenlijst voor het jodendom. Naam: Een weg door de geestelijke stromingen vragenlijst voor het jodendom Naam: Het jodendom Hallo, dit is de vragenlijst die hoort bij de website over geestelijke stromingen. Je kunt de website vinden op www.geloofik.nl.

Nadere informatie

Naam: KASTELEN. Vraag 1a. Waarvoor moeten we onze huizen tegenwoordig beschermen? ... pagina 1 van 6

Naam: KASTELEN. Vraag 1a. Waarvoor moeten we onze huizen tegenwoordig beschermen? ... pagina 1 van 6 Naam: KASTELEN Heb jij je wel eens afgevraagd hoe je jouw huis zou verdedigen als anderen het probeerden te veroveren? Nou, vroeger dachten de mensen daarr dus echt wel over na. Ze bouwden hun huis zelfs

Nadere informatie

Ontstaan landbouw vmbo12. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/63442

Ontstaan landbouw vmbo12. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/63442 Auteur VO-content Laatst gewijzigd 20 juni 2017 Licentie CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie Webadres https://maken.wikiwijs.nl/63442 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet.

Nadere informatie

Egypte 5000-3000 jaar voor Christus Gemaakt door Veerle, Eline en Sebastian. Inhoud Les 1. Les 2

Egypte 5000-3000 jaar voor Christus Gemaakt door Veerle, Eline en Sebastian. Inhoud Les 1. Les 2 Egypte 5000-3000 jaar voor Christus Gemaakt door Veerle, Eline en Sebastian Inhoud Les 1 Les 2 Water in de woestijn Woestijn Rivier Vruchtbaar Wonen De seizoenen in Egypte De Nijl overstroomd Zaaien en

Nadere informatie

Les 1: Soorten bronnen. Jantine van der Weiden. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.

Les 1: Soorten bronnen. Jantine van der Weiden. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs. Auteur Jantine van der Weiden Laatst Licentiegewijzigd Webadres CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/106799 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet.

Nadere informatie

9 Vader. Vaders kijken anders. Wat doe ik hier vandaag? P Ik leer mijn Vader beter kennen. P Ik weet dat Hij mij geadopteerd

9 Vader. Vaders kijken anders. Wat doe ik hier vandaag? P Ik leer mijn Vader beter kennen. P Ik weet dat Hij mij geadopteerd 53 9 Vader Wat doe ik hier vandaag? P Ik leer mijn Vader beter kennen. P Ik weet dat Hij mij geadopteerd heeft. P Ik begin steeds beter te begrijpen dat het heel bijzonder is dat ik een kind van God, mijn

Nadere informatie

Heilig Jaar van Barmhartigheid

Heilig Jaar van Barmhartigheid Heilig Jaar van Barmhartigheid van 8 december 2015 tot 20 november 2016 Paus Franciscus heeft alle mensen van de hele wereld uitgenodigd voor een heilig Jaar van Barmhartigheid. Dit hele jaar is er extra

Nadere informatie

verzoeking = verleiden om verkeerde dingen te doen dewijl = omdat wederstand doen = tegenstand bieden de overhand behouden= de overwinning behalen

verzoeking = verleiden om verkeerde dingen te doen dewijl = omdat wederstand doen = tegenstand bieden de overhand behouden= de overwinning behalen Zondag 52 Zondag 52 gaat over de zesde bede. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen. Lees de tekst

Nadere informatie